M: -sJaa

bibliotheek.eyefilm.nl

M: -sJaa

PIPPÜIPÜI

Achterdocht, goedmoedigheid en een tikje

Weensche filosofie, vereenigd in Moser'»

type.

Karl Geschwandtner is al 35 jaar huisknecht

in het Europa Hotel. Daar in de huid van dezen

huisknecht Hans Moser steekt, is duidelijk, dat

Karl een toonbeeld is van eenigszins achterdoch-

tige, opvliegende toewijding en van lichte zelf-

overschatting.

Vijf en dertig jaren de boodschappen voor

anderen doen heeft Karl niet van zijn idealisme

beroofd. In hem brandt het vurige ideaal portier

van het hotel te worJen. Want een portier van

een groot hotel is in macht haast te vergelijken

met den Lieven Heer zelf. . . .

Eindelijk komt Karl's kans. Althans voor één

avond en nacht, als de brutale nachtportier door

zijn chef wordt ontslagen. Karl besluit alle ge-

droomde beginselen, waarop een goed portier

zich zijns inziens dient te baseeren, in practijk te

brengen. Zijn goedigheid en zijn vertoon van

ÉÉN NACHT

PORTIER

J^en Bavarian film onder regle van H. H. Zerlett

strenge waardigheid brengen hem daarbij danig

in moeilijkheden. Een naar engagementen zoe-

kend, half verhongerd tooneelspeelstertje geeft hij

stiekum onderdak op zijn eigen zolderkamer. Een

naar talenten zoekende toonèeldirecteur wordt

met een soort van goedmoedige afpersing tot aan-

dacht voor het tooneelspeelstertje gedwongen.

Een professor, die miniaturen schildert en naast

een charmante pianiste een appartement bewoont,

moet Karls pogingen hem aan de pianiste te kop-

pelen en los te maken van een temperamentvolle

danseres, per sé over zich heen laten gaan. De

temperamentvolle danseres veroorzaakt een vree-

selij k schandaal door serviezen stuk te gooien en

haar paarlcollier aan een onbekenden hotelrat

kwijt te raken. De onbekende hotelrat geeft zich

uit voor politiedeskundige en berooft, tijdens het

door Karl geleide onderzoek, haast alle gasten

van een kostbaarheid. Het wordt een gekkenhuis

in het Europa Hotel. Een gekkenhuis van pro-

testeerende, opgesloten zijnde, huilende gasten en

een in zijn machtsgevoel volkomen losgeslagen

portier. De directeur keert terug en ontslaat Karl

op staanden voet. Karl begaat de impertinentie

een kamer voor zichzelf en een kamer voor zijn

tooneelspelende beschermelinge te huren. Dan

komt hij er achter, dat de hulpvaardige politie-

deskundige de dief is, ontmaskert dezen dief op

omslachtige doch afdoende wijze, redt de eer van

het Europa Hotel en aanvaardt goedgunstig het

opnieuw aangeboden baantje van. . . . huisknecht.

De ervaring heeft hem geleerd, dat het niets pret-

tig is zoo hoog te stijgen! Het behoeft geen be-

toog, dat het tooneelspeelstertje een „engage-

ment" (zij trouwt hem namelijk) van den too-

nèeldirecteur ontvangt, dat de miniaturen-

professor het eens wordt met de pianiste, dat de

temperamentvolle danseres zich troost met haar

allerzotsten secretaris, dat een van zijn vrouw

weggeloopen zakenman de door Karl gewenschte

verzoening toch maar aanvaardt. Dit alles heeft

Karl bewerkstelligd. Zijn onhandigheid blijkt een

zeer gesublimeerde vorm van handigheid te zijn.

gekruid met hier en daar een vleugje Weensche

philosofie.

Dus wel een rol voor Hans Moser. Jazeker I

Maar ik zag den komiek in deze film wel wat te

vaak op het doek. Wij mogen hem niet rekenen

tot de filmkomieken, die het van ,,gags", val- en

smijtpartijen, acrobatiek moeten hebben. De

corypheeën van dit „gag"-genre — dat ik zeer

zeker ook weet te waardeeren! — behooren wèl

voortdurend in het beeld te zijn, omdat alles aan-

komt op hun persoonlijke capriolen. Hans Moser

daarentegen is een humoristische karakterspeler

van een reeds overbekend type. De voortdurende

aanwezigheid van karakterspelers in het beeld is

niet noodig, zelfs niet wenschelijk. Juist met de

scènes, waarin zij eens even ontbreken, heeft men

een mooie kans hun karakters en de gevolgen

van hun uit deze karakters voortvloeiende daden

van allerlei kanten te belichten.

Hier laadde men al het grappige op Mosers

schouders, maakte als het ware een film haast vol-

komen in den „ik-vorm". Het spijt mij, maar op

den duur werd dat mij van het Mosersche te

veel. . . .

Te meer daar hij in „Een nacht portier" om-

geven is door een aantal voortreffelijke spelers.

Zoo was bijvoorbeeld Viktor Afritsch' typeering

van den braven zakenman een klein juweeltje en

de gentleman-oplichter van Fritz Odemar van

hetzelfde laken een pak.

Alles bij elkaar heb ik dan ook dikwijls ge-

noeglijk zitten grinniken om deze pariodeerende

hotel-historie. P. BEISHUIZEN.

nieronder links: De portier (Hans Mo-

ser) en de pseudo-speurder (Fritz Odemar)

deelen de gasten mede, dat een pijnlijk

onderzoek noodig zal zijn. — Rechts: De

op scheiding staande zakenman (Viktor

Afritsch) en zyn vrouw (Ruth Eweler) in

een moeilijk parket, verdacht van juweelen-

roof. (Foto't Bavaria)

,*''""

te

De ontslascn portier, die eerst 35 jaar

huisknecht icas, laat zich nu zelf eens be-

dienen (Hans Moser en Otto Briiggeman).

Hieronder: Het arme actricetje (Irene von

Meyendorff) op zoek naar een engagement.

(Foto's Bavaria)

S/^ EEN NACHT PORTIER

Einmal der liebe Herrgott sein

Draaiboek: Hans G. Kernmayr en Fritz Koselka. —

Muziek: Leo Leux. — Camera: Bruno Stephan. —

Architecten: Reiber en Pfenninger. — Geluid: Lud-

wig Heiss. — Montage: Ludolf Grisebach. — Pro-

ductieleiding: Ottmar Ostermayr.

Regie: HANS H. ZERLETT.

Personen:

Kari Geschwandtner Hans Moser

Marie Christine .... Irene von Meyendorff

Clusius, theaterdirecteur . Hans Zesch-Ballot

Prof. Freiburg Ivan Petrovich

Elvira del Basto Margit Symo

Prof. Scherck-Klerck Fritz Odemar

Verder met Willem Holsboer, Anton Pointner, Lotte

Lang, Ruth Eweler, Viktor Afritsch.

Een BAVARIA-Film

DE TIJD GAAT SNEL ....

Het verschil tusschen de eerste filmstrooken,

die even voor het begin der twintigste eeuw ver-

schenen, en de film van heden is enorm; gevolg

van den onvermoeibaren arbeid verricht door

lieden, die hun heele kunnen zoowel op technisch

als artistiek gebied in dienst hebben gesteld van

de celluloid-strook. Telkens hebben nieuwe vin-

dingen op cinematografisch gebied groote om-

wentelingen veroorzaakt en ook telkens heeft de

filmwereld zich met verbluffende snelheid en sou-

plesse weten aan te passen.

Toen in 1895 het Europeesche publiek, dat

nauwelijks eenige interesse toonde, in een kermis-

tent werd vergast op een voor die dagen zeer

sportief gekleed heer, die op een primitief scherm

ettelijke malen per dag een robbertje bokste met

een kangeroe, heeft wel niemand kunnen vermoe-

den, welke vlucht dit nieuwtje nemen zou.

De tentoonstelling „Veertig jaren Duitsche

Film", die de Ufa in het enorme Palais des

Heaux Arts te Brussel organiseerde, naar aanlei-

ding van haar zoojuist herdacht vijf en twintig

jarig bestaan, brengt ons dit in herinnering. Hier

is in enkele zalen van het groote gebouw in een

serie foto's, plakkaten en maquettes de ontwikke-

lingsgang der Duitsche filmindustrie in beeld

gebracht.

Men zou misschien in sommige opzichten deze

expositie anders gewenscht hebben, meer ter zake

doende; want veel van wat hier hangt en staat is

ten hoogste interessant voor statistici, en van

geenerlei essentieel belang voor het wezen of de

ontwikkeling der film.

Het geheele eerste gedeelte der tentoonstellings-

ruimte vertelt aan de hand van teekeningen en

fotografische opnamen min of meer interessante

bijzonderheden over de uitgestrektheid der Duit-

sche filmstad te Neu-Babelsberg,.

Dan hangt er in een volgende zaal, naast een

serie foto's van filmsterren in hun vrijen tijd, een

verzameling uit het archief van het Ufa-museum,

waaraan men vrij nauwkeurig de diverse ontwik-

kelingsstadia zoowel in opname- als projectie-

• techniek kan nagaan.

Een volgend gedeelte is verder gewijd aan de

Duitsche Cultuurfilm, die in den loop der jaren

over de geheele wereld zoo'n uitnemenden naam

gekregen heeft.

In deze afdeeling heeft ook de Wochenschau,

die op het oogenblik de geheele Europeesche ge-

meenschap doet meeleven met den strijd aan het

front, de haar toekomende voorname plaats ge-

kregen.

En dan, na een serie reclame-plakkaten in alle

talen van Europa (en dat zijn er heel wat als men

zoo eens rondkijkt) geeft een lange reeks uit-

stekende foto's den gang weer van draaiboek via

decorbouw en regieconferenties tot de uiteinde-

lijke film, zooals deze haar weg vindt door ge-

heel Europa. Dit, stellig het interessantste ge-

deelte van deze exposi-

tie brengt werkopnamen

van vrijwel alle bekende

Duitsche repisseurs.

Intusschen is het uiter-

mate interessant een ver-

gelijking te trekken tus-

schen de filmproducten

der laatste jaren en de

rolprenten uit den tijd,

toen de cinematografie

nog nauwelijks haar kin-

Een beeld uit het

Ufa-museum: De. ver-

vaardiging van tee-

ken-trucfilms; nan de

ham] van schema's

«n voorbeelden wordt

hier het ontstaan aan-

gegeven. (Foto Ufa)

hten Uja~juoileumtentoonstelllng te Brussel

derschoenen ontwassen was.

Een film van Hans Adelbert von Schlettow:

„Kinder, wie die Zeit vergeht", die eveneens ter

gelegenheid van het Ufa-jubileum in de bioscoop

van hetzelfde gebouw draaide, geeft hiertoe ruim-

schoots gelegenheid, en het is bijna droevig hier

van tijd tot .tijd filmfragmenten te moeten zien,

die hoewel technisch verouderd van filmisch in-

zicht en filmischen smaak getuigen, die in onze

dagen dikwijls ontbreken.

Deze — behoudens enkele min of meer banale

grollen — werkelijk amusante en onderhoudende

film toont ons o.a. de eerste en opmerkelijk goed

geslaagde poging tot massa-figuratie in de Itali-

aansche film „Julius Caesar" en men realiseert

zich met aangename verbazing de soberheid in

regie, decor en aankleeding, die hier ten toon ge-

spreid is. Een voorbeeld voor verschillende coh-

temporaire regisseurs.

En ook de eerste trucfilms, waarvan de enthou-

siaste en niet meer zoo heel jonge bioscoopbezoe-

ker zich zonder eenigen twijfel „Het Spookslot"

met Max Linder zal herinneren, en misschien ook

de „Papiermensch", verrassen door hun uitsteken-

de trucage, hoewel zij door verschillende onver-

geeflijke onnauwkeurigheden de belangrijkheid

van zooiets moderns als de script-girl scherp

onderstreepen. Het is niets ongewoons om in deze

films den jeugdigen held in een licht pak de trap

af te zien gaan, waarna hij in rouwkleeding door

de voordeur verdwijnt.

De meeste opnamen dateeren omstreeks 1910,

en hoewel het interessant is de „Wochenschau"

uit die dagen te zien, zou men toch iets meer af-

wisseling wenschen, waarvoor zeer zeker scènes

uit de groote L'fa-films, die over de geheele

wereld een succes waren, in de eerste plaats in

aanmerking zouden komen.

Tot slot nog een opmerking over de smalfilm.

In het kader der voorstellingen rond het zilveren

Ufa-jubileum heeft men voor de pers eenige

strecken uit de Ufa , Wochenschau overgebracht

op 16 mm film, evenals een gedeelte uit „Trenck

de Pandoer".

Het probleem der smalfilm heeft sedert langen

tijd de belangstelling der produceerende maat-

schappijen gehad omdat de groote voordeelen er-

van evident zijn, voornamelijk in deze oorlogs-

jaren : materiaalbesparing bij eenvoudige ver-

plaatsing der projectie-apparaten.

De grootste bezwaren waren tot nu toe echter

het moeilijk aanbrengen van ondertitels in de

taal van het land, waarnaar de film geëxporteerd

werd, en het beeld, dat bij vergrooting veel van

zijn scherpte verloor. Na het zien van deze stroo-

ken kan men echter met een gerust geweten zeg-

gen dat deze problemen op radicale wijze zijn

opgelost, zoodat de toekomst der smalfilm weinig

meer in den weg staat.

Brussel. CHARLES KRUPA.


Mum>'*-wv*

GROOT DANSDEBUUT IN

'S-GRAVENHAGE VAN

INDRADEV

Als bezoeker op de vele dansavonden in het

Haagsche Diligentia is de overslanke, nobel-

geprofileerde verschijning van den Hindoe-danser

Indradev Prasad in zijn nationale kleederdracht

overbekend. Nederlandsche vrienden hebben hem,

meen ik in oorlogstijd uit Parijs hierheen gehaald

en zijn dansschool heeft naam gekregen, zonder

dat hij tot dusverre zelf of met zijn leerlingen in

het openbaar optrad.

Nu dat in een lang van te voren aangekondigden

middag wel het geval was, moet ik eerlijk beken-

nen dat ik er eenigszins huiverig naar toe gegaan

ben. De voorliefde van sommige rijkelui's krin-

gen in ons land voor alles wat uit Britsch-Indië

komt, loopt veelal via kanaaltjes en sluisjes,

waar mijn scheepje niet zoo makkelijk doorheen

wil. Nog daargelaten het feit, dat den Haag

altijd nogal gauw snobistisch warm loopt voor

alles wat maar vreemd, wonderlijk en exotisch is

en bij voorkeur door bevoorrechte ingewijden

(waartoe iedereen zich dan rekent) „begrepen"

kan worden.

Welnu, aan uiterlijk vertoon heeft het dezen

middag ook stellig niet ontbroken. Heel den

Haag was in een uitverkochte zaal present, er

werd na elk der veertien dansen zulk een schat'

van bloemen opgedragen als een heel ziekenhuis

in een week niet bij elkaar ziet. En van heinde

en verre waren alle kunstzusters en kunstbroeders

uit de danswereld samengestroomd. De lijst der

aanwezigen en het „Drum und Dran" van dezen

middag zou in tijden van grooteren papierover-

vloed op zichzelf al een zeer leesbare lectuur ge-

vormd hebben.

Maar laat mij dan terstond mogen zeggen, dat

Indradev het pleit glansrijk gewonnen heeft en

dat wel ieder aan dezen eersten middag diepe en

onvergankelijke herinneringen zal behouden. Het

was temidden van veel pracht en praal een uiterst

gekund, voornaam en bezield dansen. De Hindoe

heeft tijd en rust. Terwijl wij bij de grootste

dansers vaak na een uur weer op straat staan,

bleven wij hier de volle drie en een half uur ge-

boeid staren naar de geheimen en verfijningen

van een oude, mythologische gebaren-taal, die ons

bovendien minder ver af staat dan wij wel eens

denken.

In den loop der jaren heeft men, ook in ons

land, verschillende vooraanstaande Hindoe-dan-

sers gezien. De grootste en nobelste van hen,

Udai Shan Khar, placht hier vrijwel ieder seizoen

op te treden. Hindoe-danseressen, over het alge-

meen zeldzamer dan de dansers (als ik het wel

heb, bestaan daar kaste-bezwaren tegen en laat

men dat gemeenlijk aan de beroeps-odalisken, de

nautch-meisjes, over), volgden eveneens en min-

stens een van haar — de kleine, sierlijke Saba —

heeft zich blijvend in ons land gevestigd.

Wat zij brachten, is den Europeaan in wezen

verwanter dan de overigens technisch niet minder

kunstige dans van Java of Cambodja. De oer-

arische oorsprong van den Hindoe, zijn klare,

loutere, vaak zonnige en op een stil-droomend

hedonisme afgestemde thema's blijven ons ver-

want, zelfs in de letterlijk „aan handen en voeten

gebonden" symbolische uitdrukkingsmiddelen.

