DE JOURNALIST

webstore.iisg.nl

DE JOURNALIST

N^ 356

4 Januari 1923

DE JOURNALIST

Orgaan van den Nederlandschen Journalisten-Kring

Adres voor Redactie en Administratie

BUSSUM Kon. Emmalaan 13

INHOUD Officieele Mededeelingen: Ons ledental; Ledenlyst.

— Locale en Gewestelijke Vereenigingen: Haagsche Journalisten-Vereeniging.—

Algemeene belangen: Onze tooneel-critici;

On-collegiale polemiek; Het Nederlandsche Pers-Museum; Der

Lausbub; Uit zonnige jaren, III. — Personalia en berichten.

— Correspondentie. — Advertentiën.

Ons ledental.

Officieele Mededeelingen.

Gedurende het jaar 1922 hebben de volgende wijzigingen

in het ledental van den Kring plaats gehad.

Het jaar werd begonnen met 1 eerevoorzitter, 2 eereleden,

3 donateurs, 76 buitengewone en 470 gewone leden.

Van de gewone leden overleden er 5, van de buitengewone

overleed 1. Overgebracht van gewone naar buitengewone

werden 3 leden, van buitengewoon naar gewoon 7. Als gewoon

lid bedankten 15; werden geroyeerd 17; als buitengewoon

lid bedankten 6, werden geroyeerd 2 leden. Als gewone leden

traden toe 45 personen, als buitengewone leden 12. Het

aantal eereleden vermeerderde met 1.

De stand op 1 Januari is dus 1 eerevoorzitter, 3 eereleden,

3 donateurs, 75 buitengewone leden en 481 gewone leden.

Ledenlijst.

Ad; esïxranderingen:

R. J. GODDARD naar Ungererstrasse 32 p/r München (23),

Bayern.

Mej. M. W. C. SCHRIER naar Huize „Rembrandt", Hazerswoude

a/d Rijn.

Locale en Gewestelijke Vereenigingen.

Haagsche Journalisten-Vereeniging.

Als lid heeft zich opgegeven de heer G. VAN DIJK, parlem.

red. De Telegraaf, Vos in Tuinstraat 3, Den Haag. Het

bestuur beslist over deze aanvrage niet binnen een week

nadat zij ter kennis van de leden is gebracht.

Onze tooneel-critici.

Algemeene belangen.

In het verslag der jongste Kringbestuursvergadering komt

het volgende voor:

„De Voorzitter deelde verder mede zich tot den heer Maurits

Wagenvoort te hebben gewend, in verband met verschillende

grievende uitlatingen over tooneelcritici, die (volgens een verslag

in Het Vaderlaud) de heer Wagenvoort in een lezing ten beste

had gegeven. De heer Wagenvoort antwoordde dat het verslag

een geheel onjuist beeld had gegeven van zijn woorden, en dat

hij een rectificatie aan het blad zou toezenden."

Naar aanleiding van deze mededeeling schrijft Het Vaderland

van 27 December, avondblad:

„Die „rectificatie" heeft men in ons Avondblad van 16 dezer

kunnen lezen, en daarbij een woordelijke aanhaling uit den, ons

door den heer Wagenvoort ter vergelijking afgestanen tekst van

zijn rede, uit welke aanhaling onbetwistbaar bleek, dat in ons

verslag van hetgeen de heer Wagenvoort in den Kunstkring over

de tooneelkritiek in de Nederlandsche pers had gezegd eengeheel

juist beeld was gegeven."

Redacteur:

CORN. A. CRAYÉ

Dit blad verschijnt den eersten en

derden Donderdag van iedere maand

Wij moeten onzerzijds erkennen, dat de strekking in het

Vaderlandsche verslag geheel overeenkomt met die van den

tekst der rede, welke de heer MAURITS WAGENVOORT had

afgestaan. Deze rede was reeds vroeger in een tijdschrift

verschenen. Wij hadden haar niet gelezen. Ware dit wèl

geschied, dan zouden wij ongetwijfeld dezelfde bezwaren er

tegen hebben geuit als nu tegen de Kunstkring-rede.

