30.09.2013 Views

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE

SHOW MORE
SHOW LESS

You also want an ePaper? Increase the reach of your titles

YUMPU automatically turns print PDFs into web optimized ePapers that Google loves.

HANDBOEK VOOR

BEGELEIDERS BIJ DE

ASIELPROCEDURE

Silvija Bašić

Dominique Van Hespen

Isabelle Poppe

[Dit handboek kwam tot stand met steun van het Europees Vluchtelingenfonds]


HANDBOEK VOOR

BEGELEIDERS BIJ DE

ASIELPROCEDURE

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 1


Teksten: Silvija Bašić, Isabelle Poppe en Dominique Van Hespen

Taalkundige correctie: Tom Van Buggenhout

Lay-out: Reginald Dierckx

Druk: De Wrikker

Verantwoordelijke uitgever:

Pieter De Gryse, Vluchtelingenwerk Vlaanderen,

Gaucheretstraat 164, 1030 Brussel

Een uitgave van Vluchtelingenwerk Vlaanderen

1e druk: oktober 2008

geactualiseerde versie november 2009

Gaucheretstraat 164

1030 Brussel

Tel.: 02/ 274 00 20

Fax: 02/ 201 03 76

info@vluchtelingenwerk.be

www.vluchtelingenwerk.be

2 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


VOORWOORD

Asielzoekers zijn volwassen mensen van wie we verwachten dat ze hun leven zelf in

handen nemen. Voor Vluchtelingenwerk Vlaanderen zijn de autonomie en de keuzevrijheid

van de asielzoeker centrale waarden. Het blijft uiteindelijk aan de asielzoeker om de

beslissingen te nemen die cruciaal zijn voor haar of zijn toekomst.

Hieruit afleiden dat de asielzoeker in staat is of zou moeten zijn om zich een weg te banen

door de asielprocedure, is echter te kort door de bocht. In de asielprocedure wordt van

de asielzoeker immers veel meer verwacht dan dat hij of zij simpelweg zijn vluchtverhaal

vertelt. Hij of zij moet dit doen op een westers-logische en coherente manier, namen en

data correct vermelden, allerlei moeilijke vragen over het herkomstland beantwoorden,

via tolken communiceren, bewijsstukken aanbrengen, termijnen respecteren, enzovoort,

enzovoort.

De asielprocedure is een complex gebeuren, dat ook voor “Belgen” moeilijk te begrijpen

blijft. Net zoals in zowat alle andere administratieve en juridische procedures kan enige

begeleiding hierbij geen kwaad, om het zacht uit te drukken. Belgische rechtsonderhorigen

die in een juridische procedure terechtkomen, laten zich ook systematisch bijstaan.

Voor ingewikkelde administratieve procedures doen ze een beroep op helpdesks, websites,

boeken, vrienden en kennissen, enz. Voor een asielzoeker, een mens in een precaire

vluchtsituatie, meestal recent aangekomen in een totaal vreemde omgeving, geldt

deze behoefte aan begeleiding a fortiori.

Dit handboek is de geactualiseerde en sterk herwerkte versie van een publicatie die

Vluchtelingenwerk uitbracht in 2004. Net als in de eerste editie proberen we een hanteerbare,

realistische methode aan te bieden om asielzoekers doorheen de procedure te

loodsen. We gaan er daarbij van uit dat de advocaat hierin de spilfiguur vormt, maar dat

hij deze klus niet alleen kan klaren. Het samenspel advocaat - hulpverlener staat dan ook

centraal in onze methodiek.

We hopen dat dit handboek de lezer zal inspireren en aanmoedigen om asielzoekers nog

beter bij te staan, zodat we er als begeleiders samen in slagen om asielzoekers die nood

hebben aan bescherming, effectief aan die bescherming te helpen.

Pieter De Gryse

directeur Vluchtelingenwerk Vlaanderen

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 3


LIJST MET GEBRUIKTE AFKORTINGEN

AI Attest van Immatriculatie

AMA Alleenstaande Minderjarige Asielzoeker

BCHV Belgisch Comité voor Hulp aan Vluchtelingen

BIVR Bewijs van Inschrijving in het Vreemdelingenregister

Bijlage 13qq Bijlage 13quinquies

BJB Bureau voor Juridische Bijstand

CGVS Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de

Staatlozen

COI Country of Origin Information

DVZ Dienst Vreemdelingenzaken

EVRM Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de

Mens en de fundamentele vrijheden

HV Hulpverlener

IOM Internationale Organisatie voor Migratie

LOI Lokaal Opvanginitiatief

NBMV Niet-Begeleide Minderjarige Vreemdeling

NGO Niet-Gouvernementele Organisatie

RvS Raad van State

RvV Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

UNHCR United Nations High Commissioner for Refugees

Vreemdelingenwet Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het

grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van

vreemdelingen

4 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


INHOUDSTAFEL

VOORWOORD 3

LIJST MET GEBRUIKTE AFKORTINGEN 4

I INLEIDING 11

II ROL VAN DE BEGELEIDER 13

1 - Inleiding 13

2 - Doel van de begeleiding 14

3 - Kenmerken van een goede begeleiding 14

4 - Specifieke bepalingen voor de verschillende groepen begeleiders 17

A Hulpverleners 17

A.1 Basisbeginselen 17

A.2 Beroepsgeheim 18

B Advocaten 19

B.1 Onafhankelijkheid 19

B.2 Belangen cliënt 20

B.3 Onverenigbaarheden 20

B.4 Beroepsgeheim 20

B.5 Ereloon en kosten 21

B.6 Juridische bijstand en “pro Deo” prestaties 21

B.7 Rechtsbijstand 22

III COMMUNICATIE 23

1 - Inleiding 23

2 - Interculturele context en communicatie 23

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 5


3 - Tips voor een goede communicatie 25

4 - Als de communicatie verstoord is door psychologische problemen 29

IV METHODIEK VAN DE BEGELEIDING 31

1 - Inleiding 31

2 - De actoren betrokken bij de procedurebegeleiding 32

3 - Het verwezenlijken van de samenwerking tussen de advocaat en de

hulpverlener(s) 33

A Samenwerkingsovereenkomst tussen het LOI van Mol en een aantal

advocaten 33

B De samenwerking tussen de balie van Antwerpen en een netwerk van

sociale diensten 34

C Het netwerk van advocaten en hulpverleners in West-Vlaanderen 35

4 - Mogelijke taakverdeling tussen advocaat en hulpverlener(s) 36

V (PRAKTISCHE) BEGELEIDING BIJ HET DOORLOPEN VAN DE ASIELPROCE-

DURE 39

1 - Inleiding 39

2 - Het eerste gesprek 39

3 - Het dossier 41

4 - De rechten en plichten van de asielzoeker 42

5 - Het administratieve luik 44

6 - Gronden voor bescherming 45

A Het Vluchtelingenverdrag 46

A.1 De vluchtelingendefinitie 47

A.2 Kernvragen voor de beoordeling van de definitie 47

A.2.1 Wat is het risico bij terugkeer? 48

a Is het risico nog actueel (tijdselement)? 48

b Waar doet het risico zich voor (plaats)? 50

c Wat is de risicograad? 51

6 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


A.2.2 Is er sprake van vervolging? 52

a Wat is de aard van de vervolging? 53

b Wie is het slachtoffer? 55

c Wie is de auteur? 55

d Wat is de reden van de vervolging? 56

A.2.3 Wat zijn de bewijzen van het risico en van de vervolging? 59

a Moeten het risico en de vervolging bewezen worden? 59

b Met welke bewijzen kan men het risico en de vervolging aantonen? 60

A.3 Uitsluitingsgronden 61

A.4 Herkomstlandeninformatie 61

A.5 Informatie voor de asielzoeker 62

B Subsidiaire bescherming 68

C Artikel 9ter van de Vreemdelingenwet 70

D Nog andere beschermingsgronden? 72

7 - Het nationale kader van de Belgische asielprocedure 75

A De Dienst Vreemdelingenzaken 75

A.1 De asielaanvraag en registratie 75

A.2 Het Dublin-onderzoek 80

A.2.1 Beknopt overzicht van de Dublin-criteria 80

A.2.2 De Dublinprocedure 81

A.2.3 Gronden waardoor de DVZ zich verantwoordelijk kan verklaren, ook

al is men er strikt genomen niet toe gehouden door de verordening 83

a De humanitaire clausule 83

b De soevereiniteitsclausule 84

c De eerbiediging van het privé- en het gezinsleven in de zin van artikel

8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) 84

d Medische redenen 84

e Het risico op refoulement, rechtstreeks of onrechtstreeks 85

A.2.4 Beroepsmogelijkheden tegen een Dublin overname 86

A.3 Onderzoek in overwegingname van de asielaanvraag 87

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 7


B Het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen 88

B.1 De bevoegdheden van het CGVS 88

B.2 Het verloop van de procedure 88

B.3 De mogelijke beslissingen 97

B.4 Beroepsmogelijkheden 100

C De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: beroep ten gronde tegen een

beslissing van het CGVS 101

C.1 Aard van de procedure 101

C.2 Het verzoekschrift en de beroepstermijn 101

C.3 Na het indienen van het beroep 104

C.4 De hoorzitting 105

C.5 Het arrest 107

D De Raad van State 110

D.1 Procedure 110

D.2 Beroepstermijn 111

D.3 Zegelrechten 111

D.4 Verblijf gedurende de procedure 112

VI BIJZONDERE SITUATIES 113

1 - Alleenstaande minderjarige asielzoekers 113

2 - Vrouwelijke vluchtelingen en gender-gebonden vervolging 116

A Algemeen 116

B Vrees voor besnijdenis 118

3 - Erkend als vluchteling in een ander land 119

4 - Staatloosheid 120

VII NA AFLOOP VAN DE ASIELPROCEDURE 123

1 - Erkend als vluchteling 123

A Verblijf 123

B Tewerkstelling 124

8 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


C Reizen 124

D Documenten aanvragen 124

E Vluchtelingenstatus voor de minderjarige kinderen 124

F Gezinshereniging 125

G Belg worden 126

H Afstand, beëindiging en intrekking van de vluchtelingenstatus 126

2 - Toekenning subsidiaire beschermingsstatus 127

A Verblijf 127

B Tewerkstelling 128

C Reizen 128

D Documenten aanvragen 128

E Subsidiaire bescherming voor minderjarige kinderen 129

F Gezinshereniging 129

G Belg worden 129

H Beëindigen status 130

3 - Verlenging van een bevel om het grondgebied te verlaten 130

4 - Regularisatie 133

5 - Terugkeer 135

A Algemeen 135

B Terugkeer vanuit de open opvangstructuren 136

C Terugkeer vanuit de gesloten centra 136

D De maximumduur van opsluiting 137

E Meer info? 138

VIII ADRESSENLIJST 139

1 - De asielinstanties 139

2 - Juridische ondersteuning 141

A Vlaanderen/België 141

B Antwerpen 144

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 9


C Brussel en Vlaams Brabant 146

D Limburg 148

E Oost-Vlaanderen 150

F West-Vlaanderen 152

3 - Medisch 153

4 - Tolk- en Vertaaldiensten 155

5 - Terugkeer 157

6 - Landeninformatie 158

7 - Opsporingen 158

8 - Andere 159

IX LITERATUURLIJST 163

X BIJLAGEN 169

BIJLAGE I : Schema van de Asielprocedure 170

BIJLAGE II : Overzicht van de belangrijkste bijlagen en de beroepsmogelijkheden

171

BIJLAGE III : Aanstelling van een vertrouwenspersoon

interview CGVS 178

BIJLAGE IV : Wijziging van woonplaats 179

BIJLAGE V : Aanvraag kopie van bepaalde administratieve stukken CGVS 180

BIJLAGE VI : Attest van immatriculatie model A 181

BIJLAGE VII : Vragenlijst vluchtverhaalanalyse voor de begeleider 182

BIJLAGE VIII : Rol van het UNHCR in de asielprocedure 189

BIJLAGE IX : Tuchtrecht advocaten 192

10 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


I INLEIDING

[ INLEIDING ]

Met dit handboek willen we een werkinstrument aanbieden voor een kwaliteitsvolle begeleiding

van asielzoekers tijdens hun asielprocedure. We gaan ervan uit dat een kwaliteitsvolle

begeleiding een eerste stap is naar een correcte en rechtvaardige behandeling

van de asielaanvraag.

Telkens wanneer we de term begeleider gebruiken, zonder verdere verduidelijking,

wordt verwezen naar ieder persoon die beroepsmatig of als vrijwilliger bezig is met de

begeleiding van de asielzoeker tijdens de asielprocedure: maatschappelijke werkers, juristen,

vrijwilligers, advocaten, enz.

Indien we één categorie van de ruimere groep begeleiders voor ogen hebben, dan benoemen

we deze uitdrukkelijk. De advocaat zal regelmatig expliciet benoemd worden

omdat er een onderscheid kan gemaakt worden tussen de taken van de advocaat en die

van alle andere begeleiders. In deze context duiden we alle andere begeleiders aan met

de verzamelterm hulpverlener.

In het handboek wordt regelmatig naar hij of hem verwezen, daar waar de invulling net

zo goed vrouwelijk zou kunnen zijn. Dit werd gedaan om de lectuur te vergemakkelijken.

We beginnen het handboek met een aantal hoofdstukken die strikt genomen weinig

met de asielprocedure te maken hebben. Het lijkt ons echter onontbeerlijk te verduidelijken

dat het werken met asielzoekers een aantal vaardigheden vereist die de begeleider

zich eigen dient te maken. Elke begeleider heeft ook nood aan een duidelijk kader dat

hem toelaat om kwaliteitsvolle begeleiding te bieden. Uit de ruime ervaring die Vluchtelingenwerk

Vlaanderen opbouwde over de jaren heen is gebleken dat begeleiding van

asielzoekers doorheen de asielprocedure gespecialiseerd en zeer tijdsintensief is. Samenwerking

tussen de verschillende actoren die betrokken zijn bij de begeleiding van de

asielzoeker tijdens de procedure kan verlichting betekenen van ieders taak en voor een

betere en kwaliteitsvolle begeleiding zorgen. Er zijn in het handboek enkele voorbeelden

opgenomen van samenwerkingsverbanden tussen de advocatuur en hulpverleners, die

een inspiratie kunnen zijn.

In verdere hoofdstukken wordt de asielprocedure in al zijn facetten zeer nauwkeurig

toegelicht. Er wordt immers vanuit gegaan dat een theoretische kennis inzake asielrecht

onontbeerlijk is. Door in het handboek ook praktijkgerichte informatie te brengen pogen

we een totaalbeeld mee te geven over het verloop van de procedure voor al diegenen die

betrokken zijn bij de begeleiding. Ook de asielzoeker zal gebaat zijn bij zoveel praktische

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 11


informatie en zal beter kunnen geïnformeerd worden over wat hem allemaal te wachten

staat.

Niet elke asielzoeker bevindt zich in een zelfde situatie, ook de asielinstanties zijn zich

hiervan bewust en over de jaren heen werden bijzondere procedures ontwikkeld die

aandacht geven aan specifieke situaties. Volledigheidshalve hebben we deze situaties

opgenomen in het voorlaatste hoofdstuk.

In de laatste hoofdstukken wordt kort ingegaan op verschillende situaties na afloop van

de asielprocedure. Het gaat eerder om een korte schets van de verschillende situaties

waarin de asielzoeker kan terecht komen.

Achteraan het handboek hebben we ook een uitgebreide adressenlijst opgenomen van

allerlei organisaties en instanties die nuttig kunnen zijn bij specifieke vragen rond de

begeleiding in het kader van de asielprocedure.

Tot slot wensen wij onze dankbaarheid te uiten aan de personen die via de stuurgroep

een actieve bijdrage hebben geleverd aan de realisatie van dit handboek: Eric Somers

van het VMC, Erik Willems van het Team Rechtspositie van de Stedelijke Integratiedienst

Gent, Mathieu Beys van Caritas International, Jacqueline Vanderhaegen van het Protestants

Sociaal Centrum Brussel, Nadia Liefooghe van CAW Mozaïek, Marijke Cupers van

het LOI van Heusden-Zolder en meester Bob Brijs.

Een bijzondere vermelding verdienen het CGVS voor het verstrekken van interessante

informatie en een aantal bereidwillige collega’s voor hun waardevolle bijdrage; Hannes

Vervenne, Jennifer Addae, Pieter Stockmans, Kathelijne Houben, Dita Demaku, Charlotte

Vandycke. Tot slot ook dank aan het Groot Begijnhof van Leuven die ons de mogelijkheid

heeft geboden in alle rust te werken.

Dit handboek kwam tot stand met de steun van het Europees Vluchtelingenfonds.

Silvija Bašić en Dominique Van Hespen

12 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


II ROL VAN DE BEGELEIDER

1 - Inleiding

[ ROL BEGELEIDER ]

Een goede professionele begeleiding tijdens de asielprocedure is cruciaal opdat elke

asielzoeker een eerlijke kans zou krijgen op bescherming en erkenning.

Het wettelijk en administratief kader waarbinnen de asielprocedure zich afspeelt, is ingewikkeld

en staat vaak ver van de concrete realiteit waarmee asielzoekers geconfronteerd

worden. Soms is de asielaanvraag op zich al een hele opgave voor de kandidaatvluchteling.

Het proces dat moet worden doorlopen is er een van complexe juridische

definities en voorwaarden. De verschillende asielinstanties zijn erop gericht de objectieve

waarheid in het vluchtverhaal te achterhalen. Het al dan niet goed overbrengen

van het vluchtverhaal bepaalt of de asielzoeker een beschermingsstatuut zal krijgen. Bewijsstukken,

vragenlijsten, begrippen als contradictie en gebrek aan waarachtigheid in

het verhaal, het respecteren van beroepsprocedures en –termijnen, enz. behoren tot de

juridische realiteit. Omdat de asielzoekers vaak geen idee hebben wat precies van hen

verwacht wordt en/of welke criteria de autoriteiten hanteren, kan het gebeuren dat zij

niet de bescherming bekomen waar zij recht op hebben. Het is niet altijd makkelijk voor

de begeleider om de asielzoeker te midden van dit proces te helpen omkaderen, begeleiden

en waar nodig door te verwijzen.

Het belang van het vluchtelingen- of subsidiair beschermingsstatus mag niet onderschat

worden. Met een statuut krijgen vluchtelingen niet alleen de nodige bescherming, ze

krijgen ook toegang tot de rechten die essentieel zijn in het heropbouwen van hun leven.

Een foutieve beslissing ontneemt niet alleen de toegang tot deze rechten, maar kan ook

het leven van de vluchteling bedreigen indien hij wordt teruggestuurd naar het land dat

hij ontvluchtte.

In dit hoofdstuk belichten we de rol van de begeleider in het kader van de asielprocedure.

Met begeleider bedoelen we hier ieder persoon die beroepsmatig of als vrijwilliger

asielzoekers begeleidt: maatschappelijk werkers, advocaten, juristen, vrijwilligers, hulpverleners,

enz.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 13


2 - Doel van de begeleiding

De begeleiding heeft als doelstelling dat:

1) de asielzoeker zich respectvol bejegend voelt;

2) de hulpverlening aansluit bij de noden en ervaring van de asielzoeker;

3) de eigen verantwoordelijkheid en mondigheid van de asielzoeker gestimuleerd worden

en er beroep gedaan wordt op de eigen mogelijkheden (empowerment);

4) de asielzoeker de procedure beter begrijpt alsook de redenen waarom iemand in België

al dan niet bescherming kan krijgen;

5) de asielzoeker zelf zo snel mogelijk beseft welk het resultaat van de procedure zal

zijn.

Belangrijke randvoorwaarden bij het vrijwaren van de rechten van de asielzoeker zijn

onder andere: de communicatie tussen de asielzoeker en de begeleider, de vertrouwensrelatie

tussen de asielzoeker en de begeleider, de kennis en ervaring van de begeleider,

de kennis en achtergrond van de asielzoeker en de mentale situatie waarin de asielzoeker

zich bevindt. Ook het kader (methode, samenwerkingsafspraken en wetgeving)

waarbinnen de begeleider functioneert, speelt een belangrijke rol.

3 - Kenmerken van een goede begeleiding

Het ‘profiel van de betere hulpverlener’ bestaat wellicht niet. Toch is het belangrijk te

onderkennen dat het slagen van professionele hulpverlening valt of staat met het ontwikkelen

van een goede (vertrouwens)relatie. Het is geruststellend dat de meeste begeleiders

in hun werk het beste van zichzelf naar boven halen en zich meestal met hart en

ziel inzetten voor het welzijn van de asielzoeker. Goede hulpverlening betekent stevig

met de voeten op de grond staan en waakzaam op het werk gericht zijn. Begeleiders die

er niet in slagen een goede (vertrouwens)relatie tot stand te brengen met de asielzoeker

bekomen geen/minder goede resultaten.

We omschrijven de rol van de begeleider hier nader aan de hand van een aantal uitdagingen

- soms ook valkuilen - die de begeleider te wachten staan.

Permanente kennisverwerving en bijscholing

Een goede begeleiding begint bij het beschikken over juiste informatie. Als begeleider

moet je op de hoogte zijn van het wettelijke kader, de asielpraktijk en de rechtspraak.

Bovendien moet je weten waar je relevante informatie kan terugvinden en bij wie je

terecht kan voor vragen. Omdat wetgeving en praktijk enerzijds en de ondersteunende

diensten anderzijds voortdurend in evolutie zijn, is het belangrijk om je als begeleider

14 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


permanent te informeren. Een begeleider die goed geïnformeerd is en die de asielzoeker

hiervan bewust kan maken, zal snel het vertrouwen winnen. Foute informatie waarmee

de asielzoeker mogelijk naar België is gekomen, kan de begeleider op die manier ook

rechtzetten.

Luisterhouding

Een goede begeleiding veronderstelt dat men kan luisteren. Het lijkt vanzelfsprekend,

maar luisteren is hoogst ongewoon en wezenlijk verschillend van wat in het dagdagelijkse

leven onder luisteren wordt verstaan. Het houdt de bereidheid in om het eigen perspectief

(mening, oordeel en gevoel) opzij te zetten en zich af te stemmen op de context

van de ander. Hinderpalen ontstaan wanneer de begeleider denkt slimmer te zijn dan de

asielzoeker. Veel goede raad willen bieden, commentaar geven, voortdurend geruststellen

en bevestigen zijn eigenschappen die niet aansluiten bij een goede begeleiding. De

asielzoeker is meester van zijn verhaal, het is de taak van de begeleider de asielzoeker te

helpen zijn verhaal helder en zuiver weer te geven.

Authenticiteit

De betere begeleider is geen geremd persoon, maar iemand die zich dynamisch opstelt

en levendig uitdrukt. Hij doet dit door een eenvoudige aanwezigheid zonder veel vertoon.

Echtheid houdt ook in dat de begeleider pijnlijke en confronterende boodschappen

dient te brengen en eerlijk verwoordt wat de asielzoeker te wachten staat. Hij moffelt

geen dingen weg die moeilijk liggen of stelt de situatie niet mooier voor dan ze is.

Begeleiders bevinden zich ook voortdurend in een spanningsveld tussen een grote nabijheid

en betrokkenheid en de noodzakelijke professionele afstand. Het besef van de

begeleider dat het niet erkend worden als vluchteling onmiddellijke en verregaande gevolgen

heeft voor het leven en het welzijn van de asielzoeker en zijn familie kan er in

veel gevallen toe leiden dat de begeleider zichzelf heel betrokken voelt bij het lot van de

asielzoeker. De asielzoeker is echter niet gediend met een begeleider die een overmaat

aan sympathie en betrokkenheid toont. Ook een begeleider die een defensief-afstandelijke

houding aanneemt, zal niet in staat zijn de noodzakelijke vertrouwensrelatie met de

asielzoeker op te bouwen. De wil om een vertrouwensrelatie op te bouwen is gebaseerd

op een professionele werkinstelling, waarbij persoonlijke en gevoelsmatige voorkeuren

niet spelen in de begeleiding en het engagement zich vertaalt in prioriteiten en grenzen

tijdens de begeleiding.

Ongelijke relatie

Hulpverlening houdt een ongelijke relatie in waarbij de asielzoeker in een afhankelijke

positie zit en per definitie kwetsbaar is. De asielzoeker moet er op kunnen rekenen dat

de begeleider een veilige relatie aanbiedt, met heldere afspraken over frequentie, duur

en eventuele betaling van contacten. Eenduidige regels over wat wel en niet tot de professionele

relatie behoort, moeten afgesproken en bewaakt worden. Kunnen terugvallen

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 15


op een zekere structuur en vaste grenzen zijn immers aspecten van een goede zorg. Dit

neemt niet weg dat de begeleider een zekere flexibiliteit aan de dag moet kunnen leggen

om te onderhandelen of tijdens crisismomenten kleine verschuivingen toe te staan.

Het is normaal dat asielzoekers zich laten informeren. Zelfs voor de meest vaardige asielzoeker

zal het doorlopen van de asielprocedure een serieuze uitdaging blijven. Zonder

het dossier uit handen van de asielzoeker te nemen, moet de begeleider de asielzoeker

bijstaan in het nemen van beslissingen. Hij moet de asielzoeker erop wijzen dat een beslissing

zich opdringt, vervolgens de draagwijdte van de voorliggende keuzes toelichten en

alle nodige informatie verstrekken zodat de asielzoeker met volledige kennis van zaken

een beslissing kan nemen. De informatie van de begeleider moet een onderdeel worden

van het oplossingsvermogen van de asielzoeker en geen vervaging ervan. Asielzoekers

zijn niet hulpeloos, integendeel. De manier waarop zij overleven in hun nieuwe omgeving

en de wijze waarop zij vervolging ontvluchten, getuigt van creativiteit en wilskracht.

Het asielrecht is echter een gespecialiseerde materie, zodoende is hij afhankelijk van de

informatie die hem gegeven wordt door anderen. De begeleider moet zich daarom zelf

goed informeren, vertrekkende vanuit een volledig beeld van het vluchtverhaal, over de

verschillende juridische pistes en over de heersende praktijk en rechtspraak.

Vertrouwen

Vertrouwen is heel belangrijk in de begeleiding. Asielzoekers hebben vaak veel meegemaakt

en zijn heel kwetsbaar. Ons uitgangspunt is dat de interactie en het al dan niet opbouwen

van een vertrouwensrelatie de begeleiding meer beïnvloedt dan eender welke

andere factor.

Iedere begeleiding zal omwille van de interactie tussen de begeleider en de asielzoeker

anders verlopen. Van een begeleider mag men verwachten dat hij zoekt naar de individuele

aanpak die toelaat om het vertrouwen te winnen. Wat daartoe kan bijdragen,

naast de hoger aangestipte kenmerken van een goede begeleiding, is: voldoende tijd

nemen voor gesprekken met de asielzoeker en interesse en respect tonen. Routinematig

optreden is uit den boze.

In deze context mag men ook de invloed van landgenoten, andere asielzoekers, enz. niet

onderschatten. Ze hebben vaak een onrealistisch beeld van het Belgische systeem opgehangen.

De asielzoeker zal aanvankelijk meer vertrouwen hebben in die personen dan in

de begeleider. Indien de begeleider vermoedt dat de asielzoeker afgaat op bronnen die

hem verkeerd informeren, kan dit best ter sprake worden gebracht.

Essentieel in het vertrouwensproces is dat de asielzoekers er zeker van moet zijn dat de

begeleider respecteert wat hem verteld wordt en dat niets daarvan zonder toestemming

zal onthuld worden.

Indien gewerkt wordt in teamverband valt het aan te raden de asielzoeker op de hoogte

te brengen van het feit dat informatie binnen het team gedeeld wordt. De regels rond

gedeeld beroepsgeheim worden verder in dit handboek besproken.

16 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


4 - Specifieke bepalingen voor de verschillende groepen

begeleiders

We geven in dit hoofdstuk nog een aantal regels mee voor de verschillende groepen

begeleiders volgens het beroep dat ze uitoefenen.

Het maatschappelijk werk in het algemeen kent een aantal basisregels die zowel in internationale

als in nationale teksten zijn opgenomen zonder dat ze in een deontologische

code zijn geüniformiseerd. Deze basisregels kunnen volgens ons worden doorgetrokken

naar de hele professionele hulpverlening. Een van de basisregels, het beroepsgeheim, zal

uitvoerig besproken worden.

Advocaten van hun kant zijn gebonden aan een aantal duidelijk omschreven deontologische

regels en staan onder het toezicht van een stafhouder, die waakt over de naleving

van deze regels.

Hieronder volgt een beknopt overzicht van de belangrijkste deontologische regels voor

hulpverleners en advocaten.

A Hulpverleners

A.1 Basisbeginselen

Enkele basisbeginselen verbonden aan de beroepscategorie van de maatschappelijk werkers

kunnen als volgt worden omschreven:

¬ het respect voor de verscheidenheid

¬ het respect voor het beroepsgeheim

¬ het respect voor de autonomie van de persoon

¬ het werken vanuit een vertrouwensrelatie

¬ een informatieopdracht ten aanzien van de hulpvrager

¬ een objectieve en serene houding aannemen

¬ een bereidheid tot permanente vorming

¬ de bereidheid om in te gaan op de reële noden van de hulpvrager en er emancipatorische

oplossingen en acties aan kunnen koppelen

Deze basisbeginselen spelen een belangrijke rol in de ruime maatschappelijke begeleiding,

maar kunnen evenzeer toegepast worden op de begeleiding van de asielprocedure.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 17


A.2 Beroepsgeheim

Aan het beroepsgeheim besteden we hier extra aandacht omdat het beginsel uitdrukkelijk

in het Strafwetboek is opgenomen. Artikel 458 van het Strafwetboek bepaalt dat

iemand die uit hoofde van zijn beroep of staat geheimen krijgt toevertrouwd en die

bekend maakt, buiten het geval hij geroepen wordt om te getuigen voor het gerecht,

gestraft kan worden. Het beroepsgeheim wordt geschonden als opzettelijk geheimen

worden prijsgegeven ook al had men niet de bedoeling iemand schade of nadeel te berokkenen.

Het artikel is algemeen opgesteld. Het kan in zijn geheel van toepassing zijn op begeleiders

van asielzoekers. Begeleiders krijgen ofwel uit hoofde van hun beroep ofwel vanuit

hun hoedanigheid (bijvoorbeeld een vrijwilliger die in vertrouwen genomen wordt)

te maken met vertrouwelijke informatie en kunnen die niet ongestraft bekend maken.

Het beroepsgeheim is geen recht waarop een begeleider zich kan beroepen, het is een

verplichting. Het beroepsgeheim blijft ook gelden wanneer de vertrouwensrelatie of de

arbeidsovereenkomst is beëindigd.

Indien een begeleider in een gerechtelijke procedure (voor een magistraat, een rechter)

wordt opgeroepen, geldt het beroepsgeheim minder absoluut. Hier wordt de keuze gelaten

aan de begeleider zelf. In alle andere gevallen is men verplicht het beroepsgeheim te

respecteren en kan men niet ingaan op vragen van de asielinstanties, politie, gemeente,

enz. die betrekking hebben op de asielzoeker die men in begeleiding heeft of had. Volgens

ons kan de asielzoeker afstand doen van zijn recht op geheimhouding en de mogelijkheid

de hulpverlener te ontslaan van zijn geheimhoudingsplicht valt te verdedigen in

die zin dat hij het best geplaatst is om te beslissen welke gegevens die tot zijn privésfeer

behoren mogen meegedeeld worden aan derden.

In de praktijk ervaart men vaak dat verschillende diensten, organisaties en individuen

betrokken zijn bij de begeleiding van de asielzoeker. Ook in dit handboek wordt gepleit

voor een nauwe samenwerking in het kader van een verbeterde juridische ondersteuning

van de asielzoeker. Vraag is dan of men kan spreken van de mogelijkheid van een

gedeeld of afgeleid beroepsgeheim. Hoewel het gedeeld beroepsgeheim niet algemeen

aanvaard wordt, is het begrip doorgedrongen in de hulpverleningspraktijk. Men gaat

ervan uit dat personen die gehouden zijn aan het beroepsgeheim informatie die hen

in vertrouwen is verteld kunnen delen en men drager wordt van hetzelfde geheim ten

aanzien van derden. Voorzichtigheid lijkt echter geboden en een te ruimte interpretatie

af te raden. Schending van vertrouwen kan de relatie met de asielzoeker in het gedrang

brengen en informatie die men via derden verneemt, is vaak vervormd en niet meer

een waarheidsgetrouwe weergave van feiten. Het is aan te raden volgende aspecten in

beschouwing te nemen indien men zich beroept op een gedeeld beroepsgeheim: informatie

die men in vertrouwen heeft bekomen of vernomen kan enkel gedeeld worden

tussen personen die door hetzelfde beroepsgeheim gehouden zijn (1), binnen dezelfde

hulpverleningscontext handelen en met hetzelfde hulpverleningsdoel (2), het gaat om

relevante en noodzakelijke gegevens (3), in het belang van de cliënt wordt gehandeld (4)

en tot slot de cliënt hierover geïnformeerd wordt en zijn toestemming geeft (5).

18 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Artikel 29 en 30 van het Wetboek van Strafvordering verplicht ambtenaren en personen

om misdrijven bekend te maken. Vaak wordt ervan uitgegaan dat deze verplichting in

strijd is met het beroepsgeheim en er zelfs op primeert. Dit is niet het geval. De rechtsleer

en de rechtspraak gaan er veeleer vanuit dat de meldingsplicht voorbijgestreefd is door

de bepalingen inzake beroepsgeheim. Ook op begeleiders met een ambtenarenstatuut

rust een even absolute verplichting inzake het bewaren van het beroepsgeheim. De meldingsplicht

kan in principe niet aangewend worden om de geheimhoudingsverplichting

onder druk te zetten. In de praktijk kan dit echter het geval zijn zolang de artikelen met

betrekking tot de meldingsplicht niet zijn geschrapt uit het Wetboek van Strafvordering.

Indien zich hieromtrent problemen stellen, zal men zich moeten beroepen op de geldende

rechtspraak en rechtsleer.

Het artikel 422bis van het Strafwetboek, waarin de verplichting is opgenomen om bijstand

te verlenen aan personen in nood, houdt evenmin een algemene verplichting in

om het beroepsgeheim op te heffen, maar wel een verplichting om hulp te bieden rekening

houdend met alle omstandigheden. Alleen wanneer het opheffen van het beroepsgeheim

de enige mogelijkheid is om hulp te bieden, is dit aanvaardbaar.

Briefwisseling tussen advocaat en cliënt is per definitie vertrouwelijk en mag niet worden

overgemaakt aan de asielinstanties.

B Advocaten

Elke advocaat is onderworpen aan duidelijk omschreven en strenge deontologische regels.

Hij staat onder het toezicht van de stafhouder en is door de wet gelast om de waardigheid,

rechtschapenheid en kiesheid van het beroep na te leven. De deontologie van de

advocatuur is voornamelijk geregeld in de reglementen van de vroegere Nationale Orde

en de reglementen van de Orde van Vlaamse balies. Daarnaast heeft iedere balie een

eigen reglement. De reglementen voor de balies zijn te raadplegen op de website www.

advocaat.be (Vlaamse balies) of www.avocat.be (Franstalige en Duitstalige balies).

B.1 Onafhankelijkheid

Het Charter van de Advocaat, ondertekend door alle stafhouders van de Ordes van advocaten,

stelt dat de advocaat een vrij beroep uitoefent. De onafhankelijkheid en integriteit

van de advocaat waarborgen een doeltreffende tussenkomst. De onafhankelijkheid is

vooral een houding, een instelling van de advocaat tegenover zijn cliënt, tegenover de

rechtbank, de overheid en elke derde. Deze moet men beoordelen in het licht van de taak

van de advocaat en de aard van zijn beroepswerkzaamheid. De advocaat moet zijn cliënten

in onafhankelijkheid kunnen bijstaan en mag niet worden beïnvloed door belangen

van andere cliënten of gewezen cliënten, laat staan door een persoonlijk belang in een

geding of transactie.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 19


B.2 Belangen cliënt

De advocaat is eerste rechter. De advocaat kan in eer en geweten beslissen niet te willen

optreden en kan daartoe niet worden verplicht. Bovendien moet een advocaat erover

waken geen tergende en roekeloze gedingen op te starten. De advocaat kan op elk moment

beslissen niet langer op te treden, wanneer de cliënt zou vragen een zaak te verdedigen

waar de advocaat zich in eer en geweten niet toe wil lenen. Indien een advocaat

een zaak aanneemt en ermee doorgaat, vertegenwoordigt hij de belangen van de cliënt.

In die situatie primeert zijn belang. Wanneer de cliënt vertrouwelijke informatie aan de

advocaat toevertrouwt en die informatie ingaat tegen de belangen van de cliënt, dan is

de advocaat niet verplicht deze informatie te geven.

B.3 Onverenigbaarheden

De advocaat zal er zich van onthouden zijn persoonlijke, directe of indirecte belangen

zowel in burgerlijke, disciplinaire als in strafzaken te verdedigen. Advocaten, en bij uitbreiding

ook hun medewerkers, stagiairs of vennoten, pleiten niet voor familieleden tot

in de derde graad.

B.4 Beroepsgeheim

Het beroepsgeheim van de advocaat is één van de grondvesten van het beroep. De cliënt

moet kunnen vertrouwen op de loyale bijstand van zijn advocaat, dat betekent dat alle

informatie vertrouwelijk blijft.

Het beroepsgeheim kan slechts worden opgeheven in bijzondere en buitengewone omstandigheden.

Bij wijze van spreken dient het leven of de gezondheid van een persoon in

gevaar te zijn, waardoor het verbreken van de geheimhoudingsplicht de enige manier is

om dit gevaar af te wenden. De advocaat die zich in een dergelijke bijzondere toestand

bevindt, zal voor zichzelf moeten uitmaken of een eventueel dreigend gevaar belangrijk

genoeg is om zijn beroepsgeheim te schenden.

Een advocaat is echter vaak verplicht gegevens over zijn cliënten mee te delen zonder dat

het beroepsgeheim geschonden wordt.

Een advocaat die het adres of het telefoonnummer van zijn door de politie gezochte client

aan de politie meedeelt, schendt zijn beroepsgeheim.

Een cliënt kan de advocaat toestemming geven om bepaalde informatie te delen met bijvoorbeeld

een hulpverlener. Het beroepsgeheim staat immers in functie van het belang

van de cliënt.

De stafhouder kan advocaten raad geven en richtlijnen meegeven in concrete probleemsituaties

op het vlak van het beroepsgeheim.

20 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


B.5 Ereloon en kosten

De advocaat begroot zelf zijn ereloon. Anders dan in normale contractverhoudingen

wordt het honorarium dus in principe niet in wederzijds akkoord vastgelegd.

De kosten- en ereloonstaat van een advocaat aan zijn cliënt wordt in een afzonderlijk

document ter betaling overgemaakt en omvat normalerwijze drie onderscheiden elementen:

1/de administratieve kosten

2/het ereloon/honorarium

3/de gerechtskosten

Het is aangewezen om vooraf duidelijk aan de cliënt inzage te geven in de eenheidsprijs

en de mogelijke samenstelling van deze kosten.

Algemeen wordt gesteld dat de kosten een derde van het ereloon kunnen bedragen.

Het ereloon kan worden omschreven als “de rechtmatige vergoeding waarop de advocaat

aanspraak mag maken voor de zorgen die hij aan de belangen van zijn cliënt besteedt”.

De criteria die hij daarbij in aanmerking kan nemen zijn: de tijd, het belang van de zaak,

de aard van het werk, enz. Er mag ook rekening worden gehouden met de eerder subjectieve

criteria zoals het bereikte resultaat, de vermogenstoestand van de cliënt en de

bijzondere ervaring of bekendheid van de advocaat.

De advocaat moet aan zijn cliënt een ontvangstbewijs geven bij iedere contante betaling

van de advocaat.

B.6 Juridische bijstand en “pro Deo” prestaties

Personen die onvermogend zijn, hebben recht op kosteloze juridische bijstand. De

Bureaus voor Juridische Bijstand (BJB’s) verbonden aan iedere balie organiseren deze

kosteloze juridische bijstand. De kosteloze juridische bijstand is beter gekend als de

“pro-Deoregeling”. Een aantal categorieën van personen wordt gelijkgesteld met onvermogenden.

Asielzoekers behoren tot die categorie. Een asielzoeker moet geen inkomstenstaat

bewijzen om aanspraak te maken op kosteloze juridische bijstand tijdens

een asielprocedure. Hij wordt geacht onvermogend te zijn voor wat betreft de bijstand

tijdens zijn asielprocedure.

Een andere categorie die wordt gelijkgesteld met onvermogenden is de categorie van de

vreemdelingen voor de indiening van een verzoek tot machtiging van verblijf of van een

administratief of rechterlijk beroep tegen een beslissing genomen in toepassing van de

Vreemdelingenwet.

Dit vermoeden geldt dus niet voor andere dan verblijfsrechtelijke procedures. Voor bijvoorbeeld

een huurgeschil dient de asielzoeker zijn onvermogen in concreto aan te tonen.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 21


Kosteloze juridische bijstand wordt aangevraagd bij het BJB. Iedere balie beschikt over

een BJB. Het BJB zal een pro-Deoadvocaat aanstellen. Meestal zal het BJB een pro-Deoadvocaat

aanstellen die geen specialisatie heeft in het vreemdelingenrecht. Soms werken

de balies wel met lijsten van advocaten die gespecialiseerd zijn in het vreemdelingenrecht

en die bij voorkeur vreemdelingenzaken pro Deo toegewezen krijgen.

De pro-Deoadvocaat kan ook zelf een vraag tot aanstelling richten aan het BJB voor een

cliënt. Niet alle advocaten zijn pro-Deoadvocaten.

B.7 Rechtsbijstand

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen kosteloze juridische bijstand zoals hierboven

omschreven en kosteloze rechtspleging of rechtsbijstand.

Sommige procedures brengen kosten met zich mee (bijvoorbeeld kosten van een deurwaarder,

rolrechten, kosten voor de voor eensluidende verklaarde vertaling van stukken,…).

Het enkele feit dat iemand een pro-Deoadvocaat heeft, betekent niet dat hij automatisch

is vrijgesteld van deze kosten. Om hierop een beroep te doen moet men de

kosteloze rechtspleging vragen. De advocaat vraagt dit aan bij de rechtbank waar de

zaak aanhangig is, meerbepaald bij het bureau voor rechtsbijstand dat is verbonden aan

de rechtbank. Men moet onder meer aantonen dat de inkomsten ontoereikend zijn. De

beslissing van het BJB die de (gedeeltelijke) kosteloze rechtspleging toekent, geldt als

bewijs van ontoereikende inkomsten.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft geen bureau voor rechtbijstand. Voor

de vraag tot kosteloze vertaling van stavingsstukken, moet men aankloppen bij het bureau

voor rechtsbijstand van de rechtbank van Eerste Aanleg.

De advocaten worden niet vergoed voor de kosten van aangetekende zending, noch

voor andere administratiekosten. De advocaten krijgen een vaste vergoeding per zaak,

deze omvat het ereloon en alle gemaakte kosten. De advocaten mogen in principe geen

administratiekosten doorrekenen aan hun cliënt.

We raden aan een ontvangstbewijs te vragen bij elke contante betaling.

Algemene informatie over kosteloze juridische bijstand vind je op www.advocaat.be.

Je kan ook terecht bij het BJB van de balie waaraan de pro-Deoadvocaat verbonden is.

Klacht over een advocaat?

In bijlage 10 leggen we uit wat je mogelijkheden zijn als je niet tevreden bent over je

advocaat.

22 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


III COMMUNICATIE

1 - Inleiding

De communicatie met de asielzoeker is een wezenlijk element in de begeleiding.

Een goede communicatie is zeker niet altijd vanzelfsprekend en omvat meer dan verbale

communicatie. Er kunnen nogal wat stoorzenders optreden, zoals taalbarrière, cultuurverschillen,

spanningen bij de asielzoeker ten gevolge van de onbekende situatie,

onverwerkte trauma’s, gebrek aan vertrouwen in de begeleider en het werken met een

tolk. In dit hoofdstuk willen we een aantal tips aanreiken voor een goed contact met de

asielzoeker.

2 - Interculturele context en communicatie

[ COMMUNICATIE ]

Het gegeven dat begeleider en asielzoeker vaak tot verschillende culturen behoren voegt

een bijkomende dimensie toe aan hun wederzijdse verhouding. Het is bij interculturele

ontmoetingen belangrijk om volgende uitgangspunten in beschouwing te nemen:

Mogelijke verschillen tussen mensen zijn niet altijd culturele verschillen. Iedereen beschikt

immers over een eigen referentiekader en een eigen, unieke culturele achtergrond. Alle

communicatie kan daarom worden benoemd als ‘interculturele communicatie’. Verschillen

zijn niet louter cultureel daar men ook verschilt van geslacht, huidskleur, sociale

achtergrond, seksuele geaardheid, etniciteit, studieniveau, religie, levensbeschouwing,

leeftijd, beroep, enz.

Het gedrag van ieder persoon is uniek. Niemand kan louter op zijn culturele achtergrond

worden ingeschat. Het is belangrijk een houding van openheid, inzet en betrokkenheid

te tonen ten opzichte van elk individu. Het is niet wenselijk om op zoek te gaan naar

culturele verklaringen voor het gedrag van anderen (‘Hij gedraagt zich zus of zo omdat

hij tot een bepaalde cultuur behoort.’), maar de ander mag ook niet steeds beoordelen

vanuit zijn cultuur (‘Dit behoort nu eenmaal tot mijn cultuur.’). Cultuur mag nooit als

excuus gebruikt worden om bijvoorbeeld te kwetsen.

Pluralisme. De mens kan afstand nemen van zichzelf, zich in de rol van de ander inleven

en tegenstrijdigheden hanteren. Mensen zijn niet opgesloten in een bepaalde cultuur,

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 23


maar zij kunnen in nieuwe denk- en handelingskaders worden ingeleid. Cultuur is ook

geen statisch begrip, maar een dynamisch, voortdurend evoluerend gegeven.

Interactie staat centraal, niet cultuur. Men dient stil te staan bij het eigen referentiekader

en zijn levensverhaal. Pas dan kan men tegemoet komen aan de identiteit van anderen.

Men dient hiervoor de vanzelfsprekendheden in eigen denken en doen te onderzoeken

en ter discussie te stellen. Door in contact te treden met elkaar, leert men dat er verschillende

mogelijkheden zijn om naar de werkelijkheid te kijken.

Wat moet je als begeleider dan weten over andere culturen vooraleer je een asielzoeker

kan begeleiden tijdens de asielprocedure?

Iedereen heeft een culturele identiteit gebaseerd op herinneringen, etnie, klasse, geld,

rolverdeling binnen de familie, standpunten van de familie over grootbrengen,… De normen

en waarden die je via je opvoeding meekreeg, bepalen mee wat je ‘normaal’ vindt,

wat je als ‘gewoon’ ervaart. Voor de westerse begeleider kan het contact met personen

uit culturen waar er andere man-vrouwverhoudingen gelden confronterend zijn. Denk er

dan aan dat dit voor de asielzoekers in dezelfde mate het geval is.

Je moet er in elk geval van bewust zijn dat bepaalde zaken anders kunnen worden geïnterpreteerd,

of dat bepaalde zaken die wij vanzelfsprekend vinden door anderen niet als

evident worden beschouwd.

Wellicht is de grootste valkuil bij interculturele communicatie echter het beklemtonen

van de verschillen door alles in een wij/zij context te plaatsen.

Cultureel bewustzijn houdt in dat je in staat bent de gelijkenissen tussen mensen van een

verschillende achtergrond en afkomst te respecteren en positief te herkennen. Erken dat

geen enkele cultuur superieur is ten opzichte van een andere. Probeer situaties waarmee

je niet vertrouwd bent met een open geest te benaderen en breng het nodige respect op

voor hoe mensen verkiezen behandeld en aangesproken te worden. Heb aandacht voor

de eigen grenzen en beperkingen.

Probeer alle vooroordelen aangaande culturele verschillen achterwege te laten in je contacten

met asielzoekers. Net wanneer je gaat reageren vanuit stereotiepen en abstractie

maakt van de persoon die voor je zit, loop je het risico op een mank lopende communicatie.

Soms zal het noodzakelijk zijn om je aan te passen aan de cultuur van een ander,

namelijk om een bepaald doel te bereiken. Je past je dan aan enkele normen aan die

een rol kunnen spelen waardoor je een potentieel conflict kan vermijden in de gegeven

situatie. Het gaat om een tijdelijke aanpassing die winst kan opleveren voor het bereiken

van het gestelde doel.

24 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


3 - Tips voor een goede communicatie

Op structureel vlak:

Privacy:

Let erop dat er tijdens het gesprek voldoende aandacht aan privacy wordt geschonken.

Sta er bij stil dat de asielzoeker in bepaalde gevallen gebeurtenissen zal vertellen die

hij tot dan toe met niemand of weinig anderen heeft gedeeld. Sluit uit dat het gesprek

verstoord wordt door telefoons of in- en uitlopende collega’s. Vermijd storend lawaai

op de achtergrond. In bepaalde gevallen is het heel handig om kinderopvang te hebben

voor de duur van het gesprek. Dit is uiteraard niet altijd mogelijk. Je kan in elk geval wat

speelgoed en tekengerief voorzien om de kinderen bezig te houden.

Tijdschema (efficiënte planning):

Tracht vooraf in te schatten hoelang het gesprek zal duren en deel dit ook mee aan de

asielzoeker bij het begin van het gesprek. Las in elk geval na ieder uur of anderhalf uur

een korte pauze in. Indien een asielzoeker steeds te laat komt voor een afspraak, ga er

dan niet van uit dat dit steeds uit slechte wil is. De beste strategie die hier gehanteerd

kan worden is om de eigen gevoelens hierover ter sprake te brengen. De asielzoeker zal

veel beter het menselijke begrijpen (bijvoorbeeld: ‘Ik vind het niet leuk dat je steeds te

laat komt en ik op je moet wachten.’), dan het functionele (op tijd komen is belangrijk).

Tolken:

Zodra je opmerkt dat met de asielzoeker vanwege taalproblemen onvoldoende kan gecommuniceerd

worden, is het aan te bevelen een tolk in te schakelen. Dit brengt met zich

mee dat er een minder directe communicatie tot stand komt.

Het werken met een tolk vraagt wel enkele vaardigheden en extra aandacht. Leg heel

duidelijk aan de tolk en de asielzoeker uit wat van ieder van hen wordt verwacht. Ook

de tolk moet op het gesprek worden voorbereid. Benadruk dat hij vertrouwelijk moet

omgaan met alle informatie die door de asielzoeker wordt verstrekt. Je moet de tolk erop

wijzen dat hij neutraal en objectief moet blijven tijdens het gesprek. Hij moet letterlijk

vertalen, zonder samen te vatten of andere nuances te leggen. Plaatsen en namen van

personen moeten duidelijk gearticuleerd worden. Je kan de tolk aanraden om tijdens het

interview notities te nemen: dat vergroot de nauwkeurigheid van wat hij vertaalt. De interactie

tussen de tolk en de asielzoeker zal een invloed hebben op de communicatie en

op wat wordt vertaald. Zorg ervoor dat de tolk zich hiervan bewust is. Vergewis je ervan

dat beiden zich op hun gemak voelen. Zowel de begeleider als de asielzoeker moeten op

ieder ogenblik om verduidelijking kunnen vragen.

Als er een goed contact is, verdient het aanbeveling om steeds met dezelfde tolk te werken.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 25


Soms is het beter om voor een man een mannelijke tolk te vragen en voor een vrouw een

vrouwelijke tolk (zeker bij het brengen van ‘gevoelige’ informatie).

