Nederlandsche Journalistenkring Officiëele berichten.

webstore.iisg.nl

Nederlandsche Journalistenkring Officiëele berichten.

No. 555 8 April 1939

Adres voor Redactie:

Flatgebouw Westzeedijk 128 b

Rotterdam (Telefoon 50538)

INHOUD: Jaarvergadering. — Officiëele berichten. — Personalia.

— Uit de plaatselijke vereendgingen. — Binnenland. —• Uit

den ledenkring. — Buitenland. — Herziening Statuten en Huishoudelijk

Reglement (amendementen en preadviezen van het

Kringbestuur).

Nederlandsche Journalistenkring

H.

Algemeene vergadering op Zaterdag

22 April 1939

te Utrecht, in het Jaarbeurs-restaurant,

des middags te 3 uur, zoo noodig

des avonds voort te zetten.

1. Openingswoord van den Voorzitter.

2. Notulen der Algemeene Vergadering van 19 November

1938.

3. Jaarverslagen van den Penningmeester over 1938.

(Zie De Journalist van 1 Maart).

4. Vaststelling van de bedragen:

a. over 1939 te storten uit de Kringkas in de

Weerstandskas (art. 23 H.R.). Het Bestuur

stelt voor het bedrag weder te bepalen op 20 %.

b. over 1939 te storten in de Kas van het Steunfonds

(weduwen en weezen). Het Bestuur stelt

voor het bedrag weder te bepalen op ƒ 100.

5. Benoeming eener Commissie voor het nazien der

Rekening en Verantwoording over 1939.

6. Jaarverslag van den Secretaris over 1938. (Zie

De Journalist van 1 Maart).

7. Verkiezing van een bestuurslid wegens periodieke

aftreding van de heer A. G. Biemond. (De heer Biemond

stelt zich niet herkiesbaar).

Candidaat is gesteld de heer F. J. A. Berding te

Zwolle.

8. Verkiezing van twee leden der Commissie van Advies,

wegens periodiek aftreden van de heeren Mr.

J. J. van Bolhuis en N. D. Kuiper, die aan de beurt

van aftreding, doch herkiesbaar zijn.

9. Verkiezing van een redacteur van De Journalist

en van diens plaatsvervanger, inplaats van de heeren

H. Dekking en G. Polak Daniels, die herkiesbaar

zijn. Bespreking van het beleid der redactie.

Redacteur:

DEKKING.

Adres voor Administratie

Yaillantlaan 523

Den Haag

10. Herziening van Statuten en Huishoudelijk Reglement.

(Zie De Journalist van 1 Maart en elders in dit

nummer).

11. Rondvraag.

Na afloop der middagvergadering biedt de Kring den

bezoekers der vergadering een eenvoudigen maaltijd

aan.

Officiëele berichten.

HENRI DEKKING

Onze Voorzitter-Redacteur van „De Journalist" moet een rustkuur

in het Diaconessenhuis te Rotterdam ondergaan.

Overtuigd de tolk van den geheelen Kring te zijn, wanneer ik

den wensch uitspreek, dat collega Dekking zich weldra weer geheel

aan zijn werk zal kunnen wijden, verzoek ik alles wat voor den

Voorzitter of Redacteur bestemd is, voorloopig aan mij toe te

zenden.

G. POLAK DANIELS.

Schiefbaanstraat 15, den Haag.

(tel. 117029).

BELGISCHE RIDDERORDEN VOOR NEDER­

LANDSCHE JOURNALISTEN

Naar aanleiding van het bezoek van den Koning der

Belgen aan H.M. de Koningin in Amsterdam en den

Haag, heeft koning Leopold aan de Voorzitters van

den Kring, de Amsterdamsche Pers en de Haagsche

Journalistenvereeniging onderscheidingen verleend.

Collega Henri Dekking is benoemd tot commandeur

in de orde van Leopold II, de heeren D. Kouwenaar en

mr. J. J. van Bolhuis tot officier in de Kroonorde van

België.

De waarnemend redacteur weet uit naam van den

Kring te spreken, wanneer hij den Kringvoorzitter, den

(inmiddels oud-) voorzitter van de A. P. en den Voorzitter

van de H.J.V. een hartelijk proficiat toeroept.

KONINKLIJK BEZOEK AAN BRUSSEL

Naar het bestuur van den Algemeenen Belgischen

Persbond mij mededeelt, verwacht het vele Nederlandsche"

journalisten te Brussel, door hun bladen daarheen

gezonden als speciale verslaggevers bij het bezoek van

onze Koningin aan den Belgischen Koning.

Het bestuur van de Brusselsche afdeeling van den

Belgischen Persbond heeft, evenals te onzent de Amsterdamsche

Pers en de H.J.V, zich belast met het


198 DE JOURNALIST

voorbereidend werk ter vergemakkelijking van de taak

onzer collega's.

In overleg met den algemeenen Secretaris van den

Belgischen Bond, den heer L. Duwaerts, verzoek ik

den collega's, die naar Brussel denken te gaan, zich tijdig

te wenden tot den heer Raoul Tack, voorzitter van

de Brusselsche af deeling, Markiesstraat 4 Brussel, die

de leiding van het geheel op zich neemt.

Men zal goed doen dezen oproep nu aanstonds goed

te noteeren, omdat de volgende „Journalist" pas op 1

Mei verschijnt en dat is allicht kort vóór de Konigin

naar Brussel reist.

Perskaarten, spoorwegbiljetten e.d. kunnen dan tijdig

in orde worden gemaakt en men vereenvoudigt de taak

van onze Brusselsche collega's.

H. DEKKING.

BESTUURSVERGADERING.

Het Bestuur vergaderde op 1 April in den Haag. Afwezig

met kennisgeving de bestuursleden Dekking,

Adema en Cohen.

De Voorzitter ongesteld. — De vice-voorzitter, de

heer G. Polak Daniels, leest een brief voor van mevrouw

Dekking, waarin deze ter kennis van het Bestuur brengt,

dat haar man tot zijn groot leedwezen verplicht was zich

ter observatie in een ziekenhuis te laten opnemen en dat

het hem dus onmogelijk is voorloopig aan het Kringwerk

deel te nemen. Dit spijt hem temeer, daar dit werk thans

juist zoo omvangrijk en belangrijk is. Hij roept aller

medewerking in voor collega Polak Daniels, aan wien

thans de leiding moest worden toevertrouwd.

De vice-Voorzitter zegt, dat allen onder den indruk

zullen zijn van de gedwongen afwezigheid van collega

Henri Dekking. Hij brengt verslag uit van een bespreking,

welke hij in het Diaconessenhuis met den Voorzitter

heeft gehad en stelt voor, hem namens Bestuur

en Gedelegeerden telegrafisch een spoedig herstel toe

te wenschen. Aldus besloten. Een bloemengroet was

reeds door het Dagelijksch Bestuur gezonden.

Notulen. — De notulen van de vorige bestuursvergadering

worden gelezen en goedgekeurd.

Candidaturen. — Ecnige candidaten worden tot het

Kringlidmaatschap toegelaten. Omtrent één candidaat

zullen nadere inlichtingen worden ingewonnen. Een candidaat

wordt afgewezen.

Bestuursverkiezing. — De Oostelijke Pers heeft in de

vacature, ontstaan door het verzoek van collega Biemond

om niet voor een herbenoeming in aanmerking te

komen, candidaat gesteld collega F. J. A. Berding,

secretaris der O. P. Reeds kwam van Friesland en den

Haag bericht in, dat zij deze candidatuur'steunen.

Voorzitter Groningen. — Naar aanleiding van een

brief van collega J. Leeninga te Groningen, waarin deze

mededeelt zijn journalistieke functie neer te leggen wegens

zijn benoeming tot directeur van het bureau van

Vreemdelingenverkeer en Centraal Initiatiefbureau,

spreekt de Voorzitter een woord van dank voor alles wat

collega Leeninga voor den Kring en de Pers heeft gedaan.

Steun aan vluchtelingen. — Ingekomen is een verzoek

van de F.IJ. om een extra-bijdrage voor steunverleening

aan collega's, die om hun politieke overtuiging of ras,

hun vaderland zijn ontvlucht. Besloten wordt hiervoor

ƒ 100.— beschikbaar te stellen.

Uitstapje en noenmaal. — Voorloopige besprekingen

worden gevoerd over een uitstapje en een noenmaal.

Een onzer plaatselijke vereenigingen wil probeeren dit

jaar een uitstapje te organiseeren.

Kascommissie. — Daar de leden der voor 1939 be­

noemde kascommissie Rogge en Wildenberg overleden,

resp. tot lid van het Bestuur benoemd zijn, worden in

hun plaats tot lid van deze commissie benoemd collega's

J. C. Posch te Amsterdam en J, E. van der Wielen in

den Haag.

Pers-instituut. — Besloten wordt, dat de Penningmeester,

collega Schraver en collega van Overbeek zullen

deelnemen aan een conferentie ter voorbereiding

van de stichting van een Nederlandsch Pers-instituut.

Het Bestuur zal aan de algemeene vergadering een

machtiging vragen om dit instituut te steunen met een

bijdrage ineens en een jaarlijksche bijdrage.

Salariëering. — Van Haarlem zijn gegevens ingekomen

omtrent de salariëering aan de daar verschijnende

bladen. Met leedwezen wordt geconstateerd, dat de

salariëering te Haarlem niet voldoet aan de normen,

door Directeuren- en Journalistenvereenigingen overeengekomen.

De gegevens worden in handen gesteld

van onze gedelegeerden in de Economische Commissie.

Statuten- en reglementsherziening. — Een groot aantal

amendementen op de concepten van het Kringbestuur

is ingekomen. De houding van het K.B. tegenover deze

amendementen wordt vastgesteld. Het K.B. heeft daarbij

als richtsnoer aangenomen, dat dient vastgehouden

te worden aan den organisatievorm, welke als compromis

is tot stand gekomen. (Zie elders in dit nummer).

Verschooningsrecht. — Ingekomen is het rapport van

de commissie van Vierssen Trip-Rooy. Een bespreking

van de vraag, welke houding de Kring verder tegenover

het probleem van het verschooningsrecht zal aannemen,

wordt tot een volgende bestuursvergadering aangehouden.

OECONOMISCHE COMMISSIE.

Het Kringbestuur heeft bericht ontvangen, dat de

oeconomische commissie, samengesteld uit de vertegenwoordigers

van de Ned. Dagbladpers, de Ned. R.K.

Dagbladpers, den Nederlandschen Journalistenkring en

de Nederlandsche R.K. Journalistenvereeniging op 6

Maart is geïnstalleerd.

De heer Th. M. Houwert (Enschede) heeft het voorzitterschap

op zich genomen, het secretariaat is in handen

gesteld van mr. H. F. A. Geise, Lorentzkade 23,

Leiden.

Leden van den Kring en besturen van plaatselijke

vereenigingen, die zich te beklagen hebben over- of op

de hoogte zijn van misstanden op het gebied van naleving

der salaris- en arbeidsregelingen, kunnen klachten

en opmerkingen via den secretaris van het Kringbestuur

tot de commissie richten.

STEUNFONDS.

De Penningmeester maakt met dankbaarheid gewag

van een gift van ƒ 100, een van ƒ20, een van ƒ25 en

een van ƒ 50, ontvangen door bemiddeling van collega

L. Schotting, benevens van een gift van ƒ 5 van een der

gedelegeerden in het Kringbestuur.

SPOORWEGREDUCTIE OP 22 APRIL

De Nederlandsche Spoorwegen, die den laatsteh tijd

blijk hébben gegeven het publiek zooveel mogelijk van

dienst te willen zijn, besloten na overleg met een 'der

bestuursleden van de Utrechtsche Pers, een niet onaanzienlijke

reductie te verkenen op de retours van die

leden van den Nederlandschen Journalistenkring, welke

onze jaarlijksche vergadering op 22 April te Utrecht

zullen bijwonen.

Genoemde reductie is tweeledig. Men kan op een ge-


middelde korting van 33 % rekenen, wanneer de reis

Zaterdag weer op de plaats van herkomst eindigt. Wil

men tot Zondag in Utrecht blijven en daarna teruggaan,

dan bedraagt de korting iets minder. We herinneren

onze leden er aan, dat Zaterdags geen nachttreinen

loopen, zoodat men op de gewone verbindingen

is aangewezen.

Als voorbeeld, hoe deze reductie voor enkele plaatsen

in de practijk zal werken, noemde men ons het

traject Groningen-Utrecht, dat 194 kilometer bedraagt.

De normale retourprijs derde klas Utrecht is ƒ 6.35. Wil

men op Zondag terugreizen, dan moet er ƒ 8.30 voor

betaald worden. De thans toegestane korting zal het

mogelijk maken voor ƒ4.13 uit en thuis te komen, mits

men Zaterdag teruggaat. Voor den Haag bedraagt het

verschuldigde tarief ƒ2.— retour (Zaterdag terug) en

ƒ 2.30 wanneer men het verblijf tot Zondag rekt. Haagsche

collega's, die op 22 April naar Utrecht komen en

denzelfden dag de residentie weer opzoeken, zijn slechts

ƒ 1.47 verschuldigd.

Bovenstaande faciliteiten worden slechts verleend

wanneer de betrokkene den bon, die in dit nummer van

,,De Journalist" wordt bijgevoegd, aan het loket, waar

de reis aanvangt, vertoont en laat afstempelen.

Wij zijn de Nederlandsche Spoorwegen voor deze

coulante houding ten zeerste erkentelijk, omdat hierdoor

een uitzondering wordt gemaakt op den regel, die zulke

kortingen slechts toestaat bij een deelneming van ten

minste 300 personen. Onze Utrechtsche coilega heeft

dit aanta! echter niet kunnen garandeeren en de besprekingen

gevoerd op een basis van 100 a 120 leden. Wij

hopen intusschen dat, gezien het belang van de a.s.

vergadering, een groot aantal leden op 22 April naar

Utrecht zal gaan.

SCHRIJFMACHINES OVER DE BELGISCHE

GRENS

Van een onzer leden ontvingen wij een klacht, dat de

Belgische douane den laatsten tijd bezwaar maakt een

schrijfmachine, welke een journalist bij zich heeft, vrij

over de grens te laten.. Vooral voor verslaggevers van

internationale wedstrijden wordt dit als een bezwaar

gevoeld.

Wij hebben naar aanleiding van deze klacht een stap

bij onze Belgische collega's gedaan, met verzoek bij de

bevoegde autoriteiten te willen bemiddelen.

Naar aanleiding hiervan mocht ons Bestuur van den

Beroepsbond van Belgische sportjournalisten bericht ontvangen,

dat de Voorzitter van dien bond, de heer H.

Fernand Germain, bij de bevoegde diensten de noodige

stappen heeft gedaan, opdat Nederlandsche journalisten,

die met hun schrijfmachine over de Belgische grens

moeten, het niet te lastig zullen hebben. Hij heeft de

belofte gekregen, dat aan de douane-bureaux, Esschen

voor het spoorwegverkeer en Wuustwezel voor het autoverkeer,

de noodige wenken zouden verstrekt worden.

Wij betuigen onzen Belgischen vrienden oprechten

dank voor hun geslaagde bemiddeling.

LEDENLIJST.

Aangenomen als gewoon lid:

K. Sikkema, Axb. pers, Ferd: Bolstraat 121, Huizum

(Fr.)

Aangenomen als buitengewoon lid:

P. Bromberg, versch. bh, BotticeMistr. 5, Amsterdam

Z.

Voorgedragen als gewoon lid:

W- Wijga, Arb. pers, Stationsstr. 12 B, Utrecht.

;W- A. van Krieken, Tielsche Ct., Weerstr. 27, Tiel.

A. R. Jonker, versch. bh, Engweg 9, Lunteren.

D. J. Rekke, Amersf. Ct., Jozef Israëlsstraat 3, Amersfoort.

DE JOURNALIST 199

J. Stigter, versch. bh, Vermeerstraat 118, Amersfoort.

H. J. Stuvel, Ver. Persb., Waldeck Pyrmontlaan 15,

Rijswijk (Z.H.).

H. Nijland, Alg. Hbld., Vischstr. 4, IJmuiden.

P. J. Ricardo, Alg, Hbld., Hondecoeterstr. 4, Amsterdam

Z.

H. J. J. Marinus, Lltr. Volksbl, Justus van Effenstraat

23, Utrecht.

Bedankt als gewoon lid:

Mej. mr. J. van der Meulen, Overveen (wegens uittreding

uit de journalistiek).

