MAANDBLAD

webstore.iisg.nl

MAANDBLAD

Ng 264 19 Februari 1919

MAANDBLAD

van den

Nederlandschen Journalisten-Kring

Redacteur: D. HANS

Laan van Nieuw Oost-Indië 156, 's-Gravenhage

Dit blad verschijnt den eersten en derden

Woensdag van iedere maand.

INHOUD. Officieele Mededeelingen: Agenda Algemeene Jaarvergadering;

Jaarverslag Secretaris: Jaarverslag Penningmeester;

Bestuursvergadering; De salaris-actie; Geschiedenis

van den Kring. — Plaatselijke Vereenigingen: De Amsterdamsche

Pers. — Binnenland: Naar Rotterdam; Onze salarissen;

De tantième-kwestie; Persconferentie en Kringbestuur; De

achturige werkdag voor journalisten; Statuten-herziening by

de R. K. J. V.; Lezingen over kunst; Het Maandblad-fonds;

Gezelligheidsavond H. J. V. — Buitenland: Buitenlandsche

vakbladen. — Personalia en Berichten. — Correspondentie. —

Advertentie. — Bijvoegsel: Statuten en Ledenlijst.

Officieele Mededeelingen.

Jaarlijksche Algemeene

Vergadering,

op Zondag 2 Maart 1919, des voormiddags 11 uur,

in het Gebouw der Duitsche Vereeniging,

Witte-de-Withstraat 21

te Rotterdam.

BESCHRIJVINGSBRIEF.

1. Notulen van de buitengewone algemeene vergadering,

gehouden op 25 Januari 1919.

2. Behandeling van eventueel ingekomen bezwaren tegen

de nieuwe indeeling der Ledenlijst.

3. Jaarverslagen van den Penningmeester.

4. Benoeming eener commissie voor het nazien der

rekening over 1918.

5. Vaststelling van het bedrag der bijdrage over 1919,

uit de Kringkas te verleenen aan de Weerstandskas

(art. 11 Statuten, 58 Huish. Reg.) Het Bestuur stelt

voor om, evenals vorige jaren, dit bedrag te stellen

op het reglementaire minimum van 20 % der inkomsten

van den Kring.

6. Jaarverslag van den Secretaris.

7. Verkiezing van een voorzitter, wegens aftreden, in

verband met de invoering der nieuwe Statuten, van

den heer mr. L. J. PLEMP VAN DUIVELAND, die herkiesbaar

is.

8. Verkiezing van acht Bestuursleden, wegens aftreden,

in verband met de invoering der nieuwe Statuten, van

de heeren D. HANS, G. G. VAN AS, A. VOOGD, A. G.

BIEMOND, L. SCHUTTING, L. VAN DE REIS en J. J. DE

ROODE, en wegens voorziening in één vacature. l ) De

l ) Deze vacature bestaat reeds sinds eenige jaren, aangezien

niet voldaan is kunnen worden aan de bepaling van art. 11 der

(oude) Statuten, om een directeur in het Bestuur te kiezen. Thans

is deze bepaling vervallen en moet dus een gewoon lid worden

benoemd.

aftredende bestuursleden zijn herkiesbaar. De heeren

G. G. VAN AS en L. VAN DER REIS wenschen echter

geen herbenoeming te aanvaarden.

9. Voorstel van het Bestuur, om den omvang van het

Maandblad te bepalen op gemiddeld 8 bladzijden

per nummer.

10. Verkiezing van een redacteur van het Maandblad

(aftredend de heer D. HANS) en van een plaatsvervangend

redacteur (aftredend de heer W. N. VAN DER HOUT).

11. Verkiezing eener Commissie van Advies, bestaande uit

5 leden (art. 42 Huish. Reg.), tevens Commissie van

Beroep voor het Maandblad (art. 8 Redactie-Reglement).

Aftredend en niet herkiesbaar zijn de heeren H.J. VAN

DEN BROEK, J. J. BRUNA, J. H. VAN DIJL, G. FULDAUER

en N. D. KUIPER.

12. Voorstel van het Bestuur, om over 1919 ook de contributie

der buitengewone leden te bepalen op /"7.50.

* *

*

Het Bestuur spreekt de verwachting uit, dat vele leden

deze vergadering zullen bijwonen, zoowel om de belangrijke

agenda als om het feit, dat het 35-jarig bestaan

van den Kring op deze bijeenkomst wel niet gevierd, maar

toch herdacht zal worden. * *

*

De Witte-de-Withstraat is te bereiken van Station

Delftsche Poort en Maas met lijn 4, van Station Hofplein

met lijn 4 of lijn 11 en van Station Beurs met lijn 1.

Jaarverslag over 1918.

Het jaarverslag over 1917 eindigde met een dubbelen

wensch: ten eerste dat het volgende jaarverslag wederom van

een opgewekt leven zou mogen getuigen, ten tweede dat dit

zou mogen zijn onder de zegeningen van den vrede.

Beide wenschen — schoon de laatste formeel nog niet —

zijn vervuld; het Kringleven is bijzonderlijk in de laatste

maanden krachtig opgebloeid, en van den vrede, die ook voor

het journalistieke bedrijf van zoo groote beteekenis is, hopen

wij binnenkort het officieele nieuws te vernemen; feitelijk

in elk geval is de oorlog, die in zoo vele opzichten den

arbeid van de pers heeft beïnvloed, ten einde.

Het jaarverslag dat het jaarcijfer 1918 draagt sluit eigenlijk

een bepaalde periode van het Kringleven af. Op den i slen

Maart toch treden onze nieuwe Statuten in werking en zal

dientengevolge een nieuw, of vernieuwd bestuur optreden.

Het Bestuur heeft daarom gemeend de periode, waarover dit

jaarverslag loopt, wat ruim te moeten nemen, en wel, inplaats

van tot 1 januari, tot 1 Maart 1919. Het nieuwe bestuur, en

de nieuwe secretaris, beginnen dan met een schoone lei, en

in een volgend jaarverslag zal kunnen worden geconstateerd,

of de bloei van het Kringleven ook in de nieuwe periode

is blijven aanhouden, gelijk hij zich op het einde der oude

vertoonde.

Van hetgeen in dat leven merkwaardigs voorviel, is in het

voorgaande het voornaamste reeds genoemd, n.1. de-tot-standkoming

van de nieuwe Statuten.

In de buitengewone algemeene vergadering van 9 Mei r9i8,


36 M A A N D B L A D

werd, nadat de verschillende meeningen in Maandblad No.

241—244 op uitstekende wijze door den Redacteur nog eens

waren samengevat, de principieek beslissing genomen, waarbij

zoowel het denkbeeld-EASTON (gezelligheids-vakvereeniging)

als het voorstel-MESRixz (een strijdvakvereeniging *) werden

verworpen en het Bestuurs-voorstel werd aanvaard, dat inderdaad

den middenweg hield, en dus wel geschikt was om te

worden afgestooten door de uitersten, zoo rechts (EASTON) als

links (MESRITZ). Dat het niettemin een groote meerderheid

verwierf, (het werd aangenomen met 57 tegen 14 stemmen)

leverde het bewijs, dat het paste op de toestanden in den

Kring. Het voldeed blijkbaar zoowel aan hen die nieuwe

wegen wenschten in te slaan, als aan degenen die van oordeel

waren, dat men daartoe niet bepaald Statuten-wijziging

behoefde; het bevredigde degenen die den Kring ongaarne

het gevaar zien loopen zijn vertegenwoordigend karakter te

verliezen, en ging hun, die krachtens hun levensbeschouwing

een zuivere vakvereeniging alleen op den grondslag dier

levensbeschouwing kunnen opbouwen, niet te ver.

Krachtens de genomen principieele beslissing, in eene algemeene

vergadering, waarvoor, bij wijze van proef, aan allen

die het wenschten, reiskosten 3e klasse werd vergoed, kreeg

de bestaande commissie uit het Bestuur opdracht een ontwerpstatuut

te maken, dat werd opgenomen in Maandblad no.

248 en op den 2o sten September te Amsterdam behandeld.

Tengevolge van ingekomen amendementen-HELMER c.s. om

ook afdeelingen organisatorisch in den Kring op te nemen

ondervond de definitieve afhandeling eenige stagnatie; een

nieuwe buitengewone algemeene vergadering was daartoe

noodig. Zij werd gehouden op 27 Oct. 1.1. te 's-Gravenhage.

Daar viel de eigenlijke beslissing, al bleek later, ten einde

de Koninklijke goedkeuring op onze nieuwe Grondwet te

verkrijgen, het aanbrengen van enkele formeele wijzigingen

en dus een nieuwe, maar nu volkomen formeele algemeene

vergadering noodig, welke in den Haag op 25 Januari 1.1.

plaats had. Een week later zijn de Statuten met bijbehoorende

bescheiden aan het Departement van justitie toegezonden,

en spoedig zullen zij de aangevraagde Koninklijke goedkeuring

wel verwerven.

Niet minder dan 4 algemeene vergaderingen zijn van

1 Jan 1918 tot heden toe gehouden. De proef met de Reiskosten-vergoeding

voor de Statuten-vergadering, (ter beslissing

van het principe) kan niet als geheel geslaagd worden

beschouwd. Noch de algemeene opkomst, noch die der

Amsterdammers, noch van hen die tegen Zondagvergaderingen

bezwaar hebben, voldeed aan de verwachtingen.

Niettemin blijft, en niet alleen voor hem, die thans voor

de laatste maal het Jaarverslag van den Kring gereed maakt,

het bezwaar der vergaderingen op Zondag bestaan, omdat

zij — en dit is het sociale motief, afgezien nog van de

gedachte van Zondagsheiliging — in den regel reizen en

elders verblijven, in één woord: het doen arbeiden van

anderen voor ons die zelf op Zondagsrust prijsstellen, noodzakelijk

maken. Het is waar dat juist in ons vak het vergaderen

op weekdagen moeilijk bereikbaar is, maar ook de

opkomst op Zondag is niet zoo heel veel grooter dan die

der vergadering op een Zaterdagavond bijvoorbeeld. In den

regel levert een plaatselijke sterke vereeniging het grootste

contigent. Voor de Jaarvergadering is thans in een deibestuursvergaderingen

overwogen deze altijd op den Hemelvaartsdag

te houden. Een besluit is echter nog niet genomen.

Het zij mij vergund hieraan een opwekking toe te voegen

aan den Kring en in het bijzonder aan het Bestuur, aan hen

die blijven en aan hen die na mij komen, om het denkbeeld

van een of meer persvacantiedagen per jaar niet los te laten.

Het aantal Bestuursvergaderingen was niet gering; het

waren er niet minder dan 12 (tot 8 Febr.), waarbij driemalen

een bijeenkomst met gasten; eens ter behandeling van een

„quaestie-Moresco" (de laatste!), de tweede maal (op 14

December) een bijeenkomst met speciale afgevaardigden van

de plaatselijke vereenigingen, door den wnd. voorzitter niet

onjuist „de Partijraad van den Kring" genoemd, ter voorbereiding

van onze salaris-actie, en eindelijk op 8 Febr. j.1.

met een aantal Haagsche collega's ten einde het Bestuur te

dienen van advies bij het verstrekken aan de Regeering van

een bescheid op haar verzoek, om onze gevoelens te mogen

vernemen over een denkbeeld ter bevordering van de

Regeerings-publiciteit.

In de Bestuursvergadering van 1 Febr. werd het 35-jarig

bestaan van den Kring herdacht, onder vele bewijzen van

belangstelling, w.o. ook een stoffelijk en zeer smakelijk bewijs,

*) Ik kies eenvoudige, doch naar ik geloof de richtingen kenmerkende

omschrijvingen. VAN AS.

dat wij danken aan de Haagsche Journalisten-Vereeniging.

Terwijl denkbeelden ter viering van dat jubilé op weidscher

wijze nog in overweging zijn, werd alvast besloten een

Gedenkboek te doen verschijnen door den waarnemend-voorzitter

bewerkt, en een overzicht bevattend van 'sKrings

geschiedenis.

Kon in het vorig Jaarverslag worden gewezen op de pas

aangevangen actie voor het verkrijgen van een duurtetoeslag,

op dezen oogenblik heeft het Knngbestuur leiding kunnen

geven aan een actie van meer blijvende beteekenis voor de

leden van den Kring, en, aangezien zijn ledental dagelijksch

toeneemt, voortdurend méér voor de geheele Nederlandsche

journalistiek. Ik bedoel de actie tot verbetering van de financieele

positie der journalisten, die de aanvang is voor de

verkrijging van een steviger economische en rechtspositie.

Het stemt tot blijdschap, dat wij voor het werken in deze

richting aanstonds krachtigen steun hebben mogen vinden

bij de vereeniging „De Ned. Dagbladpers", althans bij haar

Bestuur en bij door haar benoemde leden der gemengde

salaris-commissie, de heeren BOISSEVAIN, WIERDELS, REESE,

KRAAY en GRATAMA. Onzerzijds hebben in deze commissie

zitting de heeren HANS, SCHOTTING, NEYENESCH en schrijver

dezes; namens de R. K. Journ.-Vereeniging, die op samenwerking

met ons evenveel prijs stelde als wij op die met haar,

de heeren VESTERS, ALEVEN en SCHUURS. De eerste bijeenkomst

onzer afgevaardigden met het Dag. Bestuur van de

Ned. Dagbladpers had plaats op 30 Nov. 1918 te Amsterdam;

daar werd het terrein verkend, en als gevolg daarvan werd

de gemengde salaris-commissie geboren, wier werk gij kent.

