boek deel 3/3 - Urbansciences

stadsstudies.nl

boek deel 3/3 - Urbansciences

248

/

249


251

/

251


252

/

253


254

/

255


256

/

257


258

/

259


261

/

261


262

/

263


Beeldessay bijschriften

In volgorde van plaatsing

233 Gezicht op Alkmaar, (z.j.), olieverf op doek.

Allaert van Everdingen (1621-1675). Fondation

Custodia, Collectie Frits Lugt, Parijs.

234 De Sint-Elisabethsvloed van 1421, 1857, olieverf

op doek. Henricus Weingärtner (1791-1858).

Noordbrabants Museum, ’s-Hertogenbosch.

235 De bestorming van Coevorden op 30

december 1672, 1672-1682, olieverf op doek.

Pieter Wouwerman (1623-1682). Rijksmuseum

Amsterdam.

233 Gezicht op Delft vanuit een gefantaseerde

loggia, 1663, olieverf op doek. Daniël Vosmaer

(1622-1669/70). Museum Het Prinsenhof,

Delft. Bruikleen Rijksdienst voor het Cultureel

Erfgoed.

233 De Dam, (z.j.), olieverf op doek. Toegeschreven

aan Hendrick van der Burgh (1627-1669).

Collectie Amsterdam Museum. Bruikleen

Koninklijk Oudheidkundig Genootschap.

233 De Grote Markt en het Stadhuis te Haarlem,

1671, olieverf op doek. Gerrit Adriaansz

Berckheyde (1638-1698). Frans Hals Museum,

Haarlem.

233 De varkensmarkt in Den Haag, ca. 1650,

olieverf op paneel. Sybrand van Beest

(ca. 1610-1674). Museum Bredius, Den Haag.

233 De plundering van het huis met de drie

haringen in Leiden, 1748, olieverf op doek.

Pieter Cattel (1712-1759). Museum De Lakenhal,

Leiden.

233 Stadsgezicht van Den Haag met de Nieuwe

Kerk, 1882-1883, waterverf en inkt. Vincent

van Gogh (1853-1890). Courtesy of M.S. Rau

Antiques, New Orleans.

233 Bleekerssloot (thans De Clercqstraat),

Amsterdam. Op de achtergrond de Westertoren,

1890. Jacob Olie (1834-1905). Stadsarchief

Amsterdam.

233 Kalverstraat met vlaggen, (z.j.), olieverf op

doek. G.H. Breitner (1857-1923). Collectie

Singer Laren, bruikleen uit particulier bezit.

233 Buurtje in de Amsterdamse Jordaan, (z.j.),

olieverf op paneel. G.H. Breitner (1857-1923).

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

233 Huizen aan de Oudezijds Achterburgwal te

Amsterdam, 1927, olieverf op doek. Jan

Sluijters (1881-1957). Courtesy Dolf van

Omme. c/o Pictoright Amsterdam 2012.

233 Panorama-opname vanaf diamantslijperij

Boas. Uilenburg, Amsterdam, 1893. Jacob

Olie (1834-1905). Stadsarchief Amsterdam.

233 Stadsgezicht in Amsterdam, ca.1919, olieverf

op doek. Jan Sluijters (1881-1957). Collectie

Simonis & Buunk. c/o Pictoright Amsterdam

2012.

233 Flatgebouw aan de West-Kruiskade in

Rotterdam, 2001. Martijn Beekman/

Hollandse Hoogte.

233 Amsterdam, achterzijde huizen Kattenburgerplein,

(z.j.). Wim van der Linden (1941-2001).

Maria Austria Instituut.

233 Peperstraat, Rotterdam, 1910. B.H.W.

Berssenbrugge (1873-1959). Collectie

Gemeentearchief Rotterdam.

233 De Hoogstraat in Rotterdam vanuit het noordoosten

na het bombardement van 14 mei

1940. Collectie Gemeentearchief Rotterdam.

233 Koninginnedag, Amsterdam, 30 april 1962.

Ed van der Elsken (1925-1990). Nederlands

Fotomuseum.

233 Nederland-België, 1953. Stadionplein, Amsterdam.

Kees Scherer (1920-1993). Maria Austria

Instituut.

233 Koopzondag op de dag van de EK-finale. Hoogstraat,

Rotterdam, 2 juli 2000. Otto Snoek.

233 Straatbeeld Slotervaart Amsterdam, 2007.

United Photos/Robin van Lonkhuijsen/

Hollandse Hoogte.

233 Amstelveen, 2011. Marco Okhuizen/Hollandse

Hoogte.

233 Processie in de Beurdsestraat, ’s-Hertogenbosch,

1953. Fotopersbureau Het Zuiden.

Stadsarchief ’s-Hertogenbosch.

233 Naarden, 1930. Fotograaf onbekend. Nationaal

Archief/Spaarnestad Photo.

233 De nieuwbouwwijk Kattenbroek in Amersfoort.

Naar het noordoosten de wijk Nieuwland

met daarachter de polder Zeldert, 2011.

Siebe Swart/Hollandse Hoogte.

233 Louis Armstrongstraat, Amsterdam, 1992.

Hans Aarsman.

233 Passagiers in lijn 5, Almere, 2010. Co de

Kruijf/Hollandse Hoogte.

233 Transport van een watervilla nabij Almere,

2009. Frans Lemmens/Hollandse Hoogte.

233 Verkeersknooppunt in Rotterdam, 2009.

Peter Hilz/Hollandse Hoogte.

233 Prinsengrachtconcert, Amsterdam, 2011.

Marcel Antonisse/ANP.

233 Centraal Station, Amsterdam, 2011. Thomas

Schlijper/Hollandse Hoogte.

233 Fietsverkeer, Amersfoort, (z.j.), Cas Oorthuys

(1908-1975). Nederlands Fotomuseum.

233 Arena, 1995, olieverf op doek. Arie Schippers.

233 Bolwerk in Gouda, 1990. Wout Berger.

233 Chassé Promenade in Breda, 2008. Judith van

den Bos.

233 Detail uit de installatie ‘Slow City’, 2008. Erik

Sep.

233 Sloop en nieuwbouw in het Wijnhavenkwartier,

Den Haag, 2011. Martijn Beekman/Hollandse

Hoogte.

233 Het hoofdkantoor van ABN-AMRO Amsterdam,

ca. 2000. Jannes Linders.

233 Datakabels, Amsterdam, ca. 2000. Jannes

Linders.

264

/

265


Deel III


Perspectieven op

het stadsonderzoek

In Lelystad was de psychische nood hoger dan waar dan ook. Een journalist

bracht een avond door op de meldkamer van het politiebureau. Vier keer belde

een man om te melden dat de Russen in zijn tuin geland waren. ‘Ach meneer,

ik maak dit soort monologen hier dagelijks mee’, zei de telefoniste op de

meldkamer. ‘De verveling leidt soms tot hersenspinsels.’ ‘Misschien zijn al die

blokkendozen wel net iets te keurig in elkaar gezet’, zei een huisarts. ‘Een

overdosis aan stedenbouwkundige logica kan ook tot een planologieneurose

leiden.’

Joris van Casteren (1976)

Lelystad, 2008

Nederland stedenland

Deel III

266

/

267


15

De Nederlandse stad in

drie gouden eeuwen

Een institutionele analyse

Ton Kreukels

Benaderingen van stedelijke ontwikkeling

In dit hoofdstuk wil ik nagaan hoe de institutionele positie van de Nederlandse

steden in de loop der eeuwen op hoofdlijnen is veranderd en welke krachten

daarvoor hebben gezorgd. Om het in dit beknopte bestek overzichtelijk te houden,

onderscheid ik drie ‘gouden eeuwen’ van stedelijke bloei en twee intermezzi die

belangrijk zijn geweest voor de positieveranderingen. De eerste en de tweede

gouden eeuw sluiten aan bij de bestaande noties: de Republiek in zeventiende

eeuw en de Industriële Revolutie, de periode van de 1870–1914, die voorafgegaan

wordt door de vorming van de moderne natiestaat. De derde gouden eeuw

beloopt de periode 1990–heden, een tijdvak waarin de enorme welvaartsgroei

uiteindelijk ook institutioneel in de steden en de verstedelijking een gezicht krijgt.

Als inter mezzi zie ik de Franse tijd en de Duitse bezetting, die beide duidelijke

sporen hebben nagelaten in de relaties tussen de Nederlandse stad en de

Nederlandse staat. Ik zal gepast refereren aan en gebruikmaken van de kennis in

de voor gaande hoofdstukken. Na een uiteenzetting over de noodzaak van de

meer lagen benadering en multidisciplinair stadsonderzoek komen de verschillende

tijd vakken aan bod.

In studies over lange ontwikkelingsperiodes van steden of regio’s blijkt een –

vaak impliciet maar in een aantal gevallen zelfs onverbloemd – simpel Verlich tings -

denken een onbevangen en rijker uitgerust referentiekader in de weg te staan.

De geschiedenis wordt voorgesteld als een evolutionair en soms zelfs lineair

proces van vooruitgang. Dat is ook herkenbaar in het slotdeel ‘Rekenschap,

1650-2000’ van de reeks Nederlandse cultuur in Europese context, met name in het

hoofdstuk van Wout Ultee, dat overigens voor de betreffende, langere periode een

opvallende verdieping van inzicht biedt. 1

Er zijn genoeg gezaghebbende studies beschik baar die overtuigend aantonen

welke bias dit schema schraagt en hoe die het zicht op veel complexere en

meer pluriform gelaagde waarden- en actie patronen ontneemt. 2 De Britse filosoof

Stephen Toulmin laat zien dat de zoge naamde premodernen als Shakespeare,

Erasmus en Montesquieu de uitgebreide scala van menselijke modaliteiten meer

recht doen dan menig vooraanstaande denker in de Verlichting. Deze stroming

onderkent onvoldoende de relativiteit van de menselijke rede en het belang van

andere dan technische en wetenschappelijke modaliteiten.

Mijn tweede bezwaar tegen het Verlichtingsdenken tout court is dat het door -

desemd is van het zoeken naar universele wetmatigheden en normen. Opnieuw

Nederland stedenland

Deel III

268

/

269


Toulmin laat zien wat men mist en welke prijs men betaalt, als men zicht op het

lokale en het particuliere verliest ten gunste van een overwegende blik op het

universele en kosmopolitische. Dat geldt te meer bij een uiteenzetting over de

steden in hun directe en wijdere omgeving, waarbij zich immers het lokale en het

particuliere onverbiddelijk aandient. 3

Een dergelijke genuanceerde benadering van de historie en de actuele staat

van steden vanuit institutioneel gezichtspunt verwijst naar een multidisciplinaire

meerlagenbenadering, waarbij de stad nogal eens wordt opgevat als een object

sui generis, alsof het gaat om een toneel dat zich afspeelt binnen de stadsmuren

en het directe bereik van die ommuring. In hun bijdrage over de stedelijke civitas

passen Jan Dumolyn en Peter Stabel een dergelijke meerlagenbenadering toe.

Daarin staan sociale en economische elementen centraal, maar zij sporen ook

institutionele kenmerken op. Dit type analyse is niet alleen onmisbaar voor een

adequaat begrip van de stad in een ver verleden, maar zonder meer essentieel voor

het begrip van de stad vanaf het moment dat die is opgenomen in een uit gekristalliseerd

nationaal staatsverband; dat is grosso modo sinds de industrialisatie. In

een meerlagenanalyse wordt de ontwikkeling van de stad beschouwd, niet alleen

vanuit de sociaal-economische en sociaal-culturele gelaagdheid in de stad zelf,

maar ook vanuit verhoudingen en relaties die zich uitstrekken tot ver buiten de stad.

Natuurlijk maakt de overheid daar deel van uit. Die omvat zelf ook meerdere

lagen. Er is niet alleen het stadsbestuur, maar er zijn uiteenlopende overheden die

vanuit beperktere en ruimere verbanden van buiten greep op de stad hebben en

hun jurisdicties uitoefenen. De relatiepatronen van overheden bepalen in vergaande

mate de inhoud en ontwikkeling van het burgerschap in de steden.

Voor de actuele stad is een dergelijke meerlagenanalyse – gelet op de

hedendaagse regionale, nationale en supranationale vervlechtingen – al helemaal

imperatief. Des te merkwaardiger is het dat nogal veel studies over de actuele

stad ophouden bij de gemeentegrenzen. Enige notie van de bepalende werking op

de stad vanuit buitenstedelijke externe verbanden, belangen en gremia ontbreekt.

Voor het centraal stellen van die meerlagigheid van de actuele stad en daarmee

het betrekken van de omgeving van de stad gewestelijk, nationaal en zelfs internationaal

ter verklaring van wat zich in een stad afspeelt, verwijs ik naar de baanbrekende

studie van de econoom Paul Peterson onder de veelzeggende titel City

limits. 4 Zijn pleidooi voor een meerlagenbenadering is overigens in het actuele

stadsonderzoek in de Angelsaksische wereld en West-Europa niet doorgekomen.

Multidisciplinaire wedergeboorte noodzakelijk

Sociaal-wetenschappelijk onderzoek van de stad in het bijzonder gaat nogal eens

mank aan een etatistische vertekening. Een correctie hierop biedt het Angelsaksische

onderzoek naar internationale betrekkingen. De economische politicologen

Peter A. Hall en David Soskice zijn uitgesproken advocaten in de VS voor

een dergelijke correctie in het internationaal vergelijkend onderzoek van nationale

staten. 5 Voor het historische en actuele stadsonderzoek leren we hiervan dat, wil

een meerlagenanalyse vruchtbaar zijn, een balans tussen maatschappelijke

verbanden van burgers en overheden een eerste vereiste is. Alle maatschappe lijke

verbanden en mechanismen, inclusief het individuele burgerschap, functioneren

per definitie in twee sferen: de particuliere en de publieke. Maar ondanks het

‘over rule’-vermogen en de zwaardmacht van de overheid dient de motor van ont-


wikkeling niet daar, maar in de primaire maatschappelijke verbanden van burgers

zelf gezocht te worden.

Voor de sociale wetenschappen die zich met de steden van nu bezighouden,

bieden de voorgaande hoofdstukken onmisbaar materiaal en inzicht en een

arsenaal dat te onbekend en onvermoed is. Met deze vaststelling onderstreep ik

nog eens het belang van de benaderingswijze van Karl Schlögels Im Raume lesen

wir die Zeit, wat mij betreft wel gecomplementeerd door haar spiegelbeeld: ‘in der

Zeit lesen wir den Raum’. 6 De sociale realiteit vormt zich immers in een steeds

wisselende (im)materiële en fysieke tijd–ruimte. Pleidooien voor een dergelijke

integrerende tijd–ruimte op basis van een koppeling van de geografie en de

historische wetenschappen vielen het laatst te beluisteren bij de geograafplanoloog

Christiaan van Paassen. 7 Nadat in de periode 1950–1970 de sociologie

en antropologie wegdreven van de geografie, is de aandacht voor de specifieke

tijd-ruimte-inbedding van steden in sociaal-wetenschappelijke studies bijkans

afwezig. Tot in de jaren zestig maakten studies van Max Weber over het begrip

stad in historisch perspectief, van Henri Pirenne over de middeleeuwse stad en

van Gideon Sjoberg over de pre-industriële stad deel uit van de wetenschappelijke

canon. 8 In de sociologie is die interesse voor de historie en historische wetenschappen

intussen weer tot leven gekomen, getuige de studies van Jacques van

Doorn, Abram de Swaan en Wout Ultee.

In de navolgende paragrafen probeer ik de specifieke institutionele kenmerken

van de stad in relatie met haar bestuurlijke respectievelijk statelijke omgeving in

beeld te brengen voor de Nederlanden en uiteindelijk Nederland aan de hand van

de belangrijkste omslagen, startend met de eerste gouden eeuw: 1570–1670.

Hierin komen de betrokkenheid en de rollen van de overheden en hun onderlinge

relaties aan bod én krijgen het primaire karakter van de maatschappelijke

verbanden en hun onderlinge relaties het volle pond. 9

De eerste gouden eeuw: de stad in de Republiek

In een retrospectieve analyse markeert de Amerikaanse sociologe Abu-Lughod

de opkomst van de stads staten Genua en Venetië als de omslag in het zwaartepunt

van de verstedelijking op wereldschaal naar West-Europa. 10 Vóór 1350 lag dat

zwaartepunt in het Midden-Oosten en nog vroeger in Azië: India en China. Een

tweede omslag, van Zuid- naar Noord-Europa, volgde met de formatie van de

Hanzesteden. Uit talrijke studies, zowel van historici als geografen, blijkt het

West-Europese stedensysteem intussen over een lange periode van de Middeleeuwen

tot in onze tijd behoorlijk stabiel, zonder hierbij afbreuk te willen doen

aan de uitgesproken verschuivingen in en tussen gebieden in termen van

heersers, regimes en staatsvorming. 11 Na de Bourgondische (1384–1482) en

Habsburgse tijd (1482–1581) worstelen de Noordelijke Nederlanden zich vanaf

1609 uiteindelijk naar een eigen territoriale entiteit als de Republiek der Zeven

Verenigde Nederlanden.

De belangrijkste en doorgaans onbegrepen eigenschap van de Republiek

was het ontbreken van een centraal politiek machtscentrum. Het maatschappe lijk

bestel van gilden, ambachten, onderwijs, rechtspraak en godsdienst was

georganiseerd in een staatsbestel dat uitgesproken federaal van karakter was en

waar het subsidiariteitsprincipe hoog in het vaandel stond. Aan de basis stonden

allerlei vormen van zelfbestuur, zoals de waterschappen. De provincies en de

15 De Nederlandse stad in drie gouden eeuwen

Deel III

270

/

271


Fig. 15 / 1

Gezicht op Hoorn, Hendrick Cornelisz Vroom, 1622. Hoorn kende

in de zestiende en zeventiende eeuw een grote groei en was

een van de zes steden waarin de VOC was vertegen woordigd.

Bron: Westfries Museum, inv.nr. 01729

steden regelden centraal in de Staten-Generaal in Den Haag gemeenschappelijke

zaken van buitenlandse handel en oorlog. Er werd grote terughoudendheid betracht

ten aanzien van nationale machtsuitoefening, waarvan de Oranjes als stadhouders

de kern vormden. De Republiek werd volgens een getrapt systeem bestuurd door

de steden en de gewesten. De uitdrukking ‘op zijn elfendertigste’ typeert de

federale en getrapte besluitvorming, waarin de burgers en verbanden plaatselijk

en vanuit de steden hun eigen stempel drukten op de Republiek.

De Republiek kende een subtiele balans tussen de wereld van handel en

bedrijvigheid en hun organisaties (gilden), kerkelijke en sociale verbanden én de

plaatselijke, gewestelijke en nationale overheden. Dat was een balans met

regionale variatie en met een combinatie van competitie en samenwerking tussen

de steden binnen de Republiek en daarbuiten in het ruimere Noord-Europese

gebied waar de Hanzesteden als verbond functioneerden. Speelden stedelijke

competitie en samenwerking zich in de Bourgondische en Habsburgse tijd binnen

feodale kaders af, binnen de Republiek concurreerden de steden met elkaar.

Maar naar buiten maakten ze zich als eenheid sterk voor tolvrijheid en vrijhandel

en zetten in dat verband zelfs de vloot in als dat nodig was. 12 De handel en vervoer

vanuit de Republiek, met Amsterdam als belangrijkste stedelijk centrum, strekten

zich uit van de Oostzee tot de Middellandse Zee tot in Azië aan toe. Opmerkelijk is

dat de koloniën in West en Oost werden beheerd door de particuliere Verenigde

Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC). Het aandeel

van de handel en transport met dat Verre Oosten had toen een omvang die tot op

heden met alle verbindingen over de gehele wereld zijn weerga niet kent.

De handelseconomie vergde openheid naar de bovennationale realiteit die

zich voortplantte in de uitwisseling van cultuur en kennis. Erasmus is een lichtend

voorbeeld op de Europese schaal: hij verkeerde afwisselend in Leuven, Antwerpen,

Genua, Bazel en Londen, waar zijn vriend Thomas More leefde en werkte. Hij

volgde Luther en de Reformatie met belangstelling, maar bleef zelf binnen de

oude moederkerk. Descartes verkeerde een tijdje aan de universiteit te Utrecht,


alvorens naar het Zweedse hof in Stockholm te gaan. Op de rol van de kerkelijke

macht ga ik verder niet in. Bart Ramakers illustreert aan de hand van beeld vorming

de grote plaats van de Kerk in het dagelijkse leven. De Reformatie leidde tot migratie

van bewoners van onder meer Gent, Brugge en Antwerpen naar de Hollandse

steden. Rond 1600 zijn de relatiepatronen van mensen en handels stromen over de

landsgrenzen al eeuwenoud. Ze illustreren dat de sociale, economische en politieke

werkelijkheid van de steden zich ver uitstrekte buiten zowel de stads- als de

landsgrenzen en daarmee het belang van de meerlagen benadering.

In de Republiek had elke stad een eigen signatuur, niet alleen economisch,

maar ook door haar eigen geschiedenis die werd geschreven door de regentenfamilies.

De handelsfamilies in Amsterdam schreven een andere geschiedenis

dan de industriefamilies in Leiden of die van de Hanzesteden langs de IJssel.

Stadsbesturen waren opgetrokken uit oligarchieën, waarbij steeds bepaalde

families naar voren traden. Daarin weken de steden ook af van de landelijke

gebieden en provincies (Overijssel, Gelderland en Utrecht) waar de adel de dienst

uitmaakte. 12 De eigen signatuur van iedere stad komt ook tot uitdrukking in hun

culturele bagage, zoals blijkt uit de bijdrage van Robert Kloosterman en Maarten

Prak. In de schilderkunst, in de architectuur, de literatuur, in de muziek, in de

wetenschapsbeoefening en de geloofsdisputen ten tijde van de Gouden Eeuw

vinden we tot de dag van vandaag een spiegel van het typische Hollandse

koopmans bestel in de steden. Het komt tot uiting in de architectuur en de stedenbouw,

de infrastructuurwerken van die dagen. Het Paleis op de Dam van Jacob

van Campen in Amsterdam mag als een markant voorbeeld worden beschouwd,

evenals de grachtenbouw en kerken van die dagen. De preoccupatie met het

technische werk van de vestingbouw in de steden bereikte grote hoogtes. Simon

Stevin kan als de verpersoonlijking hiervan worden gezien. 14 Het leidde er ook toe

dat Hollanders in andere landen werden gevraagd hun diensten te leveren. Tot de

dag van vandaag zien we hiervan sporen, zoals in Göteborg en Stockholm.

De variatie van het functioneren in de Nederlandse ‘stadsrepublieken’ van

gilden, ambachten, schutterijen, broederschappen als het maatschappelijk

cement binnen de steden en tussen de steden en hun directe en verder verwijderde

omgeving is treffend geschetst door Maarten Prak. 15 Die variatie gold vrijwel voor

alle vormen van burgerlijke invloed op het vlak van vrijzinnigheid, vooruit strevendheid

en tolerantie, en kwam tot uiting in het toelatingsbeleid, de rechten en plichten

van het burgerschap, de regelingen en voorzieningen van gilden en ambachten,

de armenzorg en de rechtspraak. De Hollandse steden liepen daarin voorop, die

in oostelijk Nederland waren terughoudender.

Eerste intermezzo: de Franse tijd

De gelaagde maatschappelijke en bestuurlijke realiteit veranderde wezenlijk in

de Franse tijd (1795–1813). Ook al waren de spanningen van patriotten versus

prinsgezinden en de Bataafse Republiek al voorbodes van de toenemende erosie

van het vroegere bestel en de daarmee verbonden belangen en verhoudingen, de

Franse bezetter introduceerde een afwijkend overheidsstelsel: napoleontisch,

centralistisch aangekleed met de juridische en bestuurlijke kaders en regels

(kadaster, bevolkingsregistratie, centrale rechtspraak, et cetera). Dat nieuwe

bestel zou na het vertrek van de Fransen weliswaar aangepast worden aan de

specifieke verhoudingen in de Nederlanden, maar in de kern bleef het overeind

15 De Nederlandse stad in drie gouden eeuwen

Deel III

272

/

273


en vormde daarmee het afscheid van het decentraal en federaal bestuur. Tegelijkertijd

werd de historische continuïteit gediend met het ombouwen van het

stadhouderschap naar het koningschap van de Oranjes in wat na het Congres van

Wenen het Koninkrijk der Nederlanden ging heten. Deze kunstmatige constructie

van de handelsnatie Nederland en de industrienatie België was bedoeld om aan

de noordgrens van Frankrijk een sterke staat te vestigen. Dat kunstwerk hield

geen stand, getuige de opstand en daaropvolgende afscheiding van België (1830).

In Thorbeckes grondwetsherziening van 1848 zie ik de bezegeling van een omslag

waarbij het Franse gemeentelijke en provinciale bestel onder één rijksdak komt.

In naam werd dan wel van een gedecentraliseerde eenheidsstaat gesproken,

maar het typische federale bestel waarin subsidiariteit de boventoon voerde, was

vanaf toen voltooid verleden tijd.

Tegen het midden van de negentiende eeuw was dan de moderne natiestaat

een feit. Steden in een natiestaat kunnen, nog meer dan voorheen, alleen begrepen

worden in de specifieke verbondenheid en bepaaldheid van die nationale staat. De

economie, de cultuur, de sociale zorg van een stad – ze zijn de aard en het optreden

van de staat waarin de stad ligt gaan weerspiegelen. Tot de dag van vandaag is

de maatschappelijke en bestuur lijke realiteit van de steden in ons land die van een

napoleontische bestuurlijke piramide: het Rijk is doorslaggevend en bepalend voor

wat de provincies en gemeenten aan autonomie en zelfbestuur toekomt. Tegen

deze achtergrond treft de constatering van de jurist en topambtenaar Ad Geelhoed,

Fig. 15 / 2

De Plegtige Inkomst van Zijn Majesteit Lodewijk Napoleon

Koning van Holland, Amsterdam op den 20 April 1808. Prent

van J.A. Langendijk, 1808.

