DE JOURNALIST

webstore.iisg.nl

DE JOURNALIST

N2 338

inc. insuuiut

Soc. Geschiedenis

Amsterdam

16 Maart 1922

DE JOURNALIST

Orgaan van den Nederlandschen Journalisten-Kring

Redacteur: C.A. C R A Y É

BUSSUM, Koningin Emraalaan 13

INHOUD. Officieele Mededeelingen: Agenda Algemeene Vergadering;

Aan de achterstalligen; Ledenlijst; Verslag Jaarvergadering.

— Algemeene belangen: Geestelijke levenskracht

en materieele welstand; Van Drukpers-delicten (slot); Journalistenschool

te Brussel. — Uit de Pers: A. G. Boissevain. + —

Personalia en Berichten. — Ingezonden: Justitie contra Pers.

— Advertentie.

Officiëele Mededeelingen.

Algemeene Vergadering

op ZONDAG 19 Maart 1922, 's morgens 11 uur,

te 's-GRAVENHAGE

in DE TWEE STEDEN, Buitenhof.

AGENDA:

1. Notulen algemeene vergadering van 25 en 26 Februari

1922, te Rotterdam.

2. Mededeelingen.

3. Voortzetting van de behandeling van het onderwerp

Justitie, Politie en Pers".

Motie-Kringbestuur:

Ue algemeene vergadering van den Nederlandschen

Journalisten-Kring,

kennis genomen hebbend van een ingekomen schrijven

van Zijne Excellentie den Minister van Justitie betreffende

de mogelijkheid van een regeling van het contact tusschen

justitieele en politioneele autoriteiten eenerzijds en de

vertegenwoordigers der pers anderzijds,

constateerend, dat ook naar het oordeel van den

minister aan de practische doorvoering van dat denkbeeld

groote bezwaren verbonden zijn,

verklaart zich nochtans bereid over de mogelijkheid

ervan te onderhandelen, mits bij zulk een regeling de

pers haar onafhankelijkheid behoude,

noodigt het bestuur uit op dezen grondslag met den

Minister van Justitie overleg te plegen en het resultaat

daarvan nader aan de algemeene ledenvergadering ter

goedkeuring voor te leggen.

4. Rondvraag.

Aan de achterstalligen.

A.s. Zaterdag komt het Kringbestuur bijeen, om de maatregelen

te beramen tegen hen, die achterstallig in contributie

zijn.

Men heeft tot overmorgen (Vrijdag) den tijd om:

de contributie over 1921 toe te zenden aan den penningmeester

(A. VOOGD, Heemraadsingel 183, Rotterdam),

het salaris-contributie-formulier aan den secretaris (W. N.

VAN DER HOUT, Van Slingelandtstraat 70. den Haag.

Ledenlijst.

Verhuisd:

M. STAVENGA naar St. Liduinestraat 43b, Schiedam.

Dit blad verschijnt den eersten en

derden Donderdag van iedere maand.

Jaarvergadering

op Zaterdag 25 en Zondag 26 Februari

in Café Riche, Korte Hoogstraat, Rotterdam.

Aanwezig waren de leden HANS, VAN DER HOUT, VOOGD,

ED. POLAK, SCHOTTING, CRAYÉ, G. POLAK DANIELS, RITTER,

ELOUT, G. VAN OVERBEEK, J. HULSMAN, JONGSMA, DE LANGE,

AKKERMAN, HULSTIJN, JET VAN STRIEN, DEKKING, PATTIST,

GEERLING, BLOK, HOEK, VAN DER ZEE, BLOMMENDAL, VAN

OOSTEN, C. SMITS, RUEMPOL, KOUWENAAR, TINBERGEN,

DE ROT, BOCHARDT, TERSTEEG, ROGGE, SCHOTEL, STAVENGA,

WALENKAMP, E. VAN RAALTE, VAN DIJKHUIZEN, H. N. SMITS,

Dr. VAN OVERBEEK, JONQUIÈRE, SCHRAVER, VAN MANEN,

KOOPS, N. D. KUIPER, RICARDO, VERDOES, VAN DIJL, EMMY

BELINLANTE, BERTHA VAN DEN ENDE, LOURENS, W. LANDRÉ,

H. SMITS, BRUSSE, VAN DE VIJVER, CANTER, SERRY, VAN

VOOKEN, BEUNDER, VAN DE POL, VAN BLANKENSTEIN, SWART,

LESTURGEON, STOLE, FULDAUER, LUIKINGA en de buitengewone

leden DE ZEEUW, A. VAN RAALTE en MORESCO.

(Sommigen hebben alleen de Zaterdag-, anderen alleen de

Zondagvergadering bijgewoond).

Vergadering van Zaterdagavond.

De Voorzitter, de heer D. Hans, heet de vergadering

welkom en spreekt, terwijl allen staan, een woord ter herdenking

van hen, die sinds de vorige vergadering aan de

journalistiek ontvielen: A. G. BOISSEVAIN, den directeurhoofdredacteur

van het Handelsblad, wien de Kring bijzonder

in zijne qualiteit van voorzitter der Directeurenvereeniging

erkentelijkheid schuldig is, waarvan spreker aan zijn graf

getuigenis heeft afgelegd, mej. E. J. VAN POMMEREN en

J. STUFKENS, de eenvoudige noeste Rotterdamsche werker, die

meer dan vijftig jaar ons vak gediend heeft in het anonym,

maar toch niet genoeg te waardeeren emplooi van verslaggever

en nieuws-brenger. Met groote getrouwheid heeft hij

jarenlang in Rotterdam dat werk gedaan, en daarmee het

publiek gediend. Voorts herinnert spr. aan de steeds toenemende

werkzaamheden van den Kring en den verblijdenden

groei van het ledenaantal, dat thans de 500 nadert.

Justitie, Politie en Pers.

De Voorzitter heet welkom mr. P. R. BLOK, ambtenaar

aan het departement van Justitie, wien de Minister van

Justitie opdracht gaf deze vergadering bij te wonen, waar het

onderwerp „Justitie, Politie en Pers" besproken zal worden.

Het woord was daarna aan den inleider, den heer L. Schotting.

Na een woord van erkentelijkheid te hebben geuit voor

het lofwaardig initiatief van den heer KLEEREKOPER, die de

bekende vragen aan den Minister van Justitie stelde, en met

waardeering te hebben gewaagd van het breede standpunt,

door minister HEEMSKERK ingenomen, gaf collega Schotting

een uitvoerig historisch overzicht. Hij zette voorop dat het

onderwerp: „De verstandhouding tusschen politie en pers" is

een zeer belangrijk onderdeel van het vraagstuk der verhouding

tusschen overheid en pers. Uit de persvervolgingen, waaraan

de Arnhemsche Courant omstreeks 1840—1850 bloot stond,

den aanhoudenden strijd tusschen de overheidsorganen en de

courantiers na de afschaffing van het dagbladzegel, en tal van

andere feiten, concludeerde hij dat de pers de positie, die

zij thans in de maatschappij inneemt, heeft moeten veroveren

en dat zij, terwille harer onafhankelijkheid, in de positie moet

blijven van het geweer bij den voet. Dat toonde, volgens hem,

het gebeurde bij de berechting der Papendrechtsche strafzaak

voor het Bossche Hof en de ongehoorde behandeling, vorig

jaar te Maarn een groot aantal vertegenwoordigers der binnenen

buitenlandsche pers door lagere overheidsdienaren aangedaan;

waarna hij, met verwijzing naar die feiten betoogde,

dat de pers moet volharden in haar welbewust, onafhankelijk


32 DE J O U R N A L I S T

optreden. Zulks in het belang der gemeenschap, die door een

onafhankelijke pers ten zeerste is gebaat.

Komende tot de feiten die de pers de laatste maanden

zoozeer op de tong hebben gebracht, achtte hij de houding

van den opsporingsambtenaar-hulpofficier van justitie inzake

het speuren naar de daders van den moord te Garderen te

Amsterdam, ten opzichte van de persvertegenwoordigers aldaar,

door dien wachtmeester der marechaussee het best zelve

gekarakteriseerd. Deze toch schreef in No. 10804 van het

Weekblad van het Recht in dezen zin: „Geef dien persmenschen

wat je kwijt wilt wezen en snoer hen voor het overige, met

een verbodsbepaling, den mond". Spreker deelde mee dat de

verslaggevers geen genoegen namen met de weinig beteekenende

mededeelingen, hun verstrekt. Doch zoodra er in die

zaak met de opsporingsambtenaren een afspraak werd gemaakt

over hetgeen al of niet zou worden gepubliceerd, hebben de

journalisten zich steeds aan die onbeschreven overeenkomst

gehouden. In het Weekbl. v. h. R. wordt dit door genoemden

hulp-officier onomwonden toegegeven.

Daarna kwam de treinmoord, op Oudejaarsavond gepleegd

en waarvan het publiek eerst kennis werd gegeven op den

2 en januari. De belangstelling was verbazend groot, het gevoel

van onveiligheid bij allen die geregeld tusschen de wielen

zitten, niet minder. De pers deed al het mogelijke om de

politie in haar door gebrek aan gegevens zoo ondankbaar

opsporingswerk ter zijde te staan, en van 2 tot 9 Januari

werden door de collega's tal van aanwijzingen gegeven in

de hoop, dat de dader zou worden opgespoord. Op den avond

van den o eu Januari verspreidde plotseling het Haagsche

Correspondentiebureau het bericht, dat de vermoedelijke dader

te Amsterdam was gearresteerd, dat de verpleegster hem

eerst op de haar vertoonde portretten, later bij de confrontatie

had herkend. De arrestatie was geschied op last

van justitie en politie te Haarlem. In hetzelfde bericht verluidde

dat de hoofdcommissaris van den Haag èn commissaris

Besseling uit de Residentie naar het oosten waren gereisd

op hetzelfde spoor, en onmiddellijk waren teruggekeerd, toen

die arrestatie te Amsterdam was gedaan. De positie was nu

aldus: de commissaris te Haarlem, een ervaren politieman

had, in overleg met den officier van justitie aldaar, op aanwijzing

van een burger, naar iemand doen zoeken. De gezochte

was er niet en bleek ook gedurende de laatste weken zijn ._

domicilie niet te hebben bezocht. De hoofdgetuige herkende

tot tweemalen toe, van het portret, den derden reiziger in

de moordcoupé. Eindelijk is ontdekt waar de gezochte dikwijls

kwam. De arrestatie volgde. En de officier van justitie Von

Löben Sels èn de politiecommissaris Tenkinck uit Haarlem,

waren er vast van overtuigd, den dader in handen te hebben.

