N I E U W S B R I E F 2009 - 2 - RAAP Archeologisch Adviesbureau

raap.nl

N I E U W S B R I E F 2009 - 2 - RAAP Archeologisch Adviesbureau

Archeologische begeleiding

N I E U W S B R I E F

A R C H E O L O G I S C H A D V I E S B U R E A U

Mammoetresten ontdekt

in Drentse bodem

De Gasunie is begonnen met de aanleg van een pijpleiding

die dwars door Nederland gaat lopen. RAAP zorgt voor de

archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden en

dat kan bijzondere vondsten opleveren. Afgelopen september

ontdekte RAAP projectleider Janneke Hielkema de resten van

mammoeten bij het Drentse Oranjekanaal.

Janneke Hielkema, projectleider bij de regionale RAAP vestiging in Drachten, weet

nog goed hoe ze bij het Oranjekanaal onder in de put stond. Er moest een kuip van

zeven tot acht meter diep gegraven worden. De machinist haalde op aanwijzingen

van Hielkema en haar team laagje voor laagje de grond weg. Hielkema: “De eerste

dag hadden we niks gevonden. Tegen het einde van de tweede dag hadden we het er

net over hoe saai het kan zijn om de hele dag op te letten wat er weggegraven wordt,

toen we plotsel ing een tik hoorden. De bak van de graafmachine had iets geraakt.

We zijn er meteen op afgegaan en zagen de eerste mammoetresten tevoorschijn

komen.”

“Die botten zijn zo oud, het is bijzonder om ze vast te houden”, zegt Hielkema, die

zelf prehistorie heeft gestudeerd in Groningen. “Het heeft me aardig uit mijn slaap

gehouden, vooral toen we de slagtand van een mammoet vonden. RTV Drenthe

zou de volgende dag komen om die te filmen, vandaar dat de tand moest blijven

liggen. Er rijdt ’s nachts wel bewaking rond het terrein en de vondst lag redelijk

onbereikbaar in de diepe put, maar het hield me wel bezig. Gelukkig lag alles er de

volgende ochtend nog.”

Neushoorn

De mammoetresten die langs het Oranjekanaal tevoorschijn kwamen, trokken veel

belangstelling. Hielkema: “Iedereen leefde mee, belde me op. Ik was er zelf ook erg

enthousiast over. Van mijn zoon mocht ik zijn Ice-age mammoetknuffel meenemen,

om ons geluk te brengen. Uiteindelijk hebben we zo’n zeventig fragmenten

gevonden! Voornamelijk botresten van mammoeten, maar ook een onderpoot van

een wolharige neushoorn. Verder zaten er twee stukken van de kop van een snoek bij

en een pootje van een watervogel. Of al die dieren daar op hetzelfde moment geleefd

hebben, is onduidelijk, maar hun resten zijn wel in dezelfde laag gevonden.”

INHOUD

2009 - 2

Boren naar olie en archeologie

in Schoonebeek

erfgoedzorg

Spoedaanpak A2 Limburg: archeologisch

advies per pechhaven

Het verhaal achter de kaart: kasteel

Nijenrode

De laatste resten van een leprozerie in

Harderwijk

en verder: Boren naar het castellum van Utrecht |

De laatste resten van een leprozerie in Harderwijk

| Archeologische duikinspectie Westerschelde |

Verhuizing RAAP regio oost


Projectleider Janneke Hielkema houdt een

mammoetkies in haar hand.

Ook voor de Gasunie was de vondst van mammoetresten positief

nieuws. Een bijzondere vondst heeft toegevoegde waarde en

levert goede PR. En vertraging heeft de vondst niet opgeleverd.

RAAP kreeg een week de tijd voor het onderzoek van een vijf

meter brede en 25 meter lange sleuf. Daarna moest het team van

Gasunie weer verder met boren voor de aanleg van de pijpleiding.

RAAP heeft alle vondsten kunnen intekenen, fotograferen en

inmeten. Daarnaast is een meer dan vier meter hoge profielwand

gedocumenteerd en bemonsterd.

1991

Eerder al, in 1991, zijn tijdens graafwerkzaamheden vlakbij het

Oranjekanaal ook mammoetresten gevonden. Op de stort vond

een kraanmachinist een slagtand van een mammoet. Daarna

deed de Universiteit van Groningen onderzoek en kwamen meer

resten tevoorschijn. Die botten zijn destijds via de koolstof C-14

methode gedateerd op gemiddeld 45.000 BP in het Moershoofd

-Interstadiaal, dat is een warmere periode tijdens de laatste

ijstijd. Omgerekend komt dat neer op een ouderdom van zo’n

43.000 jaar. Janneke Hielkema licht toe: “Met die eerdere

vondsten in de nabijheid lag het voor de hand dat het graafwerk

voor de aanleg van de noord-zuid pijpleiding op deze locatie

archeologisch zou worden begeleid. Van tevoren hadden we

rekening gehouden met mammoetresten, daarom was Anton

Verhagen erbij gehaald. Hij is een ervaren paleontoloog en

mammoetdeskundige.”

Vondsten in context

De vondsten zijn bijzonder omdat ze in hun context gevonden

zijn. Hielkema hierover: “Vaak worden mammoetresten opgevist

door vissers die ze in hun netten aantreffen, of door baggeraars,

zodat we niets meer kunnen zeggen over de lagen waar ze

uitkomen of de ligging van de botten ten opzichte van elkaar.

Maar in dit geval lagen ze in de grond op de plek waar die

dieren geleefd hebben. Dat gebeurt zelden. Ik ken geen andere

voorbeelden in Drenthe, afgezien van de resten die hier vlakbij

aan het licht kwamen. In 1991 is er natuurlijk al het een en ander

onderzocht, maar we zijn nu jaren verder en kunnen nieuwe

onderzoekstechnieken toepassen. Daarom hebben we ook veel

monsters genomen. Bijvoorbeeld voor pollenanalyse, waarbij

je het fossiele stuifmeel onderzoekt, en voor OSL-datering, dat

is een vrij nieuwe dateringstechniek die gebruik maakt van het

meten van licht dat na optische stimulatie vrijkomt uit zand.”

De botten zijn voorzichtig schoongemaakt en liggen nu in plastic

bakjes te drogen op het RAAP-kantoor in Drachten. Ze moeten

geconserveerd worden en een deel van de botten ligt daarvoor al

bij een gespecialiseerd bedrijf in Urk. “Wat er na de conservering

mee gebeurt, is nog onduidelijk”, zegt Janneke Hielkema. “Het gaat

niet om archeologische maar om paleontologische vondsten en daar

bestaat eigenlijk geen goede wetgeving voor. Maar het zijn natuurlijk

bijzondere resten en het zou jammer zijn als ze in een depot

verdwijnen. De Gasunie wil de mammoetbotten graag tentoonstellen

en ook het Drents Museum heeft al belangstelling getoond.”

