DE JOURNALIST

webstore.iisg.nl

DE JOURNALIST

N^ 354

Int.

'nstitüut

Soc

Gesch

'edenis

^"«ertfair»

7 December 1922

DE JOURNALIST

Orgaan van den Nederlandschen Journalisten-Kring

Adres voor Redactie en Administratie

BUS SUM Kon. Emmalaan 13

INHOUD. Locale en Gewestelyke Vereenigingen: Haagsche

Journalisten-Vereeniging; Het 25-jarig bestaan der Rotterdamsche

Journalisten-Vereeniging. — Algemeene belangen:

Uit zonnige jaren. — Indische belangen: Redactie-geheim;

Bataviaasch Handelsblad, enz. — Advertentiën.

Locale en Gewestelijke Vereenigingen.

Haagsche Journalisten-Vereeniging.

Als lid heeft zich opgegeven de heer A. J. BOTHENIUS

BROUWER, Nieuwe Courant. Het Bestuur beslist over deze

aanvrage niet binnen een week nadat zij ter kennis van de

leden is gebracht.

Het 25-jarig bestaan der R. J. V.

In een gisteravond gehouden bijeenkomst is besloten het

25-jarig bestaan der Rotterdamsche Journalisten-Vereeniging

— opgericht 10 Januari 1898 — Zaterdag 13 Januari 1923

officieel te herdenken met een receptie en een feestmaaltijd

in het societeitsgebouw der Rotterdamsche Diergaarde.

Algemeene belangen.

Uit zonnige jaren,

— — (Toen ik onlangs de parlementaire perstribune

had verlaten, rijpte bij mij het voornemen, eenige collegiale

herinneringen uit de jaren, die ik er doorbracht, saam te

vatten. Een gesprek met den redacteur van ons orgaan

deed mij ervaren, dat hij er gaarne plaatsruimte voor wilde

afstaan, waarvoor ik hem oprecht erkentelijk ben. Alvorens

deze herinneringen „uit zonnige jaren" hier gepubliceerd

werden, maakten de drukkers van ons orgaan, de firma

A. de la Mar Azn., er een sierlijk boekje van, dat haar

alle eer aandoet, en waarvan ik aan m'n collega's van de

perstribune en aan m'n mede-leden van het Kringbestuur

een exemplaar aanbood. Wanneer ik nu van alle Kringleden

in eenige achtereenvolgende nummers wat belangstelling

vraag voor m'n eenvoudige werk, dan vraag ik

die niet voor mij-zelf, maar omdat de parlementaire perstribune

werkelijk een klein, maar typisch en belangwekkend

wereldje-van-journalisten vormt) .

* *

*

I

Vreest niet dat nieuwe dagen uit mijn ziel

Uw . , . erinnring bannen! — Neen,

Ik doe als V meisje dat haar paerelsnoer

Zag breken: eiken paerel, die daar viel,

Raapt zij zorgvuldig van den gladden vloer

En telt ze na — en daar ontbreekt niet een.

Redacteur:

CORN. A. CRAYÉ

(Helene Swartli)

Toen ik op Vrijdag 20 October uit de vergadering der

Tweede Kamer naar huis terugkeerde, was m'n hart meer

dan vol. De laatste maal! de laatste maal! zoo sprak,

met cynische regelmaat, een stem in me.

De laatste maal dat je op de perstribune gezeten hebt . . .!

Toen dacht ik terug aan den dag, dat ik, als jonge-man

Dit blad verschijnt den eersten en

derden Donderdag van iedere maand

van 23 jaar, voor de eerste maal de parlementaire perstribune

betrad. Het was op Zaterdag 16 September 1905,

bij de sluiting. Den l en Augustus 1904 was ik — na eenige

jaren in de sport-journalistiek te hebben gewerkt — aan

De Telegraaf benoemd, bij de redactie te Amsterdam.

Ik moest er dadelijk, min of meer, de vuurproef doorstaan,

want reeds kort na m'n intrede in het vak kreeg ik een

Koninginne-reis naar Den Helder, ter gelegenheid van het

gouden feest van het Marine-instituut, te bewerken. Het

waren moeilijke, maar blijde dagen voor me. Ik maakte

reeds toen kennis met vooraanstaande journalisten, waaronder

BRUSSE, tegen wien ik in eerbiedige bewondering

opzag, en die ook als verslaggever in Den Helder aanwezig

was. En kort daarop volgde ik generaal VAN HEUTSZ

op een eere-tocht door het land . . .

In den winter, die daarop volgde, nadat ik dus een

half jaar in de dagblad-journalistiek had gewerkt, werd

ik ziek. Mijn ongesteldheid duurde verscheidene maanden.