In het Sanskrit, heb ik wel eens gelezen, is er

maar één en hetzelfde woord voor tooneel en

dans. De danser „speelt" alles met zijn lichaam

en zijn dansen zijn zuivere „hieroglyphen": een

uitdrukkingstaai van vingertoppen en voet- en

halsstanden, die den onkundigen toeschouwer

weliswaar voorbij gaat als een soort „doofstom-

mentaal", maar die door andere „doofstommen"

dusdanig duidelijk „verstaan" word|, dat zij

geen detail onduidelijk laat. Het was daarom

goed gezien om deze dansen

vooraf te doen gaan door een

demonstratie van de aloude, vaste

rhythmen, die niet alleen in vier-

en vijfkwartsmaat, of zooals bij

de Russen in zevenkwartsmaat,

maar door den Hindoe zelfs in

zestien en tweeëntwintig-kwarten

gedanst worden. Ook de verschil-

lende „moedra's", de vaste hiero-

glyphen van hand en vingertop-

pen, werden van te voren ge-

demonstreerd en al kunnen wij

moeilijk zeggen, dat wij nu ineens

de 24 „wortelmoedra's" en de

650 andere „danswoorden" van

het rhythmisch gemouvementeer-

de lichaam kunnen „aflezen", het

maakte toch zonder twijfel de

daarop volgende dansen veel en

veel duidelijker. En Indradev is

inderdaad volleerd en zelfs gróót

in zijn moedra's. Voegt men daar-

bij het beheerschte en sterk-man-

nelijke temperament, de vaste

planting van zijn voetschellen op

den dansvloer en zijn groote,

vorstelijke allure voor costuum

en detail, dan kan men wellicht

eenigszins den indruk voelen, die

deze middag maakte. Prachtige

natuur- en lente-dansen, lyrische

liefdesrhythmen, culmineerend in

Indradev en Mohini Devi in

een herdersdans.

Een der „Moedra's" of „danstcoorden"

van Indradev^ (Foto's Woldringh)

een geheel in goud gedansten parendans, een

„Mogul Nautch" uit vroeger eeuwen, religieuze

Shiva en Krishna-riten na de pauze vormden

bonte, pralende stoeten van dansenden tegen den

achtergrond van een voortreffelijk samengesteld

Hindoe-orkest, waarvan het koninklijke beeld

zich diep in de herinnering grift. Ik moet zeggen,

dat ik nog nimmer zooveel smaak en verfijning

in het costuum, in de als pauwestaarten ten

toongespreide dansrokken der partners, en in de

zonder twijfel authentieke requisieten heb gezien

als hier ten tooneele werd gebracht, terwijl de

geheele middag in volmaakte harmonie met groep

en orkest werd afgewerkt. Men kan zich in de

groote steden van Europa geen gavere voorstel-

ling denken dan hier in den Haag, met zooveel

Nederlandsche hulpkrachten, plaatsvond.

Want achter de namen Damayanti en Mohini

Devi verbergen zich twee welbekende Nederland-

sche solo-danseressen, die sinds geruimen tijd tot

de leerlingen van Indradev zijn gaan behooren

en reeds verbluffende resultaten hebben bereikt.

Is Mohini de plastisch sterkere persoonlijkheid

van beiden, van Damayanti daarentegen vielen

b.v. de zeer fraaie „moedra" in een apsara of

nymfendans op, als ook een bekende „Marwari

Nautch" of Hindoe-zigeunerdans. Beide danse-

ressen zongen tevens, evenals Indradev, zelf de

welluidende en kunstige sanskrit-rhythmen en

zetten zich ook temidden der anderen om de

prachtige zinderende houtinstrumenten van het

orkest te bespelen.

Dit orkest stond onder leiding van Peter van

Hoboken, dien ik reeds twintig jaar geleden als

ernstig beoefenaar der Hindoe-muziek aantrof

en die zich sindsdien door vele jaren van oefe-

ning ter plaatse bekwaamd heeft. Dat de sera-

phina, die hij meestal bespeelde (een in vele op-

zichten nogal klagelijk hand-harmonium) blijk-

baar een m.i. vrij ongelukkige erfenis aan den

Indischen dans van onze missionnarissen is ge-

weest en stellig zooveel minder dan de Hindoe-

fluit, kan hij tenslotte ook niet. helpen. Ook het

fluitspel van een onbekende was overigens zeer

goed en de „tabla's", de verschillende trommen,

werden voortreffelijk bespeeld door een andere

onbekende, wier zang eveneens tot de vele schoone

herinneringen aan dezen uitzonderlijk rijken,

bezielden en geraffineerd voorbereiden dans-

middag behoorde. HENRIK SCHÖLTE.

NAPOLEON OP ST .HELE.VA.

Een nieuwe, groote Italiaansche film behandelt

de verbanning en den dood van Napoleon op

St. Helena. Renato Simoni heeft de regie. De

voornaamste spelers zijn: Ruggero Ruggeri,

Carla Candiani, Rubi Dalma, Elsa de Giorgi,

Luigi Cimara, Lamberto Picasso, Annibale

Betrone, Paolo Stoppa. „Napoleon op St. Helena"

behoort tot de productie-Scalera.

CINEMA (^ THEATER — (nr. 17) 4

Het is niet anders: voor ons zijn de gestalten

van Otto Gebühr en Frederik den Grooten tot één

wezen samengesmolten. Gebühr is er zelf „schuld"

aan. Meer dan een halven menschenleeftijd was

hij telkens weer „de groote koning". Hij is voor

velen Frederik de Groote en eerst in de tweede

plaats Otto Gebühr.

De verpersoonlijking van Fridericus Rex in

zijn kunst is Gebühr's dierbare levenstaak ge-

worden. Het is hem in zekeren zin door het too-

neel- en filmpubliek opgelegd om deze rol verder

te spelen. Resultaat tot heden: niet minder dan

tien Gebührfilms, gewijd aan het leven van zijn

tweede ik. Vijf in den „stommen" tijd en vijf met

een „sprekenden" koning. . . .

Het was echter geenszins een concessie aan het

publiek, waarom Gebühr doorging met het spelen

van zijn levensrol. Het was. . . . Maar neen,

Gebühr kan het beter zélf vertellen in den loop

van het gesprek, dat wij met hem mochten heb-

ben bij zijn bezoek aan Nederland.

Gebühr verscheen ons geheel zooals wij hem

van de film kenden : kras voor zijn jaren met hel-

der rondblikkende oogen in een expressief gelaat.

Het eenige verschil met zijn bekende filmfiguur

was het moderne colbertcostuum, dat hij droeg.

De indruk van zijn reeks Fridericusvertolkingen

had ons half doen verwachten hem in den wapen-

rok van den Pruissischen koning te zien ver-

schijnen ....

Onder den arm droeg Gebühr een foudraal,

dat duidelijk een of ander snareninstrument om-

hulde. Speelt Gebühr mandoline of luit ? In de

veelheid van andere vragen is deze ééne helaas

niet aan de beurt gekomen. Dat Gebühr's liefheb-

berijen zich ook op muziekgebied uitstrekken

meenen wij echter wel te mogen concludeeren.

Gebühr's begroeting was — hoe kon het anders

bij dezen „koningsspeler" — „vorstelijk": tege-

moetkomend en indrukwekkend. Alles met korte

krachtige gebaren onderstreept. Zijn stem dwingt

tot luisteren alleen reeds door zijn — ietwat

scherpen — indringenden klank.

Meteen volgt Gebühr's antwoord op onze ge-

ijkte eerste vraag, of hij Nederland reeds van vroe-

ger kende : „Ja, dit is niet mijn eerste bezoek aan

uw land. Maar het is lang geleden, dat ik hier

voor het laatst was. Ongeveer twintig jaar ge-

leden woonde ik in Rotterdam de Nederlandsche

première bij van de eerste van mijn reeks films

over den grooten koning, „Fridericus Rex" heet-

te dat — nog „zwijgend" — begin. Ook daar-

vóór was ik nog enkele malen in Nederland. . ."

uEn nu de historische vraag: wat zijn uw in-

drukken van ons land ?"

„Ik ben Rijnlander van geboorte en daar-

om ..."

„Weet u, dat wij u altijd voor een Pruis heb-

ben gehouden? Vermoedelijk ook alweer een

gevolg van uw creatie van den Pruissischen

koning..."

„Ja, de „alte Fritz" heeft een stempel op mijn

leven gedrukt," glimlacht Gebühr, „maar u vroeg

mijn indrukken van Nederland. Als Rijnlander

interesseer ik mij buitengewoon voor uw land. Er

is zooveel overeenkomst op te merken. Uw taal

doet mij steeds aan het Keulsch denken. Ik kan

haar daardoor ook gemakkelijk volgen. Ook heb

ik veel waardeering voor het verzorgde uiterlijk

van het land. Dat zal wel vaker door buiten-

landers bij een vraag als de uwe gezegd zijn.

maar niettemin: het treft mij ook nu weer."

„Over uw kunst en speciaal over uw Fridericus-

rol gesproken, hoe is u begonnen met de uitbeel-

ding van den grooten koning?"

„Min of meer toevallig. Ik was reeds twintig

jaar aan het tooneel, toen ik bij de rolverdeeling

5 (nr. 17) — CINEMA & THEATER

van een stuk over koning Frederik voornamelijk

om mijn lichamelijke overeenkomst „den grooten

koning" kreeg toegewezen."

„Is de ,koningsrol" ook uw liefste rol?"

„Stellig. Die rol is mij lief, omdat ik er mee

groot geworden ben. Het is ook een prachtige

opdracht, den grooten Fritz voor het volk weder-

om tot leven te brengen. Vele van zijn daden en

gedachten passen volkomen bij dezen tijd, waarin

het nationale gevoel zoo sterk naar voren treedt."

,,U hebt behalve voor de film de „koningsrol"

ook vele malen ten tooneele uitgebeeld. Waar

kunt u deze figuur het meest laten spreken: op

het tooneel of voor de camera?"

„Film en tooneel zijn twee in wezen verschil-

lende zaken. Aan den kunstenaar zelf geeft het

tooneel meer voldoening; het is meer een afge-

rond geheel. De film daarentegen heeft een veel

breeder werkingsterrein. Zij bezorgt populariteit,

juist voor een figuur als Frederik de Groote zoo

van noode.... En nu: wilt u mij verontschul-

digen, want het wordt tijd voor mijn optreden."

Wij leggen Gebühr tenslotte nog enkele van

zijn eigen portretten voor. Hij klemt een monocle

in zijn rechteroog en zet met een vulpen — een

anachronisme bij koning Frederik — enkele

-

wn

(Foto Tohis)

malen zijn naam: Otto Gebühr. . .

Het is wat ondeugend, maar wij kunnen niet

nalaten nog te vragen: „Zet u nooit bij vergis-

sing als handteekening Fridericus Rex. ..."

Gebühr glimlacht. „Gelukkig heb ik steeds

Otto Gebühr en Frederik de Groote uit elkaar

weten te houden ..."

Met een krachtigen, pittigen handdruk neemt

de acteur afscheid. Wij hadden hem nog zoo-

veel willen vragen. Naar zijn andere tooneeU

en filmwerk, zijn andere rollen, zijn liefhebbe-

rijen. Ook hadden wij graag gehoord of het fluit-

spel in zijn laatste film „De Groote Koning"

door hemzelf voortgebracht werd, en of. . .

Maar laten wij tevreden zijn; het is al een heele

onderscheiding, dat wij ter audiëntie zijn toe-

gelaten bij den tweeden „grooten koning".

Enkele uren na dit interview stond Gebühr op

het tooneel en hield hij het publiek bezig met zij n

kunst, die ook ditmaal weer op het Frederik de

Groote-motief berustte: voordracht van citaten

en anecdotes uit 's konings werken en leven.

Frederik de Groote heeft in Otto Gebühr een

„onverbeterlijken" pleitbezorger gevonden....

CHRIS. J. RENDERING,

'^^i.

:l

.

'


.

TOSCA

door ISederlandt ers ten tooneele gebracht

Zoo heeft de Amsterdamsche Opera het be-

roemde Puccini-trio: Bohème—Butterfly—Tosca

voltooid en te samen met de Italiaansche Stagioae

den echten opera-liefhebber gelegenheid gegeven

zijn hart op te halen. Men zou dien liefhebber

wel in herinnering willen brengen, dat er behalve

het dikke hout, waarvan men planken zaagt, ook

nog zoo veel en zulk mooi fijn-hout is en dat hij

zich zelf te kort doet, wanneer hij alleen maar

belangstelling heeft voor die dikke-planken-

zagerij, doch ik weet, dat het niet veel zou helpen.

In elk geval heeft men nu twee Italiaansche

en een Nederlandsche Puccini gehoord en men

moet onmiddellijk toegeven, dat — waar we geen

détail-vergelijkingen wenschen te maken — ons

eigen gezelschap een uitmuntend figuur geslagen

heeft. Italianen blijven Italianen en worden nooit

Nederlanders en omgekeerd! Die echte weg-

smij terij van de klinkende en pakkende passages,

gevolg van een doorgewinterde routine en deze

weer gevolg van een eeuwen-lange cultuur ligt

den Noorderling niet. Het zou hem trouwe'ns al

bijster slecht afgaan.

En ook: wie in Parijs wel eens een Wagner-

werk gehoord heeft slaakt met mij de verzuch

tmg: „Liever niet meer". Toen ik te Rome op

bezoek was bij Ottorino Respighi. conservatorium-

directeur en ook te onzent bekend als componist

ging daar juist de Parsifal. Hij raadde me niet

alleen een bezoek af, maar vroeg, guitig lachend,

of ik er as-je-blieft niet heen wilde gaan, omdat

hij wilde voorkomen, dat ik met een ongunstigen

opera-indruk de Eeuwige Stad zou verlaten. Ik

,,mocht" wel naar Aida, zei hij, maar moest dan

nog immer bedenken, dat er maar één Milaan

was! Hoewel die Aïda in Rome ook prachtig ver-

liep, dat kan ik u zeggen!

Dus: geen vergelijkingen!

Wij voelden ons eenigszins vreemd te moede,

in één week van een jong gezelschap twee zoo

uifeenloopende werken te hooren als Pelléas en

, ■ ■,:.. t.... ■■ .■,*:. .■

Tosca. Het was als een

val uil de sereniteit

naar de realiteit. Stel

je je een open doekje

voor in den Pelléas!

En Tosca was nog

geen vijf minuten aan

den gang, of Chris

Reumer had het eerste

reeds te pakken, al

was hert dan om zijn

mooie „hooge bes", die

voor een oogenblik bij

het dankbare publiek

de plaats innam van de

traditioneele „hooge c".

Meer kwamen er ech-

ter niet, noch na Tos-

ca's aria in II „Vissi

d'acte", noch na Cava-

radossi's sterren-aria

in III. En dat zit 'm

nu juist in die weg-

smijterij. Dat wil niet

zeggen, dat het in een

of andere voorstelling,

wanneer iedereen zich

meer „thuis" gaat ge-

voelen en het heilige

vuur plotseling uit-

slaat, niet eens zal ge-

beuren, maar dezen

eersten avond bleef het

succes in dezen vorm

uit, hoewel na afloop

de uitverkochte zaal

wel fanatiek geapplau-

disseerd heeft.

Chris Reumer heeft

voor den Cavaradossi

de stem en de figuur,

zoodat hij met groote

tevredenheid deze nieu-

we rol op zijn reper-

toire kan plaatsen. De

heftige scènes liggen

hem muzikaal èn dramatisch het best, de ge-

voelige minder. Nemen we als voorbeeld den

eersten inzet van „O dolci mani", wanneer hij na

Tosca's bekentenis van den moord op Scarpia

haar handen streelt. Het vertolken van de op die

plaats geëischte emotie ligt vooralsnog buiten

zijn bereik. Ook zou men zijn houding in gaan

en staan wat voornamer willen zien voor den

man-van-de-wereld, die de schilder ongetwijfeld

toch is.

Ruth Horna's uitbeelding van de titelrol toont,

dat zij enorm vooruitgegaan is. Wat klinkt dié

stem in alle liggingen mooi en hoe weet zij veelal

Boven: Ruth Hor-

na ah Tosca en Otto

Couperus als Scarpia

in de kapel. —

Rechts: Tosca knielt,

na Scarpia vermoord

te hebben, bg het

lijk neer.

(Foto's Staff/Borrius)

■\mmmm.

de dramatische situatie juist te treffen. Al groei-

end in deze veeleischende taak kan zij zich het

fascineerende element steeds meer eigen maken.

Otto Couperus bevindt zich in de eigenaardige

positie, dat zijn stem de hoogte, .het penetrante

karakter en het volume voor den Scarpia eigen-

lijk mist. Vandaar wellicht ook nu en dan een

lichte detonatie. Te meer moet men het in dezen

artist dan ook bewonderen, dat hij de figuur

treffend uitgebeeld heeft.

De Koster van Henk Angenent vond ik zonder

voorbehoud ideaal. Hij heeft de rol werkelijk ge-

zongen, typeerde het mannetje zeer juist en ver-

viel niet in de charges, welke menige zanger ten

beste meent te moeten geven, als hij deze rol

spelen gaat. Siemen Jongsma frappeerde als

Angelotti wederom door zijn mooi geluid.

Ook de kleinere partijen werden door Jan

Voogt, F. Bosch, F. Mahn en Jo van de Meent

zeer bevredigend vertolkt, terwijl het koor, als

altijd, zich eveneens voortreffelijk van zijn taak

kweet.

Glastra van Loon, die uit het orkest haalde wat

er in zat en speciaal de felle pagina's tot haar

dramatisch recht deed komen, kan hier en daar,

als alles meer ingespeeld raakt, stellig zijn tempo

wel iats versnellen. De manier, waarop hij deze

opera leidde, is waarborg voor een groot aantal

succes-volle uitvoeringen.

De regie bood van alles, wat men zoo gewoon-

lijk in een Tosca ziet, genieten of niet-genieten

kan. Speciaal de processie in I biedt moeilijk-

heden, welker oplossing een glimlach om het

poovere resultaat niet kan doen weerhouden.

Sommige „geestelijken" zijn wel in zeer eigen-

aardige kleedij gestoken.