H. Grelinger, den Haag (idem).

Overleden:

J. H. Rogge te Amsterdam.

Bedankt als buitengewoon lid:

M. van Santen te Amsterdam.

Overgeschreven van gewoon naar buitengewoon

lid:

J. J. Leeninga, Groningen.

J. G. A. van Zijst, Chalet ,,La Fenestrelle", St. Martin-Vésubie

(Alp. Mar., Frankrijk).

Adresverandering en verbeteringen:

A. Ricardo naar Schiefbaanstraat 24, den Haag.

W. J. M. H. Asselbergs naar Lomanstraat 73, Amsterdam.

Dr. J. F. Otten naar Boschbesstr. 105, den Haag.

J. A. Wolf naar Paterswoldsche weg 40b, Groningen.

D. C. Seip naar Statenweg 55a, Rotterdam.

J. P. A. de Monyé naar Nachtegaalstraat 39 bis,

Utrecht.

K. Sikkema naar Marnixstraat 356, Amsterdam C.

Ko Zweeres naar Merckmanstraat 5. Haarlem.

D. A. Anema naar Rijnegomlaan 17, Aerdenhout.

G. H. ter Stege naar Nieuwstraat 12 bov., Hengelo.

T. Y. Kingma Bokjes naar Flatgebouw van Stolkweg,

den Haag.

Joh. C. C. Dell naar Hobbemakade 59, Zutphen.

B. B. Faber naar Frankenslag 86, den Haag.

B. M. Schilperoort naar van Weelstr. 15, Rotterdam

W.

K. D. Koning naar Doorniksche straat 4, den Haag.

G. B Rebel naar Joh. Vermeei straat 19, Arnhem.

H. D. F. Meiners naar Zwaardemakerstraat 8, Bussum.

H. de Jongh naar Boulevard Bankert 14, Vlissingen.

Gevraagde adressen:

Wie kan het secretariaat van den Kring (Schiefbaanstraat

15, den Haag) helpen aan de nieuwe adressen

van:

H. Kemp (vorig adres Sweelinckplein 3, den Haag).

J. Polak (vorig adres Huizerweg 19, Bussum).

PERSONALIA.

A. C ROCHAT

Op den lsten April verliet een bekwaam en in elk

opzicht respectabel vakgenoot zijn krant: A. C. Rochat

ging van het Utrechtsch Dagblad met pensioen heen.

Ook de Kring verliest een man van beteekenis en

een prettig kameraad. De ouderen onder ons, die door

hun blad op groote reportage werden uitgezonden,

hebben dikwijls Rochat van het U.D. ontmoet, steeds

opgewekt, hartelijk, deelnemend.

Meestal lezen we eikaars verslagen niet, maar als we

't die van Rochat wel deden, waardeerden we den trouw,

de rust en de degelijkheid van zijn reportage.

Zijn leven was bewogener dan dat van de meeste

onzer.

Hij werd op 6 Mei 1880 te Bergen op Zoom gebo-


2 00 DE JOURNALIST

ren en na kostschoolonderwijs en een H.B.S.-opleiding,

werd hij op 1 Jan. 1898 verbonden aan het Utrechtsen

Dagblad, zoowel voor administratief werk als voor redactie-werk,

wat zich weldra uitsluitend bepaalde tot

redactioneel werk. Mét ingang van 1 Januari 1899 volg­

de zijn benoeming aan het Intern. Telegraaf Agentschap

Hollando-Belge te Amsterdam, in 1900 tot redacteur-verslaggever

aan de Amsterdamsche Courant

(Het Geeltje), in welke qualiteit hij tevens Amsterdamsch

correspondent was van de toen pas opgerichte

Nieuwe Courant. In 1901 is hij overgegaan naar de

redactie van het dagblad De Echo, speciaal voor verslaggevers-werk.

In 1903 werd hij verbonden aan de

redactie van Het Algemeen Handelsblad, waar hij drie

jaar redacteur binnenland in den nachtdienst was, terwijl

hij in de dag-redactie (men kende toen drie weken

nachtdienst en ter afwisseling twee weken dag-dienst),

verslaggever was. In 1907 kwam hij terug bij de redactie

van het Utrechtsch Dagblad, thans als chef-verslaggever.

In 1908 werd hij benoemd tot redacteur bij

het Analytisch Tweede-Kamerver slag, waarvan bij de

oprichting Zoethout directeur werd en Stokvis en Rochat

de eerste redacteuren. Rochat bedankte evenwel

voor deze benoeming in staats-dienst, omdat hij vreesde

voor goed de reportage te zullen missen in zijn beroep,

waartoe hij zich toch het meest aangetrokken gevoelde.

In 1910 benoemd tot hoofd-redacteur aan de Alkmaarsche

Courant, bedankte hij daarvoor, hij bleef het U.D.

voorgoed trouw.

Toen in 1926 het maandblad „Rotary-N ederland"

werd opgericht, als officieel orgaan van het Nederlandsche

Rotary-District, werd Rochat aangezocht zich met

de redactie van dit tijdschrift te willen belasten, als lidjournalist

van de Utrechtsche Rotary-club. Sedert dien

is hij van dit maandblad redacteur gebleven.

In Utrecht heeft hij zich bewogen op velerlei maatschappelijk

terrein: hij is bestuurslid (vice-voorzitter)

geweest van de vereeniging tot bevordering van den

Volkszang; bestuurslid (secretaris) van de Vereeniging

tot Eerste Hulp bij Ongelukken; bestuurslid (voorzitter)

van de vereeniging tot bescherming van dieren; lid

van het hoofdbestuur van de Nederl. Vereeniging tot

Bescherming van Dieren te 's Gravenhage; bestuurslid

(vice-voorzitter) van de vereeniging „Het Groene

Kruis"; bestuurslid van de Vereen, tot opvoeding van

de verlaten en verwaarloosde jeugd te Utrecht; bestuurslid

(secretaris) van den Volksbond tegen Drankmisbruik;

oprichter en bestuurslid (voorzitter) van het

Volksconcert-Comité te Utrecht; bestuurslid (secretaris)

van het Comité voor het houden van Openluchtsamenkomsten

voor Vrijzinnig-godsdienstigen in de

provincie Utrecht; bestuurslid (secretaris) van de Remonstrantsche

Gemeente te Utrecht; in de oorlogs-jaren

aitijd werkzaam, overal belangstellend, chef van een der

gemeentelijke keukens tot het verstrekken van volksvoeding;

in dienzelfden tijd redacteur van het gemeentelijk

orgaan voor de publicatie van crisis-mededeelingen

der stad Utrecht.

In Utrecht was hij na 1907 verscheidene jaren correspondent

van het Nieuws van den Dag en de Nieuwe

Courant.

In verband met zijn uittreden uit de journalistiek werd

hij thans benoemd tot eere-lid van de Utrechtsche Rotaryclub,

hij blijft de redactie van het maandblad voeren

in Zoutelande, zijn Zeeuwsch zomerdorpje, waarin

hij zich nu voorgoed gaat vestigen.

Moge hij na een zoo werkzaam veeljarig leven in

Utrecht daar nog lang gezondheid en levensvreugde

vinden. Hij heeft zijn blijmoedig otium wel ten volle

verdiend.

J. J. LEENINGA

Collega J. J. Leeninga, hoofdredacteur van het Groninger

Dagblad te Groningen, is met ingang van 1 April

benoemd tot directeur van het gecombineerde Bureau

van de Stichting Centraal Initiatief Bureau te Groningen

en van de Prov. Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer.

De heer Leeninga zal daardoor genoodzaakt zijn

de journalistiek vaarwel te zeggen waaraan hij — met

onderbreking van de jaren in militairen dienst doorgebracht

— negen en twintig jaar verbonden is geweest.

De laatste zes jaar was hij hoofdredacteur-directeur

van zijn blad.

De heer Leeninga is dus met Groningen samengegroeid

en was door zijn herhaalde aanraking met

autoriteiten en corporaties een man die op de hoogte

was met hetgeen in Groningen gebeurde. Geen wonder

dat men hem als representatief persoon benoemde voor

den mooien arbeid, die de beide bureaux in de toekomst

zullen verrichten. Daar kan, met zulk een man aan het

hoofd, iets goeds van verwacht worden.

Maar het vertrek van den heer Leeninga wordt door

de Groningsche journalisten betreurd. Hij was de

voorzitter harer Vereeniging en als zoodanig niet alleen

een geziene persoonlijkheid, die door zijn collega's hooggeacht

werd, doch tevens een bindende figuur en een

man die naar buiten de journalistiek op waardige wijze

wist te vertegenwoordigen. De Groningsche journalisten

en de Groningsche pers in haar geheel hebben aan

den heer Leeninga zeer veel te danken.

Noode ziet men hem dan ook gaan. Er is echter een

troost bij. De nieuwe functie van den heer Leeninga

zal hem zeker ook in de toekomst nog menigmaal in

aanraking brengen met de vertegenwoordigers van het

gilde, waartoe hij zoo langen tijd heeft behoord.

N. VAN DER VEEN,

Secr. Gron. Journalisten Ver.

J. H. ROGGE f

Trouw aan zijn werk, trouw aan zijn vrienden —

zoo heb ik hem op Zorgvlied geschetst.

Onder zijn werk valt dan in de eerste plaats te verstaan

zijn dagelijksch werk. Begonnen bij het Nieuwsblad

van Nederland is hij daarna jarenlang redacteurverslaggever

van het Persbureau Vaz Dias geweest.

Toen dit in het Algemeen Nederlandsch Persbureau

werd opgenomen, ging hij, met de geheele redactie, mee

over.


Kenschetsend voor zijn plichtsgetrouwheid was dat

hij, tot betrekkelijk kort voor zijn pensioneering, den

branddienst ook 's nachts waarnam. Wie er bij een

brand, tot in het holste van den winternacht, mocht

ontbreken, Rogge was altijd present — met wijlen

Sand. Nu ook wijlen Klein heeft hem deswege bij zijn

aftreding toen hij, met zijn vrouw en zijn twee zoons

onze gast was aan een vriendenmaal, toegezongen in:

„Jan Hendrik en het brandje".

Zijn werk — dat was in de tweede plaats zijn vereenigingswerk,

35 jaar lang — men weet het — is

Rogge met slechts één korte onderbreking, bestuurslid,

en dan steeds penningmeester van de Amsterdamsche

Pers geweest. In den tijd der „paleis-revoluties", toen

er nog al eens een bestuur viel, was er één zwemmer, die

steeds weer uit de felbewogen wateren van het vereenigingsleven

opdook, en dat was Rogge! Hém kon en

wilde men nooit missen.

Dat was niet alleen — men begrijpt dit — omdat hij

zulk een accuraat penningmeester was, hoewel hij —

t is waar — voor een journalist v/el over uitzonderlijke

administratieve talenten beschikte, en daarbij van

een vasthoudendheid was, die een wanbetaler nooit met

rust liet, totdat deze zijn contributieschuld had afbetaald.

Onder Rogge is er nooit één blijvende wanbetaler

in de A. P. geweest.

Maar er was méér; hij had ook andere qualiteiten als

bestuurslid. En daartoe reken ik vooral — behalve dan

de groote ervaring die met de jaren komt, ofschoon

menigeen verzuimt er gebruik van te maken — zijn

rustig, bezonken oordeel. Toen hij afscheid nam uit het

vereenigingsleven — d.w.z. zijn verantwoordelijke post

verliet — (het afscheid kwam eerst door den dood),

heb ik hem den loods genoemd, die het schip verliet.

En zoo was het ook inderdaad; over hoeveel blinde

klippen, over hoeveel zandbanken, heeft hij het journalistieke

Koggeschip veilig en wel heengeloodst in

de 16 jaren dat ik als kapitein op de brug mocht staan,

en reeds daarvóór. Meer dan wie ook had hij recht

op zijn benoeming tot eerelid, èn op de officieele erkenning

van zijn verdiensten: het ridderkruis van de

Oranje Nassauorde.

Een functie in ons journalistieke vereenigingsleven

heeft Rogge tot het laatst toe bekleed, en dat was die

van voorzitter van het bestuur van de Stichting Het

Nederlandsch Pers-Museum. Dat was al een oude liefde

van hem, dagteekenend uit den tijd, toen het Museum

pas door D. A. van Waalwijk gesticht was en

ondergebracht in het gebouw van het Nieuwsblad van

Nederland, onder den aartsverzamelaar A. Th. Hartkamp

als conservator. Rogge heeft van het begin af

in het bestuur van de stichting gezeten, eerst als secretaris,

later als voorzitter. Maar hij is er altijd de

ziel van geweest. Hij was het die, tot het laatste toe,

DE JOURNALIST 201

persoonlijk de dossiers van het Museum bijhield. Dat

was ook zoo typeerend voor hem, die stille bescheiden

werkzaamheid achter de schermen, zonder eenige schittering

naar buiten.

Het vorig jaar nog hebben wij tot tweemaal toe, een

beroep op zijn beproefde krachten mogen doen; bij de

geboorte van prinses Beatrix en bij het regeeringsjubileum

van de Koningin. Beide malen was hij chef van

het door de A. P. ingestelde pers-bureau. Wekenlang

heeft hij die verantwoordelijke functie in Baarn vervuld,

even goed als de jongeren deelnemend aan de

nachtwake. En hij week niet van zijn post. Wij moesten

hem haast dwingen een enkele maal naar huis te gaan.

Zóó was Rogge — ik herhaal het — trouw aan zijn

werk en trouw aan zijn vrienden. Rogge had iets

stuursch over zich. Maar wij die hem goed kenden,

wisten dat hij een warmkloppend hart had, een gevoelige

natuur, diep verborgen. En zóó zullen wij aan

hem blijven denken!

A. G. BIEMOND

KOUWENAAR.

Aan ons bestuurslid den heer A. G. Biemond is op

zijn verzoek met ingang van 1 Juli eervol ontslag verleend

als hoofdredacteur van de Zutphensche Courant.

Tot zijn opvolger is benoemd de heer G. C. Schillemans.

Tot redacteur van de Deli Courant is benoemd de

heer F. A. Bouvy, vroeger verbonden aan de redactie

van het Utrechtsen Dagblad.

In de Amsterdamsche journalistenwereld is een collegiaal

huwelijk gesloten. De l^o/fc-redacteur Piet Donker

is getrouwd met de aan dezelfde redactie verbonden mej.

Inge Rutgers, dochter van ds. A. R. Rutgers, Ned. Herv.

predikant te Rotterdam. Ook de getuigen waren journalisten

en de overige belangstellenden eveneens.

Uit de plaatselijke vereenigingen.

DE AMSTERDAMSCHE PERS

DE POSITIE VAN DE PERS IN ONZEN TIJD

Beschouwingen van den voorzitter van de A.P.,

collega G. P. J. v. Overbeek

Voor een goed bezochte ledenvergadering heeft de voorzitter van

„De Amsterdamsche Pers", collega G. P. J. van Overbeek, een

inleiding gehouden over de positie van de pers in onzen tijd! Het

vraagstuk van de economische positie van den journalist, dat nog

betrekkelijk kort geleden in discussie was geweest, ditmaal slechts

terloops behandelend, zette de inleider uiteen, dat de nog altijd

onbevredigend te achten bestaansvoorwaarden van den Nederlandschen

dagbladschrijver, z.i. vooral aan een drietal oorzaken moeten

worden toegeschreven. Deze zijn allereerst het ontbreken van een

behoorlijk geregelde rechtspositie. Daarnaast laat zich onmiskenbaar

de invloed gelden van het ontbreken van een opleiding van

den journalist, met als gevolg, dat maar van allerhand tot het

vaak wordt toegelaten. De beunhazerij tiert welig en de belooning

is navenant. Hier treft den journalisten stellig ook blaam. Te weinig

waarde heeft men tot dusver aan den opleidingsfactor toegekend,

terwijl ook nog vrijwel niets is ondernomen om te geraken tot een

meer omlijnden beroepsstand, met een bepaald maatschappelijk

niveau, als, bijvoorbeeld, het beroep van den medicus, den advocaat

en den architect. Als derde bestanddeel in de trits van factoren

die een goede ontwikkeling van de positie van den journalist belemmeren,

noemde spr. het feit, dat in Nederland een te groot aantal

dagbladen wordt uitgegeven, waardoor allerlei dagbladondernemingen

m stand worden gehouden, die economisch in de onmogelijkheid

verkeeren een redelijk salaris uit te betalen. Ordening aan

twee kanten is dus geboden: zoowel in de wereld der dagbladschrijvers,

als in die der dagbladondernemers. In dit verband'wilde

spr. niet nalaten op te komen tegen de z.i. onjuiste opvatting als

zou, bijvoorbeeld, de invoering eener collectieve arbeidsovereenkomst

m strijd zijn met de waardigheid van het beroep. Straffe

beroepsordening kan onontbeerlijk zijn juist ter verheffing of ter

handhaving van het peil der beroepsbeoefenaren. De Bond van

Nederlandsche Architecten en de Mij. ter bevordering van de Geneeskunst

zijn hiervan twee overtuigende voorbeelden Beiden

grijpen diep in de individueele vrijheid hunner leden, zoowel wat


202 D E JOURNALIST

betreft de wijze van uitoefening van hun beroep, als ten aanzien

van de geldelijke voorwaarden, waaronder zij hun taak mogen

en kunnen verrichten. Wat voor den architect en den medicus in

ons land goed genoeg is, behoeft de journalist zeker niet te versmaden.