Krassen

Op een aantal botten lijken krassen en vraatsporen te zitten, maar

of het gaat om snijsporen, zoals mammoetdeskundige Verhagen

vermoedt, kan Janneke Hielkema nog niet bevestigen: “Snijsporen

kunnen erop duiden dat we te maken hebben met mensen,

mammoetjagers bijvoorbeeld. Dat zou heel bijzonder zijn, maar

dat wil ik eerst laten uitzoeken. We hebben tijdens het veldwerk

steekproefsgewijs grond gezeefd, maar geen aanwijzingen gevonden

voor de aanwezigheid van mensen, laat staan dat er vuistbijlen zijn

gevonden. Krassen kunnen ook veroorzaakt zijn door andere dieren

of door verplaatsing in de bodem. In de laatste ijstijd is de bodem

bodem hier behoorlijk verfrommeld door vorstwerking. Specialisten

van het Groninger Instituut voor Archeologie die naar de botten

hebben gekeken, durven niet met 100% zekerheid te zeggen dat het

snijsporen zijn. Er zullen nog andere deskundigen naar kijken, ook

een archeoloog die specifiek op dit onderwerp is gepromoveerd. Ik

ben erg benieuwd wat hij ervan zegt. Als het werkelijk snijsporen

zijn dan is dat een nader onderzoek waard. Met die mammoetbotten

zitten we in een periode waarin de Neanderthalers nog rondliepen

in Drenthe, de voorlopers van de moderne mens, dat maakt het erg

interessant.” Onlangs is mammoetdeskundige Dick Mol langs geweest

om de botten te bestuderen. Hij ontdekte dat er resten van in elk

geval twee mammoeten aanwezig zijn, een jong dier en een ouder

volwassen dier. In de komende maanden werkt Janneke Hielkema het

onderzoek uit en zal blijken of een vervolg wenselijk is.


N

Z

Afbeelding: Wikimedia Commons

Noord-zuid gasleiding

In het kader van het project Noord-Zuid Route legt de

N.V. Nederlandse Gasunie tussen 2009 en 2012 vele

honderden kilometers ondergrondse gasleiding aan.

Het project omvat onder meer de realisatie van 48

inch-leidingen tussen Rysum (D) en Schinnen en tussen

Wijngaarden en Zelzate (B), alsmede de bouw van twee

nieuwe compressorstations. De nieuwe pijpleiding is

nodig om in de toekomst meer gas uit het buitenland

te kunnen aanvoeren. Op geselecteerde plaatsen

in het leidingtracé waar archeologische resten te

verwachten zijn, voert RAAP proefsleuvenonderzoek uit.

Behoudenswaardige vindplaatsen worden vervolgens

direct onderzocht en zorgvuldig gedocumenteerd.

Archeologische begeleiding vindt plaats als er

bijvoorbeeld technische belemmeringen zijn, zoals de

grote diepte bij Wezuperbrug waar de mammoetresten

gevonden zijn (bij het Oranjekanaal in het tracé tussen

Orvelte en Wezuperbrug). Daar zijn eerst damwanden

geplaatst en is het grondwater verlaagd.

Foto: ToonBeeld/Frans de Vries, Stiens

2010

H

et jaar 2010 belooft

een bijzonder

jaar te worden,

in tweeërlei opzicht.

Vanzelfsprekend denkt

iedereen allereerst aan

de sombere economische

vooruitzichten. Of je

nu in de bouw werkt,

de transportsector, of bij de overheid, iedereen vraagt

zich af of de economie zal aantrekken en wat de effecten

zullen zijn van de aangekondigde bezuinigingen op de

overheidsuitgaven. Ook in de archeologische branche

houden we wat dat betreft de adem in. Zullen de overheden -

voor onze sector een belangrijke groep van opdrachtgevers -

straks allemaal de hand op de knip moeten houden, en zal de

archeologische markt voor het eerst sinds jaren op een krimp

afstevenen? Of wordt deze krimp alweer gecompenseerd

door stijgende investeringen in infrastructuur en bouw? Wie

het weet mag het zeggen. Helaas bestaat de archeologische

markt nog maar een jaar of vijftien, waardoor we niet kunnen

terugvallen op ervaringen uit het verleden. Daardoor weten

we niet goed hoe de archeologische markt zich precies

gedraagt bij een conjuncturele neergang. Loopt ze daarmee

precies in de pas of is er altijd sprake van een vertraging? Of

trekt de archeologische markt zich misschien wel weinig aan

van de conjunctuur?

Wat we inmiddels wel weten is dat de archeologisch markt

het afgelopen jaar nog een lichte groei liet zien. En eerlijk is

eerlijk, dat had niemand van te voren voorspeld. Maar omdat

kennis uit het verleden, ook die van het afgelopen jaar, geen

garantie biedt voor de problemen van de toekomst zal het er

ook in 2010 om spannen.

Misschien kunnen we hoop putten uit de bijna 25-jarige

reeks van omzetcijfers van een willekeurig archeologisch

bedrijf dat ik niet bij name zal noemen. De bedragen

laat ik gemakshalve achterwege. Duidelijk is dat de

curve niet parallel loopt met de economische groei

van de afgelopen 24 jaar. Het enige dat een even

spectaculaire groei laat zien is de toename van het

draagvlak voor archeologie en meer in het algemeen

voor cultuurhistorie. Blijkbaar heeft het bedrijf

in kwestie goed gebruik gemaakt van dit

draagvlak en hebben vele trouwe klanten met

hun opdrachten een bijdrage geleverd aan de

omzetgroei.

Wellicht heeft u de hint al begrepen. Ook

voor RAAP belooft 2010 een bijzonder jaar

te worden: we bestaan in februari op de

kop af 25 jaar en willen daar na “de grote

recessie” graag nog heel wat jaren op

laten volgen. We hopen u nog vele jaren

van dienst te kunnen zijn.

Marten Verbruggen

directeur RAAP

jaren

omzet

0 5 10 15 20 25


Inventarisatie, begeleiding, opgraving

Boren naar olie

en archeologie in Schoonebeek

Bij Schoonebeek in Drenthe zit op 800 meter diepte olie in de grond. Veel minder diep onder het maaiveld

liggen ook archeologische resten. De Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) gaat deze aardolie omhoog

pompen en RAAP boort de archeologie aan. Hoe gaat een en ander in zijn werk?

De NAM gaat weer olie winnen in het grootste olieveld op

het vasteland in Noordwest-Europa, onder Schoonebeek.

Hiervoor worden achttien oliewinlocaties en boven- en

ondergrondse leidingen en diverse wegen aangelegd. Voor

zover er archeologische resten in de bodem van het circa 1500

hectare grote plangebied liggen, worden ze bedreigd door

de werkzaamheden. Vandaar dat er archeologisch onderzoek

plaatsvindt.

