MUZIEK - WOORD - DANS & BEELDENDE KUNSTEN - Decom
MUZIEK - WOORD - DANS & BEELDENDE KUNSTEN - Decom
MUZIEK - WOORD - DANS & BEELDENDE KUNSTEN - Decom
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
Tweemaandelijks - januari-februari 2010 - erkenningsnummer P900950 - PB B09 - afgiftekantoor Antwerpen X - retouradres: STAALKAART, p/a DECOM, Stationsstraat 108, 2800 Mechelen<br />
JonGErEn oP sCènE<br />
El GrECo<br />
fréDériC ChoPin<br />
CULTUREEL MAGAZINE - #3 - JAN.-FEB. 2010 - 10 EURO<br />
MuZiEk - WoorD - Dans & BEElDEnDE kunstEn<br />
Chantal Pattyn<br />
Don Carlos & ElEktra<br />
België - Belgique<br />
P.B. - P.P.<br />
Antwerpen X<br />
#3<br />
MusEuM Dr. Guislain<br />
CharlEs DuCal JorDi savall<br />
B09<br />
DE BElGisChE filM in 2009
ABONNEER<br />
U NU OP<br />
5 NUMMERS = 40 €<br />
+ GRATIS CD<br />
+<br />
via www.staalkaart.be<br />
Uw voordelen:<br />
> u betaalt slechts 8 € per nummer in plaats van de winkelprijs van 10 €;<br />
> u krijgt STAALKAART een jaar lang thuisbezorgd (5 nummers).<br />
> u ontvangt begin maart 2010 als welkomstgeschenk... de CD FUG 534 van het<br />
label Fuga Libera met werk van Benjamin Britten ter waarde van 19 €. Met<br />
European Camerata o.l.v. Laurent Quénelle (viool). Werken: Variations on<br />
a theme of Franck Bridge, Lachrymae, Two portraits, Simple Symphony.<br />
Mogelijkheid 1<br />
Stort 40 € rechtstreeks op het rekeningnummer 210-0150906-26.<br />
DECOM, Stationsstraat 108, 2800 Mechelen, IBAN: BE59 2100 1509 0626,<br />
BIC: GEBABEBB. Adres van de bank: Fortis Bank nv, Warandeberg 3, 1000 Brussel.<br />
In de mededeling schrijft u “nieuw abonnement”. Uw betaling geldt meteen als<br />
bestelling en uw abonnement gaat in vanaf het eerstvolgende nummer, tenzij<br />
anders aangegeven.<br />
Mogelijkheid 2<br />
met werk van Benjamin Britten (FUG 534)<br />
Inschrijven en meteen online betalen kan ook makkelijk op www.staalkaart.be<br />
Gelieve niet beide mogelijkheden tegelijkertijd te gebruiken en te kiezen of u via<br />
overschrijving dan wel online wil inschrijven. Dit om verwarring te vermijden. Dank u.<br />
Opgelet: Opgelet: het aanbod met de CD van Benjamin Britten is slechts geldig bij inschrijving<br />
en betaling van uw abonnement vóór 12 februari 2010.<br />
Abonnement voor bibliotheken, bedrijven en instellingen (met factuur): 60 €.<br />
Abonnement in het buitenland (Europa): 60 €.
STAALKAART – cultureel magazine<br />
1ste jaargang – # 3 – januari-februari 2010<br />
STAALKAART verschijnt 5 x per cultureel jaar: eind augustus, eind oktober,<br />
eind december, eind februari en eind april. In de zomermaanden is er een extra editie.<br />
Redactie #3<br />
Maarten Beirens, Leen Boereboom, Elke Brems, Mark Cloostermans, Evelyne<br />
Coussens, Lieven de Laet, Laurent De Maertelaer, Johan de Vos, Matthias Depoorter,<br />
Tom Eelen, Frederik Goossens, Stefan Grondelaers, Hennie Lenders, Lucrèce<br />
Maeckelbergh, Erik Martens, Erna Metdepenninghen, Eric Min, Stephan Moens,<br />
Joris Note, Dieter Ohler, Björn Scherlippens, Geert Sels, Rudy Tambuyser, Bart<br />
Tijskens en Michaël Van Hecke<br />
Partners<br />
AMUZ, Antwerpen / BOZAR, Brussel / Concertgebouw, Brugge / De Bijloke, Gent /<br />
De Roma, Antwerpen / deSingel, Antwerpen / EXQI Culture, Lint / FotoMuseum,<br />
Antwerpen / Kaaitheater, Brussel / Klassiek Centraal, Mechelen / KVS, Brussel /<br />
SFCA, Antwerpen<br />
Advies<br />
Leen Boereboom<br />
Stagiair<br />
Dieter Ohler<br />
Hoofdredactie<br />
Lieven de Laet<br />
Website<br />
www.staalkaart.be<br />
Redactiesecretariaat<br />
STAALKAART, p/a DECOM - Stationsstraat 108, 2800 Mechelen<br />
staalkaart@gmail.com, 0475/91 95 66<br />
Advertenties<br />
Vanessa Dobbels, DECOM - Stationsstraat 108, 2800 Mechelen<br />
vanessa.dobbels@decom.be, 0474/34 22 27<br />
Grafisch ontwerp<br />
Str8, Kurt Thys<br />
Druk<br />
Albatros, Boechout<br />
Verantwoordelijke uitgever<br />
Sól, Roger de Laet - Keulendam 26, 2870 Puurs<br />
Abonnementen en adreswijzigingen<br />
www.staalkaart.be - staalkaart@decom.be<br />
Een abonnement op STAALKAART heeft u voor 40 € (een jaargang van 5 opeenvolgende<br />
nummers, zonder factuur). Inschrijven en adresgegevens aanpassen kan via de website<br />
www.staalkaart.be (aanbevolen).<br />
Rechtstreeks storten kan ook op het rekeningnummer 210-0150906-26,<br />
DECOM, Stationsstraat 108, 2800 Mechelen,<br />
IBAN: BE59 2100 1509 0626, BIC: GEBABEBB.<br />
Adres van de bank: Fortis Bank nv, Warandeberg 3, 1000 Brussel.<br />
In de mededeling schrijft u “nieuw abonnement”. Uw abonnement gaat in vanaf het<br />
volgende nummer.<br />
Een abonnement voor particulieren in de rest van Europa kost 60 € (5 nummers).<br />
Bibliotheken, bedrijven, instellingen in België betalen 60 € voor 5 nummers<br />
(met factuur). Een abonnement in de rest van Europa met factuur kost 80 €.<br />
Los nummer: 10 € (België), 14 € (rest van Europa).<br />
Nabestelling van oude nummers: via de website www.staalkaart.be<br />
Disclaimer - De redactie deed al het mogelijke om rechthebbenden qua copyright op te<br />
sporen en toelating te krijgen. Mocht u recht hebben op materiaal dat in deze editie gepubliceerd<br />
is, dan kan u contact opnemen via staalkaart@gmail.com De redactie en uitgever zijn<br />
niet verantwoordelijk voor de in STAALKAART opgenomen advertenties en voordeel-acties.<br />
Elke auteur is verantwoordelijk voor het door hem of haar ondertekende artikel.<br />
No part of this magazine may be reproduced in any form by print, photoprint, microfilm or<br />
any other means without written permission from the publisher.<br />
Alle rechten voorbehouden.<br />
CULTUREEL MAGAZINE - #2 - NOV.-DEC. 2009 - 10 EURO<br />
<strong>MUZIEK</strong> - <strong>WOORD</strong> - <strong>DANS</strong> & <strong>BEELDENDE</strong> <strong>KUNSTEN</strong><br />
CADeAu<br />
Wordt u ook graag verrast met nieuwjaar? Geen cadeaubonnen,<br />
geen obligate kaarsenset, geen flessen rode wijn<br />
van uw suikernonkel, maar iets leuks en onvervangbaars?<br />
Iets waar u met terechte blijdschap aan terugdenkt wanneer<br />
u het gebruikt? Daar dienen immers cadeaus voor,<br />
voor dat toefje extra.<br />
Wij bij STAALKAART hebben alvast een nieuw nummer<br />
voor u in petto, met een aantal vaste waarden en wonderlijke<br />
side-dishes. Uiteraard kent u Klara in het Paleis, de<br />
jaarlijkse afspraak van de klassieke zender in het Paleis<br />
voor Schone Kunsten. Zoals steeds staat deze dag garant<br />
voor een verfrissende cocktail: u krijgt een snuifje Scarlatti<br />
vermengd met jazz, een onversneden Stabat Mater<br />
van Pergolesi en Joshua Rifkin brengt u zijn Choplin, jawel,<br />
2/3 Joplin en 1/3 Chopin, puur (zonder citroen).<br />
Maar er is meer. Wist u dat Spanje’s meester, El Greco,<br />
nu pas zijn première maakt in België? Niet te versmaden.<br />
Een andere hoofdschotel in deze STAALKAART vormt de<br />
poëzie, met stukken over Charles Ducal – naar aanleiding<br />
van de gedichtendag – en over de onvolprezen Christine<br />
D’haen, die vorig jaar overleed.<br />
Nog een terugblik: de Belgische film van 2009 passeert<br />
als uitgebreide sorbet. Muziek blijft tijdens dit feestmaal<br />
natuurlijk het leeuwendeel uitmaken, met in dit nummer<br />
interviews met Hervé Niquet, Jordi Savall, Dietrich<br />
Henschel en Zefiro Torna. Als kersen op de taart krijgt u<br />
van ons: theater, vier onbekende Belgische musea en een<br />
tweeluik van opera. En de koffie annex degustieven: die<br />
laat ik u graag zelf ontdekken.<br />
En het cadeau, zegt u? Wel, als u een abonnement hebt<br />
op STAALKAART (of het tegen dan onderschrijft), mag u<br />
alvast een geschenk van ons verwachten – begin maart.<br />
We verklappen nog niets, dan blijft het spannend. Een cadeau<br />
bij het begin van de lente, zeg nu zelf: het is eens<br />
iets anders.<br />
Lieven de Laet,<br />
hoofdredactie<br />
© Kim Engels<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
4<br />
11 Hervé Niquet – “Het is wetenschap, het is wiskunde”<br />
14 Jordi Savall – “Ik wil geen cross-over”<br />
18 Chantal Pattyn – “Klara mag trots zijn op klassiek”<br />
22 Te Ros! Muziek en stoere ridderepiek met Zefiro Torna<br />
36 Frédéric Chopin – 200 jaar geschiedenis en 10 essentiële CD’s<br />
46 Een bijzondere Don Carlos van Verdi in de Vlaamse Opera<br />
60 Elektra van Strauss – van antieke tragedie tot muziekdrama<br />
68 Dietrich Henschel – “Muziek vernielt niet, maar ontroert”<br />
72 De Mahler van Jaap van Zweden<br />
74 Muziek wordt theater: de totaalervaring van Heiner Goebbels<br />
82 Jef Neve vs. Het Vlaams Radio Koor – het nieuwe Agnus Dei<br />
95 DVD-recensie: Richard Strauss – Der Rosenkavalier<br />
96 CD-recensies<br />
100 A la carte: muziek<br />
24 Charles Ducals pleidooi voor de poëzie<br />
50 Ongaarne, maar hoe graag – Christine D’haen (1923-2009)<br />
53 Bernard Dewulf – Kleine Dagen<br />
54 T.E. Lawrence – Zeven zuilen van wijsheid<br />
56 10 jaar Abattoir Fermé te boek gesteld in Anatomie<br />
58 KEBANG! – verzamelde theaterteksten van Jan Lauwers<br />
59 Bondige diepgang in Concertgebouwcahier over Johannes Brahms<br />
40 “Kom kijken naar een mens” – Kinderen en jongeren op scène<br />
78 Elke zin is een standpunt – 20 jaar Josse De Pauw<br />
102 A la carte: theater en dans<br />
06 El Greco – “Ik ben schilder en niet anders”<br />
30 Het Belgische filmjaar 2009 – een overzicht<br />
64 Uit het geheugen. Over weten en vergeten – Museum dr. Guislain<br />
85 Kamers vol kunst in het Rubenshuis<br />
88 “Le mort joyeux of een Aha-Erlebnis?” – 4 vergeten musea<br />
90 Het artistieke fotografieonderwijs in Vlaanderen<br />
104 A la carte: beeldende kunsten<br />
106 Ontdek hier sterke staaltjes cultuur<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
<strong>MUZIEK</strong><br />
LITERATUUR<br />
THEATER<br />
& dAns<br />
BEELdEndE<br />
KUnsTEn<br />
PARTnERs
06 eL GReCO<br />
Voor het eerst in België: een overzichtstentoonsteling<br />
van één van Spanje’s<br />
belangrijkste schilders.<br />
22 TE ROS! ZefiRO TORnA<br />
Een virtuoze voorstelling waarin de sage<br />
van het ros Beiaard en de vier Heemskinderen<br />
weer tot leven komt.<br />
60 eLeKTRA<br />
Tragediemuziek met demonische<br />
krachten: de niet te verwisselen<br />
grondkleuren van Strauss’ Elektra.<br />
11 HeRVe niQueT<br />
De Franse dirigent en zanger haalt<br />
met het Brussels Philharmonic jonge<br />
werken van Debussy van onder het stof.<br />
nd position of the text within the correct<br />
format.<br />
30 HeT beLGiSCHe fiLMjAAR 2009<br />
Onze nationale filmproductie is moeilijk<br />
definieerbaar. Erik Martens waagt een<br />
poging en bespreekt de oogst.<br />
78 jOSSe De PAuW<br />
Met de theatermaker, de acteur of de<br />
schrijver in hem hebt u ooit wel eens kennisgemaakt.<br />
Maar met allemaal tegelijk?<br />
14 jORDi SAVALL<br />
Stefan Grondelaers had een boeiend<br />
gesprek met de man die de viola da<br />
gamba op de culturele kaart zette. d<br />
position of the text within the correct<br />
50 CHRiSTine D’HAen 1923-2009<br />
Joris Note: “Haar hele werk spreekt de<br />
daimoon tegen. Er is meer dan niets,<br />
er is zelfs alles.”<br />
106 PARTneR in STAALKAART<br />
Onze partners gaan voor u graag dieper<br />
in op 1 item uit hun rijke programmatie.
6<br />
n<br />
De heilige Familie met de heilige<br />
Anne, ca. 1585, olie op doek,<br />
178 x 150 cm, Toledo, Museo de<br />
Santa Cruz, depósito de la<br />
Parroquia de San Nicóla de Bari<br />
STAALKAART #3 JANUARI-FEBRUARI2010
EL GRECO<br />
“IK BEN SCHILDER<br />
EN NIET ANDERS”<br />
Hennie Lenders<br />
Uwe Heiligheid Pius V,<br />
Ik ben schilder en niet anders. Zoals U weet ben ik van Kreta, uit een klein dorpje Fodele genaamd, ergens in de<br />
bergen, niet ver uit de kust en van Candia.<br />
Ik ben van eenvoudige afkomst, mijn vader heette Kyriakos Theotokopoulos - net zoals ik. Later heb ik mijn naam<br />
veranderd in Domenikos, maar hier in Rome kent men mij alleen als “de Griek”. Ik heb in mijn jongensjaren geiten<br />
en schapen gehoed. Vanwege mijn toewijding mocht ik leren lezen en schrijven, ik wilde monnik en icoonschilder<br />
worden en heb het geluk gehad bij Mikaël Damaskinos te werken. Hij heeft mij de techniek van het schilderen<br />
geleerd - een techniek die complex is omdat ze aan een strikte methode is onderworpen - maar vooral hoe ik<br />
mij expressief en emotioneel kon uiten, bracht hij me bij. Hij leerde mij hoe ik de Byzantijnse schilderwijze kon<br />
combineren met de dynamiek en gratie van de Renaissance. Ik ben als mens en kunstenaar gevormd op Kreta.<br />
Leeftijdsgenoten in Venetië en Rome zijn wezenlijk anders opgeleid.<br />
Mijn leermeester liet mij eens een icoon uit Rusland zien: Andrej Rublev. Ik zag geen icoon met vertrouwde gestileerde<br />
vormen die overal hetzelfde zijn maar een persoonlijk document van een mens met een eigen kijk op de geestelijke<br />
en profane wereld - een combinatie die mij altijd is bijgebleven. Zo emotioneel! Zo’n persoonlijke stijl wilde ik ook<br />
ontwikkelen, maar kreeg daarvoor in Candia niet genoeg ruimte. Ik heb geprobeerd te werken volgens eigen inzichten.<br />
Dat ging goed, maar niemand wilde mijn schilderijen. Ik was 25 jaar toen ik Kreta verliet - op advies van Giovanni<br />
Kornaros, de vader van de dichter Vitsentzos, die afkomstig was van Venetië en dacht dat daar voor mij een grote<br />
toekomst lag. Ik ben er 4 jaar gebleven en heb bij Titiano Vecelli en Jacopo Robusti gewerkt. Vorig jaar heb ik mij<br />
hier gevestigd omdat ik in Venetië of elke andere stad geen opdrachten kon krijgen. Rome groeit snel, er wordt veel<br />
gebouwd en alle gebouwen hebben schilderijen nodig.<br />
Ik voel mij zeer vereerd en in alle nederigheid wil ik U van advies zijn.<br />
Uit respect voor de grootsheid van Michelangelo da Buonarroti zou ik het Laatste Oordeel niet aanpassen, maar<br />
verwijderen en een geheel nieuwe invulling geven aan de achterwand van Uw persoonlijke kapel, zodat de<br />
aanwezige gelovigen gesticht worden door een combinatie van geestelijke emotie en indrukwekkendheid die net<br />
zo groots is als de fresco’s tegen het plafond waarvoor da Buonarroti zo heeft moeten lijden. Het vele licht zou<br />
ik temperen door nieuwe beglazing in de ramen aan te brengen. Uw ogen worden langs de achterwand naar het<br />
plafond met al zijn heldere kleuren geleid. Mijn werk zou langzaam van onderen opgebouwd moeten worden, geen<br />
anekdote maar een nuancering van in toom gehouden kleuren met hier en daar een onnavolgbaar groen, geel,<br />
rood en zwart dat opdoemt uit de neutrale achtergrond. Grasgroen, geel van zonnebloemen, rood van vers bloed en<br />
zwart van de schittering van zonlicht op het verenkleed van een Colitejo. Een ware ode aan de grootsheid van het<br />
Goddelijke.<br />
Als voorbeeld heb ik een klein schilderij meegebracht dat naar aanleiding van een werk op Kreta is ontstaan. Het<br />
is een triptiek met aan de voorzijde onder andere de doop van Christus, ook de achterzijde is beschilderd en stelt<br />
de berg Sinaï voor met aan de voet het Catharina klooster, het linkerpaneel laat de Annunciatie zien en rechts de<br />
zondeval. Eigenlijk zes kleine schilderijen met verschillende voorstellingen.<br />
Ja, U hoort het goed, ik denk niet in zinnelijkheid of plasticiteit van een individueel lichaam. Ik denk aan een<br />
ruimtelijke droom op een muur, een vlakke muur. Ik streef naar de innige vereniging van de ziel met God en de<br />
verlossing van de arme zielen uit het purgatorium, maar met kleurbeelden die een aardse relatie hebben als<br />
symbool van het gebed der gelovigen.<br />
Vanaf 4 februari kan u gaan kijken<br />
naar een unieke tentoonstelling<br />
met werken van El Greco (Kreta,<br />
1541 - Toledo, 1614) in BOZAR,<br />
Brussel. Hennie Lenders hult zich<br />
in dit artikel in de persoon van<br />
El Greco en heeft het over de<br />
problemen van de schilder ten<br />
opzichte van het schilderen an<br />
sich.<br />
De hier afgebeelde werken “De<br />
heilige familie” (hiernaast) en “De<br />
heilige Augustinus” vindt u terug<br />
op de tentoonstelling. De andere<br />
twee werken, de landschappen<br />
“De berg Sinaï” en “Zicht op<br />
Toledo”, werden niet opgenomen.<br />
STAALKAART #3 JANUARI-FEBRUARI2010<br />
7
8<br />
n<br />
De berg Sinaï en het Catharinaklooster,<br />
middenpaneel van<br />
achterzijde triptiek,<br />
+/- 1567, 37 x 23,8 cm,<br />
Galleria Estense, Modena<br />
STAALKAART #3 JANUARI-FEBRUARI2010<br />
Geloof is een moeilijke kwestie. God is een illusie,<br />
laat me dat voorop stellen.<br />
Ook een diepgelovige zal beseffen dat er<br />
uiteindelijk alleen maar een leven op aarde is. Dat God<br />
niet en nergens bestaat. Maar die wetenschap is zo<br />
pijnlijk en ondraaglijk dat men wel moet geloven, anders<br />
lijkt het leven slechts dierlijk en zinloos.<br />
Toen ik de schapen van ons dorp hoedde, zag ik de<br />
dieren zoeken naar de sappigste en lekkerste kruiden<br />
tussen de rotsen. Een eenvoudige ziel zou daarin het<br />
allesomvattende werk van God zien.<br />
Het sterkste dier zal het beste voer vinden, overleven,<br />
zich voortplanten en zijn eigenschappen doorgeven<br />
zodat de kudde sterk blijft. Maar ik gun de mens zijn<br />
dromen, zijn illusies. Nee, ik ben niet devoot in de zin<br />
van vroom.<br />
Ik ben wel toegewijd, en zelfs meer dan dat. Ik geloof de<br />
opdrachtgever en zijn wensen.<br />
Ik draag mijn werk op aan die illusie. Maar wel heel<br />
praktisch. Ik moet er van leven.<br />
Door scha en schande ben ik wijs geworden. Ik kwam<br />
met veel ambitie naar Venetië, droomde van grote<br />
opdrachten in de paleizen en kerken die gebouwd<br />
zouden gaan worden toen de kerk van Rome officieel<br />
stelling had genomen tegen de reformatie in de<br />
noordelijke landen. Ik ben in de werkplaats van Titiano<br />
Vecelli en later Jacopo Robusti gekomen en verwachtte<br />
zelfstandige opdrachten te kunnen uitvoeren zoals ik<br />
dat gewend was, maar dat bleek niet haalbaar. De oude<br />
meester Titiaan werkte in afzondering en heb ik weinig<br />
gezien, wel heb ik daar geleerd hoe ik verschillende<br />
kleuren naast elkaar kon gebruiken. Op Kreta werkten<br />
we in de Byzantijnse traditie waarbij de kleuren volgens<br />
een overlevering naast elkaar gezet werden. Titiaan had<br />
een idee waarbij hij belangrijke kleuren in combinatie<br />
met mengkleuren gebruikte, zodat een nieuwe harmonie<br />
ontstond. Zo gebruikte hij helder blauw pigment en in<br />
een ander deel van het schilderij oranje. Oranje krijg<br />
je door veel geel met rood te vermengen. De verf lag<br />
soms heel dik op het doek. Dat had een prachtig effect<br />
doordat het licht dat op het schilderij valt de kleur<br />
extra diepte geeft. Dure pigmenten. Maar Titiaan was<br />
rijk, hij kon zich dat permitteren. Jacopo, later noemen<br />
ze hem Tintoretto, heeft die werkwijze voor een deel<br />
overgenomen. Maar Titiaan was in Venetië mijn enige<br />
echte leermeester.<br />
Ik wilde ook een groot atelier en nam mij voor elke<br />
opdracht aan te nemen die ik krijgen kon. Op zijn<br />
minst ergens in dienst van een bisschop of kardinaal,<br />
dat was mijn doel, aan de paus durfde ik niet eens te<br />
denken. Giulio Clovio introduceerde mij in Rome bij<br />
een van zijn opdrachtgevers, kardinaal Farnese. Zo<br />
ben ik uiteindelijk in Rome terecht gekomen. Dat was<br />
geen succes. Ik heb daar veel vijanden gemaakt omdat<br />
ik Michelangelo’s Laatste Oordeel wilde weghalen.<br />
Maar wat nu gebeurd is kan in mijn ogen helemaal<br />
niet. Daniele Ricciarelli, die tweederangsschilder uit<br />
Volterra, heeft het Laatste Oordeel werkelijk verprutst<br />
met zijn schaamtevolle wolkjes. Schandalig, hij heeft er<br />
nog geld voor gekregen ook!<br />
In Rome had ik weinig te zoeken.<br />
Ik was blij verrast toen ik bij Zijne Heiligheid in<br />
persoonlijke audiëntie mocht verschijnen. De paus<br />
wilde weten hoe ik met mijn artistieke ideeën en<br />
herkomst het werk van Michelangelo zou kunnen<br />
aanpassen aan de normen van onze tijd.<br />
Het streven naar een Byzantijnse expressie en spirituele<br />
emotie van het geloof en niet naar de Romeinse<br />
juistheid van de stoffelijke wereld. Dat sprak me wel<br />
aan.<br />
Ik ben zéér gecharmeerd door Michelangelo, vooral in<br />
zijn sculpturen waar hij vormen durft te manipuleren<br />
ten gunste van een theatraal effect, maar durfde dat<br />
niet hardop te zeggen. Hij kreeg veel kritiek toen ik in<br />
Rome aankwam. Onbegrijpelijk want hij werkte echt<br />
op zijn eigen manier. Niet meer volgens een opgelegd<br />
systeem waarvan men honderd jaar geleden dacht de<br />
werkelijkheid uit te beelden.<br />
Hij zette de realiteit naar zijn hand, bijna letterlijk door<br />
een grootse veeg verf waaruit de eindigheid van zijn
armbeweging blijkt. Je ziet dat ook aan zijn laatste<br />
sculpturen die niet perfect afgewerkt zijn, maar juist<br />
daardoor extra dynamiek tonen.<br />
Het heeft geen zin met marmer of verf, zijde of vlees<br />
te suggereren. Michelangelo en ik zijn die techniek<br />
allang voorbij. Hij heeft, in zijn eentje en hangend, dat<br />
plafond beschilderd. Dat moet lichamelijk erg zwaar<br />
geweest zijn. Hij heeft er voor gekozen dat die fysieke<br />
inspanning een wezenlijk deel van het werk is.<br />
Mijn Laatste Oordeel zou precies zo’n fundamentele<br />
uiting moeten worden van de uitersten van het fysieke.<br />
In letterlijke zin. Ik wil een kwast met een lange stok, zo<br />
lang dat ik geen controle meer heb over het resultaat,<br />
zoals de reikwijdte van mijn hand vlakbij zekerheid<br />
toont maar verderop een onzekere lijn veroorzaakt.<br />
Michelangelo kende vooraf het resultaat.<br />
Ik zou het resultaat niet eens willen weten voordat ik<br />
begon.<br />
“Bepaal het hart van een schilderij. Zet een kwast in<br />
dat hart, trek een lijn verticaal naar boven zo lang als<br />
de reikwijdte van je arm en totdat de kwast geen verf<br />
meer afgeeft. Doe hetzelfde naar beneden, horizontaal<br />
naar rechts en naar links. Daarmee bepaal je het<br />
formaat van een schilderij. Zo deel ik een heel groot<br />
schilderij op in fragmenten, alsof het een aantal<br />
kleinere schilderijen bij elkaar zijn. Verplaats het hart<br />
steeds een klein stuk. Een klein schilderij lijkt met deze<br />
werkwijze vanzelfsprekend een fragment uit een groter<br />
geheel zoals, in spirituele zin, bij een icoon. Een groots<br />
effect als de ondergrond van het schilderij niet meer<br />
neutraal is, maar bijvoorbeeld diepzwart, en de verf<br />
aan de kwast slechts wit als grootste contrast heeft<br />
met hier en daar een afgewogen kleurveeg. Doordat<br />
het lichaam fysieke beperkingen heeft, zal elke lijn,<br />
elke vorm een afwijking hebben waardoor een logische<br />
vervorming ontstaat. In mijn ogen een natuurlijke<br />
vervorming. De plastische diepte verdwijnt, waardoor<br />
het drama van de voorstelling optimaal tot zijn recht<br />
komt. Feitelijk slechts een spel van materie op een plat<br />
vlak.”<br />
Ik weet zeker dat mijn manier van werken die de eigen<br />
fysieke beperkingen accepteert, jonge kunstenaars in<br />
de toekomst zal aanspreken.<br />
Ik heb zo iets in aanzet gezien bij een schilderij van een<br />
Vlaming die enkele jaren geleden op een diplomatieke<br />
missie in Madrid was.<br />
Alsof hij naar mij heeft geluisterd.<br />
Het ging niet goed met mij, ik was al een tijd in Venetië<br />
en ben naar Rome verhuisd om daar werk te vinden. Ik<br />
deed mijn best die opdracht voor de Sixtijnse kapel te<br />
krijgen want ik was ambitieus en overtuigd van mijn<br />
kunnen. Maar men vond mijn werk slordig en boers,<br />
niet verfijnd genoeg. Ik was goed genoeg om ergens op<br />
een ver plafond te schilderen zodat op een afstand de<br />
slordigheden niet te zien zouden zijn.<br />
Ik ben niet slordig of boers.<br />
Meester Titiaan vertelde mij over de bouw van een<br />
groot klooster voor zijne majesteit Felipe, de koning<br />
van Spanje, ergens buiten de nieuwe hoofdstad<br />
Madrid bij het dorpje Escorial. Daar zou ik zeker<br />
opdrachten kunnen krijgen. De devotie van de koning<br />
zich te verenigen met God en door middel van gebed<br />
te streven naar verlossing paste, hoe paradoxaal, bij<br />
mijn werkwijze. Ik zag een schilderij uit de Lage Landen<br />
aan de noordelijke zee, een schilderij van meester<br />
Jheronimus met hetzelfde thema als dat van de<br />