Zij deelden dit ook aan de pers mee. De houding van den

verdachte werd bij het onderzoek dat, volgens onze nog

bestaande toestanden in het geheim wordt gevoerd, door den

officier en den commissaris, hunnerzijds ook alweer volkomen

te goeder trouw, in het nadeel van den beklaagde uitgelegd.

En van dat geheime onderzoek werd door den commissaris,

spr. herhaalt nogmaals wederom te goeder trouw, ten nadeele

van den arrestant een subjectief verslag uitgebracht aan de

vertegenwoordigers der pers.

„Was het te verwonderen, dat de persmenschen, op de

verzekering van een ervaren politieman als commissaris

Tenckinck, van een bekend speurder als hoofdcommissaris

Van 't Sant, van een in den opsporingsdienst geroutineerden

commissaris Besseling, eveneens aannamen dat op dien avond

van den o en Januari j.1. te Amsterdam, door de Haarlemsche

politie de juiste greep was gedaan?"

Laat men mij nu goed begrijpen, vervolgde spreker, ik

wensch het wroeten in het particuliere leven van een beklaagde

door de pers niet te verdedigen, of liever ik keur het af, wij

keuren het allen af en daarin zit juist het grootc correctief

voor dergelijke begane fouten.

„Maar dat dit gebeurde gebruikt wordt om gemaakte fouten

en tekortkomingen van de dienaren der overheid te schuiven

op den breeden rug der pers, daartegen moet ik opkomen

met alle kracht.

„Hebben wij, persmenschen, om een enkel voorbeeld te

noemen, het afkeuringswaardig stelsel uitgevonden en gehandhaafd

van het sollen met verdachten, óók, ja vóóral in het

eerste stadium eener zaak, binnen vier muren vèr van alle

openbaarheid? Wanneer het nieuwe Wetboek van Strafvordering

in werking is getreden, zal er in dit opzicht wel eenige

verbetering zijn te constateeren, doch naar verluidt, zal de

invoering nog wel vier of vijf jaren op zich laten wachten.

Die slechte toestand blijft dus, vooralsnog, bestendigd. Onze

collega DE JONG, jarenlang correspondent van het Hbld. te

Londen, heeft mij uitdrukkelijk verzekerd dat in Engeland

een beklaagde, op z'n laatst twaalf uren na zijne arrestatie,

in het openbaar voor den politierechter verschijnt. In het

openbaar — de pers is er dus bij — moet de openbare aanklager

de bezwaren te berde brengen, die tot de voorloopige aanhouding

hebben geleid. De politierechter, ook weder door de

openbaarheid der zitting werkende onder de controle dier

openbaarheid, maakt uit, of er termen zijn om den verdachte

langer te houden. Onmiddellijk worden zoodoende vervolgde

en vervolgers in de gelegenheid gesteld, in het openbaar

hunne getuigen voor te brengen.

Na dit, aan de hand van inlichtingen, hem door collega

Di-: foNG verschaft, nog nader te hebben uitgewerkt, verklaarde

spr. als zijn meening: „Wanneer door de bespreking dezer

zaak in onzen Kring, die leemte in de bescherming deiburgers

weer onder de aandacht van onzen wetgever wordt

gebracht en kon worden bereikt dat de nieuwe „Strafvordering"

zéér spoedig wordt ingevoerd, zal daarom alleen reeds de

organisatie der Nederlandsche journalisten het algemeen belangeen

grooten dienst hebben bewezen".

Doch als eindconclusies op de beschouwing, zijnerzijds

over de gebeurtenissen op politioneel gebied gegeven, kwam

spreker tot het volgende:

i°. In het geval der bekende Haarlemsche arrestatie hebben

onze verslaggevers, door beroepsijver gedreven, en op grond

van de hun te goeder trouw door de overheids-dienaren

verstrekte subjectieve mededeelingen, betreurenswaardige fouten

gemaakt;

2 0 . dat echter uit de behandeling in deze vergadering en

de ruiterlijke erkenning dier begane fouten blijkt, dat de

journalisten in de zelfcritiek van eigen kring voldoende

correctief vinden, om iets dergelijks in de toekomst te

voorkomen;

3». dat bovendien onze wetgeving de middelen aangeeft

die herhaling der door ons gewraakte handelingen kunnen

bestraffen;

4 0 . dat echter, zonder ons te onttrekken aan eigen verantwoordelijkheid,

dergelijke excessen toch voor een belangrijk

deel worden veroorzaakt door de weinig breede opvatting

die de politie-autoriteiten ten declc, de justitie in ha.a.r ganse he

eenheid, tegenover de pers huldigen.

De inleider wees daarna op het antwoord van minister

HEEMSKERK, op de vragen van den heer KLEEREKOPER gegeven,

was van oordeel dat Zijne Excellentie geen ijdele hoop

koesterde als zij de verwachting uitspreekt dat de pers

bereid zal zijn, haar vertrouwelijk gedane mededeelingen niet

te vermelden, en dat onze organisaties, in algemeenen zin, de

nakoming van aangegane verplichtingen kunnen waarborgen.

Spreker kwam er echter tegenop dat van eventueel, vrijwillig

gemaakte afspraken tusschen politie en pers, de justitie zou

worden uitgesloten. De minister acht zulk een overleg tusschen

de parketten en de pers vooralsnog niet noodig, doch uit een

uitvoerig schrijven van hoofdcommissaris MAKCÜSSE te Amsterdam,

aan spr. gezonden, blijkt zeer duidelijk, dat commissarissen

van politie, met een onderzoek belast, dikwijls dooide

over hen gestelde officieren van justitie wordt verboden,

inlichtingen aan de pers te verstrekken. Spreker acht daarom

contact tusschen justitie en pers hel meest en het allereerst noodig.

Toen de heer KLEEREKOPER in de Kamerzitting van 16 Lebr.

j.1. op de zaak terugkwam, zei dit Kamerlid, dat de pers

zich zou moeten verbinden tot samenwerking, „dat zij zich

voor hare inlichtingen wenden kon tot iedereen, behalve tot

andere politie-dienaren dan tot die, welke voor het verkeer

met haar zijn aangewezen". Op de vraag van den minister

of de pers gedwongen mag worden iets te verzwijgen,

antwoordde de heer KLEEREKOPER : „zeer stellig"!

„Terwijl de pers vrijelijk blijft speuren, wordt door de

mededeelingen van de autoriteiten geregistreerd, wat zij zal

publiceeren."

Minder „dwingend" was, volgens spreker, het schrijven

over deze quaestie, door hem ontvangen van den advocaatgeneraal

bij den Hoogen Raad. Wat de heer KLEEREKOPER

betoogde, zou, zei de inleider, feitelijk neerkomen op een

uitzonderingswet voor de pers, op de wedei invoering deiruim

een eeuw geleden afgeschafte preventieve censuur. Dat

achtte hij een belangrijken stap achterwaarts op het terrein

der reeds lang bevochten persvrijheid.

Na te hebben betoogd dat de verhouding tusschen de

politiecorpsen in de groote steden en de vertegenwoordigers

der pers, over het algemeen genomen, goed is te noemen,

wat hij aantoont door brieven, hem door de hoofdcommissarissen

van Amsterdam, den Haag, Rotterdam en Utrecht

gezonden, en er op te hebben gewezen dat eenige dezer

gezagdrageis den nadruk leggen op de wenschelijkheid van

contact met ervaren reporters, stipuleert spreker dat de


pers zich niet mag stellen onder de controle der overheid.

En zich ook niet mag binden in den geest als door den heer

Kr EEREKOPER geuit. Dit blijkt, volgens de brieven der hoofdcommissarissen,

ook niet noodig, wijl in de vier groote steden

een soort van vrijwillig aangegane overeenkomst tusschen

politie en verslaggevers bestaat die, op den grondslag van

wederzijdsch vertrouwen, kon worden uitgebouwd. Doch

nergens bestaat zoo iets met de justitie.

Daarom dient, volgens hem, allereerst aan de parketten te

worden duidelijk gemaakt, dat ieder vrijwillig tot stand

gebrachte regeling tusschen politie en pers, moet stranden

wanneer daar, op de parketten, in de afzijdige houding ten

opzichte van de pers wordt volhard.

De persvereenigingen in de verschillende plaatsen, zijn tot

overleg met justitieele en politioneele autoriteiten bereid, zij

zullen 0 er ook ernstig naar streven, gemaakte afspraken door

de collega's te doen naleven. De betrokken autoriteiten kunnen

gerustehjk de proef nemen met het volledig „openen van

/eiken

Spr. concludeert tenslotte: Geen preventieve censuur. Geen

bijzonderen band voor de pers, als zijnde dit in strijd met

het algemeen belang, dat door een onafhankelijke pers wordt

o-edieud Doch het in goed vertrouwen, wederzijds naleven

van de afspraken, door justitie en politie, in het belang derpublieke

veiligheid, gemaakt.

De Voorzitter spreekt een enkel woord namens het Bestuur.

