VERTROUWEN EN WAARDEERING

webstore.iisg.nl

VERTROUWEN EN WAARDEERING

NOVEMBER 1943

MAANDBLAD VOOR H

OFFICIEEL ORGAAN VAN HET PERS

2e JAARGANG - NUMMER 3

RS

B»NDSCHE PERSWEZEN

^NEDERLANDSCHE KULTUURKAMER

REDACTEUR: J. LEARBÜCH, J. P. COENSTRA AT 3, 's-GRAVENHAGE TEL. 720070

ADMINISTRATIE EN ADVERTENTIES: HEKELVELD 15, AMSTERDAM TEL. 38811

VERTROUWEN EN WAARDEERING

Noodzakelijk voor een goed functionneeren van

de organisatie van het Persgilde.

Een uitgever schreef een boozen brief aan de

Vakgroep Nieuwsbladen, omdat hem dringend

was verzocht nu eindelijk eens zijn oplagestaten

in te zenden. Aan den brief was overigens duidelijk

te bemerken, dat de aanmaning in kwestie

niet de oorzaak, doch slechts de aanleiding tot

's mans gramschap was geweest. Omdat hier echter

een blijkbaar rechtschapen man aan het

woo-d was en overigens ook in andere gevallen

vaak was gebleken, dat van het Persgilde uitgaande

maatregelen eenigen wrevel hadden verwekt,

kan het zeer zeker zin hebben op de oorzaken

daarvan eens dieper in te gaan en op het volkomen

onredelijke van bestaande misverstanden

eens te, wijzen.

De onderhavige „booze brief" bevatte in concreto

de vraag „Wat doet het Persgilde nu eigenlijk",

welke vraag in den geest kan worden aangevuld

met „behalve het zijn leden-lastig maken

met het toezenden van invulformulieren en staten

en het innen van contributie." Deze vraag beantwoorden

met den dooddoener „het behartigen van

de belangen der leden" zou den vrager en andere

geïnteresseerden allerminst tevreden stellen.

Laten wij dan eerst eens de bronnen van de

hier en daar bestaande ontevredenheid opzoeken.

Kunnen deze gelegen zijn in het feit van het bestaan

van de organisatie als zoodanig? Vanzelfsprekend

niet, want tenslotte is het Persgilde een

samenvoeging van enkele sedert jaren bestaande

vrijwillige organisaties geweest, n.1. „De Nederlandsche

Dagbladpers" en de „Provinciale en

Periodieke Pers". Zoo goed als alle uitgevers waren

bij deze vereenigingen aangesloten, niet omdat zij

van overheidswege gedwongen waren, doch omdat

zij overtuigd waren, dat het belang van allen het

beste gediend kan worden wanneer men zich aaneensluit.

De drang tot organiseeren heeft dus

steeds bestaan, doch, en dat is in dit verband wel

zeer voornaam, uitsluitend ter behartiging van

eigen belangen of, scherper nog uitgedrukt, ter

verdediging van de eigen belangen tegen die van

anderen.

Het Persgilde, organisatie en overheid tegelijkertijd,

ziet niet alle problemen enkel en uitsluitend

vanuit het enge egoïstische gezichtspunt. Het

behartigt de belangen van zijn leden, zoo goed als

de omstandigheden dat toelaten, waarover dadelijk

meer, doch het ziet daarbij ook het algemeen

belang en dientengevolge ook weer het belang van

anderen. Het is dus, wegens zijn tweeslachtige

positie, vaak gedwongen maatregelen te nemen,

v/elke voor de betrokkenen een minder aangenaam

karakter dragen. Dezen geven dan het Persgilde

„als organisatie" de schuld, terwijl zij, objectief

de maatregelen beschouwend, het Persgilde

„als overheid" hiervoor juist zouden moeten

prijzen. Daar en daar alleen schuilt de fout, al

werken natuurlijk de huidige omstandigheden er

allerminst toe mede, om sympathie te kweeken

voor de maatregelen treffende instanties, gezien

den aard van deze maatregelen in de meeste gevallen.

