MAANDBLAD

webstore.iisg.nl

MAANDBLAD

NS 246 5 Juni 1918

MAANDBLAD

van den

Nederlandschen Journalisten-Kring

Redacteur: D. HANS 's? 's? 's? Dit blji


112

van minstens 3 weken wenschelijk schijnt, en tegelijkertijd

de aandacht te vestigen op de goede gewoonte van de

directies van een aantal bladen om tijdens de vacanties dubbel

salaris uit te betalen.

Werkprogram. — Aan het slot der vergadering wordt nog

even gesproken over het in de jongste algemeene vergadering

aanbevolen werkprogram. Opgemerkt wordt dat onjuist is de

voorstelling, alsof het Bestuur voorstellen voor een zoodanig

werkprogram zou hebben ter zijde gelegd, of zou hebben laten

rusten terwijl verscheidene wenschen, die men op zulk een

program zou willen formuleeren, in den loop der jaren behandeld

zijn. Gewezen wordt op de enquête betreffende de levenspositie

der journalisten; den duurtetoeslag; thans de vacantieregeling,

benevens andere acute wenschen als die inzake de

plaatsen' der gemobiliseerde vakgenooten e. d.

Door een der leden wordt gewezen op de wenschehjkheid

van het instellen van een journalistiek diploma vanwege den

Kring en in verband daarmede op de vakopleiding.

Daar er niets meer te behandelen is, wordt de vergadering

° ' De Secretaris,

G. G. VAN AS.

Vaeantie en Mobilisatie.

Het Kringbestuur heeft onderstaand schrijven verzonden

aan de directies der bladen, terwijl het zich daaromtrent

mede in verbinding heeft gesteld met het Bestuur van „De

Nederlandsche Dagbladpers":

'S-GRAVENHAGE, Juni 1918.

Mijne Heeren,

Het Bestuur van den Nederlandschen Journalistenkring

veroorlooft zich eenige zijner wenschen langs dezen weg

onder uwe aandacht te brengen, waarvoor het op eene welwillende

overweging meent te mogen rekenen. ^

I Bij de onlangs door ons ingestelde enquête naar de

arbeidsvoorwaarden van den journalist, trok het onze aandacht,

dat de vacanties der journalisten aan sommige bladen nog

zeer onvoldoende geregeld zijn.

De noodzakelijkheid nu van een voldoende vaeantie voor

een journalist behoeft door ons niet te worden aangetoond.

Zijn inspannend werk eischt den geheelen mensen, en maakt

een goeden rusttijd in alle opzichten noodig. De reeds genoemde

enquête deed ons zien, dat in verscheidene gevallen

de noodzakelijkheid daarvan niet of onvoldoende werd mgezien

waarom wij ons veroorloven deze zaak onder uw aandacht

te brengen. Een vaeantie van drie weken als minimum

acht ons Bestuur voor iederen journalist een redelijke eisen;

ons Bestuur erkent met waardeering dat verscheidene directeuren

zelfs vier weken vaeantie toestaan. Het veroorlooft

zich daarbij tevens uw aandacht te vestigen op de goede

gewoonte van enkele directeuren, om aan de journalisten

tijdens hun vaeantie extra-salaris te geven. Het is ons bekend,

dat er directeuren zijn, die gedurende de vaeantie het salaris

van hun redactie-personeel verdubbelen.

Het goede onthaal, dat ten vorigen jare ons verzoek om

duurtetoeslag of salarisverhooging bij de meesten uwer mocht

vinden doet ons verwachten, dat gij ook deze aangelegenheid

in welwillende overdenking zult willen nemen, nu de

tijd der vacanties wederom nadert.

II In de tweede plaats is onze aandacht gevestigd op bet

feit ' dat in sommige gevallen een journalist die, na gemobiliseerd

te zijn geweest, met klein verlof naar huis terugkeerde,

zijn plaats aan de redactie door een ander ingenomen vond.

Dit geeft ons aanleiding ons tot u te wenden met het zeer

dringende verzoek een zoodanige regeling te treffen, dat m

voorkomende gevallen de journalist na zijn mobilisatie m zijn

oude functie zal kunnen terugkeeren. Het is bitter en hard,

als iemand, tengevolge van diensten aan het vaderland bewezen,

zijn betrekking verliest.

Dankbaar erkent ons Bestuur dat vele directeuren met

alleen de plaatsen van hun gemobiliseerd personeel openhouden,

maar ook tijdens den militairen diensttijd het volle

salaris blijven uitbetalen. Op dit laatste heeft, meenen wij,

de journalist recht.

Wanneer wij thans de vrijheid nemen ons ook te dezer

zake tot u te wenden, geschiedt dat niet, wijl dfe gemobiliseerde

journalisten over 't algemeen door hun directies zouden

. worden tekort gedaan, maar omdat wij het onzen plicht achten

uw volle aandacht voor deze zaak te vragen, zoowel voor

M A A N D B L A D

het openhouden van de plaats der betrokkenen als voor de

uitbetaling van hun salaris gedurende den militairen dienst.

Wij vertrouwen dat u bovenstaande denkbeelden in ernstige

overweging zult nemen, en het zal ons hoogst aangenaam

zijn te vernemen dat zij door u in toepassing zijn gebracht.

Met de meeste hoogachting,

Namens het Kringbestuur,

D. HANS, wn. Voorzitter.

G. G. VAN AS, Secretaris.

Het Kringbestuur noodigt iederen journalist, die door het

• verrichten van militairen dienst op eenigerlei wijze m zijn

positie is of wordt benadeeld, uit, zich tot den secretaris te

tvenden. Het Bestuur zal dan in ieder speciaal geval zien,

wat het voor den betrokken collega kan doen.

Van den Penningmeester.

t

Het Bestuur van den Nederlandschen Journalistenkring

heeft ondergeteekende de eer aangedaan, hem in zijn voorlaatste

vergadering met algemeene stemmen het beheer over

's Krings financiën toe te vertrouwen.

Ik heb mitsdien van mijn voorganger de kas en verschillende

bescheiden overgenomen en sindsdien getracht mij met

de administratie vertrouwd te maken.

Bij de aanvaarde erfenis behoorde een groot, lijvig pak,

hetwelk bij onderzoek onbetaalde kwitanties bleek te

bevatten. . ,, ,,

Om den collega's-leden daarvan eemg denkbeeld te geven,

wil ik even vermelden, dat alleen voor het contnbutiejaar

1018 dus het loopende jaar, 68 diploma's onbetaald bij onze

kassiers zijn teruggekomen. Daarnaast vond ik nog onbetaald

gebleven kwitanties van 1917, zelfs van 1916, terwijl de

leden, die aldus de plichten tegenover hun „vakvereemgmg

opvatten, nog steeds de lijst „sieren".

Reken ik de buitenlandsche en Indische leden met mee —

uiteraard is het geldverkeer met den vreemde zeer moeilijk

geworden — dan houd ik voor de in Nederland vertoevende

leden 51 onbetaald gebleven kwitantiën over . . . alleen voor

1018' Naar f 5 per lid, is dit dus een bedrag van f 255,

dat de Kringkas, die toch al niet ruim is voorzien, zou

moeten derven indien niet behoorlijk aan de verplichtingen

zou worden voldaan. _

Een zich uitbreidende ledenlijst met met naar verhouding

stijgende inkomsten lijkt mij ongegrond, een nagenoeg 20 •>/„

nonvaleurs onduldbaar. . .

Als de betrokken wanbetalers deze cijfers voor zich zien,

dan hoop ik dat zij zich dusdanig zullen schamen, dat hun

eerste daad zal zijn een postwissel aan den nieuwen penningmeeSter

- A. VOOGD,

Kortenaerstraat 13, Rotterdam.

Duurtetoeslag Indische bladen.

Het Kringbestuur heeft besloten tot de directies der Indische

bladen een schrijven te richten met dringend verzoek, aan

het redactie-personeel, speciaal ook aan de Hollandsche correspondenten

en briefschrijvers, verhooging van honorarium

of duurtetoeslag toe te kennen. Teneinde volledig te kunnen

beoordeden, aan welke bladen een dergelijk schrijven gericht

moet worden, verzoekt het Kringbestuur allen collega s, die

in Holland voor Indische bladen werkzaam zijn, zich aan

den secretaris op te geven.

Ledenlijst.