Bron: Stadsarchief Amsterdam, Collectie Atlas Dreesmann, cat.nr. 010094006537


dat Nederland vanaf het eind van de jaren zeventig meer napoleontisch oogde dan

Frankrijk na de onder president Mitterand doorgevoerde decentralisatie.

Belangrijker nog dan deze bestuurlijke en politieke gedaantewisseling in het

Koninkrijk der Nederlanden is de omslag in de organisatie en het functioneren van

tal van particuliere maatschappelijke verbanden. De Amerikaanse socioloog James

Samuel Coleman typeert deze omslag als een versnelde overgang van de multifunctionele

realiteit van primaire verbanden (familie en gezin; beroeps eenheden)

naar een monofunctionele organisatie van onderscheiden maat schap pelijke functies

in afzonderlijke secundaire verbanden van vertegenwoordigende organi saties en

instituties. 16 Dit was het begin van de zelfstandige organisaties van maatschappe lijke

activiteiten zoals bedrijvigheid, handel, onderwijs, weten schap, gezondheids zorg,

armoedebestrijding, rechtspraak en politie, vermaak en godsdienst. Die omslag

lag aan de basis van de overgang naar een industrieel bestel en tekende zich al

naar gelang de start van de industrialisatie af tussen de achttiende en twintigste

eeuw. In het laat industrialiserende Nederland gebeurde dit pas na 1860.

De verzelfstandiging van organisaties is volgens Coleman van wezenlijk

belang geweest voor de positie van zowel natuurlijke personen (mensen van vlees

en bloed) als allerhande organisatorische verbanden, omdat het handelen van de

laatsten ook voortaan door wettelijke rechten en plichten werd gereguleerd. Dit

gebeurde op basis van het conceptuele idee dat organisaties (corporate actors)

kunnen optreden als natuurlijke personen met een juridisch status als rechtspersoon

(stichting, vereniging, naamloze vennootschap en dergelijke). In het

middeleeuwse Romeinse recht werden dit treffend persona repraesentata (ficta)

genoemd: rechten die worden gedragen door niet-natuurlijke personen. In vergelijking

met de voorgaande tijd is deze juridische vormgeving en de syste ma tische

invoering ervan in het maatschappelijk verkeer ronduit als een coperni caanse

revolutie te beschouwen. Ook de overheid raakte als corporate actor georgani seerd

en geformaliseerd, maar onderscheidde zich van de andere organisaties en

instellingen, omdat ze alle particuliere organisatievormen, indien nodig, op grond

van de wet kan overrulen en als staat een overkoepelend karakter biedt. 17

De tweede gouden eeuw: de Industriële Revolutie

De architectuurhistoricus Auke van der Woud laat zien dat, behalve door nationale

wetgeving, Nederland ook in fysieke zin door de aanleg van nieuwe hoofdinfrastructuur

van wegen, kanalen, spoor- en tramwegen tot een grotere eenheid

is gesmeed. 18 Menig regionaal en lokaal isolement is daardoor opgeheven. In de

nieuwe verhoudingen tussen de staat en de steden bleef de competitie tussen de

steden als vanouds bestaan en wel op twee niveaus: de Randstad versus overig

Nederland en een tweekamp tussen Rotterdam en Amsterdam om het nationale

primaat van handel, die na de nieuwe verbindingen met zee geleidelijk in een taakverdeling

uitkristalliseerde. Rotterdam werd ’s werelds grootste transito polis,

Amsterdam de corporate city van Nederland voor de particuliere sector en Den Haag

voor de publieke sector. Tegelijkertijd trok met de nieuwe verbindingen via spoor

en weg vanaf deze tijd Amsterdam als eerste stad aan het langste eind.

De industrialisatie, gevoegd bij de hygiënische revolutie, leidde tot een

versnelling in de bevolkingsgroei en de stedelijke groei. Deze kreeg een belangrijke

injectie door de slechting van de vele stadswallen en daaropvolgende

systematische uitbreiding. Hoewel er nationale wetgeving aan te pas kwam als

15 De Nederlandse stad in drie gouden eeuwen

Deel III

274

/

275


kader (Vestingwet van 1874), gaven de steden beslist eigen vorm en inhoud aan de

daaropvolgende fase van sanering en stadsuitbreiding. 19

De ontwikkeling van een nieuwe werkelijkheid in de verhouding tussen de

staat en de steden kan in het verlengde van de omslag van multifunctionele

primaire naar monofunctionele secundaire verbanden en het optreden van rechtspersonen

in de tweede gouden eeuw beschouwd worden als de maat schappelijke

binnenschil van wat zich aan fysieke veranderingen in de steden aandiende. In het

onderwijs komt er een leerplicht en nieuwe schooltypen, die de vroegere privileges

en toegang wijzigen naar een groter bereik voor burgers dan voorheen (de

hogereburgerschool). Universiteiten en hogescholen evolueerden geleidelijk tot

centra van academische opleidingen voor vooraanstaande beroepen: advocaten,

notarissen, geneesheren, ingenieurs. In de kunst- en cultuursector kregen de

academies voor schone kunsten en bouwkunst een dergelijke positie. De gezondheidszorg,

de armenzorg, de zorg voor arbeidsomstandigheden werden hervormd

en geleidelijk aan de kerken onttrokken. Dat sloot aan bij een herschik king die al

eeuwen eerder was begonnen, zoals uiteengezet in de bijdrage van Anita Boele.

Al met al ligt de oorsprong van modern Nederland in de ware zin van het woord in

de negentiende eeuw. 20

In de buitenschil van de stad (de uitrusting en inrichting) zien we deze nieuwe

en eigentijdse voorzieningen weerspiegeld. Vanaf 1880 kent Amsterdam een ware

hausse aan particuliere initiatieven voor publieke voorzieningen die een markante

plaats in de stad en in het hele land hebben gekregen, als voorbeeld of als

nationale topvoorziening: Vondelpark, Concertgebouw, Stedelijk Museum en Artis.

Ook in andere steden keerde dit patroon terug. Rotterdam kreeg Diergaarde

Blijdorp en Stadion Feijenoord, Haarlem de Philharmonie, Arnhem kreeg Musis

Sacrum en Nijmegen De Vereniging. 21 Net zoals in de eerste gouden eeuw werd

hierbij doorgaans nauw samengewerkt met de overheid.

Deze markante inrichting en uitrusting van de steden in een zogenaamde

tweede gouden eeuw kreeg voortzetting in wat in het Nieuwe Bouwen als moderne

stedenbouw en architectuur werd voorgestaan. De Stijl als bredere beweging in

de beeldende kunst functioneerde hier als motor en wat in het Interbellum

resulteerde in internationale faam van Nederland als stedenland van de nieuwe

architectuur en stedenbouw (Rietveld, Stam, Oud, Van Eesteren). Een aantal uit

deze groep waren nauw betrokken bij de Congrès Internationaux d’Architecture

Moderne (CIAM) met collega’s uit Frankrijk en Duitsland. 22 Opvallend hierbij is dat

de architecten en stedenbouwers nauw verbonden waren met de bredere

beweging van vernieuwing in kunst, cultuur, wetenschap en techniek en daarvan

wezenlijk deel uitmaakten.

De Nederlandse steden waren niet aan een louter laisser-faire van de toenmalige

politieke cultuur overgeleverd, zoals vaak wordt gedacht. Ze volgden hetzelfde

spoor als vele buitenlandse steden in andere westerse landen in dezelfde

tijd. 23 In al die landen blijken dezelfde hervormingsbewegingen de grondslag te

vormen van dat optreden. Het komt erop neer dat onder druk van deze bewegingen

de overheid een naar omvang en intensiteit groeiende rol is gaan spelen in de

inrichting van de stad en de voorzieningen die bij het functioneren van de stad horen.

Dit identieke patroon van maatschappelijke bewegingen en overheids ingrijpen in

diverse landen begon halverwege de negentiende eeuw met de bestrijding van de

kwalijke gevolgen van de cholera-epidemieën. De hygiënisten, voornamelijk artsen

en ingenieurs, waren de voorlopers die de eer toekomt als eerste motor van


negentiende-eeuwse stadsinrichting te gelden. Om sociaal-hygiënische redenen

werd vanuit die beweging de overheid ertoe gebracht zich actief in te zetten en

met riolering en watervoorziening in te grijpen in het particuliere domein.

Uit dezelfde zorg voor gezondheid sloten de woninghervormers aan bij de

hygiënisten. Zij propageerden gezonde en menswaardige woningen als een

basisvoorziening en stonden daarmee aan de wieg van de overheidszorg die in

1901 met invoering van de Woningwet volkshuisvesting is gaan heten. Berlage is

de stedenbouwer en architect waarin beide bewegingen samenvloeien tot het

ontwerp van samenhangende – en in zijn geval monumentale – stadswijken. Zijn

masterplan voor Amsterdam-Zuid is de bekroning van dit streven. Zuid wordt tot

op de dag van heden als een mooie, aangename en goed uitgeruste stadswijk

ervaren. Het plan ligt ten grondslag aan het uitgebreide stelsel van praktijken en

bemoeienissen dat sindsdien door de gemeentelijke (vooral stedelijke) overheid

is ontwikkeld en dat tot een institutie is uitgegroeid die na het Interbellum op

nationale schaal is doorgevoerd in de wens tot een nationaal plan.

De osmose van staat en samenleving door wetgeving en toenemend ingrijpen

van de staat in de dagelijkse activiteiten van de samenleving geschiedde onder

druk van de omstandigheden: de massificatie, de revolutionaire groei van de

steden en de internationale economische crises waaraan de open Nederlandse

economie was blootgesteld. Rotterdam en Amsterdam groeiden tussen 1880 en

1920 met 100.000 inwoners per decennium. Publiek initiatief bleek soms noodzakelijk

om nieuwe, kostbare publieke voorzieningen aan te leggen, uiteenlopend

van rioolstelsels tot elektriciteitsnetwerken – overigens niet in de laatste plaats

om er zelf ook aan te verdienen.

Fig. 15 / 3

Aardewerkfabriek opgericht door Peter Regout te Maastricht

(voorloper van De Sphinx), 1865.

Bron: Collectie Sociaal Historisch Centrum Limburg

15 De Nederlandse stad in drie gouden eeuwen

Deel III

276

/

277


In politiek opzicht traden hierbij vanaf 1890 de sociaal-liberalen op als

bruggenhoofd. Zeker in Amsterdam namen zij onder leiding van Willem Treub tal

van initiatieven tot gemeentelijke exploitatie van voorheen particuliere bedrijvigheid

met een openbaar nut. Het ontwikkelingspatroon is er dan een dat met de

aanzetten, meestal rond de eeuwwisseling en daarna, plaatselijke regelingen op

rijksniveau werden overgenomen en omgezet in wetgeving voor het gehele land.

Daarbij kwam niet meer de steden het initiatief en eigen inrichting toe, maar

werden de regelingen generiek en waren van toepassing op alle gemeenten en

provincies. Dit patroon zien we in de Woningwet, de eerste wetgeving op de

straten- en uitbreidingsplannen, maar ook bij de geleidelijke uitbreiding van

wetgeving op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, arbeidsvoorzieningen-

en arbeidsomstandigheden en sociale zorg. 24

De verhoudingen tussen staat en stad werden er niet doorzichtiger op, toen

de liberalen algemeen aan macht inboetten en de verzuiling onder leiding van

Abraham Kuiper en diens Anti-Revolutionaire Partij doorzette. In tegenstelling

tot de liberalen wilden de antirevolutionairen de overheid bij de opvoeding en

scholing graag op grote afstand van de samenleving houden. Anders dan de louter

op de Verlichting gebaseerde liberale en socialistische strevingen, stonden de

antirevolutionairen een christelijke beginselpolitiek voor. Andere groepen sloten

hierbij dankbaar aan, met name de katholieken die net hun vrijheid van godsdienst

verkregen hadden. Dat leidde uiteindelijk tot het systeem van verzuiling, waarbij

protestanten, katholieken en socialisten een pact met elkaar aangingen, om op

nationaal niveau – waar plaatselijk ‘apartheid’ kenmerkend bleef – onder ling tot

een vergelijk te komen voor onontbeerlijke en strategische zaken, die vervolgens

werden doorgespeeld naar en opgelegd aan de provincies en gemeenten.

Als iets de centralisatie van het bestuur in Nederland vanaf deze tijd heeft

bepaald, is het deze ‘wurggreep’ van nationale overheid en politiek en de zogenaamde

koepels van verzuilde verbanden (vakbonden, werkgevers; organisaties

in onderwijs, gezondheidszorg en sociale zorg). Het versterkte ook, wellicht

ongewild, de macht van de ministeries op nationaal niveau. Al naar gelang hun

sector overlegden zij met een eigen kring van middenorganisaties die, per zuil

hun achterban vertegenwoordigend, als bruggenhoofden van het binnenlands

bestuur functioneerden.

Dit pacificatiebestel werd verzegeld in de grondwetswijziging van 1917

waarin de invoering van het algemeen kiesrecht werd gekoppeld aan onderwijsvrijheid

via de gelijkstelling van het bijzondere onderwijs met het openbare onderwijs.

Dit bestel heeft ondanks de herintroductie van het subsidiariteits beginsel

een toenemende centralisatie van het bestuur in Nederland op zijn geweten. Het

subsidiariteitsbeginsel gold nu niet meer zozeer de positie van territoriale eenheden

zoals steden, dorpen en gewesten, maar onder meer de bij de wet geregelde

corporaties (persona repraesentata) en in de vorm van publiek rechte lijke bedrijfsorganisaties

(productschappen en bedrijfschappen). Deze werden verplichtend

en identiek voor het gehele land voor werkgevers en werknemers in de industrie,

de landbouw, de nijverheid en de handel ingevoerd. Dit stelsel zou tot de dag van

vandaag – afgezien van een afzwakking van het corporatistische karakter en vele

aanpassingen – de verhoudingen gaan bepalen; denk aan de huidige discussie over

het algemeen verbindend zijn van cao’s en de pensioen regelingen. 25


Tweede intermezzo: de Duitse bezetting

Opnieuw werkte een bezetting van luttele jaren als een katalysator voor een

wijziging in verhoudingen tussen de stad en de nationale staat. In de periode

1918–1940 was er toenemende maatschappelijke, bestuurlijke en politieke druk

om zaken te behartigen met behulp van de nieuwe mogelijkheden die weten schap

en techniek boden. Dit kwam al naar voren in het genoemde programma van

‘licht, lucht en ruimte’ dat bekend werd als het Nieuwe Bouwen. De ambitie van

vernieuwing waarbij wetenschap en techniek een belangrijke impuls vormt, was

er niet alleen een van koopmanschap en welvaart, maar ook van verheffing en

verzorging van hen die daartoe zelf niet de kracht hadden. De inpoldering van de

Zuiderzee bracht een inzet teweeg vanuit de Landbouw Hogeschool Wageningen

met studies over de wijze waarop de nederzettingen op het nieuwe land moesten

worden ingericht, economisch, sociaal en esthetisch. Sociografen en demografen

zoals Sjoerd Groenman en Evert Willem Hofstee waren de voorlopers van een

nieuwe generatie van hoofdzakelijk ingenieurs die planning niet meer beperkt

opvatten als een techniek, maar als een overkoepelende blauwdruk toepasten om

een geheel nieuwe gemeenschap vergaand vorm te geven tot en met de verdeling

van de bewoners naar onderscheiden kerken en scholen aan toe. 26 Deze opvatting

kwam ook naar voren in de sociografische analyses voor de inrichting van de

Haarlemmermeer. Ik beschouw deze technische en economisch-maatschappe lijke

integratie van inrichting en beheer van het nieuwe land, van water- en grondhuishouding

tot gemeenschapsvorming als een voortzetting van een lange traditie

uit de eerste en de tweede gouden eeuw.

Na de bevrijding drukte planning als de nieuwe motor van centralisatie haar

stempel op de verhoudingen tussen de stad en de staat. Met de toepassing van

planning sloot Nederland aan bij wat zich internationaal aan een maakbaarheidsbenadering

aftekende en vanaf de jaren dertig vorm kreeg in planmatig beleid en

bestuur. Ik noem hier de socioloog Karl Mannheim eerst in Duitsland en later in het

Verenigd Konink rijk, de ‘Ordoliberalismus’ van de Freiburger Schule in Duits land

en de ‘New Deal’ in de Verenigde Staten. In Nederland trad vanuit de Technische

Hogeschool Delft een groep jonge ingenieurs op die in eigen tijdschriften pleitten

om economisch en technisch het heft in eigen hand te nemen. Hun streven is

mooi samengevat in het begrip ingenieurssocialisme. De latere Nobelprijswinnaar

Jan Tinbergen speelde in die groep een belangrijke rol. In dit verband trok het

door de Sociaal-Demo cratische Partij (SDAP) uitgebrachte Plan van de Arbeid (1935,

geschreven door Tinbergen en Hein Vos) bepaald de aandacht. Het in 1946 opgerichte

Centraal Plan bureau (met Tinbergen als eerste directeur) sloot als zenuwcentrum

van de wederopbouw nauw aan bij de hoofdlijnen van het Plan van 1935.

In de prille vooroorlogse ruimtelijke ordening werden vanuit het Nederlands

Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw de geluiden sterker om de eerst

intergemeentelijke, intergewestelijke en vervolgens provinciale streekplannen

aan te vullen met plannen op nationaal niveau. Natuurbescherming en de planning

van hoofdwegen waren daarvoor de belangrijkste drijfveren. Onmiskenbaar gaf

de Duitse bezetter aan die strategische beleidsinzet en planning op diverse beleidsterreinen

een behoorlijke stoot, onder andere door het Basisbesluit van 1941

waarin voor het eerst over een nationaal plan werd gerept. Het voorbeeld van de

Duitse overheid in Berlijn volgend, verankerde het Rijksbestuur het een en ander

in nieuwe wetten en voorzieningen.

15 De Nederlandse stad in drie gouden eeuwen

Deel III

278

/

279


Maatgevend voor deze nieuwe vorm van centralisatie was de central rule

approach, een getrapte planning van boven naar beneden: het Rijk, provincies,

gemeenten. Na de bevrijding is veel van die wetgeving en voorzieningen voortgezet,

onder meer in de wet op het Nationale Plan en voor de streekplannen. In de jaren

zestig werd die ‘top-downwetgeving’ enigszins gedempt in een nieuw Wet op de

ruimtelijke ordening, waarbij het gemeentelijke bestemmingsplan het voor de

burger direct bindende plan werd. De katalyserende werking van de bezetter voor

de ‘topdownplanning’ werd nog eens versterkt door het Marshallplan van 1948,

dat vroeg om centrale toewijzing van middelen. In dat kader vonden ook versneld

nieuwe inzichten van bedrijfsvoering en -planning hun weg in ons land, bijvoor beeld

bij Philips.

Intussen werden vooral vanuit de Katholieke Volkspartij (KVP) de meest

vergaande voorstellen voor planning op het economisch vlak en van de bedrijfssector,

die tijdens de bezetting en in de naoorlogse wederopbouw in gunstig

vaarwater was gekomen, weer afgezwakt. Dat gold vooral het verplichtende

karakter van de voorstellen voor de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. 27 Uit

dit alles blijkt een doorlopende lijn van het Nederland van de negentiende eeuw

via de eerste helft van de twintigste eeuw naar het naoorlogse bestel. 28

De door Coleman voor de negentiende eeuw getypeerde omslag van primaire

naar secundaire verbanden van corporate actors voltrok zich na 1945 op steeds

meer maatschappelijke terreinen en werd bovendien grootschaliger van karakter.

In termen van macht en invloed gingen rechtspersonen steeds meer de natuur lijke

persoonsverbanden overvleugelen. Door toenemende clustering, schaal vergroting,

Fig. 15 / 3

Inspectie van een erewacht van Nederlandse SS’ers in de Jan

Willem Brouwersstraat door rijkscommissaris dr. Arthur

Seyss-Inquart en Cornelis van Geelkerken, plaatsvervangend

leider van de NSB, in het kader van de viering van het elfjarig

bestaan van de NSB in het Concertgebouw.

Bron: Stadsarchief Amsterdam, cat.nr. B000028890


ationalisering en professionalisering trad in termen van macht en invloed op alle

gebieden asymmetrie op tussen hun beider posities. Ook de overheid deed hieraan

mee door zijn nieuwe planningsorganen te institutionaliseren en in overleg

met burgers en bedrijven representativiteit van overlegpartners te verlangen.

De individuele burger met zijn uiteenlopende belangen kon hier alleen nog tegen

opbotsen door als kiezer zijn invloed op de politieke machtsbalans te doen

gelden. Maar dat was onvoldoende. Nodig was dat hij vanuit zijn onder scheiden

belangen zichzelf organiseerde als corporate actor in belangenorganisaties en

verenigingen die door de macht van getal en professionaliteit de confrontatie

konden aangaan met de machtige corporate actors in de economische, maatschappelijke

en culturele sfeer. Daarmee ontstond een nieuw stelsel van countervailing

powers en checks and balances, die niet alleen via of vanuit de overheid

functioneerden, maar als het ware in de haarvaten van de samenleving zelf waren

opgenomen. 29

De schaalvergroting in economie, wetenschap en techniek, het maat schappelijk

leven, de voorzieningen en de cultuur is kenmerkend voor de dynamiek

vanaf de jaren vijftig. Ze komt prominent tot uiting in de landbouw, waar de ruilverkaveling

de ruimtelijke component was van een omslag naar een haast industriële

landbouw, waarvoor vanuit de Europese Economische Gemeenschap de

parameters werden gegeven onder leiding van de Nederlands sociaal-democraat

Sicco Mansholt. In De graanrepubliek beschrijft Frank Westerman de opkomst en

later ook de neergang van de ongekende vergroting van de agrarische bedrijfsvoering.

30

Dit patroon van schaalvergroting, die in de sfeer van de bedrijfsvoering

steeds meer op internationale markten mikte en in de sfeer van voorzieningen

(onderwijs, gezond heidszorg, sociale zorg, politie en justitie algauw van lokaal

naar geweste lijk, provinciaal en in een aantal gevallen zelfs provincie-over stijgend

uitpakte, is kenmerkend voor de periode van 1950 tot heden. De schaalvergroting

wordt gedragen door clustering en versterking van de financiële en technische

bewinds voering en door vergroting van professionaliteit.

Naast intensivering en schaalvergroting is internationalisering een derde

kenmerk van de verdringing van primaire door secundaire verbanden. Door de

internationalisering ontstonden ook weer nieuwe verhoudingen tussen de

overheid en de samenleving, doordat multinationals, maar ook internationale

organisaties in de sfeer van wetenschap, techniek, cultuur, kunst en mode een

handelingsvermogen ontwikkelden dat niet alleen uitsteeg boven het bereik van

de stedelijke overheid, maar in een aantal gevallen ook de nationale overheid de

baas was. Nationale overheden kunnen een tegenmacht organiseren via

clustering met andere nationale overheden. 30 Nederland is de laatste halve eeuw

tal van supranationale verbanden aangegaan, beginnend met de Europese

Gemeenschap voor Kolen en Staal en de Europese Economische Gemeenschap

tot aan intercontinentale verbanden aan toe (IMF, OESO), waar overeenkomsten

worden gesloten die rechtstreeks in de stedelijke samenlevingen en de mogelijkheden

van stadsbesturen interveniëren. Na de val van het IJzeren Gordijn is hierin

een versnelling opgetreden. In allerlei sectoren bepalen de gezamenlijke internationaal

georganiseerde corporate actors, vooral die in de meest geavanceerde

sectoren zoals telecommunicatie, energie, luchtvaart, zeetransport, landbouw en

financiën hun strategische doelen en middelen. 32 Hier is het nationaal verband

allang niet meer doorslaggevend.

15 De Nederlandse stad in drie gouden eeuwen

Deel III

280

/

281


De toenemende inkadering van nationale staten in een internationaal veld

en de opmars van afzonderlijke sectoren van economie, techniek en handel die

hun eigen regelingen treffen en hanteren en daarin de nationale staten over stijgen,

laat overigens de eigen betekenis van de nationale staat als overkoepelend kader

in relatie tot de specifieke kenmerken van bevolking en haar eigen economie en

sociale en culturele bestel intussen onverlet. 33 In die zin blijft de internationa lisering

duidelijk aan grenzen gebonden.

De derde gouden eeuw: een heroriëntatie op de verzorgingsstaat

De middelgrote en grote steden in Nederland zijn vanaf 1960 in een stroom ver snelling

van verandering geraakt. Vijf grote krachten ondermijnden hun positie:

de-industrialisering, mechanisatie en automatisering, mobiliteitsgroei, ontvolking

door suburbanisatie en de zojuist besproken centralisatie en internationalisering,

die in termen van macht de stadsbesturen lege handen bezorgden. Daar kwam

nog een sterke veroudering en deels verwaarlozing van grote delen van de

woning voorraad van voor 1920 bij. De economische context werd getekend door

de wederopbouw en de centrale lagelonenpolitiek om van Nederland een

exportland te maken. In de periode 1960–1990 werden de steden met nieuwe

verschijnselen geconfronteerd, zoals de opkomst van de diensteneconomie en de

immigratie van gastarbeiders, Surinamers en Antillianen.

Voorgaande hoofdstukken over Rotterdam-Zuid door Michiel Dehaene, Els

Vervloesem en Bruno De Meulder, en de nevelstad rond Schiphol door Koos Bosma

en Abdel El Makhloufi behandelen enige van de verschijnselen die de stad hevig

hebben geraakt. Transport en vervoer groeiden exponentieel, uitmondend in

intensief verkeer en distributie over de hele wereld. Vanaf 1980 voegde zich daarbij

de telecommunicatie, die de wereld vanuit de huiskamer en werkplek binnen bereik

brengt. 34 Halverwege de jaren negentig onderging de tele commu nicatie een

enorme versnelling door het toenemende gebruik van laptops, mobiele telefoons

en tablets, die het individuele sociale verkeer sterk verruimden en de wereld

letterlijk en figuurlijk hebben geopend. Al deze wijzigingen werden manifest in

het leven en het sociaal, cultureel en economisch verkeer en daarmee in de

profielen van de steden van Nederland.

