MAANDBLAD

webstore.iisg.nl

MAANDBLAD

m 277 3 September 1919

MAANDBLAD

van den

Nederlandschen Journalisten-Kring

Redaeteur: D. HANS

Laan van Nieuw Oost-Indië 156, 's-Crravenhage

INHOUD. Officiëele Mededeelingen: Agenda Buitengewone

Algemeene Vergadering; Bestuursvergadering; De journalisten

en de Arbeidswet; Ledenlijst. — Binnenland: In afwachting;

M. J. Brusse; Geestelijke loonsverhooging; Het E.L.T.A.-Bestuur

en de Pers; Journalistieke didactiek. — Uit de Pers: Auteur

en critiek. — Rechtszaken. — Boekenschouw. — Personalia

en Berichten. — Mozaïek.

Officiëele Mededeelingen.

Buitengewone

Algemeene Vergadering

op Zaterdag 20 en Zondag 21 September a.s.

te 's-GRAVENHAGE in „DE KROON", Spui 10.

Aanvang Zaterdagavond: 8 uur

„ Zondagmorgen: 10% „

Agenda voor Zaterdagavond:

1. Notulen der Algemeene Vergadering van 2 Maart 1919.

2. Mededeelingen.

3. Behandeling van het concept-Huishoudelijk Reglement

(zie Maandblad nr. 272, Bijvoegsel).

Agenda voor Zondag:

1. Voorstel van het Bestuur, tot het zenden van een adres

aan den Minister van Arbeid inzake de nieuwe Arbeidswet.

(Het concept van dit adres wordt nader medegedeeld.)

2. Voortzetting van de behandeling van het Huishoudelijk

Reglement (indien dit Zaterdag niet gereed is gekomen).

3. Rondvraag.

* *

*

Amendementen moeten vóór 14 September zijn ingediend

bij den Kringsecretaris.

* *

Den leden wordt dringend * verzocht deze belangrijke

vergadering bij te wonen.

De secretaris,

W. N. VAN DER HOUT.

Bestuursvergadering.

Het Kringbestuur kwam op Zaterdag 30 Augustus, 's avonds

half 7, te 's-Gravenhage in „De Kroon" bijeen.

Aanwezig de heeren D. HANS, voorzitter, VAN DER HOUT,

SCHOTTING, DE ROODE, CRAYÉ, en de gedelegeerden Kou-

WENAAR (Amsterdam), mr. SWART (Rotterdam), MF.IJERINK

(Haarlem), WIJNBERG (Groningen) en VAN MEURS (plaats­

Dit blad verschijnt den eersten en derden

Woensdag van iedere maand.

vervanger, den Haag). Afwezig met kennisgeving mej. BUINING

en de heeren BIEMOND, VOOGD en NEYENESCH.

De Voorzitter doet o. a. de volgende mededeelingen:

i e . dat hij op 25 Augustus tot de hoofdredacties der bladen,

via het Correspondentiebureau, het volgende schrijven heeft

gericht:

„De directeur-generaal van Posterijen en Telegrafie heeft mij

het volgende medegedeeld.

Begin September zal in Arnhem het Historisch Volksfeest

worden gehouden. Het laat zich voorzien, dat hierbij vele journalisien

tegenwoordig zullen zijn. Het is echter volstrekt onmogelijk

om het Arnhemsche telegraaf-kantoor te versterken, aangezien

daarvoor geen personeel beschikbaar is. Een overvloed van

perstelegrammen zou dan ook tot aanzienlijke vertraging leiden

en vermoedelijk zouden de telegrammen per post verzonden moeten

worden. In deze omstandigheden geeft de directeur-generaal in

overweging, om tijdens het feest zoo weinig mogelijk te seinen.

Hij meent dat een onderlinge afspraak der journalisten daartoe

zou kunnen leiden. In het belang van een spoedige berichtgeving

heb ik gevraagd, of er inderdaad geen versterking van telegraafpersoneel

mogelijk was. Het antwoord hierop luidde zeer beslist

ontkennend. Ik heb gemeend het bovenstaande onder Uw aandacht

te moeten brengen, opdat er rekening mee gehouden kan worden."

2 e . dat hij een uitnoodiging heeft ontvangen om zitting

te nemen in het Eere-comité voor de viering van het 70-jarig

bestaan der maatschappij „Apollo" (ten doel hebbende steun

te verleenen aan oude of gebrekkige tooneel- en toonkunstenaars

en hun weduwen en weezen) en deze uitnoodiging heeft

aanvaard;

3 e . dat hij eveneens heeft aanvaard een uitnoodiging om

deel uit te maken van een commissie, die een nationale

betooging zal houden tegen de Belgische annexatie-plannen;

4 e . dat bij hem is ingekomen een schrijven van twee

Kringleden, houdende bezwaren tegen een onlangs toegelaten

lid dat zij zelf hebben aanbevolen. — Aan de schrijvers zal

worden gevraagd hun klacht te preciseeren.

Ingekomen stukken. — Ingekomen zijn verder:

i e . een uitnoodiging van een nieuw opgerichte organisatie

„Voor Volkerenbond en Vrede", om als lid toe te treden.

Hierop zal niet worden ingegaan.

2 e . schrijven van het Bestuur van den Haarlemschen Journalisten-Kring

inzake de wenschelijkheid van een collectiefcontract

en het oprichten van een „hoogere vakcentrale" van

werknemers-groepen, die niet hun aansluiting vinden bij één

van de bestaande arbeiders-vakcentrales. — Het eerste punt

zal ter sprake komen bij een volgend punt der agenda, het

tweede zal in een volgende vergadering worden behandeld.

De Voorzitter zegt, dat bij hem sinds eenigen tijd de vraag

is gerezen, of het niet wenschelijk is de geestelijke werkers

in ons land, die afzonderlijk georganiseerd zijn, federatief te

te vereenigen (letterkundigen, tooneelspelers, journalisten enz.)

Omtrent eenige particuliere kwesties, waaromtrent enkele

leden tusschenkomst van het Bestuur vroegen, wordt een

besluit genomen.

Candidaturen. — Aangenomen worden eenige nieuwe leden

(zie hierachter).

Vertrouwelijk onderwerp. — Hierna wordt zeer geruimen

tijd van gedachten gewisseld over een belangrijke kwestie

van vertrouwelijken aard. Het debat nam bijna den geheelen

duur der vergadering in beslag.

Arbeidswet Aalberse. — Vervolgens komt in behandeling de

vraag van de positie der journalisten in zake de nieuw in


150

te voeren Arbeidswet. Te voren had het Dag. Bestuur aan

de leden en gedelegeerden een rondschrijven verzonden,

waarin de voornaamste punten werden opgenoemd waaromtrent

het Bestuur een zekere beslissing zou moeten nemen.

De Voorzitter deelde mede, den vorigen dag (29 Augustus)

een onderhoud te hebben gehad met den Minister van Arbeid,

mr. AALBERSE, en legde daaromtrent de verklaring af, die

men elders in deze rubriek zal aantreffen.

Na deze verklaring ontspint zich eenig debat, waarvan

resultaat is het besluit, om het Dagelijksch Bestuur opdracht

te geven een concept-adres aan den Ministor te ontwerpen,

dat aan de ledenvergadering van 21 September a.s. zal worden

voorgelegd.

Algemeene Vergadering. - - Besloten wordt, met het o.og

op de uitvoeiige agenda, ook op Zaterdagavond 20 September

een algemeene vergadering te houden. Dan is het Huishoudelijk

Reglement aan de orde. Op Zondag 21 September

wordt dan eerst het adres-Arbeidswet behandeld. De vergadering

zal plaats hebben in den Haag. Zoodra het te verwachten

salarisvoorstel kan worden behandeld, zal het Bestuur

opnieuw een algemeene vergadering uitschrijven, die te

Amsterdam zal worden gehouden.

Ontslag-kwestie. — Inzake een ontslag-kwestie (ontslag,

door den directeur van Het Ce?itrum aan een journalist gegeven),

zal binnenkort tot publicatie worden overgegaan,

aangezien het Bestuur de houding van den betrokken directeur

eenstemmig afkeurt.

Werkprogram. — Besloten wordt, aangezien thans allerlei

belangrijke en urgente kwesties om afdoening vragen, het

werkprogram te laten rusten tot het a.s. voorjaar.

De vergadering wordt gesloten.

De Journalisten en de Arbeidswet.

In de bestuursvergadering van 30 Augustus j.1. heeft de

voorzitter, collega D. HANS, het volgende gezegd:

In verband met de positie der journalisten onder de nieuwe

Arbeidswet heb ik op 29 Augustus een onderhoud gehad

met den Minister van Arbeid, Mr. AALBERSE.

In de eerste plaats heb ik mij vergewischt, dat er voor

de journalisten gelegenheid zal zijn zich over hun belangen

te doen hooren, alvorens de bestuurs-maatregel, welke ook

voor hen zal gelden, wordt uitgevaardigd. De minister heeft

mij hieromtrent volkomen gerust gesteld. Het conceptbestuursmaatregel

zal ongeveer begin October gereed zijn.

Alvorens het wordt vastgesteld, zal de Hooge Raad van

Arbeid er over worden gehoord: deze Raad wordt tegen

October benoemd. De minister zeide het, op mijn desbetreffende

vraag, gewenscht te vinden, dat wij onze opmerkingen schriftelijk

indienden, alvorens de bestuursmaatregel in concept

zou zijn, dus nog in September, en ik heb hem toegezegd,

dat dit gebeuren zou.

