Download rapport - Biax Consult

biax.nl

Download rapport - Biax Consult

BIAXiaal

BIAX

C o n s u l t

Onderzoeks- en Adviesbureau

voor Biologische Archeologie en Landschapsreconstructie

447

Eindrapportage van het palynologisch

onderzoek aan de organische afzettingen

onder en uit een middeleeuwse dijk bij

de Kempenbaan in Tilburg

M. van der Linden

december 2009


Colofon

Titel:

BIAXiaal 447

Eindrapportage van het palynologisch onderzoek aan de organische afzettingen onder en

uit een middeleeuwse dijk bij de Kempenbaan in Tilburg

Auteur:

M. van der Linden

Subsidieverlener:

Provincie Noord-Brabant

Opdrachtgever van het overkoepelend archeologisch onderzoek:

Gemeente Tilburg

Contactpersoon: Drs. G. van den Eynde (senior beleidsarcheoloog gemeente Tilburg)

ISSN: 1568-2285

©BIAX Consult, Zaandam, 2009

Correspondentie adres:

BIAX Consult

Hogendijk 134

1506 AL Zaandam

tel: 075 – 61 61 010

fax: 075 – 61 49 980

e-mail: BIAX@BIAX.nl


BIAXiaal 447 1

1. Inleiding

In de archeologische onderzoeksagenda van de gemeente Tilburg voor het plangebied

Tilburg-Goirle wordt een landschapsarcheologische benadering nagestreefd. 1 Een

onderdeel daarvan is het verzamelen van informatie over de geschiedenis van het

landschap en het landgebruik aan de hand van fysisch geografische en ecologische

gegevens. Daarnaast hoort bij deze benadering het in kaart brengen van de infrastructuur

in de verschillende culturele perioden in het verleden, ten einde een beter begrip te

verkrijgen van de ligging van nederzettingen en de contactmogelijkheden tussen

verschillende gemeenschappen in een bepaalde periode.

Toen in de zomer van 2008 op het terrein Kempenbaan een middeleeuwse dijk werd

aangetroffen, bestond het vermoeden dat onder het dijklichaam sedimenten aanwezig

waren met ecologisch materiaal uit een groot deel van het Holoceen. De dijk is rond 1500

aangelegd door het beekdal van de Leij. 2 Doel van de aanleg in 1500 was het creëren van

een ontginningsas van waaruit de toen nog natte beekdalgronden in cultuur gebracht

konden worden. In opdracht van de gemeente Tilburg heeft RAAP Archeologisch

Adviesbureau B.V regionale vestiging Zuid-Nederland (verder RAAP genoemd) in

augustus 2008 een inventariserend booronderzoek uitgevoerd.

Uit het booronderzoek kwam naar voren dat onder het dijklichaam inderdaad

organische sedimenten bewaard gebleven zijn, die waardevolle informatie over de

landschapsgeschiedenis en het landgebruik van het Laat-Pleistoceen tot 1500 na Chr.

voor het gebied Tilburg-Goirle kunnen opleveren (zie figuur 1 en figuur 2). 3 Daarmee kan

Tilburg-Kempenbaan als een key site voor het archeologisch onderzoek in het plangebied

Tilburg-Goirle worden gezien. In het najaar van 2008 is daarom een onderzoeksplan

opgesteld voor eco-archeologisch onderzoek met als doel antwoorden te vinden op de

volgende onderzoeksvragen:

1) in wat voor landschap is rond 1500 de dijk aangelegd?

2) waar kwam het materiaal van dijklichaam vandaan en

3) wat is de landschapsgeschiedenis van het beekdal voordat in de Middeleeuwen

deze dijk werd aangelegd.

Dankzij subsidie van de provincie Noord-Brabant in het kader van de Beleidsregel

Cultureel Erfgoed, Hoofdstuk 3 Eco-archeologisch onderzoek, kon het onderzoek in

oktober 2008 van start gaan.

Het onderzoek bestond uit twee fasen. In fase 1 werd onderzoeksmateriaal verzameld

en geïnventariseerd op kwaliteit. Tevens werd in deze fase materiaal voor daterend

onderzoek geïsoleerd. Het doel van fase 1 (de inventarisatiefase) was het verkrijgen van

een indruk van het onderzoeksmateriaal zelf en de ouderdom daarvan. Deze fase wordt

afgesloten met een selectieadvies voor te analyseren monsters. Fase 2 bestond uit het

analyseren van de geselecteerde monsters en aanvullend daterend onderzoek met de

bedoeling om de hiervoor geformuleerde vragen te beantwoorden. De resultaten van het

analyserend onderzoek worden in dit rapport gepresenteerd.

1 Van den Eynde et al. (in voorb.).

2 De centrumcoördinaten van deze lintvormige vindplaats zijn: noord 135.635 / 395.214; zuid:

135.680 / 394.895.

3 Janssens 2008.


BIAXiaal 447 2

Figuur 1 Tilburg-Kempenbaan, resultaten archeologisch en landschappelijk onderzoek (naar

Janssens 2008).


BIAXiaal 447 3

Figuur 2 Tilburg-Kempenbaan, hypothetische landschapsreconstructie op basis van de

boorprofielen (naar Janssens 2008). © RAAP.

2. Materiaal en methode

2.1 VELDWERK

Op 29 oktober 2008 hebben M. van Waijjen en M. van der Linden van BIAX Consult

materiaal verzameld voor een palynologisch onderzoek aan de lagen onder en in het

dijklichaam op het terrein Tilburg-Kempenbaan. Voorafgaande aan het veldwerk zijn op

basis van het inventariserend booronderzoek van RAAP de meest kansrijke boorlocaties

voor eco-archeologisch onderzoek geselecteerd (zie tabel 1).

In het veld zijn de boorlocaties van het inventariserend onderzoek opgezocht. Op de

middeleeuwse dijk is thans een wegverharding van kasseien aanwezig. Hierdoor waren de

locaties uit het inventariserend booronderzoek van RAAP relatief gemakkelijk te

herkennen. Op deze plaatsen lagen de kasseien die in augustus waren losgewrikt losser

dan de kasseien er omheen. Ook staken ze nog een stukje uit. De boringen voor het

palynologisch onderzoek zijn op ca. 0.5-1 meter afstand van de eerdere boorlocatie

genomen om zo materiaal te verzamelen dat niet door de eerdere boring is verstoord.


BIAXiaal 447 4

Tabel 1 Tilburg-Kempenbaan, geschiktheid van de boringen voor eco-archeologisch onderzoek

per pakket, dijklichaam, moerasbodem, veen, beekafzetting (zie ook figuur 1 en figuur

2). De boringnummers zijn gerangschikt van noord (boring 19) naar zuid (boring 13).

Met grijs zijn de boringen en pakketten aangegeven die voor vervolg onderzoek in

aanmerking kwamen. Legenda: x = boring is geschikt voor het betreffende pakket; (x) =

boring is eventueel geschikt; x = boring is zeer geschikt.

boring 19 17 16 1 2 3 4 5 6 7 8 15 9 14 10 11 12 13

dijklichaam . . x . . x . . . . x . x . x . x .

moerasbodem . . . . x . . x . . . . . x x x x x

veen . . . x x x x x . . . . . . . x x (x)

beekafzetting . . . x . x . . . . . x . . . . x x

Om de boring te kunnen zetten is eerst de bovenlaag met kasseien verwijderd met behulp

van een koevoet. Daarna is met een stootijzer en een Edelmanboor het onderliggende

zand, kachelslik en bouwpuin van de wegverharding weggenomen. Daaronder zijn de

lagen oorspronkelijk dijklichaam (laag D in figuur 2), oorspronkelijke moerasbodem (F),

veen (G) en beekzetting (H) bemonsterd. Dit is zo veel mogelijk met de guts (3 cm)

gebeurd. Wanneer dit niet mogelijk bleek te zijn, omdat de guts niet in de compacte laag

te duwen was, is voorzichtig materiaal verzameld met de Edelman boor.

In het veld is materiaal verzameld van boorlocaties 3, 12 en 13. Daarbij is iets

afgeweken van het op kantoor bepaalde plan. Het materiaal uit de gehele boorkern 13 zag

er goed uit, vandaar dat alle lagen zijn bemonsterd. Uit boring 5 is geen materiaal

verzameld. Hiervoor is gekozen omdat het zetten van een boring veel tijd en energie

kostte vanwege de wegverharding. Dit woog niet op tegen het verzamelen van slechts één

á twee monsters van deze boorlocatie zoals in het onderzoeksplan stond. Daarnaast bleek

dat de dieptes van de te bemonsteren lagen enigszins afweken van de dieptes zoals

beschreven in het inventariserend booronderzoek. Hierdoor werd de kans klein geacht dat

de dunne laag gyttja aan de basis van de moerasbodem, die alleen in boring 5 is

aangetroffen (zie figuur 2), ook op één meter naast boring 5 aangetroffen zou worden. Uit

de andere drie boorkernen is wel materiaal uit de moerasbodem verzameld.

2.2 BESCHRIJVING VAN DE PROFIELEN

De volgorde van de lagen uit de boorkernen is hetzelfde als in de boorbeschrijvingen van

RAAP. De dieptes komen echter niet helemaal overeen. Blijkbaar zijn er op korte afstand

verschillen in bodemopbouw. Hieronder worden de boorkernen genomen door BIAX

Consult kort beschreven. Ter informatie zijn de boorbeschrijvingen van RAAP

weergegeven in bijlage 1. Voor gedetailleerde informatie over de boringen wordt

verwezen naar het boorrapport van RAAP. 4 De preciese NAP-waarden van de boringen

zijn niet bekend. Alle dieptes worden daarom aangegeven in het aantal centimeters onder

het maaiveld.

2.2.1 Boorlocatie 3 (bij TKEM-3; X: 135.650, Y: 395.198)

De boring is gezet op 42 m van het kruispunt met de kasseienweg op de dijk en de

asfaltweg. De boorlocatie van RAAP was hier goed te herkennen. De BIAX-boring

bevindt zich twee kasseien richting de rechterberm (ca. een halve meter). Voor het boren

is een kassei verwijderd. Het onderste gedeelte van de boring komt overeen met de

4 Janssens 2008.


BIAXiaal 447 5

beschrijving van RAAP. De overgangen dijklichaam-moerasbodem en moerasbodemveen

verschillen.

Boorbeschrijving (0 = maaiveld):

0-20 cm: kassei

20-80 cm: zand met bouwpuin: wegverharding

80-98 cm: lichtgrijs zand: bovenste laag oorspronkelijk dijklichaam

98-139 cm: donkergrijs zand: onderste laag oorspronkelijk dijklichaam

139-145 cm: lichtgrijs met donkergrijs zand: moerasbodem

145-195 cm: homogeen veen met stukken hout in de top

195-224 cm: zandig veen met op 209 cm een groot stuk houtskool

220-235 cm: grijze klei/leem, beekafzetting

2.2.2 Boorlocatie 12 (bij TKEM-12; X: 135.801, Y: 394.982)

De boring is gezet op 20 m van het hek aan het einde van de dijk waar ook de

kasseienverharding ophield. De boring is in het verlengde van de dijk gezet aan de zijkant

van de huidige kasseiverharding. Voor het boren is een kassei verwijderd. Er zijn vrijwel

geen afwijkingen met de beschrijving van RAAP.

Boorbeschrijving (0 = maaiveld):

0-20 cm: kassei

20-70 cm: zand met bouwpuin: wegverharding

70-100 cm: donkergrijs zand: oorspronkelijk dijklichaam

100-155 cm: donkerbruin zand gemengd met donkergrijs zand: moerasbodem

155-180 cm: nat veen met weinig plantenresten

180-210 cm: grof veen met veel plantenresten

210-220 cm: donkergrijze gyttja met grove planten, beekafzetting

220-223 cm: grijze klei/leem, beekafzetting

2.2.3 Boorlocatie 13 (bij TKEM-13; X: 135.822, Y: 394.947)

De boring is gezet op 2,10 m van het hek aan het einde van de dijk waar ook de

kasseienverharding ophield. De boring is in de berm in het verlengde van de dijk gezet

naast de huidige kasseiverharding. Onder een pakket aarde en begroeiing van ca. 25 cm

dikte bleek alsnog een laag kasseien aanwezig te zijn. De diepte en dikte van de

moerasbodem en het veenpakket wijken op de BIAX-locatie van boring 13 iets af van de

beschrijving van RAAP.

Boorbeschrijving (0 = maaiveld):

0-20 cm: kassei

20-40 cm: zand: wegverharding

40-60 cm: zand met bouwpuin: wegverharding

60-100 cm: donkergrijs zand: oorspronkelijk dijklichaam

100-105 cm: donkerbruin zand gemengd met donkergrijs zand: moerasbodem

105-160 cm: veenpakket

160-172 cm: gyttja, beekafzetting

172-176 cm: grijs zand, beekafzetting


BIAXiaal 447 6

2.3 POLLENONDERZOEK

Pollenmonsters zijn genomen uit het middelste gedeelte van de monsters die in het veld

zijn verzameld. De verzamelde pollenmonsters hebben volumina die variëren van één tot

vier cm 3 . De pollenmonsters zijn bereid volgens de standaardmethode van Erdtman. 5 Om

een indruk te krijgen van de pollenconcentratie is aan elk monster een vaste hoeveelheid

sporen (twee tabletten met ca. 18.583 sporen per tablet) van een niet in Nederland

voorkomende wolfsklauwsoort (Lycopodium) toegevoegd. De bereiding is uitgevoerd

onder leiding van M. Konert van de Vrije Universiteit van Amsterdam.

De pollenmonsters zijn geïnventariseerd om uit te zoeken welke monsters voor analyse

in aanmerking komen. Daarbij is gekeken naar de rijkdom van het materiaal en naar de

aantasting van het pollen. Daarnaast is de pollensamenstelling van elk monster

onderzocht, waarbij extra aandacht is besteed aan de aanwezigheid van pollen van

cultuurgewassen en aan andere indicatoren die op menselijke activiteiten wijzen. Bij de

inventarisatie, die is uitgevoerd door M. van der Linden, is gebruik gemaakt van een

doorvallend-lichtmicroscoop met vergrotingen tot 600 maal.

De administratieve gegevens per pollenmonster staan in tabel 2. Een overzicht van de

genomen pollenmonsters is beschreven in

tabel 3.

Tabel 2 Tilburg-Kempenbaan, administratieve gegevens van (A) boring 3, (B) boring 12 en (C)

boring 13. Legenda:-mv = beneden maaiveld. x = geanalyseerd.

A

boring monstercode diepte - beschrijving BXnr. volume analyse

mv (cm)

(cc)

3 Dijk 1 85-90 Top bovenste

laag dijklichaam

lichtgrijs zand

3928 4 .

3 Dijk 2 95-100 Overgang

bovenste en

onderste laag

dijklichaam

lichtgrijs en

donkergrijs zand

3929 4 x

3 Dijk 3 105-110 Dijklichaam

donkergrijs

3930 2 .

3 Moeras 2 113-118 Moerasbodem

met laagjes of

dijk?

3931 2 .

3 Dijk 4 132-137 Basis dijklichaam

zeer compact

zand

3932 2 x

3 Moeras 3 140-145 Moerasbodem

lichtgrijs

3933 2 x

3 Veen 1 147-152 Top veen 3934 1 .

3 Veen 2 180-185 Veen onder hout 3935 1 .

3 Veen 3 190-195 Basis homogeen

veen

3936 1 .

3 Veen 4 200-205 Top zandig veen 3937 1 .

3 Veen 5 210-215 Basis zandig

veen

3938 1 .

3 Beek 1 230-235 Beekafzetting

zanderig

3939 1 .

5 Erdtman 1960; Fægri et al. 1989; met modificaties van Konert 2002.


BIAXiaal 447 7

B

boring monstercode diepte - beschrijving BXnr. volume analyse

mv (cm)

(cc)

12 Dijk 1 80-85 Top bovenste

laag dijklichaam

3918 2 x

12 Dijk 2 90-95 Bovenste 3919 2 x

dijklichaam

12 Moeras 1 95-100 Overgang boven

en onderste deel

dijklichaam

3920 2 x

12 Moeras 2 110-115 Top

moerasbodem

3921 2 x

12 Moeras 3 153-155 Basis

moerasbodem

3922 1 x

12 Veen 2 170-175 Top nat veen

weinig planten

3923 1 x

12 Veen 3 183-188 Overgang nat en

grof veen

3924 1 x

12 Veen 4 205-209 Basis grof veen 3925 1 x

12 Beek 1 213-217 Top donkergrijze 3926 1 x

gyttja

12 Beek 2 220-222 Lichtgrijze

klei/leem

3927 2 x

C

boring monstercode diepte - beschrijving BXnr. volume analyse

mv (cm)

(cc)

13 Dijk1 100-105 Overgang

dijklichaam naar

oorspronkelijke

moerasbodem

3910 1 x

13 Veen 1 105-110 Top veen 3911 1 x

13 Veen 2 120-125 Veen 3912 1 .

13 Veen 3 135-140 Veen 3913 1 .

13 Veen 4 150-155 Basis veen 3914 1 .

13 Beek 1 162-165 Top gyttja 3915 1 .

13 Beek 2 168-171 Basis gyttja 3916 1 .

13 Beek 3 173-176 Grijs zand 3917 2 .

Tabel 3 Tilburg- Kempenbaan, overzicht pollenmonsters uit boringen en lagen. Legenda: 0,5 =

monster genomen op de overgang van dijklichaam naar moerasbodem

laag boring 3 boring 12 boring 13 totaal

Oorspronkelijk dijklichaam 5 3 0,5 8,5

Oorspronkelijke moerasbodem 1 2 0,5 3,5

Veen 5 3 4 12

Beekafzetting 1 2 3 6

Totaal 12 10 8 30

2.4 ZADENONDERZOEK EN SELECTIE 14 C-MONSTERS

Over het algemeen worden voor 14 C-onderzoek volgens de AMS-methode, bovengrondse

delen van terrestrische (op land groeiende) planten ingestuurd. Dit zijn bijvoorbeeld de

zaden, stengeldelen of houtresten. Alleen wanneer deze botanische resten niet (meer)

aanwezig zijn, wordt een bulkmonster van de betreffende laag van het te dateren sediment

ingestuurd.


BIAXiaal 447 8

Om te kijken of er geschikt materiaal voor 14 C-analyse in de monsters aanwezig was, zijn

in eerste instantie zeven monsters gezeefd voor een inventariserend

macrorestenonderzoek. Hiervoor zijn de veenmonsters van de top en de basis van het

veenpakket uit de drie boringen uitgekozen. Van boring 3 is ook een monster dat de

overgang tussen zandig veen en homogeen veen (190-195 cm) markeert, geselecteerd.

Van elk van deze monsters is één cc materiaal apart gehouden om te gebruiken als een

eventueel bulkmonster. De rest van elk van de monsters is in zijn geheel gebruikt voor het

macrorestenonderzoek, dat door M. van der Linden en L. Kubiak-Martens van BIAX

Consult is uitgevoerd. De monsters zijn voor AMS-onderzoek verzonden naar het 14 C

laboratorium van het Centrum voor Isotopen Onderzoek van de Universiteit Groningen.

Nadat de resultaten bekend waren van de eerste 14 C-analyse reeks is ter aanvulling een

tweede reeks monsters geselecteerd. Het uitgangspunt van deze reeks was het bepalen van

de overgang van moerasbodem naar dijklichaam. Met deze dateringsreeks kan mogelijk

vastgesteld worden wanneer het dijklichaam geplaatst is. Ook bij deze monsters is voor

de zekerheid een bulkmonster achter gehouden. Het resterende deel is onderzocht op

macroresten door L. Kubiak-Martens en L.I. Kooistra van BIAX Consult. De monsters

zijn voor AMS-onderzoek verzonden naar het Poznań Radiocarbon Laboratory in Polen.

De administratieve gegevens van de 14 C-monsters staan in tabel 4.

Tabel 4 Tilburg- Kempenbaan, administratieve gegevens van 14 C-monsters.

14 C-lab

14 C-materiaal

boring monster diepte (cm) gewicht (g)g

3 moeras 3 140-145 0,033 Poznan Carex spec, Quercus (houtksool),

Ranunculus flammula

3 veen 3 190-195 0,002 Groningen Alnus glutinosa katje, Alnus glutinosa

vrucht 8x, Carex spec 3x, Lycopus

europaeus, Urtica dioica 3x

3 veen 5 210-215 0,004 Groningen Alnus glutinosa, vrucht 2x;

Betula/Quercus, schutblad;

Cyperaceae cf. Cyperus fuscus 2x;

Schutblad loofboom 2x; Fraxinus

excelsior; Lycopus europaeus;

Persicaria lapathifolia; Urtica dioica

12 moeras 1 95-100 0,009 Poznan Bryales, takje met blad; Carex

acuta/elata; Carex riparia; Carex

rostrata; Eleocharis

palustris/uniglumis; Glyceria fluitans,

korrel 5x; Isolepis setacea 2x;

Menyanthes trifoliata; Ranunculus

flammula; Stellaria media

12 veen 2 170-175 0,002 Groningen Bryales, takje met blad; Carex cf.

diandra, urntje; Carex spec 3x;

Schutblad loofboom; Eleocharis

palustris/uniglumis; Glyceria fluitans,

korrel; Isolepis setacea; Menyanthes

trifoliata

12 veen 4 205-209 1,129 Groningen bulk

13 dijk 1 100-105 0,009 Poznan Ajuga reptans; Betula/Quercus,

knopschub; Calluna vulgaris, twijg;

Carex acuta/elata; Carex

caryophyllea; Carex spec 2x; Erica

tetralix, blad; Hydrocotyle vulgaris;

Persicaria maculosa; Ranunculus

acris/repens 2x; Ranunculus

flammula; Secale cereale,

aarspilfragment.

13 veen 1 105-110 0,001 Groningen Alnus glutinosa, vrucht 2x; Betula

pubescens/pendula 6x; Carex spec;

Rubus fruticosus


BIAXiaal 447 9

3. Resultaten

3.1

14 C-ANALYSE

De resultaten van het 14 C-onderzoek van het veenpakket, de moerasbodem en het

dijklichaam, staan in tabel 5. De gecalibreerde resultaten zijn in bijlage 2 per monster

weer gegeven.