Was dan, zoo zal men vragen, het Persgilde uitsluitend

als overheid niet voldoende. Waarom dan

daarnaast nog eens de organisatie? Wel, omdat

het algemeene belang wel prevaleert, doch de

particuliere belangen daarnaast in elk geval ook

bestaan en ten volle recht van bestaan hebben.

Voor particuliere bedrijven of voor groepen van

bedrijven zijn er belangen, klein en groot, welke

behartigd moeten worden en, dat mag hier in alle

bescheidenheid worden gezegd, welke ook inderdaad

met volle toewijding door de ambtenaren

van het Persgilde worden voorgestaan.

Zij immers zijn, als vakmenschen, het beste in

staat om te helpen waar dat noodig is. Zij hebben

contact met alle mogelijke instanties en de uitgever,

die aan het Persgilde verzocht heeft zijn

bemiddeling te willen verleenen ter bereiking van

een gerechtvaardigd doel, heeft nimmer aan een

gesloten deur geklopt.

Er zouden tallooze gevallen met man en paard

kunnen worden genoemd, waarin de hulp van het

Persgilde van groote waarde is geweest, doch zou-

1


den daardoor diegenen, die zich niet geroepen

gevoelen of die geen aanleiding hebben om die

hulp in te roepen, van den waan, dat het Persgilde

een voor hen overbodige organisatie is, genezen

worden? Daardoor zou noodig zijn, dat zij

zich op een breeder standpunt plaatsen en dat zij

waardeering toonen voor het werk dat, zij het ook

niet voor hen persoonlijk, dan toch in het belang

van hun vakgenooten en collega's wordt verricht.

Elders in dit nummer van De Pers wordt een

nadere uiteenzetting gegeven van de motieven,

welke tot de invoering van den „bruto-oplagestop"

hebben geleid. Deze uiteenzetting past g£-

heel in het kader van wat hierboven is gezegd.

Het Persgilde, als overheid, heeft een maatregel

moeten nemen, welke voor sommigen onaangenaam

is, maar welke tevens in het belang van de

papierpositie dringend noodig was. Laten de uitgevers

toch in het Persgilde, als organisatie, zooveel

vertrouwen stellen, dat zij die maatregelen,

welke het, als overheid, neemt, kunnen waardeeren.

Zoodoende zullen ook degenen, die nu nog

alleen maar de donkere zijde zien, er toe kunnen

komen ook de lichtplekjes te vinden om daarvan,

ter verlichting van hun eigen zorgen, gebruik te

maken.

ADVERTENTIES

VOOR

De mededeelingen, welke de Presseabteilung

van het Rijkscommissariaat in den loop van de

maand October aan de bladen per telex heeft

doorgegeven over het adverteeren voor verboden

beroepen en zaken, hebben nogal wat deining veroorzaakt

op de advertentie-afdeelingen der

diverse bladen.

Dat is heel begrijpelijk, daar hier practisch gesproken

voor het eerst op groote schaal de recht»

streeksche medewerking van de bladen wordt geeischt

bij het tegengaan van overtredingen.

De bladen zijn dus nu ten volle verantwoordelijk

gesteld, niet slechts voor den letterlijken in»

houd der advertenties op dit gebied, doch ook

voor de bedoeling, welke de inzender heeft. En

zij schrikken voor deze verantwoordelijkheid

eenigszins terug, getuige de stroom van vragen,

welke aan het Persgilde worden gesteld, nu de

Presseabteilung dergelijke vragen nie't meer voorgelegd

wil hebben.

Deze angstvalligheid van de bladen is op velerlei

wijze te verklaren. Op de eerste plaats uit commercieel

oogpunt. Het is namelijk steeds gebruikelijk

geweest, zooveel mogelijk advertenties met

een zoo gevarieerd mogelijk karakter op te nemen.

Nu de ruimte zoo uiterst beperkt is, zou men

toch mogen verwachten, dat een gelegenheid om

advertenties om gegronde redenen te weigeren,

met beide handen zou worden aangegrepen. Mis!