De treinmoord is actueel geworden door de houding van

een deel der pers. De bladen zijn, ook naar onze overtuiging,

vóór een deel te ver gegaan. Ook in onze plaatselijke vereenigingen

is daarop gewezen. Dit bevestigt, dat wij in ons

eigen midden de moreele middelen bezitten om het kwaad

der overdrijving tegen te gaan. . ,• , •

De pers beschikt niet overal over goede inlichtingen bij

justitie en politie. Ware dat zoo, dan zouden vele fouten

niet gemaakt zijn. Gebrek aan de mogelijkheid tot informaties

leidt tot sensatie. Daarom is soberheid bij deze materie eisch. ,

Hoe dit zij, de vrijheid van de pers mag niet aan banden

worden gelegd. Er zijn collega's, die een regeling a priori

ongewenscht oordeelen. Alleen reeds uit hoffelijkheid echter

dienen wij met den Minister overleg te plegen. Die zelf in

de volksvertegenwoordiging de zaak niet verder wilde behandelen,

wijl hij met ons van gedachten wilde wisselen.

Moet er dan door ons een concessie gedaan? Daarop gaat

spreker thans niet in. Hij zelf is overtuigd, dat de Minister

bereid is tot bespreking, al geven wij mets van onze meening

prijs.

Het Bestuur is van oordeel, dat het tot den Minister

moet gaan, zonder dat ons de handen gebonden zijn. De

algemeene vergadering moet zich thans niet in details begeven.

Alleen dit voorbehoud maken wij, dat de onafhankelijkheid

van de pers intact moet blijven. Dit standpunt heeft het

Bestuur neergelegd in de volgende motie:

De algemeene vergadering van den Nederlandschen

Journalisten- Kring,

kennis genomen hebbend van een ingekomen schrijven

van Zijne Excellentie den Minister van Justitie betreffende

de mogelijkheid van een regeling van het contact tusschen

justitieele en politioneele autoriteiten eenerzijds en de

vertegenwoordigers der pers anderzijds,

constateerend, dat ook naar het oordeel van den

minister aan de practische doorvoering van dat denkbeeld

groote bezwaren verbonden zijn,

verklaart zich nochtans bereid over de mogelijkheid

ervan te onderhandelen, mits bij zulk een regeling de

pers haar onafhankelijkheid behoude,

noodigt het bestuur uit op dezen grondslag met den

Minister van Justitie overleg te plegen en het resultaat

daarvan nader aan de algemeene ledenvergadering ter

goedkeuring voor te leggen.

Debat.

De heer Elout constateert, dat zijn verslaggevers-ervaringen

op het gebied der crimineele reportage al eenige jaren oud zijn.

Toch lijken zijn herinneringen veel op de ervaringen van de

huidige verslaggevers, al schijnt er verbetering te zijn. De

modus procedendi tusschen beide factoren schijnt vrijwel

eender gebleven.

Justitie en pers dienen beiden een algemeen belang. Wij

zijn u;eneigd onze wijze van zien van het algemeen belang

te veel voorop te stellen. Spr. gelooft niet, dat er penculum

in mora is. Justitie en politie dienen een zeer speciaal algemeen

belang: opsporing van misdaad en verkeerdheden. De

pers dient het algemeen belang in veel uitgebreider zin.

DE J O U R N A L I S T 33

Bij vergelijking van specialiteit en generaliteit in de journalistiek

is het gezag der specialiteit grooter (dan dat van de

generaliteit) op "haar terrein. Buiten dat speciale terrein heeft

hij niet meer gezag dan eenig ander collega op de courant.

Zoo gaat het mutatis mutandis ook bij de pers en justitie.

Daarom moet de pers zich specifieke reserves opleggen jegens

de justitie.

Spr. herinnert aan den Nederlandschen Landru van voor

25 jaar, De Jongh, die in het Gooi opereerde. Toen gaf

Batelt veel beter berichten aan het N. v. d. D. dan aan

A/g. Hbl. en N. R. Ct. De verslaggevers der laatsten gingen

toen met de „lageren" werken. Dat was mis, want daardoor

kon het onderzoek geschaad worden. Ook gingen zij er zelf

op uit, óf zij bespionneerden Batelt, en zetten zijn daden m

de courant. Dat was ontegenzeggelijk fout.

Men moet tweeërlei onderscheiden : het zelfstandig speuren

en het volgen van de daden der polite. Het eerste kan

weinig gevaar meebrengen, maar wat het laatste betreft

moeten wij ons beperking opleggen, voor zoover ten minste

de houding der justitie en politie ons dat mogelijk maakt.

Dan moet het algemeen belang der pers wijken.

Ook vroeger was de politie meer toeschietelijk dan de

justitie. Het parket stond ten hoogste den verslaggever te

woord, maar gaf nooit eenige inlichting.

Dus: Reserve der pers is noodig ten opzichte der pohtiebewegingen.

Maar als onmisbaar complement behoort daarbij

inlichting der pers.

De vrijheid, aan alle politieambtenaren alles te vragen, moet

niet geëischt worden, maar er moet niet een speciaal mannetje

gesteld worden tusschen ons en tusschen de autoriteiten.

Wij moeten de menschen zélf kunnen vragen: in regeeringszaken

de ministers, in crimineele aangelegenheden de commissarissen

van politie en de hoofden der parketten.

De heer O. van Overbeek is van oordeel, dat de vraag

waarvan wij voor alles rekenschap hebben te geven deze is:

„Moet overheidsvoorlichting der pers als een goedgunstige

welwillendheid, dan wel als een eenvoudige overheidsplicht

worden beschouwd?"

Collega TERSTKEG heeft in zijn uitnemend prae-advies voor

ons Congres deze vraag aldus beantwoord: „Voorlichting der

pers is overheidsplicht!"

Dit is ook het standpunt, van waaruit wij het ons aangeboden

overleg moeten bezien. Spr. maakt er zich echter

niet de minste illusie van, dat deze zienswijze zelfs maar m

zeer bescheiden mate door de overheid gedeeld zou worden.

En dit is van haar standpunt gezien zeer begrijpelijk. De

overheid kan nu eenmaal niet anders dan in de pers een

lastige dwarskijkster zien. Zelfs wanneer zij de kranten van

noode heeft zal zij niet dan met eenigen tegenzin van hun

diensten gebruik maken. Door den aard van haar wezen neemt

de pers nu eenmaal een critische positie tegenover de overheid

m en het spreekt vanzelf, dat criticus en becritiseerde met

als gezworen kameraden met elkaar kunnen omgaan. De

becritiseerde zal steeds de vrees in zich blijven omdragen

door al te groote openhartigheid aan haar criticus stof te

zullen leveren voor nieuwe critiek.

Een huwelijk tusschen overheid en pers zal dus altijd een

manage de raison moeten zijn.

Wat de justitioneele en politioneele autoriteiten betreft, wordt

een regulariseering hunner betrekkingen tot de pers nog extra

bemoeilijkt door de omstandigheid, dat deze tak van overheid

nu juist niet als de meest geavanceerde valt aan te merken.

De meeste verslaggevers zullen dit wel toestemmen. Een

erkenning van de waarheid der stelling, dat voorlichting deipers

overheidsplicht is zal men daar zeker te vergeefs zoeken.

Spr. herinnert er aan dat bij de uitspraak inzake Broekhuis

de President van het Hof zoo onverstaanbaar las, dat niemand

precies wist hoe of wat. Spr. wil niet aannemen dat dit

opzettelijk was wegens de aanwezigheid van veel verslaggevers.

Maar het is een bewijs van de absolute geringschatting voor

ons werk.

Bij rechtbank en Hof in den Haag bestaat er ook geen

gelegenheid voor journalisten om wat te schrijven buiten de

rechtzaal. Zij moeten hun kleeren ophangen bij de veldwachters,

die daarover aanmerkingen maken. Moeten in den gang staan

wachten tot het den president belieft hen toe te laten.

Zulke ervarinkjes versterken den indruk, dat tal van

autoriteiten nog niet het a-b-c van de roeping der pers

begrijpen. . .

Is daarom het overleg met den Minister van Justitie bij

voorbaat tot mislukking gedoemd? Geenszins! Het kan zelfs

tot zeer gunstige resultaten leiden. Minister HEEMSKERK moet

er echter" in de eerste plaats van doordrongen worden, dat

op het oogenblik nog alles aan de voorlichting van de pers


34 DE JOURNALIST

ontbreekt en dat indien er van onzen kant fouten zijn begaan,

die voor een voornaam deel voortspruiten uit een misverstaan

van de taak der pers door de overheid zelf. Welke concessies

hebben wij te 'stellen tegen door den minister eventueel te

geven aanwijzingen voor overleg met de pers?

De waarborg, dat wanneer de justitioneele en politioneele

autoriteiten de journalisten met een zekere openhartigheid zullen

gaan bejegenen, deze voldoende begrip van hun taak in de

samenleving, voldoende gevoel van verantwoordelijkheid en

voldoend fatsoen zullen toonen, om daarvan geen misbruik

te maken. Eindende regelen daarvoor kunnen wij niet stellen,

ook al omdat deze practisch met doorvoerbaar zijn. Mogelijk

ware het wellicht om, evenals dit bij de advocaten het geval

is, een raad van toezicht in het leven te roepen, die in

bepaalde gevallen van onbehoorlijke publicaties tusschenbeide

zou kunnen treden.

Spr. raadt ten slotte aan een kleine commissie van advies

in het leven te roepen, waarmede de voorzitter in de verschillende

stadia van het overleg met den minister voeling kan

houden. In deze commissie zouden de verschillende stroomingen,

die zich bij dit debat openbaren, vertegenwoordiging

kunnen vinden.

De heer Canter gelooft, dat de verhouding in Rotterdam

zoo goed is, dat de minister wat die stad betreft, zich geen

moeite had behoeven te geven voor deze materie.