Nieuwe gewone leden: »,.,,„ . t A

F. W. VAN ERK, N.Rott. Crt., Eerste Middellandstr. 33 £,

Rotterdam. ,

A. RICARDO, N. Rott. Crt., Kortenaerstraat 6 b, Rotterdam.

Nieuwe buitengewone leden: _

C. CHRISTIANSE, Het Vaderland, Mariastraat 38, s-Ura-

^J. ^ODEFROA, De Kinematograaf, Villa „Mon Plaisir",

Muiderberg.


Adresverandering:

H. BAX, van Prinsengracht 303 naar Leidschekade 102,

Amsterdam.

W. RINGLEVER, van Koningsplein 36 naar Van Blankenburgstraat

9, den Haag.

J. F. VAN HEES, van Terpelkwijkpark 16a naar Veerallee 25,

Zwolle.

Tj. N. ADEMA, van Goes naar Heiloo.

G. J. VAN DALEN, van Schermlaan 7 naar Middellandplein

6, Rotterdam.

M. J. M. VAN POLL, van Brederodestraat 74, Zandvoort,

naar Kruisstraat 20, Heerlen.

MeMeeliip uit ie Plaatselijke Tereeüippü.

Haagsche Journalisten-Vereeniging.

Op Maandagavond 6 Mei hield de Haagsche Journalistenvereniging

in Hotel d'Angleterre een ledenvergadering, waar,

met den voorzitter, mr. VAN BOLHUIS, tegenwoordig waren

de heeren VOUTE, L. BELINFANTE, mej. E. J. BELINFANTE,

mej. JET VAN STRIEN, E. VAN RAALTE, BRUYSTEN, JOH. J.

BELINFANTE, G. POLAK DANIELS, LUIKINGA. C. VAN DE POL,

VAN DER HOUT, NEDERBRAGT, THÖENES, LIJSEN, VAN DER

WIELEN, M. MORESCO, VAN BERESTEYN, BON, VAN HOVEN,

RITMAN, S. M. VAS DIAS, M. VAN RAALTE, DE RIDDER,

HOOGEWERFF, PANNEKOEK, BRUNA, VAN BERKUM en VAN

MEURS, later nog de heer LEVY.

De Voorzitter laat de aanneming van nieuwe leden

voorafgaan. Als zoodanig worden dan aangenomen de heeren

A. A. HUMME, Het Vaderland, mr. A. J. F. J. JUNG, Dagblad

van Zuid-Holland, en H. LEVY, De Telegraaf.

Ingekomen is een schrijven van het bestuur der vereeniging

„De Amsterdamsche Pers", in antwoord op een schrijven

van het bestuur der H. J. V., betreffende een voorbespreking

over de herziening der Kringstatuten te houden door bestuursleden

van plaatselijke vereenigingen.

Het bestuur der A. P. verklaarde met belangstelling daarvan

te hebben kennis genomen: „Het ziet daarin toch het

inslaan van een nieuwen weg, die slechts aan den N. J. K.

kan ten goede komen". In het onderhavige geval meende het

A. P.-bestuur evenwel te mogen betwijfelen of het gedachteoverleg

eenig vruchtbaar resultaat zou kunnen hebben, waar

toch het bestuur der A. P. verdeeld is ten aanzien van de

zaak, waarover overleg zou worden gepleegd.

In verband met het voorstel-Voute tot royeering van het

lid den-heer M. MORESCO, naar aanleidingvan diens verslag

over de vorige H. J. V.-vergadering dd. 4 April en van diens

hoofdartikelen over „lintjes", allen in het Dagblad van Zuid-

Holland en 's-Gravenhage verschenen, en met het hierover

door het bestuur uitgebrachte praeadvies is ingekomen een

motie-M. van Raalte om de zaak aan te houden, totdat door

Statutenwijziging het royement van leden geregeld zal zijn;

en een motie-Luikinga ernstige afkeuring uitsprekend over

de wijze waarop het lid MORESCO zich in het Dagblad van

Z.-H. uitliet.

De Voorzitter deelt nog mede dat het bestuurs-advies

eenigszins gewijzigd is, en dat het bestuur te dezen aanzien

thans eenstemmig is.

Het praeadvies luidt nu aldus:

Het bestuur besloot op grond van de volgende overwegingen:

Ie. dat in bedoelde artikelen het bestuur in het algemeen en de

secretaris in het bijzonder, zonder eenigen redelijken grond worden

beschuldigd en beleedigd;

2e. dat als regel een dergelijke houding van een lid diens

royement gewenscht zou doen zijn;

3. dat echter de jaren lang door het lid M. Moresco, zoowel

in als buiten het verband der organisatie, tegen besturen en bestuursleden

van de H. J. V. en van den Kring, alsmede tegen de

organisaties zelve gerichte beleedigingen en beschuldigingen van

een zoodanigen geestestoestand getuigen dat aan deze even hardnekkige

als redelooze campagne elke beteekenis moet worden

ontzegd;

den leden te adviseeren:

I. als hun oordeel uit te spreken:

a. dat het bestuur deze beschuldigingen en beleedigingen stilzwijgend

mag voorbij gaan;

b. dat nochtans bij herhaling van de gesignaleerde praktijken

royement van het lid M. Moresco gewenscht zou kunnen blijken,

in het belang van een behoorlijke functionneering en gezonde

ontwikkeling van het vereenigingsleven en ter voorkoming van

benadeeling van de ongerepte reputatie der journalistiek;

M A A N D B L A D

113

II. te besluiten:

een uitspraak in dien zin, met de overwegingen als motie te

publiceeren.

Hierna kwam de leiding der vergadering in handen van

mr. Belinfante, overeenkomstig verlangen van den voorzitter

en in overleg met de andere bestuursleden.

Bij den aanvang der besprekingen over deze zaak, die het

hoofdpunt der agenda vormde, vroeg en verkreeg de heer

M. Moresco het woord; deze betoogde de noodzakelijkheid

van de instelling van een eereraad, een onpartijdige commissie

of scheidsrechter ten onderzoek van de beschuldigingen tegen

hem ingebracht, aangezien hij zich als partij beschouwde.

Zou men weigeren, dan zou spr. onmiddellijk zijn ontslag

nemen.

In zijn toelichting merkte spr. op, dat 't nu ging tegen

't bestuur en dus ook gericht was tegen de organisatie zelf.

Er was daarom geen twijfel meer of de vereeniging uitspraak

doende zou rechter zijn in eigen zaak.

Na eenig debat waarbij de heer Moresco zijn vraag eerst

in een eisch, daarna in een voorstel omzette, werd gestemd

over de vraag of eerst het voorstel-VOUTE dan wel het

voorstel-MoRESCO zou behandeld worden. Te voren had de

Voorzitter er nog op gewezen, dat er geen bezwaar tegen

was beide voorstellen gelijktijdig aan de orde te stellen.

Met 17 tegen 9 en 1 stem in blanco werd besloten het

voorstel-MoRESCO niet afzonderlijk vooraf te behandelen.

De heer Moresco verklaarde daarop zijn ontslag te nemen

als lid der vereeniging en verliet de vergadering.

Er volgde nu een verdere gedachtenwisseling, waarbij de

heer Van Bollhuis vooropstelde dat de zaak met het ontslag

niet van de baan was, de voornaamste aanleiding voor den

heer VOUTE tot indiening van zijn royementsvoorstel was toch

het zeer prijzenswaardig verlangen de reputatie van het bestuur

tegenover ongemotiveerde aanslagen te beschermen.

De heer Voute achtte het gewenscht een uitspraak in dien

zin uit te lokken en meende dat in' den zin van de motie-

LUIKINGA aldus een beslissing genomen zou kunnen worden.

Een dergelijke uitspraak zou dan gepubliceerd moeten worden.

De heer Luikinga was 't hiermede eens. De redactie zou

dan echter eenigszins gewijzigd moeten worden. Spr. wees er

voorts op dat het bestuur z. i. geen rehabilitatie behoefde.

De heer Van de Pol merkte op, dat het bij niemand

opgekomen is het bestuur ook maar van eenige onregelmatigheid

te verdenken.

De heer Belinfante betoogde dat publiciteit gewenscht is,

omdat het publiek MORESCO niet kennend, uit het Dagblad

den indruk moest krijgen, alsof de secretaris zich minstens

aan verduistering van gelden of valschheid in geschrifte heeft

schuldig gemaakt.

Na nog eenige gedachtenwisseling werd de vergadering voor

een tiental minuten geschorst, teneinde de leden gelegenheid

te geven tot formuleering van een nieuwe motie.

