De Journalist

webstore.iisg.nl

De Journalist

2de Jaargang No. 3

Verschijnt maandelijks

December 1 947

De Journalist

Redactie: j. J. F. v. d. Bergh

Mr. E. Elias - Y. Foppema

ORGAAN VAN DE NEDERLANDSE JOURNALISTENKRING

T\z kogel is door de kerk! Zoals alle

^-^ leden thans zeker bekend is, heeft

de Vereniging „De Nederlandse Dagbladpers

1945" in haar op 26 November

j.1. gehouden algemene ledenvergadering,

behoudens een paar ondergeschikte

redactiewijzigingen, met

algemene stemmen de collectieve arbeidsovereenkomst

voor dagbladjournalisten,

zoals deze in nadere onderhandelingen

tussen onze delegaties en

het bestuur van de N.D.P. was vastgesteld,

aangenomen.

Dit feit is voor de Nederlandse

journalistiek van uitzonderlijke betekenis.

Niet alleen is thans het eerste

collectieve contract voor journalisten

tot stand gebracht, doch bovendien

hebben alle dagbladdirecteuren

in een gezamenlijk genomen besluit

uitgesproken, dat met betrekking tot

de rechtspositie van de dagbladschrijvers

orde in de chaos moet worden

geschapen en hebben zij, blijkens de

inhoud van de aangenomen C.A.O.,

erkend, dat in onderling overleg met

de journalisten aan dezen een behoorlijke

zekerheid in sociaal en juridisch

opzicht moet worden geboden.

Voor deze daad zijn we de directeuren

erkentelijk. Zij bewijst, hoezeer

de geest van samenwerking sinds de

bevrijding aan kracht heeft gewonnen.

Wat voor de oorlog niet mogelijk

bleek, is thans, nog geen twee jaar na

de wederoprichting van de journalistenorganisaties,

werkelijkheid geworden.

Wij, die hebben deelgenomen aan

de onderhandelingen, hebben het beste

kunnen ervaren, dat ook bij de

directeuren de oprechte wens bestond

om deze belangrijke schrede voorwaarts

op de weg naar geordende

toestanden in de dagbladwereld te

zetten. Aangezien met de opstelling

van deze overeenkomst pionierswerk

moest worden verricht, waren de besprekingen

geenszins eenvoudig. Ten

aanzien van allerlei problemen van

dikwerf zeer principiële aard moest

het terrein over en weer worden verkend.

Maar steeds bestond aan weerskanten

het verlangen naar toenadering

en naar overbrugging van de

Een mijlpaal bereikt

kloven, die de standpunten soms bleken

te scheiden. Zowel in de onderhandelingen

tussen de delegaties als

in de slotbesprekingen met het

N.D.P.-bestuur heerste bij voortduring

een zakelijke sfeer, waarin het

bereiken van overeenstemming mogelijk

bleek.

De zeer bijzondere aard van deze

eerste onderhandelingen was de

grond voor de stilzwijgendheid, welke,

eerst in de phase vóór Juli j.1., toen

de journalistenorganisaties haar beslissing

namen, en vervolgens in deperiode,

welke-aan het besluit van de

N.D.P. vooraf ging, van onze zijde

tegenover de leden in acht werd genomen.

We kunnen ons levendig voorstellen,

dat tal van leden de laatste

maanden wel eens in twijfel hebben

verkeerd over de vraag, of er inderdaad

nog iets van de C.A.O. zou

komen; we beseffen, dat het vertrouwen

in de besturen van de Kringen

in deze periode van afwachting op de

proef is gesteld. Toch leek het ons

voor alles raadzaam, de zaken niet te

forceren, doch de wederpartij de gelegenheid

te bieden het te nemen besluit

aan alle kanten te overwegen;

van des te meer waarde zou het zijn,

wanneer het eenmaal gevallen zou

zijn. Onder deze omstandigheden wilden

we ook maar de schijn van overhaasting

onzerzijds vermijden en onthielden

we ons van beschouwingen in

onze organen.

De aangebrachte wijzigingen.

Tn de deze zomer gehouden vergader-ringen

van de twee Kringraden waren

de journalistendelegaties gemachtigd

om in de daar aanvaarde C.A.O.

die wijzigiagen aan te brengen, waartoe

eventuele nadere onderhandelingen

aanleiding zouden geven, uiteraard

binnen het raam van de door

ons essentieel geachte bepalingen.

Deze nadere besprekingen zijn gevoerd

met het N.D.P.-bestuur zelf,

dat vooraf omstandig door zijn eigen

delegatie was voorgelicht. In het

overleg met dit bestuur werd overeenstemming

bereikt over een aantal

wijzigingen, ten dele voortkomend uit

de Journalistenkringen, ten dele voorgesteld

door het N.D.P.-bestuur. Deze

wijzigingen zijn enerzijds van redactionele

aard, anderzijds veranderingen

van meer materiële betekenis. Om

zet- en drukkosten te sparen zullen

we deze niet alle vermelden; trouwens

na de invoering van de C.A.O.

rust op de ondernemers de plicht de

journalisten een exemplaar van de

overeenkomst ter hand te stellen. De

in het evenbedoelde overleg vastgestelde

wijzigingen, waarvan de kennis

voor onze leden thans reeds van belang

is, zijn de volgende:

I. In art. 2 is ontheffing van het

verplichte lidmaatschap wegens principiële

bezwaren — een wens onzerzijds

— dwingend voorgeschreven.

II. In art. 7 lid 2 is voor de journalisten

in de afdelingen I en II, die

in een gelijkwaardige functie bij een

andere dagbladonderneming dan voorheen

in dienst zijn, de bepaling opgenomen,

dat met de dienstjaren in een

dergelijke functie bij hun vroegere

onderneming rekening zal worden gehouden;

eveneens de vervulling van

een wens onzerzijds.

III. Alsmede op ons verzoek is in

art. 7 lid 8 duidelijk vastgelegd, dat

bij bevordering van een journalist,

tot een hogere afdeling op het dan

geldende salaris de periodieke verhogingen

zonder onderbreking volgens

het schema van deze hogere afdeling

zullen worden toegekend.

IV. Op verzoek van de N.D.P. is de

indeling van de redacteuren van dagbladcombinaties

aldus geregeld, dat

met de aard van hun journalistieke

werk rekening wordt gehouden (art.

9, lid 3).

V. Op verzoek van de N.D.P. is aan

artikel 15 lid 1 een bepaling toegevoegd,

dat een journalist van incidentele

medewerking aan andere bladen,

aan persbureau's „of dergelijke instellingen"

(onder welke laatste toevoeging

begrepen zijn de radio, propaganda-af

delingen van grote bedrijven)

vooraf behoort kennis te geven.

VI. In artikel 33 (pensioenregeling)

\


is op verzoek van de N.D.P. vooropgesteld,

dat redelijke pensioenregelingen

van kracht blijven, in afwachting

van de totstandkoming van een nadere

overeenkomst. Ingeval er geen

redelijke regelingen in de zin van de

toelichting op dit artikel bestaan,

wordt maximaal 8% premie geheven

van de journalisten, waartegenover

de onderneming ook 8% stort. Er bestaan

n.1. oude regelingen op een lagere

premievoet, die thans reeds een

behoorlijk pensioen in uitzicht stellen.

VII. Wat de duur van de overeenkomst

betreft, stelde het N.D.P.-bestuur

een termijn van twee jaar voor.

Deze is door onze delegaties aanvaard,

nadat in de toelichting was

vastgelegd, dat, gezien het gebrek

aan stabiliteit in de economische situatie,

de meest gerede partij bij belangrijke

wijzigingen in het algemene

loon- en prijspeil kan verlangen, dat

tussentijds de onderhandelingen worden

heropend.

In de ledenvergadering van de

N.D.P. is voorts besloten aan de

Kringen nog enkele veranderingen

voor te stellen, waarvan de voornaamste

zijn:

VIII. In art. 5 lid 1 zijn m groep

A. ingedeeld alle, waar dan ook verschijnende,

landelijke edities van de

daarin met name genoemde dagbladen;

de omschrijving van groep

B wordt dientengevolge aldus gewijzigd,

dat de tweede zinsnede komt te

luiden: de onder dezelfde

naam verschijnende niet-landehjke

edities, "

IX. In art. 11 wordt in de plaats

van de genoemde 35% gelezen: 25%,

aangezien het advies van de Stichting

van de Arbeid op dit punt door

Rijksbemiddelaars niet was overgenomen.

X Onder de dringende redenen tot

ontslag wordt in art. 29, lid 2 onder

f. opgenomen een verwijzing naar

de richtlijnen van art. 15 (medewerking

aan andere bladen).

Onze delegaties hebben gemeend

deze wijzigingen te moeten aanvaarden,

zuïks te meer omdat de C.A.O.

na de vaststelling van deze voorstellen

door de directeuren met algemene

stemmen is aangenomen. Zoals

uit het vorenstaande blijkt, was reeds

door het N.D.P.-bestuur met onze

nadere wensen in belangrijke mate

rekening gehouden.

Wat echter belangrijker is: bij de

nadere onderhandelingen en m de

ledenvergadering van de N.D.P. is

niet getornd aan de punten, welke

2

REDACTEUR-OPMAKER

iong, enthousiast werker, ook

typografisch goed onderlegd

(dinloma A.G.S.), thans als

zodanig bij groot dagblad

werkzaam, wil per 1 Jan. van

betrekking veranderen. Gewend

geheel zelfstandig te

werken, kan goed met zettenjpersoneel

omgaan. Werkt liefst

daar, waar hij zijn opvattingen

omtrent moderne dagblad-opmaak

kan toepassen. Brieven

onder nr. 25/47 De Journalist.

door onze organisaties als essentieel

worden beschouwd, t.w.:

1. de salarisschaal van artikel 7;

2. de hoofdzaken van de functieindelingen

van art. 6;

3. de getalsverhouding van art. 10;

4. de belangrijke sociale voorzieningen

van hoofdstuk III.

Hoewel er uiteraard te wensen

overblijft, bevat deze C.A.O. in zoveel

bepalingen de erkenning van de

maatschappelijke positie van de journalist,

dat we niet ontevreden mogen

zijn.

De ideële kant van ons beroep.

Van hoeveel betekenis het sociaaleconomische

aspect van deze overeenkomst

ook is, stellen we toch met

de meeste nadruk voorop, dat zij

vooral de ideële ontwikkeling van

hét beroep dient. De functie-indeling

bijv. heeft de strekking om de journalistieke

werkzaamheden naar kwaliteit

te onderscheiden. De jonge leden

zien zich thans een perspectief

geopend. Hoe belangrijker de journalistieke

prestatie, des te hoger kunnen

zij opklimmen. Hiervan zal een

stimulans uitgaan om door zelfstudie

en zelfontwikkeling de mogelijkheid

tot het bestijgen van de hogere sporten

van de journalistieke ladder te

openen. Ook tegenover de buitenwereld

wordt door het stelsel van

deze C.A.O. het aanzien van de journalisten

vergroot. Jongeren, die voor

een beroepskeuze staan,. kan thans

voor ogen worden gesteld, welke mogelijkheden

de journalistiek aan bekwame

en karaktervolle mensen

biedt. Naar ons is medegedeeld,

heeft een soortgelijke bepaling in de

C.A.O., welke na de vorige oorlog in

Duitsland tot stand kwam, ertoe geleid,

dat bekwame jonge krachten

werden aangetrokken. We verwachten,

dat ditzelfde effect zich ook in

Nederland zal openbaren, tot heil

van de vaderlandse pers.

Wij hechten aan deze onderscheiding

naar kwaliteit zoveel waarde,

dat we met nadruk wensen vast te

stellen, dat het niet de taak van de

Journalistenkringen is om met behulp

van deze C.A.O. te trachten

journalisten tot een hoger peil van

bezoldiging op te trekken dan waartoe

hun prestaties hun recht geven.

Trouwens', in het algemeen zal bij de

uitvoering van deze C.A.O. de plicht,

zowel tegenover het vak in het algemeen

en tegenover de krant waaraan

men verbonden is in het bijzonder,

voorop moéten staan. Dit betekent

niet, dat de journalisten zou

mogen worden onthouden, waarop zij

in redelijkheid aanspraak kunnen

maken. Doch ieder dient er zich bewust

van te zijn, dat met deze eerste

C.A.O. in menig opzicht moet

worden proefgestoomd en dat verschillende

overgangsbepalingen er getuigenis

van afleggen, dat in onderscheidene

bedrijven zich een aanpassing

moet voltrekken, waaraan de

journalisten een loyale medewerking

zullen moeten verlenen. Daarbij rijzende

moeilijkheden zullen in eerste

aanleg door overleg tussen de directie

en de redactie binnen het eigen

bedrijf tot oplossing moeten worden

gebracht. We verwachten, dat de directeuren

van hun kant bereid zijn,

deze overeenkomst in redelijkheid tot

uitvoering te brengen. Laten de journalisten

hunnerzijds de voor een

goede toepassing vereiste billijkheid

tot gelding brengen. De Raad van

Uitvoering is een geenszins eenvoudige

taak toegedacht. Hij moet zijn

volle aandacht kunnen wijden aan de

principiële kwesties, welke mochten

rijzen en daarom niet overstroomd

worden met kleinere geschillen, welke

in te goeder trouw binnen de

onderneming gevoerd overleg uit de

wereld kunnen worden geholpen. We

doen daarom op al onze leden een

krachtig beroep om zich van hun

plicht tot medewerking aan een redelijke

toepassing van deze C.A.O.

bij voortduring bewust te zijn. Het

was ook in deze geest, waarin het

bereiken van overeenstemming tussen

de Kringen en de N.D.P. mogelijk

was.

Wat thans te doen staat.

Het eerste waaraan nu gewerkt

moet worden, is het verwerven van

de goedkeuring van Rijksbemiddelaars.

De eerste stappen daartoe

zijn ondernomen. We vertrouwen,

dat ook dit overheidscollege zal beseffen,

van hoeveel betekenis deze

eerste C.A.O. voor de journalistiek

is. Alsook met hoeveel moeite en

zorg naar overeenstemming is gestreefd.

Dat deze goedkeuring ons zou

worden onthouden, achten we zo onwaarschijnlijk,

dat de voorbereidingen

voor het inwerkingtreden van

de overeenkomst inmiddels ter hand

kunnen worden genomen.

Deze bestaan hierin, dat voor het

instellen van het georganiseerde

overleg, bedoeld in art. 34 van de

overeenkomst, in elke dagbladonderneming

inleidende besprekingen met

de directie worden gevoerd. Het is

de taak van de afdelingsbesturen

zich ervan te vergewissen, of dit

inderdaad geschiedt. In de binnenkort

te houden vergaderingen van de

Kringbesturen zullen nog nadere

richtlijnen te dezer zake worden

vastgesteld.

Voorts is het de taak van de afdelingsbesturen

zich zo spoedig mogelijk

naamlijsten van de redacties

in hun ressort te verschaffen en deze

met hun ledenlijsten te vergelijken.

De C.A.O. schrijft immers het

verplichte lidmaatschap der organisaties

voor. Zij, die nog geen lid zijn,

moeten zonder verwijl tot toetreding

ANETA-BATAVIA vraagt

twee ,

AANKOMENDE JOUR­

NALISTEN

voor bureaudiensten, roulerend

in dag-, avond- en nachturen.

Grondige kennis Engelse taal

noodzakelijk. Sollicitaties te

richten tot Aneta's vertegenwoordiger

te 's Gravenhage,

Parkstraat 32.

(26/47)


worden opgewekt. Er kan daarbij

worden medegedeeld, dat de Kringbesturen

overwegen, tot de heffing

van een entreegeld te geraken voor

diegenen, die bij het inwerkingtreden

van de C.A.O. zich nog niet voor het

lidmaatschap hebben aangemeld!

Welk entreegeld ertoe zal strekken

een bijdrage te leveren in de kosten,

welke de organisaties zich voor de

totstandkoming van de C.A.O. hebben

moeten getroosten. Elk lid, dat

voor de uitvoering van bovenvermelde

taken door de besturen tot

medewerking wordt geroepen, zal

zich ook van zijn plicht tegenover

zijn organisatie bewust moeten zijn.