Vijf jaar onderzoek

RAAP is al enkele jaren met het onderzoek in Schoonebeek

bezig. In 2005 en 2006 met bureauonderzoek en - op basis

daarvan - in 2008 met inventariserend onderzoek: boringen,

oppervlaktekartering en sonderingen. In de leidingentracés

zijn twintig mogelijke archeologische vindplaatsen

aangetroffen en ter hoogte van de oliewinlocaties nog eens

zeven. De vindplaatsen zijn in 2008 en 2009 gewaardeerd via

proefsleuvenonderzoek. Het merendeel bleek sterk verstoord,

vooral door landbouwactiviteiten. Op twee locaties zijn nog

wel waardevolle vindplaatsen ontdekt en in 2009 opgegraven

(zie inzet).

Eind 2008 startten de civieltechnische werkzaamheden,

veel daarvan in het beekdal van het Schoonebeeker Diep.

In beekdalen worden geen nederzettingen verwacht, maar

wel geïsoleerde en vaak bijzondere vondsten zoals rituele

deposities, afvallagen, visfuiken en bruggen. Omdat deze niet

op te sporen zijn met voorafgaand inventariserend onderzoek

worden de werkzaamheden in het beekdal archeologisch

begeleid. Naar verwachting zijn de werkzaamheden eind 2010

gereed.

Olie

Het olieveld in Schoonebeek werd in 1943 ontdekt door de Bataafse

Petroleum Maatschappij. Vanaf 1947 produceerde de NAM er

olie tot in 1996. Daarna was het met de toenmalige techniek, de

jaknikker, niet meer rendabel de olie op te pompen. Inmiddels

zijn er nieuwe technieken en vandaar dat de NAM terugkeert naar

Schoonebeek. Het olieveld in Schoonebeek kent een natuurlijke

breuklijn midden over het veld en de NAM richt zich op de westelijke

helft, waar tot 1996 ook al olie gewonnen is. De winning van

aardolie zal nu gebeuren met horizontale putten en stoominjectie.

Injectie met stoom maakt de stroperige olie vloeibaar, waardoor

deze gemakkelijker op te pompen is. In de plaats van de oude

jaknikkers komen hoogrendementspompen. De olie wordt via een

ondergrondse leiding getransporteerd naar een raffinaderij in

het Duitse Lingen en het water gaat via een ondergrondse leiding

naar Twente, waar het in lege gasvelden wordt geïnjecteerd. Naar

schatting bevat het olieveld nog zo’n 750 miljoen vaten olie (een

vat is 159 liter). De NAM verwacht de eerste olie in het najaar van

2010 te kunnen winnen.

De NAM is initiatiefnemer voor de herontwikkeling van het

olieveld, maar de werkzaamheden worden uitgevoerd door het

Schoonebeek Redevelopment Team (SRT). Dat is een consortium

van aannemers die het leidingentracé en de oliewinlocaties

aanleggen. Berrie van Hoof, projectleider bij RAAP, leidt het

archeologisch onderzoek en overlegt daarvoor met SRT en het

Drents Plateau dat het onderzoek toetst. Van Hoof: “Voor de


Archeologie

Het plangebied is grofweg in twee landschappelijke eenheden

te verdelen: het dekzandlandschap en de beekdalen. De meeste

vindplaatsen die bij de inventarisatie zijn aangetroffen, waren sterk

verstoord, maar twee bleken goed geconserveerd. Op de helling van

een dekzandrug, werd bij een beekloop een nederzetting uit het Late

Mesolithicum (6450-4900 voor Chr.) ontdekt. Zo’n 6000 vuurstenen

artefacten en 40 haardkuilen zijn daar gevonden. Met name het

onderzoek van de haardkuilen (met behulp van C14-datering en

macrorestenanalyse) kan een wetenschappelijke bijdrage leveren

voor het dichten van kennislacunes voor het Mesolithicum. De tweede

vindplaats was een klein, kortstondig gebruikt kampementje, ook uit

het Mesolithicum. Tijdens de archeologische begeleiding is verder op

drie locaties in het beekdal van het Schoonebeeker Diep bewerkt hout

gevonden: aangepunte paaltjes en enkele plankjes. Voor de provincie

Drenthe is dit bijzonder. Mogelijk zijn het resten van een visfuik en van

een voorde (doorwaadbare plaats). De ouderdom van het hout is nog

niet bepaald, maar waarschijnlijk is het prehistorisch. Ook zijn langs

een beekloop vuurstenen artefacten en aardewerkscherven van een

golfrandbeker gevonden: restanten van een nederzetting uit het Laat

Neolithicum (2850-2000 voor Chr).

planning en uitvoering van het onderzoek heb ik nauw contact

met alle aannemers. Het is mijn taak om iedereen binnen het

project te doordringen van het belang van de archeologie,

zowel de projectleiders als de uitvoerders en de werkmannen

in het veld. Dat lukt alleen door duidelijk zichtbaar aanwezig te

zijn bij vergaderingen en in het veld, en ook door hen te laten

zien wat we zoal vinden.”

Veel partijen, veel geregel

In het begin was men nogal huiverig dat het

archeologisch onderzoek oponthoud zou veroorzaken.

In de praktijk blijkt oponthoud met goed overleg te

voorkomen. Projectleider Van Hoof moet ervoor zorgen

dat het archeologisch onderzoek dat vooraf aan de

civieltechnische werkzaamheden plaatsvindt, op tijd

gereed is. Het is veel regelwerk. Het merendeel van

het archeologisch werk bestaat uit begeleiding. De

aannemers moeten op tijd aangeven waar en wanneer

gegraven wordt, zodat er een archeoloog bij aanwezig

kan zijn.

Het project in Schoonebeek is met name bijzonder

door de omvang en de nauwe samenwerking tussen

de verschillende partijen. Berrie van Hoof: “Als

archeoloog moet je je niet alleen verdiepen in

het archeologische onderzoek, maar ook in de

werkzaamheden die de verschillende partijen in het

plangebied uitvoeren. Met alleen de instelling van een

wetenschappelijk onderzoeker red je het niet. Goede

communicatie met alle betrokken partijen en een

pragmatische houding zijn ook van groot belang.”

Circa 40 haardkuilen (boven) en 6000 vuurstenen

artefacten (onder) kwamen in Schoonebeek aan het

licht. Links RAAP projectleider Berrie van Hoof.


ooronderzoek

Spoedaanpak A2 Limburg:

archeologisch advies per pechhaven

Om de doorstroming van het verkeer op de A2 tussen Maasbracht en Geleen te

verbeteren, voert Rijkswaterstaat de spoedaanpak door. Tot de maatregelen die

snel verbetering moeten leveren, behoren de aanleg van een spitsstrook met

pechhavens. Niet alleen spoed is bij deze aanpak vereist. Ook archeologisch

onderzoek is verplicht vanuit de OWAB/MER. RAAP voerde dat onderzoek in

korte tijd uit. René de Boer, contractmanager bij Rijkswaterstaat, en Reinier

Ellenkamp, projectleider bij RAAP, lichten de spoedaanpak toe.

