DE KATHOLIEKE PERS

webstore.iisg.nl

DE KATHOLIEKE PERS

NUMMER 158

SEPTEMBER 1939

DE KATHOLIEKE PERS

MAANDORGAAN VAN DE NEDERL. ROOMSCH-KATH. JOURNALISTEN-VEREENIGING

VERSCHIJNT ELKEN len VAN DE MAAND

ABONNEMENTSPRIJS f 2.50 PER JAAR

ADVERTENTIEPRIJS f 4.- PER 1/12 PAG.

PROF. DR. TITUS BRANDSMA 0. CARM.

4C-JARIG PROFESSIEFEEST.

Op den 3en October a.s. zal het veertig jaar geleden

zijn, dat onze geestelijk adviseur, prof. dr. Titus

Brandsma, zijn plechtige Professie deed in de Orde van

den Carmel. De redacteur van ons orgaan vraagt me

ter gelegenheid van dit feit een artikel en nog wel, daar

hij het orgaan op tijd wil laten verschijnen, binnen

anderhalvein dag Fiat, dan moet ander werk maar

wachten. Want ik zou me schamen als ik geen tijd zou

vrij maken om een artikel te schrijven over prof.

Brandsma, die zóó dikwijls, in zijn toewijding voor ons

en onze belangen, ook anier werk liet wachten.

Het kan niet mijn taak zijn om het werk, door prof.

Brandsma in de afgeloopen veertig jaren verricht, in al

zijn veelzijdige aspecten te gaan schetsen. Dat blijve

aan meer competente personen overgelaten. Het zou

ook al te veel ruimte vragen van dit orgaan. Want het

werk van dezen ijvervollen priester en geleerde, dezen

onuitputtelijken „zelator", is zóó veel-omvattend; zijn

DAOELIJKSCH BESTUUR:

Voorzitter: Mr. H. F A. GEISE, Lorentzkade 23, Leiden VE RANT WOORD ELIIK REDACTFIJR

Secretaris: F. I.M. SCHNEIDERS, Hoogewoerd 124a, Leiden F D A* T C C,~„ X I" J «CUA^ICUK

Penningmeester: F. J. H. M. MULLER, Van Eeghenstraat rKANij bLHNEIDERS — LEIDEN

153, boven, Amsterdam Giro 303185. — HOOGEWOERD 124 A, TEL. 25265.

belangstelling gaat naar zóó veel kanten uit, dat er

om al deze activiteit te schetsen makkelijk een heele

brochure te vullen zou zijn. Ik beperk me dus in hoofdzaak

tot de betrekking, waarin prof. Brandsma staat tot

ons, katholieke journalisten.

Het was in het voorjaar van 1935 dat prof. dr. Titus

Brandsma O. Carm., hoogleeraar aan de R. K. universiteit

te Nijmegen, door Z. H. Exc. den Aartsbisschop tot

geestelijk adviseur onzer vereeniging werd benoemd

als opvolger van Pater dr. Bonaventura Kruitwagen O.

F. M. Daar was bij deze benoeming vreugde onder ons,

want wij wisten dat prof. Brandsma de Kath. pers een

warm hart toedroeg. Maar daar was — wij zijn daar

vast van overtuigd — ook vreugde bij den benoemde.

Want, hoezeer dan ook prof. Brandsma met arbeid

overladen was, voor de katholieke journalisten en voor

hum „nobile officium" had hij zóó'n bijzondere genegenheid,

dat hij het werk, dat het adviseurschap onzer

vereeniging meebracht, er graag nog bij nam. Hij ontveinsde

zich niet, dat dit werk niet gering zou zijn, maar

hij was van den aanvang af voornemens er zich geheel

aan te geven. En hij heeft dit ook gedaan, op een wijze

die van ons allen groot respect moet afdwingen.

Veel is er in de paar jaren, dat prof. Brandsma onze

adviseur is, van hem gevraagd. Veel heeft hij ook ongevraagd

gegeven, met volle toewijding. Geijverd heeft

hij voor de hooge idealen, welke de katholieke journalistiek

te dienen heeft; het besef heeft hij onder ons verlevendigd

van de „charge d'ames", welke wij dragen;

onze cultureele „standing" heeft hij trachten omhoog te

voeren, onze materieele positie ging hem nauw ter harte

en hij heeft ervoor gezwoegd waar en wanneer zich de

gelegenheid ook maar voordeed. Niets was hem ooit

te veel, altijd stond hij voor ons klaar en als wij soms,

ontmoedigd, geneigd waren een zaak te laten liggen,

dan was prof. Brandsma altijd de man om weer nieuwen

moed, nieuwe initiatieven wakker te roepen. Hoevelen

onzer bewaren niet een dankbare herinnering aan wat

prof. Brandsma voor hen persoonlijk heeft trachten te

bereiken en vaak ook inderdaad bereikt heeft? Menig

collega, die in moeilijke omstandigheden kwam te

verkeeren, heeft het voor een groot deel aan prof.

Brandsma te danken, dat er verlichting, uitkomst kwam.


Pag. 410 SEPTEMBER 1939 - No. 158

Nooit deed een collega, die zorgen had, tevergeefs een

beroep op onzen adviseur. Altijd vond hij een begrijpend

meevoelend hart en een vaardigen geest, die onmiddellijk

alles in actie stelde om de zorgen te verlichten.

Bij een jubileum als wij straks vieren gaan, mag dit

alles wel eens naar voren worden gebracht. Wij zijn

prof. Brandsma innig dankbaar voor dit alles. Wij blijven

ons aanbevelen in zijn raad, zijn bijstand, zijn zorgen,

zijn toewijding. Wij hopen, dat hij nog een lange

reeks van jaren in ons midden werkzaam zal mogen

zijn en daarbij getuige zal blijven van een stijgenden

geestelijken en stoffelijken welstand van de Ned. Kath.

journalisten en van een steeds rijkeren bloei van de

Ned. Kath. pers.

Waar moet de reden gezocht worden, dat prof.

Brandsma zich zoo nauw aan ons verwant gevoelt en

zóó veel voor onze vereeniging over heeft?

Zeker, als eerste reden moet ongetwijfeld worden genoemd

de gulheid des harten, waarmede deze priester

zich weg schenkt, zonder eenige reserve, als hij maar

goed kan doen.

Maar als bijzondere reden mag toch wel worden aangemerkt

de bijzondere voorliefde, die prof. Brandsma

steeds voor de journalistiek heeft gehad en de journalistieke

flair, die deze man van ascese en wetenschap

ongetwijfeld ook bezit. Want prof. Brandsma heeft verschillende

eigenschappen, die bij een goed journalist

behooren: hij schrijft makkelijk, heeft een vlotte, levendige

schrijftrant, heeft warme belangstelling voor alle

vormen van actie in het katholieke en openbare leven.

En hij levert, naast zijn weitenschappelijken arbeid,

steeds een respectabele hoeveelheid journalistiek

werk. Hoeveel dag- en v/eekbladen, hoeveel tijdschriften,

hebben de afgeloopen 40 jaren niet geprofiteerd

van prof. Brandsma's vlotte pen? Heeft iemand, die een

of andere goede actie wilde pousseeren en een beroep

deed op prof. Brandsma om een stukje in kramt of periodiek,

ooit tevergeefs bij hem aangeklopt? Ik geloof

't niet, want prof. Brandsma kan niet weigeren, als hij

een goede zaak dienen kan.

In de jaren, dat hij professor was in het Carmelklooster

te Oss, was hij reeds redacteur van „De stad Oss"

en sinds hij, in 1923, het hoogleeraarschap in Nijmegen

vervult, bleef hij journalistiek werk leveren in kranten

en tijdschriften. Het zou boekdeelen vullen, als dit journalistiek

werk van de afgeloopen veertig jaren zou

kunnen worden verzameld.