Welke resultaten de krachtige aansporingen van de Directeuren-

Vereeniging, gepaard aan onze krachtige actie zullen hebben,

is thans *) nog niet geheel te overzien. Op den i5 den Febr.

komen de journalisten-leden der commissie te Utrecht wederom

bijeen; daarna zal de „gemengde" nogmaals moeten vergaderen,

alles voor den eersten arbeid: de percentsgewijze verhoogingen

die op 1 Januari 1919 moeten ingaan; daarop zal de actie

voor een minima-schaal moeten volgen. Wij hebben goed

vertrouwen in het beleid van degenen die met ons tot dezen

arbeid geroepen zijn; de vertegenwoordigers toch der werkgevers-vereeniging

hebben voor de eischen van den tijd tot

nog toe een open oog gehad.

Uit het ledental op dezen oogenblik blijkt wel hoezeer deze

actie hen heeft wakkergeschud, die tot nog toe zich van den

Kring verre hielden; vele vakgenooten kwamen voor het eerst

tot ons, vele anderen keerden tot ons terug.

Hiervóór maakten wij reeds melding van een verzoek, door

de Regeering tot ons gericht om advies inzake de publicatie

van maatregelen door haar genomen. Deze connectie met het

in het najaar van 1918 opgetreden Kabinet vond haar oorzaak

in eene audiëntie, aan het Dag. Bestuur op zijn verzoek

verleend door den Minister van Binnenlandsche Zaken, die

in publieke redevoeringen getoond had van publiciteit niet

afkeerig te zijn. Hare voornemens en de door ons daarop te

geven adviezen waren een en andermaal het onderwerp van

uitvoerige besprekingen in onze Bestuursvergaderingen.

Voor het overige voor een belangrijk deel gewijd in hoofdzaak

aan den arbeid der Statutenherziening. Zoodra deze ten

einde gebracht was, kon aan de andere deelen van het werkprogram

aandacht worden geschonken. Niettemin was het

afgeloopen jaar voor het Bestuur, en inzonderheid voor het

Dag. Bestuur, een jaar van veel inspanning. Zooals bekend is,

liet het op de duurtetoeslag-circulaire een tweede aan de

Directeuren van dagbladen volgen, waarin werd aangedrongen

op verleening of uitbreiding van vacanties, en op het in dienst

houden of weder in dienst nemen van gemobiliseerde vakgenooten.

Ten aanzien van het eerste punt vernamen wij dat

de circulaire aanleiding is geweest tot het verleenen of

instellen van eenige vacantieweken voor menigeen die te

voren daarvan niet of in zeer bescheiden mate genoot; ten

aanzien van het tweede hebben ons, niettegenstaande onzen

oproep, geene klachten bereikt, zoodat wij mogen aannemen

dat of onze aandrang overbodig is geweest, of dat hij goed

heeft gewerkt.

Ten aanzien van de voorgenomen belasting op advertentün

richtte het Bestuur, in opdracht van de algemeene vergadering,

zich met een motie tot de Regeering, waarzij wij onze

bezwaren tegen dezen nieuwen „druk op den druk" uiteen

zetten; dat dit bezwaarschrift den Minister van zijn heillooze

voornemens heeft doen afzien is ons helaas nog niet gebleken.

Personeele of andere klachten had het Bestuur in het

afgeloopen jaar gelukkig weinig te behandelen. Die tegen den

heer JOHN C. VAN DER VEER kon wegens den oorlogstoestand

*) 10 Februari 1919.


M A A N D B L A D 37

niet comform de procedure van ons Statuut worden behandeld;

een bezwaar door den heer M. MORKSCO ingebracht

tegen de H. J. V. werd in eene door hem en twee bestuursleden

der H. J. V. bijgewoonde bestuursvergadering wel

besproken, maar deze bespreking leidde niet tot een resultaat.

Het Kringbestuur meende voorts te handelen in den geest

van u allen, — en van het tegendeel bleek niet — toen het

een krachtig beroep op die collega's van de buitenlandsche

pers publiceerde, die niet nalieten door annexionistisch

geschrijf de goede verhoudingen tusschen België en Nederland

in gevaar te brengen.

Naar aanleiding van een schrijven van collega CANTER

hebben wij ons gewend tot het Jaarbeursbestuur teneinde

inlichtingen te vragen over de mogelijkheid om aan de persvertegenwoordiging

zekere vastheid te geven. Wij mochten

daarop nog geen antwoord ontvangen. Dit schrijven vond

zijn aanleiding o.a in het feit dat collega GRAADT VAN ROGGEN,

die tot heden de aangewezen verzorger der persbelangen bij

het Jaarbeursbesteur kon worden geacht, de journalistiek

verliet om als secretaris der Jaarbeurs op te treden. Zijne

verhouding tot de journalistiek werd dus eene andere; wij

vertrouwen geen slechtere. Al zien wij met leedwezen collega's

ons vak verlaten, dat zij zoo bruikbaar blijken voor het

practische leven stemt tot verheuging, omdat over „kranteschrijvers"

zoo vaak anders wordt gedacht.

Van practischen zin getuigde ook het werk door de collega's

HELMER en SCHOTTING, in opdracht van en in samenwerking

met de vereeniging De Ned. Dagbladpers verricht voor de

organisatie van den berichtendienst der algemeene verkiezingen

van 1918. Terecht werd hun daarvoor in de Bestuursvergadering

van 6 juli j.1. hulde gebracht.

Ons Maandblad bleef onder de frissche leiding van collega

HANS ons voornaamste middel van actie en ons nagenoeg

eenige middel van samenleven, vooral voor de verspreid

wonende leden. Mijn persoonlijk gevoelen omtrent de noodzakelijkheid

eener bestuurs-verantwoordelijkheid voor dit

voornaamste instrument onzer handelingen behoeft mij niet

te beletten te gewagen van de groote waardeering voor den

omvangrijken arbeid door collega HANS met zooveel liefde

verricht. Het Maandblad gaf dit jaar veel, meer dan ooit,

kan men zeggen, want het werd een en andermaal zelfs

geïllustreerd, en gaf een extra-nummer op onzen feestdag.

Natuurlijk ontkwam ook dit jaar de arbeid van den redacteur

niet aan critiek; er zijn er in onzen Kring altijd, die meenen

dat ze het wel beter zouden kunnen doen. Maar laten zij die

zoo denken zich de waarschuwing van collega DE ROODE ter

vorige jaarvergadering herinneren dat men zoo ooit, hier

„spaarzaam met critiek" behoort te wezen. De redactie van

een orgaan voor journalisten te voeren is misschien journalistiek

wel de ondankbaarste taak die men iemand opleggen

kan, en toch vindt zij dikwijls even weinig' waardeering als . . .

het Bestuur zelf, naar hetgeen collega VAN BOLHUIS ter vorige

jaarvergadering opmerkte.

Naast het redacteurschap droeg collega HANS in dit jaar

bovendien voor een groot deel de zorgen van het presidium.

Tot ons aller leedwezen toch heeft de Kringvoorzitter zich

in den loop van het jaar wederom aan zijnen arbeid moeten

onttrekken. Laat ons hopen dat hij in de gelegenheid zal

zijn het Kringjubileum mede te vieren, en straks ook zijn eigen

zilveren feest.

Ik ben hiermede gekomen tot de rubriek personalia van

den Kring. In het Bestuur kwam weinig verandering; collega

DEKKING werd vervangen door collega VOOGD, die het ook

al ondankbaar ambt van penningmeester op zich nam, en

zich — als een rechtgeaard Minister van Financiën — in

dit eerste jaar van ;zijn bewind reeds genoopt zag een nieuwe

heffing aan te kondigen. Kon die voor 1919 op 50 °/ 0 bepaald

worden, het is te voorzien, nu een stijging vooral van den

drukprijs voor het Maandblad, in het. vooruitzicht is, dat zij

voor de toekomst onvoldoende zal wezen. Aan een progressieve

heffing overeenkomstig het journalistieke inkomen zullen

wij wel moeten gelooven.

VOOGD'S plaats in het Ondersteuningsfonds werd door

collega DEKKING ingenomen; de Commissie van Advies en

Beroep werd gevormd door de heeren BRUNA, VAN DEN

BROEK, FULDAUER, KUYPER en VAN DIJL.

De Indische Perscommissie onderging eene wijziging; collega

VAN BRUGGEN werd op zijn verzoek ontslag verleend; onze

confrère TERSTEEG verving hem.

Als plaatsv. redacteur van het Maandblad fungeerde collega

W. N. VAN DER HOUT.

In het afgeloopen jaar ontnam de dood ons een groot

aantal, en daaronder eenige van de meest bekende vakgenooten,

bekend ook buiten onzen Kring. Zij werden in onderscheidene

vergaderingen van onzen Kring reeds herdacht, doch in het

Jaarverslag mogen hunne namen niet ontbreken. Het waren

de collega's B. BLOK, M. VAN GEUNS, A. G. C. VAN DUYL Jr.,

J. H. RÖSSING, dr. WENZELBURGER, H. L. BERCKENHOFF,

A. G. C. VAN DUYL Sr., G. KRAMER, TH. LOEW GOS. DE

VOOGT, H. SMITS, B. THÖENES, mej. A. VAN ZANTEN en

CHR. NUYS. Ook ons oud-lid R. SCHWARZ, die den band met

den Kring in zijn donateurschap nog had aangehouden, werd

weggenomen. Als de dood komt, heeft ook de dagbladschrijver

niet het laatste woord.

jubilea werden ook dit jaar gevierd, en wel het zeer

belangrijke gouden feest van collega HAAXMAN. Vijftig jaar

dagbladschrijver — en welke een ras-echte! — vijftig jaar

Haagsch-leven, kon het anders dan dat dit jubilé welhaast

een Haagsch feest werd? De belangstelling van alle autorireiten

getuigde daarvan, en ook de Kring bleef er niet bij

achter. Collega DE JONG te Londen, vierde zijn zilveren feest

aan het Handelsblad op een wijze die maar weinigen onzer

gegeven is.

Eén uit ons corps werd hoogleeraar, nl. Mr. VAN OVEN te

Groningen ; een ander doctoreerde, het was collega NEDERBRAGT,

die aan de Rotterdamsche Handels-Hoogeschool de eerste

„doctor" werd in handels-economie. Zal hij de pen van den

vrijen dagbladschrijver straks verwisselen voor den ambtelijken

veder, en valt het te betreuren dat de besten uit onzen

Kring hem aldus gaan verlaten, het stemt niettemin tot verheuging

en streelt onzen vaktrots dat dit mogelijk is.

Van HAAXMAN'S jubileum gewagende denkt men natuurlijk

aan dat andere feest van de pers en van den Haag: het

zilveren jubilé der Haagsche Journalisten-Vereeniging, gevierd

op een wijze die ver buiten onzen Kring de aandacht trok.

Het welslagen der Pers-tentoonstelling, die door zoovelen,

ook door autoriteiten in den lande, werd bezocht, is een feit,

waaraan met nadruk en met trots in dit Jaarverslag mag

worden herinnerd. Aan deze feestviering gaf HAAXMAN'S

lezing over Perstoestanden voor 50 jaar relief; het heeft

ons allen genoegen gedaan de door hem verhaalde wetenswaardigheden

te herlezen in zijn jubileumboek, dat een plaats

verdient in elke journalistieke boeken-verzameling.

De lotgevallen der plaatselijke afdeelingen zal ik hier niet

vermelden, al ware het alleen niet teneinde critische

gemoederen van lichtgeraakte vakgenooten niet te verontrusten.

Zij zijn trouwens in onderscheidene nummers van het

Maandblad na te slaan. Niet echter mag verzuimd worden

te memoreeren dat in den loop des jaars de vereeniging „De

Arnhemsche Pers" zich bij ons aansloot, en dat haar vertegenwoordiger

bij het Bestuur ook zitting nam in de salaris-commissie.

De „Utrechtsche quaestie" berooft ons nog steeds van

de aansluiting eener vereeniging die wij ongaarne zagen heengaan.

Mogen wij de hoop koesteren, dat het optreden van den

nieuwen hoofdredacteur van het Utr. Dagblad het been weder

in het lid zal zetten ? Niets zou den Kring aangenamer zijn.

Onze betrekking tot het Pers-Museum bleef bestaan; als

onze vertgenwoordiger in het Bestuur is thans collega J. H.

ROGGE aangewezen, sinds collega KOUWENAAR als voorzitter

der Amst. Pers en daardoor van rechtswege als bestuurder

van het Persmuseum optrad. Aan een hulde, den conservator

HARTKAMP bij gelegenheid van zijn 7o sten verjaardag bereid,

had ook de Kring zijn deel.

Aan het einde van het jaar, dat ditmaal voor ons 14

maanden telt, staat de Kring aanmerkelijk sterker in ledental

dan bij het begin. Gewaagde ons vorig Jaarverslag reeds

van groei — van 280 op 300 — thans kunnen we constateeren

dat wij, ondanks het verplichte heengaan, door de

Statuten-wijziging, van een aantal leden, stegen van 300 op

353 gewone leden benevens 57 (verleden jaar 52) buitengewone

leden. Ons aantal eereleden verminderde met één

door den dood van den heer VAN DUYL, dat der donateurs

eveneens, door het overlijden van den heer SCHWARZ.