De bestuursleden hebben zoveel tijd

en arbeid belangeloos aan de verenigingen

besteed, dat het verlenen

van genoemde medewerking, vooral

na het bereiken van zoveel tastbaar

resultaat waarlijk niet te veel van

de leden gevergd is.

Deze medewerking kan in de eerste

plaats verleend worden door het betalen

van de achterstallige contributie.

De kosten van de organisaties

zijn in deze tijd nu eenmaal hoog en

daaraan heeft elk lid zijn reglementaire

bijdrage op tijd te verlenen.

Geen geld^ geen Zwitsers!

Nu de C.A.O. in kannen en kruiken

is en daarmede voor het ogenblik

het eerste doel, dat de kringen

zich bij de oprichting hebben gesteld,

bereikt is, komen de andere taken,

t.w. de instelling van de tuchtrechtspraak

en de organisatie van de vakopleiding,

aan de orde. Ook hiervoor

zullen de middelen beschikbaar moeten

komen. Bij invoering van de

C.A.O. zal de contributie-inning over

de ondernemingen lopen, zodat elke

maand zal worden betaald. Voor hen,

die hun achterstallige contributie

niet ineens kunnen voldoen, zal een.

betalingsregeling' in termijnen worden

vastgesteld. Houdt daaraan voor

Uzelf strikt de hand, opdat de besturen,

die week aan week in de

weer zijn geweest voor Uw belangen,

tenminste van de financiële zorg

voor het functionneren en het voortbestaan

van de organisaties worden

ontheven.

Slechts indien elk lid zich van zijn

elementaire plichten tegenover zijn

vereniging kwijt, kunnen de nieuwe

taken, waaronder de C.A.O. voor de

persbureau's, voor de nieuwsblad- en

tijdschriftjournalisten, ter hand worden

genomen.

Een mijlpaal is bereikt. De verdere

weg is echter nog lang. Laat ieder

het werk verrichten, dat zijn hand te

doen vindt. Met vereende krachtsinspanning

zullen we het grote doel,

de verheffing van de Nederlandse

journalistiek, steeds nader komen.

Mr. M. ROOIJ, Voorzitter N.J.K.'

L. HANEKROOT,

Voorzitter K.N.J.K.

REPORTAGE-

Journalist, ruim 10 j. veelz.

erv. in Ned. en buitenl., wenst

te veranderen. Onverschillig

waar. Br. 24/47, De Journalist.

De besten

iron ons

Aan een artikel, in Het Lichtspoor

ontlenen wij:

Aan alle fronten van de wereld

stonden, behalve de mannen, die het

werk moesten doen, ook de vertegenwoordigers

van de reusachtige

wereldpers gereed om een verslag te

geven van de gebeurtenissen. Er was

in die tak van de journalistiek carrière

te maken voor hem, die moedig

genoeg was en die zijn ogen open

hield. Hij wist immers, dat millioenen

verwanten van de soldaten, alle

berichten van de fronten verslonden.

Het was alsof zij via dit toch, op

enkele uitzonderingen na, oppervlakkige,

haastige en dikwijls verwarde'

nieuws hoopten zekerheid te krijgen

over het lot van een geliefde.

Uit de grote hoeveelheid namen,

die in de Amerikaanse pers in dit

verband te yoorschijn kwamen, zijn

enkele zeer beroemde naar voren getreden

b.v. Ernie Pyle en John Hersey

(Hiroshima). Vooral de eerste

schreef met een ontroerende en meelevende

eenvoud speciaal over zijn

benjaminwapen de infanterie. Hij

sneuvelde ergens op een van de

Zuidzee eilanden, waarheen de kikvorstactiek

der Amerikanen grote

troepeneenheden in de bloedigste gevechten

van de oorlog dreef. Men

vond hem ergens in 'n greppel.

„Maar" schrijft „Coronet", het Amerikaanse

maandblad, „men heeft hem

niet vergeten. De mensen uit South

Dakota, uit Pennsylvania, uit Louisiana

rijden langzaam door de straat,

waar hij zijn eenvoudige huis had,

dat hij was blijven bewonen hoewel

hij geweldig rijk geworden was door

zijn oorlogssuccessen en vragen we

aan de bewoners in de straat: „Waar

woonde Ernie Pyle?" dan kijken ze

naar de plaats, waar hij woonde en

aller ogen zeggen: „hij was onze

vriend."

Zonder dat een speciale noodzaak

hem dreef op materieel gebied,

trok deze man door een groot verlangen

om bij de doodgewone jongens

van de troep te zijn weg van

het gezellige huisje in Albuquerque

in New-Mexico en ging het gevaar

weer tegemoet om dan met weemoed

geladen verslagen te geven van de

oorlog en de ellende van het slagveld.

Zolang was hij de stem van de

troep, tot hij sneuvelde; zijn huis

staat leeg. Hij heeft zich de liefde en

de eerbied van de grote natie verworven.

Het was een riskant vak, de reporter

moest met zijn neus vooraan

zijn wilde hij iets interessants vertellen

en toen dan ook de oorlogsverslaggever

Bob Miller na op Guadalcanal

te zijn geland terug kwam

in Amerika, zei de dokter, dat hij

kalm aan moest doen.

Hij had een jaar lang de vreselijke

Liit de practijk van de

oorlogsverslaggeverij

tropische strijd meegemaakt en was

ondermijnd door koortsen en de slopende

spanning.

Kalm aan doen is gemakkelijk

gezegd. Hij ging naar Europa en

was bij de troep, die Parijs het eerst

binnentrok. Bij Verdun verloor hg

een arm.

Zo landde een ander journalist Bob

Eunson in 1943 op New Britain, gewapend

met zijn schrijfmachine. Hij

zat in een van de rubberboten, die

de eerste aanvalsgolf vormden. De

Jappen begonnen op 50 meter afstands

te vuren en de boten werden

in stukken gereten. Eunsons schrijfmachine

werd vernield, zijn bril werd

in gruzels geslagen, maar hij slaagde

erin op het strand te komen, waar

hij een andere machine en een bril

leende en een verslag begon te

schrijven, dat onmiddellijk frontpaginanieuws

werd van de grootste

Amerikaanse bladen. Zijn nieuws bereikte

via een bepaalde nieuwsorganisatie

direct meer dan 4500 kranten

en radiostations over de hele

wereld.

De race om het nieuws kan elk

ogenblik van de dag beginnen, zeker

in oorlogstijd. Dan is het nog een

kunst het zo accuraat mogelijk te

schrijven en... het door te seinen.

Toen in Maart 1945 het bericht

doorkwam dat de brug bij Remagen

genomen was en Pattons leger het

eerst de Rijn over was gestoken,

sprongen 40 reporters in hun jeeps

en joegen weg naar Remagen, dat

een kleine 100 kilometer weg lag.

Terwijl sommigen in verkeersopstoppingen

vast bleven zitten, anderen

panne kregen of door de M.P.

werden vastgehouden, slaagde een

zekere Howard Cowan erin de buitenkant

van het plaatsje Remagen

te bereiken.

Daar werd hij door een M.P. aangehouden.

Hij moest zijn jeep in de

steek laten en trok toen maar te

voet verder. Overal vielen de Duitse

granaten. Als razend stuwde men zoveel

mogelijk troepen over de brug

naar de Duitse zijde. Toen een jeep

wat langzamer reed, sprong Cowan

erin en bereikte zo enkele minuten

later de commandopost. Hij was de

eerste oorlogscorrespondent, die daar

aankwam.

Maar dat was niet alles, hij moest

nu weer terug zien te komen om

zijn nieuws door te geven. De enige

manier om terug te komen was per

jeep tegen een onafgebroken stroom

verkeer in en in een koude striemende

sneeuwstorm. Toen hij eindelijk

aankwam, waren zijn vingers bijna

levenloos. Desondanks tikte hij zijn

rapport en een uur en één-en-twintig

minuten eerder dan welk ander blad

ook, kon het zijne zijn berichten publiceren.

3


^JMijnheer de ^Redacteur....

Perseritiek op radio-uitzendingen.

Wanneer in Engeland een nieuwslezer

zich een paar maal verslikt

stuurt de „Daily Mail" er een reporter

op uit om te vragen, wat de

man die dag heeft gegeten en wanneer

zich iemand vergaloppeert be-

(noeit er zich heel de pers mee.

Wanneer in Nederland zich iemand

voor de microfoon misgaat, verdient

dat een afstraffing in de bladen.

Ik meen echter, dat perseritiek

aan twee nuchtere eisen moet voldoen:

1. wie critiek op een uitzending

wil uitoefenen moet die zelf

hebben gehoord; 2. wie als persman

twijfelt aan de bedoelingen van een

bepaalde uitzending, informere eerst

bij de verantwoordelijke omroepinstantie.

Op 10 October hield ik een radiouitzending

in de rubriek „Vragen

aan Voorbijgangers", die ten doel

had de aandacht te vestigen op het

nog latent in ons volk aanwezige

Nazi-gif van het anti-semitisme. Op

14 October reageerde „Het Vrije

Volk" hierop met een critisch artikeltje

onder de titel „Wat denkt U

van de Joden". De suggestie, die

van dit artikeltje moest uitgaan was

blijkbaar, dat de uitzending bedoeld

was als een verkapte vorm van antisemitisme.

Zou het, voor wie zulk een zware

beschuldiging wil uiten, niet verstandig

zijn geweest zich eerst eens even

telefonisch te vergewissen wat nu

de bedoeling was ? Of slingert men

tegenwoordig maar alles zonder

voorafgaand overleg in de krant?

Zelfs wanneer men na de verkregen

opheldering" te hebben gekregen

meende zijn critiek op de vorm van

deze uitzending te moeten handhaven,

was daartoe immers nog alle

aanleiding ?

Dit stukje in „Het Vrije Volk" was

echter nog niets vergeleken bij wat

„Het Parool" een dag later meende

te moeten presteren. Onder de titel

„Walglijk" publiceerde zij een artikeltje,

dat inderdaad aan de titel

beantwoordde en dat aldus begon:

De N.C.R.V. heeft een rubriek

„Vragen aan Voorbijgangers" en zij

vond haar uitzending daarvan Vrijdagv

j.1. zo geslaagd, dat zij haar

Maandagochtend herhaalde. Haar reporter

heeft inwoners van Alphen

aan de Rijn naar hun mening gevraagd

omtrent „het Jodenvraagstuk",

dat deze christelijke omroepvereniging

aanwezig acht."

Indien de redactie van „Het Parool"

heeft geluisterd, dan heeft zij

dat slecht gedaan, want anders zou

zij hebben opgemerkt, dat de „voorbijgangers"

juist werd gevraagd of

zij in tegenstelling' met voor de oorlog

een Jodenvraagstuk aanwezig

achtten en of dat misschien een gevolg

was van de Goebbels-propagan-

da. En zij zou ook hebben gehoord,

dat toen de beroemde kapper de opmerking

maakte, dat hij altijd de

indruk had door een Jood beet te

worden genomen, daaop werd gereageerd

met „Is U nooit door een niet-

Jood beetgenomen?"... een aanduiding

dat de bedoeling van deze uitzending

toch wel eens anders zou

kunnen zijn, dan èn „Het Vrije Volk"

èn het met tinctuur naschrijvende

„Parool" meenden te moeten suggereren.

Wie critiek uitoefent als verantwoordelijk

journalist heeft de plicht

zich eerst te informeren. Wie in dit

geval schrijft dat de N.C.R.V. deze

uitzending zo geslaagd achtte, dat

zij die later nog eens herhaalde behoorde

te weten, dat deze rubriek al

sinds jaar en dag steeds werd herhaald,

dat daarin dus geen enkel

nieuw element school van min of

meer geslaagd zijn van die bepaalde

uitzending. Wie zijn journalistieke

taak zó opvat, dat hij naar aanleiding

van binnengekomen telefoontjes

gaat schrijven zonder de achtergrond

van een bepaald soort radio-uitzendingen

te kennen en zonder zelfs de

moeite te nemen eerst eens zijn licht

op te steken bij de beschuldigde partij,

die blijft beneden de maat. Dergelijke

methoden mogen in totalitaire

staten vruchtbaar zijn, in een land

als het onze zijn ze alleen maar

walglijk.

Het is niet bij Vrije Volk en Parool

gebleven. Een reeks van bladen

hebben kennelijk zonder iets van de

bewuste uitzending te hebben gehoord

(dat bleek uit het feit, dat

men rubrieknaam en inhoud niet

eens kende) de critiek met nog een

tikje extra-moraal over „verwording"

en zo nagewauweld.

Indien ik de luisteraars onrecht

heb aangedaan door hen te hoog te

taxeren, dan heb ik daar voor dezelfde

microfoon waaruit de eerste

uitzending was gekomen al voldoende

op geantwoord. Maar in dit vakblad

wil ik ten krachtigste mijn bezwaren

uiten tegen zulk een beoefening

van het vak, die slechts kan

leiden tot aantasting van de ruggemerg

der journalistiek: haar betrouwbaarheid.

Hilversum.

#

GERARD H. HOEK.

. [Collega Hoek heeft in zijn apologie

recht op het volle pond. (Een paar

gram hebben wij ze lichter gemaakt,

aannemende dat hij dit zelf bij nadere

overweging ook zou hebben gedaan.)

Het komt ons echter voor dat

hij drie dingen niet voldoende uit

elkaar houdt, en wij hopen dat degenen,

die eventueel met hem in discussie

zouden willen treden, dit wél

zullen doen. .

Coll. Hoek gispt in.de eerste plaats

diegenen, die aan hun critiek op zijn

uitzending de gevolgtrekking hebben

verbonden dat hij, of bij uitbreiding

de N.C.R.V., zou hebben gehandeld

uit een bewuste anti-semietische

overtuiging. Wij geloven niet dat

iemand die gevolgtrekking zal kunnen

waar maken.

Daarnaast staat de vraag of hier

gesproken kan worden van een

uiting, die aan onbewust anti-semietisme

moet worden toegeschreven.

De popularisatie van de psycho-analyse

heeft er helaas toe geleid, dat

velen uitermate lichtzinnig zijn in

het toeschrijven van onbewuste neigingen

en motieven... aan anderen.

Over „onbewust anti-semietisme" mag

men alleen in algemene zin schrijven,

als iets dat bij velen min of meer

aanwezig is; over het al of niet aanwezig

zijn of de mate van aanwezigheid

bij een bepaald persoon mag alleen

een psycho-analyticus oordelen,

na onderzoek. Terecht verwerpt coll.

Hoek klakkeloze beschuldigingen van

dien aard.

Maar los van deze twee vragen

staat een derde: of de uitzending

van coll. Hoek naar opzet, inhoud en

vorm juist is geweest.. Zij heeft in

brede kring ontstemming en zelfs

verontwaardiging gewekt. Een schrijver

wie zo iets overkomt, kan zich

beroepen op de samenhang van zijn

tekst; een radioman dient te weten,

dat hij dit in veel mindere mate kan

doen. Hij dient zowel zijn instrument

als zijn publiek te kennen. Van een

verkarde uitwerking van een uitzending

kan hij zich niet afmaken door

te zeggen: Ik had het toch goed bedoeld.

Wij menen, dat een eventuele discussie

zich in hoofdzaak tot dit aspect

van de zaak zal dienen te beperken.

Discussie in algemene zin

over de eerste twee punten lijkt ona

tamelijk overbodig, in persoonlijke

zin beneden de waardigheid van de

betrokkenen. — Red.]

Bij de neus. 1 )

Er is deze zomer in Zeeland, met

name in Vlissingen, wel degelijk een

fata morgana te zien geweest. Het

Meteorologisch Instituut ontving

daarover uitvoerige rapporten. Het

A.N.P.-bericht was dus volkomen

juist. Enkele dagen na het fata-morgana

berichtte echter de Provinciale

Zeeuwse Crt. via zijn correspondent

uit Breskens, dat een fata-morgana

voor Zéeuws-Vlaanderen niets bizonders

was. Iedere keer als er ministers

op bezoek waren geweest, zag

men er daar V/ij plaatsten dit

bericht uit Breskens omdat het karakteristiek

is voor de stemming in

Zeeuws-Vlaanderen. Maar het „echte"

fata-morgana is er geweest en de

Avondster drong dus bij haar poging

tot opheldering niet volledig door de

nevelen heen.