René de Boer, contractmanager planstudie A2 bij Rijkswaterstaat Limburg

Vanwaar een spoedaanpak, is dat een gebruikelijke gang van zaken bij verkeersprojecten?

Het komt vaker voor, maar dit project is eigenlijk vanuit een structurele aanpak gestart. Daarbij

zijn ook wel alternatieven bekeken, maar op een gegeven moment veranderde de prioriteit van

de minister. Er werd onderkend dat er een structureel probleem is met de doorstroming van het

verkeer op de A2, maar er is toen gekozen voor een spoedaanpak. Niet het gehele traject wordt

verbreed, maar er worden tijdelijke maatregelen genomen op bepaalde punten. De structurele

verbreding van de A2 komt pas veel later aan de orde. De inrichting van een spitsstrook

met pechhavens is een maatregel om de komende jaren, tot de structurele oplossing wordt

gerealiseerd, de doorstroming op gang te houden. Uiterlijk mei 2011 gaat daarvoor de schop in

de grond en eind 2013 moet het gehele project gerealiseerd zijn. Het gaat overigens niet alleen

om een spitsstrook. Tussen Urmond en Geleen (A2 en A76) en het knooppunt Kerensheide, is

gekozen voor een duurzame oplossing. Zo wordt voor de richting Urmond-Geleen een fly-over

gerealiseerd. De structurele verbetering wordt op dit traject wel doorgevoerd.

Waarom is RAAP gekozen voor de uitvoering van het archeologisch onderzoek? RAAP heeft

in het verleden eerder onderzoek voor ons gedaan tussen Urmond en Geleen. Er lag dus al

veel informatie. We hebben wel een tweede partij gevraagd om uitgaande van die informatie

een aanbieding uit te brengen. RAAP is daar uiteindelijk uitgerold op basis van de laagste

aanbieding.

Hebben de onderzoeksresultaten jullie standpunt ten aanzien van archeologie veranderd?

Zelf heb ik in eerdere projecten van Rijkswaterstaat wel met archeologie te maken gehad.

Ik weet ook wat het betekent voor de uitvoering, de monitoring en de veiligstelling van

vindplaatsen. In de planstudiefase was ik er nog niet zo bij betrokken, maar ik heb nu wel

een goed beeld gekregen van het belang van de archeologische verwachting, en het rekening

houden met wat niet zichtbaar is voor het blote oog. Het enthousiasme van Reinier werkte daar

ook aan mee.

Zijn er adviezen uitgerold waar Rijkswaterstaat wat mee kan? Het advies was de juiste input

voor het opstellen en invullen van het realisatiecontract. We zijn nog bezig met de planstudie,

maar tegelijkertijd is ook het contract voor de realisatie opgesteld. Daar staat gedetailleerd

in hoe je moet omgaan met archeologie. Voor het pakket van eisen dat opgenomen is in het

realisatiecontract, heeft RAAP het raamwerk geleverd. Dat konden we zo overnemen.

Hoe was het contact met RAAP tijdens het onderzoek? Het was een hele prettige

samenwerking. Als er zaken speelden, werd daar goed over gecommuniceerd en als er

problemen waren, werd ik tijdig op de hoogte gesteld. Ja, de heldere en snelle communicatie

hebben we zeer op prijs gesteld. Daarbij moest het product in beperkte tijd opgeleverd worden.

RAAP is hierin geslaagd met tevredenheid van de opdrachtgever.

Hoe wordt nu verder met de onderzoeksresultaten omgegaan? Het resultaat van het

onderzoek, hoe er met archeologie moet worden omgegaan, waar wat verwacht wordt en welke

gebieden nader onderzocht moeten worden, is inmiddels verwerkt in een realisatiecontract.

De opdrachtnemer moet zich daaraan houden. Op bepaalde plaatsen zal op grond van de

archeologische waarde nader onderzoek nodig zijn. Dat gaat begin volgend jaar spelen.

René de Boer


Reinier Ellenkamp

Foto’s van boven naar beneden: Boren vlak langs de A2. Pechhavens geprojecteerd op de

AHN (hoogtekaart): zichtbaar is een slingerend droogdal en een terrastrede (van bruin naar

blauw). Onderzoek op het DSM terrein: geen natuurlijk landschap.

Reinier Ellenkamp, projectleider bij RAAP regio Zuid-Nederland

Voor welke onderzoeksmethode is gekozen en waarom? In eerste instantie wilde Rijkswaterstaat

een verwachtingskaart voor het hele gebied en een karterend onderzoek laten uitvoeren. Dat zou veel

geld en tijd gaan kosten, vandaar dat RAAP heeft voorgesteld de kartering alleen in de pechhavens te

laten uitvoeren. We hebben wel een verwachtingskaart gemaakt voor het hele tracé en ongeacht de

verwachting is in de pechhavens geboord om het verwachtingsmodel te toetsen. Drie tot vier boringen

per pechhaven. Tussen Urmond en Geleen op het DSM terrein heb je te maken met veel kabels, leidingen

en verontreinigde grond. Daar is alleen bureauonderzoek en visuele inspectie uitgevoerd. Ik kreeg op tijd

informatie over leidingen en de betredingstoestemming werd ook snel geregeld. Het boren en de visuele

inspectie duurde zo’n twee weken en kort daarna had ik de adviezen klaar. Het ging heel efficiënt.

Zijn 3 of 4 boringen per pechhaven toereikend om iets te zeggen over het voorkomen van

archeologische resten? Samen met het bureauonderzoek was dat genoeg, ja. Van DHV hebben we

gegevens over kabels en leidingen gekregen en die verstoringen zijn over de archeologische verwachting

gelegd. In de archeologisch interessante zones die nog overbleven, is geboord om te zien hoe het zit met

de opbouw van de bodem.

Hoe was het om in dit deel van Limburg te boren? Geweldig, zeker voor mij als bodemkundige. Meestal

heb je te maken met een verploegde bovengrond, maar ik heb plaatselijk perfect intacte lössgrond

aangeboord, radebrikgrond. Een deel van het onderzoeksgebied was in de Middeleeuwen woeste grond

en is pas vrij recent ontgonnen. Sommige delen zijn nog bos en daar vindt je ongestoorde bodems, daar

kon ik mijn hart ophalen. Voor de archeologie betekent het dat je die plekken zeker nader moet bekijken.

Daar kunnen volledig gave vindplaatsen liggen van de prehistorie tot de Middeleeuwen. Her en der heb ik

langs het tracé vuursteen gevonden en op enkele plekken prehistorisch aardewerk.

Hoe boort het zo dicht langs de A2? Een veiligheidshesje is aan te raden. Ik had het even uitgedaan

om niet te veel op te vallen, er wordt anders continu naar je getoeterd. Maar je staat echt vlak langs het

verkeer. Toch beleef je die snelweg als je staat te boren op een heel andere manier dan wanneer je er met

de auto langsrijdt. Dan doe je tien minuten over die 21 kilometer tracé, maar ik ben er een aantal dagen

mee bezig geweest en heb veel moois gezien.