De economische kant van het probleem ditmaal niet dieper uitwerkend,

vroeg spr. vervolgens de aandacht voor de aanraking

tusschen pers en overheid. Of met andere woorden gezegd: stijgt of

daalt het publiek aanzien der pers? Slaat men de ontwikkeling

gedurende de laatste halve eeuw gade, dan is er zeker geen reden

tot klagen. Niettemin bestaat nog altijd een zekere stille spanning,

met name tusschen overheid en pers. In de oogen der overheid

is de pers neg te vaak een lastige, bemoeizieke indringster. Men

is haar ter wille, omdat men haar niet zelden noodig heeft, of om

last te voorkomen, doch een wezenlijke genegenheid ontbreekt. De

pers van haar kant maakt het hier ook wel eens naar, met een

zeker soort „nieuwtjesjagerij", welke met het brengen van belangrijke

informaties weinig meer te maken heeft en waarbij het algemeen

belang wel eens in de verdrukking komt.

Doch, afgezien hiervan, moet het als een leemte worden beschouwd,

dat de positie van de pers in het maatschappelijk bestel

nog steeds te weinig omschreven is, nog al te zeer in de lucht hangt.

Ten deele ook met het oog op mogelijke reacties op dictatoriale

ontwikkelingen elders, is het zaak aan dit punt goede aandacht te

schenken.

In België is een staatsrechtcommissie aan het werk, waarin eminente

juristen zitting hebben, die geprobeerd hebben een omlijning

te vinden voor de positie van de pers door de gedachte te opperen,

dat zij als een vierde macht in den staat kan worden beschouwd,

naast het erkende drietal: wetgevende, uitvoerende en rechterlijke

macht. Dit is een suggestie, die wijde perspectieven opent.

Ontegenzeggelijk speelt het publiciteitswezen een grooter rol

dan ooit. Dat heeft met name het Duitsche nationaal-socialisme

zeer ter dege beseft. Daar is het publiciteitswezen tot een gewichtige

machtsfactor in den staat verheven. Met het sreven naar

totaliteit en met de daaruit voortvloeiende verloochening der machtenscheiding,

is uiteraard de persvrijheid verdwenen. Dat wil zeggen:

het begrip heeft een geheel anderen en voor ons totaal onaanvaardbaren

inhoud verkregen. Met dit al is het nationaal-socialistisch

verwijt, dat onze pers niet vrij is, niet geheel onjuist. Belangengroepen,

adverteerders krijgen meer dan vroeger gedaan en ook

zeer willekeurige persoonlijke invloeden kunnen een rol spelen.

Hiertegenover staat echter de natuurlijke zelfcorrectie, die een

vrije samenleving mogelijk maakt. Toch ligt hier een aspect van

het publiciteitsvraagstuk, dat niet uit het oog mag worden verloren.

Treffend juist acht spr. de positie onzer moderne pers gekenschetst

in de door Georges Renard gebezigde term: koninginslavin.

Ook de ontwikkeling van de moderne nieuwstechniek heeft bepaalde

spanningen in het leven geroepen. De informaties zijn snel,

talrijk en vaak zeer suggestief: ons weten wat er werkelijk in de

wereld voorvalt, staat echter hopeloos ten achter bij onze verspreidingsmogelijkheden.

Als oorzaken daarvan kunnen verschillende

factoren worden aangewezen. Bronnenvergiftiging en onder bepaalde

invloeden staande persbureau. De Times schreef dezer

dagen: geen blad, dat zichzelf respecteert, zal zich voor zijn informaties

bepalen tot hetgeen de nieuwsbureaux mededeelen. Dan is er

nog de zwijgzaamheid der overheid: het verschijnsel van den

„special", die tot eiken prijs zijn kosten goed moet maken, ook

al moet er dan een vruchtbare duim bij tepas komen; onvermogen

tot onbevangen waarneming bij den verslaggever, enz.

Kortom: een heele reeks van factoren, die de spanning tusschen

waarheid en publiciteit vergroeien.

Als wij tegen deze achtergronden de gedachte blijven stellen van

een publiciteitswezen, dat als vierde macht in den staat heeft te

fungeeren, dan zal het ons duidelijk zijn, dat wij, bij een handhaving

onzer persvrijheid, nochtans aan een zekere binding en

ordening van beroep niet kunnen ontkomen.

Hiervoor is studie der beroepsproblemen vereischt; zeker niet in

de laatste plaats door de journalisten. Zeer te betreuren is het dan

ook, dat in Nederland nog te weinig wordt gedaan aan de beoefening

van de dagbladwetenschap en de plannen tot voorbereiding

van een hieraan te wijden instituut moeten dan ook, zij het als een

eerste en bescheiden stap, met voldoening worden begroet.

Van veel belang acht spr. het, dat de journalisten ook naar buiten

hun positie duidelijk stellen. Hun zaak is een publieke zaak. Zij

moeten werken voor erkenning van de publiciteit als een belangrijk

democratisch orgaan van openbare controle, dat onafhankelijk is

van de overheid, maar ook van ongecontroleerde of onbekende

invloeden. Een krant, waarvan niet duidelijk kenbaar is, wat men

aan haar heeft, van welke zijde zij gefinancierd wordt, noemt spr.

in een welgeordend democratisch staatsbestel onaanvaardbaar en

wetgeving op dit punt acht hij gewenscht.

Als orgaan van de publieke controle kan de krant tegenover de

overheid eischen stellen; deze is verplicht haar, binnen de grenzen

van eigen verantwoordelijkheid voorlichting te geven en moet ook

het toelaten van de pers bij openbare gelegenheden niet als een

gunst, maar als haar recht beschouwen, omdat de pers het publiek

vertegenwoordigt in wier naam de overheid functionneert.

Eerst bij algeheele bevrijding van het dagbladwezen van ongewenschte

economische bindingen en, bij ordening in eigen kring,

zal de vrije pers haar rol als vierde macht in den staat in waarheid

kunnen vervullen.

Op de inleiding volgde een levendige gedachtenwisseling. Daarbij

werd gewezen op de vercommercialiseering van het dagbladwezen

ïn de gevaren, die een geraffineerde voorlichtingstechniek kan op­

leveren, wat betreft het geven van een ongewenschte voorlichting

aan den lezer. Alleen als „achting voor den lezer" het criterium

blijft, kunnen deze klippen worden omzeild.

Een ander debater legde den nadruk op den eerbied, dien men

aan de overheid is verschuldigd, terwijl de vrees werd geuit, dat

wettelijke regelingen de vrijheid der pers zouden kunnen aantasten.

Daarentegen vond de gedachte eener collectieve arbeidsovereenkomst

ondersteuning, terwijl voorts nog op verschillende misstanden

werd gewezen, o.a. het nadrukken van primeurs, zonder bronvermelding.

Ook de opleiding van den journalist en de ordening van

het beroep vonden een nadere bespreking. Kortom het werd een

opgewekte gedachtenwisseling, waaruit ten zeerste bleek hoezeer

de aan de orde gestelde problemen de geesten bezig houden.

JAARVERGADERING HAAGSCHE

JOURNALISTENVEREENIGING

De Haagsche Journalistenvereniging hield den 22en

Maart haar jaarvergadering, onder leiding van den voorzitter

Mr. J. J. van Bolhuis.

Het jaarverslag van de secretaresse werd goedgekeurd,

evenals het financieel verslag van den penningmeester,

C. Wildenberg. In de kascommissie voor 1939 werden

benoemd de heeren mr. J. C. de Wit, Q. de Ridder en

G. J. Lammers, en tot plaatsvervangend lid de heer

C. A. Crayé. In het bestuur werden herkozen de heer

K. Voskuil en mej. E. J. Belinfante. Tot gedelegeerde

en plaatsvervangend gedelegeerde bij het Kringbestuur

werden herkozen de heeren K. Voskuil en J. M. A.

Kroes. Bij de behandeling van de agenda van de Kringvergadering

werd besloten voor de bestuursvacature te

steunen den candidaat van de ,,Oostelijke pers", den

heer Berding.

Er waren op de voorstellen tot herziening van Statuten

en Huishoudelijk reglement een groot aantal amendementen

ingekomen, terwijl het bestuur zelf ook met

verscheidene amendementen kwam. De meeste werden

zonder uitvoerige bespreking goedgekeurd. Men besloot

wat de groepsvorming betreft vertrouwen te stellen in

het Bestuur, maar sprak toch den wensch uit, dat het

aantal leden van de groepen, die vertegenwoordigd zullen

zijn in het Kringbestuur niet beneden de 20 zal

zijn.

In het bijzonder werd gepleit voor de mogelijkheid om

het contact met de Indische leden te bevorderen. Men

achtte het niet wel mogelijk deze ook in een groep te

vereenigen, die in het Bestuur vertegenwoordigd zou

zijn, maar achtte het wel overweging waard, dat Indische

leden, die met verlof in Nederland vertoefden, in

staat zouden worden gesteld bestuursvergaderingen bij

te wonen. Ook werd de wenschelijkheid bepleit de Indische

Commissie, die nooit geconstitueerd werd, te constitueeren

en nieuw leven in te blazen.

Bijzondere aandacht werd mede gewijd aan de pensioenverzekering,

naar aanleiding van een later ingetrokken

voorstel, een deel van de rente van de weerstandskas

te doen gebruiken voor propaganda voor de

weerstandskas. Dit denkbeeld vond geen steun, maar

wel achtte men het wenschelijk de aandacht van de

jongeren, die het belang van de verzekering niet zoo

inzien, te vestigen op de mogelijkheid van een gemengden

vorm van verzekering, waarbij pensioen en kapitaalverzekering

ten bate van het gezin gecombineerd zijn.

Het resultaat van de verdere besprekingen is neergelegd

in de amendementen.

+ *

Als candidaat-lid heeft zich aangemeld de heer }.

Oppenheim.

EMMY J. BELINFANTE,

Secretaresse.

DE UTRECHTSCHE PERS

Zaterdag 25 Maart heeft De Utrechtsche Pers een

ledenvergadering gehouden, waarop belangrijke zaken

zijn afgedaan in verband met de representatieve functie

van de vereeniging. Was op de laatste ledenvergadering

een motie aangenomen, waarin De Utr. Pers verklaarde


de representatie zelf ter hand te nemen, eventueel in

samenwerking met de Groep Midden-Nederland van de

R.K. Journalistenvereniging en de Utrechtsche Sportpers

— thans kon worden medegedeeld, dat contact was

gezocht en verkregen met de organisatie van R.K. collega's,

en dat door elk van de besturen twee leden zijn

aangewezen, die tezamen zullen zoeken naar een definitieven

vorm van samenwerking.

Thans werd door het Bestuur een motie ingediend,

waarbij, mede in verband met de voorloopig verkregen

samenwerking met de R.K. georganiseerde collega's, de

volstrekte onvereenjgbaarheid werd uitgesproken van

het lidmaatschap van De Utrechtsche Pers met dat van

een andere organisatie van journalisten, die het recht

van representatie aan zich zou willen houden.

Nadat collega Van Ostende namens het Bestuur deze

motie op velerlei grond had verdedigd, ontstond een

levendige, vaak warme, en niet altijd elven heldere,

maar toch steeds vriendschappelijke discusie, die meer

dan één gezichtspunt openbaarde, en waarbij wel bleek,

dat wat historisch geworden is, door sommigen niet zoo

gemakkelijk kan worden losgelaten.

Nadat met 12 tegen 5 stemmen was uitgemaakt, dat

de motie niet in strijd met de statuten was, werd vervolgens

de motie zelf aangenomen met >13 tegen 4

stemmen.

De vergadering werd hierna verdaagd tot Woensdagavond

29 Maart, wijl een zeer belangrijk agendapunt,

met name de voorstellen van het Kringbestuur tot

wijziging van Statuten en Huish. Reglement niet meer

aan de orde kon komen.

In deze gemeenschappelijke, meer intieme samenkomst,

hadden wij den gedelegeerde van de Amsterd.

Pers bij het Kringbestuur, v. d. Bergh als gast, wien

door onze vereeniging verzocht was een uiteenzetting

te geven van de beginselen waarop de reorganisatievoorstellen

berusten. Hij deed dit op de hem eigen,

pakkende wijze, waarna in de gedachtenwisseling nog

menig punt werd opgehelderd, of een aan het exposé

tegenstrijdige meening werd gelanceerd. Collega's Van

Noorle Jansen, Dinger en ondergeteekende dienden

amendementen in, die opnieuw stof tot discussie leverden,

en waarbij vooral de zaak van de persvrijheid in

breeden omvang werd behandeld. Het resultaat was dat

ook de jongste Kringafdeeling, met enkele amendementen

op de komende ledenvergadering zal verschijnen.

De vergadering besloot een delegatie van zes leden,

drie bestuursleden en drie gewone leden, naar de Kringvergadering

af te vaardigen, t.w. collega's Dokter,

Schilp, Pohl, Dinger, Koster, v. d. Berg. Deze delegatie

kreeg opdracht de amendementen van de overige afdeelingen

zelfstandig op hun waarde te toetsen.

Nog werd besloten de candidatuur van F. J. A. Berding

(Zwolle) als lid van het Kringbestuur in de vac-

Biemond te steunen.

De Secretaris,

C. A. SCHILP.

JAARVERGADERING „OOSTELIJKE PERS".

Zaterdag 18 Maart vergaderde de „Oostelijke Pers"

te Deventer, waar 16 van de 25 leden uit Overijssel en

Gelderland, alsmede het eerelid der vereeniging, collega

Holsboer, aanwezig waren.

Het jaarverslag van den secretaris gaf collega Holsboer

aanleiding hulde te brengen aan collega Biemond

voor hetgeen deze als bestuurslid van den Kring, zoowel

voor den Kring als voor de O.P. heeft gedaan, een

hulde, waarbij de vergadering zich aansloot.

Het jaarverslag van den penningmeester vermeldde

een batig saldo.

De secretaris werd in de vacature-Biemond candidaat

gesteld voor het Kringbestuur. Vastgesteld werden

eenige amendementen op het voorstel tot herziening

van de Statuten en het H.R. van den Kring, met de

strekking van welk voorstel de O.P. zich kon vereenigen.

Besprekingen over een zomeruitstapje tezamen met

DE JOURNALIST 203

de Journalisten Ver. „Friesland" leidden tot het voorloopig

resultaat, dat een commissie werd benoemd, die

een plan tot een twee-daagsche excursie naar de Veluwe

zal uitwerken.

Een gemeenschappelijke maaltijd hield de bezoekers

der vergadering na afloop hiervan nog eenigen tijd gezellig

bijeen.

De secretaris,

F. BERDING.

JOURNALISTEN-VEREENIGING „FRIESLAND"

De Journalisten-Vereeniging „Friesland" heeft candidaat

gesteld voor het lidmaatschap van het bestuur

van den Kring (in de vacature-Biemond) den heer F.

J- A.^ Berding te Zwolle, secretaris van de „Oostelijke

Pers".

De amendementen op Statuten en Huishoudelijk Reglement,

door de „Oostelijke Pers" voorgesteld, worden

door de vereeniging gesteund.

BINNENLAND.

MISDAAD EN PERS

Proefschrift van K. W. P. Klaassen

Aan de Utrechtsche Hoogeschool is op den lsten

dag van Maart tot doctor in de rechtsgeleerdheid gepromoveerd

de heer K. W. P. Klaassen op een proefschrift

„Misdaad en Pers".

Het is een zeer geslaagd werk over een deel van ons

journalistieke vak geworden, samengesteld — naar uit

het dankbaar Voorwoord blijkt — o.m. met de medewerking

van Dr. N. Muller te Amsterdam, Dr. B. V.

