Publiciteit.

webstore.iisg.nl

Publiciteit.

No. 469 Int. Instituut J 24 October 1931

Adres voor Redactie en Administratie

Van Slingelandtstraat 70 Den Haag

Publiciteit.

Openbare Les, gehouden bij de opening van zijn colleges

als Privaat-docent in de Publiciteitsleer aan de Rijksuniversiteit

te Utrecht op Maandag 19 October door W. N. van

der Hout.

Geen overwinning van den menschelijken geest heeft

zoo'n diepgaande en vèr-strekkende verandering teweeg

gebracht in de verhouding der individuen onderling en

in de houding der individuen tegenover Gemeenschap

en Overheid als de uitvinding van de drukpers-kunst.

Vóór de praktijk van deze kunst, in de eerste helft der

zestiende eeuw, een eenigszins belangrijken omvang had

aangenomen, bepaalde het geestelijk contact tusschen

de enkelingen zich tot het gesproken woord in de enge

sfeer van eikaars persoonlijke nabijheid. Wat daarnevens

aan schriftelijke gedachte-wisseling, per brief van

enkeling tot enkeling, mogelijk was, had ten gevolge

van de verkeersmoeilijkheden weinig te beduiden.

De enge sfeer der persoonlijke nabijheid van spreker

en hoorder bond het geestelijk contact niet alleen aan

de personen zelf, maar ook aan den tijd en de plaats van

samenzijn.

Toen het door middel van de drukpers mogelijk was

aan de gedachte stoffelijke gestalte te geven en van dit

materieele beeld een groot aantal afdrukken te vervaardigen,

werden al deze beperkingen met één slag opgeheven.

Persoonlijke nabijheid was onnoodig; gebondenheid

aan tijd en plaats verviel: de lezer, die den hoorder

verving, kon nu zelfstandig bepalen wanneer hij het

geestelijk contact wenschte te sluiten en hij kon dit hernieuwen

en beëindigen zoo vaak, ten tijde en ter plaatse

als hem behaagde, geheel onafhankelijk van de persoon

met wiens geest hij dit begeerde aan te gaan.

Het allesbeheerschende verschil was hierin gelegen,

dat als intermediair voor het geestelijk contact, voorheen

het spreek-orgaan van den uitzender der gedachten en

het gehoor-orgaan van den ontvanger, thans uitsluitend

het gezichtsorgaan ging dienst doen. Het vèr-strekkende

gevolg daarvan was, dat het contact werd losgemaakt

van ieder stoffelijk contact en het, gematerialiseerd als

het was, steeds behouden bleef, wijl het te allen tijde herkregen

kan worden. Om een modern beeld te gebruiken:

een bibliotheek is een schakelbord, dat in staat

stelt te allen tijde aansluiting te verkrijgen met iederen

geest, waarmede men die aanraking begeert.

Dit is het groote effect geweest van de drukperskunst,

dat zij ons bracht, wat wij thans noemen, de publiciteit,

d.i. het continue geestelijk contact van den

enkeling met de massa, onbeperkt, individueel, los van

plaats en tijd. Het gesproken woord daarentegen was

het acute geestelijk contact van den enkeling met een

groep, beperkt, collectief, gebonden aan plaats en tijd.

Om dit verschil nog iets scherper te schetsen, moge

Redacteur:

W.N. VAN DER HOUT

Dit blad verschijnt ten minste

éénmaal per maand.

ik een oogenblik een derden vorm van geestelijk contact

in beschouwing nemen, die resultaat is van de grootste

uitvinding van deze eeuw: de radio. Ook deze heeft

een, zij het bizondere soort, publiciteit mogelijk gemaakt,

maar deze soort staat in bijna alle opzichten achter bij

die van de drukpers.

Bij de radio is het gehoor-orgaan als intermediair gebleven;

de gebondenheid aan plaats en tijd werd niet

opgeheven; een blijvende gestalte heeft het contact niet.

De eenige uitbreiding, welke de radio gaf aan den

vóór-drukpers-toestand is deze, dat de eisch der persoonlijke

nabijheid van spreker en hoorder verviel en

dat het hoor-contact individueel is geworden. De stem

van den spreker, den uitzender der gedachten, wordt

zoodanig versterkt, dat het veld, dat zij kan bestrijken.

bijkans eindeloos is. De wanden binnen welke de luisterende

menigte werd opgesloten om de stem te kunnen

beluisteren, zijn vervallen; de stem gaat nu uit over —

we mogen wel zeggen — de geheele wereld, tot allen.

Maar het contact is en blijft gebonden aan de persoon

van den spreker, die voor den microfoon staat, aan den

tijd van uitzending en aan de plaats van den geluidweergever,

die het contact met den hoorder vormt; geen

onafhankelijke vernieuwing van het contact is mogelijk.

Het karakter van de publiciteit door middel van den

radio is een spontaan geestelijk contact van den enkeling

met de massa, onbeperkt maar individueel, gebonden

aan plaats en tijd en persoon.

Hoe grootsch deze uitvinding ook zij, hoe gewichtig

ook de mogelijkheid is om plotseling met de geheele

wereld verbinding te verkrijgen, hoe belangrijk ook voor

distributie van andere geestelijke materie, met name

muziek, de radio blijft in zijn beteekenis voor het contact

der geesten verre bij de druk-kunst ten achter.

Een vergelijking tusschen het orale en het ophthalmische

intermediair bij geestelijk contact leidt in allerlei

details, welke nu eens in het voordeel van het één dan

weer in dat van het ander zijn. Tegenover de rust, waarmee

de lezer zijn contact voert en de mogelijkheid, dat

hij zelf het tempo bepaalt waarin zich dit ontwikkelt,

staan als nadeel van het andere intermediair, voor den

hoorder, de storende invloeden van de omgeving en de

noodzakelijkheid van snel de rede door het gehoor te

concipieeren ten einde het verband in die rede niet te

missen.

Wij kunnen al deze verschilpunten, vóór- en nadeelen,

laten rusten, maar op één element moeten wij de aandacht

vestigen, omdat dit van overwegende beteekenis

is. Van het gesproken woord gaat iets uit, kan althans

iets uitgaan, dat in het gedrukte niet of zeer moeilijk

is te remplaceeren. Met een enkele vage aanduiding is

het getypeerd: het is de bezieling van het woord door

het oratorisch talent, door de voordracht van den spreker.

In de stoffelijke gestalte van het gedrukte woord

staan de zinnen en de woorden als gelijken in rang en


90 DE J O U R N A L I S T

beteekenis, maar het is de spreker, die in hen een groot

onderscheid weet te maken, die een relief aanbrengt, dat

zijn invloed op de hoorders niet mist. Het gedrukte

woord, dat het gesproken verdrong, is stom: het heeft

zijn Laut und Klang verloren.

Die Laut und Klang, die bezieling, om deze uitdrukking

te blijven gebruiken, kan slechts gedeeltelijk worden

geremplaceerd in het gedrukte woord: levendige beschrijving,

boeiende woordkeus, ze zijn niet bij machte

de bezieling geheel te hergeven.

Het is bij het schrijven een gewichtig element dit

tekort zooveel mogelijk aan te vullen. Verschillende

eigenschappen kunnen den schrijver daarbij van dienst

zijn. Wie zich de bevordering der publiciteit ten doel

stelt, moet van de vele deugden en kwaliteiten, welke

in een mensch vereenigd kunnen zijn, in 't bizonder

eenige en deze liefst in bizondere mate bezitten, omdat

zij voor de uitvoering van zijn taak van veel nut en dikwijls

zelfs onmisbaar zijn.

Trouwens deze eisch van specifieke kwaliteiten geldt

voor de praktijk van ieder ambt en beroep; of de daarvoor

gewenschte eigenschappen aanwezig zijn, komt

eerst aan den dag tijdens de praktijk, waarin zij ontegenzeggelijk

kunnen worden bevorderd en ontwikkeld. Zij

kunnen op het terrein der publiciteit alleen dan hun invloed

laten gelden, hun functie vervullen als zij gepaard

gaan aan en in dienst staan van kennis en vermogen

tot oordeelvorming; zonder deze laatste dreigt

het gevaar van overdrijving, juist op dit gebied omdat,

gelijk de ervaring leerde, daar die bizondere tournures

d'esprit gemakkelijk hypertrofieeren en het harmonisch

evenwicht van den inhoud verstoren óf het tekort aan

inhoud trachten te camoufleeren.

Hoe voor verschillend doel dezelfde kwaliteiten benoodigd

kunnen zijn, moge uit een enkel voorbeeld

blijken.

Een fabrikant, die een nieuw artikel schiep, wenscht

dit ingang te doen vinden bij het publiek. Het is niet

voldoende het artikel te toonen, te exposeeren; hij moet

de aandacht van het publiek er op trekken, er belangstelling

voor wekken, hij moet de begeerte prikkelen

om het artikel te willen bezitten, nadat de overtuiging is

gevestigd, dat aan dit bezit nut en voordeel, gemak en

genoegen zijn verbonden. Hij moet het publiek bezielen,

zoodat het grijpt naar zijn artikel.

De schrijver, die zijn gedachten en gevoelens tot het

publiek wil brengen, wenscht, dat deze op gelijke wijze

zullen worden aanvaard als het artikel van den fabrikant.

Ook zijn artikel — hier is hetzelfde woord voor

het stoffelijke en het geestelijke product in zwang •—

moet de aandacht boeien, de belangstelling wekken,

zoodat het publiek er naar grijpt om den inhoud ervan

tot zijn geestelijk eigendom te maken. In beide gevallen

wordt getracht de bezieling, welke tot de psychische

reactie van het begeeren prikkelt, te leggen in de wijze

van expositie en aandiening. In beide gevallen streeft

men naar de publiciteit en in beide gevallen is het publiceeren

een kunde.

Iedere kunde ontstaat uit een samenwerking van

cerebrale overwegingen en psychische postulaten.

Die samengesteldheid van een kunde maakt haar

zelf onmiddellijk tot een materie voor onderzoek en

studie, omdat wij dit complex in zijn samenstellende elementen

wenschen te ontleden. Zoodanige analyse leidt

tot inzicht en begrip in het wezen dier kunde en door

inzicht en begrip komt men tot doelbewuste beoefening.

De bestudeering van de publiciteit als geestelijk contact

en als maatschappelijk verschijnsel èn van de publiciteitskunde

als product van den menschelijken geest,

leidt tot de samenstelling van een publiciteitsleer, welke

de vraagstukken onderzoekt en bestudeert, die op het

gebied van publiciteit en publiciteitskunde rijzen. Deze

vraagstukken zijn van velerlei aard en uitéénloopende

beteekenis: historisch, sociologisch, psychologisch, praktisch

en technisch.