Wat voor adviezen zijn er gegeven? Grofweg kom je voor zones met een lage archeologische

verwachting uit op geen vervolgonderzoek, bij een hoge verwachting maar lage gaafheid vanwege een

verstoorde bodemopbouw op beperkt vervolgonderzoek en bij een hoge verwachting en gaafheid op

vervolgonderzoek. Die adviezen heb ik tegen de geplande ingrepen af kunnen zetten en zo is voor elke

pechhaven een toegespitst advies gegeven. Zo efficiënt mogelijk voor de opdrachtgever, zonder dat de

archeologie in het geding komt. In een vroege fase was deze aanpak al doorgesproken met de Rijksdienst

voor het Cultureel Erfgoed. Het koste wel veel overleg om alle consequenties goed te doordenken, maar

het was optimaal voor deze spoedaanpak omdat achteraf geen nare verrassingen naar boven kwamen.

Wat was bijzonder aan dit project? De uitdaging om in zeer korte tijd een project uit te voeren waar

specifieke adviezen uit rollen waar de opdrachtgever mee vooruit kan, en waarbij de archeologie toch

volwaardig in de uitvoering wordt meegenomen. Natuurlijk was het ook bijzonder dat ik een kijkje

op het DSM terrein kon nemen, daar kom je normaal gesproken niet. Verder heb ik Limburg over zo’n

20 kilometer doorsneden en in archeologisch opzicht van alles gezien, alle periodes zijn in het tracé

vertegenwoordigd, prachtig. En dan die intacte lössprofielen, die helpen het in de hoogte te schroeven.


kastelenonderzoek

Het verhaal achter de kaart:

kasteel Nijenrode

Wat is hier te zien?

Dit is de plattegrond van kasteel Nijenrode in Breukelen,

tegenwoordig onderdeel van de Nyenrode Business

Universiteit. Over de plattegrond en het voorplein van

het kasteel zijn de resultaten weergegeven van

het archeologisch onderzoek (bureau-, boor- en

grondradaronderzoek) dat daar eind vorig jaar

plaatsvond. De kaart geeft een samenvatting

van de resultaten van het onderzoek

geprojecteerd op de radarreflectie op

circa 2.20 meter onder het maaiveld.

Op de kaart is ook

een reconstructie

weergegeven van het

middeleeuwse kasteel tot

omstreeks 1606.

Waarom een onderzoek?

De fundering van kasteel Nijenrode moet verbeterd

worden en voor deze bodemingreep was een bouwput van

6 bij 6 meter op het voorterrein gepland, van waaruit de

fundering van het kasteel zou worden verstevigd. Kasteel

Nijenrode is een beschermd Rijksmonument en de bodem

ervan een terrein van hoge archeologische waarde, vandaar

dat vanwege deze ingreep archeologisch onderzoek nodig

was. Monumenten Adviesburo Delfgou schakelde RAAP

daarvoor in. Bureau BBA voerde eerder al het bovengrondse

bouwhistorisch onderzoek uit. RAAP combineerde de

bestaande en nieuwe onderzoeksresultaten en kwam tot

nieuwe inzichten in de bouwgeschiedenis.

Wat zijn de belangrijkste bevindingen?

• Tot op heden werd aangenomen dat Nijenrode in de

13e eeuw is gebouwd als een veelhoekig kasteel met

een grote rechthoekige donjon (H) aan de westzijde

en een hoge poorttoren (A) aan de noordzijde. Beide

torens waren al in de 13e eeuw via een weermuur met

elkaar verbonden. Nu blijkt dat de grote donjon en de

overige delen van het kasteel ooit van elkaar gescheiden

waren door een elf meter brede gracht. Grachtvulling is op

enkele plekken op het voorplein aangeboord. De gebouwen

aan de oostzijde van de donjon (groene stippellijn, A t/m

G) vormden de voorburcht van het kasteel.

• Onder het huidige voorplein liggen funderingen die

mogelijk verband houden met een 13 e eeuwse schildmuur

(lichtrode stippellijn in het zuidwesten) die de donjon

en voorburcht verbond. Deze weermuur is de zuidelijke

tegenhanger van de schildmuur tussen de donjon en de

poorttoren (rode aanzet aan de donjon).

• Rond 1640 is de binnenplaats van het kasteel vergroot

tot de huidige omvang van het voorplein. Kort daarvoor

zijn de gebouwen in de noordoosthoek van de voorburcht

gesloopt. Op de radarbeelden zijn de contouren van een

deel van deze gebouwen in het zicht gekomen (lichtblauwe

contouren, ruimtes D,E,F). De middeleeuwse vleugels zijn

nog te zien op een gravure van Hessel Gerrits uit 1610,

maar waren halverwege de 17 e eeuw al verdwenen.

• Op het kasteelplein zijn klinkers van de 17 e eeuwse

bestrating gevonden en er liggen enkele waterputten

(blauwe cirkels) in de bodem. Voor de aanleg (ophoging)

van het zuidelijke deel van het voorplein is veel slooppuin

gebruikt.

Hoe verder?

Onder het voorplein liggen ondanks latere verstoringen, zoals

een ingegraven olietank (groen gearceerde rechthoek), nog

waardevolle archeologische resten die een beeld kunnen geven

van de bouwgeschiedenis van het kasteel. Voor de aanleg van

de geplande bouwput is daarom een plek op het zuidoostelijk

deel van het voorplein aanbevolen, omdat daar relatief gezien

minder archeologische resten in de bodem te verwachten zijn

- voorafgaand zullen de archeologische resten eerst moeten

worden opgegraven. Inmiddels is echter besloten om de

funderingen van het kasteel op een andere wijze te herstellen.

Kopergravure van Hessel Gerrits, naar tekening David Vinckeboons uit 1606.


ooronderzoek

Kasteel Nijenrode: 7 eeuwen plundering, verwoesting, herbouw, afbraak en uitbreiding

In 47 na Christus liet keizer Claudius aan de oever

van de Rijn bij Utrecht een castellum bouwen.

Resten van dit fort, dat onderdeel was van de

‘limes’, de noordgrens van het Romeinse Rijk, liggen

nog op verschillende plekken onder en om het

Utrechtse Domplein bewaard. Dankzij het Initiatief

Domplein worden ze in de komende jaren weer

zichtbaar en beleefbaar.

Over drie jaar kun je in Utrecht een ondergrondse Romeinse

route volgen en zo zijn er meer bijzondere plannen voor het

Domplein. Het initiatief daarvoor komt van de particuliere

Stichting Initiatief Domplein 2013 en de enthousiaste motor

achter de plannen is Theo van Wijk. Al twee decennia is hij

± 1275 Vermoedelijke bouw van het kasteel bestaande uit donjon en voorburcht.

1296 Oudste vermelding van het kasteel Nijenrode. Donjon met voorburcht verbonden tot

een veelhoekig kasteel.