Sixtijnse kapel, maar veel indringender en mystieker. De<br />
koning had het uit Brussel laten komen en zat er uren<br />
geknield voor te bidden. Ik heb altijd geprobeerd zuiver<br />
te blijven in mijn werkwijze, anderen niet. Uiteindelijk<br />
kon ik niet aarden in Madrid - ik wilde niet meer.<br />
Opdrachtgevers maakten mijn werk ondergeschikt<br />
aan hun eigen doelen en ik moest voldoen aan hun<br />
waarden. Ik was te uitgesproken voor Madrid.<br />
9<br />
n<br />
De heilige Augustinus,<br />
ca. 159-1607, olie op doek,<br />
33,8 x 43,2 cm, Toledo, Museo<br />
de Santa Cruz, deposito de la<br />
Parroquia de Saint Nicola de<br />
Bari<br />
STAALKAART #3 JANUARI-FEBRUARI2010
10<br />
n<br />
Gezicht op Toledo, 1597-1599,<br />
olie op doek, 121,3 x 108,6 cm,<br />
Metropolitan Museum of Art,<br />
New York<br />
BOZAR<br />
→ www.bozar.be<br />
04/02 > 09/05/2010<br />
El Greco<br />
Domenikos Theotokopoulos 1900<br />
STAALKAART #3 JANUARI-FEBRUARI2010<br />
Titiaan kon als geen ander een illusie schilderen.<br />
Toen ik van Kreta kwam, was ik onder de indruk van<br />
het Averoldi-altaar dat hij bijna honderd jaar geleden<br />
maakte in opdracht van de pauselijke nuntius in<br />
Venetië. Het beeld van de stervende Sint-Sebastiaan<br />
tegen de helderheid van de blauwe lucht. Ik vertaal<br />
sindsdien elk gegeven in schilderachtigheid.<br />
Toen ik in Toledo ging wonen, trof ik een stad aan<br />
waar Kretenzers, joden, moslims, mensen uit alle<br />
windstreken in vredige harmonie naast elkaar woonden.<br />
Mijn buurman, hij komt van Cordoba en gaat wekelijks<br />
voor gebed naar de Mezquita, fokt Colitejo’s. Vurige<br />
duiven die hun keel opblazen tot grote ronde ballonnen.<br />
Het zonlicht schijnt op de glanzende veren, waardoor<br />
alle mogelijke schakeringen aan kleuren ontstaan. Ik<br />
heb zo’n duif gebruikt in een schilderij voor de oude<br />
kerk hier van San Domingo. Een witte met opgeblazen<br />
krop en korte brede staart, zwevend boven God de Vader<br />
en zijn Zoon. De prachtigste kleuren zijn in je directe<br />
omgeving te vinden, ze zitten in mijn hoofd.<br />
Ik ben in Toledo gebleven en zal er sterven. Ik ben hier<br />
thuis.<br />
Ik maak grote schilderijen in opdracht, voor het hele<br />
koninkrijk. Ik heb veel jonge handwerkslieden in dienst<br />
die voor mij werken.<br />
Ik heb een bloeiende zaak. Veel opdrachtgevers en<br />
vertegenwoordigers komen over de vloer.<br />
Ik werk snel. Van elk schilderij dat weggaat, maak ik<br />
een kopie op klein formaat.<br />
Om het bedrijf winstgevend te houden, want zo krijgen<br />
opdrachtgevers een goed beeld van het werk, maar<br />
vooral voor mijzelf, want ik probeer in deze kleine<br />
kopieën allerlei verschillende werkwijzen uit. Daardoor<br />
lijken ze slordig gemaakt. Mijn werk ontwikkelt zich nog<br />
steeds.<br />
Ik weet wat ik kan.<br />
Ik maak werk waarvoor ik geen opdracht krijg. Titiaan<br />
zat vaak in afzondering zijn ideeën uit te proberen.<br />
Behalve hij vroeger, en nu ikzelf, doet niemand dat.<br />
Vorig jaar ben ik begonnen aan een gezicht op Toledo,<br />
gezien vanaf de overkant van de Taag. Er staat maar<br />
een klein deel van de stad op, meer hoeft niet, want<br />
men kent de rest. Ik koos voor een staand kader,<br />
een vorm die afwijkt van een traditioneel liggend<br />
landschap, alsof ik een portret van iemand wilde<br />
maken.<br />
Het is zo breed als de lengte van mijn rechterarm tot<br />
aan de linkerschouder, zoals een koopman zijn linnen<br />
meet. Het is zo hoog als mijn hand kan reiken als<br />
mijn oog het midden van het schilderij zoekt. Het lege<br />
doek schilder ik zwart op een rode basis, snel, dun en<br />
slordig, en kijk naar de reflectie op het doek van het<br />
weinige licht dat ik toelaat in mijn werkruimte. Ik trek<br />
een diagonaal met een bijna droge kwast met witte verf<br />
van linksonder tot in de rechterbovenhoek. De route via<br />
de Puente de San Martin en de Monasterio de San Juan<br />
naar de Mezquita. Als vanzelf doemen de gebouwen en<br />
omtrek op uit de basis.<br />
Het schilderij schildert zichzelf.<br />
De toren van de kathedraal staat precies op de<br />
kruising van mijn armbeweging van links naar rechts<br />
door de diagonaal van het schilderij. Ik schilder zoals<br />
op Kreta, snel en vol concentratie. Het onderwerp<br />
doet niet ter zake. Sommige onderdelen hoeven niet<br />
uitgewerkt te worden, spreken voor zich in overleg<br />
met verfvegen ernaast. Kleuren zijn van geen belang,<br />
slechts groen en variaties op groen in combinatie met<br />
het doorschemeren van de zwartrode ondergrond, wit<br />
en vuilblauw. Het is geen mooi schilderij. Lelijk zelfs. Ik<br />
heb mijn manier van werken met overgave toegepast.<br />
Ik wil schilderen en niet anders dan dat. n
Hervé Niquet:<br />
“Het is weteNscHap,<br />
Het is wiskuNde”<br />
Rudy Tambuyser<br />
Niet voor niets zijn het vaak muzikanten uit de wereld van de oude muziek die zich later<br />
ook in minder oude muziek tot doel stellen om werken van de vergetelheid te redden. Zij<br />
weten: het gebrek aan liefde voor de traditie die ooit het leeuwendeel van renaissance- en<br />
barokmuziek deed vergeten of verwaarlozen, moet ook in de klassieke of romantische<br />
periode aan heel wat muziek het klinkende leven hebben gekost.<br />
Kwatongen, die ook in muzikale zaken een soort darwinisme aanhangen, zullen betogen<br />
dat heel wat muziek thuishoort waar zoveel renaissance- en barokmuziek met reden was<br />
terechtgekomen alvorens een muzikale én commerciële goudader te worden: tussen de<br />
plooien van de geschiedenis.<br />
Dit spanningsveld vormt onuitputtelijke discussiestof<br />
voor specialisten en dilettanten uit beide<br />
kampen. Maar alle bevlogen meningen ten spijt:<br />
goede muziek die niet meer klinkt, is altijd erger dan<br />
slechte muziek die toch een luisterend oor vindt.<br />
Op de vraag of het zinvol is om in lang vergeten jeugdwerk<br />
van later groot geworden componisten te gaan grasduinen,<br />
antwoorden we dan ook volmondig ja. Stoot je niet op een<br />
meesterwerk, dan toch misschien op ander leerrijks.<br />
Het is met die instelling dat Hervé Niquet – de Franse<br />
zanger en dirigent die er sinds vele jaren een bevoorrechte<br />
relatie met het Brussels Philharmonic en het Vlaams<br />
Radio Koor op nahoudt – op de uitnodiging van Palazzetto<br />
Bru Zane (PBZ) inging om het enorme repertoire in de<br />
archieven van de Prix de Rome aan een nadere blik te<br />
onderwerpen. PBZ is de in Venetië gevestigde dienst die<br />
zich het lot van de Franse, 19 de eeuwse muziek aantrekt.<br />
De Prix de Rome is een kunstenaarsprijs die al in de jaren<br />
1660 door Lodewijk IV werd ingesteld, maar die eind 19 de<br />
eeuw dé manier voor een jonge componist was geworden<br />
om zich te lanceren: de prijs beliep vier jaar zonder<br />
geldzorgen en een lang verblijf in de Romeinse Villa Medici<br />
om zich in alle rust en comfort aan de Muze te wijden.<br />
Omdat mededingers in een voorbereidende fase<br />
koorwerken dienden te schrijven en voor de eigenlijke<br />
wedstrijd een cantate, is in de schoot van de Prix de Rome<br />
een enorm repertoire opgebouwd dat meestal alleen maar<br />
in pianoreductie voor de jury tot klinken is gebracht. Hervé<br />
Niquet zocht en vond er niet eens vergeten – want nooit<br />
gehoorde – schatten. Onlangs verscheen in de nasleep<br />
van dit project een eerste van drie opnamen (Glossa<br />
GES 922206-F): de cantates Le Gladiateur en L’Enfant<br />
prodigue, waarmee Debussy in 1883 en ’84 respectievelijk<br />
de Tweede en de Eerste Prijs van Rome wegkaapte,<br />
aangevuld met enkele koren en het vaker uitgevoerde,<br />
in Rome geschreven La Damoiselle élue. Met die twee<br />
wedstrijdcantates zijn Niquet en Brussels Philharmonic<br />
van 26 tot 28 januari op tournee. Een goede reden om de<br />
man in Parijs op te zoeken en hem om wat tekst en uitleg<br />
te vragen.<br />
Mijnheer Niquet, een van uw uitgangspunten is dat er<br />
doorheen de eeuwen maar één Franse muziek heeft<br />
bestaan. Maar hoe het verband te zien tussen Berlioz en<br />
Saint-Saëns, of tussen Meyerbeer en Debussy?<br />
“Vindt u dat zo’n rare uitspraak? In het geval van de<br />
Duitse muziek twijfelt nochtans niemand daaraan. In de<br />
hele evolutie van Bach tot Brahms hoort men een evidente<br />
constante te horen, die neerkomt op de tongval van de<br />
Duitse taal: une lange acharné, een ietwat harde, besliste,<br />
strenge, doortastende taal. Waarom zou iets dergelijks niet<br />
op de Franse muziek van toepassing zijn? Elke muziek ent<br />
zich op de taal.”<br />
Wat zijn dan de overdrachtelijke karakteristieken<br />
waarmee de Franse taal haar muziek heeft gezegend?<br />
“In de eerste plaats: wanorde (geeft een hilarische<br />
impressie van typisch Frans, betekenisloos gebabbel,<br />
maar lacht niet). Een enorm kluwen van praatziekte,<br />
argumentatiedrang, onnodige synoniemen en<br />
onzekerheden. Maar belangrijk: een wanorde waarin met<br />
nooit aflatende ijver naar orde wordt gezocht. Vandaar de<br />
typische mengeling bij de Franse componist van een heel<br />
sterk métier – gevolg van verbeten zoeken naar structuur –<br />
waarin souplesse, elegantie en een grote fantasie gedijen<br />
en een vorm vinden.”<br />
Het grafschrift van Debussy was kortweg ‘Musicien<br />
français’. Maar Pierre Boulez ziet hem breder: hij meent<br />
in zijn prélude A l’après-midi d’un faune het 20 ste eeuwse<br />
modernisme een aanvang te zien nemen. Ziet u daar<br />
wat in?<br />
11<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
n<br />
© eric Manas<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
“Maar wat een waanidee! Wat een pretentie ook, om<br />
zoiets te zeggen. Het is niet omdat je niet luistert naar<br />
wat daarvoor kwam, dat het ook niet bestond. Neem een<br />
17 de eeuws recitatief van Lully en vergelijk het met wat<br />
je hoort in Pelléas (Debussy’s opera Pelléas et Mélisande,<br />
nvdr.): het is zonneklaar dat er tussen beide een direct<br />
verband bestaat. Wat het ‘modernisme’ ook is, het is<br />
zeker niet in één werk uit 1893 begonnen. Zomaar 1000<br />
jaar van voorbereidende muziek ontkennen, dat noem ik<br />
onbescheiden lulkoek.<br />
Was Debussy vernieuwend? Ja, dat zal wel. Maar dat is<br />
wat elke jonge kunstenaar wil zijn. Geen enkele artistieke<br />
roeping vertrekt van het idee zich anoniem, naadloos<br />
en wars van zijn eigenheid in te passen in ‘de’ traditie.<br />
Maar evenmin ontsnapt om het even welke artiest aan<br />
de eeuwenlange voorbereiding die tot hem en zijn tijdvak<br />
heeft geleid. Wat mijnheer Boulez daar vertelt, is dus<br />
gratuit.”<br />
De cantates waarmee Debussy respectievelijk de kleine<br />
en de grote Prix de Rome won, en de werken die hij in<br />
Rome heeft geschreven, verraden op zich nochtans een<br />
korte, maar onmiskenbaar sterke evolutie.<br />
“Inderdaad. Vergelijk Le Gladiateur, waarmee de<br />
19-jarige Debussy in 1883 de ‘kleine’ Prix de Rome won,<br />
met L’enfant prodigue: precies één jaar had hij nodig<br />
om eenvoudigweg alles te leren. Die tweede cantate<br />
bevat alle basisingrediënten die de late Debussy zo<br />
opvallend en boeiend maken. In het iets vaker gespeelde<br />
La damoiselle élue, in Rome gecomponeerd, hoor je<br />
letterlijk de typische ah’s van de Sirènes uit de volleerde<br />
triptiek Nocturnes, waarmee hij als gevestigde componist<br />
zoveel succes oogstte. Maar even duidelijk horen we<br />
reeds in de agressieve passages van Le Gladiateur een<br />
voorafspiegeling van de geweldscène in Pelléas.<br />
Wil dat zeggen dat Debussy de traditie in een jaartje<br />
assimileerde? Maar nee, een snotneus van 19 bekommert<br />
zich niet om De Traditie! Hij zoekt originaliteit, een eigen<br />
stem. Hij deed met andere woorden simpelweg wat zoveel<br />
Franse componisten vóór hem hadden gedaan: in de<br />
wanorde heruitvinden wat sinds Lully al had bestaan.<br />
Overigens moeten we ons ook niet al te zeer verbazen over<br />
de ‘jonge’ Debussy: in de Chapelle Royale (ensemble van<br />
de koning aan het 17 de- eeuwse Franse hof, nvdr.) wachtte<br />
men evenmin tot zijn 30 ste om zijn job naar behoren<br />
uit te oefenen. Een knaap kwam er binnen op zijn 8 ste ,<br />
een 12-jarige moest er naar behoren een motet kunnen<br />
schrijven. In de 15-jarige moest alles wat er in zat al<br />
zichtbaar zijn. Zo ook bij Debussy: hij was een genie. Als<br />
19-jarige had hij ten gronde niks meer te leren.”<br />
Het is bevreemdend te zien wat een heisa er omstreeks<br />
de eeuwwisseling rond de compositiewedstrijd werd<br />
gemaakt. Toen Ravel weer eens niet won, stond de pers<br />
werkelijk in rep en roer.<br />
“Vanuit onze situatie is dat inderdaad bevreemdend. De<br />
zaak is immers steeds duidelijker: cultuur is het eerste<br />
waarin geknipt wordt wanneer er te weinig geld is. Dat is<br />
opmerkelijk. Destijds was dat helemaal anders. Artiesten<br />
maakten deel uit van de maatschappij. Ze toonden<br />
zich, ze werden gehoord en gezien. Lees de kranten van<br />
die tijd: bijna een derde ging over cultuur! Poulenc,<br />
Cocteau, Picasso, Braque: je kon ze zien en tegenkomen.<br />
Het conservatorium was niet alleen een instituut met<br />
culturele, maar ook met politieke inslag. Cultuur was een<br />
uithangbord. Nu is dat anders: men ziet niet meer in welke<br />
intrinsieke waarde cultuur heeft voor een samenleving.”<br />
Le Gladiateur en L’Enfant prodigue zijn zo zelden<br />
uitgevoerd dat we gerust kunnen zeggen dat er geen<br />
speeltraditie van bestaat. Was het voor u als dirigent<br />
anders om mee om te gaan dan met La Mer of L’aprèsmidi<br />
d’un faune?<br />
“Jazeker, en gelukkig maar. Weet u, als je Debussy zegt,<br />
dan zeggen mensen (legt geaffecteerd de hand op de<br />
borst) ‘ooh’ en ‘aah’… Ze hebben een heel specifiek<br />
verwachtingspatroon dat we ‘impressionistisch’ kunnen<br />
noemen. Wel, ik heb daar maling aan. Ik lees de partituur.<br />
Alles staat er in.<br />
Weet u, ik denk dat Debussy – zoals veel geniale mensen<br />
– een beetje paranoïde was. Zijn partituren zijn zodanig<br />
dwingend en gedetailleerd, je kan gewoon niet missen. Je<br />
moet ze alleen maar respecteren en er ontstáát iets.<br />
Precies met dat respect loopt er in een speeltraditie vaak<br />
heel wat mis. La damoiselle élue wordt nog min of meer<br />
regelmatig gespeeld. Wel, ik ontdekte veel maniërismen,
iets gesuikerds en omfloerst dat er in de loop van een dikke<br />
eeuw is ingeslopen, maar dat helemaal niet door Debussy<br />
wordt gevraagd.”<br />
U die taal zo belangrijk vindt: moet men Frans spreken<br />
om Debussy goed te kunnen uitvoeren?<br />
“Neen, en dat hangt precies met de duidelijkheid van zijn<br />
partituren samen. Je moet wel bereid zijn om je de klanken<br />
goed eigen te maken, want het is in klinkers dat de kern<br />
van de eigenlijke kleur ontstaat.<br />
Anderzijds: het is een feit dat Duitse orkesten opvallend<br />
vaak niks terechtbrengen van Debussy’s muziek. Ze voelen<br />
het blijkbaar niet. Zou dat toeval zijn?”<br />
Alles is genoteerd, zegt u. Maar dat neemt toch niet weg<br />
dat er, tussen geschreven zien staan en laten klinken,<br />
toch een heel mijnenveld van goede bedoelingen en<br />
vergissingen kan liggen?<br />
“Het probleem met Debussy – en Pelléas is daarvan<br />
een duidelijk voorbeeld – is dat zijn muziek een soort<br />
continuüm is. Er zijn geen echte aria’s. De muziek lijkt<br />
zich een weg te zoeken. Maar het feit blijft dat dit hele<br />
proces zeer precies op schrift is gesteld. Je moet het<br />
weten te lezen, maar het is echt haast het werk van een<br />
wetenschapper. De muziek wérkt ook als je haar op jouw<br />
beurt als een wetenschapper benadert. De oppervlakte is<br />
bedrieglijk: er lijkt soms geen tempo te zijn, maar het is er<br />
wel. Er zijn temporelaties tussen de delen die het discours<br />
in zijn geheel zin en betekenis geven. Het is wetenschap.<br />
Het is wiskunde.”<br />
U bent een zanger. Maakt u dat tot een ‘andere’<br />
dirigent?<br />
“Ik heb veel gezongen, maar dat is niet waar ik<br />
oorspronkelijk vandaan kom. Ik heb piano gestudeerd,<br />
was repetent aan de Opéra de Paris. Ik heb compositie,<br />
orkestdirectie en zang gestudeerd. Door mijn interesse in<br />
oude muziek ben ik bij William Christie terechtgekomen,<br />
bij les Arts Florissants, en bij Philippe Herreweghe<br />
in Collegium Vocale en La Chapelle Royale. Ook<br />
instrumentkunde was altijd een van mijn interessepolen.<br />
Maar inderdaad, ik verschijn voor het orkest als een<br />
zanger. Ik zing vaak voor, wat ik wil horen.”<br />
René Jacobs doet het ook. Bij een Duits opera-orkest<br />
kreeg hij eens te horen van een violist: ‘Herr jacobs, u<br />
bent hier niet om te zingen, maar om te slaan.’<br />
“René woont hier om de hoek, wist u dat?<br />
Nee, er zijn natuurlijk altijd bozeriken die, als ik iets<br />
voorzing, daar maar al te graag opvliegen om de zaak in<br />
het belachelijke te trekken, of vinden dat zoiets niet past.<br />
Maar er zijn er minstens evenveel die het als een mooie<br />
uitnodiging zien.”<br />
‘Elk professioneel orkest is potentieel krapuul’ zei me<br />
ooit iemand die het kan weten. Ervoor zingen zou men<br />
eufemistisch kunnen omschrijven als ‘zich kwetsbaar<br />
opstellen’.<br />
“Jazeker, maar dat maakt deel uit van de filosofie van zo’n<br />
aanpak. Je kan met de vocale lijn veel duidelijk maken,<br />
zeker in Debussy. Veel dirigenten spreken niet eens met<br />
hun orkest. Kom je daar dan plots staan zingen, is men<br />
verbaasd. Tegelijk schep je eventueel de voorwaarde<br />
om tot een intieme samenwerking te komen. Als je<br />
luisterbereidheid vindt.”<br />
Wat vond u precies interessant aan dit project – al bij al<br />
schoolse cantates van jeugdige aspirant-componisten<br />
die de traditionele jury wilden voorspiegelen dat<br />
‘piepen zoals d’ouden zongen’ hen een aardig<br />
toekomstperspectief leek?<br />
“Men heeft mij de gelegenheid tot deze zoektocht geboden<br />
vanuit het Palazzetto Bru Zane, het in Venetië gevestigde<br />
centrum voor romantische, Franse muziek. De interesse<br />
daarvoor is relatief nieuw. Er bestaat in Versailles al lang<br />
een kader voor het onderzoek van de Franse muziek van<br />
pakweg 1600 tot 1790. Bij Palazzetto Bru Zane zei men<br />
op een bepaald moment, zo rond 2002, 2003: er is hier<br />
een heel patrimonium van honderden cantates, nooit echt<br />
uitgevoerd, laat staan uitgegeven, hoewel niet alleen door<br />
anoniem gebleven figuren, maar ook door een Gounod,<br />
een Massenet, een Saint-Saëns, een Debussy of een<br />
Dukas geschreven. Het onderzoek van al die partituren<br />
was zeer leerrijk. Ik ben van de ene verbazing in de andere<br />
gevallen. Vooral met het orkest van Montpellier heb ik veel<br />
uitgeprobeerd: een werkperiode die ons veel verrassing,<br />
vertedering en verbazing heeft gebracht.<br />
Toen kwam de kans om voor het label Glossa met Brussels<br />
Philharmonic en het Vlaams Radio Koor enkele opnamen<br />
te verzorgen. Dat laatste ken ik ondertussen al lang.<br />
Fantastisch koor, schitterende mensen.<br />
Bij het orkest bestond aanvankelijk scepsis: “Waarom<br />
moeten we nu dingen gaan opnemen die nooit uitgevoerd<br />
worden? Geeuw.” Maar die houding is snel gekeerd. De<br />
partituren van die cantates zijn moeilijk. De orkestleden<br />
moesten al gauw op het puntje van de stoel, de<br />
basishouding werd er een van weerbaarheid. Van daar was<br />
het maar een korte weg naar een prettige leergierigheid.<br />
En tenslotte, zoals ik gehoopt had, het gevoel deel uit te<br />
maken van een avontuur. Muziek in première te brengen<br />
van enkele zeer grote namen. Werkelijk grote muziek, die je<br />
als het ware opnieuw creëert. Dat is heel mooi.”<br />
Zijn er na deze Debussy-uitgave nog jeugdwerken van<br />
andere componisten die u onder handen gaat nemen?<br />
“Tussen 2005 en 2008 heb ik erg veel muziek van dit<br />
patrimonium gedaan: Androt, Bouteiller, Halévy,… Tot de<br />
opnameplannen met Brussels Philharmonic behoren na<br />
Debussy nog de cantates Virginie en Ivanhoe van Saint-<br />
Saëns – die overigens jammer genoeg nooit de Prix de<br />
Rome heeft gewonnen – en tenslotte werk van Gustave<br />
Chabrier.”<br />
Succes ermee, en bedankt voor dit gesprek. n<br />
Hervé niquet & brussels<br />
Philharmonic,<br />
Prix de Rome: Debussy<br />
13<br />
→ www.brusselsphilharmonic.be<br />
Flagey, Brussel<br />
26/01/2010, 20u15<br />
Stadsschouwburg, Kortrijk<br />
27/01/2010, 20u00<br />
Concertgebouw, Brugge<br />
28/01/2010, 20u00<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
14<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
Jordi Savall:<br />
“ik wil geen croSSover:<br />
ziJ moeten niet<br />
Spelen zoalS wiJ, en<br />
wiJ niet zoalS ziJ.”<br />
Stefan Grondelaers & Felicia Bockstael<br />
Het waren de Pièces de Viole van Marin Marais die Jordi Savall na het beëindigen van zijn<br />
studies cello in 1964 naar de viola da gamba dreven, op dat moment een volstrekt vergeten<br />
instrument. In 1992 zette Savall zowel Marin Marais als de viola da gamba op de culturele<br />
kaart met zijn bijdrage aan de film Tous les Matins du Monde, die wereldwijd de brede populariteit<br />
van de oude muziek inluidde, en van Savall een superster maakte. Hoewel de<br />
Franse gambamuziek uit de 17 de eeuw nog steeds Savall’s troetelrepertoire vormt, is de<br />
Catalaan de afgelopen decennia zoveel nieuwe wegen ingeslagen dat het beeld van zijn<br />
carrière enigszins troebel geworden is. Op zijn eigen label Aliavox brengt hij de laatste jaren<br />
megalomane, maar uitstekend ontvangen CD-projecten uit met een sterk thematische samenhang.<br />
Het feit dat recente projecten zoals Jeruzalem en Istanbul de confrontatie tussen<br />
Oost en West behandelen, maakt hem populair bij wereldmuziekliefhebbers, maar levert<br />
hem ook het stigma van cross-over artiest en ‘wereldverbeteraar’ op. Gelukkig is er dit<br />
seizoen Savall’s residentie bij BOZAR om het troebele beeld te nuanceren. En het lange<br />
interview dat we na het eerste concert van de Brusselse residentie met hem hadden.<br />
Op 1 februari 2010 staat in het Paleis voor Schone<br />
Kunsten Jeruzalem. De stad van de twee<br />
vredes op het programma, Savall’s persoonlijke<br />
poging om met Christelijke, Armeense, Turkse, Griekse,<br />
Joodse en Arabische musici de huisvrede tussen de<br />
drie godsdiensten in het Midden-Oosten muzikaal te<br />
bevorderen. En eind februari wijdt hij drie Belgische<br />
concerten aan de Sibillijnse onheilsprofetieën, die ons<br />
een voorafspiegeling geven van wat zondaars kunnen<br />
verwachten bij Christus’ wederopstanding. Zelfs als<br />
u het Catalaans niet beheerst zal u inzien dat La gent<br />
haura molt gran terror geen pretje is.<br />
Op 8 december, tijdens zijn Brusselse openingsconcert,<br />
was Savall teruggekeerd naar de Franse gambamuziek<br />
uit de 17 de eeuw, het repertoire dat bepalend zou blijken<br />
voor zijn keuze van instrument en carrière:<br />
“Mijn beslissing om gamba te gaan spelen ontstond<br />
toen ik in de Bibliothèque Nationale in Parijs de vijf<br />
gambaboeken van Marin Marais voor me kreeg. Ik<br />
sloeg de pagina’s om en was overweldigd door een<br />
combinatie van eenvoud, noblesse, zalige modulaties<br />
en vloeiendheid. Ik besloot daar en toen dat de gamba<br />
en haar repertoire niet verloren mochten gaan, en dus<br />
gooide ik de cello, waarmee ik net afgestudeerd was aan<br />
het conservatorium van Barcelona, door het raam. Dit tot<br />
grote wanhoop van mijn familie die me waarschuwde voor<br />
“een instrument waar nog niemand op spelen kan.” Er<br />
werden in die tijd wel pogingen gedaan om ernstig gamba<br />
te spelen, maar die leidden nergens toe, ook omdat men<br />
geen toegang tot de bronnen had. Voor mijn generatie<br />
moest de geïnteresseerde gambist de partituren met de<br />
hand overschrijven in de bibliotheek. Wat ons het meest<br />
vooruit geholpen heeft bij de ontdekking van oude muziek<br />
is de introductie van microfilm en fotokopieën. Voordat<br />
ik het geld had om foto’s te laten maken, heb ik eens<br />
een heel boek laten microfilmen. Ik heb me vervolgens<br />
een goedkoop projectortje aangeschaft, en heb die film<br />
geprojecteerd op de witte muur van mijn keuken. Een<br />
beetje surrealistisch, maar het werkte wel!”