Wat den vorm van ons adres betreft, achtte de minister

het indienen van een concept-collectief-contract onzerzijds

niet aanbevelingswaardig. Ook ik heb mij op dat standpunt

gesteld. Zulk een concept beduid mets, wanneer het

niet van beide kanten (werkgevers en werknemers) bekrachtigd

is. Die bekrachtiging nu is, gezien den korten tijd, ten eenenmale

onmogelijk. Wij kunnen daarom volstaan met den

minister onze zakelijke wenschen ten opzichte van onze

wettelijke positie mede te deelen. Dit beteekent natuurlijk

niet, dat voor ons het collectieve contract van de baan is.

Ik herinner er aan dat de salaris-commissie dit op haar

programma heeft staan en er aan gaat werken zoodra de

salarissen zijn geregeld, die van dat contract een onderdeel

zullen uitmaken. In zulk een contract zal trouwens veel meer

geregeld moeten worden dan in den wettelijken bestuursmaatregel.

Deze, met onze medewerking tot stand gekomen

maatregel, zal dan gedeeltelijk de bouwstoffen leveren voor

een eventueel contract. Aangezien een collectief contract een

moeilijke en ingewikkelde zaak is, die onmogelijk over eemge

weken beslist kan zijn, in het thans, ook naar 's ministers

meening, voldoende, indien wij in den vorm van een adres

onze wenschen kenbaar maken.

Hiertoe is echter onze invloed niet beperkt. Ik heb den

minister gevraagd, of hij het niet wenschelijk achtte in den

Hoogen Raad van Arbeid een vertegenwoordiger der geestelijke

arbeiders op te nemen. Met de bestaande vak-centrales (die

in den Raad vertegenwoordigd zullen worden) hebben wij,

journalisten, niets te maken. Wij vormen een bijzondere groep

MAANDBLAD

arbeiders, maar des te meer reden is er, onze eigen stem

te doen hooren. De minister gaf dit toe en deelde het volgende

mede. Het zal niet mogelijk zijn, in den Hoogen Raad

van Arbeid een vertegenwoordiger van de journalisten op te

nemen, aangezien Zijne Exellentie de vertegenwoordiging der

belanghebbenden in dien Raad wenscht te beperken tot die

der vak-centrales. Het is echter zijn bedoeling, om verschillende

snb-commissies te benoemen, die den Raad ten opzichte

van bepaalde bedrijven zullen voorlichten en van advies dienen.

In deze sub-commissies zullen alleen worden opgenomen

vertegenwoordigers van de betrokken vereenigingen van werkgevers

en werknemers. De minister deed mij de toezegging,

dat hij zeer ernstig zal overwegen een sub-commissie voor de

journalistiek in te stellen, zoodat de betrokken vereenigingen,

en dus ook de Kring, vermoedelijk binnefikort zullen worden

uitgenoodigd een vertegenwoordiger in die commissie aan den

minister voor te dragen. .

De benoeming van deze commissies zal ongeveer gelijktijdig

plaats hebben met die van den Hoogen Raad van Arbeid,

dus tegen October. Het is de bedoeling, dat de commissies

aan den Raad advies zullen uitbrengen over den inhoud van

den bestuurs-maatregel, die voor het door haar vertegenwoordigde

bedrijf wordt uitgevaardigd. Het concept van dien

maatregel zal aan de betrokken commissie worden medegedeeld.

Uit één en ander volgt, dat wij dus ruimschoots

gelegenheid zullen hebben onze belangen te bepleiten, eerst

schriftelijk alvorens de bestuursmaatregel in concept gereed

is, vervolgens mondeling in de betrokken sub-commissie nadat

het concept aan haar is medegedeeld.

Over verschillende punten van onze positie heb ik met

den minister gesproken, doch het spreekt vanzelf dat ik mij

van eenig bepaald advies onthouden heb, aangezien ik daartoe

geen bevoegdheid bezit voordat de leden-vergadering heeft

beslist. Het is mij echter gebleken, dat het niet in 's ministers

voornemen ligt, om ook bepalingen inzake vacantie en salaris

in den bestuursmaatregel op te nemen: ik had dit ook niet

verwacht, maar enkele uitlatingen op dit punt waren twijfelachtig

geweest.

Op grond van dit alles meen ik te mogen zeggen, dat wij

nog alle gelegenheid hebben onze belangen te behartigen.

Naar mijn meening moeten wij daarvan gebruik maken, en

zal de leden-vergadering van 21 September a.s., voorgelicht

door het Bestuur, de hoofdlijnen van een dadelijk daarna aan

den minister te zenden adres moeten vaststellen. Dit adres,

en het in verband daarmee gevoerde debat, zal richtsnoer

dienen te zijn voor onzen vertegenwoordiger in de subcommissie.

Zoodra deze vertegenwoordiger bekend is met het

concept van den algemeenen .bestuursmaatregel, zal hij eventueel

met het Kringbestuur of met den Kring-Raad nader

overleg kunnen plegen."

Ledenlijst.

Aangenomen als gewone leden:

W. J. C. VAN SANTEN, Persbureau „Aga", Lange Poten 17a,

den Haag.

G. P. J. VAN OVERBEEK, Dagblad v. Z.-H. en 's-Gravenhage,

van Galenstraat 35, den Haag.

P. J. ZÜRCHER, Telegraaf, Laing's Nekstraat 33hs, Amsterdam.

J. STEYNEN, Panorama, v. d Vinnestraat 20, Haarlem.

P. v. D. LELIE, Panorama, Apothekersdijk 1, Leiden.

Aangenomen als buitengewoon lid:

J. E. TILLEMA, Tish Trades Guide, Koninginnelaan 70,

Rijswijk (Z.H.)

Verhuisd:

J. HOOGEWERFF Jr., van den Haag, naar Schiedamsche

Singel 94 a , Rotterdam.

Binnenland.

In afwachting.

Wij begrijpen volkomen, dat velen onzer leden inzake

de salaris-actie zich gevoelen als de bekende en vermaarde

Zuster Anna.

Naderen zij nog niet, de gespierde en geharnaste ruiters der

lotsverbetering, die den Blauwbaard van het onvoldoende

salaris zullen overmannen?


Is er nog geen stofwolk?

Ongeduldig staan velen op den toren van het Kring-kasteel,

en turen. In afwachting.

Hun geduld zal spoedig niet meer op de proef worden

gesteld. Zeker, het duurt lang. Maar de zaak is moeilijk.

De journalisten kunnen er overtuigd van zijn, dat hun

vertegenwoordigers in de salaris-commissie hun werk met

spoed en voortvarendheid hebben verricht. Wat wij thans

vragen is: nog zeer korten tijd geduld. Méér niet. Op aanstaanden

Zaterdag, 6 September, komen de directeuren en

journalisten te Amsterdam bijeen, en daar zal, na veel en

moeizame voorbereiding, de beslissing vallen.

In welken geest?

Wij mogen van de vertrouwlijke onderhandelingen op dit

oogenblik nog niets verklappen. Maar bovendien: we zouden

het niet kunnen. Want al staan de voorstellen en cijfers en

bepalingen van weerskanten op papier, al zijn ze zorgvuldig

gewikt en gewogen, omtrent het resultaat zouden wij thans,

eenige dage?i vóór de beslissing, nog geen enkele positieve voorspelling

durven doen. Het kan betrekkelijk goed uitvallen.

Het kan ook — men moet zich op alles voorbereiden —

een ontzaglijke teleurstelling zijn, zoodat we ons moeten

aangorden voor een periode van strijd en actie. Men zal

goed doen, deze mogelijkheid voor oogen te houden. Meer

zullen we er thans niet van zeggen.

De economische toestand blijft intusschen van dien aard,

dat een goede salaris-schaal als minimum meer dan ooit

eisch is. Het leven wordt wel duurder, maar niet goedkooper.

Om ons heen veroveren de arbeiders zich door

staking-na-staking steeds meer economische macht. De werklieden

in ons vak weten door collectieve arbeidscontracten

hun positie te verbeteren, en slagen er in, voor zoover ze

door zulke contracten niet-gebonden zijn (en soms zelfs over

zulke contracten heen) geregeld meer inkomen te krijgen.

Alle groepen van ambtenaren gaan omhoog en krijgen extratoeslag.

Wij onderhandelen nog.

Maar luider en luider mogen wij dan ook den eisch van

een goede salaris-schaal stellen, en mogen wij vragen dat de

directies ook ons, die zonder openbare betoogingen en zonder

guerilla-stakingen tot dusver onze actie hebben gevoerd,

datgene zullen geven waarop wij redelijkerwijs recht hebben.

Thans behoeven onze leden nog slechts luttel dagen geduld

te oefenen. Zij staan in afwachting.

En dan . . ?

Het antwoord hierop zal spoedig gegeven kunnen worden.

* *

— De directie van De Maasbode heeft wederom de salarissen

verhoogd. Bravo!

M. J. Brusse.

„ . . . Morgen, den i en September, zal de heer M. J. BRUSSE,

de redacteur van „Onder de Menschen", vijf-en-twintig jaren

aan de redactie der N. R. Crt. zijn verbonden. Om gezondheidsredenen

buiten toevend, heeft hij zich aan feestviering

onttrokken . . ."

Zoo lazen we.

Het Maandblad-nummer was zoo goed als gereed. Maar

mocht het verschijnen, zonder een woord over dezen feestdag?

Neen.

Want, BRUSSE, je was „niet thuis", je dwaalt en droomt

op de Veluwsche hei, maar: een feestdag was het. Een feestdag

van de heele Nederlandsche Pers, die in dezen collega

één van haar aller-besten erkent. Zooals het wat banaaltjes

heet: een sieraad. Of wat deftiger: een primus.