Overigens is deze Minister van Justitie de eerste Minister

van justitie die zijn plicht doet. (Vreugde.)

Maar waar steekt het kwaad eigenlijk? Als de directeuren

gezamenlijk fatsoenlijk worden, dan kunnen de hoofdredacteuren

ook fatsoenlijk worden en dan behoeven de overige

journalisten de sensatiezucht niet te onderhouden. Die sensatiezucht

is al heel oud. In Genesis IA' staat al van den moord

van den heer K. op den heer A.

Fatsoenlijke journalisten moeten niet gedwongen kunnen

worden door hun directeuren om sensationeele dingen uit

te buiten.

De Voorzitter zegt, onder instemming der vergadering,

dat een verkeerde invloed der directies, als de heer CANTER

hier bespreekt, bij zoo goed als alle Nederlandsche dagbladen

niet bestaat. .

De heer Kouwenaar gelooft niet, dat hij na de uitstekende

inleiding vart collega SCHUTTING veel behoeft te zeggen. De

Amsterdamsche Pers kan zich volkomen met het door hem

uiteengezette vereenigen. ...

De kwestie van de verhouding van de justitie en de Politie

eenerzijds, en de Pers anderzijds heeft twee zijden, een

algemeen maatschappelijke en een bijzonder-journalistieke.

De pers heeft een geheel eigen taak, een geheel eigen

functie te verrichten. In het algemeen belang, onafhankelijk

van iedere andere macht, hetzij die Regeering of Volksvertegenwoordiging

heet, justitie of Politie, .of hoe dan ook.

Om die taak ten voile te kunnen uitvoeren is het raoodig,

dat ze volkomen bewegingsvrijheid heeft, gelijk ze ook vrijelijk

moet kunnen kennis-nemen van alles wat de publieke zaak

betreft. De pers is een inlichtende, voorlichtende en controleerende

macht in de Maatschappij en vertegenwoordigt daarbij

de publieke opinie.

Intusschen blijft Voorzichtigheid geboden. Want het is er

nog verre vandaan dat alle autoriteiten erkennen het recht

en den plicht van de Pers als onafhankelijk, informeerend,

en ook critiseerend orgaan alsmede het groote maatschappelijk

nut van de openbaarheid door middel van de P.ers; in de

eerste,plaats de Justitie zelf. De verslaggevers te Amsterdam

worden b.v. niet eens door den Officier van Justitie ontvangen,

als ze een enkele maal trachten, van hem inlichtingen te

krijgen, en eenzelfde houding nemen op zijn instigatie de

substituten aan. En dit is niet een speciaal Amsterdamsen,

maar een algemeen verschijnsel. Verbetering daarin zal de

nu door den Minister van- justitie voorgestelde regeling, als

ze onveranderd wordt aangenomen, niet bieden, . >vant ze

betreft alleen de Politie en niet de Justitie. Zelfs heeft de

Minister in zijn antwoord aan den heer K LEEREKOPER op

diens bekende vragen een regeling van de verhouding tusschen

de Parketten en de Pers bepaald uitgesloten. Toch ligt hier,

in die afwijzende houding van de Justitie tegenover de Pers,

— spr. is dit volkomen met den inleider eens, — een der

voornaamste oorzaken van de misbruiken, de ongewenschte

publicaties in de Pers, gelijk onlangs bij gelegenheid van den

bekenden moord, gesignaleerd zijn. Men moet ons kennen

en erkennen; ons zooveel mogelijk op de hoogte stellen van

alle bijzonderheden van een misdaad en van het justitieel

en politioneel onderzoek en daarbij dan mededeelen, waarom

het niet gewenscht is, dat in bepaalde zaken sommige bijzonderheden

bekend worden. Ik moet nog den eersten journalist

ontmoeten, die daartoe niet zou willen medewerken en ontken

het voorkomen van een apachenpolitiek, de afdreiging van

opsporingsnieuws door de Pers, onder het motto, „spreek of

ik lieg", gelijk dezer dagen de Po.litie.gids vermeld heeft.

Een dergelijk journalist zou zeker getroffen worden door de

verachting van zijn collega's en zou zijn gerechte straf, langs

organisatorischen weg zeker niet ontkomen. Zoo zijn onze

manieren niet, zeker niet van de Nederlandsche Pers en het

is een dwaasheid om in dit opzicht iets te willen genéraliseeren.

Dat weet ieder, maar ik mag mij ten overvloede

toch wel beroepen op het oordeel van een man als Minister

VAN KARNEBEEK, die in zijn antwoord op het over de

Begrooting van Buitenlandsche Zaken, toen wederom geklaagd

werd over de weinige neiging tot openbaarheid in het beleid

des Ministers o.a. zeide: „wat overigens het gehalte van de

berichtgeving der Ned. pers betreft, ondergeteekende gelooft,

dat het Nederlandsche publiek meer redenen heeft tot voldoening

dan tot beklag, wanneer men ten deze met buitenlandsche

toestanden een vergelijking maakt." Ziehier tevens

een voorbeeld van een klacht over weinige mededeelzaamheid

van den kant der Regeering, een voorbeeld, dat ongetwijfeld

door meerdere zou kunnen worden gevolgd. Alleen reeds het

bestaan van de zoogenaamde publiciteitscommissie, die tot

taak heeft, de publiciteitsbelangen bij de regeering te behartigen,

wijst daarop.

Ook uit zijn ervaring als Amsterdamsch journalist heeft

spr. van die lichtschuwheid van de autoriteiten, eeriige

kenmerkende voorbeelden kunnen aanhalen.

Aangezien nog verschillende leden het woord wenschten,

werd op voorstel van den Voorzitter de verdere behandeling

tot later verdaagd.

Vergadering van Zondag.

Te ii uur opent de Voorzitter de vergadering. Hij herinnert

er aan dat gisteren een schrijven is ingekomen van

den heer P. A. HAAXMAN, waarin deze min of meer afscheid

neemt van den Kring, aangezien hij zich uit de journalistiek

terugtrekt. HAAXMAN heeft meer dan een halve eeuw ons

vak'gediend en op een wijze die ons aller lof verdient. Zijn

journalistieke werk stond altijd op hoog peil. Als collega was

hij algemeen gezien en in onzen Kring was hij een trouwe

bezoeker onzer vergaderingen. Aan het leven van den Kring

heeft hij in vroeger jaren een werkzaam aandeel genomen,

o. a. in de ojmchting van het Ondersteuningsfonds.

Het Bestuur meent dat de verdiensten van den heer

HAAXMAN verdienen gehuldigd te worden en het stelt daarom

voor den heer P. A. Haaxman te benoemen tot eerelid van

den Kring. (Langdurig applaus).

De heer Canter juicht het voorstel zeer toe en zegt aan

den heer HAAXMAN een bijzonder aangename herinneiing

te bewaren toen hij aan de N. Crt. werkzaam was. Hij dankte

het Bestuur voor dit gelukkige voorstel.

De Voorzitter stelt voor den heer HAAXMAN telegrafisch

van zijn_benoeming tot eerelid in kennis te stellen. {Applaus).

De Secretaris doet voorlezing van een brief van de Gron.

Journ. Ver. aldus luidende:

„De G. j. V. heeft de kwestie Justitie, Politie en Pers

besproken. Zij is van meening, dat een betere regeling

betreffende de berichten-voorziening moet worden toegejuicht;

dat zij bovenal overleg wenscht tusschen justitie en politieautoriteiten

en de plaatselijke persvereenigingen. Vooral met

de Rijkspolitie dient h. i. een regeling getroffen te worden."

Jaarverslag Penningmeester.

De heer Swart brengt rapport uit namens de financieele

commissie die de boeken en bescheiden van den Penningmeester

heeft nagezien. De Commissie vond de boekhouding

in volkomen orde en stelt mitsdien voor den Penningmeester

te dechargecren voor het beheer.

Intusschen kan de Commissie niet nalaten er op te wijzen

dat tal van leden hun contributie over 1921 nog niet betaalden

en dat zelfs een 90-tal leden niet opgaven in welke klasse zij

behooren te worden aangeslagen. In totaal is er een achterstand

in betaling van ± f 1700.—. (Teekenen van afkeuring.)

De heer Voogd geeft nog eenige inlichtingen over deze

achterstalligheid, die aan nonchalance van de heeren is te

wijten. Hij acht het ook noodig dat krasser maatregelen

worden genomen.

De heer Swart vraagt hoe het komt, dat f 2022 voor

De Journalist is uitgegeven terwijl toch slechts f 1750 is

toegestaan.

De Voorzitter wijst er op dat de posten van de opbrengst

der advertenties en van het Orgaanfonds boven het bedrag

\an f 1750 komen en dat vports het drukken van deleden-


lijst, die niet tot het Orgaan behoort, op de rekening daarvan

is geplaatst.

De heer Akkerman dringt er op aan om aan hen, die

hun contributie in termijnen voldoen, bij den eersten termijn

het lidmaatschapbewijs te verstrekken.

Dit zal worden overwogen.

Het verslag wordt goedgekeurd en de penningmeester

wordt gedechargeerd.

Tot leden der fmancieele commissie voor 1922 worden

benoemd de heeren J. LOURENS, H. SMITS en S. BRUYSTEN.

Verkiezing Bestuursleden en Commissieleden.

De beide aftredende Bestuursleden, de heeren C. A. CRAYÉ

en G. POLAK DANIELS, worden met groote meerderheid herkozen.

De aftredende leden van de Commissie van Advies, Mej.

|ET VAN STRIEN en de heer P. DERJEU, worden eveneens met

bijna algemeene stemmen herkozen.

Toetreding Int. Persunie.

Aan de orde is de herstemming over het 4 e vraagpunt

betreffende de toetreding van den Kring tot de Internationale

Persunie.