Houd er rekening mee dat tolken vermoeiend is, las indien nodig een pauze in of herneem

het gesprek op een later tijdstip.

Stop het interview ook als je niet tevreden bent over de prestatie van de tolk. Dit kan

nodig zijn wanneer de asielzoeker de tolk moeilijk verstaat omdat ze verschillende dialecten

spreken. Of wanneer je vaststelt dat de tolk zich niet houdt aan zijn neutrale en

objectieve rol. Als begeleider kan je dit afleiden uit de lichaamstaal en de duur van de

interventies van de tolk. Als je denkt dat de tolk niet naar behoren functioneert, dan kan

je daarop wijzen. Indien de tolk iemand is die de asielzoeker meebracht, dan kan je duidelijk

stellen dat je een neutrale houding wil. Anders kan je zelf voor een tolk zorgen.

Houd tijdens het gesprek oogcontact met de asielzoeker en niet met de tolk. Richt het

woord ook tot de asielzoeker en niet tot de tolk. Je kan dit bevorderen door de tolk iets

achter de asielzoeker te laten plaats nemen.

In de praktijk is het niet altijd gemakkelijk, maar probeer zoveel mogelijk te vermijden

dat familieleden of kinderen tolken. Familieleden kunnen niet goed als tolk optreden

omdat ze betrokken zijn of belang kunnen hebben bij de zaak. Ook kan de asielzoeker

zich geremd voelen om bepaalde ervaringen te vertellen in het bijzijn van bekenden.

Gebruik in ieder geval nooit kinderen als tolk wegens de belasting die dat met zich meebrengt.

Gebruik desnoods een telefonische tolk. Het werken met een telefonische tolk vraagt wel

een andere aanpak en het gebruik van een telefoon met een luidspreker.

De meeste tolkendiensten gaan samenwerkingsverbanden aan met organisaties en zijn

regionaal georganiseerd. Het is nuttig om vooraf afspraken te maken met de tolkendienst

(zie lijst tolkendiensten onder rubriek Adressenlijst).

Op persoonlijk vlak:

Goede voorbereiding:

Een goed gesprek in een sfeer van vertrouwen kan het best gebeuren door een goede

voorbereiding op het vlak van de asielprocedure en algemene informatie over de herkomstlanden.

Rol toelichten:

Asielzoekers zullen niet altijd goed kunnen plaatsen met welke bedoelingen een begeleiding

wordt opgestart. De begeleider moet er zich van bewust zijn dat asielzoekers er

niet vanuit gaan dat hij een onafhankelijke positie inneemt ten aanzien van de asielinstanties.

De asielzoeker krijgt op korte termijn met heel wat instanties en personen te

maken waardoor het mogelijk is dat hij de begeleider over dezelfde kam scheert als

alle voorgaande personen. Het is dus van wezenlijk belang om de asielzoeker in duide-

26 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


lijke bewoordingen uit te leggen wat de rol van de begeleider is. Geef beslissingen van

asielinstanties zo weer dat ze niet begrepen worden als een persoonlijk oordeel.

Vraagstelling:

Met vragen kan je sturen en leiden en dit geldt voor alle vragen. Met vragen kan je het

verloop van het gesprek beïnvloeden. Diegene die de vragen stelt, heeft meer macht en

invloed dan degene die antwoordt. Een gevoel van manipulatie kan ontstaan wanneer

de begeleider meent beter te weten wat goed of slecht is voor zijn cliënt. Werkt de begeleider

vanuit een cliëntgerichte en respectvolle basishouding, dan zal hij zich inspannen

om een deel van de macht en beslissingsbevoegdheid terug te geven aan te cliënt, zodat

deze zelf bepaalt hoe ver hij wil meegaan. Een vraag wordt dan ook best zo geformuleerd

dat zij vooral als een verzoek om een antwoord wordt opgevat en desgevallend ook

onbeantwoord mag blijven of mag worden afgewezen. De reden voor het stellen van een

vraag en wat er op korte en middellange termijn mee beoogd wordt, dient meegedeeld

te worden. Voor elk antwoord wordt bedankt en men toont respect door bijvoorbeeld in

te gaan op het antwoord en naar details te vragen.

Vragen kunnen openend of sluitend zijn. Het resultaat hangt meer af van het antwoord

dan de vraag, namelijk het gaat er om of de vraag een open of gesloten antwoord uitlokt.

Sluitende vragen beperken de speelruimte van de mogelijke antwoorden. Meestal volstaat

een kort antwoord en men laat verstaan wat voor antwoord verwacht wordt: ‘ja’,

‘nee’ of ‘harde feiten’. Dergelijke vragen hebben zin als je heldere informatie naar boven

wil krijgen.

Voorbeelden van gesloten vragen: ‘Bent u getrouwd?’, ‘Hoe oud bent u?’, ‘Bent u naar

België gekomen met de wagen, het vliegtuig of de boot?’.

Openende vragen geven degene die antwoordt meer ruimte bij het formuleren van een

antwoord en nodigen uit tot een uitgebreider verslag en beschrijving. Dergelijke vragen

worden gebruikt als men echt nieuwe informatie wil krijgen, ook informatie waarop

men misschien niet had gerekend. Voorbeelden van openende vragen: ‘Hoe is uw leefsituatie?’,

‘Waarom bent u naar België gekomen?’, ‘Wat wilt u bereiken?’ Vaak is het

de moeite waard om een nieuwsgierige houding aan te nemen, een houding waarmee

je naar details speurt en concrete voorbeelden laat geven. Door nauwkeuriger door te

vragen kan de cliënt zich de zaken ook nauwkeuriger voorstellen. Voorbeelden van doorvragen:

‘En verder?’, ’Wat schiet u nog te binnen?’, ‘Welk voorbeeld schiet u daarbij te

binnen?’

Sluitende vragen worden best gesteld als je harde feiten op tafel wil krijgen en de ander

wil onthouden van al te uitvoerige antwoorden. Het stellen van gesloten vragen kan

bij aanvang van een gesprek dienen om de gesprekspartner het met korte antwoorden

gemakkelijk te maken. Dergelijke vragen laten ook toe om noodzakelijke informatie op

korte tijd te verzamelen en zorgen ervoor dat bij het thema gebleven wordt. Openende

vragen zijn geschikt als men de ander wil uitnodigen eigen formuleringen en beschrijvingen

te gebruiken, als men de antwoorden zo min mogelijk wil beïnvloeden en veel

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 27


uitvoerige antwoorden wil krijgen. Doorvragen is op zijn plaats als men zoveel mogelijk

van de visie van de asielzoeker het ander wil horen en van zijn concrete voorstelling wil

uitgaan, als men hem wil stimuleren over iets door te denken en zoveel mogelijk wil dat

je allebei op dezelfde golflengte zit.

Als het voorkomt dat de vragen onbeantwoord blijven, kunnen daar verschillende redenen

voor zijn. Het kan voorkomen dat je je onbegrijpelijk hebt uitgedrukt of de cliënt de

vraag niet goed heeft begrepen. Misschien begrijpt hij de zin van de vraag niet of is hij

bang een ‘verkeerd’ antwoord te geven. Het is ook mogelijk dat hij bang is dat je iets

met zijn antwoord zal doen wat hem niet bevalt of dat je het tegen hem zal gebruiken. In

dergelijke gevallen kan je best je vraag herhalen of proberen de angsten en bedenkingen

van de ander uit de weg te ruimen. Je legt bijvoorbeeld uit waarom je de vraag stelt.

Een gesprek bestaat niet uitsluitend uit vragen en antwoorden, maar bestaat ook uit elementen

als zwijgen, (af)wachten, luisteren, beamen, knikken, denken, enz.

(Lichaams)taal:

Het is belangrijk bewust om te gaan met de taal die wordt gebruikt op zowel verbaal als

non-verbaal vlak. Vergeet niet dat 80% van onze communicatie non-verbaal is. De toon,

de gebaren, de gelaatsuitdrukkingen spelen dus een belangrijke rol. Laat uit je lichaamstaal

blijken dat je geïnteresseerd bent en je betrokken voelt. Probeer te vermijden een

kritische of oordelende houding aan te nemen. Vermijd evenzeer om te betrokken over

te komen. Blijf aandacht hebben voor het feit dat er misschien iets is dat de asielzoeker

niet wil of niet kan vertellen. Probeer de asielzoeker gerust te stellen door een respectvolle

houding, positieve aandacht en door de nodige tijd te nemen om informatie te

geven. Wees uitzonderlijk omzichtig met de hiërarchie die in de relatie zit. Asielzoekers

hebben vaak weinig macht over hun eigen leven en keuzes.

Derden bij het gesprek:

Gesprekken met meerderjarigen gebeuren bij voorkeur niet in aanwezigheid van andere

familieleden, ook niet de echtgenoot of echtgenote, om te waarborgen dat de asielzoeker

zich door die aanwezigheid niet geremd voelt om zijn of haar ware en volledige

verhaal te brengen. Ook eventuele problemen binnen een familie kunnen op die manier

sneller aan bod komen. Soms zal de gezinscontext echter niet toelaten dat gesprekken

apart verlopen en dan moet men dit als begeleider respecteren.

Personen die asielzoekers vergezellen kunnen soms, met de beste bedoelingen, aan de

asielzoeker verkeerde informatie geven. Het komt erop aan dat de asielzoeker moet weten

in wie hij vertrouwen moet stellen. Stel van bij het begin vragen bij het waarom

van de aanwezigheid of van bepaalde interventies wanneer die storend overkomen. Aan

derden kan je vragen in een andere plaats of buiten te wachten tot het gesprek achter

de rug is.

28 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Minderjarigen

Wat minderjarigen betreft, is het aangewezen om een vertrouwenspersoon of de voogd

van de minderjarige het gesprek te laten bijwonen. Dit aspect wordt in Hoofdstuk VI

verder uitgediept.

Analfabeten

Communiceren met analfabeten vraagt een andere aanpak. Vaak hebben deze mensen

een uitstekend verbaal geheugen en daarom is het vaak aangewezen om de informatie

twee keer te geven en dan te vragen om te herhalen wat je gezegd hebt. Dit maakt dat de

informatie makkelijker wordt opgeslagen in het langetermijngeheugen (memoriseren)

en dat je zelf kan nagaan of de informatie goed is overgekomen. Verder kan je voor het

maken van afspraken gebruik maken van een getekende klok waarop aangegeven wordt

wanneer er iets moet worden gedaan. Pictogrammen worden beter niet gebruikt daar ze

minder begrepen worden door analfabeten. Tot slot kan het meegeven van geschreven

instructies positief werken, ook al kan men de tekst niet lezen, daar analfabeten groot

belang hechten aan het geschreven woord en er meestal wel iemand is die hen kan helpen.

Folders

In de begeleiding van de procedure zijn allerlei folders voor handen die een thema verder

uitdiepen of voor meer achtergrondinformatie zorgen. Ga er als begeleiding echter

niet van uit dat een folder een mondelinge toelichting kan vervangen. Folders zullen ook

voornamelijk gelezen worden door belezen asielzoekers en niet elke asielzoeker zal er

naar terug grijpen voor informatie. Folders mogen dus enkel gebruikt worden ter ondersteuning

van een verhaal, maar niet ter vervanging ervan.

In de literatuurlijst is een verwijzing opgenomen naar een aantal teksten die dieper ingaan

op het aanleren van communicatietechnieken bij het interviewen van asielzoekers.

4 - Als de communicatie verstoord is door psychologische

problemen

Hoe treed je als begeleider op wanneer je vaststelt dat de communicatie moeilijk verloopt

omwille van ervaringen in het herkomst- of gastland waar de asielzoeker mee worstelt?

In extreme uiterste gevallen is de communicatie verstoord omwille van dieperliggende

traumatische ervaringen. Personen die een mentale of psychische schok ondergingen,

kunnen moeilijkheden ondervinden om hun verhaal te vertellen. Bewust of onbewust

kan er onvermogen zijn om het verhaal te vertellen omdat men de emoties die met de

gebeurtenissen verbonden zijn, niet wil herbeleven. Let extra op de houding in die gevallen.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 29


Rekening houdende met mogelijke psychische problemen kan men lange stiltes, onsamenhangende

verklaringen, gebeurtenissen die de asielzoeker in een heel snel tempo

vertelt in een ander daglicht plaatsen.

Tijdens het gesprek kan de asielzoeker de beleefde emoties ook in agressief gedrag vertalen.

Probeer in die gevallen steeds kalm te blijven en maak duidelijk dat je het gesprek

zal moeten afbreken indien de asielzoeker deze houding blijft aannemen. Licht een eventueel

uitstel van het gesprek toe. De medewerking van de asielzoeker is noodzakelijk om

een gesprek te hebben en agressief gedrag sluit dit tijdelijk uit.

Omwille van psychische of psychiatrische problemen kan het doorlopen van de asielprocedure

zelf soms onmogelijk zijn. Het is dus belangrijk dat psychische klachten zo

snel mogelijk worden gesignaleerd en gedetecteerd. Voor een leek kan dit lastig zijn.

Het zal toch vaak de hulpverlener of rechtshulpverlener zijn die een eerste inschatting

moet maken van de psychische ingesteldheid van een persoon die asiel aanvraagt. Bij

vermoeden van psychische klachten wordt de asielzoeker best zo snel mogelijk doorverwezen

naar gespecialiseerde hulpverlening. Het is ook noodzakelijk dat een arts of

specialist de bevindingen attesteert en dat de expertpsycholoog van de asielinstanties de

toestand van de asielzoeker evalueert. Op pagina 91 vindt u de procedure opgenomen

die in dergelijke gevallen moet worden gevolgd. De taak van de begeleider bestaat er

dan in om de gespecialiseerde diensten op de hoogte te brengen van de invloed van hun

interventie in op de asielprocedure en te verduidelijken waartoe de geschreven attesten

dienen. De begeleider heeft bovendien de taak om de asielzoeker bij te staan in dit proces

en in overleg met alle actoren de juiste ondersteuning en informatie te bieden aan

de asielzoeker.

30 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


IV METHODIEK VAN DE BEGELEIDING

1 - Inleiding

[ METHODIEK BEGELEIDING ]

Dit handboek richt zich tot iedere persoon die een asielzoeker tijdens de asielprocedure

begeleidt. Heel wat mensen dragen, vanuit hun specifieke invalshoek, bij tot de procedurebegeleiding.

De meeste asielzoekers verblijven in een opvangcentrum waar een maatschappelijk

werker hen tijdens hun asielprocedure sociaal en administratief begeleidt en

hen al dan niet uitgebreid informeert over hun situatie, hun rechten en plichten. Ook zijn

er vaak ook nog andere hulpverleners die asielzoekers bijstaan in hun procedure (sociale

diensten, juridische diensten, vrijwilligersgroepen, enz.). Daarnaast hebben de meeste

asielzoekers een advocaat die de juridische begeleiding op zich neemt.

Hoewel we in dit handboek de verzamelterm “begeleider” gebruiken, maken in dit handboek

duidelijk onderscheid tussen de advocaat enerzijds en alle andere begeleiders anderzijds,

of die nu juristen, maatschappelijk werkers of vrijwilligers zijn. Alle andere begeleiders

duiden we aan met de term “hulpverlener”.

Dit onderscheid vindt zijn grond zowel in de eigenheden van de onderscheiden beroepscategorieën

(zie hiervoor pagina 17) als in een aantal pragmatische overwegingen. Bovendien

heeft de asielzoeker zelf meestal een heel verschillende perceptie van de rol en

de autoriteit van een advocaat dan van die van andere begeleiders.

Hoewel hun rol duidelijk onderscheiden is, pleiten we voor een zo goed mogelijke samenwerking

tussen advocaten en hulpverleners, vanuit de overtuiging dat beiden een

even belangrijke rol spelen bij de procedurebegeleiding. Beiden hebben tegelijk echter

vaak een structureel gebrek aan tijd en middelen. Wij vertrekken vanuit een model van

gelijkwaardige partners die elkaar veel te bieden hebben. Het uiteindelijke doel van een

goede samenwerking tussen hulpverlener en advocaat is een optimale juridische bijstand

aan alle asielzoekers waarborgen, gegeven de bestaande situatie van gebrek aan tijd en

middelen. Een lokale samenwerking of lokaal netwerk kan ertoe leiden dat er efficiënter

met tijd en middelen wordt omgesprongen.

Het meest haalbare samenwerkingsmodel is wellicht dat tussen één dienst of groep en

één of meerdere advocaten. Het meest ideale model is echter dat waarin verschillende

diensten of groepen, gesitueerd binnen een balie, een netwerk vormen met die balie

of met alle geïnteresseerde advocaten van die balie. Onder punt 3 hieronder zullen een

aantal voorbeelden van samenwerkingsmodellen worden toegelicht.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 31


2 - De actoren betrokken bij de procedurebegeleiding

Een advocaat zal bijzondere aandacht hebben voor procedurele elementen. Zo zal een

advocaat veel sneller bepaalde feiten laten acteren in gehoorverslagen om zo materiële

bewijzen te hebben in geval van latere beroepsprocedures. Een advocaat werkt binnen

een zeer strikt tijdskader. De bereidheid van een advocaat om de asielzoeker tijdens de

asielprocedure te begeleiden zal aanzienlijk toenemen wanneer het dossier goed voorbereid

wordt overhandigd.

Hulpverleners hebben vaak een algemener zicht op de situatie van de asielzoeker. De

asielprocedure is voor de hulpverlener een van de begeleidingsaspecten. Andere problemen

met een meer sociale, medische of gezinsdimensie krijgen eveneens opvolging.

Vanuit die eigen positie is de hulpverlener een klankbord voor allerhande vragen en

kan hij optreden als tussenpersoon naar verschillende diensten toe. Veel meer dan een

advocaat zal de hulpverlener een eerste luisterend oor bieden en vanuit zijn opleiding

bepaalde achterliggende problemen kunnen signaleren en opvolgen. Het is hem echter

niet toegestaan om de asielzoeker voor bepaalde instanties te vertegenwoordigen.

Ondersteunende diensten, zoals juridische helpdesks en een helpdesk landeninformatie,

kunnen geconsulteerd worden door hulpverleners en advocaten en kunnen het werk

aanzienlijk verminderen.

In dit hele verhaal mag de rol van de asielzoeker niet onderschat worden. In alle fasen

van de procedure moet met hem overlegd worden en bekeken worden welke stappen hij

nodig acht en wil zetten. Buiten de asielzoeker om beslissingen nemen komt betuttelend

over en is niet aangewezen. Bedoeling is dat de asielzoeker meester blijft van zijn eigen

leven en de personen die hem begeleiden hem daarin (onder)steunen.

Tot slot zijn er de asielinstanties waar men niet onmiddellijk mee samenwerkt, doch

kan het in bepaalde gevallen belangrijk zijn ook de asielinstanties te betrekken in de

procedurebegeleiding (bijvoorbeeld in het geval van psychologische of psychiatrische

problemen bij de asielzoeker).

advocaat

asielinstanties asielzoeker

ondersteunende diensten

hulpverlener

32 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


De gehanteerde methode in dit handboek heeft de bedoeling begeleiders handvaten

aan te reiken die het mogelijk moeten maken de asielzoeker zo goed mogelijk te begeleiden

tijdens de asielprocedure.

Het spreekt voor zich dat advocaten en hulpverleners, in onderling overleg of op vraag

van de asielzoeker, taken van elkaar kunnen overnemen. De aanwezigheid van de advocaat

tijdens het interview bij het CGVS is zeer belangrijk. De advocaat zal zijn cliënt vergezellen

tijdens dit interview. Er is uiteraard niets op tegen dat ook de hulpverlener de

asielzoeker vergezelt, samen met of in de plaats van de advocaat, indien de asielzoeker

dit wenst en/of belangrijk vindt. Hij heeft dan de hoedanigheid van vertrouwenspersoon

en moet toelating krijgen van het CGVS om aanwezig te zijn. De aanvraag gebeurt met

een speciaal formulier dat je terugvindt op de website van het CGVS (zie bijlage 3).

Anderzijds zijn er taken die men moeilijk kan doorschuiven. Omwille van de techniciteit

van de procedures zijn de bijstand voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en de

evaluatie van de elementen voor een beroep bij de Raad van State bij uitstek advocatentaken.

Alle stappen die tijdens de asielprocedure nodig zijn, komen in het volgende hoofdstuk

aan bod, zonder dat we prioriteiten naar voor schuiven. Het is aan de begeleider om,

rekening houdende met de noden van de asielzoeker en met de beschikbare tijd, prioriteiten

te stellen. Sommige stappen kunnen gecombineerd worden. Indien de asielzoeker

zich zeer laat aanbiedt, zal de begeleider zich moeten behelpen met een noodscenario

van te zetten stappen. Hij moet ervoor zorgen dat de rechten van de asielzoeker minimaal

worden gewaarborgd.

Het is wenselijk de advocaat zo vroeg mogelijk bij de begeleiding van de asielprocedure

te betrekken. De advocaat speelt een doorslaggevende rol in de begeleiding van de asielzoeker

voor de asielinstanties. Al te vaak roept men de tussenkomst van een advocaat

pas in voor het indienen van een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.

3 - Het verwezenlijken van de samenwerking tussen de

advocaat en de hulpverlener(s)

We geven hieronder enkele voorbeelden van samenwerkingsmodellen:

A Samenwerkingsovereenkomst tussen het LOI van

Mol en een aantal advocaten

Alle advocaten van de balie van Turnhout werden in 2003 door het LOI van Mol aangeschreven

met de vraag of er interesse was om samen te werken aan de opvolging van de

asielprocedure van de asielzoekers die verblijven in het LOI.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 33


Met de bereidwillige advocaten werd een aantal afspraken gemaakt waarbij de rol van

het LOI en van de advocaat werden afgebakend, waarbij het LOI zorgde voor informatieverstrekking,

het voorbereiden van het dossier voor de advocaat en het doorlopen van

een bepaald traject, en de advocaat zich beperkte tot het juridische aspect aan de hand

van een voorbereid dossier.

Dit systeem bleek zeer positief voor zowel de advocaten, de hulpverleners als de asielzoekers.

De advocaat kon zich door de taakverdeling bezighouden met het juridische en verloor

minder tijd met administratieve en praktische zaken.

De begeleiders wisten op welke advocaten zij konden vertrouwen en hoefden zich geen

zorgen te maken over de kwaliteit van de bijstand.

De afstand tussen begeleiders en advocaten verkleinde, de wederzijdse verstandhouding

verbeterde (minder misverstanden en vooroordelen), de contacten verliepen informeler,

met meer arbeidsvreugde tot gevolg. Er werd efficiënter en vlotter gewerkt.

Het aantal positieve beslissingen nam door deze samenwerking enorm toe.

Op regelmatige basis kwamen de begeleiders en de advocaten samen om de samenwerking

te evalueren en al dan niet bij te sturen.

B De samenwerking tussen de balie van Antwerpen en

een netwerk van sociale diensten

Een aantal organisaties heeft sinds 2003 in Antwerpen de handen in elkaar geslagen om

de juridische bijstand te verbeteren.

De8 – Antwerps Minderhedencentrum (vroeger De Haven), de Dienst Integratie Antwerpen,

het Bureau Juridische Bijstand, de Commissie Juridische Bijstand hebben een eerstelijnspermanentie

vreemdelingenrecht opgericht.

Aanvankelijk bedoeld voor de vele vragen die er waren over regularisatie is het gaandeweg

uitgebreid naar het ruimere vreemdelingenrecht.

Twee keer per week kan iedereen er terecht voor gratis juridisch advies. Dat advies wordt

verstrekt door een advocaat die zich heeft opgegeven voor de eerstelijnspool vreemdelingenadvocaten

en een jurist van de8.

Daar kan ook een aanstelling gebeuren voor een pro-Deoadvocaat uit een lijst van advocaten

die zich hebben opgegeven voor de tweedelijnspool van vreemdelingenadvocaten.

De eerste- en tweedelijnspool van vreemdelingenadvocaten lopen grotendeels samen.

34 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Ter ondersteuning van deze advocaten wordt een vormingsaanbod voorzien door de8 en

de balie. De vormingen zijn toegankelijk voor advocaten, maar ook voor hulpverleners

uit sociale organisaties en opvangcentra.

C Het netwerk van advocaten en hulpverleners in

West-Vlaanderen

Vluchtelingenwerk Vlaanderen heeft sinds 2006 1 contacten gelegd en overleg gehad met

de Brugse, Kortrijkse en Ieperse balie om een netwerk van advocaten en hulpverleners op

te richten die zich bezig houden met de begeleiding van asielzoekers.

Ook werden alle mogelijk geïnteresseerde sociale diensten uit de regio aangeschreven

met de vraag om deel te nemen aan dit netwerk.

Sinds 2007 komen geïnteresseerde advocaten en hulpverleners op geregelde tijdstippen

samen. Aan de hand van interactieve infosessies die Vluchtelingenwerk inhoudelijk

verzorgt, leren advocaten en hulpverleners elkaar kennen, wisselen ze informatie uit en

komen tot onderlinge (structurele) samenwerking.

Vluchtelingenwerk Vlaanderen zorgt, in samenwerking met de balies of bepaalde sociale

organisaties, voor de praktische ondersteuning (uitnodigingen, vergaderruimte, enz.).

Sinds oktober 2009 heeft Vluchtelingenwerk Vlaanderen een samenwerkingsovereenkomst

ondertekend met het provinciaal integratiecentrum DeSom om dit netwerk tussen

advocaten en hulpverleners te verzelfstandigen. Deze samenwerkingsovereenkomst kadert

in een vernieuwd project tot bevordering van de juridische bijstand aan asielzoekers

van het Europees Vluchtelingenfonds.

De afstand tussen hulpverleners en advocaten verkleint, de communicatie verloopt vlotter

en wederzijdse misverstanden en daaruit volgende frustraties komen minder vaak

voor. Men is zich bewust van de rol die elkeen opneemt en men weet beter wat te verwachten

van elkaar.

Hulpverleners leren nieuwe vreemdelingenadvocaten kennen met wie zij in de toekomst

willen samenwerken of naar wie zij kunnen doorverwijzen.

1 In het kader van een project van het Europees Vluchtelingenfonds

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 35


4 - Mogelijke taakverdeling tussen advocaat en

hulpverlener(s)

Voor een mogelijke taakverdeling tussen advocaat en hulpverlener die afspraken willen

maken over structurele samenwerking inspireerden we ons op de samenwerkingovereenkomst

zoals die aan het LOI van Mol wordt toegepast. Die taakverdeling hebben we

aangepast aan de nieuwe asielprocedure, die sinds 2007 van kracht is, en aan de nuttige

opmerkingen die we van begeleiders en advocaten hierover hebben gekregen. Het is

een maximalistische benadering voor een optimale begeleiding. Afhankelijk van ieder

geval is een andere taakverdeling mogelijk. In geval het beroepsgeheim aan de orde

is, moet de asielzoeker zich akkoord verklaren met het uitwisselen van vertrouwelijke

informatie.

Taken die worden opgenomen door de hulpverlener:

¬ De hulpverlener wijst op het recht op een kosteloze advocaat en benadrukt

de onafhankelijkheid van een advocaat, ook al wordt hij vergoed met overheidsmiddelen.

¬ De hulpverlener benadrukt het belang van een waarheidsgetrouwe weergave

van de feiten.

¬ De hulpverlener wijst de asielzoeker op de verplichting om oprecht te zijn en

om originele bewijzen voor te leggen.

¬ De hulpverlener faxt de (vertaalde) vragenlijst van de DVZ en bijlage (bijvoorbeeld

bijlage 26) zo spoedig mogelijk door naar de advocaat. Eventuele fouten

in de bijlage worden rechtgezet.

¬ De hulpverlener wijst de asielzoeker erop dat hij best zo snel mogelijk originele

documenten voorlegt die zijn vluchtverhaal of identiteit staven. De hulpverlener

wijst op de noodzaak om een geloofwaardige verklaring te hebben

indien hij bepaalde documenten niet kan voorleggen of kan bekomen.

¬ De hulpverlener licht in grote lijnen de vluchtelingenconventie, het principe

van subsidiaire bescherming en de Belgische asielprocedure (met inbegrip

van de principes van de Dublinverordening) toe. Hij overhandigt een schema

van de asielprocedure.

¬ De hulpverlener vraagt de asielzoeker het vluchtverhaal op papier te zetten

aan de hand van een aantal richtvragen (zie pagina 65) (1).

¬ De hulpverlener spoort de asielzoeker aan om zelf op zoek te gaan naar relevante

informatie of documenten (1).

¬ De hulpverlener polst naar de redenen waarom bepaalde documenten niet

kunnen worden bekomen (1).

¬ De hulpverlener laat het vluchtverhaal vertalen.

36 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


¬ De hulpverlener zorgt voor een goed toegankelijk en gecentraliseerd dossier

waarin kopies van alle relevante documenten, informatie en beslissingen

worden gebundeld.

¬ De dienst van de hulpverlener is aangesloten bij Planetsearch van Vluchtelingenwerk

en vraagt landeninfo op om het vluchtverhaal van de asielzoeker te

staven.

¬ De hulpverlener regelt een afspraak bij de advocaat en regelt een tolk.

(1) Geef een huiswerklijstje mee en maak duidelijke afspraken naar een volgend gesprek

toe.

Taken die worden opgenomen door de advocaat:

¬ De advocaat neemt het dossier in ontvangst zoals dit werd voorbereid door

de hulpverlener.

¬ Hij legt de asielprocedure uit en licht toe wat zijn rol hierin is.

¬ Hij geeft van zijn tussenkomst onmiddellijk kennis aan de asielinstanties.

¬ De advocaat bespreekt de vragenlijst van de DVZ met zijn cliënt voor het eerste

interview op het CGVS.

¬ Aan de hand van het dossier toetst hij het vluchtverhaal aan de Conventie van

Genève en de subsidiaire bescherming.

¬ De advocaat adviseert zijn cliënt over de sterke en de zwakke punten in het

dossier. Hij maakt afspraken over hoe aan de zwakke punten kan worden verholpen

(bijvoorbeeld documenten (laten) opvragen, gebeurtenissen gedetailleerder

construeren, bijkomende informatie opvragen, enz.).

¬ De advocaat raadt het gebruik van vervalste documenten ten stelligste af.

¬ De advocaat bereidt het interview op het CGVS voor.

¬ De advocaat is aanwezig tijdens het interview voor het CGVS. Hij is waakzaam

voor interactie tussen interviewer, asielzoeker en tolk. Hij neemt notities.

Desgevallend vraagt hij om bepaalde zaken in het gehoorverslag te noteren.

Hij maakt gebruik van de mogelijkheid om opmerkingen te maken omtrent

geloofwaardigheid, het al dan niet voorhanden zijn van bewijsmateriaal, de

informatie over het land van herkomst, de ‘redelijke waarschijnlijkheid’ van

de gevreesde vervolging, de ‘ernst’ van het ‘risico op schade’, het verband

met het vluchtelingenverdrag of de subsidiaire bescherming. Hij meldt ieder

incident aan de supervisor van de dossierbehandelaar.

¬ Hij zorgt ervoor dat de woonstplaatskeuze goed gebeurt en wijst op het belang

van de woonplaatskeuze voor de procedure.

¬ Hij maakt gebruik van de mogelijkheid om op het gehoor het administratief

dossier op te vragen in geval van een weigeringsbeslissing.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 37


¬ In geval van weigeringsbeslissing gaat de advocaat onmiddellijk over tot het

bestuderen van het de stukken, de elementen van de weigeringsbeslissing en

het administratief dossier.

¬ De advocaat evalueert zo snel mogelijk of het hier een principekwestie betreft

en vraagt in bevestigend geval de tussenkomst voor het BCHV (UNHCR).

¬ De advocaat gaat na analyse van de bestreden beslissing over tot het indienen

van een verzoekschrift bij de RvV. Hij verzekert zich ervan dat alle relevante

elementen worden opgenomen in het verzoekschrift en dat aan alle op straffe

van onontvankelijkheid voorgeschreven vormvereisten wordt voldaan.

¬ De advocaat doet in geval van negatieve beslissing van de RvV een evaluatie

van de elementen voor een cassatieberoep bij de Raad van State binnen een

termijn van 1 week opdat een asielzoeker zich tijdig (binnen 30 dagen) kan

wenden tot een andere advocaat voor een tweede advies indien de eerste

advocaat van oordeel is dat er geen elementen zijn voor een procedure bij de

Raad van State.

¬ De advocaat maakt alle relevante stukken van het dossier over aan de hulpverlener.

¬ De advocaat overlegt met de hulpverlener en andere externen (artsen, psychologen,

schooldirectie, enz.) over de informatie die moet worden verzameld

met het oog op bepaalde procedures.

¬ De advocaat communiceert aan de asielinstanties wanneer hij in vakantie

gaat en vraagt aan de RvV om geen zittingen vast te leggen in die periode.

¬ De advocaat regelt een vervanger bij wie de cliënt in dringende gevallen terecht

kan wanneer hijzelf met vakantie is.

38 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


[ PRAKTISCHE BEGELEIDING ]

V (PRAKTISCHE) BEGELEIDING BIJ HET

DOORLOPEN VAN DE ASIELPROCEDURE

1 - Inleiding

Om het vluchtverhaal goed in kaart te kunnen brengen is het noodzakelijk het leven van

de asielzoeker te overlopen en te begrijpen. Zoals hierboven omschreven zal je je als begeleider

bewust moeten zijn van de culturele verschillen, die tot misverstanden kunnen

leiden. Meestal moet er een tolk aan te pas komen, wat de communicatie extra bemoeilijkt.

Enige kennis over de situatie in het land van herkomst, de beschermingsstatuten en

de asielprocedure in België zijn onontbeerlijk om de juiste vragen te kunnen stellen. Een

asielzoeker zal er zich niet altijd bewust van zijn dat hij zaken, die voor hem vanzelfsprekend

zijn, tot uiting moet brengen omdat die belangrijk zijn voor de toekenning van enig

statuut. Ook het juridische kader is gecompliceerd en vereist de nodige duiding. Wat

op het eerste gezicht bijvoorbeeld een economisch motief lijkt (bijvoorbeeld: ‘Er is daar

geen werk voor mij.’) kan wijzen op stelselmatige discriminatie wegens het behoren tot

een bepaald ras.

De belangrijkste aandachtspunten hebben we per ondertitel telkens in een kader opgesomd.

2 - Het eerste gesprek

De eerste stap in de begeleiding is het tot stand brengen van een minimaal vertrouwen

tussen begeleider en asielzoeker. Dit is noodzakelijk om het vluchtverhaal naar boven te

brengen. De vertrouwensrelatie opbouwen is een taak voor iedere begeleider. Het eerste

contact legt het fundament voor de verdere begeleiding. Stel jezelf en je dienst voor

en geef de grenzen aan van wat je kan bieden. Het kan nuttig zijn om voor een eerste

contact informatie door te nemen van het land van herkomst. Benadruk de onafhankelijkheid

van de dienst of je beroepscategorie. Wijs bovendien op de vertrouwelijkheid

van de gesprekken. Maak duidelijk waar, wanneer en bij wie de asielzoeker terecht kan

met vragen in verband met de procedure. Vraag hem verder iedereen die betrokken is

bij de begeleiding van de asielprocedure goed op de hoogte te houden van het verdere

verloop.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 39


Behalve het tot stand brengen van een vertrouwensrelatie heeft het eerste contact ook

tot doel heel wat informatie over te brengen. Een van de kerntaken van de begeleider

is de asielzoeker te informeren op een begrijpelijke manier. Vertrek niet vanuit de overtuiging

dat de asielzoeker goed geïnformeerd is, maar vertrek vanuit de idee dat hem tot

op het ogenblik dat hij jou raadpleegt zowat alles overkomen is. Verstrek de informatie

en de begeleiding die de asielzoeker in staat stelt opnieuw zelf een aantal zaken in handen

te nemen. Ga er niet van uit dat het geven van een informatiebrochure voldoende is.

Geef altijd mondelinge toelichting bij een brochure.

Een asielzoeker weet vaak niet op welke gronden hij bescherming kan bekomen. Het

is niet noodzakelijk dat hij alle details van het vluchtelingenrecht kent. Toch moet de

asielzoeker in grote lijnen begrijpen op grond waarvan hij bescherming kan krijgen en

waarom die bescherming kan worden geweigerd. Bovendien moet een asielzoeker weten

welke documenten, bewijzen of verklaringen hij moet aanbrengen om zijn vluchtverhaal

te ondersteunen.

Indien de asielzoeker al een eerste interview bij de DVZ heeft gedaan en hij heeft een

kopie van de vragenlijst, kan je die met hem overlopen.

Leg hem uit dat het nuttig is om zo snel mogelijk voor zichzelf het vluchtverhaal uit te

schrijven aan de hand van een aantal richtvragen (zie pagina 65). Dit zal hem helpen bij

de voorbereiding van het interview bij het CGVS. Benadruk dat dit niet zal dienen voor

de asielinstanties.

Aandachtspunten: eerste gesprek

¬ Nagaan of de asielzoeker de Conventie van Genève begrijpt (zie verder).

¬ Nagaan of de asielzoeker de subsidiair bescherming begrijpt (zie verder).

¬ Aan de hand van het schema de volledige asielprocedure overlopen (zie bijlage

1).

¬ Weet de asielzoeker dat hij recht heeft op een pro-Deoadvocaat en begrijpt

hij het belang van een snelle aanstelling van een advocaat?

¬ Heeft hij al een interview bij de DVZ gedaan en heeft hij een kopie van de

vragenlijst van de DVZ?

¬ Beseft hij dat hij best zo snel mogelijk zoveel mogelijk originele bewijsstukken

voorlegt?

¬ Vraag het vluchtverhaal voor te bereiden aan de hand van oriënterende vragen

(zie verder).

¬ Brochures toelichten en meegeven.

¬ Afspraak maken voor een volgend gesprek ( bijvoorbeeld het vluchtverhaal

uitschrijven, bewijsstukken verzamelen, enz.).

40 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


3 - Het dossier

Deze taak is voor alle begeleiders. Idealiter beschikken alle begeleiders over een volledig

dossier op naam van de asielzoeker. Is dit niet mogelijk, dan moet minstens de hulpverlener

werk maken van een goed toegankelijk en gecentraliseerd dossier waarin alle

relevante documenten, informatie en beslissingen worden gebundeld.

Vaak is het immers zo dat de documenten, beslissingen, aangewende stappen, niet te

reconstrueren zijn omdat de onderscheiden diensten alleen hun facet van de begeleiding

bijhouden (bijvoorbeeld advocaat, dokter, OCMW, enz.). Als er in die gevallen een dringende

procedure moet worden opgestart, gaat er kostbare tijd verloren in het verzamelen

en interpreteren van alle relevante informatie.

In het dossier bewaar je alle kopieën van documenten, beslissingen en informatie.

Noteer bijzondere zaken die je tijdens het eerste gesprek zijn opgevallen.

Het bijhouden in het dossier van een lijst met gemaakte afspraken verhindert dat er op

dat vlak onduidelijkheden ontstaan.

Indien nodig noteer je de coördinaten van derden (artsen, psychologen, schooldirectie,

enz.) die eveneens bij de begeleiding zijn betrokken.

Raad de asielzoeker aan ook een dossier bij te houden. Benadruk dat originele documenten

goed moeten bewaard worden op een veilige plaats. Indien de asielzoeker hierom

verzoekt kunnen belangrijke originele documenten ook aan de advocaat worden gegeven

tegen ontvangstbewijs.

Door de nieuwe opvangwet en het verloop van de opvang in twee fasen (na vier maanden

verblijf in een collectieve structuur mag gevraagd worden naar een individuele opvangstructuur

over te gaan) is het essentieel goede afspraken te maken over de overdacht

van het proceduredossier. De hulpverlener van de structuur waaruit de asielzoeker

vertrekt maakt het dossier over aan de hulpverlener van de nieuwe structuur. Indien belangrijke

afspraken op til zijn of bepaalde termijnen bijna verstreken zijn is het belangrijk

deze zo snel mogelijk mee te delen. Heb zeker ook aandacht voor de adreswijzigingen.

Aandachtspunten: proceduredossier

Op een voorblad noteer je volgende gegevens:

1. Persoonsgegevens asielzoeker en gegevens familie binnen/buiten België

2. Gegevens van de begeleider (van belang bij overdracht dossier)

3. Gegevens van de advocaat

4. Coördinaten belangrijke contactpersonen

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 41


5. Datum aankomst België

6. Verloop van de asielprocedure

7. Ondernomen stappen buiten de asielprocedure (BCHV, regularisatieaanvraag,

repatriëringsaanvraag, enz.)

8. Aan te vullen overzicht van de informatie waaruit het dossier is samengesteld:

- kopieën (vertaalde) documenten die de asielzoeker bij zich heeft

- kopie (vertaald) vluchtverhaal

- informatie over het land van herkomst

- kopie(ën) aangetekend schrijven adres van woonstkeuze

- kopie(ën) beslissing asielinstanties

- kopie beroep(en)

- kopie vragenlijst DVZ

- verslag begeleider na contacten met derden en opvolging

- (kopie) aantekeningen gemaakt van interview CGVS

- kopie administratief dossier CGVS

- relevante informatie los van asielprocedure (medische, opvang en steunverlening,

familiaal, tewerkstelling, enz.)

In het dossier hou je volgende informatie bij in afzonderlijke rubrieken:

1. Datum eerste contact en vervolgens volgende data contacten tussen begeleider

en asielzoeker

2. Overzicht gemaakte afspraken tussen begeleider en asielzoeker en aandachtspunten

4 - De rechten en plichten van de asielzoeker

Een aantal rechten en plichten van de asielzoeker zijn vervat in de Vreemdelingenwet en

meer recent in de Opvangwet 1 .

Elke asielzoeker heeft recht op juridische bijstand (recht op een pro-Deoadvocaat) en

recht op begeleiding van een hulpverlener voor zover hij gebruik maakt van zijn recht op

opvang.

1 De Wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en bepaalde andere categorieën

van vreemdelingen (B.S. 7 mei 2007).

42 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


De asielzoeker heeft ook recht op bijstand van een tolk indien hij de taal van de procedure

niet beheerst.

De asielinstanties verwachten van de asielzoeker dat:

¬ hij de waarheid vertelt en een coherente en geloofwaardige verklaring aflegt.

Waar mogelijk kan die verklaring bewezen worden met (originele) documenten.

Kan hij bepaalde bewijsstukken niet voorleggen, dan moet er een aanvaardbare

reden zijn. Hij is immers verplicht om in de mate van het mogelijke

bewijsstukken voor te leggen.

¬ hij zich ervan bewust is dat tijdens de asielprocedure de bewijslast veeleer

bij hem ligt. Hij moet zijn vluchtverhaal aannemelijk maken. Een persoonlijke

verklaring die coherent en geloofwaardig is, kan in principe voldoende zijn

om het vluchtelingenstatuut te bekomen, ongeacht het ontbreken van documenten

en bewijzen. In zo’n geval moet het voordeel van de twijfel het halen.

Toch is dat niet altijd zo, juist omdat de bewijslast veeleer bij hem rust.

¬ hij weet dat de informatie die hij geeft aan de Belgische asielinstanties strikt

vertrouwelijk is.

¬ hij onder geen beding valse stukken voorlegt.

¬ hij onder geen beding een valse naam gebruikt. Zijn vingerafdrukken worden

immers vergeleken via het Eurodac-systeem (zie verder).

In het kader van de begeleiding wordt van de asielzoeker verwacht dat hij:

¬ volledige medewerking verleent;

¬ correct informatie verstrekt,

¬ bereid is om het vluchtverhaal op papier te zetten voor zichzelf en zijn begeleiders;

¬ zo snel mogelijk op zoek gaat naar bewijsstukken;

¬ de kopie van de vragenlijst die op de DVZ werd ingevuld, voorlegt (of laat

voorleggen) aan de advocaat.

De asielzoeker kan ook beroep doen op een tussenkomst van het BCHV (zie bijlage VIII

‘Rol van het UNHCR bij de asielprocedure’).

Voor sommige asielzoekers kan het aangewezen zijn, naast de advocaat, een vertrouwenspersoon

mee te nemen naar het interview op het CGVS. Dit moet wel op voorhand

meegedeeld worden aan het CGVS (zie bijlage 3).

Verder is het belangrijk dat de asielzoeker weet dat het nakomen van afspraken zeer belangrijk

is en het niet nakomen ervan bij de asielinstanties verstrekkende gevolgen kan

hebben voor het verdere verloop van de procedure.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 43


Aandachtspunten: rechten en plichten van de asielzoeker

De asielzoeker heeft recht op:

¬ juridische bijstand.

¬ op maatschappelijke begeleiding (voor zover de asielzoeker in een opvangcentrum

verblijft).

¬ bijstand van een tolk.

¬ de vertrouwelijke behandeling van zijn asielaanvraag.

¬ een vraag tot tussenkomst van het BCHV.

¬ het meenemen van een vertrouwenspersoon bij het CGVS.

Daar tegenover staat dat de asielzoeker:

¬ de plicht heeft om een waarheidsgetrouwe weergave van feiten en in de

mate van het mogelijk bewijzen en originele documenten dient voor te leggen

(valse documenten zijn uit den boze) en een aanvaardbare reden voor het

ontbreken van bepaalde bewijsstukken moet hebben.

¬ dient mee te werken aan de begeleiding

¬ de plicht heeft gemaakte afspraken na te komen.

5 - Het administratieve luik

Controleer de bijlage(n) (bijvoorbeeld: bijlage 25, bijlage 26, bijlage 13, enz.) en andere

documenten samen met de asielzoeker op hun juistheid en leg de functie ervan uit. Fouten

kunnen steeds rechtgezet worden tijdens het interview, nadien enkel op voorlegging

van geldige documenten en na afspraak op de DVZ (directie asiel, bureau RN). Het is belangrijk

dat fouten zo vlug mogelijk worden rechtgezet, daar anders problemen kunnen

ontstaan na de erkenning van de vluchtelingenstatus. Controleer daarom ook zeker of

alle kinderen vermeld staan op de bijlage.

Let op: het contacteren van ambassades of consulaten of het bekomen van administratieve

stukken uit het land van herkomst en afgeleverd na de indiening van de asielaanvraag

kan mogelijks door de asielinstanties worden aangegrepen als onverenigbaar met

de voorgehouden vrees voor vervolging.

Woonplaatskeuze: de asielzoeker is vrij om zich te vestigen waar hij wil. Hij hoeft dus

geen gebruik te maken van zijn recht op opvang. Echter, bij een eventuele verhuis is het

fundamenteel dat hij daar zijn begeleiders en officiële instanties (per aangetekende brief

aan de DVZ en het CGVS) van op de hoogte brengt. Oproepingen, vragen om inlichtingen

en kennisgevingen van de DVZ zullen naar het adres van de gekozen woonplaats

gestuurd worden. Bij de asielaanvraag wordt meestal geen adres opgegeven door de

44 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


asielzoeker en wordt hij geacht woonplaatskeuze te hebben gedaan op het CGVS. Het

is zeker niet aangewezen de woonplaatskeuze bij het CGVS te laten daar alle officiële

documenten, gericht aan de asielzoeker, terecht zullen komen bij het CGVS, waar de

asielzoeker ze moet gaan ophalen. Het CGVS waarschuwt de asielzoeker echter niet als

er post voor hem is toegekomen.

Inschrijving in de gemeente: het is belangrijk dat de asielzoeker zich binnen de acht werkdagen

laat inschrijven in de gemeente waar hij zich heeft gevestigd. Het gemeentebestuur

overhandigt na controle van de effectieve verblijfplaats een attest van immatriculatie

(AI), model A (zie bijlage VI). Als hij verhuist, dient hij zich opnieuw te laten gaan

inschrijven in die nieuwe gemeente.

Aandachtspunten: administratieve stappen

¬ documenten nakijken op juistheid.

¬ woonplaatskeuze bepalen.

¬ inschrijving in gemeente.

6 - Gronden voor bescherming

Het is belangrijk dat de asielzoeker begrijpt op welke gronden hij bescherming kan bekomen

en waarom die bescherming kan worden geweigerd. Het is echter niet noodzakelijk

dat hij alle details van het vluchtelingenrecht kent. Hij moet wel weten welke documenten,

bewijzen of verklaringen moet aanbrengen ter ondersteuning van zijn vluchtverhaal.

In de volgende uiteenzetting wordt ingegaan op de kernelementen van de vluchtelingendefinitie

die de begeleider in staat moeten stellen toelichting te geven bij de definitie. De

basis van het vluchtelingenrecht is het vluchtelingenverdrag, de zogenaamde Conventie

van Genève van 1951 2 .

In dit handboek gebruiken we de termen Vluchtelingenconventie, Vluchtelingenverdrag

en Conventie van Genève door elkaar. Ze betekenen allemaal hetzelfde.

Sinds 10 oktober 2006 is er nog een bijkomende beschermingsgrond gekomen. Toen

werd de subsidiaire bescherming ingevoerd in het Belgische recht, ten gevolge de omzetting

van een Europese Richtlijn (de zogenaamde ‘Kwalificatierichtlijn’) 3 .

2 Het verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het protocol

van New York van 31 januari 1967.

3 Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van

onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale

bescherming behoeft.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 45


Sinds juni 2007 werd ook nog een bijzondere procedure en status ingesteld voor mensen

met ernstige medische problemen, geregeld in artikel 9 ter van de Vreemdelingenwet 4

(de zogenaamde procedure 9ter).

Deze twee nieuwe statuten, samen met de reeds langer bestaande vluchtelingenstatus,

maken dat er nu een verruimde wettelijke bescherming is voor mensen die genoodzaakt

worden hun land te ontvluchten.

Daarnaast kunnen er nog gronden voor bescherming geput worden uit mensenrechtenverdragen.

We gaan hieronder dieper in op deze verschillende beschermingsgronden.

A Het Vluchtelingenverdrag

Het Vluchtelingenverdrag van 1951 (artikel 1 A2) en het Protocol van 1967 vormen de

kern van het vluchtelingenrecht. In deze verdragen zijn de vluchtelingendefinitie, het

statuut van de vluchteling en de verplichtingen van de Staten gedefinieerd.

De vluchtelingendefinitie maakt sinds 2004 het voorwerp uit van de ‘Kwalificatierichtlijn’,

die minimumnormen bevat voor de toekenning van de vluchtelingenstatus. De vluchtelingendefinitie

is sinds juni 2007 omgezet in de Belgische wetgeving, meer bepaald in

artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet. De implementatie van deze Kwalificatierichtlijn

verandert weinig aan het niveau van bescherming van vluchtelingen dat, in vergelijking

met andere Europese landen, vrij hoog ligt. Artikel 48/3 Vreemdelingenwet begint met

een verwijzing naar het vluchtelingenverdrag van 1951. Verder geeft ze een opsomming

van criteria waaraan daden moeten voldoen om te kunnen spreken van daden van vervolging.

Een onmisbaar en gezaghebbend instrument voor de interpretatie van de vluchtelingenconventie

en dus ook van de bepaling in de wet is het Handboek van het UNHCR betreffende

procedures en criteria voor het erkennen van de hoedanigheid van vluchteling 5 .

Eveneens van belang voor de praktijk zijn de richtlijnen van het UNHCR betreffende internationale

bescherming en in de jaarlijkse Conclusies van het Uitvoerend Comité van

het UNHCR, waarin meer dan 50 landen zijn vertegenwoordigd, beter gekend als de Ex-

Com Conclusies. De Conclusies worden opgesteld naar aanleiding van specifieke beschermingsvraagstukken.

