De Commissie ad hoc confereert

webstore.iisg.nl

De Commissie ad hoc confereert

No. 575 Mei 1946

TIJDELIJK REDACTEUR: D. A. KLOMP, NESDIJK 9, BERGEN (N.-H.)

Er komt één Nederlandsche Journalisten Kring

In de 20 April te Utrecht gehouden algemeene vergadering werd, met meerderheid van stemmen, besloten

tot toetreding tot den door het Comité van Zeventien ie stichten Nederlandschen Journalisten Kring, om

daardoor een splitsing in den N.J.K. te voorkomen. De strijd, of de Kring zich al of niet vrijwillig heeft

opgeheven, is opgelost, aangezien door het collectieve schrijven uit Curasao, dat wij in het verslag van

de vergadering hierna publiceeren, ook voor de groep-Mr. Rooy is komen vast te staan, dat het besluit van

23 November 1940 tot opheffing geen rechtsgeldigheid heeft, zoodat met de overplaatsing van den zetel

van den Krfng van Curagao naar Amsterdam kan worden volstaan en vaststaat, dat de in 1884 opgerichte

Kring voortleeft. Moge voor de toekomst blijken, dat het in Utrecht gevallen besluit in het belang

zal zijn geweest van de verheffing der Nederlandsche Pers en die van de Nederlandsche Journalisten

in het bijzonder. Ingevolge de in de vergadering gedane toezegging, verschijnt nog slechts eenmaal „De

Journalist", aangezien, door het gevallen besluit, aan mijn tijdelijke taak een einde is gekomen. Ik leg

deze taak niet neer, zonder een woord van dank aan allen, die ons in onze actie hebben gesteund en door

hun talrijke brieven van sympathie blijk hebben gegeven, dat de strijdlust onder de collega's nog niet

verdwenen is.

De Commissie ad hoc confereert

met een Deputatie van het Comité van Zeventien

Geen overstemming bereikt.

Zooals in het vorig nummer van „De Journalist"

stond aangekondigd, heeft 9 April de conferentie

tusschen de Commissie ad hoc en een Commissie van

het Comité van Zeventien, te Amsterdam plaats gehad.

De conferentie werd gehouden in de Kamer van

den hoofdredacteur van „Het Vrije Volk" aan het

Hekelveld.

De Commissie ad hoc bestaande uit de collega's

L. Schotting, Tj. N. Adema, D. Kouwenaar, Frans

Otten en D. A. Klomp, was voltallig aanwezig, terwijl

het Comité van Zeventien vertegenwoordigd

werd door de collega's Mr. M. Rooy, K. Voskuil en

A. J. Koejemans. Mr. Rooy bracht de groeten van de

collega's Schraver en Wildeberg over en deelde mede,

dat zij verhinderd waren.

Collega Schotting sprak den wensch uit, dat overeenstemming

bereikt zou worden, deelde mede, dat

dit de opdracht van de vergadering was en zette uiteen,

waarom hij van oordeel was geweest, dat het

als kringbestuurslid zijn plicht was, zijn medewerking

aan een door een groot aantal leden gewenschte

algemeene vergadering te verleenen, aangezien ook

hij op het standpunt stond, dat de Kring nog bestaat.

De halsstarrige Mr. Rooy.

Mr. Rooy nam vooralsnog het standpunt in, dat dit

niet het geval is en deelde mede, dat hij zich om

juridisch advies tot Curagao had gewend en dat hij

nog steeds overtuigd was, dat de collega's aldaar hun

besluit niet hadden genomen, wanneer zij met de

omstandigheden waaronder het besluit in 1940 tot

opheffing van den Kring bekend waren geweest.

Spr. had uit Curagao nog geen antwoord ontvangen

en wenschte dit af te wachten. Spr. deed een beroep

op de Commissie ad hoc om in het belang van de

eenheid een offer te brengen en zich niet blind te

staren op formalisme.

Collega Klomp merkte op, dat het er niets toe

deed of de collega's te Curagao wanneer zij met den

gang van zaken op de hoogte waren geweest al of niet

een ander besluit hadden genomen. Vast staat, dat

volgens het K.B. van 6 Juni 1940 wij het recht niet

hadden om tot opheffing van den Kring te besluiten.

Dat Mr. Rooy dit niet heeft geweten, neemt spreker

hem niet kwalijk. Kwalijk neemt spreker de heeren

Schraver en Wildenberg, vice-voorzitter en secretaris

van den N.J.K., dat zij op gezag van Mr. Rooy,

die geen deel van het bestuur uitmaakte, dit, naar

spreker thans kan bewijzen, want hij ontving wel

de stukken uit Curagao, onjuist gebleken standpunt

hebben ingenomen. Kwalijk neemt hij hun ook, dat

zij door het innemen van dit standpunt geweigerd

hebben, rekening en verantwoording in de ledenvergadering

af te leggen. Tegen vernieuwing, aldus

collega Klomp heb ik niets, maar die dient door de

ledenvergadering te worden aangebracht. Wanneer

die vergadering besluit om de collega's van de

nieuwe pers collectief toe fe laten, dan had spr. daar

vrede mee, al weet hij, dat thans, tot schade van de

waardigheid van de Nederlandsche Pers, bij de thans

verschijnende bladen, tal van lieden rondloopen, die

op den duur het aanzien van deze Pers zullen

schaden.

Het schandelijke, dat thans op het terrein van de

Perszuivering plaats vindt, eischt, dat in het belang


2 DE JOURNALIST

van de journalistiek, de Kring reeds lang in

actie was gekomen. Tal van bevrijdingsprofiteurs

torpedeeren de bedoelingen van het Persbesluit.

Spr. oordeelde de open brief van Polak Daniels veelzeggend

en had voor het heele gedoe slechts de opmerking,

dat het een janboel was.

Zoowel Mr. Rooy als Voskuil en Koejemans verklaarden,

dat men hun dit niet behoefde te vertellen.

Ook zij hadden vergeefs hierover tot

minister Beel geadresseerd. Zij wisten reeds lang,

dat het een janboel was, doch verzekerden met nadruk,

dat men er zeker van kan zijn, dat al was de

Kring eerder in actie gekomen, daaraan niets veranderd

zou zijn.

Praktisch blijven.

Mr. Rooy drong er op aan, praktisch te blijven.

Hij deelde mede, in een commissie zitting te hebben,

die de bevoegdheid bezit, om van de regeering alle

stukken te vorderen, hij kon dus beter oordeelen,

dan de heeren, die niet wisten wat zich achter de

schermen afspeelt. Men is het er echter over eens,

dat verkeerde elementen geweerd moeten worden.

Nu, een jaar na de bevrijding, is het niet meer mogelijk,

een zuivering in eigen kring in te voeren. Dit

zou te veel tijd vorderen en ook dan zouden er fouten

gemaakt worden. Het belang van de journalisten

vordert, dat de organisatie op gang komt en dat

er één organisatie komt. Spr. weet, dat de directies

rijp zijn voor een collectief contract, doch men moet

daarmede niet te lang wachten. Spr. verzocht het

offer te brengen, om als journalisten die geen certificaat

hebben en niet aan de thans verschijnende

bladen werken, pas na de zuivering toe te treden.

Hoewel spr. vooralsnog bleef handhaven, dat de

Kring vrijwillig was opgeheven, wenschte hij voor

het wijzigen van zijn meening de adviezen van

Curacao af te wachten. Overigens oordeelde hij deze

aangelegenheid een formeele kwestie, waarop men

zich niet blind moest staren.

Wie aan de bestaande bladen werkt kan als lid

toetreden. Dit was zelfs mogelijk voor collega

Adema, die als hoofdredacteur van de Alkmaarsche

Courant op zijn zuivering wacht, maar als correspondent

voor Alkmaar van het Handelsblad werkzaam

is.

Collega Adema paste er voor, om door dit achterdeurtje

binnen te treden. Hij deelde mede, dat een

door het M.G. in Alkmaar ingestelde Perszuiveringscommissie

de redactie reeds in Juli 1945 had gezuiverd

en dat deze redactie desondanks met St. Nicolaas

bericht kreeg, opnieuw gezuiverd te moeten

worden door de Perszuiveringscommissie. Z.i. was

dit in strijd met elke normale rechtsopvatting en hij

oordeelde, dat een lokale commissie, die de menschen

kent, beter kan oordeelen, dan een centrale commissie,

die met de handelingen van de redactieleden

tijdens de bezetting totaal onbekend is.

Collega Schotting was tot het brengen van een

offer bereid, maar hij was van oordeel, dat men

ook de collega's van de oude bladen, die n.b. reeds

lang lid van den N.J.K. waren, zoolang zij niet geschorst

waren, als leden diende toe te laten, waar

men dit wel deed met leden en niet-leden, die inmiddels

naar de thans verschijnende bladen waren

overgegaan.

Mr. Rooy merkte op, dat men dan niets bereikte,

omdat dan de deur ook open gaat voor de leden die

niet zuiver zijn. 1 Wie zijn niet zuiver?

Schotting voerde hier tegen aan, dat die zich ook

bevonden onder de journalisten, die bij de thans

verschijnende bladen werken, welke zienswijze door

Kouwenaar en Otten werd beaamd en door de anderen

niet werd tegengesproken.

Mr. Rooy was van oordeel, dat men om iets te

bereiken nu eenmaal het bereikbare moest nastreven.

Spr. had een jaar lang met de regeering geconfereerd

en weet dus, dat men bij haar niets tot stand

zal brengen, voor men verkeerde lieden, zij het dan

ook tijdelijk, uitschakelde. Spr. wees erop, dat zijn

groep regionale vereenigingen had gevorderd,

waardoor reeds 800 leden waren toegetreden en hij

drong er nogmaals op aan, in het belang van de eenheid,

het gevraagde offer te brengen, opdat er in

Nederland een Journalistenkring tot stand kwam als

nooit te voren.

Collega Klomp betoogde, dat voorzichtigheid met

de zuivering geboden was. De fierheid van de N.J.K.

had gevorderd, dat men een zuivering in eigen kring

had ingesteld en die door anderen had afgewezen.

Door de laksheid van de meerderheid van het oude

bestuur zit men nu in een impasse.

Spr. herinnerde aan den door hem gevoerden strijd

om in de statuten de bepaling opgenomen te krijgen,

dat de vereeniging zich stelt op den grondslag van

de door de grondwet gehandhaafde persvrijheid.

Toen hadden de heeren, die thans in de zuivering

zoo'n groot woord voeren, geen bezwaar om met

N.S.Bers in één vereeniging te zitten. Spr. deed toen

dit voorstel, omdat hij wist, dat de Nazi's, aan de

macht gekomen, de persvrijheid zouden schenden

om hen dan er aan te herinneren, dat zij zich vóór

persvrijheid hadden uitgesproken.

De grondwet wordt geschonden.

Dat thans, evenals onder den Duitschen bezetter,

ten aanzien van de pers de grondwet wordt geschonden,

zal niemand kunnen betwisten.

Spr. wenscht zijn thans nog verboden courant,

die in het verleden een eerlijke en objectieve voorlichtingstaak

heeft vervuld en hem fatsoenlijk heeft

behandeld, trouw te blijven en denkt er niet aan om

voor de toetreding een achterdeurtje te gebruiken,

al zou het hem geen moeite kosten, aan thans verschijnende

bladen verbonden te worden.