De heer Canter vraagt heropening der discussie en dient

daartoe een voorstel in.

De Voorzitter ontraadde de heropening. De kwestie is

grondig behandeld.

Het voorstel CANTER wordt verworpen met 37 tegen 8

stemmen.

Thans komt in stemming de tweede helft van het vraagpunt,

overeenstemmende met het oorspronkelijke voorstel van

het Bestuur (alleen dan toetreden als alle landen worden

toegelaten).

Dit wordt aangenomen met 36 tegen 9 stemmen.

Jaarverslag Secretaris.

De heer Schotel wijst er op, dat in de Commissie tot

voorbereiding eener Statuten-herziening als lid is opgegeven

de heer VAN DER HOUT in plaats van een Arnhemmer. Hij

meent dat dit niet juist is en vraagt wie den heer VAN DER

HOUT benoemde.

De heer Koops vraagt hoe het staat met den arbeid der

Statuten-commissie.

Collega Luikinga bespreekt de verhouding tusschen

regeering en pers ten aanzien van het buitenlandsch beleid.

Met den waardeerenden en optimistischen toon, waarop in

het jaarverslag over de Publiciteits-commissie wordt gesproken,

kan hij zich in het geheel niet vereenigen. Wordt in de

Publiciteits-commissie wel eens overleg gevoerd omtrent

stappen, die moeten worden gedaan, of geschieden de weinige

stappen, die in naam door de Publiciteits-commissie worden

gedaan, eenvoudig door haar voorzitter, den Kring-president?

Spr. is geneigd, liet laatste te veronderstellen. Hij acht het

werk der Publiciteits-commissie van uiterst geringe beteekenis

en geenszins wettigend de wijze waarop het is besproken in

het jaarverslag, waarin o.a. te lezen staat: „Het bestaan der

commissie zelf is reeds van beteekenis". Ken zoodanige

opmerking maakt een lichtelijk humoristischen indruk. Een

andere belichaming van het contact tusschen regeering en

pers, ten aanzien van het buitenlandsch beleid waren de

conferenties met journalisten, die vroeger ten departemente

van Buitenlandsche Zaken werden gehouden. Spr. heeft voor

zijn journalistieke werk van deze conferenties veel nut gehad.

Meermalen werden hem daar waardevolle gegevens verstrekt,

welke, indien publicatie ervan al niet veroorloofd was, hem

in staat stelden, zich een oordeel over de desbetreffende

kwestie te vormen met inachtneming van de verschillende

daarbij in aanmerking komende factoren. Het mag worden

bekend geacht, dat de Kringvoorzitter met dergelijke conferenties

niet sympathiseert. Wat is daarvan de reden? In

de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer inzake de

begrooting van Buitenlandsche Zaken schrijft de minister:

„Het belang overigens van de leiding der pers ziet de

ondergeteekende niet voorbij, maar men vergete niet, dat

zulk een bemoeiing, tot stelsel verheven, tot een verhouding

kan leiden, die met het oog op het karakter en de onafhankelijkheid

der pers, niet steeds als de beste zou zijn te

beschouwen". De redacteur van De Journalist, tevens Kringvoorzitter,

het bovenstaande in het orgaan citeerende, haast

zich daarbij aan te teekenen: „Wij onderschrijven zonder

eenig voorbehoud zijn ('s ministers) opmerking, dat een

verhouding tusschen Pers en Departement, die een gevaar

zou kunnen zijn of worden voor „het karakter en de onafhankelijkheid

der pers ongewenscht is". Zeker, ook spr.

DE JOURNALIST 35

onderschrijft dit, maar hij ontkent, dat persconferenties een

dergelijk gevaar zouden scheppen, terwijl hij toch meent, dat

het de vrees voor dat gevaar is, hetwelk den Kringvoorzitter

ertoe brengt, met antipathie tegenover het instituut deipersconferenties

te staan. Spr. acht de vrees van den voorzitter

geen compliment voor het karakter en de onafhankelijkheid

der pers. Spr. heeft zoodanige ervaringen op de persconferenties

nimmer gehad. De in de persconferenties gehouden beschouwingen

aanvaardde spr. steeds onder de reserve van zijn

critiek; de aldaar verstrekte mededeelingen waren herhaaldelijk

waardevol journalistiek materiaal. Spr. zou het ten levendigste,

betreuren, indien door de antipathie van den Kringvoorzitter

jegens de persconferenties een eind aan dat instituut ware

gemaakt.

Hij hoopt in het belang eener voldoende voorlichting van de

journalisten inzake het buitenlandsch beleid, dat van de zijde

van den Kring stappen zullen worden gedaan, waardoor bereikt

worde, dat persconferenties ten departemente van Buitenlandsche

Zaken, wanneer daartoe aanleiding bestaat, zullen

worden gehouden.

De heer Van Blankenstein zet ook zijnerzijds het nut

van persconferenties uiteen, er op wijzend dat de pers zoodoende

goede voorlichting geniet om op de hoogte van

verschillende zaken te komen. Hij deelt mede hoe de practijk

van zulke conferenties zich in het buitenland heeft ontwikkeld.

De Voorzitter beantwoordt de sprekers. Alvorens dat te

doen, wenscht hij er echter op te wijzen, dat het Bestuur

nog altijd niet de zoo noodzakelijke medewerking van de

leden ondervindt. Hedenmorgen is gebleken, dat een bedrag

van f 1700 aan contributies over 1921 onbetaald is gebleven.

Thans moet hij hieraan toevoegen dat van de 470 gewone

leden nog steeds 330 hun salaris-contributie-formulier niet

hebben teruggezonden.

De heer Van Manen: Schande.

De Voorzitter acht voor die interruptie alleszins reden

aanwezig. Hoe wil men dat het Bestuur zoodoende goed zijn

werk zal blijven doen?

Komende tot het debat, deelt spr. aan den heer SCHOTEL

mede, dat hij zijnerzijds geen nieuw lid in de Reorganisatiecommissie

heeft benoemd, doch van oordeel was, dat, nu het

Arnhemsche lid uitviel, daardoor automatisch een Haagsch

lid in de plaats zou komen. En volgens hem was dit lid de

Kringsecretaris, plaatsvervanger van den voorzitter. Het

Rapport der commissie kan binnenkort worden tegemoetgezien.

Thans de Publiciteits-commissie en de persconferenties.

Onjuist is, wat collega LUIKINGA zeide, dat het bestaan der

commissie van weinig beteekenis is. De commissie is een

door de Regeering officieel erkend instituut, dat ten allen

tijde kan optreden. Is dit zonder beteekenis? Alleen zal men

de gelegenheden om op te treden niet moeten zoeken of

foreeeren. Dat is onnoodig. Ten aanzien van de persconferenties

van Buitenlandsche zaken heeft de heer LUIKINGA niet onderscheiden

tusschen spr. persoonlijke opvatting en zijn houding

als Kringvoorzitter. In laatstgenoemde functie heeft hij nooit

iets gedaan om de conferenties tegen te werken. Integendeel.

Nog zeer onlangs, dadelijk na 's ministers terugkomst uit

Washington, heeft hij zich bij den minister vervoegd met

verzoek om voorlichting van de'pers, maar de minister stelde

zich op het standpunt, dat de conferentie eerst geëindigd

diende te zijn en onmiddellijk daarop is toen 's ministers

uitvoerige rede in de Kamer gevolgd. Als voorzitter heeft

spr. meermalen tot zulk een conferentie meegewerkt. Maar

persoonlijk heeft hij zich tot geestdrift er voor zelden kunnen

opwerken. Waarom? Omdat al die conferenties van begin tot

eind vertrouwelijk waren. Maar vooral, omdat naast die

conferenties iedere goede gelegenheid om aan het Departement

openbare informatie te krijgen, ontbrak. Spr. zet dit nader

uiteen, er bij herhaling op wijzend, dat hij zich als Kringvoorzitter

nooit tegen de conferenties heeft gesteld. Hij geeft

echter toe, dat 's ministers beleid zich — naar ook in vele

bladen is opgemerkt — heeft gewijzigd, dat hij ook in het

buitenland herhaaldelijk contact met de pers heeft gezocht,

dat de minister in den laatsten tijd veel uitvoeriger mededeelingen

in het openbaar doet dan vroeger, en daarom

deelt spr. mede^ dat hij met het oog op dit alles bereid is

zijn meening inzake de conferenties te herzien.

De heer Schotting zet zijnerzijds enkele bezwaren tegen

de conferenties uiteen, de heer Polak Daniels verdedigt ze,

de heeren Kouwenaar en Schotel blijven bezwaar maken

tegen de aanwijzing van den heer VAN DER HOUT als lid

der Reorganisatie-commissie, waarop de heer Van der Hout

nog eens uiteenzet, dat die aanwijzing was overeenkomstig

het genomen besluit. Als Arnhem bedankte, zou een Hagenaar

invallen.


36 DE JOURNALIST

De beer Ltlikinga merkt op, dat 's voorzitters antwoord

op wat omtrent de persconferenties is verklaard, geen conclussie

bevatte.

De Voorzitter: Die zult u dadelijk vernemen.

Collega Luikinga: U laat ze blijkbaar afhangen van wal

in tweeden termijn wordt te berde gebracht. Spr. heeft een

motie opgesteld, die hij echter thans, in afwachting van

's voorzitters conclusie, nog niet zal indienen, maar waarin

het Kringbestuur wordt uitgenoodigd, een commissie samen

te stelien, die zal hebben te onderzoeken, op welke wijze de

verhouding tusschen pers en departement van Buitenlandsche

Zaken, in het belang cener voldoende voorlichting van de

journalisten inzake het buitenlandsche beleid, met name door

het houden van persconferenties, het beste kan worden geregeld.