4 De wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en

de verwijdering van vreemdelingen, hierna de ‘vreemdelingenwet’.

5 Handbook on procedures and criteria for determining refugee status, verder het ‘UNHCR Handboek’.

Beschikbaar in het Engels, Frans, Spaans en Duits op de website www.unhcr.org.

46 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Ook al is het UNHCR Handboek formeel geen bron van recht, toch geeft het de richting

aan van de interpretatie van de huidige wettelijke bepalingen 6 .

A.1 De vluchtelingendefinitie

Artikel 1 A2 Vluchtelingenverdrag 1951:

“Elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit,

het behoren tot een sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het

land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dit land niet kan of uit

hoofde van bovenbedoelde vrees niet wil inroepen of die, indien hij geen nationaliteit bezit

en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet

kan of uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren.”

Anders gesteld: Een vluchteling is een persoon die zich buiten zijn land bevindt, die internationale

bescherming nodig heeft en verdient omdat hij redelijkerwijze vreest dat

zijn ras, nationaliteit, godsdienst, politieke overtuiging of sociale groep hem een risico

doet lopen op een ernstige inbreuk op de rechten van de mens in dat land en omdat de

autoriteiten van zijn land hem geen effectieve bescherming kunnen of willen geven.

Een persoon wordt geen vluchteling omdat hij erkend wordt als dusdanig, maar hij wordt

erkend omdat hij vluchteling is. Dit is wat men noemt het declaratief karakter van de

vluchtelingendefinitie 7 .

We opteren er voor alle facetten van de vluchtelingendefinitie begrijpelijk te maken aan

de hand van drie kernvragen met telkens een aantal subvragen. De “Vragenlijst vluchtverhaalanalyse

voor de begeleider” in bijlage VII volgt dezelfde indeling.

Voor de aanpak en inhoud inspireren we ons op de rechtsleer van de professoren specialist

in het vluchtelingenrecht Jean-Yves Carlier en Dirk Van Heule (beiden uit België) en

James Hathaway (Canada) en op het handboek en de richtlijnen van het UNHCR. In de

literatuurlijst vind je een uitgebreid overzicht van geraadpleegde standaardwerken en

teksten.

A.2 Kernvragen voor de beoordeling van de definitie

Drie kernvragen zijn van belang in de beoordeling van de definitie, namelijk:

¬ Wat is het risico bij terugkeer?

¬ Is er sprake van vervolging?

¬ Wat zijn de bewijzen van het risico en van de vervolging?

6 De Raad van State heeft in het verleden geoordeeld dat het UNHCR Handboek, hoewel het geen bindend

juridisch karakter heeft, toch tot aanbeveling strekt – RvSt nr. 115.090 van 27 januari 2003.

7 § 28 UNHCR Handboek.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 47


A.2.1 Wat is het risico bij terugkeer?

Een persoon die zich op de bescherming van het Vluchtelingenverdrag beroept, moet

een gegronde vrees voor vervolging koesteren.

Een gegronde vrees bestaat volgens de meeste staten, waaronder België, uit een objectief

(gegrondheid) en een subjectief element (vrees).

Het subjectieve element verwijst naar de persoonlijke, psychische toestand van de vluchteling.

Vrees duidt hierbij op een bewustzijn van het risico van vervolging in geval

van terugkeer. De geestesgesteldheid van de asielzoeker is hierbij niet doorslaggevend.

Het is niet belangrijk of de vluchteling al dan niet uiterlijke tekenen van die vrees vertoont.

Een onderzoek naar de emotionele reactie van de vluchteling op het vervolgingsrisico

is niet vereist.

De Belgische asielinstanties houden in ieder geval rekening met de subjectieve elementen

om de gegronde vrees te beoordelen. De geloofwaardigheid van de asielzoeker zal

onderzocht worden aan de hand van de beoordeling van de subjectieve elementen.

Het subjectieve element kan je als hulpverlener mee helpen onderbouwen door zoveel

mogelijk gegevens die betrekking hebben op de persoonlijke omstandigheden van de

asielzoeker te verzamelen, bijvoorbeeld het niveau van opleiding, de afkomst (stad/platteland),

de professionele achtergrond, de psychologische trauma’s en andere medische

diagnoses. Tijdens gesprekken kan je het waarom van bepaalde gedragingen en beweegredenen

bij de asielzoeker peilen.

Het objectieve element verwijst naar de gegrondheid van de vrees. De vervolging moet,

rekening houdend met de situatie in het land van herkomst, aannemelijk worden gemaakt.

De kernvraag is of de vluchteling veilig naar het land van herkomst kan terugkeren.

Deze eerste kernvraag (wat is het risico bij terugkeer?) kan verder begrepen worden aan

de hand van enkele subvragen: Is het risico actueel? (a), Waar doet het risico zich voor?

(b) en Wat is de risicograad? (c) Naar gelang het antwoord op deze vragen zal al dan niet

zijn aangetoond wat het risico bij terugkeer is voor de asielzoeker.

a Is het risico nog actueel (tijdselement)?

Het risico bij terugkeer wordt beoordeeld op het ogenblik van de behandeling van de

asielaanvraag. Het risico bij terugkeer en de gegronde vrees die de asielzoeker heeft, liggen

noodzakelijkerwijze in de toekomst. Ondergane vervolging in het verleden volstaat

niet altijd om erkend te worden als vluchteling. Het risico moet ook voor de toekomst

aanwezig blijven. Zo zal een asielzoeker die zijn land ontvluchtte voor een bepaald regime

geen actuele vrees meer kunnen aantonen als er zich op het ogenblik van de behandeling

van de aanvraag een regimewissel heeft voltrokken, waardoor het risico voor hem

bij terugkeer wordt opgeheven. Bijvoorbeeld: een asielzoeker ontvluchtte Irak omdat hij

vervolging vreesde van het regime van Saddam Hoessein. Tijdens zijn verblijf in België

48 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


wordt het regime van Saddam Hoessein omvergeworpen. Alleen indien de asielzoeker

zijn risico bij terugkeer en zijn vrees hiervoor aannemelijk maakt, kan hij in aanmerking

komen voor het vluchtelingenstatuut. De Belgische asielinstanties passen dit zo toe. In

dit voorbeeld maakt de asielzoeker mogelijk aanspraak op de subsidiaire beschermingsstatus,

omdat er sprake kan zijn van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van

willekeurig geweld in geval van een gewapend conflict (zie verder).

Ook iemand die zijn land verliet om te reizen, studeren of werken, kan zich vervolgens in

een situatie bevinden waardoor hij een risico loopt bij terugkeer, omdat de omstandigheden

in het land van herkomst tijdens zijn afwezigheid gewijzigd zijn, de zogenaamde

vluchteling ‘sur place’. Terugkomend op het aangehaalde voorbeeld zou een diplomaat

die onder het Irakese Saddam-regime in België verbleef een risico kunnen lopen bij

terugkeer na de machtswissel.

Een andere reden waarom iemand vluchteling ‘sur place’ kan worden kan te wijten zijn

aan zijn eigen gedrag buiten het land van herkomst: bijvoorbeeld iemand sluit zich in

het gastland aan bij een oppositiepartij of bekeert zich tot een andere godsdienst. De

beoordeling van de geloofwaardigheid van het gewraakte gedrag en de bekendheid ervan

bij de autoriteiten in het land van herkomst zijn dan doorslaggevend voor de vraag

of iemand vluchteling is 8 .

Ook wanneer de omstandigheden in het land van herkomst over het algemeen zijn veranderd

op zo’n wijze dat de status van vluchteling en asiel niet langer noodzakelijk zouden

zijn, kunnen er voor individuele asielzoekers specifieke omstandigheden bestaan

die voortdurende internationale bescherming kunnen rechtvaardigen.

Een asielzoeker kan ook “dwingende redenen, voortvloeiende uit vroegere vervolging”

inroepen om te weigeren beroep te doen op de bescherming van de autoriteiten van

zijn land van herkomst 9 . Deze uitzondering is bedoeld om afwijzing van asiel en vluchtelingenstatus

op grond van de veranderde situatie in het land van herkomst te vermijden

omdat de vluchteling of zijn familieleden gruwelijke vormen van vervolging hebben

ondergaan waardoor er van hen niet kan worden verwacht dat ze naar het land van

herkomst terugkeren.

Er is dan, met andere woorden, geen vrees voor vervolging in de toekomst vereist, omdat

de vervolging in het verleden zodanig ernstig was waardoor deze ondergane vervolging

al als voldoende grond voor bescherming wordt beschouwd.

Het gaat hier bijvoorbeeld om “ex-gevangenen (van een gevangenenkamp of gewone

gevangenis), overlevenden of getuigen van geweld tegen familieleden, met inbegrip van

seksueel geweld, en ernstig getraumatiseerde personen.

8 Vertaald uit Guidelines on International Protection: Cessation of Refugee Status under Article 1C(5) and

(6) of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees (the « Ceased Circumstances » Clauses), 10

februari 2003.

9 Naar analogie met het artikel 1C(5) en (6) die een uitzondering bevat op de bepalingen betreffende

beëindiging van de hoedanigheid van vluchteling.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 49


In dit opzicht moet ook aan kinderen speciale aandacht worden geschonken, aangezien

zij dikwijls “dwingende redenen” zouden kunnen inroepen om te weigeren naar hun

land van herkomst terug te keren.

b Waar doet het risico zich voor (plaats)?

Tijdens de beoordeling van de asielaanvraag moet men uitgebreid aandacht besteden

aan de identiteit van de asielzoeker (naam, geboortedatum, nationaliteit(en), etnische

groep, plaats in het land van herkomst waar de asielzoeker het belangrijkste deel van zijn

leven heeft doorgebracht) en aan de documenten die identiteit en nationaliteit staven.

Het moet immers vaststaan dat de asielzoeker geen bescherming kan krijgen van de autoriteiten

van het land van zijn nationaliteit(en).

Een begrip dat men in deze context vaak gebruikt, is het alternatief van interne vlucht

of vestiging.

Zo kan het gebeuren dat de gegronde vrees voor vervolging wordt aanvaard voor een

bepaald deel van het land van herkomst, maar dat men meteen stelt dat er in een andere

streek van datzelfde land een vluchtalternatief of vestigingsalternatief voor handen was,

zodat de vluchtelingenstatus toch niet wordt toegekend.

De Belgische asielinstanties roepen het intern vluchtalternatief vaak in.

De volgende vragen moeten een antwoord krijgen in het onderzoek naar de plaats waar

het risico zich voordoet:

Bestaat er ergens in het land van herkomst de mogelijkheid om een bescherming te krijgen

die het risico uitsluit om te worden vervolgd of blootgesteld aan een ernstig nadeel?

Was die plaats praktisch, legaal en veilig toegankelijk? Beschikte de asielzoeker over een

werkelijk intern toevluchtsoord? Was de vervolger de Staat, een privé persoon of groep?

Tot waar reikte het gezag van de vervolger? Was het redelijk om van de asielzoeker te

vergen dat hij zich daar vestigde? Wat waren de persoonlijke omstandigheden? Is de

veiligheid en zekerheid duurzaam? Is het respect voor de mensenrechten gewaarborgd?

Kan de asielzoeker economisch overleven?

De vragen beperken zich niet tot het onderzoek of de asielzoeker de vlucht, ten allen

prijzen, had kunnen vermijden. De beoordeling is ruimer. Was de interne oplossing een

werkelijk toevluchtsoord waar er afdoende bescherming was tegen de vervolging en andere

risico’s en waar de lokale omstandigheden overeenstemden met de fundamentele

rechten van de mens zoals vastgelegd in internationale verdragen?

Als de vervolger de staat was, is een intern vluchtalternatief binnen de landsgrenzen

uitgesloten. Het intern vluchtalternatief is niet absoluut. Opdat men niet in aanmerking

zou komen voor de vluchtelingenstatus, volstaat het niet dat er ergens een plaats is waar

de overheid bescherming had kunnen bieden. Het alternatief moet praktisch mogelijk

en toegankelijk zijn. Men moet redelijkerwijze van de asielzoeker kunnen verwachten

dat hij er zich vestigt. De asielzoeker die kan aantonen dat het in zijn specifieke situatie

onmogelijk zou zijn in een bepaald deel van het herkomstland opnieuw een bestaan op

50 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


te bouwen, kan geen intern vluchtalternatief worden tegengeworpen. De individuele

en concrete situatie van de asielzoeker speelt hier een belangrijke rol: Wat is het opleidingsniveau?

Wat is de gezinssituatie? Waaruit bestaat het sociale netwerk? Kan men

terugvallen op naasten indien men verhuist? enz.

Volgens de UNHCR-richtlijn van 23 juli 2003 over het intern vlucht- en vestigingsalternatief

(zie literatuurlijst) rust de bewijslast in dit geval op de asielinstanties, m.a.w. indien

de asielinstanties beweren dat een asielzoeker een intern vluchtalternatief had in zijn

land van herkomst, moeten zij daarvan bewijzen aanbrengen. Het is niet de asielzoeker

die moet bewijzen dat hij geen intern vluchtalternatief in zijn land van herkomst had,

maar hij moet wel de bewijzen van de asielinstanties proberen te weerleggen.

Men kan de vluchtelingendefinitie eveneens op staatlozen toepassen. Voor hen is het

referentiekader het land van gewoonlijk verblijf (zie verder).

Wat als iemand voor zijn aankomst in België nog in een ander land dan het land waarvan

hij de nationaliteit heeft, verbleven heeft?

Artikel 52 van de Vreemdelingenwet voorzag in de mogelijkheid om een vluchteling niet

te erkennen wanneer er een verblijf van meer dan drie maanden was in een derde land

en men dit verlaten heeft zonder vrees voor vervolging en zonder dat er een reëel risico

was op ernstige schade in de zin van de subsidiaire beschermingsstatus. Deze bepaling

werd door de Programmawet van 22/12/2008 uit de Vreemdelingenwet gehaald omdat

het strijdig was met de artikelen 25-27 van de ‘Procedurerichtlijn’ 10 .

c Wat is de risicograad?

De vrees van de asielzoeker moet als gegrond worden beschouwd indien hij redelijkerwijze

kan staven dat zijn verder verblijf in zijn land van herkomst ondraaglijk is geworden

omwille van de redenen opgesomd in de vluchtelingendefinitie, of dat zijn verblijf daar

ondraaglijk zou zijn omwille van dezelfde redenen indien hij teruggestuurd zou worden

naar zijn land 11 .

10 Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de

proce¬dures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus.

11 §42 UNHCR Handboek.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 51


A.2.2 Is er sprake van vervolging?

Het begrip vervolging wordt niet expliciet omschreven in de vluchtelingendefinitie, maar

wel in de Belgische wet. Artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat daden van

vervolging in de zin van artikel 1A van het Verdrag van Genève:

a) ofwel zo ernstig van aard moeten zijn of zo vaak moeten voorkomen dat zij

een schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten

ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15.2 van

het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden

(EVRM) 12 ;

b) ofwel een samenstel moeten zijn van verschillende maatregelen, waaronder

mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een

soortgelijke wijze te treffen als omschreven in a).

Het verbod op terugkeer, het zgn. non-refoulement beginsel, in geval van gevaar voor

vrijheid of leven verwoord in artikel 33 van het Verdrag geeft een indicatie van de aard

van de vervolging. Het moet gaan om daden die het leven of de vrijheid van betrokkene

aantasten 13 .

Het UNHCR Handboek houdt voor dat ernstige schendingen van mensenrechten vervolging

uitmaken. Ook de Belgische asielinstanties nemen deze zienswijze aan. Mensenrechtenschendingen

kunnen velerlei vormen aannemen en het is moeilijk om een gradatie

te maken in de mensenrechten.

Een voorbeeld maakt dit duidelijk. Iedereen zal aanvaarden dat een directe (éénmalige)

aantasting van het recht op leven of individuele vrijheid vervolging uitmaakt. De aantasting

van het recht op arbeid zal misschien minder duidelijk met vervolging worden

geassocieerd. Nochtans kan een systematische discriminatie op de arbeidsmarkt vervolging

uitmaken en ertoe leiden dat het recht op leven en de individuele vrijheid evenzeer

worden aangetast. We denken bijvoorbeeld aan de situatie van alleenstaande vrouwen

in Afghanistan ten tijde van de Taliban. Deze vrouwen konden nauwelijks overleven omwille

van het verbod op vrouwenarbeid.

Om te kunnen spreken van vervolging moet het dus gaan om een inbreuk, nadeel, schade,

schending van een mensenrecht dat fysisch, moreel of economisch kan zijn. Het werkelijke

nadeel, of zoals het wordt ervaren, moet voldoende ernstig zijn om het gelijk te

kunnen stellen aan vervolging.

Deze tweede kernvraag (Is er sprake van vervolging?) kan verder begrepen worden aan

de hand van volgende vier subvragen: Wat is de aard van de vervolging? (a), Wie is het

slachtoffer? (b), Wie is de auteur? (c) en Wat is de reden van de vervolging? (d)

12 Artikel 15 gaat over mogelijke afwijkingen op de bepalingen in het EVRM in oorlogstijd. Geen afwijkingen

zijn echter toegestaan op artikelen 2 (recht op leven), 3 (verbod op foltering en onmenselijke of

vernederende behandeling of bestraffing), 4,1° (verbod op slavernij) en 7 (geen straf zonder wet).

13 § 51 UNHCR Handboek.

52 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


a Wat is de aard van de vervolging?

Volgens artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet kan vervolging onder meer onderstaande

vormen aannemen:

a) daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;

b) wettelijke, administratieve, politionele en/of gerechtelijke maatregelen die

op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijzen worden uitgevoerd;

c) onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;

d) ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig

zware of discriminerende straf wordt opgelegd;

e) vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen,

in het bijzonder tijdens een conflict wanneer het vervullen van militaire dienst

strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsgronden van

artikel 55/2,§1, vallen;

f) daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard (zie verder p. 133 e.v.).

Meer in het algemeen zijn volgende zaken van belang voor de beoordeling van de aard

van de vervolging:

Evenredigheid

Net als bij de beoordeling van een mensenrechtenschending, moet men bij de beoordeling

van de vervolging steeds nagaan of er een evenredigheid is tussen doel en middel.

Indien de overheid bijvoorbeeld de geboorten wil beperken (kan een legitiem doel

zijn), dan is gedwongen sterilisatie een middel dat niet evenredig is. Indien een overheid

deserteurs zware strafrechtelijke straffen oplegt zonder mogelijkheid tot alternatieve

dienst, dan is dat een onevenredig middel.

Discriminatie

Discriminatie staat niet automatisch gelijk aan vervolging 14 . Discriminatie wordt pas vervolging

als het een ernstig nadeel berokkent aan de geviseerde: bijvoorbeeld ernstige

beperkingen om een beroep uit te oefenen, om zijn godsdienst te belijden of om toegang

te krijgen tot onderwijs.

Discriminaties die op zich geen ernstig nadeel berokkenen kunnen toch een vrees voor

vervolging veroorzaken indien de betrokkene een algemeen gevoel van onzekerheid

omtrent zijn leven heeft.

De discriminatie moet beoordeeld worden in het licht van de algemene en persoonlijke

situatie. Wat is de houding van de autoriteiten van het land? Op welk vlak werd de asielzoeker

reeds gediscrimineerd?

14 § 54-55 Handboek UNHCR.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 53


Strafvervolging versus vervolging

Een persoon die het land van herkomst ontvlucht om zich te onttrekken aan een rechterlijke

beslissing is in principe geen vluchteling 15 . Toch moet enige voorzichtigheid aan de

dag worden gelegd. Er moet steeds nagegaan worden of de strafwet en de toepassing

ervan geen deel uitmaken van een vervolging om redenen voorzien in de Vluchtelingendefinitie.

Zo zal een bestraffing gelijk staan aan vervolging indien de bestraffing onevenredig

is omwille van één van de vijf gronden van de vluchtelingendefinitie of indien

de strafvervolging werd ingesteld omwille van één van de vijf gronden. Bijvoorbeeld

verspreiding van politieke pamfletten door de oppositie verbieden en strafbaar stellen of

bestraffing wegens het niet toegestane verstrekken van godsdienstonderricht.

Indien een strafwet een inbreuk maakt op internationaalrechterlijk erkende en beschermde

mensenrechten kan er sprake zijn van vervolging. De beoordelende asielinstantie zal

de strafwet en de toepassing ervan door een bepaald land moeten toetsen aan de internationale

mensenrechtenverdragen.

Dienstweigering en desertie versus vervolging

Dienstweigering en desertie zijn specifieke gevallen van het niet naleven van de nationale

wetgeving waarop vaak een bestraffing is voorzien.

Dienst weigeren of deserteren leidt niet automatisch tot vervolging. Men is niet automatisch

vluchteling omdat men geen dienst wil doen. Men kan het wel worden indien er

specifieke redenen zijn die ertoe leiden die dienst te weigeren rekening houdend met de

gronden opgesomd in de vluchtelingendefinitie.

Dienstweigering en desertie gebaseerd op religieuze overwegingen voor zover de oprechte

geloofsovertuiging duidelijk blijkt en voor zover men kan aantonen dat de autoriteiten

geen rekening houden met deze overtuiging kan aanleiding geven tot erkenning

als vluchteling. In dit kader wordt vastgesteld dat steeds meer Staten gewetensbezwaren

aanvaarden en alternatieve diensten voorzien. Indien er in het land van herkomst geen

alternatieve dienst bestaat, kan een behandelende Staat daar rekening mee houden bij

de toekenning van het statuut van vluchteling. Uiteraard zullen de bezwaren die de asielzoeker

opwerpt onderzocht worden rekening houdend met de persoonlijkheid en het

verleden van de asielzoeker 16 .

De weigering om deel te nemen aan militaire acties zal enkel tot erkenning als vluchteling

kunnen leiden indien de militaire actie veroordeeld is door de internationale gemeenschap

17 .

Strafvervolging wegens dienstweigering en desertie zal ook vervolging uitmaken indien

aangetoond wordt dat men strafvervolging riskeert die niet evenredig is met de normale

15 § 56-60 Handboek UNHCR.

16 § 167-174 Handboek UNHCR.

17 Zie artikel 48/3,e) Vreemdelingenwet.

54 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


estraffing van dienstweigering of desertie omwille van één van de vervolgingsgronden

in de vluchtelingendefinitie 18 .

b Wie is het slachtoffer?

Slachtoffer is degene die de vervolging vreest.

Is de vervolging gericht op deze specifieke asielzoeker? Hoewel de vluchtelingendefinitie

niet uitdrukkelijk vermeldt dat er sprake moet zijn van een individuele vervolging wordt

dit doorgaans zo geïnterpreteerd aangezien de vluchtelingendefinitie uitdrukkelijk verwijst

naar elke persoon die gegronde vrees voor vervolging heeft.

De vrees voor vervolging koppelen aan de persoon heeft een aantal belangrijke gevolgen.

Iemand die zich beroept op de vluchtelingendefinitie zal moeten aannemelijk maken

dat de vervolging een specifieke inbreuk is op zijn mensenrechten. Dit betekent

dat personen die veralgemeend geweld of een oorlogssituatie ontvluchten die iedereen

zonder onderscheid treft en die de reden van hun vlucht niet kunnen individualiseren en

linken aan één van de vijf criteria geen bescherming genieten onder het Vluchtelingenverdrag.

Ze kunnen eventueel wel onder de toepassing van de subsidiaire bescherming

vallen (zie verder).

Let op! Ga er niet meteen vanuit gaat dat iedere persoon die een veralgemeende geweldsituatie

ontvlucht geen vluchteling onder het Verdrag kan zijn. Ook in dergelijke

situaties kunnen bepaalde personen hun vrees voor vervolging zonder meer linken aan

één van de vijf gronden van het Verdrag (bijvoorbeeld ze worden vervolgd als politieke

tegenstander tegen de achtergrond van een gewapend conflict).

Bovendien is het mogelijk dat ieder lid van een bepaalde groep, juist omdat men tot die

groep of die etnie behoort, individueel de vrees voor vervolging kan aannemelijk maken.

Dit was bijvoorbeeld het geval met de etnische Tsjetsjenen tijdens de burgeroorlogen

tegen Rusland. Personen die tot deze etnische groep behoorden en Tsjetsjenië ontvluchtten

vielen meestal onder de vluchtelingendefinitie. Het feit dat men in heel wat landen

de toevlucht nam tot statuten van “tijdelijke bescherming”, en niet de vluchtelingenstatus

toekende, was een politieke beslissing. Let op dat je uit dit soort beleidsbeslissingen

niet verkeerdelijk afleidt dat het niet om vluchtelingen onder het Verdrag zou gaan.

c Wie is de auteur?

Vervolging brengt men meestal in verband met acties waarvoor de overheden van een

land verantwoordelijk zijn. De vervolging door de overheid van het land van herkomst

zal in aanmerking komen als vervolging in de zin van de vluchtelingendefinitie. In die

omstandigheden kan immers van bescherming door de overheid geen sprake zijn. Men

moet de feitelijke houding van de overheid onderzoeken. Probeer ervoor te zorgen dat

18 Voorbeeld c) in de wet.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 55


dit punt zo grondig mogelijk wordt gedocumenteerd. Dit kan door herkomstlandenrapporten,

krantenberichten over het optreden van de overheid, vonnissen, enz.

Vervolging kan ook uitgaan van privé-personen of groepen van de bevolking, zoals opstandelingen,

gewapende krijgsheren en racistische groeperingen. Om in aanmerking te

komen voor bescherming onder het Verdrag volstaat het dat de overheid geen bescherming

kan of wil bieden.

De bescherming die de overheid biedt moet daadwerkelijk zijn. Het moet gaan om “redelijke

maatregelen tot voorkoming van vervolging, onder andere door de instelling van een

doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing

van handelingen die vervolging vormen, en wanneer de asielzoeker toegang tot een dergelijke

bescherming heeft”.

De bewijslast ligt bij de asielzoeker. Het CGVS vraagt of een klacht bij de nationale overheid

ingediend werd. Als dat niet het geval is, moet de asielzoeker aantonen dat een

klacht nutteloos zou geweest zijn, bijvoorbeeld omdat de gerechtelijke instanties partijdig

zijn.

d Wat is de reden van de vervolging?

Men moet de vervolging kunnen linken aan één van de vijf gronden: ras, godsdienst,

nationaliteit, politieke overtuiging of een bepaalde sociale groep. Het kan dat een

persoon een gegronde vrees koestert voor een reële vervolging, maar indien die vervolging

niet kan worden teruggebracht tot één van de vijf criteria is het Verdrag niet van

toepassing.

De vijf criteria stellen dus een beperking aan de bescherming tegen vervolging, geboden

door het Verdrag. De subsidiaire bescherming laat echter toe ook mensen te beschermen

die vrees voor vervolging inroepen die niet kunnen worden gekoppeld aan één van de

vijf criteria. Desalniettemin bestrijken deze vijf criteria een zeer uitgebreid gamma aan

mogelijke redenen voor vervolging. Bovendien vindt het verband niet altijd zijn oorzaak

in de vervolgde persoon zelf. Het volstaat dat de vervolger één van de gronden van

toepassing acht op de vervolgde. Er wordt bijvoorbeeld iemand een bepaalde politieke

overtuiging toegedicht door de (vervolgende) overheid. Zo kan soms iemand worden

geviseerd omdat hij een bepaalde godsdienst belijdt en omdat de overheid dit als een

politiek statement aanziet.

Je zal het vluchtverhaal telkens moeten beoordelen aan de hand van één van de criteria

of van een samenspel van meerdere criteria.

De Belgische wet 19 geeft aan wat kan worden verstaan onder de verschillende criteria.

We geven aan de hand van deze bepalingen een aantal voorbeelden, op het gevaar af

een beperkende interpretatie naar voor te schuiven. Beschouw deze voorbeelden louter

als illustratie. Voorbeelden zijn hoe dan ook altijd gedateerd. Beoordeel ieder vlucht-

19 Artikel 48/3,§ 4 Vreemdelingenwet.

56 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


verhaal op de eigen merites. Vermijd om, naar analogie met een of ander voorbeeld, te

snel conclusies te trekken over het al dan niet van toepassing zijn van de criteria. Besteed

bijzondere aandacht aan de asielaanvragen van minderjarigen en vrouwen, voor wie de

toepassing van de vluchtelingendefinitie soms een ruimere interpretatie vergt. Bedenk

ook dat het vluchtelingenrecht en de interpretatie van de vluchtelingendefinitie voortdurend

evolueren en zich aanpassen aan de noden van veranderende tijden. In de adressenlijst

vind je de verwijzing naar de website van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

waarop je heel wat rechtspraak kan raadplegen. Op de rechtspraakdatabank van VMC

vind je ook heel wat rechtspraak.

Ras - etnie

Dit begrip moet worden geïnterpreteerd in de ruime betekenis van het woord.

Het begrip ‘ras’ bevat onder meer de aspecten huiskleur, maar ook afkomst of het behoren

tot een bepaalde etnische groep 20 .

Etniciteit verwijst naar erfelijke en cultuuraspecten die worden gedeeld door een groep.

Het gaat vaak, maar niet noodzakelijk, om een minderheid binnen een grotere bevolkingsgroep

die om deze reden wordt geviseerd. Men beschouwt rassenvervolging als

een ernstige mensenrechtenschending.

Voorbeeld: Zwarten in Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid.

Godsdienst

Universele en Europese mensenrechtenverdragen stellen dat ieder mens recht heeft op

vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Het begrip godsdienst omvat zowel theistische,

niet-theïstische als atheïstische geloofsovertuigingen. Vervolging op grond van

godsdienst kan bijvoorbeeld worden afgeleid uit het verbod op een bepaald kerkgenootschap

of verbod lid te zijn van een religieuze gemeenschap, om het geloof te belijden

(privé en openbaar), op godsdienstig onderwijs of ernstige discriminatoire maatregelen

21 .

Bij vervolging op grond van godsdienst zijn twee zaken belangrijk bij het onderzoek:

¬ Loopt men een risico voor vervolging indien men geïdentificeerd wordt als

belijder van die godsdienst?

¬ Loopt men een risico voor vervolging van zodra men conform zijn geloofsovertuiging

wenst te leven?

Voorbeeld: Christenen in Iran.

20 Artikel 48/3, § 4.

21 De richtlijn van UNHCR betreffende de asielaanvragen die gebaseerd zijn op godsdienst onder Artikel

1A(2) van het Vluchtelingenverdrag (richtlijn van 28 april 2004) geeft meer details over hoe deze vervolgingsgrond

zou moeten worden geïnterpreteerd en toegepast. Zie ook de rechtspraak van het EHRM in

verband met artikel 9 EVRM (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst).

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 57


Nationaliteit

Het begrip nationaliteit is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan,

maar omvat onder meer ook het behoren tot een groep die wordt bepaald door zijn

culturele, etnische of linguïstische identiteit, door een gemeenschappelijk geografische

of politieke oorsprong of door verwantschap met de bevolking van een andere staat 22 .

Voorbeeld: Bosnische moslims en Kosovaarse Albanezen in de jaren 1990.

Politieke overtuiging

Een persoon die er een afwijkende politieke mening op nahoudt dan de heersende kan

daardoor in veel landen het slachtoffer worden van vervolging. De meest duidelijke situatie

is die waarin men een politieke mening heeft, die openbaar heeft gemaakt en waarbij

de overheid op de hoogte is van die mening. Anderzijds kan ook een niet geopenbaarde

politieke mening aanleiding geven tot erkenning van de vluchtelingenstatus, indien

het veruitwendigen van de politieke mening automatisch tot vervolging zou leiden. Ook

personen, zoals bijvoorbeeld familieleden, die worden geassocieerd met politieke activisten

kunnen vervolging vrezen zonder dat zij daarom die politieke overtuiging moeten

delen.

Het begrip politieke overtuiging houdt volgens de wet onder meer in dat de betrokkene

een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband

houdt met de in de wet bepaalde actoren van vervolging (de staat, maar ook partijen,

organisaties en zelfs niet-overheidsactoren) en hun beleid of methoden, ongeacht of de

asielzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten

leiden.

Voorbeeld: politiek actieve Koerden uit Turkije.

Sociale groep 23

Een groep wordt volgens de wet geacht een ‘sociale groep’ te zijn als onder meer:

¬ leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke

achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk

of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit dermate fundamenteel

is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven,

EN

22 Artikel 48/3, § 4, c).

23 In de richtlijn van het UNHCR betreffende “behoren tot een bepaalde sociale groep” onder Artikel

1A(2) van het Vluchtelingenverdrag (richtlijn van 7 mei 2002) (zie literatuurlijst) wordt een bepaalde sociale

groep omschreven als “een groep van personen die een gemeenschappelijk kenmerk delen anders dan het

risico om vervolgd te worden, of die als groep worden waargenomen door de gemeenschap. Dit kenmerk

zal vaak zijn aangeboren, onveranderlijk, of overigens fundamenteel voor de identiteit, het bewustzijn of

de uitoefening van de mensenrechten.

58 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


¬ de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft omdat zij in haar

directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.

Het begrip sociale groep is een bijzonder ruim op te vatten vervolgingsgrond die de nodige

flexibiliteit toelaat in verschillende en evoluerende maatschappelijke contexten.

Voorbeelden:

¬ Vrouwen die een wrede of onmenselijke behandeling zouden ondergaan omdat

ze de sociale zeden van de gemeenschap waarin zij leven hebben overtreden

24 , bijvoorbeeld een op overspel betrapte vrouw.

¬ Homoseksuelen in landen waar homoseksualiteit leidt tot een effectieve

strafvervolging of ernstige discriminatie, bijvoorbeeld in streng islamitische

landen.

¬ Onbesneden meisjes in Guinée.

A.2.3 Wat zijn de bewijzen van het risico en van de vervolging?

Wat betreft de bewijzen van de vervolging en van het risico bij terugkeer, onderzoeken

we volgende elementen: de bewijslast en de bewijsmiddelen.

a Moeten het risico en de vervolging bewezen worden?

De asielzoeker heeft de plicht de waarheid te vertellen en moet alle elementen in een

geloofwaardige en samenhangende verklaring naar voor brengen, vrij van fundamentele

tegenstrijdigheden. De bewijslast rust in beginsel op de asielzoeker 25 . De bewijslast gaat

niet zo ver dat de asielzoeker moet aantonen dat de gevreesde vervolging ook effectief

zal plaatsvinden. Het bestaan van objectieve feiten die bewijzen dat er aanleiding is tot

de redelijkerwijze te verwachten vervolging volstaat.

In veel gevallen zal het voor de asielzoeker echter onmogelijk zijn om bewijzen van de

feiten te leveren.

In de praktijk wordt de bewijslast, die aanvankelijk op de asielzoeker rust, verschoven

naar een “gedeelde bewijslast”: door de asielzoeker en de beoordelende instantie in die

zin dat de beoordelende instantie de pertinente feiten helpt vast te stellen en te evalueren

op basis van de informatie waarover de beoordelende instantie beschikt. De behandelende

instantie moet de verklaring vergelijken met algemeen beschikbare informatie

en natrekken waar nodig.

Het CGVS onderzoekt de informatie door beroep te doen op hun informatiedienst (CE-

DOCA). Die maakt algemene landenrapporten en stelt richtlijnen op door informatie te

verzamelen bij Belgische ambassades, herkomstlandenrapporten van internationale or-

24 Zie Excom Conclusie nr 39 (1985) (k).

25 UNHCR Handboek §196.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 59


ganisaties en NGO’s, door zelf missies uit te sturen of door met experten in de landen van

herkomst samen te werken. De rapporten en richtlijnen van CEDOCA zijn niet openbaar.

Het administratief dossier bevat af en toe stukken uit CEDOCA-rapporten.

Men kan vaststellen dat er in de Belgische asielprocedure meer dan een gelijk verdeelde

bewijslast op de schouders van de asielzoeker rust. De asielzoeker lijkt een eerder zware

bewijslast te hebben.

Een asielzoeker doet er dan ook goed aan zo snel mogelijk alle bewijsmiddelen over te

maken.

Bij de materiële onmogelijkheid om de feiten te bewijzen volstaan de eigen verklaringen

van de asielzoeker voor zover die samenhangend en geloofwaardig zijn. In dit geval kent

men het voordeel van de twijfel toe aan de asielzoeker 26 .

Men moet er wel rekening mee houden dat de asielzoeker zich misschien niet alle feitelijke

details kan herinneren of die niet nauwgezet kan verhalen of dat hij feiten kan verwarren.

Het is mogelijk dat een asielzoeker omwille van de traumatische ervaringen die

hij heeft meegemaakt, hij niet vrijuit durft of kan spreken of dat omwille van de verlopen

tijd of de intensiteit van de gebeurtenissen, hij vaag of onnauwkeurig is bij het geven van

data, plaatsen en andere details. Bij de uiteindelijke beoordeling van de geloofwaardigheid

moet men rekening houden met de onmogelijkheid om zich alle gegevens of minder

belangrijke gegevens te herinneren of die weer te geven. Minder belangrijke tegenstrijdigheden,

onbelangrijke vaagheden of onjuiste verklaringen die niet van wezenlijk

belang zijn, zouden niet mogen worden gebruikt als beslissende factoren. 27

Voor zover de verklaringen samenhangend en geloofwaardig zijn, wordt in geval van

twijfel het voordeel van de twijfel aan de asielzoeker gegund.

b Met welke bewijzen kan men het risico en de vervolging aantonen?

Waar mogelijk kan de asielzoeker zijn verklaringen aanvullen met (bij voorkeur originele)

materiële bewijsstukken. Materiële bewijsmiddelen kunnen bestaan uit: paspoort

en reisdocumenten , officiële documenten, een vonnis van een rechtbank, een aanhoudingsmandaat,

krantenartikels, landeninformatie (zie hieronder pagina 61) waar relevante

informatie voor de asielzoeker in staat, schriftelijke en mondelinge getuigenissen,

een attest van een advocaat of van een mensenrechtenorganisatie.

Het kan relevant zijn om bewijzen voor te leggen van problemen die anderen (familieleden

of personen met een gelijkaardig profiel) hebben gehad.

Dit geldt ook voor gegevens van familieleden (en anderen met gelijkaardig profiel) die in

België of elders de vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming hebben gekregen.

26 UNHCR Handboek § 203-204.

27 Richtlijn van UNHCR “Note on Burden and Standard of Proof in Refugee Claims”, 16 december 1998.

60 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


A.3 Uitsluitingsgronden

In het Vluchtelingenverdrag zijn een aantal uitsluitingsgronden voorzien 28 .

Artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag stelt dat de vluchtelingenstatus niet toegekend

wordt aan personen die:

¬ zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid;

¬ een ernstig niet-politiek misdrijf hebben gepleegd;

¬ zich schuldig hebben gemaakt aan handelingen in strijd met de doelstellingen

van de Verenigde Naties (VN).

Aanzetten tot of anderszins deelnemen aan deze misdrijven of daden volstaat om iemand

uit te sluiten.

Misdaden tegen de menselijkheid worden gedefinieerd in artikel 7 van het Statuut van

het Internationaal Strafhof 29 .

Het gaat om volgende handelingen, op voorwaarde dat ze gepleegd werden in het kader

van een algemene of systematische aanslag op de burgerbevolking: moord, uitroeiing,

slavernij, deportatie, gevangenneming, foltering, verkrachting of seksueel geweld,

groepsvervolging, gedwongen ‘verdwijning’, misdaden van apartheid en andere onmenselijke

behandeling.

Het kan voldoende zijn dat er ‘ernstige redenen zijn om te vermoeden dat’ de kandidaatvluchteling

betrokken was bij deze misdrijven.

Als iemand een functie bekleedde binnen een organisatie die zich schuldig maakte aan

dergelijke misdrijven, hoeft dat geen voldoende betrokkenheid te betekenen.

A.4 Herkomstlandeninformatie

Via het internet is het mogelijk de landenrapporten van de overheden van andere Europese

landen of van internationale organisaties en NGO’s te raadplegen via www.unhcr.

org of www.refworld.org of www.ecoi.net. Je kan ook contact opnemen met de dienst

Planet Search van Vluchtelingenwerk Vlaanderen.

Via een zeer gespecialiseerde databank kan Planetsearch gedetailleerde informatie geven

over gebeurtenissen, data, plaatsen, partijen, groeperingen, instellingen, wetgeving

opzoeken, en dit tot zeer ver terug in de tijd.

Ook meer algemene informatie over het verloop van een conflict, etnische spanningen,

religieuze vervolgingen, enz. kan op vraag worden verkregen.

28 Artikel 1 D, E en F.

29 Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998, goedgekeurd bij Wet van 25 mei

2000 (B.S. 7 oktober 2003)

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 61


Je betaalt een jaarabonnement voor een onbeperkt aantal vragen of per opdracht. Voor

meer info: zie www.vluchtelingenwerk.be.

Je kan ook zelf aan de slag om relevante landeninfo te verzamelen. Er zijn zeer gebruiksvriendelijke

websites waaronder www.ecoi.net en www.refworld.org.

ECOI.net staat voor European Country of Origin Information Network en wordt gecoördineerd

door ACCORD (Austrian Centre for Country of Origin and Asylum Researchand

Documentation). Zij publiceren actuele en publiekelijk beschikbare COI, met een focus op

bruikbare informatie bij asielprocedures en aanvragen tot internationale bescherming.

Je vindt er rapporten van NGO’s, overheden en internatonale organisaties, nieuwsberichten,

geografische kaarten en nationale wetgevingen. De meeste documenten zijn in het

Engels, maar sommige zijn ook beschikbaar in het Frans en het Duits.

Refworld, onder het beheer van UNHCR, bevat een enorme verzameling van rapporten

m.b.t. situaties in herkomstlanden en het internationaal en nationaal juridisch kader, alsook

beleidsdocumenten en standpunten. De geselecteerde informatie is een compilatie

van documenten afkomstig van UNHCR’S mondiaal netwerk van field offices, overheden,

internationale, regionale en niet-gouvernementele organisaties, academische instellingen

en gerechtelijke organismen.

A.5 Informatie voor de asielzoeker

In bijgevoegde kaderstuk vind je een model van beknopte uiteenzetting van het Vluchtelingenverdrag

zoals je die aan de asielzoeker zou kunnen overbrengen.

Vluchtelingendefinitie:

“Elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst,

nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of zijn politieke overtuiging,

zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de

bescherming van dit land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet

wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het

land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit

hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren.”

De begeleider kan de vluchtelingendefinitie uitleggen door stil te staan bij een

aantal elementen hieruit.

De vrees van de asielzoeker moet als gegrond worden beschouwd wanneer

hij redelijkerwijze kan staven dat zijn verder verblijf in zijn land van herkomst

voor hem ondraaglijk is geworden omwille van de redenen opgesomd

in de vluchtelingendefinitie, of dat zijn verblijf daar omwille van dezelfde redenen

ondraaglijk zou zijn indien hij naar zijn land teruggestuurd wordt.

62 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Gegronde vrees

De vrees moet steunen op objectieve elementen en moet kunnen worden gerelateerd

aan de algemene situatie in het land van herkomst. De vrees verwijst

ook naar een subjectieve emotie waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijkheid

van de asielzoeker en de wijze waarop die omgaat met het risico

in het land van herkomst. De vrees wordt beoordeeld op het ogenblik van de

behandeling van de asielaanvraag. De vrees moet actueel zijn ten tijde van de

beoordeling.

Vervolging

Vervolging kan omschreven worden als een inbreuk op iemands mensenrechten

(fysisch, moreel of economisch) die voldoende ernstig en die niet te rechtvaardigen

is. Discriminatie op zich is geen vervolging. Een opeenhoping van discriminatoire

maatregelen kan wel een vervolging vormen. Strafvervolging staat

niet gelijk aan vervolging, tenzij de strafvervolging onevenwichtig zwaar is.

Vervolgingsgronden: ras, godsdienst, nationaliteit, sociale groep, politieke

overtuiging.

Ras-etnie: Dit begrip moet worden begrepen in de ruime betekenis van het

woord. Het begrip ‘ras’ omvat onder meer het aspect huidskleur, afkomst en

het behoren tot een bepaalde etnische groep. Etniciteit verwijst naar erfelijke

en cultuuraspecten die eigen zijn aan een groep. Het gaat vaak, maar niet noodzakelijk,

om een minderheid binnen een grotere bevolkingsgroep die om deze

reden wordt geviseerd. Rassenvervolging wordt beschouwd als een ernstige

mensenrechtenschending.

Voorbeeld: Zwarten in Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid

Godsdienst: Vervolging op grond van godsdienst kan bijvoorbeeld worden afgeleid

uit het verbod van een bepaald kerkgenootschap of het verbod om lid

te zijn van een religieuze gemeenschap, om het geloof te belijden (privé en

openbaar), van godsdienstig onderwijs of ernstige discriminatoire maatregelen.

Het begrip godsdienst omvat zowel theïstische, niet-theïstische en atheïstische

geloofsovertuigingen.

Voorbeeld: Christenen in Iran

Nationaliteit: Aangezien de meeste staten natiestaten zijn, verwijst het begrip

nationaliteit in het Verdrag niet naar het begrip staatsburgerschap, maar wel

naar het lidmaatschap van een bepaalde groep die wordt bepaald door een

culturele, geografische, etnische of taalkundige identiteit, door een gemeenschappelijke

geografische of politieke oorsprong of door verwantschap met de

bevolking van een andere staat.

Voorbeeld: Bosnische moslims en Kosovaarse Albanezen in de jaren ‘90

Sociale groep: Een groep van personen die een gemeenschappelijk kenmerk

delen anders dan het risico om vervolgd te worden, of die door de maatschappij

als groep met een eigen identiteit wordt gezien. Dit kenmerk zal vaak zijn

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 63


aangeboren, onveranderlijk, of overigens fundamenteel voor de identiteit, het

bewustzijn of de uitoefening van de mensenrechten.

Voorbeeld: vrouwen in Guinée die vrezen voor genitale verminking

Politieke overtuiging: Een persoon die een afwijkende politieke overtuiging

heeft dan de heersende kan daardoor in veel landen het slachtoffer van vervolging

worden. De politieke overtuiging kan, maar moet niet noodzakelijk openbaar

zijn gemaakt. Indien de niet geopenbaarde politieke mening automatisch

tot vervolging zou leiden, kan dit aanleiding geven tot erkenning als vluchteling.

Vaak moeten personen (familieleden of anderen) die geassocieerd worden

met politieke activisten, vervolging vrezen, zonder dat zij noodzakelijk die politieke

mening delen.

Voorbeeld: Politiek actieve Koerden

Zich buiten het land bevinden

Dit is een absolute voorwaarde. Aan deze voorwaarde is voldaan op het moment

dat de asielzoeker in België asiel aanvraagt na zijn land te zijn ontvlucht.

Men kan ook vluchteling worden tijdens een verblijf in het buitenland door een

gewijzigde situatie in het land van herkomst (vb. staatsgreep), hoewel men het

land niet verliet als vluchteling. Dit kan ook door activiteiten ondernomen in

het buitenland (oppositie, bekeren tot een andere godsdienst) voor zover de

autoriteiten van het land van herkomst op de hoogte zijn van die activiteiten en

die activiteiten niet dulden.

Geen bescherming kunnen of willen inroepen

De asielzoeker moet aantonen waarom de autoriteiten van het herkomstland

geen bescherming konden bieden of waarom hij, gezien de vrees voor vervolging,

geen bescherming kon/wou vragen aan die autoriteiten.

Niet kunnen terugkeren omwille van de vrees

De asielzoeker moet aantonen welk risico hij loopt in geval van terugkeer.

Vraag de asielzoeker het vluchtverhaal op papier te zetten aan de hand van een

aantal oriënterende vragen (zie kader hieronder):

Alle meerderjarige leden van een familie doen dit best afzonderlijk. Je kan een aantal

oriënterende vragen meegeven aan de hand waarvan de asielzoeker het verhaal structureert:

persoonsgegevens, reisroute, reden voor de vlucht, reden waarom men niet terug

kan of wil.

Het vluchtverhaal en alle documenten worden best vertaald in de taal van de asielprocedure

via een vertaler op de lijst van het BJB (advocaat) of via een vertaalbureau (asielzoeker).

64 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Richtvragen en aandachtspunten voor de asielzoeker bij het uitschrijven

van het vluchtverhaal:

¬ Het uitschrijven van het vluchtverhaal zal hem helpen het vluchtverhaal meerdere

keren op dezelfde gestructureerde, chronologische en gedetailleerde

wijze te vertellen. De asielinstanties hechten hieraan heel veel belang, het

maakt deel uit van het onderzoek naar de geloofwaardigheid van het vluchtverhaal.

¬ Niet alleen zal het de asielzoeker helpen zijn herinneringen te structureren,

het zal ook een hulp zijn voor de hulpverlener en de advocaat.

¬ Geef mee dat de asielzoeker best niet te lang wacht met het uitschrijven van

zijn vluchtverhaal. Zodoende is er eventueel meer tijd om een vertaling ervan

te laten maken naar het Nederlands of het Frans. Het uitschrijven van een

vluchtverhaal dient niet voor afgifte aan de asielinstanties.

¬ Het verhaal kan uitgeschreven worden aan de hand van de drie onderliggende

vragen:

Wie ben je?

¬ Uit welk land kom je? In welke stad/gemeente heb je gewoond?

- Wie zijn je ouders? Welk beroep hadden je ouders?

- Welke studies heb je gevolgd? Welk diploma heb je?

- Heb je gewerkt? Waar heb je gewerkt?

- Waar zijn je naaste familieleden? Heb je familieleden die erkend vluchteling

zijn? Heb je familieleden die subsidiaire bescherming hebben gekregen?

Waarom ben je je land ontvlucht?

¬ Welke problemen heb je gehad ? Wat waren de redenen voor die problemen?

- Werd je door de politie, het leger of de geheime dienst vervolgd?

- Heb je bescherming gevraagd aan de autoriteiten? Indien niet, was daar een

reden voor? Aan wie/welke instantie vroeg je eventueel bescherming ? Hebben

zij je kunnen helpen?

- Is er een gewapend conflict aan de gang in je land?

- Loop je gevaar in je land? Wat denk je dat er zal gebeuren als je zou (moeten)

terugkeren naar je land van herkomst?

¬ Tip: Maak duidelijk dat je persoonlijk werd bedreigd en/of vervolgd (dus

niet enkel de groep waartoe je behoorde). Maak duidelijk in hoeverre jij persoonlijk

gevaar loopt in geval van terugkeer. Dit geldt ook in een situatie van

veralgemeend, willekeurig geweld. Als je je verhaal vertelt, geef dan zoveel

mogelijk details en hou zeker geen informatie achter om het de asielinstan-

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 65


ties mogelijk te maken je vrees voor vervolging in verband te brengen met

één van de redenen die worden opgesomd in de Vluchtelingendefinitie: ras,

godsdienst, nationaliteit, behoren tot een bepaalde sociale groep of politieke

overtuiging.

¬ Tip: Indien je geen problemen hebt gehad met de autoriteiten, maar met

andere groepen of personen, vermeld dan aan welke autoriteiten je bescherming

hebt gevraagd. Indien je geen bescherming van de autoriteiten kon inroepen,

vermeld dit dan duidelijk en vermeld ook de reden waarom.

Hoe ben je gevlucht?

- Wanneer ben je uit je land vertrokken?

- Hoe ben je vertrokken?

- Waarom op die manier?

- Welke landen heb je doorkruist?

- Wanneer en hoe ben je in België aangekomen?

