07.08.2013 Views

lesvoorbereiding - Meer... - Thuis in Nederlands

lesvoorbereiding - Meer... - Thuis in Nederlands

lesvoorbereiding - Meer... - Thuis in Nederlands

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

<strong>lesvoorbereid<strong>in</strong>g</strong><br />

thema 1 naar een nieuwe school


Waar gaat het over?<br />

<strong>in</strong> dit eerste thema maken de cursisten kennis met hun nieuwe school, hun docenten en elkaar. Zo<br />

bez<strong>in</strong>nen ze zich op verschillende schoolse en andere vaardigheden, zoals plannen en organiseren, die<br />

nodig zijn om succesvol aan de cursus deel te nemen.<br />

ook leren ze werken met het computerprogramma van Klaar voor de start.<br />

er wordt een beg<strong>in</strong> gemaakt met het leren <strong>in</strong> vijf fases.<br />

algemeen doel<br />

De cursist kan omgaan met een nieuwe (school-)situatie.<br />

subdoelen<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

De cursist kan zich voorstellen (taal en bijbehorende houd<strong>in</strong>g en handel<strong>in</strong>gen).<br />

De cursist kan groeten.<br />

De cursist kan een lesrooster lezen.<br />

De cursist kan ‘schoolwoorden’ begrijpen en gebruiken.<br />

De cursist kan zijn/haar naam spellen.<br />

De cursist kan getallen tot 100 begrijpen en gebruiken<br />

De cursist kent de maanden van het jaar.<br />

De cursist kan simpele handel<strong>in</strong>gen op de computer doen (klikken, slepen).<br />

De cursist begrijpt de <strong>in</strong>structietaal die nodig is voor de e-learn<strong>in</strong>g.<br />

De cursist kan de woordenlijst op de computer gebruiken.<br />

De cursist kan een woordenschrift gebruiken.<br />

aandachtspunten<br />

Gebruik de eerste week om cursisten zich te laten voorbereiden op de drukke tijd die komen gaat. het<br />

(weer) gaan studeren is voor veel cursisten een hele omschakel<strong>in</strong>g waarvoor een goede plann<strong>in</strong>g en<br />

motivatie nodig zijn. Zelfvertrouwen kweken en het scheppen van een goede groepssfeer zijn essentieel.<br />

ook specifieke aandacht voor het ‘leren leren’ is van belang, zowel <strong>in</strong> de groepslessen als bij het werken<br />

op de computer.<br />

het is verstandig om bij het kennismaken en groeten aandacht te besteden aan culturele verschillen.<br />

Zonder een waardeoordeel te geven kan gewezen worden op het belang dat <strong>in</strong> nederland gehecht<br />

wordt aan zaken als ’een stevige hand’ geven, iemand aankijken en glimlachen.<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

2<br />

THEMA 1


thema 1 naar een nieuwe school<br />

doel van het thema: De cursist kan omgaan met een nieuwe (school-) situatie.<br />

onderwerpen subdoelen materiaal Kns<br />

• De cursist kan zich voorstellen (taal en bijbehorende houd<strong>in</strong>g en handel<strong>in</strong>gen) Film naar een nieuwe school<br />

• De cursist kan groeten.<br />

e-learn<strong>in</strong>g<br />

• De cursist kan een lesrooster lezen.<br />

werkbladen 1.0, 1.1, 1.2, 1.3, 1.4,<br />

• De cursist kan ‘schoolwoorden’ begrijpen en gebruiken.<br />

1.5 en 1.6<br />

• De cursist kan zijn/haar naam spellen.<br />

Knipbladen1.1, 1.2 en 1.3<br />

• De cursist kan getallen tot 100 begrijpen en gebruiken.<br />

hulpkaart thema 1<br />

• De cursist kent de maanden van het jaar<br />

Formulieren praktijkopdracht (3)<br />

• De cursist kan simpele handel<strong>in</strong>gen op de computer doen (klikken, slepen). stevig rood en groen papier<br />

• De cursist begrijpt de <strong>in</strong>structietaal die nodig is voor de e-learn<strong>in</strong>g<br />

Zelfklevende papiertjes<br />

• De cursist kan de woordenlijst van de e-learn<strong>in</strong>g begrijpen<br />

• De cursist kan een woordenschrift gebruiken<br />

oriënteren voorbereiden uitvoeren terugkijken verwerken<br />

Kennismaken en groeten<br />

school<br />

leren<br />

Gebruik<br />

maken van<br />

werkblad 1.6<br />

Gebruik<br />

maken van<br />

formulier<br />

Gebruik<br />

maken van<br />

werkblad 1.6<br />

Praktijkopdrachten voorbereiden <strong>in</strong><br />

de groepsles<br />

werken met het e-learn<strong>in</strong>g programma<br />

Kennismaken:<br />

• stoeltje klap: voorstellen (klassikaal)<br />

• maak een rij: alfabet (klassikaal)<br />

• iets opzoeken <strong>in</strong> de woordenlijst (klassikaal / duo’s)<br />

• <strong>in</strong>terview: vragen stellen bij kennismaken, <strong>in</strong>clusief het spellen van de naam<br />

(duo’s, klassikaal)<br />

• loop rond en ruil je kaartje: vrijere productie oefenen met vragen stellen bij<br />

kennismaken (wisselende duo’s)<br />

• maak groepjes: variatie op vorige oefen<strong>in</strong>g (groepswerk)<br />

Groeten<br />

• manieren van groeten: <strong>in</strong>ventariseren van verbale en non verbale manieren<br />

(klassikaal)<br />

• Formeel en <strong>in</strong>formeel (klassikaal)<br />

• u of jij? (wisselende duo’s)<br />

• rubriceren u en jij (groepswerk)<br />

• rollenspel kennismaken en groeten (duo’s)<br />

schoolwoorden en <strong>in</strong>structies<br />

• wat zie je <strong>in</strong> het klaslokaal? (groepswerk, klassikaal)<br />

• woorden en plaatjes (groepswerk)<br />

• rubriceren (groepswerk)<br />

• Doe wat ik zeg (klassikaal, <strong>in</strong>dividueel)<br />

• tellen tot honderd (klassikaal, groepswerk)<br />

lesrooster en agenda<br />

• heb jij al een agenda? wat doe je met een agenda (klassikaal)<br />

• De dagen van de week (<strong>in</strong>dividueel, klassikaal)<br />

• De maanden van het jaar (<strong>in</strong>dividueel, klassikaal)<br />

• het lesrooster (klassikaal, <strong>in</strong>dividueel, duo’s)<br />

Film kijken met<br />

de kijkvragen en<br />

groepsgesprek<br />

luisteropdracht groeten<br />

Groet je buren<br />

maak kennis met drie<br />

onbekende mensen buiten het<br />

klaslokaal<br />

1.<br />

2.<br />

3.<br />

Doel: kennis activeren /<br />

deelnemer <strong>in</strong>teresseren<br />

voor het onderwerp


Oriënteren<br />

de film<br />

Zoals elk thema, wordt ook thema 1 <strong>in</strong>geleid door een film. Deze wordt met de groep <strong>in</strong> de groepsles<br />

bekeken en besproken. omdat thema 1 de start van het traject is, zult u deze keer waarschijnlijk<br />

beg<strong>in</strong>nen met het kennismak<strong>in</strong>gsgedeelte en zal de film pas op een later moment <strong>in</strong> de groepsles aan de<br />

orde komen.<br />

Voordat u met de cursisten de film gaat bekijken, kunt u kort iets over de hoofdpersonen vertellen:<br />

een irakees gez<strong>in</strong> tarik (35 jaar), Zoera (32 jaar) en Badria (12 jaar) is pas <strong>in</strong> een flat <strong>in</strong> Barendrecht komen<br />

wonen. Ze hebben een buurman: Jan. Deze toont zich ‘meer dan behulpzaam’.<br />

Korte <strong>in</strong>houd van de film:<br />

Tarik en Zoera mogen e<strong>in</strong>delijk naar de cursus <strong>Nederlands</strong>. Is het nou op woensdag of donderdag of<br />

beide dagen? Ze nemen het zekere voor het onzekere. Vandaag is het woensdag. Dus ze gaan vol goede<br />

moed naar school. Badria zwaait hen uit. Buurman Jan wijst hen de weg. Als ze het (lege) klaslokaal<br />

b<strong>in</strong>nenstappen, blijkt dat ze een dag te vroeg zijn. Tarik schaamt zich en wil meteen weer weg, maar de<br />

lerares neemt even de tijd voor een kennismak<strong>in</strong>gsgesprek.<br />

nB.:Vertel deze <strong>in</strong>houd niet aan uw cursisten. Daarmee geeft u de ‘clou’ weg.<br />

Deel werkblad 1.0 uit. hierop staan kijkvragen voor drie rondes filmkijken.<br />

lees voor elke kijkronde eerst samen de vragen en de mogelijke antwoorden.<br />

Bespreek de antwoorden na voordat u de film nogmaals laat zien.<br />

aansluitend kunt u <strong>in</strong> een groepsgesprek <strong>in</strong>gaan op de eigen ervar<strong>in</strong>gen van cursisten:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

op welke dagen moet u naar de <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gscursus?<br />

V<strong>in</strong>dt u het leuk om naar school te gaan?<br />

Komt u altijd op tijd?<br />

Kunt u al werken op de computer?<br />

wie kan u helpen met de computer?<br />

heeft u ook een nederlandse buurman?<br />

Praat u met uw (nederlandse) buren?<br />

…………………………………….<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

4<br />

THEMA 1


VOOrbereiden<br />

WerKen met het e-learn<strong>in</strong>g programma<br />

<strong>in</strong> de eerste lessen maken uw cursisten niet alleen kennis met u, met elkaar en met de school, maar<br />

ook met een nieuw computerprogramma. Voor een aantal cursisten zal het werken op de computer<br />

geheel nieuw zijn. De m<strong>in</strong>igames zijn speciaal ontwikkeld voor het oefenen van de basisvaardigheden<br />

zoals klikken en slepen. maar ook het aan- en uitzetten, <strong>in</strong>loggen en <strong>in</strong>zicht <strong>in</strong> de structuur van het<br />

(gebruiksvriendelijke) programma moet worden aangeleerd.<br />

het is van groot belang dat u ervoor zorgt dat uw cursisten niet alleen met het programma kunnen<br />

werken en alle mogelijkheden ervan kunnen benutten, maar ook dat zij de e-learn<strong>in</strong>g op de juiste<br />

manier <strong>in</strong>zetten <strong>in</strong> hun leerproces. Ze moeten <strong>in</strong>zien dat het geen z<strong>in</strong> heeft zichzelf ‘door het<br />

programma heen te klikken’. Ze moeten leren dat fout gemaakte oefen<strong>in</strong>gen opnieuw gedaan moeten<br />

worden, dat luisterfragmenten keer op keer herhaald kunnen worden, dat de woordenlijst er is om<br />

onbekende woorden op te zoeken, kortom dat ze pas door moeten gaan als de stof werkelijk begrepen<br />

is.<br />

u zult een aantal keren begeleide computerlessen moeten geven, voordat de cursisten zelf (thuis) op<br />

verantwoorde wijze met het programma kunnen werken. neem deze lessen op <strong>in</strong> uw plann<strong>in</strong>g en zorg<br />

de eerste keren <strong>in</strong>dien mogelijk voor extra assistentie.<br />

lees voor u beg<strong>in</strong>t goed het gedeelte over de e-learn<strong>in</strong>g <strong>in</strong> de handleid<strong>in</strong>g e-learn<strong>in</strong>g met<br />

cursistenblad, zodat u kunt bepalen wat <strong>in</strong> uw situatie de handigste manier is om uw cursisten<br />

optimaal met het programma te leren werken.<br />

Zorg dat u het programma kent voordat u uw cursisten ermee aan de slag laat gaan.<br />

KennismaKen en groeten<br />

u kunt een keuze maken uit de volgende lessuggesties, afhankelijk van het niveau van uw groep.<br />

KennismaKen<br />

stoeltje klap (klassikaal)<br />

een leuke manier om een nieuwe groep te ontvangen is een opstell<strong>in</strong>g waarbij de stoelen <strong>in</strong> een kr<strong>in</strong>g<br />

staan. u beg<strong>in</strong>t met het voorstellen van uzelf aan de groep. uw naam, woonplaats, leeftijd, uw rol<br />

(docent) <strong>in</strong> de cursus etc. Ga de kr<strong>in</strong>g rond en geef iedereen een hand waarbij u zegt: ‘hallo/dag, ik ben<br />

….’ of: ‘mag ik me even voorstellen, ik ben…..’<br />

Vervolgens laat u een namenrondje doen, waarbij u eventueel vragen stelt. (wat is uw/jouw naam? hoe<br />

heet je/u? waar kom je vandaan? waar woon je?) herhaal hardop nog eens de voornamen. Voeg dan<br />

een lege stoel aan de kr<strong>in</strong>g toe, rechts van uzelf. sla met de rechterhand op de stoel en noem een (voor)<br />

naam van een cursist. Deze moet naast u komen zitten op de lege stoel. nu heeft een andere cursist<br />

een lege stoel rechts naast zich. Deze slaat nu met de hand op de stoel en noemt een naam. Genoemde<br />

cursist neemt de lege plaats <strong>in</strong> en weer is een andere cursist aan de beurt op de stoel te slaan en een<br />

naam te noemen. Ga door tot iedereen zo ongeveer de voornamen weet. een leuke werkvorm om de<br />

spann<strong>in</strong>g te breken en elkaars namen te leren.<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

5<br />

THEMA 1


maak een rij (klassikaal)<br />

Ga <strong>in</strong> een kr<strong>in</strong>g zitten. Vraag of de cursisten het alfabet kennen. laat enkelen het alfabet opzeggen. of<br />

laat de cursisten op het rijtje af steeds de volgende letter van het alfabet zeggen. Bespreek eventuele<br />

moeilijkheden. noem en spel uw eigen naam en schrijf de letters op het bord. Vraag aan enkele<br />

cursisten of ze hun (voor)naam kunnen spellen. schrijf mee op het bord en controleer zo met elkaar of<br />

de spell<strong>in</strong>g klopt. Bedenk samen welke naam eerst komt <strong>in</strong> het alfabet, en welke daarna. Kies ook twee<br />

namen met dezelfde beg<strong>in</strong>letter, zodat ook de tweede letter <strong>in</strong> het antwoord betrokken moet worden.<br />

als dit lijkt te lukken geeft u de cursisten opdracht een lange rij te vormen op alfabetische volgorde. u<br />

beg<strong>in</strong>t met de voornamen. (De a staat bij de deur en de Z bij het raam.) om dit goed te kunnen doen<br />

moeten ze elkaar steeds twee vragen stellen:<br />

- hoe heet je?/wat is je voornaam?<br />

- hoe spel je dat?/Kun je dat spellen?<br />

schrijf deze vragen van te voren op het bord, zodat cursisten kunnen spieken. Geef de cursisten een<br />

paar m<strong>in</strong>uten de tijd en loop dan de rij langs om te controleren of iedereen goed staat. hebben ze ook<br />

goede vragen gesteld?<br />

herhaal de oefen<strong>in</strong>g eventueel met de achternamen.<br />

Vaardiger cursisten kunnen helpen door het alfabet op het bord te schrijven, zodat de anderen dat als<br />

een steuntje kunnen gebruiken. Ze kunnen de anderen ook helpen door te vragen wat hun naam is en<br />

zo de m<strong>in</strong>der vaardige cursist op weg helpen. De helpende cursist oefent op deze manier ook al met<br />

het stellen van <strong>in</strong>formatieve vragen: wat is je naam? wat is de eerste letter van je naam? Komt die letter<br />

voor of na de …? etc.<br />

iets opzoeken <strong>in</strong> de woordenlijst (klassikaal/duo’s)<br />

aansluitend op de vorige oefen<strong>in</strong>g over de alfabetische volgorde, kunt u tijdens de begeleide<br />

computerles enkele opzoekopdrachten geven met de woordenlijst <strong>in</strong> de e-learn<strong>in</strong>g. Dit kan echter pas<br />

als uw cursisten al (globaal) hebben kennisgemaakt met het programma. u kunt deze oefen<strong>in</strong>g ook<br />

uitstellen tot een later moment <strong>in</strong> thema 1. maak <strong>in</strong> dat geval wel de relatie duidelijk met de eerder<br />

geoefende alfabetische volgorde!<br />

Ga met uw cursisten achter de computer zitten. Zet eventueel twee cursisten samen achter een<br />

computer, als dat voor u overzichtelijker is. Bij thema 1 selecteren de cursisten ‘de woorden’. De<br />

woorden staan op alfabetische volgorde. schrijf op het bord een aantal woorden, waarvan u wilt dat<br />

de cursisten ze gaan opzoeken, bijvoorbeeld heten, klikken, het rooster, de tafel etc. maak zelf van te<br />

voren een selectie.<br />

Zet gezamenlijk de volgende stappen:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

Vraag aan uw cursisten bij welke letter ze dat woord gaan zoeken.<br />

staat die letter aan het beg<strong>in</strong>, <strong>in</strong> het midden, of aan het e<strong>in</strong>d van het alfabet?<br />

Kunnen ze het woord v<strong>in</strong>den?<br />

staat er een z<strong>in</strong> achter waar<strong>in</strong> het woord gebruikt wordt? welke z<strong>in</strong>?<br />

Begrijp je de z<strong>in</strong>? Begrijp je het woord?<br />

staat er iets achter over (het gebruik van) een werkwoord?<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

6<br />

THEMA 1


-<br />

-<br />

welk werkwoord?<br />

wat staat er onder ‘betekenis’? Begrijpt iedereen de uitleg?<br />

herhaal bij elk nieuw woord dat uw cursisten gaan opzoeken deze stappen.<br />

als het gezamenlijk zoeken goed verloopt, kunt u de duo’s ook zelfstandig een paar woorden laten<br />

opzoeken. Geef ieder duo bijvoorbeeld steeds een kaartje waarop u een woord schrijft uit thema 1. laat<br />

onder het woord de betekenis opschrijven zoals die gegeven wordt <strong>in</strong> de woordenlijst.<br />

wijs uw cursisten op het belang van het zelf opzoeken van woorden die ze<br />

niet begrijpen.<br />

nog andere tips voor de woordenlijst:<br />

- De cursist kan luisteren naar de uitgesproken woorden en contextrijke z<strong>in</strong>nen en ze naspreken.<br />

- u noemt een woord uit de woordenlijst. Ze noemen een bijpassend woord of een synoniem, een<br />

tegengesteld woord, etc. Dit is afhankelijk van het niveau van de cursist.<br />

laat uw cursisten een woordenschrift aanleggen, bijvoorbeeld achter een apart tabblad <strong>in</strong> hun map<br />

waar<strong>in</strong> ze per thema alle moeilijke woorden opschrijven met daarachter een plaatje, de betekenis <strong>in</strong> het<br />

nederlands of <strong>in</strong> hun eigen taal. De cursist kan ook de woordenlijst uitdraaien en <strong>in</strong> het woordenschrift<br />

doen. Zie hiervoor ook de algemene handleid<strong>in</strong>g.<br />

<strong>in</strong>terview (duo’s/klassikaal)<br />

Bespreek met de groep de vragen die je kunt stellen bij het kennismaken en de antwoorden die daarbij<br />

horen. schrijf de vragen op het bord:<br />

- hoe heet je? (ik heet …….)<br />

- wat is je naam? (mijn naam is …..)<br />

- Kun je dat spellen? (m.a.r.i.a. r.i.n.c.o.n.)<br />

- waar kom je vandaan? (ik kom uit ……)<br />

- uit welk land kom je? (ik kom uit ……)<br />

- waar woon je? (ik woon <strong>in</strong> ………)<br />

- hoe oud ben je? (ik ben …….. jaar.)<br />

- wat is je leeftijd? (ik ben ……)<br />

stel de vragen aan verschillende cursisten. oefen ook met het uitspreken van de vragen en antwoorden.<br />

u zegt steeds een z<strong>in</strong> voor, de cursisten zeggen de z<strong>in</strong> na. let op uitspraak en <strong>in</strong>tonatie.<br />

Vorm nu duo’s. om willekeurige duo’s te krijgen van mensen die elkaar niet kennen, kunt u bijvoorbeeld<br />

halve speelkaarten uitdelen en ieder zo een partner laten v<strong>in</strong>den. Geef iedereen werkblad 1.1a. laat de<br />

cursisten elkaar om de beurt de vragen stellen en het antwoord opschrijven. Vervolgens gebruikt iedere<br />

cursist werkblad 1.1B om zijn partner voor te stellen aan de groep.<br />

Dit is….. hij/zij komt uit…… hij/zij woont <strong>in</strong>….. hij/zij is … jaar.<br />

Geef feedback of vraag de cursisten dit te doen.<br />

De cursisten doen het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

7<br />

THEMA 1


loop rond en ruil je kaartje. (wisselende duo’s)<br />

Kopieer de vier ruilkaarten op knipblad 1.1, zodat u voor iedere cursist één kaart heeft. herhaal nog<br />

eens de correcte vragen en antwoorden die bij de kaarten horen:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

hoe heet je? – ik heet……./ wat is je naam? – mijn naam is …..<br />

waar kom je vandaan?/ uit welk land kom je? – ik kom uit …..<br />

waar woon je? – ik woon <strong>in</strong> ……….<br />

hoe oud ben je?/ wat is je leeftijd? – ik ben …….. jaar<br />

iedere cursist krijgt nu een kaartje met het symbool voor ‘naam’, ‘land’ ‘leeftijd’ of ‘woonplaats’. De<br />

cursisten gaan nu door elkaar lopen door het lokaal. steeds spreekt een cursist een andere aan en<br />

stelt zijn vraag. De andere cursist geeft antwoord en stelt op zijn beurt zijn vraag. De ander geeft nu<br />

antwoord. hierna ruilen de cursisten van kaart en vervolgen hun weg om weer iemand anders aan te<br />

spreken. loop zelf rond en geef feedback op het juist formuleren van de vragen en antwoorden.<br />

maak groepjes (groepswerk)<br />

een variatie op de vorige werkvorm is deze: de cursisten lopen door elkaar door het lokaal. Geef als<br />

opdracht dat ze steeds andere groepjes moeten vormen. Zo moeten bijvoorbeeld eerst alle mensen uit<br />

hetzelfde land een groepje vormen. hiervoor moeten de cursisten aan elkaar vragen : ‘uit welk land kom<br />

jij?’<br />

Vervolgens geeft u steeds een andere opdracht:<br />

maak groepjes:<br />

- met dezelfde woonplaats<br />

- leeftijd ouder/jonger dan 40<br />

- zelfde beg<strong>in</strong>letter voornaam<br />

loop rond en luister naar het juist formuleren van vragen en antwoorden. Geef feedback.<br />

groeten<br />

manieren van groeten (klassikaal)<br />

<strong>in</strong>ventariseer met de cursisten allerlei manieren van groeten, zowel verbaal als non-verbaal. Zet de<br />

vondsten op het bord.<br />

woorden gebaren/houd<strong>in</strong>g<br />

Goedemorgen (meneer, mevrouw) hand opsteken<br />

Goedemiddag zwaaien<br />

Goedenavond hand geven<br />

hoi! buigen<br />

hallo kussen op de wang (1, 2 of 3)<br />

hoe gaat het met u/jou? iemand aankijken<br />

Goed, en met u/jou? glimlachen<br />

Dag! ……<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

8<br />

THEMA 1


tot ziens! ……<br />

tot…..!<br />

Doei!<br />

misschien kennen cursisten vanuit hun eigen cultuur speciale manieren om (bepaalde) mensen te<br />

groeten. het is <strong>in</strong>teressant om verschillen te bespreken of uit te beelden.<br />

- wie raak je wel/niet aan?<br />

- wie krijgt een zoen/hand?<br />

- Kijk je iemand aan?<br />

- is er verschil tussen mannen/vrouwen, familie/ vreemden, etc.?<br />

formeel en <strong>in</strong>formeel (klassikaal)<br />

Deel werkblad 1.2 uit. Bespreek samen de z<strong>in</strong>nen op het blad en het verschil tussen formeel en<br />

<strong>in</strong>formeel. ook bij de vormen van groeten is dit onderscheid te maken. sommige uitdrukk<strong>in</strong>gen zijn <strong>in</strong><br />

alle situaties geschikt.<br />

Zeg de z<strong>in</strong>nen voor en laat ze (klassikaal) nazeggen. maak ook met uw toon en houd<strong>in</strong>g of gebaren het<br />

verschil tussen formeel en <strong>in</strong>formeel duidelijk. Geef ook <strong>in</strong>dividuele cursisten een beurt. let op uitspraak<br />

en <strong>in</strong>tonatie.<br />

De cursisten doen het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

u of jij ? (wisselende duo’s)<br />

Bespreek aan de hand van de <strong>in</strong>ventarisatie op het bord met de cursisten of elke manier van groeten<br />

altijd gepast is. Geef (met groen) aan welke z<strong>in</strong>nen/woorden geschikt zijn voor vrienden en welke voor<br />

ouderen of onbekenden (rood). u kunt hiervoor de termen formeel en <strong>in</strong>formeel hanteren en deze<br />

koppelen aan het gebruik van ‘u’ en ’jij’. er zijn natuurlijk ook z<strong>in</strong>nen/woorden die <strong>in</strong> alle situaties te<br />

gebruiken zijn. Verwijs ook naar werkblad 1.2.<br />

Knip van te voren rode en groene kaartjes van stevig papier.<br />

Geef nu de helft van de cursisten een groen kaartje en de andere helft een rood kaartje. een groen<br />

kaartje betekent: je bent een ‘jij’. een rood kaartje betekent: je bent een ‘u’. cursisten lopen nu door<br />

elkaar door het lokaal. iedereen die ze tegenkomen wordt begroet op een manier die past bij de kleur<br />

van de kaart die de ander bij zich draagt. een rode kaart wordt begroet met: ‘Goedemorgen meneer<br />

aziz, hoe gaat het met u? een groene kaart met: ‘hoi sara, hoe gaat het?” etc.<br />

cursisten kunnen op het bord ‘spieken’. na enkele m<strong>in</strong>uten ruilen de groene en rode cursisten van<br />

kaartje en wordt het spel herhaald.<br />

rubriceren: Wat hoort bij ‘u’? Wat hoort bij ‘jij’? (groepswerk)<br />

als u de <strong>in</strong>druk hebt dat het verschil tussen formeel en <strong>in</strong>formeel taalgebruik meer oefen<strong>in</strong>g behoeft,<br />

is deze rubriceeroefen<strong>in</strong>g geschikt. laat <strong>in</strong> groepjes de woorden en z<strong>in</strong>nen die met kennismaken en<br />

groeten te maken hebben <strong>in</strong> twee kolommen <strong>in</strong>vullen. Kopieer hiervoor werkblad 1.3. laat de cursisten<br />

werkblad 1.2 gebruiken voor het correct schrijven van de z<strong>in</strong>nen.<br />

De cursisten doen het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

9<br />

THEMA 1


ollenspel kennismaken en groeten. (duo’s)<br />

laat tot slot de cursisten <strong>in</strong> duo’s de hele kennismak<strong>in</strong>gsdialoog uitspelen <strong>in</strong> een rollenspel:<br />

Voorbeeldrollenspel:<br />

formeel:<br />

a b<br />

Zegt / vraagt:<br />

Goedemorgen, mag ik me even voorstellen? ik<br />

ben…..<br />

wat is uw naam?<br />

Zegt / vraagt:<br />

ik woon <strong>in</strong> Den haag en u?<br />

Zegt / vraagt:<br />

ik kom uit …, waar komt u vandaan?<br />

reageert:<br />

Bedankt, tot ziens<br />

<strong>in</strong>formeel:<br />

a b<br />

Zegt / vraagt:<br />

hallo, ik ben … wie ben jij?<br />

Zegt / vraagt:<br />

ik woon <strong>in</strong> … en jij?<br />

reageert:<br />

(Goedemorgen,) ik ben / ik heet, etc<br />

reageert:<br />

ik woon <strong>in</strong> …<br />

<strong>in</strong> ….<br />

reageert:<br />

ik kom uit …<br />

uit ….<br />

Groet:<br />

tot ziens / dag<br />

reageert:<br />

(hallo) ik ben / ik heet<br />

reageert:<br />

ik woon <strong>in</strong> …<br />

<strong>in</strong> ….<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

10<br />

THEMA 1


Zegt / vraagt:<br />

ik kom uit …. waar kom jij vandaan? / en jij?<br />

reageert:<br />

Bedankt, tot ziens<br />

reageert:<br />

ik kom uit …<br />

uit ….<br />

Groet:<br />

tot ziens / dag<br />

laat enkele duo’s het voor de groep uitspelen en geef samen feedback op taalgebruik en houd<strong>in</strong>g.<br />

schoolWoorden en <strong>in</strong>structies<br />

Wat zie je <strong>in</strong> het klaslokaal? (groepswerk/klassikaal)<br />

Bij deze oefen<strong>in</strong>g staat het leren begrijpen van (zelfstandig naam-)woorden die gebruikt worden <strong>in</strong> een<br />

schoolse situatie centraal. hiervoor heeft u een pakje zelfklevende papiertjes nodig (bijvoorbeeld<br />

‘post-it’). schrijf hierop een aantal (bijvoorbeeld 15) namen van voorwerpen en personen die <strong>in</strong> het<br />

lokaal aanwezig zijn. (bijvoorbeeld de tafel, de pen, de muis, de docent, het boek, etc) Doe dit zoveel<br />

keer als u groepjes cursisten hebt. u kunt de woorden gebruiken van knipblad 1.2.<br />

maak groepjes van ongeveer drie cursisten. Geef elk groepje 15 briefjes. laat ze samen door het lokaal/<br />

de school lopen en overal briefjes opplakken. als ze een woord niet kennen vragen ze de docent of een<br />

andere cursist om hulp. loop samen de briefjes na. hangen ze goed? laat ze <strong>in</strong>dien mogelijk een tijd<br />

hangen.<br />

Woorden en plaatjes (groepswerk)<br />

Kopieer voor deze oefen<strong>in</strong>g de knipbladen 1.2 op stevig gekleurd papier en knipbladen 1.3 op<br />

stevig wit papier. Doe dit zoveel keer als u groepjes cursisten heeft (drie cursisten per groepje). Knip de<br />

kaartjes los en doe ze <strong>in</strong> envelopjes. u kunt nu verschillende opdrachten geven:<br />

- leg de plaatjes op tafel. ‘wijs de tafel aan’. ‘wijs het toetsenbord aan’. etc.<br />

- leg de plaatjes op tafel, leg de woorden bij de plaatjes.<br />

- leg de plaatjes op tafel, zeg het woord dat bij het plaatje hoort.<br />

- Draai de plaatjes en woorden om. speel ‘memory’: de cursisten draaien om de beurt twee kaartjes<br />

om. een plaatje en bijpassend woord is een setje. niet goed? terugdraaien. Goed? Je mag het<br />

setje ‘houden’. wie w<strong>in</strong>t?<br />

rubriceren (groepswerk)<br />

Dit kan zowel met de plaatjes als met de woordkaartjes van knipbladen 1.2 en 1.3. laat de cursisten<br />

de kaartjes <strong>in</strong> drie kolommen neerleggen. Doe het even voor op het bord.<br />

- leg alle kaartjes van ‘de computer’ onder elkaar. (muis, toetsenbord, etc.)<br />

- leg alle kaartjes van ‘het klaslokaal’ onder elkaar. (stoel, bord, cursist, etc.)<br />

-<br />

leg alle kaartjes van d<strong>in</strong>gen uit je tas onder elkaar. (gum, agenda, potlood, etc)<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

11<br />

THEMA 1


doe wat ik zeg (klassikaal/<strong>in</strong>dividueel)<br />

om eenvoudige <strong>in</strong>structies te leren begrijpen, is deze oefen<strong>in</strong>g geschikt. Geef om de beurt steeds een<br />

opdracht aan alle cursisten of aan één cursist.<br />

mogelijkheden: stap 1: tijdens de <strong>in</strong>structie doet de docent zelf mee. hij doet het dus eigenlijk voor. hij<br />

spreekt de z<strong>in</strong>nen steeds uit <strong>in</strong> de gebiedende wijs. stap 2: de docent doet net als <strong>in</strong> stap 1, de cursist<br />

doet nu mee. stap 3: de docent spreekt de z<strong>in</strong>nen uit, maar doet zelf niet mee. De cursisten volgen de<br />

opdrachten op. u kunt alle cursisten de opdrachten laten doen, maar ook een naam noemen van één<br />

cursist.<br />

wanneer de cursisten al wat vaardiger zijn, kunt u deze oefen<strong>in</strong>g doen door eerdere vaardigheden erbij<br />

te betrekken door groepjes cursisten de opdracht te laten uitvoeren, bijvoorbeeld alle cursisten wiens<br />

naam beg<strong>in</strong>t met een a. u kunt ook nog een (goede) cursist de opdrachten laten geven.<br />

- sta op.<br />

- Ga zitten.<br />

- Doe het raam open/dicht.<br />

- Pak je boek/pen/tas.<br />

- Zet de computer aan/uit.<br />

- loop naar het bord, schrijf je naam op het bord.<br />

- loop naar de prullenbak/deur/kast<br />

- etc.<br />

maak zoveel mogelijk gebruik van de woorden op de woordenlijst uit de e-learn<strong>in</strong>g. Vermijd het gebruik<br />

van allerlei andere woorden om verwarr<strong>in</strong>g te voorkomen.<br />

tellen tot honderd (klassikaal/groepswerk)<br />

stel uw cursisten een aantal vragen over het aantal voorwerpen <strong>in</strong> de klas:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

hoeveel stoelen zijn er?<br />

hoeveel computers, tafels, cursisten?<br />

hoeveel vrouwen, mannen, ramen?<br />

etc.<br />

mocht het tellen tot honderd veel problemen opleveren <strong>in</strong> uw groep dan zijn de volgende oefen<strong>in</strong>gen<br />

wellicht geschikt. Kopieer werkblad 1.4. Dit is een honderdveld. hiermee kunt u verschillende<br />

oefen<strong>in</strong>gen doen, afhankelijk van het niveau van uw cursisten:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

u leest de getallen hardop voor en laat ze nazeggen.<br />

u laat cursisten om de beurt een rij lezen.<br />

u laat de cursisten een kolom lezen.<br />

u zegt een getal (beg<strong>in</strong> eenvoudig) en laat uw cursisten dit omcirkelen.<br />

De cursisten noemen om de beurt <strong>in</strong> duo’s of groepjes een getal dat de anderen moeten<br />

omcirkelen.<br />

De cursisten geven elkaar <strong>in</strong> duo’s of groepjes een getallendictee.<br />

De laatste suggesties zijn erg geschikt vaardige en m<strong>in</strong>der vaardige cursisten verschillende opdrachten<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

12<br />

THEMA 1


te geven. nB: er zijn 3 suggesties voor opdrachten met het honderdveld opgenomen <strong>in</strong> de werkbladen<br />

(1.4a, B en c). u kunt het honderdveld uiteraard vaker kopieëren om meer opdrachten te doen.<br />

lesrooster en agenda<br />

heb jij al een agenda? (klassikaal)<br />

laat alle cursisten een agenda meenemen voor de eerstvolgende les. wie er geen heeft, moet er een<br />

kopen. (<strong>in</strong>dien een cursist er toch geen bij zich heeft, kunt u hem voor deze opdracht een kopie van<br />

een leeg agendablad van deze week geven.)<br />

houd een groepsgesprek over het gebruik van een agenda.<br />

mogelijke vragen die u kunt stellen zijn:<br />

- Gebruik je een agenda? Zo ja, wat voor agenda?<br />

- wat schrijf je op <strong>in</strong> je agenda?<br />

- als je geen agenda hebt, hoe onthoud je dan al je afspraken?<br />

- Ga je wel eens zonder afspraak bij iemand op bezoek?<br />

- wanneer maak je van te voren een afspraak ?<br />

- Kom je altijd precies op de afgesproken tijd?<br />

- Gaan nederlanders anders met afspraken om dan je <strong>in</strong> je geboorteland gewend was?<br />

- etc.<br />

de dagen van de week (<strong>in</strong>dividueel/klassikaal)<br />

laat de cursisten hun agenda pakken en geef een aantal zoekopdrachten:<br />

- welke datum/ dag is het vandaag? Zoek deze op <strong>in</strong> je agenda.<br />

- welke dag is het morgen? en overmorgen?<br />

- welke dag was het gisteren? en eergisteren?<br />

- wie kan de dagen van de week opzeggen zonder te kijken?<br />

- welke week is het deze week? en volgende week?<br />

- etc.<br />

De maanden van het jaar (klassikaal/groepswerk)<br />

laat de cursisten hun agenda pakken en geef een aantal zoekopdrachten:<br />

- hoeveel maanden zijn er <strong>in</strong> een jaar?<br />

- welke maand is het nu?<br />

- welke maand was het hiervoor?<br />

- welke maand komt hierna?<br />

- <strong>in</strong> welke maand ben je geboren?<br />

- etc.<br />

maak groepjes van drie of vier cursisten. Kopieer knipblad 1.4. en knip de kaartjes met de maanden<br />

los. Doe dit zoveel keer als u groepjes heeft. elk groepje krijgt 12 kaartjes. laat ze van boven naar<br />

beneden op volgorde leggen (van januari tot december). loop rond en help waar nodig. laat de<br />

cursisten vooral ook elkaar helpen. stel de groepjes zo samen dat vaardige en m<strong>in</strong>der vaardige cursisten<br />

bij elkaar zitten.<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

13<br />

THEMA 1


laat elk groepje hardop de namen van de maanden <strong>in</strong> de juiste volgorde opnoemen. let op de<br />

uitspraak.<br />

Vraag elke cursist <strong>in</strong> welke maand hij/zij is geboren. laat het bijbehorende kaartje pakken.<br />

het lesrooster (klassikaal/<strong>in</strong>dividueel/duo’s)<br />

Kopieer werkblad 1.5a. Dit is een leeg lesrooster. Vertel de cursisten hun eigen (!) rooster voor deze<br />

cursus, en laat het lege rooster <strong>in</strong>vullen. Geef bijvoorbeeld de volgende <strong>in</strong>structies:<br />

- op maandagochtend hebben we groepsles.<br />

- op d<strong>in</strong>sdagmiddag hebben we computerles.<br />

- op woensdagmiddag hebben we vrij.<br />

- op donderdagavond kun je <strong>in</strong> het olc werken.<br />

- etc.<br />

schrijf de benodigde woorden op het bord.<br />

laat de cursisten <strong>in</strong> duo’s vergelijken of ze hetzelfde hebben <strong>in</strong>gevuld. loop rond en help waar nodig.<br />

het <strong>in</strong>gevulde rooster kunnen de cursisten <strong>in</strong> hun agenda plakken of <strong>in</strong> hun map doen.<br />

Gebruik vervolgens werkblad 1.5B en laat de cursisten voor deze en komende week <strong>in</strong> hun agenda<br />

<strong>in</strong>vullen wanneer ze groepsles, computerles/begeleide e-learn<strong>in</strong>g, praktijkopdrachten etc. hebben.<br />

stel ter controle vragen: ‘wanneer hebben we groepsles?’ ‘wanneer werken we op de computer?’<br />

‘wanneer heb je vrij?’ Zo worden de dagen van de week nogmaals herhaald. laat de cursisten<br />

vervolgens hun antwoorden met elkaar vergelijken.<br />

UitVOeren<br />

Kies één of meer van de volgende praktijkopdrachten, afhankelijk van het niveau van uw cursisten.<br />

Kopieer voor uw cursisten de praktijkopdrachtformulieren van thema 1.<br />

De opdrachten kunnen opvolgend uitgevoerd worden. Zo kan een deelnemer al een opdracht doen<br />

zonder dat hij/zij zelf hoeft te spreken.<br />

praktijkopdracht 1: luisteropdracht groeten<br />

leg de opdracht uit: luister <strong>in</strong> de bus, <strong>in</strong> de w<strong>in</strong>kel of op de televisie naar hoe mensen elkaar groeten.<br />

‘Verzamel’ vijf verschillende soorten groeten. schrijf ze op het praktijkopdrachtformulier.<br />

stap 1 (Voorbereiden): de cursisten doen dit <strong>in</strong> een groepje. let er op dat de groepssamenstell<strong>in</strong>g<br />

heterogeen is. De cursisten maken afspraken over wanneer, waar en eventueel met wie ze deze<br />

opdracht gaan doen. Ze vullen het <strong>in</strong> op het formulier en schrijven de afspraak <strong>in</strong> hun agenda. Deze<br />

opdracht kán ook <strong>in</strong>dividueel uitgevoerd worden, maar voor de beg<strong>in</strong>nende taalleerder is het veiliger om<br />

het samen te doen.<br />

stap 2 (uitvoeren): de cursist schrijft op wat hij gehoord heeft.<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

14<br />

THEMA 1


Voor de cursist voor wie het erg moeilijk is: de soorten groeten al op het formulier schrijven: bij het<br />

luisteren hoeft hij alleen maar te turven.<br />

De gevorderde cursist kan de soorten groeten opschrijven en eventueel turven hoe vaak hij elke groet<br />

hoort. wat valt op? wat is bijvoorbeeld gebruikelijk?<br />

stap 3 (terugkijken) komt <strong>in</strong> de eerstvolgende les aan bod, wanneer u de opdracht nabespreekt. De<br />

cursist omcirkelt wat voor hem van toepass<strong>in</strong>g is, noteert eventueel nieuwe woorden en z<strong>in</strong>nen die hij<br />

<strong>in</strong> zijn woordenschrift wil opnemen en misschien nog vragen die hij aan de docent wil stellen. Bespreek<br />

samen de gevonden antwoorden na en ook hoe de cursisten de opdracht hebben uitgevoerd en<br />

ervaren.<br />

het praktijkopdrachtformulier bewaren de cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 2: groet je buren<br />

Geef als opdracht voor thuis mee om zoveel mogelijk mensen te gaan groeten: de buren, mensen op<br />

straat, de juffrouw achter de kassa, de buschauffeur etc.<br />

laat bij stap 1 (Voorbereiden) <strong>in</strong>vullen wanneer, waar en met wie de cursist deze opdracht gaat doen.<br />

ook laat u de cursisten noteren welke woorden en z<strong>in</strong>nen ze gaan gebruiken. Ze kunnen elkaar helpen.<br />

De cursist die meer durft en kan, praat, een andere cursist observeert en luistert.<br />

onder uitvoeren (stap 2) schrijft de cursist op welke mensen hij allemaal heeft begroet.<br />

stap 3 (terugkijken) komt <strong>in</strong> de eerstvolgende les aan bod, wanneer u de opdracht nabespreekt. De<br />

cursist omcirkelt wat voor hem van toepass<strong>in</strong>g is, noteert eventueel nieuwe woorden en z<strong>in</strong>nen die hij <strong>in</strong><br />

zijn woordenschrift wil opnemen en misschien nog vragen die hij aan de docent wil stellen. Bespreek <strong>in</strong><br />

de terugkijkfase de ervar<strong>in</strong>gen en de reacties die de cursisten kregen.<br />

het praktijkopdrachtformulier bewaren de cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 3: maak kennis met …<br />