In ons cijfer staan we er dus goed voor. Maar gelijk GROEN

VAN PRINSTERER eenmaal zedelijke volkskracht stelde boven

parlementair cijfer, zoo zullen ook wij goed doen niet te zien

naar het cijfer alléén. Er is in het wezen van den Kring

door de Statuten-herziening, misschien niet veel, maar toch wel

iets veranderd; naar mijne meening juist genoeg om te doen

zien dat wij nu niet verder moeten gaan, wil het karakter

van den Kring als een de Nederlandsche pers vertegenwoordigend

lichaam niet verloren gaan. Want zijne beteekenis

is voor een niet gering deel daarin gelegen. Moge beseft worden

dat het juist is, wat de Redacteur in het Maandblad van

20 Maart 1918 schreef, dat de Kring niet kan worden

geschoven in het loket der organisaties met een uitgesproken

economisch karakter en materieel doel; wij verwaarloozen

deze belangen niet maar houden andererzijds het oog gevestigd


38 M A A N D B L A D

op de geestelijke en ideëele goederen, die een dagbladschrijver

bezitten moet en steeds moet trachten te vermeerderen, en

waaruit ook zijn organisatieleven schept. Op dezen weg ga

de Kring voort.

' De secretaris,

G, G. VAN AS.

Jaarverslag van den Penningmeester.

Uit te brengen in :de jaarlijksche Algemeene Vergadering

van 2 Maart 1919.

Het zal den leden geen verwondering baren, dat de rekening

welke ik over het afgeloopen jaar beb aan te bieden niet

gunstig is. Immers reeds eerder kreeg ik — op het voetspoor

van mijn voorganger — gelegenheid op den minder gunstigen

toestand der Kring-financiën te wijzen, als gevolg waarvan

dan ook besloten werd om bij wijze van voorloopigen maatregel,

de contributies over 1919 met 50 °/ 0 toeslag te belasten.

Deze rekening moge aantoonen, dat de Kring behoefte heeft

aan een meer definitieve regeling, waardoor de algeheele

„Sanierung" mogelijk is.

Zooals de cijfers aantoonen, sluit de rekening met een

tekort, iets wat zij met haar voorgangsters gemeen had, hoewel

dit niet zoo op den" voorgrond trad, daar vroegere penningmeesters

de beschikking hadden over fondsen, die bij het

afsluiten gerealiseerd konden worden. Ook ik had thans

kunnen voorstellen om bijv. den pandbrief Westl. Hypotheekbank

te verkoopen, om met behulp daarvan het nieuwe jaar

te kunnen ingaan met een batig saldo, Ik heb er echter de

voorkeur aangegeven om de ware positie duidelijk uit de

rekening te doen blijken en het tekort op het nieuwe jaar

over te brengen, in de geheime hoop dat wij het met behulp

der verhoogde contributie kunnen inhalen. Bovendien deel ik

de meening niet dat onze Kring-kas eigenlijk geen behoefte

heeft aan fondsen. Integendeel, hoe meer actie wij van ons

willen doen uitgaan, des te sterker dient de financiëele toestand

te zijn.

De rekening doet zien, dat op' het oogenblik de Kringmiddelen

in zeer onevenwichtigen toestand verkeeren. Blijkens

de rekening 1916 verkocht mijn voorganger een 5 % Nederland

' a f 1000 waardoor hij zijn rekening over dat jaar kon afsluiten

met een „batig saldo" van f 642.53 s , wat dus wil zeggen

met een feitelijk, te kort van c a f 400. Dit batige saldo was

einde 1917 ingeteerd tot f 478.60 5 waarmede de dienst 1918

begon. Het einde van dit jaar doet zien dat behalve dit

bedrag ook nog een verder nadeelig saldo is ontstaan,

zoodat het feitelijke tekort over 19I8 ruim f600 bedraagt,

en van onze „fondsen" niet veel meer zou overblijven.

Dit tekort is eigenlijk nog grooter, nu onder onze inkomsten

een buitengewone ontvangst paraisseert van f300, ons van de

Regeering geworden als vergoeding van de kosten die wij te

haren behoeve (verspreiding van regeeringsaanschrijvingen

enz.) hebben gemaakt.

Deze toestand kan dus niet anders dan ongunstig worden

genoemd, zelfs met een hooger ontvangst van + f200 uit

contributie, dank zij een door sommigen als „inquisitoriaal"

gewraakt optreden mijnerzijds om voor een behoorlijke betaling

der contributie te waken.

De uitgaven waren in het afgeloopen jaar vrijwel alle

hooger, wat in dezen tijd van duurte wel geen verwondering

kan wekken. De kosten van het reizen en verblijven zijn

belangrijk hooger dan vroeger, hetgeen van verdubbelden

invloed moest zijn, nu het Bestuur veel arbeid te verrichten

had, in verband waarmede veel meer en langduriger moest

worden vergaderd dan anders. Waar daarbij ook uiteraard

prijs wordt gesteld op de aanwezigheid der bestuursleden uit

de provincie, spreekt het vanzelf dat de kas van die vermeerderde

vergaderingen den invloed gevoelt. Ook het

drukwerk ondergaat de algemeene kwaal des tijds.

Men zal opmerken dat de post drukkosten voor het

Maandblad belangrijk hooger zijn dan vorige jaren. Dit wordt

hierdoor veroorzaakt, dat mijn ambtsvoorganger in de rekening

1917 niet heeft verantwoord de kosten van het Maandblad

in November en December van genoemd jaar, zoodat deze

mijn rekening drukken, die daarenboven is belast met de

volledige kosten over het jaar 1918. De kosten van ons 14-

daagsch Maandblad kwamen in de rekening van 1917 niet

volledig tot uitdrukking, terwijl thans de stand ongunstiger

wordt voorgesteld. Dit verschil wordt nog nadeeliger bein vloed

doordien het van den redacteur in Januari 1918 ontvangen

saldo Maandblad-fonds over 1917 terecht in de rekening, van

dat jaar is opgenomen. Met dat al zal de vergelijking der

cijfers van ons geheele budget met die van de kosten van

ons orgaan doen zien, dat de laatste tot nu toe naar verhouding

een veel te groot bedrag onzer inkomsten hebben

opgeslokt, waarin ook de nieuwe tijdelijke contributieregeling

geen verandering te goede zal brengen, tenzij de uiterste

zuinigheid met den omvang van het Maandblad blijft in acht

genomen. Trouwens het blijft mijn overtuiging dat een der

meest urgente onderwerpen welke het Bestuur ter hand heeft

te nemen is een afdoende regeling der contributie. Eerst dan

ook zal het Bestuur onbelemmerd door geldelijke zorgen zijn

arbeid kunnen verrichten. Faites-moi de bonnes finances et

je vous ferai de bonne politique is ook voor ons geschreven.

ROTTERDAM, 31 December 1918

De Penningmeester,

A VOOGD.

Verslag over het Ondersteuningsfonds.

De aanvragen waren iets meer dan verleden jaar, zij het

dan ook niet overmatig, terwijl aan terugbetalingen slechts

f 10'werd geboekt. Waar een der gegadigden inmiddels overleed,

zal het hem verstrekte bedrag alsafgeschreven beschouwd

moeten worden. Onder de inkomsten mag met bijzondere

ingenomenheid melding worden gemaakt van een bedrag van

f30 ontvangen door bemiddeling van collega VAN DER HOUT,

die ook de nieuwe rekening reeds met een collegiale Haagsche

bijdrage voorzag, die in dank is geaccepteerd.

De post rente op deze rekening is geringer dan die van

verleden jaar, niet doordien onze effecten minder zouden

hebben opgebracht, doch omdat bij het opmaken der rekening

de coupons- nog niet volledig waren ontvangen. In den Kring

is nu eenmaal alles zoo practisch geregeld, dat de tegenwoordige

penningmeester nog nimmer het effectenbezit heeft

gezien, nog veel minder aangeraakt en dus moet afwachten

dat de Cerberussen die den schat bewaken, hem de coupons

doen geworden en zoo kon ; het door een samenloop van

omstandigheden gebeuren,, dat een deel der coupons nog niet

verzilverd werd en dus het volgend boekjaar eerst kan ten

goede komen.

Allicht zal de vraag rijzen waarom het vrij groote: batig

saldo, althans voor een deel nog niet in solide effecten werd

belegd en grootendeels onder kassiersberusting werd gehouden.

Het antwoord hierop is, dat tengevolge van de slechte positie

van de Kringkas de middelen uit het Ondersteuningsfonds

vlottend werden gehouden, om tijdelijk als kasgeld voor den

Kring te kunnen dienen. De rekening geeft de positie aan

op 31 December 1918 en is natuurlijk sedert aanzienlijk

gewijzigd. Dit blijkt uit het nadeelig saldo der Kringrekening,

terwijl inmiddels natuurlijk de uitgaven geregeld zijn voortgegaan.

Daartegenover stonden geen inkomsten, omdat de

penningmeester niet tot beschikking over de contributie 1919

kan overgaan, alvorens de in verband met de Statutenwijziging

noodig gevonden nieuwe vaststelling van de ledenlijst

haar beslag zal hebben gekregen. Inmiddels wordt tijdelijk

uit de kas van het Ondersteuningsfonds geput, welk voorschot

in den loop van het jaar kan worden teruggegeven.

ROTTERDAM, 31 December 1918

De Pensioenverzekering.

De Penningmeester,

A. VOOGD.

In December heeft ondergeteekende een bedrag van ruim

f7700 van 57 deelnemers aan de „Nationale" overgemaakt.

Het getal der deelnemers was met 1 vermeerderd terwijl het

totaal bedrag iets geringer is dan het vorig jaar. Bij de zeer

gunstige tarieven door de Maatschappij hiervoor berekend,

mag het blijvend verwondering wekken, dat vooral de jongeren

•— die in een voor verzekering zoo goede positie verkeeren —

zich er niet meer toe voelen aangetrokken, om jaarlijks een

bedrag van hun inkomsten af te zonderen'ter voorziening

van' hun „ouden dag". Nu zich bij het schrijven dezer verslagen

beter perspectieven openen ten opzichte van de

salarieering, zou ik in mijn plichten te kort schieten, wanneer

ik er niet met warmte op aandrong, dat zij die het kunnen,

de eigen pensioenverzekering indachtig zijn.

ROTTERDAM, 31 December 1918

. De Penningmeester,

A. VOOGD.


MAANDBLAD 39

Rekening van den Nederlandschen Journalistenkring over 1918

Ontvangsten:

Aan saldo 1918

„ contributie 1918 .

1917

1916

1915

„ rente effecten

„ depositorente

„ vergoeding der Regeering . . . .

„ retour voorschot H. J. V

„ netto provenu advertenties Maandblad

„ Maandblad-ïonds

„ nadeelig saldo

/' 478

„ 1786

, 45

. 35

„ 5

• 34

„ 21

„ 300

„ ïoo

„ 86

! „ 191

„ 149

60s





875

10



45

70

14

Per

Uitgaven:

bijdrage Ondersteuningsfonds . . .

voorschot H. J. V

vergoeding reisk. Statutenvergadering

drukkosten Maandblad

redactiekosten en fooien id. . . .

andere drukwerken

„ bestuursvergaderingen . . .

algemeene vergaderingen . . . .

commissie vergaderingen . . . .

reis- en verblijfkosten Bestuur . .

onkosten en porti voorzitter . . .

„ „ „ vice-voorzitter .

„ „ „ secretaris . . .

„ „ „ penningmeester .

bijdrage Persmuseum

vergoeding Amsterdamsche Pers voor

betoonde weldadigheid

hulde en eereblijken

incasso en provisie . . . . . .

f 376

200

91

1261

» 110

279

Jf 59

42

16

353

56

10

99

56

ff 50

»

20

77

70

19 5

315

35

40

73

60

75

275

50

85

80

80

28

15

875

ƒ3232

87

ƒ3232

87

Stand der Bezittingen op 31 December 1918:

/ 2>/ 2 o/ 0 Cert. N. W. S. a f 1000.— (55 %)

1 4 % Pandbrief Westlandsche Hypotheekbank

a f 500.— (89 o/o) .

Af: nadeelig saldo

Resteert

f 550

„ 445

f 995

. 149

f 845

14

86

ROTTERDAM, Januari 1919.

A. VOOGD,

Penningmeester.

Rekening van het Ondersteuningsfonds over 1918

Aan

Ontvangsten:

saldo 1917 . .

bijdrage N. J. K

contributie 1918

1917

1916

rente effecten en deposito . . . .

aflossing voorschotten

opbrengst liedjes door bemiddeling

van collega VAN DER HOUT . . .

f 576

. 376

„ 416

, 1

1

„ 599

i io

„ 30

/•2010

Stand der Bezittingen op 31 December 1918:

3 4 o/ 0 Pdbr.Z.H. Hypb.a/-1000 (82'/2°/o)

2 4 „ „ Haarl. 1000(89

n „

1 4

500(89

1

^ M „ „

» n

2 4 „ „ Westl „ „

1000 (89

1 4

» »

500 (89

1000(96

/ 4>/ 2 „ „Ned.Bankinst. „ „

7 4 „ „ Ned. M« tot

Zekerheidsstelling „ „

1 4 „ „ Utr.Hyp.Bk. „„

7 4

* ^ », » „ „ » ft ',

1 4V 2 „ Oblig. Alg. Bank v.