De bedoeling is, dat van een dergelijke commissie deel zouden

uitmaken journalisten als collega VAN BLANKENSTEIN, die dooide

rede, welke hij heeft gehouden, heeft doen blijken, een

groote kennis van en ervaring inzake de betrokken materie

te bezitten.

De heer Van Blankenstein dient ook zijnerzijds van

antwooid en stelt nogmaals de Amerikaansche practijk in het

licht. Hij zou wenschen dat de Minister van Buitenlandsche

Zaken persconferenties hield, waarop elke bona-fide journalist

zou kunnen verschijnen. Nogmaals betoogt hij, dat zulke'

bijeenkomsten van groot nut kunnen zijn voor de persoonlijke

voorlichting van den journalist.

De Voorzitter stelt opnieuw in het licht, ten eerste: dat

hij als leider van den Kring of van de Publiciteits-commissie

nooit zijn persoonlijke opvatting heeft doen overheerschen,

maar steeds voor oogen heeft gehouden, dat vele collega's de

conferenties toejuichen, en ten tweede: dat zijn weinige

sympathie er voor onmiddellijk verband hield met het ontbreken

van een goeden openbaren informatie-dienst. Hij herhaalt echter

wat hij in eersten termijn heeft gezegd: dat ook naar zijn

overtuiging het' element van openbaarheid in 's ministers

beleid sterker wordt. Hij verklaart zich bereid tot hervatting

der conferenties mede te werken. Intusschen heeft hij tegen

de door den heer LUIKINGA in overweging gegeven benoeming

eener speciale commissie ernstig bezwaar. Er bestaat een

commissie: de Publiciteits-commissie. Iets nieuws is hiernaast

niet noodig. Een nieuwe commissie zou een votum van

wantrouwen zijn tegenover de bestaande, en daarvoor is niet

de allerminste rede. De voorzitter verklaarde dan ook bereid

te zijn zich, namens deze commissie, tot den Minister van

Buitenlandsche Zaken te wenden, teneinde de zaak nader tebespreken.

Het resultaat daarvan zal hij dan mededeelen.

De heer Luikinga zegt, dat, nu de voorzitter zijn conclusie

heeft medegedeeld, wellicht een brug kan worden gebouwd,

waarop de partijen, die in deze vergadering aan het woord

zijn geweest, tot elkander kunnen geraken. Spr. kan er zich

bij neerleggen, dat een regeling van het contact tusschen pers

en departement geschiedt door de Publiciteits-commissie, maar

laat de voorzitter dan namens deze commissie de concessie

doen, te verklaren, dat zij het recht zal hebben, zich andere

leden te assumeeren. Spr. zal die verklaring dan opvatten

in dezen zin, dat hij meent te mogen vertrouwen, dat de

commissie dat recht van assumtie zal gebruiken, waarbij spr.

met name aan collega VAN'BLANKENSTEIN denkt. Hij'zal dan

geen motie voorstellen.

De Voorzitter zal de kwestie in de Publiciteits-commissie

tot een punt van bespreking maken.

Hierna wordt gepauseerd.

De Journalist.

In de middagvergadering kwam aan de orde punt 8 deiagenda,

luidende:

Voorstel van het Bestuur tot wijziging van het huishoudelijk

Reglement en wel:

i e het eerste lid van art. 37 te lezen: „Elk lid van den

Kring heeft het recht in het orgaan te schrijven omtrent

zaken in verband staande tot de pers in het algemeen

en tot den Kring in het bijzonder, mits de belangen van

den Kring daardoor niet worden geschaad";

2 e in art. 38, eerste lid, in plaats van „de Commissie

van Advies, die", te lezen „het Bestuur, dat", en in het

tweede lid in plaats van „de Commissie" te lezen „het

Bestuur", en in plaats van „der Commissie" te lezen

„van het Bestuur".

3 e in art. 76 te schrappen het punt 5 e ;

4 e in art. 77 te schrappen de woorden „en 5 e ,"

De heer Kuiper heeft tegen de verandering van het

beroep ernstig bezwaar, doch stelt voor aan art. 38 als nieuwe

bepaling toe te voegen, dat wanneer het Bestuur over een

beroep te beslissen krijgt, de redacteur (ev. plv. redacteur)

zich van stemming zal onthouden.

De heer Schotel acht het, evenmin als de heer KUIPER

ondenkbaar, dat de redacteur, indien het Bestuur het beroep

heeft op geweigerde stukken, als eigen rechter zal moeten

fungeeren. Hij pleit voor de handhaving van den bestaanden

toestand. Verder vraagt spr. waarom de bespreking van het

beleid van den redacteur niet op de agenda is geplaatst.

De Voorzitter doet uitkomen dat de vraag of het beroep

op geweigerde stukken door het Bestuur dan wel door de

Commissie van Advies moet worden behandeld, geen vraag

is van principe. Het Bestuur heeft geen bezwaar tegen overneming

van het amendement-Kuii-ER. Spreker heeft zich

voorgesteld, dat, waar de redacteur wordt gekozen uit het Bestuur

en het reglement thans wordt aangevuld met eene bepaling,

dat de redacteur het recht heeft artikelen te weigeren met

het oog op het Kringbelang, het beroep ook bij het Bestuur

moet zijn. Hierin heeft spr. de consequentie gezien van het

bestaande redactie-systeem. Wat de bespreking van het beleid

van den redacteur betreft, zegt spr. toe, deze aangelegenheid

het volgend jaar in dien vorm op de agenda te plaatsen.

Bespreking is echter steeds mogelijk bij de benoeming.

De heer Van de Pol stelt de vraag of de Kringleden,

indien zij een bepaalde soort van journalistiek willen bespreken,

het recht hebben in het orgaan dergelijke beschouwingen te

plaatsen.

De Voorzitter beantwoordt die vraag bevestigend, maar

merkt op, dat het afhangt van de manier waarop dergelijke

beschouwingen worden gehouden.

De heer Van Overbeek verzet zich tegen het bestuursvoorstel.

Ook de heer Koops, die zijn leedwezen erover betuigt,

dat zijn geschrijf tot al deze moeilijkheden aanleiding heeft

gegeven, acht het onnoodig dat de rechten van de Kringleden

om iets in het orgaan te schrijven worden beperkt. Er zijn

personen die zich gauw gegriefd gevoelen door een artikel.

De heer Ruempol kan evenmin geheel meegaan met het

denkbeeld van het beroep op het Bestuur. Hij doet de

beteekenis uitkomen van eene commissie van beroep.

De heer Ed. Polak acht deze zaak van groot belangvoor

het leven van den Kring. Er hebben zich moeilijkheden

voorgedaan. De Redacteur meeude dat hij tot plicht had,

alle stukken in het Kring-orgaan op te nemen. Die opvattingvond

grond in het betreffende reglementsartikel. Het nieuwe

artikel geeft elk lid het recht, in het orgaan te schrijven.

Slechts aan één beperking is dat recht onderworpen: dat de

leden rekening houden met het belang van den Kring. Het

bezigen van verkeerde woorden kan storend werken bij

onderhandelingen. Men kan dit niet toelaten omdat daarmede

de belangen van alle Kringleden zijn gemoeid. Spr. geeft

toe dat „Kringbelang" een algemeene term is, maar men is

genoodzaakt zich met dien algemeenen term tevreden te

stellen. Wie zal nu beoordeelen of het Kringbelang is geschaad?

in de eerste plaats de redacteur. Daarna een beroep. Op

wien? Op een commissie van advies wordt thans gezegd. Dat

is geen redeneering. Om goed te kunnen beoordeelen of een

bepaald stuk ingaat tegen de belangen van den Kring, moet

men de situatie kunnen overzien. Een bestuur, dat van dag

tot dag de zaken leidt, kan zich gemakkelijker een oordeel

vormen dan een commissie van advies. Het is in overeenstemming

met de beginselen van een vakvereeniging, die zich

soms in een strijdpenode bevindt, dat het Bestuur in staat

wordt gesteld datgene uit het orgaan te weren, wat de belangen

van den Kring zou kunnen schaden.

De heer Van der Hout merkt op, dat hier twee punten

aan de orde zijn, welke niets met elkaar te maken hebben.

Ten eerste heeft elk Kringlid het recht in het orgaan te

schrijven, maar hier komt als 2 e naast : mits het belang van

den Kring niet wordt geschaad. De moeilijkheden zijn niet

ontstaan omdat de redacteur een stuk weigerde, maar omdat

hij een stuk opnam. De voorgestelde wijziging geeft geen

zekerheid, dat geen conflicten kunnen voorkomen. In eersten

aanleg toch hangt de beoordeeling omtrent het plaatsen van

stukken af van den redacteur. Niemand moet denken dat er

door een hoogere instantie hetzij bij Bestuur, hetzij bij

commissie van advies iets- zal veranderen in den toestand,

indien het artikel wordt gewijzigd, blijft toch de eigenlijke

beoordeeling bij den redacteur.

De Voorzitter doet uitkomen, dat niet het Kringbestuur,

maar de redacteur, dien hij overigens zeer op prijs stelt, de

nieuwe praktijk heeft willen invoeren, dat hij ongelimiteerd

alles van de Kringleden meende te moeten opnemen. Een

Kringlid heeft zijn rechten, maar ieder recht heeft grenzen.

Het bestuursvoorstel beoogt niets anders dan de praktijk, die

vóór het optreden van dezen redacteur 25 jaar lang gold, te

consolideeren. Het zou onjuist zijn, ieder ongelimiteerd in

het orgaan te laten schrijven wat hij wil. Het is niet juist

-s


1

dat er, bij aanvaarding van het bestuursvoorstel, niets verandert.

Er verandert wèl wat. Dit, dat de redacteur zich

thans niet meer op art. 37 zal kunnen beroepen om alles

te plaatsen.