A. Röling te Utrecht, W. N. van der Hout en A. J.

Lievegoed te Den Haag en voorts uit de antwoorden op

enquête-formulieren door ruim tweehonderd personen

ingezonden, de Nederl. Journalistenkring en de R.K.

Journalistenvereniging.

Op een Historisch Overzicht volgt een beschouwing

over Criminaliteit en Pers, waarin de pers nog al eens

ernstige dingen worden verweten, o.a.: „Het lezen van

een crimineel bericht doet in den lezer de gedachte ontstaan,

zelf eens een misdaad te plegen, waartoe hij plan

en middelen zelf uitdenkt" of: „Het kennisnemen van

crimineele berichten doet in den lezer het verlangen

ontstaan zijn naam door het plegen van een misdaad

bekend te maken"; óók wel: „Een persbericht bemoeilijk^

het (opsporingsonderzoek of maakt dit onmogelijk".

De heer Klaassen bespreekt nu verder den inhoud

van het crimineele bericht, zegt wel interessante dingen

over de rechtbankverslaggeving, de verhouding van pers

en rechtelijke macht, geeft zijn oordeel over het uiterlijk

van het crimineele bericht met koppen, illustraties, plaats

in de krant, de frequentie van het crimineele bericht en

komt dan tot een eindbeschouwing.

Het practische nut van zijn werk sloeg blijkbaar de

hoofdredacteur van één onzer grootste bladen tegenover

hem niet hoog aan. Hij zelf kan dat ook niet:

„Doch als een enkele journalist, officier van justitie,

rechter of politicus van zijn werk heeft kennis genomen

en één en ander overdacht, één leven van een zwakkeling

minder verwoest zal worden en daardoor zijn

gezin behouden blijft", gevoelt de heer Klaassen zich

beloond.

Doch hij hoopt algemeene belangstelling te hebben

gewekt voor het interessante probleem en na een meer

uitgebreid onderzoek een uitvoeriger gefundeerde oplossing

aan de praktijk te kunnen aanbieden.

Laat uwe medewerkers hun stijl behouden wanneer

ze er een hebben. Een redactie behoort geen „normaalstijl"

in te voeren en te handhaven.

(Julius Bachem, „Allerlei Gedanken über Journalistik", 1906).


204 DE JOURNALIST

DE EERSTE NEDERLANDSCHE COURANTEN.

Onlangs heeft men in de Koninklijke Bibliotheek te

Stockholm een vondst gedaan welke van groote beteekenis

voor de geschiedenis van het Nederlandsche dagbladwezen

is. Een Zweedsch historicus heeft er namelijk een

partij van 1300 Hollandsche couranten te voorschijn

gehaald, waarvan niet minder dan negen nummers ouder

zijn dan het oudste tot nu toe bekende exemplaar.

Over de geboorte van de Nederlandsche pers is niet

veel bekend. Weinig kranten toch weerstonden den tand

des tijds en de enkele exemplaren welke hier en daar

voor den dag kwamen waren vaak zeer moeilijk te ontcijferen.

Sedert men in het begin der vorige eeuw zich

met de geschiedenis van het courantenwezen ging bezighouden

is er een felle jacht ontstaan naar de alleroudste

krant. Telkens meende iemand haar gevonden te hebben.

Zoo kwam Robert Fruin in 1863 tot het resultaat, dat

een nieuwsblad, gedateerd 13 Maart 1623, de oudste

courant was welke nog bestond, doch slechts vier jaar

later vond men een nummer van 5 April 1621. Het duurde

echter tot 1880 voor dit record werd gebroken. Het

was Satijn Kluit, die in het British Museum een exemplaar

van de „Courante uyt Italiën, Duytslandt etc." van

25 Nov. 1619 ontdekte. Weer moest het een generatie

duren voor men oudere kranten vond. Ditmaal was het

de stadsbibliotheek te Antwerpen welke er een van 31

Aug. 1619 in haar bezit had. Nu scheen het werkelijk

het oudste exemplaar te zijn want dertig jaar lang zocht

men in alle archieven en zolders tevergeefs. Toch

moesten er veel oudere kranten bestaan hebben. In 1617

werd bijv. een tooneelstuk van P. C. Hooft opgevoerd

waarin hij een der spelers laat zeggen:

Ttveemael ter week leest men van bladt tot bladt,

De couranten nouvetten uit de vier hoeken van de

stadt,

Getrouwelijk vergaderd door secretaris Snap-al."

Zelfs in een verordening van de Oost-Indische Compagnie

uit 1607 staat, dat men op straffe van ƒ 3.—

boete: ,,geen couranten of andere stukken uit de raadkamer

mocht verwijderen". Of deze „couranten" gedrukte

nieuwsbladen of geschreven documenten waren

is echter nooit bewezen.

Thans is dus, precies 75 jaar na de eerste vondst van

Fruin ook het Antwerpsche record geslagen. Terwijl

men tot nu toe slechts zeven nummers bezat van vóór

1626, bevat de Stockholmsche partij er niet minder dan

139, waarvan er 130 in Amsterdam zijn gedrukt, 6 in

Arnhem en 3 in Delft. Het exemplaar, dat op het oogenblik

den eeretitel van oudste Hollandsche courant draagt,

is gedateerd 1 Juni 1618 en is dus ruim een jaar ouder

dan die van Antwerpen. Bovendien zijn er honderden

exemplaren bij van kranten welke nog nooit door eenigen

geschiedschrijver beschreven zijn.

KINDER-RECHTSPRAAK EN PERS.

M. schrijft in het Maandblad yoor Reclasseering:

Vleesch noch visch op de Kinderzitting.

Een belangwekkend artikel van den nieuwen secretaris

van het Centraal College voor de Reclasseering,

Mr. N. Smits, troffen wij aan in het Algemeen Weekblad

voor Christendom, en Cultuur van 23 September 1.1.

Hij wil, met behoud van het intieme karakter van de

zittingen van den Kinderrechter, de pers daar toelaten,

opdat die de heele strekking van het Kinderrecht meer

den volke bekend kan maken.

De kinderzitting, zooals zij thans is, voldoet aan geen

enkelen eisch. Zaal der terechtzitting, groene tafel, drie

man in toga, formeele rechtsgang. Ik héb het anders

gezien b.v. in Boston en in Londen. Menschelijk gekleede

Rechter, in eenvoudig vertrek, jongetje vlak bij

hem met de hand van den tot hem sprekenden Rechter

om zijn schouders. Dat was contact. In Londen waren

er wel 20 menschen bij — maar het contact werd niet

verstoord omdat alles zooveel mogelijk op contact was

ingericht; het was vleesch en visch, contact ondanks

aanwezigheid van menschen, terwijl wij heben vleesch

noch visch, d.w.z. geen contact ondanks de afwezigheid

van de pers. Maak een vertrouwelijke zitting in de kamer

van den Kinderrechter, die is gekleed in een gewoon

menschelijk pak en die zit aan een gewone menschelijke

tafel met een gewoon menschelijk tafelkleed

er op. Laten er gerust een paar menschelijke menschen

van de pers bij zijn, die de Kinderrechtspraak tot volkszaak

kunnen maken. Beter dan tegenwoordig, nu, bij

hermetisch gesloten deuren, ook vertrouwelijkheid en

contact zijn buitengesloten.

Of de pers zal meenen dat zij daar copy vindt? Dat

is haar zaak.

PERSBREIDEL?

De Maasbode heeft in een entrefilet gewezen op de

stelselmatige ophitsing in het dagblad der N.S.B, en

meende dat daartegen maatregelen niet konden uitblijven.

„Een haatzaai-artikel in ons Strafwetboek en zoo

noodig een persbreidel, die het gezag kan doen ingrijpen,

behooren aan deze dingen een einde te maken."

De Nederlander komt daartegen met klem op.

De bestaande verantwoordelijkheid voor de strafwet is voldoende

om er in bepaalde gevallen gebruik van te maken.

Hetgeen overigens niet wil zeggen, dat wij een stroom van aanklachten

wegens beleediging gaarne zouden zien ingediend. Daarmede

zou men aan de schrijvers van al die misselijke artikelen

te veel eer bewijzen.

Wie op grond van het geschrijf in de nat. soc. pers een persbreidel

of soortgelijke maatregelen bepleit, bewijst dat geschrijf niet

alleen te veel eer, maar handelt tevens precies naar de diepste verlangens

van deze nationaal-socialisten.

Zij immers willen niets liever dan den martelaar spelen, omdat

zij in het spelen van die rol politiek voordeel speuren.

Daarom moest de last, die ir. Mussert op het Blauwe Zand

ondervond, in alle opzichten uitgebuit worden.

Daarom moest de Haagsche politie voorgesteld worden als

opzettelijke vervolgers van rustige nationaal-socialistische burgers,

die kennissen naar den trein brengen.

En een zelfde martelaarsrol zou ook weer gespeeld worden bij

verbod van het „nationale" dagblad. Vragen aan den minister,

interpellaties, processen, collectes voor steun aan de martelaren,

klachten wegens beleediging, gemopper als andere bladen, die tegen

de N.S.B, schrijven, niet zouden werden verboden — welk een

heerlijk propagandamateriaal zou dit alles vormen voor hen, die in

navolging van het Duitsche regime de demagogie bewust als middel

in den politieken strijd aanvaarden.

Waarlijk, men zou den Heeren geen grooter genoegen kunnen

doen dan hun op deze wijze stof tot gejammer te verschaffen.

Laat men liever rustig het dagblad der N.S.B, laten praten.

Luisteren doen er toch niet veel meer. En zij, die dit nog wel

doen, raken zoo afgestompt bij de dagelijksche her-lezing van alle

vreeselijkheden, dat zij het blad tenslotte als een probaat middel

tegen de zenuwen zullen gaan beschouwen.

In ernst echter, de communistische Tribune heeft men in haar

goeden tijd ook in het wilde weg laten brieschen. Niemand, die er

zich nog wat van aantrek.

Eenzelfde gedragslijn past tegenover soortgelijke organen van

dezen tijd.

Ook deze breidelt men het beste door ze niet te breidelen.

Een provinciale Perspenning in Zeeland.

De commissaris der Koningin in Zeeland jhr. mr. ].

W. Quarles van Ufford, heeft den in Zeeland

ingestelden provincialen perspenning aan een 24-tal

daarvoor, volgens het reglement, in aanmerking komende

personen, doen verstrekken.

Deze perspenning wordt, behalve aan de ervoor in

aanmerking komende leden der Zeeuwsche vereeniging

van uitgevers van bladen, uitsluitend uitgereikt aan journalisten

en persfotografen, die hun persfunctie beroepsmatig

en als hoofdberoep vervullen; dag- en nieuwsbladcorrespondenten,

die hun taak als bijbetrekking vervullen,

zijn van de verstrekking uitgesloten.

De commissaris der Koningin in Zeeland, gehoord

het advies van het bestuur der Zeeuwsche persvereeniging

en, eventueel naar zijn goeddunken, ambtsberichten

ter zake ingewonnen hebbende, beslist over de uitreiking

van deze legimitatiebewijzen. De in den penning

vervatte en zijn handteekening dragende verklaringen

zijn drie jaar geldig.


UIT DEN LEDENKRING.

VOOR EEN „JONGERE".... EN VOOR

OUDEREN!

Collega Oosterloo zij volledig gerust: hij is jong!

Verre zij het van mij — die in iDuitsche studentenkringen

„ein bemoostes Haupt" zou heeten, ware het niet

dat zelfs het „Mooss" mij begint te ontvallen — te

meenen. dat ik 27-jarige collegae wegens meer dan vijf

dienstjaren onder de „ouderen" tel! Nochtans: er moet

een grens zijn. Ik ken lieden van tegen de 70, die het

gemakkelijk opnemen tegen „broekjes" van 30 of 40,

maar wie verdeelen wil moet een maatstaf hebben en

niet gaan individuali'seeren. Zou ik de 27-jarigen met 5

dienstjaren „jongeren" noemen, dan bedreigt mij, mijnheer

de Redacteur, in Uw volgend nummer een reprimande:

van een 28-jarige met 6 dienstjaren, die zich

misschien nog veel jonger voelt dan collega Oosterloo,

die overigens best begrepen heeft dat ik maar een paar

nog onvaste denkbeelden ventileerde, waarover beter

dan over de „voorstellen" van Godesberg, valt te praten.

Mij gaat het er alleen maar om, dat de journalistiek

beter dan veelal geschiedt kan, dus móet beoefend worden;

dat de geestdrift van onderen op (niet van onderen

af!) moet komen; en dat de Kring tot mede-taak heeft,

daarvoor maatregelen te beramen, er iets voor te doen.

Dat is collega Oosterloo met mij eens; in hem heb ik

dus mijn eersten medestander. Nu moeten er vele volgen!

Ik houd er mij namelijk van overtuigd, dat wij ook

met de best-georganiseerde „opleiding" van journalisten

— waarvan ik overigens een fel voorstander ben —

geen steek opschieten, zoolang wij niet zelf vóór alles

beschikken over een laaiende liefde voor ons vak. Ik

heb veel gelegenheid, te constateeren — ook bij mijzelf

— dat wij, journalisten, geneigd zijn met onze

zeldzaam mooie taal te flodderen, niet op onze woordkeus

te letten (zelfs technisch volkomen foutieve termen

te bezigen), vreemde munt te laten circuleeren ook

waar een vaderlandsche met een zuiveren klank bestaat,

kromme zinnen neer te pennen, kortom, onzen geestigen

puzzle-redacteur. den taaihoeder Charivarius en

anderen karrevrachten materiaal te verschaffen. En dat

terwijl wij dan toch allereerst geroepen zijn om de volkstaal

op peil te brengen en te houden. Dat is één kant

van de zaak. Een andere ligt in onze verplichting, den

inhoud van onze gedachten zuiver in onze woorden

(e vatten (of, bij verslag of interview: den inhoud van

anderer gedachten, hetgeen onze verantwoordelijkheid

slechts verzwaart). Ook daarin zijn- wij vaak slordig.

Zeker, wij hébben vaak haast, maar wij haasten ons

óók graag om die haast te misbruiken als kapstok om er

onze fouten aan op te hangen, ofschoon — ik herhaal

het — wij, journalisten, aan onze vakliefde verplicht zijn

tot het nastreven van de grootst mogelijke zuiverheid in

woordkeus èn in taalhanteering. Er is een derde kant:

de gebrekkigheid van het taalonderwijs. Ik zou niet

graag den onderwijzers de kost geven die een barbaarsch

Nederlandsch uit hun pen laten vloeien of uit

hun stukje krijt laten krassen! De waarde van de „aanbeveling":

„ik kreeg op school altijd achten voor opstellen",

heb ik op zoowat nihil leeren schatten.

Haast bij het werk, gebrek aan liefde voor den vorm

der dingen (een algemeen euvel trouwens: zet maar

een goudeneeuwsche voordeur naast een „moderne",

die a ƒ 1.50 per stuk de fabriek verlaat) en tekort aan

scholing bedreigen het peil van den journalistieken arbeid.

Ik bepleit geen achteruitzetting van de klok; wel:

het nemen van maatregelen die zelfcontrole en onderlinge

controle in de hand werken. De jonge generatie

(u, collega Oosterloo, zoo goed incluis als ik!) moet

leeren inzien dat ons vak niet „zoomaar" een vak is;

dat je het niet per „Asso" en ook niet „par droit de

naissance" beoefenen leert, maar dat je ervan moet

zeggen wat Edison gezegd wordt gezegd te hebben van

het uitvinden: 1 % inspiratie en 99 % transpiratie. Ook

journalistiek beoefenen leert men alleen „in het zweet

DE JOURNALIST

205

zijns aanschijns". Ik beken graag dat ik soms drie kwartier

of daaromtrent zwoeg om een mij bruikbaar lijkenden

„aanloop" te vinden, en ook wel eens lang wik en

weeg over één woord. Goethe was er achter: , denn

eben wo Begriffe fehlen, da stellt zur rechten" Zeit

ein Wort sich ein ! Voor de weergave van een gedachte

is een woord warempel zoo gemakkelijk niet te

vinden.