¬ Tip: Bouw ook hier weer je verhaal chronologisch op: ‘eerst van herkomst

naar land X, dan van land X naar land Y,…’

¬ Geef mee dat de asielzoeker best zo snel mogelijk bewijsstukken verzamelt,

bij voorkeur originele. Faxen en kopies zullen zelden of nooit als voldoende

bewijskrachtig worden beschouwd omdat ze manipuleerbaar zijn. Ze zijn

hoogstens een begin van bewijs. Hij dient zoveel mogelijk documenten te

verzamelen die zijn identiteit en zijn vluchtverhaal ondersteunen. Ondersteunende

documenten kunnen zijn: paspoort, identiteitskaart, rijbewijs, vliegticket,

diploma, werkbewijs, bewijs van eigendom(men), lidkaart(en) van

beweging(en), veroordelingen, enz. Indien hij deze documenten niet bij zich

heeft, ga dan na of hij er kan aankomen via familie of vrienden in het land

van herkomst.

¬ Documenten worden best zo snel mogelijk voorgelegd. Als het niet direct

gebeurt of als er geen bewijsstukken kunnen worden voorgelegd, zullen de

asielinstanties hiervoor een verklaring vragen.

66 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Aandachtspunten: voor de hulpverlener

¬ De hulpverlener geeft richtlijnen mee voor het schrijven van het vluchtverhaal.

Zie boven en eventueel de vragenlijst vluchtverhaalanalyse voor de begeleider

in bijlage VII.

¬ De hulpverlener bekijkt eventueel met de asielzoeker hoe het vluchtverhaal

kan vertaald worden.

¬ Hij neemt het volledige verhaal door, samen met de asielzoeker.

¬ Hij spoort de asielzoeker aan om zo snel mogelijk originele documenten en

bewijzen voor te leggen, en om zelf op zoek te gaan naar relevante documentatie.

Tegelijk vraagt de begeleider zelf relevante documentatie op bij een

dienst voor herkomstlandeninformatie.

¬ Hij maakt het hele pakket over aan de advocaat van de asielzoeker met een

begeleidende brief die de ondernomen initiatieven toelicht. Het spreekt voor

zich dat dit enkel gebeurt mits toestemming van de asielzoeker zelf.

Aandachtspunten: voor de advocaat

¬ De advocaat neemt het dossier door en gaat na welke vragen uit de “Vragenlijst

vluchtverhaalanalyse voor de begeleider” (zie bijlage VII) relevant zijn in

dit specifieke geval.

¬ Aan de hand van de relevante vragen maakt hij uit welke aspecten van het

vluchtverhaal vragen om aanvulling of verdieping.

¬ In een gesprek met de asielzoeker bespreekt hij deze aspecten om de asielzoeker

het verhaal te laten aanvullen en verdiepen. Hij gaat in op de sterke

en zwakke punten van het relaas en maakt eventuele tegenstrijdigheden bespreekbaar.

Eventueel worden nieuwe afspraken gemaakt om bepaalde gebeurtenissen

meer in detail te bespreken. Indien blijkt dat de asielzoeker de

waarheid niet vertelt, wijst de advocaat hem op het belang ervan. Hij raadt

het gebruik van vervalste documenten ten stelligste af.

¬ De advocaat gaat met de cliënt na hoe documenten en bewijzen bekomen

kunnen worden indien die niet voorhanden zijn. Hij zet de asielzoeker aan om

deze te verwerven of zet zelf de nodige stappen hiertoe.

¬ De advocaat maakt een evaluatie van het vluchtverhaal vanuit drie vragen:

- Zijn alle elementen voorhanden om de asielinstanties toe te laten het vluchtverhaal

te toetsen?

- Zijn alle haalbare bewijzen en documenten aanwezig? Zijn er coherente verklaringen

voor het eventuele ontbreken van documenten of bewijzen?

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 67


- Is de asielzoeker in staat om het vluchtverhaal op een coherente, gedetailleerde

en geloofwaardige manier te uiten?

¬ De advocaat evalueert of een advies aan het UNHCR of het BCHV moet worden

gevraagd. Zij hebben een wettelijk omschreven adviesbevoegdheid. De

DVZ en het CGVS moeten motiveren waarom zij afwijken van een advies van

UNHCR of BCHV (artikel 57/23bis Vreemdelingenwet). Het UNHCR of BCHV

kan op ieder moment van de procedure een advies verlenen of tussenkomen

zolang het dossier niet hangende is bij de RvV. Een advies kan een nieuw element

uitmaken voor een volgende asielaanvraag. De procedure die je moet

volgen om een advies te verkrijgen vind je als bijlage VIII.

Een uitgebreide lijst met mogelijke vragen die kunnen worden gesteld tijdens het interview

op het CGVS vind je in bijlage VII (vragenlijst voor de begeleider).

B Subsidiaire bescherming

De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling die niet in aanmerking

komt voor de vluchtelingenstatus, die niet in aanmerking komt voor een verblijf

op grond van medische redenen (zie pagina 70), en die kan aantonen een reëel risico te

lopen op ernstige schade in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst.

Ernstige schade kan zijn:

a) doodstraf of executie;

b) foltering of onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing;

Een onmenselijke of vernederende behandeling is een behandeling die in strijd

is met artikel 3 van het EVRM.

c) ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg

van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend

conflict.

Enkel burgers (niet-strijders) uit landen waar er een georganiseerd, aanhoudend intensief

gewapend conflict daadwerkelijk aan de gang is zullen op deze beschermingsgrond

een beroep kunnen doen.

In geval van twijfel of iemand een burger is, moet hij als burger worden beschouwd. In

de praktijk leidt de interpretatie van het begrip burger tot moeilijkheden.

Zowel interne als internationale conflicten komen in aanmerking. Bepaalde ongeregeldheden

zullen echter niet in aanmerking komen (aanslagen op gebouwen, geweld door

criminele bendes, een algemene of stelselmatige schending van de mensenrechten, massale

arrestaties, het uitroepen van de noodtoestand, terroristische aanslagen die niet

aanhoudend gepleegd en niet een bijzonder intensief karakter hebben, enz.

68 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen zal geval per geval

moeten oordelen of er sprake is van een gewapend conflict. Het moet in ieder geval

gaan om een ernstige bedreiging van de persoon of het leven van de burgers. Recente

rechtspraak 30 benadrukt dat:

a. het voldoende is aan te tonen dat de algemene situatie bedreigend is voor de

gehele bevolking van een land;

b. het niet noodzakelijk is dat er een groot aantal burgerslachtoffers vallen

vooraleer er subsidiaire bescherming kan worden toegekend;

c. zelfs een klein risico voldoende is om te komen tot een mogelijke schending.

Het statuut wordt dus enkel toegekend wanneer noch de vluchtelingenstatus, noch een

verblijfsrecht op grond van artikel 9ter kan toegekend worden (subsidiair)

Men moet aantonen dat men omwille van dit risico op ernstige schade niet kan terugkeren

naar het land van herkomst

De subsidiaire bescherming is er gekomen na omzetting van de ‘Kwalificatierichtlijn’.

Het was noodzakelijk om deze aanvullende bescherming te voorzien omdat de nood aan

bescherming niet altijd gekoppeld kan worden aan één van de vijf vervolgingsgronden

voorzien in het Verdrag. Willekeurig geweld valt onder het toepassingsgebied van de

subsidiaire bescherming voor zover de persoon die de bescherming inroept aannemelijk

kan maken dat er een ernstig en reëel risico bestaat dat hij eraan bloot zal worden gesteld

bij terugkeer zonder dat dit noodzakelijk te herleiden is tot de sociale groep, een

ras of één van de andere criteria van het Vluchtelingenverdrag.

Hoewel de subsidiaire bescherming ruimer is dan enkel voor mensen die oorlog ontvluchtten,

worden in de praktijk de meeste toekenningen van de subsidiaire bescherming

voor deze grond gegeven. Zo was het overgrote deel van de subsidiair beschermden

in 2008 afkomstig uit de conflictgebieden Irak, Afghanistan en Somalië.

De reden is dat de Belgische asielinstanties een relatief ruime toepassing maken van

de vluchtelingendefinitie, waardoor het toepassingsgebied voor de subsidiaire bescherming

relatief beperkt blijft.

Sommige mensen worden, net als bij de vluchtelingenstatus, uitgesloten van deze bescherming.

Het gaat om mensen die zeer ernstige misdrijven hebben gepleegd of er aan

hebben deelgenomen. Het gaat onder meer om misdrijven tegen de vrede, oorlogsmisdrijven,

misdrijven tegen de menselijkheid, enz. (zie hoger).

In bijgevoegde kaderstuk vind je een model van beknopte uiteenzetting van het subsidiaire

beschermingsstatuut zoals je die aan de asielzoeker zou kunnen overbrengen.

30 Zie VBC 13 december 2006, tweede Nederlandstalige kamer VB/06-1421/W12.171/SB4; RvS 167.754

van 13 februari 2007 en RvV nr 2940 en 2939 van 23 oktober 2007.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 69


Definitie subsidiaire bescherming:

De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling die

niet in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus, die niet in aanmerking

komt voor een verblijf op grond van medische redenen, en die kan aantonen

een reëel risico te lopen op ernstige schade in geval van terugkeer naar zijn land

van herkomst.

Ernstige schade kan zijn:

a) doodstraf of executie;

b) foltering of onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing;

c) ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg

van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands

gewapend conflict.

Het statuut wordt dus enkel toegekend wanneer noch de vluchtelingenstatus,

noch een verblijfsrecht op grond van artikel 9ter kan toegekend worden (subsidiair).

De asielzoeker moet aantonen dat hij omwille van dit risico op ernstige schade

niet kan terugkeren naar zijn land van herkomst.

In de praktijk zijn de meeste toekenningen van de subsidiaire bescherming voor

mensen die niet terugkunnen omwille van een gewapend conflict in hun land.

Sommige mensen worden uitgesloten van deze bescherming. Het gaat om mensen

die zeer ernstige misdrijven hebben gepleegd of er aan hebben deelgenomen.

Het gaat onder meer om misdrijven tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf,

een misdrijf tegen de menselijkheid, enz.

Wijs de asielzoeker die zijn land ontvlucht omwille van een gewapend conflict

er op dat hij mogelijkerwijs veel geografische kennisvragen zal moeten beantwoorden.

C Artikel 9ter van de Vreemdelingenwet

De vreemdeling die in België verblijft en op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze

ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico

inhoudt op een onmenselijke en vernederende behandeling wanneer er geen adequate

behandeling is in zijn land van herkomst of zijn land van verblijf, kan een machtiging tot

verblijf krijgen.

Deze vreemdeling wordt uitdrukkelijk uitgesloten van subsidiaire bescherming, maar zal

via een andere procedure verblijfsrecht verkrijgen. In bepaalde gevallen is het terugstu-

70 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


en van ernstig zieke mensen naar hun land van herkomst immers strijdig met artikel 3

EVRM.

Een aanvraag 9ter voorziet in een specifieke procedure voor vreemdelingen die een verblijfsmachtiging

wensen te verkrijgen om medische redenen. De modaliteiten en vormvoorschriften

van de aanvraag worden geregeld door het KB van 17 mei 2007 31 .

Een aanvraag 9ter wordt rechtstreeks ingediend bij de dienst humanitaire regularisaties

- 9ter van de Dienst vreemdelingenzaken 32 .

Indien de asielprocedure nog niet is afgesloten of afgesloten werd minder dan 6 maanden

voor de indiening van de aanvraag 9ter, moet zij opgesteld worden in de taal van de

asielprocedure.

De grond van de zaak zal pas onderzocht worden indien er bepaalde voorwaarden vervuld

zijn zoals het beschikken over een identiteitsdocument.

Deze voorwaarde is niet van toepassing in het geval:

¬ iemand die nog geen definitieve beslissing inzake asiel heeft gekregen of

wiens procedure hangende is bij de Raad van State in geval van een toelaatbaar

verklaard beroep;

¬ de vreemdeling die op geldige wijze aantoont dat hij in de onmogelijkheid is

om een identiteitsdocument te verwerven. In de praktijk is de DVZ bijzonder

streng om de onmogelijkheid te weerhouden.

Het dossier, dat alle nuttige inlichtingen omtrent zijn ziekte dient te verstrekken, zal worden

beoordeeld door de DVZ, die op advies van een ambtenaar-geneesheer zal beslissen.

Er wordt controle gedaan naar het omschreven risico en naar de behandelingsmogelijkheden

in het land van herkomst.

In het verzoekschrift wordt het probleem best ruim besproken en komen

zoveel mogelijk elementen ter beoordeling aan bod:

De situatie op vlak van gezondheidszorg in het land van herkomst, de ernst van

de ziekte, de (on)mogelijkheid voor de betrokkene om te reizen, de effectieve

(en dus niet enkel de theoretische) toegang tot de gezondheidsverstrekking in

het land van herkomst (mede gelet op zijn financiële mogelijkheden, de bereikbaarheid,

enz), de aanwezigheid van familieleden indien de ziektetoestand dit

vereist, enz.

De aanvrager kan een beroep doen op de informatie van niet-gouvernementele

organisaties zoals het Ithaca- project van Artsen Zonder Grenzen (Information

31 KB van 17 mei 2007 tot vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de vreemdelingenwet, B.S. 31

mei 2007. Zie ook de omzendbrief van 21 juni 2007, B.S. 4 juli 2007.

32 Niet bij de burgemeester, zoals dit het geval is voor een 9bis.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 71


on Treatment and Healthcare Accessibility in Countries of Origin) om aan te

tonen dat de vereiste medische zorgen niet beschikbaar zijn in het land van

herkomst. Ithaca is een databank over de toegankelijkheid van medische voorzieningen

in verschillende landen, voornamelijk omtrent basisgezondheidszorg

en behandeling van HIV-AIDS: www.inthaca-eu.org.

Ook op www.ecoi.net staan vele rapporten over de gezondheidszorg in verschillende

herkomstlanden, voornamelijk over basisgezondheidszorg, HIV-AIDS, tuberculose,

malaria, de geestelijke gezondheid en diabetes.

Eventueel is het mogelijk om een plaatselijke specialist of arts contact te leggen.

Nuttige info vind je ook op de website van de vzw Medimmigrant (www.medimmigrant.be)

Eventueel wordt de vreemdeling onderzocht en wordt bijkomend advies ingewonnen

van deskundigen.

De redenen die men inroept mogen op straffe van onontvankelijkheid niet al in een eerdere

procedure zijn ingeroepen, niet in een asielprocedure, noch in een andere aanvraag

tot machtiging van verblijf (eerdere 9bis en 9ter).

Men mag ook geen ernstige redenen weerhouden om aan te nemen dat betrokkene een

misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf, een misdrijf tegen de menselijkheid enz.

-bepaald in artikel 55/4 Vreemdelingenwet- heeft gepleegd. Deelnemen aan zulke misdrijven

is eveneens een grond tot uitsluiting.

Bijvoorbeeld een Rwandees die door de Belgische instanties als genocidair wordt beschouwd

zal geen aanspraak kunnen maken op de vluchtelingenstatus, noch op de subsidiaire

bescherming, maar ook niet op de bescherming van artikel 9ter.

D Nog andere beschermingsgronden?

De hierboven omschreven beschermingsgronden zijn de belangrijkste maar niet de enige

instrumenten die bescherming bieden aan vluchtelingen. Het vluchtelingenrecht maakt

deel uit van het bredere scala aan mensenrechtenverdragen. De mensenrechtenverdragen

kennen rechten en verplichtingen toe aan alle mensen. Wie op de vlucht is voor

individuele vervolging die zijn leven of vrijheid in gevaar brengt, vreest meestal een ernstige

schending van een mensenrecht. In de praktijk hebben tal van mensenrechtenbepalingen

relevantie in de vluchtelingencontext. Denken we maar aan de bescherming tegen

gedwongen terugkeer (non-refoulement – zie hieronder) of aan het recht op respect

voor het familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM).

Als begeleider, zeker als advocaat, doe je er goed aan alle relevante internationale beschermingsinstrumenten

in je begeleiding te verwerken en de directe werking van deze

72 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


epalingen in de Belgische rechtsorde telkens te beargumenteren. In het hoofdstuk VII

Na afloop van de asielprocedure komt aan bod hoe je deze instrumenten praktisch kan

aanwenden. Hier behandelen we de beschermende werking die van de bepalingen uitgaat

en hoe ze zich onderscheiden van de voorgaande beschermingsgronden.

Er zijn een aantal bepalingen in internationale verdragen die een specifieke relevantie

hebben voor het vluchtelingenvraagstuk, zoals onder meer artikel 3 van het EVRM en

artikel 33 van de Vluchtelingenconventie. Deze bepalingen hangen nauw samen en vormen

een belangrijke beschermingstechniek tegen gedwongen terugkeer: het non-refoulement-

beginsel. Hoewel een lidstaat soeverein beslist over het recht op asiel, kan

een lidstaat verantwoordelijk worden geacht voor de schending van artikel 3 EVRM door

de verwijdering van een vreemdeling van het grondgebied, indien dit erop zou neerkomen

dat de vreemdeling in het land naar waar hij wordt verwijderd, het slachtoffer zou

worden van foltering of onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing. Het

EVRM heeft directe werking d.w.z. een rechter kan de bepalingen toepassen, ook al

heeft de nationale wetgever de bepalingen (nog) niet in een wet omgezet. Iedereen kan

ze in een geschil rechtstreeks inroepen voor de rechter. Het komt de nationale rechter

toe te oordelen of aan de voorwaarden van de verdragsbepalingen is voldaan.

Bovendien zijn de uitsluitingsgronden voor de vluchtelingenstatus en de subsidiaire bescherming

niet van toepassing op het non-refoulementbeginsel evenmin als de uitsluitingsgronden

voorzien in artikel 55/4 van de Vreemdelingenwet.

Probleem is wel dat het CGVS en de RvV geen rechtstreekse toetsing mogen doen van

artikel 3 EVRM omdat zij hiervoor geen bevoegdheid hebben, evenmin als bijvoorbeeld

voor de toetsing van artikel 8 EVRM. Op die wijze is het mogelijk dat:

¬ een asielzoeker uit een oorlogsgebied geen subsidiaire bescherming krijgt

omdat hij geen burger is in de zin van de definitie van subsidiaire bescherming;

¬ een asielzoeker wiens vrees gegrond lijkt toch wordt uitgesloten omdat hij de

asielinstanties bewust heeft willen misleiden door bedrieglijke verklaringen

af te leggen;

¬ in geval van een gehuwd koppel de ene subsidiaire bescherming krijgt en de

andere bijvoorbeeld wordt uitgesloten op grond van artikel 55/4 Vreemdelingenwet.

¬ …

Wie wel een toetsing zou moeten doen van deze bepalingen is de DVZ.

Zowel voor wat betreft het afgeven als het verlengen van een bevel om het grondgebied

te verlaten, wordt in theorie nagegaan of de vreemdeling verwijderbaar is. De vraag

wordt onderzocht of er al dan niet feitelijke maar ook juridische belemmeringen zijn

voor een verwijdering.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 73


Voor zover in de aanvraag tot machtiging van verblijf op grond van buitengewone omstandigheden,

de zogenaamde regularisatie, schending van artikel 3 EVRM wordt opgeworpen,

moet de DVZ oordelen of er van een schending sprake is (zie pagina 133).

Het non-refoulementbeginsel speelt dus vooral een rol als iemand om een welbepaalde

reden geen erkenning als vluchteling of subsidiaire bescherming krijgt, maar er toch een

reëel gevaar bestaat bij terugkeer.

Twee problemen stellen zich hier wel:

¬ De bewijslast is veel strenger dan de bewijslast onder het Vluchtelingenverdrag.

¬ Onder het Vluchtelingenverdrag geldt het voordeel van de twijfel bij het evalueren

van de nood aan bescherming. Om gegrond te zijn, moet de vervolging

bewezen worden “in de mate van het redelijk mogelijke”. Deze mildering van

de bewijslast geldt niet bij toetsing van de non-refoulementbepalingen.

Bovendien, als wordt geoordeeld dat gedwongen terugkeer verboden is, heeft dit niet automatisch

tot gevolg dat er hieraan een verblijfsrecht wordt gekoppeld. Men zal worden

‘gedoogd’, maar heel wat rechten waarop een vluchteling of een subsidiair beschermde

aanspraak kan maken, heeft men niet. Men zal op andere wijze zijn verblijfsrecht moeten

bekomen. Dit kan bijvoorbeeld via een aanvraag van verblijfsmachtiging op grond van

artikel 9 bis (regularisatie) (zie verder).

Tot slot geven we voor de volledigheid iets mee over de EU-richtlijn betreffende tijdelijke

bescherming:

De “Richtlijn betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming

in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van

een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen

van de consequenties van de opvang van deze personen” is al omgezet in de Belgische

wetgeving 33 . Ze kan toegepast worden indien zich een gelijkaardige situatie als de Kosovo-crisis

voordoet met een massale instroom van vluchtelingen die nood hebben aan

bescherming omwille van de situatie in het land van herkomst. De redenering achter het

tijdelijk statuut is dat de massale instroom een individuele behandeling van de asielaanvraag

tijdelijk onmogelijk maakt.

Deze regeling over tijdelijke bescherming als dusdanig is tot op heden nooit operationeel

geweest.

33 Wet van 18 maart 2003 tot wijziging van de vreemdelingenwet, B.S. 11 april 2003.

74 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


7 - Het nationale kader van de Belgische asielprocedure

Hieronder geven wij een overzicht van de Belgische asielprocedure.

Het schema van de Belgische asielprocedure vind je in bijlage I.

A De Dienst Vreemdelingenzaken

De DVZ is bevoegd voor:

¬ de registratie van de asielaanvraag

¬ het Dublinonderzoek

¬ de inoverwegingname van meervoudige asielaanvragen

A.1 De asielaanvraag en registratie

De asielaanvraag kan gebeuren aan de grens of in het land.

¬ Aan de grens: dit is meestal de luchthaven van Zaventem. De asielzoeker, die

niet over geldige binnenkomstdocumenten beschikt, dient een asielaanvraag

in bij de douanebeambte, die dan contact opneemt met de DVZ. In de praktijk

dient de asielzoeker de woorden ‘political asylum’ expliciet uit te spreken, zo

niet is er geen asielaanvraag.

Hij wordt “vastgehouden aan de grens”, wat betekent dat hij wordt overgedragen

aan het gesloten centrum. Dit kan zijn:

- het transitcentrum 127 te Zaventem;

- het repatriëringscentrum 127 bis te Steenokkerzeel;

- of een gesloten centrum voor Illegalen (Brugge, Merksplas, Vottem, enz.).

Daar zal hij verblijven in afwachting van een verdere behandeling van de

asielaanvraag.

¬ In het land: dit geldt voor de asielzoeker die de grens is overgestoken en zich

op het grondgebied bevindt. Hij dient de aanvraag in bij de DVZ.

Je dient je asielaanvraag best zo snel mogelijk in na binnenkomst. In bepaalde

gevallen zal een aanvraag niet bij binnenkomst ingediend worden omdat

de nood op bescherming op dat moment niet aanwezig is (bv een student

die al in België verblijft voor zijn studies en waar in het herkomstland een

burgeroorlog uitbreekt). De persoon dient dan van zodra hij nood heeft aan

bescherming een aanvraag in te dienen en niet te wachten tot het verstrijken

van zijn verblijfstitel.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 75


¬ Is een vreemdeling opgesloten in een strafinrichting of een gesloten centrum,

dan heeft hij de mogelijkheid om asiel aan te vragen bij de directeur van de

inrichting. Deze zal de asielaanvraag doorgeven aan de DVZ.

Als de asielaanvraag aan de grens gebeurt, krijgt de asielzoeker een Bijlage 25 en een

Bijlage 11 ter.

Gebeurt de asielaanvraag in het land, dan krijgt hij een Bijlage 26. Geen van deze bijlagen

zijn verblijfstitels, ze blijven geldig tot er een beslissing is genomen rond de asielaanvraag.

De DVZ registreert de belangrijkste identiteitsgegevens (geboortedatum, naam en voornaam,

nationaliteit en geboorteplaats). Deze gegevens worden, samen met de gegevens

van de burgerlijke stand, ingevuld in het wachtregister.

Het is van groot belang de identiteit en de gegevens van de burgerlijke stand correct

weer te geven. Als deze gegevens fout werden genoteerd, heeft de asielzoeker tijdens

het interview nog de kans om dit recht te zetten. Wijzigingen die later worden gemeld

kunnen enkel na afspraak op de DVZ (directie asiel, bureau RN) en op voorlegging van

geldige documenten (internationaal paspoort of gelegaliseerde akten) worden rechtgezet.

Elke asielzoeker krijgt ook een Openbaar Veiligheidsnummer (OV-nummer) en een

Nationaal Nummer (NN). Beide nummers zullen voor de Belgische overheid het kenmerk

zijn voor het dossier. Op basis van deze nummers kan men de asielzoekers makkelijk

terugvinden in het wachtregister.

Er worden foto’s en vingerafdrukken genomen. Via het Eurodacsysteem kunnen de

lidstaten asielzoekers identificeren die in het systeem zijn opgenomen. Door de vingerafdrukken

te vergelijken kunnen de lidstaten nagaan of de asielzoeker reeds een asielaanvraag

heeft ingediend in een andere lidstaat of de asielzoeker het grondgebied van de

Europese Unie onregelmatig is binnengekomen. Het weigeren om de vingerafdrukken te

geven is een wettelijke grond voor detentie 34 .

Woonplaatskeuze: De asielzoeker wordt gevraagd een woonplaats te kiezen. Alle correspondentie

in het kader van de asielprocedure wordt naar dat adres gestuurd (oproepingen,

vragen om inlichtingen, kennisgevingen, enz.).

¬ De gekozen woonplaats hoeft niet de werkelijke verblijfplaats te zijn (het kan

bijvoorbeeld het adres van de advocaat zijn).

¬ Indien de asielzoeker geen woonplaatskeuze doet, wordt hij geacht woonplaats

te kiezen op het CGVS. Alle correspondentie wordt dan naar daar gestuurd,

maar de asielzoeker wordt niet verwittigd als er post toekomt voor

hem. Dit duurt tot zolang de asielzoeker zijn woonplaatskeuze meedeelt.

34 Zie artikelen 51/5 en 74/6§1bis van de Vreemdelingenwet.

76 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


¬ Elke latere adreswijziging moet gebeuren per aangetekende brief, zowel aan

de DVZ als het CGVS.

De asielzoeker is verplicht om zich binnen de acht werkdagen na de asielaanvraag aan

te melden bij de gemeente van zijn effectieve verblijfplaats. Na positieve woonstcontrole

krijgt hij een attest van immatriculatie die geldig is voor drie maanden en telkens met

drie maanden wordt verlengd. Na een jaar procedure wordt er verlengd met telkens één

maand.

Taalkeuze: Er is een Nederlands- en Franstalige taalrol. Spreekt de asielzoeker één van

deze landstalen, dan wordt hij aan die taalrol toegewezen en krijgt hij geen tolk gedurende

het verdere verloop van de procedure.

Spreekt hij geen landstaal, dan wordt hij aan een taalrol toegewezen. De asielzoeker

heeft hierin geen inspraak en er is hiertegen geen beroep mogelijk.

De taal van de procedure ligt nu definitief vast. Dit betekent dat alle briefwisseling en

communicatie in die taal zal gebeuren, dus zowel de interviews als de zittingen bij de

RvV of de RvS. Dit betekent ook dat hij best een advocaat en hulpverlener heeft die die

taal machtig is.

Men heeft wel recht op een tolk. Indien er geen tolk gevraagd is bij het begin van de procedure

kan men daar later niet meer op terugkomen. De aanvraag van een tolk gebeurt

schriftelijk op het ogenblik van de asielaanvraag. Ook op deze beslissing kan later niet

worden teruggekomen. Indien de asielzoeker om een bepaalde reden liever een vrouwelijke

of mannelijke tolk wenst, dient hij dit te melden aan de ambtenaar. In de mate van

het mogelijke zal hier rekening mee gehouden worden.

Eerste gehoor en vragenlijst:

Het eerste gehoor vindt in de mate van het mogelijke plaats op de dag dat de asielaanvraag

gebeurt. Indien dit niet mogelijk is, zal de DVZ de asielzoeker enkele dagen later

opnieuw uitnodigen. Indien de asielzoeker niet aanwezig kan zijn, moet de DVZ hiervan

schriftelijk op de hoogte worden gebracht, ten laatste binnen de 15 dagen na ontvangst

van de oproep. De reden van afwezigheid moet gemotiveerd en gestaafd worden aan de

hand van een bewijs (bijvoorbeeld medische attest, bewijs ongeval, enz.). Doet men dit

niet, kan de asielaanvraag verworpen worden. Een nieuwe datum zal bepaald worden

indien de DVZ de reden voor afwezigheid aanvaardt.

Indien de asielzoeker om persoonlijke redenen wenst ondervraagd te worden door een

vrouw of man kan dit gevraagd worden. De DVZ zal in de mate van het mogelijke rekening

houden met de vraag.

De asielzoeker dient alle documenten die zijn vluchtverhaal ondersteunen, neer te leggen.

Van identiteits- en reisdocumenten krijgt de asielzoeker de originelen terug en

maakt de DVZ een kopie voor het dossier. Van andere stukken krijgt men een kopie, een

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 77


ontvangstbewijs en een korte beschrijving. De DVZ zal de originelen samen met het dossier

overmaken aan het CGVS.

Gedurende de eerste fase van de procedure is de steun van een advocaat of vertrouwenspersoon

niet wettelijk voorzien. In de praktijk weigert de DVZ dat een advocaat aanwezig

is.

De asielzoeker zal ook een vragenlijst moeten invullen. Dit gebeurt met de hulp van de

ambtenaar en desgevallend in aanwezigheid van een tolk.

Deze vragenlijst zal dienen als voorbereidend document voor het eigenlijke interview op

het CGVS. Men polst onder meer naar de redenen van zijn vlucht en de vrees bij terugkeer.

De asielzoeker moet deze vragenlijst ondertekenen ter goedkeuring. Hij mag ook weigeren.

Indien hij weigert worden de redenen van weigering vermeld. Soms wordt de vragenlijst

met de asielzoeker meegegeven (bijvoorbeeld omdat er geen tolk beschikbaar

is) en die kan deze binnen de vijf dagen naar het CGVS toesturen (per brief, mail of fax).

De vragenlijst wordt dan best ingevuld met behulp van de advocaat of hulpverlener. De

termijn van vijf dagen is geen wettelijke termijn. Er is geen sanctie voorzien.

Een kopie van die vragenlijst wordt automatisch meegegeven op de dag van het invullen

van de vragenlijst.

Aandachtspunten: de asielaanvraag

¬ Zijn al de voorgaande stappen doorgenomen en is de asielzoeker vertrouwd

met Belgische instanties en de beslissingen die ze nemen? Het is aangewezen

het schema van de procedure te hanteren in elk stadium van de procedure

zodat de asielzoeker beter begrijpt in welk stadium hij zich bevindt.

¬ Het gebeurt zelden dat een asielzoeker bij een hulpverlener of advocaat aanklopt

voor hij bij de DVZ is langsgeweest. Mocht dit toch het geval zijn, dan

kan de asielzoeker best voorbereid worden op de stappen die zullen worden

gezet tijdens deze eerste fase. Licht de bevoegdheden van de DVZ toe (registratie,

Dublinonderzoek en meerdere asielaanvragen).

¬ In dit stadium van de procedure is bijstand van een vertrouwenspersoon of

advocaat niet toegelaten.

¬ Verloop van de registratie:

Het uur van aanmelden:

Het is belangrijk de asielzoeker erop te wijzen dat hij zich zo vroeg mogelijk

meldt bij de DVZ (ten laatste om 8u30), dat hij een volgnummer zal krijgen en

het niet noodzakelijk zo is dat hij die dag gehoord zal worden. In dat geval krijgt

hij een uitnodiging mee om zich later opnieuw aan te bieden.

78 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


DVZ

Antwerpsesteenweg 59b

1000 Brussel

De registratie:

Wijs de asielzoeker erop dat politie- en veiligheidspersoneel bij de DVZ aanwezig

is en dat deze mensen zeker niet ‘bedreigend’ zijn. Bij de aanvaag dienen

kinderen hun ouders te vergezellen.

Bij de registratie van de asielaanvraag worden een aantal standaardprocedures

doorlopen:

1. De taal van het onderzoek wordt onderzocht. De keuze van een tolk wordt

vastgelegd.

2. Identiteitsgegevens en documenten die de asielaanvraag kunnen ondersteunen,

worden geregistreerd. Indien de asielzoeker geen bewijs of kopie

van de achtergelaten documenten heeft ontvangen, is het belangrijk zo snel

mogelijk contact op te nemen met de DVZ zodat belangrijke stukken niet

verloren gaan.

3. Vingerafdrukken en foto’s worden genomen.

4. Er wordt een OV-nummer en NN toegekend.

5. Een informatiebrochure wordt overhandigd in een taal die de asielzoeker

begrijpt.

6. De asielzoeker moet een adres van woonplaatskeuze geven.

7. Een TBC-screening zal plaatsvinden.

8. Een vragenlijst wordt ingevuld, met behulp van een ambtenaar van de DVZ.

Indien de asielzoeker zich niet zeker voelt over de inhoud is het beter de vragenlijst

niet te ondertekenen en de reden van de weigering uit te leggen.

De registratie van minderjarige asielzoekers verloopt via een aparte regeling.

Wachttijd in de zaal:

De asielzoeker zal heel wat tijd doorbrengen in de wachtzaal samen met veel

anderen. Bereid hem voor op een luidruchtige omgeving met alleen basisvoorzieningen.

Raad aan iets mee te nemen om de tijd door te komen en wat voedsel

en drank mee te nemen. De eerste oproeping van de asielzoekers gebeurt op

nummer om de anonimiteit van de asielzoekers te beschermen.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 79


A.2 Het Dublin-onderzoek

De Dienst Vreemdelingenzaken onderzoekt bij elke asielaanvraag (aan de grens en in het

land) eerst welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De

regels hiervoor liggen vast in de Dublin-verordening 35 .

In deze verordening wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling

van een asielaanvraag. Als een andere staat verantwoordelijk is voor de behandeling

van de asielaanvraag kan de asielzoeker aan die staat worden overgedragen en houdt

België zich niet meer bezig met dit asielverzoek.

Als België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag wordt de asielprocedure

in België afgehandeld.

A.2.1 Beknopt overzicht van de Dublin-criteria

De belangrijkste principes om de verantwoordelijke staat te bepalen zijn de volgende (ze

worden toegepast in de volgorde zoals hieronder vermeld):

¬ De staat die een gezinslid (echtgeno(o)t(e) of ongehuwde partner,

minderjarig(e) kind(eren) en op voorwaarde dat de band van verwantschap

is aangetoond) heeft erkend als vluchteling en waar dat gezinslid legaal

verblijft, mits betrokkenen dit wensen.

¬ De staat waar een gezinslid (echtgeno(o)t(e) of ongehuwde partner,

minderjarig(e) kind(eren)) een asielaanvraag heeft ingediend waarover

nog geen beslissing in Eerste Aanleg werd genomen en mits betrokkenen dit

wensen.

¬ De staat die een geldige verblijfstitel of een geldig inreisvisum heeft afgeleverd.

In geval de asielzoeker houder is van verschillende verblijfstitels of visa, is de

staat verantwoordelijk die de verblijfstitel of het visum met de langste geldigheidsduur

heeft afgeleverd, of, bij gelijke geldigheidsduur, de staat die de

verblijfstitel of het visum heeft afgeleverd waarvan de geldigheid het laatst

verstrijkt.

Als de verblijfstitel of het visum dat de asielzoeker voorlegt reeds verlopen is,

blijven bovenstaande toewijzingsregels van kracht voor zover dat verblijfstitel

niet langer dan twee jaar, en het visum minder dan zes maanden is verlopen.

35 Verordening Nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten

om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een

onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, Publicatieblad van de Europese Unie,

25.2.2003,L50/1. http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/site/nl/oj/2003/l_050/l_05020030225nl00010010.pdf.

De Dublin II verordening is van toepassing op volgende staten: Duitsland, Oostenrijk, België, Bulgarije,

Cyprus, Denemarken, Spanje, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië, Letland, Litouwen,

Luxemburg, Malta, Nederland, Polen, Tsjechië, Roemenië, het Verenigd Koninkrijk, Slowakije, Zweden en

Zwitserland – Noorwegen en Ijsland.

80 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


De DVZ zal de verklaringen die de asielzoeker maakt rond de verblijfstitel of

het visum controleren door de Europese gegevensbank voor visumcontroles

te raadplegen.

Indien zowel het paspoort als het visum vals zijn, is het land dat het visum

heeft uitgegeven niet verantwoordelijk voor de zaak. Indien echter enkel het

paspoort vals is, maar het visum echt is, is het land dat het visum heeft uitgegeven

wel verantwoordelijk.

¬ De staat waarvan de asielzoeker illegaal de grens heeft overschreden.

De verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek vervalt na

een periode van één jaar na de illegale binnenkomst en indien men de doortocht

kan bewijzen.

Na deze periode van twaalf maanden, en als vastgesteld is dat de asielzoeker

minstens vijf maanden in één lidstaat onafgebroken heeft verbleven, is die

staat verantwoordelijk (bij verblijven van minstens vijf maanden in verschillende

lidstaten, is de staat waar betrokkene het meest recent verbleef verantwoordelijk).

¬ De staat van binnenkomst als de asielzoeker niet visumplichtig is voor dat

land.

¬ De staat waar in een internationale transitzone van een luchthaven een

asielaanvraag werd ingediend.

¬ Als bovenstaande criteria niet van toepassing zijn, de staat waar het asielverzoek

het eerst wordt ingediend.

¬ Als de asielzoeker een niet-begeleide minderjarige is, is de staat waar de

ouder of de voogd wettig verblijft verantwoordelijk. Verblijft de ouder of

voogd in geen enkele Dublin-staat, dan is de staat waar de minderjarige zijn

asielaanvraag heeft ingediend verantwoordelijk.

In situaties waarin de toepassing van bovenstaande regels ertoe kan leiden dat familieleden

van elkaar gescheiden worden, kan een lidstaat beslissen om gezinsleden en andere

afhankelijke familieleden te herenigen op basis van humanitaire gronden. Het gaat

hier niet om een verplichting, maar wel om een gunstmaatregel (zie pagina 83).

De DVZ kan volgens de zogenaamde soevereiniteitsclausule om bepaalde redenen beslissen

om een asielaanvraag te behandelen, ook al is het daartoe volgens de criteria van

de Dublinconventie niet toe verplicht (zie pagina 84).

A.2.2 De Dublinprocedure

Als de DVZ bij het verhoor van de asielzoeker vaststelt dat een andere lidstaat van de

EU verantwoordelijk is, dan kan België overname van het asieldossier vragen aan de

andere lidstaat.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 81


Het verhoor zal dan worden stopgezet. In principe heeft de asielzoeker de gelegenheid

om te verklaren waarom hij niet meer naar de andere lidstaat wil terugkeren. In de praktijk

is dit niet altijd het geval.

De DVZ zal zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen de drie maanden een overnameaanvraag

richten tot de betrokken lidstaat. Te late overnameaanvragen hebben tot

gevolg dat België verantwoordelijk wordt.

Binnen de twee maanden na ontvangst van het verzoek tot overname moet de aangesproken

lidstaat reageren. In sommige gevallen kan de verzoekende instantie een

sneller antwoord vragen van de aangezochte lidstaat, nl. binnen enkele weken. In andere

gevallen kan de aangezochte lidstaat een extra maand beslissingstijd vragen. Geen reactie

binnen deze termijn betekent de aanvaarding van de verantwoordelijkheid.

In afwachting van een antwoord van de staat aan wie de overname wordt gevraagd, kunnen

volgende asielzoekers worden opgesloten:

¬ Asielzoekers met een verstreken visum voor een andere Dublin-staat.

¬ Asielzoekers zonder geldige binnenkomstdocumenten die verklaard hebben

in een andere Dublin-staat te hebben verbleven.

¬ Asielzoekers van wie na afname van de vingerafdrukken wordt vastgesteld

dat zij in andere Dublin-staat hebben verbleven.

In principe mag die opsluiting niet langer duren dan één maand, maar deze periode kan

worden verlengd met één maand indien het om een ‘buitengewoon complexe’ aanvraag

gaat. In geval van overdracht kan de detentie nog worden verlengd. In geval van beslissing

tot opsluiting wordt een Bijlage 39 betekend.

Asielzoekers die niet opgesloten worden, zullen opnieuw uitgenodigd worden door de

DVZ om het antwoord te vernemen.

HYPOTHESE 1: DE ANDERE LIDSTAAT NEEMT DE ASIELZOEKER OVER

Bij een asielaanvraag aan de grens levert de DVZ een Bijlage 25quater af. Het is een

beslissing tot weigering van binnenkomst met terugdrijving of terugleiding tot aan de

grens. Op dit document wordt de verantwoordelijke staat vermeld en de uiterste datum

waarop de asielzoeker zich bij de overheid van die staat moet aanbieden.

De asielzoeker krijgt ook een Bijlage 10bis (doorlaatbewijs of ‘laissez passer’). De asielzoeker

zal naar de grens worden gebracht van het land dat verantwoordelijk is voor de

behandeling van de asielaanvraag.

Bij een asielaanvraag in het land levert de DVZ een Bijlage 26quater af. Het is een

beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. Op dit

document wordt de verantwoordelijke staat vermeld en ook de uiterste datum waarop

de asielzoeker zich bij de overheid van die staat moet aanbieden. De asielzoeker krijgt

eveneens een Bijlage 10bis en het AI zal worden ingetrokken.

82 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


De DVZ kan de asielzoeker vasthouden in een gesloten centrum om zelf de overdracht uit

te voeren (en te vermijden dat de asielzoeker zich niet naar de andere staat begeeft en

bijvoorbeeld illegaal in België verblijft). Deze vasthouding mag maximaal twee maanden

duren. De laatste jaren zijn het aantal opsluitingen in dit verband enorm toegenomen.

De eigenlijke overdracht moet - behoudens uitzonderingen 36 - binnen de zes maanden

na de aanvaarding van het verzoek tot overname gerealiseerd worden, anders wordt

België toch verantwoordelijk.

Let op: er bestaat het vermoeden van afstand van de asielprocedure als de asielzoeker

geen gevolg geeft aan een uitnodiging van de DVZ binnen de 15 dagen.

HYPOTHESE 2: BELGIË IS VERANTWOORDELIJK VOOR HET BEHANDELEN VAN DE ASIEL-

AANVRAAG

Het verhoor (dat aanvankelijk werd onderbroken omdat de DVZ meende dat een andere

lidstaat verantwoordelijk was) wordt voortgezet en de asielaanvraag zal volgens de normale

procedure worden afgehandeld. Er wordt overgegaan naar de onderzoeksfase.

Zelfs als België niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, kan

de DVZ op elk ogenblik beslissen om de aanvraag toch te behandelen. De toestemming

van de asielzoeker is hiervoor vereist. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren om humanitaire

(familiale) redenen.

A.2.3 Gronden waardoor de DVZ zich verantwoordelijk kan verklaren, ook al

is men er strikt genomen niet toe gehouden door de verordening

Vaak zal een al te strikte toepassing van de Dublinconventie zeer problematisch zijn en

leiden tot wantoestanden of op gespannen voet staan met een aantal fundamentele

rechten. Hieronder geven we een overzicht van een aantal pistes.

a De humanitaire clausule

Om de scheiding van gezinsleden te vermijden bevat de verordening een bepaling, de

zogenaamde humanitaire clausule. Artikel 15 bepaalt: « Iedere lidstaat kan gezinsleden

en andere afhankelijke familieleden herenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op

grond van familiebanden of op culturele gronden. Ook wanneer hij met toepassing van de

in deze verordening vastgestelde criteria niet verantwoordelijk is voor de behandeling.

36 1 jaar in geval van strafdetentie en 18 maanden «indien de asielzoeker onderduikt» (Artikel 19 § 4

van de verordening). Er moet ook opgemerkt worden dat indien een asielzoeker België verlaat tijdens de

procedure tot vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek

en opnieuw een asielaanvraag indient in een andere Lidstaat, België gehouden is om er de terugname van

te vragen. Dit is niet zo indien hij ondertussen het grondgebied van de EU heeft verlaten gedurende een

periode van minstens drie maanden of in bezit is gesteld van een verblijfsvergunning door een Lidstaat

(Artikel 4 § 5 van de verordening).

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 83


Wanneer de ene betrokkene afhankelijk is van de hulp van de andere wegens een zwangerschap,

een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd,

zorgen de lidstaten er normaliter voor dat de asielzoeker kan blijven bij of herenigd worden

met een familielid dat zich op het grondgebied van een van de lidstaten bevindt, op voorwaarde

dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden ».

Deze clausule is niet bindend voor de staten en men stelt vast dat deze bepaling zeer

restrictief wordt toegepast.

b De soevereiniteitsclausule

Zelfs wanneer krachtens de verordening België de verantwoordelijke lidstaat is, kan de

DVZ op elk moment en om gelijk welke reden beslissen om de aanvraag te onderzoeken

op voorwaarde dat de asielzoeker zijn toestemming verleent 37 .

De asielzoeker die wenst dat zijn aanvraag in België wordt behandeld, heeft er alle belang

bij om, nog voor er een beslissing genomen is, een aangetekend schrijven te sturen

naar de DVZ. Daarin beschrijft hij zijn toestand en nodigt hij de DVZ uit om deze clausule

toe te passen.

c De eerbiediging van het privé- en het gezinsleven in de zin van artikel 8

van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)

De Dublin-verordening beperkt het begrip ‘gezin’ tot het kerngezin dat al bestond in

het land van herkomst. De verordening beperkt de hereniging van ongehuwde koppels

tot de gevallen waar ongehuwde paren en gehuwde paren op een vergelijkbare manier

door de wetgeving of de praktijk van de betrokken lidstaat behandeld worden in het

kader van het vreemdelingenrecht. Hierdoor is een strikte toepassing van de Dublinverordening

niet conform het recht op een gezinsleven zoals omschreven in artikel 8 van

het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het Europees Hof van Straatsburg

heeft een veel bredere opvatting over het begrip gezin.

België kan dus verplicht zijn om het asieldossier te behandelen van een persoon voor wie

de overname of de terugname door een andere staat een onevenredige inmenging zou

zijn in zijn recht op gezinsleven.

d Medische redenen

Soms is terugkeer naar een verantwoordelijke lidstaat onmogelijk omwille van medische

redenen.

Bepaalde ernstige ziekten kunnen immers beletten dat de asielzoeker op reis gaat of

voortdurende zorgverstrekking nodig maken zodat iedere overdracht gevaarlijk is. Naast

deze extreme gevallen waar de overdracht zelf een onmenselijke of vernederende be-

37 Artikel 51/5 al. 2 van de wet en artikel 3 § 2 van de Dublinverordening.

84 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


handeling kan zijn, kunnen er eveneens gevallen bestaan waar de terugwijzing naar de

verantwoordelijke staat waar een persoon trauma’s heeft opgelopen, zeer schadelijke

gevolgen heeft, in het bijzonder op psychisch vlak.

Verder bieden sommige lidstaten niet altijd gepaste medische dekking aan de asielzoekers

of bieden ze opvangvoorwaarden aan die onverenigbaar zijn met het lijden aan

bepaalde ziektes, ondanks de richtlijn die de opvang op Europees niveau harmoniseert.

Het is aangewezen hier voldoende bewijsstukken rond te verzamelen en te overhandigen

aan de DVZ.

e Het risico op refoulement, rechtstreeks of onrechtstreeks

België zou de Rechten van de Mens schenden door een asielzoeker terug te zenden naar

een andere Europese staat zonder zich ervan te vergewissen dat deze laatste de asielzoeker

niet zal uitwijzen, zodat deze terechtkomt in een situatie van onmenselijke en

vernederende behandeling.

De asielzoeker die wenst dat zijn aanvraag in België wordt behandeld, moet het vermoeden

van objectiviteit en onpartijdigheid van de verantwoordelijke staat omkeren.

Hij moet zich dus baseren op concrete elementen waaruit blijkt dat de verantwoordelijke

staat zich schuldig zou kunnen maken aan terugwijzing, indien hij een rechtscollege wil

overtuigen. Men kan zich onder meer beroepen op rechtspraak van het EHRM, verslagen

van NGO’s of internationale organisaties.

Indien er goede redenen zijn om de overdracht tegen te gaan, is het aan te raden om

preventief op te treden en de DVZ een aangetekende brief te sturen met een uiteenzetting

van deze redenen alvorens er een beslissing wordt genomen. Op die manier is de

DVZ verplicht om zich afdoende te motiveren en de aangebrachte argumenten te weerleggen.

Indien de DVZ deze elementen niet of niet voldoende in overweging neemt, zal een

schending van de motiveringsplicht kunnen worden aangevoerd in een procedure tot

schorsing en/of vernietiging voor de RvV.

Uit de praktijk blijkt dat België de verantwoordelijke lidstaat niet altijd volledig informeert

over de specifieke situatie van een asielzoeker. Vaak worden in een vraag tot overdracht

enkel de elementen pro overdracht opgenomen en neemt de DVZ de elementen

contra een overname niet op. Controle hierop is moeilijk omdat er in de fase van het

Dublin-onderzoek geen inzage in het dossier toegestaan wordt.

Overdracht kan soms worden vermeden doordat de advocaat of HV zelf contact opneemt

met de instantie die in de andere lidstaat over de overdracht beslist.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 85


A.2.4 Beroepsmogelijkheden tegen een Dublin overname

Indien de overname wordt aanvaard door een andere lidstaat, kan een annulatieberoep

voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen worden ingediend binnen een termijn

van 30 kalenderdagen volgend op de kennisgeving van de beslissing. Dit beroep is niet

opschortend (recht op materiële hulp vervalt). Indien men opschorting wenst, moet tegelijkertijd

een schorsingsberoep worden ingesteld.

Aandachtspunten: het Dublinonderzoek

¬ Leg de betekenis en de gevolgen van het Dublinonderzoek en het Eurodac

systeem uit.

¬ Ga samen met de asielzoeker na of er humanitaire, familiale of andere redenen

zijn waardoor de aanvraag toch in België dient te worden behandeld, ook

al is een andere staat verantwoordelijk. Neem indien nodig contact op met de

Cel Dublin bij de DVZ.

¬ De asielzoeker moet begrijpen dat hij zich moet wenden tot de Europese

lidstaat die een eventuele overname heeft aanvaard. Doet men dit niet, dan

zal geen enkele andere lidstaat de asielaanvraag in behandeling nemen. Op

de website van ECRE (www.ecre.org) tref je adressen aan van niet-gouvernementele

organisaties in de Europese lidstaten die asielzoekers bijstaan in de

asielprocedure. Je kan met die diensten contact opnemen om er informatie

op te vragen over de asielprocedure, de begeleiding tijdens de procedure en

het opvangsysteem. De asielzoeker zal zich wellicht meer op zijn gemak voelen

indien hij, vóór zijn vertrek naar een andere Europese lidstaat, al beschikt

over een adres van een dienst waar hij terecht kan voor de begeleiding van

de asielaanvraag.

¬ Indien de asielzoeker onderwerp uitmaakt van een Dublin-onderzoek is het

belangrijk mee te geven dat de kans bestaat dat hij wordt vastgehouden in

een gesloten centrum tot de overdracht plaatsvindt. Het is aan te raden om

zijn belangrijkste bezittingen mee te nemen naar de afspraak op de DVZ. De

overige bezittingen kunnen later opgehaald worden door ambtenaren van

het gesloten centrum.