Bij de heropening diende de heer Luikinga een gewijzigde

motie in, welke bij de verdere besprekingen nog eenige

redactie-veranderingen onderging en tenslotte aldus luidde:

„De Haagsche Journalisten-Vereeniging enz., gezien het verslag

der vergadering van de Haagsche Journalisten-Vereeniging,

gehouden op 4 April 1918, voorkomende in het Avondblad

van 5 April van het onder de verantwoordelijke leiding van

den heer M. Moresco staande Dagblad van Zuid-Holland en

's-Gravenhage, benevens de hoofdartikelen in de avondbladen

van 8 en 9 April van genoemd blad;

constateerende, dat daarin de goede trouw en de onkreukbaarheid

van het bestuur in het algemeen en van den secretaris

in het bijzonder in verdenking worden gebracht;

overtuigd, dat dit is geschied zonder eenigen redelijken grond;

betreurt, dat de heer Moresco door ontijdige ontslagneming

als lid der Vereeniging zich heeft onttrokken aan een beslissing

over het door het lid, den heer Voute ingediende royementsvoorstel;

spreekt haar ernstige afkeuring uit over de wijze waarop

de heer M. Moresco heeft gemeend zich in genoemd verslag

en in genoemde hoofdartikelen te moeten uitlaten;

besluit deze motie te publiceeren,

en gaat over tot de orde van den dag."

De heer Thöenes verklaarde tegen de motie te moeten

stemmen wegens de passage betreffende het ontijdig heengaan

van den heer MORESCO. Had de vergadering niet gestemd

tegen diens verlangen, dan zou de heer MORESCO niet zijn

vertrokken.

De motie werd met 26 stemmen vóór en 1 stem tegen

aangenomen.

Hierna werd, overeenkomstig een voorstel van den heer

S. M. VAS DIAS, zonder hoofdelijke stemming besloten de

motie ter kennis te brengen van den Ned. Journalistenkring.


114

Onder applaus der vergadering zegde mr. Van Bolhuis,

het presidium hernemend, den heer BELINFANTE dank voor

diens voortreffelijke leiding. _ .

Over de herziening der Kringstatuten werd geen bespreking

verlangd.

De Voorzitter meende te kunnen verklaren dat het geheele

bestuur staat aan de zijde van het voorstel van het Kringbestuur,

zoo mogelijk met eenige toespitsing in de richting

van de vakvereeniging.

Vervolgens werden van bestuurszijde nog eenige mededeelingen

gedaan over de plannen tot viering van het 25-jarig

bestaan der vereeniging.

De Voorzitter sloot daarna de vergadering met een woord

van erkentelijkheid aan de leden, namens het bestuur voor

de houding dezen avond aangenomen. Het bestuur had geen

rehabilitatie noodig; zeer zeker niet den ijverigen secretaris

(applaus); toch is het bestuur erkentelijk voor de wijze waarop

men voor het bestuur is opgekomen.

VAN MEURS.

* *

*

Het 25-jarig bestaan.

De opening der Perstentoonstelling in „Pulchri Studio"

blijft bepaald op Zaterdag 8 Juni 's middags om 2 ] /3 uur.

Van den burgemeester van 's-Gravenhage werd toezegging

ontvangen, dat hij, behoudens onvoorziene verhindering,

gevolg zou geven aan de uitnoodiging om tegenwoordig te zijn.

's Middags om 3 ] /2 uur zal collega P. A. HAAXMAN Jr.

een causerie houden over „Haagsche journalistiek voorheen

en thans".

Alle Kringleden hebben Zaterdag en Zondag met hun dames

toegang tot de tentoonstelling.

De datum voor den Gezelligheidsavond in „De Kroon",

Spui 10, is nader vastgesteld op Woensdag 12 Juni. Dien

avond zal het Journalistencabaret zijn eerste opvoering geven,

en tevens gaat de première van „Intra Muros . . ." spel van

de krant, door den Waren Jacob Jr.

Binnenland.

Vacantie.

Wij hebben indertijd, als rapporteur van de commissie voor

de enquête naar de arbeidsvoorwaarden, een algemeen overzicht

gegeven van de ingekomen antwoorden l ), verdeeld

naar verschillende onderdeden: salaris, pensioen, contract,

vacantie, enz.

In de gegeven omstandigheden is het zeer moeilijk een

actie tot generale herziening van de economische positie der

journalisten te beginnen. Maar partieel kan er goed werk

worden gedaan. Verleden jaar heeft het Kringbestuur niet

zonder succes gewerkt voor salaris-verhooging of duurte-toeslag.

Thans heeft het een ander punt ter hand genomen.

De vacanties.

In het overzicht, dat wij indertijd van de resultaten der

enquête hebben gegeven, komt inzake de vacanties het volgend

staatje voor:

1 week: 13

1 a 2 weken: 1

10 dagen: 2

2 weken: 34

2 a 2 1 jz week : 1

2 a 3 weken: 2

3 weken: 40

3 a 4 weken: 4

4 weken: 28

4 a 6 weken: 1

Dit lijstje, dat nog maar alleen betreft hen die op de vragen

geantwoord hebben, toont aan dat er bij velen aan de vacantie

nog wel iets ontbreekt. Het Kringbestuur heeft de zaak

behandeld en daarbij als zijn meening uitgesproken, dat een

vacantie van drie weken voor iederen journalist als het

minimum moet gelden. Het Bestuur heeft dit in een schrijven

aan de directeuren te kennen gegeven en hun gevraagd de

vacantie-regeling voor hun redactie-personeel zoo noodig in

dier voege te herzien. Maar het heeft tevens de aandacht

gevestigd op nog een ander punt. Aan sommige bladen

ontvangen de journalisten bij het ingaan van hun vacantie

een gratificatie. Dubbel salaris. Zij zijn daardoor in staat

') Maandblad nr. 215, 20 Febr. 1917.

M A A N D B L A D

tijdens hun rusttijd ook iets te genieten. Wat komt er, in

dezen tijd, van sparen voor de vacantie? Bitter-weinig. Zulk

een vacantie-salaris is een middel om het er op bescheiden

voet ook eens van te nemen.

De vacantie-tijd nadert en het Kringbestuur heeft gemeend

deze zaak bij de directies aan de orde te moeten stellen.

Onze collega's kunnen nu overwegen, of zij ook niet hunnerzijds

bij hun directeur een stap moeten doen, in aansluiting

aan het schrijven van het Kringbestuur.

Nu de vacantie-vraag op het tapijt is, mag zij er niet af

voor zij voor allen voldoende is geregeld.

Ook al zouden wij niet aanstonds succes hebben: wij

zullen moeten doorgaan tot het doel is bereikt.

De aanhouder wint.

Ons legitimatie-bewijs.

Het feit, dat een collega te Amsterdam een tik met een

sabel kreeg, hoewel hij duidelijk zichtbaar zijn persbouton

aan den zenuwachtigen brigadier toonde, die bij het escorte

behoorde, dat werkwillige munitie-arbeiders van de Hembrug

in de Haarlemmerstraat begeleidde, vestigt weer eens de aandacht

op ons legitimatie-bewijs (in Amsterdam en den Haag

hetzelfde).

Naar aanleiding van dit „incidentje", dat gelukkig in het

geheel geen ernstige gevolgen heeft gehad, schreef het

Handelsblad: „Een collega'ondervond het risico van den arbeid,

doordat hij van een brigadier een slag met het plat van den

sabel tegen de beenen kreeg. De brigadier verklaarde niet

gezien te hebben, dat de journalist zijn perspenning vertoonde."

De Telegraaf-versl&ggever, die evenals andere collega's,

getuige was van het geval, schreef: „Een journalist,

die op het schoongeveegde trottoir liep, en bij nadering van

een brigadier zijn persbouton toonde, kreeg niettegenstaande

hij zijn bewijs duidelijk zichtbaar liet zien, klappen. Een

aantal getuigen kunnen bevestigen, dat met de sabel is geslagen

nadat onze collega zijn penning had getoond." Het 'Nieuws

van den Dag gaf de volgende lezing:

„Toen bij een der zijstraten toeloopend publiek op een

afstand zou worden gehouden, hebben daarbij een hoofdbesteller

der posterijen en een journalist klappen met een

sabel opgeloopen, terwijl de laatste zich tegenover den blijkbaar

zenuwachtigen politieman naar behooren legitimeerde

en beiden op een geheel vrij trottoir tegenover elkaar stonden.

De betrokken collega had de groep werkwilligen, met vele

anderen, op het vrij gehouden gedeelte gevolgd. Hier ontving

hij den slag, zoodat van een toevallig hem treffenden slag,

die in een charge te midden van een volksmenigte werd uitgedeeld,

geen sprake was."