De praktijkopdracht bij het subthema ‘kennismaken’ is eenvoudig: maak kennis met drie onbekende<br />

mensen buiten het klaslokaal. Dit kunnen mensen zijn die elders <strong>in</strong> de school werken, cursisten van een<br />

andere groep, mensen <strong>in</strong> de kant<strong>in</strong>e, of mensen buiten school.<br />

laat bij stap 1 (voorbereiden) <strong>in</strong>vullen wanneer, waar en met wie de cursist deze opdracht gaat doen. De<br />

groepssamenstell<strong>in</strong>g is gemengd! Bij deze opdracht laat u de cursisten ook noteren welke woorden en<br />

z<strong>in</strong>nen ze gaan gebruiken. Ze kunnen daar eventueel ook nog samen mee oefenen. Vervolgens stuurt<br />

u de cursisten er <strong>in</strong> kle<strong>in</strong>e groepjes (twee of drie cursisten) op uit, bijvoorbeeld aansluitend aan een<br />

groepsles.<br />

onder uitvoeren (stap 2) schrijft de cursist op met wie hij kennis gemaakt heeft.<br />

stap 3 (terugkijken) komt <strong>in</strong> de eerstvolgende les aan bod, wanneer u de opdracht nabespreekt. De<br />

cursist omcirkelt wat voor hem van toepass<strong>in</strong>g is, noteert eventueel nieuwe woorden en z<strong>in</strong>nen die<br />

hij <strong>in</strong> zijn woordenschrift wil opnemen en misschien nog vragen die hij aan de docent wil stellen. <strong>in</strong><br />

de terugkijkfase komt u terug op het verloop van de opdracht. Bespreek samen de ervar<strong>in</strong>gen en de<br />

reacties die de cursisten kregen.<br />

het praktijkopdrachtformulier bewaren de cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

15<br />

THEMA 1


terUgkijken<br />

<strong>in</strong> deze fase kijkt u met de cursisten terug op de afgelopen lessen en op de praktijkopdracht(en). hoe<br />

hebben ze de eerste week ervaren? wat hebben ze geleerd? hoe zijn de praktijkopdrachten gegaan?<br />

houd een groepsgesprek.<br />

Kopieer werkblad 1.6 (het evaluatieformulier). laat de cursisten <strong>in</strong>dividueel aankruisen <strong>in</strong> de tweede en<br />

derde kolom wat op hen van toepass<strong>in</strong>g is. Bespreek wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld en waarom.<br />

controleer door middel van een aantal vragen of het klopt wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld. u kunt hierbij<br />

gebruik maken van de knipbladen. laat zo alle doelen uit de eerste kolom nog eens de revue passeren.<br />

Kennen/kunnen ze het <strong>in</strong>derdaad?<br />

Verwerken<br />

<strong>in</strong> de laatste kolom van werkblad 1.6 kunt u tips laten noteren, bijvoorbeeld: luister nog eens naar de<br />

gesprekjes op de computer. herhaal ‘oefenen met taal’ of ‘woorden leren’ op de computer. lees nog<br />

eens de werkbladen, etc.<br />

cursisten kunnen natuurlijk ook zelf d<strong>in</strong>gen bedenken die ze anders, beter, of juist hetzelfde gaan doen<br />

bij het volgende thema.<br />

De cursisten bewaren het formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 1 - naar een nieuwe school<br />

16<br />

THEMA 1


<strong>lesvoorbereid<strong>in</strong>g</strong><br />

thema 2 huis en omGeV<strong>in</strong>G


Waar gaat het over?<br />

het tweede thema gaat over de cursist en zijn directe woonomgev<strong>in</strong>g: het huis en de <strong>in</strong>richt<strong>in</strong>g ervan,<br />

de buurt, de buren. het contact maken met en op bezoek gaan bij mensen uit de buurt staat centraal.<br />

De culturele en persoonlijke verschillen die hierbij een rol kunnen spelen komen hierbij expliciet aan de<br />

orde.<br />

algemeen doel<br />

De cursist kan praten over zijn/haar eigen woonsituatie en contact leggen met buren of buurtgenoten.<br />

subdoelen<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

De cursist kan zijn huis en buurt beschrijven met gebruik van voorzetsels (van plaats)<br />

De cursist kan een eenvoudige plattegrond begrijpen.<br />

De cursist kan een koffiepraatje houden (nog niet op eigen <strong>in</strong>itiatief) en <strong>in</strong> simpele bewoord<strong>in</strong>gen<br />

praten over dagelijkse, concrete onderwerpen.<br />

De cursist weet wat je wel of niet kunt meenemen als je op bezoek gaat en wat de gewoontes<br />

zijn bij op bezoek gaan.<br />

De cursist kan (kle<strong>in</strong>e) conflicten voorkomen en oplossen; hij kan ‘sorry’ zeggen <strong>in</strong> bepaalde<br />

situaties.<br />

De cursist kan eenvoudige vragen stellen (om herhal<strong>in</strong>g of uitleg vragen).<br />

De cursist kan een eenvoudig kaartje schrijven.<br />

aandachtspunten<br />

naast taal zijn bij thema 2 houd<strong>in</strong>g en kennis belangrijk: wat zijn de gewoontes, wat is gepast gedrag?<br />

Besteed aandacht aan culturele en persoonlijke verschillen. cursisten moeten zich bewust zijn van het<br />

feit dat ze steeds keuzes (moeten) maken. nederlanders gaan vaak bij elkaar koffiedr<strong>in</strong>ken. Daarbij is<br />

het gebruikelijk om op tijd te komen. Bij m<strong>in</strong>der alledaagse bezoekjes nemen mensen vaak iets mee,<br />

bijvoorbeeld een bloemetje.<br />

ook het ‘leren leren’ is weer van belang. cursisten moeten steeds zelfstandiger gaan e-learnen.<br />

stimuleer het stellen van vragen. wijs op het belang van de praktijkopdrachten; de cursisten moeten<br />

het uite<strong>in</strong>delijk <strong>in</strong> de praktijk gaan doen, ook met het oog op het verzamelen van bewijzen voor het<br />

<strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen. <strong>in</strong> dit thema sluiten de praktijkopdrachten aan bij Kennis van de nederlandse<br />

samenlev<strong>in</strong>g, thema 2: omgangsvormen, waarden en normen en thema 3: wonen<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

2<br />

THEMA 2


thema 2 huis en omgev<strong>in</strong>g<br />

doel van het thema: De cursist kan praten over zijn/haar eigen woonsituatie en contact leggen met buren of buurtgenoten.<br />

onderwerpen subdoelen materiaal Kns<br />

wonen<br />

• De cursist kan zijn/haar huis en buurt beschrijven met gebruik van voorzetsels Film: huis en omgev<strong>in</strong>g<br />

thema 2: omgangsvormen,<br />

Bezoek<br />

(van plaats)<br />

e-learn<strong>in</strong>g<br />

waarden en normen<br />

De straat<br />

• De cursist kan een eenvoudige plattegrond begrijpen.<br />

werkbladen 2.0, 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, thema 3: wonen<br />

Buren<br />

• De cursist kan een koffiepraatje houden (nog niet op eigen <strong>in</strong>itiatief) en <strong>in</strong> 2.5, 2.6, 2.7, 2.8 en 2.9<br />

simpele bewoord<strong>in</strong>gen praten over dagelijkse, concrete onderwerpen.<br />

Knip blad 2.1<br />

• De cursist weet wat je wel of niet kunt meenemen als je op bezoek gaat en wat Formulier praktijkopdracht<br />

de gewoontes zijn bij op bezoek gaan.<br />

enkele grote vellen papier<br />

• De cursist kan (kle<strong>in</strong>e) conflicten voorkomen en oplossen.<br />

ruitjespapier<br />

• De cursist kan eenvoudige vragen stellen (om herhal<strong>in</strong>g of uitleg vragen.) enkele voorwerpen<br />

• De cursist kan een eenvoudig kaartje schrijven.<br />

oriënteren voorbereiden uitvoeren terugkijken verwerken<br />

Film<br />

huis en buurt beschrijven<br />

1. haal een woonkrant<br />

Gebruik Gebruik<br />

Kijkvragen<br />

• het huis van tarik en Zoera (klassikaal)<br />

2. huizen kijken<br />

maken van maken van<br />

Groepsgesprek over • woordsp<strong>in</strong> ‘huis’ (klassikaal / groepswerk)<br />

3. Ga op bezoek!<br />

werkblad 2.9 werkblad 2.9<br />

het onderwerp<br />

• wat voor huis is dat? (klassikaal / groepswerk)<br />

• Zoek <strong>in</strong> de woordenlijst (klassikaal / duo’s)<br />

De woordenwoorden- • waar is mijn tas? : woorden, voorzetsels van plaats (tPr / klassikaal /<br />

lijstschrift<br />

<strong>in</strong>dividueel)<br />

bijwerken<br />

• Doe wat ik zeg (tPr / groepswerk)<br />

• waar zijn de d<strong>in</strong>gen <strong>in</strong> het huis? (klassikaal / <strong>in</strong>dividueel)<br />

• waar zijn de d<strong>in</strong>gen <strong>in</strong> het huis? (duo’s)<br />

• waar woon jij? onder andere oefenen met ‘geen’ (duo’s)<br />

• hier woon ik (<strong>in</strong>dividueel / huiswerk)<br />

• Plattegrond van een won<strong>in</strong>g lezen: ruimtelijk <strong>in</strong>zicht (<strong>in</strong>dividueel / groepswerk)<br />

• teken een plattegrond van je huis (<strong>in</strong>dividueel)<br />

• Gefeliciteerd met je nieuwe huis (duo’s)<br />

op bezoek gaan<br />

• het bezoek van Jan aan tarik en Zoera (klassikaal)<br />

• wat zeg je?om herhal<strong>in</strong>g , verduidelijk<strong>in</strong>g vragen (klassikaal / <strong>in</strong>dividueel)<br />

• het agendaspel: een <strong>in</strong>formele afspraak maken (klassikaal / wisselende duo’s)<br />

• Kopje koffie?: een praatje maken (klassikaal, duo’s)<br />

• Kopje koffie? (wisselende duo’s)<br />

• op bezoek: oefenen <strong>in</strong> het praktijklokaal (groepswerk / duo’s)<br />

• e-learn<strong>in</strong>g (het verhaal, oefenen met taal, woorden leren, oefenen met spreken)<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

3<br />

THEMA 2


Oriënteren<br />

de film<br />

Vertel uw cursisten dat tarik en Zoera vandaag bezoek krijgen van hun buurman.<br />

Korte <strong>in</strong>houd van de film:<br />

Buurman Jan staat onaangekondigd voor de deur met een bosje bloemen. Zo doen we dat <strong>in</strong> nederland<br />

met nieuwe buren. Zoera en Badria sloven zich uit om koffie te zetten. tot ergernis van tarik toont Jan<br />

zich erg nieuwsgierig; hij wil het hele huis zien, ook de slaapkamer. tarik leidt buurman Jans aandacht<br />

van de slaapkamer af met een muziek<strong>in</strong>strument. Zo wordt het toch nog gezellig.<br />

nB.:Vertel deze <strong>in</strong>houd niet aan uw cursisten. Daarmee geeft u de ‘clou’ weg.<br />

Deel werkblad 2.0 uit. hierop staan kijkvragen voor drie rondes filmkijken. lees voor elke kijkronde<br />

eerst samen de vragen en de mogelijke antwoorden. Bespreek de antwoorden per ronde na voordat u<br />

de film nogmaals laat zien. aansluitend kunt u <strong>in</strong> een groepsgesprek <strong>in</strong>gaan op de eigen ervar<strong>in</strong>gen van<br />

cursisten:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

hebt u kennisgemaakt met uw buren?<br />

Zo ja, hoe g<strong>in</strong>g dat?<br />

Zo nee, waarom niet?<br />

wat neemt u mee als u op bezoek gaat? is dat altijd hetzelfde?<br />

maakt u van te voren een afspraak?<br />

Komt u precies op tijd? is dat belangrijk?<br />

Krijgt u wel eens bezoek? wat wilt u wel/niet als u bezoek krijgt?<br />

wat geeft u uw bezoek te dr<strong>in</strong>ken en te eten?<br />

hoe lang blijft u als u op bezoek bent?<br />

Kijkt u ook <strong>in</strong> alle kamers?<br />

is er verschil tussen op bezoek gaan <strong>in</strong> nederland en uw eigen land?<br />

tarik zegt: ‘sorry Jan, ik wil geen problemen’, als hij denkt dat Jan komt klagen over de muziek.<br />

<strong>in</strong> welke situaties zeg je ‘sorry’? (als je te laat komt, als je een afspraak bent vergeten, etc)<br />

wat kun je nog meer zeggen <strong>in</strong> plaats van ‘sorry’?<br />

wat kun je antwoorden als iemand ‘sorry’ zegt tegen jou?<br />

leg uit wat <strong>in</strong> nederland zo de gewoontes zijn wat betreft afspraken maken, op tijd komen en<br />

wel of niet iets meenemen voor de gastvrouw/-heer. Benadruk dat ook wat dit betreft, niet alle<br />

nederlanders hetzelfde zijn.<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

4<br />

THEMA 2


VOOrbereiden<br />

huis en buurt beschrijven<br />

het huis van tarik en Zoera (klassikaal)<br />

Kom <strong>in</strong> een groepsgesprekje terug op het huis van tarik en Zoera uit de film: waar wonen ze? <strong>in</strong><br />

wat voor huis? op welke etage? hoeveel kamers hebben ze? welke spullen heb je gezien <strong>in</strong> hun<br />

huis?<br />

Woordsp<strong>in</strong> ‘huis’ (klassikaal/groepswerk)<br />

Vooraf: laat uw cursisten een ikea-gids of een ander meubelblad meebrengen. maak met de cursisten<br />

(op het bord) een woordsp<strong>in</strong> rondom het woord ‘huis’: cursisten noemen woorden die bij ‘huis’ horen<br />

(flat, kamers, dak, kelder, eengez<strong>in</strong>swon<strong>in</strong>g, keuken, buren, etc.) laat daarna <strong>in</strong> groepjes van drie à vier<br />

personen op een vel papier met een dikke stift een woordsp<strong>in</strong> maken rondom de verschillende kamers<br />

(slaapkamer, keuken, woonkamer, badkamer).<br />

stel heterogene groepjes samen, waardoor de cursisten elkaar kunnen helpen met nieuwe woorden<br />

of met het opschrijven van de woorden.<br />

elk groepje krijgt een groot vel papier met <strong>in</strong> het midden een woord, bijvoorbeeld ‘de slaapkamer’.<br />

elke groep krijgt een andere ‘kamer’. laat plaatjes knippen uit de meegebrachte gidsen en rondom<br />

het woord plakken.<br />

rondom het centrale woord en de gevonden plaatjes bedenken en schrijven ze samen ook de woorden<br />

(zo mogelijk bij een plaatje, anders ‘los’) van spullen en meubels die bij de kamer horen. loop zelf rond<br />

en assisteer ook bij spell<strong>in</strong>g etc. laat na vijf m<strong>in</strong>uten elk groepje hun blad ophouden en vertellen welke<br />

woorden en plaatjes ze hebben gevonden. laat de groepjes ruilen van blad en elkaars werk bekijken.<br />

hang de posters aan de muur. cursisten kunnen tijdens het thema nog ‘spieken’ als dat nodig is.<br />

Wat voor huis is dat? (klassikaal/groepswerk)<br />

Bespreek met uw cursisten verschillende typen won<strong>in</strong>gen. Bespreek de volgende woorden en<br />

schrijf ze op het bord:<br />

- flat<br />

- portiekwon<strong>in</strong>g<br />

- eengez<strong>in</strong>swon<strong>in</strong>g<br />

- rijtjeshuis<br />

- vrijstaand huis<br />

- portiekwon<strong>in</strong>g<br />

- villa<br />

- …….<br />

<strong>in</strong> wat voor won<strong>in</strong>g wonen uw cursisten? Vraag het aan iedereen. Ze kunnen antwoorden met de<br />

z<strong>in</strong>: ‘ik woon <strong>in</strong> een …..’ schrijf deze z<strong>in</strong> op het bord.<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

5<br />

THEMA 2


praktijkopdracht ‘de Woonkrant’ (groepswerk)<br />

Doe nu Praktijkopdracht 1 van thema 2: ‘haal een woonkrant’. Deze v<strong>in</strong>dt u onder ‘uitvoeren’. laat uw<br />

cursisten <strong>in</strong> de daaropvolgende groepsles plaatjes uitknippen en opplakken van verschillende soorten<br />

won<strong>in</strong>gen. De cursisten schrijven het woord erbij.<br />

Zoek <strong>in</strong> de woordenlijst (klassikaal/duo’s)<br />

aansluitend op de vorige woordenschatoefen<strong>in</strong>gen, kunt u - net als bij thema 1 - tijdens de begeleide<br />

computerles enkele opzoekopdrachten geven met de woordenlijst <strong>in</strong> de e-learn<strong>in</strong>g.<br />

Ga met uw cursisten achter de computer zitten. Zet eventueel twee cursisten samen achter een<br />

computer, als dat voor u overzichtelijker is. onder ‘woorden’ selecteren de cursisten thema 2. De<br />

woorden staan op alfabetische volgorde. schrijf op het bord een aantal woorden, waarvan u wilt dat de<br />

cursisten ze gaan opzoeken, bijvoorbeeld de gang, de etage, de plattegrond, etc. maak zelf van te voren<br />

een selectie.<br />

Zet gezamenlijk de volgende stappen:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

Vraag aan uw cursisten bij welke letter ze dat woord gaan zoeken.<br />

staat die letter aan het beg<strong>in</strong>, <strong>in</strong> het midden, of aan het e<strong>in</strong>d van het alfabet?<br />

Kunnen ze het woord v<strong>in</strong>den?<br />

staat er een z<strong>in</strong> achter waar<strong>in</strong> het woord gebruikt wordt? welke z<strong>in</strong>?<br />

Begrijp je de z<strong>in</strong>? Begrijp je het woord?<br />

staat er iets achter over (het gebruik van) een werkwoord?<br />

welk werkwoord?<br />

wat staat er onder ‘betekenis’? Begrijpt iedereen de uitleg?<br />

herhaal bij elk nieuw woord dat uw cursisten gaan opzoeken deze stappen. als het gezamenlijk<br />

zoeken goed verloopt kunt u de duo’s ook zelfstandig een paar woorden laten opzoeken. Geef ieder<br />

duo bijvoorbeeld steeds een kaartje waarop een woord staat. laat de cursisten de betekenis eronder<br />

schrijven. cursisten die al alleen met de woordenlijst kunnen werken mogen dit natuurlijk doen. Zie ook<br />

de tips bij thema 1.<br />

Waar is mijn tas? (tpr/klassikaal/<strong>in</strong>dividueel)<br />

het is leuk om deze oefen<strong>in</strong>g te doen <strong>in</strong> een kr<strong>in</strong>gopstell<strong>in</strong>g (alleen stoelen), maar niet noodzakelijk.<br />

<strong>in</strong>troduceer het onderwerp voorzetsels door middel van een aantal vragen over waar d<strong>in</strong>gen zijn: waar<br />

ligt het boek? waar staat je tas? waar is het bord? waar hangt de klok? V<strong>in</strong>d je het moeilijk om te<br />

zeggen waar iets is?<br />

Zet <strong>in</strong> het midden van de kr<strong>in</strong>g (of voor de klas) een stoel. Pak een tas en een boek en leg deze steeds<br />

op een andere plek ten opzichte van elkaar (op, naast, onder, voor, achter, tegen, boven, <strong>in</strong>, tussen). Zeg<br />

zelf steeds duidelijk waar het voorwerp zich bev<strong>in</strong>dt en voer de handel<strong>in</strong>g uit terwijl u die noemt: ‘de tas<br />

is/staat op de stoel’, ‘het boek ligt onder de stoel’, etc. herhaal dit meerdere keren.<br />

- leg de tas of het boek ergens neer en vraag: ‘ligt het boek onder de stoel?’ De cursisten<br />

antwoorden met ja of nee.<br />

-<br />

Vraag nu een cursist naar voren en geef hem/haar een aantal opdrachtjes:<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

6<br />

THEMA 2


‘Doe het boek <strong>in</strong> de tas.’, ‘leg het boek achter de stoel.’, etc. Vraag meerdere cursisten. Breidt<br />

eventueel het aantal voorwerpen uit (de jas hangt aan de stoel, etc.).<br />

-<br />

-<br />

Draai het vervolgens om: leg zelf een voorwerp ergens neer en vraag de cursisten waar het nu<br />

is: ‘waar is/ligt het boek?’, ‘waar is/hangt de jas’? De cursisten antwoorden (afhankelijk van hun<br />

niveau) met: ‘op de stoel.’ of: ‘het boek is/ligt op de stoel’. herhaal dit zoveel mogelijk.<br />

het correct kunnen gebruiken van de werkwoorden liggen, staan, hangen of zitten (van personen<br />

of kle<strong>in</strong>e spullen <strong>in</strong> bijvoorbeeld een tas) is nog niet vereist, maar wordt wel aangeboden.<br />

doe wat ik zeg (tpr/groepswerk)<br />

Deze oefen<strong>in</strong>g is geschikt om te differentiëren. laat de cursisten <strong>in</strong> groepjes van drie à vier personen<br />

zitten. iedere cursist heeft een aantal (dezelfde) voorwerpen: een bekertje, map, potlood, pen, etc.<br />

een cursist uit het groepje is ‘de bouwer’: hij/zij legt zijn spulletjes op een bepaalde manier neer: het<br />

bekertje op de map, de pen <strong>in</strong> het bekertje, het potlood naast de map, etc. De andere groepsleden<br />

houden hun ogen dicht.<br />

De bouwer schermt nu zijn opstell<strong>in</strong>g af met een a3-papier, of een opengeslagen map. hij vertelt de<br />

anderen hoe alles ligt: ‘het bekertje staat op de map, de pen <strong>in</strong> het bekertje, het potlood ligt naast de<br />

map’, etc.<br />

De andere cursisten uit het groepje leggen hun spulletjes neer zoals de bouwer het beschrijft. iedereen<br />

klaar? til het scherm op en controleer of iedereen het goed heeft.<br />

Daarna is een andere cursist ‘de bouwer’. Zo gaat de beurt rond.<br />

loop zelf rond en geef feedback waar nodig.<br />

Waar zijn de d<strong>in</strong>gen <strong>in</strong> het huis? (klassikaal/<strong>in</strong>dividueel)<br />

Voor deze oefen<strong>in</strong>g kopieert u voor alle cursisten werkblad 2.1a. op werkblad 2.1a ziet u een<br />

doorsnede van een huis met verschillende kamers. Deze kijkplaat leent zich voor allerlei luister- en<br />

spreekopdrachten. u bespreekt aan de hand van het werkblad met de cursisten:<br />

- de etages<br />

- de verschillende kamers<br />

- lift, gang, balkon en trap<br />

- de meubels<br />

- de aantallen (hoeveel stoelen, planten, deuren, etc.)<br />

- voorzetsels (waar zijn/staan/liggen de d<strong>in</strong>gen?)<br />

u kunt dit doen door:<br />

- zaken aan te wijzen en te benoemen (Dit is de badkamer.)<br />

- opdrachten te geven (wijs de keuken aan.)<br />

- vragen te stellen (op welke etage is de slaapkamer?, Kijk <strong>in</strong> de woonkamer; waar staat de<br />

televisie?)<br />

Ga alle verdiep<strong>in</strong>gen langs en gebruik bij het bespreken zoveel mogelijk de woorden van de<br />

woordenlijst. neem uitgebreid de tijd, herhal<strong>in</strong>g is van belang. naar gelang het niveau van de cursist<br />

kunt u variëren met moeilijke of makkelijke vragen (ja / nee; open vragen, etc.) met behulp van werkblad<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

7<br />

THEMA 2


2.1B en 2.1c kunt u de cursisten zelfstandig <strong>in</strong> duo’s laten oefenen.<br />

Waar is het? (duo’s)<br />

hiervoor kopieert u werkblad 2.2. Verdeel de cursisten <strong>in</strong> tweetallen. iedere cursist heeft werkblad 2.1<br />

en 2.2. voor zich. om de beurt stellen de cursisten elkaar twee vragen over iedere kamer, zoals op het<br />

werkblad wordt uitgelegd. De ander geeft antwoord.<br />

Bespreek eerst klassikaal het werkblad en doe het voor met een cursist. leg uit dat ‘is’ voor één d<strong>in</strong>g<br />

of persoon is, en ‘zijn’ voor meer d<strong>in</strong>gen of personen. Doe dit ook voor de andere werkwoorden. Geef<br />

allerlei voorbeelden.<br />

Pas als alle vier de vragen beantwoord zijn, mogen ze door naar de volgende kamer of verdiep<strong>in</strong>g. als<br />

blijkt dat de keuze voor het juiste werkwoord te moeilijk is, laat uw cursisten zich dan beperken tot ‘is’<br />

of ‘zijn’. herhaal deze oefen<strong>in</strong>g eventueel (met andere duo’s) later nog eens.<br />

De cursisten bewaren werkblad 2.1 en 2.2 <strong>in</strong> hun map.<br />

Waar woont u? (duo’s)<br />

Kopieer voor de cursisten werkblad 2.3. <strong>in</strong> deze opdracht oefenen de cursisten een eenvoudige dialoog<br />

aan de hand van een voorgestructureerd gesprekje. Ze gebruiken steeds die z<strong>in</strong>nen/woorden die op<br />

henzelf van toepass<strong>in</strong>g zijn. nB: dit is een spreekopdracht, er wordt dus niet geschreven! neem eerst<br />

klassikaal het werkblad door. lees eerst de vragen voor en laat de cursisten luisteren en nazeggen. let<br />

hierbij ook op melodie en klemtoon.<br />

stel alle vragen meerdere keren aan verschillende cursisten.<br />

Bij de vragen ‘heb je een tu<strong>in</strong>?’ en ‘heb je een balkon?’ kan het antwoord negatief zijn (nee, ik heb<br />

geen tu<strong>in</strong>). Door middel van allerlei vragen kunt u deze ontkenn<strong>in</strong>gsvorm <strong>in</strong>slijpen. Vraag uw cursisten:<br />

- heb je k<strong>in</strong>deren?<br />

- heb je een auto?<br />

- heb je een fiets?<br />

- heb je een computer?<br />

- heb je een nederlands paspoort?<br />

- ……………..<br />

Bedenk vragen waar uw cursisten ‘nee’ op zullen zeggen en laat ze antwoorden <strong>in</strong> een correcte z<strong>in</strong>.<br />

schrijf ter ondersteun<strong>in</strong>g op het bord: nee, ik heb geen…..<br />

Doe vervolgens met een (goede) cursist het gesprekje voor. wissel van rol en doe het nogmaals voor.<br />

Veel luisteren is van belang. wijs de cursisten erop dat ze steeds hun eigen situatie moeten <strong>in</strong>vullen of<br />

kiezen. Geef voorbeelden.<br />

laat <strong>in</strong> tweetallen oefenen, loop rond en corrigeer fouten. laat wisselen van rol.<br />

laat enkele duo’s hun gesprekje voorspelen voor de groep. wie kan het al bijna zonder op zijn/haar blad<br />

te kijken? laat de cursisten ook elkaar feedback geven (bijvoorbeeld op uitspraak en z<strong>in</strong>sbouw).<br />

De cursisten bewaren werkblad 2.3 <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

8<br />

THEMA 2


hier woon ik (<strong>in</strong>dividueel/huiswerk)<br />

aan de hand van werkblad 2.4 beschrijven de cursisten hun eigen woonsituatie.<br />

leg klassikaal uit wat de bedoel<strong>in</strong>g is. neem de z<strong>in</strong>nen samen door.<br />

Besteed aandacht aan de uitspraak van de rangtelwoorden 1e, 2e etc.<br />

schrijf de rangtelwoorden tot 10 op het bord en oefen samen hardop de uitspraak ervan door middel<br />

van voor- en nazeggen.<br />

De cursisten vullen het werkblad thuis <strong>in</strong> en omcirkelen of vullen <strong>in</strong> wat op hen van toepass<strong>in</strong>g is.<br />

laat uw cursisten de z<strong>in</strong>nen (thuis) hardop oefenen totdat ze deze correct (liefst uit het hoofd) kunnen<br />

zeggen.<br />

laat de volgende les elke cursist heel kort aan de groep vertellen over het huis waar hij of zij woont. Dit<br />

kan ook <strong>in</strong> kle<strong>in</strong>ere groepjes gebeuren; de cursisten hoeven dan m<strong>in</strong>der lang op hun beurt te wachten.<br />

<strong>in</strong> dat geval moeten de cursisten elkaar feedback geven.<br />

de plattegrond (<strong>in</strong>dividueel/groepswerk)<br />

Vraag de cursisten of ze weten wat een plattegrond is. waarschijnlijk weten ze wat een kaart is.<br />

<strong>in</strong>ventariseer aanwezige voorkennis en noteer steekwoorden op het bord:<br />

- waar zijn kaarten van? (wereld, landen, plaatsen).<br />

- waarvoor gebruik je een kaart? (iets opzoeken, de weg zoeken)<br />

leg uit dat een plattegrond een ‘kaart’ van een huis is; een huis, zonder dak, van bovenaf gezien.<br />

neem eventueel zelf voorbeelden mee, misschien is er een plattegrond van de school aanwezig. teken<br />

eventueel een plattegrond van het klaslokaal op het bord en laat de cursisten aanwijzen waar zij zitten.<br />

schrijf hun namen bij de tafeltjes.<br />

Deel vervolgens werkblad 2.5 uit. laat de cursisten <strong>in</strong> groepjes van drie of vier de plattegrond<br />

bespreken aan de hand van de vragen op het werkblad. laat onderl<strong>in</strong>g controleren of de cijfers op de<br />

juiste plaats staan. loop rond en help waar nodig. Bespreek onduidelijkheden klassikaal na.<br />

teken een plattegrond van je huis (<strong>in</strong>dividueel)<br />

Geef de volgende opdracht als huiswerk: ‘teken een plattegrond van jouw huis. teken de kamers en de<br />

deuren. teken alleen de belangrijkste d<strong>in</strong>gen. Je mag er woorden bij schrijven.’ Deel ruitjespapier uit.<br />

het gaat bij deze opdracht niet om een perfect kloppende teken<strong>in</strong>g, maar om het begrip van het<br />

pr<strong>in</strong>cipe van een plattegrond. als een heel huis te moeilijk is, mag een cursist ook bijvoorbeeld een<br />

plattegrond van alleen zijn woonkamer tekenen.<br />

Bij de nabesprek<strong>in</strong>g de volgende les, moet de cursist aan de hand van zijn plattegrond aan de groep<br />

vertellen over zijn huis of woonkamer. u en de andere cursisten stellen vragen over de plattegrond.<br />

De opdracht kan gecomb<strong>in</strong>eerd worden met de huiswerkopdracht van werkblad 2.4.<br />

gefeliciteerd met je nieuwe huis (duo’s)<br />

als iemand gaat verhuizen is het leuk een kaartje te sturen. Kopieer werkblad 2.6a voor uw<br />

cursisten. Dit is een <strong>in</strong>gevuld voorbeeld van een felicitatiekaartje met daaronder een lege kaart. Bekijk<br />

eerst gezamenlijk het voorbeeld: waar staat de naam? en het adres? waar staan de postcode en de<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

9<br />

THEMA 2


woonplaats? wat schrijf je l<strong>in</strong>ks op de kaart? wie heeft de kaart geschreven? laat de cursisten de kaart<br />

overschrijven.<br />

Kopieer werkblad 2.6b en 2.6c.<br />

nu moeten uw cursisten zelf een kaart schrijven. Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> tweetallen. cursist B is<br />

‘verhuisd’. cursist a schrijft het kaartje aan cursist B. hij moet diens naam, adres, postcode en<br />

woonplaats op de goede plaats <strong>in</strong>vullen rechts op het kaartje. hiervoor moet hij vragen stellen aan<br />

cursist B: hoe heet je? wat is je achternaam? hoe spel je dat? wat is je adres? op werkblad 2.6B hoeft<br />

de cursist l<strong>in</strong>ks enkel zijn eigen naam <strong>in</strong> te vullen. op werkblad 2.6c vult hij ‘Gefeliciteerd met je nieuwe<br />

huis’ en zijn eigen naam <strong>in</strong>.<br />

Vervolgens is cursist a verhuisd. nu moet B een kaartje schrijven.<br />

loop zelf rond en help waar nodig. controleer of alle gegevens op de juiste plaats staan en correct zijn<br />

gespeld. laat fouten verbeteren.<br />

De cursisten doen het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

op beZoeK gaan<br />

het bezoek van jan aan tarik en Zoera (klassikaal)<br />

Kom <strong>in</strong> een groepsgesprek nog even terug op de film van thema 1: hoe verloopt het bezoek van Jan<br />

aan zijn buren? wat neemt Jan mee? Geven ze elkaar een hand? wat wordt er gezegd? wat gaat Zoera<br />

maken? hoe zou het bezoek verder gaan?<br />

Wat zeg je? (klassikaal/<strong>in</strong>dividueel)<br />

een belangrijke vaardigheid die cursisten moeten beheersen als ze contact maken met nederlanders,<br />

is het vragen om verduidelijk<strong>in</strong>g als ze iets niet begrijpen of verstaan. stel uw cursisten de volgende<br />

vragen:<br />

‘Jan gaat op bezoek bij tarik en Zoera. Kun je alles verstaan wat Jan zegt? en wat tarik en Zoera zeggen?<br />

wat kun je zeggen als je iemand niet verstaat of iets niet begrijpt?’ leg het verschil uit tussen verstaan<br />

en begrijpen.<br />

<strong>in</strong>ventariseer samen met de cursisten op een groot vel papier (flap-over) dat u op het bord plakt<br />

verschillende mogelijkheden (niet teveel) <strong>in</strong> twee kolommen:<br />

- ‘als je het niet verstaat’ (bijvoorbeeld: wat zegt u/wat zeg je?, Kunt u/kun je dat herhalen? Kunt<br />

u/kun je iets langzamer praten?) en:<br />

- ‘als je het niet begrijpt’ (bijvoorbeeld: hè? ik begrijp het niet. wat betekent dat? wat bedoelt u /<br />

bedoel je?)<br />

Zeg vervolgens heel snel en onverstaanbaar iets tegen een cursist. hij reageert met een van de z<strong>in</strong>nen<br />

uit de eerste kolom. herhaal dit meerdere malen. Zorg dat alle cursisten aan de beurt komen.<br />

Gebruik ook z<strong>in</strong>nen met een moeilijk woord. stimuleer de cursisten om uitleg te vragen met behulp van<br />

de z<strong>in</strong>nen uit de tweede kolom.<br />

hang het papier op <strong>in</strong> het lokaal en verwijs ernaar <strong>in</strong> uw lessen. wijs erop dat het absoluut niet dom is<br />

om vragen te stellen.<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

10<br />

THEMA 2


een agenda <strong>in</strong>vullen (klassikaal/wisselende duo’s)<br />

Geef alle cursisten een kopie van werkblad 2.7. Dit is een lege agenda. Geef de volgende opdracht:<br />

‘maak met vijf andere cursisten uit de groep een afspraak, om koffie te dr<strong>in</strong>ken, huiswerk te maken, te<br />

w<strong>in</strong>kelen, te zwemmen of iets anders te doen. noteer allebei de afspraak kort <strong>in</strong> je agenda. Je schrijft de<br />

naam op van de andere cursist en de tijd.’ De cursisten mogen ook opschrijven wat ze gaan doen, maar<br />

dat hoeft niet. oefen eerst klassikaal de volgende dialoogjes. schrijf ze op het bord.<br />

hoi…… Ga je mee zwemmen?<br />

maandag om 11.00 uur?<br />

hallo ……. Kom je koffiedr<strong>in</strong>ken?<br />

D<strong>in</strong>sdag om 10.00 uur?<br />

Zaterdag om 11.00 uur dan?<br />

Ja, leuk! wanneer?<br />

Goed. tot maandag!<br />

Ja leuk. wanneer?<br />

nee, sorry, dat kan niet. ik moet naar school.<br />

Goed. tot zaterdag!<br />

Zeg alle z<strong>in</strong>nen enkele keren voor en laat ze nazeggen. let op uitspraak en <strong>in</strong>tonatie.<br />

speel het dialoogje voor met enkele cursisten en breng kle<strong>in</strong>e variaties aan <strong>in</strong> dag, tijdstip of activiteit.<br />

laat de cursisten daarna door elkaar door het lokaal lopen en met verschillende mensen afspraken<br />

maken. wie vijf afspraken <strong>in</strong> zijn agenda heeft staan mag gaan zitten. loop zelf rond, luister en geef<br />

feedback.<br />

iedereen klaar? Bespreek de oefen<strong>in</strong>g samen na: ‘met wie heb jij maandag een afspraak? hoe laat?<br />

Klopt dat …..(andere cursist)?’<br />

Kopje koffie? (klassikaal/duo’s)<br />

Vertel de cursisten dat ze een ‘koffiegesprekje’ gaan oefenen. Kopieer voor de cursisten Werkblad 2.8.<br />

leg uit dat het gaat om een gesprekje (<strong>in</strong> feite twee gesprekjes) tussen twee personen (buren). Doe het<br />

gesprek voor met een cursist. speel zelf eerst de persoon die de uitnodig<strong>in</strong>g doet. leg uit dat er soms<br />

een keuze gemaakt moet worden uit de antwoorden. herhaal dit met nog enkele cursisten. De andere<br />

cursisten luisteren en lezen mee. Verdeel de groep daarna <strong>in</strong> duo’s. elk duo oefent het gesprek meerdere<br />

keren. er wordt gewisseld van rol en de cursisten proberen steeds andere antwoorden te kiezen uit de<br />

keuzevakjes. Zo is het gesprekje steeds een beetje anders. na een tijdje kunt u met een cursist (zonder<br />

papier!) de situatie voor de groep uitspelen: zet een tafeltje met stoelen neer (en eventueel koffie, thee,<br />

bekertjes, suiker en melk). Vraag als dit goed gaat ook enkele duo’s het voor de groep uit te spelen.<br />

Kopje koffie? (wisselende duo’s)<br />

Voor deze oefen<strong>in</strong>g heeft u fl<strong>in</strong>k wat ruimte nodig. Zet eventueel wat meubilair aan de kant.<br />

Kopieer Knipblad 2.1 op stevig papier en knip de vier kaarten uit. Doe dit zovaak als nodig is om de<br />

helft van uw cursisten een setje van vier kaarten te kunnen geven. Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> twee even<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

11<br />

THEMA 2


grote groepen. De ene groep vormt een b<strong>in</strong>nencirkel en staat met het gezicht naar buiten. De andere<br />

groep gaat er <strong>in</strong> een cirkel omheen staan met het gezicht naar b<strong>in</strong>nen, recht tegenover een cursist van<br />

de b<strong>in</strong>nencirkel. Zo worden duo’s gevormd.<br />

De cursisten van de buitenste r<strong>in</strong>g (de bezoekers) krijgen van de docent een setje van vier verschillende<br />

kaarten. hierop staat steeds:<br />

- waar de bezoeker iets aardigs over moet zeggen (het huis, de bank, etc.),<br />

- wat hij (of zij) wil dr<strong>in</strong>ken (koffie of thee),<br />

- wat hij <strong>in</strong> zijn koffie of thee wil,<br />

- of hij een koekje wil of niet.<br />

De cursisten van de buitenste r<strong>in</strong>g nemen hun eerste kaart (het maakt niet uit welke) voor zich en ‘bellen<br />

aan’. De cursisten van de b<strong>in</strong>nenste r<strong>in</strong>g (de ontvangers) verwelkomen het ‘bezoek’; ze doen de ‘deur’<br />

open en zeggen: ‘hallo, kom b<strong>in</strong>nen!’. De buitenste cursist maakt een compliment zoals op zijn/haar<br />

eerste kaart staat aangegeven. De ontvanger bedankt voor het compliment en vraagt achtereenvolgens<br />

of de buurman koffie of thee wil, melk en suiker, en misschien een koekje erbij? De bezoeker geeft<br />

antwoord volgens de kaart. De cursisten gebruiken de z<strong>in</strong>nen die ze met behulp van werkblad 2.8<br />

geoefend hebben.<br />

is iedereen klaar? Dan schuiven de buitenste cursisten een plaatsje naar rechts op en gaan op bezoek bij<br />

de volgende ‘buurman’ of ‘buurvrouw’. Ze pakken hun volgende kaart erbij, en voeren nu dus een iets<br />

ander gesprekje. na drie keer doordraaien (alle vier de kaarten zijn nu geweest), ruilen de cursisten van<br />

de b<strong>in</strong>nencirkel van plaats met die van de buitencirkel. Ze nemen ook hun kaarten over. nu is het hun<br />

beurt om vier keer bij verschillende buren op bezoek te gaan.<br />

loop zelf rond, stimuleer en bied hulp waar nodig. moedig improvisatie aan, het is leuk als cursisten er<br />

d<strong>in</strong>gen bij verz<strong>in</strong>nen. let wel op correcte z<strong>in</strong>nen.<br />

nB. het is handig om vóór het vormen van de cirkels het gebruik van de kaarten goed uit te leggen en<br />

voor te doen, dit voorkomt verwarr<strong>in</strong>g later. De werkvorm <strong>in</strong> twee cirkels kan <strong>in</strong> het beg<strong>in</strong> wat rommelig<br />

verlopen. Geef duidelijke <strong>in</strong>structies en steeds maar één opdracht tegelijk. uw cursisten hebben het dan<br />

snel door. een alternatief is het vormen van twee rijen tegenover elkaar, waarbij de eerste cursist van de<br />

‘bezoekers’ bij elke wissel<strong>in</strong>g achteraan sluit.<br />

op bezoek (groepswerk/ duo’s)<br />

mocht u de beschikk<strong>in</strong>g hebben over een praktijklokaal, dan kunt u uw cursisten <strong>in</strong> groepjes een bezoek<br />

laten naspelen <strong>in</strong> een ‘huiselijke sett<strong>in</strong>g’.<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

12<br />

THEMA 2


UitVOeren<br />

Kies één of meer van de volgende praktijkopdrachten, afhankelijk van het niveau van uw cursisten.<br />

Kopieer voor uw cursisten de praktijkopdrachtformulieren van thema 2.<br />

praktijkopdracht 1: haal een woonkrant<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> een groepje bij de bibliotheek, gemeente, postkantoor of supermarkt een krantje<br />

halen of vragen met het (huur-)won<strong>in</strong>gaanbod <strong>in</strong> uw gemeente. Zoek van te voren uit waar het<br />

verkrijgbaar is en neem zelf een voorbeeld mee.<br />

laat uw cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) noteren wanneer, met wie en waar ze de opdracht gaan<br />

doen. hoe moeten ze vragen om een woonkrant? laat de vraag noteren bij ‘welke woorden/z<strong>in</strong>nen. De<br />

afspraak schrijven ze <strong>in</strong> h un agenda.<br />

Bij ‘uitvoeren’ (stap 2) plakken de cursisten een foto uit het krantje van een huis waar ze wel zouden<br />

willen wonen. stimuleer de cursisten een foto te maken van het groepje tijdens het doen van de<br />

opdracht. Bij het terugkijken wordt het spreken over de opdracht gemakkelijker.<br />

De volgende groepsles bespreekt u samen hoe de opdracht is verlopen onder ‘terugkijken’ (stap 3).<br />

u kunt met de meegebrachte woonkranten nog een oefen<strong>in</strong>g doen rondom verschillende soorten<br />

won<strong>in</strong>gen, door uw cursisten verschillende typen huizen te laten uitknippen en opplakken en de juiste<br />

naam van het soort won<strong>in</strong>g erbij te laten schrijven. Zie ook de lessuggestie voor groepswerk onder<br />

Voorbereiden.<br />

het praktijkopdrachtformulier bewaren de cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 2: huizen kijken<br />

Formeer groepjes van drie of vier cursisten. Zorg dat <strong>in</strong> ieder groepje iemand zit met een mobieltje<br />

waarmee foto’s gemaakt kunnen worden of met een digitale fotocamera.<br />

laat uw cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) noteren wanneer, met wie en waar ze de opdracht gaan<br />

doen. spreek af wanneer de opdracht klaar moet zijn. De cursisten schrijven de afspraak ook <strong>in</strong> hun<br />

agenda.<br />

Bij ‘uitvoeren’ (stap 2) maken de cursisten foto’s van verschillende soorten won<strong>in</strong>gen, zoals ze <strong>in</strong> de<br />

voorbereidende lessen aan bod zijn gekomen, bijvoorbeeld van een portiekwon<strong>in</strong>g, een rijtjeshuis<br />

en een villa. De foto’s moeten (bijvoorbeeld op school) uitgepr<strong>in</strong>t worden en opgeplakt op het<br />

praktijkopdrachtformulier of een apart blad. De cursisten schrijven het goede woord erbij: wat voor<br />

soort huizen hebben ze gevonden?<br />

<strong>in</strong> de volgende groepsles bespreekt u onder ‘terugkijken’ (stap 3), samen hoe de opdracht is verlopen.<br />

waar zijn ze geweest? is de opdracht gelukt? laat de cursisten ook elkaars foto’s bekijken.<br />

het praktijkopdrachtformulier bewaren de cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