Ik dacht, dat ik mijn functie aan De Telegraaf kwijt zou

zijn, kreeg lust in „de politiek" (ben er thans grondig van

genezen!) en vervulde vele spreekbeurten in den vóórzomer

van 1905, toen de verkiezingen naderden. Tot m'n

verrassing bood De Telegraaf mij daarna de plaats van

parlementair redacteur aan. Met beide handen aanvaardde

ik deze benoeming.

En zóo betrad ik, op 16 September 1905, de parlementaire

perstribune ... het heilige der heiligen . . . vervuld van

schroom en eerbied, en völ verwachting.

Aan dit oogenblik dacht ik, toen ik onlangs, op m'n

laatsten parlementairen dag, huiswaarts keerde.

Meer dan zeventien jaren waren voorbijgegaan. Tijden

van zwaren en ingespannen arbeid. Twaalf jaar lang heb

ik verslag èn overzicht beide geschreven. Ik heb, op onze

onvergetelijke tribune, véél, maar gelukkig en opgewekt

gewerkt. In 1905 was ik de jongste, nu stond ik naar

anciënniteit nummer drie van de 18. ELOUT was de nestor,

dan BELINFANTE, dan ik ...

* *

Onze tribune!

Och, hoe schamel, hoe bescheiden ziet. zij er uit. Een

pijpenla. Een kippenhok. Een ietwat corpulent collega is

al dadelijk uitgesloten van een benoeming tot parlementair

journalist: hij kan er niet óp. Noch op de „groote", noch

op de „kleine" tribune. Nooit heb ik beter ons sjofele

bezit beseft, dan toen ik enkele jaren geleden in een

buitenlandsch parlement stond, en daar de perstribune, en

daar de persvertrekken zag: m'n oogen èn m'n mond

gingen wijd open van pure verbazing. Maar de Kamer

zélf was ook steeds ellendig behuisd, en vandaar dat wij

over ons deel nooit hard mochten klagen. Toch hebben

we (weet ge 't nog, collega's?) jaren geleden geweigerd

ons „nieuwe" wachtvertrek in de Eerste Kamer te betrekken,

omdat een blind paard er geen scha kon doen. Het hielp.

We kregen meubeltjes. Kleedjes. Een zeil. Victorie! Is er

dan in die 17 jaar niets aan ons home in de Tweede

Kamer verbeterd? Ondankbare! Ik heb allerlei ingrijpende

reorganisatie-plannen zien uitvoeren. Er is een snoezig

alcoofje bijgebouwd, dat wij „de bedstee" noemden, en

waarin collega PLEMP vroeger nog al eens ging zitten, als

een leeuw in een hondehok. Er zijn electrische belletjes

naar de looperskamer gekomen. Er is een rand glas-metkippengaas

aangebracht, opdat we geen ongerechtigheden

beneden op de kostbare en kostelijke hoofden kunnen

laten vallen, gelijk vroeger wel gebeurde. We hebben

sleutels op onze lessenaars gekregen. En de jongste

hervorming, de allerjongste, kort voor mijn aftreden, was:

het aanbrengen van kleppen op de inktkokers.

(— Hoe gelukkig voel ik me, dat ik dit laatste nog heb

mogen meemaken! —)


148 DB JOURNALIST

Maar overigens is onze knusse tribune in den loop van

mijn parlementaire jaren dezelfde gebleven, en moesten

we, aan alle kanten vastgeklemd, ons werk doe». We

hébben het gedaan. En ik mag niet de keerzij van deze

medaille vergeten. Onze primitieve tribune gaf ons altijd

een sensatie van gezelligheid, van huiskamer-vreugde, en

ik wil eerlijk bekennen, dat ik altijd weer met opgewektheid

m'n knusse steegje inwandelde, waar het werk wachtte.

Raum ist in der kleinsten Hütte Jür ein glücklich Hebend

Paar. De journalist die z'n beroep mint kan overal werken,

en is een aanhanger van die Schilleriaansche philosofie.

Maar een enkelen keer heb ik wel eens aanvechting

gekregen, om de étage-vreugde van onzen knussen griffelkoker

op te sieren met een paar bloempotjes: een welvarende

resida of een doorvoede geranium . . .