Het succes liet niet den minsten twijfel om-

trent de bereikte resultaten. Natuurlijk speelt het

kasvraagstuk bij deze keuze een groote rol en dat

is volledig te begrijpen, en daarom kwam de

wensch bij mij op, dat de Italiaansche Stagione

het volgend jaar iets anders moge brengen.

Deze Stagione in dezen vorm verkeert niet in

dezelfde omstandigheden als onze vroegere „Itali-

aantjes" en dan verlangen we hier zeer naar iets

anders dan het overbekende repertoire.

Een Falstaff zouden we gaarne elk jaar hier

hooren en dan ook in Amsterdam, dat er thans

van verstoken moest blijven. Voor deze Matthäus-

Passion der opera-litteratuur is één jaarlij ksche

uitvoering toch stellig niet te veel. En dan den-

ken we — wanneer men toch Puccini wil bren-

gen —- aan diens Tryptichon (Il Tabarro, Suor

Angelica en Gianni Schicchi) en wat Verdi be-

treft aan een Nabucco of een Otello; of om eens

een anderen kant uit te kijken: een juweel als

Don Pasquale van Donizetti, dat inderdaad

alleen door geroutineerde Italianen volmaakt te

CINEMA & THEATER — (ar. 17) 6

, , ._ ^t. . . ..ü-aäEÄ

mmw**®****

Chris Reumer ah Cavaradossi en Henk

Angenent als de koster.

brengen is. Nog heel iets anders zou een werk

wezen als Mose van Rossini, dat hier geheel

onbekend is.

Men heeft — om het eens zeer simplistisch

voor te stellen — uit het overrijke Italiaansche

materiaal slechts te kiezen en over te sturen.

Juist nu blijkt, dat men ook hier de over-

bekende werken zelf goed kan brengen, zou men

zoo gaarne zien, dat de Stagione iets bracht, dat

minder direct met de financiën en meer met de

cultuur-alleen te maken heeft.

THEO VAN DER BIJL.

AANPAKKEN

Wij hebben ons grootsch verleden niet aan het

toeval te danken. Het aanpakken zit ons in het

bloed en als de gelegenheid zich daartoe nist

direct biedt, wel, dan moeten we ons die gelegenheid

scheppen.

Vakstudie is niet gemakkelijk in deze dagen.

Er moet hard gewerkt worden en dan is er niet

altijd de gelegenheid om 's avonds nog lessen te

volgen. Vooral voor hen, die in Duitschland

werken, is dit een groot probleem. De jaren vervliegen

echter snel en stil zitten heeft geen zin.

Wie werkelijk vooruit wil, wete, dat het Langemarck-studium

ook hem de kans wil geven iets

te bereiken.

Nederlandsche jonge mannen, tusschen 16 en

22 jaar, waar zij ook wonen, kunnen zich bij deze

instelling aanmelden voor een voortgezette vakstudie

of, als ze voor het hoogste doel niet terugdeinzen,

voor een academische opleiding.

Het Langemarck-studium, Waalsdorperweg 12,

den Haag, verstrekt hierover nadere inlichtingen.

t OONEELVOORSTELLING VAN ZES UUR.

Het stedelijk theater van Freiburg heeft

onlangs een waagstuk met goed gevolg volbracht.

De trilogie van Hebbel „Die Nibelungen"

werd daar namelijk in één voorstelling opgevoerd.

Achtereenvolgens speelde men: „Der

gehörnte Siegfried", „Siegfrieds Tod" en

„Kriemhilds Rache". De geheele voorstelling

duurde niet minder dan zes uur.

7 (nr. 17) — CINEMA & THEATER

.:,. , _.. ^ ■

mmm

Onze Peter Kreuder-prijsvraag

KRIJGT EEN STAAKTJK I

Wie zoekt een tekst?

Het was Peter Kreuder, door zijn drukke

werkzaamheden en vele reizen, nog niet mo-

gelijk de compositie op een der op onze des-

betreffende'prijsvraag ingekomen teksten te

voltooien. Allen inzenders zij reeds meege-

deeld, dat de redactie van „Cinema & Thea-

ter" haar keuze uit de meer dan honderd in-

zendingen eenige weken geleden heeft bepaald.

Deze keuze werd naar Berlijn gezonden, en

wij wachten thans het definitieve oordeel en

.... de compositie van Peter Kreuder af.

Die inzenders, wier tekst aan den compo-

nist werd voorgelegd , zijn hiervan op de

hoogte gesteld; degenen, die geen bericht van

ons hebben ontvangen, konden helaas niet

tot de bekroonden behooren, hetgeen niet wil

zeggen, dat deze inzendingen onbruikbaar of

slecht zijn. Integendeel, er zijn zeer veel goe-

de onder, alleen. . . . zij zijn geen „schla-

ger"-teksten, doch cabaret- of levensliedjes

— hetgeen heel iets anders is! Eeft „Schla-

ger" vereischt in de eerste plaats veel minder

intrigue; ook het eerste couplet, ja zelfs het

refrein moet op zichzelf tot op zekere hoogte

een-geheel zijn, daar immers meestal niet veel

méér door „het groote publiek" wordt ge-

kend. Bovendien moet ieder couplet precies

hetzelfde rhythme hebben en dit rhythme

van couplet èn refrein moet zeer straf zijn.

Het cabaret- of levenslied echter, waarbij

de woorden over de muziek domineeren, dat

veel minder in het gehoor behoeft te liggen

en veel minder rhythmisch behoeft te zijn (in-

tegendeel, juist accenten verkrijgt door

a-rhythmiek!), moet een verbalenden inhoud

hebben en sneuvelt geenszins bij dichterlijke

vrijheden tegen rhythme en regellengte, ter-

wijl bij de coupletten verschillende muziek

juist zeer gewenscht kan zijn.

Met deze paar aanduidingen — die geen

axioma's willen heeten, alleen reeds omdat de

grenzen tusschen „Schlager"-teksten, caba-

ret- en levensliedjes zeer vaag zijn — be-

oogen wij slechts aan te geven, welke maat-

staven de jury aanlegde, toen zij op zoek

was naar een tekst speciaal voor Peter Kreu-

der ; en zij had zich daarbij dus bovendien

bewust te zijn van het karakter, dat Kreuder's

composities als regel van die van andere suc-

cesvolle componisten onderscheidt. De vol-

ledige uitslag, dien wij spoedig hopen te pu-

bliceeren, moge onze keuze rechtvaardigen.

Inmiddels bleven onder onze berusting als

gezegd tal van Nederlandsche teksten, die het

in een revue, in het cabaret, als levenslied

zeer goed zouden doen. Wij Willen er gaarne

toe bijdragen deze teksten in handen te doen

komen van Nederlandsche componisten, die

teksten zoeken (uiteraard na verkregen in-

stemming der auteurs ; de voor uitvoering ver-

eischte toestemming der bevoegde overheids-

instantie dienen de betrokkenen daarna zelf

aan te vragen). Nederlandsche comfonisten,

revue-artisten, cabaretiers, chansonniers, die

belangstelling hebben voor de bij ons inge-

komen teksten, gelieven ons te schrijven on-

der opgave van het genre, dat zij wenschen.

Men adresseere deze brieven aan de Redac-

tie van „Cinema & Theater", Paulus Potter-

straat 4, Arnsterdam-Z., schrijve linksboven

op de enveloppe en het briefpapier of op de

'briefkaart: ,,Prijsvraag-tekst", verzuime niet

volledig naam en adres te vermelden en ver-

klare aan zijn aanmeldingsplicht bij de Ne-

derlandsche Kultuurkamer te hebben voldaan

en niet te zijn afgewezen.

Aldus hopen wij vele Nederlandsche tekst-

dichters, musici en uitvoerenden tot elkaar te

brengen, die elkaar anders niet gevonden zou-

den hebben. In het belang der Nederlandsche

muzikale amusementskunst!

OPLEIDING TOT . . .

BIOSCOOPBEZOEKER

In Amsterdam bestaat reeds sinds eenigen tijd een

instituut, dat zich bezig houdt met het geven van lessen

in een wetenschap, welke men het best zou kunnen aan-

duiden als „filmkunde". Het doel van deze lessen is

ongetwijfeld nobel: den cursisten wordt een inzicht

gegeven in het wezen der film en alles wat men maar

eenigszins met de film in verband kan brengen, staat

op het rooster vermeld. Er wordt echter met nadruk

de aandacht op gevestigd, dat de cursisten niet moeten

rekenen op een vak-opleiding.

Waarop dan wel?

Ja, dat lijkt ons niet gemakkelijk te definieeren. Er

zijn natuurlijk filmliefhebbers, voor wie de bioscoop

-méér beteekent dan hetgeen er op het witte doek ver-

schijnt, en die graag het naadje van de kous willen

weten. Wij kunnen ons echter moeilijk voorstellen, dat

deze lieden dan niet eigener beweging naar de leeszaal

stappen en zich in de daar aanwezige filmliteratuur ver-

diepen. Voor de belangstellenden die dat niet doen, het-

zij omdat zij het gebouw van de Leeszaal niet weten te

vinden, of om een andere reden nimmer verklarende en

beschouwende filmliteratuur in handen krijgen, schijnt

de ,,filmcursus" bestemd te zijn.

Wij zeggen „schijnt", omdat wij tijdens de eerste les,

die wij bijgewoond hebben, niet den indruk kregen, dat

er iets anders dan geciteerde lectuur over het „ont-

staan van de film" ten beste werd gegeven. Het pros-

pectus vermeldt als docenten een „zeer bekend cineast"

en een „filmjournalist", terwijl het rooster drie en

veertig weke lij ksche lessen van anderhalf uur omvat.

Het valt ons moeilijk te veronderstellen, dat er op

film gebied menschen zijn, die een zoo uitgebreide ken-

nis van allerlei facetten ter beschikking hebben als het

rooster ten opzichte van de twee ,,docenten" preten-

deert.

Wij stonden werkelijk even paf, toen wij aan het

einde der eerste -les den „zeer bekenden cineast" lijn

auditorium hoorden adviseeren om ten kaarsje aan te

steken en schaduwen op den muur te laten vallen, als

men onder den indruk van een aangrijpend film werk

thuisgekomen is.

„Want die schaduwen op den muur," zoo beweerde

hij, „zijn toch eigenlijk precies hetzelfde als de film."

Ook zou, volgens hem, de gedachte aan den operateur

in de cabine van het theater een probaat middel zijn om

eventueele tranen terug te dringen. . . .

Na een eerste les bijgewoond te hebben, kunnen wij

natuurlijk nog geen oordeel over den geheelen cursus

geven, doch wij houden ons hart vast als wij iemand,

met het air van deskundigheid, leukweg het dramati-

sche vermogen van de film hooren ontkennen. Wij zijn

zelfs nog geneigd te veronderstellen, dat de man het

andera bedoelde dan hij zei, doch dat is tegenover een

gehoor van leeken op zijn minst genomen onverant-

woordelijk te noemen.

Het ware wenschelijk, dat deze cursussen vooraf op

deugdelijkheid gekeurd konden worden door vaklieden,

die van de goede bedoeling evenzeer doordrongen zijn

als de organisatoren. Anders lijkt het er veel op dat

ook hier weer een ideëel paardje voor een commercieel

wagentje wordt gespannen. C.

BEKRONINGEN IN

VLAAMSCHE TOONEELPRIJSVRAAG.

De jury van de Duitsch-Vlaamsche Arbeids-

gemeenschap „De Vlag" heeft dezer dagen haar

beslissing bekend gemaakt in een vorig jaar uit-

geschreven prijsvraag voor Vlaamsche en Duitsche

tooneelwerken.

De eerste prijs voor een Vlaamsch blijspel

werd toegekend aan Felix Timmermans en

Dr. Karl Jacob voor „Pieter Breughel", die voor

een Vlaamsch drama aan Frans Demers voor zijn

stuk „Heropstanding".

Het beste Duitsche blijspel was naar het oor-

deel der jury „Till Eulenspiegel" door Friedrich

Hedler. De prijs voor een Duitsch drama werd

niet toegekend.

De bekroonde Vlaamsche stukken zullen in den

Kon. Nederlandschen Schouwburg te Antwerpen

worden opgevoerd. „Till Eulenspiegel" wordt te

Keulen opgevoerd.

LEVENSAVOND VAN KUNSTENAARS.

Te Milaan is een tehuis voor bejaarde zangers

en andere kunstenaars, gesticht door Giuseppe

Verdi. Dank zij den grooten componist brengen

in dit tehuis mannen en vrouwen, die eens

tooneelberoemdheid genoten en door het inter-

nationale publiek toegejuicht werden, hun levens-

avond op waardige wijze door. In het statige en

toch vriendelijke gebouw klinkt nog steeds mu-

ziek, hoort men nog altijd gezang. De musicee-

renden vergeten den last hunner jaren en worden

v weer jong in de illusie tot het verleden terug te

keeren.

In deze omgeving heeft Giovanni Paolucci, een

der beste vervaardigers van cultuurfilms in Italië,

een op hoog peil staand filmpje opgenomen.


■ . ■ ■!'.'■J»..W}IW» .^/.^ipi^lffiW

MARC HOLMAN'S TWEEDE STUK

ER VIEL EEN STER

BU HET RESIDENT1E-TOONEEL

Mare Holman heeft (met zijn stuk ,,Gif") suc-

ces gehad.

Arme Mare Holman!

Want als het tweede boek van een schrijver al-

tijd zeker kan zijn van een slechte critiek en als

een tweede voorstelling altijd de helft minder is

dan de première, hoe gevaarlijk is het dan om

beide slechte~ voorteekenen te combineeren en als

schrijver kort na een debuut met een tweede

tooneelstuk voor den dag te komen, vooral wan-

neer dat van te voren nogal rijkelijk overgoten is

met de saus der publiciteit en geforceerde ge-

heimzinnigheid rondom de persoon van den

maker!

Mare Holman laat in zijn detective-stuk „Er

viel een Ster" (de vèr-gezochte en misleidende

titel heb ik pas in de tram begrepen) een

„wereldberoemde" Italiaansche operazangeres

vermoorden in een kleinburgerlijk pensionnetje

in den Achterhoek. Zij had een bom duiten

(maar hoe komt zoo'n buitenissige vrouw dan uit-

gerekend in zoo'n stom vervelende gribus terecht ?)

en zij had veel liefde te geef. Zij is niet meer in

den bloei harer jeugd (en Mimi Boesnach moest

zich met een zwarte pruik en veel tandengekners

zoo onaantrekkelijk mogelijk maken, wat haar

met moeite gelukte). Zij heeft een secretaris, die

nog wel iets méér is ook, maar die intusschen

een jongeren jaargang heeft uitgekozen in de ge-

daante vän een allerliefst holderdebolder-meisje.

En de manier, waarop dan deze secretaris sinds

het opgaan van het doek tot aan haar dood in

het „tusschenspel" voor de pauze zijn groote,

maar vallende „ster" uitkaffert en in haar bijzijn

met haar opvolgster vrijt, gaat alle perken te

buiten — zelf naar het mij voorkomt die van den

goeden smaak. Het is altijd een zwak teeken.

wanneer een schrijver zijn personages zoo houte-

rig opstelt, dat bij elke claus dubbel onderstreept

moet worden : „Ik heb de pest aan jou en haar

vind ik aardig". Meer „tusschentoonen" alstu-

blieft I

Zoo'n beetje onbehouwen is eigenlijk dit heele

stuk. dat ook in zijn soort niet bepaald een hoog-

vliegertje is, maar misschien nog net genietbare

kost voor wie zijn aardappels maar op één manier

weet te eten. En omdat wij — dunkt mij —

terecht eischen zijn gaan stellen, niet alleen aan

onze tooneelspeelkunst, maar ook aan onze

tooneelschrijfkunst, heb' ik tegen dezen nieuwen

Mare Holman nogal ernstige bezwaren.

Het is gemaakt naar het aloude recept der

„thrillers". De persoon, aan wie ons tenslotte het

minste gelegen is, wordt kort voor de pauze koud

gemaakt. En terwijl zwaardere stukken dan mees-

tal na de pauze met een complete rechtzaal terug-

komen, wordt in lichtere stukken, zooals dit, de

tooneelkamer afgestaan aan een min of meer

snuggeren inspecteur van politie, die na „niemand

er in en niemand er uit!" geroepen en een komiek

mannetje op post gezet te hebben, iedereen die

we voor de pauze aan het woord hebben gezien,

aan den tand voelt. Meestal is dan juist de per-

soon, aan wie ons voor de pauze het mééste ge-

legen was, de sigaar. Dijt is in dit geval niet zoo.

Variatie II van dit soort stukken is namelijk,

dat men in eens een hoogst onopvallend persoon-

tje op den voorgrond schuift en langzamerhand

zooveel kwaad van hem of haar gaat vertellen

wat wij tevoren nog niet wisten of konden weten,

dat we hem of haar tenslotte met een zucht van

verlichting aan het snel vallende doek over-

leveren.

Nu kan men dit beproefde schema volgen .


mits men er of tóch nog weer een origineele draai

aan weet te geven (zoo werd bv. de moord al eens

door den vermoorde zelf begaan, ook wel eens

door den schrijver, of door de zaal) — of zijn

eigen procédé zelf parodieert. Noch met het een

noch met het ander wist Mare Holman weg. Hij

voert zichzelf in dit stuk ten tooneele, wat allicht

kan omdat iedereen wel weet dat er toch geen

Mare Holman bestaat. Maar hij doet het nogal

ijdel en zonder zelf-ironie. De tooneel-Marc

Holman (door Jan Retel licht gespeeld) is een

onuitstaanbaar manneke, van het slag dat „rustig

z'n gang gaat en het allemaal wel geweten heeft".