De betrokken journalist heeft den waarnemenden hoofdcommissaris

van het feit in kennis gesteld, en zich ook tot

het bestuur van de Amsterdamsche Pers gewend, niet zoozeer

voor zich zelf, maar in het algemeen belang der journalisten,

die helaas wegens hun beroep temidden van relletjes of

ongeregelheden moeten zijn.

De waarnemende hoofdcommissaris heeft nu het bestuur

toegezegd, nog eens de aandacht van het geheele politie-personeel

te zullen vestigen op de faciliteiten aan de pers verleend.

Hij wees er op, dat het noodzakelijk is, ter vermijding van

incidenten, het persbewijs voortdurend zichtbaar te dragen,

b.v. het te bevestigen aan het knoopsgat of met een koord

of band om den hals. Het dragen van het persbewijs in de

hand was naar de meening van den hoofdcommissaris niet

voldoende.

Misschien kunnen collega's deze wenk ter harte nemen,

als zij „rumoerige tooneelen" moeten „verslaan" met, als eenig

ligitimatie-bewijs, de rijksdaaldergroote penning. Misschien ook

zijn er betere persbewijzen uit te vinden, al zijn al te zichtbare

in vele opzichten ook weer verkeerd.

W. J. DE V.

Een referendum.

In No. VI van „Onze nieuwe Grondwet" zegt de redacteur

dat het cijfer van de opkomst op de jongste Kringvergadering

het beste argument is tegen invoering van het referendum.

„Er is vaak gezegd", zoo schrijft hij, „dat vele leden bezwaarlijk

de vergaderingen kunnen bijwonen èn door de

kosten èn door hun werk. Ziehier nu een belangrijke veigadering

waarvoor genoemde bezwaren niet golden en de

groote meerderheid der leden blijft toch weg."


Eerlijk gezegd.- ik begrijp deze redeneering niet.

De kosten worden, zoo men dat wenscht, gedeeltelijk vergoed.

Alleen de reiskosten. Maar de verblijfkosten?

In de tweede plaats: hoe heeft vergoeding van reiskosten

de werk-bezwaren weggenomen? De nacht-redacteuren konden

bezwaarlijk komen; de sport-redacteuren ook niet. Zij, die

vèr af wonen en Woensdag- of Donderdagavond werk hadden

te verrichten, wellicht ook niet.

In het No. van 5 Sept. 1917 heb ik op al deze punten

gewezen. M. i. mag deze conclusie alleen getrokken worden

uit het cijfer van de opkomst: vergoeding van reiskosten

neemt slechts bij weinigen het bezwaar weg dat ze hebben.

Met de vergoeding is nu de proef genomen. Laat men het

ook eens nemen met het referendum.

Wil de redacteur zoo goed zijn, zijn conclusie eens nader

toe te lichten? En mag ik hem dan uitnoodigen om mijn

beschouwing van 5 September 1917 daarbij nog eens over te

lezen ?

M A A N D B L A D 115

v. D. H.

* *

*

Inderdaad, de verblijfkosten zijn niet vergoed. Maar die

kunnen niet overwegend zijn geweest, en: men moet iets

voor z'n organisatie over nebben! En de werk-bezwaren?

Zeker, die waren er óok, maar slechts voor zeer enkelen.

Het feit ligt er toe — en het is trouwens van alle kanten

erkend — dat Hemelvaartsdag de meest gunstige dag was

om te vergaderen. Breng dit nu in verband met de reisvergoeding,

die het financieele motief grootendeels deed vervallen,

zie dan dat 3 /4 van de leden wegbleef, en men moet

al zeer spitsvondig zijn om dan nog te redeneeren dat er

allerlei andere bezwaren bestonden. Natuurlijk, er waren

geldige bij. Maar evengoed zullen die bestaan bij het referendum

en de deelneming daaraan verhinderen. Wij blijven er

bij: het referendum is in dit geval een premie op de organisatorische

onverschilligheid. Dan kan iedereen thuis blijven.

Een proef met het referendum nemen is natuurlijk een

onuitvoerbaar denkbeeld. Men voert het in of men voert het

niet in. Trouwens: wij hebben het al zoo vaak betoogd, het

referendum hoort en past niet in de tegenwoordige constitutie

van onzen Kring. Daarvoor zou hij radicaal ge-reorganiseerd

moeten worden volgens het afdeelings-systeem en hiervoor

zijn wij als vereeniging te zwak. — Redactie.

* *

*

In het artikel „Onze Nieuwe Grondwet-De beslissing",

stond een zinsnede, die me alleszins zonderling heeft aangedaan.

Het feit besprekend, dat er op de beslissende vergadering

te Amsterdam slechts 78 leden, d.w.z. % van het aandeel,

aanwezig waren ondanks de verstrekte reisvergoeding,

wordt opgemerkt: „Er is vaak gezegd: we moeten het referendum

hebben, omdat vele leden bezwaarlijk de vergadering

kunnen bijwonen èn door de kosten èn door hun werk.

Ziehier nu een zeer belangrijke vergadering, waarvoor genoemde

bezwaren niet golden, en de groote meerderheid der leden

blijft toch weg. Het beste bewijs, dat het referendum zou zijn

een premie op de organisatorische lakschheid."

Dit bewijs nu acht ik in geenen deele geleverd. De reisvergoeding

werd verstrekt en één der beide „genoemde bezwaren"

voor het bijwonen der Kringvergadering was daarmee

uit den weg geruimd, doch het tweede — het werk — was

dat niet blijven bestaan? En toont daarom een ieder, die zijn

reis. vergoed kan krijgen en tóch niet ter vergadering verschijnt,

daar zijn arbeid hem verhindert een halven dag vrij te maken,

organisatorische lakschheid?

Van vier collega's uit mijn onmiddellijke omgeving is het

mij bekend, dat zij hun uiterste best hebben gedaan om naar

Amsterdam te komen, doch niet konden.... om hun werk.

Zij behoorden of tot de nachtredacties of zij moesten naar

wedstrijden en sportfeesten. Ik zelf behoor tot een nachtredactie.

Van iemand, die in Den Haag om 5 uur 's morgens

ten vroegste op zijn bed gekomen is, kan men moeilijk verwachten,

dat hij 's middags te Amsterdam een vergadering

bijwoont. Dit is geen organisatorische lakschheid.

Daarbij komt, dat vele journalisten hun vrijen dag moeten

besteden voor bijwerk. Er is in het Maandblad nog al heel

wat geschreven en aangehaald over den journalist, die steeds

werkt, amper den tijd voor zich zelf heeft. Er zijn er helaas

velen zoo. Ook zij, die hun vrijen dag moeten ploeteren voor

een bijverdienste, daar ze er met hun karige journalistensoldij

niet komen, — ook zij geven geen blijk van organisatorische

lakschheid.

Ik voor mij zou gaarne mijn stem hebben uitgebracht

voor een der 3 voorstellen, waarover te Amsterdam beslist

werd. Na de artikelen in het Maandblad waren ze voldoende

bekend en er zijn vermoedelijk weinigen, die te Amsterdam

ter vergadering tengevolge van hetgeen in de debatten te

berde werd gebracht, hun voordeel en hun stem wijzigden.

De meesten zullen wel vooruit gezegd hebben: ik stem voor

dit of dat voorstel, en zullen bij dat voornemen gebleven zijn.

Welnu, had men aan de leden een kaart gezonden, waarop

ze konden aangeven voor welk voorstel ze wilden stemmen,

dan had toch allicht niet J^ doch % van den Kring zijn

oordeel kunnen vellen. Of dit al dan niet hetzelfde zou zijn

geweest als het te Amsterdam gevallene, laat ik in het midden.

Het feit blijft, dat }{ van den Kring een belangrijke beslissing

heeft genomen en dat van de afwezige 'i£ stellig het meerendeel

ook gaarne in de beslissing gekend zou zijn. Indien zij

de gelegenheid er toe hadden gekregen. Hun afwezigheid aan

organisatorische lakschheid te wijten gaat niet aan, „omdat vele

leden bezwaarlijk (lees: onmogelijk) de vergadering kunnen

bijwonen (èn door de kosten èn) door hun werk." En daarom

ware m.i. het referendum beter geweest, daar men van de

beide bestaande bezwaren er toch slechts één kan opheffen.

HANS MARTIN.

* *

*

Onze geachte collega MARTIN doet ons toch werkelijk onrecht

aan. Hij zou met zijn protest gelijk hebben, wanneer

wij geschreven hadden, dat allen, die afwezig waren, blijk

hebben gegeven van organisatorische lakschheid. Maar dat

hebben wij geschreven noch bedoeld. Wij weten heel goed

dat er collega's zijn geweest die om een geldige reden niet

ter vergadering kwamen. Maar wij houden vol, dat de meerderheid

wel degelijk had kunnen komen, en ten opzichte van

die meerderheid gewaagden wij van organisatorische lakschheid.