13<br />

THEMA 2


praktijkopdracht 3: ga op bezoek!<br />

het is lastig om cursisten te verplichten bij iemand (bijvoorbeeld de buren) op bezoek te gaan om het<br />

geleerde <strong>in</strong> praktijk te brengen. misschien hebben uw cursisten zelf een idee bij wie ze nu op bezoek<br />

durven te gaan of wie ze kunnen uitnodigen. een andere mogelijkheid is om door middel van ‘lootjes<br />

trekken’ de cursisten te stimuleren om bij een (liefst anderstalige) medecursist op bezoek te gaan, om<br />

koffie te dr<strong>in</strong>ken of bijvoorbeeld samen aan een huiswerkopdracht te werken. Ze kunnen ook samen <strong>in</strong><br />

de kant<strong>in</strong>e afspreken.<br />

Vraag welke cursisten het leuk zouden v<strong>in</strong>den om bezoek te krijgen. De andere cursisten schrijven hun<br />

naam op een papiertje en doen dit <strong>in</strong> een doosje. De cursisten die bezoek willen, trekken één of twee<br />

(afhankelijk van ‘het aanbod’) kaartjes en maken met deze cursisten een afspraak. Benadruk dat het gaat<br />

om ‘gewoon’ even een kopje koffie. er hoeven geen d<strong>in</strong>ers te worden aangericht! cursisten die het<br />

‘eng’ v<strong>in</strong>den kunnen samen gaan. u kunt ook cursisten die bij elkaar <strong>in</strong> de buurt wonen ‘koppelen’.<br />

Kopieer voor uw cursisten het praktijkopdrachtformulier voor thema 2 en doe gezamenlijk de<br />

voorbereid<strong>in</strong>g (stap 1). laat afspraken noteren (wie, wat wanneer, waar?), ook <strong>in</strong> de agenda. Bedenk<br />

samen wat belangrijk is om je voor te bereiden op het bezoek. (welke z<strong>in</strong>nen moet ik nog oefenen? hoe<br />

laat moet ik van huis weg? weet ik het adres? hoe ga ik erheen? etc.)<br />

Bij stap 2 (uitvoeren) schrijven de cursisten kort op bij wie ze op bezoek zijn geweest en wat ze<br />

bijvoorbeeld hebben gegeten en gedronken, waar ze over gepraat hebben, etc. stimuleer het maken van<br />

een foto.<br />

Kom <strong>in</strong> de volgende les uitgebreid terug op de afgelegde bezoekjes.<br />

evalueer met behulp van het formulier en eventueel de gemaakte foto hoe de opdracht is gegaan (stap<br />

3: terugkijken).<br />

- Bij wie ben je op bezoek geweest?<br />

- hoe is het gegaan?<br />

- was het eng of juist leuk?<br />

- Kon je alles verstaan en begrijpen? Zo nee, heb je om uitleg gevraag?<br />

- laat uw cursisten vertellen en stel vragen.<br />

het praktijkopdrachtformulier bewaren de cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

14<br />

THEMA 2


terUgkijken<br />

<strong>in</strong> deze fase kijkt u met de cursisten terug op thema 2. wat hebben ze geleerd? hoe zijn de<br />

praktijkopdrachten gegaan? houd een groepsgesprek.<br />

Kopieer werkblad 2.9 (het evaluatieformulier). laat de cursisten <strong>in</strong>dividueel aankruisen <strong>in</strong> de tweede en<br />

derde kolom wat voor hen van toepass<strong>in</strong>g is. Bespreek wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld en waarom. controleer<br />

door middel van een aantal vragen ‘steekproefsgewijs’ of het klopt wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld. laat zo alle<br />

doelen uit de eerste kolom nog eens de revue passeren. Kennen/kunnen ze het <strong>in</strong>derdaad? u kunt ter<br />

controle de werk- en knipbladen gebruiken.<br />

Verwerken<br />

<strong>in</strong> de laatste kolom van werkblad 2.9 kunt u tips laten noteren, bijvoorbeeld: luister nog eens naar de<br />

gesprekjes op de computer. herhaal ‘oefenen met taal’ of ‘woorden leren’ op de computer. lees nog<br />

eens de werkbladen, etc.<br />

cursisten kunnen natuurlijk ook zelf d<strong>in</strong>gen bedenken die ze anders, beter, of juist hetzelfde gaan doen<br />

bij het volgende thema.<br />

De cursisten bewaren het formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 2 - huis en omGeV<strong>in</strong>G<br />

15<br />

THEMA 2


<strong>lesvoorbereid<strong>in</strong>g</strong><br />

thema 3 VerVoer


Waar gaat het over?<br />

<strong>in</strong> dit thema staan de vaardigheden centraal die de cursist nodig heeft om van a naar B te gaan. aan<br />

bod komen de thema’s (openbaar) vervoer, route en tijd. ook is aan de orde wat de cursist moet doen<br />

als hij een gemaakte afspraak niet kan nakomen.<br />

algemeen doel<br />

De cursist kan vervoer regelen, de weg vragen en op tijd zijn. <strong>in</strong>dien nodig kan hij een afspraak verzetten<br />

of afzeggen.<br />

subdoelen<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

De cursist kan zeggen en vragen hoe laat het is.<br />

De cursist kan een afspraak afzeggen / verzetten (<strong>in</strong>formeel).<br />

De cursist kan de weg vragen.<br />

De cursist kan de weg vragen en de (eenvoudige) uitleg begrijpen.<br />

De cursist kan plannen (tijd).<br />

De cursist kan een schema lezen (bij de bushalte) over de vertrektijden.<br />

De cursist kan een oV-chipkaart gebruiken.<br />

De cursist weet welk openbaar vervoer er is<br />

De cursist kan gebruik maken van bus of tram<br />

De cursist kan een eenvoudige plattegrond lezen.<br />

aandachtspunten<br />

nederlanders hechten aan op tijd komen op afspraken. Dit is belangrijk voor werk, afspraken met<br />

zorgverleners etc. soms worden kosten <strong>in</strong> reken<strong>in</strong>g gebracht als je er niet bent.<br />

Besteed bij de betreffende oefen<strong>in</strong>gen de telefoonconventies: nederlanders zeggen niet ‘hallo’ maar<br />

noemen hun naam als ze de telefoon opnemen.<br />

Bij het noemen van hun naam zeggen mannen ‘met Jan Blok’, met Jan, of ‘Blok’, maar niet ‘meneer<br />

Blok’. Vrouwen zeggen ‘met wilma Blok’ , met wilma’, of ‘met mevrouw de Blok’.<br />

thema 3 - VerVoer<br />

2<br />

THEMA 3


thema 3 vervoer<br />

doel van het thema: De cursist kan vervoer regelen, de weg vragen en op tijd zijn. <strong>in</strong>dien nodig kan hij een afspraak verzetten of afzeggen.<br />

onderwerpen subdoelen materiaal Kns<br />

Vervoer en route<br />

• De cursist kan klokkijken (<strong>in</strong> het nederlands).<br />

Film: Vervoer<br />

niet direct van toepass<strong>in</strong>g<br />

openbaar vervoer • De cursist kan vragen hoe laat het is.<br />

e-learn<strong>in</strong>g<br />

Plannen<br />

• De cursist kan een afspraak afzeggen / verzetten (<strong>in</strong>formeel).<br />

werkbladen 3.0, 3.1, 3.2, 3.3, 3.4,<br />

een afspraak afzeggen / • De cursist kan de weg vragen.<br />

3.5, 3.6, 3.7 en 3.8<br />

verzetten<br />

• De cursist kan de weg vragen en de (eenvoudige) uitleg begrijpen.<br />

Knipbladen 3.1, 3.2, 3.3, 3.4, 3.5,<br />

schema lezen<br />

• De cursist kan plannen (tijd).<br />

3.6, 3.7<br />

• De cursist kan een schema lezen (bij de bushalte) over de vertrektijden. Formulieren praktijkopdracht<br />

• De cursist kan een oV-chipkaart gebruiken.<br />

analoge (oefen) klok<br />

• De cursist weet welk openbaar vervoer er is.<br />

stevig papier<br />

• De cursist kan gebruik maken van bus of tram.<br />

Gekleurd stevig papier<br />

• De cursist kan een eenvoudige plattegrond lezen.<br />

speelgoedautootje<br />

oriënteren voorbereiden uitvoeren terugkijken verwerken<br />

Film<br />

Klokkijken<br />

Praktijkopdrachten<br />

aan de hand werkblad<br />

Kijkvragen<br />

• hoe laat is het? 3 x (klassikaal en groepswerk)¬<br />

van werkblad 3.8<br />

Groepsgesprek<br />

• Digitale tijden bij de bushalte (klassikaal)<br />

1. naar de bushalte<br />

3.8<br />

woorden-<br />

• maak een rij (klassikaal)<br />

2. naar het station<br />

controle met schrift<br />

• Digitale en analoge tijden ‘memory’ (groepswerk)<br />

behulp van<br />

• hoe laat is 12.30? (duo’s)<br />

de knipbla-<br />

• nog meer klokkijken<br />

den<br />

(openbaar) vervoer<br />

• woordparaplu ´vervoer´ (klassikaal)<br />

• hoe ga jij naar school? (groepswerk)<br />

• met de bus: wat vraag je? wat zeg je? (<strong>in</strong>dividueel duo´s klassikaal)<br />

een afspraak afzeggen of verzetten<br />

• een afspraak afzeggen / verzetten (klassikaal, duo’s)<br />

• De weg vagen (klassikaal, duo’s)<br />

• wat zie je op straat? (klassikaal, duo’s)<br />

• l<strong>in</strong>ksaf, rechtsaf (klassikaal, tPr)<br />

• waar moet ik heen? (klassikaal, tPr)<br />

• Pardon, waar is …? (klassikaal)<br />

• waar is de hema? (klassikaal, <strong>in</strong>dividueel)<br />

• loop zoals ik zeg (groepswerk)<br />

aandachtspunten<br />

aan afspraken houden; als dat niet gaat, dan opbellen / briefje sturen / zeggen<br />

thema 3 - VerVoer<br />

3<br />

THEMA 3


Oriënteren<br />

de film<br />

Vertel uw cursisten dat tarik en Zoera vandaag op stap gaan met het openbaar vervoer.<br />

Korte <strong>in</strong>houd van de film:<br />

tarik en Zoera staan bij een tramhalte en proberen het schema te lezen. Plotsel<strong>in</strong>g staat buurman Jan<br />

achter ze. waar willen ze heen? Jan legt uit welke tram ze moeten nemen en adviseert ze om <strong>in</strong> een<br />

w<strong>in</strong>kel een strippenkaart te kopen; dat is voordeliger. als tarik en Zoera vanuit de w<strong>in</strong>kel teruglopen<br />

naar de halte, rijdt de tram net voor hun neus weg. Jan zit wel <strong>in</strong> de tram en zwaait vrolijk naar het<br />

bedremmelde stel.<br />

nB.:Vertel deze <strong>in</strong>houd niet aan uw cursisten. Daarmee geeft u de ‘clou’ weg.<br />

Deel werkblad 3.0 uit. hierop staan kijkvragen voor drie rondes filmkijken.<br />

lees voor elke kijkronde eerst samen de vragen en de mogelijke antwoorden.<br />

Bespreek de antwoorden na voordat u de film nogmaals zien.<br />

aansluitend kunt u <strong>in</strong> een groepsgesprek <strong>in</strong>gaan op de eigen ervar<strong>in</strong>gen van cursisten:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

Ga je zelf wel eens met de bus of de tram?<br />

alleen of met iemand samen?<br />

waarheen?<br />

heb jij een oV-chipkaart?<br />

Kun jij de vertrektijden bij de halte lezen?<br />

Kun je <strong>in</strong> het nederlands zeggen hoe laat het is?<br />

...............................................<br />

nB: Vertel de cursisten dat de strippenkaart iangzaam aan het verdwijnen is/verdwenen is, omdat<br />

er overgegaan wordt/is op de oV-chipkaart.<br />

thema 3 - VerVoer<br />

4<br />

THEMA 3


VOOrbereiden<br />

KloKKijKen<br />

hoe laat is het? (klassikaal)<br />

Beg<strong>in</strong> met een groepsgesprek. Kom even terug op de film. waar kijken tarik en Zoera op het schema<br />

bij de bushalte? hoe laat gaat de tram? moeten ze nu lang wachten? maak zo een brug naar het thema<br />

‘tijd’.<br />

Bespreek de volgende vragen:<br />

- wie van jullie heeft een horloge? Digitaal of met wijzers?<br />

- als je geen horloge hebt, hoe weet je dan hoe laat het is?<br />

- heb je thuis een klok? waar hangt die? waarom daar?<br />

- Kunnen jullie <strong>in</strong> het nederlands zeggen hoe laat het is?<br />

- wanneer is het belangrijk om precies de tijd te weten? (bijvoorbeeld als je een afspraak hebt, als je<br />

de bus moet halen, etc.)<br />

hoe laat is het? (klassikaal)<br />

Bespreek met uw cursisten de volgende vragen:<br />

- hoeveel uren zitten er <strong>in</strong> een dag (etmaal)?<br />

- Van hoe laat tot hoe laat duren de ochtend, middag, avond, nacht?<br />

- hoeveel m<strong>in</strong>uten zitten er <strong>in</strong> een uur?<br />

schrijf de antwoorden overzichtelijk op het bord, zodat u er later naar kunt verwijzen.<br />

Zorg voor een duidelijke analoge (oefen-)klok met verdraaibare wijzers en cijfers. Zet de klok op een<br />

heel uur (bijvoorbeeld 2 uur) en zeg: ‘het is twee uur’. laat de cursisten het nazeggen. Doe dit ook met<br />

andere hele uren. Vraag daarna steeds aan de cursisten hoe laat het is. herhaal dit met alle andere hele<br />

uren en geef iedereen beurten.<br />

Doe nu hetzelfde met de halve uren (het is half…..) en met de kwartieren (het is kwart over…/het is<br />

kwart voor…). als het goed gaat kunt u doorgaan met bijvoorbeeld vijf of tien m<strong>in</strong>uten voor/over het<br />

hele uur.<br />

over het algemeen v<strong>in</strong>den cursisten het moeilijk om een aantal m<strong>in</strong>uten voor of over het halve uur<br />

te zeggen <strong>in</strong> het nederlands (bijvoorbeeld ‘het is vier over half zeven’). <strong>in</strong> deze fase wordt actieve<br />

beheers<strong>in</strong>g hiervan ook nog niet gevraagd. <strong>in</strong> volgende oefen<strong>in</strong>gen wordt wel gevraagd dat cursisten<br />

deze tijden ‘begrijpen’ en kunnen koppelen aan digitale tijden. u kunt wel cursisten die dit wel<br />

beheersen, <strong>in</strong>zetten om tijden te noemen. <strong>in</strong> de volgende oefen<strong>in</strong>gen kunt u deze cursisten dit ook laten<br />

doen.<br />

hoe laat is het? (groepswerk)<br />

Formeer groepjes van ongeveer drie personen. Kopieer knipbladen 3.1 en 3.2 op stevig papier zo vaak<br />

als u groepjes cursisten heeft. Knip de kaartjes los en doe ze <strong>in</strong> envelopjes. elk groepje krijgt een envelop<br />

met een stapel kaartjes met klokken. De stapel kaartjes ligt omgekeerd op tafel. om de beurt draait een<br />

thema 3 - VerVoer<br />

5<br />

THEMA 3


cursist een kaartje om en vraagt aan zijn/haar rechterbuurman: ‘hoe laat is het?’ Deze bekijkt het kaartje<br />

en geeft antwoord (‘het is half zes’). nu draait de volgende cursist een kaartje om en vraagt de tijd aan<br />

diens rechterbuurman. Zo rouleren de beurten tot de kaartjes op zijn. De stapel kan nu opnieuw worden<br />

omgedraaid om het spel nog eens te spelen. loop zelf rond, geef feedback en assisteer waar nodig.<br />

Bewaar de kaartjes. u heeft ze later nog een keer nodig.<br />

bij de bushalte (klassikaal)<br />

<strong>in</strong>troduceer dit onderwerpje door weer te verwijzen naar de bushalte. hoe staan de vertrektijden daar<br />

aangegeven? Kopieer werkblad 3.1 met het bushalteschema voor uw cursisten. Bekijk samen het<br />

schema en stel de volgende vragen:<br />

- Van welke bus (lijn) zijn dit de vertrektijden?<br />

- wat is de naam van de halte?<br />

- waar gaat deze bus naartoe (e<strong>in</strong>dhalte)?<br />

- hoe laat gaat de eerste bus? en de laatste?<br />

- hoeveel keer rijdt de bus tussen 8.00 uur en 9.00 uur?<br />

- en tussen 23.00 uur en 24.00 uur?<br />

- hoe vaak rijdt de bus op zaterdag? en op zondag?<br />

- ………………………………………………<br />

Besteed veel aandacht aan de manier van uitspreken van de digitale tijden: 8.30 uur mag uitgesproken<br />

worden als ‘acht uur dertig’. hoe kun je dit anders zeggen? (‘half negen’). is dit ’s morgens of ’s avonds?<br />

(’s morgens).<br />

Doe dit met verschillende tijden uit het schema. Geef zelf ook allerlei voorbeelden op het bord. Zeg eerst<br />

een aantal tijden voor en laat ze nazeggen. Geef daarna beurten aan de cursisten: schrijf een tijd op het<br />

bord en vraag hoe laat dat is.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

nB: houd de voorbeelden eenvoudig (bijvoorbeeld 19.00 uur), het gaat om het begrip of een tijd ’s<br />

morgens, ’s middags, ’s avonds of ’s nachts is. een cursist hoeft nog niet te kunnen zeggen dat 23.23<br />

uur ‘zeven voor half twaalf’ is<br />

praktijkopdracht ‘naar de bushalte’<br />

Doe nu Praktijkopdracht 1 van thema 3: ‘naar de bushalte’. Deze v<strong>in</strong>dt u onder ‘uitvoeren’.<br />

maak een rij (klassikaal)<br />

Kopieer knipbladen 3.3 en 3.4 op gekleurd stevig papier. Knip de kaartjes met digitale tijden los.<br />

Geef elke cursist een kaartje. misschien houdt u kaartjes over, kies dan zoveel mogelijk verschillende<br />

kaartjes en leg de rest even apart. (u kunt ze bij de volgende oefen<strong>in</strong>g ook gebruiken) Geef de volgende<br />

opdracht: ‘maak een lange rij. Bij de deur moet de cursist staan met de vroegste tijd (vanaf 0.00 uur).<br />

Bij het raam de cursist met de laatste tijd (bijvoorbeeld 23.30 uur). alle cursisten moeten op volgorde<br />

staan van vroeg naar laat.’ laat de cursisten zonder uw hulp een rij vormen. Ze moeten steeds aan<br />

elkaar vragen hoe laat het bij de ander is. als de rij staat, houdt iedereen zijn kaartje voor zich. u loopt<br />

de rij langs en bespreekt of iedereen op de goede plaats staat. u kunt de kaartjes <strong>in</strong>nemen, schudden en<br />

thema 3 - VerVoer<br />

6<br />

THEMA 3


opnieuw uitdelen als u de oefen<strong>in</strong>g wilt herhalen.<br />

digitale en analoge tijden ‘memory’ (groepswerk)<br />

u heeft voor deze oefen<strong>in</strong>g opnieuw de kaartjes nodig van knipbladen 3.1 t/m 3.4. maak groepjes<br />

van drie of vier personen. Geef elke groep een stapel kaartjes van bij elkaar passende analoge en digitale<br />

klokken. laat de kaartjes schudden en ondersteboven op tafel leggen. Doe het zo nodig bij een groepje<br />

voor. De cursisten draaien nu om de beurt twee kaartjes om: een wit en een gekleurd kaartje. Past<br />

de analoge tijd bij de digitale tijd? Dan mag de cursist het setje ‘houden’. is de comb<strong>in</strong>atie niet goed?<br />

Kaartjes terugdraaien en de volgende cursist is aan de beurt. wie heeft de meeste kaartjes?<br />

nB: als u denkt dat 48 kaartjes (2x24) teveel is voor uw cursisten, maak dan een selectie. u kunt het<br />

spel later dan nog eens spelen met meer kaartjes.<br />

hoe laat is het? (duo’s)<br />

Voor deze spreekoefen<strong>in</strong>g kopieert u werkblad 3.2 voor uw cursisten. leg aan de hand van het<br />

werkblad uit wat de bedoel<strong>in</strong>g is van de oefen<strong>in</strong>g. Doe de oefen<strong>in</strong>g eerst voor met een cursist. De<br />

cursisten werken <strong>in</strong> tweetallen.<br />

- cursist a: ‘hoe laat is 12.30 uur (spreek uit: ‘twaalf uur dertig’)?<br />

- cursist B: ‘Dat is half één ‘s middags’.<br />

als a alle vragen heeft gesteld, stelt B de vragen aan a. loop zelf rond en geef feedback.<br />

n.B.: Dit is een spreekoefen<strong>in</strong>g, de cursisten moeten dus niet gaan schrijven. De cursisten doen het<br />

werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

nog meer klokkijken?<br />

levert het klokkijken nog veel problemen op? laat uw cursisten dan (thuis) extra oefenen. Verwijs naar<br />

de e-learn<strong>in</strong>g. Verschillende werkbladen zijn moeiteloos te maken met b.v. www.klokrekenen.nl.<br />

(openbaar) vervoer<br />

Woordparaplu ‘vervoer’ (klassikaal)<br />

Kom weer even terug op de film. tarik en Zoera willen met de tram mee. Zitten de cursisten wel eens <strong>in</strong><br />

een tram? welke andere vormen van vervoer kennen en gebruiken ze? schrijf het woord VerVoer op<br />

het bord. Bedenk met de cursisten zoveel mogelijk vervoersmiddelen en schrijf ze er naast elkaar onder.<br />

trek lijnen van het hoofdwoord naar de andere woorden. maak zo samen een woordparaplu.<br />

Vraag aan de cursisten wat het verschil is tussen enerzijds een fiets, auto en bromfiets en anderzijds de<br />

bus, tram tre<strong>in</strong> en metro. <strong>in</strong>troduceer de term ‘openbaar vervoer’. laat nu een cursist met een andere<br />

kleur krijt alle vormen van openbaar vervoer omcirkelen. Vraag de anderen hem/haar te helpen. stel<br />

vragen ter controle: ‘is een fiets openbaar vervoer? is een tre<strong>in</strong> openbaar vervoer?’ etc. hoe is het<br />

openbaar vervoer <strong>in</strong> het land van herkomst?<br />

thema 3 - VerVoer<br />

7<br />

THEMA 3


hoe ga jij naar school? (groepswerk)<br />

Bespreek de vormen van vervoer die de cursisten gebruiken. wie heeft een auto? wie heeft een fiets?<br />

wie gaat met de bus naar school? wie komt lopend? leg uit dat het antwoord op de vraag ‘hoe ga je<br />

naar school?’, meestal beg<strong>in</strong>t met het woordje ‘met’ (met de fiets, bus, etc.), behalve als iemand naar<br />

school loopt (lopend). stel aan verschillende cursisten de vraag: hoe ga je naar school?<br />

Vorm nu groepjes van drie of vier personen. Kopieer per groepje knipblad 3.5 op gekleurd papier en<br />

knipblad 3.6 op wit papier. Knip de kaartjes los en leg bij ieder groepje de stapeltjes omgekeerd op<br />

tafel.<br />

De eerste cursist vraagt aan zijn rechterbuurman: ‘waar ga je naar toe?’<br />

De buurman pakt een kaartje van de gekleurde stapel en geeft een bijpassend antwoord (bijvoorbeeld<br />

‘ik ga naar school.’)<br />

Dan vraagt de eerste cursist: ‘hoe ga jij naar school?’ De buurman pakt weer een kaartje, nu van de<br />

witte stapel, draait het om en geeft weer een bijpassend antwoord, bijvoorbeeld: ‘met de bus’ of: ‘ik ga<br />

met de bus naar school’.<br />

nu stelt de buurman op zijn beurt de vragen aan de volgende cursist, deze draait weer kaartjes om<br />

en geeft antwoord. Zo gaat de beurt rond. als de stapeltjes ‘op’ zijn, worden ze geschud en opnieuw<br />

omgedraaid zodat het spel verder gespeeld kan worden.<br />

nB: u zou een moeilijkere variant kunnen spelen. Gebruik dan een derde stapel kaartjes met tijden erop<br />

(bijvoorbeeld de kaartjes van de knipbladen 3.1 en 3.2 of 3.3 en 3.4)<br />

het gesprekje wordt dan als volgt:<br />

- waar ga je naartoe? naar school.<br />

- hoe ga je naar school? met de fiets.<br />

- hoe laat moet je daar zijn? om 9.00 uur.<br />

vragen stellen aan de buschauffeur (<strong>in</strong>dividueel/duo’s/klassikaal)<br />

Kopieer werkblad 3.3. laat uw cursisten eerst <strong>in</strong>dividueel het blad maken. leg uit wat de bedoel<strong>in</strong>g is<br />

en geef een voorbeeld. Ze moeten bij elke situatie de juiste vraag of z<strong>in</strong> zoeken en verb<strong>in</strong>den met een<br />

lijn. laat de cursisten <strong>in</strong> duo’s hun antwoorden vergelijken. Bespreek samen eventuele moeilijkheden.<br />

na afloop leest u alle cursieve vragen / z<strong>in</strong>nen enkele malen hardop voor en laat ze nazeggen. Geef<br />

feedback op uitspraak en <strong>in</strong>tonatie.<br />

laat vervolgens steeds twee cursisten voor de groep komen. Zet een kapstok of iets dergelijks neer met<br />

daarop een dienstregel<strong>in</strong>g (werkblad 3.1) geplakt. cursist 1 staat bij de ‘bushalte’. hij krijgt van u een<br />

opdracht / situatie van werkblad 3.3. hij stelt vervolgens een goede vraag. cursist 2 (zittend op een stoel<br />

met een ‘stuur’ <strong>in</strong> de handen) is de buschauffeur die bij de halte stopt en bedenkt een antwoord. laat<br />

meerdere duo’s een dergelijk m<strong>in</strong>igesprekje voeren.<br />

u en de andere cursisten luisteren en geven feedback. werd er een goede vraag gesteld? Klopte het<br />

antwoord dat de ‘chauffeur’ gaf?<br />

De cursisten doen het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

nB: mocht u beschikken over een praktijklokaal, dan kunt u de situaties daar nog meer levensecht<br />

oefenen.<br />

thema 3 - VerVoer<br />

8<br />

THEMA 3


een afspraaK afZeggen of verZetten (<strong>in</strong> <strong>in</strong>formele situaties)<br />

een afspraak afzeggen/verzetten (klassikaal/duo’s)<br />

Bespreek met uw groep de volgende situatie: Je hebt een afspraak gemaakt, maar je kunt niet komen<br />

want er is een vervoersprobleem. Je moet de afspraak dus afzeggen of verzetten, bijvoorbeeld door<br />

even te bellen. laat cursisten enkele situaties bedenken waarbij ze een afspraak moeten afzeggen of<br />

verzetten en geef zelf een paar voorbeelden. oefen nu de volgende (<strong>in</strong>formele) telefoongesprekjes.<br />

schrijf ze op het bord.<br />

a B<br />

hallo, met …..<br />

o, jammer. hoe laat kom je?<br />

oké, tot straks!<br />

met ……<br />

o, wat jammer. wanneer kom je dan?<br />

Prima! tot morgen!<br />

hoi ………, met ……..<br />

ik kom wat later, ik heb de bus gemist.<br />

om 11 uur.<br />

tot straks!<br />

hallo ……., met…..<br />

sorry, ik kom niet, de tre<strong>in</strong>en rijden niet.<br />

morgen om 16.00 uur?<br />

tot morgen!<br />

het gaat hier om het afzeggen of verzetten van een <strong>in</strong>formele afspraak; een afspraak met buren,<br />

vrienden of familie.<br />

Bespreek het opnemen van de telefoon. wat zeg je zelf altijd? Je voornaam? achternaam? mevrouw<br />

…? alleen hallo? wijs erop dat dit laatste <strong>in</strong> nederland niet gebruikelijk is. De persoon die opneemt zegt<br />

zijn/haar naam!<br />

neem de dialoogjes samen door. laat cursisten de z<strong>in</strong>nen nazeggen.<br />

Doe de dialoogjes een aantal keren voor met een cursist. Breng kle<strong>in</strong>e variaties aan <strong>in</strong> situatie, dag en<br />

tijd. speel zelf degene die opbelt om de afspraak af te zeggen/te verzetten.<br />

maak duo’s. Kopieer knipblad 3.7 zoveel keer als u duo’s heeft op stevig papier. Knip de rolkaartjes los.<br />

Voeg steeds de twee bij elkaar horende kaartjes samen met een paperclip. elk duo krijgt dus vier setjes<br />

kaarten. er moeten dus vier gesprekjes geoefend worden.<br />

laat de cursisten het eerste setje kaarten pakken (rollenspel 1) en ieder een rolkaartje nemen. Bespreek<br />

de eerste keer klassikaal wat op het kaartje staat en wat de bedoel<strong>in</strong>g is: de cursisten oefenen het<br />

gesprekje en wisselen daarna van rol.<br />

na enkele m<strong>in</strong>uten geeft u enkele duo’s de beurt het gesprekje voor de groep uit te spelen. Zet hiervoor<br />

twee stoelen met de ruggen tegen elkaar. Beide cursisten hebben een (mobiele) telefoon bij de hand om<br />

thema 3 - VerVoer<br />

9<br />

THEMA 3


het ‘echt’ te maken. Geef feedback en geef ook de cursisten een luisteropdracht: Praten ze duidelijk?<br />

wat is de nieuwe afspraak? Zegt de cursist zijn naam bij het opnemen van de telefoon?<br />

speel het telefoongesprek eventueel zelf nog eens uit met een cursist en laat het daarna nog eens doen<br />

door twee cursisten.<br />

herhaal dit met de drie andere rollenspelletjes.<br />

de Weg vragen<br />

de straat? (klassikaal/duo’s)<br />

Kopieer werkblad 3.4a voor uw cursisten. Bespreek samen wat er allemaal op de teken<strong>in</strong>g te zien is.<br />

laat de cursisten de d<strong>in</strong>gen aanwijzen die u noemt (stoplicht, stoep, fietspad, oversteken, etc.). herhaal<br />

dit meerdere keren. laat de woorden ook nazeggen.<br />

met werkblad 3.4b kunt u de cursisten <strong>in</strong> tweetallen laten oefenen: cursist a wijst iets aan en vraagt<br />

wat het is. (schrijf de vraag ‘wat is dit?’ op het bord.) cursist B geeft antwoord. loop rond en help waar<br />

nodig.<br />

u kunt de belangrijkste woorden ook op het bord schrijven. De cursisten schrijven ze op de goede plaats<br />

<strong>in</strong> de teken<strong>in</strong>g.<br />

verkeersb<strong>in</strong>go (klassikaal/duo’s)<br />

maak met uw cursisten een wandel<strong>in</strong>g <strong>in</strong> de buurt van de school. Verdeel de cursisten van te voren <strong>in</strong><br />

duo’s. De cursisten krijgen allemaal een ‘verkeersb<strong>in</strong>go-kaart’; werkblad 3.5. al wandelend zetten de<br />

cursisten steeds een kruisje als ze een van de begrippen op de kaart op straat tegenkomen. welk duo<br />

heeft het eerst ‘b<strong>in</strong>go’?<br />

l<strong>in</strong>ksaf, rechtsaf (klassikaal/tpr)<br />

<strong>in</strong>troduceer de volgende begrippen:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

l<strong>in</strong>ks / rechts<br />

aan de l<strong>in</strong>kerkant / aan de rechterkant<br />

tegenover/aan de overkant<br />

l<strong>in</strong>ksaf / rechtsaf<br />

rechtdoor<br />

leg de begrippen uit met behulp van de cursisten zelf en de <strong>in</strong>richt<strong>in</strong>g van het lokaal.<br />

stel allerlei vragen aan uw cursisten:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

wat is l<strong>in</strong>ks/rechts?<br />

wie zit rechts van jou?<br />

wie zit aan je l<strong>in</strong>kerkant?<br />

wie zit tegenover maria?<br />

laat een cursist door het lokaal lopen en geef hem/haar <strong>in</strong>structies: ‘Ga rechtdoor, l<strong>in</strong>ksaf, nog een keer<br />

l<strong>in</strong>ksaf, rechtdoor, rechtsaf, stop.’ Doe dit met meerdere cursisten.<br />

thema 3 - VerVoer<br />

10<br />

THEMA 3


Waar moet ik heen? (klassikaal/tpr)<br />

teken op het bord een grote maar eenvoudige plattegrond: enkele straten en zijstraten. teken een<br />

vierkantje <strong>in</strong> de plattegrond. Dit is bijvoorbeeld de school. neem een speelgoedautootje mee. Zet<br />

dit op de plattegrond en vraag de cursisten hoe u naar de school moet rijden. Ze kunnen volstaan met<br />

‘rechts(af)’, ‘l<strong>in</strong>ks(af)’, ‘rechtdoor’ en ‘stop’. Doe precies wat uw cursisten zeggen. als u fout rijdt is dat<br />

meteen feedback. teken een ander vierkantje <strong>in</strong> de plattegrond (bijvoorbeeld het station) en herhaal<br />

de oefen<strong>in</strong>g. Doe dit enkele keren. steeds moet u ergens anders heen of beg<strong>in</strong>t u ergens anders. laat<br />

enkele cursisten ook eens ‘chauffeur’ zijn.<br />

nB: als er zeil op vloer ligt kunt u met krijt op de vloer tekenen. Ga <strong>in</strong> dat geval <strong>in</strong> een kr<strong>in</strong>g zitten met<br />

uw cursisten. ook een autospeelkleed voor k<strong>in</strong>deren kan geschikt zijn voor deze oefen<strong>in</strong>g.<br />

de weg vragen (klassikaal)<br />

Deel de werkblad 3.6 uit. Bespreek samen met de cursisten de z<strong>in</strong>nen. controleer of ze de z<strong>in</strong>nen<br />

begrijpen. Zeg de verschillende z<strong>in</strong>nen voor en laat ze nazeggen. herhaal dit enkele keren. uw cursisten<br />

hoeven nog niet een (<strong>in</strong>gewikkelde) routebeschrijv<strong>in</strong>g te kunnen geven. Ze moeten wel begrijpen wat<br />

iemand zegt als ze zelf de weg vragen.<br />

Waar is de hema? (klassikaal/<strong>in</strong>dividueel)<br />

Voor deze oefen<strong>in</strong>g hebben de cursisten werkblad 3.7 nodig. Dit is een plattegrond met enkele<br />

gebouwen. uw cursisten weten de weg niet. Bespreek met de cursisten hoe ze de weg moeten vragen:<br />

- Pardon mevrouw/meneer, waar is de hema?<br />

- mag ik iets vragen? waar is de hema?<br />

De cursisten zoeken: de hema, de school, het zwembad, de aldi en het gemeentehuis. schrijf deze<br />

woorden op het bord.<br />

Geef steeds een cursist de beurt om aan u de weg te vragen. u vertelt vervolgens steeds langzaam en<br />

duidelijk de route naar één van de gebouwen. Gebruik daarbij de z<strong>in</strong>nen van werkblad 3.6.<br />

laat de cursisten het goede woord bij het gebouw schrijven.<br />

loop zoals ik zeg (groepswerk)<br />

Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> groepjes van drie. een cursist ‘verstopt’ iets <strong>in</strong> of om de school, bijvoorbeeld een<br />

briefje, en komt terug <strong>in</strong> het lokaal. hij moet de andere cursisten van zijn groepje naar de verstopplaats<br />

loodsen door achter hen te lopen en aanwijz<strong>in</strong>gen te geven. hij kan volstaan met bijvoorbeeld:‘loop<br />

rechtdoor. stop. Ga l<strong>in</strong>ksaf.’ etc. hij mag niet wijzen!<br />

is het briefje of voorwerp gevonden? Dan mag een andere cursist uit het groepje iets verstoppen.<br />

nB: u kunt ook eerst zelf iets verstoppen <strong>in</strong> de school en uw groep ‘erheen praten’. Dan is het misschien<br />

sneller duidelijk wat de bedoel<strong>in</strong>g is.<br />

thema 3 - VerVoer<br />

11<br />

THEMA 3


UitVOeren<br />

Kies voor uw cursisten één van de volgende praktijkopdrachten, of laat ze beide doen, afhankelijk van<br />

het niveau van uw cursisten.<br />

Kopieer voor uw cursisten de praktijkopdrachtformulieren van thema 3.<br />

praktijkopdracht 1: naar de bushalte<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> bijvoorbeeld tweetallen naar een bus- of tramhalte <strong>in</strong> de buurt gaan. het is goed<br />

wanneer u zelf de tweetallen samenstelt, afhankelijk van de hulp die ze elkaar kunnen bieden, wie van<br />

de twee beter is <strong>in</strong> het lezen van (digitale) tijden of wie de antwoorden zal opschrijven, etc. Geef hen de<br />

volgende zoekopdrachten mee:<br />

- welke bus-/tram lijnen stoppen bij deze halte?<br />

- waar gaan deze naartoe (e<strong>in</strong>dhaltes)?<br />

- hoe laat gaat de eerste bus? en de laatste?<br />

laat cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) noteren wanneer en met wie ze de opdracht gaan<br />

uitvoeren, waar ze precies naartoe gaan en wat ze bijvoorbeeld moeten meenemen of voorbereiden. De<br />

afspraak schrijven ze ook <strong>in</strong> hun agenda.<br />

De cursisten noteren de gevonden <strong>in</strong>formatie onder ‘uitvoeren’ (stap 2). cursisten met een mobiele<br />

telefoon of digitale camera kunnen een foto maken van de bushalte en/of dienstregel<strong>in</strong>g, deze uitpr<strong>in</strong>ten<br />

op school en opplakken.<br />

evalueer na afloop de praktijkopdracht onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkopdrachtformulier.<br />

laat de duo’s/groepjes vertellen hoe de opdracht gegaan is. aan de hand van hun foto zal dit beter<br />

gaan.<br />

De cursisten bewaren het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map<br />

praktijkopdracht 2: naar het station<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> een groepje met de bus naar het station gaan.<br />

Geef hen één van de onderstaande opdrachten mee:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

laat uw cursisten een busboekje (dienstregel<strong>in</strong>g van een bepaalde lijn) vragen en meenemen van<br />

lijn …<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong>formeren naar de kosten van een ov-chipkaart.<br />

Gevorderde cursisten kunt u ook laten uitzoeken wat bijvoorbeeld een tre<strong>in</strong>reis naar amsterdam<br />

(2e klas, retour met kort<strong>in</strong>g) kost via de automaat of bij het loket.<br />

Zoek uit wat bij u <strong>in</strong> de buurt en voor uw cursisten het meest van toepass<strong>in</strong>g is en laat de opdracht die<br />

u voor hen kiest <strong>in</strong>vullen <strong>in</strong> de opdracht bovenaan het praktijkopdrachtformulier. u kunt ook elk groepje<br />

met een andere opdracht op pad sturen.<br />

laat cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) noteren wanneer en met wie ze de opdracht gaan uitvoeren<br />

en wat ze moeten meenemen of voorbereiden. weten ze welke bus ze moeten nemen? welke vragen<br />

thema 3 - VerVoer<br />

12<br />

THEMA 3


gaan ze stellen? laat deze noteren bij: ‘welke woorden/z<strong>in</strong>nen?’. controleer of elk groepje alles duidelijk<br />

heeft genoteerd en begrepen voor ze op stap gaan. De cursisten noteren de afspraak ook <strong>in</strong> hun<br />

agenda.<br />

De cursisten noteren de gevonden <strong>in</strong>formatie onder ‘uitvoeren’ (stap 3).<br />

evalueer de volgende les samen de praktijkopdracht onder ‘terugkijken’ op het<br />

praktijkopdrachtformulier. laat de groepjes ervar<strong>in</strong>gen uitwisselen. stel vragen over hoe het gegaan is<br />

en laat uw cursisten vertellen. eventueel aan de hand van een foto die ze gemaakt hebben.<br />

De cursisten bewaren het formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

nB: is er geen station <strong>in</strong> de buurt dan is een ritje naar een filiaal van albert heijn wellicht een alternatief.<br />

terUgkijken<br />

<strong>in</strong> deze fase kijkt u met de cursisten terug op thema 3. wat hebben ze geleerd? hoe zijn de<br />

praktijkopdrachten gegaan? houd een groepsgesprek.<br />

Kopieer werkblad 3.8 (het evaluatieformulier). laat de cursisten <strong>in</strong>dividueel aankruisen <strong>in</strong> de 2e en<br />

3e kolom wat voor hen van toepass<strong>in</strong>g is. Bespreek wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld en waarom. controleer<br />

door middel van een aantal vragen ‘steekproefsgewijs’ of het klopt wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld. laat zo<br />

alle doelen uit de eerste kolom nog eens de revue passeren. Gebruik de werkbladen en knipbladen<br />

eventueel ter controle, bijvoorbeeld de knipbladen met digitale en analoge klokken (3.1 – 3.4) u kunt<br />

de cursisten op tempo tijden laten noemen, bij elkaar laten zoeken, etc. Dergelijke werkvormen kunt u<br />

gebruiken bij de knipbladen voor de weg vragen, het vertrektijdenschema lezen. Kennen / kunnen ze het<br />

<strong>in</strong>derdaad?<br />

Verwerken<br />

<strong>in</strong> de laatste kolom van werkblad 3.8 kunt u tips laten noteren, bijvoorbeeld: luister nog eens naar de<br />

gesprekjes op de computer. herhaal ‘oefenen met taal’ of ‘woorden leren’ op de computer. lees nog<br />

eens de werkbladen, etc. cursisten kunnen natuurlijk ook zelf d<strong>in</strong>gen bedenken die ze anders, beter, of<br />

juist hetzelfde gaan doen bij het volgende thema. De cursisten bewaren het formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 3 - VerVoer<br />

13<br />

THEMA 3


<strong>lesvoorbereid<strong>in</strong>g</strong><br />

thema 4 GeZonDheiD


Waar gaat het over?<br />

<strong>in</strong> dit thema staan gezond leven en gezond blijven centraal.<br />

algemeen doel<br />

De cursist kan op de juiste manier gebruik maken van de diensten van een huisarts. ook weet de cursist<br />

wat hij zelf kan doen om gezond te blijven.<br />

subdoelen<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

De cursist kan om hulp of advies vragen.<br />

De cursist kan afwegen of hij wel of niet naar de huisarts gaat.<br />

De cursist kan een afspraak maken bij de huisarts.<br />

De cursist kan een gesprek met de huisarts voorbereiden.<br />

De cursist kan een aantal lichaamsdelen noemen.<br />

De cursist kan zeggen wat er aan de hand is.<br />

De cursist weet hoe hij gezond kan eten en kan <strong>in</strong> bijvoorbeeld de supermarkt gezond eten<br />

v<strong>in</strong>den.<br />

De cursist weet op welke manieren hij verder gezond kan leven (bewegen, sporten).<br />

De cursist kan een kaartje schrijven: van harte beterschap.<br />

aandachtspunten<br />

<strong>in</strong> de oGo-cP’s komt het bezoeken van de huisarts nogmaals uitgebreid terug.<br />