Zakel. Onderpand „ „

1000(36 „

1000(89 „

500(89 „

1000(96 „

500(88'/ 2 „

/ 4'/ 2 „ Oblig. Nederland „„

1000(88V 2 „

' '/!i 1 « » » 1000 (88V2,,

* 4 /2n „ 11 „ „ 1000(95'/ 2 „

/ 5 „ Rott. Scheepsh.b. a „ 1000(94V 2 „

/ 5 „ Ned. Indië a „ 1000 (887

1 Batig 4 i 2 ,

/ 2 „ saldo Nederland a „

f 2475

, 1780

„ 445

„ 1780

„ 445

„ 960

, 360

„ 890

„ 445

, 960

„ 442

, 885

„ 885

„ 950

„ 945

. 885

„ 1629

f 17161

Uitgaven:

685 Per uitkeeringen . . .

195 „ incasso en provisie

— „ huur safe . . . .

— „ porti en kosten . .

— „ saldo

20



08





.



50





115

61 5

ROTTERDAM, Januari 1919.

f

11

n

VI

n

A. VOOGD,

350

15

10

5

1629

/•2010

07

89 5

115

08

Penningmeester.


40 M A A N D B L A D

Bestuursvergadering.

Het Kringbestuur kwam Zaterdagavond 8 Februari in

„De Kroon" te 's-Gravenhage bijeen. Aanwezig de bestuursleden

D. HANS, waarn. voorzitter, G. G. VAN AS, A. VOOGD,

L. SCHOTTING en j. J. DE ROODE en de gedelegeerden voor

den Haag mr. JOH. j. BELINFANTE, voor Amsterdam D.

KOUWENAAR en voor Haarlem JAC. J. MEIJERINK.

Notulen. — De notulen der vorige vergadering worden

gelezen en goedgekeurd.

Ingekomen stukken. — Van de ingekomen stukken kunnen

worden vermeld:

a. Schrijven van een lid, 'verzoekende hem te helpen bij

het vinden van een betrekking. — Het Bestuur kan tot zijn

leedwezen aan dergelijke verzoeken niet voldoen.

b. Schrijven van den heer W. Elink Schuurman, waarin

deze zich beklaagt dat een bepaalde uitgave in Handelsblad

en N. R. Crt. op letterlijk dezelfde manier is gerecenseerd,

waaruit hij afleidt, dat die recensie gezonden was door den

betrokken uitgever, hetgeen hij een misbruik acht. — Het

Bestuur, verklarend dat de conclusie van adressant nog in

geen enkel opzicht bewezen is, besluit hem te antwoorden,

dat hij zich allereerst tot de bedoelde bladen moet wenden.

c. Schrijve?i van de firma A. de la Mar, waarin zij, er op

wijzend dat zij tot dusver het Maandblad heeft gedrukt

zonder daarvan een winstpost te maken, thans organisatorisch

gedwongen wordt een bepaald tarief als prijs in te

voeren, dat aanzienlijk hooger is dan het tegenwoordige. —

Het Bestuur besluit het nieuwe tarief te aanvaarden, aangezien

een andere beslissing onmogelijk is, doch hierdoor komt de

noodzakelijkheid van een definitieve, flinke contributie-regeling

des te meer op den voorgrond.

Persmuseum. — Tot vertegenwoordiger van den Kring in

het Bestuur van het Persmuseum wordt (in de vacature van

collega D. KOUWENAAR, die thans in gemeld Bestuur zitting

heeft genomen als vertegenwoordiger van „De Amsterdamsche

Pers") aangewezen de heer J. H. ROGGE te Amsterdam.

Persbureau. — Thans komen een aantal Haagsche collega's

ter vergadering, n.1. de heeren mr. J. J. VAN BOLHUIS, J. J.

BRUNA, S. BRUYSTEN, H. T. LIJSEN, ALB. J.LUIKINGA en G. H.

PANNEKOEK. De heeren C. K. ELOUT, mr. T. J. VERSCHUUR

en C. D. WESSELING, eveneens uitgenoodigd, waren verhinderd.

De Voorzitter deelt mede, dat het Bestuur genoemde heeren

heeft uitgenoodigd in verband met een bespreking over het

op te richten regeer ings-persbureau. Die uitnoodiging, zegt

spr., is echter geen gevolg van het feit, dat een collega ons

in een bepaald blad heeft verweten een vorig advies aan de

Regeering buiten de Haagsche collega's om te hebben uitgebracht.

Dat verwijt was niet gerechtvaardigd. Toen toch gold

het een advies over een abstracte aangelegenheid: de openbaarheid

in het algemeen, en het Bestuur was verzocht dal

advies uit te brengen. Thans echter gaat het over een concreet

plan, en aangezien de Haagsche journalisten bij de uitvoering

daarvan dagelijks er mee in aanraking zouden komen, heeft

het Bestuur er prijs op gesteld een aantal van hen, aan

verschillende bladen verbonden, te hooren.

Spr. doet daarna voorlezing van een van de Regeering

ontvangen schrijven, waarin het plan tot oprichting van een

persbureau wordt uiteengezet. Na ontvangst van dit schrijven

hebben de secretaris en spr. een onderhoud gehad met den

minister-president en mr. KAN. Zonder op het advies der

vergadering vooruit te loopen, deelt spr. mede, dat de secretaris

en hij tegen het plan der Regeering verschillende ernstige

bezwaren hebben ontwikkeld, waarop de minister heeft verzocht,

om dan van bestuurszijde een ander plan te ontwikkelen

en het hem mede te deelen.

Over deze aangelegenheid ontspint zich een zeer uitvoerig

debat. Als gevolg hiervan zal het Bestuur een bepaald en

concreet advies aan de Regeering uitbrengen, l ) waaromtrent,

met het oog op het vertrouwelijke karakter van één en ander,

thans nog geen publicatie kan geschieden. Zij zal echter binnenkort

volgen.

De vergadering wordt, nadat dit punt is afgehandeld, gesloten.

') Het advies is op 11 Februari aan de Regeering gezonden.

De salaris-actie.

Onder voorzitterschap van collega D. HANS hielden de

journalisten, die voor den Kring en voor de Katholieke Vereeniging

deel uitmaken van de salaris-commissie, op Zaterdag

15 Februari j.1. een vergadering te Utrecht.

Allen waren aanwezig.

De voorzitter deelde allereerst mede, dat op Zaterdag 22

Februari wederom een conferentie met de directeuren zal

plaats vinden. Daarna deed hij voorlezing van verschillende

ingekomen brieven.

Het Bestuur van de vereeniging „De Nederlandsche Periodieke

Pers" (waarbij tal van weekbladen en twee of driemaal

per week verschijnende kranten zijn aangesloten) had bericht

ingezonden, dat het zich met de tijdelijke salaris-regeling had

vereenigd en zijn leden krachtig zou aanspore?i er gevolg aan

te geven.

De voorzitter gaf namens de journalisten zijn groote voldoening

daarover te kennen.

Daarna ontwikkelde zich een uitvoerig debat over den

stand der salaris-actie. Tal van brieven waren ingekomen.

Aan verscheidene bladen is de regeling ingevoerd. Aan andere

evenwel niet. Voorts is in verschillende gevallen de regeling

gedeeltelijk ingevoerd, aangezien er omtrent den aftrek van

reeds toegekende verhoogingen een ander systeem is gevolgd,

dan de commissie heeft gewild.

De vergadering geeft als haar indruk te kennen, dat er bij

verschillende directeuren een streven bestaat om den overeengekomen

aftrek der periodieke verhoogingen anders te interpreteeren,

dan in de bedoeling der commissie heeft gelegen.

In de a.s. conferentie met de directeuren zal daarop worden

gewezen en getracht worden alsnog een verklaring te publiceeren

omtrent de periodieke en daarmee gelijk te stellen

verhoogingen (b.v. die bij huwelijk; bij vermeerdering van

werk e. a.), welke in geen geval mogen worden afgetrokken.

Alleen mag worden afgetrokken wat zuiver en zeer bepaaldelijk

als duurte-bi)ii\a.g is bedoeld. Tevens zal dan worden

voorgesteld, nogmaals een stap te doen bij de directeuren,

die de regeling niet of niet geheel hebben ingevoerd, voor

zoover dit door de betrokken journalisten aan de commissie

is medegedeeld. Tegen een niet-loyale uitvoering van de

regeling aan bepaalde bladen zal krachtig worden geprotesteerd.

Vervolgens werd van gedachten gewisseld over de tantièmekwestie.

De voorzitter lichtte de meening toe, door hem reeds

persoonlijk in het Maandblad geuit, dat het tantième dient

te worden beschouwd als deel van het salaris. Hij zette uiteen,

dat hij hiermee heeft bedoeld het tantième, zooals dit

in 1914 was, te maken tot een vast en blijvend deel van

het salaris, waarop dus ook het tarief zou worden toegepast,

zoodat het salaris van 1919 zou moeten bestaan uit: ie het

salaris van 1914; 2e het tantième van 1914 en 3e het tarief

op deze beide bedragen toegepast. Het tantième van 1914

zou in dit stelsel dus worden een definitief stuk van het

salaris, dat nooit meer verminderd mocht worden, en waarop

dus ook het tarief was toegepast. Natuurlijk zou dan ook

in igig naast het aldus voor goed verhoogde salaris een tantième

gehandhaafd kunnen blijven.

De vergadering was eenstemmig van meening, dat over het

algemeen dit systeem voor de betrokken collega's zeer zeker

het voordeeligst zou zijn, maar meende dat zulk een regeling

voorloopig niet bereikt zou kunnen worden. Daarom kwam

men tot het eenparig besluit, dat het vaste salaris en het

tantième als twee afzonderlijke bedragen moeten worden

beschouwd, zoodat op het salaris het tarief wordt toegepast

en daarnaast het tantième kan blijven bestaan. In dien geest

zal op de conferentie met de directeuren worden gesproken.

Tenslotte werden besprekingen gevoerd over de salarisschaal,

waarvoor een concept door den voorzitter was ingediend.

Over de beginselen die er aan ten grondslag dienen

te liggen, ontspon zich een breedvoerig debat, dat, met het

oog op het vergevorderd uur, moest worden afgebroken en

in een volgende vergadering zal worden voortgezet.

* *

* <

A.s. Zaterdag 22 Februari komen de directeuren en de

journalisten, die in de salaris-commissie zitten, in Amsterdam

bijeen, 's middags 2 uur in „De Industriëele Club".

* *

*

De aandacht van de collega's wordt speciaal gevestigd op

bovenvermeld besluit van het bestuur der vereeniging „De

Ned. Periodieke Pers". Een lijst van bij die vereeniging aangesloten

bladen zal spoedig worden gepubliceerd, maar thans

kan worden vermeld, dat verschillende weekbladen en andere

periodieken tot de vereeniging behooren, zoodat den aan die

bladen medewerkenden journalisten wordt geraden, salarisverhooging

te vragen volgens het tarief.


M A A N D B L A D 41

Geschiedenis van den Kring.

Eind deze of tegen volgende week zal aan de leden worden

toegezonden het werkje: „DeNederlandsche Journalisten-Kring.

Schets van zijn geschiedenis. (1884—1919.)" Hoewel de

redactie der dagbladen geen afzonderlijk recensie-exemplaar

ontvangen, vertrouwt het Bestuur dat vele collega's in hun

blad de verschijning van dit Kring-boekje zullen vermelden,

teneinde op de geschiedenis en den arbeid van onze vereeniging

de aandacht te vestigen.

Meieeliop uit de Plaatselijke Tereeippii.

De Amsterdamsche Pers.

Voor het lidmaatschap der vereeniging „De Amsterdamsche

Pers" heeft zich aangemeld de heer J. HOLLAAR, Persbureau

Vaz Dias. De leden kunnen binnen acht dagen op artikel 5

der statuten gegronde bezwaren bij het bestuur indienen.

De secretaris,

SCHOTEL.

Binnenland.

Naar Rotterdam!

Aanstaanden Zondag over een week, 2 Maart, komt de

Kring te Rotterdam in jaarvergadering bijeen.

Wij hopen en vertrouwen dat zeer vele leden deze vergadering

zullen bijwonen.

Het is aller plicht.

De agenda op zich zelf lokt al tot een drukke opkomst

uit. Wij hebben een zeer belangrijk jaar in ons vereenigingsleven

achter ons, en vermoedelijk zal dit wel blijken uit het

debat bij de jaarverslagen, wanneer, zooals gewoonlijk, verschillende

onderwerpen ter sprake zullen komen. De salariskwestie

is niet als afzonderlijk punt op de agenda vermeld,

aangezien deze zaak, die een rustige en uitvoerige bespreking

eischt, op de jaarvergadering toch niet tot haar recht zou

kunnen komen. Wat wèl kan geschieden op de speciale vergadering,

die er binnenkort aan zal worden gewijd. Maar

misschien dat zij bij de jaarverslagen toch wel ter sprake komt.

Bovendien valt deze bijeenkomst onmiddellijk na het 35-

jarig bestaan van den Kring en, al zal er dan geen viering

plaats hebben, het spreekt vanzelf dat er toch wel iets over

zal worden gezegd.

Ten overvloede heeft deze vergadering plaats daags na de

invoering van de nieuwe Statuten. Met het dadelijke gevolg,

dat het heele Bestuur aftreedt en moet worden vernieuwd.