Had hij nu zelf de „Italiaansche nachtegaal"

maar vermoord! Maar nee, hij is alléén maar

snugger en laat zich daarover bewierooken!

Een moord is echter — zelfs in een detective-

stuk — niet iedermanswerk en een vrouw ver-

moord te weten, is nooit prettig voor de zenuwen

van de toeschouwers, tenzij er alle aanleiding

voor was. Die'was hier niet. Mijn sympathie bleef

althans volledig aan de zijde van de vermoorde

en ik was geneigd om uit te roepen „'t Is toch

niet wäär?"

Het kon eigenlijk ook moeilijk waar zijn, want

in dit stuk is de psychologie maar bedenkelijk

zwak, de onwaarschijnlijkheden zijn te groot en

te doorzichtig en de figuren zijn voor de pauze

maar even in niet erg sprankelende dialogen stuk

voor stuk aangetipt, terwijl rij na de pauze alle-

maal lange verhaleh doen of dankbare zwarte

handel-mopjes maken en de heele handeling dus

voorgoed is stopgezet, nadat er nog nauwelijks

iets gebeurd was, behalve „de moord".

Gegeven en uitwerking zijn eerlijk gezegd nog-

al banaal. Wanneer een dilettant-tooneelschrijver

„veel menschen" in één kamer noodig heeft, kiest

hij altijd het veelbespotte „pension". Zoo ook

Mare Holman. Als er iets buitenissigs moet ge-

beuren, kiest een dilettant-tooneelschrijver altijd

een stelletje „vreemdelingen", die eigenlijk nie-

mand letterlijk en figuurlijk thuis kan brengen,

daarvoor uit. Zoo ook Mare Holman. Wat zwak

is bv. zoo'n aanhangsel van zoo'n Hongaarsche

morphinist (ook al in zoo'n achterhoeksch pen-

sionnetje!), die voor de pauze een paar seconden

zijdelings en in zwaar „verinneweerden" toestand

binnen komt stuiven om vooral óók maar even

mee „verdacht" te worden. En wat zeldzaam on-

sympathiek is zoo'n patjepeejer. van een secre-

taris geteekend, nog wel zóó'n hoofdrol dat Paul

Steenbergen hem moest spelen — om hem dan de

nogal realistische minnaar te doen worden van

de eenige persoon in deze bonte volière, waarnaar

ons hart uitgaat: het jonge meisje, dat door Rini

Otte met dankbare verve werd gespeeld!

De eenige.... dat is niet heelemaal waar.

Mare Holman heeft een klein figuurtje „naar

het leven" geteekend, en dat is de vrouw van een

suffen dokter-met-een-verleden, zoo'n heerlijk

huis-tuin- en keukenvrouwtje, dat allerliefste

stomme en onnoozele dingen zegt en toch dage-

lijks naast ons kan staan, in een winkel, in .gen

pensionkamer of. . . . in een schouwburg. Marie

Meunier-Nagtegaal gaf aan dit figuurtje die

juiste zorgzaamheid en dat levensechte, dat voor

mij de grootste winst van de voorstelling was.

Men merkt het dikwijls in niet zoo erg geslaagde

stukken, dat zij juist aan figuren, die anders op

liet tweede plan staan, de beste kansen geven.

In deze. overigens door Bets Ranucci met zorg

geregisseerde voorstelling waren het niet de groo-

te talenten Jan Retel, Paul Steenbergen, Mimi

Boesnach en Coba Keiling, die immers met hun

rollen geen raad wisten. Maar zoo'n uitgelaten

meisje als Rini Otte en vooral dat heel beschei-

den en natuurlijke burgermansvrouwtje van

Marie Meunier.

Ik zou overigens Mare Holman zelf wel eens

in een minder intelligente rol of nog liever heele-

maal niet zelf op het tooneel willen zien. Mis-

schien schrijft hij dan achter de schermen met

iets minder gemak en iets meer diepte en over-

gave een beter stuk! HENRIK SCHÖLTE.

Mimi Boesnach ah de Italiaansche zange-

res met Coba Keiling (links) in Mare Hol-

man'« nieuwe Stuk. (Foto Sdiimmelfetiningli)

C/NE MA &» THEATER — (nr. 17) 8

::\:,:^

Mmmmmmmwwwm

De vroolijke vrouwtjes van Windsor

BIJ HET DEUTSCHES THEATER

Shakespeare's klucht over de vroolijke vrouw-

tjes van Windsor heeft verschillende malen tot

het operalibretto geïnspireerd. De vermaardste

verwerking van het oude gegeven is wel Verdi's

„Falstaff" en hoewel een vergelijking op zuiver

kunstzinnige grondslagen steeds in het voordeel

van den grooten Italiaan zal moeten uitvallen,

kan Otto Nicolaï's opera „Die lustigen Weiber

von Windsor" toch wel een avond het muziek-

lievende gemoed bezig houden.

Met opzet zeg ik, dat het als muziek meer be-

vrediging schenkt dan als tooneelspel. Er ont-

breekt datgene, wat men zeker in den tegenwoor-

digen tijd in het gecombineerde spel van muziek

en theater zoekt, nl. vaart en actie. De handeling

ontwikkelt zich in dit libretto nogal traag en in

Shakespeare's erigineelen tekst van drie. eeuwen

terug is heel wat meer vlotheid te vinden. Maar

de muziek is in dit geval de redding, zoowel door

haar zangerige en pakkende melodie als door

verdere kwaliteiten. De componist Nicolai, een

beroemdheid op operagebied in zijn tijd (1810-

1849), heeft hier wel het beste gegeven, wat in

hem was en hét is om deze reden, dat van zijn

Onder: De „vroolijke vrouwtjes". Me-

vrouw Fluth (Jeanette Wenzel) en Mevrouw

Reich (Dorothee Grelle) beramen de poets,

die zy den ouden gek Falstaff zullen bak-

ken. — Rechts: De jaloersche Fluth door-

zoekt het huis naar den „minnaar" Falstaff.

Boven: Falstaff (Sanders Schier) snijdt op

over zijn verovering; links Fluth (Theo

Lienhard. (Foto's Peter Tijssen/Slaff)

werken juist deze opera, die thans bijna honderd

jaar oud is, tot heden, repertoire heeft gehouden.

Het „Deutsches Theater" heeft het werk hier ten

tooneele gevoerd kort na de Amsterdamsche opera.

Weliswaar kwam men ook ditmaal tot het tref-

fen van vergelijkingen met Verdi, omdat dit

seizoen de Italiaansche opera ons de „Fall-

staff" nog kort geleden heeft gebracht. Niettemin

is de waardeering groot genoeg en ook al heeft

men hier niet te doen met een onsterfelijke schep-

ping, er is niet veel in Nicolaï's partituur, dat

uitgesproken zwak of zelfs maar verouderd kan

worden genoemd. Het romantische accent ver-

staan wij nog altijd.

Voorts is er een lichtheid van toets, die ook het

moderne oor aangenaam aandoet, en tenslotte is er

weer een vertrouwdheid met het melodische ele-

ment, die vele wendingen als goede en oude be-

kenden doet begroeten. Reeds de ouverture brengt

dat contact tussehen spelers en auditorium, dat

het succes, al is het dan geen louter kunstzin-

nig, bij voorbaat vastlegt.

Regisseur f/ans Strohbach heeft van deze voor-

stelling wel iets weten te maken, maar tooh

behoort dit werk tot de enkele sporadische in-

zinkingen, die het speelseizoen van het „Deut-

sches Theater" tot nu toe hebben gekenmerkt.

Na het grootsche werk „Sly" komt deze opera

wel als een anti-climax en iets dergelijks hebben

wij in den loop van den winter reeds kunnen con-

stateeren na de zeer goede „Don Giovanni", toen

..Der Barbier von Sevilla" ook al een terugtocht

van een eens gestelden standaard beteekende

Knfin, laten wij zeggen, dat wij verwend zijn.

En tenslotte dient men te bedenken, dat van

een dankbare speelopera hier eigenlijk niet kan

wo.den gesproken. De dansen van elfen en woud-

beesten in het derde bedrijf verlevendigen een

traag tooneelbeeld en brengen een prettige ver-

ademing.

Het is tenslotte de muziekliefhebber, die —

ook al was het orkest niet zoo op dreef en bleven

eenige zangers en zangeressen nu en dan beneden

hun kunnen — bevredigd het gebouw verlaat.

Want hij heeft aan het einde volledig genoten en

bekende motieven blijven nog lang in zijn oor

nazingen. Zoodat ook deze minder geslaagde op-

voering haar wezenlijke waarden heeft.

W. H. A, VAN STEENSEE VAN DER AA,


JÜÊÊ$&

Jan de Ruiter ah „Narcissus",

Het Amsterdamsche Concertgebouw, met het

kämmet je van zijn harp in top, rust breeduit als

een muzikale kloekhen op het stadsbeeld. En zoo-

als advocaten rondom het gerechtshof, tramcon-

ducteurs rondom hun remise wonen (men vergeve

mij deze uitzonderlijke vergelijkingen), zoo

wonen de muzikanten, de impresario's en de

dansers rondom den muziektempel.

Eén huis heeft het welhaast onder zijn vleugels

genomen en dat huis heeft op zijn manier een

Groote en een Kleine Zaal, en ook daaruit klinkt

muziek op, zelfs bij nacht en ontij. Het is echter

een hoogst eerbiedwaardig huis en het heeft uit

gemakkelijker dagen een telefoon overgehouden.

Als men dat nummer opbelt, weet men nooit of

een Spaansche danseres,

een Hindoe-dansspecialiste

of een Friesche ballet-

danser tusschen de muziek

door zal antwoorden.

De laatste heet Jan de

Ruiter en hij is ondanks

zijn Zeeuwschen naam een

ras-echte Fries. Hij ziet er

naar uit: slank, lichtblond

met dat dunne Friesche

haar, waar de wind altijd

vat op schijnt te hebben,

zwijgzaam en hardnekkig.

Men zou hem zonder be-

zwaar den grootsten Frie-

schen danser ter wereld

kunnen noemen, want hij is

de eenige. Nog nooit is een

jongen uit Leeuwarden van

zijn moeder weggeloopen

met de woorden: „Mem, ik

ga naar Leistikow!" En

toen Leistikow het tengere

geval, dat bedremmeld voor

haar stond, zag, moet zij

ook gezegd hebben wat

Tacitus zei (of was het

Cicero?) : „Frisia non. ..."

,, Oogenblik, lezer — ik

ben in de war, maar het

gymnasium is ook al lang

geleden. Tacitus zei „Frisia

non cantat" ofwel ,,men

zingt niet in Friesland". En

Cicero, de oude brompot,

zei: „Nemo saltat nisi

ebrius", ofwel „niemand

danst tenzij hij boven zijn theewater is". Maar

moeder de Ruiter voegde beide Romeinen samen

én rei: „Een Fries, die ballet wil dansen, moet

nog geboren worden". Hetgeen sinds twintig jaar

blijkbaar even onjuist was als de andere be-

weringen sinds tweeduizend.

Jan de Ruiter, een onzer heel weinige ballet-

dansers, die een volledige technische beheersching

van het aloude métier paart aan een gave voor

zelfstandige choreografie en een deugdelijk lei-

derschap over een reeds meer of minder geschoold

„corps de ballet" — werd destijds leider van het

Nederlandsch Ballet, helaas een te vroege en te

vooze concentratie van al onze weinige ballet-

krachten dat het slechts één seizoen uithield, en

daarna Van de Haagsche Balletgroep: op het

oogenblik de eenige Nederlandsche ballet-groe-

Zondagmiddag! Een tot den nok gevuld Ge-

bouw van K. en W. in Den Haag. Veel kinderen,

troepen kinderen. Ze joelen en lachen en praten

en roepen van beneden naar de hoogste galerij,

waar weer andere kinderen over de balustrade

hangen. Daartusschen door tal van moeders en,

dank zij den Zondag, ook enkele vaders, die over

het algemeen het escorte naar een kindervoorstel-

ling overlaten aan moeder de vrouw.

Dan een Indianen-gekrijsch. Het brandscherm

gaat op. Het jeugdig publiek weet wat dit te be-

teekenen heeft. Hernieuwd gejoel: nu splijt ook

het doek vaneen en opeens valt de stilte. Plots

hebben de jeugdige toeschouwers zooveel te kijken

en te luisteren, dat ze zelf er stil van worden.

Een leuk tooneel met aan den eenen kant een

poppenwinkel en de school en aan den anderen

kant een aardig huisje met bloempotten voor het

venster. En op het schoolplein een menigte kin-

deren, nee maar! en allemaal leuk gekleed. Daar

beginnen ze te dansen en te zingen... zóó zou

je het zelf ook willen kunnen. O, kijk, dat eene

meisje is een zusje van vriendinnetje Mies en

daar, nee, zeg, die jongen, dat is heel gewoon

Anneke in de handen van de heks uit Het

Betooverde Bosch.

^wm kitj^m^im^^mii^mmmm^m

JAN DE RUITEPVER HET BALLET

peering naast de terecht befaamd geworden

school van Yvonne Georgi.

De Haagsche Balletgroep is een plant uit den

wonderlijken tuin van Jaap Koo] en dus een

zusteronderneming van de Nederlandsche Kamer-

opera. Nu is het een der eigenaardigheden van

een kameropera, dat er reeds krachtens haar

naam geen plaats is voor een corps de ballet bij

hare voorstellingen en dat die dus zelfstandig

gegeven moeten worden. Over deze Haagsche

Balletgroep is dit seizoen reeds eenige malen met

lof in deze kolommen geschreven, zonder dat het

steeds sterker in dansen en vooral in balletdansen

geïnteresseerd rakende publfek er het fijne van

weet. Vandaar dat wij Jan de Ruiter op den man

af om opheldering zijn gaan vragen.

„Dat het Nederlandsche Ballet het niet uit-

hield, kwam niet, zooals men wel eens gedacht

heeft, omdat het in een zoo groote groepeering

om zooveel hoofden zooveel zinnen ging. Het

mankeerde alleen aan de zakelijke basis: we

waren met teveel menschen, te weinig gelegenheid

om op te treden, geen eigen theater, geen eigen

publiek. Maar de werken die wij vertoonden, zoo-

als de „Préludes" van Debussy onder choreogra-

fie van Iril Gadescov en mijn „Mozart Suite",

toonden juist wat reeds mogelijk was. En wat

mogelijk zou moeten zijn. Want niet iedereen is

zoo gelukkig geweest om sindsdien een plaats te

krijgen in Yvonne Georgi's balletgroep van de

Amsterdamsche Opera, of in die van het Deut-

sches Theater of in de Haagsche Balletgroep. Er

zijn, op een oogenblik dat juist vrij veel talenten

van een jongere generatie aan de markt waren,

verschillenden naar het buitenland vertrokken,

die wij hier hadden moeten houden en die nu in

Posen of in Rijssel of waar ter wereld ook dansen.

Er zij n andere prachtige balletkrachten, als Anna

Rimskaja, die ten onrechte aan de revue zijn

afgestaan. Er zijn daarnaast, die in het geheel

geen emplooi meer hebben en niet meer optreden,

terwijl zij in hun beste kracht zijn en hun

jaren heenvlieden. Vaak komen zij bij mij en

klagen over dat wat niet kan, nóg niet kan. Zij

zouden willen wat voor een balletdanser, in

tegenstelling met den solist die slechts af en toe

optreedt, hoofdzaak is: werken en nog eens wer-

ken aan het harde ambacht. Overdag aan de

barre, 's avonds op de Bühne: die ijzeren tucht

en die regelmaat wil elke balletdanser! Het mooie

van het streng vormelijke ballet is juist de hou-

KINDEREN ZIN

óók een meisje. Dat woont immers vlak bij je in

de straat. Dat dat kind zóó kon dansen en zoo

leuk comedie spelen, dat had je toch zeker niet

gedacht. En dan die afgemeten schoolmeester,

óók een meisje, dat had je op het programma

kunnen lezen. „Echt" deed ze het.

Dan kwam de eigenaar van den poppenwinkel,

die den volgenden dag honderd jaar zou bestaan

en wat die allemaal te vertellen wist van de be-

tooverde poppenfee en hoe eens alle poppen

's nachts om twaalf uur aan het dansen waren

gegaan. De kinderen, aan wie hij dat allemaa'

vertelde, hadden het dolgraag willen zien. Geluk-

kig vertelde de poppenbaas het allemaal zóó dui-

delijk, dat de kinderen op het tooneel het zagen

in hun verbeelding en... . de kinderen en groote

menschen in de zaal het in werkelijkheid kregen

te zien. Het was een alleraardigst ballet, dat,

van de levende poppen en heel wat executantjes

kregen een open doekje.

Eigenlijk was dit allemaal slechts een inlei-

ding. Want toen begon het sprookje van „Het

Betooverde Bosch" eerst recht. Want hierna kwa-

men ook de groote kinderen uit school en gingen

allen naar huis. Ook Anneke, die bleek te wonen

in dat leuke huisje met de bloempotten vlak bij

school. Om half zes vroeg zij moeder of zij haar

CINEMA & THEATER — (nr. 17) 10

' ^.A-*.


vast die het geeft. Al het andere vervaagt. Alleen

de heel grooten kunnen er misschien buiten.