De fysieke reparatie van de Nederlandse stad voltrok zich in drie fasen. De

eerste fase van 1950 tot 1970 was die van sanering en reconstructie van delen van

de stadscentra voor de verbetering van de bereikbaarheid en het scheppen van

ruimte voor de dienstverlening als gewenste nieuwe economische activiteit. Voor

de reconstructie was enige subsidie beschikbaar met als doel om de marktprijs

van de grond te normaliseren, dat wil zeggen niet te belasten met dure sanerings-

en reconstructiewerken. In de daaropvolgende fase van de stadsvernieuwing

(1970–1990) werd het beleid bijna geheel gericht op de verbetering van de voorraad

goedkope woningen. Stadsvernieuwing werd een sterk gesubsidieerde vorm

van volkshuisvesting, door de Rotterdamse burgemeester Bram Peper treffend

getypeerd als een welzijnsoffensief. Na 1990 volgde de derde fase, de stedelijke

vernieuwing. Deze drie fasen weerspiegelen in hoge mate de veranderende

verhoudingen tussen individuele burgers, hun samenleving, hun stad en hun

staat.

De opkomst van de vernieuwing van oude stadswijken, voornamelijk uit de tijd

van de industriële revolutie, viel samen met de doorbraak van het gedachte goed


over burgerparticipatie en politisering van de verhoudingen in de steden. De

economische betekenis van de stadscentra raakte bijna twee decennia op de

achtergrond. Geconfronteerd met wat toen de stedelijke crisis werd genoemd,

schiep de rijksoverheid ruime subsidiemogelijkheden voor de aanpak van de

stadsvernieuwing die twee decennia lang beperkt bleef tot de huisvesting en

direct daarmee samenhangende voorzieningen zoals scholen.

Na 1990 vond een omslag plaats naar stedelijke vernieuwing. De stedelijke

centra kregen hernieuwde aandacht als onderdeel van een groter, regionaal

geheel en de economische aspecten kregen prioriteit in het grote stedenbeleid

van 1995. Daarin viel de nadruk op het economisch functioneren van de stad. Grote

structurerende projecten gingen deel uitmaken van de stedelijke vernieuwing,

onder meer de verbouwing van grote stations, in een aantal gevallen als onder deel

van de aanleg van hogesnelheidslijnen. 35 De morfologische ontwikke lingen sinds

1945 zijn door Jaap Evert Abrahamse en Reinout Rutte in kaart gebracht.

De Nederlandse ontwikkeling stond niet op zichzelf. In de Verenigde Staten

en Engeland deed die zich ook voor, zij het dat de verschillende fasen zich eerder

voltrokken. In de Verenigde Staten voltrok zich in het tijdvak 1945–1968 een eerste

urban renaissance. In deze fase werden eerst vanaf het begin van de jaren zestig

‘city plans’ gemaakt waarin de stedelijke overheid duidelijk leidend was, bijvoorbeeld

in Chicago, Philadelphia en Washington. Daarop volgde in de tweede helft

van de jaren zestig een periode waarin het accent van economische en verkeersdoelen

(met als resultaat de kaalslag van hele delen van de stadscentra). Vanaf

1968 verschoof de aandacht naar de volkshuisvesting (urban renewal). In deze

fase (als intermezzo aangeduid) traden de stedelijke overheden op als waren zij

monopolisten. Zo hielden stadsbesturen met behulp van planning voor de

volkshuisvesting voor en met wijkbewoners de vastgoedwereld en de financiële

wereld in steden als New York, Philadelphia, Chicago, Washington en Los Angeles

op afstand. Het was de federale overheid die hen hiertoe in staat stelde door

financiële en professionele ondersteuning door de grote federale programma’s

‘War against poverty’ en ‘Model City’. Toen deze federale financiën stopten, moesten

de steden zich goedschiks of kwaadschiks aanpassen. New York, dat weigerde

zich aan te passen, ging door de continuering van de urban renewal in 1973 zo

goed als failliet. Na 1973 begint dan een nieuwe fase van opleving van steden, een

tweede urbane renaissance waarin investeringen in steden weer een gezamenlijke

aangelegenheid werden van de particuliere en publieke sector, waarbij naast

economische belangen, ook de sociale en culturele zaken tot hun recht komen in

de lange civic society-traditie in de Verenigde Staten.

Aan de hand van de beschreven eerste twee fasen van stadsreparatie zijn

twee conclusies te trekken. In de eerste plaats nam de overheid in de stadsontwikke

ling vanaf de jaren zestig het heft steeds meer in eigen handen en bond

ze de vastgoedsector aan zich. In de tweede plaats leidde de gebruikte beleidstechniek

tot centralisatie, onttrok die zeggenschap aan de steden. Steden dienden

voor hun plannen en programma’s aan toenemende aantallen criteria van de

rijks overheid te voldoen. Het Rijk breidde zijn macht uit met behulp van zilveren

koorden. Met een technische term wordt die programmering apportion ment

genoemd: door de lokale overheid werden naar boven toe de groei ver wach tingen

doorgespeeld, vervolgens werd op nationaal niveau het totaal van lokale

berekeningen gebruikt om een landelijke taakstellende vooruitberekening te

maken van bijvoorbeeld de benodigde woningbouw in de diverse provincies en ten

15 De Nederlandse stad in drie gouden eeuwen

Deel III

282

/

283


slotte in de gemeenten. Daarmee raakten het gemeentelijk en provinciaal niveau

gebonden aan het Rijk. Hiermee kreeg in het bijzonder de ruimtelijke ordening

een dwingende werking, mede doordat die naderhand werd uitgebreid met de

koppeling aan het economische stimuleringsbeleid van regio’s, via de Wet selectieve

investeringsregeling (SIR) en de Wet op de investeringsrekening (WIR). De

ruimte lijke ordening ging hiermee fungeren als het hart van algemeen toekomstbeleid

en algemene overheidsplanning. Dat kwam ook tot uiting in de instelling

van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid en de profilering van de

drie planbureaus: het Central Planbureau, de Rijksplanolo gische Dienst en het in

1973 nieuw opgerichte Sociaal en Cultureel Planbureau.

Deze geprononceerde inzet door het Rijk ten opzichte van de steden ondermijnde

het zelfstandig functioneren van de lokale economie, van instellingen en

belangenorganisaties. Het accent van de Nederlandse verzorgingsstaat lag niet op

het uitbreiden en versterken van middelen en voorzieningen voor de bevolking,

in het bijzonder minderbedeelden, sec, maar uitte zich sinds de omslag in 1972 in

een nationale overheid die steeds meer de regie van strategische sturing, planning

en financiering naar zich toetrok, om een verzorgingsstaat te verzekeren. ‘Central

rule’ met behulp van professionele controle werd de maatstaf voor de beheersing

van het verzorgingsbestel dat voortkwam uit de rooms-rode coalities van de

voorgaande decennia. 36 Dit verzorgingsregime – het hart van de zogenaamde ver-

Fig. 15 / 3

De Tweede Nota Ruimtelijke Ordening uit 1966 spetterde van

optimisme over de maakbaarheid.

Bron: Ministerie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 1966


zorgings staat – werd niet alleen bepalend voor de woningbouw en infra structuurwerken,

maar vanaf 1973 ook beproefd via zogenaamde planwetten voor het

onder wijs (Contourennota), de gezondheids zorg (ziekenhuisplannen), de sociale

zorg, de arbeidsvoorzieningen en de cultuursector.

Dit regime ondermijnde de betekenis en de effectiviteit van de fijnmazige

stelsels van georganiseerde belangen in relatie tot de stadsbesturen. Het gaat

niet te ver om te spreken van een breuk in de verbanden die sinds de negentiende

eeuw het sociale cement van steden uitmaakten en voor hun ontwikkeling en

functioneren maatgevend bleken tot aan 1970. Gedreven door de noodzaak tot

reductie van de overheidsuitgaven kwam er in de loop van de jaren tachtig een

einde aan de meest extreme vormen van deze centralistische overheids hyper trofie

en daarmee aan de onbalans tussen overheid en economische, maatschappelijke

en culturele verbanden in de steden. De bijdrage van Lianne Verstrate illustreert

treffend dat de vervreemding in de dagelijkse realiteit van stadsbewoners

toeslaat wanneer (gemeentelijke) planning en beleid helemaal los komen te

staan van dergelijke verbanden.

Uit de besproken eerste twee fasen in de stadsreparatie kan worden afgeleid

dat (extreem) eenzijdig beleid zichzelf tegenkomt en correctie oproept. Vooral de

stads vernieuwing (1970–1990) illustreert dat. Ze verstoorde de vraag- en aanbodverhoudin

gen in de woningmarkt en het oorspronkelijke doel ‘bouwen voor de

buurt’ werd veelal niet gehaald. In plaats daarvan profiteerden vaak andere groepen

van dat beleid, vooral immigranten wier gezinshereniging in de tijd zo ongeveer

samenviel met het hoogtepunt van de stadsvernieuwings productie. Achteraf

gezien wekt het verbazing dat in die jaren het zwaartepunt op de zorg voor de

gebouwde omgeving lag. De statistieken laten namelijk zien dat de grote steden,

in het bijzonder Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, leegliepen en

allang niet meer de beste kansen boden op het vlak van wonen, werk en voorzieningen.

De stedelijke crisis bestond niet alleen uit een wegtrekkende

bevolking, maar ook uit een sterk teruglopende (industriële) werkgelegenheid,

teruglopende inkomens, toenemend bijstandsgebruik en afnemende investe ringen

ten opzichte van overig Nederland. 37

Eerst in het begin van de jaren negentig trad geleidelijk herstel op door

enige bevolkingsgroei, nieuwe werkgelegenheid met hogere inkomens in de

dienstverlening en stijgende investeringen. 38 Vergeleken met overig Nederland

zijn in 2010 de grote steden weer terug. Ze vertonen een positieve bevolkingsontwikkeling,

zijn er economisch bovenop en hebben (vooral Amsterdam) een

grote aantrekkingskracht ontwikkeld door hun culturele functies. 39

Een voorbeeld van beleid dat zichzelf tegenkwam is het immigratie vraagstuk.

Ten aanzien van immigranten en segregatie is vanaf eind jaren zeventig in

vergelijking met klassieke immigratielanden zoals de Verenigde Staten, Canada

en het Verenigd Koninkrijk onvoldoende beseft dat immigranten (in Nederland

sinds de jaren tachtig aangeduid met het bureaucratische subsidiebegrip

allochtonen) het beste geholpen worden als ze worden uitgedaagd in hun nieuwe

omgeving hun plek zelf te veroveren en vanuit dat beginsel tijdelijk worden

geholpen waar nodig. Tegelijkertijd werd in het zogenaamde allochtonenbeleid

onvoldoende beseft welke invloed dat op autochtonen zou hebben. Dat voor de

stedelijke en nationale overheid de erupties in steden als Rotterdam en Amsterdam

rond 2000 als een verrassing kwamen, toen de neopoliticus Pim Fortuyn

even later als boodschapper naar voren trad, is nog wel te plaatsen, gelet op de

15 De Nederlandse stad in drie gouden eeuwen

Deel III

284

/

285


toenmalige oriëntatie van beleid en politiek. Dat stadsonderzoekers deze

veenbranden en de invloed van het toenmalige allochtonenbeleid onvoldoende in

beeld hadden, is achteraf gezien ernstiger van aard, gelet ook op de gegevens en

inzichten die toen ruim beschikbaar waren in de Verenigde Staten, Canada en het

Verenigd Koninkrijk.

Niet alleen gebrekkige kennis, ook ideologische en financiële omslagen

leidden tot correctie. De verzelfstandiging van de volkshuisvesting, die in 1995

haar beslag kreeg, is er een voorbeeld van. Motieven hiervoor waren deels

ideologisch, deels zakelijk van aard: de burger in de welvaartsstaat moest zelf

verantwoordelijkheid dragen voor zijn huisvesting en het particulier initiatief

diende meer mogelijkheden te krijgen. De zakelijke kant betrof de noodzaak tot

bezuiniging en begrotingsbeheersing door doorsnijding van de dikke zilveren

koorden tussen de woningcorporaties en de staat. Hoe dan ook leidde deze

correctie tot enig herstel van de marktwerking en van het aloude subsidiariteitsbeginsel

door de opbloei van talrijke lokale publiek-particuliere samenwerkingsverbanden.

Dit proces is nog volop aan de gang, zonder dat er in de praktijk en in

de politieke doctrines een nieuw evenwicht lijkt gevonden in de verhouding

tussen de maatschappij, de profit- en de non-profitsector en de overheid. In die

zin ligt er in de steden nog een groot potentieel aan handelingsvermogen in de

micro- en mesosfeer, waarvan in de komende tijd kan worden geprofiteerd: de

derde gouden eeuw.

De correcties (moeten) bewerkstelligen dat de rijkgeschakeerde inzet van

de particuliere sector – de kern van de maatschappelijke verhoudingen in de

eerste en de tweede gouden eeuw – weer realiteit wordt, uiteraard in nieuwe

vormen. Stedelijke elites zullen en kunnen niet meer op dezelfde wijze werken

als in de negentiende eeuw, uiteenlopend van de stichting van hoogwaardige

voorzieningen voor eigen vermaak tot initiatieven voor de verheffing en emancipatie

van brede volksklassen. De interessante vraag is nu op welke wijze het ver doorgeschoten

overnemen van de belangenbehartiging door de corporate actors kan

worden gecorrigeerd. In de huidige samenleving heeft zich naast de laag van

rechtspersonen namelijk een laag van talloze professionele adviseurs en advocacy

planners genesteld. Net als de ‘corporate actors’ zijn ook die gaan opereren op

multinationale schaal voor zowel de publieke als de particuliere sfeer. De supranationale

schaal levert een extra probleem, omdat die voor de doorsnee burger

abstract is en op dat niveau voortdurend geopolitieke over wegingen spelen die

weinig verbindingen hebben met de problemen in de stad of de wijk van de burger.

Dit verwijst naar een tegenoffensief van schaalverkleining, die een tegenwicht

biedt voor de schaalvergroting, die in een toenemend aantal gevallen te ver blijkt

doorgeschoten.

De stadsregio: de Nederlandse stad in internationaal perspectief

Eerder is al een enkele vergelijking gemaakt tussen stedelijke ontwikkelingen in

Nederland en in enige buurlanden en de Verenigde Staten. Uit die vergelijkingen

trek ik twee conclusies: zeker de laatste 150 jaar zijn de ontwikkelingen in Nederlandse

steden niet uniek en Nederlandse steden zijn na de Tweede Wereldoorlog

beslist geen voor lopers in de economische en sociaal-culturele vernieuwing en

de aanpassing van hun fysiek-ruimtelijke structuur. 40 Stadsbesturen willen nog wel

eens lijden aan niet-adequate zelfpositionering. Vaak schaart men zich met een


stad als Amster dam of met de Randstad qua grootteklasse, dichtheden en betekenis

bij de grote steden zoals New York, Tokyo, Londen. In hun bijdrage corrigeren

Kloosterman en Prak dat beeld op subtiele wijze.

In het gros van vergelijkbare westerse samenlevingen maken de steden

soortgelijke ontwikkelingen door. In de beleidsreacties daarop heeft elk land een

eigen signatuur die sterk samenhangt met de specifieke institutionele kenmerken

van dat land, zoals de tweeslag Parijs en overig Frankrijk, het federale bestel in

Duitsland met de Länder, en een meer evenwichtig stedensysteem zonder

dominantie en de typische verhouding tussen de hoofdstad Londen en de overige

grote steden in het Verenigd Koninkrijk, om maar te zwijgen van de verhouding

tussen ‘town and countryside’ door het ontbreken van een middenbestuur.

De eerdergenoemde patronen en zwaartepunten in de stedensystemen in

de diverse landen, zoals die ook voor Nederland uit de historische schets naar

voren komen, blijken behoorlijk stabiel, al doen zich op onderdelen steeds opnieuw

verschuivingen en nuanceringen voor in de rangorde. Wel moet hierbij worden

aangetekend dat West-Europa in zijn geheel qua omvang, grootte en dichtheden

van steden zijn eerste plaats heeft moeten afstaan eerst aan de Verenigde Staten

en die hun beurt weer aan het Verre Oosten (Japan, China en India) en opkomende

landen zoals Mexico en Brazilië. Op wereldschaal verliest de Atlantische as al

geruime tijd aan betekenis ten opzichte van de Pacific Rim.

Algemeen kenmerkend is de toegenomen diffusie van verstedelijking. De

mentale verstedelijking is al van oudere datum en komt er op neer dat veel stedelijke

gedragspatronen en houdingen het leven en werken buiten de steden kleur

geven. 41 Die verspreiding van stedelijke samenlevingskenmerken geldt nu ook en

steeds meer voor fysieke en materiële vormen. ‘Resorts’ voor ontspanning en

concentraties van ‘research and development’ of cultuur en kunst verschijnen in

toenemende mate in een hoogwaardige morfologie op locaties buiten steden. De

suburba ni satie van eerst het wonen en daarna van economische functies gaat

door. Tegen die achtergrond wordt Nederland in de geografie getypeerd als een

stedelijk veld en dat verschilt niet van de landen om ons heen, zoals het Ruhr gebied

of de Vlaamse Ruit, bestaande uit Antwerpen, Brussel en Gent. Dit alles neemt

niet weg dat landelijke gebieden met kleine plaatsen en dorpen en stadjes zich

blijven onderscheiden van stedelijke gebieden met de grotere steden. Ten aan zien

van functies, heterogeniteit en intensiteit van economisch en maat schappelijk

verkeer hebben de steden nog steeds een geheel eigen profiel en is het onder scheid

tussen stad en platteland en tussen stedelijke centra en perifere gebieden nog

steeds reëel.

Een almaar manifester wordend kenmerk van de verstedelijking is de

regionalisering. Steden en stedelijke centra worden steeds meer onderdeel van

een ruimer stadsregionaal gebied, dat met de verschillende kernen en suburbs

gelegen een functionele en deels ook fysiek waarneembare eenheid vormt.

Stadsbewoners hebben allang hun weg gevonden in de stadsregio’s voor inkopen,

sporten, werken, zorg, et cetera, terwijl het voor de gemeentelijke overheid die

aan haar territorium en jurisdictie van haar eigen gemeentelijk gebied gebonden

is, moeilijker wordt om met die vergrote ruimte van haar burgers, instellingen en

organisaties mee te bewegen. In grotere landen, zoals Duitsland, Frankrijk en het

Verenigd Koninkrijk, wint de ruimtelijke schaalvergroting van stad tot stadsregio

en zelfs metropoolregio’s aan betekenis voor de planning van landelijke

strategische hoofdinfrastructuur zoals vliegvelden, havens en spoorwegknoop-

15 De Nederlandse stad in drie gouden eeuwen

Deel III

286

/

287


punten. In Duitsland treedt na het aloude Ruhrgebied vervlechting op in een wijde

cirkel rond Frankfurt am Main. 42 In Nederland tekent zich de schaalvergroting het

duidelijkst af in de Randstad, die de laatste decennia uitstraalt langs assen naar

Den Bosch–Eindhoven, naar Veenendaal–Arnhem, naar Amersfoort–Apeldoorn–

Deventer en naar Almere–Lelystad. In het zuiden van ons land begint zich een

dergelijke interprovinciale schil af te tekenen met Eindhoven, Venlo, Roermond

en Maastricht als een grote stadsregio.

In de landen om ons heen weerspiegelt de beleidsagenda voor steden naar

aard en inhoud het functioneren van de hedendaagse stad. De meest voorkomende

opgave wordt samengevat in het begrip groeimanagement. Daarbij gaat het niet

alleen om de steden economisch in de vaart der bevolkingen op te jagen, maar

ook om economische groei met doelen van milieuzorg en natuurbehoud en op

sociaal vlak in evenwicht te krijgen of te houden. De kern van dit beleid ligt in

afspraken tussen de profit- en non-profitsector en de overheid, dus niet meer bij

de overheid als autonome beleidsmacht. In Nederland is groeimanagement in

een aangepaste vorm aanwezig met het accent op samenwerking tussen stedelijke

gemeenten en provinciaal bestuur. De rijksoverheid sluit erop aan met de

planning van de infrastructuur, die net als in de buurlanden is gericht op de

aanleg en verbetering van knooppunten van spoorwegen, wegen, luchthavens,

zeehavens en logistieke terminals. Dat betekent gerichtheid op het functioneren

van de steden en de stelsels van steden, waarvoor in de huidige samenleving

mobiliteit van goederen, personen en informatie de levensvoorwaarde is. Een

citaat uit het beroemde artikel ‘The urban place and nonplace urban realm’ van

Melvin Webber maakt duidelijk waarom het nu alweer decennia draait: de stad is

een communicatiesystem, waarvoor de grondstoffen kennis en informatie zijn en

de motoren fabricage, verwerking en opwerking van kennis en informatie. 43

Maatgevend voor de vitaliteit van steden is de vitaliteit van wat ik eerder de

binnenschil noemde: ontwikkeling en behoud van de primaire functies zoals

onderwijs, wetenschap, techniek, cultuur en kunst, vermaak en ontspanning,

gezond heidszorg en sociale zorg, veiligheid en justitie aanvullend op het wonen,

de bedrijvigheid en het verblijf in de stad. De opdrachtgevers in deze sectoren zijn

bepalend voor de vitaliteit, hoezeer ook de overheid op grote lijnen en overkoepelend

haar eigen bijdrage en inzet realiseert.

Aandachtspunten voor voortgezet onderzoek en stadsstudies

Aansluitend bij de uiteenzetting in de inleiding van Ed Taverne, Sebastian Dembski,

Len de Klerk en Bart Ramakers, die van harte wordt onderschreven, bevat het

voorgaande voldoende aanknopingspunten voor voortgezet onderzoek en stadsstudies.

Dat komt vooral neer op een hechtere verbinding tussen historische

studies en de disciplines die voornamelijk gericht zijn op de actuele stad. Ik onder -

streep daarmee mijn eerdere pleidooi voor multi- en interdisciplinair meer lagenonderzoek

en voor differentiatie van thema’s van het stadsonderzoek. Een aantal

aandachtspunten volgt hier ter afsluiting.

Allereerst stel ik voor om de voorzet die het NWO-programma Urbanisatie

en Stadscultuur bood, voort te zetten in een aangepaste vorm. Het begin van

vernieuwde aandacht voor de ruimte-tijdrealiteit van steden is er, maar vraagt

om voortzetting om tot wasdom te komen. Als inspiratie voor een dergelijke

versterking en verruiming mag de traditie van ‘urban studies’ in de VS gelden,


die ten tijde van de ‘War against Poverty’ en het ‘Model City’-programma tot een

optimaal benutten van de wisselwerking tussen historici en uiteenlopende

disciplines in de sociale wetenschappen leidde. De reader van Lloyd Rodwin en

Robert M. Hollister, Cities of the mind. Images and themes of the city in the social

sciences, laat zien hoe een rijkgeschakeerd gezelschap van historici, sociologen,

antropologen, juristen, planologen en stedenbouwkundigen in onderlinge

uitwisseling tot verdiepte inzichten over de stad geraakten, met een relevantie die

tot de dag van vandaag blijft. 44 Die bundel was mogelijk omdat in de jaren zestig

vanuit Harvard en het MIT een nieuwe eenheid was gecreëerd: het Joint Institute

of Urban Studies, waarin het werk van toenmalige autoriteiten als Daniel Patrick

Moynihan en Nathan Glazer gebundeld werd. Het bleek een voedingsbodem voor

een meer gericht stedelijk beleid in de VS, maar functioneerde ook uiterst

succes vol voor de bundeling van de kennis vanuit de historische én vanuit de

sociale wetenschappen. Tegen deze achtergrond is het verheugend dat aan de

Universiteit van Amsterdam recent een Centre for Urban Studies tot stand is

gekomen. Vanuit dat centrum is het mogelijk de handschoen op te nemen die

door het NWO-initiatief Urbanisatie en Stadscultuur is opgeworpen. Daarbij is het

goed te weten dat er onderzoekers in participeren die afkomstig zijn uit de

historische wetenschappen en die de relatie met de sociale wetenschappen

inmiddels hebben gevonden, al behoeft ook hier de verbinding tussen de sociale

wetenschappen en de historische wetenschappen extra aandacht.

Een dergelijke inzet op een bundeling onder de vlag van stadsstudies is

overigens aan grenzen gebonden. Nestoren op het vlak van stadstudies, de

Amerikaan Herbert Gans en de Brit Ray Pahl, verwoordden al in 1988 dat de

kennis van en over de stad uiteindelijk niet vanuit de afgeslotenheid van stadsspecialismen

vanuit diverse disciplines tot bloei komt, maar uiteindelijk vereist

dat de basisdisciplines (sociologie, antropologie, psychologie, politieke wetenschappen)

zelf de lijnen uitzetten naar de stad als object van studie. 44 Dat was in

de naoorlogse sociologie en antropologie nog het geval. Voor de sociologie verwijs

ik naar studies Patterns of influence. Local and cosmopolitan influentials van Robert

Merton en Community conflict van James S. Coleman. Voor de politicologie naar de

studies van R.S. Lynd en H.M. Lynd over Middletown. 45 Dat herstel van aandacht

voor steden als relevante eenheden voor onderzoek ligt intussen niet gemakkelijk.

Het zijn nog steeds eenlingen die in de basisdisciplines een pleidooi houden voor

een dergelijke aandacht voor de ruimte-tijdspecifieke eenheden als de stad. Voor

de sociologie betreft dat Anthony Giddens en voor de economie Paul Krugman.

