Rondetafelgesprek gebiedsontwikkeling Hart van Zuid - Brink Groep

brinkgroep.nl

Rondetafelgesprek gebiedsontwikkeling Hart van Zuid - Brink Groep

•DE sTAD•

Aan en bij het Zuidplein wonen maar 1.000 mensen, terwijl het aantal bezoekers vele malen groter is. Alleen al 33 miljoen overstappers

passeren jaarlijks het Hart van Zuid.

•2011/74•8•


•DE sTAD•

rondetafelgesprek over ‘omgekeerde’

gebiedsontwikkeling Hart van Zuid

‘Wij-gevoel is beste

garantie voor succes’

Wat nu als we het eens omdraaien? En we een gebiedsontwikkeling niet van bovenaf al helemaal uitdenken en

dichttimmeren, maar veel meer in samenspraak met alle betrokkenen in een plan gieten? Is het werkbaar? En wordt

het resultaat er beter van? In Rotterdam hebben ze voor deze strategie gekozen met het project Hart van Zuid. Tijdens

een rondetafelgesprek van Real Estate Magazine werd besproken of de aanpak landelijk navolging verdient.

Twee groepen deden mee aan het gesprek over de casus

Hart van Zuid, dat werd gehouden aan de faculteit

Bouwkunde van de TU Delft. Aan de ene kant de direct

betrokkenen. Stakeholder Doro Siepel, directeur van Theater

Zuidplein; stedenbouwkundige Jeroen

van Kesteren van het Rotterdamse bureau

Palmbout Urban Landscapes. Dit bureau

heeft meegewerkt aan de totstandkoming

van het ambitiedocument voor het Hart

van Zuid; Marco Boender, van Boender

Communicatie, belast met communicatie

rond en participatie in het project; en

Hans van Rossum, projectmanager Hart

van Zuid namens de gemeente en het

ontwikkelingsbedrijf Rotterdam.

Aan de andere kant de specialisten

op het terrein van gebiedsontwikkeling.

Tom Daamen, universitair docent

gebiedsontwikkeling aan de TU

Delft en opleidingsmanager van de

postinitiële opleiding Master City

Developer (MCD), hoe sluit het aan op algemene

inzichten. Programmamanager MCD; Ruben

Hümmels, businessunitmanager Vastgoedadvies en

Gebiedsontwikkeling van Brink Groep, en moderator

Geurt van Randeraat, programmadirecteur van de MCDopleiding

en mede eigenaar/directeur van SITE urban

development.

Voorbeeldproject

Van Randeraat startte het gesprek met de vraag aan Van

Rossum wat er nu zo bijzonder is aan het Hart van Zuid:

“Waarom kan dit worden gezien als een voorbeeldproject?”

Van Rossum: “Integrale gebiedsontwikkeling verloopt

inmiddels heel anders dan de afgelopen decennia

bij Het Hart

van Zuid

Zijn Wij niet

leidend maar

inspirerend

geWeest

•2011/74•9•

het geval is geweest. We zijn nu bijvoorbeeld vooral

binnenstedelijk bezig. Hopelijk slagen we er de komende

jaren ook werkelijk in om onze steden eens een keer af

te maken voordat we besluiten om nog meer weilanden

te gaan volbouwen. Dat brengt

betrokkenheid met zich mee. Met name

ook van de bewoners en bedrijven

in het stedelijk gebied. Wij willen die

betrokkenheid vergroten en in het

planvormingsproces een veel grotere

rol laten spelen. Bijvoorbeeld door onze

privaat- en publiekrechtelijke procedures

anders te doorlopen. Voorheen was het

de overheid die het plan maakte. Dat

werd vervolgens via de Structuurvisie

en de MER-procedure in beton gegoten

en pas daarna ging het naar de markt.

Wij proberen dit proces bij het Hart

van Zuid om te draaien. Eerst zijn

er samen met al onze stakeholders

plannen gemaakt. Daarin zijn wij niet

leidend maar inspirerend geweest. Het resultaat van die

exercitie hebben we getoetst op haalbaarheid, en nu

brengen we het geheel naar de markt als publiekprivate

samenwerking.”