We lazen ergens dat u zelfs op cello al vooral<br />
gambamuziek speelde…<br />
“Dat klopt ja. Ik wilde gambamuziek spelen, maar omdat<br />
ik autodidact was, mocht die niet te lastig zijn. Gelukkig<br />
had je op dat moment de uitgaven van Schott waarin<br />
gambamuziek voor cello bewerkt werd. Op die manier<br />
ontdekte ik de Folies d’Espagne van Marin Marais. En zo<br />
kon ik tijdens die cellojaren, waarin ik Brahms en Haydn<br />
speelde, ook een gambahoekje afbakenen met Bachs<br />
gambasuites, met Diego Ortiz, met Simpson. Toen ik na<br />
mijn studie op een stage in Santiago de Compostella was,<br />
volgde ik kamermuziek bij de clavecinist Rafael Puyana.<br />
Omdat ik vooral barokke kamermuziek wou spelen, vroeg<br />
hij me aan het einde van de stage waarom ik me geen<br />
gamba aanschafte, zodat ik het instrument kon bespelen<br />
waarvoor de muziek bedoeld was? En dus schreef ik in mijn<br />
agenda: “gamba zoeken”. En dan kwam er een geschenk<br />
uit de hemel, via de vrouw die later mijn echtgenote zou<br />
worden, Montserrat Figueras. Montserrat zong in die<br />
tijd in een oude-muziekensemble in Barcelona, dat met<br />
EMI een overeenkomst had voor een CD met Spaanse<br />
oude muziek, maar daar hadden ze een professionele<br />
gambist voor nodig. Waarop Montserrat de dirigent van<br />
het ensemble vertelde dat ze een jonge cellist kende die<br />
mooi Bach speelde. Ik dus naar Barcelona met in mijn<br />
agenda een aantekening om een gamba te zoeken. Toen ik<br />
daar aankwam, bleek er iemand gebeld te hebben met de<br />
boodschap dat hij een gamba voor me gevonden had, en<br />
of ik geïnteresseerd was...”<br />
In 1992 nam u de soundtrack van Tous les matins du<br />
monde op – een mijlpaal in de popularisering van<br />
de oude muziek – waarvan meer dan één miljoen<br />
exemplaren verkocht werden. Is het niet vreemd dat<br />
muziek die zo kleinschalig, zo delicaat, zo privé is<br />
zoveel mensen aansprak?<br />
“Dat is inderdaad verbazend, want de film bevat vrijwel<br />
uitsluitend trieste stukken muziek, het één al somberder<br />
n<br />
© anna kaczmarz<br />
15<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
16<br />
n<br />
© laurent thurin nal<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
dan het andere. En dus dacht ik dat dit een prent voor<br />
een handjevol kenners zou worden in de Cinéma Art et<br />
Essai. Het was voor iedereen een totale verrassing dat hij<br />
zo waanzinnig populair werd. Dat komt, denk ik, omdat<br />
de tijd rijp was voor dit soort film over de puurheid van<br />
een muzikant die zich niet wil verkopen aan het Franse<br />
hof. Dat soort boodschap bleek op dat moment vooral<br />
jonge mensen te raken.”<br />
Het zal u als liefhebber zwaar gevallen zijn te zien<br />
dat Marin Marais als een meedogenloos arrivist<br />
afgeschilderd werd…<br />
“Ik ben het ook niet altijd eens met het scenario. Eén<br />
van de weinige dingen die we met zekerheid weten over<br />
Sainte Colombe is dat hem op een gegeven moment de<br />
algemene vraag gesteld werd of leerlingen ooit verder<br />
kunnen reiken dan hun meester. Hij antwoordde daarop<br />
dat dat kon, maar dat “niemand ooit verder zou gaan<br />
dan Marin Marais”. Daaruit leiden we af dat Sainte<br />
Colombe net een grote achting voor Marais had, en<br />
het is daarom ook dat ik regisseur Alain Courneau al<br />
verschillende keren gevraagd heb een film over Marin<br />
Marais te draaien, waarin hij Marais’ reputatie kan<br />
herstellen. Marais was geen arrivist, maar hij moest<br />
brood op de plank brengen voor een kroostrijk gezin, en<br />
de enige mogelijkheid om dat in Parijs op een fatsoenlijke<br />
manier te doen, was aan het hof. Sainte Colombe kwam<br />
uit een rijke Hugenotenfamilie: hij hoefde zijn brood niet<br />
te verdienen. En dat hij als kluizenaar leefde, kwam niet<br />
omdat hij het hof om inhoudelijke redenen meed, maar<br />
omdat hij er als Hugenoot niet welkom was...”<br />
U blijft trouw uw oude gambaliefdes spelen, maar<br />
op het eigen label Aliavox dat u in 1998 oprichtte<br />
slaat u ook heel andere richtingen in. U lijkt zich<br />
in toenemende mate te richten op muziek met een<br />
grote dramatische zeggingskracht die u als het ware<br />
‘scenisch’ of ‘filmisch’ kan neerzetten…<br />
“Daarin heeft u gelijk. Ik heb me eigenlijk pas recent<br />
gerealiseerd dat een verhaal dat in muziek uitgedrukt<br />
wordt nieuwe en bijzondere dimensies kan aannemen.<br />
Dat inzicht kreeg ik in 2000 toen ik een CD moest wijden<br />
aan de herdenking van Keizer Karel, en eigenlijk geen<br />
idee had hoe ik daaraan moest beginnen. Totdat ik op<br />
de troonsafstandrede stootte, die hij in 1558 in Brussel<br />
uitsprak. Blijkbaar had hij enkele data genoteerd op<br />
basis waarvan hij zijn leven structureerde. Hij vertelde<br />
over zijn grootouders, zijn ouders, zijn successen, zijn<br />
nederlagen, zijn zorgen. En op basis van die tekst<br />
construeerde ik een muzikaal programma. Volgens<br />
Elias Canetti is muziek de levende geschiedenis van de<br />
mensheid. Wanneer we via muziek aan een historisch<br />
feit refereren, wordt dat feit levend. Het is dan geen dood<br />
gegeven meer dat je enkel in jaartallen kan uitdrukken.<br />
Dat inzicht heeft geleid tot projecten als Don Quijote,<br />
Francisco Javier, Columbus en Jeruzalem.”<br />
Op Jeruzalem confronteert u de muziek van de<br />
Christelijke, Joodse, en Arabische tradities in<br />
Jeruzalem, maar u gaat ook terug naar de tijd waarin<br />
er volgens u niet zo’n groot verschil was tussen die<br />
drie stijlen…<br />
“Er zijn wel grote verschillen, maar voor de 14 de eeuw<br />
is de muzikale taal gemeenschappelijk, dat klopt. Het<br />
muzikale basissysteem in alle tradities is namelijk<br />
de versierde eenstemmigheid, met één partij waarop<br />
gevarieerd wordt. En dat kan je gemakkelijk horen. Als<br />
wij een 12 de -eeuwse Cantiga van de Spaanse koning<br />
Alfonso spelen, dan hebben de Arabische musici geen<br />
enkel probleem om mee te spelen. Op dezelfde manier<br />
kunnen wij met hen meespelen als zij een psalm van<br />
David brengen. De Oosterse en Westerse muzikale<br />
systemen beginnen pas uit elkaar te groeien zodra men<br />
in het Westen met harmonie begint te experimenteren,<br />
wanneer men andere partijen aan de enkelvoudige<br />
versierde lijn toevoegt. Vanaf Perotinus en Leoninus dus,<br />
en zeker vanaf de uitvinding van de polyfonie.”<br />
Was het voor u moeilijk om het Oosterse muzikale<br />
idioom te verwerven?<br />
“Eigenlijk niet. Ik ben er bij het Cantemirproject [de<br />
recentste opname, gewijd aan de Ottomaanse muziek
van Dimitrie Cantemir (1673-1723) – SG & FB] vanuit<br />
gegaan dat het een plaat moest worden met Ottomaanse<br />
muziek voor Westerse oren. Ik heb drie jaar lang alle<br />
500 stukken van Cantemir uitgeprobeerd, en ik heb<br />
diegene gekozen die ik begreep. Er waren anderen die<br />
qua modi en intervallen zover afstonden van onze eigen<br />
belevingswereld dat ze totaal geen betekenis voor me<br />
hadden.”<br />
Hoe pakt u de verwerving van dat idioom eigenlijk<br />
aan?<br />
“Dat is geen louter passief proces. Ik ben meermaals<br />
in Istanbul geweest, waar ik vrienden heb die bezig zijn<br />
met de reconstructie van de Ottomaanse stijl, en die<br />
muziek ook uitvoeren. Ik heb geregeld die uitvoeringen<br />
beluisterd, en het viel me daarbij op hoe zwaar en log<br />
die klonken. Dat verbaasde me, want alle historische<br />
teksten over de toenmalige uitvoering van Turkse<br />
muziek – zoals die van Cantemir – suggereerden dat<br />
Ottomaanse hofmuziek gebaseerd was op volksmuziek,<br />
die licht en vrolijk is. Een soortgelijke asymmetrie<br />
bestond in Frankrijk: als je bijvoorbeeld vergelijkt wat<br />
Rousseau over het menuet vertelt in 1745 met wat<br />
L’Abbé Brossard vijftig jaar eerder vertelde, dan valt<br />
het op dat Brossard het menuet opgewekt vond, terwijl<br />
Rousseau het net zeer ingehouden en nobel vond. Wat<br />
is daar gebeurd? Louis XIV was zwaarlijvig, en in zijn<br />
bewegingen beperkt door kostuums en pruiken: hij<br />
kon met geen mogelijkheid de wervel aan waartoe het<br />
menuet meer volkse dansers blijkbaar inspireerde. Ik<br />
heb de indruk dat het met de Turkse dansen hetzelfde<br />
is: wat oorspronkelijk volks en lichtvoetig was, werd door<br />
mystieke en religieuze invloeden aan het Ottomaanse<br />
hof nobeler en plechtiger. Toen we Cantemir opnamen,<br />
kozen mijn Turkse kompanen spontaan voor de ‘hoofse’<br />
ritmes, terwijl ik even spontaan veel sneller en ritmischer<br />
speelde. Die muzikanten houden fanatiek aan hun<br />
tradities vast, maar ze waren ongelooflijk enthousiast<br />
over mijn invulling.”<br />
U heeft de muzikale leiding over het<br />
Jeruzalemproject, maar hoe dirigeert u eigenlijk de<br />
Joodse en Arabische ensembles?<br />
“Die dirigeer ik niet. Ik fungeer als een cineast, ik<br />
kies de stukken, ik debatteer met de muzikanten over<br />
improvisatie en articulatie, maar daarna ga ik aan de<br />
kant staan: dan is het hun beurt. Vooral de keuze van<br />
de stukken is belangrijk. Voordat we samenkwamen<br />
voor de opname zijn we een week in Jeruzalem geweest,<br />
om de muzikale cultuur ter plaatse te absorberen. We<br />
hebben in synagoges gezeten, in theehuizen, ik voelde<br />
me haast Indiana Jones. We hebben in een klein cafeetje<br />
gezeten in het Arabische deel, met vier Sufizangers die<br />
afschuwelijk slecht zongen. We hebben priesters, consuls<br />
en cafébazen horen zingen, en langzaam begonnen<br />
er dingen boven die middelmaat uit te stijgen. In het<br />
dagelijkse leven heb je ook niet altijd grote artiesten. De<br />
Palestijnse zanger die we uiteindelijk op plaat kregen,<br />
is misschien niet de beste zanger voor dit repertoire,<br />
maar we wilden echt een Palestijn: in de context van<br />
het project was het belangrijk waar mogelijk muzikanten<br />
te nemen die hun eigen gemeenschap in Jeruzalem<br />
vertegenwoordigden zoals die is.<br />
Is Jeruzalem naar uw smaak geslaagd?<br />
“Absoluut. Het belangrijkste doel van dit project was<br />
te tonen dat 45 Christelijke, Griekse, Armeense, Turkse,<br />
Joodse en Arabische muzikanten samen kunnen spelen<br />
en zingen…”<br />
Bedoelt u met ‘samen’ niet eerder ‘naast elkaar’?<br />
“Wat is het verschil? Als u met “samen” bedoelt ‘als in<br />
één koor, uit één borst’, dan zeg ik uiteraard neen. Dat<br />
was het doel ook niet. Integendeel. Ik wou tonen dat we<br />
samen kunnen spelen zonder onze diversiteit op te geven.<br />
Wat we net niet wilden is ‘cross-over’, waarbij wij gingen<br />
spelen zoals zij, en zij zoals wij. We speelden samen, maar<br />
iedereen behield zijn cultuur en traditie. Dat is de les: wij<br />
leven in een wereld waarin diversiteit essentieel is, maar<br />
ook angstaanjagend. Daarom heeft men in Zwitserland<br />
tegen de minaretten gestemd: die mensen zingen zo hard<br />
en raar van die torens, en ze gooien bovendien bommen.<br />
En natuurlijk is diversiteit lastig: één van de Armeniërs<br />
zei bij de opname dat hij niet samen wou spelen met<br />
een Turk die de genocide op zijn volk niet erkent. Daar<br />
hebben we over moeten praten, en dat hebben we kunnen<br />
oplossen. Maar niet door de eigenheid van die mensen te<br />
ontkennen. Amin Maalouf zei ooit dat diversiteit geen<br />
tragedie aankondigt. We leven in een wereld die de<br />
zaken totaal verward heeft. Geen enkel wereldprobleem<br />
komt voor uit diversiteit, maar uit onrechtvaardigheid<br />
en foute machtsverhoudingen. We leven helaas in een<br />
wereld die horror aanvaardt en banaliseert. Dat is ook de<br />
boodschap van onze volgende CD over de 12 de -eeuwse<br />
kruistocht tegen de Franse Katharen: laten we alsjeblieft<br />
nadenken over de verschrikkelijke dingen die we gedaan<br />
hebben, want dat helpt ons te zien wat voor rottigheid we<br />
momenteel aanrichten. Dat wil ik met Jeruzalem en met<br />
de Katharen doen: de tools aanreiken om na te denken<br />
over het leven zelf.<br />
Is uw doel dan niet eerder politiek dan muzikaal?<br />
“Ik heb altijd gezegd dat Jeruzalem geen standaard<br />
concertopname is, maar een ceremonie, een verheerlijking<br />
van de verscheidenheid. Het is een manier om na te<br />
denken over een zeer complexe stad waar mensen wonen<br />
met drie totaal verschillende manieren van denken over<br />
de relatie tussen mens en god. Natuurlijk heeft dat<br />
politieke connotaties, al zijn die niet het primaire doel.<br />
Maar als je muziek kan gebruiken om aan te tonen dat<br />
Christenen, Armeniërs, Arabieren, Grieken en Joden in<br />
staat zijn twee uur lang samen te zingen en elkaar te<br />
respecteren, dan heb je die twee uur alvast gewonnen.<br />
Hoe utopisch die samenleving in de alledaagse realiteit<br />
ook is.” n<br />
bOZAR<br />
→ www.bozar.be<br />
1/02/2010<br />
Jordi Savall, La Capella Reial<br />
de Cataluña, Al-Derweesh.<br />
Jeruzalem. De stad van de<br />
twee vredes.<br />
17<br />
24/02/2010<br />
Jordi Savall & Hesperion XXI.<br />
Het lied van de Sibille, in BOZAR<br />
op 24/02.<br />
Concertgebouw, brugge<br />
→ www.concertgebouw.be<br />
26/02/2010<br />
Jordi Savall & Hesperion XXI.<br />
Het lied van de Sibille.<br />
AMuZ, Antwerpen<br />
→ www.amuz.be<br />
28/02/2010<br />
Jordi Savall & Hesperion XXI.<br />
Het lied van de Sibille.<br />
CCHasselt<br />
→ www.cchasselt.be<br />
1/06/2010<br />
Jordi Savall & Toon Koopman<br />
(clavecimbel).<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
18<br />
n<br />
© Alex Vanhee<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
ChAntAl PAttyn:<br />
“KlArA mAg trots<br />
zijn oP KlAssieK”<br />
Lieven de Laet<br />
Klara staat op 16 januari opnieuw een volledige dag voor u klaar met Klara in het Paleis in<br />
BOZAR. U vindt het complete programma van deze jaarlijkse ontmoeting op pagina 20 van<br />
deze STAALKAART. De zender gooide in september zijn hele programmatie om, een denkoefening<br />
die eens om de 3 jaar gemaakt wordt. Wij vroegen Chantal Pattyn, netmanager van<br />
Klara, naar een stand van zaken.<br />
Klara in het Paleis, Klara in de Stad, Klara for<br />
Kids, we kunnen zo nog wel even doorgaan... Iedereen<br />
kent de stunts en de evenementen van<br />
MNM en Q-Music, maar kan zelfs een klassieke radio<br />
vandaag de dag niet meer zonder evenementen?<br />
“Je kan niet zonder. Het is belangrijk dat je de luisteraar<br />
kan ontmoeten, maar nog mooier is dat je met een event<br />
als Klara in het Paleis mensen bereikt die anders niet<br />
spontaan naar Bozar gaan. De missie van de radiozender<br />
geldt dus ook voor de evenementen. Zo is er twee jaar<br />
geleden Klara4KIDS bijgekomen. Klassiek, én voor<br />
kinderen. Klara4KIDS vindt nu voor de derde keer plaats,<br />
op 20 en 21 maart. Twee dagen dus, want vorig jaar waren<br />
de tickets in een mum van tijd de deur uit.”<br />
“We willen echt een signaal geven. Klassiek wordt nog veel<br />
te vaak geassocieerd met ‘conservatief, vervelend, voor<br />
ingewijden’. Klara wil elke dag bewijzen dat klassiek een<br />
feest is. Meer nog: dat je geen kenner moet zijn om ervan<br />
te genieten.”<br />
“De hele muzikale wereld worstelt ermee: het is met<br />
klassiek zeer moeilijk om jonge mensen te bereiken. Ik<br />
vertel geen ander verhaal dan bijvoorbeeld deSingel of het<br />
Concertgebouw en BOZAR, zij hebben het even moeilijk.<br />
Ook zij dokteren allerlei systemen uit: abonnementen,<br />
kinderpassen... om mensen in de zaal te krijgen. We<br />
kunnen in de cultuursector op ons hoofd gaan staan, maar<br />
de meeste mensen beginnen naar klassiek te luisteren<br />
als ze een jaar of 40 zijn – als de rock-en-roll wat is<br />
afgenomen? Pas dan begint men klassieke CD’s te kopen<br />
en naar concerten te gaan. Ook omdat er opnieuw tijd vrij<br />
komt. Anderzijds, kinderen die wel uit een muzikaal gezin<br />
komen, krijgen vaak een bloedhekel aan klassiek en gaan<br />
dan net alles doen wat de ouders niet leuk vinden. Maar je<br />
moet kinderen wel de kans bieden.”<br />
“De eerste Klara4KIDS was een groot succes. Prachtig<br />
om zien was de jury van de ‘Prinses Klara-wedstrijd’. Die<br />
kinderen, allemaal geschoolde muzikantjes, deden net<br />
alsof ze bij Fred Brouwers in de loge van het Elisabeth<br />
Concours zaten. De 250 kinderen die naar de studio’s<br />
van de VRT waren gekomen waren allemaal verkleed als<br />
prinsen en prinsessen. Een schitterend zicht was dat.<br />
Maar al snel bleek dat we naar een grotere locatie zouden<br />
moeten uitwijken. Voor de tweede editie trokken we naar<br />
Het PALEIS in Antwerpen. Dit jaar zetten we opnieuw in<br />
op kinderen van 4 tot 12. Voor de kleintjes hebben we wel<br />
kortere voorstellingen gepland. We hebben ook net een<br />
derde CD bij EMI uit, Poppen en soldaatjes, met tekeningen<br />
van Gerda Dendooven.”<br />
Het jaarlijkse Klara in de Stad zal niet meer<br />
plaatsvinden?<br />
“Dat klopt. Het is iedereen bekend dat de VRT moet<br />
besparen. Klara in de Stad was te duur en productioneel<br />
zeer zwaar. Klara in de Stad viel ook samen met de<br />
Koningin Elisabeth-wedstrijd, en dat allemaal tegelijkertijd<br />
organiseren is een waanzinnige operatie. Na Oudenaarde,<br />
vorig jaar, heb ik – samen met de mensen van productie –<br />
beslist om te stoppen met Klara in de Stad. Als je veel geld<br />
hebt, hoef je niet te kiezen... Er waren gegadigden genoeg:<br />
Knokke, Lokeren, Kortrijk, Sint-Niklaas, Nieuwpoort... Maar<br />
het is langs de andere kant ook niet evident – niet elke<br />
stad heeft hetzelfde artistieke potentieel. Bij Oudenaarde<br />
kon je een heel mooi verhaal schrijven, het is een stad<br />
vol geschiedenis. Maar we hebben genoeg andere<br />
evenementen.”<br />
Klara ging de laatste jaren resoluut op zoek naar<br />
verbreding, naar cross-over... maar in september, bij<br />
de programmawissel, was er de duidelijke boodschap<br />
dat er meer klassiek en meer live klassiek op Klara zou<br />
komen. Een terugkeer, een homecoming? Hoe verzoen<br />
je deze twee standpunten?<br />
“Dat zijn voor mij twee complementaire zaken. Met de<br />
komst van Jef Neve in 2008 wilde ik duidelijk een lans<br />
voor jazz breken. Maar ook wereldmuziek en alternatieve<br />
muziek hebben de voorbije jaren aan belang gewonnen<br />
op de zender. Uiteindelijk gaat het allemaal over goede<br />
muziek, of die nu uit een viool of een laptop komt. Onze
programmering loopt nogal gelijk met wat er in de grote<br />
cultuurhuizen op de podia staat. Daar staat de jazz ook<br />
naast het symfonisch orkest.”<br />
“Wel is het zo dat ik klassiek terug centraal heb geplaatst.<br />
Op weekdagen hoor je van 6 tot 17 uur alleen maar<br />
klassieke muziek.<br />
Maar Klara wil geen eiland zijn voor mensen die overtuigd<br />
zijn van hun eigen gelijk. Het is geen verzameling van<br />
‘klassiek onder de kerktoren’. We steken ook de hand uit<br />
naar de liefhebber. De ene zal op Klara afstemmen omdat<br />
hij van klassiek wil genieten, de ander omdat hij er dingen<br />
ontdekt. Ik steek niet onder stoelen of banken dat we met<br />
Klara ook nieuwe luisteraars wil aantrekken. Klara is het<br />
buitenbeentje op de FM-band. Bij ons geen drukte, geen<br />
reclamespots, … voor vele luisteraars zijn we een oase<br />
van rust en goede smaak. ”<br />
Wat is er precies veranderd in de programmatie van<br />
Klara en waarom?<br />
“We speelden de laatste jaren telkens een flink deel van<br />
ons budget kwijt. Dan moet je vooral efficiënter gaan<br />
werken en programmeren en kom je al snel uit bij langere<br />
programma’s. En je maakt grotere redacties. Maar ik ben<br />
nooit tevreden geweest met het besparingsschema van<br />
2006, los van het feit dat we hele mooie dingen hebben<br />
gedaan. De cijfers gingen ook weer de dieperik in. Nu<br />
zijn cijfers niet zaligmakend, programmeren is voor mij<br />
toch vooral iets wat je vanuit de buik doet, maar op een<br />
bepaald moment vond ik dat we het tij moesten keren.”<br />
“Klara werd nog te weinig ervaren als een klassieke zender<br />
maar te veel als cultuurzender. Als je Ramblas beluisterde<br />
– hoe verdienstelijk Kurt Van Eeghem dat ook heeft gedaan<br />
– bleef het, voor de mensen die Klara overdag beluisteren<br />
omwille van de klassieke muziek, een soort Fremdkörper.<br />
Let wel, cultuur is belangrijk, dus het moet in prime time<br />
gebeuren. Maar ik heb moeten toegeven dat het niet zo<br />
slim was dit op de middag te programmeren. Nu is er<br />
Babel, met Heidi Lenaerts om 17 uur, dat is ook een prime<br />
time, maar een meer gepaste. Het stoort de melomaan<br />
minder en bereikt wel de actieve cultuurconsument.”<br />
Wat is er inhoudelijk veranderd?<br />
“Ik wou Klara sowieso meer radiowaardig maken, ik vond<br />
het een beetje klinisch geworden, eentonig. Het moest<br />
allemaal creatiever. Zuurstof was er nodig. Dus hebben<br />
we de vormgeving veranderd maar ook veel op presentatie<br />
gewerkt. Ik wil een presentator die er staat, geen talking<br />
head. Iemand die alert is, die nadenkt, iemand slim. Ik<br />
heb liever presentatoren waar mensen een hekel aan<br />
hebben, dan een mossel. Personality is het sleutelwoord.<br />
Maar wel een waaier van verschillende persoonlijkheden.<br />
Wakker worden met Thomas Vanderveken en Espresso is<br />
fantastisch. Maar alleen maar Thomassen (of espresso’s):<br />
dat is teveel van het goede.”<br />
“Daarna volgt Mark Janssens met Brede opklaringen, een<br />
rots in de branding, de perfecte tegenpool van Thomas. Bij<br />
Thomas vliegen de deuren wagenwijd open, Mark is iets<br />
meer beredeneerd, dat evenwicht is heel fijn. Dan is het<br />
aan Katelijne Boon, zij heeft een gezond divagehalte, ze<br />
nodigt de ambassadeurs van de klassieke muziek uit.... De<br />
klassieke muziek moet als een soort bedreigde diersoort<br />
op zoek gaan naar mensen die zeggen: ik kom er voor uit,<br />
klassiek is tof! Dat zijn dan politici, acteurs, schrijvers,<br />
rectoren... voor één keer net níet de specialisten; zij komen<br />
al in vele andere programma’s aan bod.<br />
In de namiddag is er Nicole Van Opstal met Café<br />
Zimmermann, dan staan we weer even op de rem. Het<br />