Vaak — eerlijk gezegd — hebben wij het jubileum van een

journalist in stilte vergeleken bij dat van een tooneelspeler,

en dan trof ons het onrechtvaardige verschil. Een goed

acteur heeft zijn eere-avonden en op een jubileum zijn feest.

I" 't publiek. Een volle zaal, een tuin vol bloemen, een huis

v °l geschenken, voorafgegaan door een eere-comité van vroede,

bekende, notabele mannen. Wat, echter, heeft een goed jour­

MAANDBLAD 151

nalist, die ook steeds in en voor het publiek werkt? Eereavonden

in 't openbaar? Vaak weet het publiek niets van

hem persoonlijk af. Een glanzend jubilé, dat hem de waardeering

van zijn lezers brengt? Ook al niet. En toch, is de

goede journalist minder dan de goede tooneelspeler? en zijn

werk van kleiner bete.ekenis? Niemand zal het durven beweren.

O, wij vragen niets voor de journalisten, wij constateeren

alleen. Er hebben in stilte en bescheidenheid tal van knappe

journalisten gewerkt, van wiens arbeid ons volk genóót, maar

die in hun persoon voor het publiek even onbekend zijn

gestorven als ze leefden.

BRUSSE is een van hen die niet anonym zijn gebleven,

wiens naam als een heldere klank door het land is gegaan.

En wanneer de jubileum-methode die voor tooneelspelers

geldt eens werd gevolgd voor hem: geen zaal in ons land

zou groot genoeg zijn, om de menschen te bevatten, die hem

een dankend en huldigend woord kwamen brengen.

Een feestdag voor de Nederlandsche pers. Want in den

sterken glans van BRUSSE'S talent blinkt toch helder de waarde

en beteekenis van ons beroep. Hij heeft dit in de oogen en

in de schatting van het publiek doen rijzen. Verslaggever

was hij en is hij. Verslaggever, maar welk één. Behoeven wij

er hier over te schrijven? Wie weet het niet? De letterkundigen

eischen hem allereerst voor zich op, maar wij geven

hem niet. Journalist is hij. De man van het actueele, vaardige,

pittige, gevoelige woord, de ras-journalist. Hoeveel verslagen,

in vliegende haast geschreven, wist hij op hetzelfde oogenblik

om te smeden tot brokjes kunst? tot literair goud van hóóg

karaat? Dit is het, wat hem, als journalist, boven den letterkundige

zèt: dat prachtig-spontane, onder hoogen haast-druk

geschreven werk, stylistisch voortreffelijk, vol mooi gevoel en

trillend van menschen-liefde. Een dichter krijgt een inval op

straat, op de wandeling, in zijn slaapkamer of in zijn bad.

Goed. Hij houdt het gevondene vast, en werkt het iater uit.

Een musicus vindt plotseling een rafel van een melodie: hij

noteert het: later wordt het bijgewerkt. De journalist van den

stijl-BRUssE echter schept zijn mooiste, beste werk onder den

druk van een brandende actualiteit: de krant wacht, het dient

geseind, het moet af, onmiddellijk, op de seconde vaak . . .

BRUSSE, de literator, is boven alles journalist gebleven.

Al zijn werk was krante-werk. En hij heeft er niet alleen

ons volk geestelijk genot door geschonken en onze Nederlandsche

letterkunde mede verrijkt, maar vaak ook den stoot gegeven

tot sociale verbetering. Als een rosse vlam blinkt het nobele

gevoel, de ontroerende menschen-liefde, de innige genegenheid

voor wie klein is en verdrukt, of ongelukkig en geslagen,

door zijn artikelen en schetsen heen. Wij vinden zoo iets ook bij

SPEENHOFF. Maar instede van diens simpelen eenvoud heeft

BRUSSE de prachtige en soms te overvloedige artisticiteit van

het gloeiende woord. Hij heeft school gemaakt, maar waar

is hier de klassieke leerling, die den meester overtrof? Zijn

„Onder de Menschen"-artikelen behooren voor een goed deel

tot het aller-beste, dat ooit in kranten en in boeken geschreven is.

Hoe graag zouden wij hem op zijn feest getoond hebben,

dat wij hem bewonderen, dat wij blij met hem zijn, en hem

hebben gezegd, dat hij hoog-gestooten heeft in de gespannen

aandacht van het volk ons mooie beroep, dat hij den naam van

journalist heeft geheven en gewijd, en daarom ons aller dank

en waardeering verdient. Nu het niet kon (misschien zal het

nog kunnen) sta hier, namens alle Nederlandsche dagbladschrijvers,

een hartelijke gelukwensch voor den man, die

literator was, maar, mèèr dan dat en allereerst: geboren

journalist.

BRUSSE, ons aller hartelijke groet, en onze bewondering

na zulk een kwart-eeuw.

* *

*

In de N. R. Crt. heeft JOHAN DE MEESTER over den

jubilaris geschreven. Hier is een citaat:

„Vaak is er aan Zola's woord herinnerd, dat verslaggeven een

school is voor romanschrijven. Brusse's arbeiden kan men als uit

Zola's opvattingen ontstaan beschouwen. Het program, waarmee

hij indertijd aan bestuurderen der N. R. Crt. zijn verandering van

werktrant, zijn gaan „onder de menschen" voorstelde, had iets

van de A r k-idee, de omvatting van „al wat leeft" volgens Genesis

6; den grooten Franschen epicus lief. Naar den trant van

diens grasduinen in „Ie ventre de Paris", de hallen, zou Brusse

nooit uitgekeken raken aan de Maas. En waar, beter dan bij Zola,

kon hij school gaan voor het vizionaire, den symbolen aanwijzenden

„achtergrond" van werkelijkheidsbeschrijving ? Het directe

van 't Realisme, dat in die kunstschool is beginsel, is noodzakelijkheid

bij dagbladwerk. Vernuft, dat „geestigheid" sprankelen

doet — we herinneren aan details (waarheid alle of verdichting!)

uit Brusse's verslagen van Koninginnereizen —; de wijdere en

diepere vergeestelijking, die humor heet; het hoogere van visioen

in symbool — en bij dit alles de menschenliefde, welke al


152

Brusse's werk bestuurt, hem vaak aok tot een gevoeligheid voerde,

die wel eens sentimentaliteit leek.

Brusse lijkt wel eens overdadig; nooit geel't hij lichte, vaak zware

lektuur: nooit wat er velen begeeren in 't dagblad, dat men aan

even inzien genoeg heeft om „wel te weten wat er in staat". Want,

het moge gezegd worden en erkend: het op het stuk van dagbladlectuur

hooghartige, skeptische en tevens gauw-kritische publiek,

moge met Hollandsche degelijkheid den ernst in de dagbladpers

aanmoedigen, zoover het juistheid, eerlijkheid en vlugheid van inlichting

betreft; het moge voor de waarde van den inhoud belangstelling

aan den dag leggen; het moge met Charivarius gnuiven, wanneer

die slordigheid aanwijst in taal; uit zichzelf verlangt het met veel

van den vorm! .. ..

Hierom te meer is het een voldoening voor Brusse, dat hij zijn

zerskring heeft en houdt voor wat altijd literaire journalistiek, en

door een aartsjournalist begonnen, in ontwerp en in uitvoering

zuiver literair is. ..

Dezen zomer in de jaarvergadering van de „Maatschappij der

Nederlandsche Letterkunde", tot aansluiting aan het door den voorzitter

Prof. Huizinga met een belangrijke openingsrede en een

voorbeeldige debat-leiding gewonnen pleit voor de belletnsten,

sprekende over de belletrie, en daarbij van zelf aan de aandacht

rakend die ons publiek aan de literatuur schenkt, heb ik, de oude

klacht' herhalend, dat Nederland zijn schrijvers niet leest, tevens

de voorstelling trachten te wraken dat dit vroeger anders zou zijn

geweest, vroeger, dat wil zeggen voor '80. Ik deed dit met naast de

Camera Brusse's Boefje te stellen tot voorbeeld. „Laat — das mocht

ik daar betoogen — voor een zuiveren kijk op de dingen dan toch

even worden vermeld, dat, zoo Hildebrand's boek in 1861, dus na

een kwart-eeuw, het tot een zesden druk gebracht heelt, de 6e druk

van Brusse's Boefje in 1905, twee jaar na den eersten kwam; er

waren toen 16,000 exemplaren gedrukt. In het tweede oorlogsjaar,

Juni 1915, is de 13e druk van Boefje gekomen — toen waren

37 000 exemplaren gedrukt en deze editie is nu vrijwel uitverkocht .

Voortgaande noemde ik nog Pallieter en plaatste tegenover den bijval

aan „dit lichtzinnige, in elk geval te gemakkelijke optimisme

geschonken, de te geringe aandacht die Feesten, Van Looy simmers

zooveel diepere blijheid, bij de menigte heeft gevonden.

Behoeft het gezegd, dat deze „aandacht", het succes bij een groot

publiek allerminst waardemeter voor kunst is,? Doch de juistheid

van het tegendeel eener „stelling" volgt immers geenzms uit deze?

Brusse's herdrukken bewijzen wel wat.

Inmiddels hebben zijn boeken zich aaneengerijd — alle, met

achterin de :aanteekening: „overdruk uit de rubriek „Onder de

Menschen" in de Nieuwe Batterdamsche Courant. En met alleen

Boefje moest worden herdrukt.