Bij de werk-cP’s niet.<br />

op tijd komen voor een afspraak is belangrijk.<br />

thema 4 - GeZonDheiD<br />

2<br />

THEMA 4


thema 4 gezondheid<br />

doel van het thema: de cursist kan gebruik maken van de huisarts. De cursist weet wat hij kan doen om gezond te leven.<br />

onderwerpen subdoelen materiaal Kns<br />

waar / hoe v<strong>in</strong>d je een<br />

huisarts?<br />

met welke klachten ga je<br />

naar de huisarts?<br />

hoe werkt de nederlandse<br />

huisarts? (schrijft niet snel<br />

medicijnen voor)<br />

wat doe je <strong>in</strong> noodgevallen?<br />

(112 bellen)<br />

Film: gezondheid<br />

e-learn<strong>in</strong>g<br />

werkbladen 4.0, 4.1, 4.2, 4.3, 4.4,<br />

4.5, 4.6, 4.7, 4.8<br />

Knipbladen 4.1, 4.2<br />

Formulieren praktijkopdracht<br />

Blanco kaartjes<br />

stevig papier<br />

schaar<br />

lijm<br />

Groot vel papier<br />

De cursist kan om hulp of advies vragen.<br />

De cursist kan afwegen of hij wel of niet naar de huisarts gaat.<br />

De cursist kan een afspraak maken bij de huisarts.<br />

De cursist kan een gesprek met de huisarts voorbereiden.<br />

De cursist kan een aantal lichaamsdelen noemen.<br />

De cursist kan zeggen wat er aan de hand is.<br />

De cursist weet hoe hij gezond kan eten en kan <strong>in</strong> bijvoorbeeld de supermarkt<br />

gezond eten v<strong>in</strong>den.<br />

De cursist weet op welke manieren hij verder gezond kan leven.<br />

De cursist kan een kaartje schrijven: van harte beterschap.<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

naar de dokter<br />

Gezondheid<br />

Klachten<br />

Ziekten<br />

Pijn<br />

recept<br />

Verzorg<strong>in</strong>g<br />

•<br />

•<br />

oriënteren voorbereiden uitvoeren terugkijken verwerken<br />

Film<br />

het lichaam<br />

1. mijn huisarts<br />

Gebruik Gebruik<br />

Kijkvragen<br />

• waar heb je pijn? 2 x (klassikaal, tPr, groepswerk)<br />

2. een folder halen bij de huisarts maken van maken van<br />

Groepsgesprek<br />

• het lichaam (<strong>in</strong>dividueel, duo’s)<br />

3. naar de supermarkt<br />

werkblad 4.8 werkblad 4.8<br />

De huisarts<br />

• heb jij een goede huisarts? (klassikaal, groepsgesprek)<br />

woorden-<br />

• wanneer ga je nar de huisarts? (groepswerk)<br />

schrift<br />

• hulp vragen bij ziekte of ongeval (klassikaal)<br />

• wat is je geboortedatum? (klassikaal, <strong>in</strong>dividueel)<br />

• wat is je geboortedatum?(wisselende duo’s)<br />

• een afspraak maken bij de huisarts (klassikaal, duo’s)<br />

• Je melden bij de assistente (klassikaal, duo’s)<br />

• een gesprek bij de huisarts (klassikaal, duo’s)<br />

• wat scheelt eraan? (wisselende duo’s)<br />

Gezond eten en leven<br />

• Gezond of ongezond? 2 x (klassikaal, groepswerk)<br />

• Van harte beterschap (duo’s)<br />

thema 4 - GeZonDheiD<br />

3<br />

THEMA 4


Oriënteren<br />

de film<br />

Vertel uw cursisten dat Jan vandaag ‘een ongeluk’ krijgt.<br />

Korte <strong>in</strong>houd van de film:<br />

Buurman Jan berispt Badria omdat ze met een bal op de galerij speelt. Dan laat Jan zelf een<br />

voetbalkunstje zien. hij struikelt over zijn eigen benen, blijft liggen. Badria schrikt zich een hoedje en<br />

Zoera snelt op het gekerm van Jan af. Ze voelen zich schuldig en vragen <strong>in</strong> welke lichaamsdelen hij pijn<br />

heeft. als Badria de dokter wil bellen, krabbelt Jan grijnzend overe<strong>in</strong>d: ge<strong>in</strong>tje, het valt wel mee.<br />

nB.:Vertel deze <strong>in</strong>houd niet aan uw cursisten. Daarmee geeft u de ‘clou’ weg.<br />

Deel werkblad 4.0 uit. hierop staan kijkvragen voor drie rondes filmkijken.<br />

lees voor elke kijkronde eerst samen de vragen en de mogelijke antwoorden.<br />

Bespreek de antwoorden na voordat u de film nogmaals zien.<br />

aansluitend kunt u <strong>in</strong> een groepsgesprek <strong>in</strong>gaan op de eigen ervar<strong>in</strong>gen van cursisten:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

spelen jouw k<strong>in</strong>deren wel eens met een bal? waar?<br />

Ben jij wel eens gevallen?<br />

waar had je toen pijn?<br />

Bel jij wel eens de dokter?<br />

Kan jij vertellen waar je pijn hebt?<br />

V<strong>in</strong>d je het grapje van Jan leuk?<br />

en dat van Badria?<br />

maak jij ook wel eens een grapje?<br />

...............................................<br />

thema 4 - GeZonDheiD<br />

4<br />

THEMA 4


VOOrbereiden<br />

het lichaam<br />

Waar heb je pijn? (klassikaal/tpr)<br />

Kom met uw cursisten nog even terug op de film. Zoera vraagt aan Jan waar hij pijn heeft. welke<br />

lichaamsdelen noemt Jan allemaal? Benoem ze nogmaals: knie, arm, rug, buik, hoofd.<br />

wijs ze bij uzelf aan en laat ook uw cursisten deze lichaamsdelen bij zichzelf aanwijzen: ‘waar zit je …..<br />

knie?’ etc. wijs ook de andere lichaamsdelen aan. Beperk u tot de belangrijkste. Deze zijn opgenomen <strong>in</strong><br />

de woordenlijst: oog, oor, mond, tong, neus, hand, pols, voet, been. herhaal dit meerdere keren.<br />

Vervolgens wijst u een lichaamsdeel aan en de cursisten zeggen hoe het heet. herhaal ook dit meerdere<br />

keren. Vraag het ook aan <strong>in</strong>dividuele cursisten.<br />

ook een mogelijkheid is om cursisten <strong>in</strong> groepjes zoveel mogelijk lichaamsdelen te laten benoemen.<br />

hoeveel weten ze er samen?<br />

<strong>in</strong>dien blijkt dat uw cursisten al veel woorden kennen kunt u meer lichaamsdelen of organen benoemen<br />

(hart, longen, nieren, etc.).<br />

Waar heb je pijn? (groepswerk)<br />

Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> groepjes van drie of vier personen. Kopieer knipblad 4.1 op stevig papier<br />

zoveel keer als u groepjes heeft. Knip de kaartjes los en geef elk groep een stapeltje. De kaartjes liggen<br />

ondersteboven op tafel. De eerste cursist vraagt aan zijn/haar rechterbuurman: ‘waar heb je pijn?’ de<br />

buurman pakt een kaartje van de stapel en beeldt uit waar hij pijn heeft. De andere cursisten uit het<br />

groepje moeten raden waar hij pijn heeft. (‘aan je knie?’)<br />

Daarna vraagt deze cursist aan degene rechts van hem: ‘waar heb je pijn?’. Zo gaat de beurt rond. Zijn<br />

alle kaartjes op? u kunt ze opnieuw laten schudden, en het spel nogmaals spelen.<br />

het lichaam (<strong>in</strong>dividueel/duo’s)<br />

Kopieer werkblad 4.1 voor uw cursisten. laat hen eerst proberen <strong>in</strong>dividueel de opdracht uit te voeren.<br />

spreek een tijd af (bijvoorbeeld 5 m<strong>in</strong>uten). Daarna controleren ze <strong>in</strong> duo’s of ze de opdracht goed<br />

gedaan hebben. loop rond en help waar nodig.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

de huisarts<br />

heb jij een goede huisarts? (klassikaal/groepsgesprek)<br />

houd met uw cursisten een groepsgesprek over de huisarts. schrijf het woord huisarts op het bord.<br />

Bespreek de volgende punten:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

heb je een huisarts?<br />

hoe heb je die gevonden?<br />

is je huisarts een man of een vrouw?<br />

Bestaan er <strong>in</strong> je moederland ook huisartsen?<br />

thema 4 - GeZonDheiD<br />

5<br />

THEMA 4


-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

Ga je vaak naar de huisarts?<br />

Komt de huisarts wel eens bij jou thuis?<br />

Ben je tevreden met je huisarts?<br />

met welke klachten ga je niet naar de huisarts?<br />

wat doe je als je <strong>in</strong> het weekend ziek bent?<br />

wat doe je <strong>in</strong> een noodgeval? (112 bellen/naar de ehBo)<br />

Bespreek ook het feit dat nederlandse huisartsen over het algemeen m<strong>in</strong>der snel medicijnen<br />

voorschrijven dan <strong>in</strong> het buitenland vaak het geval is. Veel d<strong>in</strong>gen gaan vanzelf over.<br />

praktijkopdracht ‘mijn huisarts’<br />

Doe nu Praktijkopdracht 1 en/of 2 van thema 4: ‘mijn huisarts’. Deze v<strong>in</strong>dt u onder ‘uitvoeren’.<br />

naar de huisarts? (groepswerk)<br />

Kopieer voor iedere cursist werkblad 4.2. Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> kle<strong>in</strong>e groepjes. laat elk groepje<br />

samen de situaties op het werkblad bespreken en samen beslissen wat je het beste kunt doen <strong>in</strong> de<br />

gegeven situatie. Bespreek de oefen<strong>in</strong>g na door steeds van elk groepje een cursist te vragen wat diens<br />

groepje heeft gekozen en waarom. Zijn de andere groepjes het daarmee eens? waarom wel/niet? soms<br />

zijn er meerdere opties mogelijk. het hangt vaak af van de precieze situatie. het werkblad bewaren de<br />

cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

hulp vragen bij ziekte of ongeval (klassikaal)<br />

Vraag aan uw cursisten wie ze om hulp zouden vragen als ze ziek zijn of een ongeluk krijgen.<br />

Bijvoorbeeld als ze vervoer nodig hebben naar de dokter? wie gaan ze bellen? Zouden ze bijvoorbeeld<br />

een buurman of vriend<strong>in</strong> <strong>in</strong>schakelen? hoe lossen ze dat hier <strong>in</strong> nederland op? en <strong>in</strong> het land van<br />

herkomst?<br />

Zeg de volgende z<strong>in</strong>nen voor en laat de cursisten ze samen nazeggen.<br />

1.<br />

2.<br />

3.<br />

4.<br />

5.<br />

6.<br />

7.<br />

8.<br />

Kun je me helpen?<br />

ik ben van de trap gevallen.<br />

mijn voet doet erg pijn.<br />

ik kan niet lopen.<br />

wat moet ik doen?<br />

Zal ik naar de huisarts gaan?<br />

Kun je me naar de dokter brengen alsjeblieft?<br />

Bedankt!<br />

herhaal dit met elke z<strong>in</strong> een paar keer. let op een duidelijke uitspraak en op <strong>in</strong>tonatie. Geef ook<br />

<strong>in</strong>dividuele cursisten de beurt.<br />

u kunt sommige z<strong>in</strong>netjes ook op een verschillende ‘toon’ laten zeggen, bijvoorbeeld vriendelijk,<br />

onvriendelijk, bang, etc. Doe het zelf voor en overdrijf daarbij fl<strong>in</strong>k, zodat het verschil duidelijk te horen<br />

is.<br />

thema 4 - GeZonDheiD<br />

6<br />

THEMA 4


Vervolgens zegt u elke z<strong>in</strong> nog een keer en laat u de cursisten het aantal woorden tellen. ‘hoeveel<br />

woorden hoor je?’<br />

ter controle schrijft u de z<strong>in</strong>nen op het bord en het juiste aantal woorden erachter.<br />

Wat is uw geboortedatum? (klassikaal/<strong>in</strong>dividueel)<br />

Bespreek met uw cursisten welke <strong>in</strong>formatie je bij de hand moet hebben als je een afspraak moet maken<br />

bij de dokter. natuurlijk moet je je naam en achternaam noemen en desgevraagd kunnen spellen. ook<br />

wordt meestal naar de geboortedatum van de patiënt gevraagd.<br />

schrijf uw eigen geboortedatum op het bord, bijvoorbeeld 09-06-1964.<br />

- Vraag de cursisten waar de opeenvolgende cijfers voor staan. schrijf precies boven de datum: dag<br />

– maand – jaar<br />

- welke cursisten kunnen alle maanden van het jaar opzeggen?<br />

- Vraag enkele cursisten naar hun geboortedatum. schrijf ze onder uw eigen geboortedatum op het<br />

bord.<br />

- stel vragen over de geboortedata van de cursisten: <strong>in</strong> welke maand ben je jarig? De hoeveelste<br />

maand is dat?<br />

- laat verschillende cursisten de data op het bord uitspreken. Besteed daarbij ook aandacht aan de<br />

uitspraak van de jaartallen. wijs erop dat je zowel kunt zeggen: ‘negen juni 1964’, als ‘negen - zes<br />

- 1964’.<br />

Kopieer werkblad 4.3 voor uw cursisten. hierop staat een aantal (geboorte-) data. u leest steeds een<br />

datum voor, bijvoorbeeld: ‘drie maart 1988’. De cursisten omcirkelen de datum die ze horen.<br />

u kunt deze opdracht - afhankelijk van het niveau van uw groep - ook <strong>in</strong> groepjes laten uitvoeren. een<br />

cursist die goed genoeg spreekt leest steeds een datum, de anderen omcirkelen wat ze horen.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

Wat is uw geboortedatum? (wisselende duo’s)<br />

Deel blanco kaartjes uit. elke cursist schrijft zijn/haar geboortedatum (<strong>in</strong> cijfers!) op een kaartje.<br />

laat de cursisten kriskras door het lokaal lopen met hun kaartje <strong>in</strong> de hand. aan iedere cursist die<br />

ze tegenkomen vragen ze: wat is je geboortedatum? De ander geeft antwoord volgens zijn kaartje<br />

(bijvoorbeeld ‘17 augustus 1972’) en stelt op zijn beurt dezelfde vraag aan de eerste cursist. Vervolgens<br />

ruilen beide cursisten van kaartje (en dus van geboortedatum) en vervolgen hun weg. nu stellen ze<br />

de vraag aan een andere cursist, antwoorden volgens hun kaartje, ruilen weer van kaartje etc. laat<br />

cursisten m<strong>in</strong>imaal tien keer ruilen van kaartje. Doe zelf ook mee of loop rond en geef feedback op<br />

uitspraak van de data, maanden en jaartallen.<br />

een afspraak maken bij de huisarts (klassikaal/duo’s)<br />

Vraag de cursisten wie van hen zelf een afspraak maakt met de huisarts. wie laat het door iemand<br />

anders doen? waarom?<br />

Vertel dat het verstandig is je voor te bereiden voor je een afspraak gaat maken:<br />

-<br />

-<br />

welke gegevens heb je nodig? houd ze bij de hand.<br />

welke z<strong>in</strong>nen moet je gebruiken? schrijf ze op.<br />

thema 4 - GeZonDheiD<br />

7<br />

THEMA 4


leg uit dat ze nu een dialoog gaan oefenen om zelf een afspraak te kunnen maken met de huisarts.<br />

Deel werkblad 4.4. uit. lees de z<strong>in</strong>nen van de eerste dialoog eerst duidelijk voor. laat de z<strong>in</strong>nen van de<br />

patiënt nazeggen. speel de dialoog enkele keren uit met een cursist.<br />

Verdeel de cursisten vervolgens <strong>in</strong> duo’s en laat hen samen het gesprek oefenen. om de beurt is<br />

een cursist de doktersassistent(e) of de patiënt. wijs op het belang van het zeggen/spellen van de<br />

achternaam en de geboortedatum.<br />

Doe vervolgens hetzelfde met de tweede dialoog. Dit is een variant waarbij het voorstel van de<br />

assistente niet schikt.<br />

laat enkele duo’s de gesprekjes voor de groep uitspelen. Zet hiervoor twee stoelen met de rug naar<br />

elkaar voor de groep. Ze mogen zelf variaties aanbrengen <strong>in</strong> dag, tijd, en hoe ze tot een afspraak<br />

komen. laat de andere cursisten tips geven: wat kan nog anders/beter? wat g<strong>in</strong>g goed?<br />

het werkblad bewaren de cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

u melden bij de assistente (klassikaal/duo’s)<br />

Bespreek de volgorde van handelen bij het bezoek aan de huisarts.<br />

- wat moet je meenemen? (de zorgpas, persoonlijke gegevens)<br />

- op tijd van huis gaan.<br />

- waar moet je je melden? (de assistente)<br />

- waar moet je wachten? (de wachtkamer)<br />

- waar ga je dan naar b<strong>in</strong>nen (de spreekkamer)<br />

Deel werkblad 4.5 uit. laat de cursisten <strong>in</strong> duo’s het dialoogje samen voorbereiden. loop daarbij rond<br />

en geef hulp waar nodig. laat wisselen van rol. Vraag dan enkele duo’s het voor de groep uit te spelen.<br />

mocht u beschikken over een praktijklokaal, dan is het leuk dit te doen <strong>in</strong> een ‘echte’ omgev<strong>in</strong>g. Ga zelf<br />

als assistente achter de ‘balie’ zitten of laat een vaardige cursist dit doen, vraag de gegevens/zorgpas en<br />

laat uw cursisten plaatsnemen <strong>in</strong> de ‘wachtkamer’.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

bij de dokter (klassikaal/duo’s)<br />

Vraag aan uw cursisten wie van hen alleen naar de huisarts gaat. wie neemt altijd iemand mee? wie<br />

dan? en waarom?<br />

Vertel dat ze nu gaan oefenen om een gesprek met de huisarts te kunnen voeren. Kopieer hiervoor<br />

werkblad 4.6. Dit is een voorgestructureerde dialoog met verschillende antwoordmogelijkheden.<br />

spreek de z<strong>in</strong>nen die de cursist als patiënt moet kunnen zeggen een paar keer duidelijk voor. Beeld ook<br />

uit wat de klacht is (bij hoofdpijn grijpt u naar uw hoofd). laat de z<strong>in</strong>nen nazeggen.<br />

Doe de dialoog een paar keer voor met een cursist, waarbij u zelf de dokter speelt. Breng iedere keer<br />

een variatie aan.<br />

Verdeel de cursisten <strong>in</strong> tweetallen en laat ze de dialoog een aantal keren oefenen. steeds kiezen ze<br />

andere z<strong>in</strong>nen, zodat de dialoog steeds verschillend is. laat enkele duo’s het gesprekje voor de groep<br />

uitspelen. laat de andere cursisten tips geven: wat kan nog anders/beter? wat g<strong>in</strong>g goed?<br />

mocht u beschikken over een praktijklokaal, dan is het leuk deze te doen <strong>in</strong> een ‘echte’ omgev<strong>in</strong>g. Zorg<br />

bijvoorbeeld voor een bureau, een witte jas en een stethoscoop. u speelt de dokter, of laat een vaardige<br />

thema 4 - GeZonDheiD<br />

8<br />

THEMA 4


cursist de dokter zijn.<br />

De cursisten doen het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

Wat scheelt eraan? (wisselende duo’s)<br />

<strong>in</strong> deze oefen<strong>in</strong>g gaan de cursisten de z<strong>in</strong>nen toepassen die ze <strong>in</strong> de vorige hebben geleerd. Voor deze<br />

oefen<strong>in</strong>g heeft u fl<strong>in</strong>k wat ruimte nodig. Zet eventueel wat meubilair aan de kant.<br />

Kopieer Knipblad 4.2 op stevig papier en knip het werkblad <strong>in</strong> een boven- en een onderhelft. (Knip dus<br />

niet alle plaatjes los!) Doe dit zovaak als u duo’s heeft.<br />

Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> twee even grote groepen: de huisartsen en de patiënten. De ene groep (de<br />

huisartsen) vormt een b<strong>in</strong>nencirkel en staat met het gezicht naar buiten. De andere groep (de patiënten)<br />

gaat er <strong>in</strong> een cirkel omheen staan met het gezicht naar b<strong>in</strong>nen, recht tegenover een cursist van de<br />

b<strong>in</strong>nencirkel. Zo worden duo’s gevormd.<br />

De cursisten van de buitenste r<strong>in</strong>g (de patiënten) krijgen van de docent een kaart.<br />

hierop staan plaatjes van vier klachten waaruit ze kunnen ‘kiezen’.<br />

De cursisten van de b<strong>in</strong>nenste r<strong>in</strong>g (de huisartsen) krijgen de kaart met ‘doktersadviezen’. Ze<br />

verwelkomen de patiënt; ze doen de ‘deur’ open en zeggen: ‘Goedemorgen, wat scheelt eraan? ’wat<br />

zijn de klachten?’ of: ‘Zeg het maar’. schrijf deze z<strong>in</strong>nen op het bord of laat de cursisten werkblad 4.6 bij<br />

de hand houden.<br />

De cursisten van de buitenste cirkel (de patiënten) vertellen hun klacht. De dokter mag doorvragen<br />

(heeft u koorts? hoelang al?); voor spreekvaardige cursisten is dit leuk, zwakkere cursisten hoeven dit<br />

niet te doen. De dokter antwoordt: ‘wat vervelend’ en geeft de patiënt een passend advies waarbij hij<br />

een mogelijkheid kiest van zijn kaart. hij wenst de patiënt beterschap. De patiënt bedankt de huisarts.<br />

is iedereen klaar? Dan schuiven de buitenste cursisten op uw teken een plaatsje naar rechts op en gaan<br />

weer op bezoek bij de volgende ‘huisarts’. Ze kiezen nu een andere klacht, en voeren nu dus een iets<br />

ander gesprekje. na drie keer doordraaien (alle vier de klachten zijn nu geweest), ruilen de cursisten van<br />

de b<strong>in</strong>nencirkel van plaats met die van de buitencirkel. Ze nemen ook elkaars kaart over. nu is het hun<br />

beurt om vier keer naar de huisarts te gaan.<br />

loop zelf rond, stimuleer en bied hulp waar nodig.<br />

nB: moedig improvisatie aan, het is leuk als cursisten er d<strong>in</strong>gen bij verz<strong>in</strong>nen. let wel op correcte z<strong>in</strong>nen.<br />

nB: het is handig om vóór het vormen van de cirkels het gebruik van de kaarten goed uit te leggen en<br />

voor te doen, dit voorkomt verwarr<strong>in</strong>g later. De werkvorm <strong>in</strong> twee cirkels hebben de cursisten <strong>in</strong> thema<br />

2 al eens gedaan. Geef duidelijke <strong>in</strong>structies en steeds maar één opdracht tegelijk. een alternatief is een<br />

opstell<strong>in</strong>g <strong>in</strong> twee rijen tegenover elkaar. Bij het doorschuiven moet <strong>in</strong> dat geval steeds de eerste patiënt<br />

achteraan aansluiten.<br />

geZond eten en leven<br />

gezond of ongezond? (klassikaal)<br />

soms zegt de huisarts: ‘u moet gezonder eten’ of ‘u moet m<strong>in</strong>der roken en meer bewegen’. wat<br />

thema 4 - GeZonDheiD<br />

9<br />

THEMA 4


is gezond en wat is ongezond? houd een groepsgesprek met uw cursisten. maak op het bord twee<br />

kolommen. schrijf erboven: GeZonD en onGeZonD. laat cursisten zoveel mogelijk woorden noemen die u<br />

vervolgens <strong>in</strong> de goede kolom noteert. als cursisten er niet zelf mee komen, vul de lijst dan zelf verder aan<br />

met de woorden van de woordenlijst: (voed<strong>in</strong>g, ontbijt, lunch, avondeten, vet, zout, suiker, verse groente,<br />

fruit, vitam<strong>in</strong>es, bewegen, sport) en bespreek ze.<br />

stel ook de volgende vragen aan uw cursisten:<br />

- eet jij gezond?<br />

- wat eet je bij het ontbijt?<br />

- eet je veel fruit?<br />

- hoeveel groente eet je op een dag?<br />

- snoep je veel?<br />

- Dr<strong>in</strong>k je genoeg?<br />

- rook je?<br />

- Beweeg je veel?<br />

- Doe je aan sport?<br />

- etc.<br />

gezond of ongezond? (groepswerk)<br />

Geef uw cursisten de les vóór u deze oefen<strong>in</strong>g gaat doen de opdracht om tijdschriften of folders mee<br />

te brengen van de supermarkt of andere w<strong>in</strong>kels. Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> kle<strong>in</strong>e groepjes. elk groepje zorgt<br />

voor eigen folders. laat de groepjes <strong>in</strong> de les afspreken wie bij welke supermarkt iets gaat halen en voor<br />

welke les ze het bij zich moeten hebben. laat dit ook noteren <strong>in</strong> de agenda.<br />

Geef <strong>in</strong> de les daarop elk groepje een groot vel papier, bijvoorbeeld van een ‘flap-over’, lijm, een schaar<br />

en een dikke stift. De helft van de groepjes schrijft boven hun papier ‘GeZonD’ de andere groepjes<br />

‘onGeZonD’. De cursisten van elk groepje knippen zoveel mogelijk afbeeld<strong>in</strong>gen of woorden uit die hierbij<br />

horen en plakken ze onder het woord op het vel papier. Ze mogen er ook woorden bijschrijven. laat als de<br />

groepjes klaar zijn, steeds twee groepjes bij elkaar gaan zitten: een ‘gezond’ en een ‘ongezond’ groepje. De<br />

cursisten vertellen aan het andere groepje wat ze allemaal hebben opgeplakt. is er discussie of iets wel of<br />

niet gezond is? Dit is juist goed, het gaat om het gesprek. Vaak is het ook niet zo eenduidig.<br />

hang de posters op <strong>in</strong> het lokaal.<br />

van harte beterschap (duo’s)<br />

als iemand ziek is, is het leuk een kaartje te sturen. Kopieer werkblad 4.7a voor uw cursisten. Dit is een<br />

<strong>in</strong>gevuld voorbeeld van een beterschapskaartje met daaronder een lege kaart. Bekijk eerst gezamenlijk het<br />

voorbeeld: waar staat de naam? en het adres? waar staan de postcode en de woonplaats? wat schrijf je<br />

l<strong>in</strong>ks op de kaart? wie heeft de kaart geschreven? laat de cursisten de kaart overschrijven.<br />

met behulp van werkblad 4.7b en 4.7c moeten uw cursisten zelf een kaart schrijven. Verdeel uw cursisten<br />

<strong>in</strong> tweetallen. cursist B is ‘ziek’. cursist a schrijft het kaartje aan cursist B. hij moet diens naam, adres,<br />

postcode en woonplaats op de goede plaats <strong>in</strong>vullen rechts op het kaartje. hiervoor moet hij vragen stellen<br />

aan cursist B: hoe heet je? wat is je achternaam? hoe spel je dat? wat is je adres? op werkblad 4.7B hoeft<br />

de cursist l<strong>in</strong>ks enkel zijn eigen naam <strong>in</strong> te vullen. op werkblad 4.7c vult hij ‘Van harte beterschap’ en zijn<br />

eigen naam <strong>in</strong>.<br />

thema 4 - GeZonDheiD<br />

10<br />

THEMA 4


Vervolgens is cursist a ziek. nu moet B een kaartje schrijven.<br />

een vaardiger cursist kan meer op een kaartje schrijven.<br />

loop zelf rond en help waar nodig. controleer of alle gegevens op de juiste plaats staan en correct zijn<br />

gespeld. laat fouten verbeteren.<br />

De cursisten doen het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

UitVOeren<br />

Kies voor uw cursisten één of meer van de volgende praktijkopdrachten, afhankelijk van het niveau van uw<br />

cursisten. Kopieer voor uw cursisten de praktijkopdrachtformulieren van thema 4.<br />

praktijkopdracht 1: mijn huisarts<br />

laat uw cursisten thuis de gegevens van hun eigen huisarts opzoeken:<br />

- naam, adres en telefoonnummer<br />

- tijden van het spreekuur<br />

- wanneer je kunt bellen voor een afspraak<br />

laat uw cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) noteren wanneer en (eventueel) met wie ze de opdracht<br />

gaan uitvoeren en waar ze de <strong>in</strong>formatie gaan zoeken. De afspraak ook <strong>in</strong> de agenda schrijven! als ze niet<br />

alle gegevens thuis hebben, moeten ze langs de praktijk van hun huisarts gaan om een foldertje te halen<br />

waar alles op staat.<br />

De cursisten noteren de gevonden <strong>in</strong>formatie onder ‘uitvoeren’ (stap 2).<br />

evalueer de volgende les de praktijkopdracht onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkopdrachtformulier:<br />

waar heb je de <strong>in</strong>formatie gevonden? heb je alle <strong>in</strong>formatie compleet? waar ga je deze <strong>in</strong>formatie<br />

bewaren? is het bijvoorbeeld een goed idee om het vóór <strong>in</strong> je agenda schrijven?<br />

De cursisten bewaren het formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 2: een folder halen bij de huisarts<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> kle<strong>in</strong>e groepjes naar een/hun huisartsenpraktijk <strong>in</strong> de buurt gaan en daar aan de<br />

assistente een foldertje vragen over bijvoorbeeld stoppen met roken, afvallen, diabetes, of allergie.<br />

laat de cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) op het formulier opschrijven wanneer en met wie ze de<br />

opdracht gaan uitvoeren en wat ze bijvoorbeeld moeten meenemen of voorbereiden. Ze moeten ook<br />

bedenken wanneer de praktijk open is en welke vraag ze precies gaan stellen. De cursisten schrijven hun<br />

afspraak <strong>in</strong> de agenda.<br />

onder ‘uitvoeren’ (stap 2) kunnen de cursisten de titels van de meegebrachte foldertjes schrijven. De<br />

foldertjes zelf kunnen ze <strong>in</strong> een plastic hoesje achter het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map bewaren.<br />

evalueer na afloop de praktijkopdracht onder stap 3 (‘terugkijken’) op het praktijkopdrachtformulier.<br />

Bespreek samen de volgende vragen:<br />

-<br />

is de opdracht gelukt?<br />

thema 4 - GeZonDheiD<br />

11<br />

THEMA 4


-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

waren alle cursisten die mee zouden gaan (op tijd) aanwezig?<br />

welke folders hebben jullie gekregen?<br />

welke v<strong>in</strong>d je <strong>in</strong>teressant?<br />

Denk je dat je de folder een beetje kunt begrijpen?<br />

heb je de folders zelf gepakt of heb je de assistente erom gevraagd?<br />

hoe g<strong>in</strong>g dat?<br />

etc.<br />

De cursisten bewaren het formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 3: naar de supermarkt<br />

het onderwerp gezonde voed<strong>in</strong>g is aan de orde geweest. stuur uw cursisten <strong>in</strong> kle<strong>in</strong>e groepjes naar<br />

een w<strong>in</strong>kel of supermarkt <strong>in</strong> de buurt en laat hen samen één product kopen dat lekker én gezond is en<br />

meenemen naar de les. Dit kan tijdens de groepsles. u kunt dit bijvoorbeeld een half uur voor de pauze<br />

laten doen. Van te voren laat u de cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) op het formulier opschrijven<br />

met wie ze de opdracht gaan uitvoeren en wat ze bijvoorbeeld moeten meenemen (geld, een tas) of<br />

voorbereiden. spreek een (laag) maximum bedrag af.<br />

Bij stap 2 (‘uitvoeren’) kunt u bijvoorbeeld een gedeelte van de verpakk<strong>in</strong>g laten plakken van het product<br />

dat ze gekocht hebben.<br />

evalueer na afloop de praktijkopdracht onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkopdrachtformulier. u<br />

bespreekt samen wat de verschillende groepjes gekocht hebben en waarom. ook vertellen uw cursisten<br />

elkaar hoe het w<strong>in</strong>kelen gegaan is. eet gezamenlijk alles lekker op.<br />

De cursisten bewaren het formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

terUgkijken<br />

<strong>in</strong> deze fase kijkt u met de cursisten terug op thema 4. wat hebben ze geleerd? hoe zijn de<br />

praktijkopdrachten gegaan? houd een groepsgesprek.<br />

Kopieer werkblad 4.8 (het evaluatieformulier). laat de cursisten <strong>in</strong>dividueel aankruisen <strong>in</strong> de tweede en<br />

derde kolom wat voor hen van toepass<strong>in</strong>g is. Bespreek wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld en waarom. controleer<br />

door middel van een aantal vragen ‘steekproefsgewijs’ of het klopt wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld. of gebruik de<br />

knipbladen als controlemiddel.<br />

laat zo alle doelen uit de eerste kolom nog eens de revue passeren. Kennen/kunnen ze het <strong>in</strong>derdaad?<br />

thema 4 - GeZonDheiD<br />

12<br />

THEMA 4


Verwerken<br />

<strong>in</strong> de laatste kolom van werkblad 4.8 kunt u tips laten noteren, bijvoorbeeld: luister nog eens naar de<br />

gesprekjes op de computer. herhaal ‘oefenen met taal’ of ‘woorden leren’ op de computer. lees nog eens<br />

de werkbladen, etc.<br />

cursisten kunnen natuurlijk ook zelf d<strong>in</strong>gen bedenken die ze anders, beter, of juist hetzelfde gaan doen bij<br />

het volgende thema.<br />

De cursisten bewaren het formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 4 - GeZonDheiD<br />

13<br />

THEMA 4


<strong>lesvoorbereid<strong>in</strong>g</strong><br />

thema 5 werK


Waar gaat het over?<br />

Dit thema is een eerste oriëntatie op het zoeken naar werk en het <strong>in</strong>zicht krijgen <strong>in</strong> persoonlijke<br />

<strong>in</strong>teresses, eigenschappen en vaardigheden.<br />

algemene doelen<br />

De cursist weet waar je terecht kan voor het zoeken naar werk. hij/zij kan op een eenvoudige manier<br />

met anderen <strong>in</strong>formatie uitwisselen over beroepen, persoonlijke voorkeuren en eigenschappen.<br />

subdoelen<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

De cursist kent een aantal beroepen.<br />

De cursist kan (via <strong>in</strong>ternet) een adres of telefoonnummer opzoeken.<br />

De cursist weet waar het uwV is en wat je daar kunt doen.<br />

De cursist weet waar een uitzendbureau is en wat je daar kunt doen.<br />

De cursist kent een aantal eigenschappen die nodig zijn om te kunnen werken <strong>in</strong> een bepaalde<br />

functie.<br />

De cursist kan <strong>in</strong> simpele bewoord<strong>in</strong>gen de voorkeur uitspreken voor een beroep of activiteit.<br />

De cursist kan antwoorden geven over zijn personalia.<br />

De cursist kan eenvoudige <strong>in</strong>formatie vragen met gebruik van vraagwoorden.<br />

De cursist kan eenvoudige vragen stellen over de personalia van anderen.<br />

De cursist kan zichzelf presenteren.<br />

aandachtspunten<br />

<strong>in</strong> dit thema komt een aantal zaken niet aan bod: het zoeken naar passende vacatures, je <strong>in</strong>schrijven bij<br />

uwV of uitzendbureau, solliciteren. cursisten die een traject <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>g en werk gaan doen, krijgen dit<br />

nog uitgebreid aangeboden.<br />

ook toekomstige oGo-cursisten zullen het onderdeel werk Zoeken doorlopen.<br />

<strong>in</strong> Klaar voor de start gaat het voornamelijk om een eerste kennismak<strong>in</strong>g met de woordenschat rondom<br />

beroepen en werk zoeken. ook oefenen cursisten op een eenvoudige manier al met het ‘jezelf kennen<br />

en presenteren’ en bereiden zich zo voor op een gemotiveerde keuze voor een bepaald beroep of<br />

andere activiteit.<br />

thema 5 - werK<br />

2<br />

THEMA 5


thema 5 Werk<br />

doel van het thema: de cursist maakt een beg<strong>in</strong> met de oriëntatie op werk<br />

onderwerpen subdoelen materiaal Kns<br />

waar kan je werk<br />

• De cursist kent een aantal beroepen.<br />

Film: werk<br />

Kns thema 1<br />

zoeken?<br />

• De cursist kan (via <strong>in</strong>ternet) een adres of telefoonnummer opzoeken.<br />

e-learn<strong>in</strong>g<br />

hoe kan je je <strong>in</strong>schrijven? • De cursist weet waar het uwV is en wat je daar kunt doen.<br />

werkbladen: 5.0, 5.1, 5.2, 5.3, 5.4,<br />

welke eigenschappen • De cursist weet waar een uitzendbureau is en wat je daar kunt doen.<br />

5.5, 5.6, 5.7, 5.8<br />

heb je nodig?<br />

• De cursist kent een aantal eigenschappen die nodig zijn om te kunnen werken Knipbladen: 5.1, 5.2, 5.3, 5.4<br />

<strong>in</strong>terview met een<br />

<strong>in</strong> een bepaalde functie.<br />

Formulieren praktijkopdracht<br />

beroepsbeoefenaar • De cursist kan <strong>in</strong> simpele bewoord<strong>in</strong>gen de voorkeur uitspreken voor een wit stevig papier<br />

beroep of activiteit.<br />

Gekleurd stevig papier<br />

• De cursist kan antwoorden geven over zijn personalia.<br />

Dobbelsteen<br />

• De cursist kan eenvoudige <strong>in</strong>formatie vragen met gebruik van vraagwoorden.<br />

• De cursist kan eenvoudige vragen stellen over de personalia van anderen.<br />

• De cursist kan zichzelf presenteren.<br />

oriënteren voorbereiden uitvoeren terugkijken verwerken<br />

Film<br />

Beroepen<br />

1. Zoek het beroep<br />

Gebruik Gebruik<br />

Kijkvragen<br />

• welk beroep heb jij? (klassikaal)<br />

2. naar het uwV<br />

maken van maken van<br />

Groepsgesprek<br />

• wat hoort bij dat beroep? (groepswerk)<br />

3. het <strong>in</strong>terview<br />

werkblad 5.8 werkblad 5.8<br />

• Beroepen ‘memory’ (groepswerk)<br />

4. een vacature zoeken <strong>in</strong> een Knipbladen<br />

• speel het beroep (klassikaal)<br />

krantje<br />

woorden-<br />

• welk beroep hoort bij de z<strong>in</strong>? (<strong>in</strong>dividueel, duo’s)<br />

schrift<br />

• welk beroep v<strong>in</strong>d je leuk? (<strong>in</strong>dividueel, klassikaal)<br />

werk zoeken: het uwV en het uitzendbureau<br />

• waar kun je werk zoeken? (klassikaal)<br />

• Puzzel ‘werk zoeken’ (duo’s)<br />

• Zoeken op <strong>in</strong>ternet: waar is het uwV? (duo’s)<br />

eigenschappen en <strong>in</strong>teresses<br />

• wat moet je kunnen voor dat werk? (klassikaal, duo’s)<br />

• Vragen stellen (groepswerk)<br />

• wie ben je, wat kan je, wat wil je? (groepswerk)<br />

• wie ben ik, wat kan ik, wat wil ik? (<strong>in</strong>dividueel, klassikaal)<br />

• wat doe jij? (wisselende duo’s)<br />

• Dit ben ik! (<strong>in</strong>dividueel, klassikaal)<br />

thema 5 - werK<br />

3<br />

THEMA 5


Oriënteren<br />

de film<br />

Vertel uw cursisten dat Jan, tarik en Zoera vandaag praten over werk.<br />

Korte <strong>in</strong>houd van de film:<br />

op het w<strong>in</strong>kelple<strong>in</strong> bij het uitzendbureau bekijkt Jan vacatures <strong>in</strong> de etalage. tarik komt aanlopen met<br />

een zware tas boodschappen. Ze maken een praatje. Jan vertelt dat hij leraar is (werkloos). Dat komt<br />

goed uit, want tarik wil taxichauffeur worden en is benieuwd wat hij daarvoor moet leren. Jan legt het<br />

hem uit: nederlands spreken, klantvriendelijk zijn, de omgev<strong>in</strong>g kennen, omgaan met lastige klanten.<br />

Ze lopen samen naar huis. als Zoera met een emmer naar buiten komt, vertelt tarik enthousiast dat hij<br />

werk gaat zoeken. maar Zoera heeft al werk voor hem gevonden: ramen lappen. tarik geeft gedwee<br />

gevolg aan het verzoek, maar beklaagt zich tegenover Jan over Zoera. hij maakt een grapje over ‘lastige<br />

klanten’. Jan biedt tarik vijf euro als hij ook zijn ramen lapt. tarik heeft een beter voorstel: Jan kan hem<br />

<strong>in</strong> ruil beter nederlands leren spreken!<br />

nB.:Vertel deze <strong>in</strong>houd niet aan uw cursisten. Daarmee geeft u de ‘clou’ weg.<br />

Deel werkblad 5.0 uit. hierop staan kijkvragen voor drie rondes filmkijken.<br />

lees voor elke kijkronde eerst samen de vragen en de mogelijke antwoorden.<br />

Bespreek de antwoorden na voordat u de film nogmaals zien.<br />

aansluitend kunt u <strong>in</strong> een groepsgesprek <strong>in</strong>gaan op de eigen ervar<strong>in</strong>gen van cursisten:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

heb jij werk?<br />

welk beroep heb jij?<br />

wat moet je kunnen voor dat beroep?<br />

weet je wat een uitzendbureau is?<br />

lap jij wel eens de ramen?<br />

wat doe jij <strong>in</strong> het huishouden?<br />

………………………………………………<br />

thema 5 - werK<br />

4<br />

THEMA 5


VOOrbereiden<br />

beroepen<br />

Welk beroep heb jij? (klassikaal)<br />

Jan is (werkloze) leraar/docent. tarik wil taxichauffeur worden. Zoera is huisvrouw. Dit zijn allemaal<br />

beroepen. schrijf het woord BeroeP op het bord. Vraag aan uw cursisten of zij ook een beroep hebben,<br />

hier of <strong>in</strong> hun eigen land. Begrijpt iedereen wat dat beroep <strong>in</strong>houdt? schrijf de beroepen van de<br />

cursisten op het bord. maak zo een woordsp<strong>in</strong>.<br />

wie kent nog meer beroepen (bijvoorbeeld via partner of familie)? Voeg ze toe aan de woordsp<strong>in</strong>.<br />