De historische en sociologische zijn nauw verbonden:

men kan de maatschappelijke verschijnselen nimmer

doorgronden wanneer men niet aanvangt met studie en

onderzoek van hun oorsprong. Een enkel markant voorbeeld

uit de wording der publiciteit zij hier aangestipt.

Het voornaamste en overheerschende instrument der

publiciteit, de krant, kwam pas op bijkans twee eeuwen

nadat de drukkunst was uitgevonden. Niet uit de technische

mogelijkheid ontstond zij, maar wel uit de maatschappelijke

behoefte, welke met name handel en verkeer

verwekten. In die langdurige voorbereidende periode

is wel op tal van wijzen getracht de nieuwe kunst

te benutten voor de bevrediging van het verlangen naar

publiciteit, maar het juiste orgaan er voor vond men

eerst, toen de noodzakelijkheid van een geregelde inen

voorlichting was ontstaan.

Nieuws-begeerigheid is altijd een eigenschap der

menschen geweest en talloos zijn de pogingen tot bevrediging

daarvan, die ondernomen zijn vóór de druk-kunst

werd uitgevonden. Toch greep men de mogelijkheid

welke deze uitvinding voor die bevrediging onmiddellijk

bood, niet aan, omdat het belang, dat daarmede gemoeid

was, niet groot genoeg was. De ontwikkeling van het

maatschappelijk leven wekte dit belang en toen eerst

werd de reeds twee eeuwen bestaande technische mogelijkheid

aan de bevrediging dienstbaar gemaakt.

Andere belangen, die ook reeds lang bestonden, vonden

in het nieuwe instituut een forum: het waren in de

eerste plaats de staatkundige en godsdienstige belangen,

voor welke de krant een strijdperk en een wapen bood.

Het zuiver informatoire karakter van de krant bleef

maar heel kort behouden; het kritische element drong

spoedig binnen. Daarmede was een situatie geschapen,

die sociologisch van veel gewicht is: een nieuwe macht

kwam uit de bevolking op, en de beduchtheid, welke de

overheid en de geestelijkheid daartegenover altijd toonden,

bewijst de beteekenis van die nieuwe macht.

De publieke kritiek wekt zoowel bij de overheid als

bij ieder, die er door getroffen wordt, een gevoel van

onbehagelijkheid. De openbare criticus — we nemen

aan, dat hij bekwaam en bevoegd is tot oordeelen —

spreekt zijn oordeel niet uit tot den becritiseerde als een

leermeester tot zijn leerling, als een vader tot zijn zoon

om hem zijn feilen te toonen en den weg te wijzen tot

beterschap, maar hij zaait zijn kritiek uit onder de menigte

en heel veel van zijn kritiek komt helaas ook

terecht bij hen, die niet bekwaam zijn tot oordeelsvorming,

niet bevoegd tot oordeelen en zij zullen in die

kritiek steun vinden voor hun belustheid op kritiek. Het

onnaspeurlijke van de macht en den invloed der openbare

kritiek, het ondefinieerbare effect van de openbare

kritiek geeft het onbehagelijke gevoel van machteloos te

staan tegenover die openbare oordeelsuiting. Ze kan

niet bestreden worden dan ter plaatse waar de openbare

criticus zijn oordeel uitsprak.

Vandaar het verlangen naar het in vele landen erkende

en wettelijk geregelde droit de réponse; vandaar de

zucht der overheid, die haar gezagspositie belaagd ziet,

naar voorkóming van dit kwaad; vandaar haar bedreiging

tegen hen, die van de vrijheid van gedachte-uiting

een te-vèr-gaand gebruik, een misbruik, hebben gemaakt.

Op den duur heeft de overheid de vrijheid van gedachte-uiting

door middel van de drukpers moeten verkenen:

zij heeft na twee eeuwen het pleit verloren, omdat

de kritiek en haar organen machtiger werden dan

zij, maar het onbehagelijke gevoel heeft de overheid

niet verloren en haar verlangen tot beperking, tot breideling

van die vrijheid is niet dood.

Overal waar het brute geweld weer boven komt, en

waar de overheid, steunend op de macht daarvan, de

wetten opzij stelt, is haar eerste daad de drukpersvrijheid

op te heffen, gedachtig aan Napoleon's woord:

si je lache la bride a la presse, je ne resterai pas trois

mois au pouvoir.

Zelfs in ons eigen land moeten wij het aanzien, dat


daar, waar de Grondwet ons niet beschermt, de overheid

niet kan nalaten aan de vrijheid van gedachtenverspreiding

te tornen. Op de radio-publiciteit legde zij

haar beklemmende hand, hoe waardeloos het effect dier

beperking ook is in een land als het onze, waar de onbeperkte

drukpersvrijheid al meer dan een eeuw bestaat.

En de argumenten, welke gebezigd worden ter

verdediging van deze censuur zijn dezelfde als in vroeger

tijden. Drie eeuwen geleden werd een Haagsch

journalist in de gevangenis geworpen toen hij in zijn

krant een grapje had gemaakt over de ietwat koddige

kleeding van een officieelen vreemden gezant; de overheid

was van oordeel, dat deze spotternij een gevaar

opleverde voor verstoring van de vriendschappelijke

verstandhouding der volken. Het verbod van de uitzending

der Matteotti-herdenking had geen ander motief

dan dit, na drie eeuwen.

De overheid deed geen afstand van haar recht om

gebruik, in haar oogen misbruik, te straffen, zij het dan

niet preventief, dan toch repressief. Artikel 7 van onze

Grondwet is typeerend: „niemand heeft voorafgaand

verlof noodig om door de drukpers gedachten of gevoelens

te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid

volgens de wet."

In dit niet bijster fraai geredigeerde artikel komt één

woord voor, dat overbodig is, maar het opnemen van

dat overbodige woord accentueert en karakteriseert het

doel der bepaling. Ieder verlof toch tot het verrichten

van een handeling gaat aan de uitvoering daarvan vooraf.

Voorafgaand verlof is een pleonasme; het gebruik

van dit pleonasme doet echter de stemming van den

wetgever kennen, die vóór-al met nadruk heeft willen

zeggen, dat alleen preventieve censuur is uitgesloten; in

de tweede helft van het artikel wordt de vinger al weer

dreigend opgeheven tegen hen, die geen behoorlijk gebruik

van de gegeven vrijheid zouden willen maken en

men gevoelt, dat met de bedreiging getracht wordt preventief

te werken. In die tweede helft wordt gesproken

van verantwoordelijkheid, maar niet wordt aangegeven

waarop deze slaat. Betreft zij de juistheid, de waarheid

der gedachten of wel het effect, dat zij kunnen oefenen?

Heel soliede is ons grondwet-artikel niet, maar wij kunnen

toch gerust zijn: geen wetgever zal, tenzij steunend

op geweld, zich aan dit artikel durven vergrijpen, want

hij zou de gansche publiciteit tegenover zich vinden en

de drie maanden, welke Napoleon dacht het nog te kunnen

uithouden, misschien niet halen.

Met deze korte aanduiding van één der controversen,

welke kunnen ontstaan uit de verhouding van publiciteit

en maatschappelijk leven, vertoefden wij een oogenblik

in den doolhof der vraagstukken, waarin de publiciteitsleer

wil trachten uitgangen te vinden.

In den loop der tijden is de verhouding tusschen de

overheid en de organen der publiciteit zeer veel verbeterd;

er is aan beide zijden groote geneigdheid tot

samenwerking, hoezeer beide gehecht blijven aan hun

onafhankelijkheid. Hun beider aard verschilt nu eenmaal

veel, maar wanneer aan beide zijden toenadering wordt

betoond, is een bevredigende modus vivendi ten slotte te

verkrijgen.

De grootste overwinning, welke de publiciteit heeft

behaald, ligt ongetwijfeld in de openbaarheid, die voor

alle rechtspraak is verkregen. Die openbaarheid is inderdaad

,,een kostelijk goed". Niets verbitterde en verbittert

zoozeer de gemoederen der menschen als het gevoel

van onzekerheid ten aanzien van de rechtsbedeeling.

Men moge thans zeggen, dat de publiciteit vaak te

vèr gaat in haar mededeelingen omtrent rechtsprocessen

— wij zijn de eersten, die bereid zijn tempering in deze

ernstig aan te bevelen — het kan niet ontkend, dat de

openbaarheid het hechtste bolwerk van persoonlijke zekerheid

voor allen vormt. Wanneer alle burgers zich

thans in vol vertrouwen aan de rechtspraak onderwerpen,

dan is dat voor een groot deel aan de hooge opvattingen

van hun verantwoordelijkheid en de groote ken

DE J O U R N A L I S T 91

nis van het recht onzer rechtsgeleerden, maar voor een

zeer groot deel te danken aan de openbaarheid aller

rechtshandelingen.

En te dieper gevoelen wij de onschatbare waarde, die

de openbaarheid van alle rechtsgeding heeft, wanneer

wij een oogenblik — en met huivering — denken aan de

vele en afgrijselijke misdaden, welke een aan alle publiciteit

onttrokken, in het duister wroetende diplomatie

tegenover de wereld heeft begaan en, wie weet. voortgaat

te begaan.

Psychologische factoren beheerschen sociologische

verschijnselen; nuchtere zakelijkheid beïnvloedt ze echter

niet minder; ideëel doel kan worden gesteld en de strijd

ter bereiking kan een kruistocht worden.

De praktische, nuchtere zakelijkheid, verstandelijke

overweging zoekt denkbeelden ingang te doen vinden

en emotie te wekken ter bereiking van een vooraf beraamd

doel. Niet enkel de simpele feiten, hoe indrukwekkend

ook, wil men door publiciteit ter kennis brengen,

men wil steeds weer het stomme woord bezieling

geven. En wij denken daarbij aan dien anderen vorm

van publiciteit, de reclame, die maar al te dikwijls te veel

Laut und Klang en te weinig gedachte brengt.

Al staat deze tendentieuse publiciteit voor mercantiel

doel in vele opzichten tegenover de publiciteit van geestelijke

waarden, in beginsel is er eenvormigheid van gedachte

en opzet.

Er valt zelfs een wederkeerige beïnvloeding waar te

nemen van publiciteit en reclame. Zijn de luidruchtige

opschriften voor sensationeele en sensationeel-gemaakte

berichten en mededeelingen niet aan de reclame ontleend;

zijn de z.g. bedrijfsbladen niet een verkapt-ideëele

en schijnbaar-objectieve publiciteit, die in uiterlijken

vorm tracht gelijk te zijn aan deze andere publiciteit?