De heer Van de Pol verklaart zich, na de uiteenzetting

van den heer POLAK, vóór het bestuursvoorstel.

De heer Canter komt tegen het bestuursvoorstel in oppositie.

Hij wil geen aantasting van het vrije woord, geen partijdiscipline.

Wat vandaag nadeelig kan zijn voor den Kring,

kan over tien jaar zijn beteekenis hebben. Wij moeten de

geestelijke belangen dienen, en die kunnen door een voorstel

als ter tafel ligt worden geschaad.

De heer Kuiper dringt aan op splitsing van het bestuursvoorstel.

In stemming komt daarop het eerste gedeelte van het

voorstel, dat elk lid van den Kring het recht heeft in het

orgaan te schrijven omtrent zaken in verband staande tot de

pers in het algemeen en tot den Kring in het bijzonder,

mits de belangen van den Kring daardoor niet worden geschaad.

Het bestuursvoorstel wordt aangenomen met 33 tegen 6 stemmen.

Vervolgens komt in stemming het tweede gedeelte van het

bestuursvoorstel, waarbij het beroep niet worde behandeld

door de commissie van advies, maar door het Bestuur. Dit

voorstel wordt eveneens aangenomen met 24 tegen 14 stemmen.

Eij punt 9 (crediet van f 1750 voor De Journalist) geeft

de Voorzitter op verzoek van mr. SWART een korte toelichting,

waarna het Bestuursvoorstel goedgekeurd wordt.

Bij punt 10 (verkiezing van een redacteur van De Journalist

en van diens plaatsvervanger) vraagt de heer Schraver of

een Bestuurslid zich beschikbaar stelt voor redacteur.

De Voorzitter antwoordt, dat collega CRAYÉ zich bereid

heeft verklaard als redacteur op te treden en collega POLAK

DANIELS als plaatsvervanger.

De heer Canter vraagt of collega VAN DER HOUT onder

geen omstandigheden bereid is, als redacteur aan te blijven.

Hij brengt hem hulde voor zijn werk als redacteur {Applaus).

De heer Van der Hout dankt voor de hem gebrachte

hulde, doch acht het in de gegeven omstandigheden beter

geen herbenoeming aan te nemen. Spr. gunt 't ook wel eens

aan een ander.

Er worden 38 stemmen uitgebracht, waarvan 26 op VAN

DER HOUT, 10 op CRAYÉ, I op CANTER en 1 op POLAK

DANIELS. De heer VAN DER HOUT is dus gekozen.

Voor plaatsvervanger verkrijgen : POLAK DANIELS 34 stemmen,

CRAYÉ 3 en 1 blanco. De heer POLAK DANIELS is dus gekozen.

De heer Van der Hout zegt, dat deze uitslag voor hem

meer is dan hij had kunnen verwachten, maar dat hij voor

zijn benoeming bedankt.

De heer Polak Daniels neemt zijn benoeming aan.

De Voorzitter kondigt voor het redacteurschap een nieuwe

stemming aan en deelt mee, dat collega POLAK DANIELS het

redacteurschap niet ambieert.

Uitgebracht worden 39 stemmen, waarvan op CRAYÉ 23,

EJ>. POLAK 6, POLAK DANIELS 2, SCHOTTING 2, blanco 2,

op „POLAK" 2 en van onwaarde (niet op een Bestuurslid

uitgebracht) 2 stemmen, zoodat de heer CRAYÉ gekozen is.

Bij de rondvraag vraagt niemand het woord.

De Voorzitter sluit de vergadering.

Algemeene belangen.

Geestelijke levenskracht en materieele welstand.

In verband met den verkoop van De Nieuwe Courant

moge deze uitlating van den Hoefijzer-correspondent in het

Handelsblad hier geciteerd worden over den uitslag van het

referendum, dat in de Haagsche afdeeling is gehouden over

de rangorde op de candidatenlijst:

Het heele referendum is een succes voor de politieke leiding

van De Nieu-we Courant.

Het toont hoeveel aanhang dat blad heeft in de Residentie . . .

Rn hoe weinig dus de geestelijke levenskracht te maken heeft

met den materialen welstand van een blad.

Van Drukpers-delicten. (Slot).

Nieuwjaarsdag 1847 — de reis was 17 Dec. daar vóór begonnen —

schreef hij het volgende aan de Zierikzeesche Nieuwsbode:

„Gepasseerde Zondag ben ik geboeid op eene kar tussehen vier

marechaussees van het dorp Hees bijna halfdood binnen gebracht.

Als men zoo niet mij voort blijft transporteeren, kan ik ongevonnisd

reeds maanden lang, gevangenisstraf in de bitterste ellende en

É SS=B

D E J O U R N A L I S T 37

ziekelijken toestand doorbrengen, aleer ik te Zierikzee arriveer ....

Wat zal mijn lot zijn, bij aldien ik zoo zonder geld, bij dieven en

boeven, weken lang in een hok wordt gesmeten ! Waar ik gezond,

ik zou mij voegen kunnen, maar nu . . . ziek zijnde . . . !"

Een week later arriveert hij te Tilburg, waar hij aldus wordt

bejegend:

„Ik word gezet in een afzigtelijk krot, dat alle beschrijving

te boven gaat, zonder vuur, zonder licht en niets tot verwarming

in die bittere kou dan een' bos stroo en een paar boevendekens.

Ik heb dikwijls gebeden, dat men mij toch maar den genadeslag

gaf; geen beul der wereld mag op deze wijze moorden. Ik zit hier

achter acht tralies, waarin zeven luchtgaten zijn, in de deur een

getralied vierkant gat. waardoor mij de gewone gevangeniskost

wordt toegereikt . . . ."

De oppositiepers in den lande gaf in scherpe taal haar afkenring

te kennen over dit optreden der Overheid. Er werd een inschrijving

voor den markies geopend. 17 JanBari schreef de Arnhemsche Courant.

dat onder de autocratische Russische regeering zeker niet onmeedoogender

zou kunnen gehandeld worden. 20 Januari volgde in dit blad

een heftige aanval op den Minister van Justitie.

Via Breda kwam de beklaagde eindelijk 16 Januari te Zierikzee

aan, waar een deel der burgerij hem een hartelijke ontvangst bereidde.

Reeds na enkele dagen werd hem vrijheid van beweging gegund en

logeerde hij bij den uitgever dei' Zierikzeesche Nieuwsbode.

De ïhouars gedroeg zich in het Zeewsche plaatsje allesbehalve

onberispelijk. Meer dan eens werd hij 's nachts dronken in de goot

gevonden en door een „zenuw-beroerte" was hij verhinderd, de eerste

dagen verhoord te worden.

Bij vonnis van 19 Maart 1847 werd hij wegens „laster" in de

Zierikzeesche Nieuwsbode veroordeeld tot een correctioneele gevangenisstraf

van twee jaar, een geldboete van f 100.—, betaling der proceskosten

en ontzetting der burgerschapsrechten voor 5 jaar. Het

Provinciaal Hol' van Zeeland bevestigde 21 Augustus d.a.v. het vonnis

in zijn geheel.

Eenige dagen vóór het vonnis was geveld, mocht De Thouars naar

Heemse terugkeeren, waar de bevolking hem als een vorst ontving,

de paarden van zijn rijtuig wilde spannen.

In de Vlissingsche Courant van 25 Mei 1847 heeft hij in dichtmaat

zijn veroordeeling „Mijn Vonnis", bezongen.

Nog meer vonnissen waren hem te wachten. Zijn artikel tegen

den candidaat-notaris moest hij betalen met: 3 maanden gevangenisstraf,

f' 100.— boete, betaling der proceskosten en ontzetting der

burgerschapsrechten voor vijf jaren en dat tegen den Kantonrechter

met: f 50.— boete, plus betaling der proceskosten. Het hooger beroep

tegeu beider vonnissen werd verworpen.

In de Burger van 24 Februari 1847 gaf De Thouars een „belijdenis

der waarheid", waarin hij zich ernstig beklaagde over de hem,

oud-Nederlandsch officier, vermaagschapt aan het Huis van Oranje,

aangedane behandeling.

Mr. Ter Kuile gelooft niet, dat de markies de vonissen „uitgezeten"

heeft, al zou het gedicht „een kerkerbloem voor het Mariannefeest

9 Mei 1848" het doen gelooven. Hij gevoelde zich immers van

„hoogadelijk ridderlijk bloed", ongebonden dichter, kind van de

vrije natuur, hem zou geen kerkermuur voor eenige jaren gebonden

houden. Daarom vluchtte hij naar Bentheim, waar hij een ellendig

einde vond. De Drentsche Courant van 15 Aug. 1850 berichtte n.L:

„Koet-orden 9 Aug. Werd ons het hart voor een tweetal weken

weemoedig aangedaan toeu wij te Ane in Overijssel twee uren van

hier den bekenden marquis de Thouars in lompen gehuld aan den

weg vonden zitten, zich vergastende aan een stuk brood, hem door

de weldadigheid uitgereikt, heden ontviel ons oog een traan toen

wij bij het lijk stonden van een eenmaal gevierden dichter, den

uaueef van een hertog de Petit de Thouars, en van den edelen

Coligny. Wat was de overledene en wat had hij kunnen zijn!

Gisteren gal' hij in het Koninkrijk Hannover op een ellendig leger

in eene vervallende boerenstulp, aan een bejaarde weduwe toebehoorende,

den geest. Van allen uitgestooten, nam deze weduwe hem

in en verzorgde hem. Ook is zij belast met de ter aarde bestelling,

welke morgenavond zal plaats 'hebben.

A. HOEK.

journalistenschool te Brussel.