Intussen is er voor de sociale wetenschappen en voor de specialismen

binnen stadsstudies werk aan de winkel, als we – vanuit de onderhavige bundel –

waarnemen hoe ver de historici zijn gekomen in de richting van de sociale wetenschappen

en in de richting van de actuele stad, terwijl zeker in de stads studies in

Nederland de weg naar de kennis en het inzicht in de historische wetenschappen

nog aan het begin blijkt te staan.

288

/

289


Noten

1 Greep op de stad

1 Lucassen/Willems 2009.

2 Blockmans 2010.

3 Van der Cammen/De Klerk

2003.

4 Boelens/Taverne 2009.

5 Park/Burgess/McKenzie

1925.

6 Wirth 1938.

7 Webber 1964.

8 Castells 1996.

9 Boomkens 2006, p. 109.

10 Willems 2006, p. 13.

11 Jansen 1996; Mak 1996.

12 Harris/Smith 2011.

13 Taverne/Knevel/Dembski

2011.

14 Centraal Planbureau 2010.

15 Wetenschappelijke Raad

voor het Regeringsbeleid

1990.

16 Planbureau voor de Leefomgeving

2011.

17 Renes 2005.

18 De Klerk 2010.

19 Dérive (http://www.derive.

at); City (http://www.cityanalysis.net);

Ghent Urban

Studies Team (http://www.

gust.ugent.be); The Urban

Portal (http://urban.

uchicago.edu); UCL Urban

Laboratory (http://www.

ucl.ac.uk/urbanlab);

UCL Urban Studies MSc

(http://www.ucl.ac.uk/

urbanstudies).

20 Wagenaar 1990.

21 De Klerk 2008.

22 Van der Woud 1987.

23 Medema 2011.

24 Schlögel 2003.

25 Schlögel 2008.

26 Lindner 2007.

27 De Certeau 1974.

28 Frijhoff/Spies 1999;

Furnée/Taverne 2007.

29 Nio 1999, p. 610; Reijndorp

et al. 1998.

30 Lynch 1960.

31 Raban 1974.

32 Pleij 1988.

33 Pleij/Van Gemert/

Mathijsen 2009, p. 127.

34 Kemperink 2001.

35 Van Ulzen 2007.

36 Lindner 2003; Berking/Löw

2008; Löw 2008.

37 Lindner 2003.

38 Löw 2008.

39 North 1990.

40 Thelen 1999; Mahoney 2000.

41 Willems 2006, p. 12.

42 geciteerd in Van der

Cammen/De Klerk 2003,

p. 24.

2 Stadswording in Nederland

1 Rutte 2008; Abrahamse/

Baas/ Rutte 2009; Rijksdienst

voor het Cultureel Erf -

goed 2009, p. 123-126 en 274.

2 Abrahamse/Rutte 2011.

3 Rutte 2005.

4 Boerefijn 2005.

5 Van Essen/Hurx 2009;

Zweerink 2011.

6 Abrahamse 2010.

7 Renes 2005.

8 Thurkow 1984.

9 Sarfatij 1990.

10 Henderikx 2005.

11 Rutte 2002.

12 Rutte 2005.

13 Rutte 2009.

14 Rutte 1996.

15 De Pater 1989; Brand 2010.

16 Rutte 2006; Zweerink 2011.

17 Taverne 1978.

18 Van de Laar/Van Jaarsveld

2004; Speet 2010.

19 Abrahamse 2010.

20 Van Schuppen 2006.

21 Rutte 2006.

22 IJsselstijn 2011.

23 Blockmans 2010, p. 22-161.

24 De Neve/Van Heezik 2007;

Looper 2009.

25 Hoppenbrouwers 2002,

p. 26-51 en 267-279;

Weststrate 2008.

26 Borger et al. 2011, p. 35-50.

27 Brand 2011.

28 Lesger 1993.

29 De Vries 1984.

30 Van der Woud 1987,

p. 108-140.

31 Veenendaal 2004;

Wagenaar 2011, p. 124-142.

32 Knippenberg/De Pater

2002.

33 Cremers/Kaaij/

Steen bergen 1981.

34 Cavallo 2007.

35 De Klerk 2008.

36 De Smidt/Wever 1987,

p. 59-75.

37 Nijhof 1986.

38 De Smidt/Wever 1987,

p. 59-75.

39 De Haan 1990; Frank/

Haans/Ummels 1997.

40 De Haan 1986.

41 Schot et al. 2002, p. 12-73.

42 Niemeijer 2003.

43 Bosch/Van der Ham 1998,

p. 159-169.

44 Ubink/Van der Steeg 2011;

Wagenaar 2011.

45 Van der Cammen/De Klerk

2003, p. 163-231.

46 Suárez 2008.

47 Engel 2005.

Stedelijkheid in harmonie

en conflict

1 Boone/Prak 1996;

Dumolyn/Haemers 2012.

2 Thompson 1971.

3 Stabel 2004.

4 Schulz 1992.

5 Tilly 1990; Blockmans 1994;

Boone 2002.

6 Tilly 1990.

7 Tracy 1985; Van Zanden/

Prak 2006.

8 Van der Heijden et al. 2009.

9 Wyffels 1951; Boone 2009.

10 Gans 1962.

11 Bauman 1996; Bradley

1996; Jenkins 1996;

Woodward 2000.

12 Boone 1990; Dumolyn 1999;

Stabel 2007.

13 Van Zanden/Prak 2006.

14 Rosser 1997.

15 Coleman 1990; Putnam

1993.

16 Van Bavel 2010.

17 Gustafsson 1987;

Richardson 2004.

18 Stabel 2004.

19 Boone 1996.

20 Stabel 2004.

21 Stabel 2004.

22 Stabel 2007.

23 Gelderblom/Grafe 2010.

De topoi van de moderne

stad

1 Sanders 2001.

2 Van der Velden 2004.

3 Van Ulzen 2007.

4 Burgin 1996.

5 Deriu 2001, p. 798.

6 Rodwin/Hollister 1984.

7 Hillmann 2004.

8 Kooij 2004.

9 Vale/Warner 2001.

10 Simmel 1903.

11 Donald 1999.

12 Barber 2002.

13 Hirsh 2004.

Nederland stedenland

290

/

291


14 Lapedota 1997.

15 Benjamin 1999.

16 Savage 2000.

17 Buck-Morss 1989;

Hetherington 2005.

18 Lefebvre 1974.

19 De Certeau 1984.

20 Thomas 1975; Sadler 1998;

Pinder 2000; Wollen 2001.

21 Debord 1994.

22 Sorkin 2009, p. 85.

23 Raban 1974, p. 52.

24 Burgin 1996.

25 Harvey 1989.

26 Raban 1974.

27 Duncan 1990; Barnes/

Duncan 1992.

28 Gottdiener 1997.

29 Barthes 1957; Gottdiener/

Lagopoulos 1986.

30 Nas 1993.

31 Nas/Samuels 2006.

32 Reichl 1999; Dembski/Salet

2010; Reijndorp/Reinders

2010.

33 Mele 2000.

34 Trienekens/Dorresteijn/

Postma 2011.

35 Crimson Architectural

Historians/Rottenberg 2007.

36 Hekking/Lindemann/Meier

2010.

37 Zukin 1995.

38 King 1996.

39 Boyer 1994.

40 Zukin 1995.

41 Strauss 1961.

42 Gould/White 1974; Downs/

Stea 1977.

43 Lynch 1960.

44 Reinders 2011.

45 Rothuizen 2009.

46 Nio/Reijndorp/Veldhuis

2008.

47 Lindner 2006.

48 Furnée 2004.

49 Taverne/Visser 1993.

50 Frijhoff 1993.

51 Roding/Sneller/Thijs 2006.

52 Van de Laar 2004.

53 Van de Laar 2004, p. 39.

54 Van der Velden 2004, p. 77.

55 Meier/Reijndorp 2010.

56 Dormans 2008.

57 Nio/Reijndorp/Veldhuis

2008; Reijndorp/Reinders

2010.

58 Reinders/Bosch (in druk).

59 Jenks 1995.

60 Anderson 1983.

61 Shields 1996.

62 Shields 1996, p. 231.

63 Zukin 1996, p. 43.

Vroege stadswording in

Nederland

1 Boucheron/Menjot 2003.

2 Carver 1993, p. 13.

3 Otten 2003, p. 209-238;

Willems et al. 2005; De

Jonge/Bazelmans/De Jager

2006; Buijtendorp 2010;

Vanderhoeven 2011, p. 137.

4 Gauthier 1986; Gauthier/

Hellenkemper 2002;

Ristow 2007.

5 Lebecq 1990, p. 144.

6 Verhulst 1999, p. 2-7;

Plumier/Regnard 2005;

Theuws 2007.

7 Plumier et al. 2005.

8 Dijkman 1993; Dijkman/

Ervynck 1998; Van Wersch

2006.

9 Pol 1995.

10 Grierson 1959; Verhulst

1999, p. 29.

11 Theuws 2005, p. 103.

12 Ewig 1980, p. 46.

13 De Groot 2000; Van Vliet

2000a; Van Enckevort/

Thijssen 2002; Van Rooijen

2010.

14 Werner 1980.

15 Hodges 2000; Theuws 2004.

16 von Carnap-Bornheim

2007; Feveile 2010.

17 Coupland 2005; 2010, p. 97.

18 Theuws 2004; Skre 2007.

19 Lebecq 1991, p. 422.

20 Verhulst 1999, p. 45-46 en

150.

21 Sarfatij 1999b; Bartels

2006; Mittendorff 2007.

22 Verhulst 1999, p. 119-148.

23 Verhaeghe 2005, p. 259-261.

24 Blackmore 2002.

25 Tys 2010, p. 173-174.

26 Theuws 2005.

27 Theuws 2007.

28 Van Rooijen 2010.

29 Verhulst 1999.

30 Huijbers 2010.

31 Le Maho 2003, p. 240.

32 Verhulst 1999, p. 154.

33 Linssen 1962–1963; Spitzers

1996; Van Vliet 1996; Sarfatij

1999b; Bartels 2006; Mittendorff

2007.

34 Verkerk 1992; Huijbers 2010.

35 Van Vliet 2002, p. 241 en

296-299; Groothedde 2006.

36 Groothedde 2011, p. 62.

37 Theuws 2003 en 2004.

38 Den Hartog 1992; Laffineur-

Crepin 2000; Van Vliet

2000a; Van Rooijen 2010;

Henrard/Léotard 2011.

39 Bosman 1990; Den Hartog

2002.

40 Panhuysen 1991.

41 Hulst 1994.

42 Hackeng 2006, p. 31.

43 Leupen 1996.

44 Theuws 2005.

45 Mittendorff 2007.

46 Huijbers 2007 en (in druk).

47 Verhulst 1999, p. 134-137;

Blockmans 2010, p. 73-79,

p. 84-90.

48 Janssen 2007; Huijbers

2010.

49 Van Engen 2005, p. 67;

Blockmans 2010, p. 79-84.

50 Kruisheer 1988; Van Engen

2005.

51 Van Vliet 2000b; Flink/

Thissen 2001; Hoogewerf

2001, p. 4; Rutte 2002;

Thissen 2002; Van Engen

2005; Blockmans 2010,

p. 90-98.

52 Van Uytven 1992, p. 67-84.

53 Arts 1994.

54 Janssen 2007; Huijbers

2010, p. 227-228.

55 Van Drunen 2006; Craane

(in druk).

Macht en onmacht van de

stedenbouw

1 Uyttenhove 2006; Rienets/

Sigler/Christiaanse 2009.

2 Remy/Voyé 1981; Low 2000.

3 Vanstiphout 2005.

4 De Klerk/Van de Laar/

Moscoviter 2008.

5 Nieuwenhuis 1955.

6 Nieuwenhuis 1955.

7 Meyer 1983; Vervloesem

2009a.

8 Wubben 1986.

9 Van Heek 1936.

10 ‘Verboden voor Duitsers.

Katendrecht in Oorlogstijd’,

Andere Tijden (NPO/VPRO),

20 februari 2010.

11 Priemus 1978; Van den Bent

2011.

12 Buurtinformatie Rotterdam

Digitaal (http://rotterdam.

buurtmonitor.nl).

13 Vervloesem 2009b.

14 Crimson Architectural

Historians 2007.

15 Verstrate in deze bundel.

16 Crimson Architectural

Historians 2007, p. 70.


17 Het Vrije Volk, ‘Verbolgen

moeders zelf met bezems

naar het Afrikaanderplein.

“Speelplein wordt een

grote troep”’, 11 juni 1970.

18 Erkel/Yilgin 2010.

19 Vervloesem 2011.

20 Meyer 1990.

21 Armony 2004.

De ruimtelijke metamorfose

van Schiphol

1 Bontje 2003, p. 24.

2 Fuller/Harley 2004;

Schaaf sma/Amkreutz/

Güller 2008; Schaafsma

2011.

3 Urry 2000; Cwerner/

Kesselring/Urry 2009.

4 Gottmann 1961.

5 Bosma et al. 2009,

p. 165-168.

6 Bosma et al. 2009.

7 Burgers 2008; El Makhloufi/

Kaal 2011.

8 Bosma et al. 2009, p. 170.

9 North 1987 en 1990;

Lambooy 2002.

10 Bosma 2012.

11 Zukowsky 1996; Pearman

2004.

12 Dierikx 2008.

13 Bouwens/Dierikx 1996.

14 Pascoe 2001.

15 Salter 2008.

16 Bosma/Vos 2000.

17 Graham 2003 [2001].

De stad als sociaal lichaam

1 Jütte 1994.

2 Brinck 1927, p. 772-773.

3 Polman 1990, p. 24-26.

4 Spaans 1989, p. 185.

5 Ramakers 1998.

6 Ampzing 1628, p. 400-401.

7 Parker 2009.

8 Spaans 1989, p. 174-177;

Parker 1998, p. 75-97.

9 Parker 1998, p. 17-18; Lynch

2003, p. 103-104.

10 Lynch 2003, p. 103.

11 Benders/De Boer in deze

bundel.

12 Revius 1930 [1630], p. 52.

13 Coopmans 1964, p. 187-189.

14 Snyder 1960, p. 115 en 130;

Muller 1985, p. 57-60.

15 Spaans 1989, p. 166; Parker

1998, p. 52-54.

16 Parker 1998, p. 45.

17 Hammann 1997, p. 20.

18 Goudriaan 1996, p. 31.

19 Westerink 1985, p. 14-15.

20 Ligtenberg 1908, p. 130.

21 Swanson 1995, p. 298-299.

22 Kossmann-Putto 1982,

p. 260.

23 Harding 2002.

24 Dumbar 1732, p. 475.

25 Goudriaan 1996, p. 31.

26 Tervoort 2009, p. 96-98.

27 Coornhert 1985 [1587],

p. 34; Bejczy 1994, p. 308.

28 Coornhert 1985 [1587],

p. 68-69; Bejczy 1994, p. 305.

29 Van Doorninck 1876.

30 Noord-Hollands Archief,

Stadsbestuur van Haarlem

(Stadsarchief van Haarlem)

1573-1813, Stadspublicaties

004 Y.

31 Parker 1998, p. 12-13 en

17-18.

32 Const-thoonende iuweel

1607, f. Ddd1r.

33 Const-thoonende iuweel

1607, f. Ggg4v.-Hhh1v.

34 McCants 1997, p. 8.

35 Spaans 1989, p. 187-188.

Putten uit bronnen,

bronnen uit putten

1 Illi/Höfler 1992; De Mul/

Wander/Willemsen 1995;

Van Leeuwen 2005; Trio

2009.

2 Van Oosten 2011b.

3 Bartels 1999; Bitter/

Ostkamp/Roedema 2002.

4 Clevis 1990; Smit 2001;

Clazing 2007.

5 Kampman 1987; Cillekens/

Van den Boogaard/Gales

1988; Bokma 1999; Boekenoogen/d’Hollosy

2006.

6 Dumolyn 2005.

7 Nederman 2005, p. 32-33.

8 Le Goff/Truong 2004, p. 175.

9 Rothe 1971, p. 46, 52, 54-55

en 57.

10 Huang/Low 2008, p. 191.

11 Blockmans 1990.

12 Garrioch 1986; Lis/Soly

1993; Carlier 1997.

13 Van der Heijden et al. 2009.

14 Walle 2005; Van Meeteren

2006; Bogaers 2008.

15 Kolman 1993, p. 55.

16 Falk/Gläser/Moeck-

Schlömer 1999 [1989];

Boekenoogen/d’Hollosy

2006.

17 Stadboeken van Zwolle

1897, p. 568-569 (C punt

179) en 577-578.

18 Vannieuwenhuyze 2009,

p. 106 en 112 .

19 De Boer (in druk), nr. 36.

20 Koch [1988], p. 146-147.

21 Stadsarchief en Athe naeumbibliotheek

Deventer,

Rechterlijk Archief, inv.nr.

5a, 8, 20 (ca. 1426) en inv.nr.

19, fol. 30r (1447).

22 Stadsarchief en Athenaeumbibliotheek

Deventer,

Rechterlijk Archief, inv.nr.

48.a, tweede katern

(ongepagineerd).

23 Rechtsbronnen der stad

Harderwijk 1886, p. 18 (keur

123); Het recht der stad

Reimerswaal 1905, p. 118-

119 (keur 102); Gemeentearchief

Kampen, Oud

Archief, inv.nr. 8 (‘Digestum

Vetus’), fol. 77.

24 Robijn 2005, p. 129 en 150.

25 De Friesche stadrechten

1883, p. 127 (keur 216).

26 De Friesche stadrechten

1883, p. 228-229 (keuren 36

en 41); Falk/Gläser/Moeck-

Schlömer 1999 [1989],

p. 556.

27 Hoppenbrouwers 1985,

p. 102.

28 Jongen/De Boer (in druk),

nrs. 143, 267, 275, 455 en

489.

29 De Boer 1998, p. 217-218.

30 Hens et al. 1978, nrs. 86, 92,

159, 191, 215, 371, 399 en 480.

31 Verhoeven 1992, p. 262

(nr. 80).

32 Sauermann 1985, p. 9 en

18-24; Vogelzang [1956],

p. 188-195.

33 Zutphense Archeologische

Publicaties (http://subsites.

zutphen.nl/8051/

Publicaties_Archeologie_

Gemeente_Zutphen.html).

34 Benders (in druk); Regionaal

Archief Zutphen, Oud

Archief, inv.nrs. 1760-1762.

35 Magendans/Waasdorp

1986, p. 26.

36 Bartels 1999, p. 25.

37 Bartels 1999, p. 26-27;

Vermeulen 2006, p. 36, 49

en 198-228; Clazing 2007,

p. 69; Grimm 2010.

38 Marsilje 2002.

39 De Boer 1996, p. 26-27;

Marsilje 2002, p. 56.

Nederland stedenland

292

/

293


40 Groenveld 2003, p. 44-45.

41 Zimmerman 2007.

42 ’t Jong 2008.

43 Hamaker 1873, p. 6, 277 en

364; Van Oosten 2006;

2011b, p. 132-135.

44 Walle 2005, p. 118.

45 De Boer 1984.

46 Van Oosten 2011b.

47 De Boer 1983, p. 90.

48 Van Oosten 2011b, p. 123 en

127; 2011a.

49 Rechtsbronnen der stad

Haarlem 1911, p. 57 (keur

58), 61 (keur 68) en 321-322

(keur 39).

50 Rechtsbronnen van

Zierikzee 1908, p. 342.

51 Rechtsbronnen der stad

Amsterdam 1902, p. 100-101

(keur 159).

52 Deneweth 2008.

53 Sarfatij 1999a, p. 17.

54 Hens et al. 1978, nr. 144.

Spelen op het

Afrikaanderplein

1 Bouw/Karsten 2004.

2 Bouw/Karsten 2004.

3 Dasberg 1975.

4 Holloway/Valentine 2000.

5 Karsten 2002.

6 Gramsci 1971.

7 Burawoy 2003.

8 Morton/Morris/De Vries

2006.

9 Selten/Adriaanse/Becker

1996.

10 Gemeentearchief

Rotterdam (GAR), Archief

van de Vereeniging voor

Kinderspeeltuinen (331:1),

Notulen 1888.

11 Boon/Du Bois [ca. 1945].

12 GAR, Archief van de

Vereeniging voor

Kinderspeeltuinen (331:2),

Feuilleton ‘Speeltuinen’,

23 juni 1895, avondeditie

onbekende krant, p. 2.

13 GAR, Archief van de

Vereeniging voor

Kinderspeeltuinen (331:2),

krantenknipsel 1898.

14 GAR, Archief van de

Vereeniging voor

Kinderspeeltuinen (331:2),

krantenknipsel 1898.

15 Van Ravesteyn 1936.

16 Wolters 1998.

17 GAR (aanvraagnr. P 1471),

Binding: leidersblad van de

Rotterdamse Stichting tot

Coördinatie van het Buurt-

en Speeltuinwerk, 1958–

1980.

18 Archief van Speeltuinvereni

ging Afrikaanderplein,

50 jaar speeltuinvereniging

Afrikaanderplein,

jubileum boekje (ongepub liceerd)

2002.

19 Karsten 2002.

20 Archief Speeltuin Afri kaander

plein, ‘Clubgebouw

Afrikaanderplein geopend:

neutrale en katholieke

vereniging in een huis’,

onbekende krant, 1955.

21 Selten/Adriaanse/Becker

1996.

22 Verstrate/Karsten 2011.

23 Lefaivre/De Roode 2002;

Verstrate/Karsten 2011.

24 GAR (444.02– 230), Notulen

gemeenteraad Rotterdam,

31 oktober 1968; ‘C70:

Symbool van een herboren

stad’, Algemeen Dagblad, 4

november 1968.

25 GAR, Archief Stichting C70

(389-1/2) Brief aan de

burge meester van de

gemeentesecretaris m.b.t.

het ‘tienpleinenplan’,

28 april 1966.

26 GAR, Archief Stichting C70

(389-1/2) Notulen 1968.

27 GAR, Archief Stichting C70

(389-1/2) Notulen 1963.

28 ‘Achter speelplein zit een

hele filosofie’, Het Rotterdamsch

Parool, 10 mei 1969.

29 GAR, Archief Wijkcomité

Afrikaanderplein XXVI (414)

NIMO bulletin, vol. 3 nr. 1,

1969.

30 GAR, Archief Wijkcomité

Afrikaanderplein, XXVI

(414), notulen 1966–1974.

31 GAR, Archief Wijkcomité

Afrikaanderplein, XXVI

(414) ‘Afrikaanderplan –

beginpunt of eindpunt?’, 11

november 1968.

32 ‘Verbolgen moeders zelf

met bezems naar het Afrikaanderplein.

Speelplein

wordt een grote troep’, Het

Vrije Volk, 11 juni 1986.

33 Wolters 1998.

34 GAR (P 1722), ‘Pijnacker plein

doet het goed, maar pleinen

nieuwe stijl niet overal in

trek’, Wijk Wijs: informatie-

schakel van wijkorganen en

stedelijk Bestuur, nr. 17, 12

september 1974.

35 GAR (P 1722), ‘Pijnackerplein

doet het goed, maar

pleinen nieuwe stijl niet

overal in trek’, Wijk Wijs:

informatieschakel van wijkorganen

en stedelijk Bestuur,

nr. 17, 12 september 1974.

36 Bouw/Karsten 2004.

37 Dekker/Senstius 2001; Bet/

Hinterthür/Van Meijel 2007.

38 Crimson Architectural

Historians 2007.

39 Archief Speeltuin vere ni ging

Afrikaander plein. Interview

met F. Kriesch, 1989.

40 Archief Speeltuinvereni ging

Afrikaanderwijk, Jaar verslagen

1997–2000; 50 jaar

speeltuinvereniging

Afrikaanderplein, jubileumboekje

(ongepubliceerd)

2002.

41 Jansson 2010; Karsten 2010.

Van maagden en poorten

1 Scheppe/IUAV Class on

Politics of Representation

2009; Migropolis (http://

www.migropolis.com).

2 Lavedan 1954, pl. XXXII;

Smith 1974.

3 Newhauser 2007; Bejczy

2011.

4 Rudy 2011; Kirkland-Ives

2012.

5 Ramakers 1995 en 1996.

6 Smalley 1983 [1940].

7 Everaert 2005.

8 Everaert 2005, dl. II, p. 710

(vs. 43).

9 Everaert 2005, dl. II, p. 711

(vss. 68-69).

10 Everaert 2005, dl. II, p. 717

(vs. 20) en p. 722 (vs. 313).

11 Everaert 2005, dl. II, p. 722

(vss. 316-317).

12 Ramakers 1993.

13 Kernodle 1944.

14 Van den Vondel 1994.

15 Verbaan 2011.

16 Hughes 2011.

17 Gelderblom 1991, p. 85.

18 Van den Vondel 1929, p. 354.

19 Lauris Jansz. 1985;

Gelderblom 1991, p. 91.

20 Bussels 2012, p. 95.

21 Pouwels 1917; Waite 2000.

22 Ramakers 2008.


De relatie tussen plaats

en cultuur

1 United Nations 2010, p. 132.

2 Scott 2000.

3 Hall 1998; Scott 2000;

Simmie 2001; Scott 2008.

4 Israel 1995, p. 863.

5 Pratt 1997; Kloosterman

2004.

6 Schama 1987; Israel 1995,

p. 560.

7 Deinema/Kloosterman 2009

en Kloosterman (in druk).

8 Van der Groep 2010; Röling

2010.

9 Kloosterman (in druk).

10 GaWC (http://www.lboro.

ac.uk/gawc/world2008.

html).

11 Israel 1995, p. 863.

12 Arrighi 1994.

13 Currid 2007.

14 Prak 2010.

15 Schmidt 2006, p. 19-63.

16 Kloosterman 2008 en 2010.

17 Israel 1995, p. 571; Davids

2001.

18 Rasterhoff 2012.

19 Deinema 2012.

20 Rasterhoff 2012.

21 Montias 1987; Sluijter 2000.

22 Prak 2008.

23 Krätke 2003.

Chinatown op Katendrecht

1 Zukin 1998.

2 Shaw/Bagwell/Karmowska

2004.