adagium is in feite: bij radio moet je je aanpassen aan het<br />
ritme van je luisteraars: you go up, you go down. Een mens<br />
is immers snel weggezapt naar een andere zender of start<br />
een CD. Men luistert niet zomaar naar je, de keuze op de<br />
FM-band is immers groot...”<br />
Wat met meer live muziek op Klara?<br />
“Met live concerten maak je het verschil. Dat is niet<br />
evident, want er is minder geld. Waar we vroeger<br />
cash betaalden hebben we met de grote huizen<br />
ruilovereenkomsten afgesloten. We doen ook veel reruns.<br />
We zenden de concerten eerst uit bij In de loge, met Fred<br />
Brouwers, ’s avonds laat, en daarna eventueel in Concerto,<br />
om 16 uur. Ik vind dat je minstens enkele momenten van<br />
live klassiek per dag moet kunnen bieden. Want welke<br />
zijn de leukste momenten op Klara? Dat is wanneer Fred<br />
om 19 uur al klaarzit in Flagey, deSingel of elders en zijn<br />
gasten ontvangt. Dat gebeurde vroeger enkel tijdens het<br />
Klarafestival en de Elisabeth-wedstrijd, maar dit hoort elke<br />
dag zo te zijn. Je kan uiteraard niet elke dag concerten van<br />
eenzelfde allure hebben, en soms is het ook op voorhand<br />
opgenomen, maar het live-gevoel is er in elk geval.”<br />
Hoe ziet de rest van de avond eruit?<br />
“Om 17 uur is er Babel met Heidi Lenaerts. Zij moest eerst<br />
heel erg wennen aan Klara. Ik kan ervan meespreken, ik<br />
kom ook van Studio Brussel. Dat zijn heel andere werelden:<br />
andere mensen, andere ritmes en een totaal andere<br />
manier om over radio te denken. En ze doet dat waanzinnig<br />
goed.<br />
Met pijn in het hart heb ik De Tuin van Eden van Bart<br />
Stouten moeten terugbrengen tot slechts 1 uur, vanaf<br />
19 uur. Programmeren is ook keuzes maken, en niet alle<br />
keuzes zijn even leuk. Maar Bart heeft ook op zondag zijn<br />
eigen pogramma, de naam ervoor was snel gevonden:<br />
Stouten op Zondag. Mixtuur, en ook Jazz met Mark Van<br />
den Hoof, later op de avond, zijn verlengd wegens geen<br />
klachten” (lacht).<br />
Hoe wordt het weekend ingevuld?<br />
“Het weekend is nu helemaal anders. Het is het moment<br />
op Klara voor verdieping. Voor reflectie over kunst,<br />
geschiedenis, politiek en economie zorgen Werner Trio<br />
en Jean-Pierre Rondas. Maar verdieping is er ook op<br />
het vlak van de klassieke muziek met Tarantella van<br />
Johan Van Cauwenberghe, een programma dat op een<br />
19<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
20<br />
niet te missen! een greep uit het programma<br />
van Klara in het Paleis – 16 januari 2010 in bOZAR<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
soort hyperlinkachtige manier met de ‘grote stukken’<br />
omgaat. En er is De Sporen met Kurt Van Eeghem.<br />
Het is fantastisch om één iemand twee uur over zijn<br />
favoriete muziek te horen spreken. Dat zijn dan de<br />
kenners, hier is de scheidslijn met onze ‘ambassadeurs’<br />
van Katelijne. En Meesterwerk is zeer goed. Het gaat<br />
niet meer louter om een discografische vergelijking,<br />
zoals vroeger in De Vuurproef, maar er wordt met één<br />
gast twee uur ingegaan op een muziekstuk. Zeer mooi<br />
en waardevol.”<br />
Uit de luistercijfers zal blijken hoe de luisteraar<br />
erover denkt, maar hoe wordt het nieuwe<br />
programmaschema alvast bij Klara zelf ontvangen?<br />
Koninklijk Salon - Klassiek<br />
12.00 uur, 13.30 uur, 15.00 uur, 16.30 uur, 18.00 uur - Chopin Marathon<br />
Frédéric Chopin zou in 2010 tweehonderd jaar worden. Deze geniale Poolse componist<br />
is alom bekend door zijn pianomuziek. Klara geeft hem dan ook een ereplaats<br />
tijdens deze editie van Klara in het Paleis. Aan – eveneens jarige – Vlaamse<br />
componisten vroeg Klara een eigen versie te maken van Chopins minutenwals.<br />
Luc Brewaeys, Dirk Brossé, Walter Hus, Piet Swerts, Dick van der Harst en Peter<br />
Vermeersch verlenen alvast hun medewerking. Daarnaast loopt er een Chopinmarathon<br />
in het Koninklijk Salon. Aanstormend jong talent uit de muziekhogescholen<br />
van Antwerpen, Brussel, Gent en Leuven mag de hele dag lang Chopin vertolken.<br />
Studio - Familie<br />
12.30 uur, 17.00 uur - Te Ros! Onstuimig muziektheater<br />
Een voorstelling waarin de sage van het ros Bayard en de vier Heemskinderen<br />
weer tot leven komt in een virtuoos spel van muziek, video en stoere ridderepiek.<br />
Een boysband bestaande uit tovenaar Madelgijs en drie speelmannen gaat met<br />
een waaier aan verhalen, opwindende troubadoursongs en tijdverwarrende fratsen<br />
op zoek naar de wapenfeiten en de zielenroerselen van Reinout en zijn megapaard.<br />
Familievoorstelling vanaf 8 jaar.<br />
Zaal Henry Le Boeuf - Klassiek<br />
14.30 uur - CHOPLIN. Joshua Rifkin, piano<br />
De Amerikaanse pianist Joshua Rifkin is van alle markten thuis: hij staat bekend<br />
als Bachvertolker en verdiept zich in de polyfonie. Rifkin was ook de man die in de<br />
jaren 1970 de ragtime van Scott Joplin opnieuw onder de aandacht bracht. In dit<br />
programma verweeft hij op een speelse manier Frédéric Chopin en Scott Joplin<br />
met elkaar. Chopin en Joplin… of hoe hun muzikale verwantschap even groot kan<br />
zijn als hun familienamen laten vermoeden: Choplin.<br />
Zaal M - Anders-Jazz-Wereld<br />
15.00 uur - Pieranunzi speelt Scarlatti<br />
De Italiaanse jazzpianist Enrico Pieranunzi speelt Scarlatti. Niet op de wijze van<br />
jazzpianist Pieranunzi, maar op de wijze van Scarlatti. Dertien van de vijfhonderd<br />
vijfenvijftig sonates die door Kirkpatrick werden verzameld. Aan negen van die<br />
dertien voegt Enrico Pieranunzi een improvisatie toe, als aansluitend of inleidend<br />
commentaar. En dat doet hij op de wijze van de pianist Enrico Pieranunzi die zich<br />
bij Scarlatti drie eeuwen klaviermuziek herinnert. Hoe de ene muziek de andere<br />
wordt, in alle richtingen.<br />
Studio - Klassiek<br />
15.30 uur - The people united will never be defeated<br />
Het strijdlied van de Chileense Unidad Popular als thema voor een variatiereeks<br />
in de grote traditie van Beethovens Diabellivariaties? Dat kan alleen van Frederic<br />
Rzewski zijn. Het lied, voor altijd verbonden met 11 september 1973 en de strijd<br />
Allende-Pinochet, ondergaat 36 variaties in verschillende stijlen. Pianist Daan<br />
Vandewalle toont aan dat het virtuoze meesterwerk uit 1975 ook na Nine Eleven<br />
een grote overtuigingskracht heeft. Met medewerking van het vocaal ensemble<br />
La Furia.<br />
Terarkenzaal 1 - Woord<br />
15.30 uur - Rondas: Maar wat doen we met Brussel?<br />
Dit is de vraag waarin de meeste discussies over de herinrichting van de Belgische<br />
staat verzanden. Werkgeversverenigingen uit Vlaanderen, Brussel en Wallonië<br />
zeggen nu dat ze daar een geruststellend antwoord op hebben gevonden: de<br />
BMR of The Brussels Metropolitan Region, die zowat de hele onwettige kieskring<br />
Brussel-Halle-Vilvoorde zou omvatten. Jean-Pierre Rondas praat met Rik van<br />
“Ik ben ervan overtuigd ben dat onze programmamakers<br />
zeer blij zijn met het nieuwe schema. Er bestond<br />
waarschijnlijk een zekere angst. Ik heb een heel ander<br />
profiel dan mijn voorgangers: ik ben een vrouw, ben<br />
een stuk jonger, heb een geheel andere achtergrond...<br />
Bovendien ben ik 10 jaar Studio Brussel achter de rug.<br />
Dat vormt je. Ik ben ook niet alleen met muziek bezig<br />
maar ook veel met dans, theater en beeldende kunst. En<br />
ik ben de eerste niet-musicoloog die Klara leidt. Al heb<br />
ik wel twee jaar musicologie gevolgd (lacht).Bij Herman<br />
Sabbe in Gent. Ik ben dus blij dat het schema aanvaard<br />
en gewaardeerd wordt. Veel presentatoren zijn opgelucht<br />
dat de klassiek terug core business is. Klassiek zit in het<br />
DNA van Klara en dat wil ik graag zo houden.” n<br />
Cauwelaert (Knack) als tegenstander van het voorstel en Jan van Doren<br />
(VOKA Kenniscentrum) als mede-ondertekenaar ervan.<br />
Zaal Henry Le Boeuf - Klassiek<br />
16.00 uur - Stabat Mater van Pergolesi. Vlaams Radio Koor en Barokorkest<br />
o.l.v. Bo Holten<br />
Aan muzikale verjaardagen heeft 2010 geen gebrek: Chopin, Schumann, Mahler,<br />
Django Reinhardt maar ook Giovanni Battista Pergolesi (1710-36). Hij was slechts<br />
26 toen hij stierf, maar zijn doorleefde en expressieve “Stabat Mater” is nog steeds<br />
een van de meest geliefde composities en staat jaar na jaar bovenaan in Klara’s<br />
Top 75.<br />
Zaal M - Klassiek<br />
16.30 uur - I Solisti del Vento<br />
De Gran Partita in Bes van Mozart (KV361) is inmiddels standaardrepertoire voor<br />
ons Vlaams blazersensemble I Solisti del Vento. Het is een van de mooiste serenades<br />
van de 18e-eeuwse harmoniemuziek. In zeven prachtige delen – een introductie,<br />
twee menuetten, twee trage delen, een variatiereeks en een finale – hoort<br />
u alle mogelijke kleurencombinaties van 2 hobo’s, 2 klarinetten, 2 bassethoorns,<br />
4 hoorns, 2 fagotten en een contrabas.<br />
Zaal Henry Le Boeuf - Anders-Jazz-Wereld<br />
17.30 uur - Cantabile<br />
Exclusief voor Klara in het Paleis: Cantabile, de absolute top onder de vocale<br />
ensembles. Musicals in Londens West End, galaconcerten aan boord van de Queen<br />
Elizabeth 2, concerten in Carnegie Hall in New York, opera in het Covent Garden<br />
Festival, jazz met de BBC Big Band, parodieën van klassieke muziek voor 40.000<br />
toeschouwers tijdens de BBC Proms in the Park – name it en Cantabile heeft het<br />
op zijn palmares.<br />
Zaal M - Anders-Jazz-Wereld<br />
18.00 uur - Django Reinhardt<br />
Honderd jaar geleden werd gitarist Django Reinhardt geboren. Zijn emotioneel<br />
rijke en bijzonder virtuoze muziek is misschien wel de belangrijkste Belgische<br />
bijdrage tot de geschiedenis van de jazz. Een ode aan de muziek van Django, met<br />
respect voor de traditie en tegelijk een frisse kijk erop door het Yorgui Loeffl er<br />
Quintet.<br />
Terarkenzaal 1 - Woord<br />
18.30 uur - Trio: Quid Brussel, centrum van wereldpolitiek?<br />
De Belgische instituten daveren, en Brussel, zetel van de Navo én EU, trilt mee.<br />
De Eurocraten leven er net als de (ex-)Maghrebijnse ‘onderklasse’ in enclaves.<br />
Germaanse en Romaanse cultuur bevruchten er elkaar nauwelijks. Anders dan in<br />
Franse steden, bevinden de banlieux zich, paradoxaal genoeg, intra muros. Historicus<br />
Roel De Groof (VUB) coördineert het Brussels Documentatie-, Informatie- en<br />
Onderzoekscentrum (BRIO). Werner Trio brengt hem samen met Vlaams Minister<br />
van Brussel Pascal Smet. De minister pleit voor tweetalig onderwijs en voor de<br />
aanvaarding van het Engels in Brussel als offi ciële taal. Zijn aanvaarding van een<br />
uitbreiding van het Brussels Gewest, heeft hij laten varen.<br />
Zaal Henry Le Boeuf - Klassiek<br />
20.00 uur - Abdel Rahman el Bacha, piano en Brussels Philharmonic<br />
o.l.v. Michel Tabachnik<br />
Nét terug uit China, de jetlag nét verwerkt en nét op tijd om met een feestelijk<br />
concert Klara in het Paleis 2010 af te ronden. Chopinvertolker bij uitstek Abdel<br />
Rahman el Bacha speelt het tweede pianoconcerto van de tweehonderdjarige<br />
Chopin. Beethovens vijfde symfonie sluit af.<br />
Voor het volledige programma en meer info: neem een kijkje op www.klara.be
BO<br />
ZAR<br />
MU<br />
SIC<br />
Bruselas<br />
Zaterdag 06.02.2010 - 20:00<br />
REUZENOPERA<br />
Manuel de Falla<br />
El retablo de Maese Pedro<br />
Kamerorkest van de Munt<br />
Josep Vicent, leiding<br />
Enrique Lanz, regie<br />
Coproductie : BOZAR, Instituto Cervantes, De Munt<br />
Originele productie : Gran Teatre del Liceu (Barcelona), Teatro Real (Madrid),<br />
Teatro Calderón (Valladolid), Asociación Bilbaína de Amigos de la Ópera (ABAO),<br />
Teatro de la Maestranza (Sevilla), Ópera de Oviedo & Compañía Etcétera<br />
Steun : Ambassade van Spanje in Brussel, la Junta de Andalucía
22<br />
n<br />
© pantalone & zefiro torna<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
Te Ros! Muziek en<br />
stoere ridderepiek<br />
Lieven de Laet<br />
Het vocaal-instrumentaal ensemble Zefiro Torna en acteur Tom Hannes hebben met Te<br />
Ros! een hippe familievoorstelling rond de sage van het ros Beiaard klaar. Ze vormen een<br />
boysband, bestaande uit magiër Madelgijs en drie speelmannen, en gaan met een waaier<br />
aan verhalen, opwindende troubadoursongs en tijdverwarrende fratsen op zoek naar de<br />
wapenfeiten en zielenroerselen van Reinout en zijn megapaard. Op 16 januari tweemaal op<br />
Klara in het Paleis, daarna op tournee in Vlaanderen.<br />
Hoe bent u bij Te Ros! beland?<br />
Jurgen De bruyn: “Liesbet Vereertbrugghen,<br />
producer van Klara, heeft ons ertoe verleid. Naast<br />
het feit natuurlijk dat er binnenkort opnieuw een<br />
ommegang – die maar eens om de tien jaar plaatsvindt<br />
– op til staat. We wilden een productie creëren rond<br />
het Ros Beiaard, maar vanuit een aparte invalshoek:<br />
intrigerende historische muziek en het verhaal in een<br />
modern jasje.”<br />
Waar baseert Zefiro Torna zich op?<br />
Tom Hannes: “Irene Spijker was een belangrijke bron.<br />
Ze doctoreerde niet allen op basis van dit onderwerp,<br />
maar heeft er ook een prachtig boek – De historie van<br />
de vier Heemskinderen – over uitgegeven. Daarnaast<br />
spraken we ook met professor Frank Willaert van de<br />
Universiteit Antwerpen.<br />
Aanvankelijk dacht ik om in de voorstelling<br />
Middelnederlands te gebruiken, maar vrij snel heb ik<br />
dat pad verlaten. Het verhaal is zodanig interessant<br />
dat een formele oplossing absoluut niet nodig is.<br />
Integendeel. Het staat sterk genoeg op zichzelf. Een<br />
reusachtig paard – dat symbool staat voor de oorlog –<br />
heeft een diepe band met 1 van de 4 heemskinderen,<br />
Reinout. Dàt gecombineerd met het idee dat we voor<br />
jongeren spelen, maakt het tot een mooi verhaal over<br />
wat het is om jongen te zijn.”<br />
Houdt Te Ros! zich aan het historische Ros Beiaardverhaal,<br />
of zijn er andere accenten?<br />
Tom Hannes: “Het is een productie voor jongeren,<br />
dus het verhaal mag niet te moeilijk worden. De<br />
essentie van onze versie van het Beiaardverhaal is het<br />
speelplaatsachtige idee van oorlogje voeren, het “sla<br />
elkaars kop er maar af”. Maar dat doe je niet zomaar<br />
ongestraft. Er is een dag dat je de prijs betaalt, hoe<br />
onoverwinnelijk, hoe heroïsch het allemaal ook lijkt. In<br />
dit verhaal is de prijs het paard. 16 de -eeuwse verhalen<br />
volgden een andere logica dan de hedendaagse. Naast<br />
het hoofdverhaal waren er tal van nevenverhalen. In<br />
deze voorstelling hebben we er één overgehouden. We<br />
laten het verhaal stoppen bij de dood van het paard<br />
– in het oorspronkelijke verhaal gaat ook Reinout<br />
ten onder. Zo ver gaan we niet, want het is al donker<br />
genoeg. Van belang is de moraal: je moet opletten wat<br />
je doet, want je draagt de gevolgen van je daden. Als je<br />
tijdig ophoudt, is wat je deed misschien niet noodlottig<br />
en komt het nog goed.”<br />
Hoe breng je dat op de scène?<br />
Tom Hannes: “Je kan het verhaal in twee blokken<br />
opdelen. In het eerste deel is magiër Madelgijs, de
anarchistische en wat fascistische oorlogsstoker, aan<br />
het woord. In het tweede deel komt Reinout op het<br />
voorplan en verdwijnt Madelgijs. Het eerste deel is het<br />
gezellige jongens-onder-mekaar-sfeertje; oorlogje voeren,<br />
het scoutsgevoel... Maar dan duikt de vermoeidheid<br />
op en komt het vrouwelijke element zich opdringen.<br />
Deze kentering naar de hoofse cultuur kan je vertalen<br />
naar het volwassen worden. En daar willen we het over<br />
hebben: het worstelen met de emoties in deze fase van je<br />
leven. De voorstelling zal voor jonge kerels dan ook heel<br />
herkenbaar zijn. Het eerste contact met een meisje, de<br />
eerste keer verliefd... Dat is scherp aanwezig.”<br />
Jurgen De bruyn: “Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer<br />
ik besef dat de voorstelling gaat over wat het is om een<br />
man te zijn. Vandaag de dag worden heel wat fysieke<br />
mannelijke neigingen als “sla erop” of “beledig mij niet”<br />
weggemoffeld, en dat brengt verwarring mee, die niet<br />
opgelost raakt. Men wordt wel aangetrokken door wapens<br />
of gewelddadige videospelletjes, maar tegelijk beseft<br />
men dat het veel kapot maakt. Hiermee hebben we ons<br />
dan ook meteen geout als anti-oorlogscompagnie.”<br />
(lacht)<br />
Hoe ziet de mix van vertelling en troubadoursongs er uit?<br />
Jurgen De bruyn: “We focussen ons vooral op het<br />
verhaal, met Tom als verteller die tegelijkertijd ook<br />
alle personages belichaamt. Dat is de basisstructuur<br />
van de voorstelling. De muziek helpt de sfeer te<br />
ondersteunen, maar is zeker geen bijzaak, ze is in de<br />
voorstelling ingebed. Aangezien er geen Karolingische<br />
muziek bestaat, moest ik mij op de prerenaissance en<br />
middeleeuwse periodes richten.<br />
Er zit een troubadoursong in, we spelen tal van<br />
middeleeuwse Italiaanse estampies, dansen die de<br />
sfeer accentueren. Voor een deel kiezen we ook uit de<br />
Bourgondische periode, omdat dat tijdperk nog een soort<br />
ridderlijk, feodaal idioom had. Toen speelde ook nog het<br />
idee van de hoofse cultuur in vormen als een vierde deel<br />
of een rondeau.<br />
Aanvankelijk was de verleiding groot om te refereren<br />
naar hedendaagse muziek, maar uiteindelijk verklanken<br />
we het hedendaagse vooral in de keuze van de<br />
instrumenten. Ik speel dan wel elektrische gitaar, maar<br />
tijdens een stuk van Giacopo Da Bologna, O Cieco Mondo.<br />
Dat wordt hierdoor een klankexperiment.”<br />
Tom Hannes: “We hebben niet eens ver moeten zoeken.<br />
Ik dacht aanvankelijk dat een hedendaagse oplossing<br />
noodzakelijk zou zijn, om het vaart en kracht te geven,<br />
maar het rock’n’roll-gehalte van de muziek uit die tijd is<br />
groot!”<br />
Jurgen De bruyn: “Het sluit allemaal zo mooi aan. Je hebt<br />
enerzijds de drive van de estampies en anderzijds de<br />
verfijnde troubadoursliederen die letterlijk over de hoofse<br />
liefde praten. Daarnaast zijn er liedjes die spreken<br />
over de hoop voor een betere toekomst. O cieco Mondo<br />
heeft het over het verderfelijke en over de giftigheid<br />
van politiek. We kiezen bewust om de liederen in hun<br />
oorspronkelijke taal te houden. Het karakter van de<br />
muziek spreekt voor zich.”<br />
Tom Hannes: “De tekst schept het kader, maar het is niet<br />
omwille van een pauze dat we muziek in lassen. Tekst en<br />
muziek vloeien organisch in elkaar over.”<br />
Een ander hedendaags element is video?<br />
Jurgen De bruyn: “Ja, we starten de voorstelling met<br />
beelden van tanks die voortrollen. Dat valt mooi samen<br />
met het spectrum van de oorlog. Een wereld in chaos...<br />
Een beetje anachronistisch voor wat het Beiaard-verhaal<br />
aangaat, maar het is van alle tijden.”<br />
Dat zijn dan de ‘tijdverwarrende fratsen’?<br />
Tom Hannes: “Ja, inderdaad, en dat is ook datgene<br />
waar de magiër Madelgijs mee speelt. Hij brengt ons<br />
naar andere tijdsdimensies. En dan past zo’n lied als<br />
dat van Da Bologna perfect, waar een scheurende<br />
doedelzak naast een scheurende elektrische gitaar<br />
en percussiegeweld staat, in combinatie met<br />
oorlogsbeelden, lichteffecten, veel rook én een gigantisch<br />
paard op het podium.”<br />
Is er ook een toekomst voor Te Ros! buiten<br />
Vlaanderen?<br />
Tom Hannes: “We starten de voorstelling in Vlaanderen<br />
en plannen ze volgend jaar te hernemen. Er is al<br />
interesse uit Franstalige gebieden, maar we moeten wat<br />
afwachten welke vorm het krijgt. Daarnaast bekijken we<br />
of het mogelijk is om het in een andere taal te brengen,<br />
want taal is van belang in deze voorstelling. Het wordt<br />
niet evident het om te zetten, dat vraagt trouwens ook<br />
een hele investering.”<br />
Jurgen De bruyn: “Onze regisseur Daniel Tanson – die<br />
op dit ogenblik genomineerd is voor een theaterprijs in<br />
Duitsland – zou graag in Duitsland touren.”<br />
Tom Hannes: “Ik zie het wel zitten om tegen de Duitsers<br />
te zeggen: “Pas op, jongens: oorlog. Niet aan beginnen.”<br />
(lacht)<br />
Welke andere projecten heeft Zefiro Torna op stapel<br />
staan?<br />
Tom Hannes: “Een vijftal projecten, deels hernemingen.<br />
Ecce Homo is een nieuw project, het is een 17 de -<br />
eeuws repertoire rond Italiaanse barokmuziek. Een<br />
multidisciplinaire productie, waarvoor Wies Hermans een<br />
installatie heeft gebouwd die het temperament meet: het<br />
cholerische temperament, het sanguinische, enzovoort.<br />
Om zo tot een soort ‘analyse’ van de mens te komen.<br />
De muziek is gegroepeerd in 4 temperamenten en de<br />
installatie reageert erop en krijgt zijn eigen verhaal. Dat<br />
is iets voor het najaar.”<br />
Komt er een CD van Te Ros! ?<br />
Tom Hannes: “Er zijn al verschillende opties en er is<br />
interesse voor een soort luisterboek, maar eerst komen de<br />
voorstellingen eraan!” n<br />
n<br />
© Maarten reijniers<br />
Zefiro Torna – Te Ros!<br />
23<br />
Jurgen De bruyn: fluit, elektrische<br />
gitaar, zang<br />
Jowan Merckx: fluit, doedelzak,<br />
bugel<br />
Stephan Pougin: percussie<br />
Tom Hannes: verteller, zang<br />
Els Van Laethem/Liam Fennelly:<br />
zang/vedel op tape<br />
Liesbet Vereertbrugghen: concept<br />
en advies<br />
Daniel Tanson: regie<br />
Jan Boon: video<br />
Jef Loots: licht en decor<br />
Tom Hannes: dramaturgie,<br />
research<br />
Prof. Frank Willaert (UA),<br />
Irene Spijker: research<br />
15/01/2010 (première)<br />
CC Ter Dilft, Bornem<br />
→ www.terdilft.be<br />
16/01/2010 (2 x)<br />
Klara in het Paleis, BOZAR,<br />
Brussel<br />
→ www.klara.be<br />
Daarna op tournee door<br />
Vlaanderen:<br />
→ www.zefirotorna.be<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
24<br />
n<br />
© Pieter Coomans<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
Charles duCal — een<br />
Pleidooi voor Poëzie<br />
Elke Brems<br />
Ter gelegendheid van de Gedichtendag op 28 januari verschijnt het derde poëziepleidooi,<br />
een reeks opgestart in 2008 door het Vlaams Fonds voor de Letteren. Het is van de hand<br />