De heer MAURITS WAGENVOORT beweerde o. a., dat de

tooneel-criticus zijn recensie in overeenstemming brengt met

de mate waarin het betrokken tooneelgezelschap in het

betrokken blad adverteert. Deze bewering — de heer WAGEN­

VOORT houde het ons ten goede — is absurd. In onzen eigen

kring behoeft zij geen weerlegging. Maar het uiten van

dergelijke beweringen in het publiek is ongetwijfeld gevaarlijk,

en bijzonder grievend voor de betrokken collega's. Uit de

schriftelijke mededeelingen van den heer WAGENVOORT is

ons echter gebleken, dat zijn bedoeling beter is geweest dan

de letterlijke tekst van zijn woorden.,

D. H.

On-collegiale polemiek.

In de Nieuwe Courant werden op zekeren dag twee tooneelrecensies

tegelijk geplaatst. Onder beiden stonden de bekende

initialen „F. L." Wie ook maar eenigermate weet, hoe zeldzaam

nauwgezet de heer LAPIDOTH steeds zijn arbeid verricht,

heeft onmiddellijk begrepen, dat hier een misverstand in het

spel moest zijn. Ik voor mij. wetende, dat verschillende

redacteurs en medewerkers aan de Nieuwe Courant verbonden

zijn, wier naam met een L. begint, (ik ken er, afgezien van

FRITS LAPIDOTH, op zijn minst drie), heb onmiddellijk begrepen

dat hier een zetter of corrector van de wijs was geraakt en

mechanisch voor de „L" van een der anderen de hem zoozeer

vertrouwde „F" had geplaatst.

Een ander Haagsch dagblad heeft echter den volgenden

dag, op grond van de overeenkomst van eenige volzinnen in

een dier recensies met passages in een eigen tooneelbespreking,

te kennen gegeven, dat hier wel plagiaat in het spel zou zijn.

Later pas, toen eene rectificatie was aangebracht, is deze

beschuldiging ten opzichte van den heer F. L. teruggenomen.

Het komt mij voor dat geen oogenblik de gewraakte houding

had mogen zijn aangenomen. Eer is teer en de beschuldiging

van plagiaat treft dubbel, als iemand met zijn naam of met

algemeen bekende initialen wordt aangeduid. En nu heeft

weliswaar geen verstandig mensch aangenomen, dat inderdaad

de heer F. L. zich tot dom naschrijven van een ander verlagen

zou, maar pessimisten beweren, dat niet alle lezers

verstandige menschen zijn. En stellig moet zoo'npersoonlijke

aanval den collegialen omgang der journalisten in hooge mate

bemoeilijken en het prestige der besten hunner tegenover de

buitenwereld (tooneelspelers inbegrepen) verzwakken. Voor de

twijfelachtige vreugde van den triomfkreet aan het slot van

een boosaardig stukje had de onbekende schrijver, op wien

ik doelde, m. i. niet zooveel op het spel mogen zetten. Hij

heeft daardoor een zeer verdienstelijk collega mitsgaders

verscheidene beroepsgenooten zonder noodzaak gegriefd en

van alle wegen precies die gekozen, waarop hij zich niet had

mogen begeven.

Het Nederlandsch Pers-Museum.

J. J. VAN BOLHUIS.

Collega's!

We zijn er haast!

Niettegenstaande de ongunstige tijdsomstandigheden zijn

wij er in geslaagd — dank zij vooral de medewerking van

de besturen van den Nederlandschen Journalisten-Kring en

van de Nederlandsche Dagbladpers, van de directién van


*

2 DE J O U R N A L I S T

verschillende groote bladen en van eenige particulieren, een

groot gedeelte bijeen te krijgen van het bedrag dat noodig

zal zijn om de huur (en andere noodzakelijke uitgaven) te

betalen van het mooie i7 e eeuwsch gebouwtje van het voormalig

Korenmetersgilde, dat het gemeentebestuur van Amsterdam

ter onzer beschikking heeft gesteld voor de vestiging

daarin van het Nederlandsch Pers-Museum.

Een paar honderd gulden nog ontbreken ons.

Zult gij ons in het gezicht van de haven laten schipbreuk

lijden?

Wij vertrouwen dat uw antwoord op deze vraag ontkennend

zal luiden!

Zendt spoedig uwe bereidverklaring om eene jaarlijksche

bijdrage te verleenen aan onzen secretaris, collega J. H. ROGGE,

Prinsengracht 65J, Amsterdam. Groote maar ook kleine

bijdragen zijn ons welkom! Vele kleintjes maken een groote,

en zullen ons bovendien de overtuiging schenken dat het

Nederlandsch Pers-Museum mede gedragen wordt door de

belangstelling van de Nederlandsche dagbladschrijvers individueel.