Journalistiek werk in breederen zin leverde hij ook in

verschillende uitgaven, die van zijn hand verschenen,

in tijdschriftartikelen enz. We doelen niet op de uitgave

der werken van de H. Teresia en van den H. Joannes

van het Kruis, die prof. Brandsma met eenige zijner confraters

van den Carmel ondernam, omdat dit wetenschappelijk

werk niet met de journalistiek in verbinding

mag worden gebracht. We denken evenmin aan zijn

werk voor de katholieke Encyclopedie en aan zijn bemoeiingen

voor een tekst-critische uitgave der werken

van Geert Groote in 1940. We laten ook buiten beschouwing

zijn brochure over het Godsbegrip, die

den tekst bevat der rede, uitgesproken op de dies

natalis der R. K. universiteit in 1932 welke brochure —

een zeldzaamheid voor een dies natalis-rede — een

herdruk mocht beleven. Maar we doelen op bijv.

het Verslagboek van het Nijmeegsen Maria-congres

in 1932, een ruim 500 pagina's dik boekwerk, bevattende

de redevoeringen tijdens het Congres gehouden,

maar ook veel journalistiek werk, voor een groot

deel van de hand van prof. Brandsma. We doelen

op de verhandelingen, die hij schreef in tal van tijdschriften:

Carmelrozen, Analecta Ord. Carm., De Katholiek,

Ons Geestelijk Erf, Roomsk Frysk Boun, enz. enz.

In dit verband moet ook nog genoemd worden het fijne

boekje: Carmelite mysticism, historical sketches, dat in

1936 te Chicago verscheen en dat de uitgewerkte lezingen

bevat, die prof. Brandsma in 1935 aan de katholieke

universiteit te Washington gaf. En daar is ongetwijfeld

veel meer, waarvan wij geen kennis dragen.

Want de pen van prof. Brandsma is zeer vruchtbaar. En

't is waarlijk geen wonder, dat deze hoogleeraar, maar

die tegelijk ook een geboren journalist is, zich tot ons

getrokken voelde en daardoor niet alleen adviseur

maar ook in menig opzicht een collega, een vriend van

ons is geworden.

Aan dezen hoog geschatten collega kunnen wij allen

een voorbeeld nemen. Van zijn ijver voor alle goede

werken, van zijn irenische instelling, waardoor hij nooit

iemand kwetsen zal, kunnen wij allen leeren. Leeren

kunnen wij ook van hem ihet idealisme te bewaren dat

ons, katholieke journalisten, steeds moet blijven bezielen.

Diep overtuigd is prof. Brandsma van de hooge

ideale beteekenis der kath. journalistiek, van de zware

verantwoordelijkheid der kath. journalisten, die.herauten

der waarheid moeten zijn, wegbereiders naar hst

land, waarin gerechtigheid en liefde heersenen. Die

overtuiging kan bij ons, in den Iredmoleii van iederendag-opnieuw,

wel eens afslijten. Maar de hooge opvatting,

die prof. Brandsma van onze taak heeft, herinnert

er ons dan aan, dat wij onze lampen brandend hebben

te houden, eiken dag, ieder uur, iedere ademtocht.

Er zal ter gelegenheid van het 40-jarig Professiefeest

van prof. Brandsma een kleine huldiging plaats vinden,

waarvoor een nationaal comité is gevormd, waarvan

mgr. prof. Hoogveld voorzitter is. Die huldiging zal,

overeenkomstig het verlangen van den jubilaris, tot een

meer intiemen kring beperkt blijven. Onze leden hebben

daaromtrent reeds een en ander vernomen uit een

circulaire, die hun enkele weken geleden werd toegezonden.

Den jubilaris zal o.a. een bijdrage worden aangeboden

voor zijn Instituut voor de geschiedenis dsr

Nederlandsen» mystiek. Prof. Brandsma tracht daar

zooveel mogelijk fotografische reproducties bijeen te


SEPTEMBER 1939 - No. 158

brengen van moeilijk te bereiken middeleeuwsche

handschriften, waardoor een betere studie van onze

vaderlandsche mystiek mogelijk wordt. Collega's, die

nog verzuimden hiervoor een klein bedrag beschikbaar

te stellen, kunnen dit nog storten op het giro-nummer

356331 van Zr. Feugen te Nijmegen onder vermelding

„Huldiging prof. Brandsma". Wij vertrouwen dat zooveel

mogelijk alle leden, al is 't door nóg zoo'n kleine gift,

aan deze huldiging zullen bijdragen.

Nijmegen, 27 Aug. '39. ZWETSLOOT.

Vragen staat vrij!

Misschien komt het door den verren afstand, waarop

wij van hier de gebeurtenissen in onze vereeniging

moeten volgen, dat de onmiskenbare moeilijkheden, die

den laatsten tijd in den boezem der vereeniging gerezen

zijn, aan klaarheid te kort komen. Er was geen klaarheid

in de tegenstellingen, zooals ze op de laatste vergadering

te Utrecht itot uitdrukking kwamen in het debat

tusschen den voorzitter en den woordvoerder van de

Amsterdamsche groep, den heer van Lamsweerde, inzake

de motie Noord-Holland. Er is geen klaarheid in

de mededeelingen in het laatst-verschenen nummer van

het orgaan, waar we het rapport van de rechtspositiecommissie

aantreffen naast een verslag van de groep

Noord-Holland en een zeer summiere opmerking in het

verslag van de bestuursvergadering, dat het commissie-rapport

is „vastgesteld" en dat besloten is „na

goedkeuring" de richtlijnen te verwezenlijken. Afgezien

van de vraag, hoe men richtlijnen denkt te verwezenlijken,

vragen we: wat is hier bedoeld met vaststellen

en van wie moet de goedkeuring komen. Van de algemeene

vergadering? Als dit laatste het geval is, waarom

kon dat dan niet ter sprake worden gebracht op de

laatste Utrechtsche vergadering?

Wij zijn reeds aan het vragen gegaan, zooals bekend,

de klassieke methode om achter de waarheid te komen.

Men veroorlove ons hiermede nog even door te gaan.

Er zijn in de laatste vergadering heftige woorden gevallen

over de uitdrukking „vakvereeniging" in de bekende

motie. Ook het verslag van de vergadering van

Noord-Holland spreekt er weer van. Maar we misten

tot nu toe de juiste omschrijving van het begrip „vakvereeniging

voor journdlisten", zooals Noord-Holland

dit in onze kringen wenscht ingevoerd te zien. Met een

simpele sociologische definitie komt men er niet. Wij

mogen veronderstellen, dat het hier niet om een woord

gaat, zooals de voorzitter op de Utrechtsche vergadering

voorstelde. („Dat maakt sommige directies maar

kopschuw"). Het gaat natuurlijk om meer. Wenscht

Noord-Holland werkelijk een vakvereeniging met de

consequenties, die aan dit „woord" vastzitten? Streven

naar een collectieve arbeidsovereenkomst met rechten

Pag. 411

en verplichtingen van alle bedrijfsgenooten (directeuren

en redacteuren), vastgestelde loonen bij contract, arbeidsprestatie

(qualitatief en quantitatief) van den redacteur,

vacantieregeling, een contactcommissie als

overgangsvorm naar een bedrijfsraad, sluiting van het

dusdanig georganiseerd krantenbedrijf, zoodat georganiseerde

journalisten niet mogen werken aan niet-georganiseerde

kranten, steunkassen, en tenslotte de verplichting

tot staking, wanneer de bedrijfsgenooten

„ter eene" zich niet aan de verplichtingen houden? En

uitsluiting wanneer contractanten „ter andere" hun

plicht verzaken, 't Is mogelijk, maar onze fantasie laat

ons in den steek, wanneer we trachten ons den heer

Thomassen voor te stellen postend voor de bureaux

van de Nieuwe Koerier en den heer van Lamsweerde

manifesten uitdeelend in Amsterdamsche café's om het

goed recht van de katholieke journalisten te bepleiten

bij hun staking. En zou de „katholieke zaak" niet op

de flacon gaan, wanneer de katholieke kranten niet, of

gebrekkig verschenen en het goede volk zich niet meer

kon laven aan de bronnen door de katholieke redacties

aangeslagen. We spreken immers nogal eens graag

over onze onmisbaarheid? Het zijn allemaal vragen,

die bij de motie Noord-Holland toch wel beantwoord

mochten worden.