Een scherpe scheiding tusschen publiciteit en reclame

is er niet, omdat nu eenmaal iedere publiciteit een

reclame-element in zich vat al is ze als zoodanig niet

bedoeld èn iedere reclame, ontdaan van de tendentieuse

strekking, altijd slechts publiciteit tot oogmerk heeft.

Vandaar dan ook de pogingen der reclame om zich te

dringen op terrein der ideëele publiciteit.

Ook hier zijn wij in een netelig parket, waaruit de

juiste weg niet gemakkelijk is te vinden.

Het dualistisch karakter van de publiciteitsinstellingen

waarin de behartiging der algemeene en ideëele belangen

is gekoppeld — althans in technischen zin — aan

de bevordering van private belangen, doet tal van vragen

rijzen, die niet met formules zijn op te lossen.

De ontwikkeling der publiciteit is na de opheffing der

belemmeringen, welke de overheid met censuur en belasting

er aan in den weg legde, in een steeds versnellend

tempo gegaan, door de techniek van drukkunst en

uitbreiding der verkeersmiddelen, bovendien voortdurend

aangedreven. Men heeft zich daarbij geen rekenschap

gegeven van de richting waarin het voortging,

noch van den eindvorm, dien men wellicht zou bereiken.

Er was zelfs bij velen een tendenz om zich daarvan geen

rekenschap te willen geven, omdat men de opvatting

had, dat de maatschappelijke omstandigheden en de

technische mogelijkheden van zelf de ontwikkeling zouden

beheerschen en leiden. In een toomelooze vrijheidszucht

vreesde men van iedere theoretische bemoeiing

met de publiciteit een onmiddellijke verstarring, welke

de bewegingsvrijheid aan het snel-ontwikkelend instituut

zou ontnemen.

Snelheid, met name in de berichtgeving, werd het

alles overheerschende element in de publiciteitsjacht en

helaas werd maar al te dikwijls heel veel aan dien afgod

geofferd. Onder den schoonen naam van actualiteit werd

zij de wapenkreet in den concurrentiestrijd, de slogan

van de Hooglanders der publiciteit.

In het begrip actualiteit valt tweeërlei te onderscheiden.

Zoolang zij slechts is een technische kwestie en

bedoelt met gebruikmaking van alle ten dienste staande

middelen van verkeer en vervoer den tijd tusschen een


92 DE J O U R N A L I S T

gebeurtenis en de publicatie daaromtrent tot het uiterste

te beperken, is zij een deugd en kan niemand daartegen

eenig bezwaar aanvoeren. Soortgelijke actualiteit beoogen

tal van instellingen in het maatschappelijk leven.

Maar zoodra actualiteit wordt een niets ontziende, alles

overrompelende jacht om ook reeds datgene te publiceeren

wat nog niet publiceer-rijp is, dan bewijst men

daarmede niemand een dienst maar schaadt men integendeel

het prestige van alle publiciteit.

Terwijl eenerzijds de snelheid van berichtgeving zich

tot koortsachtige haast ontwikkelde, groeide in het publiciteitsinstituut,

de krant, nog een ander streven en

begeeren, van rustiger aard, de wensch n.1. om de publiciteit

dienstbaar te maken aan de geestelijke ontwikkeling

der lezers. Naast het eenvoudig-informatoire en

het critische kreeg het didaktische element overhand.

De oudste krant ontving haar stof uit brieven, meest

koopmansbrieven, waarin naast zakelijke onderwerpen

ook politieke werden behandeld om de handelshuizen

omtrent situatie van heden en conjunctuur voor de naaste

toekomst in te lichten. De beschouwende brief was in

de krant hoofdzaak en eerst in veel later tijd heeft het

bericht, door boden, nog later door telegraaf, telefoon

en radio verzonden, de plaats daarvan gedeeltelijk ingenomen

maar nimmer is de brief verdwenen. Te constateeren

valt in den huidigen tijd, dat de oude vorm van

den beschouwenden brief meer en meer is teruggekeerd,

aanvullend de besprekingen, welke de journalist naar

aanleiding van de omstandige berichten reeds heeft gegeven.

Het streven om den lezers den weg te wijzen in

den chaos der berichten is van didaktischen aard, want

beoogt leering te brengen .

Die zelfde leering komt aan den dag in de partijbladen,

die hun partijgenooten op de hoogte willen brengen

en houden van de vorderingen hunner denkbeelden; die

zelfde leering komt aan den dag op allerlei gebied van

kennis en wetenschap om inzicht te geven in de gestage

ontwikkeling van alle menschelijke geestesuitingen.

In het bizonder zij hier de aandacht gevestigd op de

groote vlucht die het tijdschrift en het vakblad hebben

genomen. Het tijdschrift is eenerzijds een gespecialiseerd

orgaan, uitsluitend ten dienste van een bepaalde groep,

anderzijds een algemeen orgaan waarin uitéénloopende

onderwerpen worden behandeld, die in breeden kring

belangstelling vinden. Het didaktische element is in deze

laatste soort hoofdzaak en dit tijdschrift is als een aanvulling

van de dagelijksche publiciteit te beschouwen. Het

heeft zijn eigen actualiteit. Het dagblad voert dag-aandag

alle materiaal aan; geeft momentopnamen, doet de

lezers meeleven zelfs met de kleinste wisselingen en

wisselvalligheden van alle gebeurtenissen; het tijdschrift

vat op gezette tijden al dit materiaal te samen, onderzoekt,

ordent, schift, beoordeelt het als geheel, put er

uit wat blijvende waarde heeft en vormt een afgerond

en zoo volledig mogelijk beeld.

Het vakblad heeft zich in de publiciteit een belangrijke

plaats veroverd; vele van deze bladen staan op hoog

niveau; zij zijn het geestelijk contact tusschen beroepsen

ambtgenooten en zij zijn de plaats waar resultaten

van studie, onderzoek, praktijk en ervaring worden

meegedeeld. Daarnevens vormen zij een bindmiddel

voor de vak-genooten; de stoffelijke belangen worden

er mede in behartigd en de eendracht, die tot veel goede

gevolgen kan leiden, wordt er in nagestreefd.

Het didaktische element in de publiciteit noopt tot

specialiseering in den arbeid der publicisten en journalisten

en tot dit doel is kennis op goede grondslagen,

welke hen in oordeelsvorming bekwaam en bevoegd

maakt, dringend noodzakelijk. Een deugdelijke vóóropleiding

is onmisbaar voor de richtige uitoefening van

het beroep, waarop al naar den aard van bijzondere

kwaliteiten een gespecialiseerde studie kan worden

voortgebouwd.

Vooral in de laatste decennia heeft het gebied waarop

de publiciteit tracht voorlichting te geven zich zeer uit­

gebreid. Bijna dagelijks zijn vraagstukken van de eerste

orde en het grootste gewicht onderwerp daarvan en

elk van deze vraagstukken eischt groote kennis en diepgaande

studie. Zonder deze heeft de voorlichting geen

waarde. Puur-informatoir omtrent de feitelijkheden

kan de publiciteit niet meer zijn: wil zij haar waarde

behouden en opvoeren, dan dient zij leiding te geven,

inzicht te verhelderen. Tot in de kleinste dorpen, waar

het eigen leven nog even rustig zijn gang gaat als in

ouden tijd, is er een verlangen om mee op te gaan in de

dagelijksche ontwikkeling van alle maatschappelijke en

geestelijke gebeurtenissen in eigen land en ver daarbuiten.

De publiciteit onderhoudt hier het continu contact

en men eischt met recht, dat dit gegeven zal worden

door hen, die zich die voorlichting tot een ernstige

levenstaak hebben gesteld.

Die taak goed te vervullen is alleen mogelijk door

specialiseering.

De tijd van den befaamden all-round journalist is

voorbij; hij kon bestaan in een vorige fase der maatschappelijke

ontwikkeling en der publiciteit. Het zou

onbillijk zijn te ontkennen, dat hij in die vorige fase

voortreffelijk heeft gewerkt; tal van figuren in zijn genre

hebben de publiciteit op verdienstelijke wijze bevorderd,

al danken de meeste van hen hun faam in den

regel toch ook weer aan één bizonder talent, waarin zij

specialist bleken te zijn.

Natuurlijk zijn aan alle kranten vele werkzaamheden

van allerlei aard en op zeer uitéénloopend gebied te

verrichten, welke toch door één man kunnen worden

afgedaan maar de groote rubrieken vragen te veel van

de bekwaamheid en de kennis, den tijd, de studie en

de toewijding der journalisten dan dat zij daarnevens

aan andere taak kunnen medewerken. De differentieering

van arbeid dwingt tot specialiseering en deze

eischt specifieke ontwikkeling, wil men het altijd weer

vernomen verwijt van oppervlakkigheid en dilettantisme

ontgaan.

De zwakke stee in den ouden publiciteitsdienst heeft

men getracht te versterken door tal van deskundige

medewerkers aan te stellen buiten het eigenlijke beroep

staande. Aan dit stelsel zijn echter vele bezwaren verbonden,

welke wij op dit oogenblik niet nader zullen

aanduiden.

Het valt niet te ontkennen, dat aan de specialiseering

óók nadeelen zijn verbonden. De publiciteit heeft zich

zelf grenzen te stellen, ook wat betreft haar dagelijkschen

omvang en bij de veelzijdigheid dient deze eenheidsgedachte

in het doel niet verloren te gaan. Beknopt

maar klaar moet de voorlichting zijn en alleen hij kan aan

deze voorwaarden voldoen, die zelf een goed inzicht

heeft. Paraat tot oordeelsvorming is alleen hij, die zijn

onderwerp beheerscht en om daartoe te komen is een

grondige ontwikkeling van eigen geest onmisbaar.

In Duitschland bedraagt het aantal academisch-gevormden

onder de journalisten 63 %; in Nederland is

dit cijfer nauwelijks 10. Het behoeft dus geen betoog,

dat voor academisch-gevormden in den dienst der publiciteit

nog veel plaats is te vinden.

In ons land leveren de H.B.S.'en en Gymnasia jaarlijks

bijna vierduizend gediplomeerden van het eindexamen

af, een aantal ongetwijfeld ruim genoeg om

daaruit het geringe getal te betrekken, dat noodig is

om in het aantal openkomende plaatsen in de journalistiek

te voorzien. Men kan ook gerustelijk aannemen,

dat er voldoende jongelui onder zullen zijn, die over de

vereischte psychische capaciteiten, voor het beroep benoodigd,

beschikken, waarvan trouwens het bezit eerst

tijdens de uitoefening van het beroep kan blijken. Als

minimum-eisch voor toelating in de journalistiek heeft

de Nederlandsche Journalistenkring het bezit van één

dier diploma's gesteld maar voor de hoogere functies is

een daarop voortgebouwde academische vorming ongetwijfeld

zeer noodzakelijk.