Bedenkt wat hiermede verkregen wordt: de vestiging van

ons museum in een waardig gebouw; een gebouw waardoor

tot uitdrukking zal komen de belangrijke plaats die de journalistiek

altijd in ons volksleven heeft ingenomen en nog

inneemt; een gebouw dat gelegenheid geeft, niet slechts om

de bestaande collecties op uitnemende wijze onderdak te

brengen, maar ook om af en toe tentoonstellingen te organiniseeren,

en tevens om mettertijd aan het Museum de door

ons bestuur noodzakelijk geachte uitbreiding te geven; een

gebouw dat, door de verzamelingen die er in te zien zullen

zijn, een monument kan worden van de Nederlandsche journalistiek

in haar gansenen omvang, door de daarin te houden

bijeenkomsten, een centrum van journalistiek leven!

Die paar honderd gulden, we zijn er zeker van, zullen

binnen een paar dagen bijeen zijn.

Do it now!

Voor het bestuur van de Stichting

Het Nederlandsch Pers-Museum:

D. KOUVVENAAR,

voorzitter.

Der Lausbub.

Er zijn menschen, die er maar weinig tegen opzien, in

een wildvreemd land ergens te staan met een leege maag en

een leege beurs, alleen maar mèt hun „arbeidskracht" en

hun avonturen-lust. Ik meen zelfs te weten, dat er onder de

leden van den N. J. K. eenige zijn, die op dit gebied hun

sporen hebben verdiend. Wie zich in deze dingen liever tot

de litteratuur beperkt, die leze een boek van Erwin Rosen,

„Der Deutsche Lausbub in Amerika" (Verlag Robert Lutz,

Stuttgart 1922, vier und fünfzigste Auflagej. Het is een

moderne „schelmenroman" van bijzondere qualiteiten, die

gedeeltelijk in de krantenwereld speelt. De held is een

jonge Duitscher, zeer luchthartig, maar nóch moreel verdorven,

noch dom; hij kan het met zijn gymnasium-leeraren nu

eenmaal niet vinden (de naam „Lausbub", snotjongen, komt

van hen), en sjeest uit de hoogste klas naar Amerika. Wordt

onder meer farmersknecht, apothekersbediende, trein-vagabond,

vischschoonmaker, leeraar in het Duitsch, en natuurlijk journalist.

Zoo geeft het boek een aardigen, blijkbaar autoptischen

kijk op Amerikaansch journalisten-leven („Overheid en Pers"!)

Het is. mede daarom zoo kostelijk van humor, omdat het

bij scherpe observatie volkomen beheerscht blijft, nergens in

flauwe overdrijving of in grofheid vervalt. Een opmerkelijk

contrast met een boek, dat in denzelfden geest begint:

Malle Gevallen. De charge en de onfrisschigheden, waarmee

collega HANS MARTIN zijn niet ongeestig boek min of meer

bedierf, heeft (collega?) ERWIN ROSEN niet noodig. Zijn werk

staat litterair hooger.

SCHRÖEDER.

Stakingscouranten.

Het Bestuur van de Stichting Het Nederlandsch

Pers-Museum verzoekt dringend aan degenen die

hiervoor in de gelegenheid zijn couranten, welke in

verband met de actie der typografen in een bijzonderen

vorm verschijnen een exemplaar te willen

doen toekomen aan

J. H. ROGGE, secretaris,

Amsterdam, Prinsengracht 657


Uit zonnige jaren.

ui

Terwijl ik zoo te schrijven zit, en veel uit die jaren mij,

kinematografisch, in den geest voorbijgaat, (ik bepaal mij

alleen tot collegiale herinneringen en laat de zmver-poiitieke

op een enkele uitzondering na buiten beschouwing) komen

nog twee gebeurtenissen zich opdringen,

de één ernstig,

de ander komisch.