Toen is Brusse's jongere kameraad, de letterkundige-journalist

Dr H van Loon, thans onze correspondent te Parijs, op de goede

gedachte gekomen van een keur, uit stapels stukken, nog met vereenigd

tot een boek. Terwijl hij hier van den winter alle nacht

telegrammen vertaalde, heeft hij ettelijke middagen gegeven aan

het snuffelen en het lezen in oude leggers. Zoo las hij naar het

voorbeeld van Ruth zooveel bijeen, dat de moeite waard bleek, dat

hii niet kon laten schieten; dat de uitgevers Brusse schrikten toen

zij het alles zagen. Het werd geschat op zestig vel, wellicht zou het

er zeventig zijn! De nijvere speurder heeft concessies moeten doen :

zóó omvangrijk kon het boek onmogelijk worden. Toen de uitgevers

in beginsel het over de uitgaaf eens waren met Dr. van Loon, hadden

zii ei ? met den schrijver over gesproken, die ingenomen met het

plan bleek. Vergunning tot overdruk werd ook ditmaal van de

Directie der N. B. C. verkregen. En zoo ligt dan alles klaar, terwijl

de heer E. B. VAN DULMEN KRUMPELMAN, voor dit doel door Breitner

aanbevolen, bezig is, naar de natuur een zestigtal penteekemngen te

maken, die deze Keur zullen illustreeren. VAN DULMEN las de opstellen,

ging uit om ze opnieuw „te zien" en maakte schetsen, waarnaar

hij nu teekent.

In het late najaar zal het werk in twee deelen der uniform-uitgaaf

van M. J. Brusse's werken verschijnen met een 60-tal teekeningen

Het ,jubileum"-karakter, niet aan het boek, doch aan de

uitgaaf verbonden, die kostbaar is, zal hierin bestaan, dat een beperkt

aantal exemplaren gemaakt zal worden op geschept papier en in

leder gebonden, van hoogen prijs. De gewone editie zal daarentegen

zoo matig mogelijk geprijsd verspreid worden. De sierkunstenaar

S. H. de Roos heeft de versiering en grafische verzorging welwillend

op zich genomen."'

Alle journalisten zullen deze uitgaaf met groote belangstelling

tegemoet zien.

Geestelijke loonsverhooging.

De zoo eenvoudig medegedeelde maar ontroerende episode

uit KERREMANS' leven, door hem vertaald in zijn ingezonden

stuk in No. 276 (20 Aug. 1.1.) geeft te denken. Ziedaar weder

een collega, die zich met hart en ziel aan ons geestelijk

beroep wijdt, het geestelijk opvat en daardoor op een zeker

oogenblik op de keien wordt gezet met een rood paspoort toe.

Omdat hij op een zeker oogenblik, terwille van het financieel

welvaren van een blad, niet gelijdelijk tegen zijn meening

wilde gaan schrijven, wordt hij ontslagen. Kan men het den

commissarissen, den handelaars in bedrukt papier, kwalijk

nemen? Ten deele wel. Zij moesten weten dat een courant

niet allereerst een financiëele onderneming is, maar een geestelijk

instituut, dat naar zijn roeping de kerk zeer nabij staat.

Dat zij, als 't alleen om geld-verdienen te doen was, beter

MAANDBLAD

deden hun kapitaal in tabak of petroleum te beleggen. Maar

in de gegeven omstandigheden is er ook wel eenige verontschuldiging

voor de commissarissen te vinden. Niemand verliest

gaarne geld en tot martelaarschap zijn handelaars in

bedrukt papier niet geboren. Ik herinner mij, een kwart eeuw

geleden een gesprek met een (thans overleden) hoofdredacteur

van een groot Nederlandsch volksblad (sedert opgedoekt),

die mij voorstelde brieven in zijn blad te schrijven. „U moet

het op het humoristische gooien en zorgen tusschen de klippen

door te zeilen. Wij zijn eerst een beetje rood op de graat

geweest, maar tegenwoordig schijnt dat niet meer zoo gewild

en nu . . ." „Begrepen. Oranje met een klont . . ." — U snapt

het precies. Wij zullen het met elkaar wel vinden." — Nu,

we vonden het met elkaar niet, maar daarom niet kwaad

nie. Doch wij weten het allen wel onder elkaar, dat de belangen

van de couranten-kooplieden eischen, dat de journalist

opportunist zij. Hij kan het wat minder of wat meer zijn

of mogen zijn, maar zijn tijd vooruit zijn of tegen de strooming

des tijds oproeien is doorgaans hachelijk, en 't allermeest

voor het dagblad, dat het oogenblik, dat den dag dient.

Tijdens den oorlog hebben wij daar weer merkwaardige

staaltjes van bijgewoond.

Toch is daar wel verandering in te brengen. Maar de

eenling vermag weinig. Hij kan hoogstens een goed voorbeeld

geven, dat dan niet eens wordt nagevolgd. In dezen strijd

tusschen den man van karakter en den lafaard, heeft de

lafaard den steun van het kapitaal, want het kapitaal heeft den

opportunist noodig. Zwijgen en verzwijgen is ook een middel

om zich staande te houden. Maar zwijgen en verzwijgen is

toch de eigenlijke taak en roeping van den man van de pen

niet. Men wordt journalist omdat men wat te zeggen heeft.

Omdat men door humanitaire gevoelens is bezield.

Wij moeten samen ons vak geestelijk verheffen. Dat kan

alleen door de grenzen van de macht van het geld te beperken.

Daartoe zijn geen omwentelingen noodig of niet meer noodig.

Onze vakvereeniging ga voort haar invloed te gebruiken. En

daar zij onderdeel is geworden van den grooten geestelijken

bond van alle Nederlandsche vakverenigingen en deze

gezamenlijke Nederlandsche vakvereenigingen op den duur

weer organisch onderdeel zijn van alle vakvereenigingen ter

wereld, want die weg gaat het op, is er geen middel om zich

tegen rechtvaardige en ethische wens.chen van de vereemgde

journalisten te verzetten. Onze vakvereeniging, de N. J. K.,

schrijve dus een algemeene vergadering uit, waarop de geestelijke

loonsverhooging worde besproken en de middelen kunnen

beraamd worden om er toe te geraken.

Als een dier middelen noem ik de bepaling, dat een deel

van het honorarium van ieder journalist contractueel moet

belegd worden in de aandeelen van het blad, waaraan

hij werkt. Hoe groot dat deel van het honorarium zal zijn,

op welke wijze dat deel van het honorarium zal gevonden

worden (b.v. uit een uitkeering 'sjaars uit de winst gemaakt

boven 7 % 's jaars) kan nader bepaald worden. Het doel is,

dat geleidelijk aan de medewerkers van een blad daarvan

tevens voor een deel de eigenaars worden. Iets onbillijks is

daarin niet'gelegen. Wie „geestelijk materiaal" levert is zeker

niet minder dan wie „stoffelijk materiaal" levert. De courant

zal, als zij gedeeltelijk eigendom is geworden van de journalisten,

die er jaren hun beste krachten aan gaven, zich daardoor

ook kunnen bevrijden van den al te grooten invloed

van politieke leiders en drijvers, die haar op zekere oogenblikken

misbruiken, verkwanselen of in dienst stellen van

eenzijdige principes. Zij zal zich voor een groot deel kunnen

bevrijden van den funesten invloed van de „publieke opinie".

Want een courant behoort niet de volgster van het groote

publiek, maar de voorgangster en leideres te zijn. De courant

zal in toekomst dan niet meer klakkeloos kunnen worden

„verkocht". Wij vinden het barbaarsch, dat in het feodale

tijdperk een stuk grond kon worden verkocht mèt de boeren,

die er op leefden. Maar heden ten dage kan de courant eiken

dag worden verkocht, met de journalisten die er aan werken,

er jaren lang aan gewerkt hebben en de nieuwe eigenaar

kan dan „den grooten schoonmaak" (mèt drie maanden salaris !)

net zoo inrichten als hij zelf verkiest. Een courant kan ook

geërfd worden. En de gelukkige erfgenaam kan dan naar

welgevallen de courant van richting doen veranderen en de

journalisten er aan verbonden naar welgevallen ontslaan.

Zullen de aandeelen van de journalisten bij hun dood ook

geërfd kunnen worden? Of zullen die aandeelen op naam

gesteld moeten worden en aan de nabestaanden geen geestelijke

rechten, geen stem in het kapittel geven ? Ook daarover zullen

wij te beraadslagen hebben. ^ CANTER.


Het E.L.T.A.-Bestuur en de Pers.

„Het wordt meer dan tijd dat onze organisaties eens

krachtig gaan optreden", zoo teekent de plaatsvervangende

Maandbla dredactem- en Kringsecretaris, collega VAN DER

HOUT, aan bij het door hem in het vorig Maandblad uit

Het Volk overgenomen. stukje, nopens het Elta-Bestuur en

de Pers.

Wij gevoelen ons genoopt een variant op dit schema voor

te stellen, en wel dit:

„Het wordt meer dan tijd dat de plaatsvervangende Maandbladredacteur

en Kringsecretaris eindelijk eens leere zijn pen

beter te beheerschen; dat hij zich tracht te ontdoen van de

onorganisatorische neigingen waaraan hij schijnt te laboreeren

(zie ook de klacht van collega VAN GEEL in Maandblad 2^^)

en dat hij bij het lezen van een klacht als door den Volk-verslaggever

neergeschreven, ook eens ga informeeren bij het

Bestuur van de plaatselijke vereeniging, aan hetwelk het

Kringbestuur — dus ook hijzelf — de behartiging van de

pers-belangen bij eene bepaalde gelegenheid heeft opgedragen.

