kaart 6

ste.cocohvteam4.nl

kaart 6

________________________________________

LEERKAARTEN

________________________________________

NAAM: ….

COMMANDERIJCOLLEGE

BOVENBOUW HAVO 2010-2012


INHOUD

Kaart

Titel

1 Je lesboek bekijken

2 Lezen

3 Studeren

4 Opdrachten maken

(exacte vakken)

5 Vergelijking met één onbekende oplossen

6

7

8

Enkelvoudige zin ontleden

Woord benoemen

Documenteren


HALLO LIEVE LEERLINGEN,

Het boekje met leerkaarten dat jullie nu in handen hebben, gaat dit

schooljaar intensief gebruikt worden in havo 4.

Wat bedoelen we met de term ”leerkaart”?

Een leerkaart is een kaart waarop één studievaardigheid behandeld

wordt, bijvoorbeeld “lezen”. Dat is een vaardigheid die jullie

hebben aangeleerd bij één vak (in dit geval bij Nederlands), maar

die je ook moet toepassen bij andere vakken. Het gaat dus om

vakoverstijgende vaardigheden, die je helpen om goed te leren.

Op de voorkant van elke kaart staat de aanpak in grote lijnen, op de

achterkant staat soms een voorbeeld of uitleg van één aspect.

Door alle vakdocenten zal steeds één of twee weken lang aandacht

besteed worden aan één specifieke leerkaart, voor zover van

toepassing. Buiten die weken om kun je de kaarten gebruiken

wanneer je maar wilt.

We willen hiermee bereiken dat

al je docenten gebruik maken van wat jullie al weten en kunnen

en dat ze daarbij op één lijn zitten.

jullie gaan toepassen bij vak B wat je geleerd wordt bij vak A

(transfer of training).

We hopen jullie op deze manier studievaardigheden bij te brengen

waar je de rest van je leven plezier van zult hebben.

Team 4


Je lesboek kaart 1

Bekijk je lesboek(en) en beantwoord de volgende vragen:

1. Hoeveel boeken gebruik je voor dit vak?

2. Wanneer en waarvoor gebruik je de afzonderlijke boeken?

Bekijk elk boek apart:

3. Bekijk de inhoudsopgave: hoe is het boek ingedeeld?

4. Is er een register?

5. Worden er gidswoorden gebruikt?

Gidswoorden zijn woorden onder- of bovenaan de pagina die

duidelijk maken wat het onderwerp op die pagina is.

6. Welke aanwijzingen worden je gegeven met behulp van de layout?

Denk aan kleuren, kaders, gekleurde ondergrond, symbolen.

7. Wordt er verteld wat je moet kennen en kunnen? Waar vind je

die doelstellingen?

8. Worden er verschillende soorten opdrachten gebruikt? Wat is

de bedoeling van de verschillende soorten?

Denk aan instaptoetsen, oefeningen, diagnostische toetsen.

9. Staan er samenvattingen in het boek of word je geholpen bij

het maken ervan?

Waar, hoe vaak?

10. Hoe kom je aan de antwoorden of uitwerkingen van de

opdrachten?

11. Heeft het boek bijlagen? Wanneer en waarvoor gebruik je die?


Lezen kaart 2

Stappen Leesdoel Aanpak

1. Oriënterend

Lezen

(1 minuut)

2. Globaal

lezen

(10 minuten per A4)

3. Intensief

lezen

(tot je alles snapt)

Onderwerp

vaststellen

In grote lijn

weten wat er

in de tekst

staat

De tekst

helemaal goed

begrijpen

Bekijk:

Titel

Plaatjes

Tussenkoppen

Eerste alinea

Laatste alinea

a) Lees de hele tekst door,

zonder te stoppen.

b) Stel de deelonderwerpen

vast: lees eerste alinea,

laatste alinea en eerste en

laatste zin van andere

alinea‟s.

a) Zoek de betekenis van

moeilijke woorden op.

b) Bepaal het onderwerp

definitief.

c) Zoek naar kernzinnen van

alinea‟s en signaalwoorden

die verbanden aangeven.

d) Stel de deelonderwerpen

definitief vast ( let op

tussenkoppen en

witregels).

e) Lees de tekst nog eens

door en probeer alles te

begrijpen per

deelonderwerp.