G. BALLINTIJN.

!) Zie De Journalist van Aug.-

SepX '47, blz. 23.


De vakopleiding van de journalist

Het geroep om vakopleiding in de

journalistiek is al oud en heeft de

N.J.K.. reeds meermalen bezig gehouden.

Na de oorlog is het in versterkte

mate gehoord, omdat toen

velen uit de verzetsbeweging in de

journalistiek traden zonder enige

voorafgaande opleiding. Voor zover

dit ouderen warend die voor de oorlog

een - ander beroep uitoefenden,

bezaten zij over het algemeen wel de

algemene ontwikkeling, welke voor

het vak nodig mag worden geacht,

bij vele jongeren was zulks tengevolge

-Van de oorlogsomstandigheden

niet het geval. Deze jongelieden misten

niet alleen de vereiste ontwikkeling,

zij misten ook — mede tengevolge

van de oorlog — in vele gevallen

de omgangsvormen en het fatsoen,

welke in het verkeer tussen

beschaafde lieden vereist zijn en die

een journalist niet anders dan tot

zijn schade kan ontberen.

Hiermee zijn wij meteen aangeland

bij enkele vraagstukken, welke zich

voordoen als er van opleiding in de

journalistiek sprake is, saam te vatten

in: Ie. Waar moet zij beginnen,

2e. Wat moet zij omvatten. Er is

langzamerhand in zoverre wel een

communis opinio ontstaan, dat algemeen

de noodzakelijkheid erkend

wordt van een algemene ontwikkeling,

welke boven die van het voorbereidend

hoger- en het middelbaar

onderwijs uitgaat. Voor de opleiding

in de journalistiek van hen, die van

jongsaf dit vak willen kiezen zal men

daarom als eerste eis het bezit van

een einddiploma H.B.S. 5 j. of Gymnasium

moeten stellen. Daarnaast

zal echter steeds de gelegenheid

moeten open staan voor hen, die niet

deze voorbereiding hebben genoten,

doch die op de een of andere wijze

geschiktheid voor het vak hebben

getoond, om in de journalistiek te

worden opgenomen. Men moge eisen

aan de opleiding stellen, doch men

mag daarbij niet vergeten, dat journalistiek,

altijd, al moet zij ook geleerd

worden, vooral een kwestie van

aanleg is, dat zij, al is zij het een,

zomin als het ander, dichter bij de

kunst staat, dan bij de wetenschap.

Wie aanleg heeft en daarbij roeping

voor het vak gevoelt, zal er altijd

wel komen, doch de opleiding kan

hem tot grote steunt zijn.

Als wij het erover eens zijn, dat

de opleiding van de journalist moet

beginnen bij eindexamen H.B.S. of

Gymnasium rijst de vraag wat moet

zij omvatten, welke vraag weer te

splitsen valt in twee vragen, moet

zjj (meer) op de wetenschap, dan

wel op de praktijk gericht zijn. Vijfentwintig

jaar geleden waren er nog'

velen, ook onder de besten in ons

vak, die over een wetenschappelijke

opleiding de schouders ophaalden en

alleen heil zagen in een practische

opleiding, zo maar dadelijk als jongmaatje

aan de courant. Dit stand­

Een inleidend woord

punt wordt thans door weinigen listen, die een wetenschappelijke vor­

meer ingenomen. Staatkunde, poliming behoeven.

tieke geschiedenis, rechtswetenschap, Men kan zich echter ook een op­

economie, sociologie spelen zo'n grote leiding denken aan bestaande facul­

rol in het leven, dat een journalist, teiten aan andere hogescholen, bijv.

wil hij aan enig blad een rol van in de geest van die der indologen te

betekenis vervullen, van deze takken Leiden, welke hun opleiding gedeel­

van wetenschap enig begrip moet telijk aan de juridische, gedeeltelijk

hebben. Zoveel begrip althans, dat aan de literaire faculteit genieten.

hij weet, waar hij zijn vingers bran­ Een dergelijk plan stond wijlen colden

kan en dus zijn eventueel gemis lega Lievegoed voor ogen, die als

aan kennis bij anderen zal dienen eerste in Nederland te Leiden col­

aan te vullen.

leges gaf in dagbladwetenschap.

Naast deze wetenschappelijke ken­ Deze universitaire studie zou dan

nis-van algemene aard is ook enig moeten aangevuld met lessen in de

inzicht in de dagbladwetenschap van practijk. De Katholieken, die ons in­

belang, des te meer naarmate de gezake de opleiding een slag voor zijn,

gadigde voor de journalistiek hoopt hebben reeds weten bereiken, dat aan

het mettertijd tot een leidende func­ de universiteit te Nijmegen de getie

te brengen. Dat hierbij ook de legenheid voor een studie in de jour­

ethiek, de leer van wat de journalist nalistiek is opengesteld. Bij deze stu­

wel en niet geoorloofd is, niet verdie neemt ook de geloofsleer een

geten mag worden, spreekt vanzelf. belangrijke plaats in, welke — be­

En naast al deze wetenschap is tehalve misschien bij een deel onzer

vens nog de practische opleiding, collega's van orthodoxe-protestantse

welke kennis en inzicht moet ver­ richting — bij ons niet ter sprake

schaffen in de manier, waarop een komt. Voorts is er keus uit vijf

courant wordt samengesteld, onmis­ richtingen, de theologisch-wijsgerige,

baar.

de geschiedkundig-staatsrechtelijke,

Onder de huidige journalisten zijn de literair-kunsthistorische, de so­

vele meesters in de rechten, doctociaal-economische en de financieelrandi

in de economie en in de leteconomische. Al deze richtingen hebteren.

Zij genieten ongetwijfeld voorben zes college-uren per week gedeel

van hun universitaire opleiding,

meen, twee uren godsdienstleer, twee

al was het alleen maar, omdat hun

uren wijsbegeerte, een uur politieke

studie hun de weg naar zelfstandig

en economische geografie en een uur

onderzoek, critisch schiften van de

dagbladwetenschap. Elk der vijf rich-

- tingen telt enige verplichte hoofd­

stof en een logische indeling bij de -

stukken met tezamen zes uur col­

verwerking heeft geleerd. Het feit, lege per week, zodat het aantal ver­

dat lieden met zo'n verschillende opplichte college-uren twaalf bedraagt.

leiding in de journalistiek zijn ge­ Daarnaast kan hij vrije vakken kieslaagd,

wijst er al op, dat een unizen uit een andere richting dan die,

forme opleiding ongewenst zou zijn; waarin zijn hoofdvakken gelegen zijn.

wie nagaat hoezeer, vooral bij de Een tutor staat hem in de keuze

grote bladen ons vak gespecialiseerd van' zijn bijvak (ken) bij.

is, begrijpt zulks ten volle. Wil men

dus een universitaire opleiding tot Naast deze wetenschappelijke op­

norm nemen dan is een algemene leiding staat een vakopleiding los

hoofdstudie met keuze in bijvakken, van de algemene vorming; daartoe is

dan wel een hoofdstudie in bepaalde de Vrijdagavond vrijgehouden voor

vakken met een algemene bijstudie lezingen, de Zaterdag voor een prac­

vereiste. Wat hiervan het wenselijktische cursus. De lezingen hebben

ste is, zal nog nader dienen te wor­ ten doel:

den uitgemaakt. Om deze studie te

verkrijgen zou men zich een studie, a. de aanstaande journalist uit aan­

Welke colleges volgt uit verschillenschouwing bekend te maken met

de faculteiten kunnen denken, men een aantal belangrijke personen,

kan zich ook een studie denken aan waarmee hij in de loop van zijn

een faculteit, speciaal geschikt voor latere leven beroepshalve te ma­

dé journalistieke opleiding. Een derken krijgt;

gelijke faculteit bestond voorheen

niet, doch is sinds het begin van deze b. de altijd ietwat academische stof,

cursus geschapen in de zevende fa­ die hij op de colleges of elders in

culteit aan de gemeentelijke univer­ zijn algemene vorming te verwersiteit

van Amsterdam. Bij de instelken krijgt aan te vullen met de

ling van deze faculteit is hieraan actualiteit van de dag.

speciaal gedacht, doordat men het

c. de aanstaande journalist de ge­

oog had op de vorming van' drie legenheid te bieden zich bij zulke

secties, waarvan I een sectie zou zijn voordrachten reeds enige oefe­

voor algemene politieke en sociale

ning te verwerven in het vervaar­

wetenschappen, vooral met het oog digen van verslagen, het stellen

op de opleiding van diplomatieke en van vragen, het afnemen van een

consulaire ambtenaren en van andere interview, het vormen van een

hoge ambtenaren in het bestuur van

oordeel. Dit kan gevoegelijk ge­

stad en land, benevens van journaschieden in combinatie met de

5


©e (Doop van Vrinses Ynanjke

en de houding van de Pers

Dr. H. Berkhof uit Zeist heeft het

nuttig geoordeeld in Hervormd Gemeenteleven

het volgende oordeel

over journalisten én filmoperateurs

te ventileren: „Zijn er onoverkomelijke

bezwaren tegen, dat de doopdienst

van een Prinses in een gewone

dienst in de eigen gemeente wordt

gehouden, dan behoort de dienst tenminste

in principe ontoegankelijk te

zijn voor het onbeschofte slag van

journalisten en filmoperateurs, die

de heiligheid van de dienst en van

de doop niet ontzien. Zo iets mag

geen kerkeraad of kerkvoogdij toelaten".

Wij zijn geneigd de bezwaren van

Dr. Berkhof tegen het^ filmen en

fotograferen in een kerk te delen.

In Engeland heeft de Koning toestemming

geweigerd aan filmoperateurs

om de kerkelijke plechtigheid

vast te leggen, maar fotografen mochten

hun werk er wel doen. Hier is

dus sprake van een soort compromis

ten aanzien van de beeldtechnische

publiciteit. Bij de doop van Prinses

Marijke heeft men deze publiciteit

een zo ruim mogelijk afzetgebied

verzekerd. In het midden latend wie

er voor deze gang van zaken verantwoordelijk

is en op wiens verzoek

ze tot stand is gekomen, moet ons

van het hart dat men in de Domkerk

vrijwel geen stoornis van een

en ander heeft ondervonden. De filmoperateurs

hebben geruisloos ge­

lessen' in het handwerk der journalistiek.

De practische cursus staat onder

leiding van een ervaren journalist,

die de studenten desgewenst bijgestaan

door enkele andere journalisten

hetzij alle tezamen hetzij in

kleine groepen lessen kan geven in

de praktijk van het werk aan de

krant: in het opsporen van het

nieuws, in het schrijven van berichten,

in het bewerken der van buiten

komende kopij, in het samenstellen

van koppen, in het opmaken van

pagina's enzovoort enzovoort, tot het

schrijven van critieken, beschouwingen

en hoofdartikelen toe. Wanneer

verschillende journalisten in het geven

van deze lessen bijspringen, kan

met allerlei typen kranten en met

de eisen van de meest uiteenlopende

rubrieken rekening worden gehouden.

Op deze lessen kan ook practisch,

bijvoorbeeld met telexkopij, met excursies

naar drukkerijen, met het

maken van proefverslagen, met het

maken van een goed opgemaakte

krant worden gewerkt.

Tenslotte is er nog rekening mee

gehouden, dat de student-journalisten

een stage doormaken aan een

courant om zich met het practische

courantenwerk vertrouwd te maken.

Bij de katholieken zal er, gezien

Ó

werkt en van de fotografen heeft

men evenmin last gehad. Wij willen

toegeven dat we aanvankelijk ook

verontwaardigd waren toen we constateerden

dat terzijde van de kansel

twee cabines waren gebouwd,

maar de-praetijk heeft geleerd, dat

de mensen, die hierin hun apparaten

bedienden, berekend waren voor hun

taak en dat zij geen enkel ogenblik

aanstoot hebben gegeven. Van de

journalisten kan hetzelfde worden

gezegd. Men had hen over verschillende

vakken van het kerkgebouw

verdeeld en hoewel we dus alleen

kunnen spreken over de gedragingen

van de in onze nabijheid zittende

collega's, is ons ook later niet van

enige moeilijkheid of onjuist optreden

der anderen, iets ter ore gekomen.

Dat men weinig begrip voor hun

werk heeft gehad bleek wel uit het

besluit, dat niemand hunner het gebouw

mocht verlaten voordat de koninklijke

stoet was vertrokken. Aanvankelijk

was toegezegd, dat zij de

kerk konden verlaten wanneer de

koninklijke familie zich in de sacristie

zou hebben teruggetrokken —

liet was immers toch al op het nippertje

in verband met het late uur,

vooral voor de buiten Utrecht verschijnende

bladen —- maar deze toezegging

werd niet gestand gedaan.

Verschillende collega's, waaronder

ook een predikant-journalist waren

hierover terecht ontstemd. Men had

de tutor, enig toezicht op de studie

der aanstaande journalisten zijn, of

zulks aan de gemeentelijke universiteit

van Amsterdam of aan een der

rijksuniversiteiten eveneens mogelijk

zou zijn, staat nog te bezien. In ieder

geval zal men moeten aannemen, dat

de universitaire opleiding toch zeker

in hoofdzaak op vrije studie zal berusten;

dit bijv. in tegenstelling met

de journalistieke opleiding in Amerika

aan z.g. colleges, welke meer een

schools karakter draagt.

Een soort van college-opleiding

bestaat hier te lande wel reeds aan

het Nederlands opleidings-instituut

voor het buitenland (N.O.I.B.), dat

ook een sectie kent voor aanstaande

journalisten. Dit is echter slechts

voor enkelen toegankelijk.

Zowel het N.O.I.B. als de universitaire

opleiding hebben het nadeel van

kostbaar te zijn en daardoor slechts

voor een bepaalde categorie van gegadigden

toegankelijk. Om minder

kapitaalkrachtigen gelegenheid te

geven zich op een hogere positie in

de journalistiek toe te leggen, zal

men een andere weg moeten volgen.

Deze zal wel moeten leiden tot een

(betaald) leerlingschap aan de courant

met daarnevens een algemene

vorming tegen geringe kosten. De

katholieken hebben dit gezocht in

een schriftelijke cursus, weinig min-

door een zijdeur op het Domplein

kunnen komen en zou op die manier

niemand hebben gehinderd.

Wat wij Dr. Berkhof echter kwalijk

nemen is zijn weinig christelijk

oordeel over een categorie werkers,

die in het belang van de gemeenschap

wel eens agressief moet optreden.

Wanneer Dr. Berkhof een

vergadering van de Synode heeft bijgewoond

of een andere kerkelijke

bijeenkomst, vindt hij het ook niet

onaardig als er 's avonds een verslag

en een foto van een en ander in zijn

lijfblad staat. Ontbreekt het hierin

maar vindt hij het wel in een andere

courant, dan zal hij geneigd zijn te

zeggen: ze zijn niet erg actief geweest

„bij ons", want daar en daar

las ik al een relaas van de samenkomst.

Publiciteit eist snelheid en

dat daarbij een enkele maal wel eens

de juiste omgangsvormen in het gedrang

komen, moest Dr. Berkhof

kunnen begrijpen. Overigens heeft

hij zijn critiek klaarblijkelijk niet geuit

in verband met het optreden der

beide categorieën in de Domkerk,

maar hij heeft gegeneraliseerd. En

dat is volkomen misplaatst. Dr.

Berkhof steke de hand in eigen boezem

en hij vrage zich af: past het

een Dienaar van Christus een zo vernietigend

oordeel uit te spreken,

waar zijn Meester toch ook voor hem

het woord heeft gesproken, dat hij

zijn naaste zal liefhebben als zichzelve.

Voorlopig is zijn inzicht onjuist

en zeer onbarmhartig.

Utrecht. A. J. VAN DEINSE.

Opgemaakt te Groningen,

op 1 December 1947.

der grondig dan de universitaire opleiding,

welke daarom dan ook een

tijdsduur van ten minste zes jaren

zou vergen. De katholieken zijn zo

gelukkig daartoe een gelegenheid te

bezitten in het studiecentrum van de

paters Augustijnen te Culemborg.