Tabel 5 Tilburg- Kempenbaan, 14 C-analyse resultaten gerangschikt op kalenderouderdom.

boring monster

diepte

(cm) labnummer

14

C (BP) kalenderouderdom

1-sigma

(%)

12 moeras 1 95-100 Poz-32868 245 ± 30 1640 – 1670 n. Chr. 49,8

1780 – 1800 n. Chr. 18,4

3 moeras 3 140-145 Poz-32688 330 ± 30 1490 – 1640 n. Chr. 68,2

12 veen 2 170-175 GrA-43058 500 ± 35 1410 – 1438 n. Chr. 68,2

13 dijk 1 100-105 Poz-32687 565 ± 30 1320 – 1350 n. Chr. 34,7

1390 – 1420 n. Chr. 33,5

13 veen 1 105-110 GrA-43054 4070 ± 60 2860 – 2810 v. Chr. 11,5

2680 – 2550 v. Chr. 41,4

2540 – 2490 v. Chr. 15,2

3 veen 3 190-195 GrA-43049 4165 ± 45 2880 – 2840 v. Chr. 12,8

2820 – 2660 v. Chr. 55,4

3 veen 5 210-215 GrA-43048 4210 ± 40 2890 – 2850 v. Chr. 16,9

2820 – 2750 v. Chr. 38,3

2730 – 2700 v. Chr. 13,0

12 veen 4 205-209 GrA-42672 4750 ± 40 3640 – 3510 v. Chr. 63,3

3400 – 3380 v. Chr. 4,9

3.1.1 Veenpakket

Aan de hand van de 14 C-dateringen is vast te stellen dat bij het vergelijken van de

boringen een dieper monster niet vanzelfsprekend een hogere ouderdom heeft. Zowel het

oudste als het jongste monster van het veen zijn afkomstig uit boring 12, terwijl uit boring

13 en boring 3 respectievelijk een ondieper en een dieper gelegen monster gedateerd zijn.

Het oudste monster uit boring 12 is afkomstig uit de basis van het veen (veen 4, 205-

209 cm), juist boven de beekafzetting van donkergrijze gyttja. De 14 C-datering is 4750 ±

40 BP wat het meest overeen komt met een kalendertijd van 3640 tot 3510 v. Chr.

(Midden-Neolithicum). Dit monster is echter gebaseerd op datering van een bulkmonster.

De kans is daarom groot dat er organisch materiaal van een lange periode aanwezig. Dit

monster geeft immers een gemiddelde ouderdom. Het is goed mogelijk dat de elzentakjes

uit dit monster jonger zijn dan het bulk materiaal zelf. De jongere datering van de basis

van het veen uit boring 3 van 4210 ± 40 BP heeft een overeenkomende kalendertijd van

2820 tot 2750 v. Chr. (Laat-Neolithicum). Mogelijk is de veengroei hier later gestart.

Echter in figuur 2 is te zien dat in boring 2 geheel onderin veen aanwezig is. Mogelijk is

dit veen wel ouder of even oud als het veen in boring 12. Met deze gegevens is geen

uitsluitsel te geven maar het lijkt alsof de veenvorming in de noordwestelijke loop van de

Nieuwe Leij (bij boring 3) later is begonnen dan in de geul bij de Vuile Leij meer naar het

zuidoosten (bij boring 12 en 13). Dit betekent dat het veen pas vanaf het einde van het

Atlanticum en aan het begin van het Subboreaal is gevormd. In het Atlanticum stroomde

er een beek en er trad vrijwel geen veenvorming op. Dit in tegenstelling tot andere delen

van het land. In de beekdalen van de IJssel en de Vecht wordt vanaf het begin van het


BIAXiaal 447 10

Atlanticum veen gevormd. Dit hangt samen met de stijgende zeespiegel. Met het stijgen

van de zeespiegel werd ook de grondwaterstand hoger. Hierdoor nam de stroomsnelheid

van de rivieren af en kon veenvorming plaats vinden. 6 Op de hogere Pleistocene gronden

heeft de zeespiegelstijging echter geen invloed op de grondwaterstand. In deze gebieden

is het juist de toename in (loofbos)vegetatie die de stroomsnelheid doet afnemen. In

Brabant behoren de meeste beken tot de laaglandbeken. Deze beken, die in de bovenloop

bestaan uit een stelsel van geulen, worden niet gevoed door permanente bronnen maar

vaak door langdurige regenval. Hierdoor stonden ze vaak een deel van het jaar droog. De

bosbeken in het Atlanticum meanderden nauwelijks. Ze hadden meerdere watervoerende

geulen en lieten vrijwel geen afzetting achter. De waterstand werd hier hoger doordat er

in dalen uit de zandruggen vaak kwelwater omhoog kwam. In dat geval kan er in de

lagergelegen delen veenvorming ontstaan. Langs de bovenloop van de beek kon onder

invloed van voedselarm regenwater broekveen en veenmosveen ontstaan. 7 Bij de

overgang van het warme en natte tijdperk Atlanticum naar het drogere en koelere tijdperk

Subboreaal vond er tevens een verandering plaats in rivierpatronen. Het zwak

meanderende riviersysteem met meerdere stroomgeulen veranderde naar een meanderend

riviersysteem met een enkele stroomgeul. 8 Waarschijnlijk is bij de Leij op de overgang

van het Atlanticum naar het Subboreaal ook het aantal stroomgeulen afgenomen.

Tegenwoordig bevat alleen de Nieuwe Leij nog stromend water. Vertaald naar de

boorlocaties betekent dit dat de geul bij boring 12 en 13 het eerste geen stromend water

meer bevatte en later (of mogelijk gelijktijdig) de geul bij boring 3 verland is.

Atmospheric data from Stuiver et al. (1998); OxCal v3.9 Bronk Ramsey (2003); cub r:4 sd:12 prob usp[chron]

B13 - veen 1: 105-110 cm 4070±60BP

B12 - veen 2: 170-175 cm 500±35BP

B3 - veen 3: 190-195 cm 4165±45BP

B12 - veen 4: 205-209 cm 4750±40BP

B3 - veen 5: 210-215 cm 4210±40BP

8000CalBC 6000CalBC 4000CalBC 2000CalBC CalBC/CalAD 2000CalAD

Calibrated date

Figuur 3 Tilburg-Kempenbaan, calibratieresultaten van de 14 C-monsters uit het veenpakket.

Het veen op de locatie van boring 3 is vrij snel gegroeid. De veenlaag 3 (190-195 cm)

heeft een 14 C-datering van 4165 ± 45 BP. Dit komt overeen met een kalendertijd van

2820 tot 2660 v. Chr. (Laat-Neolithicum). Dat betekent dat er een overlap mogelijk is met

de gecalibreerde kalendertijd van het monster B3 - veen 5 (zie figuur 3). Als we er vanuit

gaan dat er een chronologische opbouw in het veen aanwezig is, dan is het

waarschijnlijker dat de ouderdom van veenlaag 3 in boring 3 tussen de 2750 en 2660 v.

Chr. ligt.

De twee 14 C-monsters uit de top van het veenpakket in boring 12 (veen 2) en 13 (veen

1) geven een zeer verschillend resultaat. Hoewel het monster van boring 12 uit een dieper

gelegen laag komt, heeft het een zeer jonge datering van 500 ± 35 BP. Dit komt overeen

met een nauwkeurige kalenderleeftijd van 1410 tot 1438 n. Chr. (Volle Middeleeuwen).

6 Berendsen & Stouthamer 2001

7 Berendsen 2004; Willemse 2008.

8 Willemse 2008.


BIAXiaal 447 11

Het monster uit de top van het veenpakket uit boring 13 heeft een veel oudere 14 C-leeftijd

van 4070 ± 60 BP. Dat komt neer op een kalenderleeftijd uit de periode 2680 tot 2550 v.

Chr. (Laat-Neolithicum). Het enorme verschil in ouderdom is mogelijk te verklaren aan

de hand van het gebruik van de locatie. Mogelijk werd dit gedeelte van het beekdal reeds

voor het aanleggen van de dijk gebruikt om de nattere geulvulling van de Leij te

doorkruisen. Door het betreden van de moerassige bodem door mens of dier kunnen

jongere plantenresten naar beneden zijn gedrukt en met de onderliggende moeras- en

veenbodem vermengd geraakt zijn. Tijdens het inventariserend booronderzoek zijn

mogelijk sporen gevonden van ingesleten karrensporen in het materiaal van de dijk en op

de overgang van de moerasbodem naar dijklichaam (zie figuur 4).

De resultaten van de 14 C-dateringen wijzen op een hiaat in tijd tussen de top van het

veenpakket en het dijklichaam (waarschijnlijk ook met de moerasbodem). Het is goed

mogelijk dat de top van het veen geërodeerd is door beekactiviteiten. Bij het

booronderzoek zijn namelijk verschillende zandlaagjes gevonden in het veenpakket. Deze

zandlaagjes zijn afgezet bij overstromingen of bij verstuiving. Tevens kan een gedeelte

van het veen als turf verzameld zijn. In de omgeving van Tilburg is op vele locaties veen

afgegraven bijvoorbeeld bij De Brand en De Moer. 9 Indien er in het beekdal goed veen

voor turfwinning (hoogveen) is ontwikkeld, dan kan dit gewonnen zijn. In dat geval is het

mogelijk dat er onder de dijk sporen van turfkuilen te vinden zijn. 10

In boring 12 is de positie van het hiaat mogelijk af te leiden uit de stratigrafie. De

meest logische plek is de overgang van nat grof veen met veel plantenresten naar veen

met weinig plantenresten op 180 cm onder het maaiveld. De tweede reeks dateringen uit

de moerasbodem en onderkant van het dijklichaam geeft hier meer informatie over.

Figuur 4 Tilburg-Kempenbaan, overgang moerasbodem naar dijklichaam uit boring 6. Foto

genomen tijden inventariserend booronderzoek door RAAP. 11

9 Dirkx 2001; Leenders 1989.

10 Janssens 2008.

11 Janssens 2008.


BIAXiaal 447 12

Atmospheric data from Stuiver et al. (1998); OxCal v3.9 Bronk Ramsey (2003); cub r:4 sd:12 prob usp[chron]

B12 - moeras 1 245±30BP

B3 - moeras 3 330±30BP

B13 - dijk 1 565±30BP

1000CalAD 1200CalAD 1400CalAD 1600CalAD 1800CalAD 2000CalAD

Calibrated date

Figuur 5 Tilburg-Kempenbaan, 14 C calibratieresultaten van de overgang van de moerasbodem

naar het dijklichaam.

3.1.2 Moerasbodem en dijklichaam

De 14 C-resultaten uit de tweede reeks geven een indruk wanneer de moerasbodem is

gevormd en wanneer het dijklichaam is aangelegd. De oudste datering van deze reeks is

afkomstig uit boring 13 (zie figuur 5). Het monster uit de overgang van de moerasbodem

naar het dijklichaam heeft een 14 C-datering van 565 ± 30 BP. Dit komt overeen met een

kalenderleeftijd van 1320 tot 1350 na Chr. of 1390 tot 1420 na Chr. Aangezien het

gedateerde materiaal uit zaden van moerasplanten bestond is het aannemelijk dat deze

datering de ouderdom van de moerasbodem aangeeft voordat de dijk werd aangelegd.

Deze datering is vergelijkbaar met de top van het veen uit boring 12.

De moerasbodem uit boring 3 heeft een 14 C-datering van 330 ± 30 BP. De

gecalibreerde ouderdom is 1490 tot 1640 na Chr. Het is zeer waarschijnlijk dat dit de top

van de moerasbodem is en dat de dijk kort hierna aangelegd is. Uit historische bronnen is

bekend dat de dijk, in die tijd aangeduid als Theeus Matheusdijck, in het begin van de 16 e

eeuw is aangelegd. Later, tussen 1530 en 1550 is de naam veranderd naar Reijnendijck.

De eigenaren van de dijk hadden in 1539 een geschil over het onderhoud en de breedte

van de weg en zijn sloten. 12

Uit boring 12 is het monster moeras 1 gedateerd op een 14 C-leeftijd van 245 ± 30 BP.

De gecalibreerde ouderdom is 1640 tot 1670 na Chr. Deze organische laag is in het veld

aangeduid als een mogelijke overgang van het onderste naar het bovenste deel van het

dijklichaam. Vanwege de organische grondsoort is wel de benaming moeras 1 aan het

monster gegeven. De datering wijst mogelijk op een tweede fase in de dijkopbouw. Er

zijn echter voornamelijk zaden van moerasplanten gebruikt om dit monster te dateren.

Het zaden- en pollenonderzoek geeft meer informatie over de herkomst van het monster.

3.2 ZADENONDERZOEK

De resultaten van het zadenonderzoek staan in bijlage 3 t/m 5. De zadenmonsters waren

klein (ca. 20 cm 3 ) in vergelijking met zadenmonsters uit andere archeologische

onderzoeken (meestal 1000 - 5000 cm 3 ). Dit komt door het feit dat de macromonsters, net

zoals de pollenmonsters, uit de smalle gutsvulling zijn verzameld. Dit neemt niet weg dat

deze monsters informatie bieden over de lokale milieucondities. In tegenstelling tot

pollen is het bij de meeste zaden mogelijk om deze tot op het soortsniveau te

determineren. Met deze soortspecifieke informatie kunnen duidelijke uitspraken gedaan

worden over de lokale milieuomstandigheden. Het is namelijk bekend onder welke

omstandigheden bepaalde soorten voorkomen. Soorten die in hetzelfde milieu voorkomen

vallen binnen een ecologische groep. Met deze gegevens kan een reconstructie gemaakt

12 Trommelen & Trommelen 1994, 89; GAT R286, fol. 17v-18r (1539).


3.2.1 Boring 3

BIAXiaal 447 13

worden van bijvoorbeeld de vegetatiestructuur en het successiestadium, de vochttoestand,

de trofietoestand (voedselwaarde) en de zuurgraad (zie figuur 6, figuur 7 en tabel 6). Het

is echter zo dat de meeste soorten een brede ecologische amplitude hebben. Slechts

enkele soorten komen voor in zeer specifieke milieucondities. Met name deze kensoorten

zullen hieronder besproken worden.

3.2.1.1 Veenlagen

De diepste zadenmonsters uit boring 3 komen uit het veenpakket. De twee monsters uit de

diepere veenlagen veen 3 (190-195 cm) en veen 5 (210-215 cm) bevatten relatief goed

geconserveerd materiaal. Het monster uit de top van het veenpakket, veen 1 (147-152

cm), is echter minder goed bewaard gebleven. In dit monster is enkel amorf materiaal

(niet meer te herkennen, sterk vergaan organisch materiaal), een urntje van een zegge

(Carex) en niet te determineren worteltjes. Uit dit monster is niet meer informatie te halen

dan dat het veen is.

In het diepste monster uit veenlaag 5 (2820 – 2750 v. Chr.) is veel zand aangetroffen.

Waarschijnlijk was de beek (in dit geval een stroomgeul van de Nieuwe Leij) nog actief

en werd het pas gevormde veen af en toe overstroomd waardoor er zand achterbleef in het

veen. Anderzijds is het mogelijk dat het veen door zand werd overstoven. De meeste

aanwezige soorten kunnen voorkomen in een bos op voedselarme tot voedselrijke natte

bodems, zoals elzenbroekbos. De vondst van een vruchtje van zwarte els (Alnus

glutinosa) wijst erop dat deze boomsoort in de omgeving voorkwam. In dit bostype

kunnen ook berk/eik (Betula/Quercus) en gewone es (Fraxinus excelsior) voorkomen.

Grote brandnetel (Urtica dioica) is te vinden op stikstofrijke, droge tot natte, vaak half

beschaduwde plaatsen op humeuze grond. De natuurlijke standplaats van deze soort is

bronbos of broekbos met els. 13 Wolfspoot (Lycopus europaeus) komt tevens voor op

natte, voedselrijke grond aan waterkanten en in moerasbossen. Bruine zegge (Cyperus

fuscus) komt voor op droogvallende plaatsen langs de rivieren. Daarnaast komt de soort

voor op open, natte grond, vooral in kwelgebieden. Beklierde duizendknoop (Persicaria

lapathifolia) is een pionier die voorkomt op open, natte tot vochtige, voedselrijke grond

aan onder andere rivieroevers. Het voorkomen van deze soorten wijst op nabijheid van de

beek. De beek wordt gevoed met kwelwater.

De soortgelijke vegetatie uit veenlaag 3 is een aanwijzing dat de beek ook nog

aanwezig was ten tijde van de vorming van deze laag in de periode 2820 -2660 v. Chr.

Mogelijk lag de stroomgeul in deze periode dichter bij de boorlocatie omdat in dit

monster ook resten van plomp of waterlelie (Nuphar/Nymphaea) zijn gevonden. Deze

planten komen voor in diep tot vrij ondiep, stilstaand tot matig stromend, voedselrijk

water. In dit monster is echter ook zand aangetroffen wat wijst op (periodieke)

overstuiving of overstroming door beekwater van het veen. Mogelijk is het zaad van

plomp/waterlelie met dit water meegespoeld. Grote waterweegbree (Alisma plantagoaquatica)

is een plant van slootkanten, beekoevers en vennen. Ze groeit vooral op

plaatsen die in de zomer droog liggen. De wateren waarlangs ze groeit zijn matig

voedselarm tot voedselrijk, zoet tot heel zwak brak, niet sterk zuur en stilstaand tot sterk

stromend. 14 Waarschijnlijk heeft het elzenbroekbos zich uitgebreid. Er worden namelijk

meerdere resten van zwarte els gevonden. Ook grote brandnetel en wolfspoot komen

voor.

In het overzicht van het voorkomen de ecologische groepen (figuur 6) is te zien dat de

meeste zaden van de veenmonsters uit boring 3 afkomstig zijn van bossen en struwelen

op natte tot vochtige voedselarme tot zeer voedselrijke bodem.

13 Weeda et al. 1985, 126-127.

14 Weeda et al. 1991, 222-226.


BIAXiaal 447 14

3.2.1.2 Moeraslaag

Het monster uit de moerassige bodem van boring 3 was arm aan macroresten. Het

monster heeft een ouderdom van 1490 tot 1640 na Chr.

De samenstelling van het moerasmonster verschilt van de venige monsters. Er zijn

geen worteltjes en amorf materiaal gevonden. Ook macroresten van els zijn geheel

afwezig. Wel is houtskool van eik gevonden. Enkel een zaad van egelboterbloem

(Ranunculus flammula) en zegge is aangetroffen. Egelboterbloem komt voor op natte,

matig voedselrijke grond in graslanden, trilvenen, op kapvlakten en bospaden, en langs

vennen. Waarschijnlijk is het elzenbroekbos lokaal sterk afgenomen en is een opener

moerassig landschap ontstaan.

3.2.2 Boring 12

3.2.2.1 Veenlaag

Het monster uit de diepste, grove veenlaag van boring 12 (veen 4; 205-209 cm) heeft een

ouderdom van 3640 – 3510 v. Chr. Het monster was arm aan macroresten. Enkel een

aantal twijgjes/takjes van zwarte els zijn gevonden. Daarnaast zijn stukjes wortelhout,

overige worteltjes en amorf materiaal aangetroffen.

Het monster uit de fijne veenlaag zonder zichtbare plantenresten (veen 2; 170-175 cm;

1410 – 1438 na Chr.) bevatte meerdere macroresten. Resten van zwarte els zijn wederom

aanwezig. In dit monster is echter ook een twijgje van wilg (Salix) gevonden. De soort

wilg was niet te determineren. De meeste wilgen komen voor langs wegen, sloten en

langs weilanden op vochtige, vruchtbare grond, veel in moerasbossen en grienden. Deze

wilgen van minerale voedselrijke bodem komen veelal langs de rivieren voor. Er zijn

echter ook soorten die op droge standplaatsen voor kunnen komen. Daarnaast zijn er

wilgen die op zure veenbodems voorkomen. Dit zijn grauwe wilg (S. cinerea spp.

cinerea) en geoorde wilg (S. aurita). 15 Gezien de overige vegetatie en de boorlocatie is

het aannemelijker dat het hier om deze laatstgenoemde soorten gaat. Ronde zegge (Carex

diandra) is een soort van natte, vrij voedselarme grond in trilveenmoerassen, soms in

ondiep, open water; maar ook van moerassige hooilanden. De gewone/slanke waterbies

(Eleocharis palustris/uniglumis) groeit langs waterkanten, in vennen, moerassen en natte

duinvalleien. Mannagras (Glyceria fluitans) komt voor op natte, voedselrijke grond in

graslanden, loofbossen en op drooggevallen plaatsen. 16 Borstelbies (Isolepis setacea) is

een pionier die haar natuurlijke standplaats heeft op drooggevallen strandjes van beken.

Haar voorkomen wordt echter veelvuldig beïnvloed door de mens. Zo verschijnt zij ook

langs pas gegraven sloten, greppels, afgeplagde plekken en vochtige kapvlakten.

Daarnaast houdt borstelbies stand in beweid en weinig bemest terrein zoals in

beekdalweilanden. 17 Waterdrieblad komt in oost en zuid Nederland vooral voor in

beekdalmoerassen, veelal onder invloed van kwelwater. 18

In figuur 6 is duidelijk te zien dat monster B12-v2 (boring 12 – veen 2) meer

overeenkomsten vertoont met het moerasmonster uit boring 12 dan met de overige

veenmonsters uit boring 3 en 13 (zie ook figuur 7). Waarschijnlijk is het fijne veen uit

boring 12 de basis van de moerassige bodem of vormt het de overgang van veen naar

moeras. Dit verklaart ook de jongere datering van de top van het veenpakket. Het is zeer

goed mogelijk dat deze overgang beïnvloed is door menselijk handelen.