86 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


A.3 Onderzoek in overwegingname van de asielaanvraag

Een asielzoeker kan na afloop van een eerdere asielprocedure een nieuwe asielaanvraag

indienen als hij nieuwe elementen heeft.

Nieuwe elementen zijn gegevens die in de afgelopen asielprocedures niet konden worden

aangebracht, dus na het afsluiten van de eerste asielprocedure, met name na de

inberaadname van de zaak door de RvV (bijvoorbeeld men komt na het einde van de

vorige asielprocedure in het bezit van nieuwe documenten die de ingeroepen vrees voor

vervolging aantonen, er zijn nieuwe gebeurtenissen die plaatsgevonden hebben nadat

dit nog kon worden ingeroepen, enz.).

Oordeelt de DVZ dat de nieuwe asielaanvraag identiek is aan de voorgaande, omdat er

geen sprake is van nieuwe elementen, dan neemt zij de aanvraag niet in overweging en

levert zij een Bijlage 13quater af. Het AI zal worden ingetrokken en de asielzoeker moet

dan het land verlaten.

Het indienen van een meervoudige asielaanvraag kan aanleiding geven tot opsluiting,

als de DVZ oordeelt dat er sprake is van misbruik van de asielprocedure.

Indien er wel nieuwe elementen zijn, of indien het gaat om de eerste asielaanvraag dan

wordt er overgegaan naar de onderzoeksfase (zie verder).

Beroepsmogelijkheden bij niet in overwegingname:

Tegen de weigering om de asielaanvraag in overweging te nemen (Bijlage 13quater) kan

enkel een annulatieberoep bij de RvV worden ingesteld (zie verder). Er is geen schorsingsberoep

voorzien.

Aandachtspunten: meerdere asielaanvragen:

¬ Indien de asielzoeker overweegt een tweede (of derde, enz.) asielaanvraag

in te dienen is het belangrijk te vermelden dat zonder nieuwe elementen de

aanvraag niet in overweging zal genomen worden.

¬ Eventueel kan de advocaat een begeleidend schrijven opstellen waarin toelichting

over het nieuwe element wordt gegeven.

¬ Wijs op het risico op opsluiting als de DVZ tot misbruik van de procedure

besluit.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 87


B Het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen

en de Staatlozen

Achtereenvolgens bespreken we:

¬ de bevoegdheden van het CGVS

¬ het verloop van de procedure

¬ de mogelijke beslissingen

¬ de beroepsmogelijkheden

B.1 De bevoegdheden van het CGVS

Onderzoek status vluchteling en subsidiaire bescherming:

De dossierbehandelaar van het CGVS onderzoekt eerst of de asielzoeker in aanmerking

komt voor de vluchtelingenstatus. Als dat niet het geval is, wordt nagegaan of de subsidiaire

bescherming moet worden verleend.

Behandeling van de asielaanvragen van de EU-onderdanen:

Er is een versnelde procedure voorzien voor asielaanvragen van EU-onderdanen, en onderdanen

van kandidaat-lidstaten. Het CGVS kan beslissen om dergelijke asielaanvraag

niet in overweging te nemen.

B.2 Het verloop van de procedure

De oproeping voor het gehoor:

De asielzoeker zal door het CGVS worden opgeroepen voor een interview. Deze oproeping

kan gebeuren via kennisgeving aan de persoon zelf op de DVZ, of wordt per aangetekende

brief of per drager tegen ontvangstbewijs naar de gekozen woonplaats gestuurd.

Een kopie van deze oproeping wordt aan de advocaat meegedeeld voor zover

de advocaat zich al bekend heeft gemaakt. Is de gekozen woonplaats het adres van een

opvangcentrum dan gebeurt de oproeping per fax. Indien het verblijfsadres verschilt van

het adres van de woonplaatskeuze en beide adressen zijn gekend bij het CGVS, dan zal

het CGVS ook een kopie van de oproep naar het andere adres sturen. Een kopie zal ook

naar de vertrouwenspersoon gestuurd worden indien deze gekend is op het ogenblik

van de registratie van de asielaanvraag.

De vragenlijst die werd ingevuld bij de DVZ dient als voorbereidend document voor dit

interview. In principe wordt dit document niet gebruikt om verhalen te vergelijken, tenzij

bij manifeste tegenstrijdigheden (bijvoorbeeld betrokken asielzoeker verandert van na-

88 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


tionaliteit). De asielzoeker kijkt best de vragenlijst na. Indien er fouten in staan, moet dit

worden medegedeeld. Het is uiteraard ook een goede indicatie van wat de asielzoeker

inroept als gronden voor asiel.

Eén interview door het CGVS is verplicht, maar het CGVS kan de persoon later nog verzoeken

om bijkomende inlichtingen te komen geven. De datum voor deze bijkomende

inlichtingen zal door kennisgeving aan de persoon zelf worden vastgelegd.

Het is dus zeer belangrijk om de woonplaatskeuze actueel te houden, anders riskeert

men deze kennisgeving te mislopen.

Indien de asielzoeker door overmacht, bijvoorbeeld opname in het ziekenhuis, niet aanwezig

kan zijn op het gehoor dient hij dit te motiveren en te staven met documenten die

bewijzen dat hij verhinderd was. Dit moet gebeuren per aangetekend schrijven. Er dient

ook een brief te worden toegevoegd waarin de redenen uiteengezet worden waarom

hij zijn land verlaten heeft. De afwezigheid van de advocaat tijdens het interview is geen

reden tot uitstel. Enkel ernstige redenen worden als verontschuldiging aanvaard door

het CGVS. De asielzoeker moet binnen de 15 dagen na het gehoor een geldig motief voor

zijn afwezigheid meedelen, zoniet kan de asielaanvraag verworpen worden. Hetzelfde

geldt als er binnen de maand na gehoor geen gevolg wordt gegeven aan een verzoek

om inlichtingen.

Het gehoor:

Dit vindt plaats op het CGVS. Het verloopt in de taal van de procedure die werd vastgelegd

bij de registratie van de asielaanvraag. Indien een tolk gevraagd werd bij de aanvraag

zal het CGVS voor een tolk zorgen. Indien de asielzoeker bemerkt dat het tolken

moeizaam verloopt, dient hij dit aan te geven tijdens het gehoor.

Wij raden advocaten om verschillende redenen aan om op het interview aanwezig te zijn.

Zo heeft de aanwezigheid van de advocaat een rustgevend effect op de asielzoeker. Het

is ook een unieke mogelijkheid om het volledig vertaalde relaas van de cliënt te horen,

waardoor een beter zicht op de asielmotieven mogelijk wordt. Andere voordelen zijn:

¬ Het vaststellen aan welke aspecten van het relaas de dossierbehandelaar extra

aandacht besteedt.

¬ Het beter voorbereid zijn om in beroep te gaan tegen een negatieve beslissing.

¬ Er kunnen notities worden gemaakt 38 .

¬ Eventuele problemen met de tolk of andere incidenten kunnen worden geacteerd

in het gehoorverslag en de supervisor van de dossierbehandelaar kan

hierover worden aangesproken.

38 Zie RvS nr. 173.899 van 7 augustus 2007 waar de Raad van State in zijn arrest rekening hield met de

notities van de advocaat.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 89


¬ Indien de tolk van een vijandige etnie zou zijn en er vrees is voor een nietobjectieve

vertaling, kan dit gemeld worden.

¬ Op het einde kan de advocaat de dossierbehandelaar trachten te overtuigen

een status toe te kennen. Er kunnen opmerkingen gemaakt worden omtrent

de geloofwaardigheid, het al dan niet voorhanden zijn van bewijsmateriaal,

informatie over het land van herkomst, de vaagheid van bepaalde vragen, de

‘redelijke waarschijnlijkheid’ van de vervolging, de ernst van de gevreesde

schade, enz. De opmerkingen kunnen eventuele tegenstrijdigheden, incoherenties

of vaagheden ophelderen. Een vaak gehoorde klacht is dat tijdens de

asielprocedure te weinig rekening wordt gehouden met culturele verschillen.

Wijs er op wanneer de dossierbehandelaar te etnocentrisch is. Er kan ook

gewezen worden op relevante vragen die door de dossierbehandelaar niet

werden gesteld.

¬ Er kan melding gemaakt worden van psychologische problemen, eventueel

gestaafd met attesten.

¬ De advocaat kan vragen een kopie van het administratief dossier op te sturen

wanneer de beslissing negatief is. Dit kan via een standaardformulier tijdens

het gehoor 39 .

Hieronder een aantal aandachtspunten voor het bijwonen van een gehoor 40 :

¬ Men dient aandachtig te zijn en zich te concentreren op het gehoor. Bezigheden

zoals slapen, de krant lezen, sms’en zijn uit den boze.

¬ Tracht niet te familiair te zijn met de dossierbehandelaar, noch met de tolk.

Het gevaar hierbij is dat de asielzoeker zich buitengesloten voelt uit dit ‘onderonsje’.

¬ Zet de GSM af, hoogstens op trilfunctie.

¬ Soms heeft een advocaat meerdere cliënten tegelijkertijd die een gehoor

ondergaan. Het is te verkiezen om dan een vervanger te zoeken zodat het volledige

interview kan worden bijgewoond. Is dat niet mogelijk, dient het over

en weer gaan zich te beperken tot één keer.

¬ Non-verbale tussenkomsten tijdens het gehoor zoals luid zuchten, met de

ogen draaien, enz. moeten vermeden worden.

¬ Op tijd komen is de boodschap. Als de asielzoeker zijn advocaat verwacht,

is hij weigerachtig tegenover het gehoor bij diens afwezigheid. Bovendien is

zijn binnenkomst een onderbreking die de asielzoeker uit zijn concentratie

haalt.

¬ Antwoord niet namens de asielzoeker tijdens het gehoor.

39 Dit formulier is ook terug te vinden op www.cgvs.be.

40 Het CGVS heeft een intern onderzoek gedaan naar de kwalitieit van de bijstand van advocaten tijdens

het gehoor.

90 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


¬ Tussenkomsten tijdens het gehoor kunnen erg problematisch zijn omdat de

dossierbehandelaar niet meer geconcentreerd is, het gevoel heeft geen leiding

te hebben over het gesprek, in een defensieve houding wordt gedrukt.

Wijzigingen van verklaringen naar aanleiding van een tussenkomst spelen

niet altijd in het voordeel van de asielzoeker 41 .

¬ Gebruik geen non-verbale communicatie met de asielzoeker om bepaalde

antwoorden te suggereren.

¬ Men neemt beter geen agressieve houding aan. Dat is ongepast en nefast

voor de goede naam.

¬ Als de advocaat de taal spreekt van de tolk en de asielzoeker, wordt best geen

‘onderonsje’ gedaan waar de dossierbehandelaar buitenstaander is.

¬ Ga niet rechtstreeks in discussie met de tolk. Meld vertaalproblemen aan de

dossierbehandelaar.

¬ Vraag niet aan de asielzoeker of hij wel zeker is van wat hij zonet heeft gezegd.

Dat is niet toegestaan.

Er kan ook een vertrouwenspersoon worden aangesteld. Dit is iemand die op vraag van

de asielzoeker meegaat naar het interview. Die persoon mag niet tussenkomen. Hij mag

wel nota’s nemen en krijgt nadien ook de beslissing opgestuurd. De aanstelling moet

men minimum acht dagen op voorhand aanvragen (zie bijlage III).

Indien er tekenen zijn dat een asielzoeker psychologische problemen heeft (bijvoorbeeld

post-traumatische stressstoornis, depressie, aanpassingsproblemen, psychiatrische

aandoeningen, enz.) kunnen elementen door de begeleider worden aangereikt die de

psycholoog bij het CGVS ertoe brengen een onderzoek te starten. Deze psycholoog heeft

de taak het CGVS te adviseren over de psychische toestand van de asielzoeker wanneer

deze toestand een hinderpaal vormt voor de afhandeling van het dossier.

Wanneer de advocaat of hulpverlener meent dat het nodig is om de aandacht van het

CGVS te vestigen (via een attest of verslag) op een belangrijk “medisch/psychologisch”

probleem dat de correcte behandeling van het dossier in de weg zou kunnen staan of

de belangen van de asielzoeker zou kunnen schaden, kan men dit eenvoudig richten aan

Dhr. Commissaris-Generaal op het adres van het CGVS. Op het CGVS wordt dit attest of

verslag voorgelegd aan de dossierbehandelaar. In bijna alle gevallen beslist de dossierbehandelaar

om het dossier voor te leggen aan de expert-psycholoog.

Aan welke vereisten moet een document, opgesteld door een arts, psychiater of psycholoog

waarin wordt verwezen naar “psychische stoornissen” bij de asielzoeker volgens het

CGVS, voldoen om bruikbaar te zijn in het kader van de asielprocedure?

¬ Men dient zich te houden aan de vastgestelde feiten (bijvoorbeeld een eenmalige

consultatie).

41 Soms kan het volgens ons toch wenselijk zijn als de dossierbehandelaar bijvoorbeeld dieper ingaat op

iets dat hij of zij manifest verkeerd begrepen heeft.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 91


¬ Informatie over de eventuele doorverwijzer geven.

¬ Een “oriënterende diagnostiek” (indien de lijdensdruk nog niet juist kan omschreven

worden) vermelden.

¬ Aangeven wie om het attest verzoekt (asielzoeker zelf, advocaat, familie, initiatief

van de opsteller, enz.).

¬ Elementen van behandeling: follow-up, voorziene duur en frequentie, met

inbegrip van de voorgeschreven medicatie.

¬ Eventueel relevante bijkomende medisch-psychologische verslagen indien

beschikbaar (bijvoorbeeld hospitalisatieverslagen).

¬ Het uitgebreid vermelden van het gehele vluchtverhaal van betrokkene is niet

productief, tenzij het gaat om feiten die de asielzoeker, omwille van het opgelopen

trauma, niet zou kunnen of durven vertellen.

¬ Het feit dat een asielzoeker een psychologische en/of psychiatrische pathologie

vertoont, is op zich geen reden tot erkenning als vluchteling. Uit de

attesten blijkt dat heel wat opstellers dit verkeerde standpunt hanteren en

hiermee soms niet gepaste verwachtingen creëren bij hun patiënten.

¬ Het deontologische aspect: wanneer de expert-psycholoog contact opneemt

met de opsteller van het attest vermeldt hij altijd of de asielzoeker zijn toelating

geeft tot het mededelen van vertrouwelijke informatie. Het akkoord van

de asielzoeker gebeurt door een door hem én de tolk ondertekend formulier

dat aan het dossier toegevoegd wordt. De opsteller van het attest blijft volledig

verantwoordelijk voor de inhoud van het attest en de eventuele bijkomende

informatie.

Ook tijdens het gehoor kan zich een probleem manifesteren. De interviewer kan in dit

geval de expert-psycholoog vragen de asielzoeker nader te onderzoeken. Ook de advocaat

kan wijzen op psychische problemen. De dossierbehandelaar beslist dan wat hij

ermee doet.

De uitnodiging voor een onderzoek nadien gebeurt steeds schriftelijk, met kopie en uitleg

over het doel van het onderzoek, aan de advocaat. Vanuit de deontologische voorschriften

van de psychologen bevat elke uitnodiging de vaste formule: “Ik vestig uw aandacht

erop dat dit onderzoek enkel kan plaatsvinden met uw instemming”.

Na het onderzoek volgt steeds een schriftelijk en gemotiveerd “psychologisch evaluatieverslag”

dat aan het dossier wordt toegevoegd.

Beoordeling van de asielaanvraag:

Aan het begin van het gehoor op het CGVS wordt de asielzoeker systematisch gewezen

op zijn verplichtingen. Samenvattend kan gesteld worden dat de asielzoeker wordt verzocht:

92 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


¬ De waarheid te vertellen. De geloofwaardigheid van het individuele relaas

is cruciaal. Valse of onjuiste verklaringen kunnen tot gevolg hebben dat de

asielaanvraag wordt verworpen.

Het is mogelijk dat de asielzoeker allerlei indianenverhalen gehoord heeft

van andere asielzoekers, van mensensmokkelaars of landgenoten, zoals bijvoorbeeld

nooit je paspoort te laten zien. Dit soort verhalen gaan een eigen

leven leiden. Onwetende asielzoekers zijn vatbaar voor misleidende informatie,

eenvoudigweg omdat ze nog niet correct of onvoldoende geïnformeerd

zijn. De asielzoeker heeft echter de plicht om mee te werken aan het onderzoek

en om de waarheid te vertellen. Hij heeft de plicht oprechte en volledige

verklaringen af te leggen. Leugenachtige verklaringen kunnen een erkenning

als vluchteling of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus in de

weg staan.

¬ Al het mogelijke te doen om zijn identiteit, herkomst, reisweg of de aangehaalde

feiten te bewijzen door middel van het voorleggen van documenten.

De bewijslast berust in beginsel in elke fase van de asielprocedure bij de asielzoeker

zelf. Dit houdt allereerst in dat de verklaringen van de asielzoeker coherent,

plausibel en niet in strijd met algemeen bekende feiten moeten zijn.

De loutere afwezigheid van tegenstrijdigheden of incoherenties in het asielrelaas

op zich is vaak niet voldoende om erkend te worden als vluchteling. Het is

immers de taak van de asielzoeker om in de mate van het mogelijke bewijzen

aan te brengen van de feiten die hij aanhaalt 42 . Indien de asielzoeker er niet

in slaagt om documenten of objectieve stukken ter staving van zijn asielrelaas

voor te leggen, moet hiervoor een aannemelijke verklaring gegeven worden.

Het is immers pas wanneer alle elementen onderzocht werden en men

overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen, dat het

voordeel van de twijfel kan worden verleend. 43

Hierbij moet overigens benadrukt worden dat om enige bewijskracht aan een

document te ontlenen, het bovendien ondersteund dient te worden door geloofwaardige,

coherente en plausibele verklaringen. Wanneer het asielrelaas

doorspekt is van incoherente, ongeloofwaardige of tegenstrijdige verklaringen,

kan niet zonder meer besloten worden tot een geloofwaardig relaas omdat

de asielzoeker bepaalde documenten neerlegt. Geloofwaardige verklaringen

en bewijsstukken gaan hand in hand.

In principe moeten volgende vragen worden gestaafd:

42 Interessant in dit verband zijn ook artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2004/83/EG van 29

april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen

als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de

verleende bescherming) en artikel 11 van de Procedurerichtlijn (Richtlijn 2005/85/EG van 1 december 2005

betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van

de vluchtelingenstatus).

43 UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève,

1992, 54.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 93


- Wat vreest de asielzoeker wanneer hij naar zijn land van herkomst zou moeten

terugkeren?

- Om welke reden vreest de asielzoeker problemen wanneer hij naar zijn land

van herkomst zou moeten terugkeren?

Kopieën worden zelden aanvaard als bewijskrachtig en zijn slechts een begin

van bewijs.

Op het CGVS zal men meestal het origineel teruggeven na hiervan een kopie

te hebben gemaakt. Het is ook mogelijk dat het CGVS het origineel wil houden

en dan krijgt de asielzoeker een ontvangstbewijs en krijgt hij het origineel

na de procedure terug.

Indien men geen bewijsstukken kan voorleggen, mag men absoluut geen

valse stukken neerleggen om toch maar schriftelijke bewijzen te hebben. Dat

zou een reden kunnen zijn om de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus

niet toe te kennen.

Bewijsstukken van problemen die anderen (familieleden of personen met een

gelijkaardig profiel) in het herkomstland hebben gehad, kunnen ook nuttig

zijn. Dit geldt ook voor gegevens van familieleden over erkenningen als vluchteling

in België of in een ander land.

Het is aan te raden om zo snel mogelijk in de procedure bewijsstukken voor

te leggen. Dit heeft het voordeel dat er geen vertaling nodig is. Als de stukken

relevant zijn, laat de dossierbehandelaar ze immers vertalen. Stukken later op

de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV) neerleggen voor een eensluidend

verklaarde vertaling brengen extra kosten met zich mee. Daarenboven

is het veel moeilijker om stavingsstukken neer te leggen op het niveau van

de RvV 44 .

De asielzoeker krijgt tijdens het gehoor bij het CGVS de mogelijkheid de documenten

toe te lichten.

Bijkomende stukken kunnen best worden afgegeven tijdens het gehoor, maar

als er bijkomende stukken verwacht worden, is het beter dit al tijdens het

gehoor aan te geven. Er wordt rekening gehouden met elk stuk dat wordt

voorgelegd voor de beslissing genomen wordt. Nieuwe elementen worden

best zo snel mogelijk meegedeeld.

Cedoca, de documentatie- en researchdienst bij het CGVS

Dit is een ondersteunende dienst voor de dossierbehandeling op het CGVS. De medewerkers

van het researchteam maken de bestaande informatie van herkomstlanden toegankelijk

voor de dossierbehandelaars. De informatie wordt bekomen door een uitgebreid

netwerk van internationale contacten en de dossierbehandelaars gaan bij de researchers

te rade voor landgebonden vragen in individuele dossiers. Het CGVS organiseert ook zelf

44 Voorwaarden artikel 39/76 Vreemdelingenwet.

94 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


missies naar een land indien er onvoldoende informatie voorhanden is over een land van

herkomst. Deze dienst is helaas niet toegankelijk voor derden. De gebruikte informatie

zit in het administratief dossier waar je na een eventuele weigeringsbeslissing een kopie

van kan krijgen.

Aandachtspunten: procedure CGVS

De oproeping:

¬ De advocaat bereidt samen met de asielzoeker het interview bij het CGVS

voor. De vragenlijst die op DVZ werd ingevuld, zal als basis dienen voor het

interview op het CGVS.

¬ Samen met de advocaat wordt uitgemaakt welk adres van woonstkeuze het

beste is. Op dit adres zal de oproeping van het gehoor toekomen. Is de gekozen

woonplaats het adres van de opvangstructuur waar de asielzoeker

verblijft, dan zal de oproeping per fax gebeuren en dient ‘voor akkoord’ te

worden teruggefaxt. Het is belangrijk dat hierover goede afspraken worden

gemaakt tussen alle betrokkenen in de procedure. Het niet verschijnen van de

asielzoeker tijdens het gehoor kan onomkeerbare gevolgen hebben voor zijn

erkenning. Het is belangrijk de woonplaatskeuze actueel te houden.

Het interview:

¬ Datum en tijdstip staan vermeld op de oproeping. Soms is het aangewezen

dat advocaat en asielzoeker vroeger afspreken dan het opgegeven tijdstip. Er

is hiervoor een aparte ruimte voorzien in het gebouw.

CGVS

Koning Albert II-laan 26A

1000 Brussel

¬ Ga na aan de hand van het procedureschema of de asielzoeker begrijpt in

welke fase van de procedure hij zich bevindt.

¬ Om dit interview voor te bereiden verwijzen we naar het hoofdstuk vluchtverhaalanalyse.

¬ Benadruk het belang van een waarheidsgetrouwe weergave van de feiten.

¬ Wijs de asielzoeker erop dat hij best zo snel mogelijk originele documenten

voorlegt die zijn vluchtverhaal of identiteit staven. De hulpverlener wijst op de

noodzaak om een geloofwaardige verklaring te hebben indien hij bepaalde

documenten niet kan voorleggen of kan bekomen. Bijkomende stukken kunnen

worden afgegeven tijdens het gehoor. Indien er bijkomende stukken verwacht

worden is het aangewezen dit te melden tijdens het gehoor. Deze stukken

worden best zo snel mogelijk neergelegd wil men dat er rekening mee

wordt gehouden voor het nemen van een beslissing. Leg uit dat de informatie

die aan de asielinstanties gegeven wordt vertrouwelijk wordt behandeld.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 95


¬ Spoor de asielzoeker aan om zelf op zoek te gaan naar relevante informatie

of documenten.

¬ Breng vrouwen op de hoogte van hun rechten in geval van (vermoeden van)

gendergebonden vervolging (zie hoofdstuk VI - Bijzondere situaties).

¬ Een eventueel uitstel van interview moet verantwoord worden, het niet aanwezig

kunnen zijn van de advocaat tijdens het interview is geen reden tot

uitstel! Het bewijs van reden van het verhinderd zijn moet aangetekend verstuurd

worden naar het CGVS, alsook een brief van de asielzoeker waarin hij

de redenen uiteenzet waarom hij zijn land is ontvlucht.

¬ In geval van trauma of van andere psychologische problemen die het vaststellen

van de feiten of het interview kunnen bemoeilijken, kan men een attest

van een specialist en van de gevolgde begeleiding toevoegen. Men kan suggereren

om een onderhoud met de expertpsycholoog van de asielinstanties

te voorzien. Als bijlage vind je de voorwaarden waaraan zo’n attest moet voldoen.

¬ Het CGVS heeft ook een bijzondere procedure voorzien voor asielzoekers

die omwille van een ernstige psychiatrische problematiek niet of nauwelijks

gehoord kunnen worden, de zogenaamde NIAK-dossiers (Niet Interviewbare

Alleenstaande Asielzoekers). Deze asielzoekers krijgen een cliëntgerichte

benadering op het ritme van de asielzoeker. De uiteindelijke beslissing zal

genomen worden door de behandelende geneesheer, de expertpsycholoog

van de asielinstanties, de dossierbehandelaars van het CGVS en de DVZ en de

hulpverleners betrokken bij de asielzoeker.

¬ De advocaat vergezelt de asielzoeker naar het CGVS. Bij verhindering zoekt

de advocaat een vervanger. Door mee te gaan naar het interview ziet de advocaat

toe op een correct verloop van de asielprocedure van bij het begin.

De advocaat doet dit door tijdens het interview waakzaam te zijn voor de

interactie tussen interviewer, asielzoeker en tolk. De goede advocaat neemt

volledige notities (dit kan van belang zijn bij verdere stappen in de procedure:

de notities hebben dezelfde waarde als die van het CGVS). De advocaat kan

vragen bepaalde zaken in het gehoorverslag te noteren. Na het interview kan

hij aandacht vragen voor opmerkingen i.v.m. de evaluatie van de asielaanvraag,

de geloofwaardigheid van de asielzoeker, het al dan niet voorhanden

zijn van bewijsmateriaal, de informatie over het land van herkomst, de ‘redelijke

waarschijnlijkheid’ van de gevreesde vervolging, het verband met het

Vluchtelingenverdrag.

¬ Indien een vertrouwenspersoon het gehoor wil bijwonen, moet dit op voorhand

schriftelijk worden aangevraagd bij het CGVS (zie bijlage III).

¬ De advocaat kan ieder incident per fax of aangetekende zending melden aan

de supervisor van de dossierbehandelaar.

¬ Het verzaken in te gaan op een verzoek van het CGVS tot verdere inlichtingen

na het gehoor kan aanleiding geven tot een negatieve beslissing.

96 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


¬ Het gehoorverslag wordt niet voorgelezen aan de asielzoeker en er wordt

geen kopie meegegeven. Er kan wel gevraagd worden om het asieldossier in

te kijken.

B.3 De mogelijke beslissingen

Het CGVS kan volgende beslissingen nemen:

De asielaanvraag van een EU-onderdaan wordt niet in overweging genomen:

Dit gebeurt indien uit de verklaringen van de asielzoeker niet duidelijk blijkt dat er een

gegronde vrees voor vervolging bestaat of dat er zwaarwegende gronden zijn om aan

te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade. Deze beslissing

wordt normaal gezien binnen de vijf werkdagen genomen. Wordt de aanvraag toch in

overweging genomen, dan zal de procedure verder lopen zoals voor de andere asielzoekers.

De asielaanvraag wordt onontvankelijk, bedrieglijk of kennelijk ongegrond

verklaard:

In bepaalde gevallen kan een asielzoeker worden uitgesloten van de status van vluchteling

of subsidiaire bescherming, zonder enige inhoudelijke toetsing. Deze beslissingen

zullen echter in de praktijk zelden worden genomen. De Commissaris-Generaal gaf op

verschillende studiedagen zelf aan dat het problematisch is dergelijke beslissing te nemen

zonder een voorafgaande beoordeling ten gronde.

Het CGVS erkent betrokkene als vluchteling:

De beslissing van het CGVS, die aangetekend wordt verstuurd naar de gekozen woonplaats

van de kandidaat-vluchteling, vermeldt enkel dat hij erkend werd als vluchteling.

De beslissing wordt niet gemotiveerd.

Theoretisch kan de minister van Binnenlandse Zaken binnen een termijn van 15 dagen

nog beroep aantekenen (bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen), maar dit gebeurt

bijna nooit. Na deze termijn zal het CGVS per brief vragen om de exacte identiteitsgegevens

mee te delen. Eventuele foutieve gegevens kunnen dan rechtgezet worden.

Vanaf dan kan de asielzoeker voor onbeperkte duur in België verblijven. Hij ontvangt

een attest van erkenning waarmee hij naar de gemeente van de verblijfplaats dient te

gaan. Hij zal in het Vreemdelingenregister worden ingeschreven en een elektronische B

kaart (voorheen Bewijs van Inschrijving in het Vreemdelingenregister (BIVR) onbeperkt

verblijf) ontvangen. Vanaf nu beschikt hij over een verblijfstitel.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 97


Het CGVS erkent betrokkene niet als vluchteling, maar kent wel de subsidiaire

beschermingsstatus toe:

De beslissing van weigering van erkenning van de vluchtelingenstatus en de toekenning

van de subsidiaire beschermingsstatus wordt aangetekend opgestuurd naar de door de

asielzoeker gekozen woonplaats. In deze beslissing wordt uiteengezet waarom het CGVS

van oordeel is dat de persoon niet in aanmerking komt voor het vluchtelingenstatuut,

maar wel voor subsidiaire bescherming.

De asielzoeker kan met deze beslissing akkoord gaan. Hij verkrijgt dan een bijzonder

verblijfsrecht op basis van de subsidiaire bescherming. Hij ontvangt dan een elektronische

A kaart (voorheen BIVR beperkt verblijf) en wordt ingeschreven in het vreemdelingenregister.

De asielzoeker kan ook bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in beroep gaan

tegen deze beslissing, omdat hij meent in aanmerking te komen voor het (voordeliger)

statuut van erkende vluchteling.

Wie in beroep gaat tegen deze beslissing kan echter ook het statuut van subsidiaire bescherming

verliezen, indien de RvV van mening is dat de persoon hier toch niet voor in

aanmerking komt. Het indienen van een beroep is dus niet zonder risico.

Het CGVS weigert zowel de vluchtelingenstatus als de subsidiaire beschermingsstatus

In de beslissing van weigering van erkenning van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire

beschermingsstatus, die aangetekend wordt opgestuurd naar de door de asielzoeker

gekozen woonplaats, worden de argumenten van de negatieve beslissing (de “motivering”)

uiteengezet.

Tegen deze beslissing kan een beroep ten gronde worden ingediend bij de Raad voor

Vreemdelingenbetwistingen.

Als de geweigerde asielzoeker geen beroep indient bij de RvV, zal de gemeente die de

stand van de procedure in het wachtregister ziet, aan de DVZ instructies vragen om het al

dan niet afleveren van een bevel om het grondgebied te verlaten (Bijlage 13quinquies).

Het gemeentebestuur moet het attest van immatriculatie blijven verlengen zolang het

geen andersluidende instructies van de Dienst Vreemdelingenzaken ontvangt. Het gemeentebestuur

mag dus niet ambtshalve het attest van immatriculatie intrekken en aan

de betrokkene een bevel afleveren om het grondgebied te verlaten.

Als de DVZ wel de instructie geeft om een Bijlage 13quinquies af te leveren, zal de gemeente

de asielzoeker uitnodigen.

Als de asielzoeker zich aanbiedt op de gemeente, zal de Bijlage 13quinquies worden betekend

en tegelijkertijd de Bijlage 26 en het AI (oranje kaart) worden ingehouden.

98 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Als de asielzoeker zich niet aanbiedt op de gemeente, zal de politie nagaan of de asielzoeker

nog op het opgegeven adres woont. Als de asielzoeker er niet meer woont, zal de

gemeente dit meedelen aan de DVZ en opnieuw instructies vragen.

De asielaanvraag wordt zonder voorwerp verklaard

Wanneer het CGVS vaststelt dat een asielaanvraag zonder voorwerp is geworden, bijvoorbeeld

omdat de asielzoeker vrijwillig afstand deed van de procedure, vrijwillig is

teruggekeerd naar zijn land van herkomst, Belg geworden of overleden is, stelt het CGVS

de afstand van de asielaanvraag vast.

Overige beslissingen:

Naast de hierboven omschreven beslissingen heeft het CGVS nog de bevoegdheid om:

¬ iemand van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire bescherming uit te sluiten

omwille van specifieke ernstige misdrijven (zie verder);

¬ de vluchtelingenstatus of de subsidiaire bescherming in te trekken indien

betrokkene had moeten uitgesloten worden of op frauduleuze wijze zijn status

heeft bekomen (zie verder);

¬ de vluchtelingenstatus of de subsidiaire bescherming op te heffen indien de

omstandigheden in het land van herkomst van de asielzoeker ingrijpend en

duurzaam zijn veranderd en hij niet langer aanspraak kan maken op internationale

bescherming (zie verder).

Aandachtspunten: beslissing CGVS

¬ Overloop met de asielzoeker de gevolgen van de beslissing die genomen

werd en wijs hem op de mogelijkheden die hij (nog) heeft.

¬ In geval van erkenning verwijzen we naar hoofdstuk VII van het handboek.

¬ In geval van subsidiaire bescherming verwijzen we naar hoofdstuk VII van het

handboek.

¬ In geval van een weigeringsbeslissing evalueert de advocaat deze beslissing

samen met de asielzoeker. Indien nodig stelt de advocaat tegen deze beslissing

een beroep in bij de RvV. Daar beroepstermijnen kort zijn, is het aan te

raden om zo vlug mogelijk advies te geven in de dossiers. Indien de advocaat

beslist om geen beroep in te dienen, zou de asielzoeker de kans moeten hebben

om een tweede advies te vragen aan een andere advocaat. Indien er gewacht

wordt tot de allerlaatste dag om de asielzoeker te melden dat er geen

beroep zal worden ingediend, ontneemt men de asielzoeker deze mogelijkheid.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 99


¬ De advocaat evalueert of een advies moet worden gevraagd aan het UNHCR

(Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen). De advocaat

neemt hiervoor contact op met het Belgisch Comité voor Hulp aan

Vluchtelingen (BCHV). In bijlage VIII wordt de samenwerking tussen het BCHV

en het UNHCR in de Belgische asielprocedure toegelicht. Het BCHV bereidt

asieldossiers voor met het oog op het vragen van advies aan het UNHCR

krachtens artikel 57/23 bis van de Wet van 15 december 1980 betreffende de

toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van

vreemdelingen.

B.4 Beroepsmogelijkheden

Tegen beslissingen van het CGVS kan men in beroep gaan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

(RvV), een administratief rechtscollege. Er zijn, afhankelijk van de

genomen beslissing, twee soorten beroepen mogelijk bij de RvV, een beroep ten gronde

of een annulatieberoep:

¬ Tegen vrijwel alle beslissingen van het CGVS is een beroep met volle rechtsmacht

mogelijk binnen een termijn van 30 dagen: tegen kennelijk ongegronde,

bedrieglijke en onontvankelijke beslissingen, tegen beslissingen waarin

de asielaanvraag zonder voorwerp werd verklaard, tegen weigeringsbeslissingen,

alsook tegen beslissingen tot intrekking of opheffing van de status.

Dat beroep heeft een schorsende werking, er kan met andere woorden geen

verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel worden uitgevoerd op gedwongen

wijze.

Ook binnen de beroepstermijn van 30 dagen kan geen verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel

worden uitgevoerd.

¬ De enige uitzondering op de regel is de beroepsmogelijkheid tegen een

beslissing tot niet- inoverwegingname van een asielaanvraag door een EUonderdaan.

In dat geval staat enkel een niet-schorsend annulatieberoep binnen een

termijn van 30 dagen open.

100 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


C De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: beroep

ten gronde tegen een beslissing van het CGVS

We gaan hier summier in op de procedure ten gronde tegen een beslissing van het CGVS.

De RvV is daarnaast ook het administratief rechtscollege dat bevoegd is voor de annulatie

van individuele beslissingen die worden genomen in toepassing van de Vreemdelingenwet,

maar dat komt hier verder niet aan bod.

We verwijzen voor een meer gedetailleerde uitleg graag naar “Een praktijkgerichte

handleiding voor het indienen van een asielberoep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen”,

een publicatie van het team Rechtspositie van de Stedelijke Integratiedienst

Gent, te downloaden op de website www.vreemdelingenrecht.be en te bestellen bij het

team Rechtspositie van de Stedelijke Integratiedienst Gent (integratiedienst@gent.be of

tel. 09/265.77.05) 45 .

De toepasselijke bepalingen over de procedure bij de RvV zijn terug te vinden vanaf

artikel 39/56 e.v. Vreemdelingenwet en in het K.B. van 21 december 2006 houdende de

rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen 46 .

C.1 Aard van de procedure

De RvV heeft volle rechtsmacht, maar geen eigen onderzoeksbevoegdheid. Volle rechtsmacht

betekent dat de RvV het geschil in zijn geheel moet onderwerpen aan een nieuw

onderzoek en dat hij in dat opzicht beschikt over dezelfde beoordelingsbevoegdheid als

het CGVS.

De procedure is formeel en schriftelijk. Er is wel een zitting, maar de rechter kan in principe

enkel rekening houden met elementen uit het dossier.

Het beroep is opschortend, tenzij voor onderdanen van de EU of voor asielzoekers die

een weigering van inoverwegingname van de asielaanvraag hebben gekregen 47 .

C.2 Het verzoekschrift en de beroepstermijn

Het beroep tegen de weigeringsbeslissing van het CGVS gebeurt met de indiening van

een verzoekschrift. Aangezien de procedure hoofdzakelijk schriftelijk is, is het in principe

niet meer mogelijk andere middelen aan te voeren dan deze die in het verzoekschrift

worden uiteengezet. De partijen en hun advocaat kunnen hun bemerkingen mondeling

45 Zij hebben tevens een handleiding voor annulatieberoepen bij de RvV, waar de procedures tot schorsing

en schorsing in Uiterst Dringende Noodzakelijkheid (UDN) worden uitgelegd.

46 B.S. 28 december 2006, het zogenaamde procedure K.B..

47 In principe zal de asielzoeker opgeroepen worden door de gemeente om een Bijlage 35 in ontvangst

te nemen (maandelijks verlengbaar), doch met het oog op de administratieve vereenvoudiging werd beslist

om tijdelijk geen Bijlagen 35 meer af te leveren en blijft de asielzoeker in het bezit van zijn attest van immatriculatie

gedurende de behandeling van het beroep.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 101


op de zitting toelichten, maar enkel voor zover deze werden vermeld in het verzoekschrift.

De wet bepaalt echter een uitzondering op de regel dat het niet mogelijk is ter zitting

andere middelen aan te voeren dan die in het verzoekschrift uiteengezet. De RvV kan elk

nieuw gegeven in aanmerking nemen dat ter kennis wordt gebracht door de partijen,

met inbegrip van hun verklaringen tijdens de zitting indien:

¬ deze gegevens steun vinden in het rechtsplegingsdossier

EN

¬ ze van die aard zijn dat ze op zekere wijze het gegrond of ongegrond karakter

van het beroep kunnen aantonen

EN

¬ de partij aannemelijk maakt dat zij deze nieuwe gegevens niet eerder in de

procedure kon mededelen.

Wat de tweede voorwaarde betreft: hierover heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken

in een arrest van 27 mei 2008 48 :

Het Hof meent dat deze bepaling door de RvV zo moet worden toegepast dat het “de

bevoegdheid met volle rechtsmacht van de Raad die kennis neemt van de beslissingen van

de CGVS, niet beperkt”.

Deze zinsnede is niet erg duidelijk en de praktijk zal dan ook moeten uitwijzen hoe de

Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hiermee zal omgaan.

Volgens het Grondwettelijk Hof kunnen de voorwaarden om nieuwe gegevens ook later

in de procedure in te roepen “geen hindernis vormen voor de bevoegdheid met volle

rechtsmacht van de RvV”.

Ook deze overweging van het Hof zal door rechtspraak en rechtstheoretici nog verder

moeten worden uitgediept. Intussen moeten we advocaten blijven aanraden om zoveel

als mogelijk alle elementen in het inleidend verzoekschrift te verwerken.

Bepaalde elementen moeten bovendien verplicht (op straffe van nietigheid) opgenomen

worden in een verzoekschrift:

¬ de naam, nationaliteit, woonplaats van de verzoekende partij en het kenmerk

van zijn dossier bij de verwerende partij (het CGVS);

¬ de keuze van woonplaats in België;

¬ de beslissing waartegen het beroep is gericht;

¬ een uiteenzetting van de feiten en de middelen die ter ondersteuning van

het beroep worden ingeroepen: de asielzoeker moet het vluchtrelaas in het

48 GwH 27 mei 2008, nr. 2008-081, BS 2 juli 2008.

102 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


verzoekschrift uiteenzetten én uitleggen waarom hij niet akkoord gaat met

de beslissing van het CGVS;

¬ in geval van nieuwe gegevens: een uiteenzetting waarom er ernstige aanwijzingen

bestaan voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de

Conventie van Genève of voor een reëel risico op ernstige schade in de zin

van de subsidiaire bescherming. Tevens moeten de redenen vermeld worden

waarom de nieuwe gegevens niet op het gepaste ogenblik aan het CGVS konden

medegedeeld worden;

¬ de taal waarin de asielzoeker ter zitting moet worden gehoord;

¬ de handtekening van de verzoeker of zijn advocaat.

Het verzoekschrift moet verplicht ingediend worden in het Nederlands of het Frans, naargelang

de taal van de procedure en moet aangetekend worden verstuurd.

Er moeten zes afschriften bijgevoegd worden van het verzoekschrift en als er nieuwe

stukken zijn, moeten hiervan vier afschriften worden bijgevoegd. Anders wordt de zaak

niet ingeschreven op de rol. Artikel 10 van het procedure K.B. voorziet de mogelijkheid

om deze vergetelheid te regulariseren binnen één dag nadat je hiervan wordt verwittigd

door de griffie.

De beroepstermijn is 30 dagen vanaf de kennisgeving. In geval van kennisgeving bij aangetekend

schrijven met ontvangstmelding wordt als dag van kennisgeving beschouwd,

de dag van de aanbieding van het schrijven aan de woning van de bestemmeling, ongeacht

of deze de brief persoonlijk in ontvangst heeft genomen of niet.

Indien de kennisgeving van beslissingen van het CGVS bij gewoon aangetekende brief

gebeurt, neemt de RvV aan dat de brief werd ontvangen op de derde werkdag 49 die volgt

op die waarop de brief werd verzonden, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst.

Voor de berekening van de beroepstermijn is de vervaldag in de termijn inbegrepen,

tenzij die dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is. In dat geval wordt

de vervaldag verplaatst naar de eerstvolgende werkdag. 50

Voorbeeld: de beslissing wordt per aangetekende brief aan de post overhandigd

op donderdag 3 april. De beroepstermijn begint dan te lopen op de derde

werkdag, dinsdag 8 april, en vervalt op dinsdag 22 april. Het verzoekschrift moet

derhalve ten laatste op die datum gepost zijn (poststempel geldt als bewijs).

Is de woonplaatskeuze de advocaat, dan begint de beroepstermijn te lopen daags na de

binnenkomst van de fax waarmee de kennisgeving is gebeurd.

49 Opgelet: ook zaterdagen worden geacht werkdagen te zijn. Enkel zondagen en wettelijke feestdagen

niet.

50 DE BOCK, F., “De rechtsmacht en de procedure voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: overzicht

van rechtspraak juni 2007 - november 2007”, T. Vreemd. 2008, p.42.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 103


Aandachtpunten: verzoekschrift

¬ Elementen die cruciaal zijn, dienen vermeld te worden in het verzoekschrift,

zoniet kunnen ze in principe niet meer aangevoerd worden tijdens de mondelinge

zitting.

¬ Vertrek vanuit de analyse van de bestreden beslissing.

¬ Werk de rechtsmiddelen voldoende uit. Weerleg duidelijk de argumenten

van het CGVS en vermeld welke rechtsregel geschonden werd.

¬ Wees concreet.

¬ Lees altijd het afgedrukte verzoekschrift grondig na.

¬ Houd de termijn in het oog voor het indienen van het verzoekschrift.

¬ Bewaar zeker het bewijs van de aangetekende zending of het ontvangstbewijs,

het kan als bewijs dienen dat het verzoekschrift op tijd werd ingediend.

¬ Kijk het aantal afschriften van het verzoekschrift en van eventueel bijkomende

bewijsstukken na.

¬ Vergeet niet eventueel een tolk te vragen voor tijdens de zitting.

Verplichte elementen in het verzoekschrift, ingediend in het Nederlands

of Frans naargelang de taal van de procedure:

¬ De naam, nationaliteit, woonplaats van de verzoekende partij en het kenmerk

van haar dossier bij de verwerende partij.

¬ De gekozen woonplaats in België.

¬ De beslissing waartegen het beroep is gericht.

¬ Een uiteenzetting van feiten en middelen die ter ondersteuning van het beroep

worden ingeroepen.

¬ In het geval van nieuwe gegevens dient men aan te tonen waarom deze niet

eerder werden voorgelegd.

¬ De taal waarin de asielzoeker ter zitting moet worden gehoord.

¬ De handtekening van de verzoeker of zijn advocaat.

C.3 Na het indienen van het beroep

Binnen de acht dagen na de kennisgeving van het beroep (of binnen 15 dagen in het

geval van nieuwe elementen in het verzoekschrift) heeft het CGVS de mogelijkheid om

een verweernota te maken.

104 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Op die verweernota kan in principe niet geantwoord worden tenzij er sprake is van nieuwe

elementen en onder de strikte voorwaarden die we hierboven besproken hebben. Als

de RvV weigert om deze nieuwe elementen te aanvaarden, kan het een middel zijn voor

een cassatieberoep bij de Raad van State zijn. Uiteraard kunnen nieuwe elementen die

niet werden aanvaard een nieuwe asielaanvraag rechtvaardigen.

Onmiddellijk na ontvangst van het verzoekschrift wordt de zogenaamde depistageprocedure

gestart, om beroepen die doelloos zijn, kennelijk onontvankelijk zijn, waarvan

afstand wordt gedaan of die dienen van de rol te worden geschrapt, ertussenuit te halen.

Partijen worden eerst opgeroepen waarna door middel van een tussenarrest een beslissing

wordt genomen.

Wordt de depistageprocedure niet toegepast, dan bepaalt men het tijdstip van de zitting.

De partijen worden ten minste acht dagen voor de zitting in kennis gesteld van het tijdstip

van de zitting.

Het CGVS treedt er op als verwerende partij.

Vijf dagen voor de zitting kan men het dossier gaan inkijken ter griffie.

De RvV kan ook rechtstreekse briefwisseling voeren met partijen voor het verkrijgen van

alle nodige informatie.

Laat aan de griffie weten wanneer je vakantie zal nemen, met de vraag geen zittingen

vast te leggen in die periode. De RvV zal daar rekening mee houden.

Aandachtspunt: na het indienen van het beroep

¬ Laat aan de griffie weten wanneer je vakantie zal nemen, met de vraag om

geen zittingen van cliënten vast te leggen tijdens die periode.

¬ De hoorzitting wordt voorbereid aan de hand van het dossier dat men vijf

dagen voor de vastgestelde datum kan raadplegen op de RvV. De advocaat

neemt met de asielzoeker de inhoud van het administratief dossier door en

toetst deze aan de elementen waaruit het persoonlijk dossier bestaat. De advocaat

zorgt ervoor dat alle relevante elementen degelijk zijn voorbereid en

bereidt de asielzoeker voor op de mondelinge zitting waar aandacht zal besteed

worden aan de elementen die betwist worden.

C.4 De hoorzitting

Ondanks het schriftelijke karakter, moeten partijen ter terechtzitting aanwezig zijn. De

asielzoeker kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door zijn advocaat.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 105


De asielzoeker en de advocaat worden uitgenodigd op de zitting. De aanwezigheid van

een van beiden is verplicht en het is dan ook aangewezen dat beiden verschijnen. De

getuigenis van de asielzoeker is een belangrijk bewijsmiddel op het vlak van geloofwaardigheid.

Alleen wanneer de asielzoeker een geloofwaardig en samenhangend verhaal

brengt zal, bij afwezigheid van andere bewijsmiddelen, de RvV hem het voordeel van de

twijfel kunnen toekennen. Indien geen van beiden verschijnt wordt het beroep verworpen.

Het CGVS is vertegenwoordigd door een functionaris.

Alle zaken worden opgeroepen op hetzelfde uur. De partij die niet verschijnt op de zitting

zal in het ongelijk worden gesteld, tenzij overmacht wordt aangetoond. Overmacht

wordt zeer strikt geïnterpreteerd.

Weet de asielzoeker op voorhand dat hij niet aanwezig zal zijn (bijvoorbeeld wegens

ziekte), dan kan hij best op voorhand contact opnemen met de RvV om de bewijsstukken

van de overmacht over te maken.

De zitting is in principe openbaar. In uitzonderlijke gevallen kan aan de rechter een zitting

met gesloten deuren worden gevraagd. De rechter kan dit ook ambtshalve bevelen.

Ter zitting kunnen partijen mondeling hun opmerkingen voordragen. Behalve in het geval

van nieuwe gegevens (zie hoger) kunnen zij enkel bepleiten wat in hun verzoekschrift

of verweernota is uiteengezet.

De voorzitter kan, indien hij dat nodig acht, de partijen ondervragen. Dit zal enkel met

een tolk gebeuren, indien dit in het verzoekschrift werd gevraagd.

Let op: procedure-incidenten zijn mogelijk (bijvoorbeeld het stellen van een prejudiciële

vraag, van valsheid betichte stukken, verknochtheid, wraking, enz.), die al dan niet kunnen

worden gevolgd door een tussenvonnis. Wees hierop voorbereid, te meer omdat de

functionaris van het CGVS een gespecialiseerd iemand is.

Wanneer de asielzoeker in detentie is, dan verloopt de procedure op versnelde wijze,

zoals omschreven in artikel 39/77 Vreemdelingenwet.

Aandachtspunten: hoorzitting

¬ Wees aanwezig en bereid je goed voor. In geval van overmacht toon je dit

duidelijk aan.

Het adres:

Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

Gaucheretstraat 92-94

1030 Brussel

106 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


¬ Mondelinge opmerkingen kunnen tijdens de zitting door asielzoeker en advocaat

worden meegedeeld.

¬ Er zal enkel rekening gehouden worden met nieuwe informatie en verklaringen

tijdens de zitting onder strenge voorwaarden.

¬ De hoorzitting verloopt in het Nederlands of Frans (de taal die bij het begin

van de asielprocedure werd vastgelegd) en een tolk wordt ter beschikking

gesteld door de RvV indien de asielzoeker bij de asielaanvraag reeds om een

tolk verzocht.

C.5 Het arrest

De RvV kan de beslissing van het CGVS vernietigen, hervormen of bevestigen.

Vernietiging

De RvV heeft, in tegenstelling tot de vroegere Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen,

geen eigen onderzoeksbevoegdheid meer. Zij zal dus enkel kunnen beslissen op basis

van het voorliggende dossier (en op grond van informatie die van algemene bekendheid

is 51 ) . Indien zij niet kan beslissen op basis van het dossier zal ze de beslissing van

het CGVS vernietigen en het dossier terugsturen naar het CGVS. Dit is het geval indien:

¬ er substantiële onregelmatigheden zijn die niet door de RvV kunnen worden

hersteld;

¬ essentiële elementen ontbreken zodat de RvV niet kan komen tot een beslissing

zonder dat aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd.