Wij kennen geen instelling op neutraal

terrein, welke daarmee te vergelijken

is. Misschien zouden er een

of twee overigens te goeder naam en

faam bekend staande schriftelijke opleidingsinstituten

te vinden zijn, welke

tezamen onder toezicht en met

advies van een commissie uit hoogleraren

van de zevende faculteit en

ervaren journalisten, een dergelijke

cursus zouden kunnen opzetten. Een

andere mogelijkheid zou gelegen kunnen

zijn in vacantiecursussen of een

, rondreizende cursus, welke bijv. op

verschillende dagen van de week in

verschillende journalistieke centra

zou worden gehouden. Samenwerking

met volksuniversiteiten ter beschikbaarstelling

van leslokalen, projectielantarens

e.d. zou een dergelijke

cursus wellicht kunnen vergemakkelijken.

Een dergelijke cursus of cursusreeks

van eenvoudige aard, alleen de

eerste beginselen van dagbladwetenschap

en van journalistiek fatsoen

omvattend, zou in ieder geval voor

elk aanstaand journalist hoogst wen-


Heeft «Ie vrouw een taak in de journalistiek?

De belangwekkende beschouwingen

van coll. Ro van Oven in het vorige

nummer van dit blad geven aanleiding

tot twee vragen van principiële

zowel als praktische betekenis.

Het komt mij voor dat het van belang

zal zijn wanneer zo veel mogelijk

collega's hun inzicht hieromtrent

ten beste geven, opdat wij een overzicht

krijgen van de denkbeelden,

die hierover onder ons leven. Ik

stel de vragen en voeg er alvast

enkele opmerkingen aan toe.

1. Is een speciale vrouwenpagina

of vrouwenrubriek gewenst of zelfs

noodzakeüjk?

, Coll. Ro van Oven beantwoordt deze

vraag ontkennend, zonder intussen

in te gaan op de vraag, die er

onmiddellijk mee samenhangt: hoe

dan toch die vrouwenrubriek is ontstaan.

Ik geloof dat deze rubriek een uitvloeisel

is van de toeneming van het

aantal en de grootte der advertenties.

Deze toeneming had tot gevolg

dat de dagbladen zich verplicht zagen

meer kopij te geven: tegenover

een zekere hoeveelheid advertenties

behoort nu eenmaal een zekere hoeveelheid

tekst te staan, zullen de

advertenties hun waarde behouden.

Vandaar dat de dagbladen nieuwe

rubrieken gingen openen, rubrieken

die tevoren meer tot het terrein van

de weekbladen behoorden. Een speciale

rubriek voor de vrouw was een

van de eerste die hierbij ontstond,

selijk zijn; ook al zou zijn opleiding

verder beperkt blijven tot de practische

kant van het vak en datgene

wat de practijk of eigen studiezin

hem verder bijbrengt. Een soortgelijke

cursus zou ook goede diensten

kunnen bewijzen aan hen, die via een

geheel andere opleiding (onderwijs

bijvoorbeeld) in de journalistiek belanden.

Dat behalve voor speciaal voor de

journalistiek universitair opgeleiden

het vak ook moet blijven openstaan

voor juristen, economen, literatoren,

en zelfs voor technici en

theologen voor bepaalde rubrieken,

is natuurlijk buiten kijf, evenals het

buiten kijf is —• onze statuten houden

er zelfs rekening mee -*- dat

bijvoorbeeld de staatkundige leiding

van een dagblad aan een niet-journalist

moet kunnen worden toevertrouwd.

Bij alle liberaliteit inzake de toelating

tot de journalistiek —• noodzakelijk

om het karakter der persvrijheid

te handhaven — mag echter

niet vergeten worden, dat er

enkele elementaire eisen van ontwikkeling

en fatsoen zijn, waaraan

ste'eds voldaan moet worden. Elke

opleiding, elk toelatingsschema zal

daar rekening mee dienen te houden,

S.

omdat de adverteerders er vlug bij

waren om te beseffen dat in de

eerste plaats de vrouw de inkoopster

van het gezin is. Zij wensten dus

in vele gevallen dat hun reclame

naast de kopij kwam te staan, die

geacht werd speciaal de vrouw aan

te trekken en door haar te worden

gelezen. Op de duur is het in adverteerderskringen

een axioma geworden,

dat een grote groep van

advertenties het 't best doet naast

of in een vrouwenrubriek, en het

zijn dan ook vooral de adverteerders

die zo'n rubriek verlangen, om niet

te zeggen eisen.

Is dit geloof van de adverteerders

juist?

Het zou interessant zijn te weten

of dit ooit op exacte wijze in Nederland

is onderzocht. Resultaten van

Amerikaanse onderzoekingen kunnen

niet zo maar op Nederlandse toestanden

worden overgebracht, omdat

daar zowel de structuur van de bladen

als de wijze waarop het publiek

reclame ondergaat niet dezelfde zijn

als hier.

Onder voorbehoud, dat ten slotte

alleen verkoopresultaten beslissend

zijn, ben ik geneigd aan te nemen,

dat de waarde van vrouwenrubrieken

in algemene bladen (in tegenstelling

tot speciale vrouwenbladen met een

grote oplaag) als advertentiemedium

sterk wordt overschat. Een uitzondering

vormt misschien een omvangrijke,

zelfstandig geredigeerde rubriek

in een groot dag- of weekblad,

die min of meer het karakter krijgt

van een afzonderlijk vrouwen-bijblad

en daardoor nadert tot de categorie

van speciale vrouwenbladen bovengenoemd.

(Het spreekt vanzelf dat

zulke grote rubrieken in deze tijd

van papiernood onbestaanbaar zijn.)

Ik ben het met coll. Ro van Oven

eens dat de meeste van de aldus gegroepeerde

artikelen even goed of

beter ergens andere zouden hebben

kunnen staan. Door ze tot een vrouwenrubriek

te verenigen, maakt men

een kunstmatige scheiding tussen

een vrou\»enkrant en een „mannenkrant",

een scheiding, die geen van

beide ten goede komt en waarvoor

ik geen andere grond zie dan het

geloof (of bijgeloof) der adverteerders

in de waarde van een afzonderlijke

vrouwenrubriek als advertentiemedium.

2. Heeft de vrouw een taak in

de journalistiek?

Deze vraag hield me reeds bezig

vóór ik het artikel van coll. Ro van

Oven had gelezen, en wel naar aanleiding

van een recente ervaring. Een

intelligent jong meisje met goede

aanbevelingen kwam solliciteren bij

een groot weekblad. Nu raad ik

jonge mensen, die in de journalistiek

willen altijd aan te beginnen bij een

niet te klein provinciaal dagblad.

Dat is de aangewezen plaats om

het vak grondig te leren. Aan een

groot blad is de specialisatie zo ver

doorgedrongen, dat men er niet zo

makkelijk tot all-round journalist

kan opgroeien; aan een klein blad

(en meer nog aan een weekblad)

wordt van iedereen verlangd, dat

hij of zij van alle markten thuis is.

Voor het weekblad komt hier bij dat

het meer beschouwend, kritisch, oordelend

is; jonge mensen zijn tot beschouwing

en kritiek geneigd maar

zelden in staat omdat hun daarvoor

de ervaring ontbreekt; daarom is

het zaak dat ze eerst leren waarnemen

en beschrijven, een bescheiden

maar moeilijke kunst waarvan

de jeugd de fundamentele betekenis

ook voor de meer beschouwende

journalistiek niet pleegt in te zien.

Toen ik getracht had dit aan de

sollicitante uit te leggen, zei ze

min of meer radeloos, dat ze nu

zulke tegenstrijdige oordelen had

vernomen, dat ze er niets meer van

begreep. Op mijn verzoek vertelde

ze daarop haar ervaringen bij een

aantal voorafgaande sollicitaties. De

voornaamste laten zich als volgt samenvatten:

A (groot geïllustreerd weekblad):

De journalistiek kweekt harde, cynische

mensen;^ voor vrouwen is het

beroep daarom niet aan te bevelen.

B (dagblad): Geen enkele vrouw

houdt het in de journalistiek lang

uit, daarom is het maar beter' er

helemaal niet aan te beginnen.

C (dagblad): Probeert u het liever

eens in de weekbladjournalistiek,

dat is rustiger en meer geschikt

voor de vrouwelijke constitutie.

D (groot dagblad): De vrouw

deugt niet voor de journalistiek.

Ofwel ze wordt een manwijf, ofwel

ze laat haar vrouwelijke charmes te

veel gelden; het ene is even ongewenst

als het andere. Zoekt u liever

een werkkring als secretaresse, dat

is meer in overeenstemming met de

vrouwelijke natuur.

De meeste redacties, die mijn sollicitante

had bezocht, bleken er prijs

op te stellen één, maar ook niet

meer dan één verslaggeefster te

hebben, voornamelijk voor het verslaan

van modeshows, kookdemonstraties

en dergelijke.

Ongetwijfeld zijn er onder de vakgenoten

méér inzichten omtrent de

taak en de positie van de vrouw in

de journalistiek dan het bovenvermelde

viertal, en het zal ook voor

anderen dan mijn sollicitante van

belang zijn er kennis van te nemen.

Bij het beoordelen van deze kwestie

lijkt het me noodzakelijk twee dingen

uit elkaar te houden: (a) de invloed

van het vak op de vrouw; (b) de

invloed van de houding en gedragingen

der mannelijke collega's op de

(enige!) vrouw in hun midden. De

eerste invloed zullen we wel als een

gegeven grootheid moeten beschouwen;

de laatste is veranderlijk.

"Jle neemt het woord?

Y. F.

7


VAN ALLERLEI KANTEN EN KRANTEN

VOOR DE VROUW.

Sinds jaren zijn de vrouwenpagina's

uit de dagbladen en de damescoupé's

uit de treinen verdwenen;

het leven heeft nu eenmaal veel minder

egards tegenover de vrouw dan

vroeger. De oorlog tastte de burgerbevolking

hevig aan, vrouwen hebben

zich volledig in moeten zetten en

nog steeds moeten ze zich weerbaar

stellen tegenover een hardheid van

het leven als hiervoor nimmer gekend.

Die geestelijke weerbaarheid

veronderstelt belangstelling en de

belangstelling wordt, onder meer, gevoed

door het dagblad.

Het dagblad geeft het' nieuws dat

de mannen en de vrouwen der samenleving

aangaat. Waar echter de

interesse van de vrouw van nature

nu eenmaal uitgaat naar de kleine

en intieme dingen des levens, groeiden

er sinds het begin dezer eeuw

speciale rubrieken voor de vrouw.

Nu is het waar, dat de omvangrijke

Vrouwenhoeken in sommige van de

vroegere welgedane kranten dikwijls

ontaardden in vrij onnozele praatjes.

Het is dan ook geen algemeen cultureel

verlies, dat de vrouwenhoeken

er in veel bladen bij zijn ingeschoten.

Er is een categorie vrouwen, die

8

AÖ ABSURÖUm

In his easy, intimate maty, Howard

Vincent ("Pat") O'Brien

gave his public what he thought

they wanted—"pathos comes first,

humor second, with 'big thoughts'

(economics, politics, etc.) trailing

badly." His column in the Chicago

Daily News, called "All

. Things Considered," was just

that: pleasant musings about cats,

commuting, sunspots, watercotors,

dishwashing and his daughter's

debut.

One sentimental O'Brien column,

written the day his son

Donel went off to war—and

death—told a universal story. It

was reprinted in Reader's Digest,

read on the radio and at Rotary

Clubs.

This spring, Pat O'Brien began

to write about a new topic—his

illness. From a hospital, he kept

up his column _ with the aid of a

dictating machine, datelined it

"Cell 308." Some of his readers

thought he had eye trouble; his

sight had been failing for a long

time. Not till three months ago

did Pat tell his readers that he

had cancer. Even then he tried

to give the humor, albeit tightlipped.

He wrote: "[The cancer]

graag de uitgebreide vooroorlogse

vrouwenrubriek terug zou willen hebben,

het zijn over het algemeen de

Vrouwen wier leven meer gaat in de

richting van koken en breien dan

van vergaderen. De vrouwen, die

door aanleg en levensomstandigheden

meer in vooruitstrevende richting gestuwd

worden, wensen uitdrukkelijk

géén aparte kost voor de vrouw in

de krant, omdat zij willen dat de

lezeres haar belangstelling algemeen

richt. Zij zijn echter verre in de minderheid.

En waar voor beide standpunten

iets te zeggen is, is het veto

dat de huidige papierschaarste uitspreekt:

een gerantsoeneerde rubriek

voor de vrouw, nog niet zo'n onbevredigende

oplossing.

(Anne Biegel in de Tijd)

WIJ BEDELAARS.

Geestig als altijd schrijft collega

Tijdspiegelaar in zijn blad over hemzelf

en ons:

„Er zit 'n hoop in, mijnheer, in de

journalistiek," zei de barkeeper.

En dat zei hij tegen tijdspiegelaar,

die van mening is, dat er alles in de

journalistiek zit behalve hoop!

Hoop is gericht op het toekom- ,

stige, de journalistiek is gericht op

was near the base of the spine...

Getting it out involved considerable

damage to adjacent and innocent

property... It was as if a

crew of firemen were trying to

get a safe... out of the third

story of a burning building. The

stairs were on fire, so they had

to take it through a window... In

their haste they knocked down

gas pipes, tore holes in water

lines and upset the electric wiring.

They got the safe out, but left a

lot of repair work to be done..."

Only once did Pat O'Brien let

his real suffering slip past his

tips: "Science is wonderful... but

I sometimes envy my ancestors

who died too early to know how

painfully life can be prolonged."

Last week, at 59, Pat O'Brien's

pain ended.

Toward the end, O'Brien was

told that there was a chance he

might live. But he would probably

be blind Calmly he took

up the study of Braille. After he

knew he was dying, he made a

final "balancing of the books."

He counted up more credits than

debits, and told his readers: "I

[eel a darling of the gods."

(Time)

vandaag. Altijd weer op vandaag.

En zich blindstarend op de dag van

vandaag, ontdekt de journalist op 'n

gegeven dag ineens, dat hij oud is

geworden, wat men noemt: een ouwe

sok. Een geen ouwe sok, waar hij in

vergaard heeft, wat hij nodig heeft

om het feit, dat hij 'n ouwe sok geworden

is, op te vangen!

Wat is 'n ouwe sok, die geen ouwe

sok heeft, beschoren? Het lot eens

bedelaars.

Is hij daarom beklagenswaardig,

de journalist? Welnee. Het is tenslotte

enkel maar een vooroordeel,

dat 't erg is, je dagen als bedelaar

te eindigen. De bedelarij, je zou haar

kunnen noemen: de journalistiek van

de oude dag. Zij is: de oude dag, op

niets anders bedacht dan op wat hij

van de dag van vandaag in de wacht

kan slepen.

Er zijn ook jeugdige bedelaars?

Zij hebben geen recht van bestaan.

Zij kunnen in de journalistiek gaan.

Er zit 'n hoop in, in de journalistiek.

(De TitóJ

HEER EN VENT.

Een blad is een meneer. Geen willekeurige

echter. Veeleer een ideale:

knap van uiterlijk, man van de

wereld, welbespraakt, belezen en bereisd.

Een frisse, critische geest bovendien,

die uitgebreide kennis aan

een schrander oordeel paart. Helder

en boeiend moet zijn conversatie

zijn... ja, ja: de lezer is veeleisend.

En geef hem ongelijk, dat hij niet

de eerste de beste in huis haalt.

Wij geven de lezer gelijk. Alleen:

de ideale gast, die elke krant moet

proberen te zijn, heeft zelf ook rechten.

Het woord gastvrijheid zegt het

reeds: de gast heeft recht op vrijheid.

Op de vrijheid van de mens en

van de burger. Natuurlijk heeft u

gelijk als u vergt, dat hij zich aanpast

aan uw milieu. Maar u moogt

hem niet tot de slaaf ervan maken.

Hij mag, als gast, de kat niet in de

politieke gordijnen, noch in de zoveel

teerdere religieuse vitrages jagen.