Niet echter met betrekking tot hen, die wilden, maar

niet konden. —• Redactie.

Het jubileum der H. J. V.

De Viering van het jubileum der Haagsche Journalisten-Vereeniging

is geopend met een feestmaaltijd op Zaterdag 1 Juni in

Central. De regeling daarvan was meer in het bijzonder opgedragen

aan collega G. Polak Daniels, den penningmeester der vereeniging,

die er een eclatant succes mee heeft behaald. Want het was allergezelligst

en .. . voedzaam.

Een veertigtal gasten, waaronder tien dames, namen aan de

„plechtigheid" deel. Ter gelegenheid hiervan werd een speciaal

blad uitgedeeld, Je Vereenigingsorgaan, onder redactie van

I. De Reen, waarin heel aardige citaten voorkwamen, en waarin

al aanstonds werd voorgesteld aan ieder afwezig lid telegrafisch

het beroemde woord van Henri Dekking toe te zenden:

Eten, trouweloozen, eten,

Vind je dat verkeerd? Och man,

Meen je dat een journalist er

Dan misschien wèl buiten kan ?

Neen, er buiten konden ze niet, en ze hebben zich de kostelijke

gerechten goed laten smaken. Men ziet: de Rotterdammers maken

school 1 Ze kunnen tevreden zijn!

Aan 't begin van den maaltijd deed de voorzitter der vereeniging,

collega Van Bolhuis, de mededeeling, dat het Bestuur

besloten had den heer Martin van Raalte tot taf el-president

te benoemen. Hij, de nestor, één der oprichters, is verleden en

heden tegelijk: hem komt die functie toe.

Collega Martin van Raalte nam daarop de leiding over,

heette allen hartelijk welkom, en sprak zijn leedwezen uit over

de afwezigheid wegens ongesteldheid van den Kringvoorzitter.

Schriftelijk werd aan collega Plemp van Duiveland een

bewijs van vriendschap gezonden.

Toen ving het voeden aan.

En van de eerste seconde af was er al aanstonds een allerprettigste

stemming.

Bij het dessert kreeg allereerst de heer D. Hans het woord.

Ik stel het op prijs — zei hij — namens het Kringbestuur een

enkel woord te zeggen. Het Kringbestuur leeft van harte mee in

dit feest. Niets kan het Bestuur aangenamer zijn dan de bewijzen

te zien van een opgewekt leven in de plaatselijke vereenigingen,

van geestkracht en initiatief. Onlangs verloren we de Utrechtsche

vereeniging, maar we wonnen de Arnhemsche. In Amsterdam

werd het Persmuseum geopend, dat, naar we hopen, onder de

hoede van onze Amsterdamsche vrienden meer en meer zal worden

een historisch monument in de Nederlandsche journalistiek. En nu

vieren wij dit feest in den Haag, waarop de levenskracht der

vereeniging blijkt en de doortastendheid van hen die haar leiden.

Het Kringbestuur verheugt zich zeer over al die bewijzen van

opgewekt bestaan in de verschillende steden, want de kracht der

afdeelingen draagt bij tot de kracht van den Kring. Spr. stelde

een dronk in op den bloei der H. J. V.

De taf el-president, collega Van Raalte, vertelde daarna iets

over de oprichting der vereeniging. Wie had verwacht dat uit dat

schuchtere begin deze groote en flinke vereeniging zou groeien ?


116

Hij dronk op den voorzitter der organisatie, Mr. Van Bolhuis

en diens vrouw.

Er werd nog meer gesproken.

Collega B. Th ö en es zei een gedicht op, waaruit wij ons veroorloven

het volgende te citeeren:

De tijd ontdroeg ons 't vijfde vijftal jaren

Sinds, Hajévé, als nietig wicht,

Gij zaagt, in onze „Bor", het eerste levenslicht,

En 't kan ons thans slechts weemoed baren,

Wanneer wij in 't gelid naar menig gaping staren —

Door dood reeds aangericht 1

Van Nispen, Doorman, Blok en Belinfante!

Vergeten, neen, dat doen w'u niet 1

Wij volgen 't lichtend spoor, dat allen gij ons liet. . .

Eén staat nog pal van 't tiental oude bakers,

Dat 't kleine kind gebakerd heeft,

Die nog in 't Parlement voor geen begrooting beeft:

Het is Martin van Raalte. De tand der tijden

Knaagt bot zich aan zijn stevig lijf I

Voor hem een haute 1'épée. k' Weet da'k niet overdrijf,

Noem 'k hem bij de gebenedijden,

Een joviaal colleeg', geacht van alle zijden,

Groot vijand van gekijf!

'k Denk da'k ons aller hartewensch vertolke,

Als 'k wensch, dat deze grand old man

Nog jaren lang hanteert de welversneden pen,

(Gespaard voor elke donderwolke),

In 't Nieuws het laatste nieuws nog kond' doet aan den volke,

Van 't beste, dat ik ken!

Een aardige hulde 1 .

Aardig was ook het speechje, dat Mevrouw Van Bolhuis

daarop namens de aanwezige dames hield. Wij zijn hier met z n

tienen — zei ze — als hofdames van de koningin der aarde, en ze

stelde onder luide toejuiching een dronk in op den tafel-president.

Daarop een met stentor-stem uitgedaverde speech van collega

Hooeewerff, die namens de „kindertafel" beloofde dat de

jongeren bij het gouden jubileum met kale knikkers aanwezig

zullen zijn'. Groot gejuichl

De heeren Van Meurs en Van Bolhuis brachten dank

aan allen, die aan de voorbereiding van maaltijd, tentoonstelling

en feestavond hun krachten gaven.

Noe langen tijd bleven de feestvierders bijeen. In een ander zaaltje

werd onder de lustige tonen van een strijkje, nog gekeuveld, pretgemaakt

en ... . gedanst.

Een mooie avond was 't.

Een waardige voorbereiding voor de feestlijkheden die nog volgen.

Indie.

Uit de-n-Oost.

In mijn artikeltje voor het Maandblad van October 1917,

heb ik toegezegd het een en ander te zullen schrijven over

de materiëele levensomstandigheden van den journalist in

Indië. Men kan bij een dergelijke beschouwing uitgaan van

tweeërlei standpunt, men kan vergelijken met de toestanden

in Nederland en met die bij andere vakken m Indie Alleen

de laatste wijze van doen heeft m.i. beteekems. Over de

geheele linie zijn hier te lande de bezoldigingen hooger dan

in Nederland, waartegenover een zelfs in deze voor het

moederland zoo abnormale tijden een veel hoogere levensstandaard

in Indië staat. Betaalt men aan huishuur in Nederland

dertig a veertig gulden per maand, hier geeft men voor

ziin woning tachtig a honderd gulden uit. Dit om maar een

enkel voorbeeld te noemen. Vergelijkt men het traktement

van een journalist in Indië, een journalist dan, die niet meer

als jongmaatje beschouwd moet worden en naast Nederlandsche

ook eenige jaren Indische praktijk heeft, met dat van

iemand van ongeveer gelijken leeftijd in eemgerlei betrekking

buiten ons vak, dan valt als regel waar te nemen, dat degeen,

die in den handel werkzaam is, er beter, degeen, die een

gouvernementbetrekking heeft, er minder aan toe is dan de

krantenman. . .

Dit verschil zit 'm in een kardinaal punt van het Indiscne

materiëele leven, dat der tantièmes. In den handel ontvangen

chefs zoowel als employés, als de zaken even goed gaan,

jaarlijksche tantièmes, welke in staat stellen tot de vorming

van een kleiner of grooter kapitaal, dat voor de toekomst

van groeiende beteekenis kan wezen. Daarvan nu is inde

journalistiek nagenoeg geen sprake, waarbij ik nadrukkelijk

wensch aan te teekenen, dat mijn beschouwingen met de

hoofdredacteuren betreffen. Mij is slechts als voorbeeld het

Soer. Handelsblad bekend, waar de redacteuren, althans over

'16, een tantième van eenige beteekenis ontvangen hebben,

waardoor dus tevens een betere verhouding tusschen hun

financiëele positie en die hunner hoofdredactie is ontstaan.

M A A N D B L A D

Een verhouding, welke in vergelijking met het werk, bij de

meeste andere bladen nog al te wenschen overlaat.