Andere vragen komen bij een „uitmiddelpuntig lid"

van de journalistenvereeniging op, wanneer hij het verslag

van de vergadering Noord-Holland leest. Wat gebeurde

er achter de schermen, dat het hoofdbestuur

zich zoo sterk tegen het woord vakvereeniging keerde,

zonder ook maar te spreken over een eventueele

woord-inhoud? Wat voor voorwaarden aanvaardde het

bestuur van eenige hoofdredacteuren, die zich op de

laatste vergadering zoo minzaam en zoo maar zonder

meer, als waren ze doodgewone journalisten, tusschen

ons neerzetten. Wanneer er achter de schermen niets

gebeurde en er van eenige voorwaarden geen sprake

was, waarom plaatst de orgaan-redactie dan zoo'n verslag

ongewijzigd of waarom komt er dan geen commentaar

bij zoo'n verslag. Hebben de „gewone" journalisten

eigenlijk wel ooit iets gehoord omtrent die

mysterieuse toetreding van enkele hoofdredacteuren?

Zijn de hoofdredacteuren, die reeds eerder lid waren

van de vereeniging thans ook overgegaan in deze club?

Of zijn er hoofdredacteuren eerste en hoofdredacteuren

tweede klasse. Wat beoogt het bestuur met deze club?

Bereiking van onze rechtspositie? Het is nieit zoo erg,

wanneer het bestuur een dergelijke merkwaardige

methode volgt, maar waarom mogen wij, simpele leden,

dat niet weten?

Al deze dingen zijn niet klaar en helder. Het bleek

in Utrecht en het blijkt thans nog. Alleen is duidelijk,

dat we op het oogenblik de vereenigingswagen aan

twee kanten aan het inspannen zijn en bovendien weten

we niet eens, welk tuig we willen nemen.

Daar is dan het rapport van de commissie, de „com-


Pag, 412

missie der rechtspositie". Het is een rapport op korten

termijn en het is een kort rapport. Wat lofwaardig zou

zijn, wanneer men kort maar krachtig te zien

kreeg, wat we van dit „vastgestelde, maar goed te keuren"

rapport hebben te verwachten.

Er staan merkwaardige dingen in dit rapport. Dit bijvoorbeeld:

4a. Het bezwaar van onmogelijkheid (van wat?

wij veronderstellen van de eisenen van het rapport.

maar welke eischen? B.) door den slechten economischen

toestand, zal naar de meening der commissie

moeten worden ondervangen door het overwegen van

middelen teneinde een slechte financieele toestand,

waar noodig, te verbeteren, in elk geval dit bezwaar

uit den weg te ruimen.

Wanneer we aannemen, dat die „onmogelijkheid"

bestaat in den slechten financieelen toestand van een

bepaald bedrijf, dan vragen we, wat bedoelt de commissie

dan met „ondervangen", met „overwegen van

middelen", met „uit den weg te ruimen". Geldgebrek?

Hoe wil men dat verbeteren? Door het financieel beheer

van een bepaald blad voor eenigen tijd aan een

paar journalisten over te laten?

En wat doet dat „waar noodig" komisch aan in dit

verband. Er zijn dus ook slechte financieele toestanden,

die geen verbetering noodig hebben.

Op 4a volgt onmiddellijk 4b:

Deze middelen zijn: overleg, samenwerking, ordening,

steun van invloedrijke personen.

„Deze middelen"! Is er al van middelen sprake geweest?

Bij de tooverwoorden „overleg, samenwerking,

ordening (men had er nog gerust aan toe kunnen voegen,

verstandhouding, wederzijdsch begrip, hartelijke

betrekkingen enz.) voegt zich nog de steun van invloedrijke

personen. Steun tot wat? Instandhouding van noodlijdenden

kranten of van noodlijdende journalisten?

Wie kiest die drie vertrouwensmannen uit het midden

der commissie, waarover in artikel 5a sprake van

is. Kiest de commissie die?

De zinsnede over het collectief arbeidscontract in 3b

heeft geen enkele zin, wanneer niet „kort" wordt aangegeven,

wat er o.a. in dat collectief contract moet

staan. De eisch van 2c, welke „ten genoegen" van de

directies en hoofdredacties zullen moeten zijn, worden

niet omschreven. Wenscht mende journalisten een soort

proefstuk te laten maken, alvorens ze tot de vereeniging

worden toegelaten en in de voordeelen van een

collectief contract kunnen deelen. Dat zou zoo gek niet

zijn, omdat hiermede zoowel natuurlijke aanleg (waarover

van Lamsweerde spreekt) en door studie verworven

ontwikkeling konden getoetst worden. Examinatoren

zouden eenige hoofdredacteuren kunnen zijn (uit de

„club" of niet, het doet er niet toe).

Het zijn allemaal vragen, die we hier dn het donkere

Zuiden moeilijk kunnen beantwoorden. Of zijn er ook

nog andere landstreken, waar men den laat sten tijd de

SEPTEMBER 1939 - No. 158

ontwikkeling van de vereeniging en van. de moeilijkheden

in de vereeniging niet meer volgen kan.

Alvorens de vereeniging „als zoodanig" ageeren kan

voor iets, moet er eenstemmigheid bereikt worden (al

was het alleen maar om het optreden van onderkruipers

te voorkomen bij een van onze toekomstige glorieuse

stakingen!

Maar alvorens eenheid mogelijk is, moeten we elkaar

begrijpen, elkaar precies zeggen wat we willen en met

de door van Lamsweerde bepleite openhartigheid. Over

belangstelling zal men daar niet te klagen hebben.

Vóór we weten, wat de vereeniging wil, hebben incidenteele

besprekingen met directies weinig waarde.

Het feit, dat het laatst-verschenen nummer van ons

orgaan gedateerd is Juli-Augustus doet mij vreezen, dat

deze regels eerst in de tweede helft van September gepubliceerd

zullen worden. Misschien zijn deze vragen

dan al reeds beantwoord door de besprekingen in een

ailgemeene vergadering. In dat geval mogen de leden

den schrijver verontschuldigen, die zijn vragen op 23

Juli op papier zette.

Kerkrade. B. BEKMAN.

KANTTEEKENING TEGEN MYSTIFICATIE.

Het is niet mijn gewoonte, om den redactioneelen

inhoud van ons orgaan van commentaren en terechtwijzingen

te voorzien, maar dezen keer maak ik gaarne

gebruik van de mij geboden gelegenheid voor het

maken van een paar kantteekeningen.

Collega Bekman stelt vele vragen, welke ik niet alle

zal trachten te beantwoorden. Slechts een paar wil ik

naar voren halen, teneinde de vorming van legendes te

stuiten.

„Wat gebeurde er achter de schermen, vraagt inzender,

dat het hoofdbestuur zich zoo sterk tegen het woord

vakvereeniging keerde, zonder ook maar te spreken

over een eventueele woord-inhoud".

Wie op de Utrechtsche vergadering geweest is, kan

weten, dat het bestuur zich juist daarom tegen het

woord kantte, omdat de inhoud daarvan verwarrend en

onzeker is. Er zijn kringen die bij dat woord —

terecht of ten onrechte — denken aan de strijdmethoden

van vroeger; er zijn vereenigingsleden, die

hun organisatie niet de richting willen in sturen van

een „vakvereeniging" in den zin, zooals zij die

term verstaan. Ik ben ervan overtuigd, dat

Noord-Holland zich niet schaart achter de meest extreme

opvattingen van het woord.

Blijkens het verslag van de vergadering van Noord-

Holland in ons vorig orgaan wil de voorzitter van de

Noord-Hollandsche groep „een geheel andere richting

in nieuwen geest". Maar ik geloof te mogen betwijfelen

of alle leden die bedoeling (waarvan de draagwijdte

ook nog klaarder omschreven zou kunnen worden) wel

hebben kunnen lezen in de term „vakvereeniging",


SEPTEMBER 1939 - No. 158

welke term door N.-Hollonders zoozeer beschouwd

werd als de belichaming van hun bedoelingen, dat zij

er geen afstand van wilden doen.

Het bestuur was van meening, dat de groep N.-Holland,

ook zonder deze aldus geformuleerde motie zou

kunnen bereiken wat zij wilde, doch dat zij met handhaving

van de iterm „vakvereeniging" een onnoodige

tegenkanting opwekte en aanwakkerde. Vandaar dat

het bestuur N.-Holland in overweging gaf deze motie

in te trekken, subsidiair een andere geformuleerde motie

voorstelde.

Laten wij thans niet langer vechten over het woord

en over den inhoud van dat woord. Ik vrees, dat daar

bezwaarlijk eenstemmigheid over bereikt zal worden.