Je kunt een beroep hebben, maar geen werk/baan. leg dat uit aan de hand van de situatie van Jan. Jan<br />

is werkloos ofwel werkzoekend (hij zoekt werk).<br />

Wat hoort bij dat beroep? (groepswerk)<br />

Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> groepjes van drie of vier personen. Voor deze oefen<strong>in</strong>g kopieert u knipblad 5.1<br />

op wit stevig papier en knipblad 5.2 op (licht)gekleurd stevig papier. Dit doet u zovaak als u groepjes<br />

hebt. Knip de kaartjes los en doe ze <strong>in</strong> envelopjes.<br />

elk groepje krijgt een stapeltje witte en gekleurde kaartjes. Ze spreiden ze met de plaatjes naar boven<br />

uit op de tafel. Geef de cursisten als opdracht dat ze steeds twee kaartjes naast elkaar moeten leggen:<br />

het beroep en wat daar bij hoort. Ze moeten samen overleggen en tot een besliss<strong>in</strong>g komen. het is<br />

goed om de cursisten om de beurt een setje te laten leggen, waarna de anderen mogen zeggen of dat<br />

volgens hen juist is. Dit voorkomt dat één cursist alles alleen doet. loop zelf rond en controleer of de<br />

oefen<strong>in</strong>g goed is gedaan.<br />

stel na afloop aan elk groepje vragen: wat hoort bij de politieagent? Bij wie hoort de schaar?<br />

beroepen ‘memory’ (groepswerk)<br />

Kopieer voor elk groepje knipblad 5.3 op gekleurd stevig papier. Knip de kaartjes los. hierop staan de<br />

namen van de beroepen van knipblad 5.1. De witte kaartjes van knipblad 5.1 heeft u nu weer opnieuw<br />

nodig.<br />

Geef elke groep twee stapeltjes kaartjes van bij elkaar passende beroepen en woorden. laat de kaartjes<br />

schudden en door elkaar ondersteboven op tafel leggen. Doe het zonodig bij een groepje voor. De<br />

cursisten draaien nu om de beurt twee kaartjes om: een wit en een gekleurd kaartje. Past het woord bij<br />

het plaatje? Dan mag de cursist het setje ‘houden’. is de comb<strong>in</strong>atie niet goed? Kaartjes terugdraaien en<br />

de volgende cursist is aan de beurt. wie heeft de meeste kaartjes? laat het spel nog eens spelen.<br />

nB: het memoryspel kan ook gedaan worden met de kaartjes van knipblad 5.1 en 5.2., dus met alleen<br />

plaatjes.<br />

Variatie: de kaartjes van knipbladen 5.1, 5.2 én 5.3 (beroepen, attributen en woorden) worden door<br />

elkaar geschud. <strong>in</strong> elk groepje leggen de cursisten steeds om de beurt een woord bij het goede plaatje<br />

en juiste attribuut. er komen nu dus steeds drie bij elkaar passende kaartjes naast elkaar op tafel te<br />

liggen.<br />

thema 5 - werK<br />

5<br />

THEMA 5


speel het beroep (klassikaal)<br />

Gebruik voor deze oefen<strong>in</strong>g de kaartjes van knipblad 5.1 of 5.3. het is leuk om met uw cursisten <strong>in</strong> een<br />

kr<strong>in</strong>g (alleen stoelen) te gaan zitten.<br />

De cursisten beelden om de beurt voor de groep het beroep uit dat is vermeld op het kaartje dat ze van<br />

de docent krijgen. De anderen raden de naam van het beroep. Doe het uitbeelden zelf eerst een keer<br />

voor. misschien is er een cursist die zelf een beroep kan verz<strong>in</strong>nen en uitbeelden?<br />

Welk beroep hoort bij de z<strong>in</strong>? (<strong>in</strong>dividueel/duo’s)<br />

Voor deze oefen<strong>in</strong>g hebben uw cursisten werkblad 5.1 nodig.<br />

lees de z<strong>in</strong>nen hardop voor en laat ze door de cursisten samen nazeggen. Doe dit zonodig meerdere<br />

keren. Bespreek moeilijke woorden.<br />

leg vervolgens uit wat de bedoel<strong>in</strong>g is: de cursisten moeten steeds een beroep comb<strong>in</strong>eren met een<br />

bijpassende z<strong>in</strong>. Geef een voorbeeld.<br />

laat de cursisten eerst <strong>in</strong>dividueel het blad maken. laat <strong>in</strong> duo’s controleren of ze hetzelfde hebben<br />

<strong>in</strong>gevuld. loop rond en help waar nodig. leg onbekende woorden uit of laat ze opzoeken. De cursisten<br />

bewaren het blad <strong>in</strong> hun map.<br />

Welk beroep v<strong>in</strong>d je leuk? (<strong>in</strong>dividueel/klassikaal)<br />

Voor deze oefen<strong>in</strong>g heeft u opnieuw de kaartjes van knipblad 5.1 nodig. leg bij elk groepje cursisten<br />

het stapeltje kaartjes neer. De cursisten spreiden ze uit op de tafel.<br />

schrijf de volgende z<strong>in</strong>sconstructies op het bord:<br />

- ik v<strong>in</strong>d ………… leuk.<br />

- ik v<strong>in</strong>d …………… niet leuk.<br />

Vraag aan uw cursisten of ze ieder voor zich een kaartje willen pakken met een beroep dat hen leuk lijkt.<br />

als twee cursisten hetzelfde kaartje willen, leggen ze het tussen hen <strong>in</strong>.<br />

Vraag elke cursist welk kaartje hij/zij gepakt heeft: welk beroep v<strong>in</strong>d jij leuk? De cursist antwoordt<br />

volgens de eerste z<strong>in</strong>sconstructie op het bord (ik v<strong>in</strong>d ……leuk). Vraag ook waarom hij/zij dat beroep<br />

leuk v<strong>in</strong>dt.<br />

nB: cursisten hoeven nog geen correcte ‘want-’ of ‘omdat’ -constructie te gebruiken. Ze mogen<br />

volstaan met bijvoorbeeld: ‘het is buiten’ of: ‘Je krijgt veel geld’.<br />

Vervolgens moet elke cursist een kaartje pakken van een beroep dat hem/haar helemaal niet leuk<br />

lijkt. Vraag elke cursist: welk beroep v<strong>in</strong>d je niet leuk? De cursist antwoordt volgens de tweede<br />

z<strong>in</strong>sconstructie op het bord (ik v<strong>in</strong>d ……niet leuk.) Vraag opnieuw naar het waarom van de keuze.<br />

praktijkopdracht ‘Zoek het beroep’<br />

Doe nu de Praktijkopdracht 1 van thema 5: ‘Zoek het beroep’. Deze v<strong>in</strong>dt u onder ‘uitvoeren’.<br />

thema 5 - werK<br />

6<br />

THEMA 5


WerK ZoeKen: het uWv en het uitZendbureau<br />

Waar kun je werk zoeken? (klassikaal)<br />

Kom nogmaals terug op de film en bespreek <strong>in</strong> een groepsgesprek de volgende vragen:<br />

- waar komen Jan en tarik elkaar tegen? (voor het uitzendbureau)<br />

- wat doet Jan daar? (vacatures bekijken)<br />

- wat is een vacature? (plek waar ze een medewerker nodig hebben)<br />

- wat zoekt Jan? (een baan/werk als leraar)<br />

- waarom? (hij wil werken, hij is werkloos, hij zoekt een baan)<br />

- waarom is werk belangrijk? (geld verdienen, het is leuk)<br />

- wat heb je nodig als je werk zoekt? (diploma, ervar<strong>in</strong>g)<br />

- hoe kun je nog meer werk v<strong>in</strong>den? (de krant, <strong>in</strong>ternet, via familie/vrienden, via het uwV)<br />

schrijf belangrijke woorden ook op het bord. Deze zijn weer nodig bij de puzzel <strong>in</strong> volgende oefen<strong>in</strong>g.<br />

Vraag werkende cursisten ook naar eigen ervar<strong>in</strong>gen met werk zoeken, uitzendbureau of uwV.<br />

puzzel ‘werk zoeken’ (duo’s)<br />

Kopieer voor uw cursisten werkblad 5.2. Dit is een kruiswoordpuzzel. als de cursisten goed hebben<br />

opgelet bij het groepsgesprek, kunnen ze de woorden op de goede plaats <strong>in</strong>vullen <strong>in</strong> de puzzel. De<br />

<strong>in</strong>gevulde woorden kunnen ze wegstrepen <strong>in</strong> het woordenrijtje onder aan de bladzijde. laat de cursisten<br />

<strong>in</strong> tweetallen werken. om de beurt lezen ze een vraag hardop voor en samen zoeken ze het antwoord.<br />

welk duo heeft alles goed?<br />

De cursisten doen het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

Zoeken op <strong>in</strong>ternet: Waar is het uWv? (duo’s)<br />

laat deze opdracht zo mogelijk <strong>in</strong> de groepsles doen, zodat u kunt assisteren bij het zoeken op <strong>in</strong>ternet.<br />

Bij het formeren van de duo’s kunt u een cursist die handig is op <strong>in</strong>ternet koppelen aan iemand die het<br />

nog moeilijk v<strong>in</strong>dt. laat de ‘zwakste’ cursist de computer bedienen en de ander aanwijz<strong>in</strong>gen geven. De<br />

gevonden gegevens noteren de cursisten op werkblad 5.3a.<br />

uw cursisten moeten <strong>in</strong> tweetallen op <strong>in</strong>ternet het adres van de dichtstbijzijnde uwV-vestig<strong>in</strong>g<br />

opzoeken en noteren. Ze kunnen zoeken op www.werk.nl. De vervolgstappen staan op het werkblad.<br />

Bespreek samen wat de dichtstbijzijnde uwV-vestig<strong>in</strong>g is. laat de vragen beantwoorden.<br />

een variant is de <strong>in</strong>ternetzoekopdracht op werkblad 5.3b: De cursisten noteren het adres en<br />

telefoonnummer van een uitzendbureau bij hen <strong>in</strong> de buurt. Ze kunnen zoeken op www.uitzendbureau.<br />

nl. De vervolgstappen staan weer op het werkblad. laat ook de vraag beantwoorden.<br />

cursisten die snel klaar zijn kunnen samen enkele vacatures nader bekijken. Begrijpen ze de <strong>in</strong>formatie?<br />

V<strong>in</strong>den ze de baan leuk?<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht ‘naar het uWv’<br />

Doe nu Praktijkopdracht 2 van thema 5: ‘naar het uwV’. Deze v<strong>in</strong>dt u onder ‘uitvoeren’.<br />

thema 5 - werK<br />

7<br />

THEMA 5


eigenschappen en <strong>in</strong>teresses<br />

Wat moet je kunnen voor dat werk? (klassikaal/duo’s)<br />

om dit subthema te <strong>in</strong>troduceren, komt u met uw cursisten nogmaals even terug op de film <strong>in</strong> een<br />

groepsgesprek.<br />

Jan zegt dat tarik veel moet kunnen of leren om taxichauffeur te kunnen worden. weet je nog welke<br />

d<strong>in</strong>gen dat waren?<br />

- autorijden (tarik heeft een rijbewijs)<br />

- goed nederlands spreken<br />

- (klant-)vriendelijk zijn<br />

- de omgev<strong>in</strong>g kennen<br />

- omgaan met lastige klanten<br />

sommige d<strong>in</strong>gen kun je leren, bijvoorbeeld autorijden of nederlands praten. Dit zijn vaardigheden.<br />

andere d<strong>in</strong>gen leer je niet, bijvoorbeeld ‘vriendelijk zijn’. Zo ben je gewoon. het zit <strong>in</strong> je karakter. Dat<br />

zijn eigenschappen.<br />

Bedenk met uw groep nog meer d<strong>in</strong>gen die je kunt leren en d<strong>in</strong>gen die als eigenschappen ‘bij je horen’.<br />

schrijf ze <strong>in</strong> twee kolommen op het bord onder VaarDiGheDen en eiGenschaPPen.<br />

Bespreek vervolgens aan de hand van een paar aansprekende voorbeelden de vaardigheden en/of<br />

eigenschappen die bij een bepaald beroep horen.<br />

Gebruik hiervoor bijvoorbeeld weer de kaartjes van knipblad 5.1. Formeer tweetallen. Geef elk duo<br />

een kaartje en laat ze samen bedenken welke eigenschappen en vaardigheden iemand moet hebben die<br />

politieagent is, docent of kapper. laat een cursist van elk duo verslag uitbrengen aan de groep.<br />

vragen stellen (groepswerk)<br />

Deze oefen<strong>in</strong>g bereidt uw cursisten voor op het stellen van vragen <strong>in</strong> de volgende oefen<strong>in</strong>gen en de<br />

praktijkopdrachten.<br />

<strong>in</strong>troduceer eerst de vraagwoorden. schrijf de vraagwoorden (wie, wat, waar, hoe en wanneer) onder<br />

elkaar op het bord. Geef met elk vraagwoord een paar voorbeelden, zodat cursisten weten dat ‘waar’<br />

naar een plaats vraagt; ‘wie’ naar een persoon etc. stel uw cursisten een aantal simpele vragen met de<br />

verschillende vraagwoorden en controleer zo of ze de betekenis ervan begrijpen.<br />

Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> groepjes. ieder groepje krijgt een dobbelsteen. Kopieer voor uw cursisten<br />

werkblad 5.4. hierop staan bij elk aantal ogen een vraagwoord en verschillende voorbeeldvragen met<br />

dat vraagwoord.<br />

De eerste cursist van een groepje gooit met de dobbelsteen. hij kijkt op zijn werkblad welk vraagwoord<br />

er hoort bij het aantal ogen dat hij heeft gegooid. hij stelt een vraag met dat vraagwoord aan de<br />

cursist rechts van hem. hij kan hierbij een vraag kiezen uit de voorbeelden, maar mag natuurlijk ook<br />

zelf een vraag bedenken. De cursist rechts van hem geeft antwoord en werpt vervolgens zelf met de<br />

dobbelsteen. hij stelt een vraag aan de volgende cursist, deze geeft antwoord, en zo gaat de beurt<br />

rond.<br />

Doe het zelf eerst voor en zorg dat iedereen de bedoel<strong>in</strong>g van het spel begrijpt. laat het spel lang<br />

genoeg duren om de vragen goed <strong>in</strong> te slijpen. loop zelf rond en geef feedback op het correct stellen<br />

thema 5 - werK<br />

8<br />

THEMA 5


van de vragen. De antwoorden hoeven niet perfect geformuleerd te zijn. het gaat erom dat de cursisten<br />

de vragen begrijpen en daar een adequaat antwoord op geven.<br />

laat de cursisten het werkblad <strong>in</strong> hun map bewaren en geef als opdracht dat ze de vragen thuis een<br />

aantal keer hardop moeten lezen.<br />

Wie ben je, wat kan je, wat wil je? (groepswerk)<br />

maak groepjes van drie of vier cursisten. Kopieer voor elk groepje knipblad 5.4 op stevig papier en<br />

knip de kaartjes los. Doe ze voor elk groepje <strong>in</strong> een envelopje. op ieder kaartje staat een vraag over hoe<br />

iemand is, wat iemand kan of wat iemand wil.<br />

De eerste cursist pakt een kaartje van de stapel en stelt hem aan de andere cursisten van zijn groepje.<br />

De vragen kunnen beantwoord worden met ‘ja/nee/soms’ of ‘ik weet het niet’. schrijf dit op het bord.<br />

Doe het eerst een keer voor. loop zelf rond, leg zonodig moeilijke woorden uit en bied hulp waar nodig.<br />

Deze oefen<strong>in</strong>g is een voorbereid<strong>in</strong>g op de volgende oefen<strong>in</strong>g, waarbij (een deel) van de vragen opnieuw<br />

terugkomen.<br />

Wie ben ik, wat kan ik, wat wil ik? (<strong>in</strong>dividueel/klassikaal)<br />

Voor deze oefen<strong>in</strong>g kopieert u werkblad 5.5a, b en c. hierop staan een aantal eigenschappen,<br />

vaardigheden en wensen die de cursisten ieder voor zich moeten aankruisen.<br />

Vraag een aantal cursisten wat ze goed kunnen, wat ze leuk v<strong>in</strong>den om te doen, wat ze (later) willen<br />

doen. Deel de werkbladen uit. lees alle z<strong>in</strong>nen eerst een keer voor en laat ze nazeggen. Begrijpt<br />

iedereen de woorden? Bespreek onduidelijkheden.<br />

leg uit wat de bedoel<strong>in</strong>g is. Geef voorbeelden van uzelf. Benadruk dat ‘nee’ <strong>in</strong>vullen ook goed kan zijn:<br />

wie niet rustig is, is een druk persoon, daar is niets mis mee. Geef ook een voorbeeld waarbij u zelf<br />

‘nee’ zou aankruisen. Bij elke vraag is er een mogelijkheid om zelf nog iets aan de lijst toe te voegen.<br />

misschien heeft een cursist zware rugklachten, kan hij heel goed voetballen of wil hij terug naar zijn<br />

vaderland. hij kan deze d<strong>in</strong>gen dan <strong>in</strong> de laatste vakjes schrijven.<br />

laat de cursisten <strong>in</strong>dividueel de werkbladen <strong>in</strong>vullen. als iedereen klaar is kunt u de werkbladen<br />

nabespreken door aan elke cursist iets te vragen over wat hij/zij bij een bepaalde z<strong>in</strong> heeft aangekruist.<br />

Vraag ook door; kan de cursist er iets meer over vertellen? De cursisten bewaren de werkbladen <strong>in</strong> hun<br />

map.<br />

Wat doet u? (wisselende duo’s)<br />

om samen te <strong>in</strong>ventariseren op welke gebieden uw cursisten al actief zijn en participeren <strong>in</strong> de<br />

nederlandse samenlev<strong>in</strong>g is dit een leuke oefen<strong>in</strong>g. Kopieer werkblad 5.7. Geef uw cursisten de<br />

opdracht om rond te lopen door het lokaal. Ze moeten aan verschillende medecursisten de vragen<br />

stellen die op het werkblad staan. Zegt een cursist ‘ja’ (bijvoorbeeld op de vraag of hij/zij lid is van de<br />

bibliotheek), dan wordt zijn/haar naam genoteerd. <strong>in</strong> dat geval is het leuk als de cursist een extra vraag<br />

stelt (bijvoorbeeld: ‘wat voor boeken haal je? hoe vaak ga je erheen?’) De verkregen extra <strong>in</strong>formatie<br />

kan <strong>in</strong> de laatste kolom genoteerd worden. antwoordt een cursist met ‘nee’, dan wordt er geen naam<br />

<strong>in</strong>gevuld! De vragensteller moet dan verder lopen en op zoek gaan tot hij iemand heeft gevonden die<br />

‘ja’ zegt. Zijn alle vragen voorzien van een naam en extra <strong>in</strong>formatie? Dan mag de cursist gaan zitten.<br />

als er <strong>in</strong> de hele groep niemand gevonden kan worden bij een activiteit, dan blijft dat vak leeg. Doe het<br />

thema 5 - werK<br />

9<br />

THEMA 5


ondlopen en vragen stellen eerst duidelijk voor met een paar cursisten, zodat de hele groep begrijpt<br />

wat de bedoel<strong>in</strong>g is.<br />

evalueer de oefen<strong>in</strong>g door vragen te stellen aan uw cursisten: wie is lid van de bibliotheek?, wie helpt<br />

op de school van zijn/haar k<strong>in</strong>d? Vraag al uw cursisten iets. op hun <strong>in</strong>gevulde werkblad lezen ze het<br />

antwoord.<br />

cursisten <strong>in</strong>spireren elkaar op deze manier om activiteiten te ondernemen. Ze kunnen elkaar tips<br />

geven en op ideeën brengen. ook ontdekken ze misschien gemeenschappelijke <strong>in</strong>teresses bij hun<br />

medecursisten.<br />

De cursisten doen het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

dit ben ik! (<strong>in</strong>dividueel/klassikaal)<br />

Bij deze oefen<strong>in</strong>g moeten uw cursisten gedurende enkele m<strong>in</strong>uten zichzelf presenteren aan de groep.<br />

Bij deze presentatie vertellen ze iets over hun personalia, hun voorgeschiedenis, hun huidige situatie, de<br />

activiteiten die ze ondernemen, hun kwaliteiten en hun wensen voor de toekomst.<br />

ter ondersteun<strong>in</strong>g kunnen de cursisten werkblad 5.7 <strong>in</strong>vullen als ‘rode draad’ voor hun betoog.<br />

natuurlijk mogen ze hiervan afwijken. Behalve dit werkblad moeten ze van thuis iets meenemen,<br />

bijvoorbeeld een foto waarop de cursist te zien is bezig met een bepaalde activiteit, of een voorwerp<br />

dat iets vertelt over hun bezigheden (iemand die goed kan naaien kan bijvoorbeeld een zelfgemaakt<br />

kled<strong>in</strong>gstuk meebrengen of een foto van zichzelf achter de naaimach<strong>in</strong>e).<br />

u kunt uw cursisten het werkblad tijdens de groepsles laten <strong>in</strong>vullen, zodat u zonodig wat hulp kunt<br />

bieden. het oefenen van de presentatie en het zoeken van de foto of het voorwerp doen de cursisten<br />

uiteraard thuis. spreek duidelijk af met uw groep wanneer de presentaties zijn. laat de cursisten dit<br />

noteren <strong>in</strong> hun agenda.<br />

het is leuk om tijdens de presentaties <strong>in</strong> een grote kr<strong>in</strong>g te gaan zitten (alleen stoelen). Dit geeft een<br />

leuke sfeer en het is m<strong>in</strong>der eng om iets te vertellen dan voor de klas. De cursist die zichzelf presenteert<br />

laat zijn foto of voorwerp zien en vertelt kort iets over zichzelf. De anderen mogen vragen stellen. als<br />

een cursist iets liever niet vertelt, hoeft dat natuurlijk niet. schrijf de z<strong>in</strong> op het bord: ‘Dat zeg ik liever<br />

niet’. Bespreek kort hoe het g<strong>in</strong>g: was de cursist goed te verstaan?, gebruikte hij/zij goede z<strong>in</strong>nen?, was<br />

de foto/het voorwerp leuk? hoe was de houd<strong>in</strong>g/lichaamstaal?<br />

De cursisten bewaren hun werkblad en de foto <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht ‘het <strong>in</strong>terview’<br />

Doe nu Praktijkopdracht 3 van thema 5: ‘het <strong>in</strong>terview’. Deze v<strong>in</strong>dt u onder ‘uitvoeren’.<br />

thema 5 - werK<br />

10<br />

THEMA 5


UitVOeren<br />

Kies voor uw cursisten één of meer van de volgende praktijkopdrachten, afhankelijk van het niveau van uw<br />

cursisten. Kopieer voor uw cursisten de praktijkopdrachtformulieren van thema 5.<br />

praktijkopdracht 1: Zoek het beroep<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> tweetallen door het schoolgebouw lopen. welke beroepen komen ze tegen <strong>in</strong> de<br />

school? (conciërge, kant<strong>in</strong>emedewerker, schoonmaker, docent, adm<strong>in</strong>istratief medewerker, receptioniste)<br />

als de cursisten het beroep niet kennen, moeten ze het vragen aan de betrokken medewerker. hoe gaan<br />

ze dat vragen? laat de vraag noteren op het formulier onder stap 1 (‘Voorbereiden’), bijvoorbeeld: ‘mag ik<br />

iets vragen? wat is uw beroep?’. hoe gaan ze het gesprek afsluiten? (bijvoorbeeld: ‘Bedankt.’) laat ook dit<br />

noteren.<br />

laat opschrijven met wie en wanneer ze de opdracht gaan doen. Dit schrijven de cursisten ook <strong>in</strong> hun<br />

agenda.<br />

De cursisten noteren de gevonden beroepen onder ‘uitvoeren’ (stap 2), eventueel met de naam van de<br />

medewerker erbij.<br />

evalueer de praktijkopdracht bij terugkomst <strong>in</strong> het lokaal onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het<br />

praktijkopdrachtformulier. was de opdracht moeilijk of makkelijk? hoeveel beroepen hebben ze gevonden?<br />

hebben de cursisten vragen gesteld? Begrepen ze het antwoord? hebben ze om herhal<strong>in</strong>g of uitleg<br />

gevraagd? hebben ze alle woorden (beroepen) goed geschreven? welk groepje heeft de meeste beroepen<br />

gevonden?<br />

een variant op de vorige opdracht die wat meer durf vraagt van cursisten: laat uw cursisten <strong>in</strong> twee- of<br />

drietallen door een w<strong>in</strong>kelstraat <strong>in</strong> de buurt lopen. welke beroepen komen ze tegen? (verkoper, slager,<br />

kapper, groenteman, glazenwasser, politieagent, serveerster etc.)<br />

als de cursisten het beroep niet kennen, kunnen ze het vragen aan de betrokken medewerker. hoe gaan<br />

ze dat vragen? laat de vraag noteren op het formulier bij ‘welke woorden/z<strong>in</strong>nen?’ onder ‘voorbereiden’<br />

(bijvoorbeeld: ‘mag ik iets vragen? wat is uw beroep?’).<br />

wat de cursisten <strong>in</strong> dit geval zeker moeten opschrijven onder ‘Voorbereiden’ is niet alleen met wie en<br />

wanneer ze de opdracht gaan uitvoeren, maar ook waar. laat hen de afspraak ook <strong>in</strong> hun agenda schrijven.<br />

De cursisten noteren de gevonden beroepen weer onder ‘uitvoeren’.<br />

evalueer de praktijkopdracht de volgende les onder ‘terugkijken’ op het praktijkformulier. was de opdracht<br />

moeilijk of makkelijk? hoeveel beroepen hebben ze gevonden? hebben de cursisten vragen gesteld?<br />

Begrepen ze het antwoord? hebben ze om herhal<strong>in</strong>g of uitleg gevraagd? hebben ze alle woorden<br />

(beroepen) goed geschreven? welk groepje heeft de meeste beroepen gevonden?<br />

het praktijkopdrachtformulier bewaren de cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 2: naar het uWv<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> twee- of drietallen naar het uwV gaan of naar een uitzendbureau <strong>in</strong> de buurt. laat<br />

hen een vacature zoeken (buiten <strong>in</strong> de etalage of b<strong>in</strong>nen op het vacaturebord) die ze leuk v<strong>in</strong>den. Ze<br />

thema 5 - werK<br />

11<br />

THEMA 5


noteren het soort werk (beroep), waar (naam en plaats bedrijf) en voor hoeveel uur per week de vacature is.<br />

Vaardige cursisten mogen ook extra <strong>in</strong>formatie (salaris, eisen, hoe te solliciteren), opschrijven.<br />

onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) noteren de cursisten wanneer, met wie en waar ze de opdracht gaan doen.<br />

De afspraak schrijven ze ook <strong>in</strong> hun agenda. ook schrijven ze op welke woorden/z<strong>in</strong>nen ze nodig hebben<br />

(bijvoorbeeld: ‘mogen we even rondkijken?’ of ‘waar zijn de vacatures?’) help uw cursisten hierbij. Bij: ‘wat<br />

moet ik meenemen?’ valt te denken aan bijvoorbeeld pen en papier of een fotocamera (of mobieltje met<br />

camera), zodat de cursisten ter plekke een foto kunnen maken.<br />

onder ‘uitvoeren’ (stap 2) noteren ze de gevonden <strong>in</strong>formatie en plakken ze eventueel een foto.<br />

evalueer de praktijkopdracht de volgende les onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkformulier.<br />

was iedereen op tijd bij de afspraak? was de opdracht moeilijk of makkelijk? heb de cursisten alleen<br />

rondgekeken of ook nog vragen gesteld? Begrepen ze het antwoord? hebben ze om herhal<strong>in</strong>g of uitleg<br />

gevraagd? hebben ze goede <strong>in</strong>formatie gevonden? laat uw cursisten vertellen en gevonden <strong>in</strong>formatie<br />

uitwisselen.<br />

De cursisten bewaren het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 3: het <strong>in</strong>terview<br />

uw cursisten gaan <strong>in</strong> twee- of drietallen een nederlandstalig persoon <strong>in</strong>terviewen over zijn of haar beroep.<br />

Dit mag een bekende zijn van één van de cursisten of iemand die werkzaam is <strong>in</strong> de school. het kan ook<br />

iemand zijn die <strong>in</strong> de buurt van de school werkt, bijvoorbeeld <strong>in</strong> een w<strong>in</strong>kel of garage.<br />

onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) noteren de cursisten wanneer, met wie en waar ze de opdracht gaan doen<br />

en wat ze moeten meenemen (afspraak ook <strong>in</strong> de agenda). ook schrijven ze op welke woorden/z<strong>in</strong>nen ze<br />

nodig hebben. (‘mag ik een paar vragen stellen over uw werk?’, ‘Bedankt voor het gesprek.’)<br />

neem voldoende tijd voor het samen opstellen van een paar goede vragen. u kunt dit misschien het beste<br />

klassikaal begeleiden, door wat voorbeelden op het bord te schrijven die u samen met de cursisten bedenkt.<br />

Bijvoorbeeld:<br />

- wat is uw beroep?<br />

- wat doet u allemaal op een dag?<br />

- V<strong>in</strong>dt u het een leuk beroep?<br />

- wat v<strong>in</strong>dt u niet zo leuk?<br />

- heeft u leuke collega’s?<br />

- Doet u dit werk al lang?<br />

- welke school hebt u hiervoor gedaan?<br />

- hoe hebt u deze baan gevonden?<br />

- Verdient u goed?<br />

- wilt u dit werk nog lang doen?<br />

- etc.<br />

ieder groepje kan er dan een paar uitkiezen en opschrijven. Deze vragen noteren de cursisten alvast bij<br />

‘uitvoeren’ (stap 2), zodat ze het antwoord er tijdens het <strong>in</strong>terview achter kunnen schrijven.<br />

evalueer de praktijkopdracht de volgende les onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkformulier. was<br />

iedereen op tijd bij de afspraak? was de opdracht moeilijk of makkelijk? hebben alle cursisten iets<br />

gevraagd? Begrepen ze de antwoorden? hebben ze om herhal<strong>in</strong>g of uitleg gevraagd? (met welke z<strong>in</strong>nen?)<br />

thema 5 - werK<br />

12<br />

THEMA 5


laat uw cursisten vertellen en ervar<strong>in</strong>gen uitwisselen. Zouden ze het beroep van de geïnterviewde zelf ook<br />

willen doen?<br />

De cursisten bewaren het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 4: een vacature zoeken <strong>in</strong> het krantje<br />

Geef uw cursisten als opdracht om - alleen of <strong>in</strong> tweetallen - thuis <strong>in</strong> een huis-aan-huis krantje een vacature<br />

te zoeken die ze leuk lijkt. Vaak zijn deze ‘plaatselijke’ vacatures tamelijk eenvoudig opgesteld en gaat het<br />

om meer herkenbare beroepen. laat onder stap 1 (‘Voorbereiden’) opschrijven wanneer en waar ze gaan<br />

zoeken (thuis of <strong>in</strong> de bibliotheek) en eventueel met wie ze de opdracht gaan doen. spreek weer duidelijk af<br />

wanneer de opdracht klaar moet zijn.<br />

De gevonden vacature moeten ze uitknippen en opplakken onder ‘uitvoeren’ (stap 2). Vervolgens moeten<br />

ze de vragen op het formulier over de vacature beantwoorden.<br />

evalueer de volgende les de praktijkopdracht onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkopdrachtformulier.<br />

Bespreek ook de volgende vragen: <strong>in</strong> welk krantje heb je de vacature gevonden? waarom heb je deze<br />

vacature gekozen? Kon je het antwoord op de vragen v<strong>in</strong>den?<br />

De cursisten bewaren het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

terUgkijken<br />

<strong>in</strong> deze fase kijkt u met de cursisten terug op thema 5. wat hebben ze geleerd? hoe zijn de<br />

praktijkopdrachten gegaan? houd een groepsgesprek.<br />

Kopieer werkblad 5.8 (het evaluatieformulier). laat de cursisten <strong>in</strong>dividueel aankruisen <strong>in</strong> de tweede en<br />

derde kolom wat voor hen van toepass<strong>in</strong>g is. Bespreek wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld en waarom. controleer door<br />

middel van een aantal vragen ‘steekproefsgewijs’ of het klopt wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld. Gebruik hiervoor<br />

bijvoorbeeld de kaartjes van de knipbladen of de vragen van de werkbladen en/of de woordenlijst.<br />

laat zo alle doelen uit de eerste kolom nog eens de revue passeren. Kennen/kunnen ze het <strong>in</strong>derdaad?<br />

Verwerken<br />

<strong>in</strong> de laatste kolom van werkblad 5.8 kunt u tips laten noteren, bijvoorbeeld: luister nog eens naar de<br />

gesprekjes op de computer. herhaal ‘oefenen met taal’ of ‘woorden leren’ op de computer. lees nog eens<br />

de werkbladen, etc.<br />

welke woorden staan er <strong>in</strong> het woordenschrift? welk woorden / z<strong>in</strong>nen zijn heel handig om weer te<br />

gebruiken?<br />

cursisten kunnen natuurlijk ook zelf d<strong>in</strong>gen bedenken die ze anders, beter, of juist hetzelfde gaan doen bij<br />

het volgende thema. De cursisten bewaren het formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 5 - werK<br />

13<br />

THEMA 5


<strong>lesvoorbereid<strong>in</strong>g</strong><br />

thema 6 FeestDaGen en VriJe tiJD


Waar gaat het over?<br />

<strong>in</strong> dit thema staan gez<strong>in</strong> en familie, feestdagen en vrijetijdsbested<strong>in</strong>g centraal.<br />

algemene doelen<br />

De cursist kan bij een aantal feestdagen en familieaangelegenheden gepast handelen. ook kan de<br />

cursist een voorkeur uitspreken voor een activiteit <strong>in</strong> de vrije tijd.<br />

subdoelen<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

De cursist kent de nederlandse woorden voor gez<strong>in</strong>s- en familieleden.<br />

De cursist kent een aantal familieaangelegenheden: de geboorte, de verjaardag, het huwelijk, het<br />

overlijden.<br />

De cursist kan <strong>in</strong> het nederlands iemand feliciteren/condoleren.<br />

De cursist kan een eenvoudig kaartje schrijven.<br />

De cursist kent een aantal (nederlandse) feestdagen: s<strong>in</strong>terklaas, Kerst, suikerfeest en<br />

bijbehorende gebruiken.<br />

De cursist kent een aantal activiteiten voor de vrije tijd.<br />

De cursist kan een voorkeur uitspreken voor een bepaalde activiteit.<br />

De cursist kan op verschillende manieren <strong>in</strong>formatie verzamelen over een activiteit (een keer kijken<br />

bij een sport, kijken wat de open<strong>in</strong>gstijden zijn van het zwembad, met iemand anders meegaan<br />

naar zijn/haar sport, aan iemand <strong>in</strong>formatie vragen over een activiteit, etc.)<br />

De cursist kan op <strong>in</strong>ternet <strong>in</strong>formatie verzamelen over activiteit van voorkeur (open<strong>in</strong>gstijden,<br />

adressen, etc.)<br />

aandachtspunten<br />

Bij dit thema is weer van belang dat cursisten weten wat <strong>in</strong> nederland algemeen gebruikelijk is rondom<br />

feestdagen en speciale gelegenheden.<br />

wat vier je <strong>in</strong> de familie? wat doe je ook met anderen? wanneer stuur je een kaartje en wat schrijf je<br />

daarop? wanneer geef je een cadeautje en wat geef je dan (en wat niet)? hoe brengen nederlanders<br />

hun vrije tijd door en hoe zou je daar zelf aan willen en kunnen deelnemen?<br />

houd bij het onderdeel ‘Gez<strong>in</strong> en familie’ reken<strong>in</strong>g met gevoeligheden. Veel cursisten missen hun familie<br />

die <strong>in</strong> het buitenland woont, of hebben onder nare omstandigheden familie verloren.<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

2<br />

THEMA 6


thema 6 feestdagen en vrije tijd<br />

doel van het thema: de cursist kan bij een aantal feestdagen en familieaangelegenheden gepast handelen. ook kan de cursist een voorkeur uitspreken voor een activiteit <strong>in</strong> de vrije tijd<br />

onderwerpen subdoelen materiaal Kns<br />

2.2 omgangsvormen,<br />

waarden en normen:<br />

omgaan met ongewone<br />

of botsende gewoontes,<br />

waarden en normen.<br />

Vooral 2.2.3: kent de<br />

belangrijkste nederlandse<br />

feestdagen en hun religieuze<br />

of historische achtergrond<br />

(stelt zich op de hoogte<br />

van wat er bij de vier<strong>in</strong>g<br />

van deze feesten wordt<br />

verwacht op school, <strong>in</strong> de<br />

buurt, op het werk. laat<br />

anderen vrij <strong>in</strong> de vier<strong>in</strong>g van<br />

de belangrijkste religieuze<br />

en politieke feestdagen en<br />

de achtergronden van de<br />

gebruiken die erbij horen.<br />

Film: feestdagen en vrije tijd<br />

e-learn<strong>in</strong>g<br />

werkbladen: 6.0, 6.1, 6.2, 6.3, 6.4,<br />

6.5, 6.6, 6.7, 6.8 en 6.9<br />

Kopieerbladen: 6.1, 6.2, 6.3<br />

Verschillende kaarten (geboorte,<br />

huwelijk, overlijden, felicitatie, zie<br />

‘wanneer stuur je deze kaart?’)<br />

Plaatjesmateriaal feestdagen<br />

stevig papier (wit en gekleurd)<br />

Formulieren praktijkopdrachten<br />

De cursist kent de nederlandse woorden voor gez<strong>in</strong>s- en familieleden.<br />

De cursist kent een aantal familieaangelegenheden: de geboorte, de<br />

verjaardag, het huwelijk, het overlijden.<br />

De cursist kan <strong>in</strong> het nederlands iemand feliciteren / condoleren.<br />

De cursist kan een eenvoudig kaartje schrijven.<br />

De cursist kent een aantal (nederlandse) feestdagen: s<strong>in</strong>terklaas, kerst,<br />

suikerfeest en bijbehorende gebruiken.<br />

De cursist kent een aantal activiteiten voor de vrije tijd.<br />

De cursist kan een voorkeur uitspreken voor een bepaalde activiteit.<br />

De cursist kan op verschillende manieren <strong>in</strong>formatie verzamelen over<br />

een activiteit van voorkeur (een keer kijken bij een sport, kijken wat de<br />

open<strong>in</strong>gstijden zijn van het zwembad, met iemand anders meegaan naar zijn /<br />

haar sport, aan iemand <strong>in</strong>fo vragen over een activiteit, etc).<br />

De cursist kan op <strong>in</strong>ternet <strong>in</strong>formatie verzamelen over een activiteit van<br />

voorkeur (open<strong>in</strong>gstijden, adressen, etc.).<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

mijn familie<br />

het gez<strong>in</strong><br />

Verjaardag<br />

Feestdagen<br />

Gewoontes bij<br />

feestvieren<br />

wat doe ik <strong>in</strong> mijn vrije<br />

tijd?<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

2.3 deelnemen aan sociale<br />

netwerken (kent doel en<br />

gebruiken van culturele en<br />

sportieve verenig<strong>in</strong>gen)<br />

2.4 aangaan en<br />

onderhouden van alledaagse<br />

sociale contacten (neemt<br />

op passende wijze<br />

contact op met buren en<br />

bekenden bij belangrijke<br />

familiegebeurtenissen)<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

3<br />

THEMA 6


oriënteren voorbereiden uitvoeren terugkijken verwerken<br />

Film<br />

Gez<strong>in</strong> en familie<br />

1. Koop een kaart<br />

Gebruik Gebruik<br />

Kijkvragen<br />

• het gez<strong>in</strong> en de familie (klassikaal)<br />

2. De verjaardagskalender maken van maken van<br />

Groepsgesprek<br />

• De familiestamboom (klassikaal, groepswerk)<br />

3. naar het buurthuis<br />

werkblad 6.9 werkblad 6.9<br />

woordweb bij vrije tijd of • Familieaangelegenheden (klassikaal, duo’s)<br />

4. Bel voor <strong>in</strong>formatie<br />

vakantie<br />

• Geboorte- en overlijdensberichten lezen (<strong>in</strong>dividueel, duo’s)<br />

5. Gaan kijken bij een (sport) Knipbladen woorden-<br />

• Feliciteren / condoleren 2 x(duo’s en wisselende duo’s)<br />

activiteit<br />

schrift<br />

• wanneer stuur je deze kaart? (klassikaal, groepswerk)<br />

• Kaartje schrijven (duo’s)<br />

Feestdagen<br />

• Feesten (klassikaal)<br />

• wat doen mensen met…? (duo’s, klassikaal)<br />

• Zo vieren wij dat feest (<strong>in</strong>dividueel, klassikaal)<br />

Vrije tijd<br />

• wat is vrije tijd? (klassikaal)<br />

• wat doe je <strong>in</strong> je vrije tijd? (groepswerk, klassikaal)<br />

• wat is jouw hobby?<br />

• wat kan ik doen <strong>in</strong> mijn woonplaats? (duo’s, klassikaal)<br />

• Zoeken op <strong>in</strong>ternet: wat kan ik doen <strong>in</strong> mijn woonplaats? (duo’s, klassikaal)<br />

aandachtspunt<br />

Differentiëren: gevorderden kunnen meer op een kaartje schrijven / maken een verjaardagskalender / …<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

4<br />

THEMA 6


Oriënteren<br />

de film<br />

Vertel uw cursisten dat het vandaag feest is. Badria is jarig!<br />

Korte <strong>in</strong>houd van de film:<br />

Zoera en Badria bakken een taart. Buurman Jan loopt over de galerij en komt op de heerlijke geur af.<br />

Door het open keukenraam maakt hij een praatje. Badria is vandaag jarig. Jan feliciteert Badria en Zoera<br />

en wordt uitgenodigd om een stukje taart te komen proeven. Jan zegt dat hij eerst nog een belangrijke<br />

boodschap moet doen. een uurtje later staat Jan voor de deur met een mooi cadeautje. Jan is verbaasd<br />

dat het cadeautje niet meteen wordt opengemaakt.<br />

nB.:Vertel deze <strong>in</strong>houd niet aan uw cursisten. Daarmee geeft u de ‘clou’ weg.<br />

Deel werkblad 6.0 uit. hierop staan kijkvragen voor drie rondes filmkijken.<br />

lees voor elke kijkronde eerst samen de vragen en de mogelijke antwoorden.<br />

Bespreek de antwoorden na voordat u de film nogmaals zien.<br />

aansluitend kunt u <strong>in</strong> een groepsgesprek <strong>in</strong>gaan op de eigen ervar<strong>in</strong>gen van cursisten:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

Vier jij ook je verjaardag?<br />

en die van je k<strong>in</strong>d?<br />

eet je dan ook taart?<br />

Blaas je kaarsjes uit?<br />

neem je een cadeautje mee als iemand jarig is? wat dan?<br />

Pak jij een cadeautje meteen uit?<br />

wat zeg je om iemand te feliciteren?<br />

Geef je een hand of een zoen?<br />

wat weet je van de nederlandse gewoontes rondom feestdagen?<br />

Ken je nog meer feesten?<br />

wat doe je dan?<br />

………………………………………………<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

5<br />

THEMA 6


VOOrbereiden<br />

geZ<strong>in</strong> en familie<br />

het gez<strong>in</strong> en de familie (klassikaal)<br />

ter voorbereid<strong>in</strong>g op de volgende oefen<strong>in</strong>gen en praktijkopdrachten, is het van belang dat uw cursisten<br />

de namen van verschillende gez<strong>in</strong>s- en familieleden kennen. houd een groepsgesprek. neem als<br />

uitgangspunt het gez<strong>in</strong> van tarik en Zoera. Bespreek met uw cursisten:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

wie is de vader van Badria?<br />

wie is haar moeder?<br />

hoe noem je vader en moeder samen? (de ouders)<br />

Ken je andere woorden voor vader en moeder? (pappa en mamma)<br />

hoeveel k<strong>in</strong>deren hebben tarik en Zoera?<br />

hebben ze een dochter of een zoon?<br />

heeft Badria een zus of een broer?<br />

is het een groot gez<strong>in</strong> of een kle<strong>in</strong> gez<strong>in</strong>?<br />

wat is het verschil tussen gez<strong>in</strong> en familie?<br />

Vertel als u wilt aan de cursisten iets over uw eigen gez<strong>in</strong>: heeft u broers, zussen of k<strong>in</strong>deren? leven uw<br />

ouders nog?<br />

u kunt ook vragen stellen aan uw cursisten over hun eigen gez<strong>in</strong>, mits zij daar geen bezwaar tegen<br />

hebben. Familie kan een gevoelig onderwerp zijn, houd daar reken<strong>in</strong>g mee. (Bied nogmaals de z<strong>in</strong> ‘dat<br />

zeg ik liever niet’ aan, zie thema 5.)<br />

hebben uw cursisten k<strong>in</strong>deren? Zoons of dochters? hebben ze broers of zussen? hoeveel? leven hun<br />

ouders nog? waar wonen die? etc. stel de vragen meerdere malen aan verschillende cursisten, zodat de<br />

woorden en z<strong>in</strong>nen vaak herhaald worden.<br />

teken op het bord een grote cirkel met daar<strong>in</strong> een kle<strong>in</strong>ere cirkel. <strong>in</strong> de grote cirkel schrijft u<br />

(bijvoorbeeld met geel) het woord Familie. <strong>in</strong> de kle<strong>in</strong>ere cirkel schrijft u (ook met geel) GeZ<strong>in</strong>. laat uw<br />

cursisten woorden noemen die erbij horen en schrijf ze (met een andere kleur) <strong>in</strong> de juiste cirkel.<br />