Vooral wanneer hij zich, op grond van zulk een klacht, gedrongen

gevoelt den staf te breken over het beleid van het

plaatselijke bestuur."

Dit is noodig, collega VAN DER HOUT, — als gij dit niet

weet willen wij het u wel vertellen — omdat het gansch

niet onmogelijk is en zelfs zeer waarschijnlijk, dat eene andere

persorganisatie, die — och zoo gaarne! — den Kring zijn

karakter van vertegenwoordigend lichaam zou afhandig maken,

uit het stukje van Het Volk en het onderschrift van den

Kringsecretaris munt zal slaan, en een en ander zal trachten

aan te wenden, om alweer een stapje nader bij het doel te

komen, waarheen zij al sinds jaren reikhalst. Als collega VAN

DER Hour, als de Kringsecretaris, zóó groen in ons vak is

dat hij dit niet weet, dan moest hij zich door beter-ingelichte

bestuursleden, die langer meeloopen, laten informeeren. Het

ligt niet rechtstreeks op zijn weg als Kring-official om de

ruiten van het Kringgebouw in te gooien.

Wat is er aan van de grieven van den ^//'-verslaggever,

collega SANTCROOS, en de kantteekening daarop van collega

VAN DER HOUT?

Niets.'

Het is niet waar — en wij stellen er prijs op dit als

Dagelijksch Bestuur van de Amsterdamsche Pers te verklaren —

dat in den aanvang alles ontbroken heeft aan de medewerking

van het Elta-bestuur en thans nog zeer veel ontbreekt.

Van het oogenblik af dat collega MANASSEN — lid van het

Dagelijksch Bestuur der Elta — tot onze Voorzitter zeide:

„Laat de A. P. maar opschrijven hoe zij de persregeling

hebben wil; het Elta-bestuur gaat daarmede bij voorbaat

accoord", zijn al onze wenschen, alle verlangens van het

A. P.-bestuur en later van de drie pers-commissarissen, (de

heeren NIJLAND van het Handelsblad, MOUSSAULT van de

Telegraaf en KOUWENAAR) door het Elta-bestuur ingewilligd.

Zonder eenige uitzondering! Het Elta-bestuur heeft aan de

A. P. de geheele regeling van de uitreiking der pers-kaarten

in handen gegeven, waardoor het ons mogelijk was te waken

tegen allerlei beunhazerij op journalistiek gebied bij deze

gelegenheid; het Elta-bestuur heeft een behoorlijk ingericht

pers-lokaal met telefoon ter beschikking van de journalisten

gesteld; de voorzitter van de A. P. heeft, in overleg met het

Elta-bestuur en in samenwerking met collega's NIJLAND en

MOUSSAULT, een geregelden en doorloopenden pers-inlichtingendienst

voor den duur der tentoonstelling georganiseerd, waarvan

alle collega's, alle bladen, hebben kunnen profiteeren.

Alle tentoonstellings- en vliegveldnieuwtjes worden geregeld

in het pers-lokaal opgehangen, en wij mogen verklaren dat

er in dit opzicht een kameraadschappelijke samenwerking

was tusschen alle collega's. Ook gelukte het den voorzitter

van de A. P., met medewerking van het Elta-bestuur, de

gelegenheid te scheppen, dat eiken dag althans één journalist

een gratis-vlucht kan meemaken, eene gelegenheid waarvan

al weder druk gebruik is gemaakt.

En nu spreekt het wel vanzelf dat niet alles altijd gesmeerd

heeft geloopen. Zeker, een enkele maal heeft er wel eens wat

gehaperd, functioneerden niet alle radertjes van de groote

Elta-machine even goed. Maar als dat voorkwam verschafte

het Elta-bettuur ons, d. w. z. het A. P.-bestuur en den Perscommissarissen,

altijd dadelijk volledige voldoening. Ook als

deze of gene collega maar vast op zijn eigen houtje, in z'n

krant, of door middel van een „standje" bij het Elta-bestuur

— met voorbijgaan dus van A. P.-bestuur en Perscommissarissen

(wat zeer onorganisatorisch was, collega VAN DER HOUT!)

— aan zijne ontstemming over eenige onregelmatigheid had

lucht gegeven. Eenige rancune bleef er nooit bestaan bij het

MAANDBLAD 153

Elta-bestuur. Het bestuur van de A. P. en de Pers-commissarissen

hebben tot dusver op de meest aangename wijze samengewerkt

met het Tentoonstellings-bestuur. De eerlijkheid gebiedt,

dit openlijk in ons Maandblad te constateeren. Het fW/^-stukje

is absoluut misleidend ! De pers is behoorlijk behandeld, zooals

trouwens ons recht is. Want misschien is het, ter voorkoming

van misverstand, goed hierbij op te merken, dat het bestuur

der A. P. wel erkentelijk is voor die medewerking van het

Elta-bestuur, maar dat het die medewerking heeft aanvaard

niet als een gunst, maar als een recht. Als ons dit recht echter

ten volle wordt toegemeten, dan moeten wij dit ook erkennen.

En het is verkeerd, om, zooals de Kringsecretaris doet, het

tegenwoordig wel eens wat overprikkeld journalistieke eergevoel

van sommige collega's nog meer te over-prikkelen. Op

die manier wordt het werk van het bestuur van eene journalisten-vereeniging

of van pers-commissarissen onnoodig

bemoeilijkt.

Wij herhalen: het waren slechts kleinigheden waarover af

en toe geklaagd werd. Zoo bijv. het door collega SANTCROOS

genoemde voorbeeld van een controleur, die weigerde de

journalisten toe te laten tot den paddock, bij de eerste zoogenaamde

nachtvlucht. Het. bevel daartoe was niet door het

E.L.T.A.-Bestuur uitgegeven, maar waarschijnlijk — de man

ligt natuurlijk op het kerkhof — door een der vele kleine

koninkjes die een groote onderneming als de E.L.T.A. heeft.

Toen onze voorzitter deze zaak ter kennis bracht van het

tentoonstellingsbestuur zijn onmiddellijk maatregelen genomen

om te voorkomen dat dergelijke dingen nog eens gebeurden.

Kunnen wij daarmede niet tevreden zijn?

Het Dagelijksch Bestuur van de A. P. meent dus, dat

noch zijne leden, noch de pers-commissarissen eene aanteekening

verdienen als door collega VAN DER HOUT bij het

J-W/'-stukje geplaatst is. Het bedankt er feestelijk voor om

door den plaatsvervangenden Maandblad-reducteuv en Kringsecretaris

met een enkel achteloos regeltje, mir uichts dir

nichts, te worden uitgemaakt voor een troepje suffers die te

slaperig of lamlendig zijn om de hun door het Kringbestuur

toevertrouwde belangen naar behooren te behartigen. En het

verzoekt dringend, ook in het belang van den Kring, voortaan

van dergelijke onoordeelkundige opmerkingen verschoond

te mogen blijven!

Het Dagelijksch Bestuur van de A. P.:

D. KOUWENAAR, Voorz.

C. J. SCHOTEL Fz., Secr.

J. H. ROGGE, Penningm.

Journalistieke didactiek.

Niet in de voornaamste plaats om een drukfout, die in

mijn vorig artikel is blijven staan en die ik gaarne verbeterd

zag '), ben ik genoodzaakt op de journalistieke didactiek van

den heer W. N. VAN DER HOUT terug te komen. Mir nichts,

dir nichts steekt hij een hem in het gevlei komend artikel

van collega VAN MEURS in het deftige burgermansgewaad der

galjard, om vervolgens met het aldus uitgedoste wicht uit

wandelen te gaan langs den strandboulevard van het redactioneel

gedeelte van ons orgaan. Mijn stuk evenwel, hoewel

hetzelfde onderwerp behandelend, doch kritiek op zijn beleid

oefenend, doet hij het povere armelui's pakje der brevier

aan, waarna hij het met minachtend gebaar zoover mogelijk

wegstopt in het ingezonden stukkenhok aan 's Maandblads

meest afgelegen uiteinde. Is dat — mag ik vragen — is dat

nu de vrucht der hooggeroemde, zooveel belovende journalistieke

didactiek, waarvan de heeren VAN DER HOUT en

VAN MEURS in broederlijke eensgezindheid zulke warme

voorstanders zijn? Kan — moet ik verder vragen — kan

deze journalistieke didactiek van den heer VAN DER HOUT

het heldere licht der journalistieke ethiek verdragen?

Behalve met de journalistieke didactiek van den heer VAN

DER HOUT zitten wij thans ook geschoren met de journalistieke

didactiek van collega VAN MEURS. In zijn haast gunde collega

VAN MEURS zich zelfs niet den tijd, een goed woordenboek

te raadplegen over de juiste beteekenis van het woord didactisch

2 ). Niemand zal mij euvel duiden als ik na deze vluchtigheid

eenigszins sceptisch sta tegenover zijn journalistieke

didactiek. Niettemin zal ik gaarne in alle nederigheid van

den leergierigen discipel aan de voeten van zijn journalistieken

') In mijn overzicht van het artikel van den heer Van der Hout

schreef ik: „zij gaan vlijtig naar vergaderingen". Van „vlijtig"

maakte de zetter „vluchtig".

3 ) Volgens de journalistieke didactiek van collega Van Meurs

zijn didactische bijdragen beschouwende bijdragen!