Wil Noord-Holland een nieuwe richting en een nieuwen

geest, laat zij dat dan in duidelijke en scherp preciseerende

woorden zeggen. De leden kunnen er zich

dan over uitspreken; het bestuur weet dan wat de vereeniging

wil en de vereeniging weet dan precies wat

zij gewild heeft en behoort dan ook de consequenties

daarvan te dragen.

Laten wij concreet zijn en reëel en niet naar elkander

slaan en steken door een rookgordijn van een mysteriewoord.

En nu de tweede legende-vorming, welke met de eerste

annex is.

Welke voorwaarden aanvaardde het bestuur van

eenige hoofdredacteuren?

Van voorwaarden is mij niets bekend en ik verklaar

zelfs niet te begrijpen, waarop de voorzitter van Noord-

Holland, wien collega Bekman naspreekt, kan hebben

gezinspeeld.

De kwestie der zoo geheimzinnige hoofdredacteurengroepeering

is eenvoudig deze:

Eenige hoofdredacteuren hadden zich in een zeker

verband of groepeering vereenigd om op gezette tijden

met elkander actueele onderwerpen te bespreken, welke

zij voor zich van belang achtten. Zij hielden zich

ervan overtuigd, dat zij hiermede op een terrein bleven,

dat geheel buiten de activiteit van de vereeniging lag.

Toch zag het bestuur een gevaar in het vereenigd optreden

van een groep journalisten los van elk verenigingsverband,

wat in de toekomst misschien zou kunnen

uitgroeien tot een afgesplitste organisatie, en heeft

het een compromis weten te bereiken, waardoor de besprekingen

van deze groepeering in verenigingsverband

zijn ingeschakeld op de manier, zooals in het

orgaan is medegedeeld.

Daaruit trekt de groepeering terecht de consequentie,

dat de leden van deze groepeering ook lid van de

vereeniging behooren te zijn.

Het bestuur beoogt niets met deze „club", het achtte

het alleen ongewenscht, dat deze club op eigen gelegenheid

door bleef zeilen. Tot de groepeering behooren

zoowel hoofdredacteuren, die reeds lang lid onzer vereeniging

waren, als hoofdredacteuren, die eerst na ge-

Pag. 413

noemd compromis als lid toetraden. De meesten behooren

tot de eerstgenoemde categorie. De groepeering beweegt

zich op een terrein, welke het terrein van onze

vereenigings-actie niet raakt, zoodat elke gedachte

bijv. aan bereiking van onze rechtspositie langs dezen

weg daaraan volmaakt vreemd is.

Ten slotte de vraag, waarom het rapport over de

rechtspositie niet op de algemeene vergadering ter

sprake is gebracht.

Dat rapport is door mij wel degelijk in Utrecht vermeld

met een summiere aanduiding van hetgeen ik de

quintessens van het rapport achtte. De mededeeling

schijnt echter weggespoeld te zijn in de hooggaande

golven der discussie.

Hoewel ik het rapport dus wel vermeldde, meende ik

echter niet gerechtigd te zijn, het in extenso voor te

lezen, omdat het bestuur, aan wien dat rapport was

uitgebracht, nog geen gelegenheid had gehad het te

bestudeeren en te behandelen.

De leden zullen evenwel gelegenheid genoeg krijgen

hun meening daarover ten beste te geven.

Mr. H. F. A. GEISE.

De beurs aan de Universiteit te Rijssel

Wij vestigen nog eens de aandacht op de mededeeling

in ons vorig orgaan betreffende een beurs voor de

studie in de Katholieke Journalistiek aan de Universiteit

te Rijssel.

Bij den secretaris kwam geen enkel verzoek

om inlichtingen binnen.

Wij hebben ons afgevraagd of er dan geen enkele

jonge katholieke journalist is, die hierin de zoo lang

begeerde toekomstmogelijkheid ziet.

Het zou droevig zijn, indien het zoo ware.

De mogelijkheid bestaat intusschen ook, dat sommigen

zich direct tot den rector magnificus dier universiteit

hebben gericht, wiens adres wij in het vorige

orgaan mede hadden opgegeven. Wij willen het hopen.

Wij kunnen intusschen nog mededeelen, dat de geheele

beurs fr. 12.000 bedraagt, voor een studie van

twee jaar fr. 6000 of voor een studie van drie jaar

fr. 4000 per jaar.

Zakgeld inbegrepen zullen de kosten — indien men

huisvesting neemt in het studentenhuis — iets meer bedragen

n.1. ongeveer fr. 8000.

Het concours tusschen de candidaten zou in een voor

iederen candidaat aan te wijzen plaats in Nederland

worden gehouden op 29 September en drie uur

duren, gedeeltelijk in het Hollandsen, gedeeltelijk in het

Fransch.

Op 15 October zal de uitslag worden bekend gemaakt.


Pag. 414

PROF. DR. TITUS BRANDSMA ONDERSCHEIDEN.

Bij kon. besluit is aan onzen geesitel. adviseur prof.

dr. Titus Brandsma O. C. de onderscheiding verleend

van ridder in de orde van den Nederlandschen Leeuw.

Met deze onderscheiding, die alle leden der Ned, R. K.

Journalistenvereeniging oprecht zal verheugen, wenschen

wij ook hier onzen geestelijk adviseur van harte

geluk.

KONINKLIJKE ONDERSCHEIDINGEN

VOOR JOURNALISTEN.

Ter gelegenheid van den verjaardag van H. M. de

Koningin is benoemd tot ridder in de orde van Oranje-

Nassau, collega E. C. J. Kuyper, correspondent van „De

Maasbode" te Parijs.

Aan collega Kuyper onze hartelijke gelukwenschen.

Voorts weiden onderscheiden de heer D. J. Lambooy,

sous-chef van den Regeeringspersdient in Den Haag

tot officier in de Orde van Oranje-Nassau; A. C. Rochat,

oud-redacteur van het „Utrechtsch Dagblad", Ch. L. T.

Scarlet, journalist, en J. E. A. Reyneke van Stuwe, oudcorrespondent

van het „Algemeen Handelsblad" te Londen

tot ridder in de orde van Oranje-Nassau.

Ook ons oud-lid, de bekende letterkundige Antoon

Coolen, is onderscheiden. Hij is benoemd tot ridder in

de orde van Oranje-Nassau.

UIT DE PERS OVER DE PERS.

DE SUGGESTIE DER DAGBLADEN.

Onder bovenstaanden suggestieven titel is eenigen tijd geleden

in het weekblad „De (Groene) Amsterdammer" een artikel

over de Nederlandsche dagbladjournalistiek verschenen

van Victor E. van Vriesland, dat o.i. zeer zeker ook de aandacht

van ons, vakmenschen, verdient.

Onze plaatsruimte gedoogt niet het artikel hier in zijn geheel

over te nemen. Wij volstaan dus met enkele grepen.

Het kritisch lezen van een krant vereischt systematische

opleiding.

De suggestie der couranten komt met tallooze middelen tot

stand. Wat zij niet geven, is daarbij van even groot belang als

wat zij geven. Voorts gaat het er niet alleen om wat zij brengen,

maar waarom zij dit doen. Niet alleen op het bericht komt

het dus aan, maar waar (op welke plaats), hoe (en met welke

opmaak), wanneer (op welk tijdstip) zij het geven.

De leugenkoppen der sensatiepers, door alle meer-dangeheel-onintelligente

lezers doorzien, hebben niet zooveel minder

invloed dan de vergissingen-te-goeder-trouw der fatsoenlijke

bladen. Want zij bestrijken een veel grooter en duizendmaal

weerloozer publiek.

Zonder de advertentiekolommen, zooals ze in vroeger tijden

waren, zouden in de volksbuurten der groote steden en

in de provincie de kwakzalverij en het gebruik van kwakzalversmiddelen

nooit zulke monsterachtige afmetingen hebben

aangenomen. Maar hoe dan te denken over de geestelijke

kwakzalverij in de tekstkolommen? Dit laatste geldt natuurlijk

SEPTEMBER 1939 - No. 158

niet voor de honorabele couranten, maar ook zij ontkomen

niet aan het ongewild verspreiden van de verkeeerde suggesties,

die het bedrijf nu eenmaal soms meebrengt. De minder

consciëntieus geredigeerde bladen, die zich van hun verantwoording

minder bewust zijn, en meer hun belang dan hun

roeping dienen, richten echter veel kwaad aan. Men denke

slechts aan de vooraanstaande „groote", soms duur betaalde

correspondenten en redacteuren, die daar hun bestaan moeten

rechtvaardigen doo:r af en toe een „hit", een treffend en

exclusief bericht juist of niet. Of aan den kleinen verslaggever,

die zijn moeilijke en toch reeds weinig benijdenswaardige

positie moet handhaven door een bedenkelijk bericht

over te nemen omdat nu eenmaal een ander, concurreerend

blad dat ook geeft.