Spr. wil wel toegeven, dat Mr. Rooy beter weat,

welke richting de regeering met de pers uit wil,

maar hij is van oordeel, dat de Kring ook tegenover

de regeering den weg moet gaan die het journalistieke

belang vordert en niet met het petje in de

hand bij de regeering dient te verschijnen om haar

orders te vernemen.

Intusschen verheugt spreker zich er over, dat ook

de groep-Mr. Rooy in de ontwerp-statuten zich op

het standpunt stelt van handhaving der door de

grondwet gewaarborgde persvrijheid en het behartigen

van de belangen der pers in het algemeen en

die van de journalisten in het bijzonder. Daardoor

zal het in de toekomst mogelijk zijn, in de organisatie

voor die belangen strijd te voeren. Wat de

waardigheid van de pers betreft, deze wordt niet

verhoogd, door als leden te erkennen lieden, die tijdens

de bezetting niets anders deden, dan het B.B.C.nieuws

te verspreiden en nu recht verkregen als

dagblad te verschijnen, hoewel ze van de taak van

den journalist niet het minste begrip hebben, met

het gevolg, dat er thans op journalistiek gebied een

chaos heerscht als nooit te voren.

Zoo is het insigne geen onderscheiding.

Wij beleven thans het feit, dat door drukkers uitgegeven

weekblaadjes, die in den bezettingstijd om

copie te hebben, de praatjes van Max Blokzijl in

extenso plaatsten, doch het geluk hadden niet om

principieele redenen maar wegens onbelangrijkheid

vóór 1 Januari 1943 te worden verboden, nu als

streekdagbladen verschijnen, met als redactiestaf

familieleden, die van de journalistiek niet het minste

begrip hebben. Al deze lieden krijgen door hun

lidmaatschap het insigne van den N.J.K., dat daar-


DE JOURNALIST 3

door zeker niet hoog zal worden aangeslagen. Spr. r. te pas kwam en niet op een formalistisch standis

overtuigd, dat op den duur deze lieden zich niet ?t punt wilde staan, wanneer hij bemerkte, dat zijn

als journalisten zullen kunnen handhaven en geeft Et met aplomb daartegen aangevoerde bezwaren niet

toe, dat dit bezwaar in een revolutietijd aanvaard d houdbaar waren, zooals in de kwestie al of niet

moet worden. Met voldoening heeft spr. geconstai-

vrijwillige opheffing van den Kring. Spr. was van

teerd, dat de groep Mr. Rooy aandacht schenkt aan n oordeel, dat een toekomstige voorzitter van den

het noodzakelijke fatsoen, dat de journalisten heb•-

Kring tot taak heeft de in den Kring heerschende

ben te betrachten, alsmede aan de opleiding der

sr stroomingen tot elkander te brengen en de collejournalisten,

zoodat daarvan in de toekomst een ver­

- gialiteit te bevorderen. Mr. Rooy gaf z.i. blijk deze

heffing van den journalistenstand verwacht mag

? taak niet te verstaan.

worden.

Mr. Rooy oordeelde, dat het de fout van collega

Tot eenheid bereid. I. Klomp was, dat hij de zaak slechts uit zijn venstertje

In opdracht van de ledenvergadering is de comi-

bekeek. Wanneer Klomp, evenals spr. een jaar lang

missie ad hoc tot het bevorderen van de eenheid d had gezien wat zich achter de schermen heeft afge-

bereid. Spr. herinnert er aan, dat juist op de Hooge e speeld, dan zou hij zeker meer begrip toonen voor

Veluwe de regeering onderhandelt met de Indone-

het door spr. ingenomen standpunt, dat slechts het

sische regeering. Men staat daar voor grootere pro­ heil van den Kring beoogde.

blemen. Onderhandelen beteekent, dat beide par­

Collega Klomp antwoordde, dat hij niets voor

tijen wat toegeven. Spr. is dan ook van oordeel, dat t spelletjes achter de schermen voelde. Er dient einde­

de groep Mr. Rooy ook iets moet toegeven. Hij erlijk eens een frissche wind over Nederland te

kent, dat de kans, dat er onder de nog niet gezui­ waaien.

verde journalisten, die aan de thans verschijnende

Collega Kouwenaar oordeelde de verschillen niet

bladen werken een grooter percentage verkeerden

i zoo groot, dat ze niet te overbruggen waren en drong

kunnen zijn, dan onder de niet gezuiverden, die wel

1 er bij Mr. Rooy en Klomp op aan, om rustig in een

aan de thans verschijnende bladen werken. Hoewel 1

te volgen bespreking tusschen hen beiden te trachhij

op het standpunt staat, dat men alle oud-leden

J ten tot overeenstemming te komen.

als lid moet aannemen, zoolang ze niet gezuiverd

zijn en voor den duur waarin zij eventueel geschorst Beiden verklaarden daarvoor niets te gevoelen

zijn niet als lid moet erkennen, al behoort z.i. de en aangezien het inmiddels 6 uur was geworden en

organisatie voor hun eer op te komen, wanneer ' collega Klomp in zijn gemeente een voordrachtavond

blijkt, dat hun schorsing door den invloed van be­ van Jan Musch moest inleiden, werd de conferentie

langengroepen tot stand is gekomen, wil ook hij '. door hem beëindigd.

medewerken uit de impasse te komen en doet hij het t De Commissie ad hoc bespreekt de situatie.

voorstel om voorloopig niet als leden toe te laten i Twaalf April kwam de commissie ad hoc in hotel

collega's, waarvan vijf ter goeder naam en faam

i Kinheim te Alkmaar bijeen om haar advies aan de

bekend staande journalisten verklaren, dat zij ver­

algemeene vergadering van 20 April te Utrecht vast

keerd zijn geweest. Laat men toch bedenken, dat het

t te stellen.

niet de schuld van de collega's is, dat met hun zui­

Na ampele bespreking werd besloten, aan collega

vering zoo lang getraineerd wordt.

Klomp op te dragen, een verslag van de conferentie

Mr. Rooy was van oordeel, dat zijn comité zich i te» geven; de mogelijkheden van het zelfstandig

diende te houden aan de richtlijnen, die in de ver­ voortbestaan en van de toetreding tot de door het

gadering van vertegenwoordigers der regionale ver- Comité van Zeventien te stichten vereeniging te beeenigingen

waren vastgesteld. Hij had er evenwel l lichten, om in de groote vereeniging voor het ideëele

geen bezwaar tegen, als een lid een dergelijk voor­ en de belangen van de journalisten te strijden en

stel in de vergadering van 29 April bracht.

mede te deelen, dat de meeningen in de commissie

Collega Klomp constateerde, dat Mr. Rooy for­ ad hoc verdeeld waren, zoodat de beslissing door de

meel wenschte te blijven wanneer dit in zijn kraam i vergadering in Utrecht diende te worden genomen.

De Ledenvergadering ie Utrecht

op 20 April in Hotel Noord-Brabant

Aanwezig waren 30 leden, terwijl 2S berichten van verhindering waren ingekomen.

De voorzitter L. Schotting betreurde de geringe

opkomst. Het feit, dat het de dag vóór Paschen was

én velen door arbeid aan hun bladen niet aanwezig

konden zijn, zal hieraan wel niet vreemd zijn. Spr.

deelde mede, dat de commissie had besloten, dat

collega Klomp verslag zou uitbrengen van de conferentie

der commissie ad hoc met de commissie uit

het Comité van Zeventien en een beslissing aan de

vergadering zou overlaten aangezien de meeningen

in de commissie verdeeld waren.

Collega Klomp deelde allereerst mede, dat onder

de talrijke leden, die in de oorlogsjaren zijn heengegaan

ook nog herdacht dienen te worden Helene

van Meekeren, S. de Vries, Garf, Nunes Vaz, Drs.

Hoyer, D. S. van Zuilen en D. J. Rekke.

Onder applaus der vergadering deelde spr. mede,

dat er van den heer Manassen, die hij in het bijzonder

welkom heette, bij spreker een telegram was

ingekomen, waarin deze berichtte, dat hij ter vergadering

voor de kosten f 50.— zou afdragen.

Spreker deed mededeeling van het schrijven, dat

hij uit Curacao had ontvangen en van de gelijkluidenden

brief, die door Dr. Hartog, den Kringvoorzitter

te Curacao, ook aan Mr. Rooy was verzonden.

Den Weledelen. Heer D. A. Klamp,

Landhuis Nesdijk 9,

BERGEN, N.H.,

Nederland.

Geachte Collega:

In dank erkennen wij de goede ontvangst van uw brieven

van 19 Maart en 31 Maart j.1. Naar aanleiding van

uw -brieven en een correspondentie met Mr. Rooy hadden

wij, d.w.z. de bestuursleden van N.J.K. en de

N.R.K.J.V., een bespreking met de Curagaosche Commissie

Regeling Rechtsverkeer in Oorlogstijd, alsmede

met Notaris Smeets die indertijd de zetels verplaatste.

Gevolg van de bespreking is bijgaande brief, die in

gelijke bewoordingen zoowel aan u als aan Mr. Rooy

wordt togezonden. Het kwam ons voor dat uw beide

groepen haar meening het best zelve bij den Raad voor

het Rechtsherstel konden voordragen, omdat ons in de


4 DE JOURNALIST

West de noodige gegevens ter beoordeeling van de verschillende

aanspraken te eenenmale ontbreken.

Ik moge daar nog aan toevoegen, dat wij het hier

allen op hoogen prijs zouden stellen, indien het tot een

goede terugplaatsing van de zetels zou komen, zoodat

symbolisch het werk door de beide nationale journalistenorganisaties

in de afgeloopen decennia gedaan, kan

worden bestendigd.

De u reeds toegezonden afschriften van actes van

overplaatsing — in de krantenknipsels van vorige brief

— zullen u hebben doen zien, dat omtrent de overplaatsing

geen dufoium bestaat, vooral omdat de Commissie

naast de materieële ook ideëele belangen in aanmerking

heeft genomen. De wijze waarop tot terugplaatsing

kan worden gekomen, wordt u in bijgaande

brief beschreven.

9 April 1946.

Collegiaal,

JOHAN HARTOG, Hoofdredacteur.

CURACAO, 9 April 1946.

Geachte heeren en collega's:

Naar aanleiding van verschillende brieven, die het

bestuur van de N.J.K. en de N.RJK.J.V. van de heeren

Klomp te Bergen en Mr. Rooy te Rotterdam mocht ontvangen,

richten ongeteekenden zich na overleg met de

Curacaosche Commissie Regeling Rechtsverkeer in Oorlogstijd

(C.R.R.) tot u beiden alsook tot Mr. Elias, die

bij afzonderlijken brief door ons gemachtigd zal worden

met beide groepen inzake de terugplaatsing te onderhandelen.

Aan u beiden is inmiddels een afschrift gezonden

van de acten waarbij in de besturen der beide vereenigingen

werd voorzien, alsook betreffende de overplaatsing

van beide zetels.

Over de overplaatsing bestaat niet het minste dubium,

daar indertijd, zooals uit de betrokken documenten

blijkt, door de C.RJR. in de vierde considerans van haar

besluit voorzien werd in de mogelijkheid, dat een of de

vereenigingen overeenkomst de statuten zouden zijn ontbonden.