In de tweede plaats is het doel met het onderwijs in


de publiciteitsleer beoogd, gelegen in de verwachting,

dat zij, die zich voorbereiden om straks de voornaamste,

de leidende functies in het maatschappelijk leven te

vervullen, in contact zullen komen met het maatschappelijk

instituut der publiciteit. De verhouding tusschen

publiek en pers kon beter zijn, onbekendheid met het

wezen der publiciteit heeft maar al te dikwijls tot verkeerd

inzicht geleid. Opklaring — we behoeven er verder

niet over uit te weiden — zal beide te stade komen.

In de derde plaats is er een hoop, een verlangen n.1.,

dat de wetenschappelijke bestudeering van de vraagstukken

waarvan wij er enkele aanstipten ook hier te

lande ingang zal vinden. Reeds een halve eeuw lang

hebben tal van Duitsche geleerden zich met deze materie

beziggehouden: een omvangrijke litteratuur is alreeds

verschenen; belangrijk materiaal uit historie en heden

is bijeengebracht en het geeft nog in groote massa

bouwstof voor hen, die hier een arbeidsveld voor wetenschappelijk

onderzoek en studie willen zoeken.

Ik wil, aan het slot van deze voordracht gekomen, niet

trachten in min of meer fraaie dithyramben de beteekenis

te schetsen, welke de publiciteit in den loop der eeuwen

voor het gansche openbare en geestelijke leven heeft

gehad. Zij is aangebeden en te vuur en te zwaard bestreden;

haar instellingen zijn en worden beurtelings

verheerlijkt en verguisd. Men kan dat rustig over zich

laten komen, misschien in stille genoegzame overpeinzing,

dat dergelijke uiteenloopende bejegening altijd in

de eerste plaats te beurt valt aan hem, die zich weert

en die succes boekt. Ik wil me ook niet verdiepen in de

vraag welke één onzer dichters, da Costa, in zwaarwichtige

poëzie heeft behandeld en die in simpel proza

hier op neer komt: is de drukpers-kunst in den hemel

geboren of is ze uitgebroed in de hel? Evenmin wil ik

mij op dit oogenblik partij stellen in het geschilpunt tusschen

twee hooge staatslieden, of de dienaren der publiciteit

„kommandeerende generaals in civiel" zijn dan

wel slechts „Leute, welche ihren Lcbensberuf verfehlt

haben".

Laten wij den eenig-goeden en veiligen weg bewandelen,

den weg van de wetenschap, welke ons voert naar

de bronnen van kennis en wijsheid om te trachten daaraan

onzen geest te laven zoodat wij in staat zijn klaarheid

te brengen waar onzekerheid en verwarring heerschen,

licht te ontsteken, waar duisternis hangt.

Als het mij mocht gelukken voor enkelen gids te zijn

op dien weg, dan zal ik des te dieper erkentelijk blijven

jegens allen, die hun vertrouwen in mij stelden en mij

de gelegenheid hebben geschonken om in dit voorname

en roemvolle milieu van de wetenschap den eersten post,

een voorpost voor de publiciteitsleer in Nederland te

bezetten.

Dagblad-wezen en Dagblad-studie.

Vrijdag 9 October heeft de heer A. J. Lievegoed zijn

serie voorlezingen over het dagbladwezen voor studenten

der Leidsche Universiteit geopend met een voorlezing

over Dagblad-wezen en dagblad-studie.

Deze voorlezingen zijn georganiseerd door het Leidsche Universiteits-fonds,

namens welk fonds een Commissie van Advies is

ingesteld, bestaande uit de heeren mr. L. J. Plemp van Duiveland,

prof. mr. D. van Blom, prof. dr. J. Huizinga, prof. mr. 1. C. van

Oven, prof. dr. N. van Wijk en D. Hans (gedelegeerde van den

Nederlandschen Journalisten-Kring).

Aanwezig waren de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,

mr. Terpstra, met den chef der afd. H. O. van Beeck

Calcoen; tal van hoogleeraren, o.w. mr. Zaayer; namens den Nederlandschen

Journalistenkring de heeren D. Hans, voorzitter, Henri

Dekking, vice-voorzitter, en G. Polak Daniels; verder de voorzitter

van De Amsterdamsche Pers", de heer D Kouwenaar, van de

Haagsche Journalisten-Vereeniging, mr. J. J. van Bolhuis, en van

de Rotterdamsche Journalisten-Vereeniging, mr. P. C. Swart; de

heer P. A. Haaxman, eere-lid van den Nederlandschen Journalisten-

Krinq- mr G G. van der Hoeven, hoofdredacteur N.R.Q.; J. W.

Henny voorzitter van „De Nederlandsche Dagbladpers"; mr. A.

M Joéke* lid der Tweede Kamer; mr. S. Cohen, oud-resident;

F.'j. W. Drion, oud-lid der Tweede Kamer, en voorts vele dames

en heeren studenten en zeer vele journalisten.

DE J O U R N A L I S T 93

Alvorens de heer Lievegoed aan het woord kwam, werden er

eenige korte toespraken gehouden.

Namens de Commissie van Advies sprak mr. L. J. Plemp

van Duiveland, die, na het een en ander van de voorgeschiedenis

te hebben verteld, en er op gewezen te hebben, dat

in andere landen (vooral Duitschland) sinds lang de journalistiek

als leervak op de universiteiten is aangenomen, nog o.a. het volgende

zeide:

„De Universiteitsraad wenschte, dat de lezingen geheel en al

het karakter zouden dragen van een proefneming, bestemd om uit

te maken of onder de studeerenden te Leiden voldoende belangstelling

bestond voor een zoodanige voorbereiding en of op dien

grond nadere stappen zouden kunnen worden aanbevolen, met

name de oprichting van een bijzonderen leerstoel in de journalistiek".

Thans werd de heer A. J. Lievegoed benoemd de taak om.

lezingen over het dagbladwezen te houden.

Naast zijn proefneming zal op 12, 13 en 16 November de heer

Kingsley Martin, hoofdredacteur van het bekende Engelsche weekblad

„The New Statesman and Nation", gewezen hoofdartikelenschrijver

van de uitstekend bekende „Manchester Guardian", als

eerste van de rij eenige lezingen komen houden over de ontwikkeling

van de Engelsche pers sedert den aanvang dezer eeuw.

Daarna sprak de voorzitter van onzen Kring als volgt:

„Dankbaar ben ik, dat mij de gelegenheid wordt geboden namens

het Bestuur van den Nederlandschen Journalisten-Kring op dit

oogenblik een enkel woord te spreken.

Dit woord zij zeker allereerst een betuiging van oprechte erkentelijkheid

jegens de bestuurderen van het Leidsche Universiteitsfonds,

die, na overleg met ons, hebben besloten tot het ondernemen

van deze eerste en belangrijke poging, om binnen het kader der

Universiteit, en ingeschakeld in een bepaalde faculteit, wetenschappelijke

voorlezingen te doen houden op het gebied der journalistiek.

In latere jaren was het verlangen naar universitair onderwijs op

concreten vorm aan in een besluit onzer algemeene vergadering,

als uitvloeisel waarvan wij ons in verbinding hebben gesteld met

de verschillende hoogescholen in ons vaderland. Dat thans de

eerste poging staat ondernomen te worden, en nog wel aan Nederlands

meest-vermaarde Universiteit, is ons een reden tot groote

voldoening, en wij brengen dank aan U, Hooggeleerde Heeren,

dit dit met het gezag van Uw persoon en Uw woord hebt gesteund,

dank aan de Commissie van Uitvoering en aan de Commissie van

Advies.

Deze eerste stap draagt een bescheiden karakter; verschillenden

onzer hadden zich breeder oplossing gedroomd. Niettemin kunnen

wij ons volledig begrijpen, dat op dit nog onontgonnen terrein met

bedachtzaamheid wordt aangevangen; des te grooter zal later de

voldoening zijn, indien het resultaat van wat nu nog onzeker is,

tot uitbouw zal moeten leiden. Namens het Bestuur van den Nederlandschen

Journalisten-Kring verklaar ik, dat van ons alle steun

te verwachten is, waarop een beroep mocht worden gedaan, en dit

te meer, waar wij in dit begin zien een erkenning en een verhooging

van de standing, waarop onze journalistiek aanspraak meent

te mogen maken. Ons officieel binnentreden in zoo notabel gezelschap

aan zoo doorluchte Universiteit is voor ons een blijde en

feestelijke gebeurtenis.

Collega Lievegoed! Aan U is de even eervolle als moeilijke

taak toebedeeld, om als docent op te treden, de taak om deze

poging, wat den inhoud Uwer lessen betreft, tot een succes te

maken. Ik aarzel niet om te verklaren, dat die een zware verantwoordelijkheid

is. Maar gij staat hier, door ons hartelijk vertrouwen

gedragen. Wij weten, dat dit werk is gelegd in handen

van een hoogst bekwaam journalist, een man met een rustig en

rijp inzicht, die op belangrijke posten in de eerste gelederen van

ons beroep heeft gestaan en nog staat, zoodat, naast theoretische

scholing, practische ervaring volledig Uw deel is geweest. Wij

weten ook, dat gij Uw taak zult vervullen met eerlijke nauwgezetheid

en met die onpartijdigheid jegens afwijkend oordeel, welke

de wetenschap behoeft. Wij weten tevens, dat gij die taak ziet

in het juiste licht. Niet aldus, dat, wie geboeid onder Uw gehoor

mochten zitten, hier de journalistiek konden komen Zeeren. Wat

het echte, het essentieele, het onmisbare is in de journalistiek leert

men niet, want dat is natuurtalent, dat wel door vorming gepolijst,

maar niet gekweekt kan worden. Maar gij zult eenerzijds diegenen

onder de studenten, die roeping en aanleg gevoelen te komen tot

wat ik, met een plagiaat, gerust „het wondere ambt" zou durven

noemen, in verschillende vraagstukken der publiciteit oriënteeren

en pogen het beroep zélf door universitair-gevormde krachten te

versterken; gij zult anderzijds die studenten, welke zich elders een

weg zoeken in de maatschappij, een zekere mate van kennis bijbrengen

omtrent ons beroep, welke hun bij de vervulling van het

hunne niet anders dan te stade komen kan. Zoo zult ge aan beide

groepen kennis verschaffen omtrent de maatschappelijke, sociologische,

intellectueele beteekenis der journalistiek en haar practische

beoefening.

Het Bestuur van den Kring, en ongetwijfeld ook alle andere

collega's, wenschen U van heeler harte vrucht en voldoening op

Uw werk. En mochten zich ook hier de wel immer onvermijdelijke

moeilijkheden en teleurstellingen voordoen, dan zij U het woord

tot gids van den grooten Nederlander, wiens karakteristiek portret

de Senaatskamer siert van deze beroemde Universiteit: „Niemanc*

heeft zijn ideaal in de hand, maar waarheen stuurt hij, die het

niet in het oog houdt?"