Zoo zijn er meer euvels. Het wekelijks ontdekken van geniale

films en geniale boeken doet hem, die de tegenwoordige

macht der adverteerders kent, glimlachen of tandenknarsen,

al naar gelang van zijn temperament. Dat is bij een zeker

deel der pers een zeer veelvuldig voorkomende misstand.

Maar ik beweer, dat ook fatsoenlijke dagbladen (en die zijn

er gelukkig, vooral in ons land, nog) de verwerpelijkste kitsch

en middelmaat op dit gebied ontzien, en ze aan de nuttige en

opvoedende kritiek onttrekken door er „neutrale" praatjes

over te geven.

Suggestie der massa dus, cultureel en politiek. En er is geen

grooter gevaar voor de democratie en de „geestelijke weerbaarheid"

dan een, met twintig jaar geleden vergeleken, verslapte,

vercommercialiseerde pers, die uit baatzucht en angst

de regeering, de financieele belangen en de conventie spaart.

Wat is dan eigenlijk die conventie? Zij bestaat uit een onbewust,

bij stilzwijgende overeenkomst massaal aangenomen

gewoonte in denken en voelen. Die gewoonte reageert op

bepaalde feiten, verschijnselen en situaties met steeds dezelfde,

daaraan beantwoordende, onverantwoordelijk vastgestelde

gedachten en gevoelens. Het is gevaarlijk voor den

enkeling, daar met een oorspronkelijk, kritisch en zelfstandig

denk- en gemoedsleven tegenover te staan. Stellig is een zekere

mate van conventie aan elke gemeenschap verbonden,

maar wil deze niet toekomstloos tenonder gaan, dan worden

ook in haar geregeld de verstarde, doode conventies uitgebannen,

zoodat slechts een levende traditie blijft. Tenzij de

democratie zich erop richt en erin slaagt, haar aanhangers

zooveel mogelijk tot die zelfstandigheid tegenover de doode

conventie op te voeden (en dat is mogelijk!) heeft zij haar

roeping gemist en is verloren.

Kan de pers daarbij helpen? Zij is in ons land, den hemel

zij dank, nog in hooge mate onafhankelijk. Maar zij is een

dommekracht, een instrument dat ten goede en ten kwade kan

werken. Zij is (o.a. door haar vermogen tot herhaling), machtiger

dan film en radio. Doch haar onafhankelijkheid is betrekkelijk.

Een voorbeeld: niets in de organisatie der dagbladen

is na en door den wereldoorlog zoo grondig veranderd

als hun betrekkingen tot de regeeringen hunner landen. De

mogelijkheid tot zelfstandige kritiek is daarbij stellig in meerdere

of mindere mate beperkt. Een ander punt zijn de buitenlandsche

correspondenten. Die van onze beste dagbladen

staan op hoog peil. Maar voor zoover zij in totalitaire landen

werken kunnen zij, op straffe van uitwijzing, hun nieuws en

hun oordeel, indien beide oorspronkelijk en onafhankelijk

zijn, slechts „tusschen de regels" geven.

Direct of indirect kan de suggestie van de couranten werken.

Regelrecht schadelijk is zij bij het grootste deel der minder

achtenswaardige pers. Bij de beste bladen is zij alleen maar

indirect schadelijk doordat zij, zelfs ongewild, de doode conventie

versterkt. Zij moet dat wel doen krachtens haar aard,

op straffe van anders haar greep op de massa te vrliezen.

Deze versterking der conventie kweekt onzelfstandige voelen

denkgewoonten aan, die den vooruitgang en de^geestelijke


SEPTEMBER 1939 - No. 158 Pc^- 415

ontwikkeling tegenhouden. Een waarlijk superieure journalistiek

echter — en dan uiteraard meestal slechts bij individueele

personen eni niet bij dagbladbedrijven — richt zich in zoover

tegen zichzelf, dat zij steeds medehelpt die conventie, welke

ook aan haar inhaerent is, te doorbreken.

Oorlog of vrede, schrikbewind of vrijheid — zij zullen bovenal

afhangen van dit vermogen, de suggestie der dagbladen

aan eigen, persoonlijk, zelfstandig, kritisch oordeel te

toetsen. Is het te optimistisch, een streven tot opvoeding in

die richting voor ons volk nog mogelijk te achten?

Er is geen reden tot pessimisme, wanneer men bedenkt, dat

op de lange baan waarheid nog altijd de beste propagandamethode

is gebleken. Maar conventie en denktraagheid blijven

van de genoemde suggestie de groote paladijnen (metals

wegbereider de moedeloosheid, door de sociaal-economische

crisis veroorzaakt). En mochten zij overwinnen, dan overwinnen

de machten der duisternis.

EEN VERGETEN JUBILEUM.

In het Ned. Juristenblad van Aug. schrijft prof. E. M.

Meyers het volgende:

In dezen tijd, waarin zoo vele weinig beteekenende jubilea

worden gevierd, mag er wel eens aan herinnerd worden, dat

de 12e Juli 1939 is voorbijgegaan zonder dat ook maar èèn

dagblad er op gewezen heeft, dat er in ons land iemand was,

die alleszins gerechtigd was dien dag in het openbaar te herdenken,

Het jubileum, dat de pers aldus verwaarloosd heeft,

was dat van de pers zelf. 12 Juli 1939 was het honderd jaar

geleden, dat in Nederland de pers tot koningin der aarde uitgeroepen

werd. Hoewel deze betiteling in den laatsten tijd een

weinig in onbruik geraakt is, zoo zullen er desniettemin onder

de ouderen nog velen zijn, die zich den tijd herinneren, dat

dit de gebruikelijke benaming der pers was. Aan weinigen is

echter bekend door wien en bij welke gelegenheid die naam

aan de pers is gegeven.

Op 14 Februari 1839 stond in de Arnhemsche Courant het

volgende bericht:

,,Van zeer goede hand wordt ons het volgende toegezonden:

Postkantoor te Leiden.

Het schijnt te blijken, dat de brieven op het postkantoor

te Leiden soms worden geopend. Men verzoekt de redactie der

Arnhemsche Courant, gelijk die der andere dagbladen, dit

ter algemeene kennis te willen brengen, ter waarschuwing

van ieder die brieven naar of te Leiden in te zenden heeft,

tot waarschuwing bovenal van de algemeene administratie,

gehouden en gezind om de ingezetenen te dekken tegen een

misbruik van vertrouwen, niet min schandelijk of hatelijk dan

eenig ander, waartegen men den regter te hulp roept".

Op grond van dit bericht werd de drukker en uitgever der

Arnhemsche Courant, C. A. Thieme, wegens laster (calomnie

art. 376 Code pénal) vervolgd. Een veroordeeling door

de rechtbank en in hooger beroep door het Hof te Arnhem

volgde. Het cassatieberoep werd op 12 Juli 1839 toegelicht

door mr. D. Donker Curtius te 's Gravenhage. Na betoogd te

hebben, dat in het courantenbericht slechts een vermoeden

was uitgesproken en niet een beschuldiging op den man af;

dat niet een bepaald persoon iets verweten was; en dat ook

geen strafbaar, haat- of verachting wekkend feit vermeld was,

eindigde hij zijn pleidooi met in een lange peroratie de hooge

taak en roeping van de pers te schetsen. Deze peroratie eindigde

met de woorden: ,,De drukpers is de koningin der aarde;

wie haren scepter wil verbreken, zal door haar verbroken

worden; zij alleen heeft het licht in de duisternis voor allen

ontstoken en zal ook de nevelen, welke het aardrijk nog dekken,

verdrijven".

Hiermede was de drukpers verheven tot koningin der aarde.

Wellicht zijn in onzen tijd velen gaan twijfelen aan dit ko­

ningschap en nog meer aan de profetische woorden: ,,Wie

haren scepter wil verbreken, zal door haar verbroken worden".