15 Weeda et al. 1985, 62.

16 Weeda et al. 1994, 113.

17 Weeda et al. 1994, 258.

18 Weeda et al. 1988, 98-99.


BIAXiaal 447 15

3.2.2.2 Moeraslaag

In het monster uit de moerassige laag 1 uit boring 12 (95-100 cm; 1640 tot 1670 na Chr.)

zijn geen macroresten van soorten uit bossen en struwelen aangetroffen. Waarschijnlijk

was het landschap lokaal open. In dit monster zijn dezelfde (pionier)soorten van

graslanden aangetroffen als in veen 2, maar in grotere aantallen. In dit monster zijn twee

zegge-soorten van ruigten gevonden. Het gaat om scherpe/stijve zegge (Carex

acuta/elata) en oeverzegge (C. riparia). Scherpe/stijve zegge en oeverzegge komen voor

in ruigten maar zijn tevens oever- en moerasplanten uit verlandingsvegetaties. Stijve

zegge is vrij algemeen in de pleistocene streken met name in Noord-Brabant. Ze groeit in

ondiep water en in moerassen. Ze kan voorkomen in beekbegeleidend broekbos maar ook

langs greppelkanten in blauwgrasland. 19 Oeverzegge komt voor op de meest voedselrijke

standplaatsen en heeft een vrij hoge zouttolerantie. Zij komt onder andere voor

brakwaterveengebieden maar ook in oever- en moerasvegetaties in hooi- en weilanden en

bermen. 20 Net als in het moerassige monster van boring 3 is egelboterbloem aanwezig.

Vogelmuur (Stellaria media) komt voornamelijk voor op open, droge tot vochtige,

voedselrijke, omgewerkte grond, vooral in akkers en tuinen.

Het is zeer goed mogelijk dat de laag waar dit monster uit afkomsig is, aan het

oppervlak heeft gelegen tijdens de eerste fase van het gebruik van de dijk. Waarschijnlijk

is de dijk met materiaal uit de omgeving opgehoogd.

3.2.3 Boring 13

3.2.3.1 Veenlaag

Het venige monster uit de veen 4 (150-155 cm) is niet gedateerd. Het monster bevatte

weinig macroresten en was sterk vergaan. Naast twee twijgjes van zwarte els zijn enkel

worteltjes en amorf materiaal gevonden.

Het venige monster uit de top van het veenpakket van boring 13 (veen 1; 105-110 cm;

2680 – 2550 v. Chr.) bevatte niet veel macroresten. Zwarte els is aanwezig. Gewone

braam komt in Nederland voor op niet te voedselarme zand- en leemgronden veelal in

broek- en bronbossen waar de voornaamste boomsoort zwarte els is. 21

Daarnaast zijn macroresten van zachte en/of ruwe berk (Betula pubescens/pendula)

gevonden. Waarschijnlijk stond zachte berk op vochtige bodem in het beekdal, maar berk

komt over het algemeen meer voor op de voedselarmere minerale bodems. 22 In sommige

delen van het beekdal zijn meer voedselarmere en zuurdere omstandigheden onstaan.

Mogelijk is op deze locaties hoogveen ontwikkeld. De verandering in voedselwaarde is

zichtbaar in figuur 7. De vruchtjes en zaden van berk worden goed door de wind (en

water) verspreid. Het is ook mogelijk dat ruwe berk op de hogere en drogere zandkoppen

in de omgeving voorkwam. In dit monster is echter tevens witte schors gevonden die

mogelijk van berk afkomstig is. Schors wordt niet ver verspreid. Waarschijnlijk hebben

lokaal berken gestaan.

3.2.3.2 Dijklichaam

Uit boring 13 is één monster genomen dat de basis van het dijklichaam en de top van de

moerasbodem bevat. Dit monster kan informatie geven over de soortensamenstelling van

het moeras toen de dijk werd aangelegd. Daarnaast bevat het waarschijnlijk aanwijzingen

over de herkomst van het gebruikte ophogingsmateriaal van het dijklichaam. Het monster

is gedateerd in de periode 1320 tot 1350 na Chr. of 1390 tot 1420 na Chr. Hiervoor zijn

met name zaden van (natte) graslandplanten gebruikt.

19 Weeda et al. 1994, 314-315.

20 Weeda et al. 1994, 308.

21 Weeda et al. 1987, 64.

22 Weeda et al. 1985, 87-93.


BIAXiaal 447 16

Het monster bevat soorten uit alle successiestadia. De soorten uit de watervegetatie en

natte ruigten zijn waarschijnlijk uit de top van de moerasbodem afkomstig. De

aanwezigheid van fonteinkruid (Potamogeton) en fijne waterranonkel-type (Ranunculus

aquatilis-type) wijst op de aanwezigheid van open water. Het lijkt erop dat de locatie

plaatselijk natter is geworden in vergelijking met het onderliggende veenmonster en de

moerasmonsters uit de andere boringen. Mogelijk is dit de reden waarom in deze periode

is overgegaan tot het aanleggen van de dijk, zodat doortocht door het gebied mogelijk

bleef. Scherpe/stijve zegge kan in ondiep water gestaan hebben. Het kan echter ook in

blauwgrasland gegroeid hebben. Kruipend zenegroen (Ajuga reptans) kan ook in grazig

(blauw)grasland, in hooiland langs beekjes, in brongebieden en in veentjes met kwel

voorkomen. Daarnaast is het te vinden in loofbossen. In het pleistocene gebied is het een

indicator voor leem in de bodem. Langs wegen en paden in bossen op armere bodem

komt kruipend zenegroen voor wanneer de bodem plaatselijk verrijkt is met

wegverhardingsmateriaal. 23 Scherpe boterbloem (Ranunculus acris) en gewone

waternavel (Hydrocotyle vulgaris) komen samen met kruipend zenegroen voor in

blauwgrasland. Net als in de andere moerasmonsters uit de andere boringen is

egelboterbloem aanwezig. Perzikkruid (Persicaria maculosa) is een plant van open,

vochtige, voedselrijke grond op akkers, in tuinen, op open plekken aan waterkanten en in

omgewerkte bermen. Deze plant is veelal een indicatie voor menselijk handelen in de

omgeving.

Tevens zijn macroresten van den (Pinus) aangetroffen. Dennen komen in Nederland

van nature hier en daar voor in de duinen en op de arme, droge, pleistocene zandgronden

zoals in Noord-Brabant. In de omgeving van de Leij waren zeer zeker kleine en grote

zandkoppen/gebieden waar deze boomsoort heeft kunnen staan. Deze zandkoppen

kunnen zeer goed de bron geweest zijn van het opgebrachte materiaal van het

dijklichaam. Anderzijds concurreert den op zeer natte, voedselarme gronden zoals venen

met loofbomen. Het is daarom niet uit te sluiten dat de den in het beekdal voorkwam.

Mogelijk is de knopschub van berk/eik ook afkomstig uit dit opgebrachte materiaal. Al

zou berk/eik tevens in het beekdal gegroeid kunnen hebben. Twee andere soorten die

waarschijnlijk meegevoerd zijn met het opgebrachte materiaal zijn struikhei (Calluna

vulgaris) en gewone dophei (Erica tetralix). In heidegebieden op zandige gronden komen

vaak alleenstaande berken, eiken en dennen voor.

Voorjaarszegge (Carex caryophyllea) komt voornamelijk in de duinen, langs de

rivieren en in zuid-Limburg voor op droge tot matig vochtige, kalkhoudende grond in

lage graslanden. Ook kwam ze hier en daar voor in noordelijk Noord-Brabant,

voornamelijk in het rivierengebied langs de Maas. Hier komt deze soort voor samen met

kleine pimpernel (Sanguisorba minor) en duifkruid (Scabiosa columbaria). In het

pollenmonster van het bovenliggende monster uit het dijklichaam (dijk 4) is pollen van

het duifkruid-type gevonden. Aangezien er niet eerder aanwijzingen gevonden zijn voor

een kalkhoudende bodem is dit mogelijk een aanwijzing dat dit materiaal is aangevoerd.

Af en toe is de plant echter gevonden in lemige bermen in Noord-Brabant. Het opwellen

van kwel heeft misschien de goede omstandigheden voor deze soort gecreëerd. Mogelijk

is er voor het aanleggen van de dijk lemig materiaal opgebracht bij het verharden van de

weg, waar ook kruipend zenegroen kon groeien. 24

De macroresten lijken erop te wijzen dat er materiaal van meer dan één locatie is

aangevoerd. Waarschijnlijk uit een heidegebied in de regio en mogelijk van een rivierduin

uit het gebied langs de Maas. De datering van de zaden van deze planten maakt het echter

onwaarschijnlijk dat het materiaal van een ander dan lokale herkomst is. Daarbij lijkt het

onwaarschijnlijk dat men het materiaal voor de dijk over grote afstand heeft aangevoerd

terwijl het ook in de omgeving te verkrijgen was.

23 Weeda et al. 1988, 146-148.

24 Weeda et al.1994, 281-282


BIAXiaal 447 17

Figuur 6 Tilburg-Kempenbaan, indeling van de macrorestenmonsters van (A) boring 3, (B) boring

12 en (C) boring 13. C=cultuurplant, W= watervegetatie, V= verlandingsvegetatie, P=

pioniervegetatie, G= grasland, R= ruigten, H= bosen en struwelen, d= droog, n= nat. De

monsters zonder soort-specifieke macroresten zijn buiten beschouwing gelaten. De

legenda is verder uitgewerkt in tabel 6.


BIAXiaal 447 18

Figuur 7 Tilburg-Kempenbaan, indeling van de macrorestenmonsters uit (A) het dijklichaam, (B)

de moerasbodem en (C) het veen. C=cultuurplant, W= watervegetatie, V=

verlandingsvegetatie, P= pioniervegetatie, G= grasland, R= ruigten, H= bosen en

struwelen, d= droog, n= nat. De monsters zonder soort-specifieke macroresten zijn

buiten beschouwing gelaten. De legenda is verder uitgewerkt in tabel 6.


BIAXiaal 447 19

Tabel 6 Tilburg- Kempenbaan, legenda bij figuur 5 en 6. S= vegetatiestructuur en

successiestadium, v= vochttoestand, t= trofietoestand en z= zuurgraad. 25

Legenda s en v t en z Ecologische groep

(x-as) (y-as)

Cultuur 5 5 In cultuur als voedingsgewas

W12 11 2 Watervegetatie in ondiep voedselarm zwak zuur water

W13 11 3 Watervegetatie in ondiep voedselarme basisch water

W17 11 7 Watervegetatie in ondiep matig voedselrijk water

W18 11 8 Watervegetatie in ondiep zeer voedselrijk water

V11 21 1 Verlandingsvegetatie in voedselarm zuur water

V12 21 2 Verlandingsvegetatie in voedselarm zwak zuur water

V17 21 7 Verlandingsvegetatie in matig voedselrijk water

V18 21 8 Verlandingsvegetatie in zeer voedselrijk water

P22 32 2 Pioniervegetatie op natte voedselarme zwak zure bodem

P27 32 7 Pioniervegetatie op natte matig voedselrijke bodem

P48 34 8 Pioniervegetatie op vochtige zeer voedselrijke bodem

P68 36 8 Pioniervegetatie op droge zeer voedselrijke bodem

bG20 42 0 Grasland op brakke natte bodem

G21 42 1 Grasland op natte voedselarme zure bodem

G22 42 2 Grasland op natte voedselarme zwak zure bodem

G23 42 3 Grasland op natte voedselarme basische bodem

G27 42 7 Grasland op natte matig voedselrijke bodem

G28 42 8 Grasland op natte zeer voedselrijke bodem

G41 44 1 Grasland op vochtige voedselarme zure bodem

G43 44 3 Grasland op vochtige voedselarme basische bodem

G47 44 7 Grasland op vochtige matig voedselrijke bodem

G48 44 8 Grasland op vochtige zeer voedselrijke bodem

G61 46 1 Grasland op droge voedselarme zure bodem

G63 46 3 Grasland op droge voedselarme basische bodem

R27 52 7 Ruigte op natte matig voedselrijke bodem

R28 52 8 Ruigte op natte zeer voedselrijke bodem

R44 54 4 Ruigte op vochtige voedselarme bodem

R47 54 7 Ruigte op vochtige matig voedselrijke bodem

R48 54 8 Ruigte op vochtige zeer voedselrijke bodem

R64 56 4 Ruigte op droge voedselarme bodem

R67 56 7 Ruigte op droge matig voedselrijke bodem

R68 56 8 Ruigte op droge zeer voedselrijke bodem

H21 62 1 Bossen en struwelen op natte voedselarme zure bodem

H22 62 2 Bossen en struwelen op natte voedselarme zwak zure bodem

H27 62 7 Bossen en struwelen op natte matig voedselrijke bodem

H28 62 8 Bossen en struwelen op natte zeer voedselrijke bodem

H41 64 1 Bossen en struwelen op vochtige voedselarme zure bodem

H42 64 2 Bossen en struwelen op vochtige voedselarme zwak zure bodem

H43 64 3 Bossen en struwelen op vochtige voedselarme basische bodem

H47 64 7 Bossen en struwelen op vochtige matig voedselrijke bodem

H48 64 8 Bossen en struwelen op vochtige zeer voedselrijke bodem

H61 66 1 Bossen en struwelen op droge voedselarme zure bodem

H62 66 2 Bossen en struwelen op droge voedselarme zwak zure bodem

H63 66 3 Bossen en struwelen op droge voedselarme basische bodem

H69 66 9 Bossen en struwelen op droge voedselrijke bodem

25 Runhaar et al. 1987.


BIAXiaal 447 20

3.3 POLLENONDERZOEK

De resultaten van het pollenonderzoek staan in bijlage 6 t/m 12. Uit de inventarisatie is

gebleken dat het stuifmeel in de monsters uit boring 12 en 13 uit de venige vulling van de

geul van de Vuile Leij het beste geconserveerd is. Uit boring 12 zijn monsters uit alle

lagen aanwezig, daarom is besloten om deze boring als key-core te benoemen. Van boring

12 zijn daarom alle beschikbare pollenmonsters geanalyseerd. De venige monsters

kunnen informatie bieden over het landschap en de milieuomstandigheden in het beekdal

voordat de dijk aangelegd werd. Tevens geven de monsters uit de moerasbodem en het

dijklichaam informatie over de aanleg van de dijk. Uit de boringen 3 en 13 zijn de

geanalyseerde monsters beperkt tot de overgang van de moerasbodem naar het

dijklichaam omdat deze monsters de meeste informatie bevatten over de periode vlak

voor en tijdens de bouw van het dijklichaam. Daarnaast kunnen deze monsters een

indicatie geven over de herkomst van het materiaal van het dijklichaam.

Figuur 8 Tilburg-Kempenbaan, pollenpercentages van de belangrijkste groepen uit boring 12.


BIAXiaal 447 21

3.3.1 Beekafzetting

De twee pollenmonsters uit de beekafzetting van boring 12 (BX3927 en BX3926) hebben

een grote verandering in het landschap geregistreerd. Beide monsters bevatten veel

stuifmeel van bomen, maar van het diepste monster in de beekafzetting (220 - 222 cm

onder maaiveld) naar het bovenliggende monster (213 - 217 cm onder maaiveld) heeft

een verschuiving plaatsgevonden van een dominantie van bomen van drogere gronden

naar een groter aandeel van bomen van nattere gronden. Eerst waren berk (Betula) en den

(Pinus) veelvuldig aanwezig op de arme, zandige gronden. Echter, met de toename van

humus en organische stoffen in het beekdal werd de afwatering bemoeilijkt en is het

gebied vernat (zie de paragraaf over de 14 C-analyse in 3.1). Mogelijk is het diepste

monster uit de beekafzetting zeer oud, Boreaal of ouder. De beekafzetting is langzaam

gevormd. Dit is ook af te leiden uit de extreem hoge pollenconcentratie van het bovenste

monster. De milieuomstandigheden van het beekdal werden langzaam voedselrijker en

geschikter voor de groei van els (Alnus). Deze boom komt veelal voor in moerasbos en

kan in beekdalen elzenbronbos of elzenbroekbos vormen. Waarschijnlijk is het pollen

afkomstig van zwarte els (Alnus glutinosa). Hiervan zijn namelijk de vruchten en zaden

gevonden in de zadenanalyse (zie 3.2.2).

Aanwijzingen voor menselijke activiteiten zijn vrijwel niet aanwezig in deze monsters.

Stuifmeel van cultuurgewassen is niet aanwezig en er is zeer weinig stuifmeel van

akkeronkruiden gevonden. Wel is alsem (Artemisia) gevonden. Deze plant komt echter

ook op natuurlijke open grond voor. Waarschijnlijk was er langs de beek ook natuurlijke

groei mogelijk. Ook is er waarschijnlijk stuifmeel van grote klaproos-type (Papaver

rhoeas-type) gevonden in het bovenste beekmonster. Naast grote klaproos, een akkerplant

die pas vanaf de Romeinse tijd in ons land voorkomt, komen er nog een aantal

papaversoorten in dit type voor. Van de in ons land voorkomende soorten zijn dat kleine

klaproos (Papaver dubium) en maanzaad (Papaver somniferum). Kleine klaproos is een

akkeronkruid en maanzaad is een cultuurgewas. Beide soorten zijn al vanaf het

Neolithicum in ons land aanwezig. Het pollen van het Papaver rhoeas-type kunnen we

dus zien als een aanwijzing voor akkerbouw in de omgeving van de vindplaats.

De aanwezigheid van blauwe knoop-type (Succisa-type) geeft aan dat er waarschijnlijk

blauwgrasland in de omgeving was. Een kensoort van open plekken op natte, zwak zure

grond in blauwgraslanden en moerassige heiden is vetblad (Pinguicula vulgaris). 26

Stuifmeel van vetblad is in het diepste monster uit de beekdalafzetting gevonden.

Langs de beek waren natte ruigten met spirea (Filipendula), kattenstaart (Lythrum), ruit

(Thalictrum) en echte valeriaan-type (Valeriana officinalis-type). Aan de oevers stonden

grote en blonde egelskop-type (Sparganium erectum-type), kleine lisdodde (Typha

angustifolia) en gele lis-type (Iris pseudacorus-type). Gele lis komt voor langs

waterkanten, in moerassen en in moerasbossen. Pollen van waterplanten is niet gevonden.

Naast een grote toename in stuifmeel van els is ook het aantal sporen van het

niervaren-type (Dryopteris-type) sterk toegenomen. Veel varensoorten binnen het

Dryopteris-type komen op de bulten in elzenbroekbos voor. Het gaat om de soorten brede

en smalle stekelvaren (D. dilatata en D. carthusiana). Ook moerasvaren (Thelypteris

palustris) komt voor in komgebieden met elzenbroekbos, met name in de Brabantse

beekdalen. 27

3.3.2 Veenlaag

De beginnende veenvorming in het bovenste monster uit de beekafzetting is doorgezet en

er is een pakket bosveen gevormd. Het monster uit de diepste veenlaag 4 (BX3925; 205 -

209 onder het maaiveld) heeft een datering van 4750 ± 40 BP. Dit komt overeen

26 Westhoff et al. 1973, 259.

27 Weeda et al. 1985, 94.


BIAXiaal 447 22

met een kalenderdatering van 3640 tot 3510 voor Chr. uit het Laat-Atlanticum. (Midden-

Neolithicum).

In het diepste gedeelte van de venige laag is veel stuifmeel van els gevonden. Locaal

was er een moerasbos met els aanwezig. Naast els is er maar weinig stuifmeel van andere

boomsoorten gevonden. Het gaat om berk, hazelaar (Corylus), den, eik (Quercus), spar

(Picea), linde (Tilia) en iep (Ulmus). De meeste van deze soorten kwamen op de hogere

en drogere gronden voor. Het stuifmeel van spar, en mogelijk van den, is

hoogstwaarschijnlijk over grote afstand verspreid. In de geïnventariseerde veenmonsters

uit boring 3 en boring 13 is tevens zeer veel stuifmeel van els gevonden. Dit geeft aan dat

op alle boorlocaties elzenbron- of elzenbroekbos is ontstaan. Ook zijn er veel sporen van

het niervaren-type gevonden die veelvuldig in elzenbroekbos voorkomen.

Net zoals in het monster uit de beekafzetting is stuifmeel van grote klaproos-type

gevonden. Mogelijk was er akkerbouw in de omgeving. Stuifmeel van cultuurgewassen is

echter niet in het diepste gedeelte van het veen aangetroffen. Ook in de boringen 3 en 13

is geen stuifmeel van cultuurgewassen gevonden. Wel is alsem aangetroffen. Deze plant

wijst op de aanwezigheid van verstoorde grond in de omgeving. In het beekdal kan het

gaan om plaatsen die zowel door de mens als op een natuurlijke manier verstoord werden.

In het diepste monster is net als in de beekafzetting nog stuifmeel van de

sterbladigenfamilie (Rubiaceae) gevonden. Dit is een grote familie maar de meeste

soorten binnen deze familie komen voor op vochtige tot natte, (matig) voedselrijke grond

langs waterkanten, bosranden of in licht (moeras)bos. De soort die vaak in natte

graslanden en moerasbossen wordt aangetroffen is kleefkruid (Galium aparine). Een

tweetal soorten die minder vaak voorkomen maar goed in het beekdallandschap passen

zijn moeraswalstro (Galium palustre) en ruw walstro (G. uliginosum). In alle

veenmonsters zijn relatief weinig stuifmeelkorrels van kruidachtigen gevonden. In de

meeste monsters gaat het om pollen van grassen (Poaceae). Sommige grassen kunnen ook

op natte bodems of langs het water groeien zoals riet (Phragmites australis) en

mannagras (Glyceria fluitans). Het is aannemelijk dat het grootste gedeelte van de

grassen in de nattere delen van het beekdal groeiden. De grassen kunnen echter ook

afkomstig zijn van de hogere, drogere zandkoppen.

Naast grote- en blonde egelskop en kleine lisdodde is stuifmeel van grote lisdoddetype

(Typha latifolia) gevonden. Grote lisdodde komt voor aan waterkanten in zeer

voedselrijk milieu en in zure, voedselrijk wordende vennen en plassen. Het water is

doorgaans stilstaand tot zwak stromend. 28

Tussen de monsters veen 4 (205-209 cm) en veen 3 (183-188 cm) uit boring 12 is uit het

pollenbeeld af te leiden dat er een grote tijdsprong gemaakt wordt. Waarschijnlijk is een

deel van het veen verdwenen. Of hier een natuurlijke verandering zoals bijvoorbeeld

erosie door de beek of menselijk ingrijpen zoals het afplaggen van veen of het

droogmaken voor weidegrond aan ten grondslag ligt, is niet met zekerheid te zeggen. Wel

is duidelijk dat in het veenmonster 3 aanwijzingen zijn voor menselijke activiteiten in de

omgeving.