Ontleend aan een brief in De Nieu-we Courant, van den

Brusselschen correspondent:

Honderdmaal heb ik in de verloopen twintig jaren de noodzakelijkheid

van journalisten-scholen hooren bepleiten. Ja, zulks komt

ongetwijfeld doordat heel wat menschen en niet het minst de journalisten

zelf moeten vaststellen, dat menig dagblad schrijver verre

van volleerd is en bij gelegenheid aardige sprongen maakt op het

gladde ijs waarop hij zich wel eens waagt. Volleerd kan een journalist

eigenlijk nooit zijn, want zijn algemeene kennis zal nooit

ver genoeg kunnen reiken. Op uitgebreide kennis komt het in

hoofdzaak aan, zoodat men kan begrijpen dat de lieve confraters

der Franschtalige kranten van België hun ongeduld naar een

journalisten-school niet langer hebben kunnen betoomen. Zoo'n

instituut zijn wij nu inderdaad rijker. Het is echter nog geen

hoogeschooi; louter een reeks colleges. Deze worden gehouden in

het te Brussel opgerichte „Maison de Ia Presse".

De eerste leergang aan de beurt is „Het recht van de pers". Dat

kan men begrijpen; want het is toch menschelijk, dat men eersten

vooral aan z"n rechten deukt. De plichten worden echter niet uit

het oog verloren en dat is net vanwege de toongevende confraters.

De tweede leergang loopt derhalve over „beroepsmoraal". Hel

verloop van tijd en door de werking van dezen cursus mogen wij


38 DE J O U R N A L I S T

dus de volgende verbeteringen in de Belgische pers verwachten:

men zal de waarheid liefhebben; men zal de kranten noemen die

men plundert; men zal niet meer zijn tegenstrever belasteren en,

last not least, men zal geheime fondsen verfoeien als de pest. Er

zijn verder nog leergangen in bibliografie en documentatie, in

Belgische parlementaire geschiedenis; in financiekunde; ook nog

in Verdrag van Versailles.

Gelukkig dat in 't programma te lezen staat, dat de colleges ook

openstaan voor kandidaat-journalisten, want als de heusche collega's

nog moesten leeren, dat zij plichten hebben benevens hun rechten,

ja, dan ware 't om te wanhopen.

Wat niemand echter den collegianten zal aanbrengen, is het greintje

genie, dat de groote journalisten reeds in hun wieg van een goede

fee hebben gekregen. Geen colleges kunnen dat korreltje zout

vervangen.

Uit de Pers.

A. G. Boissevain. f

De Katholieke Pers, orgaan van de Ned. R.K. journalistenvereeniging

schrijft:

Den heer A. G. BOISSEVAIN, directeur-hoofdredacteur van

het Handelsblad en voorzitter der vereeniging „De Nederlandsche

Dagbladpers", in de volle kracht van zijn leven en

van zijn werken weggerukt, hebben ook wij dankbaar te

herdenken.

Toen de vereenigingen van journalisten, ettelijke jaren

geleden, in contact kwamen met de Directeuren-vereeniging,

ten einde te pogen de economische positie der vakgenooten te

verbeteren, was de heer BOISSEVAIN de leider der besprekingen.

Vooral geen zoetsappig, niet eens een beminnelijk, maar

voor alles een rechtschapen man, op wiens woord men

bouwen kon, geen man van goedkoope beloften, maar met

een sterken zin voor de werkelijkheid en 'net bereikbare.

Een man van groot gezag in zijn kring, een tacticus tevens,

die het scheepje der positieverbetering behouden in de haven

wist te brengen.

Indien, al blijven wenschen te vervullen over, de economische

actie tot het bevredigend resultaat heeft geleid, dat

zij in twee instanties heeft gehad, dan hebben de journalisten

daarvoor op de eerste plaats den heer BOISSEVAIN dank te weten.

Voor zijn familie, voor zijn werkkring, voor de Nederlandsche

Dagbladpers, is het heengaan van den heer BOISSEVAIN, in

de middaghoogte der jaren, een groot verlies.

De Nederlandsche R.K. Journalistenvereeniging wijdt hem

een woord van eerbiedige en erkentelijke waardeering en zal

dezen sterken en eerlijken man niet vergeten.

Personalia en Berichten.

R. K. Journalistenvereeniging.

De algemeene vergadering van de R. K. Journalistenvereeniging

heeft in de plaats van den heer BRUYSTEN, die als

bestuurslid en tevens als lid der vereeniging bedankt had,

den heer P. STEENHOFF, redacteur aan Het Centrum, tot

bestuurslid gekozen.

De bestuursvergadering der R. K. J. V. wees den heer

STEENHOFF aan tot vice-voorzitter.

Tot lid van de economische commissie werd gekozen de

heer L. A. P. M. VAN DEN BROECKE.

Tot inspecteur van politie te Weert is benoemd de heer

Jos FRENCKEN, journalist te Breda.

Indië.

De hoofdredacteur van het Soer. HM., J. Cl. BOON, is als

zoodanig afgetreden en vervangen door den heer VAN LOO,

van wien reeds te voren verschillende hoofdartikelen in dat

blad verschenen. Naar aanleiding van het aftreden van den

heer BOON en diens aanstaand vertrek naar Nederland,

schrijft de Loc. in zeer waardeerende bewoordingen over

diens werk.

Gedrukt bij A. de la Mar Azn., Amsterdam

Ingezonden.

Justitie contra Pers.

Het klinkt zoo innig, samenwerking tusschen justitie en

pers. Voor hen die het genoegen hebben wel eens met hooge

autoriteiten in contact te komen zelfs beangstigend mooi.

Of het den heeren wel ernst is, ik voor mij twijfel er sterk

aan, vooral na wat ik dezer dagen weer moest ondervinden

toen ik om inlichtingen bij een der hooge autoriteiten van

het Departement van Justitie aanklopte.

Juist aan den vooravond van het Journalistiek Congres,

waar de samenwerking tusschen politie, justitie en pers zou

worden besproken, had ik voor mijn blad iets te informeeren

van het Dep. van Justitie en belde daartoe den secretarisgeneraal

mr. J. G. VAN BLOM op. Ik had nauwelijks gelegenheid

gehad mij bekend te maken en te zeggen wat ik wilde

vragen, of deze hooge heer tracteerde mij op een stortbad

van onhebbelijkheden, waarvan de opmerking: hoe ik het

durfde wagen hem op te bellen, één van de aangenaamste

was. Toen ik den hoogedelgestrengen heer in beleefde bewoordingen

mijn verwondering over deze bejegening te kennen

gaf, vooral nu zijn chef de Minister van Justitie toch had

blijk gegeven prijs te stellen op contact met de pers, scheen

dit laatste woord zoodanig op zijn hoogedelgestrenge zenuwen

te werken, dat ik het maar beter vond het gesprek te beëindigen.

Ik meende niet te mogen nalaten den Minister van Justitie

schriftelijk in kennis te stellen met de zonderlinge gedragingen

van zijn secrelaris-generaal. Met geen enkel woord heeft

Z.Exc. op dit schrijven geantwoord. Ziehier de practijk der

samenwerking. Als de heeren ons noodig hebben zoeken zij

contact, maar waag het niet de Justitie aan te klampen.

Dan smijten ze de deur voor uw neus dicht.

'S-GRAVENHAGE, I Maart 1922. P. VAN 'T VEER.

[Ik heb mij voorgenomen, bij „Ingezonden stukken" zooveel

mogelijk „handen thuis" te houden. En vooral voorzichtig te

zijn met de Haagsche. Die hebben soms 'n heelen nasleep.

Toch wil ik dit stuk niet opnemen zonder een enkele kantteekening,

nu de quaestie, die actueel is in den Kring, er

wordt bijgesleept.

Wanneer mr. VAN BLOM den heer VAN 'T VEER persoonlijk

kent, dan is het een goedwilligheid van hem, als hij hem

telefonisch inlichtingen geeft. En als hij hem niet kent, dan

is er niets laakbaars in, wanneer de hoogste ambtenaar van

een departement weigert een journalist die bij geval „iets

voor zijn blad aan het Dep. van Justitie te informeeren heeft",

van wiens bestaan hij misschien nooit eerder vermoeden heeft

gehad, aan de telefoon te woord te staan. Als de heer

VAN 'T VEER meent, dat een journalist eenzijdig kan vaststellen

op welke manier hij „in contact" wil komen met autoriteiten,

dan moet hij ook afwachten dat de andere partij het niet

dadelijk met hem eens kan zijn. En hij moet niet een keel

opzetten, omdat hij zijn doel niet bereikt heeft.

Dat de secretaris-generaal onhebbelijkheden heeft gezegd,

moeten wij aannemen op het gezag van den heer VAN 'T VEER.

Maar hoe denkt hij, dat de collega's zijn antwoord zullen

qualificeeren, „(mijn) verwondering te kennen gaf, vooral nu

zijn chef de Minister van Justitie toch had blijk gegeven

prijs te stellen op contact met de pers" . . . . ?

Ergerlijk is dat de heer VAN 'T VEER de vrijmoedigheid

heeft meenen te mogen nemen, over dit geval een briefje

aan Minister HEEMSKERK te schrijven. En dan verwondert

hij zich nog, dat hij niet aanstonds antwoord kreeg! Is er

misschien al een brief onderweg naar de Koningin met beklag

over den Minister van Justitie?

Neen, de heer VAN 'T VEER moge zijn sporen verdiend

hebben in het contact-zoeken met de politie, met „de

justitie" — waaronder hij ook den secretaris-generaal schijnt

in te deelen — gaat het nog niet te best.

Redacteur\

Advertentiën.

REDACTEUR.

Gevraagd voor spoedige indiensttreding een

REDACTEUR-VERSLAGGEVER. Brieven met uitvoerige

inlichtingen, proefwerk en opgave van verlangd

salaris, aan de directie van de Delftsche Courant te Delft.

More magazines by this user
Similar magazines