94 DE J O U R N A L I S T

Vervolgens hield de heer Lievegoed zijn eerste voorlezing.

Spr. begon met te verklaren dat hij, de uitnoodiging

van het Leidsche Universiteits Fonds aanvaardend, er

zich bewust van was een moeilijke en verantwoordelijke

taak op zich te nemen. Reeds hierom, wijl in Nederland

een wetenschap van de pers, waarin hij steun zou kunnen

vinden, niet bestaat. Zulk een wetenschap, die

door vorsching, kritiek en systematiseering ons de kennis

der wetmatigheden van het dagbladwezen zou kunnen

brengen, moet hier nog geboren worden. Ook van

een dagbladkunde, die de verschijningsvormen en verschijnselen

van het dagbladwezen tot haar inhoud zou

hebben, moet hier de eerste grondslag nog worden gelegd.

Wie hier dit terrein betreedt, moet er zich bewust

van zijn grootendeels op eigen gelegenheid verkennerswerk

te verrichten. Want al valt er voor algemeene

oriënteering omtrent het dagbladwezen te putten uit een

zeer omvangrijke buitenlandsche wetenschappelijke litteratuur

over de pers, zoo kan toch de studie van een

beschavingsinstituut, dat zoo innig saamgeweven is met

het nationale leven van een volk, alleen dan vruchtdragend

zijn, wanneer zij uitgaat van de nationale sfeer.

Dagbladstudie in Nederland — om van dagbladwetenschap

niet te spreken — zal, met inachtneming van het

universeele verband van alle menschelijk weten, een

echt Nederlandsch karakter moeten dragen, en dan in

dien zin, dat zij niet alleen de pers in Nederland, maar

ook de pers in de Nederlandsche gewesten overzee, tot

doel en uitgangspunt heeft. Waarbij zich dan de behandeling

van de pers der voornaamste landen, waarmede

Nederland in cultureele of oeconomische betrekking

staat, vanzelf zal moeten aansluiten.

Ten einde aan te toonen dat de pers niet alleen als

studieobject aandacht vereischt, maar dat deze aandacht

algemeen behoort te zijn en dat de studie van de pers

als een afzonderlijk vak verantwoord is, trad spr. nu

de hoofdfunctie van het dagbladwezen, die van in- en

voorlichting omtrent het dagelijksche wereldgebeuren,

in haar vier voornaamste werkingen nader. Ten eerste

de opvoedende werking. Dagelijks wordt een wereldbibliotheek

van journalistieke lectuur voortgebracht, die,

buiten het bereik der volksbibliotheken, de allervoornaamste

lectuur van het minst critische deel der menschheid

is, voor wie zij zelfs vrijwel de eenige bron van

kennis vormt. Op grond van deze in nauwelijks onderbroken

rhythme geoefenden dagelijkschen invloed op

geest en ziel van het volk, behooren opvoeders, sociologen,

geestelijken, staatslieden voor de pers ten minste

zooveel aandacht te hebben als voor het onderwijs en de

volksontwikkeling. De tweede werking 's van verbindenden

aard. Het dagbladwezen heeft den strijd aangebonden

met tijd en ruimte. In de pers heeft de verkeerstechniek

haar climax bereikt. De toenemende oeconomische

en geestelijke samenhang van alle deelen der wereld

vereischt dit. In het oneindig gecompliceerde proces

van het wereldleven vormt de pers door haar verbindende

werking een der activeerende krachten, die het

levend stroomend en doorzichtig helpt maken. Haar

voorsprong op andere geestelijke verkeersmiddelen geeft

haar recht op de aandacht van al wie de verbindingen

tusschen verspreide menschengroepen dienstbaar willen

maken aan schepping van een wereldrechtsorde, aan

welvaart en levensveredeling. De derde werking is van

ordenenden aard. In den modernen, democratischen

staat volstrekt zich een belangrijke faze van het ondoorgrondelijke

proces der openbare meeningsvorming

in de pers, waar de voorpostengevechten in den strijd

der meeningen worden geleverd en wat onbewust in de

maatschappij leeft tot bewustheid wordt gebracht.

Staatslieden, diplomaten, politici, historici kunnen in de

pers beluisteren, wat eens teekenend genoemd is: de

samenspraak van een volk. De vierde werking is een

controleerende. De pers is door haar dagelijkschen

dienst der openbaarheid het orgaan waardoor het algemeene

leven pas tot een openbaar leven wordt. Zij is

ook het orgaan waardoor een theoretische openbaar­

heid, die de wet als waarborg stelt voor oirbaarheid en

gerechtigheid bij de behartiging van de hoogste belangen

van den staat (parlementarisme, rechtspraak), töt

een feitelijke openbaarheid wordt. Hierdoor werd zij het

beproefde controlemiddel en de zekerste waarborg tegen

misbruik en rechtsverkrachting waar andere middelen

falen. Zij kan echter haar controleerende taak ook verzuimen,

medeplichtig zwijgen, de publieke controle op

het valsche spoor leiden, in dienst van een overheerschende

staatspartij zelfs de openbaarheid weren en onderdrukken.

Om haar vermogen ten goede en ten kwade

verdient zij zelve de controle van wie in de maatschappij

geestelijke leiding hébben.

Spr. meende hiermee aangetoond te hebben, dat het

dagbladwezen in zijn veelvuldige functie, in zijn veelledigheid,

die tegelijk een onsplitsbare eenheid vormt,

pas veelzijdig bestudeerd kan worden, indien het als een

cultuurproduct met eigen leven, gehoorzamend aan eigen

wetten, wordt beschouwd.

Vervolgens zette hij uiteen wat in Nederland den

stoot tot de studie van het dagbladwezen heeft gegeven.

Het zijn de journalisten, de geestelijke makers van de

krant, die het eerst de aandacht der universiteiten voor

deze studie hebben gevraagd. In den kring der vakgenooten

heeft de versnelde ontwikkeling van de pers, die

aan zijn bedienaren steeds hooger eischen van kennis

en inzicht stelt, maar deze ook noopt om hoogere erkenning

voor het instituut van het dagbladwezen te vragen,

tweeërlei wensch doen rijzen: ten eerste, naar verheffing

van het geestelijk peil der journalisten door een

opleiding die meer rekening houdt met de eischen waaraan

de moderne journalistiek heeft te voldoen; ten

tweede, naar verdiepte kennis aangaande het wezen der

pers ook in den kring van hen, die zonder zelf de journalistiek

te beoefenen, uit kracht van hun maatschappelijke

functie aan zulk een kennis behoefte hebben,

zooals bestuurders, bedrijfsvoerders, kortom allen die in

de maatschappij leiding hebben. De Nederlandsche Journalisten

Kring heeft dienovereenkomstig in zijn ledenvergadering

van 24 Mei 1930 te Haarlem als derde van

een drietal conclusies deze belangrijke uitspraak gedaan:

dat in eenigerlei vorm aan een of meer universiteiten

onderwijs in onderwerpen, de pers, de publiciteit en de

journalistiek betreffende, gewenscht is te achten. Hiermee

werd niet uitgesproken dat de opleiding van den

aspirant-journalist universitair behoort te zijn, alleen

dat aan de universiteit gelegenheid moet worden geopend

voor de studie van het dagbladwezen. Toen het

bestuur van den N. J. K. zich in dien geest tot de universiteiten

en hoogescholen in Nederland richtte, is het het

Leidsche Universiteitsfonds geweest, dat het eerst blijk

gaf van het inzicht dat het dagbladwezen een plaats

onder de leervakken der universiteit verdient.

Van de beschaafde landen behoort Nederland tot Ie

zeer weinige waar zulk een contact van pers en universiteit

totdusver geen vasten vorm verkreeg. In Duitschland

is reeds op breeden grondslag een ernstig begin

met de vestiging van een dagbladwetenschap gemaakt.

Tot de vraagstukken, welke daar de bestudeering van

de pers heeft gestimuleerd, behoort het veramerikaniseeringsverschijnsel

in de krantenwereld, de vorming van

trusts, met de gevaren, die daaruit voor pers en maatschappij

kunnen voortkomen. In Nederland kan men van

veramerikaniseering zeker niet spreken. Toch zijn er ook

hier symptomen van vervlakking en hyperpopularisatie

in de pers, die in en buiten vakkringen ongerustheid

baren, en er zijn symptomen van vervlakking en hyperpopularisatie

in de pers, die in en buiten vakkringen ongerustheid

baren, en er zijn symptomen van voortgezette

concentratie, die, hoewel aanvankelijk meer uitvloeisel

van de noodzaak tot rationalisatie van het dagbladbedrijf

dan van bewuste industrialisatie van het krantenwezen,

ook ten onzent de studie van de pers tot een

maatschappelijken eisch des tijds doen worden. Moeilijk

is ten onzent de bestaansstrijd vooral van het dagblad

dat zich naar de behoeften richt van een bijzonderen

kring en men kan in de politieke partijpers, ook de con-


fessioneele, waarnemen hoezeer door de macht der oeconomisch-technische

omstandigheden druk op het dagblad

wordt geoefend om zijn bijzonder karakter prijs te

geven en een meer algemeenen smaak te dienen. Het

gaat hier om hooge geestelijke belangen. Ook Nederlandsch-Indië

heeft zijn persproblemen, ontstaan meerendeels

uit het dualistisch karakter der Indische maatschappij

en uit haar oeconomische structuur. De inheemsche

pers worstelt met het begrip van haar ware cultureele

taak. Tot het geestelijk beschavingsbezit van het

Westen, waaraan het Oosten zich in toenemende mate

laaft, zal ook de kennis van het dagbladwezen hebben

te behooren.