Gelukkig echter nog niet allen. Zoo vertolkte een jaar

geleden lord Southwood bij de opening van The international

Convention op de tentoonstelling te Glasgow op deze

wijze dezelfde gedachte als Donker Curtius:

,,I believe that in the printed word — as long as truth be

free — there is a power more potent than guns, more invincible

than steel".

As long as truth be free!

PERS-PACIFICATIE.

Wij lezen in de „N. R. Crt." de volgende satyrieke opmerkingen

aan het adres van een voorstander van persbreidel:

„Overheid en pers zijn het niet altijd eens geweest. In 1793

werd te Schoonhoven een koerantier (zooals het toen heette),

die iets tegen den zin van het gemeentebestuur had geschreven,

van zijn octrooi beroofd en buiten de stadspoorten gezet.

Ook in onze dagen komen nog wel eens botsingen voor. De

overheid is niet buitengewoon gesteld op critiek op haar daden

— de pers daarentegen voelt critiek als een deel van haar

roeping. De ambtenaar is bedachtzaam, hoedt zich voor het

mededeelen van iets wat nog niet onomstootelijk vaststaat,

hetgeen neerkomt op hetgeen iedereen weet. De journalist

daarentegen beijvert zich om te vertellen wat juist nog niemand

weet.

Met dezen onvrede zou het spoedig gedaan zijn, perspacificatie

zou op til zijn, gelijk de leeuw en het lam zouden pers

en overheid samen weiden, indien de raad gevolgd werd, die

in een vergadering van de Leidsche afdeeling der Jong-Liberalen

door den voorzitter van den studiekring is gegeven.

Die vergadering heeft blijkbaar weinig aandacht getrokken;

is men, omdat de aanwezigen algemeen tegen de voorgestelde

breideling van de persvrijheid opkwamen, tot de orde

van den dag overgegaan?

,,De voorzitter van den liberalen studiekring", zoo las men

in het verslag, „bepleitte een sterk regeeringsgezag. De macht

van de dagbladpers wil spr. ondergeschikt maken aan de regeering;

week- en maandbladen wil hij vrijlaten. De regeeringspersdienst

dient uitgebreid te worden tot een persbureau".

Dus: naast het radio-persbureau een dagbladredactie? En

in de plaats van de groote verscheidenheid van bladen met al

hun onhebbelijkheden en onvriendelijkheden over wat hun

niet aanstaat, Oss en zoo, een groote, vriendelijke, op elke

plaats van het land met denzelfden zachtaardigen, tevreden

inhoud verschijnende „Oprechte Algemeene Nederlandsche

Staatscourant", van den Haag uit geredigeerd? Onder een

administrateur als hoofdredacteur, een referendaris als chef

der redactie en met commiezen voor kunst, wetenschap, binnenland,

buitenland, sport enz. In de hoofdartikelen wordt

slechts één meening verkondigd, aan alle berichten slechts

één maatstaf aangelegd. De humor wordt, als bij dr. Göbbels,

regeeringshumor. Wie zich te buiten gaat aan de gelijkschakeling

wordt op het matje geroepen. Of gingen de denkbeelden

van den spreker niet zóó ver?

Welk een zalige vrede anders! De staatsburger, die aan zijn

ontbijt of aan de avondthee deze gelijkgeschakelde journalistiek

geniet, zal booze opwellingen over regeeringsdaden, geldverspilling,

bevoordeeling, belastingdruk aanstonds onderdrukken,

wel inziende hoe stootend het zou worden, ze te

uiten.

Indien er tenminste menschen zouden gevonden worden,

die zich op deze eenheidskrant willen abonneeren!"

Wie in zijn tegenstand de objectieve beoordeeling verwaarloost,

vervalt in uitersten. Dit toonen hier voor- en tegenstanders.

Maar er is ook nog de gulden middenweg!


Pag. 416

EEN JOURNALIST VAN.... 110 JAAR.

Aan boord van de Mauretania, op weg naar de Ver. Staten,

heeft zich een Engelsch journalist ingescheept, Charles

Arnold geheeten, die beweert 110 jaar te zijn. Volgens

de Excelsior is zijn geest even helder en bijtend als toen hij

er voor de grootste bladen ter wereld op uitging. Hij begon

als kruideniersbediende, heeft in Nederland aan een courant

gewerkt en begon in 1852 wereldreizen te ondernemen, die

hem o.a. naar Britsch-Indië voerden, waar hij in de gelegenheid

was een jogi te beschermen tegen een menigte, die zich

door hem bedrogen waande. Ter belooning moet de asceet

hem de levensregelen verschaft hebben, die het Arnold mogelijk

maakten op zijn leeftijd de frischheid van een man van

nauwelijks vijftig te bewaren!

EEN DAGBLAD GAAT MET VACANTIE.

Het katholieke morgenblad „L'Aube" heeft aan de abonné's

aangekondigd, dat het aan de redacteuren den vacantietijd

niet wil onthouden, maar dat er niet genoeg gelden beschikbaar

zijn, om in dien tijd het dagblad op gelijken voet te^ laten

verschijnen. Het dagblad heeft daarom aan de abonné's gevraagd

zich ermee te vereenigen, dat het blad van 8 tot 29

Augustus eenvoudig niet zal verschijnen.

JOURNAILLE.

In „Het Algemeen, Handelsblad" geeft K. Bukowski de volgende

korte uiteenzetting over de herkomst van het woord

„Journaille".

Woensdagavond gaf zekere L. naar aanleiding van uw

artikel over poëtiek d.d. 11 dezer, als zijn meening te kennen^

dat het woord „journaille" door den Weener criticus Karl

Kraus zou zijn uitgevonden.

Dit is echter onjuist. Want deze niet onverdienstelijke

vondst staat op naam van Frh. A. von Berger, den in 1912 te

Weenen overleden directeur van het Burgtheater. Deze geestige

literator heeft in het begin van onze eeuw den door hem

bedachten term aan Karl Kraus aanbevolen, als wapen In zijn

strijd tegen een verworden pers. In zijn tijdschrift „Die

Fackel" heeft Karl Kraus hiervan een dankbaar gebruik gemaakt,

waardoor deze uitdrukking algemeene bekendheid

verkreeg. Kraus zelf echter erkent uitdrukkelijk, dit woord

aan v. Berger te danken te hebben. Voor nadere bijzonderheden

raadplege met het werk: „Woerter und ihre Schicksale"

van A. J. Storfer, Berlin 1935, p. 43 en 205.

Von Berger was wel geen Jood, maar moet naar zijn eigen

zeggen wel een beetje Joodsch bloed in zijn aderen gehad

hebben. Iets waar hij gaarne de aandacht op placht te vestigen.

Zie: Gesammelte Schriften I, p. 10 v.v.

ANTI-JOODSCHE KRANTEN NIET GEWILD IN HET

„PROTECTORAAT"

De te Praag verschijnende „Neue Tag", het orgaan van

den „rijksprotector", beklaagt zich erover, dat de Tsjechische

kellners in de café's te Praag niet gaarne nat.-socialistische

en antisemietische dagbladen ter inzage leggen. Wanneer een

bezoeker om een dergelijk blad vraagt, haalt de kellner het

uit een verborgen lade te voorschijn en overhandigt het den

gast op verstolen wijze. De „Neue Tag" eischt thans, dat in

de café's de anti-Joodsche bladen en tijdschriften, in de eerste

plaats de Stürmer, zichtbaar ter inzage zullen worden

gelegd

SEPTEMBER 1939 - No. 158

DE GROOTSTE EN DE KLEINSTE KRANT

VAN DE WERELD.

De grootste krant van de wereld verschijnt natuurlijk in

Amerika. Het is de „Illuminated Quadriple Constellation",

die een pagina-oppervlakte van 2.50 m. bij 1.80 m. heeft. Zij

is nog maal eenmaal verschenen en zal eens in de honderd

jaar uitkomen. Voor den eersten en tot den nu toe voor

den laatsten keer verscheen zij in 1850, op den dag van

de Onafhankelijkheidsviering; zij bracht allerlei bijzonderheden

over den levensloop van den toenmaligen president.

Veertig personen hebben acht weken lang meegewerkt om

het, op zeer solide papier gedrukte, nummer te kunnen laten

verschijnen. De prijs van deze krant was vijftig Amerikaansche

dollarcenten; de oplage was 28.000 exemplaren. Eèn

nummer van deze merkwaardige krant is in het Persmuseum

in Aken bewaard. Het volgende nummer zal, als er niets

tusschen komt, in 1950 verschijnen.