*) Ook nam de C.R.R. behalve de materieële belangen,

ook ideële onder beschouwing, zooals u bij nalezing

van de acte der C.RJt. zult zien. De zetels van

beide vereenigingen zijn dus op Curacao, hoe men indertijd

ook tot ontbinding: is gekomen. Van een oprichtingsvergadering-

uwerzijds kan dus geen sprake zijn,

daar 1) volgens het oordeel der CR.R. de N.JJC. en de

NJt.K.JV. niet opgeheven zijn en haar ontbinding rechtskracht

ontbeerde. 2) Uiteraard kunt gij tot oprichting

eener nieuwe vereeniging overgaan, maar uit ideële en

symbolische overwegingen lijkt het ons prettiger de oude

N.J.K. en de oude N.R.K.J.V., eventueel na fusie, te doen

voortbestaan. Wij zelf hebben niet tot fusie willen overgaan.

3) Wij hebben besloten en zijn bereid de beide

zetels terug te doen plaatsen naar Europeesoh Nederland,

waartoe wij de voorafgaande goedkeuring van de

besturen van Mei 1940, voor zoover nog bestaande, noodig

hebben. 4) Zoodra de zetels zijn teruggeplaatst zullen

wij ons wenden tot den Raad voor het Rechtsherstel

en verzoeken nieuwe bestuurders te benoemen onder

overlegging van de acten van overplaatsing. 5) Afschriften

van alle stukken zijn of worden u, de groep-

Mr. Rooy en de groep-Klomp toegezonden, teneinde u

beiden in de gelegenheid te stellen uw meening bij den

Raad voor het Rechtsherstel voor te dragen. Uiteraard

kunnen wij van verre de toestanden moeilijk of niet

beoordeelen. 6) Zoodra de zetels zijn teruggeplaatst —

en dat is het voordeel — zult u wederom in Amsterdam/

Utrecht een algemeene ledenvergadering kunnen houden,

waartoe slechts de voorafgaande goedkeuring van

den Raad voor het Rechtsherstel noodig is, in dat geval

zijn benoemingen door den Raad voor het Rechtsherstel

niet noodzakelijk; de Raad voor het Rechtsherstel kan

door de Algemeene Vergadering aanstonds worden ingelicht.

'Hoogachtend,

JOHAN HARTOG, Voorzitter N.J.K. en N.R.K.J.V.

Is. KLOCH, Secretaris N.J.K.

J. A. M. HART, Secretaris N.R.K.J.V.

*) Deze zin loopt niet; de copie was niet duidelijker. (Red.)

Het bestaan van den kring valt niet

meer te ontkennen.

Spr. concludeerde, dat het Mr. Rooy nu wel duidelijk

zal zijn, dat de N.J.K. nog altijd wettelijk bestaat

en dat de Nederlandsche wet niet toelaat,

daarnaast een Kring met een gelij kruidenden naam

op te richten. Spr. was van oordeel, dat hierdoor de

oud-bestuursleden Wildenberg, Schraver en Berding,

die zich op gezag van Mr. Rooy op diens standpunt

hadden geplaatst, wel tot de conclusie zullen

zijn gekomen, dat zij beter hadden gedaan niet op

gezag te gelooven, maar zich zelve op de hoogte te

stellen. Voor collega Berding, die aan spr. aanvankelijk

schreef, dat ook hij van oordeel was, dat de

Kring nog bestond, maar zich later, toen ook hij

voor zijn gewest door de groep Mr. Rooy werd aangezocht,

op het standpunt van Mr. Rooy stelde en

dit standpunt nog in een zeer uitvoerig schrijven

poogde te motiveeren, moet dit wel zeer teleurstellend

zijn en een les, dat men niet te zeer op een Mr.titel

moet vertrouwen. Hoewel zij als bestuursleden

te licht zijn bevonden, wil spr. hen niet te hard vallen

en aannemen, dat zij door het innemen van een

dergelijke slappe houding, gemeend hebben, de belangen

van de journalistiek voor de toekomst te

dienen. Niet te hard mag men ook de collega's vallen,

die, uit materieële overwegingen, zich thans bij

die organisatie aansluiten, die den steun van de regeering

heeft. In 1940 was dit ook met het Verbond

van Nederlandsche Journalisten het geval. Wij

dienen bij dit alles te bedenken, dat de strijd om het

bestaan ook voor de journalisten een zware strijd is.

Tal van collega's wachten nog op een goede

salaris- en pensioenregeling, zoowel voor zichzelf

als voor hun weduwen en weezen en het kan niet

ontkend worden, dat de kans, dat die tot stand komt,

grooter is, wanneer de door het Comité Mr. Rooy

gevolgde weg bewandeld wordt, dan wanneer men

de door spr. voorgestane richting: „strijden voor eerlijkheid,

kameraadschap, solidariteit en rechtvaardigheid"

volgt. Dit standpunt kan alleen gevolgd

worden door hen, die de journalistiek, als voorlichtster

des volks, als hun roeping beschouwen. Spr.

staat begrijpelijk tegenover hen, die de journalistiek

als een beroep hebben aanvaard en trachten, voor

zich uit dit beroep de grootste voordeelen te halen.

Toch zal ons volk hen blijvend noodig hebben, die

uit idealisme de hoogere ideëele belangen van hun

beroep boven alles willen stellen en ook juist in

dezen tijd van „herstel en vernieuwing", tegenover

de regeering dit ideëele wenschen te verdedigen ter

bestrijding van hen, die met allerlei fraaie leuzen

niet anders dan hun eng, eigen belang dienen.

De couranten mogen geen winstobjecten meer

zijn. Dat klinkt niet onaardig. Ook spr. is van oordeel,

dat het doel van de courant hooger moet liggen.

Als hij echter de bevrijdingsprofiteurs gadeslaat,

die thans met deze leuze werken, dan denkt

hij aan Buziau, die zeide: „weg met het kapitaal. .. .

breng het maar bij mij thuis".

Wij staan voor een moeilijke keuze.

Spr. gelooft in het goede, dat in ieder aanwezig is;

niet in de massa. Wij staan voor een moeilijke beslissing.

Het gevoel vordert: „doorgaan met den

strijd voor recht". Het verstand zegt: „toetreden

tot de groote vereeniging, om daarin voor het recht

te strijden, hetgeen thans volgens de statuten mogelijk

is". Het verstand zegt ook, dat het weinig

geeft, zijn ideeën onder gelijk-gezinden te brengen,

omdat het waardevoller is, anderen van de juistheid

ervan te overtuigen.

Spr. is bereid, als organisatie zelfstandig te blijven

strijden, al weet hij, dat hij het vele daaraan verbonden

werk niet zal kunnen blijven verrichten,

wanneer straks zijn courant weer verschijnt, wat,

zonder blijvend de grondwet te schenden, op den

duur niet tegen gehouden kan worden. In den oproep

voor deze vergadering schreef spr., dat onverschilligheid,

ontmoediging, teleurstelling', verj aarpartijtjes,

ja zelfs vergaderingen van politieke partijen

de leden niet mochten weerhouden, op deze

vergadering te komen. Men heeft kunnen weten, dat

in deze vergadering een belangrijke beslissing genomen

stond te worden. Spr. wil daarom niet ver-


helen, dat hij de opkomst teleurstellend vindt. Toch

is hij van oordeel, dat het besluit van de meerderheid

dezer vergadering geëerbiedigd en uitgevoerd

dient te worden. Spr. wil de vergadering niet beïnvloeden,

aangezien de meeningen in de commissie

ad hoc verdeeld zijn. Het oordeel is dus aan de vergadering.

Aangezien spr. er voorstander van is, dat

een ieder met zijn eigen hoofd denkt, vindt hij het

trouwens juist, dat ieder zijn oordeel uitspreekt en

de beslissing door de meerderheid genomen wordt.

Al bevredigt ons de door het Comité van Zeventien

bewandelde weg niet en dit vooral niet om de

houding die een deel van het bestuur heeft ingenomen,

wij dienen te erkennen, dat dit Comité, vlak

na de bevrijding, voor andere moeilijkheden stond

dan die zich thans laten gelden. Thans dringt in

breeden kring het begrip door, dat het met de zuivering

niet in orde is. Dat wij met een zuivering in

eigen kring ook voor groote moeilijkheden zouden

komen te staan, werd spr. reeds duidelijk. In de

vergadering van 24 Maart deed spr. mededeeling van

een ingekomen schrijven van Pieter Koomen, waarin

deze mededeelde, dat collega Mackenzie uit Rotterdam,

een der onderteekenaren van ons verzoek

om een kringvergadering bijeen te roepen, verkeerd

was geweest.

Spr. heeft deze houding van collega Koomen gesteld

tegenover die van Wildenberg en Mr. Rooy

c.s., die verklaarden, niet met verschillende zwarte

pieten, die ons adres teekenden, in één vereeniging

te willen zitten, zonder echter namen te noemen.

Van Mackenzie ontving spr. echter een uitvoerig

schrijven over zijn werkzaamheden, waaruit spr.

niet kon concludeeren, dat hij een moffenknecht was

geweest. Spr. acht het zijn plicht, hiervan in de vergadering

mededeeling te doen. Welk een janboel het

thans op het gebied der Perszuivering is, leeren ons

brochures van Verschuur, Lunshof, de Neerlandia

Pers, en die van de Gooi en Eemlander. Het wordt

zaak, dat de regeering spoedig ingrijpt en voor ons

volk de door de grondwet gewaarborgde rechten

herstelt. Om daarvoor de Kring weer tot activiteit

te brengen was het doel van spr.'s initiatief. Aan de

vergadering de beslissing of zij dit wenscht door

zelfstandig te blijven of dit wil trachten te bereiken

door toe te treden in den door Mr. Rooy te stichten

kring.

De meening der vergadering.

Collega Beeremans was van oordeel, dat de groep

Mr. Rooy een kardinale fout had gemaakt door alleen

circulaires te zenden aan collega's, die aan illegale

blaadjes hadden gewerkt. Zoo althans was het

in Haarlem gegaan.

Een ander bezwaar van spr. was, dat Mr. Rooy

thans geen rekening wil houden met formeele bezwaren.

Vooral van een jurist vond hij dit onbehoorlijk.

Van hem vorderde hij eerbied voor de wet.

Spr. was van oordeel, dat de N.J.K. juridisch en

formeel bestaat en dat onze statuten rechtsgeldigheid

hebben. Voorts oordeelde spr. het uitsluiten van

oude collega's, die jaren lid zijn geweest, wanneer

zij met pensioen gaan, al te gek. Spr. zou er niet

voor zijn om en bloc of individueel over te gaan,

daarvoor is Mr. Rooy, die nimmer bestuurslid is geweest

en nu zoo'n groote rol speelt, hem te dictatoriaal.

Ook voor de economische belangen der journalisten

heeft de Kring in het verleden veel gedaan.

Spr. is er dan ook voor om zelfstandig te blijven.

Collega Manassen was verheugd, in deze vergadering

zooveel collega's te kunnen begroeten, die hij

rekende tot de journalisten par excellence. Zij die

de opkomst niet bevredigend vinden dienen ook rekening

te houden met de moeilijke reisgelegenheden,

die ook hem verhinderde de vergadering van 23

DE JOURNALIST 5

Maart in Amsterdam bij te wonen. Spr. bracht gaarne

hulde aan het bestuurslid Schotting, die het door

zijn houding mogelijk heeft gemaakt, dat de vergadering

in Amsterdam kon worden gehouden en

aan collega Klomp voor het vele werk, dat hij heeft

verzet. De moffen hebben, aldus spr. mij geknauwd,

mijn familie is om het ras uitgeroeid, maar mijn kop

is nog helder genoeg gebleven om den strijd voor

goede journalistieke verhoudingen mede te helpen

voeren.