Studeren kaart 3

Stappen Doel Aanpak

1. leerstof lezen de stof goed

begrijpen

2. studerend lezen de stof

onthouden

(in je

werkgeheugen

zetten)

z.o.z.!

3. toepassen leren werken

met de theorie

en

controleren

of je de stof

begrijpt

4. leren de stof ook op

lange termijn

onthouden

(op je harde

schijf zetten)

5. herhalen hele stof

kennen en

kunnen

toepassen

Volg de stappen op kaart 2 “tekst

lezen”.

Kies hieruit één werkwijze:

Maak vragen over de stof en

beantwoord die op een apart

blad. Je hebt dan een soort

samenvatting. De vragen kun

je gebruiken om jezelf te

overhoren.

Maak een begrippenlijst

Bij instruerende teksten: maak

een stappenplan.

Maak een waaierschema.

a) Maak opdrachten.

b) Kijk ze na en verbeter ze

(liefst met rood).

c) Stel vast wat je niet begreep

en herhaal stap 1 of vraag

uitleg.

d) Stel vast wat je niet wist en

zoek dat op.

a) Lees aandachtig:

aantekeningen en

samenvatting, begrippenlijst,

stappenplan of waaierschema.

b) Zoek op wat je niet meer

begrijpt.

c) Overhoor jezelf of laat je

overhoren.

Herhaal stap 3 en 4, net zo lang tot

je geen fouten meer maakt in de

opgaven en bij het overhoren.


kaart 3 studeren

Stappenplan

Je maakt een stappenplan bij instruerende teksten.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan:

- Hoe maak ik bepaalde opgaven bij

wiskunde/natuurkunde?

- Hoe schrijf ik een betoog?

Stel vast wàt je precies moet kunnen. Zet puntsgewijs, in

chronologische volgorde, onder elkaar wat je moet doen

om het te kunnen.

Voorbeeld: de voorkant van deze kaart

Waaierschema

Je maakt een waaierschema bij leerteksten.

Denk hierbij bijvoorbeeld aan:

- de theorie bij geschiedenis en aardrijkskunde.

Maak een schematisch geheel van hoofdzaken, eventueel

uitgewerkt met bijzaken, details, voorbeelden. Noteer het

onderwerp, maak vertakkingen met deelonderwerpen, maak

daarbij weer vertakkingen, enz.

Voorbeeld:

Aanleiding: …………………….

oorzaken 1. …………….

2……….

begin 1.

WO II 2.

Verloop 1.

2.

3. 3a.

3b.

afloop: ………………..


Opdrachten maken kaart 4

(exacte vakken)

Werk in deze volgorde:

1. Lees de opdracht in zijn geheel door.

2. Schrijf alle informatie uit de begintekst op.

3. Lees deze informatie nog eens door om te controleren

of je deze begrijpt.

4. Combineer deze informatie met elkaar tot nieuwe

gegevens.

5. Lees de vraag en schrijf eventuele nieuwe gegevens

op.

6. Schrijf op wat gevraagd wordt.

7. Controleer of je begrijpt wat gevraagd wordt.

8. Los de opdracht op.

9. Herhaal 5 t/m 8 tot de hele opdracht gemaakt is.

10. Lees de opdracht nog een keer door: controleer of je

niets vergeten bent en of je je wel aan de opdracht

hebt gehouden.


kaart 4 Opdrachten maken (exacte vakken)

Voorbeeld

1. Opdracht:

Een ijshockeypuck van 600 gram krijgt een tik waardoor hij

op t = 0 wegschiet met een snelheid van 6,0 m/s. Er is een

wrijvingskracht van 0,5 N.

a) Bereken hoeveel meter de puck na 1,5 seconde heeft

afgelegd.

b) Bereken de snelheid na 3,5 s.