Na een vernietiging moet het CGVS opnieuw een beslissing nemen. Deze is niet noodzakelijk

positief, maar het CGVS zal wel rekening moeten houden met de opmerkingen

van de RvV.

Hervorming of bevestiging

Indien de RvV genoeg elementen heeft om te beslissen op basis van het dossier kan ze

zelf beslissen over de vluchtelingenstatus en over de subsidiaire bescherming. Indien ze

tot dezelfde conclusie komt als het CGVS is er sprake van een “bevestiging”, indien de

RvV een andere mening heeft zal ze de beslissing van het CGVS “hervormen”.

Wie door het CGVS de subsidiaire bescherming toegekend kreeg en hiertegen in beroep

ging, kan door de RvV erkend worden als vluchteling. Daarnaast kan de persoon de subsidiaire

beschermingsstatus behouden, maar ook verliezen!

51 Rvs 181.821 van 8 april 2008, T.Vreemd. 2008, nr. 3.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 107


Wie geen enkele status kreeg van de CGVS, kan door de RvV de vluchtelingenstatus of

subsidiaire bescherming krijgen.

Volgende hypotheses kunnen zich bij een hervorming of bevestiging voordoen:

¬ De RvV erkent betrokkene als vluchteling

Ongeveer één maand na de erkenning zal betrokkene opgeroepen worden om het attest

van erkenning af te halen. Erkende vluchtelingen hebben een speciaal statuut (zie

verder).

¬ De RvV weigert de vluchtelingenstatus, maar kent de subsidiaire bescherming

toe

Personen onder subsidiaire bescherming hebben zoals aangegeven eveneens een speciaal

statuut. De rechten van de subsidiair beschermde zijn vergelijkbaar maar minder

verregaand dan die van de erkende vluchteling (zie verder).

Indien de asielzoeker niet akkoord is met de beslissing van de RvV kan hij tegen de beslissing

van de RvV een cassatieberoep indienen bij de Raad van State. Aangezien dit beroep

niet opschortend is, zal hij in afwachting van de behandeling ervan toch het subsidiair

beschermingsstatuut toegekend krijgen.

¬ De RvV weigert zowel de vluchtelingenstatus als de subsidiaire beschermingsstatus

In het arrest moet worden gemotiveerd waarom beide statuten worden geweigerd. De

beslissing wordt aangetekend verstuurd naar de gekozen woonplaats van de kandidaatvluchteling.

De RvV brengt de DVZ op de hoogte van de negatieve beslissing. De asielzoeker

kan nog een cassatieberoep tegen de beslissing van de RvV indienen bij de Raad

van State.

De negatieve beslissing wordt eveneens in het wachtregister ingevoerd. De gemeente,

die in het wachtregister de stand van de procedure ziet, vraagt aan de DVZ instructies.

De DVZ zal dan de instructie geven aan de gemeente om het verblijfsdocument (AI) in

te trekken en een bevel af te geven om het grondgebied te verlaten (Bijlage 13 quinquies).

Op een bevel om het grondgebied te verlaten, staat een termijn binnen dewelke men

het grondgebied dient te verlaten. Als deze termijn is verstreken, bevindt de asielzoeker

zich illegaal op het grondgebied en kan hij worden opgesloten en onder dwang worden

gerepatriëerd.

Soms zijn er goede redenen om deze termijn te verlengen. In welke gevallen en hoe deze

termijn kan worden verlengd, zie hoofdstuk VII. Na afloop van de asielprocedure.

108 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Aandachtspunten: beslissing RvV

¬ Overloop met de asielzoeker de gevolgen van de beslissing die genomen

werd en wijs hem op de mogelijkheden die hij (nog) heeft.

¬ In geval van erkenning verwijzen we naar hoofdstuk VII van het handboek.

¬ In geval van subsidiaire bescherming verwijzen we naar hoofdstuk VII van het

handboek.

¬ In geval van een weigeringsbeslissing evalueert de advocaat deze beslissing

samen met de asielzoeker. Indien nodig stelt de advocaat tegen deze beslissing

een cassatieberoep in bij de RvS. Daar beroepstermijnen kort zijn is het

aan te raden om zo vlug mogelijk advies te geven in de dossiers. Indien de

advocaat beslist om geen beroep in te dienen, zou de asielzoeker de kans

moeten hebben om een tweede advies te vragen aan een andere advocaat.

Indien er gewacht wordt tot de allerlaatste dag om de asielzoeker te melden

dat er geen beroep zal worden ingediend, ontneemt men de asielzoeker deze

mogelijkheid.

¬ De beslissing wordt aangetekend verstuurd naar de gekozen woonplaats en

zal worden ingevoerd in het wachtregister. Het gevolg hiervan is dat de gemeente

aan DVZ om instructies zal vragen. De DVZ kan de instructie geven om

het verblijfsdocument in te trekken en de gemeente zal dan een bevel om het

grondgebied te verlaten afleveren of een nieuwe termijn op het reeds afgeleverde

bevel aanbrengen (Bijlage 13qq).

¬ Als de termijn voor het instellen van een cassatieberoep of de termijn op de

Bijlage 13qq verstreken is, bevindt de asielzoeker zich illegaal op het grondgebied.

De procedure is nu afgesloten en er moet met de asielzoeker bekeken

worden welke stappen hij vervolgens zal zetten. We verwijzen voor de behandeling

hiervan naar het hoofdstuk VII van dit handboek.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 109


D De Raad van State

We gaan hier heel kort ook in op de beroepsmogelijkheid tegen een arrest van de RvV.

Deze procedure is geregeld in het zogenaamde procedurereglement voor de cassatieprocedure

52 .

D.1 Procedure

Tegen de beslissing van de RvV kan men een administratief cassatieberoep indienen bij

de Raad van State (RvS). Dit rechtscollege zal zich uitspreken over de vraag of er geen

schending is van de wet of van een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven

vormvereiste 53 .

Het cassatieberoep is niet schorsend, en een apart verzoek tot schorsing is niet mogelijk.

De Raad van State zal zich niet uitspreken over de grond van de zaak. Ze kan dus geen

verblijfsstatuut toekennen. Wel kan ze nagaan of de RvV juridisch correct gehandeld

heeft bij het nemen van haar beslissing.

Een cassatieberoep moet altijd ingediend worden met de bijstand van een advocaat: hij

of zij moet het verzoekschrift ondertekenen.

Het cassatieberoep moet bovendien verplicht opgesteld worden in de taal die gebruikt

werd in de asielprocedure.

De RvS past een filterprocedure toe bij cassatieberoepen. Alvorens een cassatieberoep te

behandelen gaat de RvS na of het beroep wel toelaatbaar is 54 .

Volgende verzoeken worden niet toegelaten:

¬ Cassatieberoepen waarvoor de RvS niet bevoegd is of geen rechtsmacht heeft

of die kennelijk onontvankelijk zijn.

Volgende verzoeken worden wel toegelaten:

¬ Cassatieberoepen waarvan de middelen een schending van de wet of een

substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste aanvoeren,

voor zover het erin aangevoerde middel niet kennelijk ongegrond is

en voor zover die schending daadwerkelijk van die aard is dat ze tot cassatie

van de bestreden beslissing kan leiden en de strekking van de beslissing kan

hebben beïnvloed.

52 K.B. van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State – B.S. 1

december 2006.

53 Artikel 14§2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973.

54 Artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973.

110 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


OF

¬ Cassatieberoepen waarvoor de RvS niet onbevoegd of zonder rechtsmacht

is en die niet zonder voorwerp of kennelijk onontvankelijk zijn en waarvan

het onderzoek noodzakelijk blijkt om te zorgen voor de eenheid van rechtspraak.

Binnen de maand zou er in principe een gemotiveerde beslissing over de toelaatbaarheid

moeten vallen. Na een beslissing van toelaatbaarheid heeft de RvS zes maanden

om uitspraak te doen over de gegrondheid van het cassatieberoep. Deze termijnen zijn

richttermijnen, een overtreding heeft geen gevolgen.

Indien blijkt dat de RvV de wet heeft overtreden zal de RvV een nieuwe beslissing moeten

nemen. De nieuwe beslissing is niet noodzakelijk positief, ze kan bijvoorbeeld opnieuw

negatief, maar beter gemotiveerd zijn.

Indien een cassatieberoep ontoelaatbaar of ongegrond wordt bevonden, dan kan de RvS

eventueel van oordeel zijn dat het gaat om een ‘kennelijk onrechtmatig beroep’ en de

indiener een geldboete tussen 125 en 2 500 euro opleggen.

D.2 Beroepstermijn

Inzake beroepen tegen beslissingen over verblijfsrecht geldt een termijn van 30 dagen

vanaf de kennisgeving van de beslissing waartegen beroep bij de Raad van State

werd ingediend.

D.3 Zegelrechten

Per persoon en per verzoekschrift moet voor 175 € zegelrechten betaald worden. Deze

rechten hoeven echter niet meteen bij het indienen van het verzoekschrift betaald te

worden: ze worden “in debet” ingeschreven bij het registratiekantoor. Dit wil zeggen dat

de overheid het bedrag achteraf kan opeisen, indien de persoon voldoende bestaansmiddelen

heeft.

Artikel 33 van het procedurereglement van de Raad van State voorziet een “pro-Deoprocedure”

waardoor het hierboven omschreven zegelrecht van € 175, niet verschuldigd is.

Vreemdelingen kunnen zich beroepen op deze rechtsbijstand, indien hun aanspraak

rechtmatig lijkt en indien zij aantonen dat hun inkomsten ontoereikend zijn (art. 667

en 668 Ger.Wb.). De voorzitter van de Kamer waarbij de zaak aanhangig is, doet zonder

rechtspleging uitspraak over de pro-Deoaanvraag. Hiertegen is geen beroep mogelijk. Bij

een weigeringsbeslissing moet de verzoekende partij alsnog het zegelrecht betalen.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 111


D.4 Verblijf gedurende de procedure

Eerst en vooral is het belangrijk te weten dat het indienen van een verzoek bij de RvS

tegen een beslissing inzake asiel geen schorsende werking heeft.

Dit wil zeggen dat een vreemdeling zonder verblijfsrecht toch van het grondgebied kan

worden verwijderd, ook al is hij een procedure bij de RvS begonnen: hij bevindt zich immers

illegaal in België.

Anderzijds heeft de asielzoeker die een cassatieberoep indiende bij de RvS wel recht op

OCMW-steun of verdere materiële hulp in een opvangstructuur tot aan de definitieve

uitspraak.

De meeste asielzoekers die een verzoek bij de RvS indienden in België worden “gedoogd”

voor de duur van de procedure.

112 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


VI BIJZONDERE SITUATIES

1 - Alleenstaande minderjarige asielzoekers 1

De begeleiding van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (NBMV) is op bijzondere

wijze geregeld. In het licht van dit handboek hebben we alleen aandacht voor de

begeleiding van de alleenstaande minderjarige asielzoeker (AMA), een specifieke groep

onder de niet-begeleide minderjarigen vreemdelingen.

De voogdijregeling werd uitgewerkt in de voogdijwet van 24 december 2002 2 en het KB

van 22 december 2003 3 .

Iedere 4 alleenstaande minderjarige asielzoeker die asiel aanvraagt aan de grens of op het

grondgebied krijgt een voogd aangeduid door de Dienst Voogdij. Deze dienst ressorteert

onder de Federale Overheidsdienst Justitie.

De algemene opdracht van de voogd bestaat erin om de minderjarige te vertegenwoordigen

in het kader van alle rechtshandelingen en dus ook in de asielprocedure en alle

andere procedures (voor de administratie of de rechtbanken). De voogdijregeling gaat

terug op de vaststelling dat minderjarigen niet handelingsbekwaam zijn.

Belangrijk is dat de voogdijwet zeer duidelijk stelt dat bij iedere beslissing die genomen

wordt inzake minderjarigen, hun belangen primeren. De voogd heeft dan ook als opdracht

om te allen tijde op te komen voor de belangen van de minderjarige.

Naast de algemene opdracht van vertegenwoordiging geeft de wet een aantal specifieke

opdrachten aan de voogd:

1) een asielaanvraag indienen;

[ BIJZONDERE SITUATIES ]

2) in het belang van de minderjarige waken over de naleving van de vreemdelingenwet;

1 Niet Begeleide Minderjarige Vreemdelingen (NBMV) die een asielaanvraag indienen worden Alleenstaande

Minderjarige Asielzoekers genoemd (AMA).

2 Programmawet van 24 december 2002 tot organisatie van de voogdij over niet-begeleide minderjarige

vreemdelingen, BS 31 december 2002.

3 K.B. van 22 december 2003 tot uitvoering van titel XIII, hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige

vreemdelingen” van de programmawet van 24 december 2002, BS 29 januari 2004.

4 Voor Europese niet-begeleide minderjarigen geldt een andere regeling.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 113


3) rechtsmiddelen aanwenden;

4) begeleiding van de NBMV in elk stadium van de procedure;

5) bijstand aan een advocaat vragen;

6) zorg dragen voor de NBMV tijdens zijn verblijf: onderwijs, passende psychologische

bijstand en medische verzorging;

7) passende huisvesting (wanneer de NBMV niet in een opvangcentrum verblijft);

8) erover waken dat de politieke, filosofische en godsdienstige overtuiging van

de NBMV in acht wordt genomen;

9) familieleden opsporen;

10) een duurzame oplossing zoeken in het belang van de minderjarige;

11) aan de NBMV alle beslissingen uitleggen die genomen zijn door de autoriteiten;

12) de goederen van de NBMV beheren;

13) alle passende maatregelen nemen opdat de NBMV de hulp van de overheden

ontvangt;

14) binnen de 15 dagen een rapport opmaken over de persoonlijke situatie van

de NBMV;

15) opleidingen volgen.

De voogd zal zijn opdracht enkel kunnen uitvoeren als hij zich volledig onafhankelijk

opstelt ten aanzien van alle betrokken overheden en actoren.

Dit is ook vastgelegd in de wet. De voogdijwet stelt dat de voogden geen richtlijnen

mogen krijgen van de asielinstanties, noch van alle andere diensten die de minderjarige

begeleiden.

De taken van de voogd zijn zo ruim omschreven dat het gevaar bestaat dat iedere andere

begeleider die in contact komt met de minderjarige richting voogd kijkt voor de totaliteit

van de begeleiding. Dit is niet aangewezen en evenmin de bedoeling van de voogdijregeling.

De voogd heeft een waakhondfunctie, wat betekent dat hij erop moet toezien dat alle

instanties en diensten die verantwoordelijkheid dragen voor de niet-begeleide minderjarige

(begeleiders in de opvanginstellingen, de overheid in het algemeen, de school, de

DVZ, het CGVS enz.) hun verantwoordelijkheid opnemen. Waakhond zijn betekent niet

dat de voogd de taken van de verantwoordelijke instanties uitvoert, maar wel dat hij

controleert of alle instanties hun werk naar behoren doen en handelen in het belang van

de minderjarige.

114 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


De voogd als waakhond waakt erover dat de asielprocedure correct verloopt, rekening

houdend met de leeftijd en de psyche van de minderjarige. Dit doet hij o.m. door aanwezig

te zijn tijdens de interviews en tussen te komen waar nodig. De voogd waakt erover

dat de advocaat zijn taak naar behoren invult, dat de jongere goed gehuisvest is, dat de

school haar verantwoordelijkheid neemt, dat de DVZ ingaat op de voorstellen tot duurzame

oplossing, dat de OCWM’s tussenkomen waar ze moeten tussenkomen, dat er een

goede opvang wordt geboden enz. De waakhondfunctie houdt in dat de voogd proactief

optreedt, controleert, vaststelt hoe de situatie is en indien nodig tussenkomt opdat de

situatie zou verbeteren in het belang van zijn pupil.

Wat men moet vermijden is dat advocaat, voogd of hulpverlener er verkeerdelijk van uit

gaan dat één van de anderen de minderjarige begeleidt. Het feit dat er meerdere begeleiders

zijn, leidt niet noodzakelijk naar een betere begeleiding indien dit niet gepaard gaat

met een goede communicatie en taakafbakening tussen hen. Het is voor een jongere

heel belangrijk te voelen dat hij in een netwerk is opgenomen. De voogd zal deel moeten

uitmaken van dit netwerk. Dit betekent in de praktijk dat de voogd eerst en vooral

zal horen wat de individuele maatschappelijke werkers en opvoeders (in de opvanginstelling)

weten over de minderjarige. Welk aanvoelen hebben zij bij deze minderjarige?

Het is heel belangrijk dat er overleg en uitwisseling van informatie is, ermee rekening

houdende dat ook de maatschappelijke werkers door een beroepsgeheim gebonden zijn

en dat er een gedeeld beroepsgeheim is. Volgens veldwerkers zal de jongere ook maar

vertrouwen kunnen krijgen in de voogd als de individuele maatschappelijke werkers ook

vertrouwen hebben in de voogd.

Idealiter zou er tweemaal per jaar ook een ‘coördinatievergadering’ moeten worden gehouden

met het “netwerk” (jongere, advocaat, begeleider opvang, school, enz.) geleid

door de voogd. Deze vergadering zou heel de situatie van de jongere moeten evalueren.

Alleen een goede communicatie en taakafbakening tussen de diverse begeleiders kan

leiden tot een goede opvolging van de minderjarige. Voogd, advocaat en andere hulpverleners

moeten van elkaar weten welk stuk van de begeleiding elk van hen opneemt

en ook aan de minderjarige moet men dit duidelijk meedelen. Iedere begeleider blijft

de taken opnemen waar hij/zij expertise in heeft en voert deze ook uit ten aanzien van

andere asielzoekers.

De advocaat zou zich - ook al is er een voogd aangesteld - moeten concentreren op de

procedurele kant van de belangenbehartiging van de minderjarige. Los daarvan moet

ook de voogd aanwezig zijn bij alle persoonlijke contacten die de AMA heeft met de

asielinstanties. Hij is samen met de AMA aanwezig bij de asielaanvraag op de DVZ, tijdens

het interview op het CGVS en nadien eventueel ter zitting bij de RvV .

We wijzen erop dat er in Brussel, Antwerpen, Namen en Charleroi pools van advocaten

zijn opgericht gespecialiseerd in jeugd- en vreemdelingenrecht voor minderjarigen (specifiek

gespecialiseerd in niet-begeleide minderjarigen). Meer informatie kan je hierover

bekomen bij de lokale Bureaus voor Juridische Bijstand. Voor algemene informatie over

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 115


de Voogdijwet kan men terecht op de website van Service de Droit des Jeunes www.sdj.

be.

De Federale Overheidsdienst Justitie heeft haar uitgebreid Vademecum onlangs geactualiseerd

en bijgewerkt: Vademecum voor voogden van Niet-Begeleide Minderjarige Vreemdelingen.

Dit vademecum is een praktisch hulpmiddel dat zeer begrijpelijk en volledig is,

ook voor nieuwe en onervaren voogden. Het is op te vragen bij de Dienst Voogdij of te

downloaden via de website van de Federale Overheidsdienst Justitie www.just.fgov.be.

2 - Vrouwelijke vluchtelingen en gender-gebonden vervolging

A Algemeen

De laatste jaren wordt in de literatuur en door de asielinstanties terecht meer aandacht

besteed aan de specifieke situatie waarin vrouwelijke vluchtelingen zich bevinden, alsook

aan gender-gebonden vervolging.

‘De’ vrouwelijke vluchteling bestaat echter niet, net zomin als ‘de’ vluchteling bestaat. Iedere

(vrouwelijke) vluchteling heeft haar/zijn eigen vluchtverhaal. Voor een aantal vrouwelijke

vluchtelingen zal de reden voor de vlucht op dezelfde gronden gebaseerd zijn als

voor mannen die hun land ontvluchten. Voor een aantal vrouwelijke vluchtelingen zal

het vluchtmotief moeilijker te achterhalen zijn. Het is voor deze laatste groep dat we hier

aandacht vragen.

Voor hen is er voor de begeleider een extra taak weggelegd om zowel bij de voorbereiding

als bij de behandeling van de asielprocedure bij de asielinstanties specifieke aandacht

te hebben en te vragen voor vrouwspecifieke en/of gender-gebonden situaties en

vervolgingsgronden.

Voor wat de vrouwspecifieke vervolgingsgronden betreft, leert de ervaring dat nog te

veel vrouwen er zich onvoldoende bewust van zijn dat ze eigen vluchtmotieven zouden

kunnen hebben. Indien de begeleider geen specifieke aandacht aan de eigen vluchtmotieven

besteedt, blijven al te vaak bepaalde zaken onvermeld.

Het is de taak van de begeleider de asielzoeker hiervan bewust te maken. De begeleider

die zich informeert over gewoonten en gebruiken ten aanzien van vrouwen in het land

van herkomst, alsook over sociaal-culturele en religieuze achtergronden zal in staat zijn

de juiste vragen te stellen aan de asielzoeker en om de aandacht van de asielinstanties te

vestigen op bepaalde situaties die relevant zijn voor de asielzoeker.

116 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Voor wat gender-gebonden vervolging betreft, kunnen we verwijzen naar de richtlijn van

het UNHCR van 7 mei 2002 5 . Deze richtlijn biedt een goede leidraad voor de begeleider

die bijzondere aandacht wil geven aan een gender-specifieke lezing van de vluchtelingendefinitie.

De richtlijn gaat dieper in op een interpretatie van de vluchtelingendefinitie vanuit een

“genderperspectief” en geeft achtergrondinfo.

De richtlijn beschrijft tevens de mogelijke vormen die de vervolging van vrouwen kan

aannemen, op de link met een van de vijf criteria, op de auteurs voor vervolging en op

de vijf criteria zelf.

De richtlijn stelt dat gender slaat op de verhouding tussen mannen en vrouwen op basis

van sociaal of cultureel onderbouwde en gedefinieerde identiteiten, statussen, rollen en

verantwoordelijkheden die aan het ene of het andere geslacht worden toegewezen.

Mannen of vrouwen die zich niet gedragen overeenkomstig deze sociaal of cultureel

bepaalde identiteiten, statussen, rollen of verantwoordelijkheden kunnen in bepaalde

gevallen gender-gebonden vervolging vrezen. Zowel vrouwen als mannen kunnen het

slachtoffer worden van gender-gebonden vervolging. Voorbeelden van gender-gebonden

vervolging zijn: seksueel geweld, huiselijk geweld, gedwongen familieplanning, genitale

verminking, bestraffing voor het niet respecteren van sociale gebruiken, discriminatie

van homoseksuelen, enz.

De moeilijkheid is een oorzakelijk verband aannemelijk te maken tussen het niet conformerende

gedrag en de vervolging.

Een moeilijk vraagstuk in deze context is ook de beoordeling van de houding van de

overheid. Biedt de overheid bescherming aan individuen of treedt ze niet of discriminerend

op ten aanzien van bepaalde groepen? Zeker in gevallen waar huiselijk geweld, of

misbruik van iemands seksuele geaardheid aan de orde zijn, speelt dit een rol.

Naast bovengaande elementen die vooral een rol spelen in de analyse van de asielaanvraag

en het naar boven brengen van het vluchtverhaal, moet de asielzoeker worden

ingelicht over een aantal rechten bij de behandeling van de asielaanvraag. Enkele hiervan

kwamen eerder al aan bod. We herhalen ze kort: mogelijkheid om een aparte asielaanvraag

in te dienen, mogelijkheid om te worden verhoord door iemand van hetzelfde

geslacht, mogelijkheid om een tolk van hetzelfde geslacht te vragen, mogelijkheid om

te vragen om in een aparte ruimte te worden verhoord, mogelijkheid om te verzoeken

om niet samen met familieleden te worden verhoord, mogelijkheid om beroep te doen

op kinderopvang om ongeremd te kunnen spreken en speciale aandacht voor zwangere

vrouwen en personen die het slachtoffer zijn geweest van seksueel geweld.

5 Guidelines on International protection No. 1: Gender-related persecution within the context of artikel

1 A (2) of the 1951 Convention and/or its 1967 Protocol relating the status of refugees (http://www.unhcr.

org).

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 117


B Vrees voor besnijdenis

We willen hier ingaan op de beschermingsmogelijkheden tegen rituele verminking van

de vrouwelijke geslachtsorganen.

Het CGVS krijgt immers meer en meer te maken met vrouwen die de vrees vrees voor

genitale verminking inroepen. Deze asielaanvragen gebeuren door:

¬ moeders van nog onbesneden dochters;

¬ onbesneden (jonge) vrouwen die besnijdenis vrezen;

¬ reeds besneden vrouwen die nog ergere besnijdenis vrezen.

Deze risicogroepen, die grotendeels afkomstig zijn uit Guinée, krijgen in principe de

vluchtelingenstatus toegekend. Het CGVS heeft sinds eind april 2008 een bijzondere procedure

ingevoerd voor de behandeling en opvolging van deze dossiers. Men wil deze

kwetsbare groep zoveel mogelijk beschermen. De sociale druk om tot besnijdenis over te

gaan is immers vaak groot en men wil voorkomen dat meisjes of jonge vrouwen alsnog

besneden worden, hetzij in België, hetzij tijdens een reis naar het buitenland.

In tegenstelling tot wat de algemene regel is:

¬ is de aanwezigheid van de betrokken meisjes op het gehoor bij hun ouders

verplicht;

¬ is het belangrijk een gedegen medisch attest voor te leggen dat aantoont dat

de vrouw of het meisje nog niet besneden is – eventueel kan het CGVS doorverwijzen

naar bepaalde artsen;

¬ worden deze beslissingen gemotiveerd door het CGVS. Men verwijst in de beslissing

ook naar de Belgische strafwet die vrouwenbesnijdenis uitdrukkelijk

verbiedt;

¬ worden de dossiers waar men toekomstige besnijdenis vreest, ook na de erkenning

opgevolgd;

¬ moet men na een beslissing tot erkenning een verklaring op eer ondertekenen

dat de vluchteling jaarlijks een medisch attest zal neerleggen dat bewijst

dat de betrokkene of diens dochter(s) niet (verder) besneden zijn. Doet

de vluchteling dit niet, dan kan eventueel de vluchtelingenstatus ingetrokken

worden. Het CGVS zal in geval van aanwijzingen van besnijdenis (omdat

bijvoorbeeld geen attest werd neergelegd) de zaak melden aan het parket.

Uit het medisch attest moet duidelijk blijken dat het meisje of de vrouw nog

steeds niet (verder) besneden is.

Volledigheidshalve dient nog te worden vermeld dat ook reeds besneden vrouwen die

worstelen met een trauma in aanmerking komen voor de vluchtelingenstatus (zie ook

dwingende redenen p. 54).

118 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Er bestaat in België een gespecialiseerde organisatie waar men terecht kan wanneer men

met het probleem wordt geconfronteerd. Men kan daar ook terecht voor een lijst van

gespecialiseerde geneesheren: GAMS (Groepering die zich inzet voor het Afschaffen van

Seksuele Verminking van Vrouwen) www.gams.be.

3 - Erkend als vluchteling in een ander land

Twee mogelijke situaties doen zich voor. Je bent in een ander land erkend en je hebt

al dan niet een nieuwe vrees voor vervolging in het land waar je als vluchteling bent

erkend:

Een vluchteling erkend in een bepaalde staat kan die staat verlaten op grond van nieuwe

vrees voor vervolging in die staat. In dat geval wordt de asielaanvraag volgens de gewone

asielprocedure beoordeeld. De vrees voor vervolging zal zowel ten aanzien van het

eerdere gastland als ten aanzien van het land van herkomst worden beoordeeld. Verblijf

van meer dan drie maanden in een derde land zal in geval van gegronde vrees niet worden

tegengeworpen aan de asielzoeker (zie ook eerder over veilig derde land).

Een persoon die in een ander land als vluchteling is erkend en die in België wil komen

wonen, zonder nieuwe vrees voor vervolging, kan niet automatisch voor een lange

periode in België verblijven. Hij is onderworpen aan de gebruikelijke regels met betrekking

tot visa en verblijfsvergunningen van langere duur, zoals tijdelijk verblijf, verblijf

voor studies, verblijf van onbeperkte duur of gezinshereniging.

Indien een familielid van de vreemdeling als vluchteling erkend werd in een ander land

van de Europese Unie, dan mag hij in België blijven voor een periode van maximum drie

maanden indien hij houder is van een “reisdocument voor vluchtelingen” dat in het land

van toevlucht werd uitgereikt.

Om langer in het land te blijven, heeft men een verblijfsvergunning nodig die werd uitgereikt

door de Belgische ambassade of het Belgische consulaat in het land van toevlucht.

Indien een familielid als vluchteling erkend werd in een niet-Europees land, zal een toeristenvisum

meestal noodzakelijk zijn om naar België te reizen. Voor een vergunning van

langere duur moet men zich richten tot de ambassade of het consulaat van België 6 .

Om in België de overdracht of de bevestiging te krijgen van de vluchtelingenstatus die

werd toegekend in een ander land, zelfs een lidstaat van de Europese Unie, moet men:

1. een verblijfsvergunning bezitten die werd uitgereikt door de ambassade of

het consulaat van België met het oog op familiehereniging (bij een tijdelijke

verblijfsvergunning, voor studies in België bijvoorbeeld, is een overdracht van

status niet mogelijk);

6 Zie www.diplobel.be voor alle adressen van Belgische ambassades en consulaten.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 119


2. ingeschreven zijn in de gemeente en houder zijn van een “witte kaart” (BIVR)

of een “gele kaart” (identiteitskaart voor vreemdelingen);

3. toegelaten zijn tot een verblijf van onbepaalde duur (gezinshereniging geeft

tijdens de eerste drie jaar recht op een verblijf van bepaalde duur. De wet geeft

dan geen recht op een overdracht (bevestiging) van de vluchtelingenstatus);

4. al minstens 18 maanden regelmatig en zonder onderbreking in België verblijven,

zonder beperking in de duur van het verblijf;

5. de bevestiging van de vluchtelingenstatus aanvragen bij het CGVS en bij de

aanvraag een kopie voegen:

- van de “witte kaart” of “gele kaart”;

- van het reisdocument dat is uitgereikt in het land dat de vluchtelingenstatus

heeft erkend.

De Commissaris-generaal kan beslissen om de status te bevestigen als aan de voorwaarden

wordt voldaan. Door de overdracht of de bevestiging van de vluchtelingenstatus die

in een ander land werd toegekend, kan men de voordelen genieten die in België met de

status van erkende vluchteling verbonden zijn. Vooraleer deze overdracht is toegekend,

kan alleen het land dat de vluchtelingenstatus heeft erkend, een “reisdocument” verlengen

of uitreiken.

Er is een probleem wanneer de asielaanvraag van een vluchteling die werd erkend in een

derde land, wordt geweigerd door de asielinstanties, terwijl de overheden van het land

waar deze vluchteling werd erkend hem niet meer toelaten naar dit land terug te keren.

Daarom is het van belang na te gaan of deze vluchteling al dan niet kan terugkeren naar

het land waar hij werd erkend.

4 - Staatloosheid

Tot op heden 7 is de rechtbank van Eerste Aanleg bevoegd om zich uit te spreken over het

statuut van staatloze.

De redenen waarom iemand staatloos is, variëren. De oorzaak kan bijvoorbeeld de discriminerende

nationaliteitswetgeving van een land zijn, maar ook het uiteenvallen van een

staat in meerdere staten of zelfs het feit dat iemand vrijwillig en bewust afstand heeft

gedaan van zijn nationaliteit.

Wie beweert staatloos te zijn moet dit staven voor de rechtbank. Hij moet m.a.w. via de

wetgeving en praktijken van het herkomstland aantonen dat hij geen nationaliteit meer

heeft.

7 In het regeerakkoord van Leterme 1 staat dat men het CGVS de bevoegdheid wil geven in plaats van de

rechtbank van Eerste Aanleg. Tot op heden is dit niet uitgevoerd.

120 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Een erkende staatloze beschikt in België niet over een bijzonder statuut, zoals bijvoorbeeld

dat van erkende vluchtelingen. De rechtbank die het statuut van staatloze toekent,

koppelt daar evenmin automatisch een verblijfsrecht aan vast. Dit verblijfsrecht moet

via een aanvraag van artikel 9 bis van de Vreemdelingenwet worden aangevraagd aan

de DVZ, na de erkenning van de staatloosheid door de rechtbank. Eén van de vereisten

hierbij is dat men aantoont dat er in het land van herkomst geen verblijfsrecht is en dat

men er onmogelijk naar kan terugkeren.

Maar ook tijdens de procedure tot erkenning als staatloze beschikt de kandidaat-staatloze

niet automatisch over een verblijfsrecht. In sommige gevallen heeft de rechtbank

van Eerste Aanleg via een kortgeding de DVZ verplicht een voorlopige verblijfstitel af te

leveren 8 .

Een asielzoeker kan erkend worden als vluchteling en als staatloze. Anderzijds is het

mogelijk dat een asielzoeker die niet erkend wordt als vluchteling wel erkend wordt als

staatloze.

Opgepast: als de kandidaat-staatloze ook nog een asielvraag heeft ingediend of als vluchteling

erkend werd, mag de betrokkene zich in principe niet wenden tot de autoriteiten

van het land dat hij ontvlucht is.

Gezien het om procedures gaat voor de rechtbank van Eerste Aanleg en de rechtspraak

met betrekking tot staatlozen erg uiteenlopend is, is het aangewezen een beroep te

doen op een advocaat als raadsman.

De stedelijke integratiedienst van de stad Gent heeft een zeer praktische en uitgebreide

handleiding geschreven omtrent staatlozen: “Staatlozen: nergens en nooit onderdaad,

overal en altijd vreemdeling. Praktijkgerichte handleiding”, Gent, 2007. Men kan dit

handboek kosteloos bestellen bij het team Rechtspositie van de Stedelijke Integratiedienst

Gent (integratiedienst@gent.be of tel. 09/265.77.05). Het is ook te downloaden

op www.gent.be.

8 Rb. Gent 29 augustus 1997 (kortgeding), T. Vreemd. 1998, nr. 1 en 2, 61; Brussel 17 februari 2000, J.T.

2000, 5984, 719; Brussel 4 mei 1999, Rev.dr.étr. 1999, nr. 103, 243; Rb. Brussel 11 april 1997 (kortgeding),

T. Vreemd., 1997, nr. 1, 63.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 121


122 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


VII NA AFLOOP VAN DE ASIELPROCE-

DURE

Als begeleider zal je je steeds vergewissen van het traject dat de afgewezen asielzoeker

heeft afgelegd. Indien de begeleiding tijdens de asielprocedure altijd door dezelfde begeleider

gebeurde, dan zal de beoordeling van de individuele situatie in het verlengde

van de eerder opgestarte begeleiding liggen. Dit is niet altijd het geval. Het is mogelijk

dat een afgewezen asielzoeker zich voor het eerst bij jou aanbiedt op het einde van

de procedure. De asielzoeker zal in dit geval vaak op zoek zijn naar een tweede advies

aangaande zijn situatie in België. Probeer altijd een duidelijk zicht te krijgen op alle relevante

elementen vooraleer een advies te geven. Aan het eind van de procedure blijkt

hoe waardevol een goed bijgehouden dossier kan zijn. Zonder al te veel moeite kunnen

de asielzoeker en de begeleider alle genomen stappen en beslissingen reconstrueren en

er de gepaste conclusies uit trekken.

1 - Erkend als vluchteling

Erkende vluchtelingen hebben nagenoeg dezelfde rechten en plichten als Belgen. We

geven hieronder een kort overzicht:

A Verblijf

[ NA DE ASIELPROCEDURE ]

De erkenning van de vluchtelingenstatus geeft recht op een onbeperkt verblijf in België.

De erkende vluchteling moet vragen om te worden ingeschreven in het vreemdelingenregister

van de gemeente waar hij verblijft. Op vertoon van het vluchtelingenattest dat

hem werd uitgereikt door het CGVS, reikt de gemeente hem een identiteitsdocument

uit:

¬ In de meeste gevallen, een elektronische B kaart dat 5 jaar geldig is en zonder

voorwaarden hernieuwd wordt (voorheen een Bewijs van Inschrijving in het

Vreemdelingenregister (BIVR), witte kaart onbeperkt verblijf)

De verlenging of de hernieuwing moet worden aangevraagd door de erkende vluchteling.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 123


B Tewerkstelling

Een erkende vluchteling heeft geen werkvergunning nodig. Hij heeft toegang tot de arbeidsmarkt

onder dezelfde voorwaarden als Belgen. Hij heeft evenmin een beroepskaart

nodig om zich als zelfstandige te vestigen.

C Reizen

Om geldig naar het buitenland te kunnen reizen heeft de erkende vluchteling een «reisdocument

voor vluchteling» nodig, ook wel «blauw paspoort» genoemd. Hij riskeert immers

zijn vluchtelingenstatus te verliezen als hij een paspoort vraagt aan de ambassade

van zijn land van herkomst. Het blauwe paspoort is zelfs verplicht om te reizen naar een

land van de Europese Unie. Elk familielid dat als vluchteling werd erkend, moet zijn eigen

blauwe paspoort hebben.

We raden aan om altijd informatie in te winnen over de vereiste visa bij de ambassades

of consulaten van de landen waar de vluchteling naartoe wil gaan, zelfs voor een land

van de Europese Unie. De adressen van de ambassades en consulaten vind je op www.

diplobel.be.

Het is de erkende vluchteling in principe niet toegestaan terug te keren naar zijn land

van herkomst, aangezien hij erkend werd wegens vrees voor vervolging in dat land. Als

hij toch naar zijn land zou reizen, riskeert hij om die reden zijn vluchtelingenstatus te

verliezen. In sommige uitzonderlijke gevallen (bijvoorbeeld een begrafenis van een familielid)

mag de vreemdeling naar zijn land gaan voor een korte periode, maximum een

maand. Hij moet dan de toestemming krijgen van het CGVS. Het CGVS bepaalt, indien het

akkoord gaat, de voorwaarden voor dit verblijf.

D Documenten aanvragen

De dienst Documenten van het CGVS is bevoegd om aan de erkende vluchteling de documenten

uit te reiken. Het is hem immers niet toegestaan om zich tot de ambassade of het

consulaat van zijn land van herkomst te richten om officiële documenten aan te vragen

zoals een getuigschrift van geboorte, huwelijk, enz.

Op de website van het CGVS kan je formulieren downloaden om deze documenten aan

te vragen.

E Vluchtelingenstatus voor de minderjarige kinderen

De kinderen die tegelijk met de vreemdeling in België zijn aangekomen en werden geregistreerd

bij de asielaanvraag, worden als vluchteling erkend. Dit betekent dat de kinderen

ingeschreven moeten zijn op de Bijlage 25 of 26, die door de DVZ werd afgeleverd.

124 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Als een kind tijdens de procedure wordt geboren in België moet de geboorte via de gemeente

geregistreerd worden. De gemeente faxt de geboorteakte door naar de DVZ (die

het wachtregister aanpast) en schrijft het kind bij op de bijlage van de moeder.

De kinderen die na de erkenning van de vluchtelingenstatus zijn aangekomen, moeten

worden aangegeven bij de Dienst Vreemdelingenzaken.

De kinderen die in België werden geboren na de erkenning van de vluchtelingenstatus,

worden niet automatisch erkend. De erkende vluchteling kan echter vragen dat die kinderen

dezelfde status genieten.

¬ Als beide ouders als vluchteling werden erkend, moet de aanvraag worden

gericht aan de dienst Documenten van het CGVS;

¬ Indien een van beide ouders niet als vluchteling werd erkend, dient de aanvraag

te worden gericht aan de DVZ, bureau asiel;

F Gezinshereniging

De naaste familieleden van de erkende vluchteling kunnen een «visum gezinshereniging»

aanvragen bij de Belgische diplomatieke post van het land waar zij zich bevinden.

Het is de Dienst Vreemdelingenzaken die de aanvraag zal behandelen. De familieleden

die hier bedoeld worden, zijn:

¬ de echtgenoot of geregistreerde partner;

¬ de kinderen ten laste die jonger zijn dan 18 jaar;

¬ gehandicapte kinderen ten laste die ouder zijn dan 18 jaar;

¬ de vader en de moeder van een erkende vluchteling, als hij jonger is dan 18

jaar en niet vergezeld wordt van een volwassene die voor hem zorgt.

De voorwaarden kunnen variëren naargelang de categorie. We gaan hier niet dieper

op in. Voor meer info kunt u surfen naar www.vreemdelingenrecht.be of neem contact

op met de juridische helpdesk van het Vlaams Minderhedencentrum (VMC). Gegevens

achteraan.

De familieleden die gemachtigd worden tot verblijf via gezinshereniging, krijgen een

verblijfsrecht dat beperkt is tot drie jaar. Na die drie jaar wordt de machtiging tot verblijf

onbeperkt.

Voor familiehereniging met erkende vluchtelingen zijn vooral het BCHV (hebben sedert

2008 een fonds om financiële hulp te verstrekken inzake familiehereniging van erkende

vluchtelingen) en de dienst Tracing van Rode Kruis Vlaanderen gespecialiseerde diensten

met heel wat ervaring (zie adressenlijst).

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 125


G Belg worden

De erkende vluchteling kan de Belgische nationaliteit verwerven. Hij verliest dan zijn

vluchtelingenstatus.

Mogelijke procedures zijn:

¬ De naturalisatie. Men moet dan ouder dan 18 jaar zijn en minstens twee jaar

wettelijk in België verblijven.

¬ De nationaliteitsverklaring. Men moet zeven jaar wettelijk in België verblijven,

of gehuwd zijn met een Belg(ische) en drie jaar met hem/haar samenwonen

(of zes maanden in sommige gevallen).

Wordt de erkende vluchteling Belg, dan worden zijn kinderen jonger dan 18 jaar over wie

hij het ouderlijke gezag uitoefent, eveneens Belg.

Als begeleider kan je de erkende vluchteling doorverwijzen naar sociale diensten die de

vluchteling kunnen helpen op het vlak van o.a. tewerkstelling, onderwijs, nationaliteitsverwerving

en eventueel familiehereniging. Je kan de website www.vreemdelingenrecht.

be raadplegen voor doorverwijzing naar eerstelijns sociale diensten.

H Afstand, beëindiging en intrekking van de vluchtelingenstatus

¬ Vrijwillig afstand doen van de vluchtelingenstatus en de gevolgen

Een vluchteling kan vrijwillig afstand doen van de vluchtelingenstatus. De vluchteling

kan dit doen door op het CGVS (Dienst Documenten) een verklaring “attest van het beëindigen

van het statuut” te ondertekenen. Met dit attest moet de vluchteling naar de gemeente

van feitelijk verblijf gaan. De gemeente zal de identiteitsdocumenten vervangen

op voorlegging van een geldig nationaal paspoort afgegeven door de ambassade van het

land van herkomst van de vluchteling. Het verblijfsrecht in België vervalt niet automatisch.

Dezelfde regels als voor andere vreemdelingen die op regelmatige basis in België

verblijven, gelden verder. Een overzicht van de rechten en plichten van de regelmatig op

het grondgebied verblijvende vreemdelingen kan men bekomen bij het VMC.

¬ Beëindiging van de vluchtelingenstatus en de gevolgen

Het CGVS kan de vluchtelingenstatus beëindigen wanneer de vluchteling: (1) een nieuwe

nationaliteit verwerft, (2) reist naar het land van herkomst zonder toestemming van het

CGVS, (3) zich opnieuw vestigt in het land van herkomst, (4) een paspoort bekomt van het

land van herkomst of (5) wanneer de omstandigheden die hebben geleid tot de erkenning

niet langer bestaan.

De vluchteling zal in die gevallen op het CGVS worden uitgenodigd. Hij zal moeten uiteenzetten

waarom hij denkt voort aanspraak te maken op de vluchtelingenstatus. Het

126 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


CGVS zal de status beëindigen indien deze niet langer met de werkelijkheid overeenstemt

en de vluchteling niet zelf afstand doet.

Een beslissing van beëindiging heeft dezelfde gevolgen als de vrijwillige afstand. Dit

betekent dat het verblijfsrecht behouden blijft en dat dezelfde regels gelden als voor de

andere op regelmatige basis verblijvende vreemdelingen.

Tegen een beslissing tot beëindiging van de vluchtelingenstatus staat een beroep met

volle rechtsmacht open bij de RvV.

¬ Intrekking van de vluchtelingenstatus en gevolgen

Indien de erkenning is gebeurd op basis van onjuiste of frauduleuze elementen of indien

het gedrag van de vluchteling aantoont dat er geen vrees is voor vervolging, kan het

CGVS de vluchtelingenstatus intrekken.

Het CGVS trekt het statuut uiterst zelden in.

De vluchteling zal naar het CGVS worden uitgenodigd. De vluchteling zal uitleg moeten

geven over de nieuwe elementen waarover het CGVS beschikt. Het CGVS zal een beslissing

tot intrekking nemen indien het oordeelt dat een intrekking van de status gerechtvaardigd

is.

Tegen een beslissing tot intrekking van het statuut staat eveneens een beroep met volle

rechtsmacht open bij de RvV.

In geval van intrekking is het de bevoegdheid van de DVZ om te oordelen of een verder

verblijf in België mogelijk is. In bepaalde gevallen kan de DVZ een bevel om het grondgebied

te verlaten betekenen.

2 - Toekenning subsidiaire beschermingsstatus

A Verblijf

De toekenning van de subsidiaire bescherming geeft het recht om in België te verblijven,

aanvankelijk voor een beperkte duur.

Het gemeentebestuur van de verblijfplaats reikt aan de persoon die subsidiaire bescherming

geniet, een elektronische A kaart uit (voorheen was dit een Bewijs van Inschrijving

in het Vreemdelingenregister (BIVR), witte kaart beperkt verblijf), dat één jaar geldig is.

Het kan jaarlijks worden verlengd en hernieuwd.

Vervolgens wordt de persoon die subsidiaire bescherming geniet, vijf jaar na het indienen

van de asielaanvraag, gemachtigd tot een verblijf van onbeperkte duur.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 127


B Tewerkstelling

De persoon die subsidiaire bescherming geniet, mag in België werken.

Tijdens de vijf jaren van beperkt verblijf moet hij een werkvergunning, genaamd «arbeidskaart

C», aanvragen.

Wanneer zijn verblijf onbeperkt is, heeft hij geen werkvergunning meer nodig.

Indien de persoon die subsidiaire bescherming geniet, zich als zelfstandige wenst te vestigen,

tijdens de duur van het beperkte verblijf, moet hij een «beroepskaart» bij het gemeentebestuur

aanvragen. Deze kaart zal worden uitgereikt door de dienst Economische

Vergunningen van de FOD Economie.

C Reizen

De persoon die subsidiaire bescherming geniet, mag naar het buitenland reizen. Hij moet

een geldig paspoort hebben en eventueel het vereiste visum voor het land waar hij naartoe

wil gaan. Hij moet ook zijn verblijfskaart bijhebben. Als hij geen paspoort heeft, kan

de FOD Buitenlandse Zaken hem een «vreemdelingenpaspoort» uitreiken, maar enkel

vanaf het ogenblik dat hij gemachtigd is tot een onbeperkt verblijf.

De persoon die subsidiaire bescherming geniet, moet zich bewust zijn van het feit dat

elke reis naar zijn land van herkomst zijn status van beschermde persoon in vraag kan

stellen. Een dergelijke reis kan namelijk betekenen dat de omstandigheden die de toekenning

van de subsidiaire bescherming mogelijk hebben gemaakt, opgehouden hebben

te bestaan of dat valse verklaringen aan de basis lagen van de toekenning van de

subsidiaire beschermingsstatus.

Hetzelfde geldt als de betrokkene contact zou opnemen met de ambassade van het land

van herkomst.

D Documenten aanvragen

Het CGVS is, in tegenstelling tot hetgeen voor erkende vluchtelingen geldt, niet bevoegd

om documenten van de burgerlijke stand uit te reiken aan personen die subsidiaire bescherming

genieten. Tegelijk kunnen zij zich ook niet altijd wenden tot hun ambassade

omdat dit zijn status van beschermde persoon in vraag zou kunnen stellen.

Eventueel zal de subsidiair beschermde een beroep moeten doen op de procedure voor

een akte van bekendheid (vervangt de geboorteakte voor huwelijk en naturalisatie).

Hiervoor kan hij terecht bij zijn advocaat.

128 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


E Subsidiaire bescherming voor minderjarige kinderen

De persoon die subsidiaire bescherming geniet, kan subsidiaire bescherming voor zijn

kinderen verkrijgen.

¬ De kinderen die tegelijk met de vreemdelingen in België zijn aangekomen,

genieten subsidiaire bescherming wanneer de kinderen werden vermeld op

de Bijlage 25 of 26, die door de DVZ werd afgeleverd.

¬ De kinderen die zijn aangekomen na de toekenning van de subsidiaire bescherming,

moeten worden aangegeven bij de Dienst Vreemdelingenzaken

om er een asielaanvraag in te dienen (tenzij gezinshereniging geregeld is –

zie hieronder).

¬ De kinderen die in België zijn geboren na de toekenning van de subsidiaire

bescherming, moeten worden ingeschreven in het vreemdelingenregister

door de gemeente, op voordracht van de geboorteakte.

F Gezinshereniging

Bepaalde familieleden van de subsidiair beschermde kunnen zich herenigen met hem/

haar zo gauw hij/zij een BIVR heeft.

Komen in aanmerking:

¬ de echtgenoot of geregistreerde partner;

¬ de minderjarige kinderen;

¬ de meerderjarige gehandicapte kinderen die omwille van hun handicap niet

kunnen voorzien in hun eigen behoeften.

De procedure verschilt naargelang de aanvraag in België of in het buitenland wordt gedaan,

dan wel of er een tijdelijke of definitieve BIVR is.

G Belg worden

De subsidiair beschermde kan de Belgische nationaliteit verwerven. Hij verliest dan zijn

subsidiaire beschermingsstatus.

Mogelijke procedures zijn:

¬ De naturalisatie. Men moet ouder dan 18 jaar zijn en minstens twee jaar wettelijk

in België verblijven.

¬ De nationaliteitsverklaring. Men moet zeven jaar wettelijk in België verblijven,

of gehuwd zijn met een Belg(ische) en drie jaar met hem/haar samenwonen

(of zes maanden in sommige gevallen).

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 129


Wordt de erkende vluchteling Belg, dan worden zijn kinderen jonger dan 18 jaar over wie

hij het ouderlijke gezag uitoefent, eveneens Belg.

H Beëindigen status

Het CGVS kan de subsidiaire beschermingsstatus opheffen of intrekken.

¬ Het CGVS kan de status opheffen wanneer de omstandigheden die de toekenning

van deze bescherming rechtvaardigden, in positieve zin geëvolueerd

zijn in het land van herkomst. Tijdens de vijf jaar van beperkt verblijf kan de

minister van Binnenlandse Zaken aan de persoon die subsidiaire bescherming

geniet, een bevel geven om het grondgebied te verlaten.

¬ Het CGVS kan de status intrekken wanneer de subsidiaire bescherming werd

toegekend op basis van valse verklaringen, valse documenten of verzwegen

feiten. Tijdens de tien jaar die volgt op de indiening van de aanvraag tot subsidiaire

bescherming kan de minister van Binnenlandse Zaken een bevel geven

om het grondgebied te verlaten

Het CGVS is, in geval van intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus, verplicht om

in zijn beslissing een advies te geven over het feit of een verwijderingsmaatregel naar het

land van herkomst in overeenstemming is met artikel 3 EVRM.

Tegen deze beslissingen is een beroep tot annulatie en schorsing mogelijk bij de RvV.