1311 Schade aan het kasteel bij een aanval in opdracht van de bisschop van Utrecht.

1481 Stichtse Burgeroorlog: burgers van Utrecht belegeren en plunderen het kasteel.

1511 Opnieuw belegering door Utrechters. Kasteel deels afgebroken en daarna herbouwd:

tussen donjon en poort komt een nieuwe woonvleugel.

1632-1634 Ingrijpende verbouwingen: nieuwe vleugel en hoofdingang in het noordoosten;

zuidelijke schildmuur tussen donjon en voorburcht gesloopt. Kasteelplein fors uitgebreid.

1640 Paviljoen aan zuidoostzijde van de ingangsvleugel gebouwd.

1672 Kasteel door Franse bezetters deels gesloopt en plein deels vergraven tot aardwerk.

Fransen laten donjon springen en stichten brand.

1675 Herbouw door nieuwe eigenaar: op de donjonplek komt een stal met koetshuis.

1765 Paviljoen vergroot tot huidige zuidoostvleugel

1860 Kasteel verandert in ‘castleted house’: verhoogde borstweringen en kantelen. Poort en

bruggen vervangen door stenen exemplaren.

1908-1911 Kasteel ontdaan van neogotische toevoegingen.

1916 Bekroning van klokkentoren, poort herbouwd naar 17 e eeuwse afbeeldingen.

1917-1918 Koetshuis afgebroken, donjon herbouwd en twee verdiepingen hoger gemaakt.

1946 Olietank ingegraven op het voorplein vanwege op olie gestookte verwarming.

Kijkgaatje Domplein: boren naar het

castellum van Utrecht

met het projectteam bezig de Utrechtse geschiedenis tastbaar

en beleefbaar te maken. Van Wijk: “Twintig jaar geleden kwam

ik met mijn dochter voor muziekles op de binnenplaats van

het Utrechts Centrum voor de Kunsten terecht en ontdekte

daar een bijzonder luik. Vanuit mijn professie als architect en

stedenbouwkundige, wist ik al van het bestaan af. Het luik

intrigeerde me en ik ben de sleutel gaan zoeken. Drie maanden

later kon ik het luik open doen en sta op zo’n 5 meter diep

oog in oog met een stuk van de Romeinse castellummuur.

Sindsdien heeft het me niet meer losgelaten.” Het Initiatief

Domplein heeft de bedoeling het Domplein als schatkamer

van de Utrechtse geschiedenis te ontsluiten in het kader van

300 jaar Vrede van Utrecht, in 2013 en de ambitie van Utrecht

Culturele hoofstad van Europa te maken in 2018. Zo’n 2000 jaar

geschiedenis wordt in zeven tijdlagen zichtbaar en toegankelijk

gemaakt, de tijd van Willibrordus bijvoorbeeld en ook de

Romeinse tijd. Op 1 maart 2010 opent het eerste ondergrondse

bezoekerscentrum en kunnen belangstellenden afdalen naar

een kelder op het Romeinse niveau en een blik werpen op de

castellummuur.

Afgelopen juni voerde RAAP een klein booronderzoek uit

in de tuin van het Utrechts Centrum voor de Kunsten. In de

aangrenzende kelders, waar in de middeleeuwen Huis de

Rode poort stond, zijn nog Romeinse muurdelen aanwezig

en het was de vraag of de muur op die plek doorliep. Van

Wijk: “Ter voorbereiding van de aanstaande opening van het

bezoekerscentrum kregen we gelegenheid een kijkgaatje te

maken om te zien of de castellummuur achter de keldermuur

zou staan. In overleg met de sectie Archeologie & Bouwhistorie

van de gemeente hebben we RAAP een aantal boringen laten

zetten. De mensen van RAAP hebben veel booronderzoek

gedaan naar de Romeinse weg in Utrecht en we wilden hun

expertise gebruiken. Ik stond erbij toen de boor de grond in

ging. Helaas bleek de muur door eerdere bodemingrepen al

verdwenen te zijn. Hij staat een stukje verder, maar dat maakt

voor de Romeinse route niet uit. Her en der hebben we nu

stukjes van de castellummuur in beeld, het wordt ongetwijfeld

een spannende wandelroute.”

Wie meer wil weten over Initiatief Domplein: www.domplein2013.nl


opgraving

De laatste resten van een leprozerie in

Harderwijk

Op het voormalige CWI-terrein in Harderwijk is

dit najaar de bouw van een appartementencomplex

gestart. In verband met de geplande herinrichting

vond voorafgaand archeologisch onderzoek plaats. Na

een booronderzoek, gevolgd door enkele proefsleuven,

voerde RAAP in opdracht van de gemeente Harderwijk eind

2007 een opgraving uit. In de bodem bleken namelijk resten te

liggen van het St. Jurriëncomplex: een omgracht terrein, buiten

de middeleeuwse stad, waarbinnen een middeleeuwse leprozerie

ofwel melaatsenhuis heeft gestaan.

Kapel

Tijdens de opgraving zijn twee interessante bakstenen structuren

van het St. Jurriëncomplex aan het licht gekomen. Allereerst een

rechthoekig gebouw waarvan de bakstenen poeren (gemetselde

ondersteuning waar de fundering op rust) teruggevonden zijn.

Ze zijn vrijwel zeker van de kapel die te zien is op een tekening

van Jacob van Deventer uit 1560. Deze kapel uit de eerste helft

van de 14e eeuw was waarschijnlijk opgetrokken uit vakwerk en

had een torenspits met een leien dak. Archeologen van RAAP

troffen in de kapel een verstoord graf aan met botten van een

zestien- tot achttienjarige jongeman. Gezien de vergroeiingen

in zijn rugwervels had hij last van rugpijn, maar er zijn geen

aanwijzingen dat hij aan lepra leed. Verder zijn circa 85 losse

menselijke botresten gevonden, vooral fragmenten van schedels,

scheen- en kuitbenen van volwassenen en kinderen. Begravingen

in kerken betreffen vaak geestelijken of personen uit hogere

kringen. In dit geval wellicht gegoede burgers uit Harderwijk, de

stichters van het St. Jurriëncomplex.

Acht dierbegravingen

De tweede opgegraven structuur is een monumentale stenen

tuinmuur uit het begin van de 17e eeuw. De poeren daarvan zijn

ingegraven in de omgrachting en duiden op een herinrichting

van het St. Jurriëncomplex rond 1600. Binnen de gracht zijn veel

greppels en (paal)kuilen gevonden. Bijzonder is de vondst van

acht dieren (runderen en varkens) die compleet begraven zijn,

zonder gebruik te maken van het vlees of de huid. Diergraven

worden meestal in verband gebracht met besmettelijke

dierziekten of symbolische handelingen. De moeite die genomen

is om de overwegend jonge dieren te begraven, geeft aan dat

over de begravingen is nagedacht. Vooralsnog is onduidelijk of

deze dieren speciaal voor een rituele begraving gedood zijn, of

dat het gaat om de natuurlijke dood van de beste melkkoe of een

anderszins speciaal dier.