van Charles Ducal en draagt de titel Alle poëzie dateert van vandaag. Charles Ducal (°1952)<br />
publiceerde recent zijn zesde dichtbundel, Toegedekt met een liedje. Ducals poëzie is een<br />
strak geformuleerde zang over macht en onmacht. STAALKAART had een gesprek met hem<br />
naar aanleiding van zijn jongste bundel en het gedichtendagessay.<br />
Velen voelen zich geroepen om poëzie te schrijven.<br />
In 2009 alleen al verschenen er in de Lage<br />
Landen een veertigtal nieuwe bundels. Vertalingen<br />
en bloemlezingen niet meegerekend. Daarbovenop<br />
zijn er de uitgaven in eigen beheer, de publicaties in<br />
tijdschriften en bladen van allerlei allooi en - uiteraard<br />
- de massa poëzie op het internet. De poëziewebsites en<br />
-blogs zijn erg talrijk en divers. Het internet legt de poëzie<br />
geen windeieren. Dankzij de ongebreidelde publicatiemogelijkheden<br />
op het net, is er een veel grotere dynamiek<br />
en heterogeniteit merkbaar in het poëzielandschap. Waar<br />
er vroeger sprake was van een kloof tussen het officiële<br />
circuit (bundels uitgegeven bij bekende uitgeverijen) en<br />
het marginale circuit (van dichters die niet uitgegeven<br />
geraakten), is er nu een plaats waar die kloof gedicht<br />
wordt. Het beroemde boek The Long Tail van Chris Anderson<br />
over de emancipatie van de niche is ook op de poëzie<br />
van toepassing: De poëzie moet het niet langer hebben<br />
van een beperkt aantal grote namen, maar profiteert van<br />
een enorm aanbod aan ‘kleine’ namen. De gemene deler,<br />
of de mainstream, verliest daardoor aan autoriteit en dat<br />
is goed. Maar dat neemt niet weg dat er nu ook heel veel<br />
slechte poëzie voor het rapen ligt.<br />
In het eerste nummer van STAALKAART noemde Mark<br />
Cloostermans de poëzie nog een extreem marginaal<br />
genre. Dat kan misschien wel kloppen als je het aantal<br />
‘gewone’ lezers zou tellen, maar zeker niet als je het<br />
aantal actieve poëten bekijkt. Poëzie lijkt voor velen<br />
meer iets dat je schrijft, dan iets dat je leest. Naar<br />
poëzie luisteren is dan weer wel in trek: de poëzie als<br />
podiumkunst kent sinds de jaren tachtig een heropleving<br />
in onze contreien; er zijn zelfs dichters die zich daarin<br />
specialiseren, denk maar aan Peter Holvoet-Hanssen of<br />
Tjitske Jansen.<br />
De poëzie blijkt in de eenentwintigste eeuw dus<br />
moeiteloos stand te houden. Nochtans is het<br />
aartsmoeilijk om mensen zonder belangstelling voor<br />
poëzie op andere ideeën te brengen. Niet dat men het<br />
nooit geprobeerd heeft. Er is zelfs een apart genre uit<br />
ontstaan: het poëziepleidooi. Percy Bysshe Shelley was<br />
in 1821 niet de eerste die zulk pleidooi schreef, maar<br />
hij is met zijn Defence of Poetry nog steeds één van<br />
de bekendste. Een kleine twee eeuwen geleden reeds<br />
boog Shelley zich over de vraag: ‘waar is poëzie in ‘s<br />
hemelsnaam goed voor’? Die vraag blijft tot op heden<br />
onopgelost. Betekent dat inderdaad wat Cloostermans<br />
suggereert, namelijk dat de poëzie een kneusje is<br />
dat moet vechten om zijn voortbestaan? Of betekent<br />
het integendeel dat er al eeuwenlang steeds nieuwe<br />
argumenten kunnen worden aangehaald om de poëzie<br />
vurig te verdedigen, dat er steeds nieuwe functies voor<br />
worden bedacht, dat de poëzie zo veelzijdig en levendig<br />
is dat je er niet over uitgepraat geraakt?<br />
Sinds 2008 heeft het Vlaams Fonds voor de Letteren een<br />
nieuwe reeks poëziepleidooien opgestart. Het Fonds geeft<br />
samen met het Poëziecentrum ieder jaar de opdracht aan<br />
een Vlaamse dichter om een essay te schrijven waarin<br />
hij (of zij, maar dat is tot nu toe nog niet het geval<br />
geweest) een persoonlijk pleidooi houdt voor de poëzie.<br />
Het eerste jaar was Paul Bogaert (°1968) aan de beurt.<br />
Hij stelde zich in een bijzonder leesbaar en amusant<br />
essay, getiteld Verwondingen, de vraag welke krachten er<br />
in het spel zijn als je door poëzie getroffen wordt. Poëzie<br />
moet spannend zijn, door een juiste verhouding tussen<br />
weten, vermoeden en niet-weten. Bogaert beschouwt<br />
het gedicht als een vertrekhal: het biedt de lezer de<br />
mogelijkheid te transformeren of zelfs te verdwijnen. Het<br />
tweede poëziepleidooi kwam vanuit een heel andere hoek.<br />
Luuk Gruwez (°1953) schreef een heel persoonlijke tekst<br />
over zijn eigen dichterschap, getiteld Pizza peperkoek<br />
& andere geheimen. Hij benadrukt de ethische drijfveer<br />
van zijn poëzie: hij wil wat ontluisterd is, zijn luister<br />
terugschenken. Opvallend is, dat hij, hoewel zijn pleidooi<br />
sterk verschilt van dat van Bogaert, toch uitkomt bij<br />
een gelijkaardige metafoor. Noemde Bogaert het gedicht<br />
een ‘vertrekhal’, dan heeft Gruwez het over poëzie als de<br />
‘voorafspiegeling van een veelbelovende take-off’.<br />
Het derde pleidooi verschijnt in januari 2010 ter<br />
gelegenheid van de Gedichtendag. Het is van de hand<br />
van Charles Ducal en draagt de titel Alle poëzie dateert<br />
van vandaag.<br />
Je hebt wel eens je bewondering voor de poëzie van<br />
Gerrit Achterberg geuit, omdat hij de poëzie opvat als<br />
een taal van formules, als een code. Dat staat in schril<br />
contrast met de opvatting van Kloos die tot op heden<br />
25<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
26<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
vaak geldt, dat poëzie de allerindividueelste expressie<br />
van de allerindividueelste emotie zou zijn.<br />
“Gerrit Achterberg vat het woord op als machtsmiddel.<br />
Hij stelt zich in de positie van een tovenaar, een<br />
bezweerder of priester, die met woorden-in-de-juistespanning<br />
(die woordgroep is van hem) de natuurlijke<br />
orde der dingen probeert te overstijgen. Je spreekt niet<br />
uit een verlangen naar zelfexpressie, maar om macht<br />
uit te oefenen. Je formuleert vanuit de hoop dat de<br />
woorden doordat ze ‘in spanning’ staan voor de lezer, die<br />
hoegenaamd niet geïnteresseerd is in je persoon of je<br />
emoties, geldingskracht krijgen. Het woord ontdoen van<br />
het persoonlijke en anekdotische door de formulering,<br />
daar gaat het om. Als ik geloofde zou ik niet bidden in<br />
mijn eigen woorden, dat zou me futiel lijken, maar met<br />
de overgeleverde gebeden, omdat die de grenzen van<br />
mijn eigen bestaan doorbreken. Schrijven is in zekere<br />
zin ook een rituele handeling. Alles wat problematisch is<br />
in mijn leven heb ik in poëzie gegoten, alsof het op die<br />
manier voor eens en altijd is vastgelegd in een vorm die<br />
het van mijn eigen persoontje losmaakt. Ik heb afstand<br />
genomen van mijn eigen leven, het is nu leesbaar door<br />
anderen zonder dat het mij raakt.”<br />
Van jouw eerste drie bundels werd wel eens gezegd<br />
dat het anekdotische poëzie was, huis-, tuin- en<br />
keukenpoëzie. In de volgende drie bundels lijkt die<br />
anekdotiek te verminderen.<br />
“Zoals ik het zie is het geen verschuiving van het<br />
anekdotische naar iets anders. Ik heb het net uitgelegd,<br />
een geslaagd gedicht is nooit anekdotisch. Het is net<br />
geslaagd in de mate dat het dat anekdotische overstijgt.<br />
De verschuiving is niet meer dan een verruiming van de<br />
stofkeuze en daar was ik wel stilaan aan toe, denk ik.<br />
Poëzie wordt rijker naarmate ze zich openstelt voor wat<br />
Lucebert ‘de ruimte van het volledig leven’ noemde.”<br />
“Ik denk dat ik heel lang een artificiële scheiding in<br />
stand heb gehouden tussen binnen- en buitenwereld.<br />
Ik koesterde de vrees dat mijn poëzie aan intensiteit<br />
zou inboeten door er thema’s in aan te snijden van<br />
maatschappelijke aard. Alsof de beperking tot het<br />
Boze feeën<br />
Alle feeën zijn slecht. Zij bezetten het scherm<br />
als wormen een dode hond. Zij voeden zich<br />
met wat uit mij wegsijpelt, aandacht en tijd<br />
om leeg te zijn als het uur komt.<br />
Alle feeën zijn slecht. Zij leggen in mijn hoofd<br />
hun vergiftigd geschenk, het ontbrekend stuk<br />
mens dat in de schoot moet zijn achtergebleven<br />
of met de bloedpap uitgedreven en weggegooid bij de<br />
mest.<br />
Alle feeën zijn slecht. Zij verven en oliën zich<br />
en dragen hun lichaam in de vorm van een wens<br />
die zich reproduceert in dit licht, dit dwangmatige<br />
licht als een zenuwtic. Mijn ogen zijn onbeschermd.<br />
Het is of ik zuig aan een gat in mijzelf.<br />
hoogstpersoonlijke, het bloedeigene zeg maar, een<br />
garantie was van authenticiteit. Poëzie was iets van<br />
de buik en voor wat niet vanuit de buik kwam waren<br />
er essays en opiniestukken. Ik hield mezelf ook voor<br />
dat poëzie een te klein circuit was en dat je er toch<br />
maar enkele fijne luiden mee bereikte. Ik was met<br />
andere woorden vreselijk bang voor de valkuil van de<br />
geëngageerde poëzie. Evidente toegangspoorten voor<br />
het maatschappelijke in de poëzie liet ik daardoor links<br />
liggen. Want wat je in poëzie zegt over de maatschappij,<br />
over fenomenen als oorlog, mediageweld, porno,<br />
massagedrag, engagement, enzovoort, speelt zich niet af<br />
op het vlak van de ideeënstrijd, het willen communiceren<br />
en overtuigen, maar op het vlak van de beleving.”<br />
“Dat is mij vooral duidelijk geworden door Brecht te<br />
lezen. Hij heeft het over politieke en maatschappelijke<br />
kwesties, maar altijd zo, dat het iets ontregelends of<br />
problematiserends heeft voor de lezer op het vlak van de<br />
eigen gedachten en houding. Poëzie moet niet aanklagen<br />
wat zich in Bagdad of bij Fortis afspeelt, maar ze kan<br />
wel proberen het politieke los te koppelen van het<br />
anekdotische en er een voor iedereen en alle tijden<br />
geldende kwestie van te maken. In mijn vorige bundel<br />
In inkt gewassen (2006) staat bijvoorbeeld een gedicht<br />
- Que faire - waarbij ik in eerste instantie Ludo Martens,<br />
de ex-voorzitter van de PVDA, voor ogen had. Een gedicht<br />
over die man wil, vrees ik, de gemiddelde poëzielezer niet<br />
lezen. Maar als Ludo Martens verandert in Christus wordt<br />
hij vanzelf zo onpersoonlijk dat hij de aanspraak op<br />
algemeenheid van het gedicht niet in de weg staat.”<br />
Opvallend in je nieuwe bundel Toegedekt met een<br />
liedje, is de reeks School der pornografie. Daarin<br />
staan gedichten met titels als www.brutalviolence.<br />
com en www.openwide.com en harde regels als: ‘Een<br />
vrouw huilt, zij huilt goed’. Die gedichten gaan over<br />
de publieke beschikbaarheid van porno en ze tonen<br />
de perverse pornografische blik op de werkelijkheid.<br />
Waarom heb je die ontluisterende reeks geschreven?<br />
“De vrouw als fantasme is niks nieuws in mijn schrijven,<br />
zowel in de hoogte als in de laagte, als ik me zo mag<br />
uitdrukken. Als er nu één wereld is waarin de verbeelding<br />
aan de macht is, is het wel porno. Verbeelding in een<br />
problematische relatie met de realiteit, zo zie ik het<br />
tenminste.<br />
Ik kan eerlijk gezegd moeilijk luchtig doen over porno.<br />
Zo van ‘je stiekem vermaken met opwindend kijkvoer’ en<br />
verder niks aan de hand. Als je je morele ik uitschakelt<br />
is het als man zeer verleidelijk om je aan die wereld<br />
over te geven, want hij appeleert aan de meest primaire<br />
lustgevoelens. Maar van zodra je erover reflecteert, kan<br />
je niet anders dan je schamen, want porno is uiteindelijk<br />
mensonterend. Het gaat immers niet om een spel of een<br />
akkoord tussen gelijke partners, maar om een industrie<br />
die via het internet (vooral) vrouwen verkoopt aan<br />
onze blik, goed wetende dat perversiteit geen morele<br />
grenzen kent en dat men in een wereld van armoede en<br />
economische onzekerheid voor geld alles gedaan krijgt.<br />
Dit is geen reëel bordeel waar een vrouw haar lichaam
verkoopt aan een onbekende van vlees en bloed. Dit gaat<br />
een stap verder. Het is het verkopen van de vrouw aan<br />
een fantasie die verleid wordt om ook het onmogelijke,<br />
het onvoorstelbare op het gebied van vernedering,<br />
wreedheid en zelfverachting te willen zien. Hoe dit past<br />
in ons westers zelfbeeld dat we anderen zo graag als<br />
norm voorhouden (vooral als het over onderdrukking van<br />
de vrouw gaat), weet ik niet. Ik krijg het er in ieder geval<br />
niet in.”<br />
“Ik heb ook een link willen leggen met extreme<br />
toestanden op politiek vlak. Het titelgedicht is behalve op<br />
pornoscènes ook geïnspireerd door de beelden uit de Abu<br />
Ghraib-gevangenis. De gelijkenissen vind ik treffend.<br />
Alsof de ene wereld de andere imiteert. Vandaar mijn<br />
‘aanpassing’ van Luceberts School der poëzie in School<br />
der pornografie en de regel ‘lyriek is de moeder der<br />
politiek’ in ‘pornografie is de moeder van de politiek’.”<br />
Net als in vorige bundels vervloek je ook in deze<br />
bundel het verstikkende van de eigen taal. Is het<br />
Vlaams ontoereikend?<br />
“In deze bundel (in het gedicht Le flamand) staat<br />
‘Vlaams’ tegenover ‘Frans, Albanees, Tamazight’. Met<br />
Vlaams bedoel ik in Le flamand niet de taal in strikte zin,<br />
maar als uiting van een identiteit. Een soort Vlaamse<br />
identiteit die zich in media en politiek (en helaas<br />
ook in het stemhokje) meer en meer opdringt. Engnationalistisch<br />
en getuigend van een nogal bekrompen<br />
superioriteitsgevoel, zowel naar Franstaligen als<br />
naar landgenoten van vreemde origine toe. Ik vind de<br />
invloed van dat soort identiteitsbepaling eerlijk gezegd<br />
verontrustend. Er is de laatste jaren veel ‘beschaafd<br />
racisme’ binnengedrongen in de samenleving. Er is<br />
een discours ontstaan van zelfverheerlijking en weinig<br />
tolerantie naar buiten, vooral jegens moslims, over<br />
wie de gekste veralgemeningen en vooroordelen de<br />
ronde doen. Alsof wij de broedplaats van de universele<br />
waarden zouden zijn, waarin de achterlijke andere<br />
zich maar snel moet inburgeren. Als ik Vlaanderen<br />
bekijk door de bril van onze Marokkaanse vrienden,<br />
dan zie ik eerlijk gezegd weinig universele waarden<br />
aan het werk. De discriminatie op het vlak van werk,<br />
onderwijs en huisvesting is zo flagrant dat men zich kan<br />
afvragen of de almaar grotere toegeeflijkheid inzake het<br />
ongenuanceerd afgeven op de islam niet in de eerste<br />
plaats dient om de eigen verantwoordelijkheid voor dat<br />
soort toestanden af te wentelen op het slachtoffer. Zo’n<br />
samenleving geeft mij een verstikkend gevoel, ja.”<br />
Je bent door het Vlaams Fonds voor de Letteren<br />
gevraagd om een poëziepleidooi te schrijven. Het<br />
gedichtendagessay zou je met wat kwaaie wil kunnen<br />
bestempelen als het product van een bepaalde<br />
vorm van institutionalisering (VFL) en van marketing<br />
(gedichtendag). Wat vind je daarvan?<br />
“Wat is er mis met een instituut als het Vlaams<br />
Fonds? Ik heb er als schrijver tot dusver alleen maar<br />
Vrijuit<br />
Hij heeft de ladder weggestoten, hij blijft boven.<br />
Van hieruit kan hij alles zien:<br />
het vluchtende, het radeloze,<br />
het vleesgeworden woord in zijn vizier.<br />
En hoe twee handen langzaam wurgen.<br />
En hoe een vrouw niet langer huilt<br />
en boven haar een man gaat hurken.<br />
En hoe een riek twee ogen sluit.<br />
Terwijl de ree haar kalfjes schoonlikt<br />
en een ganzen-v de lucht kalligrafeert<br />
en in de waterput een oude droom ligt<br />
die bovenkomt als men het touw beweegt.<br />
En het is schuldig, alles buiten deze oorlog<br />
dat wachtend op zijn maaltijd<br />
staat te kijken door de ruit,<br />
het machteloze weten dat na arbeid<br />
door de lanen jogt en zich met bange longen<br />
in dit woordennest verschuilt.<br />
Schuldig, schuldig, schulddoorzongen.<br />
Maar de dichter gaat vrijuit.<br />
goede ervaringen mee gehad. Ik vind dat het Fonds<br />
met dit essay ook precies doet wat het moet doen,<br />
namelijk ruimte creëren voor een geluid dat anders<br />
alleen in heel beperkte kring wordt gehoord. Het idee<br />
van het gedichtendagessay komt van Erik Spinoy en<br />
ik vind het een heel slimme zet. We weten allemaal<br />
dat gedichtendag in hoge mate een schijnvertoning<br />
is: de media en allerlei figuren en instellingen, tot<br />
warenhuizen toe, die even een dagje de poëzie omhelzen<br />
om ze de volgende ochtend weer te begraven. Maar zo’n<br />
dag is ook een kans, want de publieke schijnwerpers<br />
zijn voor één keer op de poëzie gericht, heel veel mensen<br />
staan er die dag meer dan anders voor open. Het zou<br />
toch dom zijn niet te proberen die kans uit te buiten?<br />
Het essay wordt verspreid in een oplage die het tienvoud<br />
is van het aantal lezers dat zo’n tekst in normale<br />
omstandigheden bereikt. We zijn toch geen catacombefiguren<br />
uit principe?”<br />
Was je blij met de opdracht?<br />
“Ik heb lang geaarzeld voor ik de opdracht aanvaardde.<br />
Ik heb geen coherente theorie te verkopen over poëzie.<br />
Het is daardoor waarschijnlijk geen ‘sluitend’ betoog<br />
geworden en er zullen wel de nodige tegenstrijdigheden<br />
en inconsequenties inzitten. Maar ik heb het wel met<br />
plezier geschreven.”<br />
Voor wie is zo’n essay eigenlijk bedoeld?<br />
“Voor een breed en belangstellend publiek met vooral<br />
aandacht voor de jeugd, zo heb ik de opdracht begrepen.<br />
Ik heb dus getracht een stuk te maken dat enerzijds<br />
vlot leesbaar is en anderzijds niet bang is populaire<br />
misvattingen over poëzie aan te pakken. Een deel van<br />
het essay is geschreven in verhaalvorm, een deel is<br />
gepresenteerd als een maildiscussie tussen mij en een<br />
n<br />
© Pieter Coomans<br />
27<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
28<br />
n<br />
© Pieter Coomans<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
oud-leerlinge, er worden een aantal gedichten concreet<br />
besproken en een deel van het opstel is ook in dichtvorm<br />
geschreven.”<br />
Heeft de poëzie verdediging nodig?<br />
“Ik heb mijn essay geschreven vanuit de constatering dat<br />
er aan de ene kant een hausse is in poëziebedrijvigheid<br />
allerlei (open maar eens het internet), terwijl de poëzie<br />
die door de literaire kritiek ernstig wordt genomen,<br />
nauwelijks gelezen wordt. Ik hou daarom een pleidooi<br />
voor het lezen van poëzie. Voor een leesattitude die niet<br />
op zoek is naar oppervlakkige streling of onmiddellijke<br />
herkenbaarheid, maar die poëzie benadert als een<br />
uitdaging, die enige moeite en tijd waard is.<br />
Aangezien ik leraar Nederlands ben, kijk ik daarbij<br />
vooral naar het onderwijs omdat daar zo’n attitude zou<br />
moeten worden bijgebracht. Als er van verdediging<br />
sprake moet zijn, dan verdedig ik de poëzie tegen de<br />
gemakkelijkheidscultuur, de cultuur van de snelle<br />
lach en de snelle traan, waardoor men onmiddellijke<br />
begrijpelijkheid of onmiddellijk effect verwacht. Ik<br />
verdedig dus de poëzie in haar afwijking van de<br />
verwachtingen die deze consumptiecultuur over haar<br />
heeft.”<br />
Ducal is er in zijn essay van overtuigd dat je kunt leren<br />
poëzie te lezen, dat het een kwestie is van oefening. En<br />
alsof<br />
Er moet een huis zijn op het einde van de weg,<br />
het moet om dit gewicht te kunnen verder dragen.<br />
Volgens de wetenschap is er alleen een vlek,<br />
Een blinde vlek, de grootte van een tafellaken,<br />
Maar wetenschap bekijkt de dingen nooit zo fijn<br />
als poëzie, die steunt op ruimere archieven.<br />
’s Nachts word ik wakker van een vreemde pijn,<br />
er zwemt iets door mijn hoofd met trage vliezen<br />
dat verdwijnt als ik het in een woord wil zien.<br />
Dan weet ik mij door het onkenbare bewoond<br />
en is ontwaken afgedaald zijn uit de boom<br />
waarin het kind heel ver een lichtje heeft gezien.<br />
Dan is het of er in het water, in de wind een stem.<br />
Soms weegt het licht, zo licht, alsof ik er haast ben.<br />
zelfs dat de school daar de uitgelezen plaats voor is. Hij<br />
put uit zijn ervaringen in het onderwijs om de lezer van<br />
zijn essay aan de hand van heel wat voorbeelden wegwijs<br />
te maken in het poëzielezen. Hij houdt een sterk en ook<br />
ontroerend pleidooi voor de poëzie, niet als aanleiding om<br />
je te verlustigen in je eigen stemmingen en gevoelens,<br />
maar als een bijzonder vorm van taal waarvoor je je moet<br />
openstellen, geduldig en geconcentreerd. Ducal beseft<br />
dat poëzie er voor de meeste mensen niet toe doet, maar<br />
hij gelooft dat iedereen de kans moet krijgen om bij die<br />
twee procent te horen voor wie poëzie belangrijk is. n
Brussels Philharmonic – het Vlaams Radio Orkest<br />
Michel Tabachnik, chef-dirigent/muziekdirecteur, orkest in residentie in Flagey<br />
Prix de Rome: Debussy<br />
olv Hervé Niquet, met Guylaine Girard, sopraan / Alain Buet, bariton /<br />
Bernard Richter, tenor<br />
di 26/01/2010: FLAGEY – wo 27/01/2010 : SCHOUWBURG KORTRIJK – do 28/01/2010:<br />
CONCERTGEBOUW BRUGGE<br />
Tsjaikovski 5<br />
olv Michel Tabachnik, met Katia Skanavi, piano<br />
do 25/02/2010: ELISABETHZAAL ANTWERPEN – vr 26/02/1010: FLAGEY<br />
za 27/02/2010: DE DOELEN ROTTERDAM<br />
WIN Duo-TIckeTs!<br />
Maak kans op 10 duo-tickets voor de concerten in<br />
Brussel! Mail je gegevens naar<br />
tickets@brusselsphilharmonic.be, en wie weet ben<br />
jij bij de gelukkigen!<br />
www.brusselsphilharmonic.be<br />
Brussels Philharmonic – het Vlaams Radio Orkest is een instelling van de Vlaamse Gemeenschap.<br />
Vlaams Omroeporkest en Kamerkoor vzw | Eugène Flageyplein 18 B-1050 Brussel | T +32 2 627 11 60 | info@brusselsphilharmonic.be
30<br />
n<br />
De helaasheid der dingen<br />
STAALKAART #3 JANUARI-FEBRUARI2010<br />
Het BelgiscHe<br />
filmjaar 2009<br />
Van guntHer stroBBe tot cécile De france en jean le clair<br />
Erik Martens<br />
Voor buitenlandse ogen laat het Belgische filmjaar 2009 zich moeilijk definiëren.<br />
Dat komt omdat onze nationale filmproductie per definitie moeilijk definieerbaar<br />
is. Bovendien maakten de twee Dardennes dit jaar geen film, met als gevolg dat we<br />
ook geen Gouden Palm hadden in Cannes. Het was dus aan een hele reeks eerste en<br />
tweede filmmakers om de toon te zetten. Maar welke toon? Quel ton?<br />
Cannes zonder de broers Dardenne is voor een beetje<br />