Maar het ballet is dagtaak. En de opleving in de

balletkunst in dezen tijd komt misschien juist wel

door die behoefte aan houvast, aan tucht, aan

training onder de dansers. Als we maar een vast

ballettheater hadden! Maar ja, dat kan niet. We

hebben nog maar nauwelijks een begin van een

publiek. Wij hebben hier nooit een eigen opera

gehad, dus ook geen ballet. Vooral in de kleinere

steden is het publiek nog soms zoo onwennig

tegenover het klassieke ballet. Men weet soms niet

wat men in dié plaats of in dié zou moeten

spelen. Men zou wel eiken avond eerst door het

gaatje in het gordijn willen kijken en dan pas

beslissen: vanavond dansen we Strauss, of Pou-

lenc, klassiek of modern".

Ik vraag de Ruiter waar hij zelf dan het

meest van houdt en tot mijn groote voldoening

bekent hij zich tot den meest strengen vorm van

het klassieke ballet, het „ballet blanc". Er komt

vuur, het ware Sint Elmusvuur van den dans, in

zijn lichte oogen als hij zegt;

„Ik geloof onvoorwaardelijk in het klassieke

ballet! Er is voor mij geen hoogere dansvorm

dan het ballet blanc, een „Sylphides" van Chopin

of een „Lac du Cygne". Maar het is tevens de

allermoeilijkste vorm en het vraagt een groot

corps de ballet met vaste verdeeling der obligaat-

partijen — het vraagt minstens dertig tot veertig

menschen op het tooneel. En die kunnen wij nog

niet leveren. Ik zoek dan ook het volgende jaar

naar kleiner bezette werken en ik zou, na „Fest

im Süden" van Blacher, waarmee de Haagsche

Balletgroep dit jaar debuteerde, de „Aubade" van

Poulenc willen dansen, of zijn nieuwe „Les Ani-

maux Modernes", of Debussy's „Boite aux

Joux"."

Het is alles buitenlandsch, veelal Fransch

repertoire en ik herinner hem aan zijn keurig en

fleurig gedanste Nederlandsch ballet op den

„Dag van den Omroep". Het is toch niet zonder

reden, dat juist buitenlandsche choreografen zoo-

vaak de Nederlandsche en Vlaamsche motieven

voor hun balletten kiezen, terwijl zij in eigen

land nauwelijks tot stand ^komen.

„Ja, als er maar eigen muziek voor gecom-

' x poneerd werd! Ik heb plannen voor een groot,

zuiver Nederlandsch ballet op een sterk en leutig

Frans Hals-motief."

En zoo komen wij vanzelf te praten op den

mmm*F*m*****m

GEN EN SPELEN

vader in het bosch tegemoet mocht als hij van

zijn werk kwam. Moeder vond het goed, onbe-

wust, wat haar kleintje allemaal zou gaan be-

leven. Want in het bosch kwam zij bij de kabou-

ters, die haar overhaalden te gaan zoeken naar

het prinsje Peter, dat door een heks betooverd

was en dat alleen door een menschenkind kon

worden gered. Anneke wilde dat natuurlijk

graag doen. Maar o, toen raakte ze even zelf in

de macht van de heks, maar gelukkig had zij

een tooverfluitje en een gouden tooversléuteltje

van den kabouterkoning gekregen en met behulp

van die attributen sloeg zij zich overal doorheen.

Het gelukte haar het prinsje te onttooveren en

veilig thuis te krijgen.

Een alleraardigste kinderoperette, door Chris

Hofland ingestudeerd met een heele schaar kleu-

ters (de kleinste was stellig niet veel ouder dan

vier of vijf jaar) en grooteren. Hij heeft alle eer

van zijn werk. De operette zat goed in elkaar;

hier en daar was dankbaar gebruik gemaakt van

de partituur van bekende componisten en de kin-

deren waren rolvast. Een enkele aarzeling, nu ja,

maar over het algemeen liep het vlot van stapel.

Vooral het dansen van het kleine grut was heel

aardig; er waren heel wat kleine elegantjes bij.

De Elfendans en de dans van de Vuurkinderen

11 (nr. 17)

CINEMA é» TH EAT EU

L . . ^

achterstand, dien ons land,

dat toch — muzikaal be-

gaafd als het in het al-

gemeen 'is en met zijn

vaak prachtige gestalten

vooral voor jonge danseres-

sen — zooveel goede krach-

ten zou kunnen opleveren,

in te halen heeft. Maar het

ballet in zijn herleving, zijn

tucht, zijn durf en zijn over-

gave is met reden eerst een

kind van dezen tijd. Toen

Jan de Ruiter begon te dan-

sen, was hier nauwelijks van

eenige balletopleiding spra-

ke. Danseressen van naam

rieden hem het ballet af.

„Daar krijg je alleen maar

dikke beenen en dikke bibs

van", was haar meening.

Eén was er: een bescheiden

en nooit genoeg gewaar-

deerde vrouw, die -zelf bij

de revue werkte en die thans

in vergetelheid in Brussel

woont: Tamarova.

Zij was geen choreografe

van beteekenis, njaar zij gaf

les in de moeilijke, eeuwen-

oude, koninklijke techniek

der vijf posities en honder-

den passen met hun Ftan-

sche namen als geen ander!

Aan Tamarova dankt Jan

de Ruiter zijn scholing, zoo

goed als Rimskaja, Steffa

Wine, Han Rijnbeck en

allen, die de ballettechniek in de dagen voor

Georgi in eere hielden. Later kwam Schwertzoff

er korten tijd bij. Maar hij was zelden hier, zat

dan hier dan daar en verdween tenslotte geheel.

Toen kwam Jan de Ruiter twee jaar bij Georgi in

den tijd van haar eerste balletten in los-vast ver-

band voor de Wagnervereeniging. De tijd, dat zij

reeds de „Copélia" durfde te brengen en de

„Diana" van Alex Voormolen en Beethoven's

„Prometheus", waarin de Ruiter den Eersten

Man, de thans ook in de Haagsche Balletgroep

werkende Marie-Jeanne van der Veen de Eerste

Vrouw, Alfred Hiltmann den Prometheus en

Georgi zelf de Pallas Athene danste.

Het is alles nog maar recente historie. Alle^

is nog in staat van Wording. Yvonne Georgi

heeft reeds ontzaglijk veel goed en moeizaam

waren snoezig. Heel geslaagd was ook het

Heksenballet, dat trouwens door oudere meisjes

werd uitgevoerd.

De zaal genoot, zoowel jongeren als ouderen,

elk op zijn wijs. Moeders zagen met verteedering

het kleine grut in zijn artistieke evoluties en het

jonge publiek vereenzelvigde zich met de kleine

acteurs en actrices. Tusschen de bedrijven draaf-

den ze in lange slierten door de zaal, het ballet

imiteerend of krijschten ze den heksenkreet.

Een middag, waarop allen met genoegen kun-

nen terugzien, Chris Hofland zeker niet in de

laatste plaats. Hij heeft eer van zij n werk gehad!

Niet alleen had hij de geheele operette ingestu-

deerd, maar hij zorgde ook voor de uitstekende

begeleiding aan den vleugel. Het kapwerk vau

Van Loon Jr. mocht er eveneens zijn en de aar-

dige kleurige costuumpjes droegen er toé bij

allerlei scènes tot oogverrukkende tafereeltjes te

maken.

Alleen: de opvoering duurde wel wat lang.

Het was niet ver van zes uur toen wij huistoe

gingen en. . om twee uur was het spel reeds

begonnen. B. M. VAN DEN ENDE.

Flipje op weg naar den koning uit Het

Betooverde Bosch. < Fol °'' st '* ,)

Jan de Ruiter en Liselole Bade in het

„Rondo Turc" uit Mozart's Sonate.

(Foto's Godfried He Gr not)

„grondwerk" verricht. Het voorbeeld van het

Deutsches Theater werkt stimuleerend. En ook

de Ruiter's Haagsche Balletgroep, die dit seizoen

zijn voorstellingen onder de aegide van de

Nederlandsch-Duitsche Kultuurgemeenschap gaf,

helpt langzaam maar zeker een nieuwe en ge-

zonde traditie opbouwen van het ballet, dat, de

stormen der eeuwen en alle protesten van het

dans-individualisme ten spijt, zich handhaaft in

zelfbezinning op oer-oude vormen èn vernieuwing

daarvan naar dei» geest! HENRIK SCHÖLTE.


Rabenalt, die een groot bewonderaar is der

Kransche filmkunst (ook jaren lang in Fransche

studio's werkte), heeft deze bewondering in

.,Mijn vrouw Teresa" zichtbaar gemaakt. Een op

zichzelf niet erg sterk verhaal werkte hij uit tot

een licht, mousseerend brokje filmlyriek. Het is

een vermakelijk geval geworden van persoonlijke

verteltrant.

De regisseur schreef het draaiboek niet. Willy

Clever componeerde dit naar den roman „Meine

Frau Teresa" van Ellen Fechner. Echter, voor

zoover wij Rabenalt en regie-aspiraties kennen.,

moet hij er van meet af aan met den neus boven-

op hebben gestaan.

De lyriek der film Zij zoekt het in het

verraden van het détail, in het laten spelen van

voorwerpen evenzeer als van menschen. Zij zoekt

het in vloeiende overgangen van scènes, in een

vlugge, rhythmische montage, in kernachtig

beeldrijm. Zij heeft een camera noodig, die zich

durft te bewegen. Die begeerig is de allerindivi-

dueelste intimiteiten op te zoeken. Hiervan, met

minder gevoel voor discretie dan voor het ver-

teederend menschelijke, ab een amusant enfant

terrible te getuigen.

De lyriek der film, ontstaan toen de close-up

geboren werd, toen de Amerikaan Griffith op de

gedachte kwam de camera mobiel te maken, was

vooral den Franschen toevertrouwd in den loop

der jaren. De Fransche film, zooals zij de liefde

verheerlijkte, den haat, de jalouzie, de hebzucht

leven in blies, kon men in de eerste plaats „de

film-in-den-ik-vorm" npemen.

Van haar tradities toont de Weener Rabenalt

zich met „Mijn vrouw Teresa" een adept.

Soms nog iets te breedsprakig, te lang van

mmm^^m^^^^mmm^mm^iFw^Kmmmmm^mwmm^mi^m^

„11101

stof. Doch het goede overtreft de tekortkomin-

gen. Blijft Rabenalt in dezen vorm, hetgeen ook

van zijn opdrachten afhangt, dan kunnen wij bij-

zonder plezier van hem beleven.

Na deze kleine uitweiding — het heeft zijn nut

af_ en toe oog te hebben voor de wederzij dsche

beïnvloeding der nationale filmculturen — volgt

in het kort de inhoud:

Een beroemd romancier. Peter Dühren, heeft

een bijna volmaakt huwelijk gesloten met de

charmante Teresa. Peter, Teresa en hun model-

huisknecht Alfons, die op rijn typische wijze

verknocht is aan Teresa, wanen zich die eerste

maanden als kinderen in een paradijs. De klad

komt erin, zoodra een al te voortvarend uitgever

zonder Peters medeweten reclame gaat maken

voor „den nieuwen Dühren", een boek, dat een

ernstige roman zijn zal. Dermate grootscheepsch

is deze reclame, dat Dühren onmogelijk meer

onder de opdracht uit kan. Waar haalt hij echter

ßij de foto's: Rechtsboven: Zóó kwam een

uit het sfan geraakte huisknecht, wien het

inbrekersvak eigenlijk niet ligt, aan een

nieuwe kans zijn echte beroef meer uit te

oefenen. Een charmante vrouw wilde hem wel

helfen (Harald Paulsen en Elfie Mayer-

hof er) . — Links-midden: HeJ. gelukkige

echtpaar (Elfie Mayerhofer en Hans S'óhn-

ker) in een wereld, die geen zorgen kent. —

Links onder: Na de scheiding moet de echt-

genoot zonderlinge capriolen maken om zijn

eigen vrouw te kunnen spreken (Elfie Mayer-

hofer en Hans Söhnker). — Linksboven:

„Wie is die man?", vraagt de bruidegom. En

de man is de nieuw-aangenomen bediende, die

den avond te voren nog inbreker was, thans

als getuige bij het huwelijk optreedt (Harald

Paulsen, Rolf Weih, Hans Söhnker, Elfie

Mayerhofer). — Rechts-midden: Een geluk-

kige vrouw spreekt over liefde (Elfie Mayer-

hofer). — Rechtsonder: Het succes van het

nieuwe boek verrukt iedereen, behalve den

schrijver. (Rolf Weih, Hans Söhnker, Mady

Rahl, Otto Graf). (Frto'tTMt)

CtNF.MA & THEATER — fnr. 17) 12

V

een ernstig gegeven vandaan? Zijn huwelijks-

geluk is volkomen. Die kleine Teresa is een min-

nares uit duizenden. Onder dergelijke omstandig-

heden vermag een auteur uitsluitend vroolijk te

schrijven. Teresa en Alfons helpen mee, wat zij

kunnen, om het dilemma op te lossen. Teresa's

pogingen maken Peter tot een nog verliefder

man. Eindelijk krijgt hij zijn ingeving. Hij zal,

waarheidsgetrouw, den roman van zijn eigen ge-

luk schrijven, ten vermake, maar vooral ter

leering.

De roman komt uit als een jubileumgave der

uitgeverij. Hij bereikt enorme oplagen. Teresa's

geluk ontvangt echter een barst. Peters „schaam-

teloos verraad" van hun teederheden, van de ver-

voering van hun liefdesspel, geeft haar het ge-

voel hulpeloos en naakt in de kou te staan. Over-

al waant zij lezers van Peter, die op haar wijzen,

om haar lachen, zeggen; ..Dat is nu die Teresa

uit het boek ..■.', !".

Ss MIJN VROUW TERESA

„Meine Frau Teresa"

Een TOBIS-film

Draaiboek: Willy Clever naar den gelijknamigen

roman van Ellen Fechner. — Muziek: Ernst Erich

Buder. — Camera: Eduard Hoesch. — Decors:

Erich Grave en Erich Schweder. — Opnameleiding:

Rolf Geile. — Productiegroep: Fritz Klotzsch.

Regie: ARTHUR MARIA RABEN ALT

Rolverdeeling:

Teresa Elfie Mayerhofer

Peter Döhren, haar man Hans Söhnker

Dr. Georg Bruckner, zijn vriend Rolf Weih

AI. Fleming, Teresa's vriendin . . Mady Rahl

Alfons, huisknecht Harald Paulsen

Dr. Grothe, uitgever Otto Graf

Haase, reporter • Fritz Böttger

13 fnr. 17)

CINEMA & THEATER

Alfons wordt niet minder geschokt tot in het

diepste van zijn ziel. Enkele huisvrienden, de op

Teresa verliefde Bruckner (Rolf Weih) en de op

Peter verliefde Alexa Fleming (Mady Rahl),

komen Peter eveneens de heftigste verwijten

maken. Hij heeft het zelfs aangedurfd hèn ten

voeten uit te beschrijven.

Teresa, gechaperonneerd door Alfons, verlaat

de woning met opgestoken zeil. Peter weet niet,

wat hij moet bedenken zijn vrouw terug te win-

nen. Zijn verleidingskunst doet al veel. Maar

niet alles. Het is een wijze, onbekende oude

dame in den trein, die Teresa's moeilijkheden

raadt en haar als geneesmiddel den nieuwen

succesroman „Mijn vrouw Teresa" adviseert. Die

Teresa, zegt de oude dame, laat pas zien, wat een

vrouw van het leven kan maken . . !

Teresa stapt aan het eerstvolgende station uit.

Zij keert terug en schenkt den ondernemenden

Peter de kans het toch nog volledig met zijn vér-

leidingskunsten te winnen.

Dit laatste gedeelte is het zwakste van het

gegeven. Vaart, geestige dialoog, grappig ge-

vonden situaties en die persoonlijke verteltrant

van Rabenalt helpen de film over de zwakte heen.

Daarbij vooral niet te vergeten de prestaties der

spelers in de drie belangrijke rollen: Elfie

Mayerhofer als Teresa, Hans Söhnker als Peter,

Harald Paulsen als Alfons.

Ik zag Elfie Mayerhofer weinig, ik hoop haar

meer te zien onder dit soort regie. Klein, elegant,

vitaal en lief als zij is. De waardige, in achter

decorum verborgen toewijding niet te overtreffen

Alfons van Paulsen, verdient een standbeeld.

P. BEISHUIZEN.


KIRSTEN HEIBERG

Het is — vergeeft u mij deze onkiesche ver-

gelijking — waarschijnlijk gemakkelijker een

vloo te vangen dan een buitenlandsche filmster te

spreken te krijgen, die tijdelijk in ons land ver-

blijft, tenminste, als men hem of haar wil treffen

buiten de enerveerende spanning van de studio-

ruimte.

Drie maal had ik reeds getracht Kirsten Hei-

berg, die een der hoofdrollen vervult in de film

,,Die goldene Spinne", die thans in Amsterdam

wordt opgenomen, in haar hotel telefonisch te be-

reiken, doch steeds was het antwoord, dat de

gezochte zich niet in haar apartementen bevond.

De vierde maal — het was op een avond dat ik

opbelde — deed de portier, die mijn stem al bleek

te kennen, mij met de bereidwilligheid, zijn vak

eigen, een middel aan de hand. „Belt u morgen

om half acht," zei hij, ,,om acht uur is zij altijd

al de deur uit."

Ik heb zijn raad dankbaar opgevolgd. Om half

acht, den volgenden mocgen, verzocht ik den por-

tier mij met Kirsten Heiberg te verbinden. Een

oogenblik moest ik wachten. Toen klonk in mijn

linker oor een onthutste vrouwenstem, die ver-

stoord vroeg wie het daar waagde zoo onmensche-

lijk vroeg al op te bellen.