Felle protesten noodzakelijk.

Nimmer, zoo vervolgde spr. zouden wij in onze

jeugd hebben kunnen gelooven, dat het in Nederland

mogelijk zou zijn, om zonder felle protesten

van den N.J.K. artikel 7 van de grondwet, dat

voor journalisten heilig diende te zijn, te schenden.

De grondwet toch is de pijler van ons staatsgebouw.

Aantasting van artikel 7 van de grondwet beteekent

vernietiging van de democratie. Spr. begrijpt niets

van het gemis aan ware liberaliteit van Mr. Rooy.

Spr. stuurde over de schending van de grondwet

een ingezonden stuk aan de N.R.C., Het Handelsblad

en Vrij Nederland. Van Mr. Rooy, den hoofdredacteur

van de N.R.C, ontving spreker bericht, dat hij geen

enkel ingezonden stuk plaatst. Een dergelijke houding

vloekt tegen elke verantwoordelijkheid die een

goede journalistiek vordert. De anderen lieten zelfs

niets van zich hooren. Spr. oordeelde dit een zoodanige

onderdrukking van de persvrijheid en de

rechten van anderen, dat hij het den plicht oordeelde

van de journalistenorganisatie, in het belang van

ons volk, daartegen een scherp protest aan te

teekenen.

Aan den vooravond van de verkiezingen leven wij

met een geknevelde dagbladpers. Spr. was van oordeel,

dat wij maar moeten zwijgen over perstoestanden

in de Balkanstaten. Perskneveling heerscht

hier. Nog steeds wordt, terwille van belangengroepen,

die men meent naar de oogen te moeten zien

de herverschijning van tal val bladen, die in het verl

leden de volksvoorlichting voorbeeldig hebben gediend,

verboden. Er heerscht een en al onrecht

Weet men niet, dat in het verleden onze pers een

wereldreputatie genoot? Thans verschijnen bladen

met artikelen, die een schande zijn voor ons volk

en die geredigeerd worden door lieden, die van goede

journalistiek niets afweten. De goede journalisten

hebben daartegen nooit een woord van verweer kunnen

uiten. Het eerste vlammende artikel tegen de

schending van onze grondwet moet in de dagbladpers

nog verschijnen. Wij missen thans mannen als

Jan de Roode, Troelstra, Boissevain, Dr. Kuiper,

een de Savornin Lohman, en een Plemp van Duiveland,

die allen in het geweer zouden zijn gekomen

wanneer men een vinger naar artikel 7 van onze

grondwet had durven uitsteken. Het is wel gebleken,

dat de verdediging van dit hooge volksgoed bij

mannen als Mr. Rooy niet veilig is en daarom voelt

spreker er niet voor om zich bij de anderen aan te

sluiten. Overigens heeft spr. geen bezwaar om zich

te refereeren aan het oordeel van de mannen die

onze actie hebben geleid, maar uit moreele en geestelijke

overwegingen zegt spreker: „laten wij doorgaan

. De anderen hebben wel het grootste aantal

leden, maar van een groot deel daarvan kan in twijfel

worden getrokken of het journalisten zijn.

Collega Smits had met groote belangstelling de

uiteenzetting van collega Klomp gevolgd. Spr. had

echter een advies van de commissie gemist en vroeg

dit alsnog te geven.

De voorzitter Schotting merkte op, dat collega

Smits vermoedelijk ontgaan was, dat Klomp gezegd

had, dat in de commissie de meeningen verdeeld

waren en daarom de beslissing aan de vergaderine

had gelaten.

&


6 DE JOURNALIST

Voor aansluiting.

Collega Pieter Koomen verklaarde met de eerste

circulaire van Klomp zeer ingenomen te zijn geweest,

omdat dit eindelijk een geluid was om de

N.J.K. te laten herleven. Spr. had dan ook oogenblikkelijk

zijn instemming betuigd, omdat ook hij,

ondanks de meening van Mr. Rooy, van meening

was, dat de Kring onder druk was opgeheven. De

actie Klomp heeft onmisbaar tengevolge gehad, dat

het Comité van Zeventien actief is geworden.

Nu vaststaat, dat er niet meer gestreden behoeft

te worden over de vraag of de Kring zich al of niet

vrijwillig heeft opgeheven en de N.J.K. zelfs wettelijk

bestaat, is spr. echter van oordeel, dat wij het

daarbij moeten laten. Ook in de andere groep zitten

tal van behoorlijke collega's. De krullen jongens zullen

zich tot goede collega's kunnen ontwikkelen en

zij, voor wie dit niet mogelijk is, zullen vanzelf verdwijnen.

Spr. is het er mede eens, dat er malle dingen

bij de zuivering gebeuren, maar de meeste journalisten

komen terug bij de thans verschijnende bladen.

De krullenjongens zullen in de organisatie naar

de menschen, die doorkneed zijn in het vak, willen

luisteren en daarom hoopt spr., dat men tot aansluiting

bij de groep Mr. Rooy zal besluiten.

Collega Van der Weg, hoewel vol bewondering

voor het werk van Klomp en de critiek op de Perszuivering,

was toch van oordeel, dat wij, door op

ons zelf te blijven staan, niets zouden bereiken,

waarom hij adviseerde, toe te treden tot de organisatie

van de anderen.

Collega Meiners kwam met zijn gevoel tot dezelfde

overwegingen als collega Manassen. Toch geloofde

hij, dat wij onvruchtbaar werk zouden doen,

wanneer wij zelfstandig bleven voortbestaan. Spr.

vond het wenschelijker, onze stemmen in de nieuwe

organisatie met 800 leden te laten hooren, dan om

zelfstandig een vereeniging met een honderd leden

op de been te houden. Niettegenstaande spr. groote

sympathie had voor het verrichte werk, was ook hij

voor aansluting.

Collega Van Vooren behoorde eveneens tot die

leden, die bewondering hebben voor het door Schotting

en Klomp verrichte werk. Spr. heeft als oudbestuurslid

in de zonderlinge positie verkeerd, dat

hij behoorde tot het comité Mr. Rooy. De vrees van

den heer Beeremans, dat de nieuwelingen daarin

de lakens uitdeelen, is ongegrond. Slechts twee

nieuwelingen kwamen in de vergaderingen van het

Comité. Het bezwaar, om leden, die gepensionneerd

worden, te royeeren, wordt reeds ondervangen. Zij

zullen lid kunnen blijven, mogen ter vergadering komen,

maar zullen alleen geen stemrecht hebben.

Spr. acht twee groepen naast elkander ongewenscht.

De verhouding tusschen regeering en pers

wordt beter dan ooit te voren. Laat men over gevoeligheden

heenstappen en medewerken tot het

tot standkomen van één krachtige organisatie.

Collega Van Oostende was het volkomen eens met

de hulde aan Klomp voor het vele werk gebracht.

Wanneer wij blijven voortbestaan is het echter niet

zeker, dat wij als de N.J.K. zullen erkend worden.

Daarover moet ook het oude bestuur gehoord worden

en de meerderheid van dit oude bestuur heeft

zich achter Mr. Rooy geschaard. Ook spreker is voor

aansluiting bij de andere groep, opdat er één Kring

komt, waarin wij voor onze inzichten strijd kunnen

voeren.

Collega Klomp zegt, dat hij het overbodig acht,

nog verder op de zaak in te gaan. Ieder, die zijn meening

wilde uiten, heeft daarvoor de gelegenheid gehad

en de anderen zullen zich wel een meening

hebben gevormd. Tegen collega Van Oostende wil

spr. slechts aanvoeren, dat hij er niet aan twijfelt

of „Rechtsherstel" zal onze groep als de N.J.K. er­

kennen en zeker niet de groep, al is die grooter, die

steeds op het standpunt heeft gestaan, dat de N.J.K.

niet meer bestaat. Wij hebben vergaderd krachtens

de in 1939 Koninklijk goedgekeurde statuten. Hoofdzaak

is echter, te beslissen, wat men voor de toekomst

in het belang van de pers en van de journalisten

acht. De niet aanwezige leden hebben, gezien

de agenda voor deze vergadering en de opdracht van

de op 24 Maart te Amsterdam gehouden ledenvergadering

aan de Commissie ad hoc, kunnen weten,

dat er in deze vergadering een belangrijke beslissing

zou vallen. Spr. is dan ook van' oordeel, dat thans

wel tot stemming kan worden overgegaan.

De voorzitter collega Schotting verzocht hierop

de leden, die voor het zelfstandig voortbestaan waren,

zich van hun zetel te verheffen. Dit bleek met

12 leden het geval. Zestien leden verklaarden zich

voor aansluiting bij de andere groep, zoodat de

voorzitter constateerde, dat bij meerderheid van

stemmen daartoe was besloten.

Aan collega Klomp werd opgedragen, hiervan

schriftelijk mededeeling aan het Comité van Zeventien

te doen en namens de vergadering in de op 29

April te houden vergadering van die groep het

voorstel te verdedigen om ook journalisten, die niet

aan de thans verschijnende bladen werken en nog

geen bewijs hebben van geen bezwaar, toe te laten,

indien niet tenminste vijf bona fide leden verklaarden,

dat zij verkeerd waren geweest.

Nadat een collecte voor de gemaakte kosten was

gehouden zegde Klomp toe, nog één nummer van

De Journalist" te zullen laten verschijnen, opdat

alle collega's met den stand van zaken op de hoogte

werden gebracht. De voorzitter sloot hierop de vergadering.

DE FINANCIËN.

Sinds de verschijning van „De Journalist" op 10

April j.1., waarin wij, als bijdragen van 47 collega's,

een bedrag van f 519.— verantwoordden, kwam van

8 collega's nog een bedrag van f 57.50 in. Uit het

verslag van de vergadering te Utrecht blijkt, dat

collega Manassen ons f 50.— ter hand stelde. De

collecte in de vergadering te Utrecht bracht f 43.—

op, zoodat wij in totaal voor de actie een bedrag

van f 669.50 ontvingen.

Wij betuigen bij dezen aan alle collega's, die ons

financieel hebben gesteund, onzen hartelijken dank

en zeggen tevens dank voor de medewerking, die wij

op andere wijze mochten ondervinden.

HET SCHRIJVEN

aan het Comité van Zeventien

In opdracht van de 20 April te Utrecht gehouden

vergadering, zond ik reeds den volgenden dag onderstaand

schrijven aan Mr. Rooy.

BERGEN, 21 April 1946.

(Den Weledelgestrengen Heer Mr. M. Rooy,

Voorzitter van het Comité tot oprichting

van een Nederlandschen Journalisten Kring.

Weledelgestrenge Heer,

In de gister te Utrecht gehouden vergadering van den

N.J.K. hebben wij, namens de commissie ad hoc, rapport

uitgebracht over de bespreking met de commissie van

uw comité.

Voor de vepgadering woog zwaar uw argument, dat

het van groote beteekenis was, dat er één N.JJC. kwam,

omdat de directeuren thans rijp waren voor het afsluiten

van een collectief contract en dat het gevaarlijk kan

zijn daarvoor niet de noodige haast te betrachten.