De ernstige gebeurtenis geviel in de bewogen „revolutie"dagen

van November 1918. TROELSTRA was bezig zijn

vermaarde speech te houden. De sensatie, de ontroering,

de bewogenheid namen met de minuut toe. Zij sloegen,

als het ware, in golven door de Kamer, èn over de

perstribune. Ook in de roode fractie zélf was er geweldige

deining, later verklaard, toen bleek dat het min of meer

een privé-revolutie van TROELSTRA was geweest. Maar

op dat oogenblik van hoogspanning — het meest-bewogene

dat ik heb meegemaakt — werd ik gewenkt door een lid

van de sociaal-democratische fractie. Ik ging naar het

trapje, dat naar de perstribune voert. Daar deelde de

socialistische afgevaardigde mij mede, dat een belangrijk

deel der fractie het niet met TROELSTRA eens was en gaf

mij vrijheid dit aanstonds te publiceeren in mijn blad.

Hetgeen ik natuurlijk deed. Nooit vergeet ik de ontspanning,

die dit bericht in de parlementaire sfeer teweegbracht.

Voor mij is dit een der belangrijkste momenten in m'n

journalistiek-parlementaire carrière geweest.

En: nu het komische incident. Boven ons hoofd is de

publieke tribune, of, gelijk een gevleugeld woord van éen

der collega's, toespeling op de wijsheden die er steeds

worden verkondigd, luidt, „de politieke hooizolder". Het

publiek daar wordt steeds door een veldwachter bewaakt

en komiek was vaak de verontwaardiging van het geachte

auditorium, wanneer onze aandacht voor het debat niet

bijster groot was. NARDUS dreigde dan dikwijls dat hij

„het publiek" er „zou laten afzetten". Het is een jaar of

tien geleden, dat, tijdens het begrootingsdebat, de discussies

weer eens niets om het lijf hadden, en wij, journalisten,

onder elkaar verstrooiing zochten door gesprekken. Zooals

het dan wel eens meer ging: er werden dien middag heel

wat grapjes onderling verkocht, en dus werd er braaf

gelachen. Bij het uiteengaan der vergadering, toen ik m'n

eerste schreden op het Binnenhof had gezet, werd ik op

den schouder getikt door den stoeren en omvangrijken

rijksveldwachter, die de publieke tribune had bewaakt.

„Mijnheer, ik zal rapport van u maken!" — Ik stom

verbaasd; — „U zegt?" — „Ik zal rapport van u maken,

u hebt tijdens de vergadering herhaaldelijk zitten lachen!"

De brave was van oordeel geweest, dat hij ook de perstribune

te controleeren had. Nimmer ben ik in zoo'n verheugde

stemming het eeuwenoude Binnenhof afgewandeld,

maar tot m'n.diep leedwezen heb ik van het „rapport"

nooit meer iets gehoord. Jammer. Want anders had ik,

met BYRON, kunnen zeggen: „1 awoke one morning and

found myself famous".

Een soortgelijke vergissing hebben meermalen de kranige

grenadiers en jagers begaan, die op de publieke tribune

van de Eerste Kamer de wacht houden: herhaaldelijk is

het voorgekomen, dat journalisten, die onderling spraken,

door zoo'n soldaat beleefd werden uitgenoodigd te zwijgen.

De vergissing is daar meer verklaarbaar: de perstribune

is er (helaas!) een stuk van de publieke. En weet ge nog,

collega's, dat de patriarch, die tegenwoordig het Hoogerhuis

voorzit, en wiens kleinkinderen wij benijden vanwege den

voortreffelijken grootvader dien zij bezitten, ons eenmaal

verzocht te zwijgen op een toon, zóo barsch, dat het

scheen of hij voor een troep boeren-recruten stond?

Toen zijn de overzichtschrijvers uit protest heengegaan,

(ook ik deelde in dit meevallertje) en den volgenden morgen

hebben wij den braven generaal in onze kranten zóo

militairement de waarheid gezegd, dat hij nadien alleen

nog maar hamerde als we te woelig waren.

Trouwens: de rustige, saaie Hoogerhuis-atmosfeer, waar

de leden zoo geraffineerd-hoffelijk doen jegens elkaar,

heeft altijd op mij een irriteerende werking geoefend. Ik

houd niet van museum-stilte, en ik had in de Eerste Kamer

altijd de sensatie van in een panopticum te zijn. Geopend

op werkdagen van 11—4 uur. Verboden de voorwerpen

aan te raken.

Dikwijls heb ik er naar een conflictje verlangd,

teneinde protesteerend te kunnen heengaan. Vooral op

mooie voorjaarsdagen, als de zon zoo verleidelijk over den

Hofvijver scheen en de boomen in nieuwe levenskracht

begonnen te ontbotten. Maar we hadden geen kans . . .!