Het lot was mij kennelijk niet gunstig gestemd.

Juist dien ochtend behoefde Kirsten Heiberg nu

eens niet om half negen in de studio te rijn en

wilde zij eens heerlijk uitslapen. . . .

Ondanks deze weinig bemoedigende introductie

gelukte het mij een afspraak te maken en dien

middag trof ik haar in de hotelhall. Zij bleek de

ontijdige storing van haar welverdiende nacht-

rust, die ik onbewust veroorzaakt had, gelukkig

alweer vergeten. Ik kan mij trouwens een zoo

beminnelijk persoontje als Kirsten Heiberg on-

mogelijk boos voorstellen. Overigens kan men

uit deze geheele historie leeren, dat filmsterren

óók gewone menschen zijn, die geregeld hard

.... werd ontijdig gewekt

moeten werken en even blij rijn als u en ik, als

het klokje van gehoorzaamheid eens een ochtend

wat later slaat.

Kirsten Heiberg is geen Duitsche van oor-

sprong. Haar voornaam doet reeds vermoe-

den, dat haar wieg iji een der Scandinavische

landen heeft gestaan en dat vermoeden wordt

door haar zelf bevestigd, als zij vertelt, dat zij

geboren is in Noorwegen, in een kleine kust-

plaats, doch dat haar ouders al zeer vroeg naar

Oslo verhuisden.

Dan volgt de traditioneele vraag, hoe zij haar

roeping bij de film gevonden heeft.

,,Die roeping," zoo vertelt zij, „heb ik al heel

jong gevoeld, ofschoon ik toen nog niet aan de

film dacht. Mijn ouders, hoewel zelf niet in het

métier, hadden een grqote belangstelling voor de

kunst en onder onze kennissen bevonden zich dan

ook verschillende toneelspelers. Al spoedig

kreeg ik zang- en declamatieles en op nog zeer

jeugdigen leeftijd stonÄ ik voor het eerst op de

planken. In Oslo heb ik gespeeld, en ook bij het

National-theater Bergen. In dienzelfden tijd

kreeg ik mijn eerste filmrol, in een kleine Noor-

sche productie."

„Bent u van Noorwegen in Duitschland

terechtgekomen ?"

„Neen, eerst kreeg ik een engagement in

Stockholm en tijdens mijn verblijf in Zweden heb

ik ook nog aan vier Zweedsche films mee-

gewerkt."

Ik vraag, of de taal, eerst in Zweden en daarna

in Duitschland, geen moeilijkheden heeft opge-

leverd. Het onderscheid tusschen Zweedsch en

Noorsch ligt dikwijls alleen maar in een klem-

toon of een nuance, maar ook dat dient bij film

en tooneel volkomen te kloppen.

Ja, Kirsten Heiberg geeft volmondig toe dat

het wel eens moeilijk was, maar zij heeft zich

steeds beijverd om de .voor haar vreemde talen.

Rechtsboven:

Kirsten Hei-

berg, die tvij

van het tritte

doek kennen

als „gevaarlij-

ke vroutc" in

een harer ty-

pische crea-

ties in „Goud-

honger". —

Links: Kirsten

Heiberg met

Benjamino

Gigli in „De

moordzaak

Franchetti".

'Foto's Üfa/To-

his I Italia).

die zij bij haar spel buiten Noorwegen moest ge-

bruiken, zoo snel mogelijk meester te worden.

Haar grootste sprong maakte zij in 1937, toen

zij een contract in Weenen kreeg. Drie maanden

lang trad zij in het „Theater an der Wien" op

in een muzikaal blijspel en het was bij die ge-

legenheid, dat zij den componist Frans Grothe

leerde kennen, met wien zij in Januari 1938 in

Oslo in het huwelijk trad. Daarna, in Berlijn,

eischte de film haar weer op, en zoo is het sedert-

dien gebleven. Zij heeft al in heel wat Europee-

sche filmcentra gespeeld en vooral aan de

Italiaansche „Cinecitta" bewaart zij mooie her-

inneringen.

Welke rollen rij het liefst vertolkt ? Niet de rol-

len die wij haar in de films „Goudhonger", „De

moordzaak Franchetti" en haar andere Duitsche

rolprenten zagen spelen. Kirsten Heiberg

speelt bijna altijd „gevaarlijke vrouwen", zooals

kroegzangeressen en spionnen. Ook nu, in „Die

goldene Spinne" speelt zij weer een Russische

spionne, die in vier verschillende gedaanten op-

treedt. Waarom het fatum van dergelijke rollen

op haar rust? Waarschijnlijk is haar buiten-

landsch accent er ook wel schuld aan.

Haar ideaal is echter eens op te treden in een

eenvoudige en sympathieke creatie, „Desnoods in

lompen", zoo verzucht zij.

Of zij wel eens heimwee naar haar geboorte-

land heeft ? „Doorloopend!" is het antwoord.

Maar haar werk laat haar niet veel tijd om in

een lange vacantie Noorwegen te bezoeken. Sinds

Maart van het vorige jaar heeft zij onafgebroken

gewerkt, onder andere aan de film ,,Tita!nic",

„Liebespremière" en „Die Philharmoniker von

Berlin", die wij alle te zijner tijd in Nederland

hopen te zien.

Wat zij van Holland denkt?

„Reizend!" is het enthousiaste antwoord. Voor-

al Wassenaar, alwaar zij voor de opnamen in

Den Haag verbleef, heeft haar hart gestolen. Zij

heeft echter nog niet veel tijd gehad voor touris-

tische uitstapjes, want de film eischt haar voort-

durend op. En dan vertrouwt zij mij toe, dat zij

zoo graag eens een tijdje rustig thuis zou zijn, in

Berlijn, waar haar man, Frans Grothe, als leider

der af deeling amusementsmuziek van den „Reichs-

rundfunk" werkzaam is.

Laat ons hopen, dat zij daartoe spoedig de

gelegenheid zal vinden. Zij heeft het, na zulk een

werkzaam jaar — haar laatste vacantie was in

Maart 1942 — zeker verdiend! C.

■INF.M.4 & THFATFft — rnr. 17» \\

ifti

L-CA-o

m

* ■.,.;;.... ■

ipli

Msspr

■i ■

\— Il -/)

mÊÊk

AxoA


'Wmmmß' mtmmm

LOGÉ-PLEZ1ER

Een kort verhaal door AUG. MOOK

Den eersten avond dat tante Trees bij

ons was, zijn we met haar naar het Theater-

der-Duizend-Sensaties gegaan. Natuurlijk!

We voelden er niets voor om den heelen

avond met haar thuis te moeten zitten en

dan allemaal verhalen te moeten aanhooren

over niet-leggende kippen en hoe gezellig

het vroeger toch eigenlijk wel was. We

hadden haar dus voorgesteld om met zijn

drieën: mijn vrouw, tante en ik uit te

gaan: écht „uit" ....

Natuurlijk kon ze zich onmiddellijk met

het plan vereenigen: ze was niet naar de

stad gekomen om daar nu bij de familie

te gaan zitten of zich op andere wijze te

vervelen, maar ze was gekomen om de

wereld te zien. Ze zou toch al niet te lang

blijven en daar ze nog enkele andere fami-

lieleden moest bezoeken, wilde ze haar tijd

goed besteden: het plan kwam haar dan

ook in één woord uniek voor, als we maar

niet naar een film gingen! Films zag ze

genoeg: lederen Zaterdagavond had ze

haar vaste plaatsje in het Olvmpiatheater:

dat was eigenlijk het eenige amusement

wat ze kende. ledere première maakte ze

zoodoende mee en ze kende die Zarah

Rühmann en dien Willy Leander en al die

andere sterren of ze met hen was school

gegaan.

Maar ja, nu ze dan bij ons was, wilde

ze graag wat anders en zoo werd het het

Theater-der-Duizend-Sensaties, ofschoon

Toos (dat is mijn vrouw) er niet zoo bijster

veel voor voelde. Maar goed . . . voor een

tante, die ergens ver weg uit de provincie

komt en de wereld wil leeren kennen, moet

je wat óver hebben en doe je een heeleboel

en laat ik maar meteen zeggen : het viel

mee!

Het programma begon precies een kwar-

tier te laat en het was prompt een kwartier

■eerder afgeloopen dan aangekondigd en. . .

tante genoot. Hoorbaar van het rolletje

zuigzuurtjes, waar ze nog net een bonnetje

voor had gehad en zichtbaar van de gru-

welijkheden, die er op de Bühne gedemon-

streerd werden: er trad een messenwerper

op, die letterlijk in den blinde een aantal

broodmessen de zaal inkeilde, die daar

door een half-ontbloote juffrouw op een

plankje werden opgevangen, er was een

rijwielnummer op een gespannen koord,

halsbrekende toeren in den nok van de too-

neelruimte door de drie Fal-Der-Appies.

die tot slot van hun prestaties een duik

Met een teekening vnn F. van Bemmel

namen in een teil water, die ze van te voren

beneden hadden neergezet, maar de Fal-

Der-Appies bleken aan een touw te hangen

dat aan hun enkels bevestigd was, en zoo

was er nog meer.

Daar moest je nou toch voor in de groote

stad zijn, meende tante: zoo iets zag je bij

hen in het dorp nooit... Ze was er stil van.

In de pauze gingen we naar de foyer,

waar we een ice-cream-soda dronken om

af te koelen van de sensatie-hitte, en waar

tante zoo lekker van smulde, dat Toos

voorstelde er nog één te nemen, met welk

exemplaar tante aantoonde over ice-cream-

soda verslind-capaciteiten te beschikken,

die niet gewoon wären.

Na de pauze werd het programma van

het Theater-der-Duizend-Sensaties nog

ééns zoo sensationeel en met een gerust

geweten durf ik thans te zeggen, dat ik

blij was dat het afgeloopen was: ik was

er beverig van geworden ....

Den volgenden avond wilde tante naar

neef Jan. Noch mijn vrouw noch ik voelde

er iets voor om met haar mee te gaan, waar

ze gelukkig ook heelemaal niet op aan-

drong, sterker nog: ze toonde zich zelfs

eenigszins verheugd dat ze alleeh kon

gaan! Toen ze echter bij hallf elf thuis

kwam en we haar vroegen hoe het geweest

was, gaf ze een vrij afwezig antwoord, dat

ons van verder vragen afhield. Ja, het was

wöl leuk geweest. . . „Ik ga direct naar

bed".

Toos en ik keken elkaar eens aan: het

bezoek was zeker niet in goede aarde ge-

vallen, maar toen ik neef Jan den volgen-

den morgen opbelde om eens te hooren of

er iets geweest was, moest ik tot mijn

groote verwondering vernemen, dat hij

tante heelemaal niet 'bij zich gezien had!

Toen ik thuis kwam zei ik natuurlijk niets

en toen tante het er na het eten over had,

dien avond graag eens alleen te willen uit-

gaan, meende ik niet beter te kunnen doen

dan haar haar gang te laten gaan. Toen ze

echter vertrokken was, schoot ik mijn jas

aan en de deur uit en volgde haar op een

paar honderd meter: haar houding was

meer dan vreemd ....

Ik had mijn vrouw gezegd even een

boodschap te moeten doen, zoodat mijn

detective-achtig optreden niet de minste

achterdocht verwekte. Zoo volgde ik tante

Trees zonder dat ze er iets van bemerkte:

ze stapte resoluut en kennelijk vast-besJo-

ten regelrecht door, haar doel wetend.

Kunt u zich echter voorstellen dat ik stom-

verbaasd was haar opeens in het Theater-

der-Duizend-Sensaties te zien verdwijnen?

Dus dat was het en ik twijfelde er niet aan

of zij had daar ook den vorigen avond

doorgebracht. Toen ik even later thuis

kwam en mijn vrouw mijn ontdekking

mededeelde, glimlachte deze: ze had name-

lijk het bewijs van mijn- ontdekking ge-

vonden in den vorm van een in elkander

gefrommeld entreekaartje, dat tante onder

het bed in de logeerkamer had geworpen.

Die tante toch! En toen ze dien avond thuis

kwam en we, om haar op de proef te stellen,

vroegen hoe ze het gemaakt had, knikte ze:

„Goed! Het is fijn weer buiten...." en

anders zei ze niet....

Toen kwam de laatste avond dat tante

bij ons was.

„Luistert u eens", zei ik dien middag

tegen haar: „Nu bent u hier nog één

avond: Eergisteravond bent u naar neef

Jan geweest en gisteravond bent u zelf

uitgegaan, maar nu zouden wij voor dien

Tante sfnulde heerlijk T/a» de ice-cream-soda.

CINEMA (V THF.ATF.R — (nr. 17) 16

laatsten keer toch nog wel eens met zijn

drietjes kunnen gaan. Wat denkt u daar-

van?"

Ja, tante Trees vond het prima: en zoo

vervolgde ik mijn inleiding met de vraag

waar tante nu wel graag naar toe zou wil-

len. En toen keek die ouwe tante ver-

teederd en er vloog een glimlachje

vol zoetigheid over haar vriendelijk oud

gezicht: ze vond het lief en leuk en aardig,

maar ze had dan eén verzoekje: één klein

verlangen en misschien zouden we het wel

vreemd vinden, maar ze zou nog zoo graag

eens naar dat Theater willen ... dat had

ze zoo mooi gevonden ... Dat Theater met

al die sensaties ....

Toos en ik keken elkaar eens veelbetee-

kenend aan, maar och, wat doe je in zoo'n

geval? En dien avond trokken wij dus ten

tweede male in één week naar het Theater-

der-Duizend-Sensaties en gruwelden weer

bij den man, die levende goudvischjes naar

binnen slikte, en onze adem stokte bij de

bewegingen van de vrouw, die op een om-

gekeerd bierglas op een rijwielrad boven

op een bal op een paaltje op drie tafels een

sigaret aanstak .... en we genoten in de

pauze weer van de ice-cream-soda ... Uit

pure dankbaarheid bood ook tante een

rondje ice-cream-soda aan, maar Toos en

ik bedankten, doch tante geneerde zich niet

en werkte met hetzelfde enthousiasme als

ze was begonnen, ook het derde glas met

ijs en spuitwater en schuim naar binnen . . .

En toen is tante weer weggegaan ....

terug naar haar akkertje met boerenkool

en terug naar haar kippen, naar haar

huisje in het verre dorp. Maar drie dagen

later kregen we een brief van haar:

„Beste kinderen.

Ik dank jullie nog wel voor de dagen,

die ik bij jullie heb mogen doorbrengen.

Het weer viel gelukkig nog al mee: ik heb

mijn parapluie niet noodig gehad, ofschoon

het weerglas toch niet erg best stond. De

kippen zijn blij, dat ik weer terug ben. Het

is toch maar een mooie stad bij jullie. Ik

hoop het volgende jaar weer te komen,

want die glazen met dat ijs en dat vruch-

tensap waren onvergetelijk. Ik heb nog

nooit zoo iets lekkers geproefd. En niet eens

duur: voor vijfenzeventig cent zoo'n heel

ding. Zoo iets kun je hier toch maar niet

krijgen. Het is alleen jammer dat je daar-

voor al die kunstenmakerij moet gaan zien,

want waarvoor doen die lui allemaal zoo

gek? Laten ze gewoon doen. Dat noemen

ze nou sensaties! Ik noem het maar onzin:

als ze dat hier in het dorp zouden geven,

ging geen mensch kijken. Maar wat was

dat goedje lekker, kinderen. „Daar zou ik

wel pap van lusten," zou vader vroeger ge-

zegd hebben. Ja! Daar hebben jullie me

een reuze plezier mee gedaan... Volgend

jaar gaan we er weer naar toe, maar dan

moeten jullie mijn rondje ook opeten! Nog

wel bedankt! Jullie Tante Trees."

Toos en ik hapte"n lucht....

17 (nr. 17) — CINEMA & THEATER

VAN VROUW TOT VROUW

KINDEREN EN TOONEEL.

Dat was een festijnI Mijn dochtertjes, die haar

moeder zoo vaak naar den schouwburg hadden

zien trekken, zouden nu ook eens mee mogen. Er

was een kindervoorstelling — kinderen zouden

een operette opvoeren en ik vond, dat ik dit mijn

meisjes niet mocht onthouden.

Ik behoef u natuurlijk niets te vertellen van

de opwinding vooraf, van alle vragen, die om

mijn ooren gonsden, van de gewichtige bespre-

kingen over hetgeen ze „aan" moesten — die

kleine ijdeltuiten! — en van de gewichtigheid,

waarmede zij het programma, dat ik mij bij het

plaatsbespreken alvast had aangeschaft, bestu-

deerden. Een heele lijst van tooneelfiguren met

meisjesnamen er achter. „Zijn dat allemaal kin-

deren hier uit de stad, moeder?" En ik antwoord-

de, dat die kinderen vermoedelijk alle stad-

genootjes waren. „Wat een glorie moet het voor

die kinderen zijn hun namen zoo gedrukt te zien

staan I" ging het door mij heen, maar toch,

heelemaal paedagogisch verantwoord leek het mij

niet, de jeugdige acteurs en actrices met naam en

toenaam te vermelden.

Laat ik mij daar echter niet in verdiepen en

liever wat van de opvoering zelf zeggen. Na het

spannend wachten kwam' de dag, waarop het

festijn zou plaats hebben. Natuurlijk nog dolle

opwinding tijdens de koffietafel en in de tram en

dan ineens, bij het binnenkomen, een ongekende

bevangenheid. Vijf minuten lang wel hadden ze

niets in te brengen. Maar toen zagen ze een

vriendinnetje en ze holden uit de stoelenrij er op

af en daarmede was het ijs gebroken.