Zorg dat de volgende woorden <strong>in</strong> ieder geval aan bod komen: vader, moeder, ouders, dochter(s),<br />

zoon(s), broer(s) en zus(sen), k<strong>in</strong>d(eren), kle<strong>in</strong>zoon, kle<strong>in</strong>dochter, oom, tante. mochten uw cursisten met<br />

nog andere familieleden komen, zoals neef, nicht, schoonzus, etc., neem ze dan op <strong>in</strong> het schema. Zo<br />

niet, laat ze dan achterwege.<br />

de stamboom (klassikaal/groepswerk)<br />

Kopieer voor uw cursisten werkblad 6.1. hierop staat de stamboom van de familie van Zoera.<br />

spreek langzaam en duidelijk een aantal eenvoudige familierelaties uit met behulp van de stamboom.<br />

Beperk u hierbij tot: vader en moeder (ouders), dochter, zoon, k<strong>in</strong>d(eren), broer, zus, opa, oma, tante en<br />

oom, bijvoorbeeld:<br />

- Badria is de dochter van Zoera en tarik.<br />

-<br />

tarik is de vader van Badria.<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

6<br />

THEMA 6


-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

Zoera is de moeder van Badria.<br />

D<strong>in</strong>a is de moeder van Zoera.<br />

D<strong>in</strong>a is de oma van Badria.<br />

hassan is de vader van Zoera.<br />

hassan is de opa van Badria.<br />

sara is de zus van Zoera.<br />

etc.<br />

laat de cursisten de z<strong>in</strong>nen hardop nazeggen en <strong>in</strong> de stamboom kijken of ze kunnen v<strong>in</strong>den en<br />

begrijpen wat u zegt. Kan iedereen <strong>in</strong> het schema lezen wie het k<strong>in</strong>d is van wie en wie met wie<br />

getrouwd is?<br />

stel uw cursisten vervolgens allerlei vragen over de stamboom.<br />

- wie is de man/de dochter van Zoera?<br />

- hoe heet de vader/moeder/zus/broer van Zoera?<br />

- wie is de opa/oma van Badria?<br />

- hoeveel k<strong>in</strong>deren heeft D<strong>in</strong>a?<br />

- met wie is … getrouwd?<br />

- wie is de tante/oom van Badria?<br />

- etc.<br />

nB: <strong>in</strong>dien dit gemakkelijk gaat en bekend lijkt, kunt u eventueel de verdere familie en schoonfamilie<br />

bespreken. Deze woorden staan echter niet <strong>in</strong> de e-learn<strong>in</strong>g en woordenlijst:<br />

- wie is de neef/nicht van Badria?<br />

- wie is de schoonmoeder/-vader van tarik?<br />

- wie is de schoonzoon van D<strong>in</strong>a?<br />

- wie is de schoonzus van Zoera?<br />

- en de zwager van tarik?<br />

- etc.<br />

afhankelijk van het niveau van uw groep kunt u de cursisten ook elkaar eenvoudige vragen laten stellen.<br />

maak hiervoor groepjes van drie of vier cursisten. schrijf de volgende vragen op het bord:<br />

- wie is de … van …?<br />

- hoe heet de … van …?<br />

om de beurt stelt een cursist uit elk groepje op deze manier een vraag. De andere cursisten uit het<br />

groepje overleggen samen over het antwoord.<br />

tot slot beantwoorden de cursisten <strong>in</strong>dividueel de vragen onder aan het werkblad. Ze controleren <strong>in</strong> hun<br />

groepje of ze het juist hebben <strong>in</strong>gevuld.<br />

loop rond en geef feedback.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

7<br />

THEMA 6


familiezaken (klassikaal/duo’s)<br />

Badria is jarig. Zij viert haar verjaardag. Bespreek met uw cursisten welke leuke gebeurtenissen <strong>in</strong> de<br />

familie je nog meer kunt vieren (geboorte, huwelijk, diploma, etc.) wat is een verdrietige gebeurtenis?<br />

(ziekte, overlijden).<br />

schrijf op het bord naast elkaar de volgende woorden: De GeBoorte, De VerJaarDaG, het<br />

oVerliJDen. (Deze drie gebeurtenissen komen straks terug <strong>in</strong> de werkbladopdracht.) Bespreek met uw<br />

groep bij elke gebeurtenis wat bij hen de gebruiken zijn:<br />

- wat doe je? wat zeg je?<br />

- Ga je op bezoek, stuur je een kaart?<br />

- eet of dr<strong>in</strong>k je iets speciaals?<br />

- Geef je een cadeau of geld?<br />

- Draag je speciale kled<strong>in</strong>g?<br />

- Zijn er speciale rituelen?<br />

- Vieren uw cursisten hun verjaardag überhaupt? en die van hun k<strong>in</strong>deren?<br />

- trakteren ze op school?<br />

- sturen ze geboortekaarten of een overlijdensbericht?<br />

- weten de cursisten hoe nederlanders omgaan met deze gebeurtenissen?<br />

- Zijn er verschillen?<br />

schrijf onder elke gebeurtenis de belangrijkste woorden die erbij horen op.<br />

Deel werkblad 6.2 uit. Dit is een rubriceeroefen<strong>in</strong>g. lees samen eerst de woorden die <strong>in</strong>gevuld moeten<br />

worden en controleer of iedereen de betekenis ervan begrijpt.<br />

De cursisten overleggen <strong>in</strong> tweetallen en schrijven de gegeven woorden <strong>in</strong> de goede kolom. sommige<br />

woorden kunnen meerdere keren worden gebruikt. misschien kennen cursisten nog andere woorden?<br />

Die mogen ze er natuurlijk bij schrijven. loop rond en help waar nodig. <strong>in</strong>ventariseer na afloop<br />

gezamenlijk welke extra woorden de duo’s nog hebben bedacht.<br />

geboorte- en overlijdensberichten (<strong>in</strong>dividueel/duo’s)<br />

laat uw cursisten van thuis een krant(je) meenemen met daar<strong>in</strong> familieberichten (geboorte- en<br />

overlijdensberichten) of neem zelf een paar kranten mee. (het heeft de voorkeur dat de cursisten zelf iets<br />

meenemen!) laat elke cursist één geboorteberichtje en één overlijdensbericht uitknippen en opplakken<br />

op werkblad 6.3.<br />

Vervolgens moeten de cursisten de vragen op het werkblad beantwoorden over de berichten die zij<br />

hebben opgeplakt. als het schrijven lastig is, kunt u ‘zwakke’ cursisten ook een lijn laten trekken van de<br />

vraag naar de plaats <strong>in</strong> de advertentie waar het antwoord staat: waar staat het antwoord?<br />

laat uw cursisten na afloop ruilen van werkblad met hun buurman/-vrouw. Deze leest de berichtjes<br />

en kijkt of de antwoorden goed zijn. De cursisten geven elkaar feedback. iedere cursist doet zijn eigen<br />

werkblad weer <strong>in</strong> zijn map.<br />

feliciteren/condoleren: (duo’s)<br />

Bij de vorige oefen<strong>in</strong>gen is besproken wanneer cursisten iemand kunnen feliciteren of condoleren. <strong>in</strong><br />

deze oefen<strong>in</strong>g gaan ze de dialogen oefenen. op werkblad 6.4 staan vier voorgestructureerde dialogen.<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

8<br />

THEMA 6


lees ze enkele keren hardop voor en laat de z<strong>in</strong>nen steeds nazeggen. Doe de dialogen een keer voor<br />

met een cursist. Vervolgens verdeelt u de cursisten <strong>in</strong> tweetallen. elk duo oefent de dialogen en wisselt<br />

daarbij van rol. laat enkele duo’s een dialoogje voor de groep uitspelen. Geef feedback op uitspraak en<br />

<strong>in</strong>tonatie. Ga ook <strong>in</strong> op de non-verbale aspecten: geef je een hand of niet? hoe kijk je? Doe je nog iets<br />

anders?<br />

feliciteren/condoleren: (wisselende duo’s)<br />

De cursisten passen de dialogen van werkblad 6.4 nu toe <strong>in</strong> de volgende spreekoefen<strong>in</strong>g. Kopieer<br />

knipblad 6.1 enkele keren op stevig papier. Knip de vier kaarten los. op elke kaart staat een leuke<br />

of verdrietige gebeurtenis. Geef elke cursist een kaart. alle cursisten lopen rond door het lokaal. met<br />

verschillende cursisten die ze tegenkomen voeren ze het volgende gesprekje:<br />

a: hoe gaat het?<br />

B: ik heb een zoontje gekregen.<br />

a: o wat leuk, gefeliciteerd!<br />

B: Bedankt!<br />

Doe dit gesprekje eerst een keer voor met een cursist. schrijf de vraag ‘wat is er aan de hand?’ op het<br />

bord, zodat cursisten eventueel kunnen spieken.<br />

Vervolgens vraagt B aan a wat er aan de hand is en reageert adequaat op de gebeurtenis:<br />

B: wat is er aan de hand?<br />

a: mijn opa is overleden.<br />

B: wat erg, gecondoleerd!<br />

a: Dank je.<br />

Zijn beide gesprekjes gevoerd? Dan ruilen a en B van kaart en vervolgen hun weg door het lokaal,<br />

spreken de volgende cursist aan, etc.<br />

laat de cursisten tenm<strong>in</strong>ste 10 keer ruilen van kaart. Ze kunnen een kaart dus meerdere keren krijgen.<br />

loop zelf rond en luister of doe mee. Geef feedback.<br />

Wanneer stuur je deze kaart? (klassikaal/groepswerk)<br />

Voor deze oefen<strong>in</strong>g heeft u een aantal verschillende kaarten nodig.<br />

Zorg voor een aantal geboortekaartjes en overlijdensberichten, en een paar condoleancekaarten,<br />

felicitatiekaarten voor een huwelijk, verjaardag en geboorte.<br />

Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> groepjes van vier personen. Geef elk groepje een paar verschillende kaarten, van<br />

elke soort één. Vraag nu aan de groepjes steeds om een bepaald kaartje te pakken:<br />

- Zoek een geboortekaartje (een kaartje dat ouders sturen om te vertellen dat ze een baby hebben).<br />

- Zoek een kaart om de ouders te feliciteren met de baby.<br />

- Zoek een kaart/bericht waar<strong>in</strong> staat dat iemand is overleden.<br />

- Zoek een kaart om iemand te condoleren.<br />

- Zoek een kaart om iemand te feliciteren met zijn verjaardag.<br />

- Zoek een kaart om mensen te feliciteren met hun trouwen.<br />

-<br />

etc.<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

9<br />

THEMA 6


Vraag bij elke kaart waarom ze juist die kaart hebben gekozen. hoe kun je zien dat het een …… kaart<br />

is? Bespreek daarbij kleur, typische afbeeld<strong>in</strong>gen (een ooievaar, een beertje, twee r<strong>in</strong>gen, ballonnen, een<br />

stemmig boeket of treurwilg), een zwarte rand (op een rouwkaart) en belangrijke ‘herkenn<strong>in</strong>gswoorden’<br />

(gefeliciteerd, geboren, met oprechte deelnem<strong>in</strong>g).<br />

nB: als u ieder groepje andere kaarten heeft gegeven, kunt u deze oefen<strong>in</strong>g herhalen door de groepjes<br />

te laten ruilen van kaarten en opnieuw de vragen te stellen.<br />

praktijkopdracht ‘Koop een kaart’<br />

Doe nu Praktijkopdracht 1 van thema 6: ‘Koop een kaart’. Deze v<strong>in</strong>dt u onder ‘uitvoeren’.<br />

iemand feliciteren (duo’s)<br />

naast iemand mondel<strong>in</strong>g feliciteren of condoleren, moeten de cursisten een eenvoudig kaartje<br />

kunnen schrijven. Kopieer werkblad 6.5a. Dit is een <strong>in</strong>gevuld voorbeeld van een felicitatiekaartje<br />

met daaronder een lege kaart. Bekijk eerst gezamenlijk het voorbeeld: waar staat de naam? en het<br />

adres? waar staan de postcode en de woonplaats? wat schrijf je l<strong>in</strong>ks op de kaart? wie heeft de kaart<br />

geschreven? laat de cursisten de kaart overschrijven.<br />

met behulp van werkblad 6.5b en 5.6c moeten uw cursisten zelf een kaart schrijven. Verdeel uw<br />

cursisten <strong>in</strong> tweetallen. cursist B is ‘jarig’. cursist a schrijft het kaartje aan cursist B. hij moet diens<br />

naam, adres, postcode en woonplaats op de goede plaats <strong>in</strong>vullen rechts op het kaartje. hiervoor moet<br />

hij vragen stellen aan cursist B: hoe heet je? wat is je achternaam? hoe spel je dat? wat is je adres?<br />

op werkblad 6.5B hoeft de cursist l<strong>in</strong>ks enkel zijn eigen naam <strong>in</strong> te vullen. op werkblad 6.5c vult hij<br />

‘Gefeliciteerd (met...)!’ en zijn eigen naam <strong>in</strong>.<br />

Vervolgens is cursist a jarig. nu moet B een kaartje schrijven.<br />

loop zelf rond en help waar nodig. controleer of alle gegevens op de juiste plaats staan en correct zijn<br />

gespeld. laat fouten verbeteren.<br />

De cursisten doen het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

feestdagen<br />

feesten (klassikaal)<br />

naast familiefeesten zijn er <strong>in</strong> elk land ook andere (bijvoorbeeld nationale of religieuze) feesten. houd<br />

een groepsgesprek. maak samen met uw cursisten een woordparaplu op het bord: bovenaan schrijft<br />

u met grote letters Feest. Daaronder schrijft u naast elkaar de verschillende feesten waar uw cursisten<br />

(of uzelf) mee komen. trek vanuit het woord ‘feest’ lijnen naar de feesten eronder. Zo ontstaat<br />

een ‘paraplu’. onder elk feest kunt u vervolgens weer enkele woorden schrijven die daarbij horen<br />

(bijvoorbeeld onder s<strong>in</strong>terklaas: Zwarte Piet, paard, stoomboot, schoen zetten, cadeautjes, etc.)<br />

Beperk u tot enkele bekende feesten. Bespreek <strong>in</strong> ieder geval s<strong>in</strong>terklaas, Kerst en het suikerfeest, want<br />

die <strong>in</strong>formatie hebben de cursisten nodig <strong>in</strong> de volgende oefen<strong>in</strong>g. Vraag uw cursisten of ze weten wat<br />

er eigenlijk gevierd wordt bij een bepaald feest en wat mensen allemaal doen tijdens dat feest.<br />

neem wat plaatjesmateriaal mee om een en ander te illustreren.<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

10<br />

THEMA 6


uw cursisten kunnen vast iets vertellen over belangrijke feesten <strong>in</strong> hun land. laat van de samenstell<strong>in</strong>g<br />

van uw groep afhangen welke feesten u verder nog opneemt <strong>in</strong> de paraplu.<br />

feestdagen (duo’s/klassikaal)<br />

Kopieer voor uw cursisten werkblad 6.6. leg uit wat de bedoel<strong>in</strong>g is van het werkblad: de cursisten<br />

overleggen <strong>in</strong> tweetallen en kruisen de vakjes aan van de activiteiten die volgens hen bij een bepaald<br />

feest horen. soms kunnen meerdere vakjes achter eenzelfde activiteit aangekruist worden.<br />

Bespreek deze oefen<strong>in</strong>g gezamenlijk na. wat heeft iedereen aangekruist? wat is hetzelfde bij alle<br />

feesten? wat is verschillend?<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

Zo vieren wij dat feest (<strong>in</strong>dividueel/klassikaal)<br />

misschien zijn er <strong>in</strong> uw groep enkele cursisten die het leuk v<strong>in</strong>den en aankunnen om - aan de hand van<br />

een meegebracht voorwerp of een foto - kort iets te vertellen over een speciaal feest uit hun cultuur of<br />

land.<br />

Geef zelf een voorbeeld van een dergelijke korte presentatie door aan de hand van wat meegebrachte<br />

spullen of afbeeld<strong>in</strong>gen iets over het s<strong>in</strong>terklaasfeest te vertellen. Beperk u hierbij tot enkele z<strong>in</strong>nen.<br />

spreek af voor welke les de cursisten hun verhaaltje moeten voorbereiden.<br />

het is leuk om voor de presentaties samen <strong>in</strong> een grote kr<strong>in</strong>g te gaan zitten. Dit geeft een prettige sfeer<br />

en maakt het vertellen m<strong>in</strong>der eng.<br />

‘Zwakke’ cursisten kunnen na de presentaties misschien enkele vragen beantwoorden die u hen stelt,<br />

of iets van een presentatie navertellen. u kunt ook twee cursisten met dezelfde achtergrond samen iets<br />

laten vertellen. Ze kunnen elkaar dan helpen en aanvullen.<br />

Geef uw cursisten feedback op de <strong>in</strong>houd en de manier van presenteren. Benadruk dat het al heel goed<br />

is dat ze voor een groep iets durven te vertellen <strong>in</strong> het nederlands!<br />

vrije tijd<br />

Wat is vrije tijd? (klassikaal)<br />

<strong>in</strong>troduceer dit subthema door bijvoorbeeld aan uw cursisten te vragen wat ze na school of <strong>in</strong> het<br />

weekend gaan doen. is dat iets wat moet, of iets dat ze leuk v<strong>in</strong>den? Kennen ze het begrip vrije tijd?<br />

Vertel dat werken, naar school gaan, boodschappen doen en schoonmaken geen vrije tijd is. <strong>in</strong> je<br />

vrije tijd kun je doen wat je wilt. Bijvoorbeeld uitslapen, sporten, lezen, w<strong>in</strong>kelen. Geef een aantal<br />

voorbeelden van activiteiten en vraag steeds: is …… vrije tijd? De cursisten antwoorden met ja of nee.<br />

laat ook uw cursisten voorbeelden bedenken van d<strong>in</strong>gen die je <strong>in</strong> je vrije tijd kunt doen. hebben zij zelf<br />

veel vrije tijd?<br />

Zeg de volgende z<strong>in</strong>nen voor en laat de cursisten ze samen nazeggen:<br />

1. Vrije tijd is leuk.<br />

2. Je kunt doen wat je wilt.<br />

3. werken of schoonmaken is geen vrije tijd.<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

11<br />

THEMA 6


3. mensen <strong>in</strong> nederland hebben veel vrije tijd.<br />

4. Veel mensen hebben een hobby.<br />

5. Zwemmen is een hobby.<br />

6. muziek maken is een hobby.<br />

7. Veel mensen doen vrijwilligerswerk.<br />

8. Je krijgt geen geld, maar het is leuk.<br />

herhaal dit met elke z<strong>in</strong> een paar keer. let op een duidelijke uitspraak en op <strong>in</strong>tonatie. Geef ook<br />

<strong>in</strong>dividuele cursisten de beurt.<br />

Vervolgens zegt u elke z<strong>in</strong> nog een keer en laat u de cursisten het aantal woorden tellen. ‘hoeveel<br />

woorden hoor je?’<br />

ter controle schrijft u de z<strong>in</strong>nen op het bord en het juiste aantal woorden erachter.<br />

Wat doet u <strong>in</strong> uw vrije tijd? (groepswerk/klassikaal)<br />

Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> groepjes van drie of vier. Kopieer knipblad 6.2 op wit stevig papier en<br />

knipblad 6.3 op gekleurd stevig papier en knip de kaartjes los. Doe dit zo vaak als u groepjes heeft.<br />

Geef elk groepje een stapeltje witte en gekleurde kaartjes. hierop staan plaatjes van een aantal<br />

activiteiten en de woorden die daarbij horen. spreid ze uit op tafel met de afbeeld<strong>in</strong>gen naar boven.<br />

laat de cursisten van elk groepje om de beurt een wit kaartje pakken en daar het juiste gekleurde<br />

kaartje naast leggen. De andere cursisten uit het groepje controleren of het klopt. op deze manier<br />

ontstaan op de tafel twee kolommen met naast elkaar steeds twee bij elkaar passende kaartjes. loop<br />

rond en help waar nodig.<br />

laat vervolgens de kaartjes waar de woorden op staan omdraaien. De woorden zijn nu niet meer<br />

zichtbaar.<br />

schrijf op het bord de vraag: ‘wat is jouw hobby?’<br />

De eerste cursist van elk groepje wijst een plaatje aan en vraagt aan de tweede cursist: ‘wat is jouw<br />

hobby?’ De tweede cursist antwoordt volgens het plaatje: ‘zwemmen’. het woordkaartje naast het<br />

plaatje wordt nu omgedraaid om te controleren of het antwoord goed is. Vervolgens wijst de tweede<br />

cursist een plaatje aan en vraagt aan de derde cursist: ‘wat is jouw hobby? Zo gaat de beurt rond.<br />

laat uw cursisten nu een kaartje uitkiezen van een vrijetijdsbested<strong>in</strong>g die ze leuk v<strong>in</strong>den of leuk lijkt. als<br />

twee cursisten hetzelfde kaartje willen, leggen ze het tussen hen <strong>in</strong>. Vraag aan al uw cursisten wat ze<br />

hebben gekozen en waarom. Bespreek samen:<br />

- waar kun je deze activiteit doen?<br />

- is het een dure hobby?<br />

- wat heb je ervoor nodig?<br />

Vervolgens kunt de cursisten ook nog een kaartje laten kiezen van iets wat ze niet leuk v<strong>in</strong>den. Vraag<br />

ook nu weer naar het waarom van die keuze.<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

12<br />

THEMA 6


Wat is uw hobby? (duo’s)<br />

Kopieer voor deze spreekoefen<strong>in</strong>g werkblad 6.7. laat uw cursisten <strong>in</strong> tweetallen het dialoogje voeren,<br />

waarbij ze steeds een andere variant kunnen kiezen van de formuler<strong>in</strong>g van vraag en antwoord en ook<br />

steeds een andere hobby kunnen selecteren uit de gegeven voorbeelden. (wat is jouw hobby? mijn<br />

hobby is voetballen. wat v<strong>in</strong>d je leuk? ik v<strong>in</strong>d zwemmen leuk. etc.) natuurlijk mogen ze ook zelf een<br />

hobby bedenken. Doe het gesprekje eerst een paar keer op verschillende manieren voor met een cursist.<br />

laat daarna oefenen <strong>in</strong> duo’s. laat steeds wisselen van rol: om de beurt stellen de cursisten elkaar<br />

een vraag, tot alle varianten en hobby’s geweest zijn. loop rond en let op of er goede z<strong>in</strong>nen worden<br />

geformuleerd.<br />

het werkblad doen de cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

Wat kan ik doen <strong>in</strong> mijn woonplaats? (duo’s/klassikaal)<br />

laat uw cursisten van thuis een gemeentegids meebrengen of neem zelf een stapeltje mee van het<br />

gemeentehuis.<br />

Geef nu een paar eenvoudige zoekopdrachten, afhankelijk van de gemeente waar u woont:<br />

- op welke bladzijden staan de sportverenig<strong>in</strong>gen?<br />

- Zoek een voetbalclub/wandelclub/tennisbaan.<br />

- wat is het telefoonnummer van het zwembad?<br />

- Zoek een sportschool/muziekschool/dansschool.<br />

- waar is het buurthuis?<br />

- waar kun je een creatieve cursus doen?<br />

- etc.<br />

schrijf uw vragen op het bord. laat uw cursisten <strong>in</strong> tweetallen de antwoorden opzoeken en opschrijven.<br />

loop rond en help de cursisten bij het zoeken. leg uit <strong>in</strong> welk gedeelte van de gids ze moeten zoeken en<br />

hoe ze gebruik kunnen maken van de <strong>in</strong>houdsopgave of de woorden<strong>in</strong>dex bij het zoeken. soms moet je<br />

iets zoeken onder een ander woord (bijvoorbeeld ‘buurthuis’ onder ‘wijk- en dienstencentra’). het gaat<br />

<strong>in</strong> deze oefen<strong>in</strong>gen niet zozeer om de antwoorden, maar om het leren zoeken.<br />

Bespreek en zoek samen goedkope mogelijkheden voor een leuke vrijetijdsbested<strong>in</strong>g: <strong>in</strong> buurthuizen zijn<br />

cursussen of clubjes relatief goedkoop en op (Brede) scholen zijn vaak leuke en goedkope naschoolse<br />

activiteiten voor k<strong>in</strong>deren.<br />

praktijkopdracht ‘naar het buurthuis’<br />

Doe nu Praktijkopdracht 3 van thema 6: ‘naar het buurthuis’. Deze v<strong>in</strong>dt u onder ‘uitvoeren’.<br />

Wat kan ik doen <strong>in</strong> mijn woonplaats? (duo’s/klassikaal)<br />

laat deze opdracht zo mogelijk <strong>in</strong> de groepsles doen, zodat u kunt assisteren bij het zoeken op <strong>in</strong>ternet.<br />

Bij het formeren van de duo’s kunt u een cursist die handig is op <strong>in</strong>ternet koppelen aan iemand die het<br />

nog moeilijk v<strong>in</strong>dt. laat de ‘zwakste’ cursist de computer bedienen en de ander aanwijz<strong>in</strong>gen geven. De<br />

gevonden gegevens noteren de cursisten op werkblad 6.8.<br />

uw cursisten moeten <strong>in</strong> tweetallen op <strong>in</strong>ternet het adres, telefoonnummer en andere relevante gegevens<br />

opzoeken van een zwembad <strong>in</strong> de buurt.<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

13<br />

THEMA 6


Ze kunnen zoeken op de gemeentesite. een andere mogelijkheid is om op www.google.nl een<br />

kernwoord (‘zwembad’) en plaatsnaam <strong>in</strong> te typen. De vervolgstappen staan op het werkblad.<br />

cursisten die snel klaar zijn kunnen meer <strong>in</strong>formatie zoeken over meerdere onderwerpen. ‘Zwakke’<br />

cursisten beperken zich tot één onderwerp en alleen de meest essentiële <strong>in</strong>formatie.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht ‘bel voor <strong>in</strong>formatie’<br />

Doe nu Praktijkopdracht 4 van thema 6: ‘Bel voor <strong>in</strong>formatie’. Deze v<strong>in</strong>dt u onder ‘uitvoeren’.<br />

UitVOeren<br />

Kies voor uw cursisten één of meer van de volgende praktijkopdrachten, afhankelijk van het niveau van<br />

uw cursisten. Kopieer voor uw cursisten de praktijkopdrachtformulieren van thema 6.<br />

praktijkopdracht 1: Koop een kaart<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> kle<strong>in</strong>e groepjes naar een w<strong>in</strong>kel <strong>in</strong> de buurt gaan en daar een kaart kopen voor<br />

een bepaalde gelegenheid. Geef elk groepje een andere opdracht: koop een condoleancekaart, een<br />

felicitatiekaart voor een verjaardag of voor een huwelijk, een beterschapskaart, etc. De cursisten vullen<br />

op het praktijkformulier <strong>in</strong> welke kaart zij moeten zoeken.<br />

laat de cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) op het formulier opschrijven wanneer en met wie ze<br />

de opdracht gaan uitvoeren en wat ze bijvoorbeeld moeten meenemen of voorbereiden. De afspraak<br />

schrijven ze ook <strong>in</strong> hun agenda. Ze moeten ook bedenken naar welke w<strong>in</strong>kel ze gaan en wanneer deze<br />

open is. Bij ‘welke woorden en z<strong>in</strong>nen’ kunnen ze noteren hoe ze <strong>in</strong> de w<strong>in</strong>kel eventueel een vraag gaan<br />

stellen (Pardon mevrouw, waar zijn de …kaarten?).<br />

onder ‘uitvoeren’ (stap 2) kunnen de cursisten de kaart plakken of een kopie daarvan.<br />

evalueer de praktijkopdracht de volgende les onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkformulier. was<br />

iedereen op tijd bij de afspraak? was de opdracht moeilijk of makkelijk? hebben de cursisten zelf een<br />

kaart gezocht of ook nog een vraag gesteld? Begrepen ze het antwoord? hebben ze om herhal<strong>in</strong>g of<br />

uitleg gevraagd? hebben ze goede kaart meegebracht? De cursisten laten aan de andere groepjes de<br />

kaart zien die ze gekocht hebben.<br />

De cursisten bewaren het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 2: de verjaardagskalender<br />

laat een groepje cursisten naar een w<strong>in</strong>kel <strong>in</strong> de buurt gaan en daar een (goedkope) verjaardagskalender<br />

kopen. laat de cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) op het formulier opschrijven waar, wanneer en<br />

met wie ze de dat gaan doen en wat ze bijvoorbeeld moeten meenemen of voorbereiden. afspraak <strong>in</strong><br />

de agenda noteren! Ze moeten ook bedenken naar welke w<strong>in</strong>kel ze gaan en wanneer deze open is. Bij<br />

‘welke woorden en z<strong>in</strong>nen’ kunnen ze noteren hoe ze <strong>in</strong> de w<strong>in</strong>kel eventueel een vraag gaan stellen<br />

(Pardon meneer, heeft u verjaardagskalenders?).<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

14<br />

THEMA 6


onder ‘uitvoeren’ (stap 2) noteren de cursisten waar ze de kalender hebben gekocht en plakken ze de<br />

kassabon of een kopie daarvan.<br />

evalueer met het betreffende groepje de praktijkopdracht de volgende les onder ‘terugkijken’ (stap 3)<br />

op het praktijkformulier. was iedereen op tijd bij de afspraak? was de opdracht moeilijk of makkelijk?<br />

hebben de cursisten zelf een kalender gezocht of ook nog een vraag gesteld? Begrepen ze het<br />

antwoord? hebben ze om herhal<strong>in</strong>g of uitleg gevraagd? hebben ze een leuke en niet te dure kalender<br />

meegebracht?<br />

De cursisten gaan nu de klas rond met de kalender en vragen aan iedereen: ‘wanneer ben je jarig?’. Ze<br />

vullen de namen <strong>in</strong> bij de juiste data. De kalender<br />

De cursisten bewaren het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 3: naar het buurthuis<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> kle<strong>in</strong>e groepjes naar een buurthuis of wijkcentrum <strong>in</strong> de buurt gaan en daar<br />

foldertjes zoeken of vragen over activiteiten die daar georganiseerd worden.<br />

laat de cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) op het formulier opschrijven waar, wanneer en met<br />

wie ze de opdracht gaan uitvoeren en wat ze bijvoorbeeld moeten meenemen of voorbereiden. iedere<br />

cursist schrijft de afspraak <strong>in</strong> zijn agenda. Ze moeten ook bedenken wanneer het buurthuis open is.<br />

Bij ‘welke woorden en z<strong>in</strong>nen’ kunnen ze noteren hoe ze eventueel een vraag gaan stellen (Pardon<br />

mevrouw, heeft u ook foldertjes van activiteiten?).<br />

onder ‘uitvoeren’ (stap 2) vullen de cursisten het schema <strong>in</strong> (bijvoorbeeld: naailes – vrijdag van 10.00 –<br />

12.00 uur, € 3,- per keer).<br />

evalueer de praktijkopdracht de volgende les onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkformulier. was<br />

iedereen op tijd bij de afspraak? was de opdracht moeilijk of makkelijk? hebben de cursisten zelf folders<br />

gezocht of ook nog een vraag gesteld? Begrepen ze het antwoord? hebben ze om herhal<strong>in</strong>g of uitleg<br />

gevraagd? hebben ze leuke folders of goede <strong>in</strong>formatie meegebracht? De cursisten laten aan de andere<br />

groepjes de foldertjes zien die ze gehaald hebben. u kunt ook twee groepjes onderl<strong>in</strong>g de gevonden<br />

<strong>in</strong>formatie laten vergelijken. hebben ze hetzelfde gevonden?<br />

De cursisten bewaren het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 4: bel voor <strong>in</strong>formatie<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> duo’s of kle<strong>in</strong>e groepjes naar een sportverenig<strong>in</strong>g, zwembad of andere club of<br />

verenig<strong>in</strong>g bellen. eén (vaardige) cursist belt op, de andere cursisten helpen met de voorbereid<strong>in</strong>g van<br />

het gesprek en luisteren hoe het gesprek verloopt. maak hiervoor liefst groepjes cursisten met dezelfde<br />

<strong>in</strong>teresse. eerst moeten ze het telefoonnummer van een verenig<strong>in</strong>g zoeken. Dit kan bijvoorbeeld <strong>in</strong> de<br />

gemeentegids of op <strong>in</strong>ternet. (Beide mogelijkheden hebben uw cursisten geoefend <strong>in</strong> de voorbereidende<br />

oefen<strong>in</strong>gen.) laat dit zo mogelijk <strong>in</strong> de groepsles doen.<br />

De cursisten vullen op het praktijkformulier <strong>in</strong> wat ze een leuke activiteit v<strong>in</strong>den en wie ze gaan bellen.<br />

laat de cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) op het formulier opschrijven waar (bijvoorbeeld op<br />

school), wanneer en met wie ze de opdracht gaan uitvoeren en wat ze bijvoorbeeld nodig hebben of<br />

moeten voorbereiden (telefoonnummer, pen en papier).<br />

Bij ‘welke woorden en z<strong>in</strong>nen’ kunnen ze noteren hoe ze het telefoongesprek gaan beg<strong>in</strong>nen<br />

(Goedemorgen, u spreekt met ……, mag ik iets vragen over…?) en afsluiten (Bedankt!). laat elk groepje<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

15<br />

THEMA 6


samen enkele vragen bedenken waar ze graag antwoord op willen. Deze noteren ze alvast <strong>in</strong> het<br />

schema op het praktijkformulier. De cursist die het telefoongesprek voert, noteert kort de antwoorden,<br />

of hij herhaalt hardop wat tegen hem/haar gezegd wordt, zodat de anderen het kunnen opschrijven.<br />

leg deze mogelijkheid uit aan uw cursisten en doe het zonodig voor; je controleert dan meteen of je het<br />

goed verstaan en begrepen hebt!<br />

onder ‘uitvoeren’ (stap 2) kunnen de cursisten de antwoorden op hun vragen noteren.<br />

evalueer de praktijkopdracht de volgende les onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkformulier. wie<br />

heeft gebeld en wie heeft geluisterd? was de opdracht moeilijk of makkelijk? hoe verliep het gesprek?<br />

hebben ze goede vragen gesteld? Begrepen ze de antwoorden? hebben ze om herhal<strong>in</strong>g of uitleg<br />

gevraagd? hebben ze alle <strong>in</strong>formatie gekregen? laat cursisten van verschillende groepjes ervar<strong>in</strong>gen<br />

uitwisselen.<br />

De cursisten bewaren het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 5: gaan kijken bij een (sport-)activiteit<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> kle<strong>in</strong>e groepjes gaan kijken bij een (sport-)activiteit. Formeer groepjes met dezelfde<br />

<strong>in</strong>teresse. misschien zijn er cursisten die al actief zijn op een sportschool, zangkoor of kaartclub. Deze<br />

kunnen dan een paar anderen meenemen om eens te kijken. is dit niet het geval, dan zoekt elk groepje<br />

zelf (via familie of kennissen, <strong>in</strong> de gemeentegids, op <strong>in</strong>ternet, of naar aanleid<strong>in</strong>g van het bezoekje aan<br />

het buurthuis) een activiteit waar ze kunnen gaan kijken.<br />

laat de cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) op het formulier opschrijven wat ze gaan doen (welke<br />

club of activiteit), waar, wanneer en met wie ze de opdracht gaan uitvoeren en wat ze bijvoorbeeld<br />

moeten meenemen of voorbereiden. Ze schrijven de afspraak <strong>in</strong> hun agenda. Ze moeten ook uitzoeken<br />

wanneer ze er terecht kunnen en misschien zelfs even bellen om te vragen of ze een keer mogen kijken.<br />

Bij ‘welke woorden en z<strong>in</strong>nen’ kunnen ze bijvoorbeeld noteren hoe ze dat eventueel gaan vragen<br />

(mogen we even komen kijken?). ook moeten ze bedenken welke vragen ze ter plekke gaan stellen om<br />

het antwoord te krijgen op de vragen op het formulier.<br />

onder ‘uitvoeren’ (stap 2) kunnen de cursisten de gevonden <strong>in</strong>formatie <strong>in</strong>vullen.<br />

evalueer de praktijkopdracht de volgende les onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkformulier. was<br />

iedereen op tijd bij de afspraak? was de opdracht eng of juist leuk? Vonden ze de activiteit leuk of niet?<br />

waarom? Zou je het zelf willen gaan doen? wat heb je nodig voor deze hobby (bijvoorbeeld kled<strong>in</strong>g of<br />

attributen)?<br />

hebben de cursisten allemaal een vraag gesteld? Begrepen ze het antwoord? hebben ze om herhal<strong>in</strong>g<br />

of uitleg gevraagd? hebben ze goede <strong>in</strong>formatie gekregen? eén cursist van elk groepje brengt aan de<br />

klas verslag uit van het bezoek. De anderen helpen en vullen aan.<br />

De cursisten bewaren het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

16<br />

THEMA 6


terUgkijken<br />

<strong>in</strong> deze fase kijkt u met de cursisten terug op thema 6. wat hebben ze geleerd? hoe zijn de<br />

praktijkopdrachten gegaan? houd een groepsgesprek.<br />

Kopieer werkblad 6.9 (het evaluatieformulier). laat de cursisten <strong>in</strong>dividueel aankruisen <strong>in</strong> de tweede en<br />

derde kolom wat voor hen van toepass<strong>in</strong>g is. Bespreek wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld en waarom. controleer<br />

door middel van een aantal vragen ‘steekproefsgewijs’ of het klopt wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld.<br />

Gebruik hiervoor bijvoorbeeld nogmaals de kaartjes van de knipbladen waarover u een vraag stelt, of<br />

stel nog wat vragen over de stamboom. laat nog eens kort navertellen wat mensen doen met Kerst,<br />

s<strong>in</strong>terklaas en suikerfeest.u kunt hierbij ook de woordenlijst gebruiken. welke woorden horen bij hobby,<br />

etc. of: vertel aan elkaar wat …. betekent, etc.<br />

laat zo alle doelen uit de eerste kolom nog eens de revue passeren. Kennen/kunnen ze het <strong>in</strong>derdaad?<br />

Verwerken<br />

<strong>in</strong> de laatste kolom van werkblad 6.9 kunt u tips laten noteren, bijvoorbeeld: luister nog eens naar de<br />

gesprekjes op de computer. herhaal ‘oefenen met taal’ of ‘woorden leren’ op de computer. lees nog<br />

eens de werkbladen, etc.<br />

cursisten kunnen natuurlijk ook zelf d<strong>in</strong>gen bedenken die ze anders, beter, of juist hetzelfde gaan doen<br />

bij het volgende thema.<br />

De cursisten bewaren het formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 6 - FeestDaGen en VriJe tiJD<br />

17<br />

THEMA 6


<strong>lesvoorbereid<strong>in</strong>g</strong><br />

thema 7 De Basisschool


Waar gaat het over?<br />

Dit thema gaat over de basisschool en het belang van de betrokkenheid van ouders bij de school en de<br />

ontwikkel<strong>in</strong>g van hun k<strong>in</strong>d.<br />

doelen<br />

De cursist kan met zijn of haar k<strong>in</strong>d praten over school.<br />

De cursist kan de taalontwikkel<strong>in</strong>g van zijn/haar k<strong>in</strong>d stimuleren.<br />

subdoelen<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

De cursist kent een aantal schoolvakken en schoolvaardigheden.<br />

De cursist weet wat hij/zij moeilijk of makkelijk v<strong>in</strong>dt op school (lezen, spreken, luisteren, spreken).<br />

De cursist kan vragen wat iemand (klasgenoot/eigen k<strong>in</strong>d) makkelijk of moeilijk v<strong>in</strong>dt en leuk of<br />

niet leuk.<br />

De cursist weet hoeveel en welke groepen een basisschool heeft en <strong>in</strong> welke groep het eigen k<strong>in</strong>d<br />

zit (<strong>in</strong>dien van toepass<strong>in</strong>g).<br />

De cursist kan eenvoudige verhaaltjes voorlezen.<br />

De cursist kan een voorleesboekje zoeken voor het eigen k<strong>in</strong>d.<br />

De cursist weet wat de cijfers en opmerk<strong>in</strong>gen op het rapport van hun k<strong>in</strong>d betekenen.<br />

De cursist kan zijn/haar k<strong>in</strong>d telefonisch afmelden bij de basisschool.<br />

De cursist kan een eenvoudig gesprek voeren met de leerkrachten van zijn/haar k<strong>in</strong>deren.<br />

aandachtspunten<br />

sommige cursisten hebben al veel ervar<strong>in</strong>g met zaken die met de school van hun k<strong>in</strong>d te maken hebben.<br />

Voor andere cursisten kan het goed zijn hiervan op de hoogte te raken. Bij de oGo-cP’s <strong>in</strong> thuis <strong>in</strong><br />

nederlands zal dieper op het thema worden <strong>in</strong>gegaan.<br />

een aantal zaken komt <strong>in</strong> ‘Klaar voor de start’ niet expliciet aan de orde; schoolreisjes, rt,<br />

ouderavonden, sportdagen, ouderbijdrage, cito-toetsen, buitenschoolse opvang, etc. het kan zijn dat<br />

cursisten deze d<strong>in</strong>gen wel ter sprake brengen of hier vragen over hebben. u kunt er op dat moment op<br />

<strong>in</strong>gaan.<br />

Benadruk vooral hoe belangrijk het <strong>in</strong> nederland is dat de ouders actief bij de basisschool betrokken zijn.<br />

Dit is <strong>in</strong> het land van herkomst vaak veel m<strong>in</strong>der het geval.<br />

ook het op tijd brengen en ophalen van k<strong>in</strong>deren is een aandachtspunt: afwezigheid of te laat komen<br />

moet altijd doorgegeven worden.<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

2<br />

THEMA 7


thema 7 de basisschool<br />

doel van het thema: De cursist kan met zijn k<strong>in</strong>d praten over school. De cursist kan de taalontwikkel<strong>in</strong>g van zijn k<strong>in</strong>d stimuleren<br />

onderwerpen subdoelen materiaal Kns<br />

schoolvakken<br />

• De cursist kent een aantal schoolvakken en schoolvaardigheden.<br />

Film: de basisschool<br />

thema 8 onderwijs en<br />

leren<br />

• De cursist weet wat hij moeilijk of makkelijk v<strong>in</strong>dt op school (lezen, spreken, e-learn<strong>in</strong>g<br />

opvoed<strong>in</strong>g<br />

op de basisschool van luisteren, spreken)<br />

werkbladen: 7.0, 7.1, 7.2, 7.3, 7.4, Bijv 8.2.2<br />

het eigen k<strong>in</strong>d<br />

• De cursist kan vragen wat iemand (klasgenoot / eigen k<strong>in</strong>d) makkelijk of 7.5, 7.6, 7.7, 7.8, 7.9, 7.10<br />

weet dat scholen<br />

Voorlezen<br />

moeilijk v<strong>in</strong>dt en leuk of niet leuk.<br />

Knipbladen: 7.1, 7.2, 7.3<br />

betrokkenheid van de<br />

• De cursist weet hoeveel en welke groepen een basisschool heeft en <strong>in</strong> welke Formulieren praktijkopdracht ouders verwachten: overlegt<br />

groep het eigen k<strong>in</strong>d zit (<strong>in</strong>dien van toepass<strong>in</strong>g).<br />

wit en gekleurd (beetje stevig) met de leerkracht over<br />

• De cursist kan eenvoudige verhaaltjes voorlezen.<br />

papier<br />

de vorder<strong>in</strong>gen van het<br />

• De cursist kan een voorleesboekje zoeken voor het eigen k<strong>in</strong>d.<br />