filmminnende Belg iets als tomatensoep zonder<br />
balletjes. Nochtans viel het vorig jaar best wel mee.<br />
Er waren niet minder dan vier Belgische selecties op het<br />
festival aan de Azurenkust: een historisch aantal. De helaasheid<br />
der dingen van Felix van Groeningen, Lost Persons<br />
Area van Carolien Strubbe, Altiplano van Peter Brosens en<br />
Jessica Woodworth en tenslotte de animatiefilm Panique<br />
au village van Stéphane Aubier en Vincent Patar. Vier heel<br />
verschillende films dus, alleen al linguïstisch: Panique is<br />
een zeer Frans-Belgische film. De helaasheid is een zeer<br />
Vlaamse film. In Lost Persons Area wordt een mix van<br />
Nederlands en Engels gepraat, in Altiplano Frans, Engels,<br />
Spaans, Quetchua en een paar woordjes Farsi.<br />
Laten we die verscheidenheid even van nabij bekijken. Zijn<br />
bijvoorbeeld de klassieke verschillen tussen de Belgische<br />
Nederlands- en Franstalige film echt nog zo opvallend?<br />
La difference fait la force<br />
We beginnen bij de film die vorig jaar het meest in de kijker<br />
liep: De helaasheid der dingen. De film werd ook internationaal<br />
opgemerkt toen de regisseur samen met zijn ploeg één<br />
van de meest extravagante scènes van de film overdeed op<br />
het festival van Cannes. Promotiegewijs fietsten ze in hun<br />
blootje het schone volk op de croisette tegemoet, precies<br />
zoals de broers Strobbe dat deden op de wielerwedstrijd in<br />
Reetveerdegem.<br />
In vergelijking met de meeste andere cineasten dit jaar is<br />
Van Groeningen een relatief oude rot. De helaasheid is zijn<br />
derde film en opnieuw slaagt hij erin een eigen visueel universum<br />
te creëren: een groteske underworld van hopeloze<br />
gevallen die ondanks alles overleven, maar nooit de smerigheid,<br />
het alcoholisme, de financiële ademnood en het<br />
occasionele geweld zullen te boven komen. Centraal staat<br />
Gunther, de jonge held uit de populaire roman van Dimitri<br />
Verhulst, die daar wél in zal slagen. Hij zal schrijver worden,<br />
ook al kost het hem een bovenmenselijke krachtsinspanning.<br />
Van Groeningen duikt behoorlijk diep in de rijke riool<br />
van het lelijke Vlaamse leven, wat het publiek verrassend<br />
genoeg nauwelijks leek af te schrikken.<br />
Misschien omdat ze dat universum al vrij goed kenden van<br />
de televisie. De appetijt voor het curiosum en het rariteitenkabinet<br />
werd de jongste jaren aanzienlijk aangescherpt. Het<br />
begon vrolijk en al bij al voorzichtig met programma’s als<br />
Man bijt hond en In de gloria. Nadien volgde de dijkbreuk<br />
met de populaire realitytelevisie in al zijn verschijningsvormen,<br />
die moeiteloos de verbeelding overtrof.<br />
De debuutfilm van Pieter Van Hees Dirty Mind leunt dicht<br />
aan bij die zelfde biotoop. TV-komiek Wim Helsen speelt er<br />
de verlegen Diego op een vrolijk ongegeneerde manier, zoals<br />
hij dat ook op televisie doet. Na een auto-ongeval wordt<br />
Diego herboren als de assertieve macho Tony T. Het curieuze
geval van Diego-Tony en het bijhorende ‘frontaal syndroom’<br />
interesseert neurologe Jaana, die op een enigszins voorspelbare<br />
manier voor Tony valt, hoewel ze eigenlijk Diego<br />
wil genezen van Tony. Het komische potentieel ligt voor de<br />
hand. De ernstige ondertoon die Van Hees daarbij ontwikkelt,<br />
voelt erg licht aan.<br />
Vague féminine<br />
Vorm en stijl is een overheersende gevoeligheid in het<br />
Nederlandssprekend deel van België. In elk geval voor Van<br />
Hees en Van Groeningen, maar ook voor Caroline Strubbe,<br />
Dorothee van den Berghe en Fien Troch. Als we trouwens<br />
Patrice Toyes tweede film (N)iemand als een onderdeel<br />
beschouwen van de recente Vague féminine, dan hadden<br />
we in 2009 inderdaad een aanzienlijk tegengewicht voor het<br />
traditioneel mannelijk overwicht in de sector. Of de vrouwelijke<br />
cineasten voortaan prominenter aanwezig zullen zijn<br />
in de Vlaamse bioscopen, is nog niet bewezen, maar het is<br />
niet onmogelijk. Verder ook even vermelden dat er tussen<br />
deze vier vrouwen meer verschillen zijn dan gelijkenissen.<br />
Mijn persoonlijke favoriet is Fien Trochs Unspoken, waarin<br />
de cineaste terugkeert op een aantal thema’s die ze ook in<br />
haar debuut Een ander zijn geluk (2005) exploreerde: ouders<br />
die een kind verliezen, er niet overheen geraken en ook<br />
niet meer met elkaar kunnen communiceren. De filmtitel<br />
is Engels, de film zelf is Frans gesproken, wat bijzonder<br />
ongewoon is voor een Vlaamse film. Ik herinner me de<br />
debuutfilm van Geoffrey Enthoven Les enfants de l’amour<br />
en veertig jaar geleden de schandaalfilm L’étreinte van<br />
Pierre Drouot en Paul Collet, maar geen derde. Vlaamse en<br />
soms ook Franstalige cineasten flirten graag met de andere<br />
landstaal, maar zelden wagen ze zich in het diep. Frien<br />
Troch kiest resoluut voor het Frans en draait dus eigenlijk<br />
een Vlaamse film die tegelijk een soort foreign language<br />
film is, met twee niet-Belgische acteurs in de hoofdrollen:<br />
de Franse actrice Emmanuelle Devos en de Zwitserse<br />
acteur Bruno Todeschini. Hun vertolkingen zijn subtiel en<br />
voelen erg ‘juist’ aan. Samen met de consequente fotografie<br />
van close ups creëert Troch in deze film een gevoel van<br />
grote intimiteit. Misschien ontbreek het de film inhoudelijk<br />
wat aan substantie, maar de verdienste is er.<br />
Dorothee van den Berghes tweede langspeelfilm My Queen<br />
Karo is net zoals Fien Trochs Unspoken hoofdzakelijk<br />
een beeldende onderneming, die er overigens absoluut<br />
betoverend uitziet. De film duikt terug in de tijd; naar de<br />
wilde jaren zeventig. De kleine Karo is met haar familie<br />
naar Amsterdam verhuisd, waar de samenleving wild aan<br />
het experimenteren is geslagen. Ze woont er met vader en<br />
moeder in een commune in een kraakpand. Vader Matthias<br />
Schoenaerts voelt zich één met de geest van de tijd. Karo<br />
heeft het, precies zoals moeder, moeilijk met het gebrek aan<br />
structuur. Moeder wordt met veel présence vertolkt door de<br />
n<br />
my Queen Karo - anna franziska<br />
jaeger als Karo<br />
n<br />
v.l.n.r.:<br />
unspoken - Bruno todeschini<br />
en emmanuelle Devos<br />
31<br />
lost Persons area - niemandsland<br />
STAALKAART #3 JANUARI-FEBRUARI2010
32<br />
n<br />
v.l.n.r.:<br />
lost Persons area - niemandsland<br />
altiplano - saturnina<br />
STAALKAART #3 JANUARI-FEBRUARI2010<br />
Franstalig Belgische actrice Deborah François, die bekend<br />
werd met haar rol in L’enfant van de broers Dardenne. Ook<br />
bij Van den Berghe wordt dus een hartig woordje Frans<br />
gesproken.<br />
De poëtische uitbeelding van Karo’s wereld, de fotografie,<br />
aankleding en enscenering zijn tiptop. De personages<br />
missen evenwel wat diepgang, ook al worden ze doorgaans<br />
aantrekkelijk vertolkt.<br />
Lost Persons Area van Caroline Strubbe lijdt aan dezelfde<br />
kwaal. Zoals de titel aangeeft, staat het thema van de<br />
existentiële ontreddering, het gevoel vreemdeling te zijn in<br />
je eigen leven, centraal in de film. Tegelijk lijdt de film zelf<br />
ook aan een zekere stuurloosheid. Bettina, Marcus en hun<br />
dochter Tessa, leven in een niet nader bepaald industrieel<br />
wasteland, temidden van hoogspanningsmasten en elektriciteitskabels,<br />
die een grote impact hebben op de fotografie<br />
van de film. In het begin lijken de personage nog op een<br />
vreemde manier verzoend met dit landschap, maar dan gebeurt<br />
er een ongeval dat alles verandert. Caroline Strubbe<br />
en cameraman Nicolas Karakatsanis onderstrepen de<br />
ontreddering en ontmenselijking met een losse camerastijl<br />
waarvan volgens mij de houdbaarheidsdatum (15 jaar na<br />
Dogma 95) stilaan aan het verstrijken is. Anderzijds mag<br />
vermeld worden dat de film door verschillende festivals<br />
werd geselecteerd (o.a. Cannes en het ‘Tout Ecran’ festival<br />
van Genève, waar de film werd bekroond als beste film).<br />
Geen probleem, ieder zijn ding.<br />
Vlaanderen en de kosmos<br />
Peter Brosens en Jessica Woodworth zijn geen nieuwkomers:<br />
beiden hebben een opgemerkt parcours op het vlak van de<br />
creatieve documentaire, maar wat langspeelfilm betreft, is<br />
Altiplano pas hun tweede film. De nadrukkelijk antropologische<br />
invalshoek maakt hun positie vrij uniek, in elk geval<br />
in Vlaanderen. Khadak (2006) speelde zich af in Mongolië,<br />
in een context van industriële mijnontginning die het land<br />
en de bewoners zwaar onder druk zette. Altiplano neemt de<br />
kijker mee naar een andere mijnsite, ditmaal in Peru. Ook<br />
daar zien we het vernietigende effect van de industriële<br />
ontginning op de lokale gemeenschap. Na de verbluffende<br />
fotografie van Khadak waren de verwachtingen voor deze<br />
film hooggespannen, en inderdaad pakt het duo ook uit<br />
met een ambitieus project. We beginnen bij Grace (Jasmin<br />
Tabatabai), een fotografe, die gehuwd is met cataractchirurg<br />
Max, gespeeld door – opnieuw – een bekend gezicht<br />
uit de cinema van de broers Dardenne: Olivier Gourmet.<br />
Grace maakt een traumatiserende gebeurtenis mee in Irak<br />
en beslist er de brui aan te geven. Even later overlijdt haar<br />
man in Peru. Eveneens in Peru en vlakbij de plek waar Max<br />
zijn oogoperaties uitvoert, is er het dorpje Turubamba, waar<br />
het personage van Saturnina (Magaly Solier) centraal staat.<br />
Ook zij verliest haar geliefde en dat allemaal ten gevolge<br />
van de verontreiniging die door de mijnontginning wordt<br />
veroorzaakt.<br />
Brosens en Woodworth maken een hele reeks politieke en<br />
levensbeschouwelijke statements in deze film. Verschillende<br />
thema’s en verhaallijnen worden in stelling gebracht<br />
die met elkaar verbonden zijn, maar niet meteen tot een<br />
homogeen geheel leiden. De film wil ook nadrukkelijk het<br />
concrete hier en nu overstijgen. Het universum van Brosens<br />
en Woodworth is niet alleen vanzelfsprekend polyglot,<br />
universeel en kosmopolitisch, het streeft bovendien naar<br />
een soort kosmische synthese. Dat vind ik er net wat teveel<br />
aan. Het heeft alleszins als kwalijk neveneffect dat de grote<br />
rijkdom aan bronmateriaal zijn referentiekader verliest en<br />
verdwijnt onder het grote visioen. Minder had voor mij meer<br />
kunnen zijn...<br />
Vermooien<br />
Stijn Coninx maakt een heel ander soort film, gebaseerd<br />
op een eerder klassieke vertelstijl. Zijn film Soeur Sourire<br />
neemt als uitgangspunt een stuk Belgisch cultureel<br />
patrimonium: het verhaal van zuster Jeanine Deckers, die<br />
wereldbekend werd met het nummer ‘Dominique’ (‘nique<br />
nique...’). Belangrijk detail: de film wordt integraal Frans<br />
gesproken en als uithangbord kiest Stijn Coninx voor een<br />
icoon uit de Franstalig Belgische cinema: de actrice Cécile<br />
de France, die vandaag, een beetje zoals Benoît Poelvoorde
hoofdzakelijk in Frankrijk draait. Ik herhaal het nog eens:<br />
hoogst ongewoon in de geschiedenis van de Vlaamse film.<br />
Naast Cécile de France zijn er tal van leuke Franssprekende<br />
rollen voor andere bekende gezichten uit de Vlaamse film:<br />
Chris Lomme, Jan Decleir, Filip Peeters, Johan Leysen,<br />
François Beukelaers, Marijke Pinoy... Coninx vertelt dit intrigerende<br />
verhaal in warme nostalgische tonen en Jeanine<br />
Deckers wordt ook prachtig vertolkt door Cécile de France.<br />
Belangrijk punt is dat Coninx er expliciet voor kiest de donkere<br />
kant van Jeanine Deckers’ psychologie met de nodige<br />
schroom te behandelen. En dat, terwijl de hoeveelheid<br />
duisternis in dit verhaal niet onaanzienlijk is: Soeur Sourire<br />
pleegt zelfmoord aan het eind van de film. Maar ook die<br />
wending wordt door Coninx enigszins omgebogen tot een<br />
goed gevoel. De hoofdtoon van de film is dus de nostalgische<br />
vertelling. De pijn van het zijn wordt nooit ondraaglijk.<br />
Die beslissing laat de kijker wat onbevredigd achter op de<br />
mooie maar wat gladde oppervlakte der dingen.<br />
In dat opzicht kiest de cinema van Joachim Lafosse<br />
voor een radicaal tegengesteld parcours. Er wordt nooit<br />
vermooid, er wordt niet gezocht naar fraaie beelden of<br />
een hippe fotografie. De films van Lafosse volgen hun<br />
eigen weg, vaak hun eigen obsessies. Ze gaan geen<br />
delicate thema’s uit de weg, integendeel, we komen er<br />
steeds vanzelf bij uit. Lafosse maakt films die evenzeer op<br />
emotie als op verstand functioneren en die mij bijzonder<br />
aanspreken. Elève libre gaat, zoals de meeste films van<br />
Lafosse, over de relatie tussen ouders en hun kinderen,<br />
vooral die relaties die problematische vormen aannemen.<br />
Hoofdpersonage Jonas is zestien en heeft alle interesse<br />
verloren voor school. Op een dag ontmoet hij Pierre, die bereid<br />
is gratis privélessen te geven zodat hij als vrij student<br />
alsnog zijn getuigschrift middelbaar onderwijs kan halen.<br />
Maar waar stopt overdracht en opvoeding, en waar begint<br />
manipulatie en exploitatie? Die vragen behandelt Lafosse<br />
niet via het beeld, zoals zijn Vlaamse landgenoten, maar<br />
via een klassieke dramatische ontwikkeling, waarin vooral<br />
belangrijk is wie de personages zijn, wat hen bezig houdt<br />
op deze planeet en waar ze naartoe willen. De stijl waarin<br />
het drama zich afspeelt is grofweg naturalistisch, maar de<br />
inzet van het drama stijgt daar ver boven uit.<br />
Verbaliteit<br />
Yves Hanchars Sans rancune behandelt ongeveer dezelfde<br />
thema’s, zonder er evenwel zoals Lafosse de grenzen van<br />
op te zoeken. Zijn hoofdpersonage Laurent Matagne wordt<br />
kort na de Tweede Wereldoorlog op internaat gestuurd. Zijn<br />
vader is officieel gestorven als held voor het vaderland. Een<br />
van zijn leraars, de nonconformistische ‘Vapeur’, heeft een<br />
bijzondere invloed op Laurents intellectuele ontwikkeling.<br />
Hij zal ook aan de oorsprong liggen van zijn beslissing om<br />
schrijver te worden - inderdaad, zoals de jonge Gunther in<br />
De helaasheid. En raar maar waar, Laurent zal ook leren dat<br />
zijn bewonderde leraar in feite ook zijn vader is. Thematisch<br />
staat Hanchar dicht bij Lafosse, stilistisch bewoont hij<br />
veeleer het universum van Coninx.<br />
Wat Hanchar en Lafosse alleszins met elkaar gemeen<br />
hebben en wat de Franstalig Belgische cinema in zijn<br />
geheel ook typeert, is het feit dat film er een meer verbale<br />
onderneming is dan in Vlaanderen. Neem bijvoorbeeld Les<br />
barons, het schitterende debuut van de Molenbeekse regisseur<br />
Nabil Ben Yadir, die zijn leefwereld op een bijzonder<br />
ontwapenende manier in beeld brengt. In hoofdzaak<br />
bestaat de film uit personages die elkaar verbaal te lijf<br />
gaan. Daarnaast is er het hoofdpersonage Hassan (Nader<br />
Boussandel) die zonder probleem minutenlang met zichzelf<br />
kan dialogeren. Hassan droomt ervan stand-up comedian<br />
te worden. Om die droom te realiseren en tegelijk zijn grote<br />
liefde Malika te veroveren moet hij zijn vader en eigenlijk<br />
zijn hele omgeving hiermee confronteren. Iedereen in<br />
Hassans quartier heeft namelijk duidelijk omlijnde ideeën<br />
over Hassans toekomst. De onvermijdelijke botsing is niet<br />
alleen tragisch, maar ook bevrijdend en vooral komisch.<br />
Voor mij is Les barons de verrassing van het jaar: niet<br />
alleen maatschappelijk relevant en goed geschreven, maar<br />
ook levendig geacteerd en verder bevat de film de leukste<br />
dialogen van het jaar. Et pour les flamands: een leuke Jan<br />
Decleir als winkelier in het Frans...<br />
n<br />
v.l.n.r.:<br />
33<br />
élève libre - jonas Bloquet als<br />
jonas en jonathan Zaccaï als<br />
Pierre<br />
soeur sourire - cecile de france<br />
met gitaar<br />
STAALKAART #3 JANUARI-FEBRUARI2010
34<br />
n<br />
les Barons - Hassan achteraan<br />
rechts in de auto<br />
STAALKAART #3 JANUARI-FEBRUARI2010<br />
Les folles aventures de Simon Konianski is minstens even<br />
verbaal. Het is een meer traditionele komedie met als<br />
centraal thema de joodse identiteit, die op een vergelijkbare<br />
manier functioneert als tal van Woody Allen films. Hoofdpersonage<br />
Simon (Jonathan Zaccaï) heeft het moeilijk met<br />
de traditie waaruit hij is voortgekomen. In de eerste plaats<br />
met zijn traditionele oude vader, maar ook met de vrouw die<br />
hem in de steek liet. Micha Walds komedie gaat er bij momenten<br />
gezellig hectisch en extravagant aan toe. Vooral de<br />
extatische muziekkeuze speelt daar een belangrijke rol in.<br />
De vertolkingen zijn behoorlijk, vooral de jonge Nassim Ben<br />
Abdeloumen, als Simons zoon Hadrien, is een aangename<br />
verrassing.<br />
Les tremblements lointains van Manuel Poutte is het soort<br />
film dat vaak in Vlaanderen wordt gemaakt. Beeld en sfeer<br />
zijn allesbepalend. Alleen graaft Poutte zijn fundamenten<br />
dieper uit, waardoor personages een grotere présence en<br />
authenticiteit verwerven. De fotografie is niet gezocht of<br />
gemaniëreerd maar straalt een grote densiteit en concentratie<br />
uit. De cineast evoceert in deze film de aanzienlijke<br />
verschillen tussen de westerse en de Afrikaanse manier<br />
om in het leven te staan. Een jonge vrouw is verliefd op een<br />
jonge Senegalees. Dat brengt haar vanzelf in conflict met<br />
haar vader, een dokter die een ziekenhuis runt. De vertelling<br />
is zeer eenvoudig en rechtlijnig, zoekt geen spectaculaire<br />
wendingen en virtuose hoogstandjes.<br />
Het psychodrama Où est la main de l’homme sans tête?<br />
van Guillaume en Stéphane Malandrin, met opnieuw een<br />
erg goede Cécile de France in de hoofdrol, positioneert zich<br />
perfect in het midden tussen de woord- en beeldfilm. De<br />
basiliek van Koekelberg is een belangrijk visueel element in<br />
deze film over een gezin met een dominante vader die zijn<br />
drie kinderen verplicht om mee gaan in zijn persoonlijke<br />
obsessies. Na het sierduiken – de droom van vader – ontwaakt<br />
dochter Cécile de France uit een diepe coma na een<br />
ongeval. Ze gaat samen met de toeschouwer op zoek naar<br />
haar verdwenen broer. Een interessante film die er in slaagt<br />
een eigen wereld te creëren, maar die er helaas minder in<br />
geslaagd is een groot publiek te mobiliseren.<br />
Het publiek<br />
Dat publiek is overigens voor de meeste van deze films<br />
vrij bescheiden van omvang. In België is het zo dat de<br />
kaskrakers doorgaans van Vlaamse makelij zijn. Nogal wat<br />
Vlaamse films denken de jongste jaren complexloos commercieel<br />
over hun product. Vaak richten ze zich, gesteund<br />
door een realistische marktinschatting, enkel en alleen<br />
op de thuismarkt. Studio 100 bracht in 2009 niet minder<br />
dan drie titels uit volgens dit concept (Anubis en de wraak<br />
van Arghus, Plop en de kabouterbaby, Het geheim van<br />
Mega Mindy). Deze films laten ook mooi zien hoe belangrijk<br />
de rol is die de televisie vervult voor dit soort cinema. De<br />
televisie lanceert de formats, de acteurs, de personages,<br />
waarna de bioscoopfilm meteen als een gekend merk op de<br />
markt kan verschijnen. Ook Jan Verheyen maakte meerdere<br />
films volgens dit concept. Zijn Dossier K, die sinds begin<br />
december in de zalen loopt, hoort op het eerste gezicht tot<br />
een ouder paradigma, dat luistert naar het motto ‘verfilm<br />
uw klassiekers’. In het geval van Jan Verheyen zijn de<br />
auteurs van die klassiekers nog in leven (Jef Geeraerts, Tom<br />
Naegels voor Los...). Enkele decennia geleden werd aan de<br />
Vlaamse film verweten dat hij niet boven het niveau van de<br />
verfilmde literatuur uitsteeg. In de jaren zeventig was dat<br />
hoofdzakelijk de officiële canon van de literatuur die ook op<br />
de schoolbanken werd gelezen. Vandaag is de keuze op dit<br />
vlak commerciëler geworden en worden in eerste instantie<br />
de titels uit de bestsellerslijstjes gekozen.<br />
Publieksbewustzijn is in Vlaanderen alleszins sterker<br />
aanwezig dan in Wallonië met als natuurlijk gevolg dat<br />
Vlaamse films tegenwoordig vaak verrassend goed scoren<br />
op eigen bodem. Veel van deze film gaan niet voorbij de<br />
taalgrenzen, zelfs niet voorbij de taalgrens met Nederland.<br />
Vorig jaar maakte Geoffrey Enthoven zijn film Meisjes, over<br />
drie oudere dames, die samenkomen om hun jeugdverleden<br />
als zangeres in een rock and roll band nieuw leven in te<br />
blazen. Sid is bereid zijn moeder hierbij te assisteren op<br />
voorwaarde dat de oude meisjes zijn muziek zingen. De<br />
humor van dit soort vertelling is tamelijk voorspelbaar, wat<br />
niet wil zeggen dat ze niet functioneert of geen charme<br />
heeft. Maar het geeft wel aan dat Enthoven zich richt tot<br />
een breder publiek, breder in elk geval dan bij de films die<br />
we hier eerder aan bod lieten komen.<br />
In zijn debuutfilm De SM rechter richt Erik Lamens zich tot
een gelijkaardig publiek. Alleen de titel volstaat om de<br />
neuzen te doen krullen. Bovendien baseert de film zich op<br />
de destijds ophefmakende zaak van rechter Koenraad Aurousseau,<br />
die in 1997 veroordeeld werd omdat hij SM-seks<br />
met zijn vrouw bedreef. Lamens reconstrueert het verhaal<br />
en verdedigt de zaak van de rechter, maar hij doet dat op<br />
een vrij eendimensionele manier (niet de rechter is de viezerik,<br />
maar de politie). De groezelige achtergrond verleidde<br />
tal van nieuwsgierige kijkers naar de bioscoopzaal.<br />
Aan Franstalig Belgische kant maakte Maxime Alexandre,<br />
die tot voor kort alleen bekend was als cameraman in een<br />
aantal internationale producties, een behoorlijk atypische<br />
debuutfilm. Holy Money is een Engels gesproken thriller die<br />
er een sport van maakt de kijker op het verkeerde been te<br />
zetten. Een francofone Loft zeg maar. De hoofdpersoon is<br />
de jonge Britse architect Anthony die van een vriend een<br />
Italiaanse wijngaard erft. Dat valt mee, maar ook tegen,<br />
want de erfenis zet meteen een reeks onprettige intriges op<br />
gang. Productioneel ziet het er goed uit, maar de vertelling<br />
is artificieel van begin tot eind.<br />