154 MAANDBLAD

leerstoel neerhurken, teneinde van collega VAN MEURS, die

het artikel van den heer VAN DER HOUT „met belangstelling

en tevens met bijna onverdeelde instemming" las, te vernemen

op welke gronden hij met genoemden heer van oordeel is:

dat de inhoud der kranten sinds den oorlog is achteruit

gegaan;

dat de „kunst" in de dagbladen de meest gebenedijde

rubriek is en dat daar overal deskundigen voor aangesteld zijn;

dat van stroomingen op onderwijs- en theologisch gebied

in de dagbladpers zoo goed als geen melding wordt gemaakt

(met theologisch gebied zal wel bedoeld zijn kerkelijk gebied,

doch op zulke futiele onderscheidingen wordt in deze dagen

minder gelet);

dat de medewerkers voor Kerknieuws in de groote bladen

hun medewerking meer plegen te benutten als een gelegenheid

om te prêcher pour leur paroisse dan wel om het publiek

omstandig in te lichten;

dat de verslagen van wijsgeerige lezingen dit altijd met

elkaar gemeen hebben, dat zij wel de stellingen en de conclusies

van den spreker geven, maar de argumenteering achterwege

laten;

dat de kranten „harlekijns" aanstellen tot kunstmatige

opvroolijking der dagbladen;

dat de kranten personen benoemen tot het opsnorren van

pietluttige primeurs.

Als het aan collega VAN MEURS inderdaad gelukt te bewijzen,

dat al deze uitingen niet op phantasie berusten, doch aan de

werkelijkheid ontleend zijn, zal ik zijn journalistieke didactiek

gaarne de hulde bewijzen, die ze verdient. Eerst als omtrent

de punten, die ik noemde, overeenstemming verkregen is,

zullen wij in alle kalmte der philosofische bezonnenheid een

boom kunnen gaan opzetten over het al of niet wenschelijke

en mogelijke der journalistieke didactiek.

Met één mogelijkheid moet ik intusschen billijkheidshalve

rekening houden. Ik zeg niet, dat het zoo is, maar het zou

kunnen zijn, dat collega VAN MEURS in zijn haast niet eens

nauwkeurig van het artikel van den heer VAN DER HOUT

heeft kermis genomen. Journalisten — de artikelenschrijvers

onder hen niet uitgezonderd — lezen soms wel eens op het

vluchtige af. Het haastige van ons beroep brengt dat mee.

Overzag collega VAN MEURS werkelijk de onware stellingen

waarop de heer VAN DER HOUT zijn conclusies fundeerde,

laat hij het dan gerust zeggen.

Uit de Pers.

C. J. VAN GEEL.

Auteur en critiek. — Onder dezen titel schreef de

heer FRITS VAN RAALTE een artikel in het weekblad De

Amsterdammer. Ziehier het begin:

„In de laatste jaren gaan er telkens luider stemmen op, die

vragen naar het verdwijnen van de critiek. Er zijn kunstenaars

die zich, terecht of ten onrechte, door de critiek doodgedrukt gevoelen

en verschillende kunstschilders — en geenszins de minste —

zouden het heelemaal niet nadeelig voor den kunstbloei achten,

als de critiek eens tien jaren vacantie nam. Wie' weet wat goeds

daaruit kan voortkomen! Critiseeren is zooveel gemakkelijker dan

het beoefenen der kunst, dat het minst geslaagde werk van kunst

meer moeite heeft gekost, dan de best geslaagde critiek en juist

in het gemak waarmee ze gehandteerd wordt, ligt haar gevaar."

De schrijver geeft dan tal van voorbeelden, hoe uiteenloopend

de critici over een boek van hem geschreven hebben,

o.a. dit:

Elise Soer schreef in De Tijdspiegel (Januari '16): „Uit dit boek

stroomt de lentelucht u tegen. Rozenknoppen, lichtgroene punten

sieren de takken, teedere ranken omstrengelen elkaar". En Frits

Lapidoth schreef in de Nieuwe Crt.: „Het zeer kiesche onderwerp

is met de uiterste fijngevoeligheid behandeld. Bovendien met veel

smaak." Wat moet nu een jonge auteur van zijn werk denken

en wat moet het publiek, dat eerst de critiek eens wil afwachten,

wel denken, als het daarna in de Boekenschouw leest (15 Dec. '15):

„Het boek is onmenschelijk smerig. Het blijft een raadsel, dat in

dezen tijd nog schrijvers en uitgevers gevonden kunnen worden,

die zulke vuiligheid, met hun naam bestempeld, durven uitstallen."

Critiek is geen wetenschap, het is geen kunst, het is de meest

subjectieve uiting, die bestaat, het is nog niet eens zuiver een kwestie

van persoonlijke smaak, maar van smaak op een bepaald oogenblik.

En er bestaat geen enkele waarborg, dat de stemming die

de critiek ingaf, is opgewekt door het boek zelf. De dikte van

het bloed, het aantal roode bloedlichaampjes, de spijsvertering of

wie weet, welke andere factoren kunnen bij de beoordeelaars, die

niets, maar ook niets met het boek te maken hebben, wie weet,

wel een rol spelen bij de beoordeeling. Ten slotte doen publiek

en schrijver toch wat hun goeddunkt en de criticus wordt dan

net als de ezel in het verhaaltje door vader-publiek en zoonschrijver

naar de markt gedragen en daar verkocht. En daarom

is de vraag gewettigd, of critiek noodig, nuttig of gewenscht is

en of het niet beter zou zijn, als boeken, kunstwerken in het

algemeen uitvoerig werden aangekondigd, inplaats van beoordeeld.

En nu de persoon van den criticus. Het is bekend dat vele provinciale

bladen romans enz. laten beoordeelen door een onderwijsman

of een ander, die veel van lezen houdt. Die liefde voor lezen beteekent

wel iets, maar biedt toch even weinig waarborg voor

bekwame en bevoegde beoordeeling, als dat graag-vleesch-eten

bekwaamheid of bevoegdheid geeft als keurmeester van vleesch

op te treden. En heel wat critiek zou achterwege blijven, of in

elk geval beter overdacht worden, als het regel werd, dat beoordeelingen

onderteekend werden. Uitgevers kunnen er toe meewerken,

dat die maatregel genomen wordt, door alleen boeken ter

beoordeeling toe te zenden aan die bladen en tijdschriften, die

beoordeelingen doen onderteekenen. Dat ware al veel gewonnen

zooals zonder eenigen twijfel blijken zal".

Rechtszaken.

Beleediging.

Voor den Raad van Justitie te Soerabaja stond 17 Juni

terecht de heer J. V., vroeger redacteur-correspondent van het

Soer. Handelsblad voor West-Java en thans hoofdredacteur

van het Weekblad voor Indië.

Aan beklaagde werden volgens het Soer. Handelsblad smaad

en beleediging ten laste gelegd.

In een serie artikelen, getiteld: „Op den drempel der vergetelheid",

had hij den resident der Zuider- en Oosterafdeeling

van Borneo verweten, dat deze zijn bestuurstaak had verwaarloosd

en om een Duitschen vriend ter wille te zijn, één

zijner ondergeschikte ambtenaren een katje had gegeven.

Van het aanbod van den president, om de zaak uit te

stellen, omdat hij geen verdediger had, wenschte beklaagde

geen misbruik te maken; de zaak was volgens zijn rechtsgeleerden

raadsman geen juridische, maar 'n geheel andere

kwestie.

Beklaagde erkende de artikelen te hebben geschreven, doch

ontkende de bedoeling te hebben gehad, om te beleedigen;

hij had geschreven in het algemeen belang en gestreden tegen

het régime, dat onder resident Hens op Borneo heerscht. Hij

wilde echter wel toegeven, dat zijn beschuldigingen voor den

resident niet aangenaam waren, maar hij was er van overtuigd,

de waarheid te hebben weergegeven; te dien aanzien was hij

door verschillende personen ingelicht.

Requisitoir nemende, vorderde de ambtenaar van het O. M.

schuldigverklaring van beklaagde aan smaadschrift tegenover

een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn functie

en beleediging van een ambtenaar eveneens in de rechtmatige

uitoefening van zijn functie en deswege veroordeeling tot twee

geldboeten, elk van f 150, subsidiair hechtenis. De officier

van justitie nam aan, dat hetgeen door beklaagde aan resident

Hens was ten laste gelegd, onwaar was; dat voorts door de

publicatie der artikelen niet bewezen was het dienen van het

algemeen belang, terwijl beklaagde, om zijn doel te bereiken,

een anderen weg had kunnen volgen. De publicaties waren

niet gebaseerd op behoorlijk onderzoek; alles was gegrond

op geruchten.

De officier van justitie was verder van oordeel, dat de

beleediging van een ambtenaar van ernstiger aard is dan het

beleedigen van een particulier, waarom hij een zwaarder straf

moest eischen; het geheele B.B.-corps was door die beleediging

aangetast.

Van de gelegenheid, om zich te verdedigen, wilde beklaagde

graag gebruik maken, niet alleen om een woord van verdediging

te laten hooren, maar ook een woord van rechtvaardiging.

Er zat een stille kracht achter deze zaak!

Sprekende over den toon in de Indische pers, gaf beklaagde

toe, dat die weleens te scherp was; de oorzaak daarvan meende

hij te moeten zoeken in de vele vervolgingen, welke door de

justitie om allerlei kleinigheden tegen haar worden ingesteld.

Over de kwestie, of hij een anderen weg had moeten volgen,

dan wel tot publicatie had moeten overgaan, kon hij niet met

den officier van justitie in debat treden; er bestaat daarover

een verdeelde opinie — als journalist was beklaagde van

meening, dat openbaarmaking de aangewezen weg is, om tot

het doel te geraken.

Op 1 Juli is in deze zaak de uitspraak gevolgd: Schuldig

aan beleediging en twintig gulden boete.