Het nieuwe Bestuur nu moet zich zijn mandaat door zooveel

mogelijk leden zien toevertrouwd, en reeds daarom alleen is

een druk bezoek noodig. Twee bestuursleden wenschen geen

herkiezing: de heeren VAN AS en VAN DER REIS. Wat

eerstgenoemde betreft: zijn toenemende bezigheden op velerlei

gebied maakten het hem in den laatsten tijd reeds zeer

moeilijk het secretariaat te vervullen, maar hij heeft het

gedaan met een toewijding, die hem recht geven op een woord

van hartelijken dank, dat dan ook te zijner tijd wel niet

achterwege zal blijven. En collega VAN DER REIS, de waardige

representant van het Noorden, die er zoo vaak de lange en

onaangename reis voor over had om de bestuursvergaderingen

bij te wonen, wil zich thans ook zien vervangen. Hierbij

komt, dat moet worden voorzien in een sinds lang bestaande

vacature, zoodat in ieder geval drie nieuwe bestuursleden

gekozen moeten worden. Maar ook de overige vijf treden af,

zoodat in acht plaatsen dient te worden voorzien.

Op de overige agenda-punten gaan we niet verder in. Wat

echter het voorstel betreft om ook de contributie der buitengewone

leden te verhoogen tot f 7.50, dit is rationeel. Het

minimum van gewone en buitengewone leden is altijd gelijk

geweest en dient het ook nu te zijn. En de fmancieele

toestand maakt dit voorstel, hoewel het niet zoo heel veel

zal opbrengen (ongeveer f 150) bepaald noodzakelijk.

Wij laten het hierbij.

Men vergunne ons alleen nog de opmerking, dat het Bestuur

recht heeft op een druk bezochte vergadering. Het heeft een

jaar van hard-werken achter den rug, een jaar van voortdurende

inspanning. • Het mag toch minstens eischen, vooral

nu de salaris-actie reeds voor vele collega's vrucht heeft

opgeleverd, dat de leden zich de opoffering van naar deze

vergadering te gaan zullen getroosten. Dit is het minste, wat

verlangd kan worden. Men vindt er bovendien gelegenheid

tot collegiale kennismaking, tot het aanknoopen en versterken

van den vriendschaps-band.

Bijna was het nog onmogelijk geweest, om in Rotterdam

te vergaderen. Toevallig bleek vrijwel geen enkele zaal beschikbaar,

maar onze Rotterdamsche collega's wisten op het laatste

oogenblik nog de zaal in liet gebouw der Duitsche Vereeniging

(Witte de Withstraat 21) te huren. We hebben in twee jaar

niet in Rotterdam vergaderd en daarom diende de Maasstad

nu weer eens aan de beurt te komen.

Van ganscher harte wekken wij dan ook op 'tot het bijwonen

van deze vergadering.

Zij worde een goed begin van den nieuwen periode, dien

de Kring ingaat.

Naar Rotterdam!

Onze salarissen.

Onder het opschrift „Paraat blijven" schrijft ons een collega:

„De actie van onzen Kring, die nu toch weldra alle

Nederlandsche journalisten tot haar leden moet tellen, voor

zoover dat volgens de Statuten mogelijk is, heeft bij menige

redactie goede resultaten bereikt. Verblijdend is het ook, dat

het ledental thans sterk vooruitgaande is. Laten allen zich

als lid opgeven, in de eerste plaats zij, die nu van deze

salaris-actie wel geprofiteerd hebben, doch nog buiten de

organisatie staan. Hoe meer leden wij tellen, hoe sterker wij

staan. Wij zijn er nog niet: de voorloopige regeling moet in

een definitieve omgezet worden; de rechtspositie van de

journalisten (hoe treurig is het daarmee gesteld!) moet

geregeld worden enz. Dit ligt nog in de toekomst, al is deze

zeker niet ver af.

Doch reeds thans is het voor den Kring zaak, paraat te

blijven. Het zou immers kunnen zijn. dat een directie aan

de eene zijde de verhoogingen, die vaak in de duizenden

loopen (tengevolge van den grooten achterstand onzer tractementen)

gevende — aan den anderen kant trachten zou te

„bezuinigen" door b.v. leden van de redactie te ontslaan,

quasi, omdat het na den oorlog minder druk worden zal.

Hiertegenover moet onze vereeniging pal staan en met

kracht de belangen harer leden verdedigen."

X.

Wij kunnen onzen collega meededen, dat de journalistieke

leden der salaris-commissie hun aandacht op deze zaak

gevestigd houden. Voor de conferentie met de directeuren

van n Januari j.1. hadden onze vertegenwoordigers voorstellen

ingezonden en daaronder was er één, die speciaal inhield dat

directeuren de toegekende hoogere salarissen niet zouden

mogen compenseeren — om dit woord dan te gebruiken —

door andere maatregelen (b.v. vermindering van personeel

of vermeerdering van werkzaamheden). Men ziet dus dat de

zaak niet aan onze aandacht ontglipt.

*

Een ander collega zend ons ter opneming in het orgaan:

„Al was bij mij het succes der actie niet volkomen, toch

is het salaris verhoogd. Met dankbaarheid voor hetgeen de

Kring gedaan heeft, zend ik U een postwissel ad f 5 met

toezegging van nog f 5, indien mijn pogen, om het salaris

te brengen op het bedrag, waarop ik „recht" heb, gelukt.

De actie heeft de kas zeker extra uitgaven bezorgd, kat

deze kleine bijdrage ten minste eenige 'verlichting geven.

Collega's, wie volgt?"

B.

Bravo, collega! Gij zult zeker wel goedvinden, dat wij uw


42 M A A N D B L A D

bijdrage bestemmen voor het Maandbladfonds, dat (zie elders

in dit nummer) nog een jaar gehandhaafd blijft. De manier

waarop déze collega zijn erkentelijkheid betuigd, is ons zeer

sympathiek. Juist de economische actie doet de kosten van

het orgaan zeer stijgen en een speciale tegemoetkoming is

daarom zeer welkom.

* *

*

Als een bewijs hoe onze Kring-actie werkt, nemen wij —

met weglating van de namen — het volgend schrijven op,

dat uit Friesland bij den secretaris inkwam:

„Ondergeteekende neemt de vrijheid U beleefd eenige inlichtingen

te verzoeken, mede uit naam van zijn chef en collega, den heer

(naam), hoofdredacteur van (volgt naam). Gaarne zouden we ons n.1.

willen aansluiten bij den Nederlandschen Journalisten-Kring. Mogen

we ü als hoofdbestuurslid, verzoeken ons daartoe even den weg te

wijzen? Waar we hier in 't Noorden ons steeds min of meer

geïsoleerd achten en meenden dat de Kring zijn terrein eigenlijk

meer speciaal in Holland had, voelden we vroeger niet zoozeer den

drang tot aansluiting. Thans hebben we ondervonden, dat we

dwaalden en dat inderdaad de bemoeiingen van den Kring zich

over 't geheele land uitstrekken. Dat n.1. onze salarissen, reeds

eenige malen herzien, dezer dagen opnieuw eenigszins verhoogd

werden en wel overeenkomstig de regeling, door Kringbestuur en

Uitgeversbond aanbevolen, meenen we in hoofdzaak aan de actie

van den Kring verschuldigd te zijn. Het spreekt van zelf, dat we

onder die omstandigheden ons verplicht achten ons aan te sluiten.

Mogen we van U eenige inlichtingen verwachten omtrent de wijze,

waarop die aansluiting zal kunnen geschieden? De heer (volgt naam)

is reeds meer dan 40 jaren aan het blad. verbonden, waarvan zeker

het grootste deel als hoofdredacteur, terwijl ondergeteekende er ook

reeds een twaalftal jaren als redacteur-verslaggever werkzaam is."

Ziedaar, hoe personen die steeds on-aangesloten, bleven,

zich thans in onze gelederen scharen.

*

* *

— Bij De Tijd is het weinige, dat nog ontbrak aan het

accoord der gemengde commissie, aan de redacteuren toegekend.

Tegelijk zijn nog enkele salarissen verhoogd.

— De directie van de Leeuwarder Courant heeft niet alleen

de tijdelijke regeling ingevoerd, maar is voor enkele journalisten

nog iets verder gegaan.

— De directie van de Nieuwe Courant heeft de regeling

grootendeels ingevoerd: alleen inzake de aftrek van enkele

verhoogingen bestaat nog verschil.

— Ook uit Zutphen een goed bericht; de redacteuren van

de Zutphensche Courant ontvingen van hun directeur de

mededeeling, dat hun salaris is verhoogd naar het systeem

van onze regeling.

— In 1918 is aan de Oprechte Haarlemsche Courant een

salaris-verhooging gegeven aan alle redactie-leden en bovendien

een duurtebijslag van 33V3 %• Met ingang van 1 Jan.

j.1. is het nieuwe salaris met 10 % verhoogd, en op dit

verhoogde salaris weer een bijslag gegeven van 33V3 °/o- De

redacteuren ontvangen nu zelfs méér dan de regeling der

commissie wilde.

— Uit andere plaatsen komen soortgelijke berichten. Van

een aantal wordt ons verzocht ze nog niet te vermelden.

Het gaat in de goede richting!

De tantième-kwestie.

De zaak van het tantième, en de verhouding tusschen

tantième en salaris, schijnt tot eenige speciale bezwaren aanleiding

te geven.

In ons vorig nummer verklaarden wij het billijk te achten,

dat het tantième wordt beschouwd als een deel van het

salaris. Deze persoonlijke meening heeft tot misverstand aanleiding

gegeven, waartoe de beknoptheid van uitdrukking

kan hebben bijgedragen.

Hoe staat de kwestie?

Collega A had op 1 Augustus 1914 een salaris van laat

ik zeggen f 2800 en een tantième van f 600. Beschouwen

we nu het tantième niet als een deel van het salaris, dan zal

hij volgens de tijdelijke regeling der commissie krijgen f 2800 -ff

990 •==. f 3790 plus een zeker bedrag' aan tantième. Dit

laatste bedrag is echter onzeker. Het kan véél, maar het kan

ook weinig zijn. — Beschouwen wij echter het tantième wel

als een deel van het salaris, dan verdiende A op 1 Augustus

r9i4 dus f 2800 -\- f 600 =: f 3400 en dan wordt zijn

nieuwe salaris krachtens de tijdelijke regeling f 3400 -\- f 1050

= f 4450, vermeerderd met een nader te bepalen bedrag

aan tantième. Want wij hebhen nooit bedoeld dat in ons

systeem het tantieme zou moeten verdwijnen.

In het eerste geval dus f 3790 plus een onzeker bedrag

aan tantième. In het tweede geval echter f 4450 aan vast

en blijvend salaris, met daarnaast allicht nog een zeker tantième.

Het vroegere wisselvallige tantième wordt geconsolideerd

in een vaste salarisverhooging, en ondergaat tevens de

verhooging volgens het tarief.

Misschien zou er een bijzonder geval te bedenken vallen,

waarin dit systeem iets nadeeliger zou zijn, maar in het algemeen

is het stellig voordeeliger. Dit laatste hebben de journalisten,

die in de salaris-commissie zitten, in hun vergadering

van Zaterdag j.1. erkend. Zij gaven toe, dat ons systeem

voordeeliger zou zijn, maar meenden óók dat de directies

het niet zouden willen aanvaarden. Daarom besloten zij de

voorkeur te geven aar het stelsel, waarin salaris en tantième

geheel afzonderlijk worden gehouden, als twee bestanddeelen.

Het salaris van 1914 wordt dan verhoogd met het bekende

percentage, zoodat op een vast salaris van f jooo minstens

de volle verhooging van f 1050 moet worden toegepast. Daarnaast

blijft dan geheel afzonderlijk het tantième bestaan.

Natuurlijk hebben wij ons met deze opvatting gaarne vereenigd,

vooral, waar men meende dat ze meer kans van slagen

heeft.

Aangezien onze korte uitlating misverstand had veroorzaakt,

hebben wij het bovenstaande nog eens willen doen uitkomen.

Persconferenties en Kringbestuur.

In het Handelsblad heeft collega ELOUT een verwijt gericht

tot het Kringbestuur, dat ik op prijs stel te beantwoorden.

Ik zal dat niet doen in De Telegraaf, maar in ons vereenigings-orgaan.

Collega ELOUT schrijft, na het plan tot oprichting

van een regeerings-persbureau besproken te hebben, het

volgende:

„Wij hopen dat de Regeering dit fatale voornemen — indien zij

het' werkelijk mocht koesteren — alsnog zal laten varen. Zij was

aanvankelijk op een veel beteren weg. Zij wilde (blijkens een

mededeeling in het orgaan van den Nederlandschen Journalisten-

Kring) nu en dan conferenties met een aantal journalisten doen

houden (nu eens door dezen, dan door genen Minister) zooals o. a. de

Regeering te Washington al lang doet en gelijk wij onder het vorige

Kabinet herhaaldelijk hebben aanbevolen te doen. Toen zij echter

het bestuur van den Kring zijn oordeel daarover vroeg., heeft dit

college ongunstig geadviseerd. Wij aarzelen niet te verklaren, dat

dit bestuur zulk een advies niet had behooren te geven zonder eerst

tenminste de Haagscke journalisten te hooren. En wij kunnen de

Regeering verzekeren dat meer dan één in Den Haag werkzaam

journalist (en daaronder zijn er, verbonden aan onze grootste bladen)

'het met dit advies van het Kringbestuur volstrekt oneens is. De

naast belanghebbenden zijn door het Kringbestuur eenvoudig

genegeerd."