Het streven naar meer betrokkenheid is niet de enige

reden voor deze aanpak. “De sector is echt veranderd,

zeker aan private kant. Vroeger namen de marktpartijen

zelf posities in en kwamen zelf met plannen naar de

overheid. Die tijd is voorbij, mede als gevolg van de

crisis. We moeten dus op een andere manier onze

ambities zien te realiseren. Dat kan alleen aan de hand

van haalbare programma’s en realiseerbare projecten, op

basis van goede afspraken met de markt. Daar komt bij

dat de overheid regelmatig wordt geconfronteerd met de


•DE sTAD•

Ruben Hümmels Tom Daamen

Jeroen van Kesteren

complexiteit van dit soort processen. Transparantie aan de

voorkant is dan cruciaal.”

“Daarmee maak je het er bepaald niet eenvoudig op”,

signaleert Van Randeraat. “Iets wat al heel complex is maak

je nog complexer.”

Van Rossum. “Dat lijkt inderdaad zo. Maar wij proberen

de vele onzekerheden van een gebiedsontwikkeling al van

tevoren zo transparant mogelijk te maken. We betrachten

sowieso maximale openheid bij de planvorming. Het go/

no go besluit nemen we ook met elkaar. De verwachting is

dat de voorbereiding weliswaar meer tijd in beslag neemt,

maar dat de realisatie ervan een stuk eenvoudiger wordt

en dus ook sneller zal verlopen.”

Bezuinigingen

Met de planvorming voor de gebiedsontwikkeling Hart

van Zuid is circa twee jaar geleden een begin gemaakt.

“Dat had overigens ook met onze eigen fi nanciële situatie

te maken”, erkent Van Rossum. “De overheid moet,

mede ook gedwongen door de bezuinigingen, leren haar

ambities niet zoveel te stapelen. Het risico is dan namelijk

dat we miljoenen in de planvoorbereiding investeren,

wat uiteindelijk ook tot prachtige plannen oplevert, die

echter niet realiseerbaar zijn omdat de middelen en de

kennis ontbreken. In het Hart van Zuid hebben we het

omgedraaid. Welke budgetten zijn er beschikbaar? En wat

kunnen we daarmee realiseren? Dat is de taakstellende

budgettering. En die liep ook nog eens over een veel

langere periode dan de gebruikelijke vier jaar die een

college meegaat. Dat is lastig, want in feite vraag je de

gemeenteraad en het gemeentebestuur over het eigen graf

•2011/74•10•

heen te regeren. Maar het is wel noodzakelijk.”

Marco Boender is als communicatiedeskundige sinds

2007 bij het project betrokken. “Dat begon heel breed,

met de vraag of Hart van Zuid kon worden neergezet als

merk. Een heerlijke opdracht, niet in de laatste plaats

omdat we de uitkomst van het bestuurlijk proces niet

hoefden af te wachten. Wij konden aan de slag om mensen

echt bij elkaar te brengen en draagvlak te creëren.”

Van Randeraat: “En is dat gelukt?”

Boender: “Ja, want we hebben heel goed ingespeeld

op de krachten die er al zijn. De oorspronkelijke visie op

het Hart van Zuid was geschreven op het allerhoogste

abstractieniveau. Terwijl het hier gaat om een groot deel

van de stad dat gewoon een centrum nodig heeft. Ik zie

ook niet in hoe je een succesvol plan kunt ontwikkelen

zonder de mensen om wie het gaat erbij te betrekken.

Dat is hier zo goed mogelijk gebeurd. Er is nu bijna geen

onderdeel in dit plan te vinden, dat niet is terug te voeren

op reële mensen of problemen. De participatie is bij de

planontwikkeling voor het Hart van Zuid zeer serieus

genomen.”

Betrokken geraakt

Doro Siepel was net drie maanden in functie toe ze

hoorde van de plannen om alles in de omgeving van haar

theater op de schop te nemen. “Tot dat moment had hier

niemand iets van vernomen. Dat kwam in die tijd, ook in

andere steden waar ik had gewerkt, ook wel vaker voor:

dat het stadsbestuur iets bedenkt en dat niet toetst bij de

bevolking. Ik las de plannen voor het Hart van Zuid, en

dacht: dat komt niet goed. Zo was het puur beredeneerd


Marco Boender

vanuit een autochtoon publiek op HBO-niveau. Terwijl het

publiek in dit gebied juist ook multicultureel en op MBOniveau

geschoold is, en daardoor andere eisen aan het

gebied stelt. Daarom ben ik erbij betrokken geraakt. Om

daar iets aan te veranderen.”