Altaar en lavabo

Dat de rechthoekige bakstenen structuur

een religieuze functie had, blijkt uit twee

vondsten, beide aangetroffen in kuilen.

Het zijn fragmenten van een pijpaarden

altaarstuk en een bijna complete

aardewerken lavabo, een hangend

watervat dat verband houdt met

verzorging of rituele handenwassing

in de kerk. De kuil waarin de lavabo

Lavabo

Fragment pijpaarden altaarstuk

Archeologisch onderzoek is net een puzzel. Hoe meer stukjes in elkaar

passen, hoe duidelijker het beeld van wat er op een plek aan de hand

was. Zelfs zoiets miniems als fossiele stuifmeelkorrels kunnen het

beeld completer maken. Zo bleek tijdens een opgraving van een

leprozerie of melaatsenhuis in Harderwijk.

Dierbegraving, rund

lag, is anders van structuur dan de overige kuilen op het terrein. In

de gelaagde opbouw zijn, naast grote fragmenten van aardewerken

voorwerpen, lagen met dierlijke botresten en schelpafval aangetroffen,

met op de bodem een complete daklei. De kuil is meer dan alleen een

afvalkuil, want afval zou eenvoudig in de gracht, op nog geen meter

afstand, geworpen kunnen worden.

De kuilen met de vondsten bevatten ook resten van een maaltijd.

Mogelijk zijn ze gegraven en gevuld ter ere van een bepaalde

gebeurtenis. Bijvoorbeeld de ingebruikname van het terrein, of een

bepaalde seizoensgebonden activiteit (slacht), of een feest op de

Christelijke kalender. Opmerkelijk in dit verband is de vermelding in de

Harderwijker Leprozenordonnantie van 1536 dat elke zieke recht heeft

op één pond vlees in de periode van St. Jacob tot St. Galli, eindigend op

22 oktober. Het najaar is in middeleeuwse kalenders dé slachtperiode.

Esparcette

Tijdens de opgraving zijn monsters genomen voor botanisch

onderzoek. Daaruit bleek dat het landschap rond het melaatsenhuis

vrij open was en uit akkers en graslanden bestond. Op de akkers

verbouwden de bewoners van het St. Jurriëncomplex veel graan, met

name rogge, en daarnaast boekweit, hennep en erwt. Bijzonder is de

vondst van het pollen (stuifmeelkorrel) van esparcette. De bladeren

van deze planten werden verwerkt tot pap of pleisters wel gebruikt bij

de bestrijding van lepra.

Uit de beschikbare gegevens is weliswaar niet overduidelijk gebleken

dat op het voormalige CWI-terrein eeuwenlang leprozen zijn

opgevangen, omdat er geen grote hoeveelheden menselijke botten

gevonden zijn, maar het is goed mogelijk dat graven van overledenen

meer zuidwaarts liggen. Slechts een klein deel van het oorspronkelijke

complex is nu onderzocht. Van de infrastructuur van de St. Jurriënhof

is wel een duidelijk beeld ontstaan. Het was een geestelijk domein

met een kapel, afgescheiden van het agrarische deel door palenrijen.

Rond 1600 zijn de palen vervangen

door een monumentale tuinmuur. In

het gebruiksdomein zijn duidelijke

aanwijzingen voor agrarische

activiteiten. De dierbegravingen wijzen

op het houden van diverse soorten

vee. Daarnaast is een deel van het

binnenterrein gebruikt als tuin waar

specifieke planten werden gekweekt voor

consumptie, zoals erwten, en voor de

behandeling van lepra, zoals esparcette.

De plant esparcette


Omcirkeld: het St. Jurriëncomplex (kaart Jacob van Deventer, 1560)

Leprozen in middeleeuws Harderwijk

In de Vroege Middeleeuwen kwam lepra, ook wel melaatsheid genoemd,

veel voor. Het dagelijks leven van een leproos was verre van plezierig. Hij

moest zich aan strenge regels en wetten houden. Was de ziekte eenmaal

vastgesteld, dan kreeg hij voor vier jaar een bedelbrief. Daarmee kon

een leproos langs de wegen bedelen, maar hij had ook toegang tot

een melaatsenhuis. Leprozen droegen speciale kleding en hadden een

bedelnap en klepper bij zich. Door te klepperen kondigden ze van verre

hun komst als ‘onreine’ aan.

De behandeling van lepra stelde weinig voor. In de 15e en 16e eeuw

werden pogingen tot genezing zelfs als ketterij veroordeeld: een

door God gegeven ziekte laat zich door de mens niet genezen. Wel

mochten de melaatsen als reinigingsritueel baden. Later werden

plantaardige middelen, zoals weegbree en esparcette, en ook aderlating,

braakmiddelen en zweetkuren, ingezet om de ziekte te beteugelen.

Midden 16e eeuw was de financiële positie van de leprozerie in

Harderwijk zeer rooskleurig. Daar droegen de bewoners aan bij, want bij

intrede vervielen al hun bezittingen aan de leprozerie. Ook hun werk op

de akkers, de visvangst en het bedelen leverden inkomsten op. Maar voor

het grootste deel moesten melaatsenhuizen het hebben van legaten.

De gegoede burgers van handelsstad Harderwijk kochten daarmee hun

eigen zielenheil af. In de 17e eeuw werd duidelijk dat het melaatsenhuis,

na financieel wanbeheer en een duidelijke afname van leprozen, geen

lang leven meer beschoren was. Rond 1650 sloot het huis definitief.

Bedelende melaatsen op de kermis (gravure Claesz Jansz. Visscher, 1608)

Column

De onderste steen

D

ie steen, die halen we naar boven. Hopen we. Bij

een opgraving van een nederzetting uit de IJzertijd

en Bronstijd in Rhenen was het weer eens zover. De

graafmachine tikte een pot aan die we daarna voorzichtig

uittroffelden. Het bleek een bijzonder grote rijk versierde

pot uit de Vroege IJzertijd te zijn (pak ‘m beet 500 voor

Christus) die op z’n kop in een kuil begraven was. We hebben

de pot in z’n geheel gelicht, en hij staat nou klaar om door

de CT-scanner te halen. Eromheen vonden we de sporen van

vijf palen die symmetrisch geplaatst waren. Een pentagone

structuur zogezegd, met daarin een intentioneel geplaatste

pot met vooralsnog onbekende inhoud. Een raadsel.

Een paar honderd meter verderop vonden we een halve pot -

weer van een bijzonder type - uit het Laat Neolithicum (2000

voor Christus), waarvan 25 wandscherven in drie lagen in

waaiervorm in een kuiltje waren geplaatst. Daar bovenop

stond de bodem, als een soort asbakje. Alle scherven lagen

met de versiering naar beneden. Toeval? Een raadsel.