Dat doet geen heer. Maar hij

moet wel zichzelf kunnen zijn en u

moogt hem het recht niet ontzeggen

zijn vrije mening te uiten. Dat

duldt geen vent. En de ideale „meneer",

die een krant poogt te zijn,

is een heer én een vent.

(J.M. - De Stem)

GEVRAAGD:

POSITIEVE JOURNALISTIEK

Iedere dag lezen, horen en zien

honderden millioenen mensen, „wat

er zo juist of gisteren in de wereld

is gebeurd". En wat is er dan gebeurd?

Er werd in Parijs een kind

ontvoerd en in Amsterdam een wisselloper

beroofd. Er vielen weer harde

woorden in Lake Success en er


JmmatiriUk ioumaal

% Van een redactie wordt met

recht verwacht, dat zij voorlichting

zal geven. Men zal ons echter ten

goede moeten houden, dat wij ons

met betrekking tot de Noordhollandse

krantenkwestie aan die plicht onttrekken.

A 1'impossible nul n'est

tenu: wij begrijpen het niet meer.

Wij erkennen dit schaamteloos, omdat

wij de indruk hebben dat de president

van de Alkmaarse rechtbank

er in het zoveelste korte geding

(zelfs de tel zijn we kwijt geraakt)

ook mee in de knoop kwam. Hij

poogde toen een uitweg te vinden

door te trachten partijen tot een

vergelijk te bewegen, maar faalde.

Partijen, dat zijn de N.V. Dagblad

voor Noord-Holland, uitgeefster van

de Verenigde Noordhollandse Dagbladen

(de „oude* pers) en de N.V.

Sprekend Papier, uitgeefster van de

Vrije Alkmaarder en de Nieuwe

Schager (de ex-illegale pers... maai

denk niet dat het zo eenvoudig is:

de mensen van „vroeger" tegenover

de „nieuwe krachten"; de tijd van

zulke simpele tegenstellingen zijn

we lang te boven). De eerste in rechten

bijgestaan door mr. Scholten, de

tweede door mr. Dijkstra. De (voorlopig,

zéér voorlopig) laatste faze in

deze strijd was «en kort geding van

de stichtingsbesturen der oud-illegale

bladen tegen de N.V. Sprekend Papier,

„waarin de stichtingsbesturen

eisten, dat de uitgave van de Vrije

Alkmaarder en Nieuwe Schager door

de N.V. Sprekend Papier zou worden

gestaakt, omdat deze kranten

in de fusie van de Noordhollandse

bladen zijn opgegaan. Mr. Krabbe

heeft de eis wel ontvankelijk verklaard

t.a.v. de Stichtingsbesturen

van de Vrije Alkmaarder en Kennemer

Koerier, doch hij ontzegde hem,

stierven honderden mensen aan de

cholera in Egypte. Maar dat er aan

Egypte krachtdadige hulp werd verleend,

vindt men slechts in tien regels

vermeld, evenals het feit, dat

opnieuw de Nobelprijs voor dé vrede

kon worden toegekend. Zo is het in

Frankrijk, zo is het in Engeland,

zo is het ook in Nederland. En waar

niet genoeg de nadruk op gelegd kan

worden, is, dat deze vorm van negatieve

journalistiek dagelijks opnieuw

voedsel vindt in de stroom van sensatie-

en gevaarlijker lectuur, welke

sinds de bevrijding West-Europa uit

Amerika is binnengevloeid.

Dat de wereld voos is en op haar

laatste benen heet te lopen, weten

wij allemaal, fciaar dat er medicijnen

zijn en kundige heelmeesters, wordt

maar al te vaak, en niet eens bewust

verzwegen. Dat de mens zwak is en

tot het kwade geneigd heeft men ons

veelal reeds in onze vroegste jeugd

bijgebracht, dat er honderdduizenden

naamloze helden onvermoeid ploeteren

aan de verbetering van zichzelf

omdat z.i. ingevolge zijn uitspraak

van 9 October j.1. aan de N.V. Dagblad

v. N. Holland was verboden de

oud-illegale bladen te drukken, zodat

er geen schade kon worden aange-*

bracht, aangezien aan niet-verschijnende

dagbladen geen schade kan

worden gedaan." Zo hebben wij gelezen

in, en geknipt uit, het Alkmaarse

Trouw, dat er blijkbaar iets

meer van begrijpt dan. wij, maar dan

ook dichter bij de bron zit.

$ Wij hebben genoeg aan onze

eigen zorgen. U moest eens weten

met hoeveel illusies wij de voorbereiding

van het vorige nummer van

dit blad ter hand hebbén genomen.

Nu zouden we dan toch eens op tijd

verschijnen! Nu was alles in orde:

kopij binnen, drukker paraat, papier

geleverd. Men zou zeggen: er kón

niets meer tussen komen. En toch

hebben wij tandenknarsend het ene

blaadje na het andere van de ka

lender getrokken zonder dat het

werk onzer handen van de pers

kwam. Vraag niet hoe het kwam.

Wij beschuldigen niemand, zelfs onszelf

niet. En wij blijven hopen.

© Maar help ons dan ook door kopij

te zenden. We krijgen soms de indruk

dat de collega's zich het bestaan

van dit hun vakblad alleen

herinneren als ze wat te mopperen

hebben. Mogen we hun verwijzen

naar het stukje over „positieve journalistiek"

in de rubriek Van Allerlei

Kanten en Kranten in dit nummer?

Wat daar staat geldt óók voor cut

blad.

Q Wanneer minister Gielen spreekt,

luisteren we altijd met aandacht.

Ministeriële speeches zijn niet altijd

even belangwekkend, maar bij hem

kun je vaak kleine verrassingen beleven

(daargelaten of het altijd aan-

en deze benarde wereld, wordt te

dikwijls een beschouwing niet waard

geacht.

(Het Vrije Woord: Woerden)

Wat geen licht mag zien

In het zwaar beschadigde, maar

desondanks door aanleg en constructie

nog steeds indrukwekkende Düsseldorf,

hoofdstad van het nieuwe

Land Noordrijn-Westfalen, wordt in

de maand November in de gedeeltelijk

gerestaureerde, aan de Rijn gelegen

gebouwen van het Ehrenhof

een grote perstentoonstelling gehouden,

die half November reeds

tienduizenden bezoekers heeft getrokken...

Uiterst interessant is de

anti-nazi-emigranten-pers en de in

het Derde Rijk zelf gepubliceerde illegale

pers. Betwijfeld kan worden,

of de Duitsers zelf deze stand bijzonder

waarderen. De verlichting van

deze afdelingen werd immers beschadigd,

vermoedelijk dnor sabotage.

(Maasbode)

gename zijn). Zo is het ons dezer

dagen niet ontgaan dat er volgens

Zijne Excellentie nog 287 aanvragers

op een toewijzing van papier voor

een week- of maandblad zitten te

wachten. Tweehonderdzevenentachtig!...

Dat wil zeggen 287 directeuren,

die hopen het er beter af te

brengen dan degenen, die op 't ogenblik

de strijd hebben opgegeven of

het eerlang zullen doen. Dat betekent

287 nieuwe hoofdredacteuren en

x X 287 redacteuren, die we krachtens

ons redacteurschap zullen moeten

kennen, erkennen en herkennen.

Dat betekent y X 287 bladzijden méér

doorworstelen in onverdroten plichtsbesef.

Laat ons er niet aan denken.

@ Indien buurvrouws leed zou

troosten, zouden wij bij dit alles één

troost hebben. Die 287 nieuwe bladen

zullen de dood zijn voor de juffrouw

van de kiosk. Zij stikt in

krantjes en verdwijnt. Onherroepelijk.

Tenzij minister Gielen haar genadig

is en hardvochtig blijft.

@ Twee uitspraken, die het overwegen

waard zijn. De eerste is afkomstig

van een lid van het Hilversumse

tribunaal en was gericht tot

de voormalige hoofdredacteur en dito

directeur van de Gooi- en Eemlander,

die wegens majesteitsschennis, in

1940 gepleegd, terecht stonden. Bedoeld

lid zei: „Vóór de oorlog beseften

leiders van een commercieel blad

als het uwe niet de verantwoordelijkheid,

die zij hadden ten aanzien

van de geestelijke gesteldheid van

ons volk. Zij bekommerden zich

slechts om het zaakje van de krant,

of de aandelen geld opbrachten, en

of de zaak liep, en deze zelfde gesteldheid

is oorzaak van de slappe

onverantwoordelijke houding tijdens

de bezettingsjaren."

• Maar mr. Kist zei bij de behandeling

van de zaak tegen L. A. Rodrigues

Lopes van De Nieuwe Post

voor de Amsterdamse arrondissementsrechtbank:

De pers belandde

op een heel ander niveau dan vóór de

bezetting. Onmiddellijk na de bevrijding

werden tal van misbruiken van

de persvrijheid gemaakt. Ik heb

klachten ontvangen tegen kranten

van alle richtingen, ook tegen bladen,

die er altijd prat op gingen, dat

zij fatsoenlijk waren." En hij vervolgde:

„Wij hebben gedacht: nu is

het beroerd met de pers, maar zij zal

Wel weer op haar oude niveau terugkomen."

Op het niveau van de commerciële

bladen van vóór de oorlog?

Er zit stof voor dagenlange

overpeinzing in deze twee uitspraken.

9 Het tweedaags congres van Katholieke

Nederlandse Publiciteit,

waarop begin November journalisten,

schrijvers, boekhandelaren en reclame-vakmensen

zich verenigden, was

zowel een wapenschouw als een tournöoiveld.

Oud-collega Hans Hermans,

weleer van de Maasbode, had het

zwaar te verantwoorden wegens zijn

aanval op zekere groot-bladige allures

van een deel der regionale pers.

Anton van Duinkerken hield een vurig

pleidooi voor betere erkenning

van de katholieke dichters en schrijvers

in hun eigen pers.

9


KLEINE NIEUWTJES

= In het vorige nummer zijn woorden

van waardering en hulde gewijd

aan collega dr. E. van Raalte. Maar

daarbij is geen melding gemaakt van

zijn benoeming tot officier in dé orde

van Oranje-Nassau. Dubbel en dwars

verdiend!

= W. Davidson heeft vijfentwintig

ja,ar gewerkt — en hoe! — voor de

Beverwijkse Courant Kennemerland

(sinds de fusie met de Kennemer

Koerier op 1 October j.1.: het Kennemer

Dagblad). Proficiat!

= Aldus ziet de raad van beroep

voor de perszuivering er uit: voorzitter

jhr. mr. G. W. van Vierssen

Trip,- oud-vice-pres. van de rechtbank

te Rotterdam; onder-voorzitters mr.

L. van Lookeren Campagne, raadsheer

in het gerechtshof te Amsterdam;

mr. A. W. J. van Vrijberghe

de Coningh, raadsheer in het gerechtshof

te 's-Gravenhage; leden:

prof. mr. J. M. van Bemmelen te

Leiden, mr. H. P. Berghuis, burgemeester

van Smilde, F. J. W. Drion,

oud-lid der Tweede-Kamer, mr. H.

Th. H. P. van der Loos, raadsheer

in het gerechtshof te 's Hertogenbosch,

S. W. Melchior, uitgever, mr.

dr. A. L. Scholtens, oud-secr.-gen.

van het dep. van sociale zaken, A.

Stapelkamp, lid der Tweede-Kamer.

Als secretaris zal optreden mr. J.

Kickert, als adj.-secretarissen mr. J.

Biemond en mr. J. Leistikow. Het

secretariaat zal worden gevestigd in

de Surinamestraat 3 te 's Gravenhage.

= Bij de installatie zei minister

Gielen, dat na,ar zijn mening wel

eens te veel uit het oog wordt verloren,

dat de zuivering niet mag

worden beschouwd als een verlengstuk

van het bijzondere strafrecht.

Haar eigenlijke betekenis is het elimineren

van elementen, die blijk

hebben gegeven van onvoldoende gevoel

van verantwoordelijkheid voor

de functie, welke zij bekleedden. Hoe

zeer in de practijk een uitsluiting als

straf wordt gevoeld, in beginsel worde

de bestraffing wegens collaboratie

overgelaten aan de organen, die

daarvoor in het leven zijn geroepen.

= De Waarheid juicht: de 64-zijdige

rotatiepers, die 144.000 kranten

per uur kan opspuiten, begint dezer

dagen zijn reis van Londen naar

Felix Meritis aan de Keizersgracht.

Daar moet extra geheid worden om

steun te geven aan de 30.000 kilo

beton, waarop het geval moet komen

te rusten.

= De N.D.P. en de N.O.T.U. hebben

gezorgd voor een indrukwekken-

10

JONG, ENERGIEK EN ER­

VAREN JOURNALIST, thans

zelfstandig redacteur bij regionaal

dagblad, zoekt verandering

van werkkring. Liefst bij

landelijk orgaan in het centrum

van het land. Brieven

nummer 27/47, De Journalist.

de inzending op de perstentoonstelling

te Düsseldorf: de eerste grote

tentoonstelling op cultureel gebied

in Duitsland na de oorlog. De Nederlandse

inzending overtreft — als

men van die van de Britse bezettingsautoriteiten

afziet — in omvang

en verzorging verre die van de gezamenlijke

overige buitenlandse inzendingen.

= De Britse ambassadeur, Sir Neville

Bland, heeft een bezoek gebracht

aan het A.N.P. en grote belangstelling

getoond voor de technische

installatie.

= Een kwart eeuw geleden kwam

collega M. J". J. Vissers, die in Helmond

en omgeving een benijdenswaardige

populariteit geniet, aan de

Helmondse Courant. Hij zit er nu

weer en is op 21 November in de

bloemetjes gezet. Ook onze gelukwensen!

= Georgi Afrin, tot voor kort correspondent

van Tass in Den Haag,

zit nu in dezelfde functie in Batavia.

= M. Michel Berveiller, „attaché

d'information" van de Franse ambassade

in Den Haag en vriend van

de Nederlandse pers, heeft in Utrecht

op een lezing over de Franse pers

als zijn mening te kennen gegeven

dat een regering gelegenheid moet

hebben om in elk orgaan, van welke

beginselen ook, haar stem te laten

horen.

= Op vragen van de heer Nederhorst

in de Tweede Kamer betreffende

het weekblad Op Wacht, dat in

Gouda huis aan huis was verspreid,

deelde minister Gielen mee dat het

blad in Februari een toewijzing kreeg

voor 8200 abonné's, maar dat dit

aantal nu nog maar 5500 bedraagt.

De papiertoewijzing zal dienovereenkomstig

worden verminderd.

= F. Baruch, die als plaatsvervangend

hoofdredacteur van De

Waarheid met Koejemans op één

stoel zat (maar zit Koejemans er

nog op?), is vervangen door Fred.

Schoonenberg. Henk Gortzak is tot

de redactie toegetreden.

3= Collega Leo Staal is, na zestien

jaar aan Het (Vrije) Volk in Haarlem

te hebben gewerkt, naar het

Hekelveld in Amsterdam overgestapt.

Welkom.

= Er is een prijsverlaging voor papier

aangekondigd — maar helaas

niet voor rotatiepapier.

Se SAjOJnmqA-Qjventte jmiAnajUbteti vjeJvycud&rven

Op Zaterdagmiddag 29 November

hield de voorzitter van de N.J.K.,

mr. M. Rooy, Voor de Gron. Drentse

Journalisten Vereniging in Huize

Maas te Groningen een causerie.

Deze bijeenkomst werd door verschillende

autoriteiten en verenigingsbestuurders

uit Groningen en

Drente bijgewoond, o.a. door de Commissaris

der Koningin in Groningen,

de heer E. H. Ebels en hun ter ere

onderwierp mr. Rooy de verhouding

overheid-pers aan een diepgaande

beschouwing. Ofschoon de spreker

opmerkte, dat hetgeen hij te berde

zou brengen voor het overgrote deel

voor de aanwezige collega's wel gesneden

koek zou zijn, hebben dezen

toch met grote belangstelling de

heldere en principiële uiteenzetting

gevolgd. De restaurateur van Huize

Maas merkte zeer ter snede op „ik

hoor zelden een spreker, die me langer

dan tien minuten kan boeien,

maar naar de heer Rooy heb ik wel

een half uur geluisterd."