Verder nagaande welke beteekenis de studie van het

dagbladwezen voor pers en maatschappij kan hebben,

toonde spr. aan, hoe de ontwikkeling van de moderne

wereldpers alleen te begrijpen valt door het dagbladwezen

in zijn historischen groei te zien. Dan merkt men

op, hoe de geestelijke, oeconomische en technische

krachten, noodig om de funuctie van in- en voorlichting

naar de eischen, die een steeds versneld levenstempo

stelt, te kunnen vervullen, in het oeconomische stelsel

waaronder wij thans leven noodzakelijk voert tot de

figuur van de moderne krant. Cardinaal is daarbij de rol

die het snelheidselement speelt, doordat het een overwicht

van technische bedrijfsuitrusting vergt, die de

hoogste oeconomische eischen stelt. Spr. schetste nu in

groote trekken de ontwikkeling van de pers in verband

met de maatschappelijke ontwikkeling, waarbij telkens

technische uitvindingen als het ware ontspringen aan de

behoefte om de theoretisch gegeven mogelijkheid van

nieuwe terreinvermeestering voor de pers tot praktische

verwezenlijking te brengen. In de tweede helft der negentiende

eeuw gaan alle omstandigheden, die de behoefte

aan versnelde in- en voorlichting stimuleeren, als

het ware in elkaar werken. De cultureele ontwikkeling,

die zich op politiek gebied kenmerkt door de opkomst

van het liberalisme en de verruiming van burgerschapsrechten,

waaronder ook de vrijheid van drukpers, op

oeconomisch gebied door den uitbouw van het kapitalistische

stelsel, met industrialisatie en vennootschapsvorming,

op wetenschappelijk gebied door de vorderingen

der natuurwetenschappen en de vlucht der techniek, heel

dit proces ontgint, strook voor strook, het terrein, waarop

een machtige wereldpers kan ontstaan. De toenemende

volksontwikkeling uit zich in gretigen leeslust en

drang naar kennis van de buitenwereld, de groei van

de groote industriesteden schept de uitgebreide centra

van lezers, die grondslagen voor sterke dagbladbedrijven

kunnen vormen, de afschaffing van het dagbladzegel

en van andere drukkende belastingen op de pers maakt

gelden vrij voor verbetering van den inhoud der krant.

Maar de snelheidseisch drijft de exploitatiekosten van

liet dagblad steeds hooger op. De inkomsten uit abonnementen

dekken een steeds kleiner percentage van de

bedrijfskosten. Het is dan de ontdekking van de exploitatiemogelijkheid,

gelegen in de werfkracht der advertentie,

welke de sluitpost brengt. De advertentie bevredigt

de oeconomische behoefte aan een bewegelijke

markt, waar alle vraag en aanbod elkaar kunen ontmoeten,

en zij herstelt tegelijk het verbroken evenwicht in

het dagbladbudget. Maar nu zijn ook meteen alle voorwaarden

aanwezig voor het ontstaan van een dagbladindustrie,

welke het oeconomische element dn de pers

boven het geestelijke laat wegen.

Hoe zal nu tegenover deze ontwikkeling onze houding

zijn? De oeconomisch-technische ontwikkeling hebben

wij te aanvaarden als een proces, dat geheel afhankelijk

blijkt van de oeconomische en technische ontwikkelingsfactoren

in het leven der maatschappij. Hetgeen zich

aan geestelijk ongerechts in de pers openbaart zal hoofdzakelijk

met geestelijke wapenen bestreden moeten worden.

Wij zullen echter wel te onderscheiden hebben

waar het kwaad eigenlijk steekt en hoe het te verhelpen

is. Dat een dagblad, ook in zooverre het een particuliere

onderneming is, die openbare belangen te dienen

heeft, een oeconomisch-geestelijke twee-eenheid is, be­

DE J O U R N A L I S T 95

hoeft niet te beteekenen dat het een innerlijke tegenstrijdigheid

vormt. Dat een geestelijk goed een stofffelijke

basis heeft, is een normaal levensverschijnsel. Harmonie

is hier mogelijk. Het gevaar ligt daar, waar het stoffelijke

over het geestelijke de overhand verkrijgt. Kan men

verwachten dat dit euvel, dat in verschillende landen

onrustbarende afmetingen heeft aangenomen, ten onzent

te keeren zal zijn? De pers zal in het algemeen dezelfde

normen van zedelijkheid vertoonen als de maatschappij,

waarin en waardoor zij leeft. De geestelijke hygiëne van

de pers zal dus het doeltreffendst betracht kunnen worden

door de bevordering van de geestelijke hygiëne van

maatschappij. Dat het publiek, tot inzicht gekomen van

misbruiken in de pers, hierop invloed vermag uit te

oefenen, toonde spr. met verschillende voorbeelden aan.

Troostrijk blijft de ervaring, dat hetgeen metterdaad

aanzien aan een blad verzekert, een gezag is, dat in

laatste instantie op enkel geestelijke kwaliteiten berust.

De studie van de pers zal voorts ook dienstbaar kunnen

zijn aan het herkennen van nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden

op het gebied van het dagbladwezen. Spr.

dacht hier aan metamorfozen van het dagbladwezen als

radiokrant, lichtkrant, wandkrant, filmkrant. Voor de

journalistiek van nu is het zaak om tijdig de waarde van

nieuwe vormen te onderzoeken en zich de leiding in de

hanteering niet te laten ontglippen. In zulke dingen kan

de dagbladstudie voeling houden met de concrete verschijnselen

die uit het leven tot haar komen en zich behoeden

voor het zich verliezen in een abstracte begrippenwereld.

Had spr. tot dusver het dagbladwezen besproken in zijn

beteekenis voor pers en maatschappij, hij besloot met

het aangeven van de beteekenis, die de studie voor verschillende

takken van wetenschap kan hebben. De geschiedkunde

vindt er haar bronnenmateriaal, de rechtswetenschap

kan er de zich in de maatschappij vormende

rechtsbegrippen uit leeren kennen, de sociologie kan er

polsslag en hartklop van het maatschappelijke leven in

beluisteren, de oeconomie er een mijn van materiaal in

vinden. Zoo kan dan het dagbladwezen, zelf opgebouwd

met de stoffen van het stroomende leven van den dag,

weer bouwstoffen leveren aan de wetenschap. Want het

is in het dagbladwezen, dat het leven in zijn beweging

zelf gespiegeld wordt.

Ten slotte richtte spr. een woord tot de studenten.

Algemeen, zeide hij o.m., is het verschijnsel dat de jeugd

weer naar een geestelijke verantwoording zoekt voor

haar levenshouding. Zij eischt die ook van anderen. Er

is echter kennis van feiten en omstandigheden noodig

om te weten waar men kan eischen en wat men eischen

kan. Op het gebied van het dagbladwezen hoopte spr.

iets van die kennis te kunnen brengen.

Voor de wetenschappelijke voorlezingen over journalistiek,

welke collega A. J. Lievegoed aan de Leidsche

Universiteit houdt, hebben zich 71 studenten laten

inschrijven. De inschrijving is nog niet gesloten.

Officiëele Mededeelingen.

Kringbestuur.

Het Kringbestuur vergaderde Zaterdag 10 Oct. in

Hotel Victoria te 's-Gravenhage. Aanwezig waren de

leden Hans, Dekking, van der Hout, Polak Daniels,

Schotting, Santcroos, Kouwenaar, Biemond en de gedelegeerden

van den Bergh, dr. van Overbeek.

Bij de opening der vergadering sprak de voorzitter

den heer Dekking toe. Elders in dit no. is deze toespraak

afzonderlijk opgenomen.

Na deze toespraak dankte de heer Dekking voor deze

woorden. Het was hem altijd een vreugde geweest bestuurslid

te zijn en na zijn gezin had niets zijn liefde

zoozeer als de Kring. Hij hoopte dat het bestuur in de

toekomst dezelfde hoogte zal behouden als altijd het

geval was.


96 DE J O U R N A L I S T

Algemeene Vergadering

op

Zaterdag 31 October 1931 's middags 2 l /2 uur,

in Hotel VICTORIA, Spuistraat 18,

Den Haag.

1. Notulen.

Agenda:

2. Ingekomen stukken.

3. Voortzetting van de bespreking over de Indische

Pers-ordonnantie.

4. De Kring en de Katholieken (nadere mededeelingen

van het Kringbestuur).

5. Rondvraag.

De vergadering zal des avonds worden voortgezet.

De Voorzitter bracht vervolgens een woord van dank

aan den heer van Oosten, die zijn bestuursfunctie heeft

neergelegd. Het deed ons allen leed dat hij ons heeft

verlaten.

Vervolgens deelde de Voorzitter mede, dat van den

Minister van Buitenlandsche Zaken geen antwoord is

ontvangen op de klacht dat in de Commissie ingesteld

door den Minister inzake pers-voorlichting de Kring niet

is gekend. Van Mr. Plemp van Duurland kwam bericht

in dat hij geen deel had gehad aan de samenstelling dier

commissie.

Besloten werd de vervulling van de vacature-van

Oosten tot het Jaarvergadering uit te stellen.

Vervolgens werd besproken het maken van de verslagen

der algemeene vergaderingen en het eventueel

dagblad-verslag. Besloten werd dit tegen betaling door

een verslaggever te laten maken.

De benoeming van een 2e secretaris werd eveneens

uitgesteld tot na de Jaarvergadering. De heer v. d.

Bergh verklaarde zich bereid tot dien tijd de notulen

der Bestuursvergaderingen te maken.

Bemiddelingsraad. Tot leden van den Bemiddelingsraad

werden aangewezen de heeren Biemond en

Schotting.

De Kring en De Katholieken. Uitvoerig werd van

gedachten gewisseld over dat onderwerp. Tenslotte

werd een uitspraak gedaan omtrent het standpunt van

het Bestuur. Elders in dit nummer is deze afzonderlijk

opgenomen.

Verschillende onderwerpen werden alsnog besproken,

waarna de vergadering werd gesloten.

De Katholieke journalisten.

In de Zaterdag j.1. gehouden Bestuurs-vergadering

van den Nederlandschen Journalisten-Kring is met algemeene

stemmen de volgende verklaring aangenomen:

Het Bestuur van den Nederlandschen Journalisten-

Kring, in vergadering bijeen;

kennis genomen hebbend van den „wensch" der Bisschoppen,

dat de katholieke journalisten den Kring „zullen

verlaten";

verklaart:

Ie. van verschillende katholieke leden bericht te

hebben ontvangen, dat zij hun lidmaatschap zullen

handhaven, aangezien een „wensch" der Bisschoppen

niet gelijk staat met „een bevel", doch zijnerzijds in geen

enkele richting invloed op de houding der katholieke

leden te zullen oefenen;

2e. met diep leedwezen den wensch der Bisschop­

pen te hebben vernomen, aangezien in den Nederlandschen

Journalisten-Kring zich gedurende bijna 48 jaar

boven alle geloofs- en partij-verschillen uit steeds een

sterke eenheid van beroepsgenooten openbaarde,

waarbij elks overtuiging volledig werd geëerbiedigd;

een samenwerking, die nimmer door eenigen wanklank

is gestoord, en die er toe leidde, dat de wederzijdsche

opvattingen en beginselen des te beter werden begrepen

en gerespecteerd;

3e. steeds, en met name in latere jaren, te hebben

bevorderd en vaak geheel vrijwillig, dat de Katholieke

Journalisten-Vereeniging bij officieele gelegenheden

mede zou worden erkend en uitgenoodigd, zoodat iedere

tegenovergestelde bewering met nadruk moet worden

afgewezen;

4e. ten allen tijde, en bij zeer vele gelegenheden,

ook voor de beroeps-belangen der katholieke journalisten

en voor de belangen der katholieke bladen te hebben

geijverd, aangezien de Kring zijn regelenden en

bemiddelenden arbeid nimmer alleen tot zijn leden heeft

bepaald, maar daarbij de bladen, geen enkel uitgezonderd,

in het oog hield;

5e. op den weg, in het vorig punt bedoeld, te zullen

voortgaan, en dus zijn optreden als orgaan voor de

regeling en vergemakkeling van den pers-arbeid bij

daartoe in aanmerking komende openbare gebeurtenissen

te zullen blijven uitstrekken tot de geheele Nederlandsche

pers;

6e. met het gebruik maken, door den voorzitter van

den Kring, van de door den geestelijken adviseur der

Roomsch-Katholieke Journalisten-Vereeniging bij het

Episcopaat ingediende Memorie in de gegeven omstandigheden

volledig in te stemmen, aangezien deze Memorie,

die geheel vrijwillig en zonder eenige pressie is

toegezonden, met het recht er gebruik van te maken,

een op onjuiste argumenten gegronde aanval op den

Kring bevat en elke openlijke bespreking van die argumenten

van de zijde der katholieke vereeniging is nagelaten.