Veenmonster 3 (BX3924) is niet 14 C-gedateerd. Het pollen bevat echter wel enkele

soorten die gebruikt kunnen worden voor een terminus post quem datering Van deze

soorten is namelijk bekend dat deze pas vanaf een bepaalde periode voorkwamen of in

een bepaalde periode geïntroduceerd zijn. Zo is beuk (Fagus) en haagbeuk (Carpinus)

gevonden. Dit waren de boomsoorten waarvan het natuurlijke areaal na afloop van de

laatste ijstijd het laatste van de boomsoorten Nederland bereikte. Haagbeuk komt vanaf

de eerste eeuw voor de jaartelling voor. In het monster is echter ook walnoot (Juglans)

gevonden. Deze boomsoort is door de Romeinen in Nederland geïntroduceerd. 29

Daarnaast is stuifmeel van de cultuurgewassen rogge (Secale cereale) en boekweit

28 Weeda et al. 1994, 243-245.

29 Pals 1997.


BIAXiaal 447 23

(Fagopyrum) gevonden. Rogge wordt sinds de Late-IJzertijd in (Noord) Nederland

verbouwd. Uit het oosten van Noord-Brabant bij Hoogeloon zijn aanwijzingen dat rogge

sinds de Romeinse tijd verbouwd is. 30 Uit archeobotanisch onderzoek aan Breda-West is

verbouw van rogge aangetoond in de Vroege-Middeleeuwen. 31 De vondst van boekweit

wijst echter op een latere datering. Pollen van boekweit is eerder in archeobotanisch

onderzoek in Empel en Gennep gevonden vanaf 200 na Chr. De eerste vondst van zaad

van boekweit dateert uit de periode 550 tot 700 na. Chr. uit een nederzetting bij

Dommelen. 32 Boekweit wordt echter pas vanaf de 13 e / 14 e eeuw veelvuldig verbouwd en

gegeten. 33 Het is daarom aannemelijker dat deze veenlaag een datering heeft uit eind van

de Vroege-Middeleeuwen of het begin van de Late-Middeleeuwen. Rogge en boekweit

zijn niet gevonden in de top van de veenlaag in boringen 3 en 13.

De toplaag van het veen (BX3923; 170-175 cm) heeft een 14 C-datering van 500 ± 35

BP. Deze 14 C-datering is scherp te calibreren tot een kalendertijd van 1410 tot 1438 na

Chr. Deze datering komt goed overeen met de post quem datering aan de hand van het

pollenbeeld uit de top van het veen. De top van het veen uit boring 12 heeft een andere

structuur dan het veen uit het diepste gedeelte van de boringen. Bovenin was het nat en

slap terwijl het onderin grof is en veel plantenresten bevat. Daarbij verschilt het

pollenbeeld bovenuit het veen uit boring 12 met de diepere veenlaag. In het oudste

gedeelte van het veen is voornamelijk els gevonden. In de top van het veen uit boring 12

is naast els veel stuifmeel van berk gevonden. De veenmonsters uit de top van boringen 3

en 13 laten tevens een lichte afname zien in els en een grote toename in pollen van berk.

In het veld is geen ander veentype waargenomen. Het lijkt er echter op dat er overal in het

beekdal een verandering in de vegetatie heeft plaatsgevonden. Uit de datering van het

veenmonster van de toplaag uit boring 13 (105-110 cm) blijkt dat deze verandering in

vegetatie al voor 4070 ± 60 BP (2680 tot 2550 voor Chr.) plaats heeft gevonden. Voor de

datering zijn zowel resten van zwarte els als van zachte/ruwe berk (Betula

pubescens/pendula). Mogelijk is er zowel oud als jong materiaal in dit monster gedateerd,

waardoor een gemiddelde leeftijd is onstaan. Dit is echter niet te controleren. Meer

informatie over de ouderdom van de moeraslaag kan mogelijk uit de datering van het

monster op de overgang van moeraslichaam naar dijklichaam (dijk 1) uit boring 13

verkregen worden.

Het is niet met zekerheid te zeggen of de verandering in het landschap zich beperkt tot

de natte delen van het beekdal of dat ook de drogere gronden aan verandering onderhevig

zijn. Berk groeit namelijk zowel op droge als op natte, maar voornamelijk arme bodems.

Het is zeer goed mogelijk dat op deze locatie, in opvolging van een elzenbroekbos, een

berkenbroekbos is ontstaan. Berkenbroekbos wordt door zachte berk (Betula pubescens)

gevormd. Het komt vaak voor op dunne veenpakketten waaronder zich een zandige

bodem bevindt. In het natte, lichte, open bostype komt vaak gagel (Myrica gale) voor en

enkele heidesoorten zoals bosbes (Vaccinium), eenarig wollegras (Eriophorum

vaginatum), koningsvaren (Osmunda regalis) en kamvaren (Dryopteris cristata). Op

droge heidevelden, die mogelijk op de drogere zandkoppen aanwezig waren, komt

voornamelijk ruwe berk voor (Betula pendula). Ruwe berk staat daar vaak samen met

grove den (Pinus sylvestris) en lijsterbes (Sorbus aucuparia). 34 Lijsterbes komt echter ook

voor op natte gronden. Het is zeer waarschijnlijk dat het in dit geval om lokaal

berkenbroekbos gaat, maar het is zeer goed mogelijk dat beide vegetatietypen in de

omgeving voorkwamen. In de monsters is namelijk stuifmeel van den en de lijsterbesgroep

gevonden evenals stuifmeel van cypergrassen en sporen van koningsvaren, het

niervaren-type en paardenstaart (Equisetum). Zoals reeds vermeld zijn in het

zadenmonster van de top van het veen uit boring 13 (105-110 cm) zowel zaden van

30 Beurden 2002, Van der Linden et al. 2009.

31 Kooistra 2008; RADAR 2006.

32 Beurden 2002; RADAR 2006.

33 Van Haaster 1997, RADAR 2006.

34 Weeda et al. 1985, 91-92.


BIAXiaal 447 24

zachte/ruwe berk als van zwarte els aangetroffen. Indien zaden worden gevonden in

combinatie met een hoog percentage stuifmeel betekent dit over het algemeen dat deze

soort lokaal voorkwam. Het is daarom voor de hand liggend dat bepaalde delen van het

beekdal voedselarmer geworden zijn en verzuurden, waardoor er mogelijk locaal

hoogveenvorming geweest is en berkenbroekbos is ontstaan. Dit hoogveen is geschikt

voor de turfwinning. Dit zou tevens het hiaat verklaren. Het veenpakket is in dat geval

actief weggehaald door mensen.

In het fijne veen is stuifmeel van de waterplanten watergentiaan (Nymphoides peltata)

en drijvend fonteinkruid-type (Potamogeton natans-type) gevonden. Beide soorten

komen voor in ondiep tot vrij diep zwak stromende, (matig) voedselrijke wateren

waarvan de bodem periodiek wordt geschuurd. 35 Het voorkomen van deze soorten is

mogelijk een aanwijzing voor een verandering in de waterhuishouding in het gebied.

Mogelijk worden sommige delen van het beekdal periodiek overstroomd. Fonteinkruid is

tevens een aanwijzing voor de invloed van kwelwater.

Opvallend is de aanwezigheid van stuifmeel van engels gras/lamsoor

(Armeria/Limonium) in het jongste veenmonster uit de top van boring 12. Beide soorten

behoren tot de strandkruidfamilie (Plumbaginaceae). Alleen deze twee zoutminnende

soorten komen in Nederland voor, met name in het kust- en deltagebied. Engels gras

komt sporadisch voor op de pleistocene zandgronden met name op de Veluwe en in

Twente en langs de Geul in Limburg. In België en Duitsland komt engels gras in de

zinkflora voor. Lamsoor komt voor in gebieden die onder invloed staan van zout water

met name in het deltagebied en de wadden. 36 Het is vrijwel uit te sluiten dat het in dit

geval om lamsoor gaat. Waarschijnlijk kwam engels gras in dit gebied voor als gevolg

van opwellend kalkrijk, kwelwater

In de top van het veenpakket is de bodemschimmel Sordaria-type (T.55A) gevonden.

Deze schimmel breekt plantenmateriaal af. Daarnaast komt deze schimmel op mest voor.

Figuur 9 Tilburg-Kempenbaan, historische kaart uit 1893 waarop de verkavelingstructuur in het

beekdal van de Leij zichtbaar is. De Driehuizendijk is rood gekleurd (bron: RAAP).

35 Weeda et al. 1988, 101.

36 Weeda et al. 1988, 73-76.


BIAXiaal 447 25

3.3.3 Moerasbodem

Uit boring 12 zijn drie monsters afkomstig uit de moerasbodem. Het gaat om moeras 1

(BX3920; 95-100 cm), moeras 2 (BX3921; 110-115 cm) en moeras 3 (BX3922; 153-

155). Materiaal uit het bovenste moerassige monster is 14 C-gedateerd op 1640 tot 1670 na

Chr. Uit de zadenanalyse is gebleken dat in dit monster een paar opvallende soorten (bijv.

voorjaarszegge) aanwezig zijn die mogelijk te maken hebben met opgebracht materiaal

van elders. Mogelijk is dit monster afkomstig uit de diepste laag van het dijklichaam. Dat

geldt waarschijnlijk ook voor een gedeelte van het monster dijk 1 uit boring 13 (BX3910;

100-105 cm). Het monster moeras 3 uit boring 3 (140-145 cm) is de top van de

moerassige bodem en bevast waarschijnlijk geen opgebracht materiaal. De moerassige

bodem in boring 3 heeft een datering van 1490 tot 1640 na Chr. Het geeft waarschijnlijk

de periode net voor de aanleg van de dijk weer.

Moeras 3 uit boring 12 bevat net als het bovenste veenmonster uit boring 12 veel

pollen van berk en els. De monsters uit de moerasbodem van boring 12 bevatten allemaal

stuifmeel van gagel (Myrica gale). Ook koningsvaren is aanwezig. Dit zijn sterke

aanwijzingen dat ter plekke berkenbroekbos was. Daarnaast is gagel een indicator voor

het opwellen van kwelwater en wisselende waterstanden. Uit de oude naamgeving van de

beemden bij Broekhoven, namelijk die gagelvelden, blijkt ook dat in het gebied veel

gagel voorkwam (zie figuur 9). 37

In de bovenliggende moerassige monsters uit de top van boring 12, 3 en 13 is een

afname in stuifmeel van berk zichtbaar. Het moerasbos met berken op de geërodeerde

en/of ontgonnen veengrond neemt af. Daarnaast neemt ook het stuifmeel van hazelaar

(Corylus) en eik (Quercus) af. Het landschap werd meer open. Hier kunnen verschillende

oorzaken aan ten grondslag liggen. In de beekdalen kunnen de moerassige graslanden als

weidegrond gebruikt zijn. Op de hogere delen in het landschap vond akkerbouw plaats.

De eerste vermeldingen van gehuchten op de hogere gronden langs het beekdal komen uit

het midden van de 13 e eeuw. Mogelijk zijn nattere delen van het beekdal ontwaterd voor

akkerbouw. Daar zijn echter uit deze periode geen historische aanwijzingen voor

gevonden. Waarschijnlijk is wel geakkerd aan de randen van het beekdal. Volgens

historische bronnen is de verkaveling en de daarbij behorende beemdenstructuur aan de

oostkant van de dijk pas na het aanleggen van de dijk begonnen. 38 Aangezien het monster

uit de veenlaag een datering heeft van 1410 tot 1438 na Chr. is het voor de hand liggend

dat de moerasbodem na deze datum is gevormd. Echter, aan de hand van de soorten is het

goed mogelijk dat venige top uit boring 12 de basis van de moerasbodem is. De dijk is

waarschijnlijk rond 1500 na Chr. aangelegd. De moerasbodem is dus tussen ca. 1410

(mogelijk wat eerder) en 1500 na Chr. gevormd. Waarschijnlijk heeft er turfwinning

plaatsgevonden in de 14 e eeuw. Hierdoor is een verandering in de waterhuishouding

ontstaan waardoor er een meer minerale moerasbodem is gevormd. Een andere

aanwijzing voor turfwinning is het verkavelingspatroon rondom de Driehuizendijk (zie

figuur 9). Het is bekend dat de ontginning van de beemden aan de oostzijde van de dijk

vanaf de 16 e eeuw heeft plaats gevonden. Dit is af te leiden aan de sloten die dwars op de

dijk staan. Echter, aan de westzijde van de dijk heeft de verkaveling een ander

slotenpatroon. Hier lopen de sloten evenwijdig aan de dijk. De sloten staan juist dwars op

de rivier, wat wijst op een verkaveling voor de turfwinning. De Leij is waarschijnlijk in

de Middeleeuwen in gebruik genomen als turfvaart. Het is zeer goed mogelijk dat de beek

om deze reden is rechtgetrokken (of geleid). Het riviertje dankt hier zelfs haar naam aan.

Daarnaast is uit de vroegere naamgeving van het gebied wat nu het Leijpark is.Een deel

wat nu Koningshoeven heet, werd die Brandt of die Branden genoemd. Deze naam wordt

vaak gegeven aan gebieden waar turf wordt gewonnen. 39

37 Trommelen & Trommelen 1994, 87.

38 Janssens 2008.

39 Trommelen & Trommelen 1994, 89.


BIAXiaal 447 26

In alle moerasmonsters is stuifmeel van rogge en boekweit gevonden. Deze vondsten

geven informatie over akkerbouw in de omgeving maar ook over de datering van de

moerasbodem. Het stuifmeel bevestigt een datering uit de Late-Middeleeuwen. Ook de

aanwezigheid van stuifmeel van de korenbloem (Centaurea cyanus) is hier een

aanwijzing voor. Korenbloem is van oorsprong een steppeplant die pas vanaf de

Middeleeuwen als akkeronkruid in ons land voorkomt. Uit de tot op heden beschikbare

gegevens over de verspreidingsgeschiedenis van korenbloem blijkt dat de plant

vermoedelijk al in de Karolingische tijd hier en daar in ons land voorkwam. Echt

algemeen komt korenbloem vermoedelijk pas vanaf ca. 1000 AD voor. 40 In de monsters

uit de moerasbodem is tevens stuifmeel van het gerst/tarwe-type (Hordeum/Triticumtype)

en het granen-type (Cerealia-type) gevonden. Hennep (Cannabis) is al in de

Romeinse tijd in Nederland geïntroduceerd. De archeologische vondsten van hennep

nemen echter toe vanaf de 14 e eeuw. 41

Naast cultuurgewassen zijn er meerdere akkeronkruiden en ruderalen gevonden. Met

name gewone spurrie (Spergula arvensis) is in alle monsters aanwezig. Gewone spurrie

komt voor op open, droge matig voedselrijke grond op zandige akkers en aan

zandwegen. 42 Perzikkruid-type (Persicaria maculosa-type) en gewoon varkensgras-type

(Polygonum aviculare-type) geven aan dat de grond in de omgeving regelmatig

aangestampt en verdicht werd door betreding (door mensen of dieren). De aanwezigheid

van smalle weegbree-type (Plantago lanceolata-type) wijst eveneens op betreding van

grasland in de omgeving. Waarschijnlijk werd het natte beekdalgrasland beweid. Ook

grote wederik-type (Lysimachia vulgaris-type) en vlotgras-type (Glyceria-type) komen in

nat grasland en langs waterkanten voor. De aanwezigheid van sporen van mestschimmels

van het Sporormiella-type (T.113), Cercophora-type (T.112), Sordaria-type (T.55A) en

Tripterospora-type (T.169) wijst tevens op het gebruik van het beekdalgrasland als

weidegrond. Opvallend is de vondst van het duitse gentiaan-type (gentianella germanicatype).

Deze komt namelijk voor in kalkgrasland. Deze vondst is wederom een aanwijzing

voor kalkrijke kwel.

Waarschijnlijk stroomde er (periodiek) water door de geul in deze fase van

landschapsontwikkeling want de waterplanten drijvend fonteinkruid-type en teer

vederkruid (Myriophyllum alterniflorum) zijn aangetroffen. Teer vederkruid is zeldzaam

in Nederland en komt in de Pleistocene zandstreken, de wadden en het Deltagebied. Het

is een “schoon-water” indicator. De soort komt namelijk alleen voor in zeer zuurstrofrijk

en voedselarm water. In schone beken waar afval snel wordt afgevoerd komt deze soort

goed tot ontwikkeling. Daarnaast komt teer vederkruid in kwelsloten voor die regelmatig

geschoond worden. De plant wordt vaak samen aangetroffen met duizendknoopfonteinkruid

(Potamogeton polygonifolius) en gewone waterranonkel (Ranunculus peltatus). 43

Langs het water stonden grote en blonde egelskop, grote en kleine lisdodde en kleine

valeriaan-type (Valeriana dioica-type). De laatstgenoemde staat in de Pleistocene streken

met name in blauwgraslanden, beekdalmoerasjes en in brongebieden. De plant komt

veelal voor met waterdrieblad in verlandingsvegetaties, met lidrus (Equisetum palustre)

in hooilanden en met kruipend zenegroen in beekdalen en natte loofbossen. 44

Waterdrieblad is tevens aanwezig in het pollen- en de macrorestenbeeld van het bovenste

moerasmonster uit boring 12. Paardenstaart (Equisetum) is in het pollenmonster

aangetroffen en kruipend zenegroen in het zadenmonster uit de overgang van de

moerasbodem naar het dijklichaam (boring 13).

40 Bron: RADAR 2006.

41 Van Haaster 1997.

42 Van der Meijden 2005.

43 Weeda et al. 1987, 235-236.

44 Weeda et al. 1988, 279-280


BIAXiaal 447 27

3.3.4 Dijklichaam

Uit het dijklichaam bij boring 12 zijn twee monsters (BX3918: 80-85 cm en BX3919: 90-

95 cm) palynologisch onderzocht. Uit boring 13 is de overgang naar het dijklichaam

bemonsterd (BX3910, 100-105 cm). Dit monster bevat ook materiaal uit de

moerasbodem. Uit boring 3 zijn twee monsters uit het dijklichaam geanalyseerd

(BX3929, 95-100 cm en BX3932, 132-137 cm). Zaden uit de overgang naar het

dijklichaam uit boring 13 zijn verstuurd voor een 14 C-datering. De kalenderdatering van

dit monster is 1320 tot 1350 na Chr. Waarschijnlijk is een groot gedeelte van dit monster

afkomstig uit de top van de moerasbodem.

Bij de interpretatie van het pollen uit het dijklichaam moet rekening gehouden worden

met het feit dat er waarschijnlijk meerdere bronnen van dit stuifmeel zijn. Er is stuifmeel

meegekomen met het opgebrachte materiaal. Daarna is de bodemvorming aan het

oppervlak van de dijk doorgegaan en is pollen neergeslagen uit de perioden van tijdens en

na het aanleggen van de dijk.

Het materiaal uit het dijklichaam geeft een open landschaptype weer. In het materiaal

uit boring 12 was de vegetatie minder boomrijk dan de vegetatie in het beekdal. Met

name berk, hazelaar en eik nemen af. De grootste afname betreft echter het stuifmeel van

els. In boring 3 is een minder grote daling in boompollen zichtbaar.

In alle monsters zijn cultuurgewassen gevonden. Het gaat om rogge, gerst/tarwe-type,

granen-type en boekweit. In het diepste dijkmonster uit boring 12 is, net als in de

moerasbodem, hennep (Cannabis sativa) gevonden. Qua andere soorten vertoont dit

dijkmonster ook veel overeenkomsten met het bovenste moerasmonster. Misschien is er

materiaal vermengd geraakt in de basis van het dijklichaam of werd er ten tijde van het

aanleggen van de dijk hennep gekweekt. De beide bovenste monsters dijk 2 (90-95 cm)

uit boring 3 en 12 laten hogere percentages rogge zien. Rogge werd in de Middeleeuwen

veel verbouwd op de arme zandgronden in Noord-Brabant. In het zadenmonster uit

boring 3 is een aarspilfragment van rogge gevonden. Dit fragment is waarschijnlijk

meegekomen van de locatie waar het zand voor het dijklichaam is gewonnen. In boring 3

is pollen van het tarwe-type (Triciticum-type) gevonden. Tarwe heeft een wat

voedselrijkere bodem nodig voor een goede opbrengst. De bodem in het beekdal was

(licht) leemhoudend en er zijn aanwijzingen gevonden dat er kalkrijk water op welde.

Mogelijk werd tarwe in de omgeving verbouwd. Het is tevens goed mogelijk dat dit

stuifmeel is meegekomen met het opgebrachte materiaal. Dit zou van meer rijkere

gronden kunnen komen, bijvoorbeeld langs de Maas.

In het materiaal van het dijklichaam is relatief veel stuifmeel van akkeronkruiden

gevonden. Met name gewone spurrie is veel aanwezig. Daarnaast is pollen van hardbloem

(Scleranthus), duifkruid-type (Scabiosa columbaria-type) en zandblauwtje-type (Jasione

montana-type) aangetroffen. Hardbloem komt net als gewone spurrie in open, droge,

voedselarme tot matig voedselrijke zandgrond aan bermen, in akkers en op andere

omgewerkte grond voor. Duifkruid komt voornamelijk op kalkrijke en/of leemhoudende

grond voor. Zandblauwtje is echter een soort van open tot grazige, droge, kalkarme

zandgrond.

In de dijkmonsters is veel stuifmeel van grassen gevonden. In het bovenste monster

van boring 12 is zeer veel pollen van schapenzuring (Rumex acetosella) aangetroffen.

Waarschijnlijk was er schraal grasland of een akker op arme grond in de omgeving waar

het materiaal voor het dijklichaam is gewonnen.