Het is den Kringleden bekend dat in onzen tijd vrij

wat wordt gedaan om de liefde tot een handwerk te

verlevendigen, om een „veredeling van het ambacht" te

beproeven. Men doet dat door de jongeren tot gezonden

wedijver te prikkelen en door, in voordracht of

samenspreking, den theoretischen kant van handwerk of

ambacht te behandelen. Dat moest, dunkt mij, de Kring

ook doen! Vakproblematiek, die er genoea is!, in debat

of geschrift behandelen; daarnaast: wedijver uitlokken

onder hen die straks de meerderheid van de dragers

van ons vak zullen vormen: de „jongeren". De organisatie

van dit werk is in het geheel niet moeilijk, en

vee, geld, collega Schraver, zal het niet kosten. Anders

sou het zijn met een instelling tot opleiding — en toch

zal die, naar mijn overtuiging, ook moeten komen.

Want — en hier raak ik tenslotte noa een vierden

kant van de zaak -- laat ons toch de oogen wagewijd

open hebben voor het verband tusschen de journalisten-kwahteit

en de journalisten-£e/oorz*'n#/ Wij moeten

op den duur toch van die gekheid af dat iedereen zich

maar „journalist" doopt en het dan ook „is". Wij kunnen

van de positie van den journalist, in ideëel en in

materieel opzicht, niets terecht brengen, zoo wij niet

op weg gaan naar „Zelfordening", grensafbakening en

zoo naar peilverhooging. Het Kringlidmaatschap moet

een waarborg voor zekere journalistieke kwaliteit worden,

berst dan zullen wij bij onderhandelingen niet meer

met leege handen staan: en alleen hij die iets heeft

aan te bieden dat de wederpartij noodig heeft, kan een

eisch stellen inplaats van alleen maar te „verzoeken"

Die zelfordening kan in de op zichzelf kleine maatregeien,

waarvoor ik ïn collega Oosterloo een medestander

vond, een begin nemen. Zeker is, dat wij van onder

naar boven moeten werken. Het élan moet bij de

„jongeren" beginnen; de „ouderen" moeten er de organisatie

voor maken en het zijn kans geven. En nu

heb IK, ook voor collega Oosterloo, meteen wat troost:

het eindresultaat wordt alleen dan goed, wanneer de

„ouderen'' den „jongeren" de kans geven, en de

„jongeren" van de „ouderen" die kans aanvaarden. Ergo:

beide groepen hebben hier haar taak; zij moeten

samen hun slag slaan. En daarom is het van gering belang

aan welken kant van het grenslijntje de een staat

oï de ander. Als er maar aan de zaak gewerkt wordt!

G. J. van Heuven Goedhart.

X IS KLEINER DAN EEN MILLIOEN

Onder het vragend uitgesproken motto „Wat doen

wij voor de jongeren" lanceerde mr. dr. G. J. van

Heuven Goedhart de idee van een journalistiek prijsgevecht.

Amerikaansche krantenmenschen zouden dit voorstel

als red hot news op de frontpagina gepubliceerd

hebben. In Holland's bezadigden N.J.K. volstaat men

met een intiem, maar waardeerend applausje.

De heer Goedhart heeft niet de bedoeling gehad, een

volledig antwoord op de door hem gestelde vraag te

geven. Hij wees slechts een richting, zij het het een zeer

goede richting aan. Hij overtuigde ons er bij voorbaat

van, dat het instellen van een jaarlijksch journalistiek

tournooi op zichzelf niet veel meer zou zijn dan een

decoratief versiersel aan het N.J.K.-front.

Het is dus, naar ik meen, geheel volgens de bedoeling

van den geestelijken vader, de door hem voorgestelde

kamp om den eeretitel te zien als onderdeel van een

breed opgezet plan van actie. Hoe breed dit plan zal

zijn is voorloopig een groot mysterie, maar de heer

Goedhart gaf eenige reden tot optimisme, toen hij zijn


206 DE JOURNALIST

artikel eindigde met een oproep, die klonk als: Ideeën

Gevraagd.

Met den schroom van hem, die zich op onbekend en

glibberig terrein waagt, moge ik aan dien roep gehoor

geven en dus mijn voorstel ter tafel brengen.

Herinner ik mij goed, dan is er in het kringorgaan

reeds eerder aandacht gevraagd voor de mogelijkheid

— of onmogelijkheid, zoo U wilt — om jongere journalisten

tijdelijk met het buitenland uit te wisselen. Gezien

zijn betrekkelijk geringe belangrijkheid in het raam

der wereldpers, schijnt onze bodem echter weinig geschikt

voor een dergelijk ruilsysteem, afgezien nog van

het feit, dat journalisten zich uiteraard niet zoo gemakkelijk

laten ruilen als, men vergeve mij deze stroeve

beeldspraak, postzegels.

Maar er zijn meerdere wegen naar Rome.

Waarom bestaan er wel studiebeurzen voor iedere

universitaire opleiding en waarom niet voor een bij

uitstek belangrijke scholing als de journalistieke?

Er worden, zooals ieder weet, kapitalen gespendeerd

aan universiteitsgebouwen, aan subsidies, ondersteuningen,

honoraria voor hoogleeraren en zelfs geen

minimaal gedeelte van het enorme totaal mag ten goede

komen aan den leerstoel der massa: de krant. Men veronderstelt

klaarblijkelijk, dat onze Koningin der aarde

haar eigen zaken wel kan regelen, en optimisten mogen

concludeeren: dit illustreert den eerbied, welken men

de Nederlandsche journalistiek toedraagt.

Waarschijnlijk is dit wat te optimistisch. Journalistiek

leert men (gelukkig) niet uit dictaatcahiers en professorale

referaten en dit gemis aan wetenschappelijk

decorum kost, als altijd, geld.

Ik durf, zonder de moeite te nemen om er statistieken

op na te slaan, beweren dat het ministerie van O. K. en

W. „natuurlijk" met tekorten werkt. Het zou dus riskant

en ontactisch zijn, te eischen, dat dit ministerie de journalistieke

scholing een financieele bloedtransfusie ging

toedienen.

Maar dit neemt niet weg, dat een betrekkelijk gering

kapitaal, onder beheer van den N.J.K., nieuwe en voor

de ontwikkeling der journalistiek belangrijke perspectieven

zou kunnen openen.

Men stelle zich voor:

Op een goeden dag krijgt de Kring de beschikking

oyer een renteloos voorschot, groot X

gulden 1 ). Een belegging maakt het mogelijk,

periodiek een aantal jongere collega's naar het

buitenland uit te zenden met de opdracht „copy

te maken".

Men hoeft waarlijk geen kasboekenmentaliteit te

bezitten om hier financieele mogelijkheden in te

zien. Want provinciale bladen, die deze copy graag

zullen publiceeren, zullen gemakkelijk genoeg ge*

vonden kunnen worden. Dat de berichtgeving goed

zal zijn — vooral wanneer de betrokken correspond

dent zich in zijn buitenlandsche positie heeft ingewerkt

— moge gegarandeerd worden door de

selectie van den N.J.K., die immers niet iedereen

voor een „studiebeurs" in aanmerking zal doen

komen. — Zou de Kring met een persbureau en

een renteloos voorschot geen geld kunnen verdienen?

Het antwoord is aan de financieele experts.

Dit plan werd door mij, als zijnde géén financieel

expert, met opzet slechts schematisch voorgesteld en wil

geenszins de pretentie hebben, de journalistiek in nieuwe

banen te leiden. Het is dan ook slechts een gratis bijdrage

en men zou het als motto kunnen meegeven

„beleefd ter overdenking aanbevelend".

Een Asso-, respectievelijk Succesgenialiteit luidt:

Iedere journalist voelt altijd den zwerver in zich.

) X is kleiner dan een millioen.

Voorzichtig om dezen dooddoener heenloopend, geloof

ik toch wel, dat vele jongere collega's het met mij

zullen betreuren, dat de kans op journalistiek werk in

het buitenland in dezen tijd vrijwel een onmogelijkheid

is geworden.

De Kring moest eens een erfenisje van een paar ton

krijgen.

Amersfoort, Maart '39. H. A. C. v. d. KRAAN Jr.

BUITENLAND.

BAANBREKERS GINGEN HEEN

Omstreeks de helft van de laatste maand van het vorige jaar

heeft de journalistiek twee figuren verloren, die ieder op hun manier

een nieuwen tijd in het krantenwezen hebben ingeluid en tot wasdom

zien komen. Kort na elkaar overleden Pierre Lafitte in Parijs en

/. C. Schroder te Amsterdam, mannen, waaraan de moderne courant

voor een zeer belangrijk deel haar ontstaan te danken heeft.

De wegen, die beiden gevolgd hebben, waren weliswaar nogal

verschillend, maar het resultaat was toch, dat de kranten een meer

fleurig en vaak ook luchtig aanzien kregen, wat als een eisch van

den tijd beschouwd kan worden.

Over de beteekenis van Barbarossa voor onze Nederlandsche

journalistiek behoeft niet veel meer gezegd te worden na de verschillende

in memoria, die in tal van bladen de laatste weken verschenen

zijn. Het was vooral zijn stijl, zijn visie op de zaken en

zijn manier van opdienen zijner opinie, die tot een nieuwe wijze van

werken en schrijven bij vele redacties heeft geleid.

De nonconformist Lafitte.

Pierre Lafitte was meer de dissenter op technisch gebied, die

verscheidene nieuwe bladen heeft opgericht om er zijn nonconformistisch

ideeën in tot uitdrukking te kunnen brengen. Tot zijn dood

was hij de voortvarende directeur van de Figaro, maar het was

vooral in de vooroorlogsjaren, dat hij getuigenis had afgelegd van

zijn schier onbegrensden scheppingsdrang. Achtereenvolgens schiep

hij La Vie au grand air, Fermes et Chateaux, Femina, Je sais tout

en vooral misschien het eerste geïllustreerde dagblad in Frankrijk

Excelsior. Deze laatste daad had revolutionnaire gevolgen in het

dagbladwezen, want allengs zagen alle couranten zich genoodzaakt

aan de zucht naar plaatjes gevolg te geven. Niet alle waren in

staat de hooge 'kosten van goede prentjes te dragen, maar ook

met een mindere kwaliteit stelde men zich tevreden, als er maar

illustraties in den dorren tekst kwamen.

De vernufteling doet zijn intrede.

Het was overigens merkwaardig, dat de boulevardpers, die toch

zoo'n typisch Parijsch verschijnsel is, aan het brein van een niet-

Parijzenaar is ontsproten. Pierre Lafitte was namelijk geboortig uit

Bordeaux, doch hij voelde zich op en top Parijzenaar toen hij in

1910 de eerste nummers van het geïllustreerde dagblad Excelsior

van de persen deed komen. De Parijzenaars keken hun oogen uit

en die dagen behooren dan ook wel tot de onvergetelijke voor

degenen, die ze van nabij hebben meegemaakt. Hoe frisch en baanbrekend

de denkbeelden van Lafitte tot het laatste toe zijn gebleven,

blijkt wel hieruit, dat hij nog steeds de technische leiding had bij

Paris Soir en Pan's Midi, welke bladen, zooals algemeen bekend is,

tot de meest vooruitstrevende van onzen tijd behooren.

Een geheel nieuwe verschijning heeft onder Lafitte zijn intrede

in de journalistiek gedaan. Het is de redacteur-opmaker, de steenredacteur

of hoe wij hem meer mogen noemen. In Frankrijk spreekt

men wel van „1'ingénieur en journaux", wat misschien nog niet

zoo gek is. Immers Hooft heeft het woord ingenieur al vertaald

met „vernufteling" en dr Luning Prak gebruikte in een artikel over

de Deltsche studie in 1934 dezelfde vertaling. Of dat in navolging

van Hooft geschiedde, valt te betwijfelen, want dr Prak leidt haar

af uit het Latijn, met welke afleiding waarschijnlijk vele Latinisten

het niet geheel eens zullen zijn. Het „aangeborene" lijkt ons beter,

maar daar gaat het nu niet om. Zelfs in Frankrijk heeft de steenredacteur

niet „ingenieur" op zijn kaartje laten drukken. Hij voelt

zich volkomen journalist en is dat dan ook, zij het van een aparte

klasse.

De niet-schrijvende journalist.

Immers bij voorkeur zet de redacteur-opmaker nimmer een pen

op papier. Op het eerste gezicht moge dit strijdig schijnen met het

beroep van dagbladschrijver. In wezen is het dit niet. Het is alleen

maar één der talrijke uitvloeisels van de specialisatie, die in de

laatste kwart eeuw hoogtij is gaan vieren. Over het verdwijnen

van den all-round journalist is al meermalen in de vaklitteratuur

geschreven. In het systeem van den rubriekredacteur past nu

wonderwel het beroep van steenredacteur. Toen de opmaak der

kranten tot ontwikkeling kwam, maakten eerst nog de rubriekredacteuren

hun eigen pagina's op. Een verdere stap op dezen

weg was de aanstelling van aparte opmaakredacteuren. Het is dan

ook geen toeval, dat de rubriekredacteuren, die de aantrekkelijkste

pagina's bleken te kunnen samenstellen, tot de eerste steenredacteuren

werden benoemd. In latere jaren is dat een speciale school

geworden, zoodat wij nu redacteur-opmakers hebben, die nimmer-


in een anderen tak der journalistiek op den voorgrond zijn getreden.

Indien er sprake zou kunnen zijn van een school, waar redacteuropmakers

gevormd worden, dan zou men Pierre Lafitte er het hoofd

van moeten noemen. Nimmer heeft echter een jongeman het voornemen

te kennen gegeven steenredacteur te willen worden om de

eenvoudige reden, dat hij het bestaan van dat beroep niet kent.

De jongen, die journalist wil worden, denkt aan schrijven. Maar

redacteur-opmaker zijn, is het tegenovergestelde van schrijven,

d.w.z. zoo min mogelijk schrijven en vaak schrappen. Slechts in

het uiterste geval, als alle verslaggevers in gebreke blijven om

ingevolge de aanwijzingen van den chef van den nieuwsdienst een

geschikt openingsartikel te leveren, zal de opmaakredacteur onder

protesten aan het schrijven gaan en de gewenschte opening produceeren.

Bij ons gebeurt dat in de praktijk vrijwel nooit, maar bij

de boulevardpers in de wereldsteden moet men wel eens tot zulke

middelen zijn toevlucht nemen.

DE JOURNALIST 207

De steeds opgeruimde schrijftafel.

Journalisten plegen te werken temidden van bergen papier en

kranten. Op hun schrijftafel is meestal amper plaats om er het

schrijfblok, waarop copie gemaakt moet worden, neer te leggen.

Anders bij den redacteur-opmaker: een maagdelijk glimmend blad,

waarop geen copiejongen een blaadje zou durven deponeeren. Het

groene vloeiblad in het midden doet nimmer dienst om te vloeien,

maar wordt hoogstens gebruikt om onder de hoeken er van pro

memorie een visitekaartje of een dergelijke kleinigheid te steken.

Toch kent de steenredacteur den inhoud van elk nummer opperbest,

ook al heeft hij er geen enkel artikel uit gelezen. Hij rekent in

kolomlengten en -breedten en in letterpunten. Over de op proef

getrokken pagina's laat hij zijn kunstzinnigen blik gaan en parafeert

ze snel. „De vijftien kan zakken" decreteert hij. Hoe meer het

sluitingsuur van een editie nadert, hoe grooter de spanning wordt,

maar met aller goede medewerking komt het eiken dag op tijd

voor elkaar. Bij katastrofale gebeurtenissen moge de spanning eens

extra hoog zijn, de treinen missen komt vrijwel nimmer voor. De

redacteur-opmaker moet trouwens geen zenuwen kennen. Om drie

uur in den nacht pleegt hij even helder te zijn als om acht uur

s avonds. Uit de stroomen copie, die de verschillende afdeelingen

naar de zetterij sturen, beslist hij op het critieke moment wat wèl

en wat niet mee zal gaan. Hij is het stootblok tusschen redacie en

zetterij. De maten van een krant zijn begrensd, de stroom van

nieuws is vrij onbegrensd, ook nadat zij de redactioneeie zeef gepasseerd

is. Factoren genoeg dus voor herhaalde botsingen. Vroeger

kwam iedere afdeeling cp de zetterij aandringen, dat haar berichten

toch in elk geval meegenomen zouden worden. Nu heeft de steenredacteur

er voor te zorgen, dat de vormen op tijd gesloten worden

en dat de belangrijkste berichten, onverschillig uit welke rubriek,

voor zoover ze op het sluitingsocgenblik gereed zijn, daarin ook

inderdaad zijn opgenomen.

Het oneindige werk.