Voorgedragen als buitengewoon lid:

J. Beeckman, Oversea Trade, Amsterdam.

Aangenomen als gewoon lid:

J. van Staveren, Utr. DbL, Amst. Straatweg 115bis,

Utrecht.

J. W. L. Lamers, Volk, Prinsengracht 925, Amsterdam.

D. M. Huizinga, Tel., Nachtegaalste. 81bis, Utrecht.

N. J. H. C. van der Grift, Bred. Crt, Veemarkt 30a,

Breda.

Mej. M. J. Smelt, Prov. Ov, en Zw. Crt., Zwolle.

H. Stekelenburg, Prov. Ov. en Zw. Crt., Veenestraat

4, Zwolle.

A. Scheffer, Volksbl. v. Twente, Gronauer straatweg

225, Enschedé.

Adresveranderingen.

J. J. Liber naar Mathenesserlaan 396a, Rotterdam.

Mr. J. A. Leerink naar 2e Weteringplantsoen 9, Amsterdam

C.

C. C'hristaanse naar Stuyvesantplein 29, Den Haag.

G. Oznowicz van Dordrecht naar P. de Hooghlaan 15,

Hilversum.

G. van Overbeek van Amsterdam naar Mispelstraat 27,

Den Haag.

A. H. Hoeke van Berlijn naar Plantsoen Laanhorn 1,

Amsterdam Z. (gem. N. Amstel).

H. Jongsma van Amsterdam naar Torenstraat 44, Den

Haag.

G. Nypels van Blaricum naar Minckelerstraat 3,

Maastricht.

Gevraagde adressen:

J. Wesseling, Kollum.


Het Eeregerechtshof.

Algemeene belangen.

Uitvoerig hebben de dagbladen verslag gegeven van alles

wat betrekking had op de installatie van het Eere-

Gerechtshof, de vergadering der F. I. J. enz. Met groote

voldoening kunnen wij op de dagen van 12—16 Oct terugzien,

de organisatie was overal voortreffelijk. In het

volgend nummer zal één van hen, die de dagen geheel

meemaakte, omstandig relaas daarvan geven. W. volstaan

thans met deze korte vermelding.

De wensch der Bisschoppen,

In het orgaan der Katholieke Vereeniging wordt —

tegen ons — nog al hoog van den toren geblazen over

het feit, dat wij gebruik hebben gemaakt van de

Memorie van Pater Kruitwagen aan het Episcopaat,

Begrijpelijk.

Wij nemen die blazerij dan ook heelemaal niet kwalijk.

Wij zouden ook blazen. Het zou on-menschelijk zijn

te verlangen, dat de bestuurders der Katholieke Vereeniging

zélf de gedeeltelijke publicatie der Memorie

met onbewogen gelaat zouden aanschouwen. Dus incasseeren

wij in vriendelijke gelatenheid de critiek.

Een enkele opmerking slechts over Pater Kruitwagen

zélf. Wij mochten hem ter gelegenheid van de Installatie

van het Eere-gerechtshof tweemaal ontmoeten: 's morgens

in het Vredes-paleis en 's avonds in de Ridderzaal.

De ontmoeting was, als steeds, aangenaam. Pater Kruitwagen

is een beminnelijk mensch; toen wij in 1928 ons

zilveren jubileum in de journalistiek mochten herdenken,

was een der mooiste en hartelijkste, deswege trouw bewaarde,

brieven van hém. Daarom spijt het ons, thans

tegenover hem te staan. Maar zoo is het leven. Wij

stellen er echter prijs op de vraag, die hij ons in de

Ridderzaal stelde: „Indien er in de Memorie onjuiste

mededeelingen stonden over den Kring, gelooft gij toch

zeker dat ik te goeder trouw ben geweest?", in ons

orgaan zonder het minste voorbehoud bevestigend te

beantwoorden. Aan de goede trouw van Pater Kruitwagen

twijfelen wij geen oogenblik. Men heeft hem

alleen maar onjuist ingelicht. Wij hopen, in weerwil

van het gebeurde, met hem bevriend te blijven. En toen

dan ook 's avonds in de Ridderzaal de directeur van

De Maasbode, die Pater Kruitwagen met ons in gesprek

zag, vroeg: „Moet ik soms tusschenbeide komen?",

konden wij hem rondborstig antwoorden: „Wei-neen,

wij doen elkaar niets".

Een kort woord over den Redacteur van het katholieke

orgaan, collega Hulsman. Zijn boosheid en critiek

— wij zeiden het al — incasseeren wij als het onvermijdelijke

risico van onze publicatie. Dat hij onbillijk

is, en een beetje drijverig, wordt onder de katholieke

collega's zélf gevoeld; één van hen, de heer van Oosten,

meent dan ook in het laatste nummer van het katholieke

orgaan ter wille ,,van de onderlinge waardeering en de

waardigheid van de Katholieke Journalisten-Vereeniging"

te moeten protesteeren tegen hetgeen de redacteur

geschreven heeft over de katholieken, die lid van den

Kring waren. Wij onzerzijds volstaan met er op te

wijzen, dat deze zelfde heer Hulsman in de vergadering

zijner vereeniging van 19 December 1927, volgens het

verslag in het orgaan De Katholieke Pers, heeft verklaard:

„dat de katholieke journalisten in de groote

plaatsen er niet buiten kunnen lid van den

N. J. K. te zijn; zonder lid te zijn zal men,

profiteerend van het bemiddelend en regelend

optreden van den N. J. K., zich min of meer

aan klaplooperij schuldig maken".

En zie, de journalist die dit zeide, die zélf kort daarop

echter voor den Kring bedankte, richt nu scherpe verwijten

tot zijn collega's, die zich niet aan „klaplooperij"

wilden schuldig maken.

DE J O U R N A L I S T 97

Zoo zitten er toch ook wel pikante dingetjes in deze

historie.

D. H.

Een katholiek collega schrijft ons:

Onder katholieke journalisten wordt nog steeds druk

de „wensch" van het Ned. Episcopaat besproken: „dat

de katholieke journalisten den Ned. Journalistenkring

verlaten".

Dat deze wensch formeel geen bevel is, wordt algemeen

toegegeven. Maar, beweren sommigen, voor een

goed katholiek staat een wensch zijner geestelijke overheid

gelijk met een bevel.

Dit wordt door anderen ontkend; eerstens op grond,

dat, als het Ned. Episcopaat bedoelt een bevel uit te

vaardigen, het nooit geaarzeld heeft dit in den meest

duidelijken vorm te doen; tweedens wijl voor de leeken

in de Kath. Kerk de gehoorzaamheid nooit zoover kan

worden uitgebreid als voor degenen, die zich — gelijk

bv. de seculiere priesters, en in sterker mate de religieuzen

— bij afzonderlijke gelofte daartoe hebben verplicht,

volgens de zgn. Evangelische Raden.

Bijvoorbeeld: de Bisschoppen hebben herhaaldelijk

den wensch uitgedrukt, dat de katholieke leeken jaarlijks,

of althans nu en dan, een geestelijke afzondering

(retraite) meemaken. Verreweg de meeste katholieken

geven aan dien wensch — om welke uiteenloopende

redenen dan ook — geen gevolg, zonder dat ook maar

één geloofsgenoot zich in het hoofd haalt hun voor te

houden, dat die wensch zooveel als een bevel zou zijn.

Geen enkel kerkelijk gebod toch verplicht den geloovige

tot het volgen van retraites. Hetzelfde geldt voor het

dagelijks bijwonen van het Misoffer, dat evenzeer door

de Bisschoppen wordt gewenscht, doch door de overgroote

massa der katholieken alleen des Zondags en

op hooge feestdagen — hiervoor geldt een bindend

Kerkelijk gebod — wordt bijgewoond. Sterker nog: de

Pausen van Rome — alzoo de Bisschoppen der bisschoppen

— Pius X, Benedictus XV, Pius XI, hebben

herhaaldelijk den dringenden wensch geuit, dat de kath.

leeken dagelijks tot de Heilige Tafel zullen naderen.

Niemand echter kan den katholiek, die aan deze wenschen

geen gevolg geeft, tekortkoming in gehoorzaamheid

aan een bevel verwijten. Want het kerkelijk gebod

beperkt die verplichting tot slechts éénmaal per jaar.

Dit ter toelichting, dat volgens het Roomsch-kerkelijk

recht een wensch absoluut niet met een ge- of verbod

op ééne lijn is te stellen.

Een in twijfel trekken van de katholiciteit der bij den

Kring aangesloten blijvende katholieke leden zou dan

ook berusten a. indien die twijfel gemeend ware, op een

bewust of onbewust integralisme (een door Rome veroordeeld

op-de-spits-drijven van overmatige gevolgtrekkingen

in religiosis), b, indien die niet gemeend ware,

op een byzantinisme, dat ook tegenover het kerkelijk

gezag geen rechtvaardiging kan vinden.

Indien de Bisschoppen het lidmaatschap van den

NJ.K. in zich ongeoorloofd achtten voor katholieke

journalisten, zouden zij dit niet alleen formeel hebben

verklaard, maar zulks reeds jaren geleden hebben gedaan.