Uit het schrijven d


Curagao ontvangen heeft, is nu wel duidelijk geworden

dat ons besluit van 23 (November 1&43 om de Kring op

te heffen, ongeldig is, zoodat de Kring wettelijk bestaat

en met het verplaatsen van den zetel van Curacao naar

Amsterdam zal kunnen worden volstaan. U begrijpt dat

wij, met het oog op de historie, er zeer aan hechten,

dat de Kring, die in 1884 werd opgericht wordt voortgezet.

Strijd, welke groep als de voortzetting van den Kring

beschouwd moet worden, behoeft er niet gevoerd te

worden, aangezien de vergadering, besloot tot den door

uw groep te stichten Kring toe te treden, om tot één

krachtige organisatie te komen, zoodat 'uw groep zich

met Rechtsherstel te Curasao voor het overplaatsen van

den zetel kan verstaan.

De vergadering nam het boven medegedeelde besluit

ook, op grond van- uw toezegging, gefundeerd op artikel

2 van de door uw comité ontworpen 3de conceptstatuten,

dat ook in den Kring ivoor ideeële belangen

van de journalisten kan worden gestreden, zoodat de

mogelijkheid blijft om eventueel voor de belangen van

onrechtvaardig gedupeerde journalisten op te komen.

Hoezeer wij over den gang van zaken in de Perszuiveringscommissie

ook onbevredigd zijn, was toch de

vergadering van oordeel, dat thans deze aangelegenheid

reeds zoo lang getraineerd had, dat van een zuivering

m eigen kring moet worden afgezien, omdat dit ook

veel tijd zal vorderen, waarom volstaan moest worden

met een krachtigen aandrang om de zuivering te beëindigen.

Ook ging de vergadering er mede accoord, om journalisten,

tijdens den duur van hun schorsing, niet als

leden te beschouwen.

Ten aanzien van het toetreden van journalisten, die

nog niet in het bezit zijn van een certificaat van geen

bezwaar en nog niet aan de thans verschijnende bladen

werken, omdat zij, in trouw aan hun nog verboden

courant, op het verschijningsrecht van die courant wenschen

te wachten, ging de vergadering accoord met

het voorstel van uw commissie om de vergadering van

27 April te laten beslissen over mijn voorstel om hen

als leden toe te laten en die leden voorloopig, tot de

beslissing van de Perszuiveringscommissie, te weigeren,

wanneer vijf te goeder naam bekend staande collega's

verklaren, dat zij tijdens de bezetting verkeerd zijn geweest.

IDe vergadering verzocht mij, namens haar, dat

voorstel in de vergadering van 27 April te doen.

Ook was de vergadering van oordeel, dat collega's,

die met pensioen gaan, lid van den Kring moeten kunnen

blijven, om hen in de gelegenheid te stellen, de

collega's jaarlijks op de algemeene vergadering te ontmoeten

en door het ontvangen van „De Journalist" op

de hoogte van het Kringleven te blijven.

Aangezien ik tot de journalisten behoor, die nog niet

m het bezit zijn van een certificaat van geen bezwaar

ten uit trouw aan het nog steeds niet gezuiverde blad

waaraan ik 40 jaar verbonden ben geweest, niet aan de

thans verschijnende bladen werk, verneem ik gaarne

van u of u er mede accoord gaat, dat het bovengegenoemde

voorstel in de vergadering van 27 April door

mij wordt ingeleid.

U zult begrijpen, dat ik niet het risico wil loopen,

ter vergadering de mededeeling te ontvangen, dat ik

geen toegang heb.

Met collegiale groeten

Hoogachtend,

D. A. KLOMP.

Pas Donderdag 25 April gewerd mij daarop het

volgende antwoord.

Weledelen Heer D. A. Klomp

Journalist,

Landhuis Nesdijk,

•BERGEN, N.H.

Hooggeachte Heer Klomp,

ROTTERDAM-C., 24 April 1946.

Mr. Rooy, die plotseling op reis moest, heeft mii verzocht,

u OP Uw brief van 21 April te antwoorden dat

het comité ten zeerste verheugd is over het besluit' van

de vergadering van 20 April te Utrecht, welke een

splrösmg m den Nederlandschen Journalisten. Krina

voorkomt.. *"«*

De bepalingen welke het comité gesteld heeft VOor

de toelating tot de vergadering zijn van dien aard dat

het niet mogelijk zal zyn U toe te laten, daar gii' aan

geen der daar gestelde formeele eischen voldoet Na

tuurlijk bestaat er geen bezwaar tegen, dat een der aan

wezigen op de vergadering komt met een voorstel, als

DE JOURNALIST 7

door U bedoeld. Wellicht wil de heer Adema of een

der andere leden van uw comité, die bevoegd zijn ter

vergadering te verschijnen, met een dergelijk voorstel

komen. Het comité heeft reeds in den twetden beschrit

vingsbrief overweging van het herstel van het begrip

buitengewone leden toegezegd.

Namens Rooy,

Met hartelijke groeten,

Hoogachtend,

J. SCHRAVER.

Men zal zich wel kunnen voorstellen dat dit

van grooten onwïl getuigende schrijven, bii mij'

groote ontstemming heeft gewekt. Het pleit noe

voor Mr. Rooy, dat hij deze beleefdheid tegenover

den man, die in den bezettingstijd voor de Nederlandsche

zaak misschien wel verdienstelijker werk

dan hij heeft verricht, niet persoonlijk heeft willen

schrijven. Dat Schraver zich daarvoor heeft

geleend, betreur ik in hooge mate. Collegialiteit had

gevorderd, dat hij dit had geweigerd.

Door opdracht tot het schrijven van een dergelijken

brief te geven, heeft Mr. Rooy zich niet alleen

schuldig gemaakt aan groote onwelwillendheid

tegenover de collega's, in wier opdracht ik

handelde, maar hij heeft daardoor niet de eigenschappen

getoond, zonder welke een voorzitter van den

rM.J.K de leiding niet kan voeren. Voor mij staat

nu wel vast, dat op deze wijze de Kring nimmer

weer de oude Kring zal worden, waar de collega's

uit de verschillende stroomingen van het volk zich

thuis zullen gevoelen. Desondanks begreep ik dat

ik door persoonlijke geraaktheid de opdracht van

de vergadering niet in het honderd mocht laten

loopen, waarom ik zonder meer de collega's Kouwenaar,

Adema en Otten met den inhoud van dit

schrijven in kennis stelde en hen, achtereenvolgens

verzocht, in mijn plaats te gaan. Ik wil niet verhelen,

dat het mij een voldoening was, dat zij spontaan

weigerden en zich zeer gegriefd voelden.

Hierop heb ik mij telefonisch met Mr. Rooy in

verbinding gesteld en hem mijn verontwaardiging

met onthouden. Mr. Rooy verzekerde, dat hij in

dit opzicht zeer formeel moest blijven, omdat de

regeling voor de toelating in de regionale vergaderingen

was vastgesteld. Bovendien, en hier kwam

de aap uit de mouw, gaf Mr. Rooy aan een toelichting

van het voorstel .door een ander dan mijn

persoontje de voorkeur, omdat hij vreesde, dat de

heele boel kapot zou gaan, wanneer ik in die vergadering

sprak, zooals ik in de vergadering in Amsterdam

en tijdens de conferentie met de commissie

had gesproken. Ik heb toen geconstateerd, dat

Mr. Rooy mij wel een grooten invloed toekende

aangezien er pas sprake kon zijn van het uiteenvallen

der vergadering, wanneer een groot deel der

vergadering het met mij eens zou zijn. Ik meende

bij Mr. Rooy toch wel zooveel zelfvertrouwen aanwezig

te achten, dat hij zich in staat zou voelen

zrjn inzichten tegenover een provinciaal journalist

voldoende te kunnen verdedigen. Mij is het thans

duidelijk geworden, waarom Mr. Rooy er niet voor

te vinden was, in de door ons op 24 Maart te Amsterdam

belegde vergadering het standpunt van het

Comité van Zeventien tegenover het mijne uiteen

te zetten. Mr. Rooy spreekt liever voor gelijkgezinden.

Zoo zijn er meer, maar of dit democratisch

is wensch ik alsnog in twijfel te trekken. In het

belang van den Kring hoop ik, dat Mr. Rooy zich

zal beteren en tot het inzicht zal komen dat hij

in dit geval alles behalve fair gehandeld heeft.

Het spijt mij waarlijk, in dit nummer van dit onaangename

gebeuren melding te moeten maken, doch

ik meende de collega's er niet onkundig van te

mogen laten.


8 DE JOURNALIST

R.K. JOURNALISTEN VEREENIGING.

Utrecht, 28 April. A.N.P. — Naar de meening van

Z. Em. Kardinaal de Jong, zullen de Katholieke

Journalisten een eigen organisatie moeten vormen

voor de behartiging van al hun belangen. Een federatieve

samenwerking in de toporganen wordt

wenschelijk geacht.

Inj verband met deze duidelijke verklaring is besloten

de Nederlandsche R.K. Journalisten Vereeniging

weer te laten functionneeren. Overleg

met het Aartsbisdom heeft thans geleid tot een oproep

aan alle belanghebbende Katholieke Journalisten.

Het bureau van de Vereeniging zal voorloopig

gevestigd zijn in Utrecht. Correspondentie richte

men aan den heer A. L. G. M. van Oorschot, Stationsstraat

10 te Utrecht, (Tel. 19804). Convocaties

voor een algemeene vergadering van Katholieke

Journalisten volgen spoedig.

HEROPRICHTING N.J.K.

De heer Polak Daniels, eere-voorzitter

Amsterdam, 27 April, A.N.P. — Vandaag zijn de

Nederlandsche journalisten in Krasnapolsky te

Amsterdam bijeengekomen, met het doel den Nederlandschen

Journalistenkring, op de basis van nieuwe

statuten, te doen herleven.

De vergadering stond onder leiding van mr. M.

Rooy, voorzitter van het Comité van Voorbereiding.

In zijn openingsrede moest hij mededeelen, dat de

toetreding van R.K. Journalisten 'tot den Kring

door het doorluchtig episcopaat niet was toegestaan.

Hij kon toevoegen, dat een nauwe federatieve samenwerking

met de te vormen R.K. Journalistenvereeniging

verwacht kan worden.

Voorts deelde de voorzitter mede, dat het comité-

Klomp besloten had, zijn actie te staken.

Besloten werd een telegram van dank te zenden

aan het bestuur van den N.J.K. en de R.K.J.V. te

Curagao, die in 1943 het besluit hadden genomen

den zetel van beide organisaties naar Curasao over

te brengen, zich grondend op het, hier te lande

onbekende, Londensche Kon. Besluit van 7 Juni

1940 (Stsblad a 6).

Hierna werd geconstateerd, dat de N.J.K. was

opgericht.

De vergadering droeg het te verkiezen Kringbestuur

op, in overleg te treden met het op Curagao

gevestigde bestuur van den N.J.K. en de R.K.J.V.

teneinde den overgang van de oude vereenigingen

naar den nieuw opgerichten Ned. Journalisten

Kring te bewerkstelligen op een juridisch verantwoorde

wijze.

Vervolgens werden de nieuwe statuten behandeld

en de desbetreffende voorstellen, na wijziging op nietprincipiëele

punten zonder hoofdelijke stemming

aangenomen.

Onder langdurige bewijzen van instemming werd

op voorstel van den voorzitter den heer G. Polak

Daniels het eere-voorzitterschap van den Kring

aangeboden in verband met zijn groote verdiensten

op journalistiek gebied en ten aanzien van den Ned.

Journalisten Kring.