Voorleesboekjes<br />

k<strong>in</strong>d / reageert daar waar<br />

• De cursist weet wat de cijfers en opmerk<strong>in</strong>gen op het rapport van hun k<strong>in</strong>d Belletje of kookwekker<br />

ouderbetrokkenheid wordt<br />

betekenen.<br />

verwacht [correspondentie,<br />

• De cursist kan zijn / haar k<strong>in</strong>d telefonisch afmelden bij de basisschool.<br />

vrijwilliger zijn]<br />

• De cursist kan een eenvoudig gesprek met de leerkrachten van zijn k<strong>in</strong>deren<br />

voeren<br />

oriënteren voorbereiden uitvoeren terugkijken verwerken<br />

Film<br />

De basisschool<br />

1. een brief van de basisschool Gebruik Gebruik<br />

Kijkvragen<br />

• hoe v<strong>in</strong>d jij het op school? (klassikaal, duo’s)<br />

2. Vraag het aan de leerkracht maken van maken van<br />

Groepsgesprek<br />

• wat doen k<strong>in</strong>deren op de basisschool <strong>in</strong> nederland? (klassikaal, groepswerk) 3. naar de bibliotheek<br />

werkblad werkblad<br />

• welk vak v<strong>in</strong>d je leuk? (<strong>in</strong>dividueel, duo’s)<br />

4. Koop een boekje<br />

7.10 7.10<br />

• <strong>in</strong> welke groep zit jouw k<strong>in</strong>d? (klassikaal, <strong>in</strong>dividueel)<br />

Knipbladen woorden-<br />

• het zomerfeest (klassikaal, <strong>in</strong>dividueel)<br />

schrift<br />

het rapport<br />

tips?<br />

• het rapport 2 x (klassikaal, <strong>in</strong>dividueel)<br />

• het rapport van Badria (duo’s)<br />

Voorlezen<br />

• De juf / meester leest voor… (klassikaal)<br />

• waarom is voorlezen zo belangrijk? (klassikaal, groepswerk)<br />

• Dat is een leuk boek! (duo’s)<br />

• leuk voorlezen (klassikaal)<br />

• lees elkaar voor (groepswerk)<br />

• hoe v<strong>in</strong>d ik leuke boeken? (klassikaal, duo’s)<br />

• Zoeken op <strong>in</strong>ternet: wat is er te doen <strong>in</strong> de bibliotheek? (duo’s klassikaal)<br />

• Vertel het verhaal na (groepswerk)<br />

afmelden<br />

• Je k<strong>in</strong>d telefonisch afmelden op school (klassikaal, duo’s)<br />

• Bel naar de school van je k<strong>in</strong>d (duo’s)<br />

• een briefje voor de leerkracht (<strong>in</strong>dividueel, duo’s)<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

3<br />

THEMA 7


Oriënteren<br />

de film<br />

Vertel uw cursisten dat Badria’s juf van de basisschool vandaag gaat praten met tarik en Zoera.<br />

Korte <strong>in</strong>houd van de film:<br />

Badria is zenuwachtig; haar juf van de basisschool komt op huisbezoek. Zoera zorgt dat het huis extra<br />

netjes is. tarik wil mopperend weggaan (v<strong>in</strong>dt het vrouwenzaken). maar juist als hij de buitendeur opent,<br />

staat hij oog <strong>in</strong> oog met de juf. Deze is blij verrast dat ze Badria’s vader ontmoet en betrekt hem meteen<br />

bij het gesprek. nu kan tarik er niet meer onderuit. en nu ze hem toch spreekt; wil hij helpen bij de<br />

organisatie van de sportdag?<br />

nB.:Vertel deze <strong>in</strong>houd niet aan uw cursisten. Daarmee geeft u de ‘clou’ weg.<br />

Deel werkblad 7.0 uit. hierop staan kijkvragen voor drie rondes filmkijken.<br />

lees voor elke kijkronde eerst samen de vragen en de mogelijke antwoorden.<br />

Bespreek de antwoorden na voordat u de film nogmaals zien.<br />

aansluitend kunt u <strong>in</strong> een groepsgesprek <strong>in</strong>gaan op de eigen ervar<strong>in</strong>gen van cursisten:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

heb jij zelf op een basisschool gezeten?<br />

hoeveel jaar heb je daar gezeten?<br />

Zaten er meisjes en jongens <strong>in</strong> de klas?<br />

hoeveel k<strong>in</strong>deren zaten er <strong>in</strong> de klas?<br />

hoe zag het lokaal eruit?<br />

moest je speciale kleren aan?<br />

was er een juf of een meester?<br />

was hij/zij aardig?<br />

Kregen de k<strong>in</strong>deren wel eens straf? welke?<br />

welke vakken kreeg je op school?<br />

wat vond je leuk op school? wat niet?<br />

maak vervolgens de stap naar de basisschool <strong>in</strong> nederland:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

heb jij k<strong>in</strong>deren op de basisschool?<br />

Breng jij je k<strong>in</strong>deren naar school?<br />

Praat je wel eens met de juf/meester?<br />

help je op de school van je k<strong>in</strong>d? waarmee?<br />

welke vakken hebben jouw k<strong>in</strong>deren op school?<br />

V<strong>in</strong>d je de school goed? waarom (niet)?<br />

etc.<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

4<br />

THEMA 7


VOOrbereiden<br />

de basisschool<br />

hoe v<strong>in</strong>dt u het op school? (klassikaal/duo’s)<br />

Bij de film heeft u met uw cursisten gesproken over hun vroegere schoolervar<strong>in</strong>gen. Deze oefen<strong>in</strong>g gaat<br />

over hoe zij het ervaren om als volwassene nu opnieuw naar school te gaan. hiertoe gaan de cursisten<br />

elkaar <strong>in</strong>terviewen. Kopieer voor uw cursisten werkblad 7.1. hierop staan de vragen die zij elkaar<br />

moeten stellen. het is leuk als u duo’s formeert van twee cursisten die elkaar nog niet zo goed kennen.<br />

lees eerst de vragen hardop voor (met de keuzemogelijkheden) en laat uw cursisten ze nazeggen. let op<br />

uitspraak en <strong>in</strong>tonatie. Bespreek de moeilijke woorden.<br />

cursist a stelt de vragen aan cursist B. op het werkblad omcirkelt cursist a dus het antwoord van cursist<br />

B. er mogen meerdere woorden per vraag worden omcirkeld. hierna wisselen van rol.<br />

Zijn alle vragen gesteld en beantwoord? laat elke cursist dan een kort verslag uitbrengen over zijn/haar<br />

gesprekspartner: ‘sara v<strong>in</strong>dt de school leuk. Ze v<strong>in</strong>dt werken op de computer moeilijk’, etc.<br />

als u de vragen ook op het bord schrijft, met daarachter twee kolommen Ja en nee, kunt u de<br />

antwoorden turven.<br />

Bespreek samen globaal de antwoorden: zijn er opvallende gemeenschappelijke uitkomsten? Doe hier<br />

uw voordeel mee <strong>in</strong> uw komende lessen.<br />

het werkblad bewaren de cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

Wat doen k<strong>in</strong>deren op de basisschool <strong>in</strong> nederland? (klassikaal/groepswerk)<br />

<strong>in</strong> het gesprek naar aanleid<strong>in</strong>g van de film heeft u het waarschijnlijk al over schoolvakken gehad. Kom<br />

hier op terug. welke schoolvakken kennen de cursisten al?<br />

Vertel dat ze gaan oefenen met de schoolvakken. Kopieer knipblad 7.1 op wit papier en knipblad<br />

7.2 op gekleurd papier. Knip de kaartjes los. Doe dit zo vaak als u groepjes van drie of vier cursisten<br />

heeft. elk groepje krijgt een stapeltje witte en een stapeltje gekleurde kaartjes. laat elk groepje samen<br />

uitzoeken welk plaatje bij welk woord past. hiervoor laat u de cursisten om de beurt een gekleurd<br />

woordkaartje pakken en daar een plaatje bij zoeken. moeilijke of onbekende vakken leggen ze even<br />

opzij; die blijven vanzelf over. De kaartjes liggen nu <strong>in</strong> bij elkaar passende paren op tafel.<br />

laat ter controle één cursist van elk groepje bij een ander groepje gaan kijken. liggen de kaartjes daar<br />

hetzelfde?<br />

laat vervolgens de kaartjes waar de woorden op staan omdraaien. De woorden zijn nu niet meer<br />

zichtbaar. schrijf op het bord de vraag: ‘welk vak is dit?’<br />

De eerste cursist van elk groepje wijst een plaatje aan en vraagt aan de tweede cursist: ‘welk vak is dit?’<br />

De tweede cursist antwoordt volgens het plaatje: ‘rekenen’. het woordkaartje naast het plaatje wordt nu<br />

omgedraaid om te controleren of het antwoord goed is. Vervolgens wijst de tweede cursist een plaatje<br />

aan en vraagt aan de derde cursist: ‘welk vak is dit?’ Zo gaat de beurt rond.<br />

Wat hoort bij welk vak? (<strong>in</strong>dividueel/duo’s)<br />

Voor een beter begrip van wat de schoolvakken ongeveer (kunnen) <strong>in</strong>houden is dit een geschikte<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

5<br />

THEMA 7


oefen<strong>in</strong>g. Kopieer werkblad 7.2. leg uit wat de bedoel<strong>in</strong>g is: de cursisten moeten steeds een activiteit<br />

en een vak comb<strong>in</strong>eren. Geef een voorbeeld. laat de cursisten het blad zelfstandig maken. loop rond<br />

en geef extra uitleg waar nodig. na afloop controleren de cursisten <strong>in</strong> tweetallen of hun antwoorden<br />

kloppen.<br />

het werkblad doen de cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

Welk vak v<strong>in</strong>d je leuk? (<strong>in</strong>dividueel/duo’s)<br />

Voor deze oefen<strong>in</strong>g heeft u opnieuw de kaartjes van knipblad 7.1 nodig.<br />

laat uw cursisten een kaartje uitkiezen van een vak dat ze leuk v<strong>in</strong>den/vonden of dat leuk lijkt. als twee<br />

cursisten hetzelfde kaartje willen, leggen ze het tussen hen <strong>in</strong>. Vraag aan al uw cursisten wat ze hebben<br />

gekozen en waarom. Bespreek samen:<br />

- welk vak v<strong>in</strong>d je leuk?<br />

- waarom?<br />

- welk vak v<strong>in</strong>d je makkelijk?<br />

Vervolgens kunt de cursisten ook nog een kaartje laten kiezen van iets wat ze niet leuk of moeilijk<br />

v<strong>in</strong>den. Vraag ook nu weer naar het waarom van die keuze.<br />

<strong>in</strong> welke groep zit jouw k<strong>in</strong>d? (klassikaal/<strong>in</strong>dividueel)<br />

Ga met uw cursisten <strong>in</strong> een kr<strong>in</strong>g zitten en houd een ‘kr<strong>in</strong>ggesprek’ net als k<strong>in</strong>deren op de basisschool.<br />

leg uit wat een kr<strong>in</strong>ggesprek op de basisschool is en waar dan zoal over gepraat wordt (eigen<br />

ervar<strong>in</strong>gen rond een bepaald thema, het weekend, de vakantie). wie heeft dit wel eens gezien <strong>in</strong> de klas<br />

van zijn/haar k<strong>in</strong>d?<br />

Kom nu even terug op de film. hoe oud is Badria? <strong>in</strong> welke groep zit zij denk je?<br />

houd een kr<strong>in</strong>ggesprek over de opbouw van de basisschool <strong>in</strong> nederland:<br />

- op welke leeftijd gaan k<strong>in</strong>deren hier naar de basisschool? (4)<br />

- welke groepen zijn er? (1 t/m 8)<br />

- hebben de cursisten wel eens gehoord van de onder-, midden- en bovenbouw?<br />

- welke groepen passen daarbij? (resp. 1/2, 3/4/5, 6/7/8)<br />

- hoe noem je k<strong>in</strong>deren van 4-6 jaar? (kleuters)<br />

- wat leren k<strong>in</strong>deren <strong>in</strong> de onderbouw allemaal?<br />

- waarom is dat zo belangrijk?<br />

- <strong>in</strong> welke groep leren k<strong>in</strong>deren lezen denk je?<br />

- etc.<br />

Vraag vervolgens aan al uw cursisten (waarvan u weet dat ze k<strong>in</strong>deren hebben):<br />

- heb je k<strong>in</strong>deren?<br />

- Zoon(s) en/of dochter(s)?<br />

- hoe oud is hij/zij?<br />

- <strong>in</strong> welke groep zit hij of zij?<br />

-<br />

hoe heet de juf of meester van je k<strong>in</strong>d?<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

6<br />

THEMA 7


het zomerfeest (klassikaal/<strong>in</strong>dividueel)<br />

laat uw cursisten aansluitend op het kr<strong>in</strong>ggesprek werkblad 7.3. <strong>in</strong>vullen. Dit is een brief met<br />

<strong>in</strong>schrijfformulier voor het zomerfeest van de school. lees eerst samen het formulier door en bespreek<br />

eventuele moeilijke woorden.<br />

stel enkele vragen over het formulier:<br />

- waar gaat deze brief over?<br />

- wanneer/waar/voor wie is het feest?<br />

- wat gebeurt er op zo’n feest?<br />

- wat moet je allemaal <strong>in</strong>vullen?<br />

- waarmee kun je als ouder helpen?<br />

- heb je op de school van je k<strong>in</strong>d wel eens een feest meegemaakt?<br />

- heb je toen ook meegeholpen?<br />

De cursisten moeten nu <strong>in</strong>dividueel hun k<strong>in</strong>d ‘opgeven’ en <strong>in</strong>vullen op welke manier ze zelf een actieve<br />

bijdrage gaan leveren. nB.: De cursisten vullen de gegevens van hun eigen k<strong>in</strong>d <strong>in</strong>!<br />

cursisten zonder k<strong>in</strong>deren kunnen de vragen misschien beantwoorden over een k<strong>in</strong>d van familie of<br />

vrienden. loop rond en assisteer <strong>in</strong>dien nodig.<br />

nB: u kunt deze oefen<strong>in</strong>g ook als huiswerk meegeven. cursisten kunnen thuis dan eventueel nog<br />

gegevens opzoeken. Kom <strong>in</strong> dat geval de volgende les er wel op terug en controleer samen of alles goed<br />

is <strong>in</strong>gevuld.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht ‘een brief van de basisschool’<br />

Doe nu Praktijkopdracht 1 van thema 7: ‘een brief van de basisschool’. Deze v<strong>in</strong>dt u onder ‘uitvoeren’.<br />

het rapport<br />

het rapport (klassikaal)<br />

Vraag uw cursisten of hun k<strong>in</strong>deren op school wel eens een rapport krijgen. schrijf het woord raPPort<br />

op het bord.<br />

houd een groepsgesprek waar<strong>in</strong> u <strong>in</strong> elk geval de onderstaande vragen bespreekt. noteer bij elke<br />

vraag die u aan uw groep stelt, het antwoord kort op het bord. trek hiervoor vanuit het woord<br />

raPPort steeds een lijn en schrijf het antwoord of de kernwoorden erbij. op deze manier ontstaat een<br />

woordsp<strong>in</strong>. schrijf vooral nieuwe woorden op en leg ze uit.<br />

waarvoor is een rapport? (er staat op of het goed gaat met je k<strong>in</strong>d op school)<br />

hoe vaak krijgen k<strong>in</strong>deren op de basisschool een rapport? (drie keer per jaar)<br />

staan er cijfers, letters of woorden op het rapport? (kan allebei, verschilt per school)<br />

wat betekenen de cijfers 1 t/m 10 op een rapport <strong>in</strong> nederland?<br />

welke woorden zie je vaak op een rapport (slecht, onvoldoende, voldoende, goed, uitstekend)<br />

wat betekenen die woorden (<strong>in</strong> cijfers)? (resp. 1 t/m 3, 4/5, 6/7, 8, 9/10)<br />

wordt er alleen gekeken naar de vakken? (nee, ook naar gedrag)<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

7<br />

THEMA 7


Krijgen jouw k<strong>in</strong>deren ook een rapport? V<strong>in</strong>d je dat moeilijk te begrijpen?<br />

Kreeg je zelf vroeger een rapport? met cijfers of woorden?<br />

waarom moeten de ouders een handteken<strong>in</strong>g op het rapport zetten?<br />

waarom is er altijd een gesprek met de juf of meester over het rapport?<br />

………<br />

het rapport (klassikaal/<strong>in</strong>dividueel)<br />

De woorden uit het groepsgesprek komen terug <strong>in</strong> de volgende oefen<strong>in</strong>g.<br />

Zeg de z<strong>in</strong>nen voor en laat de cursisten ze samen nazeggen:<br />

1. mijn k<strong>in</strong>d zit <strong>in</strong> groep vier.<br />

2. hoe gaat het met mijn k<strong>in</strong>d?<br />

3. Dat staat <strong>in</strong> het rapport.<br />

4. Je krijgt het drie keer per jaar.<br />

5. achter de vakken staan cijfers of letters.<br />

6. ik zet mijn handteken<strong>in</strong>g op het rapport.<br />

7. Daarna komt een gesprek.<br />

8. ik praat met de leerkracht over mijn k<strong>in</strong>d.<br />

herhaal dit met elke z<strong>in</strong> een paar keer. let op een duidelijke uitspraak en op <strong>in</strong>tonatie. Geef ook<br />

<strong>in</strong>dividuele cursisten de beurt.<br />

Vervolgens zegt u elke z<strong>in</strong> nog een keer en laat u de cursisten het aantal woorden tellen. ‘hoeveel<br />

woorden hoor je?’<br />

ter controle schrijft u de z<strong>in</strong>nen op het bord en het juiste aantal woorden erachter.<br />

het rapport van badria (duo’s)<br />

Kopieer voor uw cursisten werkblad 7.4. Dit is (een gedeelte van) het rapport van Badria. <strong>in</strong> de film praat<br />

Badria met de juf over wat ze makkelijk en moeilijk v<strong>in</strong>dt op school. De cursisten zien dit terug <strong>in</strong> het<br />

rapport. het is een rapport met een zgn. ‘bolletjessysteem’ dat vaak gebruikt wordt. elk bolletje heeft<br />

een betekenis die boven aan de bladzijde staat aangegeven. wijs uw cursisten daarop en controleer of<br />

iedereen het begrijpt. leg uit wat de kolom ‘opmerk<strong>in</strong>gen’ <strong>in</strong>houdt. stel enkele vragen over het rapport:<br />

- Van wie is dit rapport?<br />

- <strong>in</strong> welke groep zit ze?<br />

- hoe heet de juf?<br />

- welke vakken zie je op het rapport?<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> tweetallen het rapport bekijken en de vragen beantwoorden.<br />

loop rond en help waar nodig. Bespreek eventuele problemen klassikaal.<br />

De cursisten bewaren het blad <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

8<br />

THEMA 7


voorleZen<br />

de juf/meester leest voor… (klassikaal)<br />

<strong>in</strong>troduceer dit subthema door een leuk verhaal voor te lezen aan uw cursisten. Ga hiervoor samen<br />

<strong>in</strong> een grote kr<strong>in</strong>g zitten (alleen stoelen) of zet uw stoel voor de klas, zodat u de plaatjes kunt laten<br />

zien. Kies bijvoorbeeld een verhaaltje van Jip en Janneke dat aansluit bij het seizoen of een actuele<br />

feestdag, of neem een grappig prentenboek, waarvan u denkt dat uw cursisten het zullen waarderen.<br />

lees het verhaal voor alsof u het aan k<strong>in</strong>deren zou voorlezen: spannend en levendig, met gebaren,<br />

stemwissel<strong>in</strong>gen, gezichtuitdrukk<strong>in</strong>gen etc. laat eerst de kaft van het boek zien, vraag waar ze denken<br />

dat het over gaat. noem de titel. maak gebruik van de plaatjes: laat ze zien en stel er vragen over.<br />

stel ook vragen over moeilijke woorden (wat is dat, een neushoorn?). stel na afloop vragen over het<br />

verhaaltje om te kijken of iedereen het (<strong>in</strong> grote lijnen) heeft begrepen.<br />

Waarom is voorlezen zo belangrijk? (klassikaal/groepswerk)<br />

naar aanleid<strong>in</strong>g van het voorlezen door uzelf bespreekt u met uw cursisten de volgende onderwerpen:<br />

- op de basisschool wordt – <strong>in</strong> alle klassen - vaak voorgelezen door de leerkracht. Vertelt je k<strong>in</strong>d<br />

hier wel eens over thuis?<br />

- werd jij vroeger voorgelezen? Door wie?<br />

- werden er verhalen verteld? Door wie?<br />

- wie vertelt zijn/haar k<strong>in</strong>d wel eens een verhaal? <strong>in</strong> welke taal?<br />

- wie leest zijn/haar k<strong>in</strong>deren wel eens voor? waarom wel/niet?<br />

- wanneer gebeurt dat dan?<br />

- waar lees je voor?<br />

- V<strong>in</strong>dt je k<strong>in</strong>d het leuk?<br />

- V<strong>in</strong>d je het zelf leuk om te doen?<br />

- welke boekjes lees je voor?<br />

- moet je stoppen met voorlezen als je k<strong>in</strong>d zelf kan lezen? (nee)<br />

Ga vervolgens <strong>in</strong> op het belang van voorlezen voor k<strong>in</strong>deren. Verwijs naar het rapport van Badria: daar<strong>in</strong><br />

stond de tip: ‘Voorlezen is goed voor de taal van Badria.’<br />

’schrijf op het bord: VoorleZen is GoeD. laat uw cursisten <strong>in</strong> groepjes van drie of vier enkele redenen<br />

bedenken waarom dit zo is. (bijvoorbeeld: het is leuk, het is gezellig, je maakt tijd voor je k<strong>in</strong>d, je k<strong>in</strong>d<br />

leert nieuwe woorden, hij/zij leert beter nederlands verstaan en spreken, je k<strong>in</strong>d krijgt <strong>in</strong>teresse voor<br />

boeken, gaat later zelf lezen, etc.) Vraag na enkele m<strong>in</strong>uten aan een cursist van elk groepje wat ze<br />

samen hebben bedacht. schrijf alle redenen waar uw cursisten mee komen onder de z<strong>in</strong> op het bord.<br />

Vul de lijst zelf eventueel nog aan.<br />

Vertel dat k<strong>in</strong>deren die veel worden voorgelezen of samen met hun ouders <strong>in</strong> prentenboekjes kijken,<br />

later op school vaak betere resultaten halen. Dat is ook een reden waarom we er <strong>in</strong> deze lessen<br />

aandacht aan besteden. Bovendien zullen uw cursisten zelf ook veel opsteken van het voorlezen, vooral<br />

op het gebied van woordenschat en z<strong>in</strong>sbouw.<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

9<br />

THEMA 7


dat is een leuk boek! (duo’s)<br />

<strong>in</strong> deze oefen<strong>in</strong>g gaan uw cursisten verschillende (prenten-)boekjes bekijken aan de hand van de vragen<br />

op werkblad 7.5.<br />

neem zelf een aantal boekjes mee voor k<strong>in</strong>deren van verschillende leeftijden, bijvoorbeeld een plastic<br />

‘badboekje’ of kartonboekje voor baby’s, prentenboekjes voor peuters en kleuters (max Velthuis, eric<br />

carle, Dick Bruna etc.) boekjes met verhaaltjes, boekjes voor beg<strong>in</strong>nende lezers (bijvoorbeeld aVi–niveau<br />

1 en 2), boeken voor wat oudere k<strong>in</strong>deren (annie m.G. schmidt, roald Dahl), etc.<br />

Vraag ook aan uw cursisten of ze een boekje van hun eigen k<strong>in</strong>deren mee willen nemen. laat ze <strong>in</strong> hun<br />

agenda noteren voor welke les ze dit bij zich moeten hebben.<br />

Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> tweetallen. leg alle meegebrachte boekjes op een tafel. elk tweetal kiest een<br />

boekje uit de meegebrachte exemplaren. aan de hand van de vragen op het werkblad bekijken ze ‘hun’<br />

boekje.<br />

laat na afloop elk duo met behulp van het werkblad kort iets over het boekje van hun keuze vertellen.<br />

het werkblad bewaren de cursisten <strong>in</strong> hun map.<br />

nB: u kunt deze oefen<strong>in</strong>g gemakkelijk herhalen; geef elk duo opnieuw een leeg werkblad en laat een<br />

ander boekje kiezen.<br />

leuk voorlezen (klassikaal)<br />

Voorlezen moet op een leuke manier gebeuren. een goede <strong>in</strong>tonatie en een juist volume en tempo,<br />

zijn heel bepalend. om uw cursisten het verschil te laten ervaren tussen verschillende manieren van<br />

voorlezen, kunt u deze oefen<strong>in</strong>g doen.<br />

schrijf op het bord enkele z<strong>in</strong>nen, bijvoorbeeld:<br />

‘er was eens een heel kle<strong>in</strong> huisje <strong>in</strong> een heel groot bos. en <strong>in</strong> dat huisje woonde een arme man met zijn<br />

tien k<strong>in</strong>deren.’<br />

lees de z<strong>in</strong> eerst een keer heel zachtjes voor, zodat het bijna onverstaanbaar is. Vraag uw cursisten wat<br />

ze ervan v<strong>in</strong>den.<br />

lees deze z<strong>in</strong> vervolgens een keer langzaam en oersaai voor, alles op één toon. Vraag aan uw cursisten<br />

of ze het leuk v<strong>in</strong>den.<br />

lees de z<strong>in</strong> nog eens, maar nu heel snel. wat v<strong>in</strong>den de cursisten hiervan?<br />

lees de z<strong>in</strong> tenslotte heel spannend voor, niet te snel en goed verstaanbaar. maak gebaren bij de<br />

woorden kle<strong>in</strong> en groot, kijk triest bij ‘arme man’.<br />

schrijf nu een paar korte z<strong>in</strong>nen op het bord voor uw cursisten, bijvoorbeeld:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

De koffie is op.<br />

wil je thee?<br />

hier is je boek.<br />

is deze tas van jou?<br />

mag ik alsjeblieft hier zitten?<br />

Vraag aan uw cursisten of ze de eerste z<strong>in</strong> kunnen zeggen op verschillende manieren: vriendelijk,<br />

verontschuldigend (sorry….), geïrriteerd, boos, bang, etc. laat verschillende cursisten het proberen.<br />

Geef feedback op <strong>in</strong>tonatie, en op houd<strong>in</strong>g/gezichtsuitdrukk<strong>in</strong>g. Doe het ook zelf voor en overdrijf<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

10<br />

THEMA 7


hierbij fl<strong>in</strong>k. herhaal dit met de andere z<strong>in</strong>nen. merken cursisten dat de manier waarop je iets zegt veel<br />

bijdraagt aan de begrijpelijkheid?<br />

lees elkaar voor (groepswerk)<br />

Voor deze oefen<strong>in</strong>g heeft u weer een aantal eenvoudige voorleesboekjes (prentenboekjes) nodig en<br />

een belletje of kookwekker. Vertel de cursisten dat ze gaan oefenen met voorlezen, zodat ze dat thuis<br />

ook voor hun (kle<strong>in</strong>-) k<strong>in</strong>deren (of die van familie of vrienden) kunnen doen.<br />

eerst <strong>in</strong>ventariseert u samen een aantal tips op het bord. wat is belangrijk bij het voorlezen?<br />

- Probeer ‘leuk’ te lezen, dus niet alles op één toon. (Doe dit vóór en laat ook (overdreven) horen<br />

hoe het niet moet.)<br />

- Praat duidelijk.<br />

- laat de kaft zien.<br />

- Vertel de titel.<br />

- laat de plaatjes zien.<br />

- Kijk je luisteraars af en toe aan.<br />

- stel vragen aan je luisteraars, bijvoorbeeld over de plaatjes (‘wat zegt het schaap?’)<br />

- stel vragen over moeilijke woorden.<br />

Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> groepjes van drie of vier personen. elk groepje kiest één of meer boekjes<br />

(afhankelijk van het soort boekje en de moeilijkheidsgraad ervan). De eerste cursist van elk groepje<br />

beg<strong>in</strong>t met voorlezen. De andere cursisten zijn ‘de k<strong>in</strong>deren’. na enkele m<strong>in</strong>uten geeft ‘de voorlezer’ op<br />

uw teken (een belletje of iets dergelijks) het boek door aan de volgende cursist. Deze gaat nu verder met<br />

voorlezen waar de vorige cursist is gebleven. Zo gaat de beurt rond.<br />

loop zelf rond en luister mee <strong>in</strong> de verschillende groepjes.<br />

laat een cursist die heel leuk voorleest voor de hele groep iets voorlezen en benoem samen waarom hij<br />

of zij het zo goed doet, aan de hand van de tips op het bord.<br />

Bespreek hoe de cursisten het vonden om voor te lezen: moeilijk? eng? leuk?<br />

nB: Zie erop toe dat cursisten een simpel boekje kiezen, anders wordt het lezen zelf een worstel<strong>in</strong>g en<br />

komt er van ‘leuk voorlezen’ niets terecht.<br />

hoe v<strong>in</strong>d ik leuke boeken? (klassikaal/duo’s)<br />

Bespreek met uw cursisten verschillende mogelijkheden om aan geschikte boekjes te komen: (‘witte’)<br />

boekw<strong>in</strong>kel, warenhuis, bibliotheek, ruilen met andere ouders. wat is goedkoop? wat is duur? Ben je lid<br />

van de bibliotheek? en je k<strong>in</strong>d?<br />

aan wie kun je iets vragen <strong>in</strong> de bibliotheek of boekhandel als je niet weet wat een geschikt boek is<br />

voor je k<strong>in</strong>d? hoe vraag je dat dan?<br />

Kopieer werkblad 7.6. hierop staan enkele dialoogjes die uw cursisten kunnen gebruiken om advies te<br />

vragen bij het zoeken naar geschikte (voorlees)boekjes.<br />

laat <strong>in</strong> tweetallen de dialoogjes enkele keren oefenen. laat ook wisselen van rol.<br />

enkele duo’s kunnen het gesprekje voor de klas uitspelen. wie kan het zonder werkblad? mocht u<br />

beschikken over een praktijklokaal, dan is het leuk om deze oefen<strong>in</strong>g <strong>in</strong> een meer realistische sett<strong>in</strong>g te<br />

doen. u kunt ook <strong>in</strong> het lokaal een ‘w<strong>in</strong>keltje’ maken van een tafel met boekjes erop waar een verkoper<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

11<br />

THEMA 7


of bibliotheekmedewerker (uzelf of een cursist) achter staat.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map en kunnen het desgewenst raadplegen bij de<br />

praktijkopdrachten.<br />

praktijkopdrachten ‘vraag het aan de leerkracht’ en ‘Koop een boekje’<br />

Doe nu Praktijkopdracht 2 en/of 4 van thema 7: ‘Vraag het aan de leerkracht’ en ‘Koop een boekje’.<br />

Deze v<strong>in</strong>dt u onder ‘uitvoeren’.<br />

Zoeken op <strong>in</strong>ternet: Wat is er te doen <strong>in</strong> de bibliotheek? (duo’s/klassikaal)<br />

laat deze opdracht zo mogelijk <strong>in</strong> de groepsles doen, zodat u kunt assisteren bij het zoeken op <strong>in</strong>ternet.<br />

Bij het formeren van de duo’s kunt u een cursist die handig is op <strong>in</strong>ternet koppelen aan iemand die het<br />

nog moeilijk v<strong>in</strong>dt. laat de ‘zwakste’ cursist de computer bedienen en de ander aanwijz<strong>in</strong>gen geven. De<br />

gevonden gegevens noteren de cursisten op werkblad 7.7.<br />

uw cursisten moeten <strong>in</strong> tweetallen op <strong>in</strong>ternet het adres, telefoonnummer en andere relevante gegevens<br />

opzoeken van een bibliotheek <strong>in</strong> de buurt, bijvoorbeeld of – en zo ja wanneer – er wordt voorgelezen<br />

voor k<strong>in</strong>deren.<br />

Ze kunnen zoeken op de gemeentesite. een andere mogelijkheid is om op www.google.nl een<br />

kernwoord (‘bibliotheek’) en plaatsnaam <strong>in</strong> te typen. De vervolgstappen staan op het werkblad.<br />

Bespreek eerst samen het werkblad. leg moeilijke woorden uit. omdat elke bibliotheeksite weer anders<br />

is, is het raadzaam deze eerst zelf goed te bestuderen:<br />

- onder welk woord v<strong>in</strong>den uw cursisten de kosten (tarieven)?<br />

- onder welk woord v<strong>in</strong>den ze activiteiten? (nieuws, agenda, actueel, kids)?<br />

schrijf deze woorden op het bord, zodat uw cursisten weten waar ze moeten klikken.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht ‘naar de bibliotheek’<br />

Doe nu Praktijkopdracht 3 van thema 7: ‘naar de bibliotheek’. Deze v<strong>in</strong>dt u onder ‘uitvoeren’.<br />

vertel het verhaal na (groepswerk)<br />

niet alleen voorlezen is belangrijk, ook (uit het hoofd) een verhaaltje vertellen is leuk en voor sommige<br />

cursisten misschien ook makkelijker. Voor deze oefen<strong>in</strong>g heeft u een kort verhaal nodig met een<br />

duidelijke clou. Denk bijvoorbeeld aan een dierenfabel, een hodja-verhaal (eenvoudig te v<strong>in</strong>den op<br />

<strong>in</strong>ternet) of een verhaaltje dat u zelf bedenkt. maak groepjes van drie cursisten. cursist 1 van elk groepje<br />

blijft <strong>in</strong> de klas, de nummers 2 en 3 gaan even op de gang staan. nu vertelt u, <strong>in</strong> eenvoudige woorden,<br />

het verhaaltje aan de nummers 1. roep hierna de nummers 2 b<strong>in</strong>nen. nummer 1 vertelt het verhaaltje<br />

aan nummer 2. hierna mogen de nummers 3 b<strong>in</strong>nenkomen. nu vertelt nummer 2 het verhaal aan<br />

nummer 3. tenslotte vertelt nummer 3 het verhaaltje weer aan nummer 1 en 2. laat een ‘nummer 3’ het<br />

verhaaltje ook voor de hele groep navertellen.<br />

wat is er van het verhaal over gebleven? waar g<strong>in</strong>g het eventueel mis? was het moeilijk of makkelijk?<br />

Vertel tenslotte zelf het verhaal nog een keer.<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

12<br />

THEMA 7


afmelden<br />

uw k<strong>in</strong>d telefonisch afmelden op school (klassikaal/duo’s)<br />

Bespreek de volgende situatie met uw cursisten: uw k<strong>in</strong>d is ziek of moet naar de tandarts. hoe laat je<br />

dat weten aan de school? waarom is dat belangrijk?<br />

Vertel dat ze gaan oefenen met opbellen naar de school. Kopieer werkblad 7.8.<br />

Dit is een dialoogje waar<strong>in</strong> een ouder belt met de basisschool.<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> tweetallen de dialoog een paar keren spelen. als uw cursisten steeds een andere<br />

variant kiezen is het gesprek steeds een beetje verschillend. laat wisselen van rol. loop rond en geef<br />

feedback.<br />

laat enkele duo’s het gesprekje voor de groep uitspelen. een cursist is de ouder, de ander de conciërge<br />

van de basisschool. Zet hiervoor twee stoelen met de rug tegen elkaar en laat beide cursisten een<br />

telefoontje <strong>in</strong> de hand nemen. Gebruik als u daarover beschikt een teletra<strong>in</strong>er. uw cursisten mogen<br />

het werkblad erbij houden, maar kunnen het ook zonder proberen. Geef de andere cursisten<br />

luisteropdrachten:<br />

- wordt de telefoon goed opgenomen?<br />

- Zegt de ‘ouder’ zijn/haar achternaam?<br />

- en de naam van het k<strong>in</strong>d?<br />

- Praten ze duidelijk?<br />

- Komt de boodschap goed over?<br />

- wordt het gesprek goed afgesloten?<br />

laat uw cursisten elkaar op deze punten feedback geven.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

bel naar de school van je k<strong>in</strong>d (duo’s)<br />

Kopieer Knipblad 7.3 op stevig papier. Knip de kaarten uit. er zijn twee verschillende rollenspellen.<br />

Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> andere tweetallen dan bij de vorige oefen<strong>in</strong>g. Geef elk duo het setje kaarten van<br />

het eerste rollenspel. cursist a leest kaart a en cursist B leest B. is ieders rol duidelijk? Dan kunnen ze<br />

het telefoongesprekje voeren. wijs erop dat uw cursisten bij deze oefen<strong>in</strong>g hun eigen naam en die van<br />

hun eigen k<strong>in</strong>d mogen gebruiken! loop zelf rond en luister mee. Geef zonodig tips.<br />

laat enkele duo’s het voor de hele groep doen. laat de andere cursisten feedback geven volgens<br />

dezelfde aandachtspunten als bij de vorige oefen<strong>in</strong>g.<br />

herhaal deze werkwijze met het tweede setje kaarten. De rollen worden nu echter omgedraaid.<br />

een briefje voor de leerkracht (<strong>in</strong>dividueel/duo’s)<br />

Kopieer voor uw cursisten werkblad 7.9a. Dit is een briefje waar<strong>in</strong> Zoera aan de juf meedeelt dat<br />

Badria morgen wat later op school komt. Ze moet eerst naar de tandarts. De z<strong>in</strong>nen van het briefje staan<br />

door elkaar. uw cursisten zetten op werkblad 7.9a eerst de z<strong>in</strong>nen <strong>in</strong> de goede volgorde en schrijven<br />

vervolgens het briefje over. Ze mogen daarbij hun eigen naam, de naam van hun k<strong>in</strong>d en die van de<br />

leerkracht van hun eigen k<strong>in</strong>d gebruiken. heeft een cursist geen k<strong>in</strong>deren, dan neemt hij/zij de gegevens<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

13<br />

THEMA 7


van Badria over. laat elke cursist het eerst zelfstandig proberen. laat na afloop <strong>in</strong> tweetallen vergelijken<br />

of de gekozen volgorde dezelfde is. Daarna schrijft elke cursist <strong>in</strong>dividueel het briefje op werkblad 7.9B.<br />

loop rond en help waar nodig. Geef feedback op lay-out en spell<strong>in</strong>g. kom zonodig klassikaal terug op<br />

de lay-out: wat schrijf je bovenaan/onderaan? tussen welke stukjes zit een witregel? waarom?<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

UitVOeren<br />

Kies voor uw cursisten één of meer van de volgende praktijkopdrachten, afhankelijk van het niveau van<br />

uw cursisten. Kopieer voor uw cursisten de praktijkopdrachtformulieren van thema 7.<br />

praktijkopdracht 1: een brief van de basisschool<br />

laat de cursisten die k<strong>in</strong>deren op de basisschool hebben van thuis een brief meenemen van de school.<br />

Dit mag een brief zijn over een ouderavond, een uitje, een oproep voor ouders om te helpen op school,<br />

etc.<br />

laat uw cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) op het formulier opschrijven wanneer ze de opdracht<br />

gaan uitvoeren en waar ze de brief gaan zoeken. laat de cursisten dit ook <strong>in</strong> hun agenda schrijven bij de<br />

dag dat ze dit formulier mee moeten nemen.<br />

onder ‘uitvoeren’ (stap 2) proberen de cursisten de vragen te beantwoorden over de brief. Dit kan<br />

thuis gebeuren of <strong>in</strong> de groepsles, afhankelijk van het niveau van uw cursisten. cursisten zonder<br />

schoolgaande k<strong>in</strong>deren mogen iemand anders helpen. <strong>in</strong> dat geval vullen beide cursisten bij ‘met wie?’<br />

de naam <strong>in</strong> van de cursist met wie ze samenwerken.<br />

evalueer de praktijkopdracht onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkformulier. was de opdracht<br />

moeilijk of makkelijk? hadden ze hun agenda nodig als her<strong>in</strong>ner<strong>in</strong>g? hebben de cursisten een geschikte<br />

brief gevonden? Konden ze de vragen beantwoorden? hebben ze nieuwe woorden geleerd?<br />

De cursisten bewaren (een kopie van) de brief bij het praktijkopdracht-formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 2: vraag het aan de leerkracht<br />

Bij deze opdracht moeten de cursisten aan de leerkracht van school een tip vragen voor een<br />

voorleesboekje. ook vragen ze of ze een boekje mogen lenen om het voor te lezen aan (of samen te<br />

lezen met!) hun k<strong>in</strong>d. De meeste scholen hebben een soort ‘leesplank’ <strong>in</strong> de klassen met boekjes die<br />

k<strong>in</strong>deren ‘vrij’ kunnen lezen.<br />

laat de cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) op het formulier opschrijven wanneer de opdracht<br />

gaan uitvoeren en wat ze bijvoorbeeld moeten meenemen of voorbereiden. De datum komt ook <strong>in</strong> de<br />

agenda. Ze moeten ook bedenken wat een geschikt moment is om de juf of meester aan te spreken.<br />

meestal heeft deze na schooltijd meer tijd dan voor het beg<strong>in</strong> van de les. Bij ‘welke woorden en z<strong>in</strong>nen’<br />

kunnen de cursisten noteren hoe ze hun vraag gaat stellen. (‘mag ik iets vragen? ik wil …. graag<br />

voorlezen. mag ik van school een boekje lenen?’)<br />

onder ‘uitvoeren’ (stap 2) beantwoorden de cursisten de vragen.<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

14<br />

THEMA 7


evalueer de praktijkopdracht de volgende les onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkformulier.<br />

hebben uw cursisten het gesprekje met de leerkracht gevoerd? hebben ze een goede vraag gesteld?<br />

Begrepen ze het antwoord? hebben ze om herhal<strong>in</strong>g of uitleg gevraagd? mochten ze een boekje lenen?<br />

was het een moeilijke opdracht? hebben ze nog nieuwe woorden geleerd?<br />

De cursisten bewaren het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 3: naar de bibliotheek<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> groepjes naar een bibliotheek <strong>in</strong> de buurt gaan en daar een activiteit bezoeken.<br />

als het goed is hebben ze met behulp van werkblad 7.7 op <strong>in</strong>ternet al gezocht wat er <strong>in</strong> de bibliotheek<br />

te doen is. De cursisten vullen op het praktijkformulier <strong>in</strong> aan welke activiteit zij (met hun k<strong>in</strong>d) gaan<br />

deelnemen.<br />

laat de cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) op het formulier opschrijven wanneer en met wie ze de<br />

opdracht gaan uitvoeren en wat ze bijvoorbeeld moeten meenemen (geld?) of voorbereiden. hoe laat<br />

spreken ze af en waar precies? Ze schrijven de afspraak <strong>in</strong> hun agenda. Ze moeten ook bedenken hoe ze<br />

naar de bibliotheek gaan. weet iedereen waar de bibliotheek is? Bij ‘welke woorden en z<strong>in</strong>nen’ kunnen<br />

ze noteren hoe ze <strong>in</strong> de bibliotheek eventueel een vraag gaan stellen (‘Pardon mevrouw, waar is het<br />

voorlezen/knutselen?’).<br />

onder ‘uitvoeren’ (stap 2) kunnen de cursisten een kaartje of foldertje van de activiteit plakken of een<br />

kopie daarvan. Ze kunnen ook een foto maken en die bijvoegen.<br />

evalueer de praktijkopdracht de volgende les onder ‘terugkijken’ (stap 3) op het praktijkformulier. was<br />

iedereen op tijd bij de bibliotheek? was het leuk? hoe vonden hun k<strong>in</strong>deren het (<strong>in</strong>dien van toepass<strong>in</strong>g)?<br />

was de opdracht moeilijk of makkelijk? hebben de cursisten alleen gekeken en geluisterd of hebben ze<br />

nog iets gezegd of gevraagd? hebben ze nieuwe woorden of z<strong>in</strong>nen geleerd? Gaan ze <strong>in</strong> de toekomst<br />

nog eens naar een activiteit <strong>in</strong> de bibliotheek? hebben ze nog vragen?<br />