* *

*

DE JOURNALIST 3

Ik ben, als parlementair redacteur, natuurlijk met heel

veel politici, en in verband met anderen journalistieken

arbeid met vele andere bekende personen, in contact

gekomen. Ik heb ook veel gecorrespondeerd met hen, als

b.v. het' vragen van inlichtingen mondeling, om welke

reden dan ook, te lastig was. En dan heb ik altijd hun

handschrift of hun handteekening bewaard, en zoo bezit

ik een heel dossier, waarin het schrift voorkomt van zeer

vele vooraanstaande personen. ')

Verscheidene typische herinneringen aan m'n journalistiek-parlementairen

arbeid liggen, in concreten vorm,

vóór mij. Brieven, naar aanleiding van mijn werk, van

verscheidene ministers, van afgevaardigden (o. a. van

BORGESIUS en TROELSTRA, twee mannen, voor wien ik

steeds groot respect heb gehad), het portret van dr. NOLENS,

mij door hem gezonden na een schets die ik over hem

schreef, en dan: vele spontane brieven uit m'n lezerskring,

die mij even zoovele voorwerpen-van-vreugde zijn geworden.

Ik denk aan dien baron, wonend op een groot

buiten bij Arnhem, die mij, naar aanleiding van m'n

Kamer-overzichten, enthousiast vroeg eens bij hem op

bezoek te komen; aan dien grooten bloemist die mij, typisch

genoeg, als blijk van waardeering uitnoodigde tot een

visite aan zijn bloemenkassen 2 ), aan een dankbetuiging

„van het gezamenlijke personeel van het postkantoor te

Bolsward", nadat ik de pogingen had gesteund ter verbetering

van de rechtspositie van ambtenaren; aan een

zeer hartelijken brief van een orthodoxen predikant te

Rotterdam. En niet zonder voldoening maak ik melding

van een geestdriftig schrijven (1907!) van mevr. WYNAENDTS

FRANCKEN, aan mijn adres, naar aanleiding van mijn overzichten

over een bepaald wetsontwerp: helaas, dat ik met

haar later in zoo boozen pennestrijd gewikkeld moest

worden. Het kan verkeeren!

Men begrijpe mij goed: ik etaleer dit alles niet, om

er mij op te beroemen, al kan het dien schijn wekken-

Maar op dit oogenblik, nu ik een bepaalde taak neerleg,

wil ik het niet verzwijgen, omdat de verhouding tusschen

den journalist en zijn publiek toch werkelijk van genoeg

belang is, om met zulke voorbeelden eens daadwerkelijk

te worden gedemonstreerd.

Tot de dingen, waarop ik, als herinneringen uit m'n

parlementaire jaren, het meest prijsstel, behoort ook het

visitekaartje van minister COOL, die mij, daags na zijn val,

daarop dank zegde voor mijn „waardeerend" Kameroverzicht.

COOL was, naar mijn meening, op unfaire wijze

ten val gebracht. Op zulke oogenblikken ben ik nooit de

journalist-automaat geweest, die gevoelloos de dingen kon

meeleven. Dikwijls heb ik mij afgevraagd, of mijn gestel

voor het parlementaire werk wel geschikt was: ik leefde

op spannende momenten met hart en ziel mee. Misschien

zal men het een tikje sentimenteel in mij vinden, maar ik

heb van het, om politieke redenen, ten val brengen van

een minister, die zich geheel aan zijn taak gaf, altijd sterk

den tragischen kant gezien, ik heb altijd deernis gehad

met den persoon wien het trof. „Bij zooveel groote teleurstelling",

schreef minister COOL mij, „doet het goed zooveel

warme sympathie te ontmoeten". Op zoo'n oogenblik was

het mij een voldoening, dat ik een goed woord kon zeggen

over een minister, die ten val was gebracht.