Over het algemeen kan men zeggen, dat de redacteuren

aan de groote Indische bladen een behoorlijk bezoldigden

werkkring vinden. Maar ook niet méér, al zijn aan de diverse

bladen de voorwaarden vrij sterk uiteenloopend. En juist m

dat niet meer" schuilt een werknemersgrief, welke ik meende

in ons blad even naar voren te moeten brengen ter waarschuwing

van collega's, die eventueel naar een betrekking

aan een Indisch blad solliciteeren. Want naast hun traktementsregeling

hebben de meeste journalisten veelal geen overeenkomst

wat Europeesch verlof, uitbetaling van tantiemes

of gratificaties betreft. En deze beide regelingen zijn echter

zoo dringend noodig. Want een gouvernements-ambtenaar, al

ontvangt hij dan geen buitenkansjes, die hem tot eemg overleggen

in staat stellen, heeft althans de zekerheid, dat hij te

eeniger tijd met familie en al voor een bepaald aantal maanden

Indië met buitenlandsch verlof zal kunnen verlaten,

waarvan nauwelijks sprake kan zijn indien men geen rijk

inkomen heeft. Indien dan ook der Kringcommissie voor advies

in Indische aangelegenheden ooit gevraagd mocht worden, op

welke voorwaarden een journalist zich aan een Indische

redactie kan verbinden, dient zij in de allereerste plaats den

sollicitant er op te wijzen, dat hij er reeds voor zijn vertrek

van verzekerd moet zijn, dat hij in de toekomst voor geen

onaangename verrassingen komt te staan. Naast een behoorlijke

traktementsregeling behoort vastgelegd te worden dat

de journalist na 5 of 6 jaar recht heeft op een verlof van 6

of 8 maanden naar Europa, terwijl dan de vennootschap,

waarbij hij in dienst is; een zeker verlofstraktement en vrij

reizen verleent. Dienaangaande zijn verschillende regelingen

te treffen, welke alle haar eigen voor en tegen hebben. En

daarnevens behoort den contractant toegezegd te worden,

dat hij elk jaar een maand of drie, vier, beter nog vijf, extra

uitbetaald zal krijgen als gratificatie, teneinde hem in de

gelegenheid te stellen in het bezit te komen van een zeker

bedrag, dat hem later danig te pas zal komen. Al die gunstige

voorwaarden bezitten de hoofdredacteuren en daar hier in

Indië althans op de eerste krachten eener redactie een zeer

groot deel van het belangrijke krantenwerk rust, meen ik,

dat ook de redacteuren in het genot behooren te worden

aesteld van soortgelijke, zij het dan niet zoo groote voordeden.

Tal van variaties zijn op dit thema denkbaar en verdedigbaar-

waar het mij om te doen was is het beginsel, nml.

dat niet-hoofdredacteuren van een Indisch blad recht hebben

op schappelijke voorwaarden tén opzichte van tantièmes en

Europeesch verlof. En waarlijk, de groote Indische bladen

kunnen financieel stellig aan die voorwaarden voldoen!

Een volgend maal iets over de werkverdeehng aan de

Indische dagbladen.

SEMARANG, 31 Jan. '18. S. DE VRIES.

Buitenland.

De Zwitsersche regeering en de Pers.

Wij lezen in het Journal de Geneve van 18 Mei dat er een

bijeenkomst heeft plaats gehad van de vertegenwoordigers der

pers geaccrediteerd te Bern, en de leden van de regeenng

bestaande uit den president Calonder, den heer Schulthess

en Ador De bijeenkomst had plaats in het Parlementsgebouw.

De zitting duurde anderhalf uur en strekte om aan de pers

die inlichtingen te verschaffen, welke zij sinds lang noodig

heeft en die vroeger of later menig verschil van opinie uit

de wereld kunnen helpen. . .

Volgt dan een nauwkeurig verslag van hetgeen m die overeenkomst

werd overwogen.

De slotsom luidt als volgt: „Een beroep doende op de

Zwitsersche pers in het algemeen en op het Zwitsersche volk

in het bijzonder, spreken de drie afgevaardigden van den

Bondsraad den wensch uit, dat onze buren schromen ons te

drijven in den economischen oorlog en dat de twee groepen

van mogendheden die op het oogenblik belang hebben bij

het voortzetten van den oorlog, vooral de Fransche Republiek,

welk ons herhaaldelijk de bewijzen gaf van haar vriendschap,

waarvan zij ons reeds zulke schoone getuigenissen sinds den

oorlog heeft afgelegd, daarmede zal voortgaan en het edelmoedig

aanbod handhaven dat met zooveel vreugde door het Zwitsersche

volk in zijn geheel is ontvangen."

Het is dus, zoo voegt 't f. de G. er aan toe een woord van

vertrouwen waarmede de regeering gisteren de zitting heelt

gesloten. Verscheidene vertegenwoordigers der pers hebben de


Bondsraden voor hun uiteenzettingen bedankt en het gevoelen

uitgesproken dat zulke gedachtenwisselingen meer zouden

plaats hebben.

Ziehier, dunkt ons, een zaak, waarop de bijzondere aandacht

van den minister van Buitenlandsche Zaken mag worden gevestigd.

In Zwitserland, dat om zijn gansche inrichting met ons

land te vergelijken is, bestaat evenmin als hier een vaste band

tusschen de regeering en een of meer Zwitsersche bladen. Het

was echter nu noodig de geheele machinerie in het werk te

zetten, teneinde zich van de medewerking van het publiek

te verzekeren. Als onze ministers deze methode eens hadden

toegepast in de dagen van volkontsteltenis, die achter ons

liggen, dan zou er niets dan goeds uit een dergelijke aanraking

tusschen pers en regeering zijn voortgekomen. Wat in Zwitserland

kan, kan hier ook. (Nieuwe Courant.)

Uit de Pers.

De afschaffing der courant. — In collega VOOGD'S

Weekblad van Rotterdam treffen wij de vertaling aan van

een artikel van K. KONRAD DÜSSEL, in een Duitsch blad

geschreven. Het behandelt de vraag van de afschaffing der

courant, een maatregel die van enkele zijden in vollen ernst

wordt bepleit. Hier is er iets uit:

„Zonder courant zou het uurwerk van den tijd niet stilstaan, maar

het beeld van den tijd zou veranderen, evenals het aangezicht van

een mensch verandert, die zich zelf nooit in den spiegel ziet. Want

de courant, hoe men ook over haar taak en roeping denken mag,

is spiegel van den tijd. Voor al de duizendvoudige gebeurtenissen

en de bijna niet te overziene kleine en groote feiten, waarvan het

totaal ons openbaar leven bepaalt, het opwoelt, ontroert en weder

opwekt tot orde en streven naar het doel, voor dat alles is de courant,

in haar geheel kroniek en commentaar, spreekbuis, opwekking en

waarschuwing. Kroniek: voor zoover de courant berichten, d.w.z.

feitenmateriaal brengt, ordent, onderzoekt op zijn geloofwaardigheid,

zijn berusten op de feiten. Commentaar: voor zoover zij dit feitenmateriaal

verwerkt, met verleden en toekomst verbindt, kritisch beschouwt,

waardeert, in het kort gezegd, de feiten in meening omzet.

Daarmee heeft men, nuchter uitgedrukt, de voornaamste taak der

courant: berichten en meening, gebeurtenissen en oordeel, feiten en

het wekken van den publieken geest.

In vele honderdduizenden, ja in milioenen nummers vervult de

courant dag aan dag deze taak'. Doet er tenminste moeite voor. Zoo

is de courant in eigenlijken zin de meest alledaagsche verschijning

in ons openbaar leven geworden. En daarmee ook de meest van zelf

sprekende. Niettemin: het verschijnen van de courant is niet zonder

meer van zelf sprekend. En juist onze tegenwoordige tijd, waarin

de grondstoffen tot het maken van papier zeldzaam en kostbaar zijn

geworden, heeft zich plotseling voor de acute vraag zien gesteld:

moet de courant na deze moeilijkheden verder verschijnen? Brengt

de courant in haar sociale opgaaf, in haar staats- en cultuurpolitieke

werkzaamheid, de legitimatie, die men in een van ongehoorde moeilijkheden

vervuld heden slechts aan een absoluut noodzakelijken

factor van ons openbare leven mag toekennen?