3 Sorkin 1992.

4 Lefebvre 1974.

5 Hetherington 1997.

6 Shields 1991, p. 47.

7 Vervloesem 2009a.

8 Wubben 1986.

9 Vervloesem 2011.

10 Van Heek 1936.

11 Meeuwse 2000.

12 Chong 2005.

13 Meeuwse 2000.

14 Rijkschroeff 1998.

15 Jung 2007.

16 Chen 2000.

17 Wubben 1986.

18 Wubben 1986; Vervloesem

2009a.

19 Meyer 1983.

20 Van Lohuizen 1928.

21 Wubben 1986.

22 ‘Rotterdamse aquarellen.

Katendrecht’, Rotter damsch

Nieuwsblad, 24 september

1930, p. 19.

23 ‘De crisis en Katendrecht.

Onder de Chineezen’,

Rotterdamsch Nieuwsblad,

15 april 1932, p. 18.

24 ‘Katendrecht wordt een

klein-China. De v.v.v.-week

van 1935’, Rotterdamsch

Nieuwsblad, 28 augustus

1935, p. 13; GAR, Collectie

Bibliotheek, aanvraagnr.

P 1417, ‘De Officieele V.V.V.

Courant 1935’, p. 21.

25 Batto 2006.

26 ‘V.V.V.-impressies’,

Rotterdamsch Nieuwsblad,

13 september 1935, p. 13.

27 ‘In de Chinezenwijk’,

ongedateerd tijdschriftartikel.

28 ‘Katendrecht wordt een

klein-China. De v.v.v.-week

van 1935’, Rotterdamsch

Nieuwsblad, 28 augustus

1935, p. 13.

29 Rijkschroeff 1998.

30 Van de Laar 2000, p. 173.

31 Van Ulzen 2007, p. 59.

32 Vereeniging tot bevorde ring

van het Vreemdelingenverkeer

te Rotterdam, ‘Een

Rondvaart door de Rotterdamsche

Havens’, in

Zwagers’ groote gids voor

Rotterdam en omstreken,

Rotterdam 1927, p. 57-58.

33 ‘In de Chinezenwijk’,

ongedateerd tijdschriftartikel.

34 ‘Een vreemdeling bezoekt

Rotterdam. Geïmponeerd

door de veelzijdige bedrijvigheid’,

Rotterdamsch

Nieuws blad, 13 december

1937, p. 11.

35 Meeuwse 2000; Pang 2002;

Yeh 2002; Chong 2005.

36 Wubben 1986.

Vliegbeelden en

luchthaven steden

1 Urry 2007.

2 Schot/Lintsen/Rip/De la

Bruheze 2002; Güller/

Güller 2003; Van Wijk 2007;

Dierikx 2008; Schaafsma/

Amkreutz/Güller 2008;

Bosma et al. 2009; Schaafsma

2010; Kasarda/Lindsay

2011; Riemens 2011.

3 Burgers (in druk, a).

4 Pearman 2004.

5 Bosma/El Makhloufi in

deze bundel; ‘Bij de

pioniers op Schiphol.

Dellaert en Hofstra

vertellen’, Het Vaderland,

25 mei 1935.

6 Reiner/Hindery 1984.

7 Conway 1977.

8 Kasarda 2008.

9 Kasarda 2006.

10 Schiphol Group, Jaar verslag

2003, Schiphol [2004].

11 Webber 1964; Agnew/

Mercer/Sopher 1984;

Castells 1996.

12 Schiphol Group, Jaarverslag

2010, Schiphol [2011].

13 ‘Tippelzone achter douane

Schiphol door goedkope

vliegtickets’, NRC Handelsblad,

29 juli 2011.

14 Schiphol Group, Ruimtelijk

ontwikkelingsplan Schiphol

2015, [Schiphol] 2007;

Schaafsma/Amkreutz/

Güller 2008; Schaafsma

2010.

15 Schiphol Group, Ruimtelijk

ontwikkelingsplan Schiphol

2015, [Schiphol] 2007.

16 Interview met Jan Benthem,

14 november 2010.

17 Schiphol Group, Van

vliegweide tot AirportCity,

[Schiphol] 2012.

18 Strauss 1961; Burgers

(in druk, a).

19 Burgers (in druk, b).

20 Berkers/Burgers (in druk,

a en b).

21 Burgers (in druk, a).

De Nederlandse stad in

drie gouden eeuwen

1 Ultee 2001.

2 Berlin 1990; Toulmin 1990;

Berlin 2000.

3 Geertz 1983; Toulmin 1990.

4 Peterson 1981.

5 Hall/Soskice 2001.

6 Schlögel 2003.

7 Van Paassen 1980.

8 Pirenne 1952 [1925]; Weber

1958; Sjoberg 1960.

9 Kreukels/Simonis 1988.

10 Abu-Lughod 1989.

11 Abrahamse/Rutte in deze

bundel; Hall/Hay 1980;

De Vries 1984; Blockmans

2010.

12 Van Dillen 1970.

13 Van Dillen 1970.

Nederland stedenland

295

/

295


14 Taverne 1978.

15 Prak 2009.

16 Coleman 1982.

17 Coleman 1982 en 1990.

18 Van der Woud 1987 en 2006.

19 De Klerk 2008.

20 Van Zanden/Van Riel 2000.

21 De Klerk 1998 en 2008.

22 Rebel 1983.

23 Krueckeberg 1983.

24 Couperus 2009; Wolffram

2009; Den Hoed/Schouten

2010.

25 Den Hoed/Schouten 2010.

26 Constandse 1960.

27 Van Zanden/Griffiths 1989.

28 Schuyt/Taverne 2000.

29 Coleman 1982.

30 Westerman 1999.

31 Coleman 1990.

32 Zacher 1996.

33 Zacher 1996.

34 Zacher 1996.

35 Van de Wouden/De Bruijne

2001; De Groot et al. [2010].

36 Schuyt/Taverne 2000.

37 Wetenschappelijke Raad

voor het Regeringsbeleid

1990.

38 Van de Wouden/De Bruijne

2001.

39 De Groot et al. [2010].

40 Kreukels/Pollé 1997.

41 Constandse 1960.

42 Keil 2011.

43 Webber 1964, p. 84-87.

44 Rodwin/Hollister 1984.

45 Gans 1991; Pahl 1991.

46 Lynd/Lynd 1929 en 1937;

Coleman 1957; Merton 1957

[1949], p. 387-420.


Bibliografie

Abrahamse, J.E., De grote uitleg van Amsterdam.

Stadsontwikkeling in de zeventiende eeuw,

Bussum 2010

Abrahamse, J.E., R. Rutte, ‘Verstedelijking in

Neder land. Duizend jaar ruimtelijke

ontwikke ling bekeken en vergeleken’,

Historisch-geografisch Tijdschrift, 29 (2011)

nr. 3, p. 106-129

Abrahamse, J.E., H. Baas, R. Rutte, ‘Hollands

erfgoed. De stand van het onderzoek naar de

geschiedenis van architectuur, stedenbouw

en cultuurlandschap’, OverHolland, 8 (2009),

p. 86-114

Abu-Lughod, J.L., Before European hegemony.

The world system A.D. 1250–1350, New York

1989

Agnew, J.A., J. Mercer, D.E. Sopher (red.), The

city in cultural context, Boston/Londen 1984

Ampzing, S., Beschryvinge ende lof der stad

Haerlem in Holland, Haarlem 1628

Anderson, B., Imagined communities. Reflections

on the origin and spread of nationalism,

Londen 1983

Armony, A.C., The dubious link. Civic engagement

and democratization, Stanford, CA 2004

Arrighi, G., The long twentieth century. Money,

power and the origins of our times, Londen

1994

Arts (red.), N., Sporen onder de Kempische stad.

Archeologie, ecologie en vroegste geschiedenis

van Eindhoven, 1225–1500, Eindhoven 1994

Barber, S., Projected cities, Londen 2002

Barnes, T.J., J.S. Duncan, Writing worlds. Discourse,

texts and metaphor in the representation of

landscape, Londen/New York 1992

Bartels, M. (red.), Steden in scherven. Vondsten uit

beerputten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen

en Tiel (1250–1900), Zwolle 1999

Bartels, M. De Deventer wal tegen de Vikingen.

Archeologisch en historisch onderzoek naar

de vroegmiddeleeuwse wal en stadsmuren

(850–1900) en een vergelijking met andere

vroeg middel eeuwse omwalde nederzettingen,

Rapportages Archeologie Deventer 18,

Deventer 2006

Barthes, R., Mythologies, Parijs 1957

Batto, P.R.S., ‘The Diaolou of Kaiping (1842–1937).

Buildings for dangerous times’, China

Perspectives, 66 (2006), p. 2-17

Bauman, Z., ‘From pilgrim to tourist – or a short

history of identity’, in: P. du Gay, S. Hall (red.),

Questions of cultural identity, Londen 1996,

p. 18-36

Bavel, B. van, Manors and markets. Economy and

society in the Low Countries, 500–1600, Oxford

2010

Bejczy, I.P., Pape Jansland en Utopia. De

verbeelding van de beschaving van middeleeuwen

en renais sance, proefschrift,

Katholieke Universiteit Nijmegen 1994

Bejczy, I.P., The cardinal virtues in the Middle Ages.

A study in moral thought from the fourth to the

fourteenth century, Leiden 2011

Benders, J.F., ‘Nachbarn und Behörde. Formen

und Funktionen in den Vierteln und Nachbarschaften

in spätmittelalterlichen und

frühneuzeitlichen Städten im Osten und

Norden der Niederlande anhand der Fälle

Zutphen und Groningen’, in: H. Brand,

S. Rabeler, H. von Seggern (red.), Gelebte

Normen im urbanen Raum? Zur sozial- und

kulturgeschichtlichen Analyse rechtlicher

Quellen in Städten des Hanseraums (13. bis 16.

Jahrhundert), Hilversum (in druk)

Benjamin, W., The arcades project, red. R.

Tiedemann, Cambridge, MA/Londen 1999

Bent, E. van den, Proeftuin Rotterdam. Droom en

daad tussen 1975 en 2005, Amsterdam 2011

Berkers, M., I. Burgers, ‘Massastructuren.

Architectuur in een race tegen de klok’, in:

K. Bosma (red.), Schiphol megastructuur.

Ontwerp in spectaculaire eenvoud, Rotterdam

(in druk, a)

Berkers, M., I. Burgers, ‘Twee generaties

functionalistisch ontwerpen aan een

drempelwereld’, K. Bosma (red.), Schiphol

megastructuur. Ontwerp in spectaculaire

eenvoud, Rotterdam (in druk, b)

Berking, H., M. Löw (red.), Die Eigenlogik der

Städte. Neue Wege für die Stadtforschung,

Frankfurt am Main 2008

Berlin, I., The crooked timber of humanity.

Chapters in the history of ideas, red. H. Hardy,

Londen 1990

Berlin, I., Three critics of the Enlightenment. Vico,

Hamann, Herder, red. H. Hardy, Londen 2000

Bet, E., H. Hinterthür, L. van Meijel,

Afrikaanderwijk. Cultuurhistorische en

ruimtelijke karakteristiek, Rotterdam 2007

Bitter, P., S. Ostkamp, R. Roedema, De beerput

als bron. Archeologische vondsten van het

dagelijks leven in het oude Alkmaar, Alkmaar

2002

Blackmore, L., ‘The origins and growth of

Lundenwic, a mart of many nations’, in:

B. Hårdh, L. Larsson (red.), Central places in

the migration and Merovingian periods. Papers

from the 52nd Sachsensymposium, Lund,

August 2001, Stockholm 2002, p. 273-301

Blockmans, W.P., ‘Vete, partijstrijd en

staatsmacht. Een vergelijking (met de

nadruk op Vlaanderen)’, in: J.W. Marsilje

(red.), Bloedwraak, partijstrijd en pacificatie in

laat-middeleeuws Holland, Hilversum 1990,

p. 9-33

Blockmans, W.P., ‘Voracious states and obstructing

cities. State formation in preindustrial

Europe’, in: C. Tilly, W.P. Blockmans (red.),

Cities and the rise of states in Europe, A.D. 1000

to 1800, Boulder, CO/Oxford 1994, p. 218-250

Blockmans, W.P., Metropolen aan de Noordzee.

De geschiedenis van Nederland, 1100–1560,

Amsterdam 2010

Nederland stedenland

297

/

297


Boekenoogen, G., T. d’Hollosy, ‘Als het kalf...

Inventarisatie van waterputten uit opgravingen

binnen de tweede omwalling van Amers foort’,

Flehite. Historisch jaarboek voor Amersfoort

en omstreken, 7 (2006), p. 6-27

Boelens, L., E. Taverne, ‘Waarom steden als

delta’s floreren. De verstedelijking van de

Eurodelta’, in: L. Lucassen, W. Willems (red.),

Waarom mensen in de stad willen wonen,

1200–2010, Amsterdam 2009, p. 229-258

Boer, D.E.H. de, ‘Beerputten in Leiden.

Historische kanttekeningen ten aanzien van

aanleg en verbreiding’, in: D.E.H. de Boer,

L. Barendregt, H. Suurmond-Van Leeuwen

(red.), Bodemonderzoek in Leiden. Archeologisch

jaarverslag 1982, Leiden 1983, p. 89-92

Boer, D.E.H. de, ‘Het Leids medisch “netwerk”

omstreeks 1465’, Leids Jaarboekje, 76 (1984),

p. 60-77

Boer, D.E.H. de, ‘De hertog van Egypte en de

Oosterlingen. Vreemdelingen en nieuw komers

in middeleeuws Leiden’, in: J. Moes, et al.

(red.), In de nieuwe stad. Nieuwkomers in

Leiden, 1200–2000, Leiden 1996, p. 13-38

Boer, D.E.H. de, ‘Mirakels mooi. Groningers en

wonderen in de dertiende tot vijftiende

eeuw’, in: D.E.H. de Boer, R.I.A. Nip, R.W.M.

van Schaïk (red.), Het Noorden in het midden.

Opstellen over de geschiedenis van de Noord-

Nederlandse gewesten in Middeleeuwen en

Nieuwe Tijd, Assen 1998, p. 200-224

Boer, D.E.H. de (red.), Het Gulden Boeck van

Halle. De privileges en wonderen van het Onze

Lieve Vrouwe Beeld in de St. Maartenskerk te

Halle, voorlopige titel, s.l. (in druk)

Boerefijn, W., ‘De totstandkoming van de stedelijke

vorm’, in: R. Rutte, H. van Engen (red.),

Stadswording in de Nederlanden. Op zoek naar

overzicht, Hilversum 2005, p. 123-142

Bogaers, L., Aards, betrokken en zelfbewust. De

verwevenheid van cultuur en religie in katholiek

Utrecht, 1300–1600, 2 dln., Utrecht 2008

Bokma, J.G., ‘Het befaamde Utrechtse pompwater’,

Oud-Utrecht, 72 (1999) nr. 6, p. 125-130

Bontje, M., ‘Onbegrensde deconcentratie? De

mythe van het stedelijk veld’, Agora, 19 (2003)

nr. 3, p. 24-27

Boomkens, R., De nieuwe wanorde. Globalisering

en het einde van de maakbare samenleving,

Amsterdam 2006

Boone, M., Gent en de Bourgondische hertogen, ca.

1384–ca. 1455. Een sociaal-politieke studie van

een staatsvormingsproces, Brussel 1990

Boone, M., ‘Les gens de métiers à l’époque

corporative à Gand et les litiges professionnels

(14ième–15ième siècles)’, in: M. Boone (red.),

Statuts individuels, statuts corporatifs et

statuts judiciaires dans les villes européennes

(moyen âge et temps modernes), Leuven/

Apeldoorn 1996, p. 23-48

Boone, M., ‘“Cette frivole, dampnable et desraison

nable bourgeoisie”. De vele gezichten

van het laatmiddeleeuwse burgerbegrip in

de Zuidelijke Nederlanden’, in: J. Kloek, K.

Tilmans (red.), Burger. Een geschiedenis van

het begrip ‘burger’ in de Nederlanden van de

Middeleeuwen tot de 21ste eeuw, Amsterdam

2002, p. 33-53

Boone, M., ‘De gewenste vreemdeling.

Aantrekken en afstoten in de middeleeuwse

stad’, in: L. Lucassen, W. Willems (red.),

Waarom mensen in de stad willen wonen,

1200–2010, Amsterdam 2009, p. 42-58

Boon, M., J. du Bois, Spel en speeltuin,

Amsterdam [ca. 1945]

Boone, M., M. Prak (red.), Statuts individuels,

statuts corporatifs et statuts judiciaires dans

les villes européennes (moyen âge et temps

modernes), Leuven/Apeldoorn 1996

Borger, G., et al., ‘Twaalf eeuwen ruimtelijke

transformatie in het westen van Nederland in

zes kaartbeelden. Landschap, bewoning en

infrastructuur in 800, 1200, 1500, 1700, 1900

en 2000’, OverHolland, 10/11 (2011), p. 5-125

Bosch, A., W. van der Ham, Twee eeuwen

Rijkswaterstaat, 1798–1998, Zaltbommel 1998

Bosma, K. (red.), Schiphol megastructuur. Ontwerp

in spectaculaire eenvoud, Rotterdam 2012

Bosma, K. et al., ‘De Schiphol-regio als “nevelstad”.

Een nieuwe benadering van stedelijke

transformaties in de late twintigste eeuw’,

Stadsgeschiedenis, 4 (2009) nr. 2, p. 165-190

Bosma, K., M. Vos, ‘Een Amsterdamse snelweg

door de lucht. De hoofdstad van Nederland

en de nationale luchthaven 1919–1999’,

Holland, Historisch Tijdschrift, 32 (2000)

nr. 3-4, p. 183-205

Bosman, A.F.W., De Onze Lieve Vrouwekerk te

Maastricht. Bouwgeschiedenis en historische

betekenis van de oostpartij, Zutphen 1990

Boucheron, P., D. Menjot, m.m.v. M. Boone, ‘La

ville médiévale’, in: J.-L. Pinol (red.), Histoire

de l’Europe urbaine 1. De l’Antiquité au XVIIIe

siècle, Parijs 2003, p. 285-592

Bouw, C., L. Karsten, Stadskinderen. Verschillende

generaties over de dagelijkse strijd om

ruimte, Amsterdam 2004

Bouwens, A.M.C.M., M.L.J. Dierikx, Op de

drempel van de lucht. Tachtig jaar Schiphol,

Den Haag 1996

Boyer, M.C., The city of collective memory. Its

historical imagery and architectural entertainments,

Cambridge, MA 1994

Bradley, H., Fractured identities. Changing

patterns of inequality, Cambridge 1996

Brand, N., ‘De opkomst van de Randstad. Een

verkenning volgens de ranksize rule

(11de–21ste eeuw)’, OverHolland, 9 (2010),

p. 55-80

Brand, N., ‘Waterwegen en stedelijke belangen.

De invloed van infrastructuur op het Hollandse

stedenpatroon (1200–1560)’, OverHolland,

10/11 (2011), p. 127-147

Brinck, E., ‘Itinerarium’, Opgang. Geïllustreerd

weekblad voor godsdienst, wetenschap, kunst,

staatkunde, economie, techniek, nijverheid,


handel, industrie, 7 (1927) nr. 46, p. 772-773

Buck-Morss, S., The dialectics of seeing. Walter

Benjamin and the Arcades project, Cambridge,

MA 1989

Buijtendorp, T.M., Forum Hadriani. De vergeten

stad van Hadrianus. Ontwikkeling, uiterlijk en

betekenis van het ‘Nederlands Pompeji’, proefschrift,

Vrije Universiteit Amsterdam 2010

Burawoy, M., ‘For a sociological marxism. The

complementary convergence of Antonio

Gramsci and Karl Polanyi’, Politics and Society,

31 (2003) nr. 2, p. 193-261

Burgers, I., ‘Transient glamour. The filmic

representation of airports and its relation to

real life architectural developments’, in: J.

Hallam et al. (red.), Cities in film. Architecture,

urban space and the moving image, Liverpool

2008, p. 57-63

Burgers, I., ‘Groet van Schiphol! Het beeld van

luchthaven Schiphol in prentbriefkaarten,

1921–1997’, in: K. Bosma (red.), Schiphol

mega structuur. Ontwerp in spectaculaire

eenvoud, Rotterdam (in druk, a)

Burgers, I., Larger than life. The multidimensional

manifestations of Schiphol Airport in image and

architecture, proefschrift, Vrije Universiteit

Amsterdam (in druk, b)

Burgin, V., Some cities, Berkeley 1996

Bussels, S., Spectacle, rhetoric and power. The

triumphal entry of Prince Philip of Spain into

Antwerp, Amsterdam/New York 2012

Cammen, H. van der, L. de Klerk, Ruimtelijke

ordening. Van grachtengordel tot Vinex-wijk,

Utrecht 2003

Carlier, M., ‘Solidariteit of sociale controle? De

rol van vrienden en magen en buren in een

middeleeuwse stad’, in: M. Carlier et al.

(red.), Hart en marge in de laat-middeleeuwse

stedelijke maatschappij, Leuven/Apeldoorn

1997, p. 71-92

Carnap-Bornheim, C. von, Hedeby’s settlement

and harbour. Recent research in a Viking age

trading center, Amsterdam 2007

Carver, M., Arguments in stone. Archaeological

research and the European town in the first

millennium, Oxford 1993

Castells, M., The rise of the network society,

Malden, MA 1996

Cavallo, R., ‘De spoorwegen en de Nederlandse

stad’, OverHolland, 5 (2007), p. 42-59

Centraal Planbureau, The Netherlands in 2040,

Den Haag 2010

Certeau, M. de, La culture au pluriel, Parijs 1974

Certeau, M. de, The practice of everyday life,

Berkeley/Londen 1984

Chen, Y., Chinese San Francisco, 1850–1943. A

trans-Pacific community, Stanford, CA 2000

Chong, Y., De Chinezen van de Binnen Bantammerstraat.

Een geschiedenis van drie generaties,

Amsterdam 2005

Cillekens, C., J. van den Boogaard, B. Gales, Loop

naar de pomp. Geschiedenis van de water-

voorziening en de waterleiding in Maastricht,

Vierkant Maastricht 11, Maastricht 1988

Clazing, A., ‘De stad en het vuil. Een onderzoek

naar beerputten en afval’, Flehite. Historisch

jaarboek voor Amersfoort en omstreken, 8

(2007), p. 66-83

Clevis, H., Nijmegen. Investigations into the historical

topography and development of the Lower

Town between 1300 and 1500, proefschrift,

Rijksuniversiteit Utrecht 1990

Coleman, J.S., Community conflict, Glencoe, IL

1957

Coleman, J.S., The asymmetric society, Syracuse,

NY 1982

Coleman, J.S., Foundations of social theory,

Cambridge, MA 1990

Constandse, A.K., Het dorp in de IJsselmeer polders.

Sociologische beschouwingen over de nieuwe

plattelandscultuur en haar implicaties voor de

planologie van de droog te leggen IJsselmeerpolders,

Zwolle 1960

Conway, H.M., The airport city and the future intermodal

transportation system, Atlanta, GA 1977

Coopmans, J.P.A., De rechtstoestand van de godshuizen

te ’s-Hertogenbosch vóór 1629, Leuven

1964

Coornhert, D.V., Boeventucht, red. A.J. Gelderblom,

M. Meijer Drees, Muiderberg 1985

[1587]

Couperus, S., De machinerie van de stad. Stadsbestuur

als idee en praktijk, Nederland en

Amsterdam 1900–1940, Amsterdam 2009

Coupland, S., ‘Charlemagne’s coinage. Ideology

and economy’, in: J. Story (red.),

Charlemagne. Empire and society, Manchester

2005, p. 211-229

Coupland, S., ‘Boom and bust at 9th-century

Dorestad’, in: A. Willemsen, H. Kik (red.),

Dorestad in an international framework. New

research on centres of trade and coinage in

Carolingian times, Turnhout 2010, p. 95-103

Craane, M.L., Spatial patterns. The economy of the

Bailiwick of ’s-Hertogenbosch in the late

medieval period from an interregional, regional

and local spatial perspective, proefschrift,

Tilburg University (in druk)

Cremers, E., F. Kaaij, C.M. Steenbergen, Bolwerken

als stadsparken. Nederlandse stadswande lin gen

in de 19e en 20e eeuw, Delft 1981

Crimson Architectural Historians, Sociologica.

Een simpele strategie voor vernieuwing van de

Afrikaanderwijk, Rotterdam 2007

Crimson Architectural Historians, F. Rottenberg,

WiMBY! Hoogvliet. Toekomst, verleden en

heden van een New Town, of: Het grote WiMBY

boek, Rotterdam 2007

Currid, E., The Warhol economy. How fashion, art,

and music drive New York City, Princeton 2007

Cwerner, S., S. Kesselring, J. Urry (red.),

Aeromobilities, Londen 2009

Dasberg, L., Grootbrengen door kleinhouden als

historisch verschijnsel, Meppel 1975

Nederland stedenland

298

/

299


Davids, K., ‘Amsterdam as a centre of learning in

the Dutch golden age, c. 1580–1700’, in:

P. O’Brien (red.), Urban achievement in early

modern Europe. Golden ages in Antwerp,

Amsterdam and London, Cambridge 2001,

p. 305-325

Debord, G., The society of the spectacle, New York

1994

Deinema, M., R.C. Kloosterman, ‘De stad en de

kunst van het verdienen. Culturele industrieën

in twintigste-eeuws Nederland’, in: L. Lucassen,

W. Willems (red.), Waarom mensen in de

stad willen wonen, 1200–2010, Amsterdam

2009, p. 200-228

Deinema, M., The culture business caught in place.