Siepel heeft het gevoel dat dat gelukt is. “We hebben

heel veel dingen aangedragen waarmee in het plan beter

rekening gehouden zou moeten worden. Veiligheid is

bijvoorbeeld echt een probleem, hier. Veel mensen vinden

het een doodeng gebied om in het donker doorheen te

lopen. Er is ook nauwelijks sociale controle. Aan en bij

het Zuidplein wonen maar 1.000 mensen, terwijl het

aantal bezoekers vele malen groter is. Alleen al 33 miljoen

overstappers passeren jaarlijks het Hart van Zuid. En de

economie laat te wensen over. Van de bewoners in de

wijken om ons heen heeft 65 procent een laag inkomen.

Grote delen van de bevolking zijn werkloos. Voor deze

mensen moet het plan met name ook effect hebben. Ook

hun bestaan moet weer gaan fl oreren. Het goede van dit

planproces is dat we echt het gevoel hebben gekregen

dat er naar ons geluisterd is. Veel van wat we hebben

ingebracht zien we nu terug in de plannen. Probleem is

wel dat het nu allemaal wel heel erg langzaam gaat. Dat

stemt mij zorgelijk. Zal het allemaal ook werkelijkheid

worden? De uitkomst zal moeten uitwijzen of ik me straks

toch nog ‘vernacheld’ ga voelen. Maar het voelt nog steeds

alsof het allemaal goed gaat komen. Heel spannend.”

Van Randeraat: “Hoe zit het met het vertrouwen van de

ondernemers, nu blijkt dat het allemaal wel heel erg veel

tijd kost?”

Siepel: “Ik ben een optimist. We hebben natuurlijk

•DE sTAD•

Doro Siepel Hans van Rossum

•2011/74•11•

Geurt van de Randeraat

te maken met een veranderde fi nancieel-economische

situatie. Dat maakt het extra lastig voor een

gemeentebestuur dat over zijn graf heen wil regeren.

Maar het is wel hard nodig dat die knoop eindelijk wordt

doorgehakt. Want ik heb begrepen dat, voordat ik in

Rotterdam kwam werken, al drie keer eerder bedacht

is dat dit gebied niet functioneert,. De 147 eigenaren

ondernemingen in het huidige winkelcentrum , wij als

theater, onderwijsinstelling Zadkine, het ziekenhuis: we

kijken er allemaal naar uit dat die eerste schop de grond

in gaat.”

Vorm en inhoud

De visie van de ondernemers is dat het Hart van

Zuid zich ontwikkelt tot een ‘culinair rustpunt op een

hectisch knooppunt’. Jeroen van Kesteren, die drie jaar

geleden betrokken raakte, heeft als stedenbouwkundige

geprobeerd daaraan vorm en inhoud te geven. “Het moest

een levendige, bruisende openbare ruimte worden, maar

tegelijkertijd meer dan dat. De vrijblijvendheid waarmee

partijen aan de slag gingen is in ieder geval van tafel. Het

gaat er nu om de onderlinge verbindingen te herstellen.

Met een bruisend plein alleen ben je er niet. Het moet veel

meer als een spin in het web gaan fungeren.”

Het plan verkeert nu in een overgangsfase. “Wat we

tot nog toe hebben uitgezocht en uitgevonden moet het

vertrekpunt zijn voor de PPS-constructie die nu wordt

opgetuigd. Het is een simpel, eenvoudig plan, met de

goede functies op de juiste plekken. Dat plan moet nu

vertaald worden in duidelijke randvoorwaarden voor de

publiekprivate samenwerking. Vervolgens geven we het


stokje door. Wat er nu ligt, kan in ieder geval op consensus

rekenen.”

Over naar de deskundigen. Wat vinden zij van de

gehanteerde aanpak? Ruben Hümmels: “Centraal staat dat

de gemeente de andere partijen in de samenwerking een

stuk serieuzer neemt dan vroeger het geval was. De diverse

betrokken partijen worden veel meer als partner gezien.

Eigenlijk zou ik hier nog een stap verder in willen gaan.

Je moet het verschil tussen stakeholders en shareholders

zo klein mogelijk maken. We moeten zoveel mogelijk af

van de klassieke rolverdeling, dus ook van de contracten

waarin tot in detail is gevat hoe we met elkaar om gaan.