Ik denk ook aan het journalistieke contact, dat ik met

KUYPER heb gehad. KUYPER was een charmante kerel, als

je bij hem kwam. Toen ik den eersten keer bij hem werd

toegelaten, deed hij al dadelijk of we schoolkameraden

waren geweest. Hij was — ik voel nog sterk den indruk

na dien het op mij maakte — in een soort blouse van

grijze kleur gekleed, een sport-hemd (haast schreef ik: een

voetbal-shirt, maar ik wil VAN DER HOUT niet „op stang

jagen"), waarover een lange das los neerhing. Hij greep

i) Ik doe een greep, in bonte volgorde: KUYPER, LOHMAN, NOLENS,

TROELSTRA, GOEMAN BORGESIUS, prof. GROENEWEGEN, CHARLES

BOISSEVAIN, BOS, dr. BRONSVELD, VICTOR DE STUERS, ALETTA

JACOBS, prof. PYPER, mr. LEVY, MARCELLUS EMANTS, prof. RITZEMA

BOS, prof. HENDRIK MULLER, prof. BRUGMANS, WILLEM SCHÜRMANN,

NICO VAN SUCHTELEN, FOCK, EDWARD KOSTER, ADAMA VAN

SCHELTEMA, prof. PEL, prof. VAN DER VLUGT, prof. KERN, LIEFTINCK,

WILLEM KLOOS, JEANNE KLOOS, THOMSON, JULES SCHÜRMANN,

minister COOL, VAN KOL, prof. STEINMETZ, JOANNES REDD1NGIUS,

VAN AALST, prof. DAMSTÉ, VAN GIJN, QUERIDO, WILLEM ROYAARDS,

JAAP EDEN, COLIJN, VAN HEUTSZ, HUGO DE VRIES, TREUB, CREMER,

VAN HAMEL, VAN DEVENTER, VAN HOUTEN, PATIJN, MARCHANT,

STRUYCKEN, prof. VAN VOLLENHOVEN, DE BEAUFORT, ZIMMERMAN,

HEEMSKERK, RUYS DE BEERENBROUCK, VAN IJSSELSTEIN, OPPENHEIM,

LODEWIJK VAN DEIJSSEL, GRETA LOBO, VAN DER LUGT-MELSERT,

ANNIE VAN EES, dr. DE VISSER, VAN KARNEBEEK, SPEENHOFF,

generaal ELAND, ELSE MAUHS, KOLKMAN, VISSER VAN IJZENDOORN,

DE GEER, RINK, JOH. BEEN, en' vele anderen.

Ook heb ik van allerlei belangrijke gebeurtenissen steeds de toegangskaarten

bewaard (b.v. de Doop van JULIANA, Opening van het Vredespaleis,

ik noem slechts twee voorbeelden): het is — in dossier — een klein Persmuseum

geworden.

2 ) Van een kapelaan in Breda, met wien ik over een sport-zaak in scherpe,

maar vriendschappelijke polemiek was geweest, ontving ik ter beëindiging

van de gedachtenwisseling eens een prachtigen goudfazant ten geschenke

(lekker!)


4

DE J O U R N A L I S T

aDDODD DDDDDDDDDDDODDDaODDDDDDDDDDDODDDDDDDDDDDDDDDaaaDDD

Hl MA'S zijn goede rijwielen.

DDDDD DDDaDDDDDDaDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDDaDDaDDDDDDDD

me bij den schouder, trok me z'n studeerkamer in, pootte

me op een stoel, en was aller-joviaalst. Ik heb nog steeds

een schrijven van 'm (over de befaamde lintjes-kwestie),

dat nooit iemand ten volle heeft kunnen ontcijferen, zelfs

z'n eigen secretaris niet. Men weet dat aan De Standaard

slechts een enkele zetter zijn schrift kon lezen. En een

ander schrijven van 'm begint met: „Waarde collega! .

Nou of ik het fijn vond, toen ik dat indertijd ontving.

Een man-in-het-parlement, met Wien ik door mijn werk

in contact kwam, en aan wien ik mij werkelijk verknocht

ben gaan voelen, was THOMSON.

Nooit vergeet ik hem. _

Wii waren één in denken, één in politieke opvatting, hij

deed (voor Indië) journalistiek werk, dat ik vaak van hem

overnam, en er was een warme genegenheid tusschen ons

ontstaan, waarvan ik getuigd heb in het boekje dat ik over

hem schreef. De dag, dat mij, geheel onverwacht, telefonisch,

het bericht van zijn tragischen dood bereikte, is een der

moeilijkste in mijn leven geweest. De redacteur-Binnenland

was het, die mij telefoneerde (het bericht uit Albanië was

iuist binnen) en hij vroeg mij, dadelijk, een levensbeschrijving.