Hoe schitterend zijn ook onze couloirs. Niet waar? in

de couloirs van een parlement ontmoeten de Kamerleden

en de journalisten elkaar. De onze ligt beneden achter

de tribune. Het is het ruim van de pers-aak. Er hangt

een vervaarlijke brandslang en een pampier, waarop met

gothische letters wordt verzocht niet te praten, „teneinde

de journalisten niet in hun werk te storen". Het is er

gezellig-donker. Je weet nooit, of je ertegen SUZE aanloopt

of tegen BEUMER. In deze couloir is het gebeurd, dat een

afgevaardigde een bode toevoegde: „Ga jij maar weer

weg, vriendje, 't is nog geheime vergadering!", en zie, het

vriendje bleek de Minister van Koloniën. De vergissing

bleek zelfs bij daglicht alleszins vergeeflijk. Neen, ons

contact met de Kamer heeft meermalen plaats gehad over

den rand van de tribune heen, en, vrienden, mag ik jullie

dringend verzoeken, DUYS niet te laten profiteeren van

mijn afscheid? en hem voor en na de thee te herinneren

aan z'n „studie-reis"?

Ja, royaal hebben we 't nooit gehad. Maar zie, juist nu

ik heenga worden de bij de tribune behoorende appartementen

uitgebreid. Ge krijgt er kamers bij, collega's. Zelfs

werd over de versiering daarvan reeds gemompeld in de

laatste dagen dat ik er was. Het wordt ruim. Het wordt

vorstelijk. Is het geen schrikkelijke pech voor me? Ik heb

den tijd meegemaakt, dat we, als er comité-generaal was,

aan de voeten van den Roomsch-Koning moesten gaan

zitten, op den rand der Binnenhof-fontein. Die dagen van

ballingschap zijn reeds jaren voorbij. Maar nu het nog

beter wordt, nu ge een eigen vleugel van het gebouw

krijgt, nu moet ik weg. Aan de grens van het beloofde

land moet ik blijven staan . . .

* *

*

Ik nam de parlementaire taak van J. E. STOKVIS over,

die naar Het Vaderland was verhuisd. Nog prijs ik mij

gelukkig, dat ik de opvolger mocht zijn van een man als

hij, een van de meest bekwame dagbladschrijvers die ik

ooit ben tegengekomen, een schitterend werker, een kaerel

met een fijnen, sprankelenden geest. De ware journalist is

de geboren journalist, schreef CHARLES BOISSEVAIN eens.

Zulk één is STOKVIS. Reeds vóór ik mijn werk aan de

dagbladpers begon, had ik hem in de sport-journalistiek

ontmoet en groote vriendschap voor hem opgevat. Het

toeval wilde, dat ik zijn parlementaire werk moest overnemen:

mijn taak was er dés te zwaarder om. Aan het

verslaan van groote vergaderingen had ik toen nog niet

veel gedaan. M'n première als zoodanig was van een

merkwaardige pikanterie geweest. In Amsterdam werd een

metaalbewerkers-congres gehouden. De openings-vergadering

moest ik verslaan: het was m'n eerste. En zie! ik werd

door den voorzitter vriendelijk uitgenoodigd onmiddellijk

heen te gaan, aangezien de directie van De Telegraaf, een

zetter had ontslagen en de krant werd geboycot. Terwijl

uit de propvolle zaal vele booze blikken op mij gericht

waren, ging ik heen, en de collega's volgden mij, als

protest, op den voet. Aldus m'n intrede in de verslaggeverij.

Veel ervaring had ik werkelijk niet, toen ik het parlement

binnenkwam.

M'n debuut op de perstribune werd — een flater.

Zooals ik reeds zeide, was de sluitings-zitting in 1905

de eerste die ik bijwoonde. Er waren toen, als gewoonlijk

bij die plechtigheid, slechts weinig collega's op de tribune.

Ik ontmoette er wijlen S. VAS DIAS, die mij een gedrukt

exemplaar van de sluitingsrede overhandigde. In die dagen

was die speech nog héél lang en bevatte een opsomming

van alle eenigszins belangrijke afgedane ontwerpen. Toen

ik haar in handen kreeg, zond ik haar aanstonds naar het

telegraafkantoor, en zij werd, in heel haar eerbiedwaardige

lengte, getrouwelijk geseind. Ik glom van activiteit. Maar

jk wist niet, dat de speech reeds den vorigen avond naar

de bladen was verzonden. Het was een duur, maar leerzaam

debuut, en ik heb dergelijke flaters nooit meer. . .

nu jok ik,

(— ik vertel hier maar, zonder samenhang, en niet lettend

op chronologische volgorde, eenige herinneringen —),

want ik heb nog eens een flater begaan, een leelijke.

Ik moge het dramatische moment vereeuwigen.