Alle partijen moeten meer als ondernemer worden

uitgedaagd. En dat maakt het natuurlijk wel aantrekkelijk

om te participeren. Iedereen wordt er ook op zijn

eigen manier bij betrokken. Er moet niet meer worden

geredeneerd vanuit risico’s neerleggen waar partijen

de competenties hebben, maar zoveel mogelijk vanuit

een gezamenlijk belang in een ‘onderneming’. Partijen

zetten hun competenties ook wel in als zij een belang in

het totaal hebben. Als het gezamenlijk belang eenmaal is

onderkend, hoef je daar minder dikke contracten over te

sluiten.”

Van Randeraat: “Dat klinkt vrij utopisch…”

Tom Daamen: “Het heeft alles te maken met

verwachtingen. Wie participatie negatief uitlegt komt

tot de conclusie: je creëert er extra risico’s mee. Wie

participatie als iets positiefs ziet zal daar tegenin brengen

dat er veel meer kwaliteit in het plan wordt gebracht.

De bewoners, bedrijven en gebruikers van het gebied

weten als geen ander wat er speelt. Daar kun je gebruik

van maken. Mits je goed uitlegt wat je doet. De overheid

heeft nog wel wat slagen te maken in het nakomen van

afspraken, maar ook in het ontwikkelen van begrip voor

•DE sTAD•

•2011/74•12•

planoverstijgend belang. Daarin zie ik het voornaamste

belang van dit project voor de ontwikkeling van het vak.

Het toont aan dat meer begrip voor elkaars belangen en

processen absoluut noodzakelijk is en ook tot een positief

resultaat kan leiden. Als een oudere wijkbewoner in een

straatinterview aangeeft: ‘ach, er verandert toch niets’, dan

is het de uitdaging voor alle betrokken om de mensen het

gevoel geven dat er wel degelijk echt iets gaat veranderen.”

Niet vrijblijvend

Boender reageert: “Het is ook niet vrijblijvend. Je kunt

niet bewoners en ondernemers betrekken bij de toekomst

en zelf blijven acteren in het nu. Als het nu haaks staat

op wat er in het toekomstplan staat, hebben we toch een

probleem. Om met mensen die in het hier en nu staan

te kunnen praten over de toekomst, is het nodig dat je

daarnaast ook over het hier en nu praat.”

Dat doet de gemeente dus, aldus Van Rossum. “Veel

mensen zullen, als ze van dit plan horen, zeggen: leuk

en aardig allemaal, maar wat heb ik eraan dat het hier

over 14 jaar helemaal vernieuwd is? Daarom is niet

alleen het eindplaatje van belang. Net zo cruciaal zijn

sociale, economische en culturele projecten waarmee

het vertrouwen op korte termijn een impuls krijgt.

Want laten we niet vergeten dat het hier ingrijpend op

de schop gaat. Dat geeft een enorme puinhoop. Dan

moeten de mensen wel weten waarom ze het doen,

waarom ze die overlast willen kunnen dragen. Daar is een

aparte projectorganisatie voor opgericht, voor dat soort

korte termijn projecten waarmee goodwill kan worden

gecreëerd.”

Daamen: “Dat is ook van groot belang voor de

betrokken bestuurders. Dit soort projecten – kleinschalig,

snel en succesvol – van cruciaal belang om het


commitment op de lange termijn te kunnen garanderen.”

Van Rossum: “De duidelijkheid over hoe projecten

worden aangestuurd door de overheid laat nog wel eens

te wensen over. Bij dit project kan dat gewoon niet.

Daarom is er ook een projectwethouder

aangewezen, die duidelijke lijnen kan

uitzetten en eindverantwoordelijkheid

draagt. Het is zijn project geworden, in al

zijn facetten. En dat moet ook, om onze

droom te kunnen verwezenlijken: een

echt stedelijk centrum voor Rotterdam

Zuid.”

Van Kesteren: “We denken ook heel

goed na over de planfase. Waarmee

kunnen we zo snel mogelijk beginnen?

Welke projecten kunnen als startmotor

van het vliegwiel fungeren? Dat is best

ingewikkeld: alles zit immers aan elkaar

vast. Maar we hebben wel heel expliciet

nagedacht over wat er wel en niet kan

starten op korte termijn.”

Economische crisis

Het gesprek komt op de vraag welk effect de

economische en financiële crisis heeft op een langlopend

en complex project als het Hart van Zuid.