Een collega groef langs een Romeinse weg in Utrecht een

klein vierkant kuiltje op. Verder geen spoor in de buurt. Op

de bodem van de kuil trof ze een laagje bijzonder regelmatig

geschaafd hout aan. En dit hout blijkt voor het grootste

deel van een zilverspar te zijn die niet in Nederland groeit,

maar in de Alpen. De Romeinen gebruikten deze boom in de

scheepsbouw of bijvoorbeeld om tonduigen te maken. Een

filter? Of juist om iets droog te houden? Het lijkt er niet op.

Dus: een raadsel.

Het is veel gevraagd. Archeologen beschrijven het leven van

de mens in het verleden op basis van wat ze in de bodem

vinden. Het leven in al z’n facetten. Dus archeologen zijn

tegelijkertijd economen, psychologen, sociologen, biologen,

enzovoorts. Nu hebben we een brede blik (uiteraard…), maar

vernauwing van die blik ligt op zo’n moment op de loer. Iets

te vaak wordt het woord ‘ritueel’ uit de kast gehaald om te

verklaren wat misschien heel simpel te verklaren is. Laten

we ècht breed kijken. Dus ik heb een bioloog, psycholoog en

nog wat -logen gevraagd om deze raadsels op te lossen. Dat

levert totaal andere beelden op. Een pot op z’n kop, dat is om

iets te beschermen. Die waaier, dat is kinderspel, dat laagje

schaafsel was bedoeld om een vuurtje te stoken. Het zijn

misschien niet de juiste verklaringen, maar het opent wegen.

Om eens in een andere richting te gaan zoeken, even los van

je eigen beperkingen. We graven ze op, die stenen, en we

breken ze open.

Ivar Schute

senior projectleider bij RAAP

Pot uit Vroege IJzertijd omgekeerd in een kuil begraven.


maritieme archeologie

Archeologische duikinspectie op de Westerschelde

In september 2009 heeft RAAP in samenwerking met de

firma Noordhoek uit Zierikzee een onderzoek uitgevoerd

op de Westerschelde. Het ging om duikinspecties van zes

locaties waar bij eerder onderzoek met behulp van sonar

‘iets’ was gezien. De duikinspecties moesten uitsluitsel

geven over de vraag of het mogelijk om archeologische

resten ging. Het onderzoek is uitgevoerd

in opdracht van de Vlaams Nederlandse

Scheldecommissie en aanleiding voor het

onderzoek is de inmiddels in de media

veelbesproken derde verruiming van de

Westerschelde.

De Westerschelde is een watergang

met een zeer sterke stroming en wordt

druk bevaren. Rijkswaterstaat stelde

als vaarwegbeheerder vanwege de veiligheid

strenge eisen aan de uitvoering van het

onderzoek. Er mocht alleen gedoken worden tijdens

de laagwaterkentering en de werkzaamheden werden

begeleid door twee vaartuigen van Rijkswaterstaat, die

de doorgaande scheepvaart reguleerden in afstemming met de

verkeersleiding op het Schelde Coördinatie Centrum in Vlissingen.

De schipper van het onderzoeksschip Neptunus kon het

vaartuig aan vier ankerlijnen, met behulp van GPS exact

boven de te onderzoeken locatie plaatsen. Hierna werd een

zogenoemde sectorscanner op de bodem neergelaten. Dit is een

Verhuizing regio Oost naar Zutphen

Begin 2010 gaat de regionale vestiging RAAP Oost-Nederland

verhuizen naar Zutphen. Het pand in Brummen is te klein geworden

om de inmiddels 31 medewerkers te huisvesten. Het nieuwe kantoor

aan de Pollaan 48 E-F is uitstekend bereikbaar en ligt op loopafstand

COLOFON

RAAP Nieuwsbrief 2009-2, december 2009

De RAAP Nieuwsbrief is een uitgave van RAAP Archeologisch

Adviesbureau B.V., 2009.

RAAP is een zelfstandig en onafhankelijk adviesbureau voor

archeologische monumentenzorg en integrale cultuurhistorie,

met vestigingen in Leiden, Brummen, Drachten, Weert en

Weesp.

Aan dit nummer werkten mee: René de Boer, Reinier Ellenkamp,

Janneke Hielkema, Berrie van Hoof, Paul van Kempen, Richard

Kroes, Martin Schabbink, Ivar Schute, Marten Verbruggen, Theo

van Wijk.

Fotografie en cartografie: RAAP (tenzij anders vermeld)

Vormgeving: Olav Odé

Eindredactie: Caroline Hom

Wilt u op de verzendlijst van de RAAP Nieuwsbrief komen te

staan (of de nieuwsbrief juist niet meer ontvangen), stuur dan

een e-mail naar receptie@raap.nl

sonarapparaat dat tot enkele tientallen meters een

zeer gedetailleerd beeld van de omgeving levert.

Vervolgens daalde de duiker af naar de bodem voor

een visuele inspectie. Geen sinecure, want het zicht in

de Westerschelde bedraagt op zijn hoogst 50 centimeter,

meestal minder.

Aan boord kon via een audio verbinding gesproken worden met de duiker

en een videoverbinding zorgde ervoor dat de archeoloog aan boord ook kon

zien wat de duiker zag. Aan de hand van de beelden van de sectorscanner

(waarop de duiker goed zichtbaar was) kon de duiker gericht naar

veelbelovende plekken worden gestuurd. Gevonden zijn een stapel stenen,

een oud betonnen ankerblok en een recent stalen vlet, dat voor bijzonder

mooie plaatjes op de sectorscanner zorgde, maar geen aanleiding vormde

voor verder onderzoek.

van treinstation Zutphen. De adresgegevens en het nieuwe telefoonnummer

komen zo spoedig mogelijk op www.raap.nl te staan en alle contacten in

regio oost ontvangen een verhuisbericht.

RAAP Hoofdkantoor

Leeuwenveldseweg 5b, 1382 LV Weesp

Postadres: Postbus 5069, 1380 GB Weesp

T 0294-491500 | E raap@raap.nl

RAAP Regio Noord-Nederland (Fr, Gr, Dr)

De Kiel 11, 9206 BG Drachten

T 0512-589140 | E raapnnl@raap.nl

RAAP Regio Oost-Nederland (Gld, Ov)

Mercuriusweg 10, 6971 GV Brummen

Postadres: Postbus 50, 6970 AB Brummen

T 0575-567876 | E raaponl@raap.nl

RAAP Regio Zuid-Nederland (Li, N-Br)

De Savornin Lohmanstraat 11, 6004 AM Weert

T 0495-513555 | E raapznl@raap.nl

RAAP Regio West-Nederland (N-Hl, Z-Hl, Zld, Fl, Ut)

Le Pooleweg 5, 2314 XT Leiden

Postadres: Postbus 4025, 2301 RA Leiden

T 071-5768118 | E raapwnl@raap.nl

www.raap.nl

More magazines by this user
Similar magazines