Het zou het bestek van een opstel verre overtreffen, indien men

de sociologie der courant volledig zou willen geven. Maar het behoort

nu eenmaal tot het karakter van een courant een extract te

vinden voor alles, wat zij zeggen en pro pageeren wil. Haar taak

is dag aan dag zoo rijk, zoo veelzijdig en in zich zelt verschillend,

dat zij de kunst moet oefenen, altijd weer een korte formule te

vinden, het wezenlijke er uit te puren, dat, waarop het aankomt

te onderstreepen. Kort, aanschouwelijk, overtuigend, in het doel getroffen,

moet het motto van den journalist wezen. Wil men zich

een voorstelling maken van het werk der courant in den tegenwoordigen

tijd, dan is het best de redeneering uit het ongerijmde.

Men vrage niet, wat praesteert de courant, men stelle de vraag beter

zoo- hoe zou ons openbare en ten slotte ook ons particuliere leven

veranderd worden als de courant niet verscheen? Ja, men behoeft

deze vraag voorloopig slechts voor het korte tijdsverloop van eemge

weken te stellen en onze fantasie wordt door zwarte beelden verschrikt."

Een samenleving-zonder-courant wordt door den schrijver

in al haar verschrikking dan nader geschetst. Hij besluit aldus:

„Een korte spanne zonder courant en ons openbare leven zou

totaal veranderd zijn. Het aangezicht van den tijd zou een doodenmasker

worden. In een tijd, die geheel en al activiteit en crisis,

beslissing en moed tot de daad is, blijft de taak der courant de

moeilijkste, de hoogste, de meest omvattende. Die opgeven zou een

dolzinnigheid zijn."

* *

De Roomsche Pers. — Uit een feestartikel van De

Residentiebode op 17 Mei j.1. knippen wij het volgende:

M A A N D B L A D

Wij vieren feest. De Katholieke Pers beleeft morgen haar eeuwgetij

en wijl ook wij een bescheiden deel der pers uitmaken, herdenken

ook wij den datum, dat Le Sage ten Broek op 18 Mei 1818 het eerste

Katholieke tijdschrift oprichtte, hetwelk reden van bestaan toonde

te bezitten. De Godsdienstvriend heeft, een 50 jaren lang, tot 1869,

dus nog 22 jaar na Le Sage's dood, het ontluikend ot herlevend

Katholicisme geleid en gesteund, toen, in den beginne, geen enkele

Katholieke uitgave daarnaast stond. Wij kunnen ons, na slechts een

eeuw, dien toestand haast niet indenken, nu 20 dagbladen, tientallen

anderdaagsche bladen en weekbladen, geïllustreerd en ongeillustreerd,

4 of 5 groote maandschriften en tallooze andere maandbladjes voortdurend

voorlichting en verstrooiing brengen in de Katholieke gezinnen.

Wonderdadig is het zaadje gegroeid, dat de eenvoudige bekeerling

een eeuw geleden uitplantte! Wonderdadig evenzeer als de zaden

op charitatief, politiek, sociaal, onderwijs, wetenschappelijk of welk

ander gebied. Katholiek Nederland heeft een eeuw van vooruitgang

gekend, zooals maar zelden vertoond werd. Toen Napoleon hier (in .

het laud der „vrijheid") zijn werk verricht had en alle vermolmde

staketsels om het Katholicisme, dat gedoemd scheen —en veroordeeld

was — om weg te sterven, had opgeruimd, stonden de Katholieken

daar arm, materieel en intellectueel arm, alleen met hun vertrouwen

op de Voorzienigheid. En dat vertrouwen werd niet beschaamd. Het

duurde niet lang, of het monumentale gedenkteeken, dat Katholiek

Nederland zich in die ééne eeuw gebouwd heeft in zijn kerken en

stichtingen, in zijn .vereenigiugen en bonden, begon in de lijnen

uitgestippeld te worden. Le Sage was de man der Voorzienigheid,

de man, op dien tijd noodig. In 1818 begon de eerste pers te „draaien",

zouden we nu zeggen, maar ten opzichte der pers, waarop De Godsdienstvriend

gedrukt werd, zal men wel een anderen vakterm gebezigd

hebben. Voor oningewijden zou dat feit kunnen schijnen van heel

eenvoudigen aard: een maandblad oprichten; 't gebeurt tegenwoordig

haast elke week! Maar wie zóó zou denken, geeft daardoor bewijs

niet het minste begrip te hebben van de moeilijkheden van velerlei

aard, waarmee onze held te kampen had: „11 faut juger les écrits

selon leurs dates" men moet boeken en tijdschriften naar hun tijd

beoordeelen. Het aanpakken van het eerste tijdschrift in dien tijd en

in zijn omstandigheden was een daad van geweldige beteekenis. Le

Sage' zal zich wel niet gedroomd hebbben, welk een vlucht zijn

beginnen in een eeuw zou nemen. Dat hij echter de kracht van de

pers ook voor dien tijd ter. dege besefte, heeft hij bewezen, door,

naast zijn eerste, verscnillende andere bladen op te richten. Noemen

we zijn' Bijdragen, De Uitramontaan (verlegen was hij niet!),i2. K-

Bibliotheek enz.' Langzamerhand pakten ook anderen aan. En die

telkens terugkeerende geschriften, veelal van polemischen aard,

brachten den moed erin, staalden de energie en de lust om aan. te

pakken, zoodat die geschriften tevens de motoren werden voor allerlei

andere ondernemingen. Het réveil was begonnen en schreed geleidelijk

voort".

Personalia en Berichten.

De Kring-voorzitter.

Met leedwezen zal vernomen worden, dat de Kring-voorzitter

wederom door ongesteldheid verhinderd is zijn functies waar

te nemen. Vermoedelijk zal hij zijn vacantie vervroegen en

eenigen tijd naar buiten gaan. Een volledig en spoedig herstel

zij hem van harte toegewenscht.

— De Nieuwe Rotterdamsche Courant heeft voor het

nieuwe stadhuis te Rotterdam aan de gemeente aangeboden

de inrichting van de perskamer, bestaande uit een teakhouten

betimmering en het daarbij passend ameublement.

In de algemeene vergadering, van aandeelhouders in de

Naamlooze Vennootschap de Courant Het Vaderland, werden

de balans en de winst- en verliesrekening over 1917 goedgekeurd

en werd besloten het gemaakte winstsaldo te bestemmen

voor afschrijving. Tot commissaris werd herbenoemd

de heer dr. J. RRAUS, president van het college van commissarissen.

— De afdeeling Haarlem en omstreken van het Nederlandsen

Tooneelverbond, heeft in haar laatst gehouden vergadering

met algemeene stemmen tot haar eere-lid benoemd den heer

J. H. RÖSSING te Haarlem, wegens het vele, dat hij op gebied

van kritiek en historie voor het tooneel in Nederland

heeft gedaan.

Mozaïek.

Gaat dat zien! — Uit De Kampioen: „Aangelokt door het

buitengewoon mooie weer, hebben zij hun rijwiel bestegen of de

beenen onder den arm genomen om ons schoone land in zijn lentetooi

te genieten."

*

Een g e d i c h t. — In de Haagsclie Post vonden wij het volgend

puntdicht van C. J. H. te Bloemendaal:

Waarom loopt het met ons landje

Telkens „haast" of „bijna" mis?

Wel, omdat aan onze bladen

Zacht gezegd een luchtje is!

117


118 MAANDBLAD

Uit Z w a m m er d a m. — De Haagsche Post plukt dit bloempje

uit het Zwammerdamsch Nieuwsblad: //Indien nog eenig bewijs noodig

was voor de journalistieke impotentie, waarin de redactie van de

Nieuwsbode zich verheugen mag, dan kan daarvoor dienen het kitidsch

gebazel over ons blad, waarop zij haar lezers in haar laatste nummer

vergastte. Gedreven door afgunst op onze door de overgrobte meerderheid

onzer inwoners erkende verdiensten, zoekt de Nieuwsbode

als een querulante persmuskiet haar kracht in giftige adderprikken,

welke alle afstuiten op het pantser van eerlijke rechtschapenheid,

dat ons de gunst en recommandatie van het intellect van Zwammerdam

heeft bezorgd."

* *

*

Namen. — Uit de N.R.Ct.: //Marcel Hutiu, de bekende reporter

van de katholiek-conservatieve Echo de Paris, heet Moritz Hirsch.

Fordyce, die vroeger aan het Journal was en nu aan L'Oeuvre, heet

Aarohnson. Adrien Vély, de chroniqueur van de aristocratisch

katholieke Gaulois, waar Meyer den scepter zwaait, heet Lévy.