Daamen: “Opmerkelijk vind ik dat, waar veel

beleidsnota’s voor de crisis uitgingen van de vraag: ‘hoe

krijgen we de hogere inkomens de wijk in?”, er nu steeds

vaker wordt gesproken over: ‘hoe krijgen we de mensen

die er nu in de wijk wonen op een hoger plan.”

Hümmels: “Duidelijk is dat het niet meer gaat zoals

vroeger. We noemen bij binnenstedelijke ontwikkelingen

de grondexploitatie soms ‘residuele subsidieberekening’.

De overheid denkt steeds meer na over een dusdanige

besteding van de beschikbare middelen dat de inzet

ervan tot maximaal maatschappelijk rendement leidt. Dat

dwingt je als marktpartij tot veel beter nadenken over

de maatschappelijke doelstellingen en uitgangspunten

van een project. De kredietcrisis heeft een aantal dingen

uitvergroot. Alles wordt veel meer op scherp gezet. Dikke

contracten blijken niet meer te werken, vertrouwen en

enthousiasme des te meer. Ik denk dat de politiek in de

toekomst sowieso steeds meer te vertellen krijgt over de

gebiedsontwikkeling, omdat zij de geldkraan open en

dicht kunnen draaien.”

Van Rossum: “Maar we hebben de marktpartijen wel

degelijk nodig. Want de overheid heeft te vaak grote

ambities, zonder deze in een degelijke businesscase te

vertalen. Dat is hier dus wel gebeurd. En daar schrok

iedereen ook heel erg van. Bovendien proberen we

stakeholders om te vormen tot shareholders, met een

formele positie in de organisatie van het project. Hun

belangen worden zowel privaat als publiek geborgd.

Daardoor duurt het in de voorbereiding langer, zoveel

is duidelijk. We doen nu al vier maanden langer over

•DE sTAD•

alle partijen

moeten meer

als

ondernemer

Worden

uitgedaagd

•2011/74•13•

het go/no go besluit dan geraamd. Maar het is wel

noodzakelijk. We willen, als de trein eenmaal in gang is

gezet, er ook zeker van kunnen zijn dat we de rit met

elkaar uitzitten. Niet halverwege beknibbelen op de

ambities. We gaan een onomkeerbaar

proces in gang zetten en daar leent

een publiekprivate samenwerking zich

heel goed voor. Wij zoeken partners

die bereid zijn te investeren en zich

voor de lange termijn aan dit project

willen committeren. En dat moeten we

contractueel zo goed mogelijk zien vast

te leggen. Dat vraagt van de markt een

bepaalde investeringsbereidheid, en

van ons als gemeenten de bereidheid

om te bewegen. Daarom hebben we de

residuele grondwaardeberekening in dit

gebied ook laten varen. Wij subsidiëren

de kostenposten die voor private partijen

van belang zijn in de afweging van hun

besluit om te participeren. Wij financieren

de maatschappelijk gewenste voorzieningen. Van de

private partijen verwachten wij een goede invulling van de

commerciële programma’s in ruil voor de nodige vrijheid

om eigen partners erbij te zoeken. Het proces aan private

kant moet zo aantrekkelijk zijn dat partijen meer dan

bereid zijn te investeren.”

Hümmels: “Dit neigt naar het concessiemodel, waarbij

het stuur echt bij de markt in handen wordt gegeven. Het

risico daarvan is dat het project teveel wordt overgeleverd

aan de grillen van de markt.”

Boender: “Daarom moeten we er ook voor uitkijken

dat niet de lucratieve projecten als eerste op de markt

worden gebracht. Markt is in het algemeen slimmer, dus

het is spannend te zien of de gemeente erin zal slagen de

regie zodanig te voeren dat zowel de meest als de minst

aantrekkelijke projecten ten uitvoer worden gebracht.”

Contractvormen

Daamen wijst op de juridische implicaties: “Dit

soort projecten vraagt hoe dan ook om heel andere

contractvormen dan bijvoorbeeld bij de Vinex-projecten

is gehanteerd. Detaillisme is veel minder aan de orde.

Daarvoor zijn de ambities te grof. Bovendien is heel veel

nog onbekend. Het gaat er veel meer om dat je met elkaar

een verbinding aan gaat op basis van de kansen die er

liggen. Het komt dus ook veel meer op vertrouwen aan.