Als kleinste krant van de wereld gold tot voor kort het in

Mexico verschijnende blaadje: „El telegramma", dat ongeveer

de grootte van een hand had. Zijn beroemdheid moest

het echter afstaan aan de in Torquay in Engeland verschijnende

„Little Standard", die maar zeven en een halve centimeter

hoog en zes centimeter breed is.

EXPRESSIEVE JOURNALISTIEK.

„Daar zij blijkbaar bevreesd waren voor een vervolging,

pasten zij alle middelen toe om eventueele vervolgers het

spoor bijster te doen worden, door het inschieten van zijstraten,

het plotseling stoppen en rechtsomkeert maken en

door razend snel r niet bij zitten en -)è' -)è' 789078906e te

rijden" („Schoonh. C").

VIJF BESTSELLERS VOOR EEN HALVEN DOLLAR.

In Amerika is een nieuw tijdschrift verschenen, speciaal

bestemd voor lezers met weinig tijd. De uitgevers veronderstellen,

dat iedereen weinig tijd heeft, want in de advertenties

staat: „Wij zijn zeker dat 't ook voor u de oplossing zal

brengen". Elke maand ontvangt de lezer in één nummer van

het „Omnibook" vijf verkorte uitgaven van de boeken, die in

die periode het meest verkocht worden. Het zijn, zeggen de

uitgevers „de boeken waarover gij op intelligente wijze wilt

kunnen meepraten". In dit tijdschrifa worden de boeken afgedrukt

zonder dat de woorden van den schrijver worden

vtranderd; de romans zijn slechts verkort tot een lengte die

het lezen aantrekkelijk maakt. De boeken zijn aangemeten

aan den beperkten leestijd van den kooper en men spaart tijd

én geld, want men kan voor een halven dollar over vijf boeken

opmerkingen maken. Inderdaad, één van de slechte

eigenschappen van best-sellers is in den regel de lengte.

En van Amerikaansche uitgevers hun portemonnaie

Wat gij niet bent,

Zal ik niet zijn;

Wat ik niet ben,

Kunt gij niet zijn.

De Wijnrank bloeit

Uit mijn en dijn.

Uit aller liefde

Vloeit de wijn.


SEPTEMBER 1939 - No. 158

[Jit de Vereeniging

JUBILEUM LEO SPEET.

Collega Leo Speet te Haarlem, is ter gelegenheid van zijn

zilveren journalistenjubileum op hartelijke wijze gehuldigd.

Des morgens werd hij ontvangen in de aula van de N.V.

Drukkerij „De Spaarnestad", waar o.m. aanwezig waren de

heeren }. W. Lucas en C. Ooms, directeuren van ,,De Spaarnestad",

de heeren L. J. Stolwijk en J. W. Boerrigter, directeuren

van de V.K.P., te Amsterdam, de heer H. baron van

Lamsweerde, hoofdredacteur van de „Nieuwe Dag" te Amsterdam

en de hoogeerw. heer H. C. J. Sondaal, deken van

Haarlem. Het woord werd eerst gevoerd door den heer Lucas,

die, na zijn gelukwenschen te hebben geuit, een geschenk

onder couvert aanbood. Hierna schetste de heer Stolwijk de

uitstekende journalistieke hoedanigheden van den jubilaris,

waarna de heer van Lamsweerde aan zijn waardeering voor

het werk van den heer Speet uiting gaf. Namens het personeel

bood de heer van Willige een bloemstuk en een gouden

vulpenhouder aan. De heer Herman Moerkerk richtte zich tot

den jubilaris als vriend. Tenslotte bezag de hoogeerw. heer

deken vooral de verdiensten van jubilaris voor katholiek

Haarlem. De heer Speet dankte voor de blijken van belangstelling.

Velen maakten des middags van de gelegenheid gebruik

den heer Speet te zijnen huize te feliciteeren. Er kwamen

vele bloemstukken en telegrammen binnen o.m. van mgr.

M. P. J. Möllmann, oud-vicaris-generaal, van prof. Aurelius

Pompen O.F.M, en prof. dr. Titus Brandsma, van prof. P.

J. M. Aalberse en mr. Verschuur, van de directie van , De

Maasbode", van den heer Alph. Laudy, oud-hoofdredacteur

van „De Tijd", van het lid der Tweede Kamer H. Ruijter, de

Ned. R.K. Journalistenvereeniging e.a.

A. H. VON MARICH.

Op 18 Augustus j.1. heeft ons lid, de heer A. H. von Marich,

hoofdredacteur van de „Hongaarsche Courant", den 30sten

verjaardag van zijn journalistieken loopbaan herdacht, benevens

het feit, dat hij 10 jaar geleden in Nederland het maandorgaan

de „Hongaarsche Courant" oprichtte.

Wij mogen bij deze beide jubilea van ons medelid

even stilstaan, omdat wij zijn zeer moeilijk werk van nabij

hebben meegemaakt en trouw hebben gevolgd. Collega van

Marich is een voorbeeld van taaie vasthoudendheid, iemand,

die van geen opgeven weet.

Met ontzaglijke moeilijkheden heeft hij den band geknoopt

tusschen de 3000 in Nederland levende Hongaren en het nog

grooter aantal vrienden van Hongarije.

Hij heeft geschreven, propaganda gemaakt voor zijn

maandblad en hij heeft het laatste jaar abonné's zien

heengaan, die het laatste jaar den werkelijken toestand in

het land der Hongaren blijkbaar niet meer konden begrijpen.

Maar hij heeft vastgehouden — ondanks alle financieele

moeilijkheden. Hij heeft zijn gestencild blaadje weten om te

zetten in een aardig gedrukt orgaan en al lezen de Hollanders

er ook wel uit, dat het een geboren Hongaar is, die het

redigeert, en die alle fijnigheden der Nederlandsche taal niet

zoo volkomen kent, het doel Hongarije en Nederland nog

dichter bijeen te brengen, heeft von Marich bereikt.

Mogen ook in de volgende jaren zijn vrienden hem trouw

blijven en nieuwe vriendschappen geboren worden.

Collega von Marich: ad mulfo? annos!

Pag. 417

LEO HANECROOT VOLGT TH. v. d. BIJL

ALS MUZIEKCRITICUS OP.

Theo van der Bijl heeft om gezondheidsredenen zijn functie

als muziekrecensent van het dagblad „De Tijd" moeten

neerleggen. Ons lid Leo Hanecroot is door genoemd katholiek

dagblad als opvolger aangewezen. De heer Hanecroot

was nog het vorige seizoen als muziekcriticus van de „Maasbode"

in de hoofdstad werkzaam, maar werd daarna verbonden

aan de redactie van „De Tijd". Bij deze krant zal hij, bij

het volgende seizoen te beginnen, thans ook de muziekcritiek

voor zijn rekening nemen.

MUTATIES BIJ DE V.K.P.

Tot hoofdredacteur van het Centrum te Utrecht is benoemd

de heer F. J. M. Oremus, thans chef-redacteur van het Dagblad

voor Arnhem, en wel met ingang van 1 September a.s.

De tegenwoordige hoofredacteur van het Centrum, de heer

G. H. J. L. Hol, is in gelijke functie benoemd bij het Dagblad

van Arnhem.

PERSCHEF A. N. W. B.

Als opvolger van den heer P. E. Peaux is benoemd tot perschef

van den A. N. W. B. den heer Jules Aghina.

Verhuisd:

DE LEDENLIJST.

K. J. Keers, naar Prof. Ritzema, Boslaan 74, Tuindorp,

Utrecht.

W. G. Galesloot naar de Graef f straat 8a, Rotterdam (Blijdorp).

J. H. M. Poelman naar Sterreschansweg 24, Nijmegen.

RECTIFICATIES LEDENLIJST 1939.

In de ledenlijst 1939 dienen de volgende rectificaties te

worden aangebracht:

Bijvoegen:

M. J. J. Vissers, hoofdredacteur „De Zuidwillenmsvaart",

Laagveld 7, Helmond.

R. Lutz, „De Residentiebode", Sweelinckstraat 54, Den

Haag.

Adresveranderingen:

Mr. Dr. J. T. Verschuur, van Stolweg 10, Den Haag.