Des avonds kwam de G.D.J.V. in

huishoudelijke vergadering bijeen. De

secretaris, die wegens droeve familieomstandigheden

van de voorzitter

beide bijeenkomsten leidde, herdacht

in zijn openingswoord het onlangs

overleden lid de heer H. G. Alma,

welke woorden staande door de leden

werden aangehoord. Het jaarverslag

van de secretaris werd evenals

het financieel verslag van de

penningmeester goedgekeurd. Uit

dit" laatste verslag zij de opmerking

aangehaald, dat de afdeling in dezelfde

toestand verkeert als sommige

gemeenten, die voor hun inkomsten

voor een zeer groot deel

op de centrale instantie zijn aangewezen.

De afdeling had een begroting

opgesteld van zo'n ƒ 1.100.— en

heeft volgens de mededeling van

het hoofdbestuur slechts recht op

ƒ 2.50 per lid per jaar, d.i. bij de 52

leden van het ogenblik ƒ130.—. Het

gevolg is, dat de vereniging maar

weinig activiteit kan ontplooien.

Voor de kosten van de causerie van

mr. Rooy werd met succes een beroep

gedaan op het hoofdbestuur.

Het bestuur overweegt thans een

extra heffing voor de onkosten van

de afdeling aan de leden vóór te

stellen.

De vergadering besloot het aantal

bestuursleden op zes te brengen. Het

stelde het reglementair rooster van

aftreden vast (1948 Bonder en Evenhuis,

1949 de Lange en Reinders) en

koos in de vacatures in het bestuur

de collega's J. Ubink en J. de Haan.

Tot lid van de Kringraad werd uit

het midden der vergadering gekozen

collega W. Vink, tot pl.v.v. lid collega

P. H. Barkema.

Hierna werden de dames toegelaten

tot de vergadering, die nu op

minder officiële wijze werd voortgezet.

Het begon met een geïmproviseerde

politierechterzitting, waarop

collega Vink terecht stond wegens

het aanknopen van een verhouding

met de dochter van Sinterklaas en

het eindigde met een verwarrende

afrekening met de ober, die alle verteringen

voor het gemak maar hoofdelijk

had omgeslagen. Hetgeen een

bev/ijs uit het ongerijmde van het

saamhorigheidsgevoel op dit gezellig

samenzijn kan worden genoemd.

E. E.


Hoe de Groningse Contactcommissie werkt

Dat er ook in Groningen vele persconferenties

worden bijeengeroepen,

dat de redacties der zes plaatselijke

bladen worden overstroomd met oproepen

voor collectes, acties, bazars,

liefdadige verenigingen en dat de adverteerders

gaarne de redactionele

kolommen infiltreren, zal niemand

verwonderen. De redactieleden van

die zes bladen ergerde het echter,

vooral in deze tijd van papierschaarste

en daarom staken zij met hun

directeuren de koppen bijeen. Het

gevolg van dit overleg was de instelling

van een „contactcommissie",

bestaande uit één directeur en twee

journalisten, van wie er één het

secretariaat, in de wandeling „contactpunt"

genaamd, op zich nam.

Deze „contactcommissie" begonmet

het opstellen van een aantal richtlijnen.

Bepaald werd o.m., dat in de

redactionele kolommen geen adressen

van secretariaten van verenigingen

of gironummers gepubliceerd zullen

worden. Een uitzondering werd gemaakt

voor organisaties, die nauwe

betrekkingen onderhouden met een

bepaald blad; katholiek nieuws kan

bijv. zonder meer ten voeten uit in

het katholieke blad „Ons Noorden"

worden opgenomen. Is een blad van

oordeel, dat het er goed aan doet in

een bepaald geval tóch buiten de

richtlijnen te gaan, dan geeft het

daarvan via een telefoontje aan het

„contactpunt" kennis aan de andere

bladen. De richtlijnen hebben geen

bindende kracht, maar. zonder voorafgaande

kennisgeving mag men er

niet van afwijken. In sommige gevallen

adviseert de „contactcommissie"

zelf een andere gedragslijn te volgen.

Dit zal bijv. het geval zijn, wanneer

er een plaatselijke actie wordt gevoerd,

waarbij niet gevraagd kan

worden, dat iedereen er belangeloos

aan mede zal werken, terwijl de

bladen zich er niet achter zouden

spannen. De glasactie voor Venlo is

daarvan een voorbeeld.

Alleen bij opening van nieuwe of

verbouwing van oude zaken kunnen

deze hun stukje in de redactiekolommen

krijgen; verdere reclame is uitgesloten

en ook naar advertenties

wordt niet langer verwezen. Vroeger

was het vaak zo, dat men naar blad

A ging en zei: blad B doet het óók

en dan naar blad B stapte met de

mededeling, dat blad A al had toegestemd.

Nu kan ieder blad zich op

de afspraak beroepen. Hetzelfde

geldt bijv. voor het legioen der Sinterklazen,

dat omstreeks deze tijd

zijn intocht in alle steden, advertenties

en liefst ook in de redactionele

kolommen doet. Brj de eerste

voortekenen gaf de commissie het

advies: geen reclame voor de Sinterklazen

in allerlei zaken, alleen voor

de echte, officiële, die door B. en W.

zal worden ontvangen. De adverteerders

leggen zich daar wel bij neer,

want tegen deze interredactionele

samenwerking valt natuurlijk weinig

in te brengen. Nu is het niet zo,

dat bijv. geen stimulans zou worden

gegeven aan schouwburg- en concertbezoek

of aan de ontwikkeling

van cursussen en verenigingen, maar

steeds wordt nu het advertentieelement

er zorgvuldig afgeroomd.

Aanvangsuren (behalve in de agenda),

toegangsprijzen, bombastische

aankondigingen worden onherroepelijk

geschrapt. Belangstellende collega's

zullen we graag een exemplaar

van de „richtlijnen" toezenden; de

practijk leerde overigens, dat de

richtlijnen niet zo ingenieus waren,

of er moeten bijna dagelijks na vlot

telefonisch overleg geformuleerde

nieuwe adviezen uit.

Het „contactpunt" fungeert verder

voor* verschillende autoriteiten en

verenigingsbestuurders als centraal

punt voor het doorgeven van communique's

en berichten. Dit brengt

natuurlijk het gevaar mee, dat er

een zekere uniformiteit in de berichtgeving

ontstaat, maar de practijk

van nu ongeveer anderhalf jaar

heeft wel geleerd, dat deze berichtgeving

zich vrijwel beperkt tot "die

gevallen, waarin de autoriteiten enz.

anders alle redacties zouden aflopen.

Het gevaar van het tot zich trekken

van goede relaties door de journalist,

die als secretaris optreedt, wordt

voorkomen tot de bepaling, dat elk

blad de berichten kan accepteren en

daarna de resterende vijf aan het

„contactpunt" kan doorgeven. Het is

logisch, dat het „contactpunt" tot

taak heeft voor de mogelijkheid van

gelijktijdige publicatie in de bladen

zorg te dragen en dat daarin een behoorlijk

stuk werk en een grote verantwoordelijkheid

schuilen.

Uitnodigingen voor persconferenties,

excursies en persvoorstellingen

worden door de „contactcommissie"

bekeken en zo nodig afgewezen. Dit

afwijzen is geen uitzondering. Ook in

andere gevallen adviseert de „contactcommissie"

tot een eensgezind

optreden, bijv, tegenover verenigingen,

die het nodig oordelen slechts

één toegangskaart te zenden voor

bepaalde voorstellingen waar het een

goed gebruik is aan de redacties

twee kaarten te zenden. Uitnodigingen

voor lunches, diners e.d., die

buiten de gewone gastvrijheid vallen,

worden op advies van de contactcommisie

afgewezen. Het is duidelijk,

dat een dergelijk eensgezind optreden

het aanzien van de pers ten

goede komt. Voor de eigen werkzaamheid

der bladen, voor de jacht

op primeurs, reportages, interviews,

blijft genoeg ruimte over, is zelfs

meer ruimte, zowel in tijd als in

plaats, nu het gewone routinewerk

tot een minimum is beperkt.

Hoe gaat het nu in de practijk?

Meestal liggen er 's-morgens om een

uur of negen al enkele afdrukjes en

adviezen op het contactpunt. De redactie-secretaresse

belt de bladen,

die een loopjongen sturen. Dit pro­

ces herhaalt zich een of tweemaal

per dag. Soms zijn er berichten of

uitnodigingen, die ook bestemd zijn

voor de dagbladen in de provincie

of voor de correspondenten der landelijke

bladen. Tussen de drie leden

der contactcommissie worden uiteraard

dagelijks verschillende telefoongesprekken

gevoerd en het „contactpunt"

is belast met enige correspondentie.

Maar de geest, waarin dit

werk kan worden verricht, dank zfj

de ook door dit dagelijks contact

verstevigde, goede collegialiteit tussen

de Groninger dagblad-redacties,

maakt dit werk tot een taak, die

voldoening geeft; afwijkingen van

het advies van de „contactcommissie"

zijn, dit ter staving, hoge uitzonderingen.

J. A. HAZEWINKEL,

lid-directeur.

J. U. REINDERS,

lid-journalist.

E. EVENHUIS,

lid-journalist,

secretaris.

Perslegitimatiekaarfen

*

Nederlandse Spoorwegen

De Nederlandse Spoorwegen hebben

besloten voor 1948 wederom

Perslegitimatiekaarten, rechtgevend

op reizen tegen gereduceerd tarief

beschikbaar te stellen.

Teneinde tot een billijke verdeling

van het beperkte aantal kaarten te

geraken, is op verzoek van de Nederlandse

Spoorwegen een missie ingesteld,

die terzake aan de Nederlandse

Spoorwegen advies uitbrengt.

In deze Adviescommissie hebben zitting

vertegenwoordigers van de

N.D.P. 1945, de N.O.T.U., de N.N.P.,

de N.O.P., de Vereniging Buitenlandse

Pers, de Vereniging van Fotojournalisten

en de Federatie.

Het secretariaat wordt waargenomen

door de secretaris der Federatie.

De Commissie heeft in een halt

November gehouden vergadering

richtlijnen vastgesteld voor de diverse

groepen belanghebbenden. De aanvragen

lopen via de betrokken organisaties.

Op verzoek van de N.D.P.

1945 heeft het Federatiebureau zich

wederom bereid verklaard rechtstreeks

de aanvragen der dagbladen

in behandeling te nemen. Omtrent

de terzake geldende regeling zij verwezen

naar circulaire no. 100 dd.

25 November 1947 van de N.D.P.

3945. Aanvragen, die aan de in deze

circulaire gestelde vereisten niet

voldoen, kunnen niet in behandeling

worden genomen.

11


DE VRIJHEID VAN DE PERS

Een artikel van J. Barents in

„Socialisme en Democratie"

T~fc e hoofdredacteur van de „New

*-* Statesman and Nation", Kingsley

Martin, heeft zijn inzichten over

de vrijheid van de pers neergelegd in

een boekje „The press the public

wants"i). Het boek komt juist op

tijd, omdat men kort geleden in Engeland

een staatscommissie heeft geinstalleerd,

die de taak zal hebben

om een onderzoek in te stellen naar

de wijze, waarop de vrijheid van de

pers in de toekomst kan worden

gewaarborgd, onder meer door het

tegengaan van commerciële monopolievorming

op het gebied van de

dagbladpers.

De hoofdlijn van het boekje van

Kingsley Martin is ongeveer als

volgt. Hij laat zien hoe het beginsel

van de vrijheid van de pers aanvankelijk

bestemd was om het aan

iedere staatsburger, dié dat wenste,

mogelijk te maken, een dagblad uit

te geven en daarin zijn vrije mening

te openbaren. De geweldige omvang

van de moderne dagbladpers heeft

er echter toe geleid, dat van deze

individuele vrijheid om een blad te

exploiteren practisch niets meer is

overgebleven. Het einde van de

negentiende eeuw heeft het lager

onderwijs en een zeker minimum aan

algemene ontwikkeling verbreid over

brede lagen van de bevolking der

beschaafde wereld. Daarmede is gepaard

gegaan het uitgeven van dagbladen,

die zo populair werden geschreven,

dat ze een millioenen-oplaag

konden bereiken. Door de concurrentie

en de zeer grote technische

apparatuur, die noodzakelijk is om

een modern dagblad uit te geven,

moet het als vrijwel uitgesloten worden

beschouwd, althans in Engeland,

om wanneer men niet over geweldige

kapitalen, bekwame medewerkers en

goed commercieel en technisch inzicht

beschikt, een concurrerend

dagblad op te zetten. De Engelse

arbeidersbeweging heeft daarmede

leergeld betaald, toen na de vorige

oorlog de „Daily Herald" gemaakt

werd tot het grote socialistische

blad, dat het op het ogenblik is.

Zelfs met de „goodwill" van de gehele

Engelse vakbeweging achter

zich heeft men millioenen en millioenen

in deze onderneming moeten

steken vóór de „Daily Herald" commercieel

op hetzelfde peil stond als

de grote Engelse massa-bladen. En

dan nog heeft men het blad s aanzienlijk

meer populair te brengen.

Trouwens, ook hier in Nederland

hebben wij enige ervaring opgedaan

met de moeilijkheid om een dagblad

te exploiteren anders dan op grootscheeps-commercië'le

wijze. Ik her-

*) The Hogarth Press, Londen, 1947,

12

en de toekomst van de Pers

inner mij een bijeenkomst, vlak vóór

de bevrijding van het Westen van

ons land, van de Haagse illegale

pers. Het bleek daarbij, dat er niet

minder dan 32 illegale nieuwsblaadjes

in Den Haag bestonden. 10 daarvan

hadden het voornemen om na de bevrijding

als legaal dagblad te verschijnen.

2 ervan hebben het inderdaad

daartoe gebracht... en beide

organen zijn inmiddels in een andere

courant opgenomen, waarbij van hun

idealistisch streven uit de bezettingstijd

niets is overgebleven. Een droevige

illustratie voorwaar van Kingsley

Martins stelling, dat het in de

moderne samenleving niet alleen voor

individuen, maar zelfs voor kleine

groepen nauwelijks meer mogelijk is

om tot een zelfstandige uitingsmogelijkheid

in de dagbladpers te

komen. Waar moeten wij dan de oplossing

zoeken? Kingsley Martin

pleit in de eerste plaats voor een

besef van verantwoordelijkheid bij de

hoofdredacteur. Deze moet zijn verantwoordelijkheid

tegenover de door

hem bestreken lezers zwaar gevoelen,

en Kingsley Martin vergelijkt

hem met de rechter in het Engelse

procesrecht, die tegenover het lezerspubliek

als de jury als het ware de

feiten en de premissen om tot een

oordeel te komen, uitstalt en het

uiteindelijke oordeel aan hen overlaat.

PERS EN VOLKSOPVOEDING.

1" n dat laatste zit, bij de uitgebreide

-•-maar dikwijls halve ontwikkeling

van de tegenwoordige samenleving,

uit de aard der zaak een grote moeilijkheid.

In dit verband pleit Kingsley

Martin voor een beter doorgewerkt

stelsel van volksopvoeding. Hij meent

en terecht, dat onze moderne democratie

de burgers te weinig tot actieve

zelfwerkzaamheid en meedenken

weet te prikkelen. Hij wil hen

in kleiner verband, bijvoorbeeld in

plaatselijke kringen, interesseren

voor de problemen van de democratische

gemeenschap en actief aan de

leiding daarvan laten deelnemen. En

inderdaad is voor ieder, die weet

hoezeer de Northcliffepers afhankelijk

is van de halve ontwikkeling

van de grote massa, wel duidelijk,

dat de democratie haar burgers in

kleine kring tot activiteit zal moeten

bewegen, indien zij niet aan het

euvel der collectivisering wil ondergaan.