De cursisten bewaren het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 4: Koop een boekje<br />

laat een groepje cursisten naar een goedkope ‘witte’ boekhandel of andere w<strong>in</strong>kel <strong>in</strong> de buurt gaan<br />

en daar samen één k<strong>in</strong>derboekje kopen. Geef elk groepje de opdracht om voor een andere leeftijd een<br />

boekje te kopen; voor een baby, voor een k<strong>in</strong>dje van twee, voor een kleuter van vier, of voor een k<strong>in</strong>d<br />

van zes dat net kan lezen. De cursisten vullen op het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> voor welke leeftijd zij<br />

een boekje gaan kopen.<br />

laat de cursisten onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) op het formulier opschrijven waar, wanneer en met wie<br />

ze de dat gaan doen en wat ze bijvoorbeeld moeten meenemen of voorbereiden. De afspraak komt <strong>in</strong><br />

de agenda. Ze moeten ook bedenken naar welke w<strong>in</strong>kel ze gaan en wanneer deze open is. Bij ‘welke<br />

woorden en z<strong>in</strong>nen’ kunnen ze noteren hoe ze <strong>in</strong> de w<strong>in</strong>kel eventueel een vraag gaan stellen (‘Pardon<br />

meneer, heeft u boekjes voor een k<strong>in</strong>d van vier?’).<br />

onder ‘uitvoeren’ (stap 2) noteren de cursisten welk boekje ze hebben gekocht en waar. Ze plakken de<br />

kassabon (of een kopie daarvan) op het formulier.<br />

evalueer met het betreffende groepje de praktijkopdracht de volgende les onder ‘terugkijken’ (stap 3)<br />

op het praktijkformulier. was iedereen op tijd bij de afspraak? was de opdracht moeilijk of makkelijk?<br />

hebben de cursisten zelf een boekje gezocht of ook nog een vraag gesteld? Begrepen ze het antwoord?<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

15<br />

THEMA 7


hebben ze om herhal<strong>in</strong>g of uitleg gevraagd? hebben ze een leuk en niet te duur boek meegebracht?<br />

Konden ze het eens worden over de keuze?<br />

elk groepje laat aan de andere cursisten zien welk boekje ze gekocht hebben en vertellen waarom ze<br />

juist dat boekje hebben gekozen. stal de gekochte boekjes uit op een tafel <strong>in</strong> het lokaal, zodat cursisten<br />

ze kunnen <strong>in</strong>zien (of lenen?).<br />

De cursisten bewaren het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

terUgkijken<br />

<strong>in</strong> deze fase kijkt u met de cursisten terug op thema 7. wat hebben ze geleerd? hoe zijn de<br />

praktijkopdrachten gegaan? houd een groepsgesprek.<br />

Kopieer werkblad 7.10 (het evaluatieformulier). laat de cursisten <strong>in</strong>dividueel aankruisen <strong>in</strong> de tweede<br />

en derde kolom wat voor hen van toepass<strong>in</strong>g is. Bespreek wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld en waarom.<br />

controleer door middel van een aantal vragen ‘steekproefsgewijs’ of het klopt wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld.<br />

u kunt bijvoorbeeld de kaartjes van de knipbladen gebruiken om uw cursisten te ‘overhoren’, of u stelt<br />

ter controle wat vragen van de werkbladen. ook kunt u nog eens een van de dialogen laten spelen. een<br />

andere mogelijkheid is om een aantal woorden uit de woordenlijst op kaartjes schrijven en deze door de<br />

cursisten laten uitbeelden of omschrijven. De anderen moeten het woord raden. laat zo alle doelen uit<br />

de eerste kolom nog eens de revue passeren. Kennen/kunnen ze het <strong>in</strong>derdaad?<br />

Verwerken<br />

<strong>in</strong> de laatste kolom van werkblad 7.10 kunt u tips laten noteren, bijvoorbeeld: luister nog eens naar de<br />

gesprekjes op de computer. herhaal ‘oefenen met taal’ of ‘woorden leren’ op de computer. lees nog<br />

eens de werkbladen, etc.<br />

cursisten kunnen natuurlijk ook zelf d<strong>in</strong>gen bedenken die ze anders, beter, of juist hetzelfde gaan doen<br />

bij het volgende thema.<br />

De cursisten bewaren het formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 7 - De Basisschool<br />

16<br />

THEMA 7


<strong>lesvoorbereid<strong>in</strong>g</strong><br />

thema 8 De Gemeente


Waar gaat het over?<br />

Dit thema is een eerste oriëntatie op de producten en diensten van de gemeente. waar is het<br />

gemeentehuis en voor welke zaken kan men er terecht?<br />

doel<br />

De cursist maakt een beg<strong>in</strong> met het zelfstandig gebruik maken van de diensten van de gemeente..<br />

subdoelen<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

•<br />

De cursist weet waar het gemeentehuis <strong>in</strong> zijn woonplaats is en hoe hij daar moet komen.<br />

De cursist weet wanneer het gemeentehuis open is.<br />

De cursist weet voor welke zaken hij <strong>in</strong> het gemeentehuis terecht kan (verhuizen, trouwen,<br />

rijbewijs, paspoort).<br />

De cursist kan zijn personalia <strong>in</strong>vullen op een (digitaal) formulier.<br />

De cursist kan via <strong>in</strong>ternet <strong>in</strong>formatie v<strong>in</strong>den over de gemeente.<br />

De cursist kan een voor hem relevante folder of andere <strong>in</strong>formatie halen en globaal begrijpen<br />

(gemeentegids, ophaalschema huisvuil).<br />

De cursist kan op het gemeentehuis bij de receptie vragen stellen over het doel van zijn bezoek<br />

(heeft u een gemeentegids? wanneer wordt het grofvuil <strong>in</strong> mijn wijk opgehaald?)<br />

De cursist kan op het gemeentehuis (<strong>in</strong> voorkomende gevallen) een nummertje uit de automaat<br />

halen.<br />

De cursist weet globaal wat het <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen <strong>in</strong>houdt.<br />

aandachtspunten<br />

u zult <strong>in</strong> uw groep cursisten hebben die al een aantal zaken zelfstandig kunnen regelen op het<br />

gemeentehuis. Voor anderen is dit nog doel voor de toekomst.<br />

<strong>in</strong> ‘Klaar voor de start’ wordt een basis gelegd voor de cP’s van Burgerschap, zoals die bij thuis <strong>in</strong><br />

nederlands en nederlands aan het werk aan de orde komen.<br />

Voor dit thema is het nodig dat u zich eerst zelf verdiept <strong>in</strong> de gang van zaken op het gemeentehuis<br />

waar uw cursisten komen: waar is het? wat zijn de open<strong>in</strong>gstijden? is er een digitaal loket? Kunnen er<br />

(digitaal) afspraken gemaakt worden of moet je gewoon langs gaan? is er een automaat waar je een<br />

nummer moet trekken?<br />

spreekt men <strong>in</strong> uw gemeente van ‘het gemeentehuis’ of van ‘het stads(deel)kantoor?’<br />

ook de namen van de afdel<strong>in</strong>gen kunnen per gemeente verschillen. Zo spreekt men <strong>in</strong> sommige<br />

gemeenten over Burgerzaken, bij andere gemeenten is er een stadsw<strong>in</strong>kel of een Burgerservicepunt.<br />

Bekijk de website van uw gemeente zodat u passende opdrachten kunt geven.<br />

neem zelf een kijkje <strong>in</strong> het gemeentehuis zodat u een goede keuze kunt maken uit onderstaande<br />

lessuggesties en praktijkopdrachten.<br />

thema 8 - De Gemeente<br />

2<br />

THEMA 8


afsluit<strong>in</strong>g<br />

Dit is het laatste thema van Klaar voor de start.<br />

na het volgen van de groepslessen, het doen van de e-learn<strong>in</strong>g en de praktijkopdrachten doet de cursist<br />

de digitale e<strong>in</strong>dtoets. De uitslag van de toets en de checklist van de praktijkopdrachten vormen de<br />

beoordel<strong>in</strong>g van de cursist (zie algemene handleid<strong>in</strong>g)<br />

De meeste cursisten zullen na dit traject verder gaan met het werken aan cP’s ter voorbereid<strong>in</strong>g op het<br />

<strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen. Daarom sluit Klaar voor de start af met een korte en speelse <strong>in</strong>troductie op de<br />

cP’s. u hoeft dit onderdeel niet te gebruiken.<br />

thema 8 - De Gemeente<br />

3<br />

THEMA 8


thema 8 de gemeente<br />

doel van het thema: De cursist maakt een beg<strong>in</strong> met het zelfstandig gebruik maken van de diensten van de gemeente.<br />

onderwerpen subdoelen materiaal Kns<br />

Formulieren<br />

• De cursist weet waar het gemeentehuis <strong>in</strong> zijn woonplaats is en hoe hij daar Film: de gemeente<br />

thema 6: <strong>in</strong>stanties<br />

Personalia<br />

moet komen.<br />

e-learn<strong>in</strong>g<br />

6.1 gebruik maken van<br />

Gemeentehuis<br />

• De cursist weet wanneer het gemeentehuis open is.<br />

werkbladen: 8.0, 8.1, 8.2, 8.3, 8.4, de dienstverlen<strong>in</strong>g van de<br />

De weg vragen<br />

• De cursist weet voor welke zaken hij <strong>in</strong> het gemeentehuis moet zijn (verhuizen, 8.5, 8.6, 8.7, 8.8<br />

gemeente aan de burger<br />

trouwen, rijbewijs, paspoort)<br />

Knipbladen: 8.1, 8.2, 8.3 en 8.4<br />

• De cursist kan zijn personalia <strong>in</strong>vullen op een digitaal formulier<br />

Gekleurde stiften<br />

• De cursist kan via <strong>in</strong>ternet <strong>in</strong>formatie v<strong>in</strong>den over de gemeente.<br />

stevig papier<br />

• De cursist kan een voor hem relevante folder of andere <strong>in</strong>formatie halen en computer nodig tijdens de groepsles<br />

globaal begrijpen (gemeentegids, ophaalschema huisvuil)<br />

Praktijkopdrachten<br />

• De cursist kan op het gemeentehuis (<strong>in</strong> voorkomende gevallen) een nummertje<br />

uit de automaat halen.<br />

het <strong>in</strong>burgerspel<br />

• De cursist weet globaal wat het <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen <strong>in</strong>houdt.<br />

Dobbelsteen met kleuren<br />

oriënteren voorbereiden uitvoeren terugkijken verwerken<br />

Film<br />

waar is het gemeentehuis?<br />

1. wat zie je <strong>in</strong> het<br />

Gebruik woorden-<br />

Kijkvragen<br />

• waar is het gemeentehuis? (klassikaal, duo’s)<br />

gemeentehuis?<br />

maken van schrift<br />

Groepsgesprek<br />

• hoe kom ik bij het gemeentehuis? (duo’s)<br />

2. haal het op het gemeentehuis werkblad 8.8 tips?<br />

Dit doe ik op het gemeentehuis<br />

Knip- en werkblad<br />

• waarvoor moet je bij de gemeente zijn? (klassikaal, groepswerk)<br />

werkbladen 8.8<br />

• wat staat er op je identiteitsbewijs? (klassikaal, wisselende duo’s)<br />

• Persoonsgegevens <strong>in</strong>vullen voor een DigiD (klassikaal, <strong>in</strong>dividueel)<br />

• De kort<strong>in</strong>gspas: nog meer personalia (<strong>in</strong>dividueel)<br />

• Zoek op de gemeentesite (duo’s)<br />

• <strong>in</strong>formatie vragen op het gemeentehuis 2 x (klassikaal, duo’s)<br />

<strong>in</strong>burgeren en het <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen<br />

• De onderdelen van het <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen (klassikaal, duo’s)<br />

• <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>g en oGo of <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>g en werk? (klassikaal, duo’s)<br />

• waar hoort het bij? Burgerschap, werk zoeken, oGo of werk hebben?<br />

(groepswerk)<br />

• het Klaar voor de start <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsspel<br />

thema 8 - De Gemeente<br />

4<br />

THEMA 8


Oriënteren<br />

de film<br />

Vertel uw cursisten dat tarik en Zoera <strong>in</strong> deze aflever<strong>in</strong>g naar het gemeentehuis gaan.<br />

Korte <strong>in</strong>houd van de film:<br />

tarik en Zoera vragen aan buurman Jan de weg naar het gemeentehuis. Jan wil weten waarom ze<br />

daar heen moeten. tarik gaat zijn nederlandse rijbewijs ophalen bij het gemeentehuis; kan hij e<strong>in</strong>delijk<br />

taxichauffeur worden. Jan feliciteert tarik en wijst zijn buren de weg. Voorbij het ple<strong>in</strong> l<strong>in</strong>ksaf. Bij het<br />

loket Burgerzaken legt tarik trots het geld op de balie: alles <strong>in</strong> orde. maar de ambtenaar schudt met<br />

haar hoofd: er moet nog een foto bij. tarik schrikt, maar Zoera heeft een oploss<strong>in</strong>g: ze haalt uit haar<br />

portemonnee een pasfoto van tarik.<br />

nB.:Vertel deze <strong>in</strong>houd niet aan uw cursisten. Daarmee geeft u de ‘clou’ weg.<br />

Deel werkblad 8.0 uit. hierop staan kijkvragen voor drie rondes filmkijken.<br />

lees voor elke kijkronde eerst samen de vragen en de mogelijke antwoorden.<br />

Bespreek de antwoorden na voordat u de film nogmaals zien.<br />

aansluitend kunt u <strong>in</strong> een groepsgesprek <strong>in</strong>gaan op de eigen ervar<strong>in</strong>gen van cursisten:<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

heb jij een nederlands rijbewijs?<br />

weet jij waar het gemeentehuis <strong>in</strong> jouw woonplaats is?<br />

Ga je zelf wel eens naar het gemeentehuis?<br />

wat doe je daar dan?<br />

Ga je er alleen heen?<br />

Krijg je van iemand hulp?<br />

Kan jij met de computer een afspraak maken?<br />

……………<br />

thema 8 - De Gemeente<br />

5<br />

THEMA 8


VOOrbereiden<br />

Waar is het gemeentehuis?<br />

Waar is het gemeentehuis? (klassikaal/duo’s)<br />

tarik en Zoera vragen aan Jan waar het gemeentehuis is. weten uw cursisten wat een gemeente is? en<br />

waar hun gemeentehuis is? Bespreek het met uw groep.<br />

Ga met uw groep achter de computer zitten en laat de cursisten <strong>in</strong> tweetallen de website van de<br />

gemeente zoeken. laat uw cursisten de antwoorden op de volgende vragen zoeken:<br />

- wat is de website van de gemeente?<br />

- wat is het adres van het gemeentehuis/stadsdeelkantoor?<br />

- wat is het telefoonnummer?<br />

- wat zijn de open<strong>in</strong>gstijden?<br />

- is er een digitaal loket?<br />

- Kunt u van te voren een afspraak maken?<br />

- hoe kunt u een afspraak maken? (telefonisch/via de website/beide)<br />

lees met uw cursisten de zoektips op het werkblad (zoeken op Google op woonplaats, dan klikken op<br />

‘gemeente’ en vervolgens kijken onder ‘contact’). loop rond en assisteer zonodig bij het zoeken.<br />

Kopieer werkblad 8.1 voor uw cursisten en laat de gevonden gegevens <strong>in</strong>vullen.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

hoe kom ik bij het gemeentehuis? (duo’s)<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> tweetallen op de website van de gemeente zoeken naar een routebeschrijv<strong>in</strong>g<br />

(bijvoorbeeld onder ‘contact’ en dan onder ‘route’). als dit mogelijk is pr<strong>in</strong>ten de cursisten het kaartje<br />

uit. laat op het kaartje met een gekleurde stift aangeven waar het gemeentehuis is en <strong>in</strong>dien mogelijk<br />

waar de school is, een andere bekende plek, of waar een cursist woont.<br />

staat op de website ook aangegeven met welke bus of tram het gemeentehuis te bereiken is?<br />

misschien zijn er cursisten die de (bus)route van school naar het gemeentehuis op het kaartje kunnen<br />

tekenen. laat cursisten van een duo of duo’s onderl<strong>in</strong>g elkaar helpen en uitleg geven.<br />

De gevonden routebeschrijv<strong>in</strong>g plakken de cursisten op werkblad 8.2. laat ook de vraag op het blad<br />

beantwoorden. De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

nB: <strong>in</strong>dien er geen kaartje of routebeschrijv<strong>in</strong>g op de website staat, kunt u ook werken met (deel van)<br />

een plattegrond van de gemeente (af te halen op het gemeentehuis of door u gekopieerd).<br />

dit doe iK op het gemeentehuis<br />

Waarvoor moet je bij de gemeente zijn? (klassikaal/groepswerk)<br />

naar aanleid<strong>in</strong>g van de film heeft u waarschijnlijk al een <strong>in</strong>ventarisatie gemaakt met uw cursisten van<br />

zaken waarvoor ze bij de gemeente terecht kunnen. Kom hier op terug. houd een groepsgesprek over<br />

thema 8 - De Gemeente<br />

6<br />

THEMA 8


de producten en diensten van de gemeente. <strong>in</strong>ventariseer al aanwezige kennis door middel van een<br />

woordparaplu op het bord. schrijf bovenaan De Gemeente. trek van daaruit enkele lijnen schu<strong>in</strong> naar<br />

beneden. Vraag uw cursisten zaken te noemen die de gemeente regelt, of waar ze voor terecht kunnen<br />

<strong>in</strong> het gemeentehuis. schrijf onder de paraplu alle woorden waar uw cursisten mee komen. Probeer<br />

woorden die bij elkaar horen weer onder elkaar te noteren, zodat enkele clusters ontstaan, bijvoorbeeld:<br />

rijbewijs/paspoort/identiteitskaart/uittreksel persoonsregister/verklar<strong>in</strong>g goed gedrag (persoonlijke<br />

formulieren)<br />

trouwen/geboorte k<strong>in</strong>d aangeven/verhuizen/overlijden (familieaangelegenheden)<br />

re<strong>in</strong>ig<strong>in</strong>gsdienst/grofvuillijn/kle<strong>in</strong> chemisch afval (afval)<br />

sociale dienst/bijstandsuitker<strong>in</strong>g/bijzondere bijstand (uitker<strong>in</strong>gen)<br />

cwi/vrijwilligerscentrale (werk)<br />

woon-/kap-/parkeer- en andere vergunn<strong>in</strong>gen<br />

aanvragen thuiszorg/rolstoel/aangepast vervoer of huis (wmo/zorgloket)<br />

etc.<br />

<strong>in</strong>troduceer niet teveel nieuwe woorden. wacht eerst af waar uw cursisten mee komen en vul zonodig<br />

iets aan. het is niet de bedoel<strong>in</strong>g een compleet overzicht te krijgen!<br />

Kopieer voor uw cursisten knipblad 8.1 op stevig papier en knip de kaartjes los. Doe dit zoveel keer als<br />

u groepjes heeft. op de kaartjes staan een aantal situaties. Kun je hiervoor naar de gemeente gaan? Ja<br />

of nee.<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> kle<strong>in</strong>e groepjes alle situaties bespreken en de kaartjes <strong>in</strong> twee kolommen onder<br />

het goede kaartje (ja of nee) neerleggen. loop rond en geef extra uitleg waar nodig. iedereen klaar?<br />

Bespreek dan klassikaal de opdracht na.<br />

nB: wellicht zijn er situaties bij, waarvoor je <strong>in</strong> eerste <strong>in</strong>stantie niet naar de gemeente stapt, maar wel als<br />

er bepaalde omstandigheden zijn (bijvoorbeeld bij het zoeken naar een won<strong>in</strong>g: een urgentieverklar<strong>in</strong>g).<br />

Wat staat er op je identiteitsbewijs? (klassikaal/wisselende duo’s)<br />

Voor allerlei zaken op het gemeentehuis moet men persoonlijke gegevens kunnen <strong>in</strong>vullen op een<br />

formulier.<br />

Voor deze oefen<strong>in</strong>g moeten alle cursisten hun eigen identiteitsbewijs of verblijfsdocument<br />

meenemen. spreek dit van te voren goed af en laat het noteren <strong>in</strong> de agenda. Bespreek met<br />

uw cursisten het belang van het bij zich dragen van een identiteitsbewijs. schrijf het woord<br />

iDentiteitsBewiJs op het bord. <strong>in</strong>ventariseer <strong>in</strong> een groepsgesprekje de verschillende papieren die<br />

hiervoor kunnen dienen: paspoort, identiteitskaart, verblijfsdocument, rijbewijs. neem van uzelf een en<br />

ander mee als voorbeeld.<br />

Kopieer knipblad 8.2 enkele keren op stevig papier en knip de zes kaarten los. op elke kaart staat<br />

een vraag die de cursist moet stellen aan een andere cursist. Bespreek van te voren eerst de vragen op<br />

de kaarten. schrijf ze op het bord. Zijn alle woorden duidelijk? (bijvoorbeeld de woorden ‘geldig’ en<br />

‘burgerservicenummer’?) Geef voorbeelden aan de hand van uw eigen identiteitsbewijs.<br />

werk nu als volgt: elke cursist krijgt 1 kaart en heeft ook zijn identiteitsbewijs <strong>in</strong> de hand. De cursisten<br />

lopen nu rond door het lokaal. aan de eerste cursist die ze ‘tegenkomen’ stellen ze de vraag die op<br />

hun kaart staat. De andere cursist kijkt op zijn identiteitsbewijs en geeft antwoord. Dan stelt de andere<br />

thema 8 - De Gemeente<br />

7<br />

THEMA 8


cursist zijn/haar vraag en krijgt ook antwoord. nu ruilen de cursisten van kaartje (ze houden hun eigen<br />

identiteitsbewijs!) en lopen verder. nu stellen ze de volgende cursist die ze tegenkomen de vraag die op<br />

hun nieuwe kaartje staat, er wordt weer geruild, etc. laat uw cursisten m<strong>in</strong>imaal tien keer ruilen van<br />

kaart.<br />

persoonsgegevens <strong>in</strong>vullen voor een digid (klassikaal/<strong>in</strong>dividueel)<br />

Voor veel zaken bij de gemeente moet je een formulier <strong>in</strong>vullen. tegenwoordig moet je voor een<br />

aantal digitale diensten van overheids<strong>in</strong>stell<strong>in</strong>gen een zogenaamde DigiD (‘digidee’) hebben; een code<br />

waarmee je kunt <strong>in</strong>loggen bij verschillende overheidsdiensten, zoals de iB-groep, de Belast<strong>in</strong>gdienst, de<br />

sociale Verzeker<strong>in</strong>gsbank en veel gemeenten. een afspraak maken bij het digitale loket kan vaak alleen<br />

d.m.v. het <strong>in</strong>loggen met je DigiD.<br />

Bespreek bovenstaande met uw cursisten. wie heeft al een DigiD? wie regelt wel eens iets via<br />

<strong>in</strong>ternet met bijvoorbeeld de gemeente? waarschijnlijk zal dit een enkel<strong>in</strong>g zijn. (Verwijs naar het<br />

<strong>in</strong>troductiefilmpje: tarik maakt telefonisch een afspraak voor het aanvragen van zijn rijbewijs.) laat toch<br />

al uw cursisten <strong>in</strong> ieder geval kennismaken met het <strong>in</strong>vullen van een (digitaal) formulier door hen een<br />

DigiD te laten ‘aanvragen’. Ze hoeven dit niet echt te doen (mag natuurlijk wel), maar kunnen op de<br />

website www.digid.nl wel alle voorbereidende stappen doen en het <strong>in</strong>gevulde formulier uitpr<strong>in</strong>ten.<br />

Kopieer ter voorbereid<strong>in</strong>g werkblad 8.3. hierop staat de eerste pag<strong>in</strong>a van de <strong>in</strong>ternetpag<strong>in</strong>a. lees het<br />

gezamenlijk door en bespreek moeilijke woorden. Ga hier niet te gedetailleerd op <strong>in</strong>, het gaat erom dat<br />

uw cursisten begrijpen wat het <strong>in</strong>houdt en wat ze moeten <strong>in</strong>vullen.<br />

laat vervolgens uw cursisten bovenstaande website op de computer opzoeken en hun gegevens<br />

<strong>in</strong>voeren. loop rond en assisteer waar nodig. laat de pag<strong>in</strong>a’s uitpr<strong>in</strong>ten en <strong>in</strong> de map bewaren.<br />

de kort<strong>in</strong>gspas: nog meer personalia (<strong>in</strong>dividueel)<br />

<strong>in</strong> eerdere oefen<strong>in</strong>gen hebben uw cursisten al een aantal persoonsgegevens moeten <strong>in</strong>vullen. soms<br />

worden bij de gemeente of andere <strong>in</strong>stell<strong>in</strong>gen nog andere gegevens gevraagd, zoals ‘nationaliteit’ of<br />

‘burgerlijke staat’, bijvoorbeeld bij het aanvragen van een kort<strong>in</strong>gspas.<br />

<strong>in</strong> veel gemeenten bestaat een dergelijke pas, waarmee mensen met een laag <strong>in</strong>komen kort<strong>in</strong>g kunnen<br />

krijgen op allerlei sport- en culturele activiteiten.<br />

Zoek voor uw gemeente uit of deze bestaat en hoe deze aangevraagd kan worden.<br />

Geef als opdracht dat uw cursisten een aanvraagformulier voor een kort<strong>in</strong>gspas moeten <strong>in</strong>vullen.<br />

<strong>in</strong> ieder geval het (eerste) gedeelte waar naar persoonlijke gegevens wordt gevraagd. het gedeelte waar<br />

<strong>in</strong>komensgegevens worden gevraagd is facultatief en alleen z<strong>in</strong>nig voor die cursisten die de pas ook<br />

daadwerkelijk willen hebben. Zij moeten het formulier dan natuurlijk ook <strong>in</strong>leveren op het gemeentehuis.<br />

Download zo mogelijk een aanvraagformulier voor uw cursisten, of laat ze dat zelf doen, zodat ze ook<br />

‘echt’ zo’n pasje kunnen aanvragen. misschien heeft een aantal cursisten al een pasje, laat hen vertellen<br />

wat zij er zoal mee doen.<br />

laat uw cursisten het formulier <strong>in</strong> de groepsles <strong>in</strong>vullen of geef het mee als huiswerk. controleer of het<br />

juist is <strong>in</strong>gevuld en bied hulp waar nodig. De cursisten bewaren het <strong>in</strong>gevulde formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

Zoeken op de gemeentesite (duo’s)<br />

Voor deze oefen<strong>in</strong>g bezoeken de cursisten opnieuw de website van hun gemeente. aan de hand van<br />

thema 8 - De Gemeente<br />

8<br />

THEMA 8


werkblad 8.4 gaan ze de gevraagde <strong>in</strong>formatie zoeken en <strong>in</strong>vullen bij de juiste kolom. Bij de eerste<br />

kolom moet het meest geschreven worden, bij de tweede kolom wordt alleen het bedrag <strong>in</strong>gevuld en bij<br />

de derde kolom kan de cursist volstaan met ‘ja’ of ‘nee’.<br />

Zoek zelf van te voren goed uit hoe de <strong>in</strong>formatie op de website van uw gemeente te v<strong>in</strong>den is. u kunt<br />

uw cursisten dan beter helpen tijdens het zoeken.<br />

leg eerst klassikaal uit wat de bedoel<strong>in</strong>g is en neem de vragen samen door. laat uw cursisten vervolgens<br />

<strong>in</strong> tweetallen achter de computer plaatsnemen. Probeer steeds een vaardige en m<strong>in</strong>der vaardige<br />

cursist aan elkaar te koppelen. De m<strong>in</strong>st vaardige cursist bedient muis en toetsenbord, de ander geeft<br />

aanwijz<strong>in</strong>gen. loop rond en biedt hulp waar nodig.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

nB: u kunt bij deze oefen<strong>in</strong>g differentiëren door zwakkere cursisten slechts één of twee opdrachten te<br />

laten doen, of door hen slechts één kolom (bijvoorbeeld ‘hoeveel kost het?’) te laten <strong>in</strong>vullen.<br />

<strong>in</strong>formatie vragen op het gemeentehuis (klassikaal/duo’s)<br />

als voorbereid<strong>in</strong>g op de praktijkopdrachten gaan uw cursisten oefenen met het vragen om een folder of<br />

<strong>in</strong>formatie. Kopieer werkblad 8.5. hierop staan enkele voorbeelddialogen. lees de dialogen eerst voor.<br />

laat de z<strong>in</strong>nen die de cursist straks moet gaan gebruiken steeds hardop nazeggen. herhaal dit enkele<br />

keren.<br />

speel de dialoog voor met een cursist. u bent de ambtenaar.<br />

Formeer vervolgens duo’s en laat de dialoogjes <strong>in</strong> tweetallen oefenen. laat ook wisselen van rol. loop<br />

rond, luister en geef feedback. laat enkele duo’s het gesprekje voor de groep uitspelen. laat uw<br />

cursisten elkaar feedback geven. wie kan het zonder werkblad?<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

<strong>in</strong>formatie vragen op het gemeentehuis (2) (klassikaal/duo’s)<br />

u kunt de vier situaties uit de vorige oefen<strong>in</strong>g nogmaals laten uitspelen <strong>in</strong> een meer realistische sett<strong>in</strong>g.<br />

maak <strong>in</strong>dien u hierover beschikt gebruik van het praktijklokaal, of richt <strong>in</strong> de klas een hoekje <strong>in</strong> met<br />

een ‘balie’ en een ‘wachtkamer’. Geef steeds een opdracht aan een cursist (‘Vraag een gemeentegids’)<br />

en laat een andere cursist als ambtenaar plaatsnemen achter de balie. laat het gesprek (uit het hoofd)<br />

naspelen. u en de andere cursisten geven feedback.<br />

‘Goede’ cursisten kunt u ook een andere, nieuwe opdracht geven, bijvoorbeeld:<br />

- een afvalwijzer/huisvuilkalender vragen<br />

- <strong>in</strong>formatie over hondenbelast<strong>in</strong>g vragen<br />

- vragen hoe je een kort<strong>in</strong>gspas kunt aanvragen<br />

speel zonodig zelf de ambtenaar.<br />

praktijkopdrachten ‘Wat zie je <strong>in</strong> het gemeentehuis?’ en ‘haal het op het gemeentehuis’<br />

Doe nu Praktijkopdracht 1 en/of 2 van thema 8: ‘wat zie je <strong>in</strong> het gemeentehuis?’ en ‘haal het op het<br />

gemeentehuis’. u kunt beide opdrachten op aparte momenten of aansluitend aan elkaar laten doen.<br />

ook kunt u ervoor kiezen om ‘zwakke’ cursisten alleen Praktijkopdracht 1 te laten doen of om hem/haar<br />

eventueel mee te laten lopen met een cursist die Praktijkopdracht 2 doet.<br />

thema 8 - De Gemeente<br />

9<br />

THEMA 8


u v<strong>in</strong>dt beide opdrachten onder ‘uitvoeren’.<br />

<strong>in</strong>burgeren en het <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen<br />

de onderdelen van het <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen (klassikaal/duo’s)<br />

thema 8 is het laatste thema van Klaar voor de start. hierna zullen uw cursisten verder gaan <strong>in</strong> een<br />

<strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gstraject oGo of werk. het is goed om alvast stil te staan bij het vervolgtraject en het examen<br />

dat hen uite<strong>in</strong>delijk te wachten staat.<br />

Voor deze oefen<strong>in</strong>g heeft u folders nodig over het <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen.<br />

Bij Praktijkopdracht 2 heeft een aantal cursisten op het gemeentehuis al folders over het<br />

<strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen gehaald. is dit niet gelukt? Dan kunt u één van onderstaande folders aanvragen of<br />

downloaden voor uw cursisten:<br />

- De folder ‘<strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen:voorwaarde voor naturalisatie’ is aan te vragen of te downloaden<br />

via www.<strong>in</strong>d.nl.<br />

- een overzichtelijke folder is: ‘<strong>in</strong>burgeren – examen doen’. Deze is aan te vragen of te downloaden<br />

via www.<strong>in</strong>burgeren.nl onder ‘folders en formulieren’.<br />

Bekijk van te voren zelf goed de betreffende folder, zodat u uw cursisten kunt helpen bij het zoeken van<br />

de gevraagde <strong>in</strong>formatie. laat hen eerst de folder globaal bekijken. waar ga je zoeken als je wilt weten<br />

uit welke delen het examen bestaat? op welke bladzijde? onder welk kopje?<br />

Kopieer voor uw cursisten werkblad 8.6. Bespreek gezamenlijk eerst het werkblad. lees de <strong>in</strong> te vullen<br />

onderdelen hardop voor. leg moeilijke woorden uit. Probeer <strong>in</strong> uw eigen woorden en met voorbeelden<br />

duidelijk te maken wat elk examenonderdeel <strong>in</strong>houdt.<br />

laat nu uw cursisten <strong>in</strong> tweetallen proberen het schema op het werkblad <strong>in</strong> te vullen. loop rond en help<br />

waar nodig. Bespreek de opdracht na en teken daarbij het schema ook nog eens op het bord.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

<strong>in</strong>burger<strong>in</strong>g en ogo of <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>g en Werk? (klassikaal/duo’s)<br />

op werkblad 8.7 v<strong>in</strong>dt u een overzicht van de beide <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsprofielen (oGo en werk) en de<br />

onderdelen waaruit de respectievelijke praktijkexamens bestaan. leg eerst nog eens (uit aan de hand<br />

van werkblad 8.6) dat het centrale Deel van het <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen voor iedereen hetzelfde is. (een<br />

deel van de vragen <strong>in</strong> het electronisch Praktijkexamen is weliswaar ook profielafhankelijk, maar dit voert<br />

te ver <strong>in</strong> dit verband.)<br />

Bespreek eerst het verschil tussen oGo en werk. Begrijpen alle cursisten waar beide begrippen voor<br />

staan?<br />

leg uit dat <strong>in</strong> het praktijkexamen zowel bij oGo als bij werk drie onderdelen aan bod komen (zie<br />

werkblad). Voor alle onderdelen moeten bewijzen worden verzameld en/of assessments worden gedaan.<br />

(Voor de exacte aantallen kunt u terecht op www.<strong>in</strong>burgeren.nl.)<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> tweetallen de eerste twee vragen beantwoorden. over vraag 3 en 4 kunnen ze<br />

samen praten: welk profiel kies jij? waarom?<br />

Bespreek klassikaal de gevonden antwoorden na. leg uit (met voorbeelden) wat Burgerschap <strong>in</strong>houdt.<br />

thema 8 - De Gemeente<br />

10<br />

THEMA 8


maak het verschil duidelijk tussen ‘werk zoeken’ en ‘werk hebben’. teken het schema ook op het bord<br />

ter ondersteun<strong>in</strong>g van de uitleg. laat cursisten vraag 4 mondel<strong>in</strong>g beantwoorden door aan iedereen te<br />

vragen welk profiel hij of zij doet en waarom.<br />

De cursisten bewaren het werkblad <strong>in</strong> hun map.<br />

Waar hoort het bij? burgerschap, Werk zoeken, ogo of Werk hebben? (groepswerk)<br />

Kopieer knipblad 8.4 op stevig papier, knip de kaartjes los en doe ze <strong>in</strong> envelopjes. Doe dit zoveel keer<br />

als u groepjes van drie of vier cursisten hebt. Geef elk groepje eerst de vier kaartjes met Burgerschap,<br />

werk zoeken, oGo of werk hebben. laat deze naast elkaar op tafel leggen. Geef de groepjes nu ook de<br />

rest van de (geschudde) kaartjes. laat de cursisten samen de kaartjes onder het juiste onderdeel leggen.<br />

onder ieder ‘kopje’ moeten zes kaartjes komen.<br />

Geef eerst een voorbeeld; lees een kaartje voor en overleg met de hele groep waar dit bij hoort. loop<br />

zelf rond en geef zonodig extra hulp. Bespreek na een afgesproken tijd (bijvoorbeeld tien m<strong>in</strong>uten)<br />

samen wat elk groepje heeft neergelegd. laat een cursist van elk groepje bijvoorbeeld één rijtje<br />

voorlezen. leg moeilijke woorden of begrippen nog eens klassikaal uit.<br />

het Klaar voor de start <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsspel<br />

Doe nu het Klaar voor de start <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsspel. Dit geeft uw cursisten een eerste <strong>in</strong>druk van de<br />

onderwerpen die <strong>in</strong> het vervolgtraject aan de orde komen en de vragen die zij kunnen verwachten bij<br />

het <strong>in</strong>burger<strong>in</strong>gsexamen.<br />

Voor het spel heeft u nodig:<br />

1 dobbelsteen met 6 kleuren<br />

5 setjes kaartjes, gekopieerd op gekleurd, stevig papier, eventueel geplastificeerd. op de voorkant staat<br />

de vraag, op de achterkant het antwoord.<br />

een spelbord, waarop de kaartjes kunnen worden gelegd. Kopieer het op a3 en plak het bijvoorbeeld<br />

op karton. het spelbord is niet noodzakelijk. u kunt de stapeltjes kaartjes ook <strong>in</strong> het midden van de tafel<br />

leggen.<br />

De spelregels:<br />

Doel van het spel: zoveel mogelijk kaartjes verzamelen. wie de meeste kaartjes heeft, heeft gewonnen.<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

-<br />

Gooi met de dobbelsteen.<br />

Pak een kaartje met dezelfde kleur.<br />

lees de vraag hardop voor.<br />

weet je het antwoord? Je mag het kaartje houden.<br />

weet je het antwoord niet? of is je antwoord fout? Degene die naast je zit, mag het antwoord<br />

geven, etc.<br />

weet niemand het? het kaartje wordt weggelegd.<br />

Gooi je oranje? Dan mag je een kaartje van iemand anders pakken of een kaartje van jezelf<br />

weggeven.<br />

na 10 m<strong>in</strong>uten stoppen. wie heeft de meeste kaartjes?<br />

thema 8 - De Gemeente<br />

11<br />

THEMA 8


UitVOeren<br />

Kies voor uw cursisten één of meer van de volgende praktijkopdrachten, afhankelijk van het niveau van<br />

uw cursisten. Kopieer voor uw cursisten de praktijkopdrachtformulieren van thema 8.<br />

praktijkopdracht 1: Wat zie je <strong>in</strong> het gemeentehuis?<br />

Vertel uw cursisten dat ze <strong>in</strong> kle<strong>in</strong>e groepjes naar het gemeentehuis moeten gaan om daar<br />

samen rond te kijken. Verdeel uw cursisten <strong>in</strong> groepjes. laat elk groepje een afspraak maken om<br />

(bijvoorbeeld tijdens of aansluitend aan de groepsles) naar het gemeentehuis te gaan. laat op het<br />

praktijkopdrachtformulier onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) noteren met wie, hoe laat (open<strong>in</strong>gstijden!)<br />

en hoe ze erheen gaan en wat ze moeten meenemen. waar spreken ze precies af? laat de afspraak ook<br />

noteren <strong>in</strong> de agenda.<br />

Bij het gedeelte ‘uitvoeren’ (stap 2) schrijven de cursisten de gevonden antwoorden bij de vragen. ook<br />

kunnen ze er als ‘bewijs’ een volgnummer uit de automaat plakken.<br />

Kom de volgende les uitgebreid terug op deze opdracht. hoe is het gegaan? Kon je het goed v<strong>in</strong>den?<br />

was iedereen er? Kon je de vragen beantwoorden? welke loketten waren er? wat kun je doen bij die<br />

loketten?<br />

evalueer de opdracht onder ‘terugkijken’ (stap 3). Zijn de cursisten nog nieuwe woorden<br />

tegengekomen? hebben ze nog vragen?<br />

neem de <strong>in</strong>gevulde werkbladen <strong>in</strong> en controleer de antwoorden. Bespreek de antwoorden klassikaal:<br />

heeft ieder groepje hetzelfde gevonden?<br />

De cursisten doen na afloop het werkblad en het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

praktijkopdracht 2: haal het op het gemeentehuis (duo’s of groepswerk)<br />

laat uw cursisten <strong>in</strong> groepjes of duo’s naar het gemeentehuis gaan. laat elk groepje een afspraak maken<br />

om (bijvoorbeeld tijdens of aansluitend aan de groepsles) naar het gemeentehuis te gaan. laat op het<br />

praktijkopdrachtformulier onder ‘Voorbereiden’ (stap 1) noteren met wie, hoe laat (open<strong>in</strong>gstijden!)<br />

en hoe ze erheen gaan en wat ze moeten meenemen. waar wachten ze op elkaar? laat de afspraak ook<br />

noteren <strong>in</strong> de agenda.<br />

Kopieer knipblad 8.3 op stevig papier. Knip de kaarten los. Doe dit zoveel keer als u groepjes hebt.<br />

Geef elk groepje of duo een setje van vier kaarten mee.<br />

elke cursist kiest één of meer opdrachten om te gaan doen <strong>in</strong> het gemeentehuis. hij/zij vult de opdracht<br />

die hij/zij gaat doen <strong>in</strong> op het praktijkopdrachtformulier. niet alle opdrachten zijn even gemakkelijk.<br />

laat goede cursisten een moeilijkere opdracht kiezen of meerdere opdrachten doen. onder ‘uitvoeren’<br />

(stap 2) op het praktijkopdrachtformulier kunnen de cursisten (een gedeelte uit of een kopie van) de<br />

meegebrachte folder plakken. ook mogen ze een foto maken van elkaar <strong>in</strong> het gemeentehuis en die<br />

opplakken. Bij te we<strong>in</strong>ig ruimte kan dit natuurlijk ook op de achterkant of op een apart blad.<br />

Kom de volgende les uitgebreid terug op deze opdracht. hoe is het gegaan? Kon je het goed v<strong>in</strong>den?<br />

was iedereen er? was het moeilijk om iets te vragen? moest je lang wachten? heb je gekregen of<br />

gevonden wat je nodig had? Vergelijk het meegebrachte materiaal. spreid het uit op een tafel zodat alle<br />

thema 8 - De Gemeente<br />

12<br />

THEMA 8


cursisten het kunnen bekijken. laat ervar<strong>in</strong>gen uitwisselen.<br />

evalueer de opdracht onder ‘terugkijken’ (stap 3). Zijn er nieuwe woorden geleerd? Zijn er nog vragen?<br />

De cursisten doen na afloop de meegebrachte folders en het praktijkopdrachtformulier <strong>in</strong> hun map.<br />

terUgkijken<br />

<strong>in</strong> deze fase kijkt u met de cursisten terug op thema 8. wat hebben ze geleerd? hoe zijn de<br />

praktijkopdrachten gegaan? houd een groepsgesprek.<br />

Kopieer werkblad 8.8 (het evaluatieformulier). laat de cursisten <strong>in</strong>dividueel aankruisen <strong>in</strong> de tweede en<br />

derde kolom wat voor hen van toepass<strong>in</strong>g is. Bespreek wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld en waarom. controleer<br />

door middel van een aantal vragen ‘steekproefsgewijs’ of het klopt wat ze hebben <strong>in</strong>gevuld. u kunt<br />

bijvoorbeeld de kaartjes van de verschillende knipbladen gebruiken om de cursisten ‘te overhoren’.<br />

u kunt ook gebruik maken van de woordenlijst: woord opzoeken, woorden uitbeelden, woorden<br />

clusteren, woorden uitleggen, etc.<br />

laat zo alle doelen uit de eerste kolom nog eens de revue passeren. Kennen/kunnen ze het <strong>in</strong>derdaad?<br />

Verwerken<br />

<strong>in</strong> de laatste kolom van werkblad 8.8 kunt u tips laten noteren, bijvoorbeeld: luister nog eens naar de<br />

gesprekjes op de computer. herhaal ‘oefenen met taal’ of ‘woorden leren’ op de computer. lees nog<br />

eens de werkbladen, etc.<br />

Kijk <strong>in</strong> je woordenschrift of <strong>in</strong> de woordenlijst. welke woorden en / of z<strong>in</strong>nen kun je vaker gebruiken?<br />

cursisten kunnen natuurlijk ook zelf d<strong>in</strong>gen bedenken. De cursisten bewaren het formulier <strong>in</strong> hun map.<br />

thema 8 - De Gemeente<br />

13<br />

THEMA 8

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!