Het is een jaar of tien geleden, en het gebeurde op

den avond voor Kerstmis. Den allerlaatsten avond. De

Staatsbegrooting en de Indische Begrooting waren achter

den rug, en in die stille, vredige avondvergadering waren

we bezig het laatste restje af te doen: de begrooting van

Suriname. Nog zie ik de zaal voor me: tien kanonnen

konden afgeschoten worden zonder een grijntje intellect te

raken. Hier en daar bloeide een afgevaardigde op de groene

banken, als een eenzame paardebloem op een weiland.

Maar dóór de za


les lazen, meedeelden dat er van „een seinfout" geen sprake

was geweest, en mij verzochten hen in het openbaar te

rehabiliteeren. Ik op m'n achtersten zolder. De toon van

den brief vond ik zoo scherp, dat ik op staanden voet

een protest-schrijven ontwierp aan den directeur van het

telegraafkantoor. Met den ambtenaren-brief en mijn protest

begaf ik mij naar de Eerste Kamer (waar dien dag vergadering

was) en aan de daar verzamelde collega's las ik

beide stukken voor.

Toen — eensklaps — barstte er een luid gelach los.

Ik was er ingeloopen. De brief-van-de-ambtenaren was

een brief-van-eenige-collega's ....

Zulke vroolijkheidjes waren vroeger (tegenwoordig gaat

het wat bezadigder toe) niet zeldzaam.

Kort voor bovenstaand incident b.v. had ik, met medewerking

van de geheele tribune, onzen vriend NARDUS

VAS DIAS (ridder van wijlen den Rooden Adelaar en

wijlen de Stanislaus-orde, maar zélf tot op heden levend

en . . . levendig) er met een gefingeerd-berichtje zoo

„tusschen"-genomen, dat hij zijn evenwicht ganschelijk

kwijt was en alle autoriteiten van de residentie opbelde

om te informeeren. En dan onze ontgroenings-methode.

Ook die is tegenwoordig uit de mode. Doch in vroeger

jaren hadden we, in twee naast-elkaar gelegen kamertjes,

een telefoontoestel. Als een nieuwe parlementaire verslaggever

dan had gedebuteerd, werd hij (door één onzer die,

omringd van alle anderen, in de eene kamer bij het toestel

stond) in de andere kamer aan de telefoon geroepen,

en ontving hij een geweldige schrobbeering van zijn

„hoofdredacteur" over zijn verslag van den vorigen dag.

Onze goede, altijd opgewekte vriend BON was specialist

in het uitdeelen van zulke standjes. Hoe vaak heb ik een

debutant, ganschelijk verslagen, bleek om den neus, bij

ons zien terugkeeren, waar we met gemeene gezichten hem

zaten op te wachten, vol vreugde om z'n leed. Zöo kreeg

VAN MEURS na zijn eerste optreden telefonisch een geweldig

standje van PLEMP (alias BON), ZÖO ontving RITMAN een

DE J O U R N A L I S T 149

scherpe critiek van het Kamerlid LIMBURG (alias BON) die

een groote speech had gehouden, „waarvan in de krant

niets was terechtgekomen". Maar de collega, die probeerde,

in den oorlogstijd, mij — re/egraa/-redacteur — met een

opdracht van den Duitschen gezant te belasten, had toch

wat al te veel op m'n argeloosheid gespeculeerd.

Intusschen: wij waren humaan genoeg, om het slachtoffer

niet te lang in z'n ontgroenings-leed te laten. En het was

een verkwikking, om de opluchting te zien als wij het

geheim hadden onthuld . . .

Grapjes. Zeker. Maar die een bewijs waren van de

uitstekende stemming onder ons. Van de goede verstandhouding

en genegen collegialiteit.

Redactie-geheim.

Indische belangen.

De Java Bode wist onlangs mede te deelen dat een assistentresident

eervol ontslagen werd, die in zijne qualiteit van

gemeenteraadsvoorzitter zijn gemeente groot financieel nadeel

had berokkend door een transactie, waarbij hij zelf een

douceurtje opstak. De zegsman van het blad moest zijne

gegevens uit een geheim stuk hebben geput. En nu werd de

hoofdredacteur van de Java Bode, DE VRIES, door de justitie

ontboden om gehoord te worden in een aanklacht tegen den

onbekenden schrijver. De heer DE VRIES weigerde getuigenis

af te leggen, met een beroep op het redactie-geheim, waarop

de meer geuite bedreiging met gijzeling tegen den weerspannigen

getuige volgde.