Deze beschouwing is onjuist.

De Regeering was — schrijft collega ELOUT — aanvankelijk

„op een veel beteren weg", want zij wilde, „blijkens een

mededeeling in het orgaan van den Kring", min of meer

geregeld persconferenties doen houden. Dit is een feitelijke

onjuistheid. Nergens in het orgaan zal onze geachte collega

kunnen vinden, dat de Regeering dit voornemen koesterde.

Zijn mededeeling berust dus op een misverstand. De secretaris

en ik hebben verschillende conferenties met den ministerpresident

gehad, maar nooit heeft de minister ook maar met

één woord over persconferenties gerept. De Regeering was

niet „op een beteren weg", had blijkbaar geen enkel plan in

dit opzicht, en derhalve heeft ons Bestuur haar ook niet van

dien weg afgebracht. Het uitgangspunt van den heer ELOUT

is dus onjuist.

„Toen zij echter het Bestuur zijn oordeel daarover vroeg,

heeft dit college ongunstig geadviseerd". Neen, de Regeering

heeft ons oordeel over persconferenties niet gevraagd. Zij

sprak het woord zelfs niet uit. Maar wat is dan gebeurd?

Ons werd medegedeeld, dat een collega er individueel met

den minister over gesproken had. Niettemin repte de minister

er tegen ons niet van. Hij had dus blijkbaar geen enkel

voornemen. Wij echter meenden toen' toch de zaak te moeten

aanroeren. Hebben wij „ongunstig geadviseerd"? Ook dit is,

in dien algemeenen zin, niet juist, doch hier erkennen we,

dat collega ELOUT op een dwaalspoor kan zijn gebracht door

het resumé van ons advies, zooals dat in het orgaan voorkwam.

Ziehier hoe het advies op dit punt letterlijk luidde:

„Het denkbeeld van het houden van geregelde persconferenties,

besprekingen tusschen de leden der Regeering, of tusschen organen


M A A N D B L A D

der ;Regeering ea de, pers, kan het Bestuur, tenzij deze conferenties

tot het verstrekken van informaties van feitelijken aard worden aangewend,

niet gunstig beoordeelen. Zulke conferenties toch houden

een gevaar in voor de onafhankelijkheid van de pers, omdat

gevreesd moet worden, dat de Regeering uiteraard geneigd zal zijn

hare inzichten 'en denkbeelden aan de journalisten op te dringen,

waardoor eene officieuse Regeeringspers zou worden geschapen, en

de publieke opinie op bepaalde wijze zou worden beïnvloed. De

ervaring in de oorlogsjaren elders (Dnitschland en Engeland bijv.)

opgedaan, lokt naar onze meening geenszins tot navolging uit.

Bovendien meenen wij, dat het eenige malen goed zou gaan, maar op

den duur dergelijke bijeenkomsten toch zouden verloopen. In het

algemeen verklaart het Bestuur zich dus tegen een officieele

verhouding tusschen Regeering en pers."

Ik heb in dit citaat een zin onderstreept. Het Bestuur heeft

zich dus niet verklaard tegen persconferenties die zouden

bedoelen feitelijke mededeelingen aan de pers te verstrekken,

maar alleen tegen andere, die min of meer geregeld zouden

plaats hebben, en waarin 'de regeeringspolitiek zou worden

• verdedigd of . . . opgedrongen.

Zóó staat de zaak.

Het verstrekken van mededeelingen, al of niet op conferenties,

hebben wij onlangs bij de Regeering zélfs aangemoedigd.

In ieder geval blijkt toch wel, dat de zaak er anders uitziet

dan collega ELOUT meent.

Wat tenslotte zijn verwijt aangaat inzake het niet-raadplegen

van Haagsche collega's: het is onrechtvaardig om

— nog wel in het publiek — een dergelijk verwijt tot het

Bestuur te richten. Ik herinner mij niet, dat, toen collega

ELOUT een rol speelde in het Bestuur, van zulke persconferenties-met-bepaalde-collega's

gebruik werd gemaakt. : En ook

toen zullen er wel eens adviezen zijn uitgebracht, waarmee

bepaalde leden zich-niet konden vereenigen. Het raadplegen

van alle leden is in onze vereeniging nu eenmaal niet

gemakkelijk en eenig recht'om gehoord te worden heeft een

groep leden niet. Dit neemt niet weg dat, toen : het niet meer !

ging over een abstracte aangelegenheid, n.1. het algemeene I

denkbeeld van openbaarheid, maar over een concreet plan,

•met de uitwerking waarvan allereerst de Haagsche journalisten

te maken zouden krijgen, het Bestuur geen bezwaar heeft j

gehad een aantal van hen te raadplegen.

Het uitbrengen van adviezen van algemeen-journalistieken

aard ligt nu eenmaal op den weg van het orgaan, dat aangewezen

is om de leiding te voeren.

Wanneer zoo'n advies strijdt met eigen inzicht, mag men

deswege'het Bestuur hie3 verwijten, dat het zelfstandig deed

wat tot zijn natuurlijke taak behoort.

D. HANS,

waarn. voorzitter.

De 8-urige werkdag voor journalisten.

Onze hooggeachte collega HAAXMAN heeft mij de eer aan- I

gedaan, in het Maandblad van 15 januari aan de motie ten

gunste van wettelijke vastlegging van een 8-urigen werkdag i

voor journalisten, door mij ter vergadering der Haagsche

Journalisten-Vereeniging voorgesteld en door deze vereeniging •

aangenomen, eenige opmerkingen te wijden. De voldoening,

die mij deze eer schenkt, wordt slechts getemperd door het

leedwezen, dat de heer HAAXMAN op de desbetreffende ver- i

gadering blijkbaar niet aanwezig, heeft kunnen zij.n om tegen

deze motie de argumenten aan te voeren, die hij thans onder

de oogen van de Maandbladlezers heeft gebracht. Alsdan

zou ik mij met vreugde gegeven hebben, aan een poging om

deze argumenten te weerleggen. Thans zij het mij vergund,

in het Maandblad nog eens even op de zaak in te gaan. Dit

heeft ook allicht zijn goede zijde, omdat de-kwestie nu onder

de aandacht komt van de leden van den Kring, die er hun

gedachten over kunnen laten gaan em er,, naar ik hoop, hun

meening over zullen willen kenbaar maken.

Tot de indiening der motie werd ik gedreven, doordat het

mij bleek, dat bij een niet gering aantal collega's de vrees .

bestaat, dat hun werkgevers voor de meerdere uitgaven, die ;

zij als gevolg der loonsverhoogingen hebben te doen, een

compensatie zullen zoeken in een verlenging van den arbeidstijd

der journalisten. Immers het is mogelijk, dat de werkgevers

door een dergelijke verlenging het aantal hunner

arbeidskrachten zullen kunnen inkrimpen of niet behoeven

over te gaan tot een uitbreiding van hun personeel, waartoe

zij in verband met een uitbreiding van hun bedrijf anders

wel gedwongen zouden zijn. Het is mij. voorts bekend, dat

een dergelijke vrees bij sommige mijner collega's niet ongegrond

is.

Daarbij komt, dat ook reeds op dit oogenblik een zeer

groot aantal journalisten in den lande zucht onder een overmatig

langen arbeidstijd, terwijl de aard van hun werk dit

toch volstrekt niet noodzakelijk maakt. Zij zouden een behoor

lijken arbeidstijd kunnen verkrijgen, wanneer; hun werkgevers

er slechts toe kwamen, hun één of meer werkkrachten.terzijde

te stellen. Deze werkgevers echter laten dit na om hun

bedrijfswinst niet kleiner te maken.

De journalisten die ik hier op het oog heb, werken.vooral

aan kleinere provinciale bladen. Hiermede wil ik natuurlijk

niet zeggen, dat ook aan grootere al of niet provinciale

bladen niet heel wat aan een behoorlijke, werktijdregeling, van

journalistieke krachten zou ontbreken. Ik koester de. hoop,

dat tot staving mijner bewering zich in het Maandblad

stemmen zullen laten hooren van journalisten, die onder het

hier door mij gesignaleerde euvel gebukt gaan. Dezulken.zijn

niet het minst te vinden onder die collega's, welke zich uitsluitend

of in hoofdzaak met bureauwerk. hebben bezig te

houden.

Het wil mij toeschijnen, dat laatstgenoemde categorie, die

toch zeker in onzen Kring niet de minst talrijke — :en

misschien wel de talrijkste — is, door collega HAAXMAN.wat

te zeer uit het oog wordt verloren. De heer HAAXMAN geeft

toe, dat bureauwerkzaamheden in vele.gevallen te reglementeeren

en. te beperken zouden zijn, maar hij weet, zoo schrijft

de: heer HAAXMAN, „dat ieder lid, van ons gilde, die de ware

ambitie van ons mooie vak in zich voelt gloeien, aan dat

bureauwerk tracht te ontkomen en, slaagt hij daarin, zich eerst

dan waarlijk journalist gevoelt".

'Dit criterium lijkt mij.wat èrg eenzijdig. Ik. zelf ben geen

bureau-mensch en hoop van gansche harte't nooit te worden.

Maar dat neemt niet weg, dat ik tal van collega's ken, die

niet anders dan bureauwerk plegen te verrichten en niet

slechts aanspraak hebben op den naam van „journalist",

maar in het speciale onderdeel van het vak, waaraan zij

zich wijden, zeer goede journalisten zijn. Natuurlijk wil ook

collega HAAXMAN niet zoover gaan, allen bureauwerkkrachten

aanspraak op den eeretitel van „journalist" te ontzeggen. Hij

heeft bijzonderlijk het oog op bepaalde journalistieke werkzaamheden,

die aan den ambtenaar doen denken. Maar ik

herhaal: ook zij, .die zulken arbeid verrichten, kunnen op

hun wijze verdienstelijke journalistieke praestaties leveren.

Nu stel ik op den voorgrond, dat ik zonder voorbehoud

erken de onmogelijkheid van een regeling van den 8-urigen

arbeidsdag, geldende voor .alle journalisten. Ik zelf bijvoorbeeld

maak mij — gesteld dat ik 't zou.willen — geenerlei

illusie, van een dergelijke regeling de vruchten te zullen

plukken. Zoo zijn er — ik weet het — tientallen collega's.

Daarnaast echter zijn er ongetwijfeld tal en tal van vakgenooten,

voor wie de regeling van een 8-urigen arbeidsdag

even' mogelijk als wenschelijk is. Bureaumenschen in -de eerste

plaats . .. maar zeker ook andere journalisten.

Voor deze collega's nu schijnt mij een wettelijke, uiteraard

de meest mogelijke waarborgen biedende regeling van den

8-urigen werkdag verre te verkiezen boven één, als. gevolg

van overleg met de werkgevers, gezamenlijk of individueel.

Technisch schijnt het mij zeer wel mogelijk, de journalisten,

voor zoover de aard van hun werk dat veroorlooft, in de

8-uren-wet op te nemen. De wet zelf kan bepalen, dat er

onder vallen de journalisten, in een algemeenen maatregel

van bestuur nader aan te wijzen. Die algemeene maatregel

zou kunnen worden opgesteld door den minister van Arbeid

in overleg met het bestuur van den Kring. Eveneens zou de

zorg voor de naleving der bepalingen in overleg met het

Kringbestuur kunnen worden geregeld.

Dit alles klinkt ongetwijfeld heel anders dan het betoog

van den heer HAAXMAN, volgens hetwelk „een journalist op

te leggen te arbeiden gedurende een aantal uren voor hem

zou zijn een onrecht, voor zijn beroep een achteruitgang en

voor de journalistiek in het algemeen de dood in den pot".

Of het voor den journalist een onrecht zou zijn? Ik vermoed,

dat heel wat collega's met dat „onrecht" afgedrieduivekaterd

ingenomen zouden zijn. De journalistiek is een

mooi vak, maar — laat ons eerlijk zijn —niet alle onderdeden

er van zijn geschikt om zich er met lust en liefde

een onmetelijkheid van tijd eiken dag opnieuw aan te wijden.

En wanneer een collega door bovengenoemd „onrecht" in

staat wordt gesteld, zijn geest te verfrisschen en zich te ontspannen,

zou hij de organisatie, die dat „onrecht" bewerkstelligde,

tot in lengte van jaren er dankbaar voor zijn.

Dat het voor zijn beroep een achteruitgang zou zijn, schijnt

mij — om 't tegenover onzen eerwaarden collega, den heer

HAAXMAN, -beleefd en bescheidenlijk uit te drukken — slechts

in zooverre juist, dat het voor zijn.vak een zeer. buitengewoon

groote vooruitgang zou beteekenen. Immers dan zou de


44 M A A N D B L A D

journalist — en dit geldt waarlijk niet slechts voor den

jongste onder de broederen — eindelijk de voor menigeen zoozeer

noodige gelegenheid krijgen om wat meer zorg aan zijn

wetenschappelijke vorming te wijden, wat meer te studeeren,

zich wat meer te ontwikkelen. Bij hoevele collega's hapert

't daaraan niet in niet onbedenke-lijke mate! En dat deze

grootere ontwikkeling, deze grootere geschooldheid niet slechts

aan de degelijkheid maar ook en vooral aan de belangrijkheid

van het journalistieke werk ten goede zou komen, spreekt

vanzelf.