In een tijd, waarin om commerciële

redenen slechts een beperkt aantal

dagbladen levensmogelijkheid heeft,

ligt het verder voor dé hand, het

uitgeven van dagbladen alleen toe te

staan aan belangrijke maatschappelijke

groepen, die elk geacht kunnen

worden een bepaalde grondovertuiging

te vertegenwoordigen. Kingsley

Martin herinnert daarbij aan het

nieuwe Tsjechoslowaakse persstatuut

waarop ik dë aandacht heb gevestigd

op 19 April 1947 in de vergadering

van journalisten-leden van

de Partij van de Arbeid, die aa.n het

Partijcongres voorafging. In Tsjechoslowakije

mag een individu niet eigenaar

zijn van een dagblad; dat recht

is voorbehouden aan maatschappelijke

groepen, zoals politieke partijen,

vakverenigingen, kerkgenootschappen

en dergelijke. Het ligt natuurlijk

voor de hand om hierbij aan

de mogelijkheid van ontduiking te

denken. Zou het echter onmogelijk

zijn om door een effectief overheidstoezicht

-het gebruik van stromannen

daarbij tegen te gaan ? Ik geloof van

niet. Het is in dit verband misschien

ook nuttig om een punt ter sprake

te brengen, dat ik ook op genoemde

vergadering naar voren heb gebracht.

Ik heb daar namelijk verdedigd,

dat in tijden van papierschaarste

de Overheid volgens een

billijk verdelingssysteem papier ter

beschikking moet stellen van alle

bladen, die een serieuze geestelijke

of maatschappelijke richting vertegenwoordigen,

maar dat zij aan een

zuiver sensatieblad als bijvoorbeeld

De Ochtendpost" in een dergelijke

situatie geen papier dient te verstrekken.

Tegen deze mening is nogal verzet

gekomen, wat op zichzelf een gezond

verschijnsel is, omdat het ervan blijk

geeft, dat de algemene eerbied voor

de persvrijheid in Nederland nog

groot is. Toch ben ik van mening,

dat die vrijheid niet meer verstaan

kan worden in die abstracte betekenis,

welke men er bijvoorbeeld anderhalve

eeuw geleden aan hechtte.

Kingsley Martin zegt het zeer plastisch,

als hij vraagt: U hebt er toch

ook geen bezwaar tegen, als er

maatregelen worden genomen tegen

laat ons zeggen de particuliere exploitant

van een waterleiding, die

het leidingwater zou vergiftigen?

VAN OPINIEBLAD TOT

NIEUWSBLAD.

T^ ó scherp staat de zaak met „De

•^ Ochtendpost" nog niet. Wanneer

er papier in overvloed ter beschikking

stond, zou er ook iets voor te

zeggen zijn om een blad, dat zich

toch blijkbaar een vrij grote categorie

van lezers weet te verzekeren,

zichzelf op gelijke voet van papier

te laten voorzien als elk ander blad.

Nu er echter nog steeds een groot

tekort aan krantenpapier bestaat

(waarvoor onze regering helaas op

ernstige wflze mede-verantwoordelgk

is), is het zaak, de ter beschikking

staande voorraden zo billijk mogelijk

te verdelen. Dan moet men, mijns

inziens, dezelfde overwegingen huldigen

als in Tsjechoslowakije is geschied

en alleen papier geven aan

groepen, die een serieuze geestelijke


of maatschappelijke overtuiging tot

uitdrukking brengen.

Een volgende methode om de vrijheid

zowel als de verantwoordelijkheid

van de pers te waarborgen kan

gelegen zijn in de aanwezigheid van

een college van vertrouwensmannen,

dat niet, zoals een raad van commissarissen,

zich in hoofdzaak met

de commerciële bedrijfsvoering bemoeit,

maar er in de eerste plaats

voor waakt, dat de hoofdredacteur

zijn taak van eerlijk en zo objectief

mogelijk waarnemen en uiteenzetten

naar behoren vervult. Een soortgelijk

stelsel bestaat reeds voor verscheidene

Engelse bladen en ook in Nederland

zijn enkele schuchtere pogingen

in die richting gedaan. De zaak ligt

hier te lande ongetwijfeld iets anders,

omdat wij hier eigenlijk geen

couranten hebben met de algemene

buiten en boven de partijen staande

positie (of schijnbare positie) van

bijvoorbeeld de „Times". Toch zou,

raar mijn gevoel, ook bij bladen, die

krachtens hun wezen min of meer

„partijdig'" zijn, een dergelijk college

van vertrouwensmannen op zijn

minst genomen kunnen verhoeden,

dat het redactionele beleid oneerlijk

of ongewenst eenzijdig wordt. Een

grote mate van vrijheid voor de

hoofdredacteur is, zoals iedere journalist

weet, eenvoudig een levensnoodzaak

voor het bestaan van een

goed geredigeerde courant, maar

juist nu de moderne maatschappelijke

ontwikkeling in de richting van een

betrekkelijk klein aantal dagbladen

gaat, zal die hoofdredacteur zijn taak

alleen met een gevoel van grote verantwoordelijkheid

kunnen uitoefenen.

De courant is in de loop der jaren

van een aanvankelijk geestelijke

functie met een kleine commerciële

nevenwerking uitgegroeid tot een in

de eerste plaats commerciële apparatuur,

waarin de geestelijke waarden

eenvoudig de over de toonbank

verkochte koopmansgoederen zijn. De

moderne bladen ontwikkelen zich

steeds meer van „journal d'opinion"

tot „journal de nouvelles". Verschillende

uit het verzet stammende

Nederlandse bladen hebben in de

twee jaar na de bevrijding ook vaak

tot hun schrik bemerkt, dat het publiek

in de eerste plaats informatie

wenste» en veel minder gesteld was

op commentaar dan de redacties van

die bladen aanvankelijk hadden gemeend.

„FEATURES", „SEX" en „CRIME".

e huidige commerciële exploitatie

Dvan de dagbladpers houdt echter

Verband met de ontwikkeling van de

moderne dagbladen naar de derde

phase. Een courant is niet alleen in

hoofdzaak niet meer „journal d'opinion",

maar ook met een „journal de

nouvelles" is de gemiddelde lezer niet

tevreden. Hij wil zijn courant ook

zien als wat ik een „journal d'amusement"

zou willen noemen. Kingsley

Martin citeert in zijn boek de formule

van een man, die gezegd heeft,

dat de „nieuwswaarde" van een bepaald

bericht niet alleen afhankelijk

is van de waarde van een bepaalde

gebeurtenis, van de actualiteit ervan

en van de autoriteit, die achter het

bericht staat, maar mede van de

„human interest"-factor.

Alle vrienden van Kingsley Martin

weten, dat hij geneigd is om de

dingen van de somberste kant te

zien. Hem is dan ook al verweten 2 ),

dat hij de slechte verschijnselen in

de Engelse pers te somber zou opvatten.

Het valt echter niet te ontkennen,

dat dergelijke verschijnselen

er zijn en niet alleen als de inblazingen

van bepaalde kwade geesten,

maar als verschijnselen, die inhaerent

zijn aan de commerciële ontwikkeling

van het moderne dagbladwezen.

Het was in dit verband ook zeer interessant

om te zien hoe de Engelse

bladen, toen zij een maand of wat

geleden meer papier kregen, van deze

mogelijkheid gebruik hebben gemaakt.

Van tevoren hadden zij bij de

regering voortdurend op meer papier

aangedrongen en daarbij als motief

aangevoerd, dat zij meer en betere

binnen- en buitenlandse berichtgeving

moesten brengen. Toen zij echter

meer papier kregen, bleek slechts

een gering deel daarvan voor deze

berichtgeving bestemd te zijn. Het

grootste deel van de meerdere ruimte

werd ofwel gebruikt om de oplaag

te vergroten (op zichzelf natuurlijk

volkomen gerechtvaardigd),

of om de vrouwenrubriek, de sportbeschouwingen

en de „features"

meer ruimte te geven; welk een rol

„sex and crime" bij deze laatste rubriek

spelen weet ieder, die de Engelse

populaire pers eens een tijdje

heeft bestudeerd.

Ik mag echter niet verzwijgen, dat

bij de toewijzing van meer papier,

waardoor de mogelijkheid van uitbreiding

van het aantal abonné's

werd gegeven, de beste Engelse bladen,

zoals de „Times" en de „Manchester

Guardian", procentueel aanzienlijk

meer abonné's hebben gewonnen

dan de millioenen-bladen.

Maar helaas, zij tellen hun abonné's

nog slechts bij honderdduizenden,

waar dè „Daily Express" en de „Daily

Mail" in millioenen rekenen.

EN IN NEDERLAND

TA e door Kingsley Martin gesigna-

•*-^ leerde verschijnselen treden in

meerdere of mindere mate ook in

Nederland op. Ook onze pers beweegt

zich in de richting van een steeds

verder gaande concentratie en het

ziet er haast naar uit, of bij een

uitbreiding van de omvang van de

dagbladen en een daarmede gepaard

gaande nog fellere concurrentiestrijd

alleen twee groepen zullen overblijven:

enkele grote nationale dagbladen,

die meestal aan een of andere

geestelijke of maatschappelijke groep

zijn gebonden, en een aantal commerciële

plaatselijke en provinciale

bladen, die eigenlijk geen bepaalde

2) Door Arthur Mann, de vroegere

hoofdredacteur van de conservatieve

„Yorkshire Post" in.„The Observer"

van 8 Juni 1947.

overtuiging huldigen, maar in de

eerste plaats nieuwsblad willen zijn.

Voor de kleinere principiële orgenen

schijnt weinig of geen ruimte over

te blijven.

Dat zou op zichzelf niet eens erg

zijn, wanneer de groep van de plaatselijke

en provinciale bladen zich

beter bewust was van de geestelijke

taak, welke zij in een democratische

samenleving hebben te vervullen.

Daarvan nu is nagenoeg geen sprake.

De oorlogstijd heeft wel geleerd hoe

vele leidende personen (en helaas

niet dezen alleen) een nieuwsblad

alleen hebben beschouwd als commerciële

koopwaar, die zij even gemakkelijk

een Duits als een Nederlands

tintje vermochten te geven.

Niet uit landverraderlijke neigingen,

maar eenvoudig door hun uitsluitend

commerciële instelling gedreven,

hebben velen hier op betreurenswaardig

uitgebreide schaal

collaboratie bedreven. Het is overigens

verheugend, dat men door de

in Juni getroffen persregeling deze

heren duidelijk heeft gemaakt, dat

het bezit van een dagblad ook geestelijke

verantwoordelijkheid meebrengt.

Men heeft daarbij, al is het

dan helaas twee jaar te laat, tevens

het inzicht bereikt, dat men een pers

niet kan zuiveren, wanneer men niet

tevens de economische basis daarvan

durft aan te tasten en de apparatuur

aan de eigenaars durft te ontnemen.

Er wordt, naar mijn gevoel, vaak

een te groot deel van de feilen van

de Nederlandse pers geschoven op

het beweerde gebrek aan ervaring

van de jongere journalisten, die inderdaad

in groten getale de redactiebureaux

bevolken. Velen van hen

hebben inderdaad nog heel wat te

leren. Maar laat men niet vergeten,

dat de toestand in de vooroorlogse

Nederlandse journalistiek heus niet

altijd zoveel beter was. Inderdaad,

vroeger waren de bladen dikker en

uitvoeriger, maar men moest dan ook

door plassen van onbenulligheid

heenwaden om tot de kern van de

belangrijke kwesties te komen, en

een groot deel van de oudere journalisten

was geestelijk volmaakt ingesteld

op het opblazen van op zichzelf

volstrekt onbelangrijke gebeurtenissen.

Dat betekent niet, dat ik geen

voorstander zou zijn van een goede

journalisten-opleiding. Ten dele zou

die in universitair verband kunnen

geschieden en verder kunnen scholingscursussen

van groot nut zijn. En

bij een veelzijdig vak als de journalistiek,

waar de vervlakking aan alle

zijden als een gevaar dreigt, kan een

behoorlijke achtergrond alleen maar

van het grootste nut zijn. Maar

daarmee zijn wij er nog niet. Laat

men twee factoren vooral niet vergeten.

In de eerste plaats is de journalistiek

voor een stukje een wetenschap,

maar voor een groot deel ook

een kunst. Bij mijn 'omgang met een

aantal jonge journalisten van omstreeks

20—25 jaar, die eerst na de

oorlog in de courantenwereld kwamen,

heb ik gelegenheid gehad om

13


WOLF VAN DER HOEDEN

Eerlijk gezegd: ik was hem vergeten.

Of nee, vergeten is het woord

niet. Ik dacht nooit meer aan hem,

ik had elk contact met hem verloren.

Maar het bericht van zijn dood

brengt me hem zo levend voor de

geest alsof ik gisteren afscheid van

hem had genomen.

Toch kan dat niet minder dan

vijfentwintig jaar geleden zijn. Hij

moet toen omstreeks vijfendertig zijn

geweest. Ik was nog op de H.B.S.,

of misschien net onderwijzer geworden;

Van der Hoeden werkte aan

Tubantia, als ik me niet vergis. Ik

had me journalisten heel anders

voorgesteld. Niet zo stil, niet zo bescheiden,

zo zachtmoedig - , zo argeloos-vriendelijk.

Als hij een vrouw

was geweest, zou je gezegd hebben:

lief. Maar een man van grote werkkracht,

altijd actief, altijd bereid om

te helpen, om nog meer te doen.

Hij was de eerste journalist, die'

ik leerde kennen. Ongetwijfeld heeft

zijn stille voorbeeld invloed op me

gehad.

Ik heb hem uit het oog verloren

en zijn naam nooit meer gezien. Tot

nu: het bericht in de krant:

„Zondagnacht overleed tengevolge

van een hartziekte de heer Wolf

van der Hoeden, correspondentredacteur

bij de Provinciale en Zwolse

Courant. Met hem- is een stille,

toegewijde werker heengegaan, wier.

het in de zestig levensjaren niet aan

het wel en wee heeft ontbroken. Het

eerste bracht hem een verdienstelijke

carrière als journalist, welke functie

hij bekleedde bij diverse Twentse bladen,

de Kamper Courant, Het Parool

en de Zwolse Courant.

De oorlog stortte ook hem en zijn

gezin in ellende. Als drager van de

Davidsster moest hij zijn werkzaamheden

neerleggen en vechten voor

zijn leven. Van der Hoedens ge­

Vervolg van pagina 13.

op te merken, dat omstreeks de helft

van hen met een beetje opleiding,

training en ervaring minstens even

goede journalisten zal worden als de

vooroorlogse generatie van courantenschrijyers,

eenvoudig omdat zij er

de aanleg voor hebben. Maar van de

andere helft moet men helaas zeggen,

dat zij, met alle goede wil, ijver

14

JOURNALIST,

vertrouwd met stad, binnen- en

buitenland, grote en kleine reportage

en opmaak, 34 jaar

oud, gewend en in staat leiding

te ontvangen en te geven, zoekt

een hem passende journalistieke

functie bij neutraal of

progressief dagblad. Brieven

letter 28/47 van dit blad.

^

IN MEMORIAM

zondheid had een knak gekregen, die

niet meer zou herstellen."

Ik had nooit geweten of vermoed,

dat Van der Hoeden een jood was.

Wie vroeg daarnaar, toen? En eensklaps

besef ik weer in alle hevigheid

wat ze ons hebben aangedaan: hem,

door al het leed dat zè hem hebben

berokkend; ons, door ons tot machteloze

getuigen daarvan te maken.

Maar in een heel andere zin dan

waarin zij dat zongen, trekt Wolf

van der Hoedens' geest met ons op

naar een lichtere verte, ook nu hij

gestorven is. Hij was een van diegenen,

wier voorbeeld nawerkt in

allen, die hem hebben gekend, zelfs

na vele jaren. y. F.

C. K. ELOUT

Op 77-jarige leeftijd is te Wassenaar

overleden de heer C. K. Elout, oudredacteur

van het „Algemeen Handelsblad".

Collega Elout, die ongeveer een

halve eeuw de Nederlandse journalistiek

gediend heeft en zich als de hoefijzercorrespondent

van het Alg. Handelsblad een

geheel eigen plaats heeft verworven,

heeft ook in de arbeid van de Ned.

Journalisten Kring zijn aandeel gehad.

Niet alleen als een irouw meelevend,

belangstellend lid, doch ook in en door

zijn activiteit ten aanzien van die arbeid,

o.a. ook als redacteur van ,,De Journalist".

Dat de N.J.K. hem tot erelid benoemde,

getuigde van de hoogachting en

waardering, die zijn collega's hem toedroegen.