2. Uitwerking:

gegeven: m = 600 g

v(0) = 6,0 m/s

Fw = 0,5 N

3. Begrijp ik de gegevens?

4. nieuwe gegevens maken

m = 600 g = 0,60 kg

Als Fw = 0,5 N dan Fres = 0,5 eenparig versneld

s(t) = ½.a.t 2 en v = a.t en F = m.a

5. a. extra gegeven: t = 1,5 s.

6. gevraagd: Aantal meter

7. Begrijp ik dit? Aantal meter is s

8. oplossing: F = m.a 0,5 = 0,60.a a = 0,83333

s = ½.a.t 2 = ½.0,833333.1,5 2 = 0,9375

10. oplossing oké: s = 0,94 m

5. b. gegeven: V (0) = 6.0 m/s

6. gevraagd: Snelheid op 3,5 seconde

7. Begrijp ik dit?: v(3,5) = ?

8. oplossing: v(3,5) = v(0) + a.t

= 6,0 – 0,83333.3,5 = 3,083345

10. oplossing oké: v(3,5) = 3,1 m/s


Vergelijking met één kaart 5

onbekende oplossen

Onbekende in de noemer?

JA: Vermenigvuldig met de noemer.

NEE: 1. Kijk welke bewerking op de onbekende

wordt toegepast.

2. Bepaal de tegenovergestelde bewerking.

3. Pas die toe, links en rechts van het =-teken.

4. Is de onbekende vrij?

JA: Schrijf het goede antwoord op.

NEE: Herhaal 1 t/m 4.

Bewerking inverse bewerking

optellen aftrekken

vermenigvuldigen delen

machtsverheffen wortel trekken

exponent logaritme

sinus inverse sinus

cosinus inverse cosinus

tangens inverse tangens

VOORBEELD

vergelijking Inverse bewerking

3x² + 7 = 9 ½ .2

2

3x² + 7 = 19 -7

3x² = 12 :3

x² = 4 √

x = 2 of x = -2


kaart 5 vergelijking met één

onbekende oplossen

Berekening in rekenmachine zetten

Bevat getal een vermenigvuldigingsfactor?

Gebruik de EE-toets.

Bestaat de teller uit meer dan één getal?

Gebruik haakjes.

Bestaat de noemer uit meer dan één getal?

Gebruik haakjes.

Rond de uitkomst op de goede manier af.

Elk vak heeft zijn eigen regels hierover.

Bi, Na en Sk significante cijfers

Wi volgens opdracht

VOORBEELD

6.10 3

R = ---------------- = ?

2.10 5 .1,6.10 -7

Type achtereenvolgens in:

6 EE 3 / ( 2 EE 5 * 1,6 EE -7)

Op het rekenmachine komt dan : 187500

Schrijf dan op: R = 1,9.10 5 Ω


Enkelvoudige zin ontleden kaart 6

Werk in deze volgorde!

1 Persoonsvorm (PV)

2 Onderwerp

let op: in een gebiedende wijs zit geen

onderwerp, b.v. Zit stil

3 Gezegde

4 Verdeel in zinsdelen

5 Lijdend voorwerp

let op: als er een naamwoordelijk

gezegde is, is er nooit een lijdend

voorwerp

6 Meewerkend voorwerp

7 Bijwoordelijke

bepaling

Let op:

Zet de zin in een andere tijd. Het

werkwoord dat verandert, is de

persoonsvorm.

“Wie/wat + pv?”

of: verander de PV van getal. Het

zinsdeel dat dan ook moet veranderen

is het onderwerp.

z.o.z.

Alle woorden die samen voor de PV

kùnnen staan, vormen één zinsdeel.

“Wie/wat + werkwoordelijk gezegde

+ onderwerp?”

let op: het lijdend voorwerp begint nooit met

een voorzetsel

Het meewerkend voorwerp is het

zinsdeel waar je “aan” of “voor” voor

kunt zetten of waar je “aan” of “voor”

voor weg kunt laten als het er al staat.