In het zandwinningsgebied was droge heide met struikhei (Calluna vulgaris) in de

buurt. Gagel en de overige heidesoorten vertellen dat er tevens natte heide (met

opwellend,mogelijk kalkrijk kwelwater) in dit gebied aanwezig is. De vondst van engels

gras/lamsoor in het dijk 2 monster uit boring 12 zou hier tevens op kunnen wijzen.

De mestschimmel Sporormiella-type wijst op de aanwezigheid van dieren of

bemesting. Mogelijk werd het moeras/beekdal naast de dijk of de dijk zelf als weidegrond

gebruikt. Uit historische bronnen is tevens gebleken dat de dijk als weg werd gebruikt.


BIAXiaal 447 28

Het bovenste dijkmonster laat een andere, drogere vegetatie zien dan het diepste

dijkmonster. Mogelijk is de dijk in twee of meer fases opgebouwd. In de eerste fase is het

dijklichaam op de moerasbodem aangebracht. In de tweede fase zou de dijk verhoogd

kunnen zijn met extra materiaal. Mogelijk is het opgebrachte materiaal van verschillende

(zand)bronnen afkomstig. In bijlage 1 is te zien dat bij het eerste booronderzoek door

RAAP verschillende lagen zijn aangegeven in het opgebrachte dijklichaam. Mogelijk zijn

deze lagen op latere tijdstippen aangebracht bij dijkverhogingen. Zo loopt in boring

TKEM-12 de basis van het dijklichaam van 100 tot 110 cm (onder het maaiveld) en

bestaat deze uit lichtgrijs zand. In boring TKEM-3 is de basis van 95 tot 115 cm en

bestaat deze uit donkerbruine grond. In boring TKEM-13 bestaat de basis van het

dijklichaam uit donkergrijs zand tussen 60 en 100 cm onder het maaiveld. De

verschillende kleuren van het materiaal betekent mogelijk dat er zelfs in de eerste fase

materiaal van verschillende bronnen is gebruikt. De laag boven de basis (de eerste

herstel/verzwaring fase van de dijk) is door RAAP omschreven in boring TKEM-12 van

80 tot 100 cm bestaande uit grijs zand. In boring TKEM-3 is loopt deze laag van 85-95

cm en bestaat deze uit lichtgeelgrijs zand. In TKEM-13 lijkt deze tweede fase afwezig te

zijn. De bovenliggende laag bevat namelijk kachelslik wat overeen komt met de lagen

boven de tweede verhoging uit TKEM-12 en TKEM-3. Mogelijk is er in TKEM-12 een

derde dijkverhogingsfase aanwezig. In deze laag is echter een fragment van plastic

gevonden. Waarschijnlijk is deze laag van 70 tot 80 cm later aangebracht. In de boringen

die door BIAX Consult genomen zijn, is in het veld enkel in boring 3 een kleurverschil

waargenomen in het materiaal uit het oorspronkelijke dijklichaam. Ook komen de

overgangen in diepte niet precies overeen met de gelaagdheid die door RAAP is

aangegeven. De boringen zijn echter niet precies op dezelfde plek genomen. Dat verklaart

waarschijnlijk het verschil in dieptes van de lagen. Het is echter aannemelijk dat een

vergelijkbare gelaagdheid aanwezig is. Het pollenbeeld laat zien dat deze gelaagdheid

wel aanwezig is, maar dat deze niet is waargenomen in het veld.

4. Discussie

Met behulp van het paleoecologisch onderzoek kunnen de onderzoeksvragen grotendeels

beantwoord worden. Bij het beantwoorden van de hoofdvragen uit de inleiding is een

onderverdeling gemaakt aan de hand van deelvragen uit het onderzoeksrapport van

RAAP. 45

4.1 WAT IS DE LANDSCHAPSGESCHIEDENIS VAN HET BEEKDAL VOORDAT IN DE

MIDDELEEUWEN DEZE DIJK WERD AANGELEGD?

4.1.1 Wanneer is de veenvorming gestart?

De vorming van het bosveen is gestart aan het eind van het Atlanticum. Voordat er veen

werd gevormd was er voornamelijk vegetatie van den en berk in en om het beekdal. In de

beekbedding van de Vuile Leij (in boring 12) is de veenvorming het vroegste

geregistreerd. De basis van het veen heeft op deze plek een datering van 3650 tot 3510

voor Chr. (4750 ± 40 BP). Dat komt overeen met het midden van het Neolithicum. De

veengroei in beekbedding van de Nieuwe Leij op de locatie van boring 3 lijkt later gestart

te zijn. De basis van het veen heeft hier in datering van 2890 tot 2850 voor Chr. (4210 ±

40 BP). Hierbij moet de kanttekening gemaakt worden dat in boring TKEM-2 naast

boring 3 op een grote diepte veen is aangetroffen. Dit veen is tevens dieper gelegen dan

het veen bij boring TKEM-10 tot en met 13. Mogelijk is de veengroei bij de Nieuwe Leij

eerder gestart dan de veengroei bij de Vuile Leij.

45 Janssens 2008.


BIAXiaal 447 29

Op een gegeven moment is op een aantal locaties in het beekdal de veenvorming

overgegaan van bosveen naar hoogveen. Dit kan gebeuren als het bosveen een bepaalde

dikte bereikt waarbij de top geen contact meer heeft met het grondwater. Hierdoor

ontstaan de voedselarme en zure omstandigheden waarin zich hoogveen kan ontwikkelen.

Deze fase van de verandering in veentype is vastgelegd in de top van het veenpakket. De

top is gedateerd in boring 13 op 2680 tot 2550 voor Chr. (4070 ± 60 BP) gedurende het

Subboreaal en het einde van het Neolithicum. De top van het veen uit de naastgelegen

boring 12 heeft echter een veel jongere datering, namelijk van 1410 tot 1438 na Chr. (500

± 35 BP). In boring 12 heeft de top van het veen echter een andere, fijnere textuur dan het

diepergelegen veen. Tussen 2550 voor Chr. en 1410 na Chr. heeft er dus een grote

verandering in de veenvorming plaatsgevonden. Hier zal op ingegaan worden bij de

volgende vraag.

4.1.2 Wanneer is de veenvorming gestopt?

Zoals hierboven is beschreven, heeft tussen 2550 voor Chr. en 1410 na Chr. een grote

verandering in de veenvorming plaatsgevonden. Dit blijkt tevens uit de datering van de

moerasbodem in boring 13 (1320 tot 1350 na Chr. of 1390 tot 1420 na Chr.). Uit de 14 Cchronologie

is dus op te maken dat een groot gedeelte van het veen verdwenen is. Het is

daarom niet precies te zeggen wanneer de natuurlijke veenvorming gestopt is. Mogelijk is

de top van het veen weggespoeld door een natuurlijke of door mensen veroorzaakte

verandering in het waterregime van de beek.

Het verdwijnen van het veen lijkt het gevolg van menselijk handelen te zijn. Vanaf de

13 e eeuw werd in het gebied ten westen van Tilburg op grote schaal turf gewonnen. In de

14 e eeuw was de top in productie van turf en waren de meeste vaartstelsels in gebruik. 46

In dezelfde periode (begin 14 e eeuw) zijn waarschijnlijk de gehuchten Driehuizen en

Broekhoven aan de randen van het beekdal van de Leij gesticht. De eerste vermelding van

Broekhoven is uit 1309 na Chr. 47 In het beekdal is waarschijnlijk hoogveen gevormd.

Hoogveen is geschikt voor het vervaardigen van hoogwaardige turf. Het is daarom zeer

aannemelijk dat een gedeelte van het beekdal verveend is voor de winning van turf. Het

veen is hiervoor waarschijnlijk gedeeltelijk ontwaterd door het graven van sloten. De

verkaveling van het terrein ten westen van de Driehuizendijk, met sloten dwars op de

beek en evenwijdig aan de dijk, wijst op ontginning van het gebied voordat de dijk werd

aangelegd. De beek de Nieuwe Leij is in de Middeleeuwen rechtgetrokken. De reden

hiervoor was waarschijnlijk het gebruik als turfvaart. Ook de naamgeving van het gebied

wat nu het Leijpark is, duidt op het winnen van brandstof. Dit gebied werd namelijk die

Brandt genoemd omdat er een bepaalde turfsoort werd gewonnen. 48

Naast het actief weghalen van veen, is waarschijnlijk een gedeelte van het veen

vergaan omdat het boven de grondwaterspiegel kwam te liggen en weg kon rotten. Door

het verdwijnen van het veen kwam het maaiveld uiteindelijk lager te liggen.

Mogelijk is het veen verspoeld nadat de beek sneller is gaan stromen en vaker is gaan

overstromen. Dit zou veroorzaakt kunnen zijn door het rechttrekken van de beek en door

het kappen van bos op de hogere delen zodat het water hier sneller wegliep. Een andere

reden kan een toename van regenval geweest zijn. Het is mogelijk dat een

klimaatverslechtering hier de oorzaak van is. Vanaf 1315 na Chr. is bekend dat er meer

regen viel. Zelfs zoveel dat hele oogsten mislukten en er hongersnood ontstond. 49 Deze

periode wordt door sommigen gezien als het begin van de Kleine IJstijd. Een koude

periode met veel neerslag en strenge winters die het hevigst was gedurende de 16 e en 17 e

eeuw. Deze verandering in waterregime is waarschijnlijk niet genoeg geweest om het

46 Leenders1989, 198-202.

47 Peeters 1987.

48 Trommelen & Trommelen 1994, 88-89.

49 Bron: Historische kroniek van beide Baarles in de 14 e eeuw, het jaar 1315, bron:

http://www.baarledigitaal.org/baarle14.php (geraadpleegd op 11-12-2009) © E. Ragas.


BIAXiaal 447 30

gehele veenpakket weg te slaan. Het steken van turf is daarom de meest aannemelijke

verklaring voor het verdwijnen van het veen.

4.1.3 Wat is de precieze ontstaanswijze van de zogenaamde moerasbodem? Zijn dit

inderdaad natuurlijke afzettingen?

Waarschijnlijk lag een combinatie van factoren, menselijk handelen en een verandering in

het weerpatroon, ten grondslag aan de vorming van de moerasbodem. Door de

maaiveldverlaging als gevolg van het weghalen van veen konden deze delen van het

beekdal makkelijker overstroomd worden door de beek. Het rechttrekken van de beek zal

ongetwijfeld een invloed gehad hebben op de stroomsnelheid en het watervoerend

vermogen van de beek. Tevens kan er een toename van de toevoer van water geweest

zijn, veroorzaakt door het kappen van bos op de hogere gronden en/of door een toename

van regenval. Door de verandering in waterregime van de beek zijn bepaalde delen van

het beekdal (vaker) onder water komen te staan. Bij deze overstromingen werd sediment

afgezet wat leidde tot de vorming van de minerale moerasbodem.

Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de moerasbodem geen natuurlijke afzetting

was. Dat wil zeggen dat het minerale materiaal op natuurlijke wijze in het beekdal is

terecht gekomen. De verandering in afzetting is waarschijnlijk wel door menselijk

handelen veroorzaakt.

4.2 IS DE DIJK AANGELEGD IN EEN MOERASGEBIED OF IN EEN RELATIEF DROOG DAL?

4.2.1 Hoe is de beekovergang aangelegd in de Middeleeuwen? Is er sprake van een

premiddeleeuwse beekovergang?

De datering van de top van het veen wijst op een ouderdom van de moerasbodem vanaf

1410 tot 1438 na Chr. In boring 13 heeft de moerasbodem een datering van 1320 tot 1350

na Chr. of 1390 tot 1420 na Chr. De top van de moerasbodem uit boring 3 is gedateerd op

1490 tot 1640 na Chr. De precieze datering van het aanleggen van de dijk is niet bekend,

maar er wordt aangenomen dat dit rond 1500 na Chr. is gebeurd. Wel is bekend dat de

naam van de dijk tussen 1530 en 1550 na Chr. veranderd is van Theeus Matheusdijck

naar Reijnendijck. Tevens is een geschil uit 1539 na Chr. tussen de eigenaren van de dijk

vastgelegd. De dijk is dus vrijwel zeker voor 1539 na Chr. aangelegd. 50 De beschikbare

14

C dateringen bevestigen deze mogelijke aanleg van de dijk. Dit is waarschijnlijk tussen

1490 en 1539 na Chr. gebeurd.

In de boringen is een hiaat aanwezig tussen de top van het veenpakket en de

moerasbodem. Hier wordt een tijdsprong gemaakt van ca. 2500 voor Chr. tot 1400 na

Chr. Het is hierdoor niet mogelijk om een uitspraak te doen over de aanwezigheid van

een premiddeleeuwse beekovergang of voorde. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor

de aanwezigheid van een doorwaadbare plaats in de beek gedurende het Neolithicum.

4.2.2 Onder welke omstandigheden is de dijk aangelegd op de zogenaamde

moerasbodem?

In het beekdal was een natte, moerassige bodem aanwezig toen de dijk werd aangelegd.

Het steken van veen heeft waarschijnlijk de vernatting in het gebied veroorzaakt. De

vegetatie bestond voornamelijk uit elzen- en berkenbroekbos. Tevens was er

beekdalgrasland en blauwgrasland aanwezig waar mogelijk vee werd geweid of wat als

hooiland werd gebruikt.

Het beekdal werd waarschijnlijk regelmatig overstroomd door de beek waarbij grote

delen onder water kwamen te staan.

50 Trommelen & Trommelen 1994, 89.


BIAXiaal 447 31

Op de hogere en drogere gronden aan de randen van het beekdal werd waarschijnlijk

akkerbouw bedreven. De gewassen rogge, gerst/tarwe, boekweit en hennep werden hier

verbouwd.

4.3 WAAR KWAM HET MATERIAAL VAN HET DIJKLICHAAM VANDAAN EN IS ER EEN

FASERING VAST TE STELLEN?

Het is niet met zekerheid te zeggen waar het materiaal van het dijklichaam vandaan komt.

Wel is vastgesteld aan de hand van de waarneming uit het booronderzoek en het

pollenbeeld dat er een fasering is in opbouw van het dijklichaam is.

Het geschil uit 1539 na Chr. tussen de eigenaren van de dijk en de omliggende percelen

ging over de breedte en het onderhoud aan deze weg met zijn sloten. Dit zou de

aanleiding geweest kunnen zijn voor het ophogen van de dijk. Hieruit is tevens op te

maken dat de dijk in eerste instantie de functie van een weg had. Later is deze pas

gebruikt als ontginningsas voor de beemden aan de oostzijde van de dijk.

Mogelijk geeft de datering van het monster moeras 2 uit boring 12 een overgang weer

tussen twee ophogingslagen. Dit zou betekenenen dat de dijk in de periode tussen 1640 en

1670 na Chr. (of 1780 tot 1800 na Chr.) verhoogd is. Binnen één fase lijken echter

verschillende grondsoorten gebruikt te zijn waardoor het lastig is om het brongebied vast

te stellen.

Een mogelijke aanwijzing voor de herkomst van het materiaal is het stuifmeel van

engels gras/lamsoor in de basis van het oorspronkelijke dijklichaam uit boring 12. Deze

zoutminnende soorten zouden wijzen op een herkomst gebied dat onder invloed van de

zee stond mogelijk, meer richting het noordwesten van Brabant. Het pollen van engels

gras/lamsoor is echter tevens aangetroffen in de top van de veenlaag uit boring 12. Het is

daarom waarschijnlijker dat engels gras ter plaatse of in de bovenloop van het beekdal

aanwezig was. Mogelijk heeft kalkrijk kwelwater de goede milieucondities voor deze

soort veroorzaakt. Er zijn namelijk geen andere zoutminnende soorten gevonden. Hieruit

zou eerder geconcludeerd kunnen worden dat het materiaal niet afkomstig is uit een kustzeegebied

maar uit de regio. Daarnaast is het zo dat er genoeg geschikt bodemmateriaal in

de omgeving van De Nieuwe Leij aanwezig is om te gebruiken voor het ophogen van de

dijk.

Het pollenbeeld uit het materiaal uit de eerste ophogingsfase lijkt veel op dat uit de top

van de moerasbodem. Mogelijk is materiaal vermengd geraakt met de moerasbodem

tijdens de aanleg of is er materiaal uit de directe omgeving van het beekdal verzameld

voor het ophogen van de dijk. Waarschijnlijk bevat deze laag tevens stuifmeel uit het

periode van gebruik van de dijk. Mogelijk was de vegetatie net na de aanleg van de dijk

nog niet heel verschillend met die daarvoor. Wel zijn er meer aanwijzingen voor

akkerbouw gevonden.

In de tweede ophogingsfase zijn meer aanwijzingen voor weidegebied en akkerbouw

aangetroffen. Daarnaast is er een sterke afname geweest in elzen- en berkenbos en is het

landschap zeer open. Zoals bekend is de beemdenstructuur aan de oostzijde van de dijk na

de aanleg van de dijk ontstaan. De dijken in het gebied hebben juist de kavelstructuur van

de beemden bepaald. Beemden zijn graslandpercelen in beekdalen. Waarschijnlijk is de

aanleg van deze beemden zichtbaar in het pollenbeeld door de grote toename in stuifmeel

van grassen. Op de drogere arme zandgronden is de teelt van rogge toegenomen.

Mogelijk werd er hier en daar op de rijkere lemige beekdalgrond tarwe verbouwd.


BIAXiaal 447 32

5. Samenvatting

In het beekdal van de Leij stroomde in het begin van het Holoceen een beek met

meerdere geulen. Gedurende het Atlanticum nam de vegetatie toe. Met de vegetatie nam

het vasthouden en afzetten van sediment en organische stoffen toe. Door deze toename in

humeuze stoffen en vegetatie werd er meer water in het beekdal vastgehouden en ging de

beek langzamer stromen. Aan het eind van het Atlanticum is in een gedeelte van de

stroomgeulen veenvorming begonnen. Dit begon met bosveen in elzenbroekbos waar

voornamelijk zwarte els stond. Op de overgang van het Atlanticum naar het Subboreaal

omstreeks 3000 voor Chr. lijkt er echter een verandering in veenvorming geweest te zijn.

Waarschijnlijk is op een aantal plaatsen het veenpakket zo dik geworden dat het boven de

grondwaterspiegel kwam te liggen. Hierdoor zijn de mileuomstandigheden voedselarmer

en zuurder geworden. De vegetatie ontwikkelde zich van elzenbroekbos, naar

berkenbroekbos en ten slotte tot hoogveen.

Waarschijnlijk is na het stichten van de eerste nederzettingen langs het beekdal in de

14 e eeuw begonnen met het afsteken van hoogveen voor het winnen van turf. Het

wegnemen van turf had een maaiveldverlaging tot gevolg. De Leij is zeer waarschijnlijk

rechtgetrokken zodat deze beek als turfvaart gebruikt kon worden. Dit heeft een grote

invloed gehad op het watervoerend vermogen van de beek. Mogelijk is de watertoevoer

tevens toegenomen. Het kappen van bos op de hogere gronden en/of een toename in

regenval in de 14 e eeuw kunnen hiervoor de oorzaak zijn. Door de verandering in

waterregime kon de beek meer invloed op het beekdal krijgen en het vaker overstromen.

Hierbij kwamen grote delen van het beekdal onder water te staan en werden sedimenten

afgezet waardoor de moerasbodem ontstond. In het beekdal is elzen- en berkenbroekbos

aanwezig, maar dit neemt af in de 15 e eeuw. In het beekdal was blauwgrasland en

beekdalgrasland. Gezien de aanwezigheid van mestschimmels werd dit waarschijnlijk

gebruikt om het vee te weiden en als hooiland. Waarschijnlijk was er in deze periode

reeds een weg aanwezig. Op de hogere gronden werd rogge, gerst/tarwe, boekweit en

hennep geteeld.

Volgens bronnen is de dijk rond 1500 na Chr. aangelegd. Dit komt overeen met de 14 Cdateringen.

Op basis van de historische bronnen en de 14 C dateringen kunnen we

concluderen dat de dijk tussen 1490 en 1539 na Chr. is aangelegd. Uit historische

bronnen is gebleken dat de dijk in eerste instantie een functie had als weg. Later is de dijk

als ontginningsas gebruikt voor het aanleggen van de beemden aan de oostzijde van de

dijk.

Het is niet met zekerheid te zeggen waar het opgebrachte materiaal vandaan komt.

Waarschijnlijk is het materiaal in de omgeving gewonnen. De dijk is aangelegd in fasen.

Uit materiaal uit de eerste fase blijkt dat de omgeving nog moerassig is, al is de

landbouw- en weidegrond toegenomen. Uit materiaal van de tweede fase is af te leiden

dat men de beemden had aangelegd. De hoge percentages stuifmeel van grassen wijzen

op de aanwezigheid van veel grasland in de omgeving. Het elzen- en berkenbroekbos is

afgenomen. Op de hogere gronden wordt rogge, gerst, tarwe en boekweit verbouwd.


BIAXiaal 447 33

6. Literatuur

Berendsen, H.J.A., & E. Stouthamer, 2001: Palaeogeographic development of the Rhine-

Meuse delta, the Netherlands, Assen.

Berendsen, H.J.A., 2004: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en

geomorfologie. Fysische geografie van Nederland, Assen.

Beug, H.-J., 2004: Leitfaden der Pollenbestimmung für Mitteleuropa und angrenzende

Gebiete, München.

Beurden, L.M. van, 2002: Botanisch onderzoek in het Maas-Demer-Schelde gebied: de

Romeinse en vroegmiddeleeuwse periode, in: H. Fokkens en R. Jansen (red.), 2000

jaar bewoningsdynamiek: Brons- en ijzertijdbewoning in het Maas-Demer-

Scheldegebied, Leiden, 283-310.

Dirkx, G.H.P., 2001: Historische ecologie van De Brand en de Mortelen (Noord-

Brabant), Wageningen (Alterra-rapport 91).

Erdtman, G., 1960: The Acetolysis Method, Svensk Botanisk Tidskrift 54, 561-564.

Eynde, G. van den, A. Tol, E. Heunks & L.I. Kooistra (in voorb.): Archeologische

Onderzoeksagenda Tilburg-Goirle, Tilburg.

Fægri, K., P.E. Kaland & K. Krzywinski 1989: Textbook of Pollen Analysis, Chichester

(4th Ed.).