Er zal nader gelegenheid zijn

om in ons orgaan de betekenis van

Elout's leven en werken te gedenken.

Doch alhoewel wij het overlijdensbericht

ontvingen, toen de copie voor dit nummer

reeds was afgesloten, wilden wij

deze „Journalist" niet doen verschijnen

zonder enkele, zij het dan weinige regelen

gewijd aan hem, die ongetwijfeld

een der groten onder ons is geweest.

(Red.)

en zelfs studiezin, het nooit zullen

brengen tot de positie van wat men

wel „een geboren journalist" noemt.

Een tweede factor is, dat een goed

journalist, die zich van zijn verantwoordelijkheid

bewust is, niet alleen

over een zekere verstandelijke kennis

moet beschikken. Het is opmerkelijk,

dat zelfs een rationalist als Kingsley

Martin in zijn aangehaalde boek

zegt, dat een journalist ook „wisdom

of the heart" nodig heeft. Zo is het.

Die vorm van wijsheid is moeilijk te

omschrijven, maar omvat kennelijk

eigenschappen van zedelijke overtuiging,

van karakter en van besef van

politieke verantwoordelijkheid. De

journalistiek is een moeilijk vak, dat

vaak dreigt te vervlakken en te vergroven.

Er zal een combinatie van

maatregelen nodig zijn om ook de

Nederlandse journalistiek voor dit

gevaar te behoeden. Zonnig is het

perspectief nog niet.

J. W. REUGEBRINK

Na een korte ongesteldheid is

Woensdag 19 Nov. j.1. op 24-jarige

leeftijd te Goes overleden de heer

J. W. Reugebrink, sinds 1 Mei 1947

als buitenland-redacteur verbonden

aan het „Zeeuwsch Dagblad" te

Goes. Reeds voor de oorlog was hij

in de journalistiek werkzaam, welke

werkzaamheden hij tijdens de bezetting

onderbrak om een zeer actief

aandeel in de ondergrondse strijd

tegen de bezetter te nemen. Vele

moeilijkheden bleven hem hierbij niet

bespaard.

Na de bevrijding was hij als regionaal

redacteur bij het dagblad

„Trouw", met standplaats Zwolle.

Met jeugdig enthousiasme gaf hij

zich aan zijn arbeid voor de Christelijke

pers, die hem lief was en streefde

hij naar de vervulling van zijn

idealen op dit gebied.

Een hevige ziekte maakte aan zijn

jonge veelbelovende leven echter een

einde. j£

H. G. ALMA

Zondag 19 October is te Groningen

op vijf en veertigjarige

leeftijd plotseling overleden

collega H. G. Alma.

Vooral de ouderen in het Groningse

krantenwereldje hebben

Alma leren kennen als een

voortreffelijk vakgenoot wiens

zorgvuldig werk vele jongere

collega's tot voorbeeld kon

strekken. Zij hebben hem ook

leren kennen "als een vriendelijk,

hulpvaardig kameraad, d'e

steeds bereid was de nieuwelingen

in het moeilijke vak met

raad en daad terzijde te staan.

Alma begon zijn journalistieke

loopbaan bij het vroegere

Haagsch Correspondentie Bureau.

Later was hij werkzaam

voor het Groninger Dagblad en

na de bevrijding voor de Ommelander

Courant te Uithuizen,

terwijl hij tevens het Groninger

correspondentschap van

het Alg. Handelsblad verzorgde.

Vele jaren behartigde hij als

penningmeester de belangen

van de toenmalige Groningsche

Journalisten-Vereeniging.

Hoewel hij reeds enige tijd

wegens een ernstige ziekte zijn

werkzaamheden niet kon verrichten,

is het einde toch nog

onverwacht gekomen.

Terug uit het ziekenhuis overviel

de Dood hem, terwijl hij

aan zijn radiotoestel zat, luisterend

naar de nieuwsberichten.

Bij zijn begrafenis was de

Kring vertegenwoordigd door

de bestuursleden van de Gron.

Drentse Journ. Ver. E. Evenhuis

en J. U. Reinders.

De laatste sprak een kort afscheidswoord,

waarin hij de

ontslapen collega dank bracht

voor wat hij voor de Kring

heeft gedaan. R.


Een Noors journalist, medewerker

van „Dagbladet", is tot in de hoogste

instantie, n.1. door de Noorse

Hoge Raad, veroordeeld de bron te

noemen van een artikel dat hij had

geschreven over een „verkeerde"

Noor. Onze collega heeft geweigerd

en is blijven weigeren zijn bron te

noemen, zodat het er uitziet dat hij

drie maanden gevangenisstraf zal

moeten ondergaan wegens zijn weigering

om ontrouw te worden aan de

ongeschreven wet van alle persmensen,

dat de bron moet worden beschermd,

zoals het Deense blad „Politiken"

het uitdrukt, waaraan wij

deze bijzonderheden ontlenen.

Het Scandinavische Journalistenverbond,

een organisatie van de vakverenigingen

der journalisten in alle

Scandinavische landen, heeft zich tot

de ministeries van Justitie dezer landen

gewend met het dringende verzoek,

dat er duidelijke wetsregelen

zullen worden in het leven geroepen,

die aan persmensen het recht geven

hun bronnen geheim te houden.

„Politiken" brengt in herinnering,

dat er zich enige jaren geleden in

Denemarken een soortgelijk geval

heeft voorgedaan. Alleen door het ingrijpen

van de toenmalige minister

van Justitie Steincke werd voorkomen,

dat de betrokken journalist een

zelfde straf kreeg als welke thans zijn

Noorse collega wacht.

Artikel 170 van het Deense strafwetboek

bepaalt dat getuigenis alleen

mag worden geweigerd, wanneer

het afleggen van een getuigeverklaring

„verlies van burgerlijke

achting en welvaart" zou meebrengen.

Als er iets is wat zeker is (aldus

„Politiken") dan is het dat een

Deens journalist, die zich laat dwingen

zijn bron te verraden, in elk geval

de achting van zijn collega's zou

verliezen en ook zijn aardse welvaart.

Zijn bronnen zouden worden

verstopt, hij zou hoogstwaarschijnlijk

uit zijn vakorganisatie gezet worden,

hetgeen weer zou meebrengen, dat

hij in de practijk niet meer in staat

zou zijn zijn werkzaamheid in de

Deense pers voort te, zetten. Op zichzelf

zou art. 170 dus voldoende zijn

om te verhinderen, dat Deense persmensen

in hetzelfde geval zouden

komen te verkeren als hun Noorse

collega.

Het zou intussen het beste zijn, zo

besluit het Deense blad zijn beschouwing

over deze zaak, indien volkomen

duidelijk werd uitgemaakt, dat

er wel zeer bijzondere omstandigheden

aanwezig moeten zijn alvorens

van een journalist kan worden geeist,

dat hij zijn bron noemt. Men

zou het heel spoedig aan de bladen

kunnen zien als het zo werd dat niemand

aan de pers inlichtingen durfde

te geven uit vrees dat de anonymiteit

van de bron niet werd geëerbiedigd.

Daarom is de zaak tegen de

Noorse journalist niet alleen s een

journalistieke vak-aangelegenheid

Noorse collega veroordeeld

maar een openbare, die in hoge

mate het gehele kranten-lezende publiek

aangaat. C. J. S.

HET PROCES LUNSHOF

In het vonnis, waarbij coll. H. A.

Lunshof, oud-hoofdredacteur van

„Elseviers Weekblad" door de Arrondissements

Rechtbank te Amsterdam

is veroordeeld tot een boete

van ƒ 10.—, subs. 10 dagen hechtenis,

in verband met de publicatie der

z.g. „geheime notulen van "Lingadjatti",

komen o.m. de volgende overwegingen

voor:

„Overwegende, dat verdachte bfl

monde van zijn raadsman heeft betoogd,

dat voor hem geen wettige

verplichting bestond om als getuige

de Rechter-Commissaris mededeling

te doen van de relatie van wie hij

een exemplaar van de zogenaamde

geheime notulen van Lingadjatti ontvangen

had, immers hem als journalist

in zover krachtens art. 218 Strafvordering

verschoningsrecht toekomt

van het geven van getuigenis.

Overwegende, hieromtrent dat dè~'

verplichting tot geheimhouding, welke

evengemeld art. 218 op het oog

heeft, kan geboden zijn door de Wet

of door de stand, het beroep of het

ambt zelf; dat de wetgever die verplichting,

voorzover zij geboden is

door de stand, het beroep of het

ambt zelf, slechts erkent voor zoveel

naar het oordeel des Rechters met

het geheim blijven van het iemand im

gemelden hoofde als zodanig toevertrouwde

een belang gemoeid is, dat

praevaleert boven het algemeen belang,

dat de Rechter om zich ee»

oordeel te kunnen vormen en te beslissen

volledig naar waarheid wordt

ingelicht; dat nu naar het oordeel

van de Rechtbank met betrekking

tot het geheim blijven van de nieuwsbronnen

van de journalist, hoezeer

in het algemeen een ongestoord functioneren

der pers, v/at overigens iets

anders en minder is dan de bij de

grondwet gewaarborgde vrijheid der

pers, voor de samenleving gewenst

kan worden geacht, een zodanig publiek

belang niet aanwezig is.

Overwegende, dat het bewezene

volgens de Wet strafbaar is, omdat

het oplevert na te melden misdrijf.

Overwegende, dat verdachte deswege

strafbaar is, omdat te zijnen

aanzien geen strafuitsluitingsgronden

zijn gebleken;

Overwegende, dat verdachte'*

raadsman te dezen aanzien heeft gesteld,

dat hier sprake is van overmacht,

aangezien verdachte, zou hij

zijn geheim aan de Rechter prijsgeven,

in de ogen zijner beroepsgenoten

onmogelijk en door hen moreel

gewraakt zou worden;

Overwegende, dat evenwel naar

het oordeel der Rechtbank voorschriften

van moraal, welke in een

bepaald beroep voor beroepsgenoten

bij de uitoefening van het beroep

mogen gelden, een beroep op overmacht

niet kunnen rechtvaardigen."

joimnalisten van öeze tijö

De vraag is al dikwijls in 't oog

gevat: Hoe kunnen we toch voorkomen

dat de krant, helaas zo beperkt

van formaat, door zijn grote

beknoptheid verdorren gaat, dat de

pit en de sjeu er uit verdwijnt en

mitsdien de aandacht der lezers

kwijnt? Hoe kun je de journalistiek

opfleuren, is 't probleem waarop redac-

en directeuren hebben gepeinsd,

geprobeerd en gevost, zonder dat ze

't ooit hebben opgelost, totdat in een

flits van genialiteit, die iedere collega

hun benijdt, de mannen van De

Tijd het grote geheim ontdekten: ze

zetten de krant op rijm!

Op de avond van vijf December zag

De Tijd het licht gelijk elke dag.

Op het eerste gezicht was er niets te

merken van de ganselijk nieuwe manier

van werken, die dag gevolgd op

Aemstels Kasteel. De krant leek volkomen

conventioneel, met elke rubriek

op zijn eigen plek. Alleen één

ding leek een beetje gek: op pagina

één een klein relaas — Wij Tiebben

ter ere van Sinterklaas onze lezers

een kleine verrassing bereid. Hoogachtend,

Redactie van De Tijd.

De lezer die, zonder iets te vermoeden,

en bijgevolg nog niet op zijn

hoede, zijn blikken over de bladzij liet

gaan, zag dan ineens een opschrift.

staan waarin door een toeval of een

gril, vermoedelijk buiten des schrijvers

wil, twee woorden rijmden, en

dat was dan al, dat beduidde natuurlijk

niemendal — misschien had de

zetter daarmee gespeeld. En dan

wierp hij zich op Het Wereldbeeld.

Maar na twee alinea's zei hij: Verroest,

dat klinkt warempel net of

het zo moest. Mijn denken deint vrolijk

mee in de maat van wat er in 't

buitenlands overzicht staat. Ik geloof...

even kijken... ja waarlijk, het

rijmt! Hoe heeft ie het zo aan elkaar

gelijmd! En dan onderzocht de

lezer zijn krant, het hoofdartikel en

binnenland, het stadsnieuws en het

beursoverzicht, en zie, zelfs dat was

een fraai gedicht.

De wolken des journalistieken

zwerks zijn lichter sedert collega

Derks en allen, die hem hebben bij-

• gestaan, ons zo voortreflijk zijn voorgegaan;

Alles wat grondig gelezen

moet worden, dat schikken wij voortaan

in maat en orde: het laatste

nieuws en de puzzlehoek (Hei, jonge!

waar is mijn rijmwoordenboek?), het

weeklijks journaal en de boekkritiek

en de Ind(ones)ische politiek, het

stuk van de De Linie in de Groene,

de nieuwste vermindering van de

rantsoenen, de kunst, de cultuur, de

techniek en de sport en hoe er in

China gevochten wordt...

— En de krant maakt zijn lezers

het leven lichter, want iedere journalist

wordt dichter. Y. F.

15


peRsvRijheiö in ameRikA

In het groot-auditorium van de

Leidse Universiteit heeft prof. dr.

W. E. Hocking, gast-hoogleraar van

de Harvard-University, een inaugurale

oratie gehouden over het onderwerp

„Preedom of press in

America".

Prof. Hocking vergeleek in de aanvang

van zijn voordracht de Nederlandse

en de Amerikaanse conceptie

van persvrijheid in de loop der tijden,

waarbij hij aan de Nederlandse

vormgeving in de wet voorkeur gaf

op grond van de beperkende bepalingen

van strafbaarheid bij overtreding

van algemeen geldende morele

principes, terwijl Amerika iedere beperking

bij de wet verbood. Spr. ging

na, hoe de Amerikaanse visie gedurende

verschillende perioden in de

practijk heeft voldaan, om daarbij

tevens te wijzen op de snelle veranderingen

in de positie van de pers

gedurende de laatste 100 jaar, tenge­

16

-Nederlandsche Persil Maatschappij NV. Amsterdam".

fabfie^eri te'JutphaaS bij Utrecht

Inaugurale rede van prof. Hocking

volge van de enorme technische

vlucht van het dagbladbedrijf.

Een van de meest invloedrijke veranderingen

was het ontstaan van de

plicht voor de burger, zich een mening

te vormen over het wereldgebeuren

en de problemen van de eigen

staat. Slechts op die basis is een geordende

samenleving mogelijk, doch

daarmede werd tevens de pers de

plicht opgelegd, dé daarvoor nodige

voorlichting naar beste vermogen te

verstrekken. Uiteraard kan dit

slechts, wanneer zij vrij is, om haar

taak naar eigen inzicht te volbrengen.

Nu het recht op persvrijheid derhalve

is gegrond op een plicht, nu

verliest dit recht zijn kracht, wanneer

de plicht niet wordt nageleefd,

in casu, wanneer de waarheid niet in

vrijwilligheid door de pers wordt gediend.

Het recht op persvrijheid

wordt daarmede een voorwaardelijk

recht, zoals in wezen alle rechten

aan voorwaarden verbonden zijn.

Thans staat de overheid voor de

taak, een uitweg te vinden uit dit

dilemma tussen het eerbiedigen van

de persvrijheid en de zorg, dat de

voorwaarde voor die vrijheid wordt

nageleefd.

Prof. Hocking ging niet dieper in

op de mogelijkheden, die daarbij voor

de overheid open staan, doch wees

op de neventaak van de overheid,

om de gevaren, van persvrijheid in de

uitingen naar* buiten te voorkomen,

door een eigen voorlichting naar het

buitenland te verzorgen, terwijl voor

de overheid tevens een belangrijke

opvoedende taak jegens de pers is

weggelegd.

In sterker mate kan echter het

lezend publiek een invloed ten goede

aanwenden, door bij uitstek steun te

verlenen aan die organen, die zich

hun plichten bewust tonen.

Ook de universitaire gemeenschap

kan een opvoedende taak vervullen,

door alom het besef weer levendig

te doen worden, dat er een objectieve

waarheid in het leven bestaat, die

het waard is, gediend te worden.

Slechts op basis van die levensovertuiging

is op de duur het bereiken

van eenheid van de mensheid mogelijk.

I-V.-

More magazines by this user
Similar magazines