De heer Polak Daniels aanvaardde zijn benoeming

met woorden van dank en sprak zijn beste wenschen

uit voor een verdere voorspoedige ontwikkeling

van den Kring. Het presidium der vergadering

werd daarna korten tijd overgenomen door den heer

Polak Daniels, die de verkiezing van een voorzitter

van den Kring aan de orde stelde. Met algemeene

stemmen werd bij acclamatie mr. M. Rooy als voorzitter

gekozen. Tot penningmeester werd, met alge­

meene stemmen gekozen de heer A. J. Koejemans.

In een later gehouden eerjste vergadering van

het nieuwe instituut van den Kringraad werden tot

bestuursleden aangewezen: mevr. Van Mèurs-v/d

Burg en de heeren Jhr. J. W. J. Witsen Elias, F. J.

A. Berding, C. A. Schilp, T. Dokter, P. Teeling en

J. J. F. van den Bergh, welke laatste bereid werd

gevonden tijdelijk het secretariaat waar te nemen,

aangezien de heer Voskuil voor het secretariaat bedankte.

In de redactie-commissie voor „De Journalist"

werden gekozen de heeren J. Foppema en Mr. E.

Elias. Over de derde plaats in de redactie zal in een

volgende vergadering worden beslist.

Commissies werden benoemd door den Kringraad

tot het ontwerpen van een Huishoudelijk Reglement,

een Reglement Vakopleiding en een Tuchtreglement.

Nieuwe leden van den Nederl. Journalisten Kring

kunnen zich daartoe aanmelden bij de secretarissen

der Regionale groepen. Niet bij een Regionale

Groep onder te brengen nieuwe leden kunnen zich

aanmelden bij den waarn. secretaris, den heer J. J.

F. van den Bergh, Overtoom 19/1, Amsterdam.

DE QQGEN

van de Volksvertegenwoordiging gaan open

Uit het Voorloopig Verslag van de Tweede Kamer,

betreffende het wetsontwerp „Wijziging tijdelijk

Persbesluit 1945" blijkt wel zonneklaar, dat in

de Volksvertegenwoordiging het begrip nog leeft,

dat „Gerechtigheid" het fundament van den staat

dient te zijn. De oogen van de volksvertegenwoordiging

voor den naakten strijd van het eigenbelang,

die, onder het mom van vaderlandsliefde, in de

Perszuiveringscommissie wordt gevoerd, gaan open.

Het begrip dringt door, dat „Het Persbesluit 1945"

in lijnrechten strijd is met artikel 7 der Grondwet

en in ieder geval ongeschikt is als uitgangspunt

voor onze wetgeving. Men komt tot het inzicht, dat

het grondwettelijk recht van drukpersvrijheid, als

een der steunpilaren der democratie, gehandhaafd

dient te worden. Men ziet in, dat thans de deur

wagenwijd open staat voor de grootste willekeur;

dat het stelsel van bewindvoering niet past in een

rechtstaat. Tot de Kamer drong het begrip door,

dat belanghebbenden niet in de commissie thuis

hooren; dat het absurd is, dat één van de leidende

figuren bij de Perszuivering, die n.b. eenige jaren

geleden op moreele gronden ernstig in opspraak

is geweest, als openbare aanklager bij de behandeling

der zaken optreedt en later bovendien mede

conclusies neemt. Met nadruk wordt er dan ook op

aangedrongen een onpartijdige beroepsinstantie in

te stellen, die dient te letten op den geest, welke de

beschuldigde onderneming tijdens de bezetting bezielde.

Wij zijn er van overtuigd, dat de brochures van

Verschuur, waarin op scherpe wijze belicht wordt,

hoe onrechtvaardig het is, dat bij de bladen, die na

1 Jan. 1943 zijn blijven verschijnen, alles van 10 Mei

1940 af met de loupe wordt bekeken, terwijl dit bij

de bladen, die vóór 1 Januari 1943 werden verboden

(vaak om niet principiëele redenen) niet gebeurt,

hoewel bij onderzoek zou blijken, dat deze

bladen niet minder gezondigd hebben; die van

Lunshof over de „Moderne Inquisitie", alsmede

„Het kijkje achter de schermen", dat collega Van

Term, over de chaos in het zuiden heeft geopend;

de onthullingen over de manipulaties der „Gooische

Klanken" tegen de „Gooi en Eemlander" de brochure

De Maat is vol...." van collega Jussen en


die „Rumoer om De Gooi en Eemlander" alsmede

de ontslagaanvrage als lid der Perszuiveringscommissie

de heer C. M. Donker, er mede toe hebben

bijgedragen, dat de oogen, niet alleen die van de

volksvertegenwoordiging, maar ook die van ons

volk open gaan.

Wij zouden ons gelukkig achten, wanneer het eerste

nummer van „De Journalist", dat wij ook aan

alle leden der volksvertegenwoordiging zonden,

daartoe een steentje heeft bijgedragen. Wat in N.H.

en wel in het district Alkmaar is gebeurd, waar reeds

in Juli 1945 de journalisten, krachtens een door het

M.G., op grond van „Het Persbesluit 1944" ingestelde

zuiveringscommissie, werden gezuiverd, terwijl

deze journalisten met St. Nicolaas van dat jaar

bericht ontvingen opnieuw door Den Haag gezuiverd

te moeten worden en nog steeds op die zuivering

wachten, is in flagranten strijd met den gulden

rechtsregel, dat een zaak, na éénmalige berechting

als afgedaan behoort te worden beschouwd en wijst

DE JOURNALIST 9

er op, dat deze rechtsverkrachting alleen geschiedt

om bevrijdingsprofiteurs zoo lang mogelijk in hun

monopoliepositie te laten. Moge in het belang van een

goede zuivering, die ons volk behoeft, „De Persraad"

eens eindelijk aandacht schenken aan de wonderlijke

dingen, die thans in de Perszuiveringscommissie

plaats vinden. Moge de regeering ook

eindelijk tot het inzicht komen, dat regionale commissies,

die met de personen en hun gedragingen

tijdens de bezetting bekend zijn, voor de zuivering

der Pers de voorkeur verdienen boven een centrale

commissie en dit vooral, wanneer in die centrale

commissie, zooals onze oud-voorzitter Polak Daniels,

die thans tot onze groote voldoening tot eere-voorzitter

van den N.J.K. is benoemd aantoonde, belanghebbenden

den boventoon voeren.

Ter oriënteering van onze collega's publiceeren

wij hieronder het aan het voorloopig verslag ontleende

uittreksel, zooals dit door het A.N.P. aan de

pers werd verstrekt.

Wijziging tijdelijk Persbesluit 1945

's-Gravenhage, 1 Mei. Aan het voorloopig verslag

der Tweede Kamer betreffende het wetsontwerp-

„Wijziging tijdelijk persbesluit 1945" is het

volgende ontleend:

Zoowel de bestaande toestanden op het gebied

der perszuivering als het ingediende voorstel gaven

aanleiding tot vaak zeer scherpe critiek.

Allereerst rijst de vraag of de grondslag van de

uit te vaardigen wet, het tijdelijk persbesluit 1945,

niet wankel is. Is de rechtskracht daarvan boven

allen twijfel verheven?

Het bewijs is moeilijk te leveren, dat het twee

maanden eerder formeeren van de Staten-Generaal

met volledige bevoegdheden niet evenzeer mogelijk

ware geweest. Evenmin kan onweerlegbaar

worden aangetoond, dat een uitstel van twee maanden

en een voortbestaan van het reeds voorhanden

Londensche persbesluit onaanvaardbaar waren.

In dit verband werd gevraagd, of door aanvaarding

van dit wetsvoorstel het tijdelijk persbesluit 1945

indirect zou worden gelegaliseerd. Mocht deze gevolgtrekking

gemaakt moeten worden, dan rijst het

groote bezwaar, dat dit besluit in lijnrechten strijd

met de Grondwet (art. 7) is te achten. Van andere

zijde werd met klem bestreden, als zou de inhoud

van het Persbesluit 1945 in strijd zijn met de grondwettelijken

waarborg der drukpersvrijheid. Sommige

leden, die niet zoo ver gingen, dat zij op grond

van de wijze van tot standkoming van het Persbebesluit

1945 de rechtskracht er van in twijfel meenden

te moeten trekken, achtten hetzelve dan toch in

ieder geval ongeschikt als uitgangspunt voor onze

wetgeving. Zij waren van meening, dat er een geheel

nieuwe perswet, na de verkiezingen, tot stand

behoorde te worden gebracht en dat dit voorstel

niet verder dient te worden afgehandeld.

De bestaande toestanden op het gebied Perszuivering

werden van verschillende zijde scherp gegispt.

Er is veel kwaad gerucht omtrent deze zaken.

Vaak wordt naar buiten de indruk gewekt, dat onder

het mom van vaderlandsliefde het naakte eigenbelang

schuil gaat. Concurrenten trachten zelf op

het kussen te komen, of te blijven zitten, waarvan

tegenstanders soms met onoirbare middelen verdreven

zijn.

Gewezen werd op het feit, dat onder vigueur van

het Londensche Persbesluit, op bladen, die voor 1

Januari 1943 ophielden te verschijnen, in het geheel

geen controle werd uitgeoefend ten aanzien van wat

zij voordien schreven. Bij de uitgaven, die wel onder

de werking van het Persbesluit 1945 vallen, wordt alles,

ook het vóór genoemden datum gepubliceerde,

nauwgezet nageplozen, vaak zonder voldoende acht

te slaan op de goede bedoelingen. Gevraagd werd

naar den oorsprong van den! evengenoemden fatalen

datum. Een lid meende, dat die datum als

wettelijk vermoeden moet worden aangemerkt,

daar de bladen, die de „Razzia" van het najaar

1942 hebben doorstaan, den schijn hebben

gewekt, „Zware" gevallen te zijn. Ergens moest

de grens worden getrokken, teneinde zoowel de zuivering

als de nieuwsvoorziening te verzekeren.

Overigens hebben sommige bladen, die tot het einde

der bezetting werden verspreid, reeds geruimen tijd

geleden met officeele toestemming hun verschijning

hervat.

Sommige leden waren van meening, dat in zekere

gevallen drukkerijen onder beheer dienen te kunnen

worden gesteld om te voorkomen, dat geoorloofde

bladen tegen te hooge prijzen zouden worden

gedrukt. Andere leden vroegen zich af, of dit

niet beter door prijsregeling ware te vervangen.

Wat het voorstel van wijziging zelf betreft, hier

werd door vele leden met teleurstelling geconstateerd,

dat de toezegging door den minister van Binnenlandsche

Zaken op 22 Januari 1946 aan de Kamer

gedaan, eerst einde Maart gestand werd gedaan.

Na Januari zijn er nog vergunningen tot verschijning

verleend, dan wel geweigerd. Gaarne zou men

vernemen, hoeveel dit er zijn geweest, alsmede hoeveel

dag- en weekbladen in totaal thans door een

verschijningsverbod getroffen zijn. Een bezwaar

werd gevonden, dat de oplaag en mitsdien de papiertoewijzing

gekoppeld worden aan den naam der couranten.

Enkele leden vroegen of het juist is, dat het

personeel der oude bladen anders wordt behandeld

dan het personeel van andere collaborateurs.

Is er voor persfotografen dezelfde grondwettelijke

ratio met betrekking tot uitzonderingsmaatregelen

als voor journalisten en directies van bladen? En

waarom zijn persdelinquenten niet normaal door de

tribunalen berecht?