Haaster, H. van, 1997: De introductie van cultuurgewassen in de Nederlanden tijdens de

Middeleeuwen, in: A.C. Zeven (red.), De introductie van onze cultuurplanten en hun

begeleiders van het Neolithicum tot 1500 AD, Wageningen, 53-104.

Janssens, M., 2008: Plangebied Kempenbaan te Tilburg, gemeente Tilburg;

archeologisch vooronder zoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

(karterende/ waarderende fase), Weesp (RAAP-rapport 1818).

Konert, M., 2002: Pollen Preparation Method, Intern Rapport VU Amsterdam.

Kooistra, L.I., 2008: Vegetation History and Agriculture in the Cover-Sand Area West of

Breda (Province of Noord-Brabant, The Netherlands), Vegetation History and

Archaeobotany 17, 113-125.

Leenders, K.A.H.W. 1989: Verdwenen venen. Een onderzoek naar de ligging en

exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout,

Geertruidenberg en Willemstad. Historische Uitgaven reeks in-8-78, 5-346.

Linden, M. van der, J. Roymans & H. Hiddink 2009: Hoogeloon-Kleine Beerze. De

resultaten van het ecoarcheologisch onderzoek aan een Romeinse dam, Zaandam

(BIAXiaal 440).

Meijden , R., van der, 2005: Heukels’ Flora van Nederland, Groningen-Houten.

Moore, P.D., J.A. Webb & M.E. Collinson 1991: Pollen Analysis, Oxford.

Pals, J.P., 1997: De introductie van cultuurgewassen in de Romeinse Tijd, in: A.C. Zeven

(red.), De introductie van onze cultuurplanten en hun begeleiders van het Neolithicum

tot 1500 AD, Wageningen, 25-51.

Peeters, R., 1987: De straten van Tilburg, Tilburg.

Runhaar, J., C.L.G. Groen, R. van der Meijden & R.A.M. Stevers, 1987: Een nieuwe

indeling in ecologische groepen binnen de Nederlandse flora, Gorteria 13, 276-359.


BIAXiaal 447 34

Trommelen, J.R.O. & M.P.E. Trommelen, 1994. Tilburgse toponiemen in de 16 e eeuw.

Een tentative reconstructie en naamsverklaring. Tilburg.

Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra 1985: Nederlandse oecologische flora.

Wilde planten en hun relaties 1, Deventer.

Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra 1987: Nederlandse oecologische flora.

Wilde planten en hun relaties 2, Deventer.

Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra 1988: Nederlandse oecologische flora.

Wilde planten en hun relaties 3, Deventer.

Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra 1991: Nederlandse oecologische flora.

Wilde planten en hun relaties 4, Deventer.

Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra 1994: Nederlandse oecologische flora.

Wilde planten en hun relaties 5, Deventer.

Westhoff, V., P.A. Bakker, C.G. van Leeuwen, E.E. van der Loo, & I.S. Zonneveld 1973:

Wilde planten. Flora en fauna in onze natuurgebieden deel 3: De hogere gronden.

Deventer.

Willemse, N. 2008: Land in lagen. De geschiedenis van het Oost-Nederlandse

beekdallandschap. in: E. Rensink (red.), Archeologie en Beekdalen. Schatkamers van

het verleden, Utrecht, 88-105.


Bijlage 1 Tilburg-Kempenbaan, boorbeschrijvingen door RAAP B.V. van (A) boring 3, (B) boring 12 en (C)

boring 13 (zie Janssens 2008).

A Boring 3


Bijlage 1 (B) Boring 12


Bijlage 1 (c) Boring 13


Bijlage 2 Tilburg – Kempenbaan, calibratieresultaten van de 14 C-monsters

Radiocarbon determination

Radiocarbon determination

4400BP

4200BP

4000BP

3800BP

800BP

700BP

600BP

500BP

400BP

300BP

200BP

100BP

Atmospheric data from Stuiver et al. (1998); OxCal v3.9 Bronk Ramsey (2003); cub r:4 sd:12 prob usp[chron]

B13 - veen 1: 105-110 cm : 4070±60BP

68.2%probability

2860BC(11.5%) 2810BC

2680BC(41.4%) 2550BC

2540BC(15.2%) 2490BC

95.4%probability

2870BC(15.0%) 2800BC

2790BC(80.4%) 2460BC

3000CalBC 2500CalBC 2000CalBC

Calibrateddate

Atmospheric data from Stuiver et al. (1998); OxCal v3.9 Bronk Ramsey (2003); cub r:4 sd:12 prob usp[chron]

B12 - veen 2: 170-175 cm : 500±35BP

68.2%probability

1410AD(68.2%) 1438AD

95.4%probability

1320AD( 5.6%) 1350AD

1390AD(89.8%) 1460AD

1200CalAD 1300CalAD 1400CalAD 1500CalAD 1600CalAD 1700CalAD

Calibrateddate


Radiocarbon determination

Radiocarbon determination

4500BP

4400BP

4300BP

4200BP

4100BP

4000BP

3900BP

5100BP

5000BP

4900BP

4800BP

4700BP

4600BP

4500BP

4400BP

Atmospheric data from Stuiver et al. (1998); OxCal v3.9 Bronk Ramsey (2003); cub r:4 sd:12 prob usp[chron]

B3 - veen 3: 190-195 cm : 4165±45BP

68.2%probability

2880BC(12.8%) 2840BC

2820BC(55.4%) 2660BC

95.4%probability

2890BC(94.0%) 2620BC

2610BC( 1.4%) 2590BC

3200CalBC 3000CalBC 2800CalBC 2600CalBC 2400CalBC

Calibrateddate

Atmospheric data from Stuiver et al. (1998); OxCal v3.9 Bronk Ramsey (2003); cub r:4 sd:12 prob usp[chron]

B12 - veen 4: 205-209 cm : 4750±40BP

68.2%probability

3640BC(63.3%) 3510BC

3400BC( 4.9%) 3380BC

95.4%probability

3640BC(75.8%) 3490BC

3440BC(19.6%) 3370BC

3800CalBC 3600CalBC 3400CalBC 3200CalBC 3000CalBC

Calibrateddate


Radiocarbon determination

Radiocarbon determination

4500BP

4400BP

4300BP

4200BP

4100BP

4000BP

3900BP

600BP

500BP

400BP

300BP

200BP

100BP

0BP

Atmospheric data from Stuiver et al. (1998); OxCal v3.9 Bronk Ramsey (2003); cub r:4 sd:12 prob usp[chron]

B3 - veen 5: 210-215 cm : 4210±40BP

68.2%probability

2890BC(16.9%) 2850BC

2820BC(38.3%) 2750BC

2730BC(13.0%) 2700BC

95.4%probability

2900BC(24.5%) 2830BC

2820BC(69.3%) 2660BC

2650BC( 1.6%) 2620BC

3200CalBC 3000CalBC 2800CalBC 2600CalBC 2400CalBC 2200CalBC

Calibrateddate

Atmospheric data from Stuiver et al. (1998); OxCal v3.9 Bronk Ramsey (2003); cub r:4 sd:12 prob usp[chron]

B12 - moeras 1 : 245±30BP

68.2%probability

1640AD(49.8%) 1670AD

1780AD(18.4%) 1800AD

95.4%probability

1520AD( 8.9%) 1570AD

1620AD(57.1%) 1680AD

1760AD(25.3%) 1810AD

1930AD( 4.2%) 1950AD

1400CalAD 1600CalAD 1800CalAD 2000CalAD

Calibrateddate


Radiocarbon determination

Radiocarbon determination

600BP

500BP

400BP

300BP

200BP

100BP

0BP

800BP

700BP

600BP

500BP

400BP

300BP

Atmospheric data from Stuiver et al. (1998); OxCal v3.9 Bronk Ramsey (2003); cub r:4 sd:12 prob usp[chron]

B3 - moeras 3 : 330±30BP

68.2%probability

1490AD(68.2%) 1640AD

95.4%probability

1480AD(95.4%) 1650AD

1400CalAD 1600CalAD 1800CalAD 2000CalAD

Calibrateddate

Atmospheric data from Stuiver et al. (1998); OxCal v3.9 Bronk Ramsey (2003); cub r:4 sd:12 prob usp[chron]

B13 - dijk 1 : 565±30BP

68.2%probability

1320AD(34.7%) 1350AD

1390AD(33.5%) 1420AD

95.4%probability

1300AD(52.9%) 1370AD

1380AD(42.5%) 1430AD

1200CalAD 1300CalAD 1400CalAD 1500CalAD 1600CalAD

Calibrateddate


Bijlage 3 Tilburg – Kempenbaan, resultaten macrorestenonderzoek boring 3. + = aanwezig, ++ = veel

aanwezig, +++ = zeer veel aanwezig.

boring 3 3 3 3

beschrijving moeras 3 veen 1 veen 3 veen 5

diepte 140-145 147-152 190-195 210-215

Cultuurgewas

Secale cereale, aarspilfragment . . . . Rogge

Bossen en struwelen

Ajuga reptans . . . . Kruipend Zenegroen

Alnus glutinosa, katje . . 1 . Zwarte els

Alnus glutinosa, twijg/takje . . 4 . Zwarte els

Alnus glutinosa, vrucht . . 8 2 Zwarte els

Alnus glutinosa, wortelhout . . 2 . Zwarte els

Betula pubescens/pendula . . . . Zachte/Ruwe berk

Betula/Quercus, knopschub . . . 1 Berk/Eik

cf. Pinus, houtskool . . . . Den?

Fraxinus excelsior . . . 1 Gewone es

Quercus, houtskool 1 . . . Eik

Rubus fruticosus . . . . Gewone Braam

Salix, twijg . . . . Wilg

Urtica dioica . . 3 1 Grote brandnetel

Ruigten

Carex acuta/elata . . . . Scherpe/stijve zegge

Carex riparia . . . . Oeverzegge

Grasland

Calluna vulgaris, twijg . . . . Struikhei

Carex caryophyllea . . . . Voorjaarszegge

Carex cf. diandra, perigynium . . . . Ronde zegge?

Carex rostrata . . . . Snavelzegge

Eleocharis palustris/uniglumis . . . . Gewone/slanke waterbies

Erica tetralix, blad . . . . Gewone dophei

Glyceria fluitans, caryopsis . . . . Mannagras

Hydrocotyle vulgaris . . . . Gewone waternavel

Lycopus europaeus . . 1 1 Wolfspoot

Ranunculus acris/repens . . . . Scherpe/kruipende boterbloem

Ranunculus flammula 1 . . . Egelboterbloem

Pioniervegetatie

Cyperaceae cf. Cyperus fuscus . . . 2 Cypergrassen cf. Bruine zegge

Isolepis setacea . . . . Borstelbies

Persicaria lapathifolia . . . 1 Beklierde duizendknoop

Persicaria maculosa . . . . Perzikkruid

Stellaria media . . . . Vogelmuur

Verlandingsvegetatie

Alisma plantago-aquatica . . 1 . Grote waterweegbree

Bryales, takje met blad . . . . Mos

Juncus spec. . . . . Rus

Menyanthes trifoliata . . . . Waterdrieblad

Watervegetatie

Nuphar/Nymphaea . . 1 . Plomp/Waterlelie

Potamogeton spec. . . . . Fonteinkruid

Ranunculus aquatilis-type . . . . Fijne waterranonkel-type

Niet in te delen . . . .

Acari . . 1 . Mijten

Amorf materiaal . ++ +++ +++ Amorf materiaal

Carex spec 1 . 3 . Zegge

Carex spec., perigynium . 1 . . Zegge


oring 3 3 3 3

beschrijving moeras 3 veen 1 veen 3 veen 5

diepte 140-145 147-152 190-195 210-215

Cenococcum geophilum . . . + Bodemschimmel

Characeae, oogonium . . . 1 Kranswier

Loofboom, knopschub . . . 2 Loofboom

Wortelhout, grote stukken . . . . Grote stukken wortelhout

(Wortel)hout, kleine stukken . +++ ++ + Kleine stukjes (wortel)hout

Loofhout(skool) . . . . Loofhout(skool)

Overige worteltjes . +++ +++ +++ Overige worteltjes

Rhizoom . . . . Rhizoom

Schors . . . . Schors

Zand . . + +++ Zand


Bijlage 4 Tilburg – Kempenbaan, resultaten macrorestenonderzoek boring 12. + = aanwezig, ++ = veel

aanwezig, +++ = zeer veel aanwezig.

boring 12 12 12

beschrijving moeras 1 veen 2 veen 4

diepte (cm) 95-100 170-175 205-209

Cultuurgewas

Secale cereale, aarspilfragment . . . Rogge

Bossen en struwelen

Ajuga reptans . . . Kruipend zenegroen

Alnus glutinosa, katje . . . Zwarte els

Alnus glutinosa, twijg/tak . 4 4 Zwarte els

Alnus glutinosa, vrucht . . . Zwarte els

Alnus glutinosa, wortelhout . . . Zwarte els

Betula pubescens/pendula . . . Zachte/Ruwe berk

Betula/Quercus, knopschub . . . Berk/Eik

cf. Pinus, houtskool . . . Den?

Fraxinus excelsior . . . Gewone es

Quercus, houtskool . . . Eik

Rubus fruticosus . . . Gewone braam

Salix twijg . 1 . Wilg

Urtica dioica . . . Grote brandnetel

Ruigten

Carex acuta/elata 2 . . Scherpe/stijve zegge

Carex riparia 1 . . Oeverzegge

Grasland

Calluna vulgaris, twijg . . . Struikhei

Carex caryophyllea . . . Voorjaarszegge

Carex cf. diandra, peryginium . 1 . Ronde zegge

Carex rostrata 3 . . Snavelzegge

Eleocharis palustris/uniglumis 1 1 . Gewone/slanke waterbies

Erica tetralix, blad . . . Gewone dophei

Glyceria fluitans, caryopsis 5 1 . Mannagras

Hydrocotyle vulgaris . . . Gewone waternavel

Lycopus europaeus . . . Wolfspoot

Ranunculus acris/repens . . . Scherpe/kruipende boterbloem

Ranunculus flammula 1 . . Egelboterbloem

Pioniervegetatie

Cyperaceae cf. Cyperus fuscus . . . Cypergrassen cf. Bruine zegge

Isolepis setacea 2 1 . Borstelbies

Persicaria lapathifolia . . . Beklierde duizendknoop

Persicaria maculosa . . . Perzikkruid

Stellaria media 1 . . Vogelmuur

Verlandingsvegetatie

Alisma plantago-aquatica . . . Grote waterweegbree

Bryales, takje met blad + 1 . Mos

Juncus spec. . 4 . Rus

Menyanthes trifoliata 1 1 . Waterdrieblad

Watervegetatie

Nuphar/Nymphaea . . . Plomp/Waterlelie

Potamogeton spec. . . . Fonteinkruid

Ranunculus aquatilis-type . . . Fijne waterranonkel-type

Niet in te delen . . .

Acari . . . Mijten

Amorf materiaal . + +++ Amorf materiaal

Carex spec . 3 . Zegge

Carex spec., perigynium . . . Zegge


oring 12 12 12

beschrijving moeras 1 veen 2 veen 4

diepte (cm) 95-100 170-175 205-209

Cenococcum geophilum . + . Bodemschimmel

Characeae, oogonium . . . Kranswier

Loofboom, knopschub . 1 . Loofboom

Wortelhout, grote stukken . . . Grote stukken wortelhout

(Wortel)hout, kleine stukken . ++ +++ Kleine stukjes (wortel)hout

Loofhout(skool) . . . Loofhout(skool)

Overige worteltjes . +++ +++ Overige worteltjes

Rhizoom . . . Rhizoom

Schors . . . Schors

Zand . ++ . Zand


Bijlage 5 Tilburg – Kempenbaan, resultaten macrorestenonderzoek boring 13. + = aanwezig, ++ = veel

aanwezig, +++ = zeer veel aanwezig.

boring 13 13 13

beschrijving dijk 1 veen 1 veen 4

diepte (cm) 100-105 105-110 150-155

Cultuurgewas

Secale cereale, aarspilfragment 1 . . Rogge

Bossen en struwelen

Ajuga reptans 1 . . Kruipend zenegroen

Alnus glutinosa, katje . . . Zwarte els

Alnus glutinosa, twijg/tak . 2 2 Zwarte els

Alnus glutinosa, vrucht . 2 . Zwarte els

Alnus glutinosa, wortelhout . . . Zwarte els

Betula pubescens/pendula . 6 . Zachte/Ruwe berk

Betula/Quercus, knopschub 1 . . Berk/Eik

cf. Pinus, houtskool 1 . . Den?

Fraxinus excelsior . . . Gewone es

Quercus, houtskool . . . Eik

Rubus fruticosus . 1 . Gewone braam

Salix,twijg . . . Wilg

Urtica dioica . . . Grote brandnetel

Ruigten

Carex acuta/elata 3 . . Scherpe/stijve zegge

Carex riparia . . . Oeverzegge

Grasland

Calluna vulgaris, twijg 1 . . Struikhei

Carex caryophyllea 1 . . Voorjaarszegge

Carex cf. diandra, perigynium . . . Ronde zegge?

Carex rostrata . . . Snavelzegge

Eleocharis palustris/uniglumis . . . Gewone/slanke waterbies

Erica tetralix ,blad 1 . . Gewone dophei

Glyceria fluitans, caryopsis . . . Mannagras

Hydrocotyle vulgaris 1 . . Gewone waternavel

Lycopus europaeus . . . Wolfspoot

Ranunculus acris/repens 2 . . Scherpe/kruipende boterbloem

Ranunculus flammula 1 . . Egelboterbloem

Pioniervegetatie

Cyperaceae cf. Cyperus fuscus . . . Cypergrassen cf Bruine zegge

Isolepis setacea . . . Borstelbies

Persicaria lapathifolia . . . Beklierde duizendknoop

Persicaria maculosa 1 . . Perzikkruid

Stellaria media . . . Vogelmuur

Verlandingsvegetatie

Alisma plantago-aquatica . . . Grote waterweegbree

Bryales, takje met blad . . . mos

Juncus spec. . . . Rus

Menyanthes trifoliata . . . Waterdrieblad

Watervegetatie

Nuphar/Nymphaea . . . Plomp/Waterlelie

Potamogeton spec. 1 . . Fonteinkruid

Ranunculus aquatilis-type 1 . . Fijne waterranonkel-type

Niet in te delen . . .

Acari . . . Mijten

Amorf materiaal . +++ +++ Amorf materiaal

Carex spec 2 1 . Zegge

Carex spec. peryginium . . . Zegge


oring 13 13 13

beschrijving dijk 1 veen 1 veen 4

diepte (cm) 100-105 105-110 150-155

Cenococcum geophilum . . + Bodemschimmel

Characeae, oogonium . . . Kranswier

Loofboom, knopschub . . . Loofboom

Wortelhout, grote stukken . . + Grote stukken wortelhout

(Wortel)hout, kleine stukken . ++ ++ Kleine stukjes (wortel)hout

Loofhout(skool) + . . Loofhout(skool)

Overige worteltjes . +++ +++ Overige worteltjes

Rhizoom . + + Rhizoom

Schors . + . Schors

Zand . + . Zand


Bijlage 6 Tilburg-Kempenbaan, resultaten van het inventariserend pollenonderzoek aan boring 3. Het selectieadvies voor deze boring is afhankelijk van de resultaten van de 14 C -

dateringen. Legenda: (+): zeldzaam; +: regelmatig aanwezig; ++: veel aanwezig; +++: zeer veel aanwezig.

BX nummer 3928 3929 3930 3931 3932 3933 3934 3935 3936 3937 3938 3939

beschrijving dijk 1 dijk 2 dijk 3 moeras 2 dijk 4 moeras 3 veen 1 veen 2 veen 3 veen 4 veen5 beek 1

diepte in cm -mv 85-90 95-100 105-110 113-118 132-137 140-145 147-152 180-185 195-190 200-205 210-215 230-235

rijkdom goed goed goed goed goed slecht slecht slecht minder goed slecht slecht slecht

variatie veel veel veel veel veel veel weinig weinig weinig weinig weinig weinig

conservering slecht goed goed goed mix mix slecht mix mix mix slecht mix

verontreiniging veel weinig weinig weinig veel veel veel veel veel veel veel veel

telbaarheid slecht goed goed goed mogelijk mogelijk slecht slecht mogelijk slecht slecht slecht

Bomen en struiken (drogere gronden) + ++ ++ + + + + + + + (+) ++

Boskruiden . . . . . . . (+) (+) (+) . .

Bomen (nattere gronden) + ++ ++ ++ ++ ++ + +++ +++ ++ ++ +++

Cultuurgewassen ++ + + + + + . . . . . .

Granen-type ++ + + + + + . . . . . .

Boekweit + + + . + . . . . . . .

Gerst/Tarwe type ++ + . + + . . . . . . .

Rogge ++ + + + . + . . . . . .

Akkeronkruiden en ruderalen + + + + + + . . . . . .

Korenbloem (+) + + . . . . . . . . .

Kruiden (algemeen) + + + + + + . . + . . .

Grassenfamilie ++ ++ +++ ++ ++ ++ (+) + (+) + . +

Ruigtekruiden (+) . + + . + . . . . . .

Oever- en moerasplanten (+) + . + + + + + (+) . . +

Heide en hoogveenplanten + + + + + + . . + + . .

Sporenplanten + + ++ + ++ + + + + + + +

Microfossielen zoet water + + + + . . . . . . . .

(Mest)schimmels + + . . . + . . . . . .

Overige microfossielen . . . . . . . . + . . .

Bomen/niet-bomen (schatting) 30/70 30/70 40/60 40/60 50/50 50/50 90/10 80/20 90/10 95/5 95/5 95/5

Exoot + + + ++ + ++ (+) (+) (+) (+) (+) ++

Houtskool + . . . + . . . . . . .

plantenresten + + + ++ ++ ++ +++ ++ +++ ++ +++ ++


Bijlage 7 Tilburg-Kempenbaan, resultaten van het inventariserend pollenonderzoek aan boring 12. Legenda: (+): zeldzaam; +: regelmatig aanwezig; ++: veel aanwezig; +++: zeer

veel aanwezig.