Mensen en partijen die zich langjarig willen committeren

aan een gebiedsontwikkeling zullen daar geen moeite mee

hebben. Mensen en partijen die voor het korte termijn

gewin gaan des te meer.”

Van Rossum: “Er is ook een spanningsveld tussen de

theorie van de samenwerking en wat er in de praktijk

gebeurt. Bijvoorbeeld dat aan publieke zijde de aandacht

voor het gebied in de loop der tijd wegebt en de

investeringsbereidheid van de overheid vermindert, terwijl


die juist cruciaal is. Of dat de betrokken marktpartijen

te kampen krijgen met grote tegenvallers, en dus liever

hun verlies nemen en weggaan, terwijl hun blijvende

betrokkenheid juist weer hard nodig is. Ik heb het gevoel

dat je daar toch aan de voorkant afspraken over moet

maken.”

Van Kesteren: “Belangrijk is ook dat de overheid

erkent dat zij de enige echte constante is in dit project.

Het is cruciaal dat de mensen die de afgelopen drie jaar

bij het project betrokken zijn geweest ook de komende

jaren erbij betrokken blijven. De doorloopsnelheid in de

ambtelijke organisatie is zo hoog, dat de continuïteit aan

de zijde van de overheid gevaar loopt. Dat is een risico.”

Inmiddels zijn met enkele tientallen partijen

gesprekken gevoerd over hun participatie in de

gebiedsontwikkeling. Van Rossum: “Het zal ook altijd

een samenwerkingsverband zijn, die de kar gaat trekken.

Ikzelf heb het meeste gevoel bij partijen die zich aan

het heroriënteren zijn op hun core business, op het

procesmanagement en de omgang met publieke en

private partners. Partijen die niet alleen commercieel

gewin nastreven maar het gebied als in ogenschouw

nemen maken grote kans om mee te mogen doen. En

die zijn er genoeg. Mijn zorg zit hem dan ook vooral

in de fi nanciële draagkracht. We zoeken partijen die

voldoende investerend vermogen hebben. Dat zal aan

private zijde tot nieuwe samenwerkingsverbanden moeten

gaan leiden. Bijvoorbeeld tussen een woningcorporatie,

een vastgoedontwikkelaar en een pensioenfonds. Het

ABP roept al jaren dat zij in gebiedsontwikkeling willen

stappen. Nou, laat het maar eens zien dan.”

•DE sTAD•

•2011/74•14•

Afsluiting

In de afsluitende ronde blijkt dat voor alle

gespreksdeelnemers duidelijk is dat de wereld mede onder

invloed van de crisis ingrijpend is veranderd.

Hümmels: “Veel meer dan vroeger zal de vastgoedsector

iedere betrokken partij serieus moeten nemen, met name

ook de partijen buiten het vastgoed.”

Daamen: “De sector kan het zich helemaal niet meer

veroorloven terug te vallen in de oude structuren. Bij

een gebiedsontwikkeling zullen alle partijen zich er

constant van bewust moeten zijn wie zij wanneer moeten

informeren. Dat moet er echt inkomen.”

Boender: “Om gehoord te kunnen worden moet je ook

gezien worden. We moeten af van het oude ‘wij-zij’ denken.

We moeten genadeloos zijn in het samenwerken, en alles

en iedereen ervan af meppen die in wij en zij blijft denken.

Ik heb nog nooit meegemaakt dat er voor een goede

ontwikkeling geen geld te vinden is. Als de samenwerking

deugt, zal ieder project gerealiseerd kunnen worden.”

Van Rossum: “De vrijblijvendheid waarmee partijen aan

de slag gingen is in ieder geval van tafel. Er staan niet meer

20 partijen te trappelen om tientallen miljoenen in een

competitie te stoppen. Dat is winst.”

Van Kesteren: “Het ‘wij-gevoel’ is absoluut belangrijker

geworden. Eigenlijk wil niemand meer vanuit een ivoren

toren alles van bovenaf bepalen. Dat geldt zeker ook voor

ons als stedenbouwkundigen.”

Siepel: “Mijn les uit dit project is vooral geweest dat ‘zij’

eigenlijk helemaal niet bestaan. Ik zal daarom ook heel

lang het wij-gevoel blijven volhouden. Want zolang het ‘wij’

blijft, wordt ieders belang gediend.”

Eric Harms is freelance journalist op het gebied van vastgoed.

More magazines by this user
Similar magazines