De strekking van dit wetsontwerp is, dat niet alleen

redacteuren, maar ook de uitgevers van de bladen

zullen worden getroffen. Enkele leden hadden

voor de hier voorgestelde wijziging van het tijdelijk

Persbesluit 1945 weinig waardeering.

Een tweede opmerking van deze leden (ook vele

anderen lieten niet na hier op te wijzen) was, dat

door de voorgestelde wijziging de concurrentie aan-


10 DE JOURNALIST

merkelijk zal worden verscherpt. Is hier eenige druk

uitgeoefend van de zijde der voormalige illegaliteit,

zoo werd gevraagd.

Verscheidene andere leden meenden er op te moeten

wrfzen, dat men bij de beoordeeling van een

dagbladonderneming niet slechts behoort te letten

op het personeel in loondienst, maar voornamelijk

op den geest, welke die onderneming bezielde.

Stelt dit wetsontwerp de Kamer voor de taak,

haar oordeel te geven over de voorgestelde wijziging,

niet minder behoort zij zich uit te spreken

over wat de regeering voorshands ongewijzigd wil

handhaven.

In dit verband nu was een aantal leden van meening,

dat artikel 2, lid 1 van het Persbesluit 1945

bezwaarlijk kan worden gehandhaafd. Zooals deze

bepaling thans luidt zet zij, aldus deze leden, de

deur wagenwijd open voor willekeur, doordat iedere

redacteur ontzet kan worden uit zijn ambt op bewijs

van futiele tenlaste leggingen, hetgeen dan

ook in de praktijk is voorgekomen.

De principieële beslissing „doorverschijnen of

staken" is, aldus deze leden voor alle bladen gevallen,

aanstonds na de capitulatie in Mei 1940, toen

deze van Duitsche zijde werden uitgenoodigd, opnieuw

te verschijnen, onder mededeeling, dat zij

„vrij" zouden zijn, behoudens militaire voorcensuur,

die uiteraard vijandelijke publicaties niet zou dulden

en behoudens, dat het „Wehrmachtsbericht" op

de voorpagina geplaatst moest worden. Iedereen

begreep toen, dat dit bedrog was en dat de bezetter,

waar en wanneer noodig, pressie zou uitoefenen.

Ieder, die daar bezwaar tegen had, had toen kunnen

kiezen voor het „niet verschijnen". Dit is in de

praktijk nauwelijks of niet voor gekomen. Overigens

waren van overheidswege ten deze opzichte geen concrete

richtlijnen aan de pers of aan de bedrijven

verstrekt. Zoolang trouwens het publiek, dat achterdochtig

en wantrouwend was tegen den vijand, duidelijk

begreep, dat Nationaal Socialistische of vijandig

gezinde publicaties geforceerd en afgedwongen

waren, mocht het een open vraag heeten, of een keuze

van niet verschijnen zou hebben opgewogen tegen

de er aan verbonden maatschappelijke gevolgen.

Ook werd nog naar voren gebracht, dat de toevallige

datum der bevrijding in het Zuiden en de toevallige

datum der behandeling van de zaken gemakkelijk

(en tot schade van een straks wellicht

zuiver blijkende onderneming) door de concurrentie

worden uitgebuit.

Tenslotte werd onderstreept, dat het grondwettelijk

recht van drukpersvrijheid als een der steunpilaren

der democratie volledig behoort te worden

gehandhaafd.

Beroepsinstanties.

Vrij algemeen werd het als een groote leemte

in het onderhavige wetsontwerp gevoeld, dat tegen

de beslissingen van de commissie voor de Perszuivering

geen beroep mogelijk is.

De mogelijkheid van beroep, aldus eenige leden,

zou wettelijk ook geopend dienen te worden ten opzichte

van reeds afgedane zaken. In een dergelrjK

orgaan zouden vertegenwoordigers van het perswezen

en rechtsgeleerden zitting moeten hebben, ben

college alleen bestaande uit belanghebbenden werd

uit den booze geacht.

Commissie voor de Perszuivering.

Door eenige leden werd de vraag gesteld, of deze

commissie, die in wezen een rechterlijke functie

uitoefent, wel kan worden geacht op de meest juiste

wïze te zijn samen gesteld. Andere leden vroegen

Sch niet zonder bezorgdheid af of wel de meest

geschikte en integer bevonden persoonlijkheden in

deze de leiding hadden.

Men meende n.1. te weten, dat in dit college het

element der belanghebbende concurrentie een veel

te groote rol speelt. Belanghebbenden en zeker commercieel

geïnteresseerden, behooren in deze commissie

niet thuis, aldus deze leden. Is het waar, zoo

werd van andere zijde gevraagd, dat de commisie

vrijwel geheel bestaat uit personen, die vóór 1943

hun arbeid op dit gebied moesten staken, of wel uit

lieden, die thans de leiding hebben van voorheen

illegale bladen? Men zou het op prijs stellen èen opgave

te ontvangen van de preciese samenstelling der

commissie met vermelding van de maatschappelijke

functies der leden.

Ook meende men te weten, dat een der leidende

figuren bij de Perszuivering eenige jaren geleden op

moreele gronden zeer ernstig in opspraak is geweest.

Hier schijnt opheldering gewenscht en voorzichtigheid

geboden.

De ontslagneming van den heer Polak Daniels

als lid dezer commissie en diens motiveering daarvan

hebben in breede kringen de aandacht getrokken.

Gaarne zou men ten deze de meening van den

minister vernemen.

Een lid vroeg, of Dokter Beekenkamp niet al te

arbitrair in perszaken optreedt. Ook pleitten eenige

leden voor de instelling van regionale colleges, dan

wel plaatselijke arbitrage-commissies. Naar het

schijnt, treedt een ambtenaar van het bureau Perszuivering

bij de behandeling der zaken op als openbare

aanklager, terwijl hij later eveneens conclusies

neemt. Behoort dit, zoo werd gevraagd, tot de werkwijze

van de commissie, zooals bepaald door den

minister conform de art. 6 en volgende van het

Persbesluit 1945?

Besmette naam.

Bij het aanhangige wetsontwerp is mede een der

voorname punten de voorgestelde mogelijkheid, den

besmetten naam van een periodiek voor een bepaalden

langen termijn uit het openbare leven te

bannen.

Wat het voorstel zelf betreft, is de cardinale vraag,

of het verbieden van een besmetten naam ten aanzien

van de pers onder het wezen der zuivering valt.

Verscheidene leden waren van oordeel, dat dit inderdaad

het geval is.

Intusschen, ook de commissie voor de Perszuivering,

werd hiervoor niet de aangewezen instantie

geacht. Men achtte het voorgestelde dan ook alleen

aanvaardbaar, wanneer de beslissing, minstens in

hooger beroep in handen wordt gelegd van een college,

dat uit een oogpunt van belangeloosheid en

rechterlijke deskundigheid de grootst mogelijke

waarborgen biedt.

Terwijl vanwege de voorstanders van het voorgestelde

artikel 2 nog de nadruk werd gelegd op het

feit dat ook de aandeelhouders uit financieëele overwegingen

hebben geprofiteerd van de foute houding

van redactie en directie, zoodat er alles voor te zeggen

is, den in de memorie van toelichting veronderstelden

goodwill welke in bepaalde namen ligt opgesloten,

zoo noodig onproductief te maken, betreurde

een aantal andere leden het voorstel en zij

wezen op de inconsequentie in de memorie. Deze leden

achtten een onteigening van dezen goodwill zonder

schadevergoeding onrechtvaardig. De namen

der betreffende bladen zijn bovendien populair en

er bestaat behoefte aan hun wederverschijning. Van

andere zijde werd geadviseerd, het publiek vrij te

laten of het verontwaardigd wil reageeren, dan wel

zich opnieuw wenscht te abonneeren. Het eemge

waar het op aan komt, n.1. landverraders en schuldige

collaborateurs niet meer aan het woord te laten,

kan immers ook bij weder ingebruikname der

oude namen geschieden.


Bewindvoering.

Hoewel de uitbreiding van artikel 15 een maatregel

van ingrijpende beteekenis inhoudt, werd de

voorgestelde verruiming van de mogelijkheid, een

onderneming onder bewind te stellen, door een aantal

leden aanvaardbaar geacht, in aanmerking genomen,

dat deze maatregel zal worden opgelegd door

den minister en dat althans bij een afwijkend advies

van den Persraad beroep open zal staan op de Kroon.

Door verscheidene leden werd daartegenover

ernstig bezwaar gemaakt tegen deze onder-bewindstelling.

Naar hun meening behoort een dergelijke

ingrijpende maatregel niet door de administratie,

zelfs niet door den minister, maar door een rechterlijke

instantie te worden opgenomen, zoodat er waarborg

bestaat, dat het hoor en wederhoor voldoende

tot zijn recht kan komen.

Een dergelijk stelsel, zoo werd opgemerkt, past

niet in het kader van een rechtstaat.

Andere leden wezen er op, dat volgens art. 17 van

het Persbesluit 1945 de minister reeds een onderneming

onder bewind kan stellen en dat door het voorgestelde

de lijn eenvoudig wordt doorgetrokken. Dit

Wie tot heden de naïeve gedachte was toegedaan,

dat alles wat er aan onrechtigheden aan de beruchte

Perszuiveringszaak kleeft, moet toegeschreven worden

aan een nog niet geheel op orde zijnd maatschappelijk

stelsel — hetgeen, zoo heet het — niet

zoo een, twee, drie na zulke verfoeilijke oorlogsjaren

kan, zal nu toch wel tot een positieve meening gekomen

zijn. Het zoo schijnbaar-stroef functionneerende

zuiveringsapparaat, heeft immers niets met een „ongelukkige

samenloop van omstandigheden" te maken,

want de chaos op pers gebied door den bezetter achtergelaten,

is geen aangelegenheid waarover een Nederlander

met eenig onderscheidingsvermogen, langer

dan een week behoeft na te denken.

Bij het neerschrijven van deze conclusie, bevinden

wij ons in goed gezelschap. Niemand minder dan

Professor Schermerhorn heeft deze meening reeds

lang verkondigd, waarvoor wij herinneren aan het

opzienbarend verslag dat alleen maar in een illegaal

blad, eenige maanden geleden verschenen is en wel

het Manifest aan de bevolking van het Gooi, uitgegeven

door het technisch, redactioneel en administratief

personeel van ,,De Gooi- en Eemlander" te Hilversum.

Volgens dit verslag heeft de toenmalige Minister-

President op Donderdag 24 Januari 1946 in het Grand

Theatre Gooiland te Hilversum, voor de Nederlandsche

Volksbeweging gesproken. Bij die gelegenheid

gaf zijne Excellentie de nadrukkelijke verzekering van

zijn standpunt krachtens hetwelk de illegaliteit in

ons nationale leven van na de bevrijding, nooit een

essentieel element mag blijven. Met de bevrijding en

het herstel van nationale toestanden, aldus de Minister,

behoort de illegaliteit te verdwijnen.

Ten aanzien van het Perswezen deelde Prof. Schermerhorn

mede, „dat het maar aan weinigen bekend

is maar dat het goed was het hier in het openbaar te

vertellen, dat het oorspronkelijk eigenlijk de bedoeling

is geweest, de kranten welke — in den oorlog

— doorgewerkt hebben, slechts voor één week te verbieden.

Die eene week, aldus de openhartige Minister,

is voor menige oude krant wel heel erg uitgerekt".