Boekenschouw.

The Principles and Practice of Newspaper

Make-up, by T. E. Naylor Raithby,

Lawrence & Cy., London.

Het is opmerkelijk dat er in het Engelsch tal van boeken en

boekjes over de journalistiek zijn en nog worden geschreven. Ik

heb getracht literatuur opgaven te krijgen van Fransche, Duitsche

en Engelsche vak-boeken over de pers en de lijst der Engelsche

is het grootst en het veelzijdigst, In de laatste jaren zijn er reeds

enkelen in het Maandblad aangekondigd. Ik heb er nu weer een

tweetal, die ik met een enkel woord wil introduceeren bij de

collega's. Het eerste, waarvan de titel hierboven vermeld is, verdient

ten volle de aandacht, vooral van hen, tot wier taak het

opmaken van de krant behoort. Op enkele uitzonderingen na wordt

er niet veel aandacht geschonken aan het systeem van opmaken.

Men heeft eenmaal een vaste volgorde van de rubrieken en een

voor de berichten in de rubrieken en daaraan houdt men vast.

Over letter-types, over verdere verdeelingen maakt men zich niet

bijster druk. In de buitenlandsche bladen is dat veel anders : slechts

enkele Hollandsche zijn het buitenlandsche systeem gaan navolgen.

Dat svsteem is maar niet luk-raak in elkaar gezet; wie het boekje

van Naylor leest, staat soms verbaasd over de scherpzinnige overwegingen

die daarbij hebben gegolden. Het boekje heeft een

inleiding van Lord Burnham, den kleinzoon van den oprichter

van de Daily Telegraph. Deze vertelt dat een der leuzen van

zijn Grootvader was: „I like a black paper". De krant moest

goed vol en compres-gedrukt zijn. Dat was de oude school. De

nieuwe school vraagt „wit", nogal veel wit en veel soorten van

letters. Naylor geeft daarover interessante beschouwingen. Hij is

natuurlijk voorstander van het nieuwe systeem al ontgaan hem de

gebreken daarvan niet en al ziet hij ter dege het gevaar van een

onoordeelkundige toepassing. Het is niet mogelijk eenige aanhalingen

te doen, omdat daarvoor het betoog te veel een geheel vormt.

Wanneer ik de theorieën van Naylor eens vergelijk bij de praktijk

die bij de enkele Hollandsche bladen wordt gevolgd, dan geloof

ik een goeden raad te geven als ik de opmakers van die kranten

adviseer om het boekje eens te lezen. Zij zullen er goede wenken

in vinden. Het lijkt me dat zij te veel op goed geluk en met een

luchtig arstistieken blik handelen; Naylor beredeneert het systeem

en weet het waarom-zóó en waarom-niet-zus aan te geven.

Met een warme aanbeveling van dit boekje meen ik te kunnen

volstaan.

Journalism as a career for women by

A. Sphinx, London, George Newnes.

De omslag ziet er zeer aantrekkelijk uit: een aardige jonge

dame zit aan een met boeken zwaarbeladen bureau in een helderlichte

kamer. In kokette roode letters is de titel van het boek

afgedrukt en aan den voet van den omslag wordt meegedeeld dat

het is „a thoroughly practical booklet, which tells the reader

everything she ought to know to ensure success as a Journalist".

Wanneer men 'nu weet dat het boekje in klein octavo slechts 22

pagina's bevat, valt het al te vermoeden dat deze grootsche belofte

niet kan zijn nagekomen. Luchtig en vluchtig wordt het een en

ander over de journalistiek verteld, maar niet duidelijk wordt het

waarom de vrouw nu zoo bijzonder geschikt is voor de journalistiek

en waarom de journalistiek nu zoo bijzonder geschikt is

voor de vrouw.

Tal van schoone eigenschappen moet de journalist hebben: an

active temperament, a logical mind, courage to face delicate

situations, tact, dogged perseverance and the capacity for hard

work. En dan met een grapje: a thorough knowledge of arith

metic, if for no other purpose than to be able to balance her

own accounts.

Nu en dan gaat het verhaal zweven; a quick intuition is noodig

en het is niet gewenscht to walk with your head in the clouds.

Vervolgens wordt iets verteld over de twee wijzen waarop iemand

journalist kan worden. De eene is die van free lance, de andere

is als leerling op een redactie-bureau gaan zitten. Op deze manier

praat de schrijver (of schrijfster) genoeglijk voort. Nogal lang

wordt stilgestaan bij the fashiou writer en ten slotte wordt iets

meegedeeld over schools of journalism en journalistic societies.

Nog een kort praatje over het advertentie-wezen en de 22 pagina's

zijn vol. Het boekje is genoeglijk maar vaak al te populair en al

te naïef. Toch is het wel de moeite waard om het eens te lezen

al was het maar om een kijkje te krijgen in de opvattingen van

den Engelschen Journalist.

Binnenland:

Personalia en Berichten.

Benoemingen.

Benoemd:

tot medewerker voor beeldende kunsten aan Het Vaderland

de heer JUST HAVELAAR, in plaats van den heer H.

PLASSCHAERT, die bedankt heeft;

M A A N D B'L A D 155

tot adjunct-directeur van De Maasbode de heer SCHAEPMAN,

oud-kapitein;

tot hoofdredacteur van een nieuw uit te geven katholiek

volksdagblad de heer J. STOLKWIJK;

tot redacteur bij het Kort Verslag der Tweede Kamer de

heer A. HoEk, redacteur van de Dordrechtsche Courant.

— Collega HYACINTH HERMANS, redacteur van De Maasbode,

heeft onder tal van blijken van belangstelling en waardeering

zijn 12',/j-jarig jubileum als journalist herdacht.

-— Door de redacteuren van de plaatselijke bladen en de

correspondenten der groote bladen te Hilversum is tot den

Raad het volgende adres gericht:

„Ondergeteekenden, redacteuren en correspondenten van

de achter hun namen vermelde bladen verzoeken uw college

beleefd eenige beperking te willen brengen in den duur uwer

vergaderingen, door als regel niet langer dan 3 a 3i/g uur

achtereen te beraadslagen. Bij het algemeene streven naar

verkorting van arbeidstijd zal het niet mogelijk zijn, voor de

in de journalistiek geëmployeerden iets te bereiken, tenzij

colleges als het uwe, vereenigingen e. d. daaraan hun medewerking

verleenen. En waar het vaststaat, dat ook journalisten

eenige aanspraak mogen maken op niet te overmatigen

arbeidsduur, vertrouwen zij, dat uw college door een rationeele

regeling van den duur uwer bijeenkomsten daartoe het zijne

zal willen bijdragen."

— Collega HENRI DEKKING houdt aan de volks-universiteit

te Rotterdam een cursus in journalistiek, gedurende 6 avonden,

te beginnen 8 November. Hij heeft zijn stof als volgt verdeeld:

1. Inleiding. Overzicht van de ontwikkeling van het dagbladwezen.

De couranten in Nederland tot de Revolutie. Van

1813 tot 1869. Zegelbelasting en advertentierechten. 2. Het

moderne courantenbedrijf. Advertenties. Ingezonden stukken.

Geschiedenis van enkele Nederlandsche dagbladen. Indische

journalistiek. 3. De buitenlandsche, in het bijzonder de

Engelsche en Amerikaansche pers. Reuter, Northcliffe en

Hamsworth. De gele pers. Pulitzer. Sensatie-journalistiek.

4. Belangrijke journalistische figuren in Nederland: J. de Koo,

Ch. Boissevain, Dr. A. Kuyper, H. L. Berckenhoff, J. de

Meester, e. a. Vermaarde buitenlanders: Jules Hedeman, Stead.

5. De opleiding van den journalist. De vrouw als journalist.

Taal en stijl van den dagbladschrijver. De courantier en de

wet. Het beroepsgeheim van den journalist. 6. De journalistiek

als maatschappelijke factor. Regeering' en pers. Drukpersvrijheid.

Pers en criminaliteit. Critiek. Recht van antwoord.

De pers en de oorlog. De toekomst van de journalistiek.

—- „Aneta", het Indische Persbureau, dat verleden jaar

een telegrafischen dienst voor het leveren van nieuwsberichten

voor de Indische bladen tot stand bracht, heeft op 1 September

den berichtendienst Indië-Nederland, dus het verstrekken

van Indisch nieuws aan de Nederlandsche pers, van

N. I. P. A., dat geliquideerd is, overgenomen en nog aanzienlijk

uitgebreid. Haagsche en andere collega's, die in het

stadscentrum van den Haag een plaatsje zoeken, waar zij

even rustig willen werken, zullen steeds de welkome' gasten

zijn op „Aneta's" bijkantoor Papestraat 17a, zoo dikwijls zij

zulks mochten wenschen.

Buitenland:

— Te Brussel is overleden de heer CHARLES TVTGAT, Directeur

van de XXe Siècle.

— In het Fransche hoofdkwartier te Chantilly heeft

generaal BUAT, staf commandant van maarschalk PÉTAIK, aan

vier oorlogscorrespondenten het eerekruis van actieven dienst

overhandigd en wel aan BABIN, van de Illustration, HELSEY,

van het Journal, TARDIEU, van de Echo de Paris en VIDAL

van de Matin. Zij danken de onderscheiding vooral aan hun

moedig gedrag aan het front.

Mozaïek.