Als dan de laatste pagina naar de drukkerij is gestuurd, kan de

opmaker aan rust gaan denken. Tenzij op dat moment het bericht

binnenkomt dat de Zuiderzeedijk het begeven heeft, want dan

moeten er nieuwe edities gemaakt worden. Als technicus volbrengt

deze journalist het wonder om in een bepaalden tijd en met beperkte

hulp een oneindig werk tot stand te brengen. Zijn snelheid

van geest en zijn groote aanpassingsvermogen hebben dezen journalist

geschikt gemaakt zich los te maken van het schrijfwerk, dat

voor een belangrijk deel aan de verslaggevers wordt toevertrouwd.

Aan hun hoofd staat tegenwoordig vaak een chef van den nieuwsdienst,

die het uitgebreide verslaggeverswerk regelt en ordent. Voor

deze nieuwe functie bij de groote dagbladen wordt meestal een

journalist gekozen, die op dit voorname gebied zijn sporen verdiend

heeft. Met de meeste takken der verslaggeving zal hij kennis

gemaakt hebben. Daardoor heeft hij de noodige hersengymnastiek

verricht en een juiste kijk op de eigenaardigheden van onze samenleving

gekregen. Dat is wel een eerste vereischte op dezen post.

Met nieuws komt namelijk bij voorkeur niet vanzelf tot de kranten.

Het moet er vaak met geweld heengesleept worden. Een eerste

vereischte is dan te weten waar het vandaan gehaald moet worden.

Uaar is veel routine voor noodig en in dat opzicht kan een goede

chet van den nieuwsdienst, die voortdurend aan het vinkentouw zit,

onschatbare diensten bewijzen.

In de bedding.

Het hoofd van den nieuwsdienst zwaait ook den scepter over

de correspondenten. Hij heeft er voor te zorgen, dat het in kwaliteit

en in kwantiteit zeer verschillend nieuws, dat uit alle oorden pleegt

binnen te komen in een zoodanige bedding wordt geleid, dat het

door de redactie verteerd kan worden. Het onbelangrijke moet worden

geweerd herhalingen voorkomen, het aardige en pikante naar

voren gebracht. Dit is immers juist de nieuwe richting, die Pierre

Lafitte aangewezen heeft. De redacteuren, die het binnenkomende

nieuws moeten bewerken, kunnen niet daarbij nog op alles en nog

wat letten Hun werk is al enorm verzwaard door de eischen, die

de opmaak tegenwoordig stelt. Koppen in allerlei vorm en grootte

moeten worden bedacht, waarbij rekening moet worden gehouden

met de indeehng op de pagina's. Daarbij ook nog de correspondenten

aanmoedigen, toespreken en geruststellen werd te veel en

leidde de bureauredacteuren te zeer af. Daarom is de positie van

chet van den nieuwsdienst geschapen.

Op elke pagina een grapje.

Deze heeft er meteen op toe te zien, dat elke editie een smakelijk

menu bevat. Geen der uitersten mag overwegen. Niet te veel ernst,

geen overmaat van luchtigheid. Het devies van Lefitte was: op'

elke bladzijde moet minstens één grapje staan. Hetzij een geestig

plaatje of een aardig kort stukje. In ieder geval iets, waar de lezer

even om lachen kan. Dit motto hebben de boulevardbladen zich al

heel snel eigen gemaakt. Sommigen zijn daarin wel zoo ver gegaan,

dat de „aardige stukjes" gingen overheerschen en ook al daardoor

vervelend werden. De sterke verhalen, die correspondenten uit kleine

provincieplaatsen, nogal eens opdienen, kunnen soms na eenige

bewerking zeer leesbare stof leveren in tijden, dat er weinig groot

nieuws is. Elke redactie kent de schoone geschiedenissen van kalveren

met twaalf pooten, der voorhistorische skeletten en zoovele

andere, die haar speciaal op Maandag bereiken als de correspondenten

er hun Zondag aan besteed hebben om eens iets moois voor

de krant op te stellen. Maar er is eenige kennis van zaken noodig

cm het kaf van het koren te scheiden. Niet elke krant is er van

gediend verhalen op te disschen over dronken gemzen, die in de

bergen den menschen schrik aanjagen, ever zeeslangen aan de kust

en zooveel meer moois, dat als eenig praktisch nut heeft de inkomsten

van de betreffende correspondenten te verhoogen.

Van wetenschap tot sensatie.

Het moet eens gebeurd zijn bij een Parijsch boulevardblad, dat

een pakkend artikel voor de opening ontbrak. Op de zetterij had

men wel een wetenschappelijke verhandeling gereed gemaakt van

een professor, die de psychologie van de hedendaagsche vrouw

aan bespreking onderwierp. Daarin kwam de zinsnede voor: „Men

kan zich afvragen of het moderne jongemeisje na een universitaire

opleiding geen andere dan de gangbare denkbeelden heeft over de

] ; efde Hierop vielen te juister tijd de oogen van den opmaker,

die terstond een vierkolomskcp liet maken „Het moderne jonge

meisje veracht de liefde", waaraan een enquête ender de lezers

verbonden werd. Hoe de hoogleeraar gekeken heeft, toen hij de

transformatie van zijn geestesproduct ontdekte, zegt het verhaal

met. Men kan zich voorstellen, dat dergelijke opmakers kunnen

roepen om een keningsmoord, om een schandaal onder aanzienlijke

families en zich afvragen of het waar kan zijn dat Stalin monnik

zal worden, waarbij zij dan verzuchten: als wij de eersten konden

zijn, die het melden.

Niets bizosnders vandaag.

_ Het ergste wat den redacteur na zooveel zwoegen kan overkomen

is, dat hij een lezer na een vluchtigen blik in de courant hoort

zeggen: er staat vandaag niets bizonders in. Het bizondere is het

gewone leven van eiken dag, maar gezien door de oogen van een

taalkunstenaar, die er een mooi en interessant artikel van weet te

maken De leidende krachten, die het hoogst gecompliceerde organisme

besturen, dat men krant pleegt te noemen, zijn onbekend voor

de groote massa. Zij verschijnen niet op recepties en feesten ter

vergadering of op een begrafenis; in hun cel zitten zij den geheelen

dag bij hun telefoon en onderhouden daar het contact met alle

plaatsen dle om de een of andere reden de belangstelling trekken

De verslaggevers ziet men overal verschijnen, maar hun leiders

verlaten „de fabriek nimmer tijdens hun diensturen. Een prima

chef van den nieuwsdienst is moeilijk te vervangen en alom gevreesd

en geëerd. Hij moet ook menigmaal als dinlomaat ootreden

indien er een conflict dreigt tusschen redactioneeie en financieele

belangen der onderneming. Er moge dan geen schoei zijn, die tot

dit speciale beroep opleidt, het aantal beoefenaars is na den oorlog

snel gegroeid. Het gilde der prominenten is echter klein.

De gele pers van Hearst.

Op dezelfde principes is in Amerika de gele pers van Hearst

gebouwd. Zij ontwikkelde zich tegelijk met die van Lafitte. In hoeverre

zij invloed op elkaar gehad hebben, is moeilijk te zeggen

v r hp°fc l ,J T° ra u in StUHtS ' in gr0 ° te cam Pagnes en het is

van hem bekend dat hij geen groote bewondering had voor het

Fransche dagbladwezen.

Dat boulevardbladen ook tegenwoordig nog in moeilijkheden kunnen

komen, heeft het verdwijnen op 1 Januari j.1. van het Neue

Wiener Journal geleerd Het was een frisch blad van groeten stijf

dat wel eens erg veel de sensatie zocht en mede daardoor niet st»eds

even betrouwbaar was. De verspreiding van dit orgaan was verbazingwekkend.

In alle uithoeken van de wereld vond men het

Ook bi, ons trof men het tet in de middelgroete provincieplaatsen

aan. Voor de verspreiding van de Weensche en Middel-Europe-sche

ideen heeft het dan ook onnoemelijk veel gedaan. Zijn agente'

waren immer druk in de weer nieuwe lezers aan te werven. Hoewel

het geen politieke richting had en menigmaal van opinie was ver-

tortniet't *'" beStaa " 0 £ der de 3ewijzigde omstandigheden

TI W " ne ^ vo ° rtzetten - Te 3clijk met de Neue Freie Pressc

(de Weensche Times) en het Neue Wiener Tageblatt is het op

het krantenkerkhof van Weenen bijgezet. Het zou Pierre Lafi°te

ongetwijfe d tot droefheid gestemd hebben als hij dat nog had

meegemaakt Hij moest er immers een dankbare volgeling in zie^

van zijn scheppende denkbeelden cp journalistiek gebied

VAN BOETZELAER.

Levensbeschrijvingen moeten altijd bij het leven der

beschrevenen gemaakt worden. Het is, bVfkens de

ervaring, ook een voortreffelijk middel om buitengewone

mannen nog een tijdlang in 't leven te houden.

(Julius Bachem, „Allerlei Gedanken über Journalistic\ 1906).


208 DE JOURNALIST

AMENDEMENTEN OP DE STATUTEN- EN

REGLEMENTSHERZIENING.

De Amsterdamsche Pers heeft de volgende amendementen

ingediend:

Statuten.

Art. 5.

Alinea 3 vervalt. Deze alinea luidt: „Medewerkers

aan vakbladen zullen alleen dan gewoon lid kunnen

worden, wanneer hun blad dagelijks verschijnt".

Toelichting: Dit is een volkomen willekeurige bepaling,

die.haar beteekenis heeft verloren. Het is een zonderlinge

toestand, dat een redacteur van b.v. ,,Het

Financieel Weekblad voor den Fondsenhandel" geen

gewoon lid kan zijn, terwijl dit met een redacteur van

de dagelijksche „Beurscourant" wel het geval is. Bij

aanneming van dit amendement vervalt ook artikel

6, sub 3 der statuten.

Het Kringbestuur heeft dit amendement overgenomen.

Art. 9.

De bepaling in art. 9 der Statuten sub 3 vervalt en

wordt vervangen door een nieuwe bepaling, luidende:

„3e. zich onderwerpen aan een ballotage"

Toelichting: Voor de toelichting hiervan verwijzen wij

naar het gestelde onder de amendementen der Amsterdamsche

Pers, die aan deze gedachte een nadere uitwerking

geven in de hierop betrekking hebbende bepalingen

van het Huish. Reglement.

Preadvies van het Kringbestuur. — Het K.B. ontraadt

dit amendement. De huidige regeling biedt voldoenden

waarborg en het voorgestelde is onnoodig omslachtig.

Art. 17.

De tweede alinea te lezen als volgt: „Jaarlijks treden

alle bestuursleden af. Zij zijn terstond herkiesbaar".

Toelichting: het voorstel van het Kring-bestuur luidt:

„Jaarlijks treden volgens een op te maken rooster ten

minste twee bestuursleden af. Alleen leden van het

dagelijksch bestuur zijn onmiddellijk herkiesbaar".

Het Kring-bestuur beoogt met deze wijziging kennelijk

te bevorderen, dat zooveel mogelijk frisch bloed in de

leiding van den Kring wordt gebracht. „De Amsterdamsche

Pers" is het met dit doel volkomen eens, maar zij

acht de gekozen oplossing onaanvaardbaar. In de eerste

plaats is de formule van het Kring-bestuur technisch

onuitvoerbaar, omdat na iedere bestuursverkiezing de

functies in het bestuur onderling opnieuw moeten worden

verdeeld. De ledenvergadering weet dus niet te voren,

wie dagelijksche bestuurders zullen worden. Maar bovendien

lijkt het weinig elegant, om twee verschillende

categorieën van bestuursleden in het leven te roepen.

Het amendement van „De Amsterdamsche Pers" beoogt

een regeling te geven, die voor een groot aantal vereenigingen

geldt en in de praktijk steeds bevredigend blijkt

te hebben gewerkt. Tenslotte heeft de ledenvergadering

de taak te waken tegen een versteening van het bestuur.

Preadvies van het K.B. — De practijk wijst uit, dat

herkiesbaarheid den toevoer van nieuw bloed niet bevordert.

Het voorstel van het K.B. bedoelt aftredende

leden van het Dag. Bestuur herkiesbaar te stellen. Het

K.B. heeft geen bezwaar tegen de gevreesde inelegantie.

Het amendement wordt dus ontraden.

Art. 20.

Wordt voorgesteld dit artikel te schrappen.

Toelichting: Een referendum is voor een vereeniging

van 700 leden een onding. Het heeft een tijdlang ge­

golden als een summum van democratie. Dit is echter

niet meer dan valsche schijn en men is dan ook op deze

gedachte reeds lang teruggekomen. Een goede democratie

eischt, dat de beslissingen worden genomen door

Kring-leden, die ter algemeene vergadering het voor en

tegen van een bepaalde zaak behoorlijk hebben hooren

toelichten, en niet door de thuisblijvers.

Preadvies van het K.B. — Het amendement wordt

ontraden. Er bestaat geen aanleiding om een referendum

onmogelijk te maken. De groepen worden voortaan in

het K.B. vertegenwoordigd. In de algemeene vergadering

zal altijd een kleine minderheid beslissen. Het referendum

kan een nuttige correctie zijn. Afwezigheid op een

vergadering mag niet altijd als gemis aan belangstelling

beschouwd worden.

Huishoudelijk Reglement.

Art. 1.

De tweede alinea vervalt.

Preadvies van het K.B. — Dit amendement vervalt

als het amendement op art. 9 Statuten wordt afgewezen.

Art. 2.

Komt als volgt te luiden: „Aanvragen om toelating

als lid worden door den secretaris in handen gesteld van

een door het bestuur uit zijn midden aan te wijzen ballotage-commissie

van drie leden.

Deze zendt den candidaat een door het bestuur vast

te stellen vragenlijst en onderzoekt, of, met inachtneming

van de belangen van den journalistieken beroepsstand,

tot toelating van den candidaat kan worden geadviseerd.

Zij wint vertrouwelijk advies in bij het bestuur van

de groep, in welker gebied de woonplaats van den candidaat

is gelegen.

De ballotage-commissie brengt haar advies zoo spoedig

mogelijk uit, doch niet, dan nadat aan de leden van

den Kring, door middel van publicatie in het orgaan,

de gelegenheid is geboden van de aanvrage kennis te

nemen en daartegen binnen een termijn van acht dagen

eventueele bezwaren in te brengen.

Het bestuur geeft den aanvrager schriftelijk kennis

van de te zijnen aanzien genomen beslissing".

Preadvies van het K.B. — Als voren.

Art. 3.

Wordt art. 2 aangenomen, dan verliest art. 3 zijn zin

en kan dus vervallen.

Toelichting: De bedoeling van deze amendementen is,

om een scherper selectie mogelijk te maken bij het toelaten

van nieuwe Kring-leden. De behoefte hieraan

wordt algemeen gevoeld. Zij heeft mede uitdrukking

gevonden in het rapport van de commissie voor het verschooningsrecht,

doch kwam ook in het Kring-orgaan

herhaaldelijk ter sprake. Vergelijken wij thans in den

Nederlandschen Journalisten Kring geldende bepalingen

met die van een organisatie als b.v. den Bond van

Nederlandschen Architecten, dan valt het op, hoe weinig

de Kring tot dusver bedacht geweest is om te komen

tot een meer afgeronden beroepsstand, zooals b.v. de

architecten, de medici, de advocaten e.d. reeds lang bezitten.

De amendementen van „De Amsterdamsche Pers"

beoogen een ontwikkeling in deze richting te bevorderen.

Preadvies van het K.B. — Als voren.

Art. 9 komt te luiden:

Art. 9.

„Wie buitengewoon lid van den Nederlandschen

Journalistenkring wenscht te worden, dient daartoe een

schriftelijke aanvraag bij den secretaris in".

Het K.B. heeft dit amendement overgenomen.


Art. 10 komt te luiden: „Ook voor de buitengewone

leden gelden de artikelen 2, 4, 5, 7 en 8."

Toelichting: De bedoeling is de ballotage-bepalingen

ook te doen gelden voor de buitengewone leden. Daar

volgens het voorstel der Amsterdamsche Pers art. 3

vervalt, verschuift de nummering. De als art. 9 en 10

aangegeven artikelen worden dus in werkelijkheid 8 en

9. Hiermede is in den tekst van het laatste amendement

reeds rekening gehouden.

Preadvies van het K.B. — Dit amendement vervalt

als het amendement op art. 9 Statuten wordt afgewezen.

AMENDEMENTEN VAN DE

ROTTERDAMSCHE JOURNALISTEN-

VEREENIGING.

Amendement I. Artikel 17 van de Statuten te lezen

als volgt:

Bestuur.