BX nummer 3918 3919 3920 3921 3922 3923 3924 3925 3926 3927

beschrijving dijk 1 dijk 2 moeras 1 moeras 2 moeras 3 veen 2 veen 3 veen 4 beek 1 beek 2

diepte in cm -mv 80-85 90-95 95-100 110-115 153-155 170-175 183-188 205-209 213-217 220-222

rijkdom goed goed goed goed goed goed goed goed goed goed

variatie veel veel veel veel veel genoeg genoeg genoeg genoeg weinig

conservering goed goed goed goed mix mix goed goed mix mix

verontreiniging weinig weinig veel veel veel veel veel weinig weinig weinig

telbaarheid goed goed goed goed goed goed goed goed goed mogelijk

Bomen en struiken (drogere gronden) + + + ++ ++ ++ ++ +++ +++ +++

Boskruiden . (+) . . . . . . . .

Bomen (nattere gronden) + ++ ++ ++ ++ ++ . ++++ +++ +

Cultuurgewassen ++ + (+) (+) + . (+) . . .

Granen-type ++ + (+) (+) + . . . . .

Boekweit + + . + . . + . . .

Rogge ++ + . . . . . . . .

Akkeronkruiden en ruderalen + + + + . (+) (+) (+) . (+)

Korenbloem + . . . . . . . . .

Kruiden (algemeen) + (+) (+) (+) (+) (+) (+) (+) (+) (+)

Grassen + + + ++ + + . . (+) +

Ruigtekruiden . (+) . . . . . (+) (+) .

Oever- en moerasplanten . + (+) + + + . + + +

Heide en hoogveenplanten ++ + + + + + (+) . . .

Sporenplanten . ++ + + ++ ++ ++ +++ +++ +++

Waterplanten . . (+) (+) . . . . . .

Microfossielen water . . + . + . . . . +

Microfossielen + + + + . + . . . .

(Mest)schimmels . + + + . + . . . .

Overige microfossielen (+) . . + . . . . . .

Bomen/niet-bomen (schatting) 30/70 50/50 50/50 40/60 70/30 85/15 95/5 95/5 95/5 95/5

Exoot . + + + + + (+) (+) (+) +

Houtskool + + . . . . . . . .

Plantenresten + + ++ ++ ++ ++ ++ (+) (+) +


Bijlage 8 Tilburg-Kempenbaan, resultaten van het inventariserend pollenonderzoek aan boring 13. Het selectieadvies voor deze boring is afhankelijk van de resultaten van de 14 C -

dateringen. Legenda: (+): zeldzaam; +: regelmatig aanwezig; ++: veel aanwezig; +++: zeer veel aanwezig.

BX nummer 3910 3911 3912 3913 3914 3915 3916 3917

beschrijving dijk 1 veen 1 veen 2 veen 3 veen 4 beek 1 beek 2 beek 3

diepte in cm -mv 100-105 105-110 120-125 135-140 150-155 162-165 168-171 173-176

rijkdom goed goed goed goed goed goed goed minder goed

Variatie veel weinig veel weinig weinig veel veel weinig

conservering goed goed slecht mix mix mix goed mix

verontreiniging weinig veel veel veel veel veel veel veel

telbaarheid goed goed goed goed goed goed goed mogelijk

Bomen en struiken (drogere gronden) ++ +++ ++ ++ ++ ++ +++ ++

Boskruiden . . . (+) (+) . (+) .

Bomen (nattere gronden) +++ ++ +++ +++ +++ +++ ++ +

Cultuurgewassen + . . . . . . .

Granen-type + . . . . . . .

Boekweit + . . . . . . .

Rogge + . . . . . . .

Akkeronkruiden en ruderalen + . + . (+) (+) (+) (+)

Kruiden (algemeen) + . . (+) . (+) (+) (+)

Grassen + (+) + (+) (+) . (+) (+)

Oever- en moerasplanten + + + + + + + +

Heide en hoogveenplanten + . . (+) . . (+) .

Sporenplanten ++ + + ++ ++ +++ +++ +

Microfossielen water . . . . . . . ++

(Mest)schimmels + . . . . . . .

Overige microfossielen . + . . . . . .

Bomen/niet-bomen (schatting) 80/20 95/5 95/5 98/2 95/5 98/2 95/5 95/5

Exoot + + + +(+) (+) + (+) ++

Houtskool + . . + . + . .

Verkoold grasepidermis . . . . . (+) . .

Plantenresten ++ . + ++ . ++ ++ +


Bijlage 9 Tilburg – Kempenbaan; resultaten pollenanalyse boring 12 (Dijk en moeraslaag). AP: boompollen, NAP: nietboompollen, B: pollentype van Beug, P: pollentype van Punt,

MW: pollentype van Moore et al., + = zeldzaam.

vondstnummer 3918 3919 3920 3921 3922

boring 12 12 12 12 12

BX nummers dijk 1 dijk 2 moeras 1 moeras 2 moeras 3

diepte in cm -mv 80-85 90-95 95-100 110-115 153-155

∑AP 16,8 46,5 72,7 63,7 72,6 Som boompollen

∑NAP 83,2 53,5 27,3 36,3 27,4 Som niet-boompollen

Bomen en struiken (drogere gronden) 9,4 20,7 36,4 34,6 39,3 Bomen en struiken (drogere gronden)

Bomen (nattere gronden) 7,4 25,8 36,4 28,9 33,1 Bomen (nattere gronden)

Boskruiden . . . 0,1 0,2 Boskruiden

Cultuurgewassen 20,0 9,8 1,4 2,0 0,2 Cultuurgewassen

Akkeronkruiden en ruderalen 4,9 1,3 0,3 0,3 . Akkeronkruiden en ruderalen

Graslandplanten en kruiden algemeen 49,1 27,2 10,5 16,2 7,3 Graslandplanten en kruiden algemeen

Ruigtekruiden . 0,3 0,4 0,4 0,3 Ruigtekruiden

Moeras- en oeverplanten 0,9 2,4 5,7 3,8 6,7 Moeras- en oeverplanten

Waterplanten . 0,1 . 0,3 0,2 Waterplanten

Heide en hoogveenplanten 7,8 7,6 2,0 5,1 1,9 Heide en hoogveenplanten

Sporenplanten 0,6 4,9 7,0 8,1 10,9 Sporenplanten

Planten van brakke en zoute standplaatsen . . . . . Planten van brakke en zoute standplaatsen

Pollenconcentratie 67290 142536 239336 359104 635734 Pollenconcentratie

Bomen en struiken (drogere gronden)

Acer (B) . . . . . Esdoorn

Betula (B) 2,9 8,7 13,0 13,4 22,1 Berk

Carpinus betulus (B) . + . + . Haagbeuk

Corylus (B) 3,2 6,9 11,4 10,0 7,5 Hazelaar

Fagus (B) 0,1 0,7 0,1 0,3 0,6 Beuk

Fraxinus excelsior-type (B) . 0,1 0,1 0,1 0,2 Es-type

Ilex aquifolium (B) . . 0,1 . . Hulst

Juglans (B) . + + . . Walnoot

Picea (B) . . . . . Spar

Pinus (B) . 0,8 4,9 3,6 3,3 Den

Quercus (B) 2,4 2,2 4,2 5,1 4,4 Eik

Rhamnus frangula . . . + + Sporkehout

Sambucus nigra-type (B) . . . . . Gewone vlier-type


vondstnummer 3918 3919 3920 3921 3922

boring 12 12 12 12 12

BX nummers dijk 1 dijk 2 moeras 1 moeras 2 moeras 3

diepte in cm -mv 80-85 90-95 95-100 110-115 153-155

Sorbus-groep (B) . . . . + Lijsterbes-groep

Tilia (B) 0,4 0,7 1,1 1,3 0,9 Linde

Tilia platyphyllos-type (B) . . 0,3 0,1 . Zomerlinde-type

Ulmus (B) 0,3 0,6 1,2 0,7 0,5 Iep

Viburnum opulus-type (B) Gelderse roos-type

Bomen (nattere gronden)

Alnus (B) 7,4 25,5 35,8 28,5 32,7 Els

Salix (B) . 0,3 0,5 0,4 0,5 Wilg

Boskruiden

Hedera helix (B) . . + . 0,2 Klimop

Lonicera periclymenum-type (B) . . + 0,1 . Wilde kamperfoelie-type

Viscum album (B) . . . . . Maretak

Cultuurgewassen

Cannabis sativa (P) . 0,3 0,1 0,1 + Hennep

Cannabaceae (B) . 0,3 0,1 . . Hennepfamilie

Cerealia-type 6,3 2,7 0,3 0,6 . Granen-type

Fagopyrum (B) 1,0 0,3 + + + Boekweit

Hordeum/Triticum-type 2,2 1,3 0,3 + + Gerst/Tarwe-type

Humulus lupulus (P) . . . 0,1 . Hop

Secale (B) 10,4 5,0 0,5 1,1 0,2 Rogge

Triticum-type (B) . . . . . Tarwe-type

Akkeronkruiden en ruderalen

Artemisia (B) 0,4 0,1 . + . Alsem

Centaurea cyanus (B) + 0,3 . + . Korenbloem

Jasione montana-type (B) 0,3 . . . . Zandblauwtje-type

Papaver rhoeas-type (B) . . . + . Grote klaproos-type

Persicaria maculosa-type (B) . + . . . Perzikkruid-type

Polygonum aviculare-type (B) 0,4 + . + . Gewoon varkensgras-type

Scleranthus (B) 0,1 . . . . Hardbloem

Spergula arvensis 3,4 0,7 0,1 0,3 + Gewone spurrie

Urticaceae (B) . 0,1 . . . Brandnetelfamilie

Anthoceros punctatus 0,1 + . . . Zwart hauwmos


vondstnummer 3918 3919 3920 3921 3922

boring 12 12 12 12 12

BX nummers dijk 1 dijk 2 moeras 1 moeras 2 moeras 3

diepte in cm -mv 80-85 90-95 95-100 110-115 153-155

Phaeoceros laevis + . 0,1 . . Geel hauwmos

Riccia . . . . . Land-/Watervorkje

Graslandplanten en kruiden algemeen

Apiaceae (B) . . 0,3 0,1 . Schermbloemenfamilie

Anagallis-type (B) . . . . . Guichelheil-type

Senecio-type (B) . . . . . Kruiskruid-type

Asteraceae liguliflorae 1,8 0,8 0,3 0,4 0,2 Composietenfamilie lintbloemig

Asteraceae tubuliflorae 0,1 0,3 . 0,1 0,2 Composietenfamilie buisbloemig

Brassicaceae (B) 0,7 0,3 0,3 0,1 + Kruisbloemenfamilie

Carduus/Cirsium . . . . . Distel/Vederdistel

Caryophyllaceae (B) + 0,3 0,1 0,1 . Anjerfamilie

Chenopodiaceae p.p. (B) 0,3 . 0,3 + . Ganzenvoetfamilie

Fabaceae p.p. (B) + + + + . Vlinderbloemenfamilie

Gentiana pneumonanthe-type (B) Klokjesgentiaan-type

Gentianella germanica-type (B) . . . 0,1 . Duitse gentiaan-type

Geum-type (B) . . 0,3 . . Nagelkruid-type

Hydrocotyle vulgaris (B) Gewone waternavel

Matricaria-type (B) 0,3 + + 0,1 . Kamille-type

Phyteuma-type (B) . . . . . Rapunzel-type

Lysimachia vulgaris-type (B) . . 0,1 0,1 + Grote wederik-type

Plantago lanceolata-type (B) 1,6 0,6 0,3 0,1 0,3 Smalle weegbree-type

Plantago (B) . . . . . Weegbree-type

Poaceae (B) 26,9 14,0 7,2 12,0 6,1 Grassenfamilie

Poaceae >40 µm 2,8 1,7 0,3 0,7 . Grassenfamilie, korrels >40 mu

Potentilla-type (B) + 0,1 + + + Ganzerik-type

Ranunculaceae (overig) . . 0,1 0,1 . Ranonkelfamilie (overig)

Ranunculus acris-type (B) . + 0,1 . + Scherpe boterbloem-type

Rhinanthus-type (B) . + . . . Ratelaar-type

Rosaceae Rozenfamilie

Rubiaceae (B) 0,1 . . + . Sterbladigenfamilie

Rumex acetosa-type (B) 0,7 0,8 . 0,1 . Veldzuring-type

Rumex acetosella (P) 13,7 8,0 0,9 1,4 0,5 Schapenzuring


vondstnummer 3918 3919 3920 3921 3922

boring 12 12 12 12 12

BX nummers dijk 1 dijk 2 moeras 1 moeras 2 moeras 3

diepte in cm -mv 80-85 90-95 95-100 110-115 153-155

Scabiosa columbaria-type (B) Duifkruid-type

Scrophulariaceae p.p. (B) . . . . 0,2 Helmkruidfamilie

Sinapis-type (MW) . . . . . Mosterd-type

Spergularia-type (B) . 0,1 . 0,1 . Schijnspurrie-type

Succisa-type (B) + 0,1 . . . Blauwe knoop-type

Trifolium (B) + + + 0,1 + Klaver

Ruigtekruiden

Filipendula (B) . 0,3 0,4 0,4 0,3 Spirea

Lotus (B) . . . . . Rolklaver

Lythrum (B) . . . . . Kattenstaart

Thalictrum (B) . . . . . Ruit

Valeriana officinalis-type (B) . + . . . Echte valeriaan-type

Moeras- en oeverplanten

Alisma-type (B) . . . . . Waterweegbree-type

Circaea (B) . . . . . Heksenkruid

Cyperaceae (B) 0,7 2,2 5,0 3,6 6,4 Cypergrassenfamilie

Glyceria-type . . 0,3 0,3 + Vlotgras-type

Iris pseudacorus-type (B) . . . . . Gele lis-type

Menyanthes trifoliata (B) . . 0,3 . . Waterdrieblad

Sparganium erectum-type (P) 0,1 0,1 . . 0,2 Grote en Blonde egelskop-type

Typha angustifolia . + 0,1 . + Kleine lisdodde

Typha latifolia-type (B) . . + + 0,2 Grote lisdodde-type

Valeriana dioica-type (B) . . + . + Kleine valeriaan-type

Waterplanten

Myriophyllum alterniflorum (B) . . . 0,3 . Teer vederkruid

Nymphaea (B) . . . . . Waterlelie

Nymphoides peltata (B) . . . . . Watergentiaan

Potamogeton natans-type (B) . 0,1 + + 0,2 Drijvend fonteinkruid-type

Heide en hoogveenplanten

Calluna vulgaris (B) 6,3 5,7 0,8 3,0 0,9 Struikhei

Ericaceae (overig) 0,3 0,1 + + . Heifamilie (overig)

Myrica gale (B) 0,3 0,3 0,4 0,4 + Wilde gagel


vondstnummer 3918 3919 3920 3921 3922

boring 12 12 12 12 12

BX nummers dijk 1 dijk 2 moeras 1 moeras 2 moeras 3

diepte in cm -mv 80-85 90-95 95-100 110-115 153-155

Sphagnum 0,9 1,4 0,8 1,7 0,9 Veenmos

Sporenplanten

Dryopteris type 0,6 4,8 6,8 7,8 10,7 Niervaren type

Equisetum . 0,1 . . + Paardenstaart

Lycopodium inundatum . . . . . Lycopodium inundatum

Osmunda regalis + . + + . Koningsvaren

Pilularia globulifera . . . . . Pilvaren

Polypodium . + + + 0,2 Eikvaren

Pteridium aquilinum . + 0,3 0,3 + Adelaarsvaren

Vetplanten

Pinguicula (B) . . . . . Vetblad

Planten van brakke en zoute standplaatsen

Armeria/Limonium . + . . . Engels gras/Lamsoor

Microfossielen (zoet water)

Botryococcus . 0,1 + + . Groenwier-genus Botryococcus

Debarya . + . . . Groenwier-genus Debarya

Mougeotia . . . 0,1 . Groenwier-genus Mougeotia

Pediastrum . . + + . Groenwier-genus Pediastrum

Spirogyra (T.130) . . + . . Groenwier-genus Spirogyra (T.130)

Spirogyra (T.132) . . . + . Groenwier-genus Spirogyra (T.132)

Type 128A . . . . 0,5 Watertype (T.128A)

Zygnemataceae . . . 0,1 . Groenwier-familie Zygnemataceae

(Mest)schimmels

Cercophora-type (T.112) . . . . . (Mest-)Schimmel Cercophora-type (T.112)

Sordaria-type (T.55A) . . 0,1 . 0,2 (Mest-)Schimmel Sordaria-type (T.55A)

Sporormiella-type (T.113) + . + . . (Mest-)Schimmel Sporormiella-type (T.113)

Tripterospora-type (T.169) . . . + . (Mest-)Schimmel Tripterospora-type (T.169)

Gelasinospora (T.1) . . . . .

Gelasinospora cf. G. reticulispora (T.2) . . . . .

Tilletia sphagni (T.27) . . . . 0,2 Veenmos-type (T.27)

Type 124

Overigen


vondstnummer 3918 3919 3920 3921 3922

boring 12 12 12 12 12

BX nummers dijk 1 dijk 2 moeras 1 moeras 2 moeras 3

diepte in cm -mv 80-85 90-95 95-100 110-115 153-155

Houtskool fragmenten . . . . . Houtskool fragmenten

plantenresten . . . . . plantenresten

Indet en Varia 1,2 1,0 0,9 1,9 1,1 Indet en Varia

EXOOT 190 94 58 37 38 EXOOT

∑AP + ∑NAP 680 714 740 702 643 Som AP + som NAP


Bijlage 10 Tilburg – Kempenbaan; resultaten pollenanalyse boring 12 (Veen en beekafzetting). AP: boompollen, NAP: nietboompollen, B: pollentype van Beug, P: pollentype van

Punt, MW: pollentype van Moore et al., + = zeldzaam.

vondstnummer 3923 3924 3925 3926 3927

boring 12 12 12 12 12

BX nummers veen 2 veen 3 veen 4 beek 1 beek 2

depte in cm -mv 170-175 183-188 205-209 213-217 220-222

∑AP 77,5 75,2 68,9 61,2 73,6 Som boompollen

∑NAP 22,5 24,8 31,1 38,8 26,4 Som niet-boompollen

Bomen en struiken (drogere gronden) 43,4 37,5 19,6 23,1 64,3 Bomen en struiken (drogere gronden)

Bomen (nattere gronden) 34,1 37,5 49,1 38,1 9,3 Bomen (nattere gronden)

Boskruiden . 0,2 0,2 . . Boskruiden

Cultuurgewassen . + . . . Cultuurgewassen

Akkeronkruiden en ruderalen + 0,2 + 0,1 0,1 Akkeronkruiden en ruderalen

Graslandplanten en kruiden algemeen 6,1 3,2 0,9 1,9 6,1 Graslandplanten en kruiden algemeen

Ruigtekruiden 0,1 0,2 0,7 0,6 0,1 Ruigtekruiden

Moeras- en oeverplanten 6,1 7,9 2,0 2,6 3,1 Moeras- en oeverplanten

Waterplanten 0,1 0,3 0,1 . . Waterplanten

Heide en hoogveenplanten 1,9 2,3 0,3 0,3 + Heide en hoogveenplanten

Sporenplanten 8,2 10,9 27,0 33,3 16,9 Sporenplanten

Planten van brakke en zoute standplaatsen . . . . . Planten van brakke en zoute standplaatsen

Pollenconcentratie 1150717 993076 3207426 9006561 326132 Pollenconcentratie

Bomen en struiken (drogere gronden)

Acer (B) . . . . . Esdoorn

Betula (B) 25,3 23,4 1,6 1,1 14,0 Berk

Carpinus betulus (B) 0,1 + . . . Haagbeuk

Corylus (B) 5,6 4,5 4,6 3,9 6,0 Hazelaar

Fagus (B) 0,4 0,2 . . . Beuk

Fraxinus excelsior-type (B) 0,5 0,2 . . . Es-type

Ilex aquifolium (B) . . . . . Hulst

Juglans (B) . + . . . Walnoot

Picea (B) . + + . . Spar

Pinus (B) 5,1 2,7 4,1 14,9 42,9 Den

Quercus (B) 5,6 3,8 5,7 2,1 0,6 Eik

Rhamnus frangula . . . . . Sporkehout

Sambucus nigra-type (B) . . . . . Gewone vlier-type


vondstnummer 3923 3924 3925 3926 3927

boring 12 12 12 12 12

BX nummers veen 2 veen 3 veen 4 beek 1 beek 2

depte in cm -mv 170-175 183-188 205-209 213-217 220-222

Sorbus-groep (B) . 0,2 . . . Lijsterbes-groep

Tilia (B) 0,3 1,7 1,9 0,4 0,3 Linde

Tilia platyphyllos-type (B) . . . . . Zomerlinde-type

Ulmus (B) 0,6 0,9 1,7 0,8 0,6 Iep

Viburnum opulus-type (B) Gelderse roos-type

Bomen (nattere gronden)