Spatial trajectories of Dutch cultural industries,

1899–2005, proefschrift, Universiteit van

Amsterdam 2012

Deinema, M., R.C. Kloosterman, ‘Historical

trajectories and urban cultural economies in

the Randstad megacity region. Cultural

industries in Dutch cities since 1900’, in:

J. Klaesson et al. (red.), Metropolitan regions.

Preconditions and strategies for growth and

development in the global economy, Berlijn (in

druk)

Dekker, J., B. Senstius, De tafel van spruit. Een

multiculturele safari in Rotterdam, Amster dam

2001

Dembski, S., W. Salet, ‘The transformative

potential of institutions. How symbolic

markers can institute new social meaning in

changing cities’, Environment and Planning A,

42 (2010) nr. 3, p. 611-625

Deneweth, H., Huizen en mensen. Wonen,

verbouwen, investeren en lenen in drie Brugse

wijken van de late middeleeuwen tot de

negentiende eeuw, proefschrift, Vrije

Universiteit Brussel 2008

Deriu, D., ‘Opaque and transparent. Writings on

urban representations and imaginations’,

Journal of Urban History, 27 (2001) nr. 6,

p. 794-803

Dierikx, M., Luchtspiegelingen. Cultuur geschiedenis

van de luchtvaart, Amsterdam 2008

Dijkman, W., ‘La céramique du Haut Moyen Age à

Maastricht. Tradition et innovation’, in:

D. Piton (red.), Travaux du groupe de recherches

et d’études sur la céramique dans le Nord- Pasde-Calais.

La céramique du Vième au Xième

siècle dans l’Europe du Nord-Ouest, Bercksur-Mer

1993, p. 217-225

Dijkman, W., A. Ervynck, Antler, bone, horn, ivory

and teeth. The use of animal skeletal materials

in Roman and early Medieval Maastricht,

Maastricht 1998

Dillen, J.G. van, Van rijkdom en regenten. Hand boek

tot de economische en sociale geschiedenis van

Nederland tijdens de Republiek, ’s-Graven hage

1970

Donald, J., Imagining the modern city, Londen

1999

Doorninck, J.I. van, ‘Almissers Ordeninge der

Stadt Deventer’, Bijdragen tot de geschiedenis

van Overijssel, 3 (1876), p. 281-298

Dormans, S., Narrating the city. Urban tales from

Tilburg and Almere, proefschrift, Radboud

Universiteit Nijmegen 2008

Downs, R.M., D. Stea (red.), Maps in minds.

Reflections on cognitive mapping, New York

1977

Drunen, A. van, ’s-Hertogenbosch van straet tot

stroom, Zwolle/Zeist 2006

Dumbar, G., Het kerkelyk en wereltlyk Deventer,

Deventer 1732

Dumolyn, J., ‘Population et structures professionelles

à Bruges aus XIV e et XV e siècles’,

Revue du Nord, 81 (1999) nr. 329, p. 43-64

Dumolyn, J., ‘Organische intellectuelen in het

politieke lichaam. De staatsideologie van de

laatmiddeleeuwse Bourgondische

ambtenaren’, Revue Belge de Philologie et

d’Histoire, 83 (2005) nr. 4, p. 1077-1102

Dumolyn, J., J. Haemers, ‘A bad chicken was

brooding. Subversive speech in late medieval

Flanders’, Past and Present, 214 (2012),

p. 45-86

Duncan, J.S., The city as text. The politics of landscape

interpretation in the Kandyan Kingdom,

Cambridge 1990

El Makhloufi, A., H. Kaal, ‘From airfield to airport.

An institutionalist-historical approach to the

early development of Amsterdam Airport

Schiphol, 1916–1940’, Journal of Urban History,

37 (2011) nr. 4, p. 497-518

Enckevort, H. van, J. Thijssen (red.), Cuijk. Een

regionaal centrum in de Romeinse tijd, Utrecht

2002

Engel, H., ‘Randstad Holland in kaart’, Over Holland,

2 (2005), p. 21-70

Engen, H. van, ‘Geen schraal terrein. Stads rechten

en het onderzoek naar stadswording’, in:

R. Rutte, H. van Engen (red.), Stadswording in

de Nederlanden. Op zoek naar overzicht,

Hilversum 2005, p. 63-86

Erkel, A., S. Yilgin, Generatie Yep. De opkomst van

de Young Ethnic Professionals, Rotterdam 2010

Essen, G. van, M. Hurx, ‘Ontwerpen en bouwen in

de Hollandse stad (deel I)’, OverHolland, 8

(2009), p. 3-30

Everaert, C., De Spelen van Cornelis Everaert, red.

W.N.M. Hüsken, 2 dln., Hilversum 2005

Ewig, E., Rheinische Geschichte 1. Teilband 2.

Frühes Mittelalter, red. F. Petri, 3 dln.,

Düsseldorf 1980

Falk, A., M. Gläser, C. Moeck-Schlömer, ‘Wasserversorgung

und Abfallbeseitigung’, in:

J. Bracker (red.), Die Hanse. Lebens wirk lich keit

und Mythos, 3e ed., Lübeck 1999 [1989],

p. 553-559

Feveile, C., ‘Ribe. Emporium and town in the

8th-9th century’, in: A. Willemsen, H. Kik (red.),

Dorestad in an international framework. New

research on centres of trade and coinage in


Carolingian times, Turnhout 2010, p. 142-148

Flink, K., B. Thissen, ‘De Gelderse steden in de

Middeleeuwen. Data en feiten, aspecten en

suggesties’, in: J. Stinner, K.-H. Tekath (red.),

Gelre, Geldern, Gelderland. Geschiedenis en

cultuur van het hertogdom Gelre 1. Historische

bijdragen, Geldern 2001, p. 205-241

Frank, C., F. Haans, H. Ummels, Apeldoorn. Architectuur

en stedenbouw, 1850–1940, Zwolle 1997

De Friesche stadrechten, red. A. Telting,

’s-Graven hage 1883

Frijhoff, W., ‘Ritual action and city history.

Haarlem, Amsterdam and Hasselt’, in: H. de

Mare, A. Vos (red.), Urban rituals in Italy and

the Netherlands. Historical contrasts in the use

of public space and the urban environment,

Assen 1993, p. 93-106

Frijhoff, W., M. Spies, 1650. Bevochten eendracht,

Den Haag 1999

Fuller, G., R. Harley, Aviopolis. A book about

airports, Londen 2004

Furnée, J.H., ‘Beeld, ruimte en maatschappij.

Nieuwe wegen in de Nederlandse stadsgeschiedschrijving’,

Groniek, 162 (2004),

p. 9-27

Furnée, J.H., E. Taverne, ‘De herinnering aan de

stad is eindig. Interview met historicus

Willem Frijhoff’, Stadsgeschiedenis, 2 (2007)

nr. 1, p. 66-80

Gans, H.J., The urban villagers. Group and class in

the life of Italian-Americans, New York 1962

Gans, H.J., ‘Worksharing and basic urban

problems’, in: C. de Wit, G. Jansen, J. Turpijn-

Van Duinen (red.), Themes for urban studies.

Report of the International Symposium at

Utrecht, the Netherlands on Contemporary

urbanism and its ways of life, October 6, 1988,

Utrecht 1991, p. 5-19

Garrioch, D., Neighbourhood and community in

Paris, 1740–1790, Cambridge 1986

Gauthier, N., Provinces écclésiastique de Trèves

(Belgica Prima), Topographie chrétienne des

cités de la Gaule des origines au milieu du

VIIIe siècle 1, Parijs 1986

Gauthier, N., H. Hellenkemper, ‘Cologne’, in:

N. Gauthier et al. (red.), Province ecclesiastique

de Cologne (Germania Secunda), Topographie

chrétienne des cités de la Gaule des origines

au milieu du VIIIe siècle 12, Parijs 2002,

p. 25-69

Geertz, C., Local knowledge. Further essays in

interpretive anthropology, New York 1983

Gelderblom, A.J., Mannen en maagden in Hollands

tuin. Interpretatieve studies van Nederlandse

letterkunde 1575–1781, Amsterdam 1991

Gelderblom, O., R. Grafe, ‘The rise and fall of the

merchant guilds. Re-thinking the comparative

study of commercial institutions in premodern

Europe’, Journal of Interdisciplinary History,

40 (2010) nr. 4, p. 477-511

Gottdiener, M., A.P. Lagopoulos (red.), The city

and the sign. An introduction to urban semiotics,

New York 1986

Gottdiener, M., The theming of America. Dreams,

visions, and commercial spaces, Boulder, CO

1997

Gottmann, J., Megalopolis. The urbanized northeastern

seaboard of the United States, New

York 1961

Goudriaan, K., ‘Gilden en broederschappen in de

Middeleeuwen’, in: K. Goudriaan et al. (red.),

De gilden in Gouda, Zwolle 1996, p. 21-64

Gould, P., R. White, Mental maps, Harmonds worth

1974

Graham, A., Managing airports. An international

perspective, 2e ed., Amsterdam/Londen 2003

[2001]

Gramsci, A., Selections from the prison notebooks

of Antonio Gramsci, red. Q. Hoare, G. Nowell-

Smith, Londen 1971

Grierson, P., ‘Commerce in the dark ages. A

critique of the evidence’, Transactions of the

Royal Historical Society, 9 (1959), p. 123-140

Grimm, J.M., Animal keeping and the use of animal

products in medieval Emden (Lower Saxony,

Germany), proefschrift, Rijks univer si teit

Groningen 2010

Groenveld, S. (red.), Leiden. De geschiedenis van

een Hollandse stad 2. 1574–1795, Leiden 2003

Groep, R. van der, ‘“Breaking out” and “breaking

in”. Changing firm strategies in the Dutch

audiovisual industry’, Regional Studies, 44

(2010) nr. 7, p. 845-858

Groot, H.L. de, ‘Van strijdhamer tot bisschopsstaf.

De vroegste geschiedenis tot circa 925’,

in: R.E. de Bruin (red.), “Een paradijs vol

weelde”. Geschiedenis van de stad Utrecht,

Utrecht 2000, p. 10-43

Groot, H. de et al., Stad en land, CPB Bijzondere

Publicaties 89, ’s-Gravenhage [2010]

Groothedde, M., ‘Van koningspalts tot tegenkoningpalts’,

Bijdragen en Mededelingen Gelre,

97 (2006), p. 131-140

Groothedde, M., De vorstelijke palts van Zutphen.

De uitwerking van de opgravingen van 1946 en

1993 t/m 1999 op en rond het plein ’s-Gravenhof

te Zutphen, Zutphense Archeologische

Publicaties 66, Zutphen 2011

Güller, M., M. Güller, From airport to airport cities,

Barcelona 2003

Gustafsson, B., ‘The rise and economic behaviour

of medieval craft guilds. An economictheoretical

interpretation’, Scandinaivian

Economic History Review, 35 (1987) nr. 1,

p. 1-40

Haan, J. de, Villaparken in Nederland. Een

onderzoek aan de hand van het villapark Duin

en Daal te Bloemendaal 1897–1940, Haarlem

1986

Haan, J. de, Gooische villaparken. Ontwikkeling

van het buitenwonen in het Gooi tussen 1874 en

1940, Haarlem 1990

Hackeng, R., Het middeleeuwse grondbezit van het

Sint-Servaaskapittel te Maastricht in de regio

Maas-Rijn, Maastricht 2006

Nederland stedenland

300

/

301


Hall, P., D. Hay, Growth centres in the European

urban system, Londen 1980

Hall, P., Cities in civilization, New York 1998

Hall, P.A., D. Soskice, Varieties of capitalism.

The institutional foundations of comparative

advantage, Oxford/New York 2001

Hamaker, H.G. (red.), De Middeneeuwsche keurboeken

van de stad Leiden, Leiden 1873

Hammann, P.E., “Cameren met hoiren erve

geheiten Dirc van Bakenesse Cameren, liggende

ende staende in Dirc van Bakenessen-stege,

die nu den naem van Wijde Appelaers-steeg

draegt”. Verleden, heden en toekomst van het

Hofje de Bakenesserkamer, Haarlem 1997

Harding, V., The dead and the living in Paris and

London, 1500–1670, Cambridge 2002

Harris,, R., M.E. Smith, ‘The history in urban

studies. A comment’, Journal of Urban Affairs,

33 (2011) nr. 1, p. 99-105

Hartog, E. den, Romanesque Architecture and

Sculpture in the Meuse Valley, Leeuwarden 1992

Hartog, E. den, Romanesque sculpture in Maastricht,

Maastricht 2002

Harvey, D., The condition of postmodernity. An

enquiry into the origins of cultural change,

Malden, MA/Oxford 1989

Heek, F. van, Chineesche immigranten in Nederland,

Amsterdam 1936

Heijden, M. van der et al. (red.), Serving the urban

community. The rise of public facilities in the

Low Countries, Amsterdam 2009

Hekking, V., S. Lindemann, A. Meier, Optrek in

Transvaal. Over de rol van publieke kunst in de

stedelijke ontwikkeling; interventies en onderzoek,

Heijningen 2010

Henderikx, P., ‘Graaf en stad in Holland en

Zeeland’, in: R. Rutte, H. van Engen (red.),

Stadswording in de Nederlanden. Op zoek naar

overzicht, Hilversum 2005, p. 47-62

Henrard, D., J.-M. Léotard, ‘Liège au Haut Moyen

Âge. Un état de la question’, in: T.A.S.M.

Panhuysen (red.), Transformations in North-

Western Europe (AD 300–1000). Proceedings of

the 60th Sachsensymposion 19.-23. September

2009 Maastricht, Hannover 2011, p. 47-54

Hens, H. et al., Mirakelen van Onze Lieve Vrouw te

’s-Hertogenbosch, 1381–1603, Tilburg 1978

Hetherington, K., The badlands of modernity.

Heterotopia and social ordering, Londen/New

York 1997

Hetherington, K., ‘Memories of capitalism. Cities,

phantasmagoria and arcades’, International

Journal of Urban and Regional Research, 29

(2005) nr. 1, p. 187-200

Hillmann, F., ‘Die Stadt im Kopf. Beobachtungen

zur neuen Hauptstadtdebatte’, Vorgänge, 43

(2004) nr. 1, p. 56-60

Hirsh, S.L., Symbolism and modern urban society,

Cambridge 2004

Hodges, R., Towns and trade in the age of Charlemagne,

Londen 2000

Hoed, P. den, S. Schouten, ‘“De publieke zaak wil

publiek worden behandelt”. Een blik op de

ontwikkeling van het openbaar bestuur in

Nederland sinds 1848’, in: H. Dijstelbloem et

al. (red.), Het gezicht van de publieke zaak.

Openbaar bestuur onder ogen, WRR

Verkenningen 23, Amsterdam 2010, p. 55-104

Holloway, S., G. Valentine, Children’s geographies.

Playing, living, learning, Londen 2000

Hoogewerf, C.L., Het Haarlemse stadsrecht (1245).

Inleidende beschouwingen, tekst, vertaling en

artikelsgewijs commentaar, Amsterdam 2001

Hoppenbrouwers, P.C.M., ‘Maagschap en vriendschap.

Een beschouwing over de structuur

en functies van verwantschaps betrekkingen

in het laat-middeleeuwse Holland’, Holland,

regionaal-historisch tijdschrift 17 (1985) nr. 2,

p. 69-108

Hoppenbrouwers P.C.M., ‘Van waterland tot

steden land. De Hollandse economie ca. 975–

ca. 1570’, in: T. de Nijs, E. Beukers (red.),

Geschiedenis van Holland 1. Tot 1572, Hilversum

2002, p. 103-148

Huang, Y., S.M. Low, ‘Is gating always

exclusionary? A comparative analysis of gated

communities in American and Chinese cities’,

in: J. Logan (red.), Urban China in transition,

Oxford 2008, p. 182-202

Hughes, R., Rome, Londen 2011

Huijbers, A., Metaforiseringen in beweging. Boeren

en hun gebouwde omgeving in de Volle Middeleeuwen

in het Maas-Demer-Schelde gebied,

proef schrift, Universiteit van Amster dam 2007

Huijbers, A., ‘Central places in the confluence

area of the rivers Dieze, Dommel and Aa in the

Roman period and the Middle Ages. A longterm

perspective’, Medieval and Modern

Matters, 1 (2010) p. 197-268

Huijbers, A., ‘Peasant culture of the Meuse-

Demer-Scheldt region during the High Middle

Ages. Perception schemes and domestic

cycles’, Medieval and Modern Matters (in druk)

Hulst, R.A., De theateropgraving in Maastricht

(1988–1989), Maastrichtse opgravings verslagen

1, Maastricht 1994

IJsselstijn, M., ‘Enkele grote lijnen in de Nederlandse

stedenbouwgeschiedenis. Een vergelijkende

studie naar de binnensteden van

Utrecht, Amsterdam en ’s-Hertogen bosch’,

Bulletin KNOB, 110 (2011) nr. 3-4, p. 89-107

Illi, M., E. Höfler, ‘Versorgung und Entsorgung

der mittelalterlichen Stadt’, in: M. Flüeler,

N. Flüeler (red.), Stadtluft, Hirsebrei und

Bettelmönch. Die Stadt um 1300, Stuttgart

1992, p. 351-373

Israel, J.I., The Dutch Republic. Its rise, greatness,

and fall, 1477–1806, Oxford/New York 1995

Jansen, H.S.J., ‘De Nederlandse stads historiografie

in internationaal perspectief. Een

geschiedtheoretische analyse’, Bijdragen en

Mededelingen betreffende de Geschiedenis der

Nederlanden, 111 (1996) nr. 1, p. 47-75

Janssen, H.L., ‘’s-Hertogenbosch, een novum


oppidum in de Meijerij ca. 1200–1350. De

stadsarcheologie als bron voor de kennis van

groei en stagnatie van middeleeuwse steden’,

Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis, 10

(2007), p. 95-140

Jansson, M., ‘Attractive playgrounds. Some factors

affecting user interest and visiting patterns’,

Landscape Research, 35 (2010) nr. 1, p. 63-81

Jenkins, R., Social identity, Londen 1996

Jenks, C. (red.), Visual culture, Londen 1995

Jong, H. ’t, ‘De mythe van de vuilnisbelt. Een

nieuwe benadering van hinderkeuren uit

laat-middeleeuwse steden’, Millenium, 22

(2008) nr. 1, p. 68-91

Jonge, W. de , J. Bazelmans, D. de Jager (red.),

Forum Hadriani. Van Romeinse stad tot

monument, Utrecht 2006

Jongen, L. , D.E.H. de Boer, Het Mirakelboek van

Amersfoort. Editie met inleiding, annotatie en

hertaling op basis van de Amersfoortse en de

Brusselse handschriften, s.l. (in druk)

Jung, J., Chinese laundries. Tickets to survival on

Gold Mountain, s.l. 2007

Jütte, R., Poverty and deviance in early modern

Europe, Cambridge 1994

Kampman, R., ‘De watervoorziening van Almelo

in de vorige eeuw’, Jaarboek Twente, 26 (1987),

p. 123-132

Karsten, L., ‘Mapping childhood in Amsterdam.

The spatial and social construction of

children’s domains in the city’, Tijdschrift voor

Economische en Sociale Geografie, 93 (2002)

nr. 3, p. 231-241

Karsten, L., ‘Het nieuwe straatleven. Terug van

weg geweest?’, Topos, 20 (2010) nr. 2, p. 40-42

Kasarda, J.D., ‘The rise of the aerotropolis’, The

Next American City, 10 (2006), p. 35-37

Kasarda, J.D., Airport cities. The evolution. The

transformation of airports into world-class

airport cities, s.l. 2008

Kasarda, J.D. , G. Lindsay, Aerotropolis. The way

we’ll live next, New York 2011

Keil, R., ‘The global city comes home. Internalised

globalisation in Frankfurt Rhine-Main’, Urban

Studies, 48 (2011) nr. 12, p. 2495-2517

Kemperink, M.G., Het verloren paradijs. De

literatuur en de cultuur van het Nederlandse

fin de siècle, Amsterdam 2001

Kernodle, G.R., From art to theatre. Form and

convention in the renaissance, Chicago 1944

King, A.D. (red.), Re-presenting the city. Ethnicity,

capital and culture in the 21st-century

metropolis, Londen 1996

Kirkland-Ives, M., In the footsteps of Christ. Hans

Memling’s Passion narratives and the

devotional imagination in the early modern

Netherlands, Turnhout 2012

Klerk, L. de, Particuliere plannen. Denkbeelden en

initiatieven van de stedelijke elite inzake de

volks woningbouw en de stedebouw in

Rotterdam, 1860–1950, Rotterdam 1998

Klerk, L. de, De modernisering van de stad 1850–

1914. De opkomst van de planmatige stadsontwikkeling

in Nederland, Rotterdam 2008

Klerk, L. de, ‘Verstedelijking 5.0. Bespiegelingen

over groei, stagnatie en contractie’, Rooilijn,

43 (2010) nr. 5, p. 316-329

Klerk, L. de , P. van de Laar, H. Moscoviter, G.J. de

Jongh. Havenbouwer en stadsontwikkelaar in

Rotterdam, Bussum 2008

Kloosterman, R.C., ‘Recent employment trends

in the cultural industries in Amsterdam,

Rotterdam, The Hague and Utrecht. A first

exploration’, Tijdschrift voor Economische en

Sociale Geografie, 95 (2004) nr. 2, p. 243-262

Kloosterman, R.C., ‘Walls and bridges.

Knowledge spillover between “superdutch”

architectural practices’, Journal of Economic

Geography, 8 (2008) nr. 4, p. 545-563

Kloosterman, R.C., ‘Building a career. Labour

practices and cluster reproduction in Dutch

architectural design’, Regional Studies, 44

(2010) nr. 7, p. 859-871

Kloosterman, R.C., ‘From Amsterdamned to

Amsterdam’, in: N. Foner et al. (red.),

Immigration and the New Urban Landscape,

New York and Amsterdam, New York (in druk)

Knippenberg, H. , B. de Pater, De eenwording van

Nederland. Schaalvergroting en integratie

sinds 1800, Nijmegen 2002

Koch, A.C.F., Het Bergkwartier te Deventer.

Huizenboek van een middeleeuwse stadswijk

tot 1600, Zutphen [1988]

Kolman, C.J., Naer de eisch van ’t werck. De

organisatie van het bouwen te Kampen, 1450–

1650, Utrecht 1993

Kooij, P., ‘Het imago van Nederlandse steden tot

het begin van de twintigste eeuw’, Groniek,

162 (2004), p. 43-58

Kossmann-Putto, J.A., ‘Armen- en ziekenzorg in

de Noordelijke Nederlanden’, in: Algemene

geschiedenis der Nederlanden 2, Haarlem

1982, p. 254-267

Krätke, S., ‘Global media cities in a world-wide

urban network’, European Planning Studies,

11 (2003) nr. 6, p. 605-628

Kreukels, A.M.J., E.-J. Pollé, ‘Urbanization and

spatial planning in an international

perspective’, Journal of Housing and the Built

Environment, 12 (1997) nr. 1, p. 135-163

Kreukels, A.M.J., J.B.D. Simonis (red.), Publiek

domein. De veranderende balans tussen staat

en samenleving, Meppel 1988

Krueckeberg, D.A. (red.), Introduction to planning

history in the United States, New Brunswick,

NJ 1983

Kruisheer, J.G., ‘Stadsrechtbeoorkonding en

stede lijke ontwikkeling’, in: E.H.P. Cordfunke,

F.W.N. Hugenholtz, K. Sierksma (red.),

De Hollandse stad in de dertiende eeuw,

Zutphen 1988, p. 44-54

Laar, P. van de, Stad van formaat. Geschiedenis van

Rotterdam in de negentiende en twintigste eeuw,

Zwolle 2000

Nederland stedenland

302

/

303


Laar, P. van de, ‘De transformatie van de koopmansstad

Rotterdam, 1830–1870’, Groniek,

162 (2004), p. 29-42

Laar, P. van de, M. van Jaarsveld, Historische

atlas van Rotterdam. De groei van de stad in

beeld, Amsterdam 2004

Laffineur-Crepin, M., ‘Les sept collégiales,

témoins privilégiés de la naissance de la

principauté’, in: J.-L. Kupper, P. George

(red.), Liège. Autour de l’an mil, la naissance

d’une principauté (Xe-XIIe siècle), Luik 2000,

p. 187-190

Lambooy, J.G., Ruimte voor complexiteit. Over

veranderende structuren, zelf-organisatie en

netwerken in de economische geografie, Utrecht

2002

Lapedota, M.M. (red.), Pariser Visionen. Robert

Delaunays Serien, Berlijn/Ostfildern 1997

Lauris Jansz., Een spel van sinnen beroerende Het

Cooren (1565), red. W.M.H. Hummelen, G.W.R.

Dibbets, Zutphen 1985

Lavedan, P., Représentation des villes dans l’art du

Moyen Age, Parijs 1954

Le Goff, J., N. Truong, De geschiedenis van het

lichaam in de Middeleeuwen, Amsterdam 2004

Le Maho, J., ‘The fate of the ports of the lower

Seine valley at the end of the ninth century’,

in: T. Pestell, K. Ulmschneider (red.), Markets

in early medieval Europe. Trading and

“productive” sites, 650–850, Macclesfield

2003, p. 234-247

Lebecq, S., Les origines franques Ve–IXe siècle,

Parijs 1990

Lebecq, S., ‘Pour une histoire parallèle de

Quentovic et Dorestad’, in: J.-M. Duvosquel,

A. Dierkens (red.), Villes et campagnes au

Moyen Âge. Mélanges Georges Despy, Luik

1991, p. 415-428

Leeuwen, J. van, ‘Van dagelijks water tot feestelijk

geklater. Bronnen, putten en fonteinen in

de middeleeuwse Vlaamse stad’, in: B. Baert,

V. Fraeters (red.), Het wellende water. De bron in

tekst en beeld in de middeleeuwse Neder landen

en het Rijnland, Leuven 2005, p. 233-253

Lefaivre, L., I. de Roode, Aldo van Eyck. De speelplaatsen

en de stad, Rotterdam 2002

Lefebvre, H., La production de l’espace, Parijs 1974

Lesger, C., ‘Stedelijke groei en stedensystemen’,

in: E. Taverne, I. Visser (red.), Stedebouw. De

geschiedenis van de stad in de Nederlanden

van 1500 tot heden, Nijmegen 1993, p. 30-38

Leupen, P., ‘Viking-Age raids and urban settlement

on the rivers Rhine and Meuse in the

9th century’, in: L. Nilsson, S. Lilja (red.), The

emergence of towns. Archeology and early

urbanization in non-Roman, North-West Europe,

Stockholm 1996, p. 79-94

Ligtenberg, C., De armezorg te Leiden tot het einde

van de 16e eeuw, ’s-Gravenhage 1908

Lindner, R., ‘Der Habitus der Stadt – ein kulturgeographischer

Versuch’, Petermanns

Geographische Mitteilungen, 147 (2003) nr. 2,

p. 46-53

Lindner, R., ‘The Gestalt of the urban imagery’,

European Studies, 23 (2006), p. 35-42

Lindner, R., Die Entdeckung der Stadtkultur.