Het Bestuur bestaat uit ten minste zeven gewone

leden, door de algemeene vergadering te kiezen, en wel

een voorzitter, een secretaris en een penningmeester,

alsmede een aantal leden, te benoemen op voordracht

vanwege de groepen, een en ander te regelen bij Huishoudelijk

Reglement. De algemeene vergadering wijst

den voorzitter, den secretaris en den penningmeester aan.

Overigens regelt het Bestuur onderling de werkzaamheden.

Voorzitter, secretaris en penningmeester vormen

het Dagelijksch Bestuur.

Jaarlijks treden, volgens een op te maken rooster, ten

minste twee bestuursleden af. Alleen leden van het Dagelijksch

Bestuur zijn onmiddellijk herkiesbaar.

De verkiezing van een bestuurs- of commissielid wordt

niet beschouwd als een besluit in den zin van art. 20.

Preadvies van het K.B. — Het amendement wordt

ontraden, wijl er geen aanleiding bestaat op dit punt

den bestaanden toestand te wijzigen. Het nieuwe K.B.

zal na de reorganisatie reeds omvangrijk genoeg zijn.

Amendement II. Artikel 65 van het Huishoudelijk

Reglement als volgt te lezen:

Het Bestuur stelt telkenmale een termijn vast, waarbinnen

candidaten voor de Bestuursverkiezing bij den

Secretaris kunnen worden opgegeven. Later ingekomen

candidaturen zijn ongeldig.

Candidaten voor de functies van voorzitter, secretaris

en penningmeester worden gesteld door besturen van de

groepen, of door ten minste 10 gewone leden van den

Kring.

Het bestuur van een groep of ten minste 10, tot die

groep behoorende, gewone leden stellen candidaten voor

de bezetting van den zetel of de zetels in het Kringbestuur,

waarop de groep ingevolge artikel 83 van dit

Reglement recht heeft.

Van de gestelde candidaten wordt aan de besturen

der groepen tijdig voor de algemeene vergadering mededeeling

gedaan.

Preadvies van het K.B. — Dit amendement vervalt

goeddeels, indien het vorige amendement wordt afgewezen.

Amendement III. Artikel 83 van het Huishoudelijk

Reglement als volgt te lezen:

Iedere groep, bedoeld in art. 16 der Statuten, met

minder dan 75 leden heeft recht op vertegenwoordiging

uit haar midden door het bezetten van één zetel in het

Kringbestuur. Grootere groepen kunnen aanspraak doen

gelden op twee zetels.

De aan een groep toekomende zetel of zetels worden

voorloopig niet bezet, indien vanwege de groep niet voldoende

of geen candidaten voor de vervulling van de

DE JOURNALIST 209

open plaats of plaatsen worden gesteld, dan wel indien

de gestelde candidaat of candidaten in de algemeene

vergadering van den Kring niet het voor een verkiezing

vereischte aantal stemmen behalen.

Toelichting: De strekking van deze drie amendementen

is, de synthese tusschen de tweeërlei opvatting omtrent

de organisatie van den Kring, welke het Bestuur

heeft beoogd, duidelijker uit te werken.

De R.J.V. is van oordeel, dat de wijze van samenstelling

van het Kringbestuur eenerzijds een zoo goed

mogelijke bezetting van de belangrijke functies in het

Dagelijksch Bestuur moet waarborgen, anderzijds de

vertegenwoordiging van de groepen, overeenkomstig de

daar levende wenschen, moet verzekeren. Het is geenszins

denkbeeldig, dat naleving van een dezer beide richtsnoeren

in het gedrang kan komen, indien het Dagelijksch

Bestuur — zooals thans wordt voorgesteld —

moet worden samengesteld uit de bestuursleden, die

tevens de groepen vertegenwoordigen. De door de

R.J.V. voorgestelde amendementen beoogen, de algemeene

vergadering de grootst mogelijke vrijheid bij de

aanwijzing van de leden van het Dagelijksch Bestuur te

geven en daarnaast door een iets andere regeling van

de candidaatstelling het in art. 83 uitdrukkelijk vermelde

recht van de groepen op vertegenwoordiging in het

Kringbestuur te versterken.

Het aantal Bestuursleden wordt op deze wijze weliswaar

grooter dan in het voorstel van het Kringbestuur,

doch het toekomstige Bestuur zal toch — wegens het

wegvallen van het nu bestaande instituut der gedelegeerden

— een kleineren omvang hebben dan thans

feitelijk het geval is.

Preadvies van het K.B. — Het lijkt beter iedere groep

de zetels toe te wijzen waarop zij recht heeft. Dit kan

bereikt worden door een wijziging van art. 65 H.R.,

waardoor komt vast te staan, dat candidaten voor vertegenwoordiger

van een groep in het K.B. slechts door

het bestuur van die groep of ten minste 10 gewone leden

uit die groep kunnen gesteld worden.

Amendement I. Voorzitter, secretaris en penningmeester

worden als zoodanig gekozen, en wel buiten

de leden, die als vertegenwoordigers van de groepen zijn

te beschouwen.

Amendement II. Voor de functies van voorzitter,

secretaris en penningmeester kunnen zoowel de groepen

als 10 — over het geheele land verspreide — gewone

leden candidaten stellen.

• Wat de overige bestuursfuncties aangaat, zijn de door

de groepen in te dienen voordrachten, elk voor de bezetting

van de(n) aan iedere groep toekomende zetel(s)

bindend. Wil n.1. het „recht op vertegenwoordiging"

niet geheel illusoir gemaakt kunnen worden, dan dient

voorkomen te worden, dat „buitenstaanders" aan de

groep een vertegenwoordiger kunnen opdringen, die

niet het vertrouwen van althans een minderheid in die

groep heeft.

De algemeene Kringvergadering is hoedster van het

algemeene Kringbelang. Zij kan daarom weigeren een

vanwege een groep voorgedragen candidaat te verkiezen,

indien zij zulk een aanwijzing in strijd met het Kringbelang

zou achten.

Amendement III. Uit het vorenstaande vloeit logisch

voort, dat voorzien moet worden in de volgende gevallen:

lo. dat er niet voldoende of geen candidaten vanwege

een groep worden gesteld;

2o. dat de voorgedragen candidaten door de algemeene

vergadering niet zouden worden aanvaard.

De beste oplossing is, in deze gevallen den bewusten

zetel voorloopig niet te bezetten. In elke volgende vergadering

kan een nieuwe verkiezing aan de orde worden


210 DE JOURNALIST

gesteld, wanneer de sub 1 en 2 vermelde omstandigheden

waarschijnlijk niet meer zullen blijken te bestaan.

Amendement IV. In artikel 15 van het Huishoudelijk

Reglement de zin in het eerste lid na de contributieschaal

als volgt te lezen:

Op de volgens vorenstaande schaal te innen contributiebedragen

wordt ten behoeve van de groepen een

bijslag geheven, waarvan de omvang telken jare door

de groepsvergadering, onder goedkeuring van het Kringbestuur

wordt vastgesteld.

Toelichting. De ervaring onder het huidige regiem

van den Kring opgedaan, heeft geleerd, dat de financieele

behoeften van de onderscheidene aangesloten

vereenigingen tamelijk sterk uiteenloopen. Bij de thans

in art. 15 H.R. (1ste lid, laatste zin) voorgestelde regeling

zal de, ten behoeve van de groepen op de Kringcontributie

te heffen, bijslag voor alle groepen — behoudens

een uitzondering — gelijk zijn. De tendens van

deze regeling zal zijn, dat, bij de vaststelling van den

bijslag, vooral acht zal worden geslagen op de groep

met de relatief grootste financieele behoeften, zoodat,

bij een uniformen bijslag, ten behoeve van groepen met

geringere behoeften te veel zal worden geheven.

Daar het hier geldt de financiering van de zuiver

plaatselijke of gewestelijke werkzaamheden van de groepen,

komt het de R.J.V. beter voor, dat deze zelf bepalen,

welke bijslag te haren behoeve door den Kringpenningmeester

zal worden geïnd. Wanneer deze functionaris

tijdig aan de groepsbesturen mededeeling doet

van het totale bedrag aan Kringcontributie, dat elke

groep oplevert, kunnen de groepsvergaderingen zelf bepalen,

welken bijslag zij daarop noodig hebben om rond

te komen. De in art. 82 H.R. aan de groepen toegekende

autonomie brengt in de eerste plaats mee, dat zij zelf

den omvang van haar geldmiddelen bepalen.

Op de besluiten van de groepsvergaderingen dient het

Kringbestuur een zekere controle uit te oefenen. Een te

hooge bijslag ten behoeve van een groep kan de aantrekkelijkheid

van het lidmaatschap van den Kring aantasten

en de belangen van het geheel derhalve schaden.

Dit amendement wordt door het K.B. overgenomen.

AMENDEMENTEN VAN DEN HAAG.

De Haagsche Journalistenvereeniging stelt de volgende

amendementen voor:

Statuten.

In art. 5 wordt het slot van de eerste alinea gelezen:

Alsmede zij, die de radioreportage verzorgen, mits voor

hen de journalistiek hoofdbezigheid is.

Preadvies van het K.B. — Duidelijker lijkt, den aanhef

van art. 5 te lezen: ,,Gewone leden kunnen zijn zij,

voor wie de journalistiek hoofdbezigheid is" enz.

In art. 9 sub 1. wordt 20 door 21 vervangen.

Dit amendement wordt door het K.B. overgenomen.

Sub 3, 2e regel worden geschrapt de woorden .,van

het Bestuur eener groep, bedoeld bij art. 16, of".

Als voren.

In art. 10 wordt ingevoegd tusschen het bestuur en

„of van tenminste twintig leden": „van een groep".

Preadvies van het K.B. — Het K.B. geeft de voorkeur

aan: „op voordracht van het Kringbestuur, van het bestuur

eener groep of van ten minste 20 leden."

In art. 11 2e al. worde ingelascht tusschen „het bestuur

eener groep" en „van ten minste tien leden": „of

Dit amendement wordt door het K.B. overgenomen;

het woordje „of" was uitgevallen.

In art. 16 wordt achter ,,De leden van den Kring"

ingevoegd: „In Nederland"

Dit amendement wordt door het K.B. overgenomen.

Huishoudelijk Reglement.

Art. 1 laatste regel worde gelezen: „Zij moet vergezeld

gaan van een aanbeveling van twee gewone leden

van den Kring en wordt voor advies gezonden naar het

Bestuur Her groep onder welke het candidaatlid valt.

Dit amendement wordt door het K.B. overgenomen,

met vervanging van het woord „Zij" door „De aanvraag".

Art. 3 worde gelezen: Van een afwijzende beslissing

doet het bestuur mededeeling aan de leden, die den

candidaat stelden, en het bestuur der groep, die advies

heeft uitgebracht. Zoowel deze leden als het bestuur

dezer groep kunnen van die beslissing in beroep gaan

bij de Commissie van Advies.

Dit amendement wordt door het K.B, overgenomen.

Art. 9. Achter lidmaatschap aan het slot van dit art.

leze men: „en van een aanbeveling van twee leden van

den Kring, waarna het bestuur der groep, waartoe de

candidaat behoort, advies uitbrengt".

Als voren.

Art. 13 Ie al. te lezen: inplaats van „tenminste twee

groepen": „van een groep".

Als voren.

Art. 23, laatste alinea. Deze worde gelezen: Leden

met een of meer jaren contributieschuld worden in het

algemeen niet gesteund uit de geldmiddelen van de

weerstandskas.

Als voren.

Art. 34 laatste lid te vervangen: „wordt de redactie

gevoerd door het bestuur" door: „treedt diens plaatsvervanger

op als redacteur of voorziet het bestuur in

de plaatsvervanging, wanneer de omstandigheden dit

noodig maken".

Als voren.

Art. 38 schrappen het slot: „Voor de plaatsing van

advertenties is de Redacteur verantwoordelijk".

Als voren.

Art. 84. Toegevoegd worde: De verkiezing van den

Voorzitter geschiedt buiten het verband der groepsvertegenwoordiging.

Toelichting: Het wordt van het grootstmogelijke belang

geacht, dat bij de verkiezing van den voorzitter

de ruimst mogelijke keuze zij gewaarborgd.

Als voren.

Overgangsbepaling.

Het Kringbestuur, dat zitting heeft bij het in werking

treden van deze statuten en dit huishoudelijk reglement,

treedt daarna af op de eerstvolgende algemeene vergadering.

Deze kiest de nieuwe bestuursleden.

Het nieuwe bestuur treedt af, volgens een rooster, in

overeenstemming met de bedoeling van art. 17 van de

Statuten.

Preadvies van het K.B. — Het lijkt beter deze bepaling

niet in het H.R. op te nemen.

Redactiewijzigingen (van taalkundigen aard).

Preadvies van het K.B. — Het K.B. is bereid alle door

de H.J.V. voorgestelde wijzigingen van redactioneelen

aard (behalve die betreffende art. 3a Statuten) over te

nemen, zonder daarmee voor alle gevallen te erkennen,

dat de tekst in het voorstel van het K.B. minder deugdelijk

was.


Statuten.

Art. 2 te lezen: ,,In het algemeen" en „in het bijzonder",

inplaats van in 't algemeen en in 't bijzonder.

Art. 3a te laten vervallen „zoomede", de komma na

Nederlandsche pers te veranderen in kommapunt en

daarna te laten volgen: „het handhaven van hare traditioneele

vrijheid"

3k. In den laatsten regel achter worden een komma

te plaatsen en te vervangen aan het slot: die niet tot

haar behooren door: „die niet tot haar leden behooren".

Art. 5. In den eersten regel de komma te plaatsen

achter zij, inplaats van achter zijn.

Art. 8. De laatste alinea te lezen: De regeling van

de contributie der buitengewone leden enz.

Art. 9. De laatste alinea: Aanvragen om lidmaatschap

te vervangen door „aanvragen voor het lidmaatschap".

Art. 11. In den laatsten regel van de eerste alinea

„die" te vervangen door „welke" en in de laatste alinea

„als zoodanig" te vervangen door „van deze waardigheid".

Art. 12. In regel 3 het woord „geheele" te schrappen.

Art. 13. In regel 6 achter „hen" een komma te

plaatsen en in de laatste alinea „daarvan" door „hiervan"

te vervangen.

Art. 16. In de 3e alinea achter „recht" een komma

te plaatsen.

Art. 21. In den tweeden regel achter „samengeroepen"

in te voegen „algemeene". In de tweede alinea te

lezen inplaats van „tot ontbinding der Vereeniging":

„tot ontbinding van de Vereeniging". In de tweede

alinea waar sprake is van twee derde en drievierde dit

te vervangen door twee derden en drievierden.

Art. 23. de laatste woorden te lezen als volgt: „statuten

deel uitmaken van de vereeniging".

Art. 24 2e regel: Inplaats van strijdende met deze

Statuten te lezen: „strijdig met deze Statuten".

Art. 25 te lezen als volgt: „Of zooveel later als daarop

de Koninklijke Goedkeuring is verkregen".

Huishoudelijk Reglement.

Art. 2 Ie regel inplaats van „behoudens": „onverminderd".

Art. 4 laatste alinea: te lezen: De betrokkenen, die

schriftelijk „van" de beslissing van het Bestuur enz.

inplaats van „met" de beslissing enz.

Art. 6c (te lezen: „vervallenverklaring van het lidmaatschap".

Art. 8 In den eersten regel te lezen: inplaats van

„het lid waarop", „het lid op wien".

Art. 17 al. 3: In het formulier wordt aan „elk" nieuw

lid gezonden te vervangen „elk" door „ieder".

Art. 31 laatste alinea: inplaats van „als regel" te

lezen: „in den regel".

Art. 32 2e al. De redacteur treedt elk jaar af, inplaats

van ieder jaar en Ie woord regel 5 eveneens ieder vervangen

door elk.

Art. 37 laatste regel, inplaats van „van stemming":

„van deelneming aan de stemming".

D E J OURNALIST 211

Art. 43 2e alinea leze men: Buitengewone uitgaven

zullen niet door hem worden gedaan dan met machtiging

door de beide andere leden van het Dagelijksch Bestuur.

Art. 56 regel 3 het eerste „tenminste" laten vervallen.

Art. 71 Ie alinea aan het slot: „werd gehouden" inplaats

van „plaats had".

Art. 72 Ie regel: „elk geval" inplaats van „ieder

geval".

Art. 73 3e al. op een na laatste regel: „tenminste"

inplaats van „minstens".

Art. 83 Ie al. elke groep inplaats van iedere groep.

Art. 88 3e regel Ie al. en Ie regel 3e al. elke groep

in plaats van iedere groep.