De zinsdelen die je nu nog overhoudt

zijn allemaal bijwoordelijke

bepalingen. Ze geven extra

informatie, bijvoorbeeld over waar

het gebeurt, hoe, waarom, wanneer.

Er hoeft geen lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp of

bijwoordelijke bepaling in de zin te staan.

In een zin met één PV zit maximaal één lijdend voorwerp, maximaal

één meewerkend voorwerp.

Er kunnen meerdere bijwoordelijke bepalingen in een zin staan.

Voorbeeld: Piet heeft mij gisteren een klap voor mijn kop gegeven.

PV: heeft

Onderwerp: Piet

Werkwoordelijk gezegde: heeft gegeven

Zinsdelen: Piet/ heeft/ mij/ gisteren/ een klap voor mijn kop/ gegeven.

Lijdend voorwerp: een klap voor mijn kop

Meewerkend voorwerp: mij

Bijwoordelijke bepaling: gisteren


kaart 6 Enkelvoudige zin ontleden

Gezegde

Het gezegde en het onderwerp vormen samen de kern van de zin.

Voorbeeld: Gisteren hebben Jane en ik in de personeelskamer de tango gedanst.

PV: hebben

Onderwerp: Jane en ik

Gezegde: hebben gedanst

Zinskern: Jane en ik hebben gedanst.

Werkwoordelijk

gezegde

Zoek alle werkwoorden bij elkaar die samen zeggen

wat er gedaan wordt of wat er gebeurt .

let op: bij die werkwoorden horen ook “aan het”, “te”,

wederkerende voornaamwoorden en voorzetsels (“afstappen”)

Soms heb je dan nog geen zin die iets betekent.

voorbeeld: Jan is. of De vakantie lijkt.

Hier moet nog iets bij, b.v. Jan is arts. of De vakantie lijkt kort. Hier is dan

sprake van een naamwoordelijk gezegde: arts of kort (beide naamwoorden)

zijn nodig om tot een compleet zinnetje te komen .

Naamwoordelijk

gezegde

Naamwoordelijk deel: “Wie/wat + onderwerp +

werkwoorden?”

Er is een naamwoordelijk gezegde als

er een koppelwerkwoord voorkomt: een vorm

van zijn, worden, blijven, heten, blijken (te zijn),

lijken (te zijn), schijnen (te zijn), als dat

werkwoord het hoofdwerkwoord is

Koppelwerkwoorden zijn door elkaar te

vervangen: Jan is arts; Jan blijft arts; Jan wordt

arts.

èn het onderwerp verbonden (gekoppeld) wordt

aan een naamwoord.

Voorbeeld: Jan is arts geweest.

PV: is

Onderwerp: Jan

Werkwoorden: is geweest

Hoofdwerkwoord: geweest (vorm van “zijn”) èn het gaat bij

“Jan” en “arts” om dezelfde persoon: naamwoordelijk gezegde

Naamwoordelijk deel: arts

Naamwoordelijk gezegde: is arts geweest


Woord benoemen kaart 7

lidwoord hoort altijd bij een zelfstandig naamwoord

bepaald lw: de, het (je weet om wie het

gaat)

onbepaald lw: een (je weet niet om wie

zelfstandig

naamwoord

bijvoeglijk

naamwoord

het gaat)

mensen, dieren, dingen, namen

je kunt er altijd een lidwoord voor zetten

voorbeeld: bloem (concreet), verlies

(abstract)

noemt een kenmerk of eigenschap van een

znw

voorbeeld: een hoge boom, de boom is

hoog

werkwoord zegt wat iets of iemand doet

je kunt ze vervoegen

voornaamwoord

z.o.z.

voorbeeld: worden, fietsen, slapen

staat in de plaats van een zelfstandig of

bijvoeglijk naamwoord

bijwoord noemt een kenmerk of eigenschap van een

woord dat geen znw is

voorbeeld: Het brood is heel hard.

verschil met bijvoeglijk nw:

Is dat echt geld? („echt‟ is bijv. nw)

Ik vind jou echt flauw. („echt‟is bijwoord)

voorzetsel geeft vaak een plaats (in, op) , tijd (na,

gedurende) of reden (vanwege, om) aan.