Waar nu de 8-urige werkdag èn op den journalist èn op

het beroep een gunstigen invloed zou oefenen, is het mij

niet recht duidelijk, hoe hij „voor de journalistiek in het

algemeen de dood in den pot" zou zijn.

Ik hoop, dat deze kwestie ook eens in de andere plaatselijke

vereenigingen ter sprake zal worden gebracht.

Maar dan hoop ik tevens, dat haar vergaderingen zullen

worden bezocht door een grooter aantal leden dan dat, hetwelk

op de desbetreffende H. J. V.-vergadering aanwezig was,

op de presentielijst waarvan niet meer dan 13 handteekeningen

prijkten. — Moge de symboliek van dit getal geen

ongunstige profetie zijn voor de zaak. waar het hier om gaat. —

Deze laatste klacht brengt mij nog op iets anders.

Hoe het met de andere plaatselijke vereenigingen is gesteld,

weet ik niet, maar bij de H. J. V. is als regel het vergaderingenbezoek

betreurenswaardig klein. Zelfs bij de bespreking

der allerbelangrijkste vraagstukken staat het aantal der op de

vergadering aanwezige leden dikwijls in geen verhouding tot

het ledental der vereeniging. In het Maandblad wordt in deze

dagen — en terecht! — zooveel geschreven over het opgewekte

vereenigingsleven van den Kring. Maar althans de

Haagsche collega's behooren die opgewektheid meer dan tot

dusver ook in het vergaderingenbezoek tot uiting te laten

komen. Het wil er bij mij niet in, dat op de vergaderingen

alleen zij afwezig zijn, die niet kunnen komen. Dikwijls is

er ook in 't spel een gevoel van laksheid of van „je komt

er niet toe". Dat gevoel moeten we er 's uitjagen. Als men

vroeger de collega's, die voor de vergaderingen slechts verwaarloozing

over hebben, daarover berispte, kreeg men dikwijls

tot antwoord: „nou ja, wat zou 't . . . de Kring en de vereenigingen

doen immers toch niks". De grootste Nurks heeft

nu niet meer 't hart om dat te zeggen. De oude Kring is

verjongd. Ja, misschien is hij eerst nu recht te leven begonnen!

De landelijke organisatie weert zich met den moed en de

kracht van de jeugd. Voor de vooorbereiding van dat werk

kan veel, zeer veel gedaan worden in besprekingen op vergaderingen

der plaatselijke vereenigingen. Meer, veel meer dan

tot dusver! De belangstelling van het Kringwerk moet zich

gaan afspiegelen ook in het bezoek van de bijeenkomsten

der plaatselijke vereenigingen. Wij kunnen eerst dan recht

goede resultaten verwachten van de acties van den Kring,

wanneer wij met ondubbelzinnige gegevens kunnen aantoonen,

dat de vaste wil van al zijn leden de acties draagt. De acties

voor verbetering der arbeidsvoorwaarden! De actie voor een

behoorlijk loon! En de actie voor een wettelijk geregelden

8-urigen arbeidsdag!

LUIKINGA.

Statutenherziening bij de R. K. J. V.

Ook bij de Katholieke Tournalisten-Vereeniging begint het

vraagstuk der Statutenherziening aan de orde te komen. Wij

lezen in het orgaan over de bestuursvergadering:

„Alsnu kwam aan de orde de vraag, of het wenschelijk

is een statuten-herziening voor te bereiden en hiervoor alsmede

over het salarisvraagstuk binnenkort een algemeene

vergadering te beleggen. Een der bestuursleden wenschte een

ledenvergadering bijeen te roepen en deze te laten beslissen

of en zoo ja op welke punten de statuten herziening behoeven.

Dit denkbeeld vond geen instemming bij de andere bestuursleden,

die meenden, dat het bestuur bij een zoo belangrijke

zaak als deze leiding moest geven. De discussies zouden in

hoofdzaak moeten loopen over de positie der directeuren en

andere buitengewone leden in onze vereeniging en over de

uitbreiding of de gewijzigde samenstelling van het bestuur,

in dier voege, dat het redacteuren-element daarin grooteren

invloed krijgt. Door de moeilijke treinverbindingen, welke

den leden noodzaakte huiswaarts te gaan, kon na mededeeling

van deze hoofdpunten, geen verder debat over dit onderwerp

plaats hebben. Besloten werd de discussies voort te zetten in

een op Zondag 16 Februari j.1. te houden vergadering. Dan

zullen de overige agendapunten ook aan de orde komen."

En elders, is een artikel over dezelfde aangelegenheid,

komt het volgende voor:

„Te ontkennen valt immers niet, dat in den boezem onzer

vereeniging een strooming bestaat, die zich over enkele organisatorische

hoofdpunten wenscht uit te spreken. Wel is deze

nimmer in onze vergaderingen of in ons orgaan tot uiting

gekomen, maar uit de gesprekken met collega's ervaart men

spoedig genoeg, welke richting zij willen uitgaan. Het voornaamste

punt is de toelating van directeuren of uitgevers tot

onze organisatie en de verplichte verkiezing van één hunner

tot lid van het bestuur. Dit is sommigen een doorn in 't oog;

zij wenschen de directeuren uit de vereeniging."

De redacteur van het orgaan geeft dan uitvoerig als zijn

meening te kennen, dat hij de genoemde oplossing „te radicaal"

vindt, en dat hij directeuren-hoofdredacteuren en directeuren-redacteuren

als gewoon en directeuren (zonder meer)

als buitengewoon lid wenscht te behouden. M. a. w. als hij

zijn zin krijgt, zullen alle directeuren lid in de R. K. J. V.

kunnen blijven.

En hij vervolgt:

„Dat neemt niet weg, dat een directeur, niet-journalist, in

een journalisten-organisatie niet evenveel te zeggen moet

hebben als een journalist. Reeds thans is zulks het geval. De

directeuren hebben evenals de andere buitengewone leden

géén stemrecht, behoudens voor de verkiezing van één hunner

van het bestuur. Zij mogen adviseeren, maar niet mede

beslissen. Deze logische onderscheiding zouden wij meer consequent

willen doortrekken en het bestuur mitsdien laten bestaan

alléén uit gewone leden, onder toevoeging zoo noodig vaneen

of twee gedelegeerden uit de buitengewone leden, zonder

stemrecht en onder beding, dat het bestuur over bepaalde

onderwerpen kan vergaderen en beslissen buiten oproeping

en presentie van zijn gedelegeerde leden. Hierdoor verkrijgt

de vereeniging bovendien het voordeel van een o.i. hoognoodige

bestuursuitbreiding. Het bestuur is nu wel een beetje

onevenredig saamgesteld: 1 kapelaan, 1 directeur, 3 hoofdredacteuren,

waarvan één tevens directeur, 1 redacteur, die

niet van directorale smetten vrij is en slechts 1 redacteur,

die zuiver op den graad is, d.w.z. die gewoon redacteur is.

Wij zouden ons verleden tekort, doen, indien wij een statutenwijziging

niet aangrepen als middel om vast te leggen, dat

het redacteuren-gedeelte statutair in ons bestuur met grooter

evenredigheid wordt vertegenwoordigd. De onderscheiding

tusschen gewone en buitengewone leden moet ook doorgetrokken

worden ten opzichte van onze bijeenkomsten. De

gewone leden moeten onder hun eigen bestuur afzonderlijk

kunnen vergaderen en besluiten nemen en alleen die vergaderingen

moeten verplichtend toegankelijk gesteld worden

voor buitengewone leden, waarop voorstellen behandeld

worden, dié rechtstreeks hun belangen als leden onzer vereeniging

betreffen, b.v. als contributieverhooging voor buitengewone

leden aan de orde is gesteld."

Tot zoover hèt orgaan.

Men ziet, dat de R. K. J. V. voor dezelfde moeilijkheden

komt te staan als wij. En hoe wil de redacteur die oplossen?

Met de bekende methode-van-de-kool-en-de-geit. Hij wil alle

directeuren toelaten en hun gedelegeerde(n) zelfs in het

Bestuur. Maar .... het Bestuur moet „over bepaalde onderwerpen

(kunnen) vergaderen en beslissen buiten oproeping

en presentie van zijn gedelegeerde leden." En de gewone

leden „moeten onder hun eigen besturen afzonderlijk kunnen

vergaderen en besluiten nemen." In dit systeem krijgt men

dus vier soorten vergaderingen. Namelijk bestuursvergaderingen

met en zonder de gedelegeerden (— directeuren). En algemeene

vergaderingen met en zonder de buitengewone leden (== directeuren).

Ja, het Bestuur zal zelfs kunnen vergaderen en

besluiten, zonder dat de gedelegeerden er iets van af weten.

Dit systeem is de beste erkenning van het argument, dat

directeuren in een journalisten-vereeniging niet thuis hooren.

Als men hen toch wil houden, moet men zich in allerlei

kronkels draaien om de zaken voor de journalisten eenigzins

behoorlijk te regelen.

De redacteur van het orgaan der R. K. J. V. noemt de

oplossing van den Kring, om de directeuren buiten te sluiten,

een „dwaasheid". Wij echter hebben de knoop willen doorhakken.

Wat onze geachte collega wil, is van twee walletjes

eten. De kool en de geit sparen.

En — dat gaat niet.

Lezingen over kunst.

Het Bestuur van het Verbond van Nederlandsche Kunstenaarsvereenigingen

heeft ten vorigen jare de medewerking


M A A N D B L A D 45

van het Bestuur der Instelling voor Hooger Onderwijs aan

Journalisten ingeroepen, voor het organiseeren, in den loop

van dit winter-seizoen, van een aantal lezingen over kunst, te

houden door kunstenaars voor journalisten. Het doel van

deze lezingen werd door het bestuur van het Verbond aldus

geformuleerd: „De taak van hen, die geroepen zijn, of geroepen

kunnen worden, in dag-en weekbladen over kunst te schrijven,

te verlichten door hen, zoo volledig, zoo duidelijk en zoo

nauwkeurig mogelijk, in te lichten omtrent de idealen, de

bedoelingen en de werkwijzen der kunstenaars."

Ofschoon het organiseeren van deze lezingen niet direct

tot de taak van de Instelling voor Hooger Onderwijs aan

Journalisten kan worden gerekend, zoo meende het Bestuur

dier instelling toch de gevraagde medewerking te mogen

verleenen, gezien de verwantschap welke ongetwijfeld bestaat

tusschen het doel dat het Verbond van Ned. Kunstenaarsvereenigingen

met deze lezingen wil nastreven, en de idealen

welke indertijd geleid hebben tot de oprichting van de

Instelling. Bovendien hoopt het Bestuur der Instelling langs

dezen weg de belangstelling voor de cursussen van de Instelling,

die de laatste jaren meer en meer verflauwd is, weder op te

wekken, terwijl aldus wellicht ook nieuwe denkbeelden omtrent

die cursussen geboren worden, waardoor de Instelling eene

nieuwe toekomst kan tegemoet gaan.

Het Bestuur van de Instelling heeft zich toen, in overleg

met het Bestuur van den Bond, gewend tot de Besturen van

de plaatselijke Journalistenvereenigingen te Amsterdam, te

VGravenhage en te Rotterdam, teneinde te vernemen of zij

in beginsel bereid waren hunne medewerking te verleenen

tot het welslagen van de lezingen. Van de Rotterdamsche

Journahstenvereeniging werd dadelijk een afwijzend antwoord

ontvangen. Naar de eenparige meening van de bestuursleden

zou er daar ter stede voor lezingen als deze onder de leden

geen belangstelling zijn. De Amsterdamsche Pers en de

Haagsche Journalistenvereeniging verklaarden zich in principe

wel bereid. Het denkbeeld bleek voor hen aantrekkelijkheid

te hebben. Later bleek echter, naar het oordeel van het

Haagsche bestuur, de tijd van het jaar ongeschikt, zulks in

verband met de beroepsbezigheden der collega's daarterstede.

En zoo zullen zich deze lezingen dus thans beperken tot-

Amsterdam.

Als dit nummer van het Maandblad verschijnt is de eerste

lezing reeds gehouden. Zij vond plaats op Dinsdag 18 Februari

11. des avonds te acht uur, in café Parkzicht te Amsterdam.

Spreker was de heer Just Havelaar, met het onderwerp:

„Journalistieke Kunstcritiek".

Verder kan nu reeds worden meegedeeld, dat op 4 Maart

te Amsterdam zal spreken de heer Corn. v. d. Sluys over

meubelkunst en de heer S. de Roos op 18 Maartoverboekverzorging.

Aan deze laatste lezing zal eene kleine tentoonstelling

verbonden zijn.

Tot deze lezingen hebben alle te Amsterdam wonende leden

van den Ned. Journalistenkring toegang. Voorts zijn introductiekaarten

tot een beperkt aantal verkrijgbaar bij het

secretariaat van De Amsterdamsche Pers, Bureau Alg. Handelsblad.

Met aandrang wekken wij onze collega's, vooral degenen

die medewerken aan de kunstrubrieken van dag- en weekbladen

op, deze lezingen bij te wonen.

D. KOUWENAAR,

secretaris van de Instelling voor

Hooger Onderwijs aan Journalisten.