Soziologie aus der Erfahrung der Reportage,

Frankfurt am Main 2007

Linssen, J., ‘Over de vroegste geschiedenis van

Wessem’, Publications de la société historique

et archéologique dans le Limbourg, 98-99

(1962–1963), p. 1-57

Lis, C., H. Soly, ‘Neighbourhood and social change

in West-European cities. Sixteenth to nineteenth

centuries’, International Review of

Social History, 38 (1993) nr. 1, p. 1-30

Lohuizen, T.K. van, ‘De Chineezen op Katen drecht

en de Rotterdamsche logementenverordening’,

Tijdschrift voor Volkshuisvesting

en Stedebouw, 9 (1928) nr. 7, p. 131-139

Looper, B., ‘De Nederlandse Hanzesteden:

scharnieren in de Europese economie 1250–

1550’, in: H. Brand, E. Knol (red.), Koggen,

kooplieden en kantoren. De Hanze, een praktisch

netwerk, Hilversum 2009, p. 109-123

Löw, M., Soziologie der Städte, Frankfurt am Main

2008

Low, S.M., On the Plaza. The politics of public space

and culture, Austin, TX 2000

Lucassen, L., W. Willems (red.), Waarom mensen

in de stad willen wonen, 1200–2010, Amsterdam

2009

Lynch, K., The image of the city, Cambridge, MA 1960

Lynch, K.A., Individuals, families, and communities

in Europe, 1200–1800. The urban foundations of

western society, Cambridge 2003

Lynd, R.S., H.M. Lynd, Middletown. A study in

contemporary American culture, New York

1929

Lynd, R.S., H.M. Lynd, Middletown in transition.

A study in cultural conflicts, New York 1937

Magendans, J.R., J.A. Waasdorp, Putten uit het

verleden. Opgravingen in Loosduinen, Kazernestraat

en Mauritshuis, ’s-Gravenhage 1986

Mahoney, J.,‘Path dependence in historical

sociology’, Theory and Society, 29 (2000) nr. 4,

p. 507-548

Mak, G., Hoe God verdween uit Jorwerd. Een Nederlands

dorp in de twintigste eeuw, Amsterdam

1996

Marsilje, J.W., Leiden. De geschiedenis van een

Hollandse stad 1. Leiden tot 1574, red. R.C.J.

van Maanen, Leiden 2002

McCants, A.E.C., Civic charity in a golden age. Orphan

care in early modern Amsterdam, Urbana, IL

1997

Medema, G., Achter de façade van de Hollandse

stad. Het stedelijk bouwbedrijf in de achttiende

eeuw, Nijmegen 2011

Meeteren, A. van, Op hoop van akkoord. Instru menteel

forumgebruik bij geschilbeslechting in

Leiden in de zeventiende eeuw, Hilversum 2006

Meeuwse, K., Het huis van Han. Honderd jaar

Chinese geschiedenis in Nederland, Utrecht

2000


Meier, S., A. Reijndorp, Themawijk. Wonen op een

verzonnen plek, Bussum 2010

Mele, C., Selling the Lower East Side. Culture, real

estate, and resistance in New York City,

Minnea polis 2000

Merton, R.K., Social theory and social structure,

2e ed., Glencoe, IL 1957 [1949]

Meyer, H., Operatie Katendrecht. ‘Demokratisering’

van het sociaal beheer van de grote

stad, Nijmegen 1983

Meyer, H., ‘Veranderingen en konstanten op

Zuid’, in: Verslag werkconferentie ‘Kop van

Zuid’, Rotterdam 1990, p. 42-53

Mittendorff, E., Huizen van Heren. Archeologisch

onderzoek naar het proces van verstedelijking

en de vorming van een stedelijke elite in het

Polstraatkwartier van Deventer, ca. 800–1250,

Rapportages Archeologie Deventer 20,

Deventer 2007

Montias, J.M., ‘Cost and value in seventeenthcentury

art’, Art History, 10 (1987) nr. 4,

p. 455-466

Morton, G., R.J. Morris, B.M.A. de Vries (red.),

Civil society, associations, and urban places.

Class, nation, and culture in nineteenthcentury

Europe, Aldershot 2006

Mul, W.A.M. de , B. Wander, J.T.W. Willemsen,

Onfrisse praktijken in Nijmegen. Het gebruik

van toiletten, secreten, beerputten, pispotten

en kakdozen door de eeuwen heen, Nijmegen

1995

Muller, S.D., Charity in the Dutch Republic.

Pictures of rich and poor for charitable

institutions, Ann Arbor 1985

Nas, P.J.M. (red.), Urban symbolism, Leiden/New

York/Keulen 1993

P.J.M. Nas, A. Samuels (red.), Hypercity. The

symbolic side of urbanism, Londen 2006

Nederman, C., ‘The living body politic. The

diversification of organic metaphors in Nicole

Oresme and Christine de Pisan’, in: K. Green,

C. Mews (red.), Healing the body politic. The

political thought of Christine de Pisan,

Turnhout 2005, p. 19-33

Neve, R. de, A. van Heezik, ‘Verbonden door het

water. Binnenvaart en zeehavens in Holland’,

in: E. Beukers (red.), Hollanders en het water.

Twintig eeuwen strijd en profijt, Hilversum

2007, p. 169-273

Newhauser, R. (red.), The seven deadly sins. From

communities to individuals, Leiden 2007

Niemeijer, A.F.J., ‘Een aangeharkt en dichtbevolkt

laagland. Waterstaat, infrastructuur

en verstedelijking’, in: T. de Nijs, E. Beukers

(red.), Geschiedenis van Holland 3a. 1795–

2000, Hilversum 2003, p. 93-185

Nieuwenhuis, J., Mensen maken een stad, 1855–

1955. Uit de geschiedenis van de dienst van

gemeentewerken te Rotterdam, Rotterdam

1955

Nijhof, P., ‘De ontwikkeling van Nederland tot

industrieland’, in: Op zoek naar ons industrieel

verleden. Gids langs monumenten van bedrijf

en techniek 1, Haarlem 1986, p. 9-16

Nio, I., ‘Verhalen uit de buitenwijk’, De Gids, 162

(1999) nr. 8, p. 609-617

Nio, I., A. Reijndorp, W. Veldhuis, Atlas Westelijke

Tuinsteden Amsterdam. De geplande en de

geleefde stad Haarlem/Den Haag 2008

North, D.C., ‘Institutions, transaction costs and

economic growth’, Economic Inquiry, 25 (1987)

nr. 3, p. 419-428

North, D.C., Institutions, institutional change and

economic performance, Cambridge, MA 1990

Oosten, R.M.R. van, ‘Rijke huishoudens, arme

beer putten. Het afleiden van sociale

stratificatie aan de hand van serviesgoed in

beerput ten nader bekeken’, in: M. Kerkhof et

al. (red.), SOJA-bundel 2005, Leiden 2006, p.

157-168

Oosten, R.M.R. van, ‘Het sluimerende einde van

het “beerputtentijdperk” in Leiden. Een

privaat rioleringssysteem avant la lettre:

(secreet)-goten aan het Steenschuur uit de

16e en het begin van de 17e eeuw’, in: C.R.

Branden burgh (red.), Archeologisch, bouwhistorisch

en archief onderzoek naar de

bewoning aan het Steen schuur, ter plaatse van

het voormalige Kamer lingh Onnes

Laboratorium, Bodem onderzoek en

Bouwhistorie in Leiden 2, Leiden 2011a,

p. 97-108

Oosten, R.M.R. van, ‘Beerputten als teken van

het de-agrariseringsproces. Het voorbeeld

van Leiden’, in: H. Brand, J. Benders, R. Nip

(red.), Stedelijk verleden in veelvoud. Opstellen

over laatmiddeleeuwse stadsgeschiedenis in

de Nederlanden voor Dick de Boer, Hilversum

2011b, p. 121-135

Otten, T., Die Ausgrabungen unter St. Viktor zu

Xanten. Dom und Immunität, Mainz 2003

Paassen, C. van, Systeem, organisatie, mileu?,

working paper, Universiteit van Amsterdam

1980

Pahl, R., ‘Networks and styles of life and the

contemporary urban world’, in: C. de Wit,

G. Jansen, J. Turpijn-Van Duinen (red.),

Themes for urban studies. Report of the

International Symposium at Utrecht, the

Netherlands on Contemporary urbanism and

its ways of life, October 6, 1988, Utrecht 1991, p.

19-33

Pang, C.L., ‘Business opportunity or food pornography?

Chinese restaurant ventures in

Antwerp’, International Journal of Entrepreneurial

Behaviour and Research, 8 (2002)

nr. 1-2, p. 148-161

Panhuysen, T.A.S.M., ‘De Sint-Servaaskerk te

Maastricht in de vroege middeleeuwen.

Voor lopig eindverslag van de opgravingen

door de dienst Stadsontwikkeling Maastricht

in de periode 1981–1989’, Bulletin KNOB, 90

(1991) nr. 1, p. 15-24

Nederland stedenland

304

/

305


Park, R.E., E.W. Burgess, R.D. McKenzie, The city,

Chicago 1925

Parker, C.H., The reformation of community. Social

welfare and Calvinist charity in Holland, 1572–

1620, Cambridge 1998

Parker, C.H., ‘The pillars of a new community.

Conflicts and cooperation over poor relief in

post-Reformation Holland’, in: M. van der

Heijden et al. (red.), Serving the urban

community. The rise of public facilities in the

Low Countries, Amsterdam 2009, p. 155-167

Pascoe, D., Airspaces, Londen 2001

Pater, B. de, ‘Van land met steden tot stedenland.

Een kleine historische stadsgeografie van

Nederland’, Historisch-geografisch Tijdschrift,

7 (1989) nr. 2, p. 41-56

Pearman, H., Airports. A century of architecture,

Londen 2004

Peterson, P.E., City limits, Chicago 1981

Pinder, D., ‘“Old Paris is no more”. Geographies

of spectacle and anti-spectacle’, Antipode, 32

(2000) nr. 4, p. 357-386

Pirenne, H., Medieval cities. Their origins and the

revival of trade, Princeton 1952 [1925]

Planbureau voor de Leefomgeving, Nederland in

2040. Een land van regio’s, Den Haag 2011

Pleij, H., De sneeuwpoppen van 1511. Literatuur en

stadscultuur tussen middeleeuwen en moderne

tijd, Amsterdam 1988

Pleij, H., L. van Gemert, M. Mathijsen, ‘De verbeelding

van de stad in de literatuur. Van de

Middeleeuwen tot eind negentiende eeuw’,

in: L. Lucassen, W. Willems (red.), Waarom

mensen in de stad willen wonen, 1200–2010,

Amsterdam 2009, p. 124-151

Plumier, J., M. Regnard (red.), Voies d’eau,

commerce et artisanat en Gaule mérovingienne,

Namen 2005

Plumier, J. et al., ‘Namuco fit. Namur du Ve au

VIIe siècle’, in: J. Plumier, M. Regnard (red.),

Voies d’eau, commerce et artisanat en Gaule

mérovingienne, Namen 2005, p. 219-231

Pol, A., ‘Les monétaires à Huy et Maastricht.

Production et distribution des monnaies

mérovingiennes mosanes’, Bulletin de l’Instituut

Archéologique Liègois, 107 (1995), p. 185-200

Polman, M., Het Frans Halsmuseum. Van oudemannenhuis

tot kunsttempel. Bouw geschie denis

en rondwandeling, Haarlem 1990

Pouwels, R., Een spul van sinnen van den siecke

stadt, red. H.F. Grondijs, Borculo 1917

Prak, M., ‘Painters, guilds and the art market

during the Dutch Golden Age’, in: S.R. Epstein,

M. Prak (red.), Guilds, innovation and the

European economy, 1400–1800, Cambridge

2008, p. 143-171

Prak, M., ‘De Nederlandse ‘stadsrepublieken’.

Gilden, schutterijen en andere vormen van

vormen van burgerlijke invloed’, in:

L. Lucassen, W. Willems (red.), Waarom

mensen in de stad willen wonen, 1200–2010,

Amster dam 2009, p. 59-78

Prak, M., ‘The market for architecture in Holland,

1500–1815’, in: L. Cruz, J. Mokyr (red.), The

birth of modern Europe: culture and economy,

1400–1800. Essays in honor of Jan de Vries,

Leiden 2010, p. 35-59

Pratt, A.C., ‘The cultural industries production

system. A case study of employment change

in Britain, 1984–91’, Environment and Planning

A, 29 (1997) nr. 11, p. 1953-1974

Priemus, H., Stadsvernieuwing. Problemen en

perspectieven. Analyse van de Rotterdamse

aanpak, Alphen aan den Rijn 1978

Putnam, R.D., m.m.v. R. Leonardi, R. Nanetti,

Making democracy work. Civic traditions in

modern Italy, Princeton 1993

Raban, J., Soft city, Londen 1974

Ramakers, B.A.M., ‘De gespeelde stad. De

opvoeringspraktijk van het rederijkerstoneel

getoetst aan zeven belegeringsspelen’,

Verslagen en mededelingen van de Koninklijke

Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde,

103 (1993), p. 180-233

Ramakers, B.A.M., ‘De stad als decor. De represen

tatie van de stad in het middeleeuwse

toneel’, Feit en Fictie, 2 (1995) nr. 2, p. 94-109

Ramakers, B.A.M., Spelen en figuren. Toneelkunst

en processiecultuur in Oudenaarde tussen

Middel eeuwen en Moderne Tijd, Amsterdam

1996

Ramakers, B.A.M., ‘De const getoond. De beeldtaal

van de Haarlemse rederijkerswedstrijd

van 1606’, Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek,

49 (1998), p. 129-183

Ramakers, B.A.M., ‘Louris Jansz’, in: H. Brinkman,

J. Jansen, M. Mathijsen (red.), Helden

bestaan! Opstellen voor Herman Pleij bij zijn

afscheid als hoogleraar Historische

Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit

van Amsterdam, Amsterdam 2008, p. 216-223

Rasterhoff, C., Strokes of brilliance, cultural

commodities. Painting and publishing in the

Dutch Republic (1580–1810), proefschrift,

Universiteit Utrecht 2012

Ravesteyn, L.J.C.J. van, ‘Stadsontwikkeling van

Rotterdam in het begin van deze eeuw. IV:

De linkeroever vóór de groote uitbreiding’,

Rotter damsch Jaarboekje, 44 (1936), p. 115-

142

Rebel, B., Het nieuwe bouwen. Het functionalisme

in Nederland 1918–1945, Assen 1983

Het recht der stad Reimerswaal, red. R. Fruin,

’s-Gravenhage 1905

Rechtsbronnen der stad Amsterdam, red. J.C. Breen,

’s-Gravenhage 1902

Rechtsbronnen der stad Haarlem, red. J. Huizinga,

’s-Gravenhage 1911

Rechtsbronnen der stad Harderwijk, red. J.L. Berns,

’s-Gravenhage 1886

Rechtsbronnen van Zierikzee, red. W. Bezemer,

A.S. de Blécourt, ’s-Gravenhage 1908

Reichl, A.J., Reconstructing Times Square. Politics

and culture in urban development, Lawrence,

KA 1999


Reijndorp, A. et al., Buitenwijk. Stedelijkheid op

afstand, Rotterdam 1998

Reijndorp, A., L. Reinders (red.), De alledaagse en

de geplande stad. Over identiteit, plek en thuis,

Amsterdam 2010

Reinders, L., ‘Harde stad, zachte stad. De

narratieve cartografie van het dagelijkse

leven’, Kunstlicht, 32 (2011) nr. 1-2, p. 52-63

Reinders, L. , E. Bosch, Thuis in de stad. Publieke

ruimte, identiteit en de relaties tussen

gevestigden en nieuwkomers in Zaanstad, Den

Haag (in druk)

Reiner, T.A. , M.A. Hindery, ‘City planning. Images

of the ideal and existing city’, in: L. Rodwin,

R.M. Hollister (red.), Cities of the mind. Images

and themes of the city in the social sciences,

New York 1984, p. 133-147

Remy, J. , L. Voyé, Ville, ordre et violence. Formes

spatiales et transaction sociale, Parijs 1981

Renes, H., ‘De stad in het landschap’, in: R. Rutte,

H. van Engen (red.), Stadswording in de Nederlanden.

Op zoek naar overzicht, Hilversum

2005, p. 15-46

Revius, J., Over-Ysselsche sangen en dichten 1. Het

epos der Godsgeschiedenis, red. W.A.P. Smit,

Amsterdam 1930 [1630]

Richardson, G., ‘Guilds, laws, and markets for

manufactured merchandise in late-medieval

England’, Explorations in Economic History, 41

(2004) nr. 1, p. 1-25

Riemens, P., Schiphol is groter dan Nederland,

proefschrift, Vrije Universtiteit Amsterdam

2011

Rienets, T. , J. Sigler, K. Christiaanse (red.), Open

city. Designing coexistence, Amsterdam 2009

Rijkschroeff, B.R., Etnisch ondernemerschap.

De Chinese horecasector in Nederland en in de

Verenigde Staten van Amerika, Capelle aan den

IJssel 1998

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Erfgoedbalans

2009. Archeologie, monumenten en

cultuurlandschap in Nederland, Amersfoort

2009

Ristow, S., Frühes Christentum im Rheinland. Die

Zeugnisse der Archäologischen und Histori schen

Quellen an Rhein, Maas und Mosel, Keulen 2007

Robijn, V., Het recht van een vrije Friese stad.

De stad boeken van Bolsward (1455–1479),

Hilversum 2005

Roding, J., A.A. Sneller, B. Thijs (red.), Beelden

van Leiden. Zelfbeeld en representatie van een

Hollandse stad in de vroegmoderne tijd, 1550–

1800, Hilversum 2006

Rodwin, L., R.M. Hollister, Cities of the mind.

Images and themes of the city in the social

sciences, New York 1984

Röling, R.W., ‘Small town, big campaigns. The

rise and growth of an international advertising

industry in Amsterdam’, Regional Studies, 44

(2010) nr. 7, p. 829-843

Rooijen, C. van, ‘Utrecht in the early medieval

period. An archaeological analysis of its

topography and a discussion of the location of

the Stathe vicus’, Medieval and Modern

Matters, 1 (2010) nr. 1, p. 155-196

Rosser, G., ‘Crafts, guilds, and the negotiation of

work in the medieval town’, Past and Present,

154 (1997) nr. 1, p. 3-31

Rothe, J., Ratsgedichte, red. H. Wolf, Berlijn 1971

Rothuizen, J., De zachte atlas van Amsterdam,

Amsterdam 2009

Rudy, K.M., Virtual pilgrimages in the convent.

Imagining Jerusalem in the late middle ages,

Turnhout 2011

Rutte, R., ‘Middeleeuwse nieuwe steden in

Neder land. Aanzet tot een onderzoek naar

oorsprong, verspreiding en betekenis’,

Bulletin KNOB, 95 (1996) nr. 6, p. 189-202

Rutte, R., Stedenpolitiek en stadsplanning in de

Lage Landen (12de–13de eeuw), Zutphen 2002

Rutte, R., ‘Stadslandschappen. Een overzicht van

de stadswording in Nederland van de elfde

tot de vijftiende eeuw’, in: R. Rutte, H. van

Engen (red.), Stadswording in de Nederlanden.

Op zoek naar overzicht, Hilversum 2005,

p. 143-170

Rutte, R., ‘Groei en krimp in de Hollandse stad.

Stadsuitbreidingen, stedenbouw en

ontstedelijking in Holland van de veertiende

tot de negentiende eeuw’, OverHolland, 3

(2006), p. 27-55

Rutte, R., ‘Stedenatlassen en het stadshistorisch

onderzoek in Nederland’, Stadsgeschiedenis,

3 (2008) nr. 1, p. 71-86

Rutte, R., m.m.v. K. Zweerink, ‘Stadswording in

Holland (12de–14de eeuw). Ligging in het

landschap en vroege ruimtelijke inrichting

van de steden in het westen van Nederland’,

Holland, Historisch Tijdschrift, 41 (2009) nr. 3,

p. 149-167

Sadler, S., The situationist city, Cambridge, MA 1998

Salter, M.B. (red.), Politics at the airport, Minneapolis

2008

Sanders, J., Celluloid skyline. New York and the

movies, New York 2001

Sarfatij, H., ‘Dutch towns in the formative period

(AD 1000–1400)’, in: J.C. Besteman, J.M. Bos,

H.A. Heidinga (red.), Medieval Archaeology in

the Netherlands. Studies presented to H.H. van

Regteren Altena, Assen 1990, p. 183-198

Sarfatij, H., ‘Stad, archeologie en afval’, in: M.

Bartels (red.), Steden in scherven. Vondsten

uit beerputten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen

en Tiel (1250–1900), Zwolle 1999a, p. 15-24

Sarfatij, H., ‘Tiel in succession to Dorestad.

Archaeology in a 10th- to 11th-century commercial

centre in the central river area of the

Netherlands’, in: H. Sarfatij, W.J.H. Verwers,

P.J. Woltering (red.), In discussion with the

past. Archaeological studies presented to

W.A. van Es, Zwolle 1999b, p. 267-278

Sauermann, D., Volksfeste im Westmünsterland 2,

Vreden 1985

Savage, M., ‘Walter Benjamin’s urban thought. A

critical analysis’, in: M. Crang, N. Thrift (red.),

Nederland stedenland

306

/

307


Thinking space, Londen 2000, p. 33-53

Schaafsma, M. , J. Amkreutz, M. Güller, Airport

and city. Airport corridors: drivers of economic

development, Schiphol 2008

Schaafsma, M., ‘From airport city to airport

corridor. Airport and city, sustainability and

economy’, in: U. Knippenberger, A. Wall

(red.), Airports in cities and regions. Research

and practise, Karlsruhe 2010, p. 173-179

Schaafsma, M., ‘De luchthavenstad bestaat’,

Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening, 92 (2011)

nr. 4, p. 56-60

Schama, S., The embarrassment of riches. An

interpretation of Dutch culture in the Golden

Age, Londen 1987

Scheppe, W. , IUAV Class on Politics of

Representation (red.), Migropolis. Venice/

Atlas of a Global Situation, Ostfildern 2009

Schlögel K., Im Raume lesen wir die Zeit. Über

Zivilisationsgeschichte und Geopolitik,

München 2003

Schlögel, K., Terror und Traum. Moskau 1937,

München 2008

Schmidt, F., Paleizen voor prinsen en burgers.

Architectuur in Nederland in de achttiende

eeuw, Zwolle 2006

Schot, J.W., et al. (red.), Techniek in Nederland in

de twintigste eeuw 5. Transport, communicatie,

Zutphen 2002

Schulz, K., “Denn sie lieben die Freiheit so sehr...”.

Kommunale Aufstände und Entstehung des

europäischen Bürgertums im Mittelalter,

Darmstadt 1992

Schuppen, S. van, Historische atlas van Den Haag.

Van Hofvijver tot Hoftoren, Amsterdam 2006

Schuyt, K. , E. Taverne, 1950. Welvaart in zwartwit,

Den Haag 2000

Scott, A.J., The cultural economy of cities. Essays

on the geography of image-producing industries,

Londen/Thousand Oaks/New Delhi 2000

Scott, A.J., Social economy of the metropolis.

Cognitive-cultural capitalism and the global

resurgence of cities, Oxford/New York 2008

Selten, P. , C. Adriaanse, B. Becker, Af en toe met

pa en moe... De speeltuinbeweging in Nederland,

1900–1995, Utrecht 1996

Shaw, S. , S. Bagwell, J. Karmowska,

‘Ethnoscapes as spectacle. Reimaging

multicultural districts as new destinations

for leisure and tourism consumption’, Urban

Studies, 41 (2004) nr. 10, p. 1983–2000

Shields, R., Places on the margin. Alternative

geographies of modernity, Londen 1991

Shields, R., ‘A guide to urban representation and

what to do about it. Alternative traditions of

urban theory’, in: A.D. King (red.),

Re-presenting the city. Ethnicity, capital, and

culture in the 21st-century metropolis, Londen

1996, p. 227-252

Simmel, G., ‘Die Großstädte und das Geistes leben’,

in: T. Petermann (red.), Die Grossstadt.

Vorträge und Aufsätze zur Städteausstellung,

Dresden 1903, p. 185-206

Simmie, J. (red.), Innovative cities, Londen 2001

Sjoberg, G., The preindustrial city. Past and

present, Glencoe, IL 1960

Skre, D., ‘Towns and markets, kings and central

places in south-western Scandinavia c. AD

800–950’, in: D. Skre (red.), Kaupang in

Skiringssal, Århus 2007, p. 445-469

Sluijter, E.J., ‘Over Brabantse vodden, economische

concurrentie, artistieke wedijver en

de groei van de markt voor schilderijen in de

eerste decennia van de zeventiende eeuw’,

Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek, 50

(2000), p. 112-143

Smalley, B., The study of the Bible in the Middle

Ages, 3e ed., Oxford 1983 [1940]

Smidt, M. de , E. Wever, De Nederlandse industrie.