Ik zou niet durven zeggen, wat voor kinderen

het verkieselijkst is: een voorstelling, door vol-

wassenen gegeven, speciaal voor kinderen ge-

schikt gemaakt èf een voorstelling door kinderen

gegeven. Mij dunkt: het laatste is natuurlijker,

al heb ik nog zulke prettige herinneringen —

evenals trouwens mijn meisjes — aan de sprook-

jes, waarop ik boven doelde.

Voor volwassenen heeft het wel een heel bij-

zondere bekoring al die kleuters op het tooneel

te zien. Er wären echte peuters bij. Ze stalen je

hart en verteederden je, al was het alleen maar

om een hoed, die wat te diep over het hoofdje

zakte, zoodat An achterbuurvrouw verzuchtte,

dat ze het tooneel wel zou willen opgaan om het

kind te helpen.

Den heelen tijd moest ik denken hoe goed het

eigenlijk is kinderen aan dergelijke tooneel- of

operette-opvoeringen te laten meedoen. Hoe vlot

leeren ze zich bewegen: het dansen krijgt zóó

meer beteekenis dan wanneer ze op „dansles"

gaan en de moderne foxtrott e.d. leeren. Dit

dansen moet toch heel wat meer zin hebben. Zoo

leeren ze ook spelenderwijs goede manieren.

Werkelijk, het instudeeren van een operette kan

de „legons de maintien", waarmede onze groot-

moeders werden geplaagd, vervangen. Ook

leeren ze vrijmoedigheid.

Ik zal trachten mijn dochtertjes ook aan zoo

iets te laten meedoen, want gemakkelijkheid in

hun optreden zal hun steeds te pas komen in het

leven. En op die manier leeren ze ook weer eens

andere kinderen kennen dan die op school.

Alleen: ik zou een beetje toekijken op de rol,

die hun werd toebedeeld. Er was een kleintje, dat

voor „babypop" moest spelen en deswege met

niet veel meer dan een zwembroekje aan tijden-

lang op het koude tooneel moest staan. Neen.

daar zou ik mijn kind niet aan wagen. Per slot

hoeft een baby-pop niet precies drie kwart bloot

te zijn om „echt" te lijken. In den winter en het

vroege voorjaar zie ik een baby toch maar het

liefst in een lekker wollen truitje. Waarom een

levende baby-pop dan niet warm ingepakt?

Met dat al was het een genot en opgetogen

trokken wij alle dris huiswaarts, waar vader

werd onthaald op geestdriftige verhalen en te

hooren kreeg, dat hij best mee had kunnen gaan.

Er waren immers méér vaders!

THEATERBEZOEKSTER.

Pluk

uit den

aether

Niet alleen aan het jonge

groen is het nieuwe leven

te bespeuren, ook door den

aether dient het geluid van

een nieuwen tijd zich aan.

Een reeks van goede pro-

gramma's brengt dagelijks

afwisseling, ontspanning en

ontwikkeling in meer dan

IJ millloen huiskamers.

En 10 tegen 1 dat U ook

figuren en klanken uit film

en theater zult kunnen

beluisteren.

DE NEDERLANDSCHE

OMROEP ^f

Vrienden van film-

en theaterland,

Stemt dus af op den

301 of 41 SM. band!

aEnßo-


COSI FAN TUTTE

Het genie Mozart is nog steeds onpeilbaar, ook

al zijn er uitvoerige studies aan zijn leven en zijn

talrijke werken gewijd. Geleerde musicologen en

andere schrijvers over muziek hebben zich in zijn

scheppingen verdiept. Misschien is het juist een

bewijs voor Mozarts grootheid en verhevenheid,

dat hq, wanneer hem de lust daartoe bekroop,

ook kon zijn als de gemiddelde tijdgenoot, dat hij

„gewoon" kon zijn met de „gewonen".

In het vocaal-dramatische oeuvre van den

componist neemt „Cos! fan tutte" niet de voor-

naamste plaats in. Het meesterschap, dat door de

eeuwen zelden geëvenaard, maar nimmer over-

troffen is, openbaart zich niet in dit werk, dat

inderdaad ook van een van zijn thans vergeten

tijdgenooten zou kunnen zijn. En toch: het is

zulke knappe en bevallige muziek, dat men er

meer dan een avond volkomen bevrediging in kan

vinden. Een melodie welt op, zoo onbevangen en

zoo geïnspireerd, dat het dwaasheid ware te vra-

gen naar haar diepere beteekenis. Men vraagt ook

niet naar de beteekenis van een roos; haar

schoonheid rechtvaardigt immers zichzelf! Naast

zijn grootsche creaties, waarin het rijpe leven in

zijn onderscheidene vormen is gekristalliseerd,

schiep Mozart zijn luchtige muziekjes, evenzoo-

vele bekoorlijke bloemen in een snel geplukte

bouquet.

Tot deze muziekjes, met alle respect voor den

arbeid, behoort ,,Cosi fan tutte". Een werk als

het onderhavige mag voor de Kamer-Opera wel

ideaal heeten en daarom kan worden gezegd, dat

de greep uitermate gelukkig is geweest. De zes

jonge zangers en zangeressen, die zich hier in dit

ensemble onder leiding van Jaap Kool hebben

vereenigd, hebben bij de Haagsche première, die

een langen toer door ons land is voorafgegaan,

met vreugde en toewijding gekweten van een

taak, die ondanks de lichtheid van het werk bij

lange na niet valt te onderschatten. Alleen al niet

om de speltechnische eischen, die hier naast het

vocale deel worden gesteld en die om rasactenrs

vragen.

Men denke zich het verloop van de handeling

in. Twee jonge officieren, Guglielmo en Ferran-

do, scheppen op over den trouw van hun verloof-

den, de lieve zusjes Fiordiligi en Dorabella en

hun levenswijze vriend Don Alfonso staat maar

vrij sceptisch tegenover zulke verhalen. Hij durft

er om te wedden, dat elke trouw in ontrouw kan

verkeeren. wat de aanleiding wordt tot een zot

plan, waarvan Alfonso de leiding op zich neemt.

Aldus wordt eerst een mobilisatie gefingeerd, die

de officieren naar hun troepen roept. De zusjes

zijn ontroostbaar over het afscheid. Doch het

dienstmeisje Despina, een klein lichtzinnig wicht.

komt de dames over haar verdriet heenhelpen

door haar frivole visie op de liefde kenbaar te

maken. Intusschen heeft Alfonso de beide brui-

degoms als Albaneezen doen verkleeden en deze

beide exotische mannen worden door hem binnen-

gebracht. Zij beginnen prompt de zusjes het hof

te maken, doch de trouw wint het van de ver-

leiding, ook al helpt Despina, die in het complot

is betrokken, een handje mee. De beeren meenen

zeker hun weddenschap te winnen en gaan er

zelfs toe over een zelfmoordscène te simuleeren.

Proestend van het lachen laten zij zich weer tot

leven wekken om dan te ontdekken, dat de dames,

die eerst niets van de Albaneezen wilden weten,

toch over hun levensmoeheid in onrust zijn ge-

raakt en een meer dan normale belangstelling

voor de nieuwe aanbidders aan den dag zijn gaan

leggen. De Albaneezen verlangen door een kus

geheel te worden genezen. Maar die krijgen zij

nog niet zoo spoedig. Eerst moeten Despina's in-

blazingen nog wat doorwerken en dan begint

Ferrando's bruid, Dorabella, de attenties van

Guglielmo wel prettig te vinden, terwijl Fiordi-

ligi heel goed met Ferrando begint op te schieten.

Na voortgezette veroveringspogingen is het dan

eindelijk zoover, dat de paren zijn verwisseld.

De beide officieren hebben thans met

eigen oogen den ontrouw kunnen consta-

teeren en zij zijn er danig van in de war.

Doch Alfonso vergoelijkt alles: de meisjes

zijn nu eenmaal zoo en zij volgen slechts

de roepstem van de natuur. „Cosi fan

tutte", zoo doen zij allemaal! De wraak

op de aperte trouweloosheid wordt thans

beraamd; de comedie zal tot de huwelijks-

plechtigheid voortduren. Plotseling weer-

klinkt tromgeroffel, de armee keert huis-

waarts tot groote ontsteltenis van de zus-

jes. De aanbidders worden vlug verstopt,

doch verschijnen spoedig weer in hun ware

gedaante. Bekentenissen volgen, verzoe-

ningen worden bezegeld, maar Alfonso

heeft zijn weddenschap gewonnen.

Er is heel wat tooneelroutine voor noo-

dig om een dergelijke klucht aanvaardbaar

en zonder overdrijving te spelen. Met des

te meer genoegen kan men vaststellen, dat

het ensemble hier over het algemeen zeer

wel in is geslaagd. Indien hier een aan-

merking op het eindproduct zou kunnen

worden geplaatst, dan zou men kunnen

wijzen op een minder gewenschte neiging

tot de operettesfeer, die aan het wezen van

de opera, ook al is zij komisch, zoo gauw

afbreuk doet. Ongetwijfeld kan dit op

rekening worden gebracht van den Duit-

schen regisseur Hans Strohbach, die hier-

mmmmmmm

Links: Een rroolijke scène. — Onder: De

paren, waar alles om draait: Ferrando en

Dorabella (Chris Haverne en Lidy van der

Veen) en Guglielmo en Fiordiligi (Anton

Eidering en Nelly Smit). (Foto's C.N.F.)

door blijk geeft de tegenwoordig in het Duitsche

operatheater heerschende opvattingen te volgen.

Vastbesloten als men is de opera „populair" te

maken, gaat men gemakkelijk over tot een al te

groote lichtheid van toets, die de gaafheid van

het kunstwerk als zoodanig in gevaar kan bren-

gen. Niettemin heeft Strohbach uitstekend werk

geleverd.

Het ensemble is met de vrouwelijke krachten

het sterkst bezet. Lidy van de Veen en Nelly

Smit zijn lieve zusjes, die de respectievelijke rol-

len van Dorabella, de dweepzieke en impulsieve

en van Fiordiligi, de ernstige en beschouwende,

met de noodige overgave vertolken. Lidy van de

Veen was zeer goed in haar aria, waarin zij haar

verdriet over den vertrekkenden geliefde uit, ter-

wijl Nelly Smit haar in haar bravour-aria op ge-

lijkwaardige wijze secundeert, wanneer zij den

opdringerigen Albanees bruut afwijst. Tops van

den Berg was een speelsch kamerkatje, dat haar

dartelheid volkomen natuurlijk loost in tal van

spontane bewegingen en in een levendige mimiek.

Daarentegen houdt de volledige waardeering van

het mannelijke element eigenlijk bij den tenor

Chris Taverne (Ferrando) op. Want Anton Elde-

ring is niet mijn ideaal van zangkunst en hoewel

hij de rol van Guglielmo wel leven weet in te

blazen, zijn de musische tekortkomingen altijd

een bezwaar. Anton van Heyningen (Alfonso)

daarentegen kan zingen, doch tooneelactie is zijn

specialiteit niet. Te vaak vindt hij zijn houding

niet en te vaak staat hij bij een gemis aan de gave

van „stil spel" naast de vertooning.

Muzikaal was alles zeer behoorlijk afgewerkt.

Hiervoor past erkentelijkheid aan den dirigent

Wim Quispel, die het slagvaardige orkest vaak

tot een pure Mozartsfeer, zoo uiterst moeilijk te

verwezenlijken, weet te brengen. Voorts verleende

het koor „Nederlandsche Sangherconste" onder

directie van Jef Somers zijn medewerking, die

vocaal veel beter geslaagd mocht heeten dan

dramatisch. Want deze zangers, die in de tweede

acte ten tooneele moeten verschijnen, bewogen

zich nog wat onwennig over de planken. Al met

al echter een voorstelling, waaraan het succes in

verschillende steden van ons land niet vreemd

zal zijn, mede ook door de welverzorgde costu-

meering. De Kamer-Opera heeft hiermede haar

bestaansrecht zeker bewezen.

W. H. A. VAN STEENSEL VAN DER AA.

C/NEMA. & YHEATER — (nr. 17) 18

.

;,.•.....

tiet tweede Uuitsche 1 heater

debuteert te JLrnnem met

„SCHÖN IST DIE WELT"

Toen het Duitsche Theater in Nederland

eenigen tijd in Den Haag en van daar uit ook in

verscheidene andere plaatsen van ons land zijn

opvoeringen had gegeven, bleek de noodzakelijk-

heid naast dit ensemble nog een tweede Duitsche

troep in ons land te vestigen. Het gezelschap te

Den Haag, dat meestal grootsch gemonteerde

opvoeringen geeft, kon daarmee niet in de klei-

nere plaatsen van ons land komen omdat de

accomod^tie van zaal en tooneel daar in den regel

ontoereikend is.

Het tweede Duitsche theater, dat thans te Arn-

hem is gevestigd en waarvoor het gezelschap van

het Rheinisches Landestheater uit Neuss naar ons

land is gekomen, heeft daarom tot taak gekregen

in de kleinere en middelgroote plaatsen van ons

land, dus meer in de provincie de Duitsche kunst

te brengen, niet alleen voor de daar verblijf hou-

dende Duitschers maar tevens voor de vele be-

langstellende Nederlanders. Ook in ander opzicht

zal het tweede Duitsche theater een aanvulling

van het eerste zijn. Brengt dit namelijk in hoofd-

zaak de serieuze kunst, tooneelspel en opera, het

gezelschap te Arnhem zal zich voornamelijk met

kunst van lichter gehalte bezighouden en zang-

spelen, operettes en waarschijnlijk in de toekomst

kleine opera's ten tooneele brengen. Het is ge-

dacht als een specifiek reizende troep, die van-

daag misschien in het Noorden en morgen in het

Zuiden van ons land optreedt.

Met dit alles moet men rekening houden als

men de opvoering beoordeelt, waarmee Zaterdag

17 April in den Arnhemschen Schouwburg het

tweede Duitsche theater in Nederland officieel

werd geopend en die door tal van autoriteiten,

waaronder ook den Rijkscommissaris, Rijks-

minister Dr. Seyss Inquart, werd bijgewoond.

Men had voor de openingsvoorstelling de

operette „Schön ist die Welt" van Franz Léhar

gekozen, een werk dat in Nederland minder be-

kend is dan bijvoorbeeld „Das Land des

Lächelns'" doch alle goede Léhar-eigenschappen

bezit. De muziek is knap geschreven, bekoorlijk

en melodieus. Zang-melodieën uit deze operette,

zooals „Schön ist die Welt", „Frei und jung

dabei", „Es steht vom Liebe so oft geschrieben"

en vooral ook „Liebste glaub' an mich, denn ich

liebe dich" zijn populair geworden, ook bij zeer

velen die de operette zelf nooit hebben gezien.

Het gegeven is wel een beetje poover en niet bijs-

ter origineel. Een voor elkaar uitgezochte prin-

ses en prins, die al bij voorbaat niets van elkaar

willen weten doch incognito bij de eerste kennis-

making smoorlijk verliefd op elkaar worden,

hebben wij al in tal van operettes en films zien

optreden. Van heel veel belang is dit overigens

niet daar goede muziek ook het simpelste gegeven

aanvaardbaar kan maken.

Regisseur Robert Sawallich (de intendant van

het gezelschap) had de voorstelling smakelijk

geënsceneerd en Harald Quedenfeld zorgde voor

decors, die wel vrij sober waren, maar het toch

uitstekend deden.

De regisseur zelf gaf een knappe uitbeelding

van een typischen operette-koning en Lee Wie-

denbruch leverde als hertogin Marie goed tegen-

spel. Vocaal de beste kracht van het gezelschap

is ongetwijfeld de sopraan Rosemarie Bollenbeck.

Zij zingt gemakkelijk, heeft een goed dragende

stem, die ook in de hooge toonen mooi van klank

blijft en daarbij acteert zij zeer behoorlijk. Haar

tegenspeler, de tenor Rudi Heinz, was een vlot

acteerende prins, die als zanger het best is in

lyrische pa&ages.

19 (nr. 17)

_^^^___^_

CINEMA & THEATER

Een goed komisch duo bezit het gezelschap in

Lissy Kampf-Erkath en Hans Erich Kreibich,

een paar echte operette-artisten, die op bijzonder

aardige wijze een liefdespaar uitbeelden. Dan

moet Fritz Beckmann nog genoemd worden als

een komieke hoteldirecteur. Bij de namen der

vertolkers van kleine partijen zagen wij die van

den Nederlander Albert Heineman, die nog niet

zooveel jaren geleden op de Amsterdamsche plan-

ken een populaire operette-bariton was. Hij heeft

in deze voorstelling niet gezongen zoodat wij niet

konden beoordeelen of zijn stem nog haar oude

kracht en glans heeft behouden. Het koor zong

gedisciplineerd en bewoog zich goed op het

tooneel. Dirigent Herbert Doge, die accuraat

leidde, had de beschikking over een goed klin-

kend orkest. Tilly Schwarz-Zorn zorgde voor

enkele aardige dansen, die door de ballettroep

charmant werden uitgevoerd.