Het Maandbladfonds.

Wij moeten terugkomen op een besluit, dat wij in plechtigen

ernst genomen hadden.

Inzake het Maandblad-ionds.

Toen wij op 't eind van het vorige jaar meedeelden, over

1919 het Fonds onzerzijds niet weder te zullen instellen, werd

ons van meer dan één kant gevraagd om het Fonds nog één

jaar te handhaven. Immers — zoo luidde de redeneering —

1919 is nog een overgangsjaar en pas in 1920, als het nieuwe

progressieve contributie-systeem is ingevoerd, zal de Kringkas

volledig de kosten van het orgaan kunnen betalen. De redeneering

was juist. Maar wij overwogen, dat de contributie

voor 1919 met 50 % was verhoogd als tijdelijke maatregel,

en dat uit die meerdere opbrengst het Maandblad nu wel

geheel betaald zou kunnen worden.

Eilaci! thans staan wij voor het feit. dat de drukkosten van

het blad zijn .... verdtcbbeld.

Wat nu?

Er is geen andere uitweg om althans eenige compensatie

te krijgen, dan handhaving van het Fonds. Het Maandblad

zal in dit jaar ongeveer de helft van de totaal inkomsten

van den Kring vorderen. Dat is véél. En: dan rekenen wij

nog slechts op 8 bladzijden per nummer, wat feitelijk volstrekt

onvoldoende is. Vooral in dit jaar, nu wij een krachtige

economische actie voeren, zal niemand ontkennen dat een

stevig Maandblad noodzakelijk is.

Om kort te gaan: het Fonds wordt tot 31 December a.s.

gehandhaafd. Maar dit is dan ook de onherroepelijk laatste

voorstelling. In 1920 is de nieuwe contributie-regeling in

werking en dan vervalt vanzelf de bestaansreden van het Fonds.

Wij hopen nu maar, dat vele collega's ons hun bijdrage

zenden. Wij hebben ruim 350 gewone leden; als ieder wat

stuuurt, komen we al een aardig eind en kan de redacteur

aan het Maandblad de uitbreiding geven die het noodig heeft.

Velen onzer profiteeren van de economische actie, die de

leiders van den Kring zooveel tijd en inspanning kost. Welnu,

de leden kunnen toonen dat zij dit waardeeren, door ons

hun penning te zenden voor het Fonds.

Doe het dus.

Do it now.

* *

*

Wij openen de lijst met een bijdrage uit Rotterdam:

1. B., Rotterdam . . . f5.—

Gezelligheidsavond H. J. V.

Donderdagavond 9 Januari waren de bekende „poorten'' van den

Haagsehen Kunstkring wederom voor ons geopend. Geen beter oord

dan dit oiu de dagelijksche zorgen van revoluties, premières en . . .

salarisactie voor enkele uren te doen vergeten.

De „berijmde maandbeelden", 12 kalenderbladen van 1918, hielden

de bezoekers en vooral de bezoeksters aangenaam bezig, waarbij

onze onmisbare secretaris wederom zijn beste beentje voorzette,

dapper bijgestaan (zooals steeds) door mevrouw Van Meurs, die uit

de piano meer wist te halen dan er in zat, en door collega's Van

Ruyven en Hoogewerf, die zich. als voordragers op den°beganen

grond en op den hoogen bar-stoel best thuis gevoelden. De prenten

waren zeer verdienstelijk uitgevoerd en geen wonder dat zij hooge

prijzen opbrachten, toen lieftallige dameshanden de loten aan den

man brachten; het Ondersteuningsfonds van den Kring moet er

1' 45.— aan verdiend hebben.

Dan verdient de societeitscommissie-secretaris (titel om M. Moresco

te doen watertanden), collega Van der Hout, een wapperende pluim:

zijn , journalistieke jaarkroniek", een berijmd jaarverslag der H. J. V.

ging er als koek in, zelfs bij wie er een extra-beurt in kregen, wat

voor de qualir.eit van den humor pleitte. Als W. C, die altijd over

gebrek aan aandacht klaagt, ook eens zulke verslagen maakte

Tenslotte is er met hartstocht pot gespeeld. Collega Tersteeg had

de leiding; geen beter geluid is daarvoor denkbaar. En hij wist van

doorzetten. Toevallig werden twee dames de prijswinnaars; mevr,

Hotke en mevr. Ritman gingen met de kostbare kunstvoorwerpen

aan den haal. Wei ver gaat tegenwoordig de concurrentie van de

vrouw!

A propos, de dames waren quantitatief nog iets in de minderheid,

maar ze beginnen den smaak aardig te pakken te krijgen.

En de heeren?

Ook die verstokten, die vroeger meenden aan Wein und Gesang

genoeg te hebben, zijn bekeerd: men kan nu eenmaal geen trio

spelen zonder eerste viool.

P. D.

Buitenland.

Buitenlandsche vakbladen.

Het Londensche district van The Institute of Journalists

heeft in December een speciale bijeenkomst gehouden ter

bespreking van het vraagstuk eener universitaire opleiding van

journalisten. De aanleiding daartoe was gelegen in de aanwezigheid

van een paar Amerikaansche professoren aan bekende

journalisten-universiteiten aan de overzijde van den grooten

Oceaan. Aanwezig waren de heeren prof. J. W. Cunliffe,

directeur van The School of Journalism aan de Columbia

University te New-York; dr. G. E. Mc. Lean, secretaris van

The London Branch of The American University Union in

Europa en dr. Fish, hoogleeraar in.de geschiedenis aan de

Wisconsin University.

De eerste van deze drie gaf een kort overzicht van de

universitaire opleiding der journalisten. First catch jour

millionaire, zoo was zijn eerste woord, want alleen met zeer veel

financieelen steun van Mr. Joseph Pulitzer was het mogelijk

geweest de school te stichten. Het was aanvankelijk niet

gemakkelijk geweest deze bij een officieele universiteit onder


46

M A A N D B L A D

te brengen, aangezien men in universitaire kringen er al even

weinig fiducie in had als in journalistieke kringen het geval

pleegt te zijn. Echter is het. vooroordeel overwonnen en nu

zijn de New-Yorksche bladen er zeer'op gesteld dat hun

medewerkers de school hebben bezocht. Zij geven aan deze

de voorkeur boven de in hun bureaux opgeleiden.

De cursus duurt vier jaar, waarvan twee worden besteed

aan algemeene opleiding en twee aan speciale praktische vakopleiding.

Twee maal per jaar heeft een examen plaats ten

einde te beoordeelen of de cursisten in staat zijn de lessen

te volgen. In tijden van groote drukte aan de dagbladen

gingen de studenten daar soms uit noodhulpen.

Ook dr. Mc. Lean bezong den lof van de universitaire

opleiding, terwijl dr. Fish waarschuwde dat men de scholen

nog niet mag beoordeelen naar de Amerikaansche bladen

aangezien natuurlijk nog slechts een zeer klein gedeelte

van de in dienst zijnde redacteuren opleiding heeft gehad.

Het klinkt alles heel fraai maar uit het verslag van de

discussies in de vergadering van de Londensche journalisten

meen ik toch op te maken dat men niet diep onder den

indruk was van deze mededeling. De beteekenis daarvan

wordt ook wel verzwakt door de mededeeling dat de leeftijd

voor toelating tot de universitaire lessen op 16 jaar is gesteld.

Dit wijst, dunkt mij er op, dat men hier den fraaien naam

van universitaire opleiding geeft aan onderwijs dat in Europa

op veel lager niveau staat. Dit klopt volkomen met hetgeen

o. a. dr. Mourick Broeckman in zijn „De Yankee in denken

en doen" vertelt van de Amerikaansche universiteiten. Het

onderwijs aan die hoogescholen gaat niet veel verder dan

ons H. B. S. onderwijs, soms zelfs blijft het daar nog beneden.

Een der aanwezigen op de Londensche bijeenkomst maakte

de opmerking, dat men wel eens mocht beginnen met de

„studenten" aan de universitaire cursussen goed les te geven

in de Engelsche taal aangezien de kennis daarvan alles te

wenschen overliet. Dat gold niet alleen voor Amerika maar,

zij het in mindere mate ook voor Engeland.

Onder zeer vele mooie woorden en betuigingen- van hartelijken

dank aan de Amerikaansche geleerden, werd het

vraagstuk een eervolle begrafenis gegeven door cle aanneming

van een motie waarbij de wenschelijkheid werd uitgesproken,

dat The Institute of Journalists een commissie zal instellen,

die zal nagaan in hoeverre een universitaire opleiding zou

kunnen voldoen aan de eischen die het journalisten-vak stelt.

Op deze vergadering deelde de vertegenwoordiger vanden

Minister van Arbeid mede, dat de Minister voornemens was

gelden beschikbaar te stellen om jongelui die tengevolge van

den oorlog en den militairen dienst zeer waren belemmerd in

hun opleiding, te steunen bij het zich-voorbereiden voor andere

betrekkingen waaronder de Minister ook had gedacht aan

die van journalist. De Minister wenschte overleg met The

Institute bij de keuze van personen die voor zoodanigen steun

in aanmerking konden komen.

In het December-nummer van The Institute Journal •mass^

van bovenstaande mededeelingen zijn ontleend, vinden wij

ook nog eenige vak-aangelegenheden besproken. De lijst van

dagbladen die bereid zijn gevonden zich te schikken naar de

salans-indeeling bevat thans reeds 292 namen.

Men is thans begonnen met een onderzoek m te stellen

naar de honoraria die de „losse" medewerkers aan de bladen

ontvangen, ten einde ook voor deze personen een salarisverbetering

te krijgen.

Op verschillende vergaderingen werd er ernstig over

geklaagd dat de militaire censuur op de dagbladen nog steeds

niet is opgeheven, terwijl dit in alle andere landen der

Geassocieerden reeds het geval is. Men schijnt zeer ontevreden

over de wijze waarop die censuur in de oorlogsjaren is toegepast

en het ligt in de bedoeling zoodra ze is opgeheven

daarover eens een hartig woordje te spreken.

De Engelsche Koningin, die beschermvrouwe is van het

Weezenfonds van The Institute heeft een Kerstgave aan dat

fonds doen toekomen ten bedrage van 5 pond. Mrs

Lashmore, éen der vrouwelijke journalisten, die geregeld

melden tracht bijeen te zamelen voor dit fonds heeft in het

afgeloopen jaar weer 9 pond verzameld, in totaal met haar

vorige collectes een bedrag van 184 pond. Is dat met een

voorbeeld voor onze vrouwelijke collega's om, nu op 1 Maart

onze Weerstandskas in werking treedt, een algemeene inzameling

ten bate van deze kas te openen?

v. D. H.

Personalia en Berichten.

Binnenland:

Benoemingen.

Benoemd:

tot redacteur van het Nieuwsblad van het Zuiden de heer

R. EMICH, van de Nieuwe Schiedamsche Courant;

tot redacteur van de Limburger Koerier de heer JAC. VAN

DER PEIJL, van de Nieuwe Venlosche Courant;

tot redacteur van het orgaan der Roomsch-Katholieke Journalisten-Vereeniging,

de heer C. M. j. ALEVEN, secretaris der

vereeniging:

tot redacteur van het Leidsch Dagblad de heer H. MENK-

HORST, van het Nieuwsblad van het Noorden;

tot correspondent te Rotterdam, van de Nieuwe Courant

(met 1 Mei a.s.) de heer j. HOOGEWERF Jr., lid der redactie.

Buitenland:

— Een afvaardiging van journalisten uit Boedapest is

onlangs te Weenen aangekomen met een bezending levensmiddelen

voor hun collega's te Weenen. Een Hongaarsch

journalist hield in antwoord op een welkomstrede een toespraak,

waarin hij zeidè, dat het in verschillende neutrale en Duitsche

bladen verschenen bericht, dat Hongarije geen levensmiddelen

wil afstaan, ofschoon het beter voorzien was, kwaadwillige laster

was. Onder de oude regeering was het zenden van levensmiddelen

onmogelijk, nu echter heeft KAROLYI, de president

van de republiek, den uitvoer toegestaan en konden de leden

van de Hongaarsche journalistenvereeniging levensmiddelen,

die zij uit hun mond gespaard hadden, uitvoeren, 's Avonds

werd er een maaltijd van de journalisten gehouden, waaraan

ook leden van de regeering deelnamen.

Correspondentie.

AAN ALLEN: Denkt gij aan het Maandblad-fonds,

om den Redacteur in staat te stellen een behoorlijk

blad te maken?

Gij, die reeds nu van de salaris-actie hebt geprofiteerd,

moet er natuurlijk aan denken: een bijdrage

voor het Fonds is niets anders dan uw plicht.

Gij, die van de salaris-actie nog niet hebt geprofiteerd,

moet er natuurlijk ook aan denken, want gij

ZULT van de actie profiteeren.

Steunt daarom het Fonds.

Advertentiën.

Journalist=Statisticus.

Voor een jong Journalist, Statisticus,

eenigszins op de hoogte van financiën,

accuraat rekenaar, en met kennis van

balansen, enz. is een behoorlijk gesalarieerde

betrekking met goede vooruitzichten

vacant aan de

Nieuwe Financier en Kapitalist.

Brieven aan S. F. VAN OSS,

Noordeinde 23, Den Haag.

Gedrukt bij A. de la Mar Azn., Amsterdam.

More magazines by this user
Similar magazines