Alnus (B) 33,5 37,1 49,1 37,7 7,3 Els

Salix (B) 0,5 0,5 . 0,4 2,0 Wilg

Boskruiden

Hedera helix (B) . 0,2 0,2 . . Klimop

Lonicera periclymenum-type (B) . . . . . Wilde kamperfoelie-type

Viscum album (B) . + + . . Maretak

Cultuurgewassen

Cannabis sativa (P) . . . . . Hennep

Cannabaceae (B) . . . . . Hennepfamilie

Cerealia-type . . . . . Granen-type

Fagopyrum (B) . + . . . Boekweit

Hordeum/Triticum-type . . . . . Gerst/Tarwe-type

Humulus lupulus (P) . . . . . Hop

Secale (B) . + . . . Rogge

Triticum-type (B) . . . . . Tarwe-type

Akkeronkruiden en ruderalen

Artemisia (B) . 0,2 . + 0,1 Alsem

Centaurea cyanus (B) . . . . . Korenbloem

Jasione montana-type (B) . . . . . Zandblauwtje-type

Papaver rhoeas-type (B) . + + 0,1 . Grote klaproos-type

Persicaria maculosa-type (B) + . . . . Perzikkruid-type

Polygonum aviculare-type (B) . . . . . Gewoon varkensgras-type

Scleranthus (B) . . . . . Hardbloem

Spergula arvensis . . . . . Gewone spurrie

Urticaceae (B) . . . . . Brandnetelfamilie

Anthoceros punctatus . . . . . Zwart hauwmos


vondstnummer 3923 3924 3925 3926 3927

boring 12 12 12 12 12

BX nummers veen 2 veen 3 veen 4 beek 1 beek 2

depte in cm -mv 170-175 183-188 205-209 213-217 220-222

Phaeoceros laevis . . . . . Geel hauwmos

Riccia . . . . . Land-/Watervorkje

Graslandplanten en kruiden algemeen

Apiaceae (B) . 0,2 . . 0,1 Schermbloemenfamilie

Anagallis-type (B) . . + . . Guichelheil-type

Senecio-type (B) . . . . . Kruiskruid-type

Asteraceae liguliflorae 0,3 . . . 0,1 Composietenfamilie lintbloemig

Asteraceae tubuliflorae + + + 0,1 0,1 Composietenfamilie buisbloemig

Brassicaceae (B) 0,1 . . . . Kruisbloemenfamilie

Carduus/Cirsium . . . . 0,1 Distel/Vederdistel

Caryophyllaceae (B) . . . . 0,7 Anjerfamilie

Chenopodiaceae p.p. (B) . 0,2 . . . Ganzenvoetfamilie

Fabaceae p.p. (B) . . 0,1 . . Vlinderbloemenfamilie

Gentiana pneumonanthe-type (B) Klokjesgentiaan-type

Gentianella germanica-type (B) . . . . . Duitse gentiaan-type

Geum-type (B) . . . . . Nagelkruid-type

Hydrocotyle vulgaris (B) Gewone waternavel

Matricaria-type (B) . . . . . Kamille-type

Phyteuma-type (B) . . . 0,1 . Rapunzel-type

Lysimachia vulgaris-type (B) . + . . . Grote wederik-type

Plantago lanceolata-type (B) . . . . . Smalle weegbree-type

Plantago (B) . . . . 0,1 Weegbree-type

Poaceae (B) 5,2 2,6 0,8 1,7 4,3 Grassenfamilie

Poaceae >40 µm . . . . . Grassenfamilie, korrels >40 µu

Potentilla-type (B) . 0,2 . + . Ganzerik-type

Ranunculaceae (overig) . . + . . Ranonkelfamilie (overig)

Ranunculus acris-type (B) 0,1 + + . 0,1 Scherpe boterbloem-type

Rhinanthus-type (B) . . . . . Ratelaar-type

Rosaceae Rozenfamilie

Rubiaceae (B) . . + + 0,1 Sterbladigenfamilie

Rumex acetosa-type (B) 0,1 0,2 . . . Veldzuring-type

Rumex acetosella (P) 0,3 . . . . Schapenzuring


vondstnummer 3923 3924 3925 3926 3927

boring 12 12 12 12 12

BX nummers veen 2 veen 3 veen 4 beek 1 beek 2

depte in cm -mv 170-175 183-188 205-209 213-217 220-222

Scabiosa columbaria-type (B) Duifkruid-type

Scrophulariaceae p.p. (B) . . . . . Helmkruidfamilie

Sinapis-type (MW) . . . . . Mosterd-type

Spergularia-type (B) . . . . . Schijnspurrie-type

Succisa-type (B) . + + + 0,1 Blauwe knoop-type

Trifolium (B) . . . . . Klaver

Ruigtekruiden

Filipendula (B) 0,1 0,2 0,7 0,6 0,1 Spirea

Lotus (B) . . . . . Rolklaver

Lythrum (B) . . . + . Kattenstaart

Thalictrum (B) . . . + . Ruit

Valeriana officinalis-type (B) . . . . + Echte valeriaan-type

Moeras- en oeverplanten

Alisma-type (B) . . 0,1 . . Waterweegbree-type

Circaea (B) . . . + . Heksenkruid

Cyperaceae (B) 5,7 7,9 1,9 2,2 1,7 Cypergrassenfamilie

Glyceria-type 0,1 . . . . Vlotgras-type

Iris pseudacorus-type (B) . . . + . Gele lis-type

Menyanthes trifoliata (B) . . . . . Waterdrieblad

Sparganium erectum-type (P) 0,3 . + 0,3 1,4 Grote en Blonde egelskop-type

Typha angustifolia . + + 0,1 . Kleine lisdodde

Typha latifolia-type (B) . . + . . Grote lisdodde-type

Valeriana dioica-type (B) . . . . . Kleine valeriaan-type

Waterplanten

Myriophyllum alterniflorum (B) . . . . . Teer vederkruid

Nymphaea (B) . . 0,1 . . Waterlelie

Nymphoides peltata (B) . + . . . Watergentiaan

Potamogeton natans-type (B) 0,1 0,3 . . . Drijvend fonteinkruid-type

Heide en hoogveenplanten

Calluna vulgaris (B) 1,5 1,5 0,1 + . Struikhei

Ericaceae (overig) . + 0,2 0,1 + Heifamilie (overig)

Myrica gale (B) . . . . . Wilde gagel


vondstnummer 3923 3924 3925 3926 3927

boring 12 12 12 12 12

BX nummers veen 2 veen 3 veen 4 beek 1 beek 2

depte in cm -mv 170-175 183-188 205-209 213-217 220-222

Sphagnum 0,4 0,8 . 0,1 . Veenmos

Sporenplanten

Dryopteris type 7,7 10,9 26,9 33,3 16,9 Niervaren type

Equisetum 0,1 + . . . Paardenstaart

Lycopodium inundatum . . . . . Lycopodium inundatum

Osmunda regalis + + . . . Koningsvaren

Pilularia globulifera . . . . . Pilvaren

Polypodium . + 0,1 . + Eikvaren

Pteridium aquilinum 0,4 . + + . Adelaarsvaren

Vetplanten

Pinguicula (B) . . . . 0,1 Vetblad

Planten van brakke en zoute standplaatsen

Armeria/Limonium + . . . . Engels gras/Lamsoor

Microfossielen (zoet water)

Botryococcus . . . . + Groenwier-genus Botryococcus

Debarya . . . . . Groenwier-genus Debarya

Mougeotia . . . . . Groenwier-genus Mougeotia

Pediastrum . . . . + Groenwier-genus Pediastrum

Spirogyra (T.130) . . . . . Groenwier-genus Spirogyra (T.130)

Spirogyra (T.132) . . . . . Groenwier-genus Spirogyra (T.132)

Type 128A . . + 0,1 2,7 Watertype (T.128A)

Zygnemataceae . . . . . Groenwier-familie Zygnemataceae

(Mest)schimmels

Cercophora-type (T.112) . . . . . (Mest-)Schimmel Cercophora-type (T.112)

Sordaria-type (T.55A) + . . . . (Mest-)Schimmel Sordaria-type (T.55A)

Sporormiella-type (T.113) . . . . . (Mest-)Schimmel Sporormiella-type (T.113)

Tripterospora-type (T.169) . . . . . (Mest-)Schimmel Tripterospora-type (T.169)

Gelasinospora (T.1) . . . + .

Gelasinospora cf. G. reticulispora (T.2) . . . . .

Tilletia sphagni (T.27) . . . . . Veenmos-type (T.27)

Type 124

Overigen


vondstnummer 3923 3924 3925 3926 3927

boring 12 12 12 12 12

BX nummers veen 2 veen 3 veen 4 beek 1 beek 2

depte in cm -mv 170-175 183-188 205-209 213-217 220-222

Houtskool fragmenten . . + . . Houtskool fragmenten

plantenresten . . + . . plantenresten

Indet en Varia 1,9 1,1 . . 0,3 Indet en Varia

EXOOT 26 25 10 3 40 EXOOT

∑AP + ∑NAP 790 661 863 727 700 Som AP + som NAP


Bijlage 11 Tilburg – Kempenbaan; resultaten pollenanalyse boring 13 en boring 3. AP: boompollen, NAP: nietboompollen, B: pollentype van Beug, P: pollentype van Punt, MW:

pollentype van Moore et al,.+ = zeldzaam.

vondstnummer 3910 3911 3929 3932 3933

boring 13 13 3 3 3

BX nummers dijk 1 veen 1 dijk 2 dijk 4 moeras 3

diepte in cm -mv 100-105 105-110 95-100 132-137 140-145

∑AP 73,9 93,6 45,4 53,3 57,4 Som boompollen

∑NAP 26,1 6,4 54,6 46,7 42,6 Som niet-boompollen

Bomen en struiken (drogere gronden) 40,9 61,0 21,8 23,0 27,9 Bomen en struiken (drogere gronden)

Bomen (nattere gronden) 33,0 32,6 23,6 30,3 29,5 Bomen (nattere gronden)

Boskruiden . . . . . Boskruiden

Cultuurgewassen 0,7 . 11,4 2,5 1,6 Cultuurgewassen

Akkeronkruiden en ruderalen 0,5 . 0,9 0,4 0,3 Akkeronkruiden en ruderalen

Graslandplanten en kruiden algemeen 14,4 3,0 31,3 27,9 13,7 Graslandplanten en kruiden algemeen

Ruigtekruiden . 0,2 0,4 0,1 0,6 Ruigtekruiden

Moeras- en oeverplanten 2,1 1,0 1,9 4,3 3,9 Moeras- en oeverplanten

Waterplanten . . . . . Waterplanten

Heide en hoogveenplanten 4,2 0,2 4,9 3,2 4,5 Heide en hoogveenplanten

Sporenplanten 4,3 2,1 3,8 8,2 17,9 Sporenplanten

Planten van brakke en zoute standplaatsen . . . . . Planten van brakke en zoute standplaatsen

Pollenconcentratie 274833 144305 161053 189109 180023 Pollenconcentratie

Bomen en struiken (drogere gronden)

Acer (B) 0,1 . . . 0,2 Esdoorn

Betula (B) 14,2 43,4 8,1 5,2 8,5 Berk

Carpinus betulus (B) + . + 0,1 0,3 Haagbeuk

Corylus (B) 13,6 6,7 7,4 8,5 8,5 Hazelaar

Fagus (B) 1,3 0,3 0,3 0,1 0,3 Beuk

Fraxinus excelsior-type (B) 0,1 1,1 0,1 . . Es-type

Ilex aquifolium (B) . . + . + Hulst

Juglans (B) . . . . . Walnoot

Picea (B) . 0,2 . . . Spar

Pinus (B) 4,7 1,1 1,1 0,9 3,4 Den

Quercus (B) 5,5 7,2 4,0 6,5 5,8 Eik

Rhamnus frangula 0,2 . . . . Sporkehout

Sambucus nigra-type (B) . 0,2 + . . Gewone vlier-type


vondstnummer 3910 3911 3929 3932 3933

boring 13 13 3 3 3

BX nummers dijk 1 veen 1 dijk 2 dijk 4 moeras 3

diepte in cm -mv 100-105 105-110 95-100 132-137 140-145

Sorbus-groep (B) . . . . . Lijsterbes-groep

Tilia (B) 0,7 0,6 0,5 0,9 0,6 Linde

Tilia platyphyllos-type (B) + . + . . Zomerlinde-type

Ulmus (B) 0,4 0,3 0,3 0,7 0,2 Iep

Viburnum opulus-type (B) . . + + + Gelderse roos-type

Bomen (nattere gronden)

Alnus (B) 32,3 32,6 23,3 29,5 29,2 Els

Salix (B) 0,7 . 0,3 0,9 0,3 Wilg

Boskruiden

Hedera helix (B) . . . . . Klimop

Lonicera periclymenum-type (B) . . . . . Wilde kamperfoelie-type

Viscum album (B) . . . . . Maretak

Cultuurgewassen

Cannabis sativa (P) . . . . . Hennep

Cannabaceae (B) . . . . . Hennepfamilie

Cerealia-type 0,5 . 1,6 0,4 1,0 Granen-type

Fagopyrum (B) 0,1 . 0,3 0,3 0,3 Boekweit

Hordeum/Triticum-type 0,1 . 2,9 1,0 . Gerst/Tarwe-type

Humulus lupulus (P) . . 0,1 . . Hop

Secale (B) + . 5,8 0,7 0,3 Rogge

Triticum-type (B) . . 0,7 . . Tarwe-type

Akkeronkruiden en ruderalen

Artemisia (B) 0,1 . + . 0,2 Alsem

Centaurea cyanus (B) . . 0,4 + + Korenbloem

Jasione montana-type (B) . . . . . Zandblauwtje-type

Papaver rhoeas-type (B) + . . + + Grote klaproos-type

Persicaria maculosa-type (B) . . . . 0,2 Perzikkruid-type

Polygonum aviculare-type (B) 0,4 . 0,3 0,1 . Gewoon varkensgras-type

Scleranthus (B) . . . . . Hardbloem

Spergula arvensis . . 0,3 0,3 . Gewone spurrie

Urticaceae (B) . . . . . Brandnetelfamilie

Anthoceros punctatus . . . . . Zwart hauwmos


vondstnummer 3910 3911 3929 3932 3933

boring 13 13 3 3 3

BX nummers dijk 1 veen 1 dijk 2 dijk 4 moeras 3

diepte in cm -mv 100-105 105-110 95-100 132-137 140-145

Phaeoceros laevis . . . . . Geel hauwmos

Riccia . . + . . Land-/Watervorkje

Graslandplanten en kruiden algemeen

Apiaceae (B) + 0,2 0,3 0,7 0,6 Schermbloemenfamilie

Anagallis-type (B) 0,1 . . + 0,2 Guichelheil-type

Senecio-type (B) . . + . . Kruiskruid-type

Asteraceae liguliflorae 0,5 0,2 1,1 0,4 0,2 Composietenfamilie lintbloemig

Asteraceae tubuliflorae 0,1 . 0,9 0,3 0,3 Composietenfamilie buisbloemig

Brassicaceae (B) 0,1 . 0,8 0,6 . Kruisbloemenfamilie

Carduus/Cirsium . . . . 0,2 Distel/Vederdistel

Caryophyllaceae (B) . . 0,1 + . Anjerfamilie

Chenopodiaceae p.p. (B) + . + + 0,3 Ganzenvoetfamilie

Fabaceae p.p. (B) 0,1 . 0,4 + . Vlinderbloemenfamilie

Gentiana pneumonanthe-type (B) . . 0,1 0,1 . Klokjesgentiaan-type

Gentianella germanica-type (B) . . . . . Duitse gentiaan-type

Geum-type (B) . . . . . Nagelkruid-type

Hydrocotyle vulgaris (B) 0,1 . . 0,1 0,2 Gewone waternavel

Matricaria-type (B) . . . 0,1 . Kamille-type

Phyteuma-type (B) . . . . . Rapunzel-type

Lysimachia vulgaris-type (B) . . . . . Grote wederik-type

Plantago lanceolata-type (B) 0,9 . 1,1 1,3 0,3 Smalle weegbree-type

Plantago (B) . . 0,4 . . Weegbree-type

Poaceae (B) 11,5 2,4 19,0 20,7 9,7 Grassenfamilie

Poaceae >40 µm . . 1,1 0,1 . Grassenfamilie, korrels >40 mu

Potentilla-type (B) 0,4 0,2 + . 0,8 Ganzerik-type

Ranunculaceae (overig) . . . + . Ranonkelfamilie (overig)

Ranunculus acris-type (B) . . 0,3 0,1 . Scherpe boterbloem-type

Rhinanthus-type (B) + . + . . Ratelaar-type

Rosaceae 0,4 0,2 0,7 0,3 0,3 Rozenfamilie

Rubiaceae (B) + . 0,1 0,1 0,3 Sterbladigenfamilie

Rumex acetosa-type (B) . . 3,3 2,3 . Veldzuring-type

Rumex acetosella (P) . . 0,3 . 0,2 Schapenzuring


vondstnummer 3910 3911 3929 3932 3933

boring 13 13 3 3 3

BX nummers dijk 1 veen 1 dijk 2 dijk 4 moeras 3

diepte in cm -mv 100-105 105-110 95-100 132-137 140-145

Scabiosa columbaria-type (B) . . . 0,1 . Duifkruid-type

Scrophulariaceae p.p. (B) . . + . . Helmkruidfamilie

Sinapis-type (MW) . . . . . Mosterd-type

Spergularia-type (B) 0,1 . 0,8 0,1 0,2 Schijnspurrie-type

Succisa-type (B) + . + . . Blauwe knoop-type

Trifolium (B) . . 0,7 0,1 . Klaver

Ruigtekruiden

Filipendula (B) . 0,2 0,3 0,1 0,5 Spirea

Lotus (B) . . . . + Rolklaver

Lythrum (B) . . + . 0,2 Kattenstaart

Thalictrum (B) . . 0,1 . . Ruit

Valeriana officinalis-type (B) . . + + . Echte valeriaan-type

Moeras- en oeverplanten

Alisma-type (B) . . . . . Waterweegbree-type

Circaea (B) . . . . + Heksenkruid

Cyperaceae (B) 2,1 1,0 1,5 3,5 3,7 Cypergrassenfamilie

Glyceria-type . . . . . Vlotgras-type

Iris pseudacorus-type (B) . . . . . Gele lis-type

Menyanthes trifoliata (B) . . + . . Waterdrieblad

Sparganium erectum-type (P) . . . 0,1 . Grote en Blonde egelskop-type

Typha angustifolia . . 0,3 0,6 + Kleine lisdodde

Typha latifolia-type (B) . . 0,1 0,1 0,2 Grote lisdodde-type

Valeriana dioica-type (B) . . . . . Kleine valeriaan-type

Waterplanten

Myriophyllum alterniflorum (B) . . . . . Teer vederkruid

Nymphaea (B) . . + . . Waterlelie

Nymphoides peltata (B) . . . . . Watergentiaan

Potamogeton natans-type (B) + . . . . Drijvend fonteinkruid-type

Heide en hoogveenplanten

Calluna vulgaris (B) 3,1 0,2 4,2 2,9 4,2 Struikhei

Ericaceae (overig) 0,1 . . 0,1 0,2 Heifamilie (overig)

Myrica gale (B) . . . . . Wilde gagel


vondstnummer 3910 3911 3929 3932 3933

boring 13 13 3 3 3

BX nummers dijk 1 veen 1 dijk 2 dijk 4 moeras 3

diepte in cm -mv 100-105 105-110 95-100 132-137 140-145

Sphagnum 0,9 . 0,7 0,1 0,2 Veenmos

Sporenplanten

Dryopteris type 4,3 2,1 3,6 7,9 17,1 Niervaren type

Equisetum . . 0,1 + . Paardenstaart

Lycopodium inundatum . . + . . Lycopodium inundatum

Osmunda regalis . . 0,1 + 0,3 Koningsvaren

Pilularia globulifera . . . . . Pilvaren

Polypodium + . + 0,1 0,3 Eikvaren

Pteridium aquilinum . . . 0,1 0,2 Adelaarsvaren

Vetplanten

Pinguicula (B) . . . . . Vetblad

Planten van brakke en zoute standplaatsen

Armeria/Limonium . . . . . Engels gras/Lamsoor

Microfossielen (zoet water)

Botryococcus . . 0,3 0,4 . Groenwier-genus Botryococcus

Debarya . . . . . Groenwier-genus Debarya

Mougeotia . . . . . Groenwier-genus Mougeotia

Pediastrum . . + 0,1 . Groenwier-genus Pediastrum

Spirogyra (T.130) . . . . . Groenwier-genus Spirogyra (T.130)

Spirogyra (T.132) . . . . . Groenwier-genus Spirogyra (T.132)

Type 128A . . + 0,6 0,5 Watertype (T.128A)

Zygnemataceae . . . 0,3 . Groenwier-familie Zygnemataceae

(Mest)schimmels

Cercophora-type (T.112) . . 0,8 . 0,2 (Mest-)Schimmel Cercophora-type (T.112)

Sordaria-type (T.55A) . . . . . (Mest-)Schimmel Sordaria-type (T.55A)

Sporormiella-type (T.113) . . . 0,1 0,2 (Mest-)Schimmel Sporormiella-type (T.113)

Tripterospora-type (T.169) . . . . . (Mest-)Schimmel Tripterospora-type (T.169)

Gelasinospora (T.1) . . + . .

Gelasinospora cf. G. reticulispora (T.2) . . . . +

Tilletia sphagni (T.27) . . . . 0,2 Veenmos-type (T.27)

Type 124 . 0,5 . . 0,2

Overigen


vondstnummer 3910 3911 3929 3932 3933

boring 13 13 3 3 3

BX nummers dijk 1 veen 1 dijk 2 dijk 4 moeras 3

diepte in cm -mv 100-105 105-110 95-100 132-137 140-145

Houtskool fragmenten 0 0 0 0 0 Houtskool fragmenten

plantenresten 0 0 0 0 0 plantenresten

Indet en Varia 0 0 0 0 0 Indet en Varia

EXOOT 57 81 87 68 128 EXOOT

∑AP + ∑NAP 843 629 754 692 620 Som AP + som NAP


Bijlage 12 Tilburg – Kempenbaan; pollendiagram met resultaten pollenanalyse boring 12. AP: boompollen, NAP: nietboompollen, B: pollentype van Beug, P: pollentype van Punt,

MW: pollentype van Moore et al., + = zeldzaam.


Vervolg bijlage 12 Tilburg – Kempenbaan; pollendiagram met resultaten pollenanalyse boring 12. AP: boompollen, NAP: nietboompollen, B: pollentype van Beug, P: pollentype van

Punt, MW: pollentype van Moore et al., + = zeldzaam.


Vervolg bijlage 12 Tilburg – Kempenbaan; pollendiagram met resultaten pollenanalyse boring 12. AP: boompollen, NAP: nietboompollen, B: pollentype van Beug, P: pollentype van

Punt, MW: pollentype van Moore et al., + = zeldzaam.


Vervolg bijlage 12 Tilburg – Kempenbaan; pollendiagram met resultaten pollenanalyse boring 12. AP: boompollen, NAP: nietboompollen, B: pollentype van Beug, P: pollentype van

Punt, MW: pollentype van Moore et al., + = zeldzaam.

More magazines by this user
Similar magazines