Na afloop werden tientallen bloemstukken het

podium opgedragen hetgeen de feestelijkheid van

deze première, die als besloten voorstelling ge-

geven werd, verhoogde. Den volgenden avond is

in den zelfden Schouwburg de eerste voorstelling

voor het publiek gegeven. Daarna komen tal van

andere plaatsen aan de beurt. Het tweede Duit-

sche 'Theater heeft zijn moeilijk werk, reizend

door Nederland (het gezelschap beschikt over

twee autobussen), aangevangen en zal in vele

zalen amusement, in duizenden harten een tikje

vroolijkheid brengen. In Arnhem zal de troep

iedere week een voorstelling geven in den Stads-

schouwburg. Het ligt in de bedoeling binnenkort

nog verscheidene andere operettes ten tooneele te

brengen, waaronder Léhar's „Lustige Witwe" en

„Das Land des Lächelns". TJ. DE BOORDER.

Een scène uit „Schön ist die Welt" van

Franz Léhar, zooals het door het „Rheini-

sches Landestheater Neuss" te Arnhem

wordt opgevoerd. (Foto Staff/Borrius)

^i^^in^mßmß^mimm^v- ■'

-1;.,,.,

FRANSCH TOONEELSTUK

OVER WAGNER.

De ballingschap van Richard Wagner in Zwit-

serland heeft de Fransche tooneelschrijver Saint-

Cieorges de Bouhélier tot onderwerp van een

tooneelspel gekozen, dat getiteld is „Le drame

du Génie".

De schrijver stelt hierin het probleem van den

moeilijken omgang met een kunstenaar, die leeft

voor zijn werk en vaak onmogelijk is voor zijn

omgeving.

De drie vrouwen, die in Wagner's leven naar

voren treden, spelen in dit P'ransche stuk een

belangrijke rol. Zij zijn: de eerste echtgenoote

van den componist Minna, zijn ' inspiratrice

Mathilda Wesendonk en zijn tweede vrouw

Cosima.

De Geneefsche correspondent van „Het Vader-

land" heeft de première, die te Genève plaats

vond, bijgewoond. De opvoering schijnt den in-

druk gewekt te hebben, dat Bouhélier in de tee-

kening van het egocentrische genie overdreven

heeft, hoewel deze correspondent dit meer aan de

opvatting der spelers toeschreef.

NIEUW PROJECTIESYSTEEM.

Het Haagsche Studio-Theater heeft zijn

projectiedoek doen bestrijken met een speciaal

soort verf, waardoor een deel der ultraviolette

stralen der projectielampen wordt vervormd tot

zichtbare stralen. Dit z.g. ,,Euphan"-systeem

heeft ten doel de beelden „plastischer" te maken

en daardoor het effect van de film te verhoogen.

DUITSCHE PREMIÈRE VAN NIEUWE

ITALIAANSCHE OPERA.

De opera Liola van den Italiaanschen com-

ponist Giuseppe Mulé is dezer dagen voor het

eerst in Duitschland en wel te Chemnitz opge-

voerd onder den titel „Hahn im Korb". Het

scenario is van Arturo Rossato, die werkte naar

een blijspel van Pirandello.

DRIE OPERA-ÉÉNACTERS.

De dirigent Eugen Bodart uit Mannheim

heeft drie samenhangende opera-éénacters ge-

schreven, die tezamen een avond zullen vullen:

Sarabande, spelende in 1740, Heimlicher Walzer

(1840) en Kleiner Irrtum (1940).


Binnen afzienbaren tijd wordt het befaamde

Miller Kwartet van Ab de Molenaar (die zijn

muzikale gaven heeft geërfd van zijn vader, den

bekenden concert-pianist Johan de Molenaar)

uitgebreid met twee extra-Sanny Daytjes. Be-

wonderaars van Sanny Day gelieven dus voor-

zichtig te zijn en niet tot de overijlde conclusie te

komen dat zij drie dubbel zien, als zij op een

goeden dag ,,Palace" binnen wandelen en drie

Sanny Daytjes op een rij zien staan.

De tweede Sanny is een zusje van de origineele

Sanny en nummer drie is Guusje Bousché. Het

verbijsterende van deze heele geschiedenis is, dat

ze alledrie even groot zijn en alledrie beschikken

over gitzwart haar. Er wordt lederen morgen

hevig gerepeteerd, zoodat radioluisteraars reik-

halzend kunnen uitzien naar een nabije en nieuwe

sensatie.

Het Miller-kwartet neemt in Holland een ge-

heel eigen plaats in. Het is een typisch voorbeeld

van een ensemble dat perfect is in zijn simpele

kern-combinatie, een geheel, dat stijl heeft,

karakter en een strikt eigen persoonlijkheid, die

haar stempel drukt op elke vertolking van elke

denkbare compositie. De leider, Ab Miller, heeft

een hart, dat een tijdlang heen en weer gezweefd

heeft tusschen de zee en de muziek.... juist zoo-

als Dick Willebrandt's hart zweeft tusschen sport

en muziek. Tenslotte is zyn hart met een plof in

de handen van Sanny Day terecht gekomen, maar

dat is wéér een ander verhaal.

Op een gegeven oogenblik, althans, woog de

muziek het zwaarst en Ab verliet de zeevaart-

school en trok met zijn guitaar in de hand door

het gansche land. Het Miller-kwartet, zooals wij

het nu kennen en zooals het thans speelt in

„Palace", op het Amsterdamsche Rembrandt-

plein, heeft een vaste kern bestaand uit Ab Mole-

naar (guitaar), Joop Maten (piano) en Sanny

Day (zang en algemeene charme). Met Frans

Wouters' ensemble en eenheden als de Kilima

Hawaiians e.d. vormt het Miller-kwartet een

hecht blok van orkesten, welke voornamelijk ge-

bruik maken van snaarinstrumenten in tegenstel-

ling met Theo Uden Masman, Willebrandts, Piet

van Dijk en anderen, wier muzikale basis de

blaasinstrumenten vormen.

Inderdaad is het Miller-kwartet verrassend

goed. Met piano, bas, guitaar en zang van Sanny

wordt een geheel verkregen, waarin elke toon op

zijn plaats is en een definitieve functie vervult.

iPiPPPiiiiPi

Dolly Mollinger

(Foto Ufa)

Nederlandsche film-

actrices, die „naam"

hebben gemaakt in het

buitenland, zijn zeld-

zaam. Dolly Mollinger

is één van haar.

Haar eerste groote

rol kreeg zij in Neder-

land in de film „De

Kribbebijter": haar

creatie van de schoon-

dochter tegen-wil-en-

dank viel hierin op.

Spoedig trok zij over

de grenzen. In Frank-

rijke, Engeland en

Duitschland filmde zij,

èn met succes!

Onlangs bereikte ons

het bericht, dat onze

landgenoote zich ook

Inders dan als actrice

voor de film interes-

seert. Zij heeft een

scenario en een draai-

boek geschreven, die

door de Prag-Film zijn

aangekocht. De Chef-

dramaturg en regis-

seur van den Duitschen

radio-omroep Werner

Bergold stond haar

daarbij met raad en

daad ter zijde.

Dolly's film komt

binnenkort in produc-

tie. Als titel heeft men

gekozen: „Komm zu

mir zurück".

Hun spel ademt een levend enthousiasme — hun

vondsten zijn veelvuldig en frisch — hun samen-

spel is intuïtief volkomen raak. Als zij voor de

microfoon spelen, wordt hun bezetting uitgebreid

met een viool, gestreken door: (schrik niet) Jan

Doedel, of Theo van Brinkom.

Hoe Ab Miller aan Sanny Day gekomen is?....

Ab kwam op een warmen zomerdag door een

straat slenteren en hoorde plotseling door de

open ramen van een dansschool een geluid, zóó

goed, dat hij mompelde: „Ik ga vragen hoe die

gramofoonplaat heet". Hij ging naar binnen en

ontdekte tot zijn verbazing Sanny Day in leven-

den lijve, zingend voor een microfoon. Ab zei

ademloos: „Jij bent de eenige.... Zoowel wat

liefde als wat zang betreft. Te eeniger tijd in de

toekomst zal ik een

eigen orkest hebben.

Wil je komen zin-

gen?". . . .

Zij mompelde „Ja"

.... en ziet I In Juni

1940 ontstond het

Miller-Kwartet, dat

onmiddellijk ten he-

mel voer op wolken

van succes.

Een mooi verhaal

is de historie van

Eddie Christiani, die,

na een paar luttele

weken oefenen, in

staat was, twee, zeg-

ge en schrijve twee

Links: Het Miller-

kwartet, - Rechts:

de jonge zangeres

Carola Benner, die

thans met Frans

Wouters, Guus

Brox en • Eddie

Christiani op tour-

nee is.

(Foto's N.R.O.IC.N.F.)

foxtrotjes op zijn guitaar te pingelen, en op een

mooien zomeravond bezeten werd door de Show-

lust, eiken'goeden musicus aangeboren. Hij voer

voort uit zijn huis en ging staan spelen op het

pleintje voor datzelfde huis. Binnen tien minuten

stonden veertig jongens en meisjes te dansen op

Eddie's snarenspel. Aan dit feest van zang en

dans en snarenspel werd echter een einde gemaakt

door een agent van politie, welke de schare ruw

uiteen joeg. In de krant stond den volgenden

ochtend, dat onverlaten met behulp van guitaren

een Bal-Champêtre hadden georganiseerd op een

plein in de stad, aan welk snood bedrijf door den

sterken arm een einde was gemaakt. Dit was

Eddie's eerste recensie, waarop hij nu nóg

trotsch is. WILLEM W. WATERMAN.

CINEMA & THEATER — (nr. 17) 20

. __._. _„..___ z ; ■_..,_ _'■ _.._■

mm^mm^m^^^^9mmmm^

rirniii"»!"»-«« Ni ir-irr»«"*''«: »"«nN nnnri rww^wv&^&r**^*^ •"«ri

LANCÓME

jli. Mwilt...»»..!»!!.!!»! t »■„A.ll II! llKJ).,4l!.A.tlll!l.Jl...l»>,.!t lfc.fci,ill!lMft.il( «üb Jl.Jilll..*.*.***.'».^»!« < ^-'-

.■.irif,i,.,fr,,i iji (rii^r'ir'iirsr'iiriii « ir"! ■» wwwn » mir'» ^p^|I'"^^ | ■"r ,, I^lll->r■ , '^ ,, l' , ""I , ' ,1 «■ ,

21 (nr. 17)

MUZIEKSCHOOL A. ZWAAG

Scholen te

Amsterdam - Den Haag

Haarlem - Alkmaar

en Langendijk

CLUBLESSEN

voor alle muiiekinstrumenten

vanaf f 2.50 per maand

Scliriftelijke lessen

door het leheele land f 3.00 p. maand.

Alle inllcLUngen ■

JAC. VAN LENNEPKADE 15

AMSTERDAM - Wert — TEL. 80940

CINEMA 6* THEATER

't"-..

HET PAASCH-PROGRAMMA IN

STATION S-ÄOFJFIKMUIS

Leo v. d. Have

Verzorgde dag- en avondscholels

STATIONSPLEIN 12 - HAARLEM

$&Ü*t

TREESJE VRIJDAG"

if

Toegang 14 jaar — Sonora-Wm

OP HET TOONEEL;

Dick Willebrandts

„RIJPENDE JEUGD"

Toegang 14 jaar - Sonora-film

OP HET TOONEEL:

RIE HELLMIG met haar Orchest

n


RAADSEL-VARIÉTÉ

Oplossingen der onderstaande opgaven zende men — liefst op een

briefkaart — uiterlijk 6 Mei as. aan den „Raadsel-regisseur",

Redactie „Cinema & Theater", Paulus Potterstraat i. Amsterdam-Z.

Op de adreszijde te vermelden: „Raadselvariété 6 Mei".

Onder de inzenders van ten minste twee der drie opgaven worden

verloot: een hoofdprijs van ƒ 2.50 en vijf troostprijzen van ƒ 1.-.

i 1

* f i ^ d> ■ ■ ■ y

P

3

i

■ i ■ ■ ■ m Z3 Lt

■ ■

20 'S

11


V' ■

V


'f

Jl» 3/

il

it


zi

* ■ ■

P ■

J/ w ■ ■ ■ ■

il *> f/

*-/ vS « 'f fa opgewekt.

"AKKERTJES" zijn onschadelijk voor Uw gezondheid en

ongeëvenaard bij hoofdpijn, kiespijn, aangezichtspijnen,

rheumatische pijnen, spierpijn, lendenpijn, spit enz.

Maar ook dadelijk helpend bij kou, koorts en griep I

Ni eemn uA

AKKERTJE

De Nederlandsche Pijnsfiller

Aan de Ae/m/nistratfe van CINEMA Ä THEATER

Paulus Potterstraat 4 — Amsterdam Zuid

Mijne Heeren,

Elke week wil ik op de hoogte blijven van nieuwe films,

tooneelstukken, opera's enz. Noteert u mij dus, op de gebrui-

kelijke voorwaarden, als abonné voor toezending per post/per

bezorger è. 12% ct. per nummer*).

Het abonnementsgeld wordt betaald met ƒ6.50 per jaar*/

ƒ3.25 per halfjaar*/ƒ 1.62% per kwartaal* en voldaan bij aan-

bieding van uw kwitantie.

Naam ."_* _ ■

Adres , )'■ • Handteekening

te ..:..'. i \ « "

Datum-^ : * ,' 'M

•* • *' "V

Verzenden in enveloppe als brief of geplakt op een briefkaart.

•) Doorhalen wat niet van toepassing is.

23 (nr. 17) — CINEMA b' THEATER

J

RESTAURANT

A. W. FRIJLINK

WAGENSTRAAT

(naait Scala)

's-GRAVENHAGE - TELEFOON 116560

mmm. enJUITSU KEUKEN

DIVERSE BELEGDE BROODJES

J"DÜITSCH TI ËNGELSCH"!

leeren in 8 maanden fl. 2.05 p. mnd.

I Nieuwste schriftelijke methode, elke week Uw les thuis. I

M.O.-leeraren met jarenlange ervaring.

| Middenstandsdiploma (alg. ontwikkeling) "

Ned. Taal en Corresp. II. 1.50 p. mnd. ■

9 Boekhouden . . fl. 1.— p. mnd., met correctie.

■ D AU NE[)ERLAH[)SCHTALENINSTITUUT - R ' DAM |

iS il ^i (Hel /nsfifuul me( 5000 cursislon/;

_ ^^^^^^^^^^^ (als brief t« zenden) - Gratis les van M

■ Naam: B

(No. C) Adres: te

k ..... . . . J

U is zakenman ?

U interesseert zich

voor reclame ?

Leest dan hei interessante boekje

„RECLAME

(H schaücschieiijd"

dat de bij uitstek deskundige op dit

gebied: W. N. VAN DER SLUYS Jr.

voor U schreef.

Prijs f 1.50

Verkrijgbaar in den boekhandel en bij de

NV. NEDERLANDSCHE UITGEVERIJ .OPBOUW"

Paulus Potterstraat 4, Amsterdam (Z.) - Telefoon 98145 - Postgiro 78676

Het weekblad „CINEMA & THEATER" verschijnt des Vrijdags.

Hoofdredacteur: Louis Thijssen, Voorburg (Z.-H.); plaatsvervanger:

Joh. T. Hulsekamp, Amsterdam. — Chef-van-dienst der redactie:

R. H. J. Pfaff, Amsterdam. — Redacteur: L. J. Capit, Amsterdam.

— Uitgave der N.V. Nederlandsche Uitgeverij „Opbouw", Paulus

Potterstraat 4, Amsterdam-Zuid.

Alle bijdragen, foto's, teekeningen en redactioneele correspondentie,

zonder vermelding van persoonsnamen, te richten aan de' Redactie,

abonhementsopgave en andere administratieve correspondentie aan

de Administratie van Het Weekblad ,,Cinema & Theater", Paulus

Potterstraat 4, Amsterdam-Zuid. Telefoon: 98145, 21511, 21424. —

Postgiro no. 7S67G. — Prijs der losse nummers 15 cents. Abonne-

mentsprijs voor Nederland franco per post ƒ C.50 per jaar, ƒ 3.25 per

half jaar, ƒ 1.62% per kwartaal, bij vooruitbetaling; in plaatsen, waar

bezorgers zijn gevestigd, desgewenscht 12% cents per week bij be-

zorging in de week na verschijning. Abonnementen worden stil-

zwijgend telkens voor dezelfde periode verlengd, indien niet twee

weken vóör afloop schriftelijk opzegging is ontvangen. — Nadruk

alleen toegestaan voor korte gedeelten, mits met bronvermelding. —

Bij ongevraagde bijdragen sluite men retourporto in.


„Drledolzcnd heb Ik voor dat dJng betaald en Je speelt

alleen maar In het midden !"

n doekjes f

(Teekening W. de Mooy)

U BENT NIET DE EENIGE,

die ,.Cinema en Theater" zoo'n aardig blad vindt!

Wilt U er daarom van verzekerd zijn,

dat U het blad elke week ontvangt,

NEEMT DAN EEN ABONNEMENT!

Vult de bon in, die op de vorige bladzijde onderaan staat afgedrukt!

vt^m^nV 11 nt.h^" 1 ' ^"'f Thljssen Voorburg; verantwoordelijk voor de advertenties R. M. A. Ausems, Amsterdam. Uitgeefster N.V.

Ned. Uitgeverij „Opbouw , AmsterdHm-Z. Druk van drukkerij Elsevieï, Amsterdam. Verschijnt 1 X per week. Abonnement voor Nederland

ƒ 6.50 per jaar; losse nummers / 0.15. Volledige gegevens op blz. 23. P. 1083/4.

.,: IM

CINEMA & THEATER — zsste Jaargang — No. n — 23 A f ril 1943

.;►.; , . ... . _,:^ _„,__

More magazines by this user
Similar magazines