De Minister-President betoogde verder, persoonlijk

sympathie te gevoelen voor de illegale pers „maar

DE JOURNALIST 11

is noodig om aan sabotage en tegenwerking een einde

te kunnen maken.

Sommige der hier aan het woord zijnde leden waren

van meening, dat door het voorstel het knoeien

nog niet afdoende zal kunnen worden tegengegaan.

Daarom dient aan den minister of aan de commissie

voor de Perszuivering de bevoegdheid te worden gegeven

ten aanzien van een onderneming, welke als

uitgeefster van een of meer dag- of nieuwsbladen op

zoodanige wijze is opgetreden, dat door haar geestelijke

instelling, zooals deze in het blad tot uiting

kwam, in overwegende mate Nationaal Socialistische

denkbeelden of beginselen, dan wel ideologieën van

den vijand ingang zouden hebben kunnen vinden,

hetzij de algeheele liquidatie te bevelen, hetzij de

liquidatie van zoodanige bij de beslissing aan te geven

bedrij f sonderdeelen of gebouwen als moeten

worden geacht tot vorenbedoelde bedrijfsuitoefening

te hebben gediend.

Andere leden voerden tegen het voorstel om liquidatie

mogelijk te maken aan, dat dit een ingrijpende

maatregel van blijvende aard is, die moeilijk past

in het kader van het tijdelijk Persbesluit 1945, dat

immers bestemd is om uiterlijk met ingang van 1

Januari 1947 buiten werking te treden.

Rondom de Perszuivering.

er moet gerechtigheid betracht worden en het gaat

niet aan, iederen journalist die nu een „certificaat

van geen bezwaar" heeft of er een krijgt, te dwingen

zijn werkkracht te geven aan een voormalig illegaal

blad. Het geldende standpunt is, dat geen ondernemingen

weggezuiverd mogen worden, doch alleen

dienen maatregelen genomen te worden tegen personen,

die zich als handlangers van den vijand gedragen

hebben".

Vanzelfsprekend is geen der dilettanten-journalisten

bijgebracht, dat het tot de elementaire beginselen

der journalistiek behoort, in de allereerste plaats

het Nederlandsche volk nota te doen nemen van hetgeen

zijn Minister-President t.a.v. belangrijke zaken

in het midden te brengen heeft. Daarom bleef het

publiek onkundig van bovenstaande ministeriëele

verklaring en volgens dit beeld kan in groote trekken

de geheele nieuwbakken pers beoordeeld worden.

Hoe staat het nu met de zuivering?

Wel, de zaak is een paar maanden voor de verkiezingen

doodgewoon bevroren. Wie er naar informeerde,

werd steevast geantwoord, dat „zijn dossier"

met enkele weken behandeld zou worden: de Minister

zou thans weer zeggen, dat ook die „enkele weken"

voor menige oude krant alweer erg lang zijn

uitgerekt.

Dit alles is echter geen toeval of te wijten aan een

ongelukkige samenloop van omstandigheden. De

dames en heer en welke met de zuiveringszaken zijn

belast, kunnen heusch wel voor „vol" worden aangezien

en beschikken stellig over de capaciteiten om

binnen veertien dagen over den geheelen persrommel

„recht" te spreken. Het behoort echter tot een nauwkeurig

uitgekiend systeem dat er op gericht is op

het nog niet gezuiverde krantendeel een soort afmattingstactiek

toe te passen, waarvan de profijtelijke

bedoeling voor eiken koopman in ongeregelde goederen

duidelijk is.

Een magnifiek rekmiddel is gevonden in het intusschen

aanhangig gemaakte wetsvoorstel tot wijziging

van het Persbesluit-1945. Dit werd rondom de

Kabinets-crisis ingediend, zoodat daarmede al weer

een maand gewonnen is. Daar komt intusschen nog

bij het verheugende meevallertje, dat de Minister,

die dit wetsvoorstel te verdedigen heeft, met de for-


12 DE JOURNALIST

meering van een nieuw kabinet is belast, zoodat er

wel weer een kwartaal mede gemoeid zal zijn, alvorens

een nieuwe excellentie deze aangelegenheid

in studie kan nemen. Zooals men weet, gaat het hier

in hoofdzaak om het veranderen van krantennamen

met goodwill en het onder beheer stellen van drukkerijen,

in afwachting waarvan „natuurlijk niet" met

journalistenzuivering kan worden voortgegaan.

Wat ten aanzien van dit wetsvoorstel in het verslag

der rapporteurs — in dit blad afgedrukt — wordt

opgemerkt, grenst aan het sensationeele. Kamerleden

stellen daarin zonder meer de vraag, of het waar

is dat een der zuiveringsheeren met een twijfelachtig

moreel verleden, den scepter zwaait over lieden die

niet zonder zonden zijn. Dergelijke aantijgingen blijven

wekenlang onbesproken of onweerlegd: de

Minister haast zich niet zijn zuiveraars van een dergelijken

aanval te zuiveren, zoo min de aangevallene

zich de moeite getroost het Nederlandsche publiek

van zijn rein geweten te overtuigen. Zou collega

Lunshof dan toch gelijk hebben, waar hij in zijn brochure

betoogt, dat in Nederland wel standbeelden van

gezuiverden, maar niet van zuiveraars worden aangetroffen?

Vele Kamerleden meenen van de Perszuivering dit,

anderen betwijfelen dat, talrijken vragen zich iets

met bezorgdheid af en een enkele vreest erge consequenties.

. . . Het is een poel van ongerechtigheden

waarin de Zuiveringskar is terecht gekomen en daarin

ligt de viezigheid thans te verzuren. Intusschen

wordt gehoopt, dat de nog gestaakte journalisten met

het hongerspook voor oogen, hun gave pennen ter

beschikking van het ex-illegale apparaat zullen stellen

en de oude uitgevers hun machinepark als oudroest

den Stichtingen op een presenteerblaadje zullen

aanbieden.

Dat Minister Beel de Perszuiveringszaak in de hand

heeft, is dan ook reeds lang aan twijfel onderhevig.

Het Gezag met een groote G is ook hier geheel zoek:

het Departement van Binnenlandsche Zaken wordt

geleid instede zelf leiding te geven.

Is het dan toch waar, dat ons land in geheime republiekjes

verdeeld is? Waarin elke commissie voor

zichzelf bepaalt, aan welke richtlijnen zij wel en geen

gevolg zal geven? Kwam dit ook al scherp tot uiting,

toen destijds een der Kamerleden naar den stand

der vrijlating van „lichte gevallen" informeerde en

Zijne Excellentie daarop moest antwoorden, dat dit

aantal in het ressort-Amsterdam 500 bedroeg tegen

5000 in 's-Gravenhage?

Wat gebeurt er in Nederland of, zoo men wil, wat

gebeurt er niet?

De in een hoek gedreven garde der oude persridders,

wier onkreukbaarheid tot in alle werelddeelen

bekend is en die een voorlichtingswezen hadden opgebouwd

tot een peil, waarvan met ontzag gewaagd

werd, voelt zich evenwel nog lang niet knock-out

geslagen, al had niemand er van ooit durven droomen

dat in democratisch Nederland zoolang met artikel

7 der Grondwet gedweild kon worden als waarvan

wij nu 13 maanden de getuigen zijn.

Was het opzet of toeval, dat de laatste maanden

voor de verkiezingen, alle nog gestaakte provinciale

couranten verboden bleven — bladen, die als geen

ander tijdschrift, bij overlevering in de Nederlandsche

huiskamers waren ingeburgerd — en waardoor

al hetgeen er aan nieuwbakken organen aan de oppervlakte

is gekomen, naar hartelust den kant van de

partij konden kiezen, aan wie zij haar hart verpand

hadden?

Was de volksvoorlichting in den royalen en loyalen

stijl als waarvoor de gedegen „oude" pers met haar

levende neutraliteitsbeginsel, zoovele malen den vertwijfelenden

burgers van algemeene voorlichting

heeft gediend?

Reeds daarom alleen dienen de gehouden verkiezingen

als ongeldig te worden verklaard in een land,

waarin geen vrijheid van pers bestaat, ondanks zijn

zoo hoog geroemde democratische beginselen.

Doch er is meer. Er wordt „geregeerd" met

Koninklijke Besluiten. Maar het Koninklijk Praedicaat

wordt een belachelijkheid, als letter en geest

van de Grondwet, tot een aanfluiting worden gemaakt.

Zij, die meenen op deze flodderige manier

met de Nederlandsche pers te kunnen omspringen

als thans reeds zoovele maanden het geval is, dienen

wel te beseffen, dat hier waarden in het geding ko-

, men, welke ons volk tot in der eeuwen heilig waren.

Koninklijk is een land, waarin zijn Koninklijke

Besluiten op Koninklijke wijze worden ten uitvoer

gelegd; wie daarmede transigeert, wekt in de hoofden

der bona fide volksvoorlichters gedachten op, die gevaarlijk

worden voor onze monarchie.

Nog blijft de staking van journalisten voortduren.

Doch eenmaal zal er weer een tijd aanbreken, waarin

alle opgekropte zuiveringswee naar boven zal komen:

bij koekebakkers zal het broodje er wel even zoet om

smaken, doch het handjevol tegenstrevers zal zich

vergissen, indien het meent, dat het ras „echte journalisten"

niet ten volle van zijn aloude vrijheidsrechten

gebruik zal maken, zoodra er in Nederland

weer vrijheid van drukpers is.

Wist U

Dat ergens in Nederland een met veel moed gestarte

directeur van een „vrije krant" in een flinke provinciestad,

ijlings de beenen heeft genomen op het gerucht,

dat er „nog meer" papier voor „dfe bladen" ter beschikking

zou komen, terwijl hij met zijn dagelijksoh kattebelletje

al geen raad wist?

dat in een wat kleiner provincieplaats, de propagandisten

van hun soort vrijheid, in dezelfde moeilijkheden

verkeeren, daar de zetmachine nog maar over drie

t's beschikt en „bij groote drukte" om 1 op te schieten

d's in plaats van t's gezet worden? (Ter geruststelling

zij nog gemeld, dat op den eerzamen zetter niet geschoten

is.)

dat „Certificaten van geen bezwaar" op de zwarte

markt tegen antiquarische prijzen verhandeld worden,

wijl de ondergrondsche drukker zonder papier zit?

dat vele scribenten van de nieuwste krantenorde nog

in de allerhoogste klasse van de lagere school zaten

toen de oorlog uitbrak en thans het suffe Nederlandsche

publiek over „die slechte oude tijd" onderhouden?

dat het dankbare courantenlezende publiek, dagelijks

reikhalzend uitziet naar de enorme bedragen, welke de

bladen met „stichtelijken" in- en omslag, als overwinst

aan nuttige instellingen zullen overmaken, nu het

eerste boekjaar is afgesloten?

dat de „ik"- en „wij"-vorm in de hedendaagsche

krantenstijlkunde van een personalistisch karakter getuigt,

daarmede de „echte journalisten" als te bescheiden

kwezels in het zonnetje zettende?

dat na Persbesluit-11945, een Persbesluit-194'6 op de

helling zal komen waarin de rechtspositie van de journalisten-in-opleiding

geregeld zal worden en waarin

dezen jonehelieden den armband „Pers" als symbool

van hun waardigheid blijvend zal worden toegekend,

terwijl de onmisbare auto en de cigaretten facultatief

worden gesteld.

More magazines by this user
Similar magazines