voegwoord verbindt woorden, woordgroepen of

zinnen met elkaar.

voorbeeld: en, maar, want, dus, of

telwoord hoofdtelwoorden noemen een aantal:

twee, dertien, veel, weinig

rangtelwoorden geven een volgorde aan:

tweede, dertiende, laatste, zoveelste

tussenwerpsel vormt geen zinsdeel en staat meestal

voor- of achteraan in de zin.

vaak zijn het uitroepen of

klanknabootsingen

voorbeeld: nou, hè, bah, pats, psst


kaart 7 Woord benoemen

voornaamwoorden

persoonlijk vnw staat in de plaats van een zelfstandig

naamwoord

voorbeeld: ik, mij, jij, jou, hij, hem, zij,

haar, u, we ons, jullie, hun, hen, het

bezittelijk vnw geeft aan van wie iets is

voorbeeld: zijn boek, jullie gezeur

verschil met pers. vnw.: jullie leraar

(bezit.), de leraar van jullie (pers.), jouw tas

(bezit.), de tas van jou (pers.)

aanwijzend vnw wijst iets aan

voorbeeld: die jongen, zo‟n huis, deze hond

betrekkelijk vnw wijst terug

het heeft betrekking op een woord dat

eerder genoemd is. Dat woord noem je het

antecedent.

voorbeeld: Het huiswerk dat je moest

maken, ben je vergeten. Betrek. vnw is

„dat‟. Antecedent is „het huiswerk‟.

vragend vnw vraagt naar een naam, eigenschap of een

detail

voorbeeld:

Wie heeft daar zitten roken?

Wat ligt daar op de grond?

Welk boek was dat?

onbepaald vnw duidt iemand of iets aan, maar zegt niet

precies om wie of wat het gaat

voorbeeld: niemand, iets, niets, alles,

sommige

wederkerend vnw voorbeeld:

Ik was me. (Ik was jou: “jou” is pers. vnw.)

Hij heeft het boek bij zich.

wederkerig vnw voorbeeld: elkaar


DOCUMENTEREN kaart 8

stappen tips

Stel je onderwerp vast. Verander niet te gauw van onderwerp als

je even niet verder komt; ook bij een ander

onderwerp kom je wel een keer vast te

zitten.

Neem je onderwerp niet te ruim (bijv. niet

“criminaliteit”, maar “kleine criminaliteit

van jongeren in Nederland sinds 2005”).

Terwijl je bezig bent met de volgende

stappen, kan het zinvol zijn je onderwerp

nog verder in te perken (“kleine

criminaliteit” kan bijv. alsnog

“vandalisme” worden).

Houd een brainstorm. Dit kan m.b.v. een woordspinnenweb of met

een vragenlijst.

Stel documentatievragen op.

Stel vast welke bronnen je

gaat gebruiken.

Denk ook eens aan een boek of houd eens een

interview met een persoon die ervaring heeft

met je onderwerp. Maak dan wel een verslagje.

Zoek en kopieer bronteksten. Let op de betrouwbaarheid van je bronnen.

Zorg dat de bron volledig vermeld staat op

je tekst.

Maak een bronnenlijst. Je bronnen staan op alfabetische volgorde

van de achternaam van de auteur.

Als je een interview uitschrijft, ben jijzelf

Markeer de antwoorden op je

vragen.

de auteur.

Gebruik voor elke vraag een andere kleur.

Verzamel de antwoorden. Gebruik voor elke vraag een apart A4‟tje.

Noteer bovenaan de vraag.

Zet daaronder de antwoorden. Gebruik

aanhalingstekens als je letterlijk citeert.

Noteer achter elk antwoord het nummer

van de bron en (zo nodig) de persoon in

die bron die het antwoord gegeven heeft.

BEWAAR VRAGEN, BRONTEKSTEN, BRONNENLIJST EN

ANTWOORDEN IN EEN DOCUMENTATIEMAP.

More magazines by this user
Similar magazines