Verder is er natuurlijk ook het fameuze geval Jaco Van Dormael,<br />
wiens Mr. Nobody heel binnenkort in de zaal uitkomt.<br />
Mr. Nobody is een film met een naar Belgische maatstaven<br />
gigantisch budget, die zich zonder blikken of blozen tot de<br />
internationale markt richt. Van Dormael maakte zijn vorige<br />
film Le huitième jour in 1996. Dat is al lang geleden, maar<br />
het belang van wat hij destijds presteerde, vooral met<br />
zijn debuut Toto le héros (1991), oversteeg wel degelijk<br />
de lokale context. Tegelijk waren zijn films ook meer dan<br />
een louter commerciële onderneming. Mr. Nobody werd al<br />
vertoond op het voorbije festival van Venetië waar de film<br />
een kleine technische prijs won. Hopelijk voor Van Dormael<br />
ziet het Belgische publiek er meer in dan alleen dat.<br />
Panique au pays<br />
Laten we afronden met de wild anarchistische animatiefilm<br />
Panique au village van Stéphane Aubier en Vincent<br />
Patar, die, ook al was dat niet de bedoeling, een mooie<br />
parabel is voor ‘s lands politieke toestand. Het is onmogelijk<br />
deze film samen te vatten, omdat hij ook niet gemaakt<br />
is om samengevat te kunnen worden. Heel kort zien we hoe<br />
‘Cowboy’ en ‘Indiaan’ bakstenen bestellen zodat ‘Paard’<br />
een barbecue kan bouwen voor zijn verjaardagsfeest. Maar<br />
de bestelling loopt mis, en vanaf dan stijgt de temperatuur<br />
en de absurdistische humor tot voorbij het rood. De<br />
figuurtjes zijn Playmobil figuurtjes en dus is de animatie<br />
minimaal, maar dat is natuurlijk ook de bedoeling: leve de<br />
dadaïstische tekenfilm.<br />
Aan deze kant van de taalgrens maakte een heel ander<br />
team van animatiefilmers, gesuperviseerd door Mark<br />
Mertens en Wim Bien, Suske en Wiske & de Texaskrakkers,<br />
echte computeranimatie gebaseerd op de figuurtjes van<br />
Willy Vandersteen. Het gegeven is zeer braaf als je het<br />
vergelijkt met Panique au village. Suske en Wiske worden<br />
Texas Rangers om de kwaardaardige Jim Parasite te<br />
overwinnen. Mooi ontworpen, dat wel, maar zeker niet de<br />
meest slimme film van het jaar. Als Panique de snelste<br />
Belgische film van 2009 is, dan is Suske en Wiske & de<br />
Texaskrakkers zonder twijfel de traagste.<br />
In een notendop: in 2009 zagen veel kleine films met<br />
artistieke ambities het licht, meerdere daarvan waren<br />
verdienstelijk. Er kwam geen nieuwe hit zoals Loft in 2008,<br />
die op korte tijd de meest bekeken Vlaamse (en Belgische)<br />
film werd. Maar toch een zeer respectabel aantal kijkers<br />
voor De Helaasheid. Niet vergeten: de Molenbeekse film<br />
Les barons, die naar meer doet verlangen van regisseur<br />
Nabil Ben Yadir. Verder veel Vlaamse vrouwen aan de rand<br />
van de Vlaamse film, en veel en soms ook virtuoze verbaliteit<br />
in de Franstalig Belgische cinema. In Vlaanderen zoals<br />
vanouds vooral veel beeld. De Vlaamse Belgen werken<br />
vaker in de breedte, de Franstaligen vaker in de diepte. Tegelijk<br />
is niets hiervan absoluut waar: er zijn verschillende<br />
tendensen in Noord en Zuid. Vele cineasten voelen zich<br />
manifest onwennig bij de klassieke linguïstieke opdeling.<br />
Coninx en Troch filmen in het Frans, Brosens en Woodworth<br />
in alle talen behalve het Nederlands. Geregeld zien we nu<br />
ook de sterren van de Frans-Belgische film opduiken in<br />
Vlaamse films. En een Jan Decleir die zich ombouwt tot<br />
een echte Jean Le Clair. Er is dus naast het vertrouwde<br />
Panique au Belgique een even grote en even Belgische<br />
drang naar onzuiverheid en vermenging. All quiet on the<br />
western front, zullen we dus maar besluiten. n<br />
35<br />
n<br />
sans rancune - leraar thierry<br />
lhermitte en leerling milan mauger<br />
STAALKAART #3 JANUARI-FEBRUARI2010
36<br />
n<br />
Portret door Eugène Delacroix,<br />
1838, olie op doek, 45,7 x 37,5 cm,<br />
Louvre, Parijs<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
200 JAAR<br />
FREDERIC CHOPIN<br />
Bart Tijskens<br />
Niemand minder dan Robert Schumann vestigde in 1830 als muziekcriticus de aandacht<br />
van het Duitse publiek op de opkomst van een belangrijke nieuwe componist. Hij begroette<br />
de uitgave van Chopins Variaties op La ci darem la mano uit Don Giovanni van Mozart met de<br />
woorden: “Hoed af, mijne heren: een genie!”.<br />
Het is dit jaar precies tweehonderd jaar geleden dat dit genie van de piano geboren werd.<br />
En dus zetten we bij STAALKAART dit Chopin-jaar in met een portret van leven en werk van<br />
Frédéric Chopin en met een lijst en een kort oordeel van tien CD’s die volgens ons niet mogen<br />
ontbreken in de collectie van elke Chopin-liefhebber en -kenner.<br />
Het was in een dorp met de mooie naam<br />
.<br />
Zelazowa-Woła, zo’n zestig kilometer ten oosten<br />
van Warschau, dat Frédéric Chopin op de eerste<br />
maart 1810 geboren werd. Deze zoon van een Fransman en<br />
een Poolse, die de Polen eren als een nationale held, maar<br />
die ook door de Fransen als één van hun sterren wordt<br />
gezien, kreeg dus al van bij zijn geboorte een dubbele erfenis<br />
mee. De Franse schrijver en Nobelprijswinnaar André<br />
Gide verwoordde het mooi als volgt: “Als ik in het werk van<br />
Chopin een Poolse inspiratie, of opwelling herken, dan doet<br />
het mij plezier dat ik er tegelijk ook een Franse manier van<br />
doen in vind.”<br />
Vader Chopin was naar Polen verhuisd om de dienstplicht<br />
bij het Franse revolutionaire leger te ontlopen. Maar hij<br />
was trots op zijn nieuwe land en voedde zijn zoon op als<br />
een geestdriftig Pools patriot.<br />
De behoorlijk gelukkige en zorgeloze jeugdjaren van Chopin<br />
stonden al helemaal in het teken van de muziek: als<br />
jongen hoorde hij de boeren op het land volkswijsjes zingen<br />
en hij groeide op met de Poolse nationale dansen zoals de<br />
mazurka, de krakowiak en de polonaise. Toen hij zelf als<br />
wonderkind muziek begon te componeren nam hij intuïtief<br />
die nationale dansvormen over.<br />
Al op zijn veertiende trok Chopin naar het conservatorium<br />
van Warschau, maar op het gebied van het pianospel had<br />
hij er nog maar weinig bij te leren, en op zijn vijftiende<br />
publiceerde hij een eerste compositie, het rondo op.1. In<br />
de jaren 1828 en 1829 reisde hij naar Berlijn, Wenen en<br />
Praag, en in de Poolse hoofdstad werd hij al gevierd als de<br />
beste pianist van de stad.<br />
Zijn ontluikende liefde voor Constance Gladowska was niet<br />
sterk genoeg om hem in zijn geboorteland te houden, dat<br />
hij in 1830 verliet, op de vooravond van de opstand van<br />
Warschau. Na een jaar van reizen ontdekte hij Parijs en het<br />
is daar dat hij zich eind 1831 definitief zou vestigen. Chopin<br />
verdeelde er zijn tijd tussen componeren en doceren,<br />
en deed zo afstand van zijn carrière als pianovirtuoos, die<br />
toch al niet echt bij zijn persoonlijkheid paste. Tussen 1837<br />
en 1846 bracht hij de zomers door in Nohant, op het landgoed<br />
van George Sand, en hij schreef er het grootste deel<br />
van zijn oeuvre. Zijn vrienden waren de componisten Franz<br />
Liszt en Giacomo Meyerbeer, de schilder Eugène Delacroix<br />
en de schrijvers Heinrich Heine en Honoré de Balzac.<br />
Chopin is nooit een groot reiziger geweest. Wel waren er<br />
enkele tochten naar Duitsland waar hij Robert Schumann<br />
en Felix Mendelssohn ontmoette, en in 1848, een jaar voor<br />
zijn overlijden, een kort verblijf in Londen.<br />
De korte levensloop van Frédéric Chopin heeft heel wat<br />
legendes voortgebracht. Wie kent er niet het dikwijls wat<br />
vervormde beeld van de elegante, verleidelijke en verliefde<br />
muzikant? Wie kent niet de verhalen over zijn ongelukkige<br />
liefde voor Marie Wodzinska, of de verwikkelingen van<br />
zijn stormachtige relatie en de onvermijdelijke breuk met<br />
George Sand? Of de verhalen over zijn verblijf in 1838 met<br />
deze schrijfster en haar zoon op het eiland Mallorca?<br />
Het pianospel kwam Chopin als het ware aangewaaid: in<br />
grote lijnen leidde hij zichzelf op tot een vooraanstaand<br />
virtuoos in een tijd van grote pianisten, al zorgden de bezoeken<br />
van Johann Nepomuk Hummel en violist Nicolo Paganini<br />
aan Warschau ervoor dat hij niet verwaand werd om<br />
zijn kunnen. Tijdens zijn muziekstudie leerde hij voornamelijk<br />
theorie en compositie, en pas in 1841 friste hij zijn<br />
kennis van het academische contrapunt op. Aan Chopins<br />
muziek, die bijna uitsluitend voor de pianosolo bestemd is<br />
– er zijn nog de 17 liederen op.74, een cellosonate en een<br />
pianotrio en twee schitterende pianoconcerto’s op.11 en<br />
op.21, daarover dadelijk meer – is dat nauwelijks te horen:<br />
alles lijkt rechtstreeks geïnspireerd door de fysieke bezigheid<br />
van het pianospelen. Chopin componeerde dan ook<br />
altijd aan de piano en zijn geschreven composities kwamen<br />
voor een groot deel voort uit improvisaties. Er werd<br />
gezegd dat hij geen van zijn stukken tweemaal hetzelfde<br />
speelde en dat hij er een hekel aan had een compositie, die<br />
voor hem nooit af kon zijn, definitief op te schrijven.<br />
Voor zijn eerste tournee door Europa componeerde hij<br />
twee concerto’s voor piano en orkest, een in e en een in<br />
f, sterk naar het voorbeeld van Hummel, die hij toen erg<br />
bewonderde. In feite voelde Chopin zich het best thuis in
de kleinere vorm voor piano solo: het concerto was niet zijn<br />
terrein. Maar een jonge virtuoos die naam wilde maken,<br />
moest zijn publiek verblinden met briljante concerten, en<br />
Chopin voldeed aan zijn verplichtingen. Beide concerten<br />
van Chopin klinken aantrekkelijk en worden nog dikwijls<br />
opgevoerd en op CD opgenomen. De orkestmuziek speelt<br />
een dienende rol bij de fantasierijke pianopassages. Ze<br />
zijn duidelijk minder vooruitstrevend en minder persoonlijk<br />
ook dan de grote werken voor solopiano uit latere jaren:<br />
de sonates nummer 2 uit 1839 – de Treurmars, het derde<br />
deel, was twee jaar eerder geschreven – en nummer 3<br />
uit 1844, allebei heel krachtig en oorspronkelijk; de vier<br />
ballades die jarenlang rijpten voor ze werden genoteerd en<br />
die vagelijk zijn ingegeven door Poolse balladedichten; en<br />
de vier scherzo’s die sneller werden voltooid – maar een<br />
wat vreemde benaming dragen, want ze hebben een eerder<br />
heroïsch dan grappig karakter.<br />
Grote stukken zitten er ook bij Chopins zestien polonaises,<br />
vooral dan de laatste twee, beide in As, uit respectievelijk<br />
1842 en 1846. De laatste kreeg trouwens de titel<br />
Polonaise-fantasie. Maar de lengte van een werk heeft bij<br />
Chopin geen invloed op de waarde ervan. De Barcarolle uit<br />
1846 en de Berceuse uit 1844 zijn niet grootser dan sommige<br />
mazurka’s, preludes of nocturnes – een muziekvorm<br />
die hij ontleende aan de Ierse pianist-componist John Field<br />
(1782-1837), van wie Chopin op het gebied van speltechniek<br />
veel geleerd heeft. Noch grootser dan zijn études, een<br />
indrukwekkende en boeiende verzameling studiestukken<br />
die elk apart kleine klankgedichten zijn.<br />
Zijn walsen zijn wonderen van lichtvoetigheid, sierlijkheid<br />
en wisselende stemmingen. In deze kortere stukken vind<br />
je veel van de kern van Chopins oorspronkelijkheid en<br />
vindingrijke durf, die de muziek – en niet alleen deze voor<br />
piano – is blijven beïnvloeden. Hij gaf zijn stukken geen<br />
beschrijvende titels en erkende, behalve misschien bij de<br />
ballades, geen literaire inspiratie.<br />
Chopin moet een geweldig pianist zijn geweest. Getuigenissen<br />
over zijn spel benadrukten altijd de subtiliteit<br />
en verfijndheid ervan. Robert Schumann – opnieuw hij<br />
– schreef: “Stel u voor dat een eolusharp alle toonladders<br />
omvatte en dat een kunstenaarshand die verweven had<br />
tot allerlei fantastische versieringen, maar zó dat u steeds<br />
een diepere basistoon en een zacht zingende melodie zou<br />
horen…hier hebt u een beeld van zijn spel.”<br />
Toch ook nog even een woordje over de werken die Chopin<br />
niet voor de piano solo schreef, en die in onze tijd toch<br />
wel aan belang lijken te winnen, en steeds vaker worden<br />
uitgevoerd.<br />
In februari 1828 begon Chopin met het componeren van<br />
zijn pianotrio in g op.8. Dat werk werd onderbroken door<br />
zijn reis naar Berlijn; op de terugweg bracht hij een bezoek<br />
aan Prins Anton Radziwill: deze beroemde mecenas en<br />
afstammeling van de koning van Pruisen was naast<br />
politicus en grootgrondbezitter ook cellist en componist,<br />
en hij was Chopin bijzonder genegen. Het trio geraakte<br />
het jaar daarop, in 1833, voltooid en het werd op drie<br />
plaatsen tegelijk uitgegeven, in Leipzig, Parijs en Londen.<br />
De ontvangst ervan was erg gunstig. In Leipzig toonde<br />
Schumannn zich verrukt, en zelfs de Berlijnse criticus Rellstab<br />
– die later zou uitblinken in een totaal onbegrip voor<br />
het oeuvre van Chopin – had een positief oordeel klaar. In<br />
een brief in 1830 verklaarde Chopin dat hij spijt had van<br />
zijn keuze voor de viool, ten nadele van de altviool, omdat<br />
dat laatste instrument, volgens hem, beter zou kleuren met<br />
de cello. Met de viool die vooral in de lage registers speelt,<br />
heeft het werk in feite nogal sombere kleuren. Maar vooral<br />
de vormelijke vernieuwingen zijn opvallend: Chopin neemt<br />
hier duidelijk afstand van de klassieke schema’s.<br />
De sonate in g voor cello en piano op.65 verdient een<br />
plaats tussen de werken voor dezelfde bezetting van<br />
Beethoven, Mendelssohn en Brahms. Chopin droeg deze<br />
sonate op aan Auguste Franchomme – die er drie delen<br />
uit speelde tijdens het laatste concert dat Chopin gaf in<br />
Parijs, op 16 februari 1848. Chopin, toen al erg ziek, had<br />
moeten afzien van het moeilijke openingsdeel, dat even<br />
lang duurt als de overige drie delen samen. Het zou het<br />
laatste werk worden dat tijdens zijn leven werd uitgegeven.<br />
n<br />
Het . geboortehuis van Chopin<br />
in Zelazowa-Woła, Polen<br />
bOZAR, brussel<br />
→ www.bozar.be<br />
05/02/2010, 20u15, Flagey<br />
Anima Eterna, Jos Van<br />
Immerseel, leiding,<br />
Pascal Amoyel, piano<br />
Frédéric Chopin, Concerto voor<br />
piano en orkest nr. 1, op. 11<br />
Franz Schubert, Symfonie nr. 9,<br />
D 944<br />
n<br />
Het graf van Chopin op Père<br />
Lachaise, Parijs<br />
37<br />
11/02/2010, 20u00<br />
Daniel Barenboim, piano<br />
Frédéric Chopin, Fantasie, op. 49,<br />
Nocturne nr. 8, op. 27/2, Sonate<br />
nr. 2, op. 35, Barcarolle, op. 60, 3<br />
Valses, Berceuse, op. 57,<br />
Polonaise nr. 6, op. 53<br />
12/02/2010, 20u00<br />
Daniel Barenboim, piano<br />
Frédéric Chopin, Variations<br />
brillantes, op. 12, Nocturne nr. 2,<br />
op. 62, Sonate nr. 3, op. 58,<br />
Ballade nr. 1, op. 23, 3 Etudes,<br />
3 Mazurkas, Scherzo nr. 3, op. 39<br />
16/03/2010, 20u00<br />
Krystian Zimerman, piano<br />
Frédéric Chopin, Sonate nr. 2,<br />
op. 35, Sonate nr. 3, op. 58,<br />
Werken te bep.<br />
vervolg pagina 38<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
38<br />
27/04/2010, 20u00<br />
Rafal Blechacz, piano<br />
Johann Sebastian Bach, Partita<br />
voor klavier nr. 1, BWV 825<br />
Wolfgang Amadeus Mozart,<br />
Sonate voor piano, KV 570<br />
Claude Debussy, Pour le piano<br />
Frédéric Chopin, Ballade nr. 3,<br />
op. 47, Scherzo nr. 1, op. 20, 4<br />
Mazurkas, op. 17, Polonaise-<br />
Fantasie, op. 61<br />
deSingel, Antwerpen<br />
→ www.desingel.be<br />
19/03/2010, 20u00<br />
Praags Radio Symfonisch Orkest,<br />
Severin von Eckardstein, piano<br />
Bedrich Smetana, De Moldau<br />
Frédéric Chopin, Concerto voor<br />
piano en orkest nr 1 in E, opus 11<br />
Igor Stravinsky, De Vuurvogelsuite<br />
7/05/2010, 20u00<br />
Nelson Freire, piano<br />
Robert Schumann, Nachtstück,<br />
Arabesque en Symphonische<br />
Etüden<br />
Frédéric Chopin, Barcarolle<br />
opus 60, Mazurka’s opus 56,<br />
Mazurka opus 17, Ballade opus<br />
47, Nocturnes opus 27, Polonaise<br />
opus 53<br />
De Munt, brussel<br />
→ www.demunt.be<br />
26/02/2010<br />
Klavierkwintet van de Munt:<br />
Zygmunt Kowalski, Femke Sonnen,<br />
Tony Nys, Sébastien Walnier,<br />
Daniel Blumenthal<br />
Frédéric Chopin, Klavierkonzert<br />
Nr. 1 e-moll, op.11, bewerking<br />
voor klavierkwintet<br />
Concertgebouw brugge<br />
→ www.concertgebouw.be<br />
24/04/2010, 20u00<br />
Abdel Rahman El Bacha, piano<br />
Frédéric Chopin, Trois Nouvelles<br />
Etudes, Impromptu in Fis opus<br />
36, Scherzo nr. 3 in cis opus 39,<br />
Vier Mazurka’s opus 41, Sonate<br />
nr. 2 in bes opus 35<br />
Robert Schumann, Waldszenen<br />
opus 82, Sonate nr. 3 in f opus 14<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
Enkele van zijn tijdgenoten waren erg onder indruk – zoals<br />
Moscheles die het vergeleek met “een woest woud, waar<br />
maar af en toe een zonnestraaltje doorbreekt.” Vast staat<br />
dat het werk veel van zijn krachten had gevergd. Had hij<br />
zoveel moeite met de vorm van de sonate en met de twee<br />
instrumenten omdat hij zo lang enkel voor piano en in<br />
vrije vormen had gecomponeerd? In elk geval slaagde hij<br />
er uitstekend in om de timbres van beide instrumenten te<br />
vermengen, en dit op een veel homogenere en originelere<br />
wijze dan vele andere romantische componisten.<br />
Net als Verdi in dezelfde periode, gaf ook Chopin toe aan<br />
de romantische mode van het lied. Verspreid over de jaren<br />
1829 en 1847 schreef hij 19 liederen in de Poolse taal, de<br />
enige vocale stukken in zijn voor het overige bijna uitsluitend<br />
pianistieke oeuvre. Zijn ambities waren bescheiden:<br />
hij was er niet op uit om te rivaliseren met de specialisten<br />
in het genre, en wilde alleen plots opwellende amoureuze<br />
FREDERIC CHOPIN OP 10 CD’s<br />
De discografie van de muziek van Chopin is natuurlijk erg uitgebreid. Wij stellen u hier 10 CD’s voor die volgens ons in elke<br />
Chopin-basisdiscotheek thuishoren. De keuze was moeilijk, en we hebben dan ook zeker niet de pretentie om onze selectie<br />
als absoluut te beschouwen. Maar vast staat dat de Chopin-liefhebber met deze 10 uitgaven zeer mooie luistermomenten<br />
zal kennen.<br />
1. Preludes (compleet)<br />
2 Nocturnes op.62 (Rafal Blechacz, piano)<br />
DG 477 6592<br />
Vier jaar geleden – hij was toen pas 20 – won Rafal Blechacz<br />
de Frédéric Chopin Wedstrijd in Warschau. Deutsche<br />
Grammophon was er als de kippen bij om dit jonge Poolse<br />
talent een contract aan te bieden. Want in deze preludes<br />
van Chopin herken je onmiddellijk de raspianist: een volle,<br />
maar toch verfijnde toon, gecombineerd met een groots,<br />
elegant en geïnspireerd pianospel, subtiel en poëtisch.<br />
2. Fantasie in A op Poolse melodieën op.13<br />
Variaties in Bes op ‘La ci darem la mano’ uit Mozarts<br />
Don Giovanni op.2<br />
Rondo à la krakowiak in F op.14 Andante spianato et<br />
Grande Polonaise brillante in Es op.22 (Nelson Goerner,<br />
piano; Orkest van de 18 e Eeuw o.l.v. Frans Brüggen)<br />
NIFCCD 009<br />
Intrigerend: een Argentijnse pianist (nog een ‘ontdekking’<br />
van Martha Argerich) en een Nederlands ensemble op<br />
oude instrumenten o.l.v. een Nederlandse specialist van de<br />
oude muziekpraktijk die samen voor het Chopin Instituut<br />
van Warschau een opname maken van weinig uitgevoerde<br />
jeugdwerken voor piano en orkest van Frédéric Chopin. Het<br />
resultaat is verbluffend. Er is natuurlijk het instrument: een<br />
fraai klinkende Erard die in 1849 in Parijs werd gebouwd.<br />
Precies met dit soort piano’s was Chopin erg vertrouwd.<br />
Maar er is ook het virtuoze, verbeeldingsvolle en spannende<br />
spel van Nelson Goerner. En dan het orkest. Bij eerdere opnamen<br />
van deze werken kwam dat dikwijls niet veel verder<br />
gevoelens vastleggen, of vluchtige momenten van nostalgie<br />
of vrolijke vriendschap. De opstand van Warschau,<br />
in 1830, zorgde wel voor een breuklijn: de liederen die<br />
daarvóór zijn geschreven, op vaderlandse bodem, dragen<br />
niet hetzelfde parfum als degene die hij in zijn Parijse<br />
periode componeerde.<br />
Frédéric Chopin stierf in Parijs in 1849 op 39-jarige<br />
leeftijd, aan de gevolgen van tuberculose. De uitvaart vond<br />
plaats in de Eglise de la Madeleine in Parijs op 30 oktober<br />
1849, op de tonen van zijn beroemde Marche funèbre<br />
(een deel uit de tweede pianosonate). Zijn lichaam werd<br />
begraven op het kerkhof Père-Lachaise, maar zijn hart<br />
werd overgebracht naar Warschau.<br />
“De muziek van Chopin is van de mooiste die ooit geschreven<br />
is. Door zijn geniale aanleg, ontsnapt hij aan elk<br />
klassement,” noteerde Claude Debussy vele jaren later. n<br />
dan een wat routineuze begeleiding. O.l.v. de voortreffelijke<br />
Frans Brüggen omringt het Orkest van de 18 de Eeuw de<br />
solist hier met een warm, subtiel, discreet en smaakvol<br />
klankenweefsel.<br />
3. 14 Walsen – Barcarolle<br />
Nocturne in Des op.27 nr.2<br />
Mazurka is cis op.50 nr.3 (Dinu Lipatti, piano)<br />
EMI mono 566904-2<br />
Deze klassieke uitvoeringen van Dinu Lipatti werden nog<br />
door Walter Legge opgenomen in de nogal droge akoestiek<br />
van een Zwitserse radiostudio in Genève, in het laatste jaar<br />
van Lipatti’s korte leven. Bij elke nieuwe verschijning op<br />
CD lijken ze qua wijsheid en subtiliteit nog te zijn gegroeid.<br />
De reputatie van deze nauwgezette en uiterst precieze<br />
uitvoeringen is helemaal terecht, en het is dan ook alleen<br />
maar toe te juichen dat EMI ze opnam in haar prestigieuze<br />
serie van de ‘Great Recordings of the Century’.<br />
4. Nocturnes 1-21 (Claudio Arrau, piano)<br />
Philips 464694-2<br />
Een heruitgevonden zangerigheid door de schuchtere<br />
Claudio Arrau. In zijn benadering combineert hij een warme<br />
toon met een innerlijke spanning die je normaal in Beethoven<br />
verwacht. Deze gevoelige en aantrekkelijke cyclus,<br />
die in 1979 verscheen, kreeg verschillende belangrijke<br />
onderscheidingen, waaronder de ‘Diapason d’Or de l’année<br />
1979’. De opnamekwaliteit is, zoals we dat van Philips<br />
gewoon zijn, uitstekend.