3 - Verlenging van een bevel om het grondgebied te verlaten

Als een asielzoeker geen vluchtelingen- noch subsidiaire beschermingsstatus verkrijgt,

zal hij normaliter automatisch een bevel krijgen om het grondgebied te verlaten.

In de praktijk is terugkeren naar het land van herkomst niet altijd mogelijk.

Artikel 3 van het EVRM en artikel 3 van het Anti-Folterverdrag werden al herhaalde malen

aangehaald. Het verbod op terugzending in geval van een reëel risico op een vernederende

of mensonterende behandeling of straf of foltering wordt door het CGVS alleen beoordeeld

in het kader van het onderzoek naar de toepassing van de subsidiaire bescherming.

De DVZ is, als administratieve overheid belast met de toelating van vreemdelingen

tot het grondgebied en met hun verwijdering, ambtshalve gehouden de desbetreffende

artikelen toe te passen alvorens tot verwijdering over te gaan. In de praktijk is in de beslissingen

van de DVZ echter weinig te merken van de ambtshalve toepassing van artikel

3 EVRM.

130 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Soms zijn er ook andere redenen die een verblijf in België kunnen rechtvaardigen, ondanks

de weigeringsbeslissing van de asielinstanties. Een van de mogelijkheden is een

aanvraag tot verlenging van (de termijn van) het bevel om het grondgebied te verlaten.

Als begeleider doe je er goed aan bij zulk een aanvraag uitdrukkelijk te verwijzen naar de

reële risico’s die bestaan bij terugkeer. Op die manier dwing je de DVZ om een uitspraak

te doen over het al dan niet bestaan van een risico bij terugkeer. Bij een ontbrekende of

onvoldoende motivering kan je een beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

instellen.

In welke gevallen vraag je een verlenging aan van het bevel om het grondgebied

te verlaten?

In de praktijk worden volgende redenen alvast door de DVZ aanvaard:

1 Humanitaire clausule in de beslissing van het CGVS

Indien het CGVS de toekenning van een status weigert, maar tegelijk de aandacht

van de minister of zijn gemachtigde vestigt op een klemmende humanitaire

situatie waarin de afgewezen asielzoeker zich bevindt, doe je er als begeleider

goed aan een verlenging van het bevel aan te vragen.

2 Situatie in het land van herkomstland

Ook wanneer de situatie in het herkomstland om praktische redenen of omwille

van de veiligheid ter plaatse verhindert dat een asielzoeker terugkeert, vraag je

een verlenging aan.

3 De afgewezen asielzoeker is ziek en zijn gezondheidstoestand laat hem niet toe te

reizen.

In dat geval kan de DVZ een verlenging van maximum drie maanden geven, mits

voorlegging van een medisch attest.

4 De afgewezen asielzoekster is zwanger.

DVZ verlengt het bevel om het grondgebied te verlaten vanaf de zevende maand

van de zwangerschap tot de twee maanden volgend op de geboorte.

5 De afgewezen asielzoeker beslist om vrijwillig terug te keren met de hulp van de Internationale

Organisatie voor Migratie (IOM).

De afgewezen asielzoeker moet aan DVZ kunnen aantonen dat hij bij IOM een

officiële aanvraag heeft ingediend om vrijwillig terug te keren. Indien IOM een

datum van vertrek kan vastleggen en de afgewezen asielzoeker een nationaal

identiteitsdocument kan voorleggen, zal de DVZ het bevel tijdelijk verlengen.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 131


6 Schoolgaande kinderen

Ouders van een minderjarig kind kunnen de DVZ vragen om hun bevel om het

grondgebied te verlaten te verlengen zodat het kind het schooljaar verder kan

afmaken. Dit geldt in principe enkel voor bevelen die worden afgeleverd vanaf

de paasvakantie.

Let op: Omdat EU-onderdanen geen bevel krijgen om het grondgebied te verlaten geldt

bovenstaande niet voor hen.

Hoe motiveer je de aanvraag, wat is de procedure die je moet volgen?

De praktijk van de verlenging van de bevelen is niet geregeld in de Vreemdelingenwet.

Er is nergens bepaald wie bevoegd is, noch volgens welke procedure de aanvraag moet

worden ingediend. Nochtans is de praktijk van de verlenging al jaren ingeburgerd. Je

doet er als begeleider steeds goed aan, vooraleer je een aanvraag tot de DVZ richt, na te

gaan welke informatie de DVZ nodig heeft. De aanvragen dien je in principe in bij bureau

C van de DVZ.

Gezien er geen standaardprocedure is, zijn er geen vormvereisten. Het spreekt voor zich

dat je de aanvraag tot verlenging zo grondig mogelijk motiveert en er alle dienstige bewijsstukken

aan toevoegt.

Wat is de houding van de DVZ?

De DVZ beslist geval per geval. Normaal verlengt de DVZ van maand tot maand, tenzij

duidelijk blijkt uit het dossier dat de terugkeer gedurende een langere periode onmogelijk

is. Dit betekent dat de afgewezen asielzoeker elke maand opnieuw een aanvraag tot

verlenging zal moeten indienen.

Op het ogenblik dat het vaststaat dat de terugkeer op korte termijn niet mogelijk is,

weigert de DVZ het bevel nog te verlengen, omdat men niet wil verlengen zonder einddatum.

De DVZ raadt in dat geval de aanvrager aan een artikel 9 bis of ter in te dienen.

Gezien de behandelingstermijn van deze procedure blijft de aanvrager vaak maanden

of jaren zonder verblijfstitel. Een oplossing op korte termijn is voor deze categorie van

personen niet te vinden.

Wat is de houding van de rechtspraak?

Tot op heden is er weinig rechtspraak voorhanden.

Dit is te wijten aan het feit dat de DVZ geen beslissing neemt ten aanzien van een aanvraag

tot verlenging. In dit geval zou men eigenlijk een procedure moeten opstarten

wegens het stilzitten van de overheid, maar materieel ontbreken vaak de noodzakelijke

bewijzen van aanmaning, opvolging van het dossier, enz.

132 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Indien de DVZ een negatieve beslissing neemt, dan staat een eerder afgeleverd en uitvoerbaar

bevel vaak een procedure bij de Raad van State in de weg. Men kan immers het

belang niet aantonen.

Wat kan je als begeleider doen?

Als begeleider doe je er goed aan na te gaan of een gerechtelijke tussenkomst nuttig is.

Ook kan je overwegen om, wanneer een beslissing uitblijft in geval van onmogelijkheid

tot terugkeer, een advies te vragen aan het College van Federale Ombudsmannen

(gegevens zie adressenlijst). Die dienst volgt deze problematiek op de voet op en pleegt

regelmatig overleg met de DVZ.

4 - Regularisatie

Bepaalde afgewezen asielzoekers kunnen humanitaire of medische redenen hebben om

een verder verblijf in België te willen aanvragen.

Deze mogelijkheid wordt voorzien in de wet. In het oude artikel 9 lid 3 en sinds juni

2007 in de artikelen 9bis (regularisatie omwille van humanitaire redenen) en 9ter (regularisatie

omwille van medische redenen) van de Vreemdelingenwet. Over de procedure

9ter hebben we het reeds gehad hierboven. Over de procedure van artikel 9bis willen we

het hier kort hebben. Hoewel het strikt genomen een uitzonderingsprocedure was en is,

wordt ze in de praktijk veelvuldig gebruikt.

Opdat de opgegeven humanitaire redenen in de aanvraag 9bis onderzocht zouden worden,

moeten er enkele ontvankelijkheidsvoorwaarden vervuld zijn.

¬ Aanwezigheid van buitengewone omstandigheden die het niet- aanvragen

van de machtiging tot verblijf in het buitenland rechtvaardigen.

Artikel 9 bis is immers een uitzondering op de regel dat men in de Belgische

ambassade of consulaat in het buitenland een aanvraag tot verblijfsmachtiging

doet. Het moet onmogelijk of bijzonder moeilijk zijn om naar zijn land

van herkomst af te reizen voor een aanvraag tot machtiging verblijf.

De aanwezigheid van buitengewone omstandigheden dient te worden beoordeeld

op het moment dat de aanvraag wordt behandeld en niet op het

moment dat de aanvraag werd ingediend.

¬ Beschikken over een identiteitsdocument (internationaal erkend paspoort,

gelijkgestelde reistitel of nationale identiteitskaart). Deze tweede

voorwaarde is echter niet van toepassing op asielzoekers met een lopende

asielprocedure (zolang de procedure loopt) of vreemdelingen die aantonen

dat zij in de onmogelijkheid verkeren om dit document in België te verwerven.

Let op: deze onmogelijkheid wordt zeer restrictief geïnterpreteerd door

de DVZ.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 133


¬ Nieuwe elementen: de aanvraag mag niet meer steunen op elementen die

reeds voordien werden ingeroepen of hadden moeten ingeroepen worden in

een asielprocedure, een medische verblijfsaanvraag of een vroegere regularisatieaanvraag.

Vervolgens gaat men in op de voorwaarden ten gronde: Zijn er redenen die een verblijf

van meer dan drie maanden in België rechtvaardigen? Terzake heeft de DVZ een zeer

ruime appreciatiemarge.

De criteria voor regularisatie zijn niet wettelijk bepaald. Over het algemeen kan men zeggen

dat er kans op regularisatie is wanneer er ernstige humanitaire redenen zijn om de

persoon een verblijfsrecht te geven.

Wanneer artikel 3 of 8 EVRM in het gedrang is, is het essentieel om deze bepalingen uitdrukkelijk

te vermelden en de motivering hieromtrent uit te werken.

Uit de praktijk en de toelichting van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat een aanvraag

meestal slechts zinvol is in één van de volgende gevallen:

¬ Lange asielprocedure

¬ Lange gezinsherenigingsprocedure

¬ Onverwijderbaarheid

¬ Staatlozen

¬ Bijzondere banden met België

Op 19 juli 2009 werd een instructie bekend gemaakt door de minister van Migratie. Deze

instructie vermeldt de verschillende situaties die aanleiding kunnen geven tot een regularisatie.

Het is daardoor duidelijker geworden welke gevallen aanleiding kunnen geven

tot een regularisatie. Volgende situaties worden opgesomd:

¬ Langdurige asielprocedures (met en zonder Raad van State)

¬ Prangende humanitaire omstandigheden

¬ Duurzame lokale verankering: onderbroken verblijf van 5 jaar

¬ Duurzame lokale verankering: voorleggen van een arbeidscontract

Voor deze twee laatste criteria, namelijk de regularisatie op basis van werk en die van

een onderbroken verblijf van 5 jaar, heeft men slechts een periode van 3 maanden om

een regularisatieaanvraag in te dienen, met name van 15 september tot en met 15 december

2009. De overige criteria kunnen blijvend het voorwerp uitmaken van een regularisatieaanvraag

totdat de instructie wordt opgeheven of gewijzigd.

De instructie is intussen verder verduidelijkt in twee vademecums.

Voor meer details en de teksten van de instructie en vademecums verwijzen we naar

www.vreemdelingenrecht.be.

134 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Voor details over de rechten en plichten tijdens illegaal verblijf verwijzen we naar een

brochure die te vinden is op de algemene website van het VMC: www.vmc.be onder Verblijfsstatuut

– Illegaal verblijf.

5 - Terugkeer

A Algemeen

Indien uit de individuele begeleiding van het dossier blijkt dat er geen nood is aan bescherming

en dat er ook geen andere elementen meespelen die een terugkeer bemoeilijken

of onmogelijk maken, dringt een intensiever gesprek over een terugkeer zich op.

De mogelijke verblijfsmotieven en verwijderbaarheid moeten nauwgezet en herhaaldelijk

(op het einde van de asielprocedure, maar ook bij aanhouding en vlak voor het gedwongen

vertrek) worden gecontroleerd.

De veiligheid bij terugkeer is niet zeker wanneer de asielprocedure nog niet definitief is

afgelopen, wanneer de asielprocedure niet correct is verlopen of wanneer de asielzoeker

aanspraak maakt op een of andere bescherming, maar deze nood niet zag omgezet in

een (voorlopige) verblijfstitel.

Om te kunnen werken aan een ondersteunde vrijwillige terugkeer van afgewezen asielzoekers

moet aan een aantal basisvoorwaarden voldaan zijn: de veiligheid in het land

van herkomst moet gewaarborgd zijn en er moet aandacht worden besteed aan de waardigheid

en het toekomstperspectief van de afgewezen asielzoeker.

In eerste instantie moet men zich goed kunnen informeren over de mogelijkheden van

een waardige en veilige terugkeer. Op basis daarvan kan de terugkeerder inschatten

welke de meest realistische verwachtingen zijn voor zijn leven na terugkeer, en kunnen

reeds bepaalde obstakels geïdentificeerd worden. Dit moet worden gecontroleerd

aan de hand van actuele, nauwkeurige en controleerbare informatie die door onafhankelijke

waarnemers wordt verstrekt. In de praktijk is deze informatie vaak afwezig, of

zijn er tegenstrijdige berichten. In deze gevallen moet ernstig getwijfeld worden aan de

wenselijkheid van terugkeer en moeten alle mogelijke verblijfsopties opnieuw worden

overwogen.

Wanneer blijkt dat een veilige en waardige terugkeer mogelijk is, kan men eventueel

aanspraak maken op ondersteuning voor reïntegratie in het herkomstland in geval van

terugkeer. Dit bestaat uit geïndividualiseerde materiële en/of financiële hulp die wordt

geboden door een organisatie als IOM (gegevens achteraan) of een NGO. Ondersteunde

terugkeer biedt verschillende voordelen: niet alleen keert men terug met een bepaalde

financiële en materiële ondersteuning, men kan vooral op eigen houtje met een grotere

mate van zelfbeschikking en met minder contact met de autoriteiten ter plaatse terugkeren.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 135


B Terugkeer vanuit de open opvangstructuren

Het is ons uitgangspunt dat uitgeprocedeerde asielzoekers alle kansen moeten krijgen

om zelfstandig of ondersteund terug te keren vanuit de open opvangstructuren. Daarom

moet spreken over de terugkeer integraal deel uitmaken van de begeleiding. Eerder in

het handboek kwam al aan bod dat dit onderwerp van bij het begin bespreekbaar moet

zijn, ook al zijn we ons ervan bewust dat de asielzoeker tijdens de asielprocedure gefocust

is op de procedure en het idee van terugkeer vaak niet onder ogen wenst te zien. Al

na een eerste negatieve beslissing kan je de mogelijkheid van een zelfstandige of ondersteunde

terugkeer ter sprake brengen. Na een negatieve eindbeslissing kan de mogelijkheid

van ondersteunde terugkeer op maat worden besproken. De definitieve afwijzing

van de asielaanvraag door de RvV is een sleutelmoment. De begeleider zorgt ervoor dat

verdere verblijfsmogelijkheden worden onderzocht (nieuwe asielaanvraag, regularisatie,

staatloosheid, naturalisatie, enz.), maar tegelijk moet de mogelijkheid voor zelfstandige

ondersteunde terugkeer worden besproken. Naarmate het meer waarschijnlijk wordt dat

de uiteindelijke uitkomst van het traject niet een verblijf in België zal zijn, is terugkeer

meer en meer aan de orde. Dit zijn moeilijke momenten voor de asielzoeker en de begeleider.

Continuïteit in de opvang is cruciaal, zeker op dit sleutelmoment in het hele

traject. Bij uitstek op dat moment moeten stabiliteit en ondersteuning gegarandeerd

worden om vertrouwen in te boezemen bij de afgewezen asielzoeker. De kansen op onderduiken

moeten tot een minimum worden herleid. Weinig afgewezen asielzoekers zijn

immers echt klaar om te werken op terugkeer op het moment van hun afwijzing.

Als begeleider kan je in elk geval even stilstaan bij de gevolgen van een illegaal verblijf

en wijzen op de rechten (o.a. dringende medische hulpverlening) die blijven gelden.

De mogelijkheid om alsnog het verblijf te regulariseren of een verblijfsstatuut te bekomen,

blijft een permanent aandachtspunt in de begeleiding.

C Terugkeer vanuit de gesloten centra

Regelmatig worden uitgeprocedeerde asielzoekers en illegale verblijvers opgepakt en

opgesloten in een gesloten centrum om te worden gerepatrieerd.

In het gesloten centrum wordt door de DVZ nagegaan welke nationaliteit de persoon

heeft (dit kan via bestaande identiteitsdocumenten, geldig of vervallen, of dit kan via een

interview met het consulaat van het land van herkomst van de betrokkene). Vervolgens

wordt nagegaan welk land aansprakelijk is voor de terugname van de betrokkene: dit

kan het land van herkomst zijn, maar dit kan ook, afhankelijk van de reisweg van betrokkene,

een derde land zijn (in kader van grensleidingen of Dublin). Wanneer het land dat

de betrokkene moet terugnemen akkoord gaat (afhankelijk van het land kan dit per individu

moeten worden aangevraagd, of dit kan reeds via bilaterale, Europese of Beneluxterugnameakkoorden

vastliggen) kan de DVZ over de juiste reisdocumenten beschikken

en de repatriëring organiseren.

136 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Ook vanuit de gesloten centra, waar de asielzoeker zit met het oog op gedwongen uitwijzing,

kan worden gevraagd om te vertrekken als een ondersteunde terugkeerder, met

de financiële en materiële hulp van IOM. Deze optie wordt niet altijd automatisch aangeboden,

dus de asielzoeker moet het zelf vragen aan de sociale dienst van het centrum.

In feite moet iemand die ondersteund wil terugkeren terug in vrijheid worden gesteld.

De DVZ tracht dit zoveel mogelijk te vermijden en regelt samen met IOM de ondersteunde

terugkeer van personen uit de gesloten centra zonder dat de personen in vrijheid

worden gesteld.

Tenzij als advocaat, die vrij zijn cliënt in het gesloten centrum kan gaan bezoeken, is je

rol als begeleider uitgespeeld zodra de betrokkene opgesloten wordt in een gesloten

centrum. Je kan er eventueel voor zorgen dat de betrokkene bezoek krijgt van NGO’s

die bezoeken brengen aan de gesloten centra. Vluchtelingenwerk Vlaanderen en CIRE

coördineren een netwerk van NGO’s die de gesloten centra bezoeken. Als begeleider kan

je terecht bij Vluchtelingenwerk en CIRE om te weten te komen waar de betrokkene is

opgesloten en om een bezoek door een NGO aan te vragen.

D De maximumduur van opsluiting

Volgens de Vreemdelingenwet mag een vreemdeling slechts worden opgesloten voor de

duur die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van een uitwijzingsmaatregel met een

maximum van twee maanden. Deze duur kan worden verlengd met twee maanden als

de noodzakelijke stappen voor uitwijzing werden genomen in de loop van zeven werkdagen

vanaf het moment dat de vreemdeling werd opgesloten, als het gebeurt met de

nodige zorgvuldigheid en de effectieve verwijdering binnen een redelijke termijn nog

steeds mogelijk is.

In de wet is eveneens voorzien dat de maximumduur vijf maanden is. Een tweede verlenging

kan slechts na akkoord van de Minister van Migratie en Asielbeleid.

Echter, in de praktijk is de detentieduur van de vreemdeling soms onbeperkt. Immers,

bij iedere mislukte poging tot repatriëring (omdat de vreemdeling zich verzet) neemt de

DVZ een nieuwe beslissing tot detentie, waardoor de termijnen opnieuw beginnen lopen

van nul.

Wanneer iemand niet kan worden geïdentificeerd of de vlucht kan niet worden georganiseerd

binnen deze termijn wordt die persoon vaak vrijgelaten met een bevel om het

grondgebied te verlaten. Voor sommige nationaliteiten ontstaan zo tijdelijke gedoogpraktijken:

wanneer men weet dat betrokkenen geen kans maken op repatriëring, worden

zij bij aanhouding niet opgesloten.

Sinds de aanbevelingen van de commissie-Vermeersch gebeurt een uitwijzing in stappen,

voor zover de opeenvolgende pogingen mislukken. Deze stappen zijn in stijgende vorm

van dwang:

¬ een gedwongen vertrek zonder escorte

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 137


¬ een gedwongen vertrek met escorte, d.i. verschillende politieagenten die betrokkene

begeleiden op zijn vlucht zelf, geboeid.

¬ Een beveiligde vlucht vanuit de militaire luchthaven van Melsbroek, d.i. een

speciaal georganiseerde vlucht voor meerdere gedetineerden uit een bepaald

land of een bepaalde regio.

Voor meer info verwijzen we naar het Handboek voor bezoekers en personeel van gesloten

centra van Jesuit Refugee Service Belgium.

E Meer info?

Als begeleider kan je in elk geval met alle concrete vragen inzake terugkeer terecht bij

de helpdesk terugkeer van Vluchtelingenwerk. De helpdesk tracht informatie en advies

te geven over alle aspecten van vrijwillige terugkeer (legale verblijvers), terugkeer met

instemming (uitgeprocedeerde asielzoekers en illegale verblijvers) en gedwongen terugkeer:

vragen m.b.t. specifieke nationaliteiten, identiteitsbewijzen, reisdocumenten,

ambassades, terugkeerprogramma’s (en modaliteiten), verlengingen, (on)verwijderbaarheid,

veiligheid, terugname(akkoorden), enz. Voor 19 landen publiceerde Vluchtelingenwerk

in het kader van het Country of Return Information-project (nog tot einde juni 2009)

landenrapporten die informatie aanleveren gericht op de terugkeerder. Deze rapporten

zijn te raadplegen op www.cri-project.eu.

De medewerkers van de helpdesk volgen de situatie inzake gedwongen verwijderingen

en volgen ook een aantal pilootprojecten inzake terugkeerondersteuning en opvolging

na terugkeer. Wil je als begeleider de activiteiten van Vluchtelingenwerk rond terugkeer

op de voet volgen, bezoek dan regelmatig onze website.

Je kan je ook abonneren op een elektronische nieuwsbrief rond terugkeer.

De helpdesk terugkeer beantwoordt vragen over:

¬ de situatie in het terugkeerland (bronnen: Verenigde Naties (VN), mensenrechtenorganisaties

en andere NGO’s, overheidsinformatie, statistieken, parlementaire

vragen, persartikels, enz.);

¬ over de praktische steun die terugkeerders kunnen krijgen bij terugkeer en

reïntegratie;

¬ over de verwijderbaarheid in geval van gedwongen terugkeer.

138 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


VIII ADRESSENLIJST

1 - De asielinstanties

DIENST VREEMDELINGENZAKEN

Postadres en aanmeldingsadres:

WTC, tower II

Antwerpsesteenweg 59B

1000 BRUSSEL

Tel: 02/206.15.99

Fax: 02/206.14.63

Secr_DG@dofi.fgov.be

www.dofi.fgov.be

DVZ Helpdesk

Regularisatie- en visumaanvragen

Tel: 02/793.80.00

Fax: 02/274.66.91

helpdesk.dvzoe@dofi.fgov.be

COMMISSARIAAT-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN

WTC, tower II

Koning Albert II-laan 26A

1000 BRUSSEL

Tel: 02/205 51 11

Fax: 02/205 51 15

www.cgvs.be

cgvs.info@ibz.fgov.be

CGVS Adviseur expertpsycholoog

Luc.quintyn@ibz.fgov.be

[ ADRESSENLIJST ]

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 139


RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWISTINGEN

Gaucheretstraat 92-94

1030 Brussel

Permanentie griffie/telefonische bereikbaarheid (werkdagen):

Maandag, dinsdag, woensdag en vrijdag: 09u00 – 16u00

Donderdag: 09u00 – 18u00

Tel: 02 /791.60.00

Fax: 02/791.62.26 (Nederlandstalige griffie)

Fax: 02/791.61.95 (Franstalige griffie)

www.rvv-cce.be

Faxnummer voor procedures in uiterst dringende noodzakelijkheid

voor Nederlandstalige procedures : 02.791.64.00

voor Franstalige procedures : 02.791.64.01

RAAD VAN STATE

Wetenschapsstraat 33

1040 Brussel

Tel: 02/234.96.11

Voor vragen over de procedure bestuursrechtspraak kan u terecht bij de griffie bestuursrechtspraak.

Voor vragen over de adviesbevoegdheid van de Raad kan u de procedure wetgeving

raadplegen.

140 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


2 - Juridische ondersteuning

A Vlaanderen/België

Amnesty International Vlaanderen

Hoofdzakelijk tweede lijnshulp, specifiek advies inzake individuele dossiers

Kerkstraat 156

2060 Antwerpen

Tel: 03/271.16.16

Fax: 03/235.78.12

www.amnesty.be

amnesty@aivl.be

Permanentie/consultatie: enkel na telefonische afspraak

Belgisch Comité voor Hulp aan Vluchtelingen (BCHV)

Tweede en derde lijnshulp, bijstand heropening van asieldossiers

Defacqzstraat 1, bus 10

1000 Brussel

Tel: 02/537.82.20

Tel: 02/541.01.90 (familiehereniging)

Fax: 02/537.89.82

www.cbar-bchv.be

info@cbar-bchv.be

Juridische permanentie (enkel telefonisch):

Maandag tot vrijdag : 13u30-17u00

Bureaus juridische bijstand

Adressen, telefoonnummers en permanentie voor juridische eerste lijnsbijstand en tweede

lijnbestand zijn terug te vinden op:

www.advocaat.be

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 141


Fedasil

Hoofdzakelijk derde lijnhulp aan OCMW’s en open opvangcentra asielzoekers, wat het

opvangsysteem en steunverlening in de open opvangcentra en OCMW’s betreft, ook

voor asielzoekers toegankelijk

Kartuizersstraat 21

1000 Brussel

Tel: 02/213.44.11

Fax: 02/213.44.22

www.fedasil.be

info@fedasil.be

Permanentie/consultatie: enkel telefonisch

Vlaams minderhedencentrum vzw - afdeling rechtspositie en rechtsbijstand

Derde lijnshulp (advies eerste en tweede lijnshulp, geen individuele dossierbehandeling),

alle doelgroepen

Vooruitgangstraat 323

1030 Brussel

www.vmc.be

www.vreemdelingenrecht.be

Juridische helpdesk, in samenwerking met Vluchtelingenwerk Vlaanderen:

Tel: 02/205.00.55

Fax: 02/205.00.60

De juristen van het VMC en Vluchtelingenwerk Vlaanderen beantwoorden vragen over

het asielrecht, vreemdelingenrecht, internationaal privaatrecht en gezondheid verbonden

aan het vreemdelingenrecht.

Onder asielrecht vallen alle vragen die te maken hebben met het statuut van asielzoekers,

erkende vluchtelingen – Conventie van Genève- en het statuut van subsidiaire bescherming,

de asielprocedure, de detentie van asielzoekers en de opvang.

Onder vreemdelingenrecht vallen alle andere vragen die geen betrekking hebben op

asielrecht, het gaat om het ruimere vreemdelingenrecht zoals verblijfsstatuten, nationaliteit,

visa enz.

Onder Internationaal Privaatrecht vallen alle vragen over de toepassing en erkenning

in België van buitenlands personen- en familierecht.

Onder gezondheid en vreemdelingenrecht vallen alle vragen die te maken hebben

met toegang tot zorg, verblijf of terugkeer bij ziekten en sociale rechten van zieke vreemdelingen.

142 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Permanentie/consultatie : enkel telefonisch

Maandag en vrijdag 9u00-12u30

Woensdag : 13u30-17u00

Minder dringende vragen over asielrecht, Internationaal Privaatrecht en gezondheid

kunnen ook gesteld worden door het invullen van een on-line vragenformulier dat te

vinden is op de website www.vreemdelingenrecht.be.

Vluchtelingenwerk Vlaanderen

Derde lijnshulp (geen individuele dossierbehandeling) in het kader van de asielprocedure

Gaucheretstraat 164

1030 Brussel

www.vluchtelingenwerk.be

Juridische helpdesk, in samenwerking met het VMC:

Tel: 02/205.00.55

Fax: 02/201.03.76

De juristen van Vluchtelingenwerk Vlaanderen en het VMC beantwoorden vragen over

het asielrecht, vreemdelingenrecht, internationaal privaatrecht en gezondheid verbonden

aan het vreemdelingenrecht.

Onder asielrecht vallen alle vragen die te maken hebben met het statuut van asielzoekers,

erkende vluchtelingen – Conventie van Genève- en het statuut van subsidiaire

bescherming, de asielprocedure, de detentie van asielzoekers en de opvang.

Onder vreemdelingenrecht vallen alle andere vragen die geen betrekking hebben op

asielrecht, het gaat om het ruimere vreemdelingenrecht zoals verblijfsstatuten, nationaliteit,

visa enz.

Onder Internationaal Privaatrecht vallen alle vragen over de toepassing en erkenning

in België van buitenlands personen- en familierecht.

Onder gezondheid en vreemdelingenrecht vallen alle vragen die te maken hebben

met toegang tot zorg, verblijf of terugkeer bij ziekten en sociale rechten van zieke

vreemdelingen.

Permanentie/consultatie : enkel telefonisch

Maandag en vrijdag 9u00-12u30

Woensdag : 13u30-17u00

Minder dringende vragen over asielrecht, Internationaal Privaatrecht en gezondheid

kunnen ook gesteld worden door het invullen van een on-line vragenformulier dat te

vinden is op de website www.vreemdelingenrecht.be.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 143


Vlaamse Vereniging Steden en Gemeenten (VVSG)

Derde lijnshulp voor stedelijke en gemeentelijke diensten en OCMW’s, alle doelgroepen

Aarlenstraat 53/4

1040 Brussel

www.vvsg.be

Tel: 02/211.55.86

fabienne.crauwels@vvsg.be

B Antwerpen

Antwerps Minderhedencentrum - de8

Tweede lijnsdienst, juridische informatie over verblijfsrechten van vluchtelingen en mensen

zonder papieren

Van Daelstraat 35

2140 BORGERHOUT

Tel: 03/270 33 29

Fax: 03/235.89.78

www.de8.be

info@de8.be

Juridische helpdesk : telefonisch of per mail

Maandag en woensdag: 09u00 -12u30

Donderdag: 09u00 -17u00

Per mail : sylvija.basic@de8.be

Het Bureau voor Juridische Bijstand organiseert in samenwerking met de8 een Vreemdelingenpermanentie

(permanentie gespecialiseerde advocaten vreemdelingenrecht)

Overwegend advies bij asiel- en regularisatiedossiers

Lamorinièrestraat 137

2018 Antwerpen

Tel: 0473/92.42.23

Permanentie/consultatie:

Dinsdag- en donderdagnamiddag: 13u00-15u00

144 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Bond Zonder Naam vzw – sociale dienst

Eerste lijnsdienst, overwegend asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder papieren

Rolwagenstraat 49

2018 Antwerpen

Tel: 03/233.06.84

Fax: 03/233.43.92

socialedienst@bzn.be

Permanentie/consultatie:

Donderdag: 09u00-13u00

Centrum voor maatschappelijk werk De Mutsaard (deel van CAW De Mare)

Overwegend asielzoekers, vluchtelingen, mensen zonder papieren en geregulariseerden

Begeleiding en bijstand (juridisch-administratief, psycho-sociaal en materieel) aan mensen

met een precair verblijfsstatuut gebeurt op afspraak

Maurits Sabbelaan 57

2020 Antwerpen

Tel: 03/247.88.20

Fax: 03/247.88.92

sociaalcentrum@cawdemare.be

Permanentie/consultatie: enkel op afspraak

Protestants Sociaal Centrum vzw – sociale dienst (CAW De Terp)

Eerste lijnsdienst, overwegend asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder papieren

Lange Stuivenbergstraat 54-56

2060 Antwerpen

Tel: 03/235.34.05

Fax: 03/272.20.85

psc.vluchtelingenwerk@cawdeterp.be

www.cawdeterp.be

Permanentie/consultatie : telefonisch

Dinsdag en donderdag: 09u00-12u00 en 14u00-16u00

Woensdag en vrijdagnamiddag op afspraak

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 145


Vluchtelingendienst Mechelen (Werkgroep Integratie Vluchtelingen)

Eerste lijnshulp, occasioneel tweede lijnhulp, asielzoekers, vluchtelingen en uitgeprocedeerde

asielzoekers (occasioneel allochtonen)

St. Romboutskerkhof 1

2800 Mechelen

Tel: 015/34.07.88 - 015/33.07.28

Fax: 015/34.07.90

info@vluchtelingendienst.be

Permanentie/consultatie:

Telefonisch te bereiken elke werkdag tijdens kantooruren

Consultatie op maandag, dinsdag en donderdag: 13u00-16u00 of op afspraak

C Brussel en Vlaams Brabant

Cadens Vluchtelingenonthaal (deel van CAW Leuven)

Eerste lijnshulp, occasioneel tweede lijnhulp, alle doelgroepen (vooral asielzoekers en

vluchtelingen) rond verblijfsrecht

Diestesteenweg 42

3010 Leuven

Tel: 016/46.49.61

Fax: 016/47.43.79

vluchtelingenonthaal@cawleuven.be

Permanentie/consultatie:

Maandag, woensdag en vrijdag: 09u00-11u00 – daarbuiten op afspraak

Caritas Internationaal Hulpbetoon – sociale dienst

Allochtonen, asielzoekers, vluchtelingen en mensen zonder papieren

Liefdadigheidsstraat 43

1210 Brussel

Tel: 02/229.36.11

Fax: 02/229.35.85

Permanentie/consultatie:elke werkdag om 08u30 of om 13u30, behalve donderdagvoormiddag,

verdere opvolging op afspraak

146 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Foyer Dienst Rechtsbescherming

Eerste en tweede lijnshulp, alle doelgroepen

Werkhuizenstraat 25

1080 Brussel

Tel: 02/414.04.53

Fax: 02/414.16.97

www.foyer.be

Permanentie/consultatie: telefonisch

iedere werkdag: 9.00u-17.00u

Eerste lijnspermanentie: enkel op afspraak

Groot Eiland – sociale dienst (deel van CAW Archipel)

Eerste lijnshulp, vragen rond statuut vreemdeling

Groot Eilandstraat, 84

1000 Brussel

Tel: 02/502.66.00

Fax 02/512.67.38

grooteiland.sd@archipel.be

www.archipel.be

Permanentie/consultatie:

Dinsdag en vrijdag : 9.00u-12.00u

De eerste acht cliënten krijgen een gesprek met een maatschappelijk werker, nadien

wordt op afspraak gewerkt

Internationale Socialistische Solidariteit – sociale dienst (bicommunautaire

dienst)

Overwegend voor asielzoekers, vluchtelingen en uitgeprocedeerde asielzoekers

Parmatraat 28

1060 Brussel

Tel: 02/533.39.84

Fax: 02/534.62.26

Permanentie/consultatie: specifieke uren per doelgroep, op afspraak

Vrije consultaties in de voormiddag

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 147


Protestants Sociaal Centrum – vluchtelingendienst (bicommunautaire dienst)

Specifiek voor asielzoekers, vluchtelingen en uitgeprocedeerde asielzoekers

Cansstraat 12

1050 Brussel

Tel: 02/500.10.13

Fax: 02/512.70.30

Permanentie/consultatie: elke voormiddag, zonder afspraak

D Limburg

CAW Sonar - Integraal Welzijnswerk

Eerste lijnshulp, alle doelgroepen (specifiek ook inzake vrijwillige terugkeur)

Ursulinestraat 7

3800 Sint-Truiden

Tel/fax: 011/68.86.00

www.cawsonar.be

info@cawsonar.be

Permanentie/consultatie:

Dinsdag: 13u30-18u30

Donderdag: 09u12u00

Buiten deze uren op afspraak

De Medewerkers Integraal Welzijnswerk zijn bereikbaar te:

Integraal Welzijnswerk Sint-Truiden

Ursulinenstraat 7, bus 6

3800 Sint-Truiden

Tel/fax: 011/68.86.00

integraal.welzijnswerk.sinttruiden@sawsonar.be

Integraal Welzijnswerk Overpelt

Kerkdijk 4

3900 Overpelt

148 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Tel: 011/64.05.00

Fax: 011/64.13.50

integraal.welzijnswerk.overpelt@cawsonar.be

Integraal Welzijnswerk Tongeren

Maastrichtersteenweg 47

3700 Tongeren

Tel: 012/23.07.82

Fax: 012/39.33.20

integraal.welzijnswerk.tongeren@cawsonar.be

Integraal Welzijnswerk Hasselt

Rozenstraat 28

3500 Hasselt

Tel: 011/85.99.20

integraal.welzijnwerk.hasselt@cawsonar.be

Integraal Welzijnswerk Genk

Noordlaan 135

3600 Genk

Tel.: 089/57.31.01

Fax: 089/57.31.04

integraal.welzijnwerk.genk@cawsonar.be

Integraal Welzijnswerk Bree

Kloosterpoort 13

3690 Bree

Tel./fax:089 57 21 48

integraal.welzijnswerk.bree@cawsonar.be

Gastvrij Sint-Truiden (Masala, onthaalhuis voor vluchtelingen)

Eerste lijnshulp (afgeleide juridische hulpverlening), overwegend asielzoekers, vluchtelingen

en mensen zonder papieren

Kazernestraat 2c

3800 Sint-Truiden

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 149


Tel: 011/48.68.15

Fax: 011/69.47.80

Gastvrij.sint-truiden@masala.be

email@masala.be

Permanentie/consultatie:

Maandag en woensdag: 16u00-19u00

Dinsdag, donderdag en vrijdag: 09u00-12u00

Multicolores (migrantenwerking van ABVV)

Eerste lijnshulp, alle doelgroepen (voornamelijk allochtonen)

Koningin Astridlaan 45

3500 Hasselt

Tel: 011/30.09.77

Fax: 011/43 73 09

Permanentie/consultatie:

Elke werkdag: 9u00-17u00, behalve vrijdag enkel voormiddag

Provinciaal integratiecentrum Limburg – sociaal-juridisch werk

Tweede en derde lijnshulp, alle doelgroepen

Universiteitslaan 1

3500 Hasselt

Tel: 011/23.82.55

Fax: 011/23.82.10

pricjuridesk@limburg.be

www.limburg.be/integratiecentrum

Permanentie/consultatie:

Telefonisch, ter plaatse of op afspraak, elke werkdag behalve op maandag op de volgende

uren: 09u00-12u00u en 13u30- 16u00

E Oost-Vlaanderen

Integratiedienst – Team Rechtspositie

Hoofdzakelijk derde lijnshulp, alle doelgroepen, enkel cliënten gevestigd in stad Gent

150 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Kaprijkestraat 12

9000 Gent

Tel: 09/265.76.76

Tel: 09/265.77.05

Tel: 09/265.76.83

Tel: 09/265.77.04

Fax: 09/265.76.70 (met vermelding van de naam van de bestemmeling)

integratiedienst@gent.be

www.gent.be/integratiedienst

Permanentie/consultatie: per brief, per fax en per mail

elke werkdag: 09u00-11u30 en 14u00-16u00

Team rechtspositie Oost-Vlaams Diversiteitscentrum vzw (ODiCe vzw)

Hoofdzakelijk derde lijnhulp, alle doelgroepen, in het bijzonder asielzoekers en mensen

met precaire verblijfsstatuten

Dok Noord 4 - Hal 25

9000 Gent

Tel: 09/267.66.47

Fax: 09/267.66.44

www.odice.be

Permanentie/consultatie: telefonisch

Elke werkdag: 9u30-16u30

Transithuis CAW Artevelde

Eerste lijnhulp (occasioneel tweede lijnhulp), asielzoekers, erkende vluchtelingen, uitgeprocedeerde

asielzoekers en mensen zonder papieren, die in Gent verblijven

Kortrijksepoortstraat 252 B

9000 Gent

Tel: 09/225.71.20

Fax: 09/225.72.20

transithuis@artevelde.be

Permanentie/consultatie:

Maandag (Albanese tolk), dinsdag (Russische tolk), woensdag en donderdag: 09u00-

12u00

Vrijdag op afspraak en in de namiddag op afspraak

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 151


F West-Vlaanderen

Adviescentrum voor Allochtonen Oostende (ACA) - CAW Middenkust in samenwerking

met de Sociale Dienst voor Vreemdelingen

Eerste lijnhulp (occasioneel tweede lijnhulp), alle doelgroepen

Hospitaalstraat 35

8400 Oostende

Tel: 059/40.25.24/25

Fax: 059/40.25.06

aca@cawj.be

aca@sho.be

Permanentie/consultatie

Consultatie op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag: 09u00- 11u30

Buiten deze uren is het centrum telefonisch bereikbaar of via afspraak

CAW De Viersprong – Vreemdelingenwerking

Eerste lijnhulp, alle doelgroepen

Spinolarei 10 A

8000 Brugge

Tel: 050/44.37.78

Fax: 050/44.37.73

caw.vreemdelingenwerking@deviersprong.be

www.deviersprong.be

Permanentie/consultatie:

Maandag tot donderdag van 10u00-12u00 en 14u00 -16u00

Op andere tijdstippen op afspraak

Dienst rechtshulp en juridische bemiddeling OCMW Kortrijk

Eerste lijnhulp, enkel voor inwoners van groot Kortrijk

Budastraat 27

8500 Kortrijk

Tel: 056/24.49.39

Fax: 056/24.48.48

rechtshulp@ocmwkortrijk.be

152 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


3 - Medisch

Vlaams Minderhedencentrum, Steunpunt gezondheid en vreemdelingenrecht

Voor medisch gerelateerde vragen over vreemdelingen zonder wettig verblijf, asielzoekers,

gezinsherenigers, geregulariseerden. Het gaat over vragen mbt toegang tot de gezondheidszorg,

verblijfsmogelijkheden of terugkeer bij ziekten, sociale rechten bij ziekten

Vooruitgangstraat, 323

1030 Brussel

Permanentie/consultatie :

Via de juridische helpdesk van het VMC en Vluchtelingenwerk Vlaanderen:

02.202.00.55

Maandag en vrijdag : 9u00-12u30

Woensdag : 13u30-17u00

Of via het vragenformulier terug te vinden op www.vreemdelingenrecht.be.

Medimmigrant

Derde lijnhulp (occasioneel eerste en tweede lijnhulp), mensen zonder papieren of met

een precair verblijfsrecht met een medisch probleem en die verblijven in het Brussel

Hoofdstedelijk Gewest

Gaucheretstraat 164

1030 Brussel

Tel 02/274.14.33 of 34

Fax 02/274.14.48

info@medimmigrant.be

www.medimmigrant.be

Permanentie/consultatie: telefonisch

Maandag en vrijdag: 10u00u-13u00,

Dinsdag: 14u00-18u00

Ondersteuningspunt Medische Zorg – Antwerps Minderhedencentrum de8

Hier kan men terecht voor informatie over de procedures die mensen in precair verblijf

in de stad Antwerpen toegang geven tot de gezondheidszorg

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 153


Van Daelstraat 41

2140 BORGERHOUT

Tel: 03/270.33.36

Fax: 03/235.89.78

medischezorg@de8.be

Oriëntatiepunt Gezondheidszorg Oost-Vlaanderen

Hoofdzakelijk tweede en derde lijnhulp, meld- en informatiepunt inzake de gezondheidszorg

voor mensen zonder wettig verblijf en mensen met een precaire verblijfsstatus

Dok Noord 4 - Hal 25

9000 Gent

Tel: 09/267.66.46

Fax: 09/267.66.44

info@orientatiepunt.be

www.orientatiepunt.be

Permanentie/consultatie: enkel telefonisch, schriftelijk of per fax bereikbaar

Elke werkdag: 13U00 -16U00

Woensdag: 09u30-12u30

Steunpunt Algemeen Welzijnswerk: voor adressen van Centra Algemeen Welzijn

(CAW)

Waar men terecht kan voor informatie, advies, opvang, praktische hulp, crisishulp en

begeleiding

Diksmuidelaan 36 a

2600 Antwerpen

Tel : 03/366.15.40

Fax : 03/385.57.05

info@steunpunt.be

www.steunpunt.be

154 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


4 - Tolk- en Vertaaldiensten

Ba-bel, Vlaamse centrale Tolkentelefoon

Vooruitgangstraat 323/3

1030 Brussel

Tel: 02/208.06.11

Fax: 02/208.06.12

tolkendienst@vlaamsetolkentelefoon.be

Brussel Onthaal – Sociaal Vertaalbureau

Cellebroerstraat 16

1000 Brussel

Tel: 02/511.27.15

Fax: 02/503.02.29

svb.bo@skynet.be

www.sociaalvertaalbureau.be

Tolkendienst Provinciaal Integratiecentrum West-Vlaanderen

Hoogstraat 98, bus 7

8800 Roeselare

Tel: 0479/77.24.00

serge.devriendt@pic-wvl.be

www.pic-wvl.be

Provincie Oost-Vlaanderen Dienst Minderheden

Provinciaal Administratief Centrum

Woodrow Wilsonplein 2

9000 Gent

Tel: 09/267.71.44

Fax: 09/267.71.97

greet.de.kessel@oost-vlaanderen.be

www.oost-vlaanderen.be

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 155


Tolkenproject Provinciaal Integratiecentrum Limburg

Universiteitslaan 1

3500 Hasselt

Tel/fax: 011/23.82.20

pric@limburg.be

www.limburg.be

Tolkendienst Provincie Antwerpen (TOPA)

Boomgaardstraat 22, bus 101

2600 Berchem

Tel: 03/240.61.77

veerle.berckmans@welzijn.provant.be

Tolkendienst Aanbod Sociaal Tolken voor Anderstaligen in Vlaams-Brabant

(PASTA)

Provincieplein 1

3010 Leuven

Tel: 016/26.77.70

Fax: 016/26.77.01

pasta@vlaamsbrabant.be

www.vlaamsbrabant.be/pric

Tolk- en Vertaalservice Gent (TGV)

Wolterslaan 16

9000 Gent

Tel:09/235.29.63

Fax: 09/233.37.80

TgV@TgVgent.be

www.gent.be/TGV

Dienst Integratie Antwerpen (DIA) – Stedelijke Tolk- en Vertaaldienst (STA)

Carnotstraat 110

2060 Antwerpen

Tel: 03/227.70.93

Fax: 03/227.70.98

156 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


passcal.rillof@bz.antwerpen.be

www.antwerpen.be

Dienst Diversiteit Mechelen

M. Sabbestraat 119

2800 Mechelen

Tel: 015/29.83.63

Fax: 015/29.83.49

frank.vanmessem@mechelen.be

www.mechelen.be/samenlevenengezondheid

Dienst Minderheden Turnhout

Draaiboomstraat 6

2300 Turnhout

Tel: 014/42.33.81

Fax: 014/41.63.27

tolkendienst@turnhout.be

www.turnhout.be

Dienst Maatschappelijke Integratie Vilvoorde

Frans Geldersstraat 25

1800 Vilvoorde

Tel: 02/255.47.53

marijke.van.ranst@vilvoorde.be

www.vilvoorde.be

5 - Terugkeer

Internationale Organisatie voor Migratie (IOM)

Terugkeer, op website zijn alle gegevens van de Reab-partners terug te vinden

Rue Montoyer 40

1000 Brussel

Tel: 02/290.33.86

Fax : 02/282.45.83

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 157


mrfbrussels@iom.int

www.belgium.iom.int

Vluchtelingenwerk Vlaanderen

Terugkeer-helpdesk

Vragen in individuele dossiers rond verwijderbaarheid, administratieve problemen bij

terugkeer en terugkeerondersteuning.

Tel: 02/274.00.23

terugkeer@vluchtelingenwerk.be

Elke werkdag tijdens de kantooruren

6 - Landeninformatie

Vluchtelingenwerk Vlaanderen

Planetsearch

Landeninfo ter ondersteuning asielrelaas:

Tel: 02/274.00.30

planetsearch@vluchtelingenwerk.be

7 - Opsporingen

Rode Kruis-Vlaanderen - dienst Tracing

Eerste lijnhulp inzake opsporingen, Rode Kruis berichten, vrijwillige terugkeer en familieherenigingen

Motstraat 40

2800 Mechelen

Tel: 015/44.35.25

Fax: 015/44.36.19

tracing@redcross-fl.be

Permanentie/consultatie: enkel op afspraak

158 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


8 - Andere

De Federale ombudsman

De Federale ombudsman onderzoekt individuele klachten over beslissingen en de werking

van de federale administratie.

Hertogsstraat 43

1000 Brussel

Tel: 02/289.27.27

Gratis nummer : 0800 999 62

Fax: 02/289.27.28

www.federaalombudsman.be

email@federaalombudsman.be

Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding (CGKR) -

klachtenlijn

Eerste, tweede en derde lijnhulp, specifiek inzake de racismewet en de antidiscriminatiewet

Koningsstraat 138

1000 Brussel

Groene lijn racismeklachten: 0800/17364

www.diversiteit.be

centrum@cntr.be

Gams België

Derde lijnshulp, informatie en voorlichting over medische en juridische gevolgen in het

geval van besnijdenis in België of Afrika

Dwarsstraat 125

1210 Sint-Joost-Ten-Node

Tel: 02/219.43.40

www.gams.be

info@gams.be

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 159


Vluchtelingenwerk Vlaanderen – Ciré

Coördinatie en ondersteuning bezoeken in gesloten centra en terugkeerwoningen voor

families met kinderen

Gaucheretstraat 164 (Vluchtelingenwerk Vlaanderen)

1030 BRUSSEL

Tel.: 02/274.00.20

Fax: 02/201.03.76

www.vluchtelingenwerk.be

info@vluchtelingenwerk.be

rue du Vivier, 80/82 (Ciré)

1050 BRUSSEL

Tel: 02/629.77.10

Fax : 02/629.77.33

www.cire.irisnet.be

cire@cire.irisnet.be

JRS Belgium – Jesuit Refugee Service

Bij deze NGO kan je terecht met vragen rond detentie en bezoeken in de gesloten centra

Maurice Lietaertstraat 31/9

1150 Brussel

Tel: 02/738.08.18

Fax: 02/738.08.16

www.jrsbelgium.org

belgium@jrs.net

160 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 161


162 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


IX LITERATUURLIJST

AGUIRRE, A., Noot onder arrest RvV 30 oktober 2007, T. Vreemd 2008, 140-144.

“Basisvoorwaarden zelfstandige terugkeer uitgeprocedeerde asielzoekers”, OCIV vzw,

2002.

BERNARD F., VAN DER KLAAUW J. en VAN HEULE D. “Vluchtelingen”, in Migratie- en Migrantenrecht,

Deel 3, 1998, Die Keure, 125-185.

BEYS, Mathieu, De stand van zaken betreffende Dublin, Gebruiksaanwijzing voor de verordening

343/2003 en enkele uitwegen om de onbillijke toepassing ervan tegen te gaan,

Vluchtschrift Caritas, juli 2007, p. 4 e.v.

“Binnen 48 uur. Zorgvuldige behandeling van asielverzoeken?”, A.B. Terlouw (redactie),

Centrum voor Migratierecht Nijmegen, Wolf Legal Publishers, 2003.

BOSQUET Cathérine, “Reflexion autour du secret professionnel”, Comité de Vigilance en

travail social, 2003.

BOUCKAERT, S., “Medische aspecten van het vreemdelingenrecht en artikel 3 van het

E.V.R.M. Een overzicht van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de

Mens, de Raad van State en de burgerlijke Rechtbanken.”, T. Vreemd. 2005, 186-203.

Brochure “De asielprocedure in België: informatie voor specialisten”, www.cgvs.be, met

de steun van het Europees Vluchtelingenfonds.

Brochure “U bent als vluchteling erkend in België – Uw rechten en plichten”, www.cgvs.

be, met de steun van het Europees Vluchtelingenfonds.

CAELEN, Yves, «Une profession dans la tourmente? La pratique du travail social face aux

dérives sécuritaires», Hémisphère gauche, nr.1, september 2002, p. 231.