Ik heb het niet kunnen doen. Het is het eemge oogenblik

in m'n loopbaan geweest, dat m'n gevoel mi] te veel

beheerschte, om „copie" te kunnen leveren.

Nog vaak — als ik in m'n bovenvermeld dossier blader —

toeft m'n blik op de brieven die hij me uit Albanië schreef,

en waarin hij me mededeeling deed van z'n strijd en z n

teleurstelling daar. De prachtige postzegels, welke hij me

stuurde, zijn nu in dubbelen zin waardevol voor me

eeworden. Trouwhartige, nobele kerel, sterke strijder, ridder

zonder vrees of blaam — uw figuur blijft een mijner

beste heugenissen uit de jaren dat ik in het parlement

mijn werk deed. D_ HANg_

Personalia en Berichten.

De Provinciale Groninger Courant gaat over in handen

van de Groninger Uitgeversmaatschappij voorheen van

Heimingen Bosch, die de courant met den nieuwen (i37 iten )

jaargang in exploitatie zal overnemen onder de oude redactie

en in denzelfden vorm, waarin de courant tot heden uitkwam.

Wii lezen in de N. Arnhemsche Courant de volgende

mededeeling van den Raad van Commissarissen van dat blad:

Aan den heer GRESHOFF is op zijn verzoek een verlof

verleend tot i April, den datum waarop het aan hem op

ziin verzoek eervol verleend ontslag ingaat.

„De heer H. P. N. VAN DER KUIL, directeur, IS gedurende

dien tijd belast met de hoofdredactie."

Dinsdag 2 Januari herdacht de heer J. D. EGGINK redacteur,

chef van de' afdeeling „Binnenlandse* Nieuws aan het

Utrechtsen Dagblad, onder talrijke bewijzen van belangstelling

ziin 2 s-jarige werkzaamheid aan dat blad. Vanwege het

college van commissarissen, door directeur, hoofdredacteur en

redactie en den oud-redacteur den heer VAN LESSEN, werden

hem met hartelijke toespraken huldeblijken aangeboden terwijl

den jubilaris ook van zijne collega's aan de plaatselijke bladen

en van de vertegenwoordigers der pers buiten Utrecht blijken

van vriendschap en waardeering gewerden.

Correspondentie.

Aangezien de mogelijkheid niet is uitgesloten, dat eemge

bii onze Administratie ontvangen brieven naar aanleiding van

de advertentie onder No. 17 „Redacteur, klasse A gevraagd

(voorkomende in nummer 355 van De Journalist) tijdens

net postvervoer zoek zijn geraakt, worden de afzenders, dus

de sollicitanten op deze betrekking beleefd verzocht hun

naamkaartje met adres aan onze administratie te zenden.

Wij zullen deze dan aan den inzender Van bovengenoemde

advertentie doen toekomen, ter controle der ingekomen brieven.

De Administratie van De Journalist.

Advertentiën.

Jong Journalist,

voorstudie Ned. T. en Lett., Staatswetensch. Voorheen werkz.

prov. dagblad red.-verslagg.; daarna nachtd. gr. dagbl. Amsterdam;

vervolgens tijdel. plaatsverv. verslagg. Den Haag;

Persklare versl. gerout., mod. tal. beheerschend. Bekend in

voorn. Buitenl. BI. (politiek) vlot styl. en vert; in bezit

aanbevelingen van vooraanstaande journalisten; vrijzinnig;

zoekt plaatsing aan dagblad

te A'dam, R'dam, Haag of aan gr. Prov.-blad; ontv. dienaangaande

gaarne br. onder No. 20 „De Journalist", Bussum.

Andere tijden, andere zeden.

Bij POLMAN kon men vroeger

alleen a la carte eten.

Thans zijn van 5-8 uur in Polmans Huis

ook Diners a prix fixe verkrijgbaar.

Het fixum is bepaald op f 2.50.

Het diner is goed.

De bediening is oplettend.

De wijnkelder geniet nog

altijd een goede reputatie.

Warmoesstraat 197-199 Amsterdam.

T

NAUTA&HAAGEN

CLICHÉMAKERS

AMSTERDAM

V TELEF: 5725. N,

An-

Gedrukt bij A. de la Mar Azn., Amsterdam

T—"^

More magazines by this user
Similar magazines