Het N. v. d. D. v. N.-l. en het Bat, Nbl. protesteerden

tegen dit optreden der justitie, eerstgenoemd blad er op

wijzende, dat de justitie zich hier in dienst der wraak stelt,

wat niet op haren weg ligt, laatstgenoemd blad o. a. in

herinnering brengend, dat de heer VIERHOUT, omstreeks 15

jaar geleden, inderdaad voor veertien dagen de straf der


150 D È J O U R N A L I S T

DDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDODDDDDDDDDDDaDDDDDDDDDDDDDDDDDD

HIM A's zijn goede rijwielen.

DDDDDDDDDDaaDDDDaDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDD

gijzeling moest ondergaan. Het N. v. d. D. v. N.-I. schreef

nog:

„Het is inderdaad een allerzonderlingste geschiedenis.

„Een ambtenaar, die een onwaardige daad zou hebben

bedreven, krijgt eervol ontslag, en de journalist die in het

publiek belang die daad aan de groote klok hangt, wordt

met gijzeling bedreigd. Nietwaar? — daarop komt het geval

practisch neer!

„Indië blijkt toch maar het land der onbekende mogelijkheden

!

„De Java Bode kan zich echter troosten met de wetenschap,

dat ook wij enkele jaren geleden een in opzet gelijke poging

weerstonden om het redactie-geheim te schenden. Wij waren

toen echter heel wat dichter bij de gevangenis dan de collega

thans.

„Men eischte drie maanden tegen ons voor een artikel dat

een ander geschreven had. En de hooge eisch tegen iemand

die nog nooit veroordeeld was, wekte den schijn uit dépit

zoo hoog te zijn gesteld, omdat men ons den vurig begeerden

auteurs-naam niet kon ontwringen. Raad en Hof beide spraken

ons toen vrij.

„Maar de publieke achting voor het Hooge Recht in Indië

gaat er met dergelijke ervaringen en manipulaties niet op

vooruit."

Bataviaasch Handelsblad.

Omtrent de liquidatie van de N. V. Het Bataviaasch

Handelsblad wordt gemeld:

„Tot liquidateur is benoemd de directeur van het Anetakantoor

BERRETTY. De geheele oplaag van het Bat. Handelsblad

gaat over naar de Java Bode." Met die „oplaag" is

waarschijnlijk niet bedoeld de overgebleven exemplaren van

het B. H, maar de lijst van abonné's.

Benoemd tot lid van de hoofdredactie van het N. v. d. D.

v. N. I., E. VAN LIDTH DE JEUDE. Genoemd blad teekent

hierbij aan:

„De bedoeling onzer directie is een aanvang te maken met

de verwerkelijking van het plan, nog niet lang geleden door

Jhr. JAN FEITH ontworpen en in de Ind. Post ontwikkeld:

om een zoodanigen redactie-staf te kweeken, dat deze afwisselend

nu eens enkele jaren in Indië, dan weer eene periode

in Nederland kan werkzaam zijn.

„Zoo heeft een geregelde verfrissching van werkkrachten

plaats, welke aan de betrokken bladen en periodieken zoowel

als derzelver redacties niet anders als ten goede kan komen."

Met verlof naar Nederland vertrok de hoofdredacteur van

de Deli-Courant, J. J. VAN DER LAAN, waarn. hoofdredacteur

W. C. VAN MEURS.

Overgegaan naar de afdeeling journalistiek van Aneta te

Batavia, de redacteur bij de Indische Courant te Soerabaja,

VAN RIJNBERK.

Benoemd tot vertegenwoordiger in Nederland van de

Indische Courant de correspondent van dit blad in Midden-

Java J. SCHAAP.

De prijs van losse exemplaren van De Journalist is 15 cent.

Gedrukt bij A. de la Mar Azn., Amsterdam

Advertentiën.

Andere tijden, andere zeden.

Bij POLMAN kon men vroeger

alleen a la carte eten.

Thans zijn van 5-8 uur in Polmans Huis

ook Diners a prix fixe verkrijgbaar.

Het fixum is bepaald op f 2.50.

Het diner is goed.

De bediening is oplettend.

De wijnkelder geniet nog

altijd een goede reputatie.

Warmoesstraat 197-199 Amsterdam.

Advertenties in „De Journalist"

Heele pagina f 60.— (± 550 cM z )

Halve „ „ 30.— (± 270 „ )

Kwart „ „ 15.— (+ 130 „ )

Zesde , „ 10.- (± 84 „ )

Twaalfde „ „ 5.— (± 42 „ )

Kleine advertenties kosten 30 cents per regel.

Bij 6 plaats, eener advertentie op dezelfde grootte 10 °/0 kort.

12 20

)) *" n rt n n » n ^^ » »

More magazines by this user
Similar magazines