Felix H. Herold, Stolberglaan 1, Utrecht.

Arn. van Lierop, Hertog Janlaan 14, Breda.

De leden worden overigens dringenjd verzocht bij verhuizing

hun adresverandering op te geven.

Geen adresverandering werd nog ontvangen van de collega's:

G. Hol.

F. J. M. Oremus.

P. A. v. d. Valk.

H. Stam.

De secretaris verzoekt hun dringend hun nieuw adres aan

hem te willen opgeven.


Pag 418

goekennieuws

Een nieuwe serie Schijnwerpers.

De Uitgeverij Het Spectrum kondigt een nieuwe serie (deel 31 tot

en met 40) van de bekende „Schijnwerpers" aan.

Ook deze serie is weer veelzijdig, verrassend en zonder al te

groote offers aan de actualiteit, samengesteld.

De bekende auteur over dieren- en planten-leven, Rinke Tolman,

opent de serie met een boek over het Nederlandsche landschap,

getiteld „Een wereld van schoonheid". H. Bouchette verzamelde een

keur van zeventiend-eeuwsche gebeden en lofzangen onder den

titel „Vrugten uyt den geestelijcken wyngaert". Dr. V. Winters, die

vroeger reeds verschillende geschriften op het terrein van de oorlogschirurgie

het licht deed zien, vertelt den ontwikkelingsgang van

de krijgsgeneeskunst onder den naam van „Staal tegen staal".

B. Bekman vat op boeiende wijze alles wat omtrent de mijnen, hun

historie en huidigen staat, wetenswaardig is, samen in „Het zwarte

goud". De ver tot buiten onze grenzen bewonderde Maastrichtsche

meester-drukker C. Nypels schreef een boeiende geschiedenis van

de boekdrukkunst: „Boek, blad en band". P. T. A. Swillens, van

het Kunsthistorisch Instituut te Utrecht, vertelt bij veel afbeeldingen

over het ontstaan, den bloeitijd en het verval van de „Prentkunst in

de Nederlanden". H. Kuitenbrouwer stond een „ironische paedagogie"

af, die hij „Voor galg en rad" noemde. Anton van de Velde,

de Vlaamsche schrijver-regisseur, gidst den lezer langs het tooneel

door alle tijden, en noemt de reis „Het eeuwig masker". Een andere

Vlaamsche auteur, Ernest van der Hallen, verzamelt zijn reisreportages

uit Palestina onder de naam „Sheiks en Rabbijnen", terwijl de

Utrechtsche architect W. A. Maas den ontwikkelingsgang der bouwkunde

schetst in het geschrift „Wij bouwen".

De nieuwe deelen zullen, als de dertig voorafgaande, die gedeeltelijk

reeds geheel zijn uitverkocht, alle een fleurig omslag hebben,

terwijl verschillende ervan rijk met foto's en teekeningen worden

geïllustreerd.

NAAR DE NIEUWE GEMEENSCHAP.

Derde aflevering (volgnummer 6—7) verschenen.

Met het verschijnen van de derde aflevering van dit orgaan van

het comité voor de actie „Naar de nieuwe gemeenschap", is men

thans geheel bij.

Het tijdschrift wint aan belangstelling, hetgeen een verheugend

feit is.

In dit dubbel-nummer opent mag. dr. S. Stokman O.F.M, de rij van

publicaties met een verhandeling, waarin hij antwoord geeft op

veler vraag: waarom niet een nationale beweging?

Vervolgens werd het gebed voor het welslagen der actie opgenomen,

voorafgegaan door een inleidend woord en een afbeelding

van het plaatje, dat in een millioen exemplaren zal worden verspreid.

Fout verklaart I. B. het verband leggen tusschen de actie naar de

nieuwe gemeenschap en politieke verkiezingen.

Met een reeks van persstemmen uit binnen- en buitenland — voorzien

van uitgebreid redactioneel commentaar — kan men ook in

dit nummer kennis maken.

Dan volgen beknopte verslagen van de besprekingen en besluiten

van het werkcomité; een overzicht van wat als „vorderingen" mag

worden aangemerkt en voorts een opgave van de aanwinst van een

dertigtal nieuwe plaatselijke comité's.

Alle vooraanstaande werkers in het katholieke openbare leven,

wie de actie naar de nieuwe gemeenschap ter harte gaat, vinden

ook in dit nieuwe nummer weer zeer veel wat hun belangstelling

moet hebben.

Men kan bij de besturen der bij de actie aangesloten organisaties

zich als abonné melden, alsook bij de uitgeefster: „Urbi et Orbi",

Ondiep 6, Utrecht.

SEPTEMBER 1939 - No. 158

Een actueel brochuurtje.

Ofschoon de actie „Naar de Nieuwe Gemeenschap" in handen

is gelegd van een Algemeen Comité, beteekent dit toch geenszins,

dat de daarin opgenomen organisaties voor wat de actie zelf betreft,

kunnen volstaan met af te wachten hetgeen er door dit Comité

o.a. wordt ontworpen op het terrein van dz propaganda en aan

andere plannen wordt uitgestippeld. Integendeel, het is veel meer de

bedoeling, dat al deze organisaties ook in eigen kring, met eigen

middelen en langs eigen wegen doelbewust meehelpen om het

welslagen van de actie te verzekeren.

Sobrietas heeft in dezen geest haar jongste congres reeds geheel

in het teeken van de Nieuwe Gemeenschap geplaatst. Thans is van

de hand van den „verjongden veteraan Douwes", zooals pater Often

O.P. hem in zijn inleidend woordje noemt, een actueele, goed

doordachte en goedgeschreven brochure verschenen over „Sobrietas

en de Nieuwe Gemeenschap".

Hierin worden de voornaamste in Quadragesimo Anno zoo duidelijk

en zoo herhaaldelijk benadrukte passages vermeld en toegelicht,

waarin de Paus gesproken heeft over den nieuwen geest,

die onder alle menschen moet vaardig worden, welken nieuwen

geest straks het lichaam — de structuur van de maatschappij —

moet bezielen en dragen. Het spreekt vanzelf, dat in dit verband

de schrijver een belangrijke taak toewijst juist aan Sobrietas en

het tweede deel van de brochure is dan ook op dit punt zeer

concreet.

De brochure bevat inderdaad veel goeds, is vlot en vaardig geschreven

en geeft aan een ieder, lid of geen lid van Sobrietas, maar

die het goed meent met de actie, die wil meewerken om in eigen

kring en daarbuiten een nieuwe levensverhouding aan te kweeken,

houvast.

Is deze publicatie allereerst voor de leden van Sobrietas bestemd,

wij bevelen de lezing ervan ook aan alle anderen aan. De aanschaffingskosten

ad 15 cents zullen wel geen onoverkomelijk bezwaar

vormen.

Men kan zijn bestelling richten tot het Centraal Bureau van Sobrietas,

Verversstraat 30, 's Hertogenbosch.

Stimmen der Zei!. — Juli-aflevering.

Het Julinummer van „Stimmen der Zeit" behandelt in het eerste

artikel de vraag naar de mogelijkheid van een natuurlijke godsdienst.

Dr. W. Kulbach komt hierin tot de conclusie, dat men concreet

niet kan spreken van een natuurlijken godsdienst, zonder de

werkelijke verhouding tusschen schepsel en God op te heffen.

De bekende Russische geleerde von Riabouchinsky geeft een blik

in het ontstaan der z.g. oud-geloovigen in Rusland.

De Ier Edward Cahill geeft een overzicht over de geschiedenis

van zijn volk, waarbij hij wil aantoonen, hoe zeer dit land altijd

met zijn geloof verbonden was.

Stimmen der Zeit. — Augustus-aflevering.

In de Augustus-aflevering schrijft Aug. Brunner S.J. een artikel

over het philosophisch-theologisch denken van Blondel. Hij bespreekt

daarin Blondel's probleem: hoe kan men hen, die geen interesse

hebben voor het religieuze, daartoe opwekken?

Dom proost Simon ontwikkelt gedachten over de „Diatetiek der

ziel".

Anton Pummerer schrijft verder over Duitsche mystiek.

Tenslotte een lezenswaardig katholiek cultuuroverzicht en de

rubriek „Umschau".

Bouwt de Gemeenschap

Met den mortel van Uw liefde,

En al wat steen is

Wordt onsterfelijk.

More magazines by this user
Similar magazines