Paul Louis, de leider van de rubriek der buitenlandsche politiek

aan de Petit Parisien, heet Paul Louis Lévy. Noziére, bekend medewerker

van de Temps, heet Weill. Louis Forest, van.de Matin, heet

Guegenheim. De snorkende kruistochtnaam Saint-Georges de Bouhclier

wordt gedragen door een vriendelijk, schuchter en verwaand

mannetje, van geboorte Letellier gelieeten. Ernest La Jeunasse

heette Cohn.

* *

*

Een beleefd verzoek— Een der redactieleden van Sta i en

Land ontving, op een briefkaart die duidelijk zijn kwaliteit vermelde,

het volgend verzoek: „M. Beleefd verzoek ik u om Geriii de

Gooijer, vuilnisrijder,"direct te weigeren een klophengst op de meent te

weiden. Om reden de merriepaarden niet rustig kunnen iceiden. En zoo

u wellicht kunt begrijpen, wordt 't melkvee ook daardoor hinder aangedaan.

Hopende dat u spoedig handelend zult optreden teeken ik

(volgt handteekeningj."

Bij onderzoek bleek, dat de geachte inzender abuis was: hij moest

bij de Erfgooiers-vereeniging voor stad en land zijn, in het Gooi!

* *

*

Een woord van Clemenceau. — Clemenceau, vóór hij

minister-president was: //De censuur op de pers heeft tengevolge,

dat er twee soort journalisten geschapen worden, die, welke alles

kunnen zeggen en die, welke zich dat recht zien ontzeggen. Diegenen,

die alles kunnen zeggen, hebben natuurlijk niets anders te zeggen,

dan hetgeen men hun zegt, dat ze zeggen moeten. De anderen tellen

niet mee, want zoo gauw ze hun stem willen laten hooren, krijgen

ze een verstikkende bom op het hoofd."

* *

*

Citaten uit de feestkrant der H. J. V. — Een woord

van Colijn in de Eerste Kamer: //Gij weet niet wat een groote

kracht er in gelegen is van iets geen verstand te hebben."

z/Günstege Kritike beweisen nichts gegen denWert eines kunstwerks."

vOnce a journalist, always and forever a journalist" (Kipling).

//Het verschil tusschen kalfslever en deze krant? Kalfslever is een

rundvee-orgaan en dit blad een hajevéé-orgaan."

Ingezonden.

De buitengewone vergadering.

Geachte redactie.

Mag ik even een onjuistheid herstellen in het verslag der

buitengewone vergadering van den N. J. K. ? Ik heb niet gezegd,

dat de heer Derjeu en ik onze moties voörloopig introkken, in de

hoop dat het bestuur de zaak nogmaals zou overwegen, maar wel,

dat de heer Derjeu en ik geen prijs stelden op een beslissing in

deze vergadering, doch dat wij de moties in handen stelden van

het bestuur.

Met dank voor de plaatsing,

SCHOTEL.

Een waarschuwing.

Geachte Redactie.

Mag ik, in het belang der collega's, een bescheiden plaatsje in

het Maandblad voor het volgende?

Dinsdag 30 April j.1. kreeg ik tegen den avond bezoek van een

net gekleed jongmensch van ongeveer 28 jarigen leeftijd, die zich

Holgen noemde en verzocht, mij eenige oogenblikken over eene

persoonlijke aangelegenheid te mogen spreken.

In den loop van het gesprek kreeg ik het doel van zijn bezoek

te hooren. Hij woonde nml. te Rijswijk, waar hij economische

artikelen voor verschillende tijdschriften schreef en was dien

middag naar Schoorl gegaan om er voor de zomermaanden een

kamer te zoeken waar hij rustig aan een door hem uit te geven

boek zou kunnen werken.

Van Schoorl per tram in Alkmaar gekomen, bemerkte hij tot

zijn schrik, dat het geld, dat hij gewoonlijk los bij zich stak,

nog slechts 22 cent bedroeg en aangezien hij dienzelfden avond

nog naar Utrecht moest om met den heer Bruna eene conferentie

over zijn boek te houden, was hij in groote verlegenheid. Hij

kende niemand in Alkmaar of omgeving en deed een beroep op

mij als collega, om hem door het verstrekken van reis- en verblijf-

Gedrukt bij A. de la Mar Azn., Amsterdam.

gelden uit den brand te helpen. Kringlid was hij niet. Hij wilde

zich evenwel nader indentificeeren door een visitekaartje of enveloppe

te toonen, waaraan ik geen waarde zeide te hechten,

daar zijn naam mij onbekend was en dus, gedrukt of geschreven

op een enveloppe, mij ook geen nadere informaties zou

verstrekken. In den loop van het gesprek, dat over de journalistiek

in het algemeen en verschillende bladen in het bijzonder liep, heb

ik mijn gast doen gevoelen, dat zijn verzoek een kwestie van

vertrouwen was en dat ik, uitgaande van de gedachte, dat ik

geen collega, die in moeilijkheden verkeert, mijn hulp mag weigeren,

besloten was, hem voldoende reis- en verblijfgeld te verschaffen.

Ik noteerde zijn adres te Rijswijk en hij ging, na een vrij geannimeerd

onderhoud van bijna een uur, heen, na een uitnoodiging van mijne

vrouw om ons middagmaal te deelen, te hebben afgeslagen.

Bij zijn vertrek verzekerde hij, het geld bij thuiskomst den

volgenden dag te zullen terugzenden.

Ik behoef zeker niet meer mede te deelen, dat deze geldzending

achterwege bleef en om mij er van te overtuigen of het hier

wellicht een collega betrof, die in benarde omstandigheden verkeerde

en, hoe graag ook, niet aan zijn verplichtingen voldoen

kon, heb ik hem de vorige week een kort briefje geschreven.

Deze brief bleek aan het door hem opgegeven adres te Rijswijk

onbestelbaar, wat de laatste onzekerheid heeft weggenomen, dat

ik hier met een — laat ik het zacht uitdrukken — zeer ongeloofwaardig

jongmensch te doen gehad heb.

Nu ik op onze Kringvergadering vernam, dat hij onlangs hetzelfde

te Leiden en Den Haag gedaan heeft, meen ik goed te

doen een waarschuwing tot de collega's te richten.

Heiloo, 13 Mei 1918. TJEERD N. ADEMA.

Correspondentie.

Ph. M., Semarang. — Nu de betrokkene geen Kringlid

meer is, en niet meer aan het Maandblad meewerkt, meenen

wij plaatsing van uw ingezonden stuk van 29 Januari (dat

wij op 27 Mei ontvingen) achterwege te kunnen laten.

Overigens hartelijk dank voor uw belangstelling.

A. G. B., Amsterdam. — Voor dit nummer kwam uw

stuk te laat in.

* *

*

Het Maandbladfonds. — De Redacteur ziet zich, zij het

ook tegen zijn oorspronkelijk voornemen in, genoodzaakt nog

eens een ernstig beroep op de leden te doen ten bate van

het Maandbladfonds. Het fonds is grootendeels uitgeput, en

dit is niet de schuld van verkeerd redactioneel beleid. Men

weet dat uit de Kring-kas slechts 6 bladzijden per nummer

worden betaald. Van de sinds 1 Januari j.1. verschenen

nummers betaalde de Kring dus 66 bladzijden, terwijl er in

die nummers liefst 43 bladzijden officieel nieuws van den

Kring en plaatselijke vereeniging. Met andere woorden: wij

hielden 23 bladzijden over (= 2 per nummer!) om er alle

artikelen, bijdragen, berichten enz. in op te nemen. Het zal

ieder duidelijk zijn, dat dit belachelijk is en dat wij dus

verplicht waren het fonds krachtig te laten bijspringen. Komen

er nu geen nieuwe bijdragen in, dan zullen wij binnenkort

verplicht zijn tot een krassen maatregel. Wij hopen daarom

dat de leden (van wien de meesten nog nimmer iets hebben

bijgedragen) ons zullen steunen in onze poging, om van het

orgaan althans iets meer te maken dan een verzameling verslagen

en officieele berichten. De Redacteur vertrouwt dat

deze oproep niet vruchteloos zal zijn en ziet giften voor het

fonds gaarne tegemoet.

Advertentiën.

Jong Journalist,

goed stylist, leider van een tweemaal per week verschijnende

courant in de provincie (welke binnenkort

zal worden opgeheven) zoekt soortgelijke werkkring of

plaatsing aan groot dagblad.

Aanbiedingen onder letter M Redactie Maandblad.

Correctrice.

Biedt zich aan Correctrice, onverschillig in welke plaats,

9 jaar praktisch werkzaam geweest, thans zonder betrekking

zijnde. Brieven franco motto „Correctrice" aan het

bureau van het Maandblad.

More magazines by this user
Similar magazines