5. Pianosonate nr.2 in bes op.35 + Prokofjev + Ravel<br />
(Ivo Pogorelich, piano)<br />
DG 463678-2<br />
Ivo Pogorelich beschikt over een uitzonderlijke persoonlijkheid<br />
en een uitgesproken gevoel voor kleur. Hij is<br />
een muzikant met een overschot aan charisma, en zijn<br />
pianospel heeft temperament en vuur in overvloed. Je<br />
hoort hier talrijke ongewone accenten en ook wel enkele<br />
maniërismen die misschien niet bij iedereen in de<br />
smaak zullen vallen. Maar volgens ons kan je niet om<br />
deze opname heen.<br />
6. 51 Mazurka’s (Arthur Rubinstein, piano)<br />
RCA 090266305025<br />
De grote Chopin-vertolker van de vorige eeuw mag in<br />
dit beknopte lijstje natuurlijk niet ontbreken. Arthur<br />
Rubinstein in de mazurka’s van Chopin, dat is een<br />
zekere (technische) nonchalance gecombineerd met een<br />
aristocratische verfijning. Unieke klasse, kortom.<br />
7. Ballades 1-4 – Barcarolle – Fantaisie in f<br />
(Krystian Zimmerman, piano)<br />
DG 423090-2<br />
Een uitzonderlijke en indrukwekkende versie van de<br />
Ballades (en ook van de andere werken op deze cd). De<br />
spontaniteit en de geweldige concentratie van Zimmerman<br />
maken dat je deze cd gemakkelijk kan aanbevelen.<br />
Ook de opname van Deutsche Grammophon is bijzonder<br />
geslaagd.<br />
8. Pianoconcerto’s 1-2 (Christian Zacharias, piano;<br />
Kamerorkest van Lausanne)<br />
MDG 3401267-2<br />
Zacharias dirigeert het Kamerorkest van Lausanne hier<br />
aan de piano, en zelden klonken beide openingsdelen<br />
zo levendig en gracieus. De fraaie trage delen zitten vol<br />
poëzie en de finales krijgen een sprankelend karakter,<br />
zonder dat de virtuositeit ooit het muzikale betoog in de<br />
weg staat. De uitstekende klankweergave maakt deze<br />
verrukkelijke CD helemaal af.<br />
9. 12 études op.10<br />
12 études op.25 (Maurizio Pollini, piano)<br />
DG 413794-2<br />
Meesterlijk: het evenwicht dat Pollini hier bereikt tussen<br />
instrumentale techniek en emotie is ongehoord.<br />
Jammer alleen van de wat matige opnamekwaliteit.<br />
10. Cellosonate in g op.65 + Alkan (Alban Gerhardt,<br />
cello; Stephen Osborne, piano)<br />
Hyperion CDA 67624<br />
Deze nog recente opname verenigt twee voortreffelijke,<br />
bij het grote publiek misschien nog niet echt bekende<br />
muzikanten. Gerhardt en Osborne brengen een frisse en<br />
spontane uitvoering van de cellosonate van Chopin, en<br />
ze zijn bovendien voortreffelijk opgenomen.<br />
1<br />
3<br />
5 6<br />
7 8<br />
9 10<br />
2<br />
4<br />
39<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
40<br />
n<br />
Inne Goris © Paul De Malsche<br />
n<br />
Peter Seynaeve<br />
© Stephan Vanfleteren<br />
n<br />
Joke Laureyns © Kurt van der Elst<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
“KoM KIJKEn naar<br />
EEn MEnS”<br />
KInDErEn En JonGErEn oP ScènE: EEn KrItISchE bEVraGInG<br />
Evelyne Coussens<br />
Wat hebben Ajar (BRONKS), Mondays (JAN), Unfold (Kabinet K), Pubers bestaan niet (Ontroerend<br />
Goed), Naar Medea (Inne Goris/ZEVEN), That Night That Follows Day (Tim Etchells)<br />
met elkaar gemeen? Het zijn allen voorstellingen uit de afgelopen twee theaterseizoenen<br />
waarin kinderen en/of jongeren als acteur of danser op scène stonden. Het lijstje is maar<br />
een greep uit een veel langere lijst waaraan bijvoorbeeld ook oudere voorstellingen van<br />
fABULEUS (Gender Blender) of Eva Bal (De verrassing, Satijn en witte wijn) kunnen worden<br />
toegevoegd.<br />
Met de introductie van kinderen en jongeren<br />
op scène lijkt het jeugdtheater beland in<br />
een volgende emancipatorische fase. De tijd<br />
dat voorstellingen voor kinderen en jongeren werden<br />
beschouwd als onschuldige zoethouders ligt gelukkig al<br />
even achter ons – het jeugdtheaterlandschap heeft zich<br />
de laatste jaren ontvoogd als een volwaardig segment<br />
van de podiumkunstensector, even professioneel als<br />
de rest van dat veld en navenant betoelaagd. In het<br />
verlengde van die volgroeiing lijkt zich nu een nieuwe<br />
ontwikkeling voor te doen: wat intussen was uitgegroeid<br />
tot een volwaardig segment van het publiek staat de<br />
laatste jaren steeds nadrukkelijker zelf op scène. Dat<br />
brengt artistieke, ethische en theaterkritische vragen<br />
met zich mee.<br />
Waarom kiezen professionele theatermakers ervoor<br />
om met die jonge en ongeschoolde acteurs te werken?<br />
Welke troeven staan tegenover hun gebrek aan<br />
professionaliteit? Vaak valt het woord ‘authenticiteit’,<br />
maar wat is dat, ‘authenticiteit’? Is het hetzelfde als<br />
‘naturel’? Of zijn kinderen gewoon lekker goedkoop, zoals<br />
een recensent ietwat kort door de bocht (en nauwelijks<br />
gemeend) suggereerde? 1 Wat de theaterkritische zijde<br />
betreft stelt zich een kijkprobleem, verwant aan het<br />
kijkprobleem rond sociaal-artistiek werk: hoe kijken<br />
naar professionele producties, gemaakt met nietprofessionelen?<br />
En intussen de ‘Oh, zo schattig’-knop in<br />
jezelf uitdraaien?<br />
Ik stelde deze vragen aan drie makers die vaak<br />
creëren met kinderen of jongeren. Acteur/regisseur<br />
Peter Seynaeve is samen met dramaturg Ans Vroom<br />
de drijvende kracht achter JAN, een professioneel<br />
gezelschap dat producties maakt met jongeren voor<br />
een publiek vanaf zestien jaar. Theatermaker Inne Goris<br />
legde een divers parcours af langs jeugdtheater BRONKS<br />
en dansgezelschap Ultima Vez, creëerde met zeventien<br />
jongeren Naar Medeia en landde in 2009 onder de<br />
vleugels van het Gentse productiehuis LOD. Naast de<br />
theaterateliers van jeugdtheater KOPERGIETERY, waarin<br />
Joke Laureyns en Kwint Manshoven docent zijn, groeide<br />
vanaf 2000 ook hun eigen gezelschap Kabinet K, dat<br />
dansvoorstellingen maakt met kinderen en volwassenen.<br />
Uit de gesprekken bleek alvast dat het waarom van<br />
de schijnbaar toch organische keuze voor kinderen of<br />
jongeren moeilijk te benoemen valt door de makers, en<br />
nog moeilijker te kaderen door de theaterwetenschapper.<br />
Een poging!<br />
Artistieke kwesties: waarom kinderen/jongeren op<br />
scène?<br />
Een eerste vaststelling is unaniem: bij geen van de<br />
drie makers zijn de kinderen en/of jongeren een reden<br />
an sich. Voor alle drie de makers is het startpunt het<br />
materiaal. Vervolgens gaan ze op zoek naar de meest<br />
geschikte ploeg om hun verhaal mee te vertellen. Dat de<br />
keuze daarbij op jonge mensen valt, is voor de ene maker<br />
al noodwendiger dan voor de andere.<br />
In de cyclus die Inne Goris rond de Medea-figuur maakt<br />
werd een eerste deel (Naar Medeia, 2008) bijvoorbeeld<br />
verteld door zeventien kinderen en jongeren, omdat<br />
Goris het drama wilde belichten vanuit het standpunt<br />
van de dode kinderen. Voor het tweede deel, dat<br />
draaide om de relatie tussen Iason en Medea, koos<br />
Goris twee volwassen dansers (Nachtevening (2009)).<br />
Het wezenlijke verhaal dat Inne Goris steeds opnieuw<br />
wil vertellen draait met andere woorden helemaal niet<br />
om kinderen. Slechts wanneer zij de meest geschikte<br />
spreekbuis zijn, worden ze ingeschakeld.<br />
Anders, zit het in het geval van Peter Seynaeve, bij<br />
wie materiaal en medium nauw samenvallen. Ook<br />
Seynaeve start vanuit ‘zijn’ materiaal, maar het<br />
verhaal dat hij telkens wil vertellen ís precies het<br />
verhaal van een jongvolwassene: ‘Ik werk met jongeren<br />
omdat mijn verhaal vanuit jongeren vertrekt. Hun<br />
lichaam, hun beweeglijkheid, hun spraakzaamheid en<br />
onspraakzaamheid zíjn mijn onderwerp.’
De nadruk op de specifieke ‘lichamelijkheid’ van de jonge<br />
mensen op scène verrast nauwelijks uit de mond van<br />
een maker als Seynaeve, die zich graag door plastische<br />
kunsten laat inspireren. In de dansvoorstellingen van<br />
Kabinet K vormt lichamelijkheid zelfs dé reden om met<br />
kinderen te werken: ‘In de allereerste plaats hou ik<br />
(Laureyns, red) van de fysieke schoonheid van een kind<br />
op scène. Ik hou van het onvolmaakte, het hoekige, het<br />
ongespierde, het stotterende van die jonge lijven, het is<br />
de klei waarmee ik een voorstelling sculpteer.’<br />
Die onvervangbare lichamelijkheid als ‘gegeven feit’ is<br />
ook de reden dat de drie makers unisono terugschrikken<br />
voor de idee dat een volwassen acteur in de huid van een<br />
kind zou kruipen. Zelf leek mij dat idee niet zo absurd:<br />
is een acteur niet precies iemand die in de huid van<br />
een ander kruipt, of dat nu een kind, een smurf of een<br />
volwassene is? Peter Seynaeve: ‘Elke maker doet wat<br />
hij denkt te moeten doen. Alleen wil ik, in mijn eigen<br />
voorstellingen, geen acteur van 40 die een jongen van 17<br />
speelt. Als ik het verhaal vertel van een jongen van 17 wil<br />
ik het lichaam zien van een jongen van 17. Ik ben op zoek<br />
naar de grootst mogelijke authenticiteit.’<br />
Gevraagd: authenticiteit<br />
Daarmee zijn we op het delicate terrein beland van<br />
schijn, spelen en zijn: een acteur van 40 ís geen jongen<br />
van 17, hij kan er hoogstens een spelen.<br />
Wat is toch die ongrijpbare ‘authenticiteit’ van<br />
kinderen op scène die in de gesprekken met makers zo<br />
dikwijls opduikt, maar die geen van hen duidelijk kan<br />
benoemen? Het blijkt makkelijker om eerst te duiden wat<br />
authenticiteit niét is, namelijk de één-op-één-relatie van<br />
spelen en leven. Joke Laureyns: ‘Naturel op scène - in<br />
de zin van ‘realiteit’ - is een illusie. Kinderen kiezen<br />
er nooit van nature voor om daar op scène te komen<br />
staan.’ Inne Goris: ‘Het zou betekenen dat alle kinderen<br />
die in Naar Medea spelen uit gebroken gezinnen zouden<br />
moeten komen. Dat is natuurlijk niet zo. En dat is ook de<br />
bescherming van álle spelers, kinderen of volwassenen:<br />
dat het theater is, dat spelen en leven niet samenvallen,<br />
dat een acteur niet samenvalt met zijn rol.’<br />
Toch is een jongen van 17 voor Peter Seynaeve<br />
authentieker in zijn rol dan wanneer een acteur van 40<br />
diezelfde rol speelt. Ik graaf verder naar een verklaring,<br />
voortgaande op Peters suggestie dat het lichaam van<br />
acteur van 40 anders ‘spreekt’ dan dat van een jongen<br />
van 17. De fysieke kloof tussen het beoogde vertelde (een<br />
jongen van 17) en de verteller (een acteur van 40) is in<br />
dat geval natuurlijk erg groot. Impliceert dat dat er meer<br />
moet ‘gespeeld’ worden om die afstand te overbruggen -<br />
dat de acteur meer ‘metier’ moet aan de dag leggen om<br />
het beoogde vertelde te vertellen?<br />
Moeilijk metier<br />
Daar valt opnieuw een problematisch woord. Uit de<br />
gesprekken blijkt dat metier voor Peter Seynaeve al te<br />
vaak samenvalt met groot, gedragen spelen, het etaleren<br />
van speeltrucs, het zichtbaar ‘spelen’. Het is een stijl<br />
die hem niet bevalt: ‘Ik ben beginnen theater maken<br />
omdat ik de nood voelde om werk te maken waarin het<br />
niét ging over metier, over ‘kijk eens wat ik kan’– ik wilde<br />
dat het publiek kon kijken naar een mens.’ Om zo dicht<br />
mogelijk bij die mens te blijven en zo weinig mogelijk<br />
te moeten ‘spelen’ is het dus logisch dat Seynaeve<br />
kiest voor vertellers die zo nauw mogelijk aansluiten<br />
bij het vertelde. Ook Joke Laureyns vult het woord<br />
metier technisch in, en maakt duidelijk dat techniciteit<br />
haar weinig interesseert: ‘Wat ik zoek is een ruwheid,<br />
een onvolmaaktheid, en die heeft niets te maken met<br />
techniciteit. Pure dans interesseert me niet. Het gaat<br />
om de blik, de uitstraling, de energie van de mensen op<br />
scène. Het doet er niet toe wat je doet, alleen hoe je het<br />
doet.’<br />
Ik worstel met het begrip. In een vorig essay 2 omschreef<br />
ik metier immers als een essentieel bestanddeel van<br />
theater dat raakt. Ik moet dus mijn invulling van<br />
n<br />
Mondays © ans Vroom<br />
41<br />
1 ‘Leuk voor die organisaties is dat ze<br />
jonge spelers niet hoeven betalen, maar<br />
daartegenover staat een specifieke<br />
aanpak en een arbeidsintensievere<br />
begeleiding.’ In: HILLAERT, Wouter,<br />
‘Jongens, meisjes en hormonen’, in:<br />
De Morgen, 7 mei 2008.<br />
2 COUSSENS, Evelyne, Jong Theater<br />
2009: De vangst gewikt en gewogen,<br />
in: Staalkaart, nr 1, jaargang 1, pp<br />
54-55.<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
42<br />
n<br />
naar Medea ©Koen broos<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010<br />
het begrip herformuleren, ruimer dan de technische<br />
vaardigheden, de betekenis ervan opschuivend naar<br />
de kunst om te overtuigen, met of zonder ‘speeltrucs’,<br />
de kunst om geloofd te worden, evengoed door ‘groot’<br />
‘spelen’ als door het welhaast ‘niet-spelen’. Zoals Inne<br />
Goris zegt: ‘Als ik een oude man op scène wil zetten wil<br />
ik geen acteur zien die een oude man speelt, maar een<br />
acteur die een oude man ís, die hier en nu op scène<br />
staat op een manier die klopt.’ Metier als de kunde om<br />
de toeschouwer te verhullen dat er spelafspraken zijn<br />
gemaakt. En in die nieuwe definitie kan metier nooit een<br />
nadeel zijn.<br />
Het ‘er zijn’, op een geloofwaardige manier, in het hier en<br />
nu. Daar gaat het om wanneer ik verlang ‘authenticiteit’<br />
te zien. Dat vergt van de acteur energie, concentratie<br />
en connectie – zoals Inne Goris zegt: ‘Elke acteur, kind<br />
of volwassene, gaat op zoek naar iets in zichzelf dat hij<br />
kan gebruiken.’ Dat putten uit zichzelf kunnen kinderen<br />
of jongeren niet per definitie beter of slechter dan<br />
volwassenen. Met andere woorden: authenticiteit heeft<br />
niets te maken met metier (mijn oude definitie), alles<br />
met metier (mijn nieuwe definitie).<br />
Het kiezen van kinderen<br />
Kinderen en jongeren beschikken in potentie dus over<br />
evenveel overtuigingskracht/metier als volwassenen.<br />
Maar geldt dat voor alle kinderen? Op basis waarvan<br />
kiezen de makers ‘hun’ acteurs? Inne Goris: ‘Het volstaat<br />
niet om kind te zijn, neen. Ik selecteer de kinderen<br />
waarbij ik verbeelding vermoed, een gevoeligheid,<br />
kinderen van wie ik vermoed dat ze kunnen improviseren<br />
en niet bang zijn om ook de donkere kanten in zichzelf op<br />
te zoeken. Maar dat geldt evengoed voor volwassenen.<br />
Je zoekt naar persoonlijkheden op maat van je verhaal.’<br />
Joke Laureyns: ‘Ik kies kinderen naar wie ik spontaan<br />
blijf kijken, omdat ze die hoekigheid in zich dragen die<br />
ik zoek. Er zijn kinderen die dat niet hebben, net zoals<br />
er volwassen dansers diezelfde kwaliteit bezitten. Wie ik<br />
kies hangt samen met de keuze van het materiaal.’<br />
Wat in alle drie de gevallen vaststaat, is dat eenmaal<br />
de jonge ploeg gelanceerd is, de bevruchting wederzijds<br />
is en de regisseurs zich in de behandeling van hun<br />
materiaal door de kinderen laten inspireren. Joke<br />
Laureyns: ‘Eens je vertrokken bent in het werkproces<br />
zijn de kinderen onvervangbaar, en kan het enkel nog<br />
met hen gebeuren.’ Peter Seynaeve: ‘Hun inbreng is<br />
gigantisch. Ik moet op zoek gaan naar wie zij zijn,<br />
hoe zij bewegen, hoe zijn praten, wat ze belangrijk en<br />
onbelangrijk vinden - met dat materiaal moet ik mijn<br />
verhaal vertellen, dat materiaal ís mijn verhaal.’<br />
Ethische kwesties: gebruik en misbruik<br />
Het brengt me bij de vraag rond de machtsverhouding<br />
tussen regisseur en minderjarige dansers/acteurs.<br />
Alle drie de makers hebben al te maken gehad met de<br />
verontwaardigde reacties van buitenstaanders, die<br />
vonden dat de kinderen of jongeren ‘misbruikt’ werden.<br />
Het woord ‘misbruik’ lijkt daarbij zwaar overtrokken. Inne<br />
Goris: ‘Hoe graag je ook je verhaal kwijt wilt, je zoekt<br />
altijd naar hetgeen je spelers aankunnen. Ik zal nooit een<br />
kind of volwassen acteur forceren tot iets waar hij zich<br />
niet goed in voelt. Er wordt natuurlijk veel gepraat. En als<br />
iemand een scène echt niet ziet zitten, sneuvelt ze, daar<br />
mag je zeker van zijn.’
Maar wat met ‘gebruik’? In de relatie tussen regisseur<br />
en acteurs, staan wederzijds respect en wederzijdse<br />
inspiratie voorop, zo begrijp ik uit de gesprekken.<br />
Maar wanneer ik het in m’n inleiding heb over de<br />
‘emancipatie’ van de jonge acteurs, in een beweging<br />
waarin zij ‘zelf’ de scène ‘veroveren’, sla ik natuurlijk<br />
evengoed de bal mis. Want echte gelijkwaardigheid<br />
op scène is een illusie. Joke Laureyns: ‘Natuurlijk<br />
‘gebruiken’ wij de kinderen om ons verhaal te vertellen.<br />
Wij werken zelden met kinderen ouder dan twaalf –<br />
wanneer wij ‘volwassen’ thema’s aanhalen, kunnen ze<br />
niet de volledige draagwijdte vatten van wat wij willen<br />
vertellen. Je kunt hen iets laten voelen, maar daarna<br />
moet je je trukendoos bovenhalen, een spel met hen<br />
spelen. Dat vergt van hun kant veel vertrouwen, en<br />
van jouw kant veel zorgzaamheid, want je brengt hen<br />
naar een plaats die zij niet kennen. Het is een enorme<br />
verantwoordelijkheid’ Verantwoordelijk, zorgzaamheid,<br />
respect - maar op het einde van de rit neemt die maker<br />
de beslissingen. Inne Goris laat daar geen twijfel<br />
over bestaan: ‘Iedereen doet zijn zeg en ik luister<br />
naar iedereen, maar uiteindelijk beslis ik. Ik kies.’ Het<br />
bewijst ten overvloede dat de makers in een artistieke<br />
logica zitten, niet in een pedagogische. En dat brengt<br />
me opnieuw bij het begrip emancipatie, niet van de<br />
jonge acteurs of dansers maar van de voorstellingen<br />
zelf. Bekleden de voorstellingen gemaakt met jonge en<br />
niet-professionele acteurs of dansers een volwaardige<br />
positie in het volledige podiumkunstenveld?<br />
Theaterkritische kwesties<br />
Het antwoord vanuit het standpunt van de makers<br />
schuilt kort gezegd in de gehele voorafgaande<br />
discussie, waaruit telkens bleek dat zij alle drie in<br />
de eerste plaats uitgaan van artistieke premissen.<br />
Wanneer ik hen toch nog expliciet vraag of de<br />
theaterkritiek ‘anders’ moet kijken naar voorstellingen<br />
gemaakt met kinderen of jongeren klinkt zoals verwacht<br />
een driestemmig ‘neen’. Dat er vanuit het standpunt<br />
van de toeschouwer wel een probleem is, wordt echter<br />
ook door de makers onderkend. Joke Laureyns: ‘De<br />
kinderen beseffen vaak niet welk verlangen, welke<br />
nostalgie zij bij volwassenen oproepen. Ik probeer die<br />
aaibaarheidsfactor te weren, door hen streng aan te<br />
pakken wanneer ze hem proberen uit te spelen. Maar<br />
de blik van volwassenen valt soms niet te sturen – de<br />
mensen willen zo graag op die manier kijken.’ Voor de<br />
kunstenaar is de zaak helder, het lijkt dus enkel de<br />
opdracht van de professionele criticus om zijn week<br />
wordende blik bij te sturen.<br />
Conclusie: de vraag stellen is haar beantwoorden<br />
Na de gesprekken met de drie makers blijft voor mij<br />
één hoofdtoon zoemen. Het maken van een voorstelling<br />
met kinderen en/of jongeren verschilt in wezen niet<br />
veel van een productie met volwassen acteurs. De<br />
artistieke mechanismen zijn dezelfde: de maker kiest<br />
materiaal, verzamelt de juiste ploeg persoonlijkheden,<br />
zoekt naar de grootst mogelijke authenticiteit, wil enkel<br />
afgerekend worden op zijn artistieke merites. Daarmee<br />
bijt deze bevraging als een slang in zijn eigen staart,<br />
en vervalt in feite de relevantie van het vraagstuk.<br />
De verschillen tussen maken met volwassenen en<br />
maken met kinderen en/of jongeren blijken plots te<br />
onbelangrijk om het er nog over te hebben. En laat dat<br />
nu het wezenlijke kenmerk zijn van emancipatie. n<br />
n<br />
ajar © raymond Mallentjer<br />
43<br />
STAALKAART #3 jAnuARi-febRuARi2010
De enige televisiezender die exclusief<br />
focust op cultuur.<br />
Naast muziek en opera ook hedendaagse<br />
en klassieke dans, documentaires<br />
en een dagelijks cultuurjournaal.<br />
EXQI Culture, dat is genieten van<br />
toptalent in de beste beeldkwaliteit.<br />
www.exqiculture.be<br />
EXQI Culture is digitaal te bekijken bij<br />
POP<br />
OP DINSDAG<br />
Arno, Moby, Placebo, Lily Allen, Patricia Kaas, Kaiser<br />
Chiefs, Phoenix, …<br />
Placebo © Arianna Carotta<br />
OPERA<br />
OP VRIJDAG<br />
La Bohème van Puccini in de English National Opera<br />
Pimpinone van Telemann in Amsterdam<br />
En verder…<br />
Wereldmuziek op maandag, klassiek op woensdag en<br />
nieuw talent op donderdag.