De omstandigheid, dat katholieke mannen, wier

dagelijksch werk 't is, tegen de opvattingen van andersgezinden,

in zooverre deze tegen de katholieke beginselen

ingaan, in hun bladen te polemiseeren met argument

en redeneering, met kennis der feiten en zelfstandigheid

van inzicht, — de omstandigheid, dat zulke

mannen in hun persoonlijk verkeer met andersdenkende

medeleden wel niet veel gevaar zullen loopen in de

hechtheid hunner geloofsovertuiging, zal voor de Ned.

Bisschoppen wel een der motieven zijn geweest, om niet

uit eigener beweging eerder ter zake eene daad te stellen.

Van het oogenblik af echter, dat hun implicite de

vraag werd voorgelegd, of het Episcopaat voor journalisten

het lidmaatschap eener neutrale vakvereeniging

kon goedkeuren of bekrachtigen — terwijl het zulke lidmaatschappen

voor andere vakbeoefenaren steeds ont-


98 DE J O U R N A L I S T

raadt en ze ten aanzien van socialistische, communistische

of anarchistische groepeeringen op grond van

dezer materialistische beginselleer uitdrukkelijk verbiedt,

— van dat oogenblik af kon het Episcopaat uiteraard

niet anders dan principieel ontkennend antwoorden. Het

heeft dit desbewust gedaan in den gekozen vorm.

Aan de „prudentie" van dengene, die deze beslissing

uitlokte, werd overgelaten dezen „wensch" al of niet

te publiceeren. Nu is 't toch duidelijk, dat, als het Episcopaat

een als bevel bedoeld besluit had willen uitgeven,

het de bekendmaking daarvan toch zeker niet zou overgelaten

hebben aan het persoonlijk inzicht van een onderhoorige

van een zijner leden, die alzoo de bevoegdheid

zou gehad hebben, naar goedvinden dat besluit ook

in portefeuille te houden.

Nu de ontvanger van het Bisschoppelijk schrijven

goedvond dien wensch wèl te publiceeren, mag ondersteld

worden, dat hij naast het negatieve doel: verzwakking

van de neutrale organisatie, ook een positief doel

zal gehad hebben: versterking van de katholieke organisatie.

De wensch der Bisschoppen strekt zich echter

in de door het Episcopaat gekozen formuleering niet tot

dit laatste uit. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat het

Episcopaat de toetreding van alle katholieke journalisten

tot de Kath. Journ.-Vereeniging niet zou wenschen; integendeel.

Maar de Bisschoppen vormen een zeer beleidvol

college, en dit heeft rekening te houden met de

omstandigheid, dat ook op dit punt hun wensch geen

bindend karakter zou kunnen dragen. Het kerkelijk

recht verleent den Bisschoppen geene bevoegdheid om

hunnen onderhoorigen het lidmaatschap van religieuze

of kerkelijke vereenigingen (broederschappen, congregaties,

bedevaarten) verplichtend op te leggen; hoeveel

te minder valt dan het voorschrijven van het lidmaatschap

eener niet-kerkelijke of niet-religieuze vereeniging

waaraan offers van tijd, geld en vaak van persoonlijk

inzicht in vrije kwesties verbonden zijn, binnen de Bisschoppelijke

bevoegdheidssfeer.

Vandaar dat naar de meening van alle katholieke

journalisten zonder onderscheid, hoe zij overigens over

deze dingen mogen denken, het Ned. Episcopaat bij de

bepaling zijner houding in deze te werk is gegaan met

eene hoogloffelijk prudentie, waaraan menig goedwillende

leering zou kunnen ontleenen. Eene meening,

die reeds bij voorbaat in den boezem der Kath. Journalistenvereeniging

zou zijn gebleken, indien omtrent deze

zaak ook de ledenvergadering ware geraadpleegd geweest.

Hetgeen tot veler verwondering niet is geschied.

Personalia en Berichten.

Henri Dekking 30 jaar Kringbestuurder.

In de Kringbestuursvergadering hield de Voorzitter

de volgende toespraak:

Ik verzoek u, met mij in gedachten terug te gaan tot

den datum: 6 October 1901, toen de Kring een algemeene

vergadering hield in het „Wapen van Antwerpen"

te Utrecht waarin Dekking werd gekozen als bestuurslid.

Deze eerste verkiezing tot bestuurslid was het begin

van een lange en actieve loopbaan in den Kring. Het

mandaat duurde vier jaar (1901—1905), maar nauwlijks

was Dekking, krachtens de toen geldende reglementsbepaling,

afgetreden, of Rotterdam zond hem als gedelegeerde

naar het Kringbestuur terug. Dit duurde tot

1908. In dit jaar legde de Kring opnieuw beslag op

hem: op 5 Juli 1908 werd hij met het grootste aantal

stemmen weer tot bestuurslid gekozen. Een tweede bestuurs-periode

van 4 jaar volgde, maar toen deze in 1912

ten einde was, kwam Dekking op hetzelfde oogenblik

wederom als gedelegeerde van Rotterdam terug, tot

1914; voor de derde maal, op 11 Juli van dit jaar, koos

onze algemeene vergadering hem, en opnieuw met de

meeste stemmen, tot bestuurslid, en wederom had hij

4 jaar zitting. Toen het reglement hem in 1918 weer

tot aftreden dwong, had hij ondertusschen in ons Be­

stuur vrijwel alle functies vervuld: 2e secretaris, Ie secretaris,

penningmeester en vice-voorzitter.

Na 1918, eindelijk, kwamen er jaren waarin Dekking

uit 's Krings leiding verdween. Maar niet voor goed.

Op 22 Maart 1925 werd hij van de vierde maal bestuurslid,

om in Januari 1927, na het overlijden van

onzen diep-betreurden Voogd, opnieuw belast te worden

met het vice-voorzitter en het penningmeester-schap,

welke functies hij nu weer bijna 5 jaar vervult Wanneer

ik er nu ook nog aan herinner, dat Dekking sinds de

oprichting der Rotterdamsche Journalisten-Vereeniging,

dat is bijna 35 jaar, secretaris van deze organisatie is,

geloof ik met de opsomming van deze feiten al genoegzaam

bewezen te hebben, welk een belangrijke loopbaan

hij in ons vereenigings-leven achter den rug heeft.

Waarde Dekking. Je medeleden in het Bestuur grijpen

deze gelegenheid aan om je dank te zeggen voor de

vele en trouwe diensten, den Kring bewezen. Sinds je

30 jaar geleden voor het eerst met een mandaat werd

bekleed, heb je heel veel voor de Kring gedaan, en dit

verdient te meer waardeering, waar wij allen weten,

dat je een zeer druk leven als journalist hebt gehad, en

als voordracht-kunstenaar tevens. Dat jij, met je breeden

artistieken aanleg, je niet alleen zoo-vele jaren aan de

Kring-leiding gaf, maar dit deed met zoo sterken zin

voor de realiteit en zoo groote en voor de Kring vruchtbare

zakelijk inzicht, vervult ons allen met groote dankbaarheid,

en moge tevens beseft worden door die velen,

die uitteraard niet zien hoeveel je doet, doch die uit

mijn mond nogmaals mogen hooren, dat de Kring zijn

goede financieele positie van het oogenblik grootendeels

dankt aan je sterke en strenge beleid als thesaurier.

Terwijl ik vurig hoop, dat het oogenblik nog eens

komen zal, waarop wij je mogen eeren voor je mooie

journalistieke en literaire werk, huldig ik je thans namens

ons allen als Kringbestuurder, als vereenigingsman.

Wij danken je voor je arbeid, wij hopen dat je

je post nog niet zult verlaten en wij verzoeken je, namens

den Kring, een eenvoudig souvenir te willen aanvaarden

".

Het eerste college te Utrecht.

Het U. D. schreef:

Het klein Auditorium, waar de heer van der Hout zijn rede uitsprak,

bleek haast te klein om de vele belangstellenden te bevatten.

Uit den universitairen kring waren aanwezig van het college van

curatoren, de voorzitter dr. J. P. Fockema Andreae en de secretaris

dr. B. J. L. baron de Geer van Jutphaas. Voorts voorzitter en secretaris

der litteraire faculteit, Prof. dr. C. W. Vollgraff en Prof. mr.

dr. Th. W. Juynboll en de hoogleeraren dr. P. Fijn van Draat,

dr. G. W. Kernkamp, dr. H. R. Kruyt, dr. B. J. H. Ovink, dr. W.

P. J. Pompe, dr. F. M. j. A. Roels, en dr. C. G. N. de Vooys, zoomede

afgevaardigden van de senaten van het Utrechtsch Studentencorps

en de Utrechtsche Vrouwelijke Studentenvereniging. Voorts

werden opgemerkt de heeren D. Hans, G. Polak Daniels en L.

Schotting, bestuursleden van den Nederl. Journalistenkring pater

Kruitwagen en de heer Vesters namens de R.-K. Journalistenvereeniging;

mej. E. Belinfante van de Haagsche Journalistenvereeniging;

de heer W. Graadt van Roggen, secretaris-generaal van de Vereeniging

tot het houden van Jaarbeurzen in Nederland; mr. Alf Pott,

secretaris van de Ver. van R. K. Dagblad-directeuren; verder tal

van studenten, vele te Utrecht werkzame journalisten en leden vanden

Nederl. Journalistenkring van elders.

Na afloop der plechtigheid hebben de Utrechtsche journalisten

hun collega-leermeester in huize Moolenaar ontvangen.

De heer A. C. Rochat heeft namens hen den heer van der Hout

hartelijk toegesproken, hem welkom' geheeten in de universiteit en

de verzekering gegeven, dat hij niet alleen de jongere, maar zeker

ook de oudere collega's onder zijn gehoor zal vinden.

De heer D. Hans sprak uit naam van den Journalistenkring,

woorden van blijdschap over dezen moeilijk veroverden „voorpost",

waarbij hij de verwachting uitte, dat des heeren van der Hout colleges

zullen getuigen van groote onpartijdigheid.

Ds. G. Hulsman, vroeger predikant bij den Protestantenbond te

's-Gravenhage, thans te Drempt, voerde als persoonlijk vriend van

den heer van der Hout het woord. Hoewel hij dit privaatdocentschap

nog zag als ,,de eerste stap" verwachtte hij zijn vriend later

nog te zien als lector, ja als professor.

De heer W. N. van der Hout, heeft tenslotte dank gezegd voor

den hem bereide ontvangst, waarna de journalisten zich nog geruimen

tijd met elkander onderhielden. Uit naam van de echtgenooten

der Utrechtsche journalisten, werden aan mevrouw van der Hout

bloemen aangeboden door mevrouw van Gurtzgen, die een fraaie

tuil donkerroode rozen met eenige vriendelijke woorden overhandigde.

Een groepje vrienden en kennissen vereenigde zich 's avonds aan

een gemeenschappelijken maaltijd in het Jaarbeurs-Restaurant.

More magazines by this user
Similar magazines