Art. 94 tfegel twee achter het Bestuur: „van den

Nederlandschen Journalisten-Kring".

AMENDEMENTEN VAN HAARLEM.

Statuten.

Aan art. 3 achter alinea k. toe te voegen:

1. het financieel steunen en bevorderen en in stand

houden van de Stichting Het Nederlandsch Persmuseum

in haar huidigen vorm.

Preadvies van het K.B. — Ontraden wordt, een dergelijke,

in details afdalende, bepaling in de Statuten op

te nemen.

Art. 5. — Alinea 2 te schrappen.

Preadvies van het K.B. — Met klem wordt ontraden

de quaestie van de Directeuren-Hoofdredacteuren opnieuw

aan de orde te stellen.

Art. 8. — Aan de eerste alinea toe te voegen: „op

voorstel van een groepsbestuur".

Preadvies van het K.B. — De toevoeging wordt onnoodig

geacht.

Art. 9 — in 3e het woord „achtenswaardig" te

vervangen door bonafide.

Preadvies van het K.B. — Aan het Nederlandsche

woord wordt de voorkeur gegeven.

Huishoudelijk Reglement.

Art. 15. — sub 1 als volgt te lezen:

„De contributie wordt geïnd door de afdeelingen

(groepen), die daarvan 70% afdragen aan den Ned.

Journalistenkring. De regeling van de inning wordt

overgelaten aan de afdeelingen (groepen). De verantwoordelijkheid

berust bij deze afdeelingen (groepen).

De Haarl. Journalistenkring stelt de volgende nieuwe

schaal voor:

Ie klasse ƒ 6.00

2e „

3e „

4e „

5e „

6e „

„ 7.25

„ 8.50

„10.00

„ 11.50

„ 14.00

7e klasse ƒ 17.50

8e „ „ 20.00

9e „ „ 22.5a

10e „ „25.00

11e „ „30.00

Preadvies van het K.B. — Dit amendement gaat lijnrecht

in tegen het gekozen systeem voor de organisatie.

Het amendement is dus onaannemelijk.

Art. 54. — Aan art. 54 toe te voegen:

„Geen geheimhouding kan aan een Bestuurslid worden

opgelegd omtrent zaken, die een groep aangaan, welke

hij in het Bestuur vertegenwoordigt."

Dit amendement wordt door het K.B. overgenomen.


212 D E JOURNALIST

De vertegenwoordiging in de algemeene

ledenvergadering.

De Haarl. Journalistenkring dient het volgende voorstel

in:

De Haarlemsche Journalistenkring is van meening dat

de huidige wijze van vertegenwoordiging in de algemeene

ledenvergadering van den N.J.K. niet kan worden

gehandhaafd en dient te worden vervangen door

een stelsel van evenredige vertegenwoordiging volgens

de sterkte der verschillende groepen.

Toelichting. Dit zou in geen enkel opzicht de beteekenis

van de algemeene vergadering verminderen, noch

haar karakter van reunie aantasten. Integendeel. De

opvattingen der diverse groepen zouden bij evenredige

vertegenwoordiging in een algemeene ledenvergadering

beter en op rechtvaardiger wijze tot uiting komen. Het

zijn inderdaad niet de afzonderlijke leden, toevallig in

een min of meer groot aantal op een vergadering aanwezig,

die te beslissen hebben over de aangelegenheden

van den heelen kring, maar de groepen zelf die ter vergadering

een reglementair vastgesteld aantal stemmen

moeten kunnen uitbrengen, in overeenstemming met de

sterkte van de groep. Dit is een rechtvaardig en democratisch

beginsel, dat een einde zal stellen aan de toevalligheden

die bij het tegenwoordige systeem van stemmen

in onze algemeene vergaderingen helaas nog al te

zeer aan totaal verouderde methodes herinneren.

Wanneer de N.J.K. groepen vormt en groepen erkent

door haar evenredige vertegenwoordiging in zijn bestuur,

dan moet hij ook die groepen erkennen in de algemeene

ledenvergadering. Dit kan alleen geschieden door haar

toe te kennen een stemmenaantal evenredig aan het

ledental.

Het karakter eener reunie zal de algemeene vergadering

daardoor nooit kunnen verliezen, omdat de aanwezige

leden zullen zijn, niet alleen individueele gasten,

maar actieve deelnemers en vertegenwoordigers van een

collectiviteit, dragers van het gemeenschappelijke streven

van de groep.

Het is de opvatting van den H.J.K. dat een systeem

van evenredige vertegenwoordiging ter algemeene vergadering

slechts bijdragen kan tot het scheppen van

gezonde verhoudingen in het kringleven, gebaseerd op

een zuiver en rechtvaardig beginsel.

Wanneer wij onzen kring reorganiseeren tot een bond

met groepen — groep is hier trouwens slechts een ander

woord, een hooger begrip voor afdeeling, maar het collectiviteitsprincipe

blijft hetzelfde — dan moeten wij

de consequenties daarvan aanvaarden en ophouden met

denken in de richting van het individueele, om ons open

te stellen voor den nieuwen geest die wij willen volgen,

die van de collectiviteit. Het zullen dus voortaan niet

meer personen zijn die in onze algemeene vergaderingen

hun stem zullen uitbrengen, maar kleine gemeenschappen

die samen de eene groote vormen, onzen N.J.K.

Deze omvorming tot een macht van collectiviteiten

ligt in den geest van onzen democratischen tijd en bedoelt

daarom in geenen deele de geestelijke kracht der

persoonlijkheid uit te sluiten. Daarom zullen onze ledenvergaderingen

in de toekomst nooit dreigen haar karakter

van reunie te verliezen; integendeel, zij zullen blijven

bijeenkomsten van personen die weten dat zij dragers

zijn van de opvattingen die leven in een bepaalde groep

en die opvattingen, eventueel gecorrigeerd of aangevuld

door hun persoonlijke visie, komen toetsen aan die der

vertegenwoordigers van andere groepen of aan die van

andere personen.

Wanneer die groepen niet als zoodanig in de algemeene

vergadering kunnen optreden, dan verrichten wij

met de reorganisatie van den N.J.K. slechts half werk,

geven wij blijk niet te durven doordenken in de voorgestelde

richting en is de vertegenwoordiging van de groepen

alleen in het bestuur van den N.J.K. slechts een

zeer onvolledige erkenning van de deelen die samen

het geheel vormen. Dat kan voor de toekomst van dat

geheel, i.e. den N.J.K. op den duur nooit goed zijn.

In de algemeene vergaderingen moeten de groepsopvattingen

tot uiting kunnen komen, zoo niet, dan vormen

we een kring met groepen die, in hoogste instantie, de

ledenvergaderingen, machteloos staan omdat daar de

collectiviteit in den schaduw van de individualiteit zou

komen te geraken. En dat kan nimmer de bedoeling zijn

van deze reorganisatie. Anders is ze totaal overbodig

en kunnen we verder gaan op den ouden, maar zeer

versleten weg.

Preadvies van het K.B. — Gelijk het preadvies op het

amendement op art. 15 H.R.

AMENDEMENTEN VAN DE OOSTELIJKE PERS.

Statuten.

Art. 3 sub a. Na „zoomede" wordt ingelascht: van.

Toelichting: De invoeging wil duidelijker doen uitkomen,

dat niet de handhaving, maar het bevorderen der

handhaving van de traditioneele persvrijheid een der

middelen is om het in art. 2 genoemde doel te bereiken.

Zie de redactie van art. 3, b, c, f en j.

Dit amendement wordt door het K.B. overgenomen.

Art. 9. 3e wordt gelezen: 3e een aanbeveling overleggen

van twee gewone leden van den Kring en van

het bestuur eener groep, bedoeld bij art. 16, zoo de

candidaat onder zulk een groep valt.

Toelichting: Het schijnt gewenscht de redactie in

overeenstemming te brengen met de laatste zinsnede

van art. 1 H.R. Bovendien acht de O.P. het begrip

„achtenswaardig" te subjectief om als maatstaf te mogen

worden aangelegd. De beperkende bepaling „zoo

de candidaat onder zulk een groep valt", houdt verband

met het amendement op art. 16 eerste lid en tweede

lid, nieuw.

Preadvies van het K.B. — Dit amendement vervalt,

indien de amendementen van den Haag worden aanvaard.

Art. 10. Achter „het Bestuur" invoegen: , van het

bestuur eener groep.

Toelichting: Overeenkomstig het beginsel, toegepast

in andere artikelen van de Statuten en het H.R. moge

aan het bestuur eener groep hetzelfde recht worden toegekend

als aan een zeker aantal leden.

Dit amendement is reeds overgenomen.

Art. 11. Tusschen „het bestuur eener groep" en ..van

ten minste tien leden" inlasschen: of

Toelichting: Vermoedelijk is dit woordje in de voorgestelde

redactie weggevallen. Mocht de bedoeling zijn.

dat alleen het bestuur van een groep die tien of meer

leden telt het recht heeft het Kringbestuur te verzoeken

een lid ter verantwoording te roepen, dan acht de O.P.

invoeging van het woord „of" gewenscht. om het recht

toe te kennen aan alle groepsbesturen, en bovendien

aan ten minste tien leden, zooals ook de Statuten thans

bepalen.

Als voren.

Art. 16. Achter „De leden van den Kring" invoegen:

in Nederland. Invoegen als tweede lid: Kringleden niet

in Nederland woonachtig kunnen zich tot een groep of

groepen aaneensluiten met goedvinden van het Kringbestuur.

Toelichting: De O.P. acht het bezwaarlijk, imperatief

voor te schrijven dat alle leden, ook die in het buitenland

of in de overzeesche gewesten, in groepen worden ingedeeld.

Zij meent evenwel dat de mogelijkheid daartoe

geopend moet blijven.


Preadvies van het K.B. — De eerste zin van dit amendement

is reeds overgenomen. De tweede zin zou er toe

leiden, dat een groep in het buitenland of in Indië recht

op een bestuurszetel zou krijgen, hetgeen de financiën

van den Kring zou ontwrichten.

In het laatste lid vervallen de woorden: of bij besluit

der algemeene vergadering van den Kring.

Toelichting: De O.P. meent dat de verhouding tusschen

de groepen en den Kring bij Huishoudelijk Reglement

worden geregeld, maar niet aan stabiliteit moet

verliezen door de mogelijkheid van tusschentijdsche wijziging

door een besluit der algemeene vergadering

anders dan volgens art. 21 der Statuten of art. 94 van

het H.R.

In gevallen, waarin Statuten of Reglement niet voorzien

met betrekking tot genoemde verhouding, kan overeenkomstig

art. 93 H.R. het Bestuur beslissen.

Preadvies van het K.B. — Bij de invoering van de

nieuwe organisatie is een soepele regeling noodig.

Het amendement moet dus ontraden worden.

Huishoudelijk Reglement.

Art. 2. Achter „ter kennis gebracht van" invoegen:

het bestuur van.

Dit amendement wordt door het K.B. overgenomen.

Art. 3. wordt gelezen: Van een afwijzende beslissing

doet het Bestuur mededeeling aan de leden en het bestuur

der betrokken groep, die den candidaat hebben aanbevolen.

Deze kunnen van die beslissing in beroep gaan

bij de Commissie van Advies.

D E JOURJ.A LIST 213

Toelichting: De O.P. meent aan deze redactie de

voorkeur te moeten geven omdat daarin de bedoelde

mededeeling imperatief wordt voorgeschreven, en deze

mededeeling ook behoort te geschieden aan het bestuur

der betrokken groep, aan wie dan tevens het recht van

beroep verleend wordt. De uitdrukking „voorstellende

leden" acht de O.P. minder juist, omdat Statuten noch

H.R. voorstellende, wel echter aanbevelende leden

kennen.

Preadvies van het K.B. — De voorkeur wordt gegeven

aan het door de H.J.V. ingediende, overgenomen, amendement.

Art. 9. Achter „lidmaatschap" laten volgen: en van

een aanbeveling van twee leden van den Kring en het

bestuur der betrokken groep.

Toelichting: Ook hier, zooals bij gewone leden, acht

de O.P. het gewenscht, dat het Bestuur omtrent toelating

geadviseerd wordt. Bovendien zouden zonder de

door de O.P. voorgestelde toevoeging de artikelen 3

en 5 niet voor buitengewone leden kunnen gelden, zooals

art. 10 voorschrijft.

Preadvies van het K.B. — Als voren.

Art. 11. Achter het eerste lid doen volgen: Hiervan

wordt mededeeling gedaan aan het bestuur der betrokken

groep.

Preadvies van het K.B. — Publicatie in „De Journalist"

is voldoende.

Art. 13. Achter „het Bestuur", invotegen: van de

besturen.

Preadvies van het K.B. — Zie het preadvies op het

amend, den Haag op art. 10 der Statuten.


214 D E I O URN ALIST

Art. 83. Achter „Statuten" invoegen: eerste lid.

Toelichting: Deze invoeging houdt verband met het

amendement op art. 16 der Statuten. Zonder deze invoeging

zou aan een groep welke gevormd werd overeenkomstig

het bij amendement voorgestelde nieuwe tweede

lid van art. 16 der Statuten een illusoir recht worden

toegekend.

Preadvies van het K.B. — Dit amendement vervalt

bij aanneming van het preadvies op het amendement van

de „O. P." op art. 16 Statuten.

AMENDEMENTEN VAN UTRECHT.

De Utrechtsche Pers stelt de volgende wijziging voor

in de ontwerp-statuten: Art. 3 sub b aan te vullen met:

,,het verleenen van arbeidsbemiddeling",

Toelichting': De huidige voorzitter, de heer Henri

Dekking, nam in 1937 het initiatief om te komen tot een

arbeidsbemiddeling ten dienste van de leden van den

N.J.K. Blijkens het jaarverslag werden zijn pogingen in

vele gevallen met succes bekroond. Hoewel 't dus niet

aan te nemen is, dat de heer Dekking zijn sympathieke

en zeer te waardeeren pogingen zal beëindigen, noch

dat zijn eventueele opvolger daarmee niet zal voortgaan,

lijkt bovengenoemde aanvulling van het betreffende

artikel in de statuten, niettemin volledigheidshalve

wenschelijk.

Preadvies van het K.B. — Het K.B. acht deze aanvulling

niet noodig, daar dit reeds valt onder art. 3

sub c en h.

Hierlangs afscheuren.

Nederlandsche Journalisten-Kring.

ALGEMEENE VERGADERING te Utrechr

ZATERDAG 22 APRIL 1939,

Tegen afgifte van dezen bon kan aan elk station, tegen directe betaling

worden gekocht een plaatskaart heen en terug, Ik of III© klasse naar Utrecht

22 April 1939 a)

geldig op 22 en 23 April 1939 b)

T— Doorhalen wat niet verlangd wordt

b

Stations-

datum stempel

Nr van de afgegeven

pik. en ld.

Art. 2 der Statuten te lezen als volgt:

De vereeniging, zich plaatsend op den grondslag van

de traditioneele persvrijheid, heeft ten doel, enz.

Toelichting: Wanneer het juist is dat de Ned. Journalisten

Kring in zijn statuten opneemt dat hij de traditioneele

persvrijheid wil verdedigen, — en de Utr.

Pers acht dit in het tijdsbestek waarin wij leven zeker

gewenscht — dan kan het niet anders of deze uitspraak

moet opgenomen worden in het voornaamste artikel der

statuten en niet als toevoeging bij een der middelen waarmee

de Kring wil opereeren. Het is allerminst de bedoeling

van de Utrechtsche Pers om daarmee het begrip

„collega" te beperken en zekere journalisten bij voorbaat

uit te sluiten, maar zij hecht er waarde aan, juist

thans, nu zooveel zaken, die men vroeger als vanzelfsprekend

aannam, onzeker of voorwerp van strijd zijn

geworden, duidelijk uit te spreken in welk geestelijk

klimaat men zich bevindt, indien men lid wil zijn van

onze organisatie. Daarmee is njiet gezegd, dat de persvrijheid

nimmer en onder geen enkele omstandigheid

mag worden ingekort — abnormale tijden kunnen dwingen

tot abnormale maatregelen ook op dit gebied —

maar wel is dankbaar uitgesproken dat de persvrijheid

een zedelijk goed is van hooge orde, een instituut, waaraan

de Nederlandsche pers goeddeels haar ontwikkeling

en haar eigen signatuur heeft te danken.

Preadvies van het K.B. — Het schijnt voldoende, om

de handhaving van de traditioneele persvrijheid op te

nemen onder de middelen ter bereiking van het doel

onzer vereeniging.

More magazines by this user
Similar magazines