CARLIER J-Y, VANHEULE D., HULLMANN K. and GALIANO C.P. (eds.) “Who is a Refugee? A

comparative Case Law Study”, Kluwer Law International, 1997.

CARLIER J-Y. en SAROLEA S. “De erkenning van de hoedanigheid van vluchteling: een

overzicht aan de hand van de rechtspraak van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen”,

in Migratie- en Migrantenrecht, Deel 7, 2002, Die Keure, 81-114.

“Centrum voor Documentatie inzake asiel”, brochure CGVS.

“Chartre de qualité de l’accompagnement social”, CIRE asbl.

[ LITERATUURLIJST ]

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 163


“Child Refugees in Europe. Guidelines on the psychosocial context, Assessment of and

Interventions for Traumatised Children and Adolescents”, ECRE and Caritas, november

2002.

“Code de déontologie”, Union professionnelle francophone des assistants sociaux (UFAS),

Uitgave 2002.

“De asielprocedure in België: informatie voor specialisten”, Brochure CGVS.

“De asielprocedure vanuit genderperspectief. Richtlijnen en aanbevelingen voor de behandeling

van de vrouwelijke asielzoeker”, Nederlandstalige Vrouwenraad ad hoc werkgroep

‘Vrouwelijke Vluchtelingen’, Brussel, 1997.

DE MOFFARTS G., “De Belgische asielprocedure, Knelpunten en Ontwikkelingen”, in Migratie-

en Migrantenrecht, Deel 8, 2003, Die Keure, 23-75.

DENYS Luc, “Vreemdelingenrecht – Commentaar”, UGA, Heule.

DENYS, L., “Van artikel 9 lid 1,2 en 3 Vw. naar artikelen 9 lid 1 en 2, 9bis en 9 ter Vw.”, T.

Vreemd. 2007, 162 –176.

DENYS, L., “Van artikel 9, lid 1, 2 en 3 Vreemdelingenwet naar artikelen 9, lid 1 en 2, 9 bis

en 9 ter Vreemdelingenwet”, in Migratie- en Migrantenrecht, Deel 12, 2007, Die Keure, p.

1-59.

DOORNBOS Nienke, “De Papieren Asielzoeker. Institutionele communicatie in de asielprocedure.”,

Recht en Samenleving 18, Instituut voor Rechtssociologie/Centrum voor Migratierecht

KU Nijmegen, 2003.

EHRM, 7 juli 1989, Soering / Verenigd Koninkrijk, Serie A, nr. 161.

EHRM, 15 november 1996, Chahal / Verenigd Koninkrijk, Serie A , §§78-82.

EHRM, 20 maart 1991, Cruz Varaz en anderen / Zweden, Serie A, nr. 201.

EHRM, 2 mei 1997, D./ Verenigd Koninkrijk, Reports 1997-III.

FOBLETS, M.C., VAN HEULE,D. en ROGGEN J., “Naar een Europees asiel- en migratierecht:

over enkele recente ontwikkelingen en hun (te verwachten) implementatie in het Belgische

Vreemdelingenrecht” in Migratie- en Migrantenrecht, Deel 11, 2006, Die Keure, p.

33-176.

“Gids voor hulpverleners en pleegouders van niet begeleide buitenlandse minderjarigen”,

Federatie Pleegzorg, Leuven, 2003.

HATHAWAY James C., “Refugee Status”, Butterworths Canada Ltd, 1991.

HENDERSON Mark, “Best Practice guide to Asylum and Human Rights Appeals”, ILPA,

2003.

164 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


“Handboek voor begeleiders van vluchtelingen en asielzoekers in detentie en opvangcentra”,

Jesuit Refugee Service Europe.

“Handboek Rechtsbescherming”, VluchtelingenWerk Nederland.

“Handleiding Vluchtverhaalanalyse”, VluchtelingenWerk Nederland, Postbus 2894, 1000

CW Amsterdam, oktober 2001.

“Handleiding voor asielberoepen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen”, Team

rechtspositie van de Integratiedienst stad Gent, 2007.

“Handleiding voor Annulatieberoepen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen”,

Team rechtspositie van de Integratiedienst stad Gent, 2007.

Het Internationaal verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten

opgemaakt te New York, tot stand gekomen op 19 december 1966 en van kracht op

23 maart 1976 (BUPO-verdrag)

“Hulp bij terugkeer: vaststellingen en perspectieven”, Ciré en Vluchtelingenwerk Vlaanderen

2005, 121 p.

International Journal of Refugee Law, Volume 16 n°3, 2004.

“Jaarverslag 2007 van het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen”,

www.cgvs.be

LEIJSEN Mia, “Kenmerken van succesvolle hulpverleners”, Antenne juni 2006, 14-18.

LEMMENS, M. en ROGGEN, J., “De hervorming van de asielprocedure anno 2006 : een

verbetering van de rechtspositie ?”, T. Vreemd. 2007, p. 6-22.

MAES, A., “Is de Raad voor vreemdelingenbetwistingen bevoegd om artikel 3 EVRM te

toetsen?” (noot onder RvV 30 juli 2007), T. Vreemd. 2008, p. 61.

Memorie van Toelichting bij de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van

15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging

en de verwijdering van vreemdelingen, Parl. St. Kamer, Doc 51, 2478/001.

“Michigan Guidelines over het alternatief van binnenlandse bescherming” in Migratie-

en Migrantenrecht, Deel 7, 2002, Die Keure, 115-122.

NOLL Gregor, “Negotiating Asylum. The EU Acquis, Extraterritorial Protection and the

Common Market of Deflection”, Martinus Nijhoff Publishers, Den Haag, 2000.

“Older Refugees in Europe. Survey Results and Key Approaches”, ECRE and Asylkoordination

Österreich, 2002.

“Onderzoek naar psychosociale en therapeutische hulpverlening aan asielzoekers”, Rode

Kruis-Vlaanderen, Opvang Asielzoekers, 2004.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 165


QUINTYN Luc, “Algemene inleiding tot de psychotraumatologie”, basistekst bijscholing

Lessius Hogeschool, september 2002.

Revue du droit des étrangers, ADDE asbl, driemaandelijkse uitgave, Bruxelles.

Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen

voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (de opvangrichtlijn )

Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake de minimumnormen voor de

erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als persoon

die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende

bescherming (de Kwalificatierichtlijn).

Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende de minimumnormen

voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus

(de Procedurerichtlijn).

Richtlijn 2001/55/EG van de raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het

verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en

maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten

voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.

“Richtlijnen voor advocaten tijdens de asielprocedure bij het CGVS”, brochure CGVS.

RvV 30 juli 2007, met noot van A. Maes, T. Vreemd. 2008, p. 61-67.

RvV 23 oktober 2007, nr. 2940 en 2939.

RvS 13 februari 2007, nr. 167.754.

RvV 8 april 2008, nr. 181.821.

SPIJKERBOER, T.P. en VERMEULEN B.P., “Vluchtelingenrecht”, Serie Migratierecht III, Nederlands

Centrum Buitenlanders, Amsterdam, 1995.

“Staatlozen, nergens en nooit onderdaan, overal en altijd vreemdeling. Praktijkgerichte

Handleiding”, Team rechtspositie van de Integratiedienst stad Gent, met de steun van het

Europees Vluchtelingenfonds, 2007.

STEVENS J., “Regels en gebruiken van de advocatuur te Antwerpen”, Antwerpen, Kluwer

Rechtswetenschappen België, tweede editie, 1997.

Tijdschrift voor Vreemdelingenrecht, Vlaams Minderhedencentrum vzw, driemaandelijkse

uitgave, Die Keure.

“The Ethics of Social Work. Principles and Standards”, International Federation of Social

Workers (IFSW), document dat werd bekrachtigd tijdens de AV van 6-8 juli 1994.

UNHCR, “Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié”,

1992.

166 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


UNHCR, “Interviewing Applicants for Refugee Status (RLD 4)”, 1995.

UNHCR, “A Practical Guide to Empowerment”, 2001.

UNHCR, “Conclusions sur la protection internationale des refugiés” 1991.

UNHCR, “Human Rights and Refugee Protection. Part I General Introduction”, 1995.

UNHCR, “Human Rights and Refugee Protection. Part II Specific Issues”, 1996.

UNHCR, “Refugee Protection. A Guide to International Refugee Law”, 2000.

UNHCR, “Note on Burden and Standard of Proof in Refugee Claims”, 16 december 1998.

UNHCR, “Guidelines on International Protection: Membership of a particular social group

within the Context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or 1967 Protocol relating

to the Status of Refugees”, 7 mei 2002.

UNHCR, “Guidelines on International Protection: Internal Flight or Relocation Alternative

within the Context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or 1967 Protocol relating

to the Status of Refugees”, 2003.

UNHCR, “Guidelines on Policies and Procedures in dealing with Unaccompanied Minors

Seeking Asylum”, 1997.

UNHCR, “Guidelines on International Protection: Gender-related Persecution within the

context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or or 1967 Protocol relating to the

Status of Refugees”, 7 mei 2002.

UNHCR, “Guidelines on International Protection: Cessation of Refugee Status under Article

1C(5) and (6) of the 1951 Convention and/or or 1967 Protocol relating to the Status

of Refugees”, 10 februari 2003.

UNHCR, “Richtlijn betreffende asielaanvragen die gebaseerd zijn op godsdienst onder

Artikel 1 A(2) van het Vluchtelingenverdrag”, 28 april 2004.

“Vademecum voor voogden van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen”, FOD Justitie,

dienst voogdij, augustus 2007.

VAN DEN BUYS Els, VANBILSEN Sara, CUPERS Marijke en CLIJSTERS Koen, “Empowerend

groepswerk met asielzoekers, Ervaringen van OCMW Heusden-Zolder”, met steun van

het Federaal Impulsfonds voor migrantenbeleid 2006-2007, 96.

VAN ENDT- MEIJLING M., “Met nieuwe ogen, werkboek voor de ontwikkeling van een

transculturele attitude”, Coutinho, 70-99.

VAN EYKEREN Trees, “Een handleiding voor het begeleiden van kandidaat-terugkeerders

vanuit een empowerment-benadering”, Vluchtelingenwerk en Fedasil, november 2005,

64p.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 167


VAN HEULE D., “Asiel in België: vluchtelingen- en subsidiaire beschermingsstatus”, Migratie-

en Migrantenrecht, Deel 12, 2007, 253-271.

VAN HEULE D., “Het recht op asiel en de asielprocedure in een nationaal en Europees

perspectief”, in Migratie- en Migrantenrecht, Deel 7, 2002, Die Keure, 123-227.

VAN HEULE D., “Vluchtelingen. Een Overzicht na de wet van 6 mei 1993”, Mys en Breesch,

Gent, 1993.

VAN HOOREBEEK Katelijn, “Een open deur voor elke kleur. Werken aan toegankelijkheid

van het CAW voor etnisch-culturele minderheden”, SAWvzw Berchem en VMC vzw Brussel,

2004.

Verdrag van 10 december 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende

behandeling of bestraffing, aangenomen op 10 december 1984 door de Algemene

Vergadering van de Verenigde Naties, door België ondertekend op 4 februari 1985

en in werking getreden op 25 juli 1999 (het Anti-folterverdrag).

VERSTREPEN K. (ed.), “Inleiding tot het vreemdelingenrecht”, Orde van Vlaamse Balies,

Die Keure, 2002.

“Verwarde staat, Meldpunt Asielzoekers met Psychische Problemen toont hiaat in snelle

asielprocedure”, ASKV/Jonge Sla, Maart 2007, 48p.

“Vluchtverhaalanalyse. Een handleiding voor inhoudelijke bijstand in de asielprocedure.”,

De Acht vzw, 2003.

168 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


X BIJLAGEN

BIJLAGE I : Schema van de Asielprocedure

BIJLAGE II : Overzicht van de belangrijkste bijlagen en de beroepsmogelijkheden

BIJLAGE III : Aanstelling van een vertrouwenspersoon interview CGVS

BIJLAGE IV : Wijziging van woonplaats

BIJLAGE V : Aanvraag kopie van bepaalde administratieve stukken CGVS

BIJLAGE VI : Attest van immatriculatie model A

BIJLAGE VII : Vragenlijst vluchtverhaalanalyse voor de begeleider

BIJLAGE VIII : Rol van het UNHCR in de asielprocedure

BIJLAGE IX : Tuchtrecht advocaten

[ BIJLAGEN ]

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 169


BIJLAGE I : Schema van de Asielprocedure

170 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


BIJLAGE II : Overzicht van de belangrijkste bijlagen en de

beroepsmogelijkheden

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 171


172 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 173


174 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 175


176 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 177


BIJLAGE III : Aanstelling van een vertrouwenspersoon

interview CGVS

178 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


BIJLAGE IV : Wijziging van woonplaats

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 179


BIJLAGE V : Aanvraag kopie van bepaalde administratieve

stukken CGVS

180 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


BIJLAGE VI : Attest van immatriculatie model A

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 181


BIJLAGE VII : Vragenlijst vluchtverhaalanalyse voor de begeleider

0. Identiteit en reisroute

Identiteit

1. Bent u naar school geweest ? Hoeveel jaar? Wat studeerde u ?

2.Gaan in uw land van herkomst veel meisjes naar school, naar de universiteit ?

3.Werkte u ? Zo ja, wat deed u ? Zo nee, hoe kwam uw familie aan eten en andere benodigdheden?

4.Werken vrouwen gewoonlijk buitenshuis in uw land ?

5.Wat was uw laatste (vaste) adres in uw land van herkomst ?

6.Hebt u meer dan één nationaliteit ? Zo ja, welke?

Reisroute en contacten

1.Hebt u reeds gereisd of gewoond buiten uw land van herkomst voor uw vertrek ?

2.Indien ja, kan u toelichten: wanneer (van maand/jaar - tot maand/jaar), land en plaats,

reden van het verblijf, statuut.

3.Hebt u ooit een paspoort gevraagd in uw land van herkomst ?

4.Zo neen, waarom niet ?

5.Zo ja, is het paspoort uitgereikt ?

6.Zo ja, wat is de datum van uitreiking, vernieuwing, verval ?

7.Bent u nog in het bezit van dit paspoort ?

8.Zo neen, waar bevindt dit paspoort zich nu (wees zo precies mogelijk) ?

9.Als er geen paspoort werd uitgereikt, wat is de reden ?

10.Wanneer heeft u beslist om uw land te verlaten ?

11.Waarom net dan en niet eerder ?

12.Welke gebeurtenis was beslissend ? Wat precies heeft u deze beslissing doen nemen?

13.Hoe hebt u uw vertrek georganiseerd ?

14.Hoe hebt u alle nodige documenten, visa, geld, ticketten, toelating tot vertrek (voor

de landen waar dit nodig is) bekomen, etc. ?

15.Wie heeft u geholpen ? Hoe ? Waarom ?

16.Wanneer heeft u uw land van herkomst verlaten ? Hoe ?

17.Beschrijf uw reisroute in detail en geef aan met welk vervoermiddel u reisde.

18.Welke documenten (echte of vervalste) heeft u gebruikt ?

19.Met wie bent u vertrokken ?

20.Wie heeft u geholpen ?

21.Indien u uw land van herkomst legaal verlaten hebt, hoe kon u dit op deze manier

doen aangezien u vreest vervolgd te worden ?

22.Hebt u de grenscontrole misleid ? Hoe en waar ?

182 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Transitlanden

1.Door welke landen bent u gereisd ?

2.Hoe bent u in ieder land binnengekomen ?

3.Had u een visum ? Welk type ? Hoe, wanneer en waar hebt u dit visum bekomen ?

4.Waar woonde u in dit land? Hoe verdiende u er de kost ?

5.Waarom heeft u beslist dit land te verlaten ? Hoe heeft u dat gedaan ?

6.Bent u reeds vastgehouden door de autoriteiten bevoegd voor de grenscontrole van

een ander land? Zo ja, kan u details geven ?

7.Hebt u ooit asiel aangevraagd in een ander land ? Werd u ooit erkend als vluchteling

in een ander land ?

8.Zo niet, waarom niet ?

9.Zo ja, kan u zeggen: waar, wanneer, hoe, bij welke overheid ? wat was het resultaat ?

Asielland

1.Hoe bent u binnengekomen in België ? Clandestien, met een toelating, met een toeristen-

of ander visum, met een verblijfskaart of een arbeidskaart ? Kan u details geven ?

2.Bent u vastgehouden door de grenspolitie / dienst vreemdelingenzaken ? Zo ja, kan u

details geven ?

3.Wat is uw huidig statuut ?

4.Hebt u de Ambassade, het Consulaat of enige andere autoriteit van uw herkomstland

gecontacteerd ? Hebt u de intentie om dit te doen ? Zo ja: waar, wanneer en waarom

?

5.Hebt u de Ambassade of het Consulaat van een ander land gecontacteerd ? Zo ja, kan

u toelichting geven ?

9.Hoe bent u met deze dienst in contact gekomen ?

10.Bent u het slachtoffer van geweld geweest tijdens uw reis ? Kan u details geven ?

1. Wat is het risico bij terugkeer ?

Terugkeer

1.Denkt u gevaar te lopen indien u zou terugkeren naar uw land van herkomst?

2.Wat zouden volgens u de mogelijke gevolgen zijn van deze risico’s (fysieke verwondingen

of psychologische problemen, verlies van rechten, etc.) ?

3.Voor vrouwelijke asielzoeksters: denkt u specifieke problemen te hebben die het gevolg

zouden zijn van de ervaringen die u meegemaakt hebt?

4.Denkt u specifieke fysieke risico’s te lopen bij terugkeer naar uw land van herkomst?

5.Indien dit zo is, kan u details en redenen geven ?

6.Zijn er gerechtelijke acties lopende tegen u in uw land van herkomst ?

7.Wilt u terugkeren naar uw herkomstland ? Indien niet, waarom niet ?

8.Zouden de overheden van uw land van herkomst u laten terugkeren ? Indien niet,

waarom niet ?

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 183


Detentie

1.Bent of was u in uw herkomstland gezocht door de overheid of door een of andere

groep, vb. politie, militairen, andere overheid, andere groepen of personen ?

2.Indien ja, kan u toelichting geven ?

3.Bent u reeds gearresteerd geweest? Bent u reeds in de gevangenis of in een andere

plaats opgesloten geweest?

4.Wat waren de redenen hiervoor ?

5.Hoe werd u behandeld tijdens deze arrestatie / opsluiting? Werd u ondervraagd? Zo

ja, waarover? Hoe werd u behandeld tijdens de ondervraging? Kan u in detail beschrijven

hoe u behandeld werd?

6.Werd u bewaakt en ondervraagd door personen van hetzelfde geslacht ?

7.Indien er meerdere arrestaties / opsluitingen plaats vonden kan u dan voor ieder van

hen aanduiden: datum aanhouding, duur vasthouding, onder welke betichting, datum

en wijze van vrijlating?

8.Wat waren de plaats en de omstandigheden van de opsluiting ?

9.Hoeveel personen werden vastgehouden in uw cel (of andere plaats waar u opgesloten

werd)?

10.Werden mannen en vrouwen vastgehouden in dezelfde plaats? Werden mannen en

vrouwen opgesloten in gescheiden plaatsen ? Hoe / waar werden mannen / vrouwen

vastgehouden ?

11.Hoe werd u behandeld ?

12.Bent u tijdens of na uw opsluiting ooit geregistreerd geweest door het Internationale

Comité van het Rode Kruis of door een andere organisatie ?

13.Bent u in het bezit van documenten omtrent uw arrestatie of opsluiting ? Kan u die

bekomen ?

14.Heeft een proces plaats gevonden ? Zo ja, kan u toelichting geven: wanneer, waar,

naam advocaat (privé of pro Deo?), naam rechter en procureur, vonnis.

15.Hoe bent u vrijgelaten ? Onder welke omstandigheden ?

Andere gebeurtenissen

16.Bent u ooit ontvoerd geweest ? Heeft men u ooit als vermist verklaard? Zo ja, kan u

details geven ?

17.Werd u ooit bedreigd of afgeperst? Zo ja, kan u details geven: waarom, door wie,

waarmee (vb. dood, mishandeling, etc.), tegen wie (vb. uzelf, gezinsleden, andere

familieleden, etc.)?

18.Zijn u of zijn uw gezinsleden ooit het slachtoffer geweest van seksueel of familiaal

geweld ? Zo ja, kan u dit toelichten: wanneer, waar, wie ?

Intern vluchtalternatief / alternatieve oplossingen

1. Hebt u hulp of bescherming gevraagd bij de bevoegde autoriteiten in uw land van

herkomst ?

2. Indien niet, waarom niet ?

184 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


3. Zo ja, wat hebt u gedaan ? Kan u data, maatregelen, plaatsen en autoriteiten toelichten

?

4.Had u in uw land van herkomst de bevoegde autoriteiten om hulp of bescherming kunnen

vragen ?

5. Hebben de politie of gerechtelijke autoriteiten maatregelen genomen naar aanleiding

van uw problemen ?

6. Wat was het resultaat?

7.Indien u geen bescherming heeft gezocht bij de autoriteiten van uw land van herkomst,

wat was daar de reden voor ?

8.Hebt u hulp gezocht bij andere organisaties, nationale of internationale, in uw land ?

9. Had u in uw land van herkomst bij andere organisaties, nationale of internationale,

hulp kunnen zoeken ?

10.Indien ja, kan u dat toelichten ?

11.Indien neen, kan u dat toelichten ?

12.Hebt u overwogen om naar een ander deel van uw land van herkomst te verhuizen ?

13. Zo ja, kan u dit toelichten ? Zo neen, kan u dit toelichten ?

2. Wat is de reden voor de vervolging ?

“wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale

groep of politieke overtuiging”

1.Waarom verliet u uw land ?

2.Heeft u zelf specifieke problemen gehad?

3.Waarom had u die problemen ?

4.Hebben die problemen gevolgen voor u (vb. fysieke wonden en/of psychologische problemen,

verlies van rechten, etc.) ?

5.Heeft u geprobeerd om stappen te ondernemen om een einde te stellen aan deze problemen

? Zo ja, wat heeft u gedaan ? Zo nee, waarom heeft u niets geprobeerd?

6.Hebben uw problemen rechtstreeks te maken met het feit dat u tot een bepaalde groep

behoort (ras, godsdienst, nationaliteit, ethnische groep, sociale groep, politieke partij)?

7.Zo ja, waarom en hoe ?

8.Hoe onderscheidt uw groep zich van andere groepen? Hoe kan U herkend worden als

lid van uw groep?

9. Wat is uw godsdienst ? Sinds wanneer ?

10.Hebt u eerder een andere godsdienst beleden ?

11.Wanneer heeft u zich bekeerd ? Waarom en hoe ?

12.Bent u praktizerend of niet ?

13.Hoe praktizeert u uw geloof ?

14.Wat betekent ‘praktizeren’ voor u ?

15. (voor hoogwaardigheidsbekleders) Welke verantwoordelijkheden had U binnen uw

godsdienst?

16.Wat zijn de fundamentele peilers van uw geloof ?

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 185


17.Zijn er gedragsregels of door uw geloof opgelegde regels die tegenstrijdig zijn aan de

wetten en gebruiken in uw land ? Zo ja, kan u die toelichten ?

18.Zijn alle leden van uw religieuze gemeenschap vervolgd door de autoriteiten van uw

land ? Indien dit niet het geval is door wie en waarom bent u vervolgd ?

19.Welke rol spelen / taken vervullen / rechten hebben vrouwen in uw gemeenschap?

20.Bestaan er “straffen” als mannen of vrouwen de opgelegde normen en regels niet

naleven? Zo ja, kan u die toelichten ?

21.Maakt(e) u deel uit van een sociale, religieuze, etnische, politieke of vrouwen-groep

in uw land of elders ? Indien ja, sinds wanneer ?

22.Hoe bent u lid geworden van deze groep of organisatie? Waarom bent u lid geworden

?

23.Hebt u stukken die uw lidmaatschap bewijzen ? Zo niet, waarom niet?

24.Wie zijn de leiders van de groep?

25.Kan u uw groep beschrijven aan de hand van volgende elementen: vb. voor politieke

partijen: doelstelling, strategie, structuur, aantal leden, (gekende of onbekende) leiders

(minstens de belangrijkste leider), geschiedenis, acties ?

26.Kan u uw activiteiten en verantwoordelijkheden in deze groep beschrijven ? Kan u

precieze data en plaatsen aanduiden?

27.Hebt u meegewerkt aan belangrijke activiteiten of acties ? Zo ja, op welke manier ?

28.Is er in de nationale of internationale pers iets verschenen over deze acties of activiteiten

?

29.Indien u uw samenwerking heeft gestopt met de groep/organisatie, sinds wanneer

was dit en om welke redenen ?

30.Wat zijn de gevolgen van deze stopzetting ?

31.Hebben u, of uw gezinsleden, ooit problemen gehad omwille van de verhouding tussen

mannen en vrouwen in uw gemeenschap (op basis van de rollen en verantwoordelijkheden

die aan het ene of het andere geslacht worden toegewezen. Vb. Seksueel

geweld, huiselijk geweld, gedwongen familieplanning, genitale verminking, wrede of

onmenselijke behandeling voor het overtreden van de sociale zeden van de gemeenschap

waartoe u behoort, discriminatie van homoseksuelen.)

32.Zo ja, kan u deze problemen toelichten ?

33.Hebt u geprobeerd de autoriteiten van uw land te contacteren om hulp of bescherming

te vragen ?

34.Indien niet, waarom ?

35.Zo ja, wat heeft u gedaan ? Hoe ? Preciseer de data, de genomen maatregelen, de

plaatsen, en door wie de maatregelen werden genomen.

36.Hebben de politie of gerechtelijke autoriteiten maatregelen genomen naar aanleiding

van uw problemen ?

37.Wat was het resultaat ?

Familierelaties

1.Vermeld de sociale, religieuze, etnische, politieke of vrouwen-groep waartoe u of uw

familieleden behoorden in uw land van herkomst of elders.

186 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


2.Bent u op de hoogte van de activiteiten die door uw (of één van uw) familieleden

(ouders, partner, andere familieleden) werden uitgeoefend ? Vertelden zij u over hun

activiteiten ? Zo nee, waarom niet?

3.Sinds wanneer maakten ze deel uit van deze groep ?

4.Hoe zijn ze lid geworden ?

5.Waarom zijn ze lid geworden ?

6.Wie waren de verantwoordelijken van deze groep ?

7. Kan u meer vertellen over deze groep aan de hand van de volgende elementen: doelstelling,

strategie, structuur, aantal leden, (gekende of onbekende) leiders (op z’n minst

de belangrijkste leider), geschiedenis, actieterreinen ?

8.Kan u de activiteiten en verantwoordelijkheden van uw familieleden in deze groep

beschrijven ? Kan u data en plaatsen aangeven ?

9.Aan welke belangrijke activiteiten namen uw familieleden deel ? Hoe ?

10.Werden deze activiteiten in de nationale of internationale pers vermeld ?

11.Indien uw familielid of familieleden niet langer lid is / zijn, sinds wanneer is dat en

om welke reden ?

12.Heeft het verlaten van deze groep gevolgen gehad voor iemand van de familie? Zo

ja, welke?

13.Op welke wijze wordt u getroffen door het feit dat uw familieleden lid zijn van deze

organisatie ?

14.Is dat normaal in uw land van herkomst ?

15.Werd er ooit iemand van uw familie gearresteerd, vastgehouden, ontvoerd of is er

ooit iemand van uw familie verdwenen ?

16.Zo ja, kan u details geven: namen, familiebanden, data arrestatie of verdwijning, duur

vasthouding door wie, hoe vrijgelaten?

17.Waarom werd uw familielid aangehouden ? Waarom is uw familielid verdwenen?

18.Hebt u nog contact met, of hebt u informatie over uw familieleden die nog in het

herkomstland verblijven ?

19.Welke leden van uw familie hadden een beroep ? Kan u toelichting geven ?

20.Heeft u familieleden in andere landen ? Zo ja, kan u het land, de volledige naam van

de persoon, de familieband, de nationaliteit, het statuut, beroep en volledig adres geven

?

21.Heeft u familieleden die asiel aangevraagd hebben / erkend vluchteling zijn in België

of in een ander land ?

22.Zo ja, geef de volledige naam, de familieband, de datum van de asielaanvraag (dag/

maand/jaar), het land en het resultaat.

Militaire dienst en lidmaatschap van gewapende groepen

1.Is de militaire dienst verplicht in uw land ? Voor mannen / vrouwen ?

2.Zo ja, vanaf welke leeftijd ? Hoelang duurt de dienst ?

3.Bestaan er in uw land alternatieven, zoals vb. sociale dienst, die de militaire dienst kunnen

vervangen ?

4.Bent u opgeroepen voor militaire dienst? Zo ja, wanneer, hoe, waar, etc.?

5.Hebt u uw militaire dienst voltrokken ?

6.Indien ja, vrijwillig of dienstplichtig ?

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 187


7.Kan u alle plaatsen alsook de militaire taken die u diende uit te voeren beschrijven ?

(plaats: stad, provincie, land; data: van maand/jaar tot maand/jaar); taken: type eenheid,

rang, militaire opdrachten).

8.Was u verantwoordelijk voor andere militairen ? Hoeveel ?

9.Hebt u uw militaire dienst beëindigd ?

10.Indien u geen militaire dienst heeft gedaan, of niet beëindigd, waarom was dat ?

11.Indien u deserteerde, kan u de datum, plaats, hoe en waarom u deserteerde toelichten

?

12.Bent u ooit lid geweest van een gewapende groep ?

13.Indien ja, hoe werd u lid / gerekruteerd ? Wanneer ? Waarom bent u lid geworden

?

14.Wie waren uw oversten ?

15.Kan u meer vertellen over deze groep? vb. doelstelling, strategie, structuur, aantal

leden, (gekende of onbekende) leiders (op z’n minst de belangrijkste leider), geschiedenis,

actieterreinen.

16.Kan u uw activiteiten bij deze groep beschrijven, inclusief data en plaatsen ?

17.Hebt u deelgenomen aan activiteiten waar er misbruik van macht of fysiek geweld

heeft plaats gevonden ?

18.Zo ja, beschrijf de aard van het / elk incident en uw aandeel hierin. Kan u data, plaats

en slachtoffers nauwkeurig omschrijven ?

19.Indien u niet langer tot deze groep behoort, sinds wanneer en waarom ?

20.Wat waren de gevolgen van het verlaten van de groep ?

21.Werden ook kinderen (meisjes, jongens) gerekruteerd ? Door wie ? Vanaf welke

leeftijd ?

3. Wat zijn de bewijzen ?

1. Kan u bewijzen aanbrengen voor uw verklaringen ?

2. Zo ja, waar bevinden de bewijzen zich ? Kan men er gemakkelijk aan geraken ?

3. Indien niet, waarom niet ?

4. Welke stappen werden ondernomen om bewijzen te verzamelen ?

188 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


BIJLAGE VIII : Rol van het UNHCR in de asielprocedure

De werking van de juridische dienst van het Belgisch Comité voor Hulp aan

Vluchtelingen

De juridische dienst kwam in februari 1996 tot stand in de schoot van het BCHV, en dit

met de logistieke, technische en financiële steun van het UNHCR, om hen bij te staan met

deskundig advies op grond van artikel 57/23 bis van de wet van 15 december 1980.

Mandaat UNHCR

Sinds de meest recente hervorming van de asielprocedure bepaalt dit artikel het volgende

:

“De vertegenwoordiger van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen

of diens gemachtigde, mits de asielzoeker daarmee instemt, kan alle stukken, waaronder

de vertrouwelijke stukken, inzien die zich bevinden in de dossiers inzake de aanvraag

om als vluchteling te worden erkend, gedurende het hele verloop van de procedure met

uitzondering van de procedure voor de Raad van State.

Hij kan een mondeling of schriftelijk advies verstrekken aan de Minister in zoverre dat advies

de bevoegdheid betreft om te bepalen welke Staat verantwoordelijk is voor de behandeling

van een asielverzoek of om een latere asielaanvraag te verwerpen, aan de Commissarisgeneraal

voor de vluchtelingen en de staatlozen, uit eigen beweging of op diens verzoek.

Hij kan eveneens uit eigen beweging een schriftelijk advies verstrekken aan de Raad voor

Vreemdelingenbetwistingen.

Wanneer de Commissaris-Generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen afwijkt van een

advies dat haar is verstrekt krachtens het tweede lid, moet zij in haar beslissing uitdrukkelijk

de redenen daarvan vermelden.”

De taak van de Juridische Dienst bestaat erin het UNHCR te helpen om die zaken te selecteren

waar een advies nodig blijkt te zijn, en dit door een voorafgaand onderzoek van

de dossiers en door een voorstel tot tussenkomst voor te bereiden voor de individuele

gevallen die specifieke bescherming nodig hebben.

Door de jaren heen heeft het BCHV een zekere legitimiteit verkregen dankzij haar nauwe

samenwerking met het UNHCR. Dit liet toe om bij gelegenheid in eigen naam interventies

te doen die steeds de bescherming van de vluchtelingen voor ogen hielden, of de

juridische bijstand van de personen die een asielaanvraag indienden (ondersteunen van

nieuwe asielaanvragen, ondersteunen van hangende dossiers, vraag tot intrekking van

een beslissing).

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 189


Onderzoek

Het onderzoek van de dossiers door het BCHV is kosteloos en bestaat uit een diepgaande

lectuur en analyse van de verschillende beslissingen en beroepen (door de asielinstanties

en de Raad van State), uit de analyse van de verklaringen van de persoon die de asielaanvraag

indiende of van zijn raadgever bij de procedure alsook de eventuele nieuwe

elementen die hij aanvoert, uit opzoekwerk naar het land van herkomst of de specifieke

groep waartoe de betrokkene behoort, en tenslotte uit een analyse van de jurisprudentie

of van de toepasselijke doctrine. In ongeveer 50% van de gevallen wordt een kopie van

het administratief dossier (de gehoorverslagen van de zittingen bij de asielinstanties,

rapporten van CEDOCA) bij het CGVS aangevraagd en bestudeerd. Ongeveer de helft van

de personen die hun dossier naar het BCHV sturen worden uitgenodigd om een interview

af te leggen. Dit interview duurt meestal een halve dag en verloopt indien nodig met behulp

van een tolk. Wanneer het BCHV beslist dat er voldoende argumenten zijn om het

dossier te verdedigen, maakt het een voorstel van advies op voor het UNHCR of komt zelf

tussen bij de asielinstanties.

Criteria

De criteria voor een interventie van het UNHCR en de criteria voor een selectie van het

BCHV zijn de volgende:

¬ De motivering van de negatieve beslissing door één van de asielinstanties respecteert

sommige aspecten van de Conventie van Genève van 1951 aangaande

het statuut van vluchteling of de interpretatie hiervan door het UNHCR niet.

¬ De negatieve beslissing, genomen door één van de asielinstanties geeft een

interpretatie van het begrip subsidiaire bescherming die niet correct is in het

kader van de wet van 1980, of in het kader van de rechtspraak van het Europees

Hof voor de Rechten van de Mens.

¬ De motivering van de negatieve beslissing bevat foute informatie over de

situatie in het land van herkomst van de kandidaat-vluchteling.

¬ De geloofwaardigheid van de persoon die asiel aanvraagt, werd niet op een

correcte manier bestudeerd ( vb: men heeft hem niet gewezen op het feit dat

hij zichzelf tegenspreekt ). Het is echter belangrijk hieraan toe te voegen dat

het UNHCR geen advies uitbrengt enkel gebaseerd op de geloofwaardigheid,

indien er geen aanvullende elementen voorhanden zijn

Indien het relaas niet geloofwaardig lijkt, of niet tot het toepassingsveld van de Conventie

van Genève behoort of tot het toepassingsveld van de subsidiaire bescherming,

of indien de beslissingen van de asielinstanties correct gemotiveerd werden, maakt het

BCHV een interne weigering tot interventie op.

Het UNHCR en het BCHV letten erop enkel tussen te komen in dossiers die ze sterk achten.

Hun geloofwaardigheid en reputatie van kwalitatieve interventies zijn van primordiaal

belang voor het succes van toekomstige interventies.

190 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Het BCHV stelt zich in geen geval in de plaats van de met een bepaald dossier belaste

advocaat.

Het BCHV komt het liefst tussen op preventieve wijze. Het is dus aan te bevelen om het de

te bestuderen asielaanvragen voor te leggen voordat er een beslissing genomen is in beroep.

Toch wacht het BCHV meestal tot Dienst Vreemdelingenzaken een eerste uitspraak

deed voordat ze een dossier onderzoekt.

Opdat uw aanvraag zou worden onderzocht, verwacht het BCHV van u:

¬ dat de asielzoeker, vooraleer contact op te nemen met hen, beroep doet op

een sociaal assistent of advocaat met wie hij bespreekt of het nuttig is uw

dossier aan het BCHV over te maken

¬ de volledig ingevulde vragenlijst van het BCHV waarop u duidelijk de reden

vermeldt die u aanzette beroep te doen op het BCHV

¬ voeg de kopies van alle beslissingen van de asielinstanties toe en indien van

toepassing ook het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en

de Raad van State

Contactgegevens:

Adres:

Defacqzstraat 1 b 10 – 1000 Brussel

Tel: 02/537.82.20

Fax: 02/537.89.82

e-mail: info@cbar-bchv.be

website: http://www.cbar-bchv.be/

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 191


BIJLAGE IX : Tuchtrecht advocaten

Klacht tegen een advocaat

WAT EN WAAROM?

Vluchtelingenwerk Vlaanderen streeft al jaren naar een verbeterde juridische bijstand

voor asielzoekers. Hoewel vele advocaten zeer verdienstelijk werk leveren stellen we vast

dat er zich soms problemen voordoen met advocaten die flagrante fouten maken, zich

schuldig maken aan ernstige nalatigheden en hun verplichtingen niet nakomen.

Asielzoekers zijn relatief kwetsbaar en staan om diverse redenen weigerachtig tegenover

het idee klacht neer te leggen tegen hun advocaat.

Nochtans is de advocaat gebonden aan regels die verband houden met de uitoefening

van zijn beroep en heeft zijn cliënt recht op een degelijke juridische bijstand. Een advocaat

is “waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid” 1 verschuldigd, in hedendaagse termen

te vertalen als “maximale deskundigheid, snelle dienstverlening en totale eerlijkheid” 2 .

Hieronder vallen een heleboel verplichtingen.

Een aantal voorbeelden van tuchtrechtelijk beteugelbare wanpraktijken zijn:

¬ Een verregaande slordigheid aan de dag leggen

¬ Systematisch niet bereikbaar zijn voor zijn cliënt

¬ Niet verschijnen op een zitting

¬ Leugenachtige verklaringen afleggen tegenover de cliënt

¬ Een beroepstermijn laten verstrijken terwijl de opdracht was om in beroep

te gaan

¬ Overdreven ereloon vragen

¬ …

Advocaten zijn aangesloten bij een Orde van Advocaten, met aan het hoofd de stafhouder.

Wanneer u ontevreden bent over uw advocaat kan u zich wenden tot de stafhouder

van de balie waarvan hij lid is. Naargelang de aard van de klacht en de concrete situatie,

zal de stafhouder met u naar de gepaste oplossing zoeken. Indien de stafhouder het probleem

niet kan oplossen of geen akkoord kan bereiken, kan hij verzoening, bemiddeling

of arbitrage voorstellen.

1 Artikel 456 Gerechtelijk Wetboek

2 Uit de toespraak van stafhouder W. Hendrickx van 23 mei 1989, vademecum 11, in J. STEVENS, Regels

en gebruiken van de advocatuur te Antwerpen, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen België, tweede

editie, 1997, p.686.

192 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


U kan ook formeel een klacht indienen bij de stafhouder, zodat hij desgevallend een

tuchtonderzoek kan opstarten. Hoe u dit moet doen en hoe dit alles verloopt, leest u

hieronder 3 .

Het komt de rechtsorde ten goede wanneer u eventuele mistoestanden aankaart.

HOE?

In geval van ongenoegen over het handelen (of niet-handelen) van uw advocaat kan u

een brief of een e-mail richten naar de stafhouder van de balie waarvan uw advocaat lid

is. De lijst van de Vlaamse balies met hun respectieve stafhouders vindt u op de website

van de Orde van Vlaamse Balies: www.advocaat.be > lokale balies. U kan daar ook de

gegevens van uw advocaat op terugvinden en de balie waaraan hij of zij verbonden is

(www.advocaat.be > zoek een advocaat). 4

In deze brief of e-mail geeft u aan waarom u ontevreden bent en wat u wenst.

U kan ook best zoveel mogelijk bewijsstukken bijvoegen.

Indien u een formele klacht (met het oog op een eventuele tuchtprocedure) wenst in te

dienen bij de stafhouder, moet die aan volgende voorwaarden voldoen om ontvankelijk

te zijn:

¬ schriftelijk;

¬ de volledige identiteit van de klager bevatten (naam, voornaam en adres);

¬ ondertekend;

¬ gedateerd.

Indien u hulp nodig heeft bij het opmaken van een klacht (omdat u bijvoorbeeld als

asielzoeker de taal niet voldoende machtig bent of omdat u niet bekend bent met de mogelijkheid

klacht neer te leggen tegen een advocaat), kan een hulpverlener u uiteraard

hierbij helpen. De hulpverlener heeft hiervoor wel uw toestemming nodig en hij dient de

klacht te formuleren in uw naam.

Wanneer uw advocaat, die optreedt in het kader van de kosteloze juridische tweedelijnsbijstand

(de zogenaamde “pro-Deoadvocaat”), onbehoorlijk werkt, kan de voorzitter van

het Bureau voor Juridische Bijstand klacht indienen. Hieruit volgt dat een hulpverlener

in eigen naam de voorzitter van het BJB op de hoogte kan brengen van een probleem

met een advocaat, zodat de BJB-voorzitter op zijn beurt een klacht kan indienen bij de

stafhouder.

3 Het tuchtrecht voor de advocatuur wordt geregeld in artikelen 456 t.e.m. 477 Gerechtelijk Wetboek.

4 Let wel, u vindt op de website van de Orde van Vlaamse Balies alleen de gegevens terug van de Vlaamse

advocaten. Voor de Franstalige of Duitstalige advocaten dient u de website van de Ordre des barreaux

francophones et germanophone (OBFG) te consulteren: www.avocat.be.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 193


Het is tot op heden niet duidelijk of ook een belangenorganisatie in eigen naam een

klacht kan indienen. Dit probleem stelt zich soms omdat bijvoorbeeld de kandidaatvluchteling

of de uitgeprocedeerde asielzoeker gerepatrieerd werd en niet meer in eigen

naam klacht kan neerleggen.

De huidige tuchtprocedure is bij wet van 21 juni 2006 ingevoerd en trad in werking op 1

november 2006. In 2007 diende Vluchtelingenwerk Vlaanderen klacht in met het oog op

het bekomen van een principiële beslissingen hieromtrent. De zaak is nog hangende bij

de Tuchtraad.

Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat de stafhouder ook ambtshalve of op

aangifte door de procureur-generaal een onderzoek kan instellen.

WAT GEBEURT ER MET DE KLACHT?

De stafhouder

Na ontvangst van de klacht zal de stafhouder de zaak onderzoeken of zal hij een onderzoeker

aanstellen. U wordt hiervan als klager schriftelijk op de hoogte gebracht.

De stafhouder verzamelt bewijsstukken en kan u, de advocaat en eventueel ook getuigen

horen. U kan eventueel nog bijkomende informatie of bewijsstukken voorleggen.

Na dit onderzoek zijn er twee mogelijkheden:

¬ De stafhouder kan oordelen dat er voldoende redenen zijn om de advocaat

voor de tuchtraad te laten verschijnen. In dat geval zal hij het dossier samen

met zijn bevindingen doorzenden naar de voorzitter van de tuchtraad, die de

tuchtraad zal bijeen roepen om over het dossier te oordelen.

¬ De stafhouder is van mening dat de advocaat niet voor de tuchtraad moet

verschijnen (omdat de klacht bijvoorbeeld onontvankelijk, ongegrond of onvoldoende

gewichtig is). U wordt van deze beslissing schriftelijk op de hoogte

gebracht.

¬ Het kan ook zijn dat de stafhouder niets onderneemt of u niet laat weten wat

hij heeft beslist. Indien de stafhouder zes maanden na uw klacht nog geen beslissing

heeft genomen, kan u naar de voorzitter van de tuchtraad stappen.

De voorzitter van de tuchtraad

De stafhouder kan het dossier overmaken aan de voorzitter van de tuchtraad (zie hierboven).

Indien de stafhouder meent dat de advocaat niet voor de tuchtraad moet verschijnen of

indien de stafhouder niets heeft ondernomen binnen een termijn van zes maanden na de

klacht, kan u (als klager) zelf initiatief nemen.

194 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


U richt dan een aangetekend schrijven naar de voorzitter van de tuchtraad binnen een

termijn van drie maanden na de beslissing van de stafhouder om de advocaat niet te

vervolgen, ofwel binnen drie maanden na de termijn van zes maanden waarbinnen de

stafhouder heeft stilgezeten.

U stuurt de brief aan de voorzitter van de tuchtraad naar het adres van de tuchtraad (zie

hierna) met vermelding “Aan de Voorzitter van de Tuchtraad”.

De voorzitter van de tuchtraad kan dan de volgende beslissingen nemen binnen een

termijn van drie maanden:

¬ de voorzitter kan de stafhouder vragen om het onderzoek binnen een bepaalde

termijn af te ronden;

¬ de voorzitter kan ook beslissen om de klacht zelf te onderzoeken of te laten

onderzoeken;

¬ de voorzitter kan beslissen dat er geen reden is om de advocaat voor de tuchtraad

te laten verschijnen;

¬ de voorzitter kan beslissen dat de advocaat voor de tuchtraad moet verschijnen.

De voorzitter zal u schriftelijk laten weten welke beslissing werd genomen.

Tegen de beslissing van de voorzitter van de tuchtraad is geen beroep mogelijk.

De tuchtraad

Er zijn in België zes tuchtraden, drie voor het Nederlandstalig landgedeelte en drie voor

het Franstalig landgedeelte, met telkens een tuchtraad van beroep.

Voor het Nederlandstalig landsgedeelte zijn dit : Antwerpen (Tuchtraad voor advocaten

- Bolivarplaats 20/17 - 2000 Antwerpen), Gent (Tuchtraad voor advocaten - gerechtsgebouw,

lokaal 38 (1e verdiep) - Koophandelsplein 23 - 9000 Gent) en Brussel (Tuchtraad

voor advocaten - Koningsstraat 148 - 1000 Brussel).

De tuchtraad van beroep zetelt eveneens te Brussel (Koningsstraat 148 - 1000 Brussel).

De drie tuchtraden voor het Franstalig landsgedeelte bevinden zich in Luik, Bergen en

Brussel, met een Tuchtraad van Beroep te Brussel.

Zendt de voorzitter van de tuchtraad het dossier door naar de tuchtraad, dan wordt er

een zitting vastgesteld. U wordt als klager van de plaats en het tijdstip van de zitting op

de hoogte gebracht. Indien u dat wenst kan u op de zitting worden gehoord en eventueel

geconfronteerd met de advocaat.

De tuchtraad kan vier soorten sancties opleggen aan de advocaat, in volgorde van

ernst:

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 195


¬ een waarschuwing

¬ een berisping

¬ een schorsing van maximum 1 jaar (tijdelijk verbod op de uitoefening van het

beroep)

¬ een schrapping (definitief verbod op de uitoefening van het beroep, de betrokkene

is geen advocaat meer)

Al deze sancties kunnen eventueel ook worden uitgesproken met opschorting of uitstel

waarbij de advocaat zich dan aan een aantal opgelegde voorwaarden dient te houden.

U bent als klager eigenlijk geen partij in de tuchtprocedure, waardoor u niet automatisch

op de hoogte wordt gebracht van de uitspraak van de tuchtraad. U kan wel informatie

vragen aan de stafhouder of aan de voorzitter van de tuchtraad, maar deze beslissen vrij

welke info zij u geven.

De tuchtraad van beroep

Indien de betrokken advocaat, de procureur-generaal of de stafhouder van de balie van

de betrokken advocaat het niet eens is met de beslissing van de tuchtraad, kan die in beroep

gaan bij de tuchtraad van beroep, die gevestigd is in de Koningsstraat 148 te 1000

Brussel. Als klager heeft u die mogelijkheid niet.

196 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 197


Schadevergoeding?

Indien u door een fout van de advocaat schade hebt gelopen en u wil hiervoor schadevergoeding

bekomen, dan kan dat niet via de hierboven omschreven tuchtprocedure, maar

moet u bij de gewone rechtbank een procedure inleiden. Advocaten hebben trouwens

een verplichte beroepsaansprakelijkheidsverzekering.

Klachten omtrent het ereloon:

De hierboven beschreven tuchtprocedure kan er toe leiden dat een advocaat omwille van

een inbreuk op de deontologische regels, een tuchtsanctie oploopt.

Indien u meent dat de kosten- en ereloonstaat van uw advocaat buitensporig is, kan het

bedrag desgevallend worden herleid.

U deelt vooreerst uw ongenoegen over het ereloon schriftelijk mee aan uw advocaat.

Indien u geen overeenstemming bereikt met uw advocaat kan u de stafhouder schriftelijk

vragen om tussen te komen. Voeg zoveel mogelijk bewijsstukken toe.

Aan de verschillende balies bestaan verschillende instanties die de erelonen van advocaten

controleren, eventueel bemiddelen of een verzoening nasterven. Dit is aan elke balie

anders geregeld, maar telkens met de bedoeling de zaak zo soepel en snel mogelijk te

regelen.

De stafhouder kan ook voorstellen om het geschil omtrent het ereloon voor te leggen

aan een arbitragecollege. U bent vrij om hier al dan niet op in te gaan.

Beide partijen ondertekenen vooraf een arbitrageovereenkomst waarin zij bevestigen

dat zij zich zullen neerleggen bij de beslissing van het arbitragecollege.

De arbiters zijn meestal één of meerdere ervaren advocaten of leden of oud-leden van de

raad van de Orde van de Orde van Advocaten waartoe de advocaat behoort.

Een arbitrageprocedure verloopt soepel en snel. De zittingen zijn niet openbaar en de

uitspraken worden niet publiek bekendgemaakt. Beide partijen brengen hun argumenten

naar voor. U kan zich uiteraard laten bijstaan door een advocaat. Het arbitragecollege

doet een uitspraak die bindend is voor beide partijen. Er is dus geen hoger beroep

mogelijk.

Arbitrage is ofwel kosteloos ofwel zeer democratisch.

Indien uw zaak niet in der minne of via arbitrage kan worden geregeld, kan u uw dossier

nog voorleggen aan een rechtbank. Uiteraard mag u zich hierbij laten bijstaan door een

advocaat.

198 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE


Meer weten?

¬ De bepalingen over het tuchtrecht vindt u terug in de artikelen 456 t.e.m.

477 van het Gerechtelijk Wetboek.

¬ U kan ook terecht op de website van de Orde van Vlaamse Balies 1 : www.

advocaat.be.

¬ De Juridische Helpdesk van VMC en Vluchtelingenwerk Vlaanderen, elke

werkdag te bereiken van 9 tot 12u30, behalve op woensdag, dan bereikbaar

van 13u30 tot 17u, of per e-mail op helpdesk@vmc.be.

1 De Orde Van Vlaamse Balies heeft deze tekst nagelezen en goedgekeurd.

HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE - 199


200 - HANDBOEK VOOR BEGELEIDERS BIJ DE ASIELPROCEDURE

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!