Mark Twain duellist! — In de autobiographische schetsen

welke Mark Twain indertijd in de North American Review heeft

gepubliceerd, verhaalt hij van den tijd, waarin hij als redacteur aan

een blad in Nevada zijn eerste en eenige duel had. De hoofdredacteur

van The Virginia City Entreprise was op reis en mr. Clemens (Mark


156

Twain) had in opdracht, eiken dag een hoofdartikel te schrijven.

Den eersten dag ging het goed; hij had weliswaar geen onderwerp

voor een groot hoofdartikel, maar een blik op den kalender hielp

hem uit de verlegenheid. Het was de 23ste April, den volgenden

dag was het de geboortedag van Shakespeare, en zoo moest de

groote Engelschman tot onderwerp van een artikel dienen waartoe

ten conservations-lexicon het noodige materiaal leverde. Maar den

tweeden dag zat Mark Twain met de handen in het haar, er viel

geen enkele kalenderheilige te herdenken en er was niets gebeurd,

dat aanleiding gaf tot een eenigszins uitvoerige beschouwing, toen

deed hij wat vele Amerikaansche en ook wel m^Amerikaanscne

journalisten plegen te doen: bij gebrek aan stof richtte hij een

scherpen aanval op den redacteur van het concurreerend blad, de

Virginia Union, een zekeren mr. Laird. „Ik kittelde mr. Land met

een paar vriendelijkheden, als onder de persbroeders in dezestreken

biina dagelijks worden gewisseld", verhaalt Mark Twain, „en den

voleenden dag kwam hij als een tijger bij me binnenstormen, ik

had het een of ander aan zijn adres gezegd, waardoor de man zich

beleedigd achtte. Misschien had ik gezegd, dat hij een paardendiet

was of dat hij de bank had bestolen, — ik herinner het me niet

precies maar in elk geval zal de karakteristiek wel juist zijn

geweest. Hoe het zij, mr. Laird was razend van.woedeen hij

zou niet rusten, voor er bloed tusschen ons gevloeid had. L>at alleen

zou den smaad, dien ik hem had aangedaan, kunnen uitwisscnen

Mark Twain gevoelde zich alles behalve op zijn gemak, toen hij de

uitdaging ontving, want hij kon heel slecht met vuurwapenen overwee

en mr. Laird stond bekend als een buitengewoon goed schutter.

De kansen stonden dus niet gelijk; daarentegen had Mark Iwain

een uitgezochten secondant, Steve Gillis geheeten. De uitdaging en

de toebereidselen tot het duel worden door den Amenkaanschen

humorist uitvoerig geschetst. Toen Laird en zijn secondant op de

afgesproken plaats verschenen, schoot Steve Gillis, schijnbaar bij

wijze van aardigheid, een musch, die op vrij grooten aistand op

een boom zat, den kop af. Op hetzelfde oogenbhk traden de tegenstanders

op elkaar toe. _

— „Wie deed dat schot?'- vroeg Laird's secondant.

Eer Mark Twain kon antwoorden zeide Steve m alle kalmte:

„Clemens! — hij wou maar eens zien, of zijn hand nog even vast

was als vroeger." . „ ., T . ,,

— „Ik moet zeggen, dat het een kranig schot was zeide Laird s

secondant. „Er zijn er niet veel, die hem dat zouden nadoen . . .

Hoe groot schat je den afstand, waarop de vogel zat?

— „Ach, niet heel ver . . . hoogstens 'n dertig meter 1

— „En raakt Clemens altijd zoo goed?" vroeg Laird s secondant

na een oogenblik stilte.

— „Van de vijf schoten zijn er gewoonlijk vijf raak', antwoordde

te l e „lk°h?eld mijn mond", vertelt Mark Twain, „en deed alsof het

gesprek buiten mij omging. Maar ik zag dat de secondant van

mijn tegenpartij zijn vriend Laird onder den arm nam en zich met

hem verwijderde, waarbij het mij opviel, dat Laird's beenen een

weinig knikten. En den volgenden dag ontving ik een brief van

miin beleedigden confrère, waarin hij categorisch verklaarde, dat

hii bii nader inzien, om het kleine misverstand dat er tusschen ons

gerezen was, niet met me wilde duelleeren." Mark Twain besluit

zijn verhaal met de woorden:

„Sedert heb ik nooit meer met een duel iets te doen gehad. Ik

haat het duel uit den grond van mijn hart, Ik beschmrwhet als

een ezelachtigheid, -en bovendien is het levensgevaarlijk.

* *

*

Beurs-er varing. — Uit het Handelsblad: „De journalistis

nu eenmaal, uit den aard van zijn beroep, genoodzaakt, rumoerige

vergaderingen, debaters met onbehoorlijke, ongemanierde allures te

verslaan, onhebbelijke en onbeschaafde inleiders aan het woord te

laten. Wij hebben in onze verslaggeversloopbaan van diverse soorten

vele en velerlei „onder het mes gehad"; wij hebben echter zelden

of nooit tegenover eene situatie gestaan, welke in zoo felle mate

onze verbazing, maar niet minder onze minachting heeft opgewekt,

MAANDBLAD

als gistermiddag in de groote zaal van de Effectenbeurs. De zaak

zit zoo: Ook al in verband met de typografenstaking, kon ons de

officieele noteering van de Vereeniging voor den Effectenhande met

op de gewone wijze worden verstrekt, Daar wij echter de belanghebbenden

toch in de gelegenheid wenschten te stellen de koersen

in ons blad te lezen, gingen wij, zes man sterk, naar de effectenbeurs

om in de Guidebank de officieele noteeringen op te nemen.

Toen'wij, vijf mannelijke en één vrouwelijke verslaggever, de Effectenbeurs

betraden, om'naar de Guidebank te gaan werd een krankzinnig

Indianeugekrijsch aangeheven, zooals dat alleen gebruikelijk

is op de Beurs, als het erom gaat, een der vaste bezoekers om de

een of andere reden „van de Beurs te dringen". Ons was deze wijze

van optreden van een zeker deel der Beurs„heeren alleen bij overlevering

bekend. Toen wij dus in de gelegenheid werden gesteld,

persoonlijk waar te nemen, dat de hitte van deze extra warme

hondsdagen geen al te beste uitwerking had op deze Effectenbedienden,

viel te constateeren, dat dit spektakel aan het onge oofujke

grensde. „Persmuskietjes, kiekerekietjes", gilden de jongelui, die

door hun optreden ons tot publieke vermakelijkheid werden in

dien zin, zooals wij wel eens naar een troep losgelaten luid ketfende.

maar toch volkomen onschadelijke jonge honden hebben staan

kijken. Het bestuur van de Vereeniging voor den Effectenhandel, de

houding der jongelui blijkbaar evenzeer disqualificeerende als wij,

deelde ons mede, dat wij verstandig zouden doen, zoodra mogelijk

de Beurs te verlaten, zoodat het mede aan het optreden der eftectenbedienden

is te wijten, dat den lezers buiten de officieele noteeringen

ziin onthouden. Het bestuur bracht ons, hoffelijk, zonder kleerscheuren,

door de troep keffers naar buiten. Toen wij, heelhuids

op het Beursplein stonden, herinnerden wij ons, wat eens niemand

minder dan HERMAN HEIJERMANS Sr. aan eenige jonge journalisten

mededeelde, op grond van zijne jarenlange ervaringen: Indien gij

in uw beroep ooit eenigen overlast zult ondervinden, zal die eerder

komen van de zijde der „namaak"heertjes dan van den kant van

den stoeren werkman." Helaas, helaas, wij zijn sinds de verslaggeversperiode

van den vermaarden HEIJERMANS niets vooruitgegaan in dit

opzicht. ^ m

*

Gedrukt bij A. de la Mar Aïn.. Amsterdam.

Evolutie — Uit een weekblad: „In gezaghebbende kringen van

het Deensche parlement overweegt men de stenografen door gramophoons

te vervangen om de redevoeringen der leden op te teekenen.

Dit zou op de begrootiug een paar honderdduizend kronen per jaar

besparen. De hoofdzaak is echter, dat de „Handelingen' in den loop

der jaren zoodanig zijn uitgebreid, dat men er weldra geen raad

meer mee zal weten. De opname der redevoeringen op gramophoonplaten

zou belangrijk minder plaats innemen en men zou er zeker

van zijn, dat de redevoeringen woordelijk zouden worden opgeteekend.

De eenige onaangenaamheid, die men van de nieuwe regeling verwacht,

is, dat al te ijverige afgevaardigden misschien zoo hevig op

hun lessenaar slaan, dat er gaten in de platen ontstaan.

* *

What is in a name? — In Engeland wordt nog al eene

geprocedeerd over de vraag of in den naam van een nieuw blad

leen oneerlijke concurrentie schuilt. Zoo bestaat er een blad getiteld

The Racing Pigeon. Een ander uitgever ging een blad uitgeven en

noemde het The Racing Pigeon World. Volgens den rechter leek die

titel te veel op dien van het eerste blad. Het zaakje werd op een

accoordje gegooid en nu heet het nieuwe blad The Pigeon Racing

World. De uitgever van The Sportsman zag oneerlijke concurrentie

in den titel van een nieuw blad The Sunday Sportsman. De rechter

was het daarmede niet eens. Hij achtte het verschil voldoende. Ds

advocaat van den aanklager vroeg den rechter om den nieuwen uitgever

te verplichten aan den titel toe te voegen „in no way connected

with The Sportsman. Ook daarvoor vond de rechter geen termen.

Er verscheen een blad onder den titel Farming News. Het bleek

dat er ergens in Schotland reeds een blaadje met dien naam bestond.

De rechter keurde goed dat het nieuwe blad zal heeten Farming

zonder het woord News.

More magazines by this user
Similar magazines