Positie, spreiding en struktuur, Assen 1987

Smit, C., Leiden met een luchtje. Straten, water,

groen en afval in een Hollandse stad, 1200–2000,

Leidse historische reeks 15, Leiden 2001

Smith, S.O.D., Illustrations of Raoul de Praelles’

translation of St. Augustine’s ‘City of God’

between 1375 and 1420, proefschrift, New York

University 1974

Snyder, J.E., ‘The early Haarlem school of

painting. II: Geertgen tot Sint Jans’, The Art

Bulletin, 42 (1960) nr. 2, p. 113-132

Sorkin, M. (red.), Variations on a theme park. The

new American city and the end of public space,

New York 1992

Sorkin, M., Twenty minutes in Manhattan, Londen

2009

Spaans, J., Haarlem na de Reformatie. Stedelijke

cultuur en kerkelijk leven, 1577–1620,

’s-Gravenhage 1989

Speet, B., Historische atlas van Amsterdam. Van

veendorp tot hoofdstad, Amsterdam 2010

Spitzers, T., ‘Nederzettingsontwikkeling van

Deventer tot 1200’, in: J.R.M. Magdelijns (red.),

Het kapittel van Lebuinus in Deventer. Nalatenschap

van een immuniteit in bodem, bebouwing

en beschrijving, Nieuwegein 1996, p. 88-103

Stabel, P., ‘Guilds in late medieval Flanders.

Myths and realities of guild life in an exportoriented

environment’, Journal of Medieval

History, 30 (2004) nr. 2, p. 187-212

Stabel, P., ‘Organisation corporative et

production d’œuvres d’art à Bruges à la fin

du Moyen Âge et au début des Temps

modernes’, Le Moyen Age, 113 (2007) nr. 1,

p. 91-134

Stadboeken van Zwolle, red. A. Telting, Zwolle

1897

Strauss, A.L., Images of the American city, New

York 1961

Suárez, I. (red.), Analyse atypische stedelijkheid in

Haarlemmermeer, Hoofddorp 2008

Swanson, R.N., Religion and devotion in Europe,

c. 1215–c. 1515, Cambridge 1995

Taverne, E., In ’t land van belofte: in de nieue stadt.

Ideaal en werkelijkheid van de stads uitleg in de

Republiek 1580–1680, Maarssen 1978


Taverne, E. , P. Knevel, S. Dembski, ‘Musea

buiten de muren. Interview met Paul Spies,

directeur Amsterdam Museum, en Paul van

de Laar, adjunct-directeur en hoofd collecties

Museum Rotterdam’, Stadsgeschiedenis, 6

(2011) nr. 2, p. 201-217

Taverne, E., I. Visser (red.), Stedebouw. De

geschie denis van de stad in de Nederlanden

van 1500 tot heden, Nijmegen 1993

Tervoort, A., ‘“To the honour of God, for concord

and the common good”. Developments in

social care and education in Dutch towns

(1300–1625)’, in: M. van der Heijden et al.

(red.), Serving the urban community. The rise

of public facilities in the Low Countries,

Amsterdam 2009, p. 89-106

Thelen, K., ‘Historical institutionalism in

comparative politics’, Annual Review of

Political Science, 2 (1999), p. 369-404

Theuws, F., De sleutel van Sint Servaas. Uitwisseling,

religie, identiteit en centrale

plaatsen in de Vroege Middeleeuwen,

Amsterdam 2003

Theuws, F., ‘Exchange, religion, identity and

central places in the early Middle Ages’,

Archaeological Dialogues, 10 (2004) nr. 2,

p. 121-138

Theuws, F., ‘Drie modellen voor de ontwikkeling

van het middeleeuwse Maastricht’, in:

R. Rutte, H. van Engen (red.), Stadswording in

de Nederlanden. Op zoek naar overzicht,

Hilversum 2005, p. 87-122

Theuws, F., ‘Where is the eighth century in the

towns of the Meuse valley?’, in: J. Henning

(red.), Post-Roman towns, trade and settlement

in Europe and Byzantium 1. The heirs of

the Roman West, Berlijn 2007, p. 153-165

Thissen, B., ‘Stadsrechtverlening in de graafschappen

Gelre en Zutphen van de late

twaalfde tot de vroege veertiende eeuw.

Initiators en actoren’, Bijdragen en Mededelingen

Gelre, 93 (2002), p. 40-54

Thomas, M.J., ‘Urban situationism’, Journal of

Environmental Planning and Management,

17 (1975) nr. 1-2, p. 27-39

Thompson, E.P., ‘The moral economy of the

English crowd in the eighteenth century’,

Past and Present, 50 (1971), p. 76-136

Thurkow, A.J. (red.), Atlas van Nederland 2.

Bewoningsgeschiedenis, 2e ed., ’s-Gravenhage

1984

Tilly, C., Coercion, capital, and European states,

A.D. 990–1990, Oxford 1990

Toulmin, S., Cosmopolis. The hidden agenda of

modernity, New York 1990

Tracy, J.D., A financial revolution in the Habsburg

Netherlands. Renten and Renteniers in the

county of Holland, 1515–1565, Berkeley 1985

Trienekens, S., W. Dorresteijn, D.W. Postma,

Culturele interventies in krachtwijken, Amsterdam

2011

Trio, P., ‘The challenge for a medieval center of

industrial growth. Ypres and the drinking-

water problem’, in: C. Kosso, A. Scott (red.),

The nature and function of water, baths,

bathing and hygiene from Antiquity through the

Renaissance, Leiden/Boston 2009, p. 381-406

Tys, D., ‘The Scheldt estuary as a framework for

early medieval settlement development’,

in: A. Willemsen, H. Kik (red.), Dorestad in

an inter national framework. New research on

centres of trade and coinage in Carolingian

times, Turnhout 2010, p. 169-175

Ubink, M., T. van der Steeg, Bloemkoolwijken.

Analyse en perspectief, Amsterdam 2011

Ultee, W., ‘Blijvend welvarend, voortdurend

verdraagzaam? Algemene verklaringen voor

enkele bijzonderheden van Nederland’, in:

D.W. Fokkema, F. Grijzenhout (red.) Rekenschap,

1650–2000. Nederlandse cultuur in

Europese context, Den Haag 201, p. 321-344

Ulzen, P. van, Dromen van een metropool. De

creatieve klasse van Rotterdam 1970–2000,

Rotterdam 2007

United Nations, Creative economy report 2010.

A feasible development option, Genève 2010

Urry, J., Sociology beyond societies. Mobilities for

the twenty-first century, Londen 2000

Urry, J., Mobilities, Cambridge 2007

Uyttenhove, P., ‘De open stad’, in: M. Dings (red.),

De stad, Rotterdam 2006, p. 263-273

Uytven, R. van, ‘Les moyennes et petites villes

dans le Brabant septentrional avant 1400’,

Publications de la Section historique de l’Institut

G.-D. de Luxembourg, 108 (1992), p. 67-84

Vale, L.J. , S.B. Warner (red.), Imaging the city.

Continuing struggles and new directions, New

Brunswick, NJ 2001

Vanderhoeven, A., ‘Changing urban topography

in late Roman and early medieval Tongeren’,

in: T.A.S.M. Panhuysen (red.), Trans forma tions

in North-Western Europe (AD 300–1000).

Proceedings of the 60th Sachsen symposion

19.-23. September 2009 Maastricht, Hannover

2011, p. 128-138

Vannieuwenhuyze, B., ‘Buren, straten en aanknopingspunten.

Plaatsbepaling in het

laatmiddeleeuwse Brussel (dertiende–

zestiende eeuw)’, Stadsgeschiedenis, 4 (2009)

nr. 2, p. 97-114

Vanstiphout, W., Maak een stad. Rotterdam en de

architectuur van J.H. van den Broek, Rotterdam

2005

Veenendaal, G., Spoorwegen in Nederland. Van 1834

tot nu, Amsterdam 2004

Velden, A. van der, ‘“Amerikaanse” cinema en

andere amusement in een zogenaamde

wereld stad’, Groniek, 162 (2004), p. 75-88

Verbaan, E., De woonplaats van de faam. Grondslagen

van de stadsbeschrijving in de zeventiende-eeuwse

Republiek, Hilversum 2011

Verhaeghe, F., m.m.v. C. Loveluck, J. Story, ‘Urban

developments in the age of Charle magne’, in:

J. Story (red.), Charlemagne. Empire and

Nederland stedenland

308

/

309


society, Manchester 2005, p. 259-287

Verhoeven, G., Devotie en negotie. Delft als bedevaartplaats

in de late middeleeuwen, proefschrift,

Vrije Universiteit Amsterdam 1992

Verhulst, A., The rise of cities in north-west Europe,

Cambridge 1999

Verkerk, C.L., ‘Het tolsysteem in het mondingsgebied

van Rijn. Maas en Schelde tot de elfde

eeuw’, in: A. Carmiggelt (red.), Rotterdam

Papers VII. A contribution to medieval

archaeology, Rotterdam 1992, p. 39-49

Vermeulen, B., Razende mannen, onrustige

vrouwen. Archeologisch en historisch onderzoek

naar de vroegmiddeleeuwse nederzetting,

een adellijke hofstede en het St. Elisabethsgasthuis

te Deventer, Rapportages

Archeologie Deventer 17, Deventer 2006

Verstrate, L. , L. Karsten, ‘The creation of play

spaces in twentieth century Amsterdam. From

an intervention of civil actors to a public policy’,

Landscape Research, 36 (2011) nr. 1, p. 85-109

Vervloesem, E., ‘De Chinese ondernemers op

Katendrecht (1914–1940)’, Rotterdams Jaarboekje,

117 (2009a), p. 263-289

Vervloesem, E., ‘The production of a “grey

housing” market during the guestworker

migration in Rotterdam (1962–1986)’, in:

Proceedings of the International Seminar on

Urbanization and Urban Culture, 10-11

November 2009, Den Haag 2009b

E. Vervloesem, ‘Westerse fictie of Chinese

maskerade? De sociale constructie van

Chinatown tijdens de Rotterdamse

V.V.V.-week (1935)’, Stadsgeschiedenis, 6

(2011) nr. 1, p. 33-57

Vliet, K. van, ‘Van missiebasis tot stadskapittel’,

in: J.R.M. Magdelijns (red.), Het kapittel van

Lebuinus in Deventer. Nalatenschap van een

immuniteit in bodem, bebouwing en beschrijving,

Nieuwegein 1996, p. 12-30

Vliet, K. van, ‘De stad van de bisschop. Circa 925-

1222’, in: R.E. de Bruin (red.), “Een paradijs vol

weelde”. Geschiedenis van de stad Utrecht,

Utrecht 2000a, p. 44-71

Vliet, K. van, ‘De stad van de burgers’, in: R.E. de

Bruin (red.), “Een paradijs vol weelde”.

Geschiedenis van de stad Utrecht, Utrecht

2000b, p. 73-111

Vliet, K. van, In kringen van kanunniken. Munsters

en kapittels in het bisdom Utrecht 695–1227,

Zutphen 2002

Vogelzang, I., De drinkwatervoorziening van Nederland

vóór de aanleg van de drinkwater leidingen,

Gouda [1956]

Vondel, J. van den, De werken van Vondel 3. 1627–

1640, red. J.F.M. Sterck et al., Amsterdam 1929

Vondel, J. van den, Gysbreght van Aemstel, red.

M.B. Smits-Veldt, Amsterdam 1994

Vries, J. de, European urbanization, 1500–1800,

Londen 1984

Wagenaar, C., Town planning in the Netherlands

since 1800. Responses to Enlightenment ideas

and geopolitical realities, Rotterdam 2011

Wagenaar, M., Amsterdam 1876–1914. Economisch

herstel, ruimtelijke expansie en de veranderende

ordening van het stedelijk grondgebruik,

Amsterdam 1990

Waite, G.K., Reformers on stage. Popular drama

and religious propaganda in the low countries

of Charles V, 1515–1556, Toronto 2000

Walle, K., Buurthouden. De geschiedenis van

buren gebruiken en buurtorganisaties in Leiden

(14e–19e eeuw), Leiden 2005

Webber, M.M., ‘The urban place and the nonplace

urban realm’, in: M.M. Webber et al. (red.),

Explorations into urban structure, Philadelphia

1964, p. 79-153

Weber, M., The city, Glencoe, IL 1958

Werner, M., Der Lütticher Raum in früh karolin gischer

Zeit. Untersuchungen zur Geschichte

einer karolingischer Stammlandschaft,

Göttingen 1980

Wersch, L. van, ‘Les fours de potiers mérovingiens

découverts à Maastricht’, in: P. Husi, V. Hincker

(red.), Actes du colloque international.

La céramique du Haut Moyen Âge (Ve -Xe

siècles) dans le nord-ouest de l’Europe. Bilan

et perspectives dix ans après le colloque

d’Outreau, Caen 2006, p. 27-41

Westerink, K., Het Leprooshuis bij Haarlem. Een

onderzoek naar de stichting en de bewoners van

de Haarlemse Leprozerie (circa 1350–1550),

doctoraalscriptie, Rijksuniversiteit Utrecht

1985

Westerman, F., De graanrepubliek, Amsterdam/

Antwerpen 1999

Weststrate J., In het kielzog van moderne markten.

Handel en scheepvaart op de Rijn, Waal en

IJssel, ca. 1360–1560, Hilversum 2008

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid,

Van de stad en de rand, Rapporten aan

de regering 37, ’s-Gravenhage 1990

Wijk, M. van, Airports as cityports in the city-region.

Spatial-economic and institutional positions

and institutional learning in Randstad-Schiphol

(AMS), Frankfurt Rhein-Main (FRA), Tokyo

Haneda (HND) and Narita (NRT), Nederlandse

Geografische Studies 353, Utrecht 2007

Willems, W., ‘Verplaatsing als opdracht. Naar

een meerstemmige stadsgeschiedenis’, in:

L. Lucassen, W. Willems (red.), Gelijkheid en

onbehagen. Over steden, nieuwkomers en

nationaal geheugenverlies, Amsterdam 2006,

p. 35-69

Willems, W. et al., Nijmegen. Geschiedenis van de

oudste stad van Nederland 1. Prehistorie en

Oudheid, Wormer 2005

Wirth, L., ‘Urbanism as a way of life’, The American

Journal of Sociology, 44 (1938) nr. 1, p. 1-24

Wolffram, D.J., ‘De moderne stad. Migratie, sociale

beheersing en ruimtelijke ordening, 1850–

heden’, in: Waarom mensen in de stad willen

wonen, 1200–2010, Amsterdam 2009, p. 173-199

Wollen, P., ‘Situationists and architecture’, New

Left Review, 8 (2001) nr. 2, p. 123-139


Wolters, R., Schooien en opgroeien rondom de

kerk in de Afrikaanderwijk, Zaltbommel 1998

Woodward, K. (red.), Questioning identity. Gender,

class and nation, Londen 2000

Woud, A. van der, Het lege land. De ruimtelijke orde

van Nederland 1798–1848, Amsterdam 1987

Woud, A. van der, Een nieuwe wereld. Het ontstaan

van het moderne Nederland, Amsterdam 2006

Wouden, R. van de , E. de Bruijne, m.m.v. K. Wittebrood,

De stad in de omtrek. Problemen en

perspectieven van de vier grootstedelijke

gebieden in de Randstad, Den Haag 2001

Wubben, H.J.J., “Chinezen en ander Aziatisch

ongedierte”. Lotgevallen van Chinese immigranten

in Nederland, 1911–1940, Zutphen 1986

Wyffels, C., De oorsprong der ambachten in

Vlaanderen en Brabant, Brussel 1951

Yeh, C., ‘Contesting identities. Youth rebellion in

San Francisco’s Chinese New Year festivals,

1953–1969’, in: S.L. Cassel (red.), The Chinese

in America. A history from Gold Mountain to the

new millennium, Walnut Creek, CA 2002,

p. 329-350

Zacher, M.W., m.m.v. B.A. Sutton, Governing global

networks. International regimes for transportation

and communications, Cambridge 1996

Zanden, J.L. van , R.T. Griffiths, Economische

geschiedenis van Nederland in de 20e eeuw,

Utrecht 1989

Zanden, J.L. van , M. Prak, ‘Towards an economic

interpretation of citizenship. The Dutch

Republic between medieval communes and

modern nation-states’, European Review of

Economic History, 10 (2006) nr. 2, p. 111-145

Zanden, J.L. van, A. van Riel, Nederland 1780–1914.

Staat, instituties en economische ontwikkeling,

Amsterdam 2000

Zimmerman, H., Textiel in context. Een analyse

van archeologische textielvondsten uit 16e-

eeuws Groningen, Groningen 2007

Zukin, S., The cultures of cities, Cambridge, MA

1995

Zukin, S., ‘Space and symbols in age of decline’,

in: A.D. King (red.), Re-presenting the city.

Ethnicity, capital, and culture in the 21st-

century metropolis, Londen 1996, p. 43-59

Zukin, S., ‘Urban lifestyles. Diversity and

standardisation in spaces of consumption’,

Urban Studies, 35 (1998) nr. 5-6, p. 825-839

Zukowsky, J. (red.), Building for air travel. Architecture

and design for commercial aviation,

München 1996

Zweerink, K., ‘De ruimtelijke volwassenwording

van de Hollandse stad (1200–1450)’, Over-

Holland, 10/11 (2011), p. 148-171

Nederland stedenland

310

/

311


Over de auteurs

Jaap Evert Abrahamse (1967) is senior onderzoeker

historische stedenbouw bij de Rijksdienst

voor het Cultureel Erfgoed.

Jeroen Benders (1966) is universitair docent

landschapsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit

Groningen.

Arnoud-Jan Bijsterveld (1962) is bijzonder hoogleraar

‘Cultuur in Brabant’ en universitair

hoofddocent sociaal-culturele geschiedenis

aan de Universiteit van Tilburg.

Anita Boele (1981) is als wetenschappelijk

medewerker verbonden aan het Sociaal en

Cultureel Planbureau.

Dick de Boer (1947) is emeritus hoogleraar

middel eeuwse geschiedenis aan de Rijksuniversiteit

Groningen.

Judith van den Bos (1960) is grafisch ontwerper

en beeldresearcher bij Kunst historisch

Bureau D’ARTS.

Koos Bosma (1952) is hoogleraar architectuurgeschiedenis

en erfgoedstudies aan de Vrije

Universiteit Amsterdam.

Iris Burgers (1979) is als aio verbonden aan de

vakgroep Architectuur geschiedenis van de

Vrije Universiteit Amsterdam.

Michiel Dehaene (1971) is hoofddocent stedenbouw,

stadsanalyse en stads ontwerp aan de

Universiteit Gent.

Sebastian Dembski (1979) is als postdoc onderzoeker

verbonden aan het Amsterdam

Institute for Social Science Research (AISSR)

van de Universiteit van Amsterdam.

Jan Dumolyn (1974) is als docent met hoofdzakelijk

onderzoeksopdracht verbonden aan

de Vakgroep Geschiedenis van de Universiteit

Gent.

Marcel IJsselstijn (1985) is zelfstandig stedenbouw

historicus.

Len de Klerk (1945) is emeritus hoogleraar

algemene planologie aan de Universiteit van

Amsterdam.

Robert Kloosterman (1955) is hoogleraar

economische geografie en planologie aan de

Universiteit van Amsterdam.

Ton Kreukels (1941) is emeritus hoogleraar

plano logie aan de Universiteit Utrecht.

Abdel El Makhloufi (1964) is onderzoeker-docent

aan de Fontys Hogeschool in Eindhoven.

Bruno De Meulder (1960) is hoogleraar stedenbouw

aan de Katholieke Universiteit Leuven.

Yvonne van Mil (1979) is freelance architect en

onderzoeker in de architectuur- en stedenbouwgeschiedenis.

Maarten Prak (1955) is hoogleraar sociale en

economische geschiedenis aan de Universiteit

Utrecht.

Bart Ramakers (1961) is hoogleraar oudere

Neder landse letterkunde aan de Rijksuniversiteit

Groningen.

Leeke Reinders (1971) is onderzoeker bij Onder-

zoeks instituut OTB van de Technische

Universiteit Delft en theoriedocent aan de

Sint-Lucas Hogeschool voor Wetenschap en

Kunst in Gent en Brussel.

Reinout Rutte (1972) is universitair docent

steden bouw- en architectuurgeschiedenis

aan de Faculteit Bouwkunde van de

Technische Universiteit Delft.

Peter Stabel (1961) is hoogleraar middeleeuwse

geschiedenis aan de Universiteit Antwerpen.

Ed Taverne (1938) is emeritus hoogleraar architectuurgeschiedenis

aan de Rijks universiteit

Groningen.

Frans Theuws (1953) is hoogleraar middeleeuwse

archeologie aan de Universiteit Leiden.

Lianne Verstrate (1983) is onderzoeker bij de

Vakgroep Sociale Geneeskunde van de Vrije

Universiteit Amsterdam.

Els Vervloesem (1978) is als onderzoeker

verbonden aan de Research Group Urbanity

& Architecture (OSA) van de Katholieke

Universiteit Leuven.


Over het onderzoeks -

programma

In het kader van het door NWO ingestelde interdisciplinaire

onderzoeks programma Urbanisatie

& Stadscultuur werd in 2006 aan vijf onderzoeksvoorstellen

een subsidie toegekend. Hier volgt

een beknopte beschrijving van de voorstellen.

Meer informatie over dit onderzoeksprogramma

en de complete onderzoeks voorstellen zijn te

vinden op de website ‘Urban Sciences’ (http://

www.urbansciences.eu).

Town and countryside. The dynamic symbiosis.

The case of the northern Duchy of Brabant

(13th–16th centuries). An archaeologicalhistorical

research programme

Prof. dr. Arnoud-Jan Bijsterveld, Universiteit

van Tilburg (projectleider)

Prof. dr. Frans Theuws, Universiteit van

Amsterdam

Deelproject 1:

In search for a medieval ‘industrious

revolution’? Material culture and flows of

goods between town and countryside:

the Meierij of ’s-Hertogenbosch (13th–16th

century)

Marloes Craane, Universiteit van Tilburg

(promovenda)

Deelproject 2:

Group cultures in town and countryside.

The embodiment and objectification of later

medieval ideas, norms and values in mutual

constitution (13th–16th century)

Dr. Antoinette Huijbers, Universiteit van

Amsterdam (postdoc onderzoeker)

Deelproject 3:

Regional aristocracy, countryside and town

Prof. dr. Arnoud-Jan Bijsterveld, Universiteit

van Tilburg

The town as ‘body social’, 1300–1650

Prof. dr. Dick de Boer, Rijksuniversiteit

Groningen (projectleider)

Prof. dr. Bart Ramakers, Rijksuniversiteit

Groningen

Deelproject 1:

The ‘body social’ and its material witnessess

Roos van Oosten, Rijksuniversiteit Groningen

(promovenda)

Deelproject 2:

The ‘body social’ in education and literature

Anita Boele, Rijksuniversiteit Groningen

(promovenda)

Deelproject 3:

The ‘body social’, the structuring of urban

society and social care – a historical

synthesis

Dr. Jeroen Benders, Rijksuniversiteit

Groningen (postdoc onderzoeker)

Children and migrant entrepreneurs

in the maelstrom of repressive tolerance.

An alternative history of the Dutch city

Prof. dr. ir. Bruno De Meulder, Technische

Universiteit Eindhoven (projectleider)

Dr. ir. Kees Doevendans, Technische

Universiteit Eindhoven

Dr. ir. Michiel Dehaene, Technische

Universiteit Eindhoven

Deelproject 1:

Other urbanisms. Children, migrant

entrepreneurs and their place in the city

Children (1874–2005) – sheltered spaces on

the threshold to independence

Lianne Verstrate, Technische Universiteit

Eindhoven (promovenda)

Migrant entrepreneurs (1849–2005) – liminal

spaces of commerce and exchange

Els Vervloesem, Technische Universiteit

Eindhoven (promovenda)

Deelproject 2:

Other spaces. Spatial micro-histories of

zones of shifting identity

Cathelijne Pool (overleden op 30 juli 2010)

Project voltooid door Anne Schram en dr. Fabio

Vanin

Places and their culture. The evolution of

Dutch cultural industries from an international

perspective, 1600–2000

Prof. dr. Robert Kloosterman, Universiteit

van Amsterdam (projectleider)

Prof. dr. Maarten Prak, Universiteit Utrecht

Deelproject 1:

The evolution of visual arts, architecture, and

publishing in the Netherlands, 1600–1900

Claartje Rasterhoff, Universiteit Utrecht

(promovenda)

Deelproject 2:

The evolution of visual arts, architecture, and

publishing in the Netherlands, 1900–2000

Michaël Deinema, Universiteit van Amsterdam

(promovendus)

Deelproject 3:

The evolution of visual arts, architecture, and

publishing: an international comparative

perspective

Dr. Mariangela Lavanga, Universiteit van

Amsterdam (postdoc onderzoeker)

Urban nebula. Metamorphosis of the Schiphol

region in the twentieth century

Prof. dr. Koos Bosma, Vrije Universiteit

Amsterdam (projectleider)

Prof. dr. Karel Davids, Vrije Universiteit

Amsterdam

Dr. Heidi de Mare, Vrije Universiteit

Amsterdam

Deelproject 1:

Transformation and continuity of land use in

the Schiphol region (1900–present)

Dr. Abdel El Makhloufi, Vrije Universiteit

Amsterdam (postdoc onderzoeker)

Nederland stedenland

312

/

313


Deelproject 2:

The international platform for spatial

planning: the International Federation for

Housing and Town planning (1913–2000)

Michel Geertse, Vrije Universiteit Amsterdam

(promovendus)

Deelproject 3:

Urban mythology. Impact of visual

representations on collective arrangements

of the Schiphol region (c. 1950–present)

Iris Burgers, Vrije Universiteit Amsterdam

(promovenda)

Deelproject 4:

The impact of infrastructural networks on

nebula city (1965–present)

Marieke Berkers, freelance architectuurhistorica

(onderzoeker)


Register

Nederland stedenland

314

/

315


Nederland stedenland

316

/

317


Colofon

Nederland stedenland

318

/

319

More magazines by this user
Similar magazines