Het komt herhaaldelijk voor, dat bladen, welke

een bepaalde twijfelachtige annonce hebben geweigerd

en deze wèl in een ander blad zien staan,

dit geval bij het Persgilde signaleeren. Wordt zulk

een blad dan gevraagd of het advertenties te kort

komt of dat het benadeeld is, dan blijft men het

antwoord schuldig.

Er is echter ook een andere verklaring voor de

houding van de advertentie-chefs. Zij zijn bang

zich „aan koud water te branden". Zij beroepen

zich daarom graag van geval tot geval op de een

of andere autoriteit, in casu het Persgilde, om

daardoor zelf buiten schot te blijven.

Deze houding is vanzelfsprekend geheel onjuist

en een aanleiding te meer voor het Persgilde om

zich zoo min mogelijk in details te verdiepen. Al

is het de taak van het Persgilde om de bladen

zooveel mogelijk van dienst te zijn, dan wil dit

VERBODEN

BEROEPEN

niet zeggen, dat de uitgevers of de advertentie»

chefs hun verantwoordelijkheid mogen of kunnen

dekken op een als advies uitgebrachte uitspraak

van het Persgilde. Men vraagt veelal aan het Persgilde

een interpretatie van de verordeningen van

den Rijkscommissaris of andere autoriteiten. Maar

aangezien het Persgilde de uitgever niet is, kan

het alleen door middel van het gezonde verstand

van zijn functionarissen advies geven. Op het

bezit van eenzelfde gezond verstand zullen de

advertentiechefs zich meestal ook willen verheugen.

Bovendien spelen plaatselijke omstandigheden,

welke in Den Haag niet beoordeeld kunnen

worden, een groote rol. Welnu: laten de

advertentiechefs allereerst zelf een oplossing

trachten te vinden. Het Persgilde blijft in onoplosbare,

concrete (géén theoretische) gevallen bereid

naar beste vermogen advies te geven.

De advertentie-chefs zijn nu eenmaal verantwoordelijk

en dus verplicht zelf de hun voorgelegde

advertenties naar beste weten te beoor»

deelen. Om dat „naar beste weten" gaat het hier

echter evenzeer. Er blijken namelijk heel wat

advertentie-chefs, die de onderhavige beschikking

van den Rijkscommissaris niet kennen. Het kan

daarom zijn nut hebben de voornaamste bepalingen

ervan hier even aan te halen.

In artikel I van deze beschikking wordt uitdrukkelijk

gestipuleerd, dat slechts oorlogs- of

levensnoodzakelijke bedrijven toegelaten zijn. De

niet als zoodanig te beschouwen bedrijven worden

bij bijzondere beschikking gesloten. In artikel

II geeft de beschikking vervolgens aan, welke bedrijven

terstond gesloten dienen te worden.

Het zijn:

1) luxe-restaurants:

2) bars;

3) nachtlokalen;

4) verhuurinrichtingen van toonzalen, in het bijzonder

toonzalen van automobielen, luxe»

porcelein of ceramiek;

5) reclame-ondernemingen;

6) kermisbedrijven;

7) paardrij-instituten en -scholen;

8) dansinstituten en -scholen;

9) in één artikel gespecialiseerde zaken, met in-


egrip van door rondtrekkende personen gedreven

zaken en den straat- en markthandel

van:

a) luxe-mode-artikelen;

b) zoetigheden;

c) parfumerie-artikelen;

d) juweelen, gouden en zilveren voorwerpen;

e) postzegels;

f) tapijten;

g) sportartikelen;

h) bontwerken;

i) muziekinstrumenten en gramofoons;

k) radio-artikelen;

1) schrijfmachines;

10) ambachtsbedrij ven van de volgende soorten:

a) schoonheidsinstituten, schoonheidsspecialisten,

met inbegrip van de zoogenaamde

schoonheidssalons;

b) fabricage van luxe-kleeding naar maat voor

dames en heeren;

c) plisseerinrichtingen;

d) juweliers, goud- en zilversmeden;

e) muziekinstrumentmakers;

f) fabrikanten van uithangborden, naamplaten

en lichtreclames, alsmede schilders van uithangborden

en naamplaten, ook wanneer

deze bedrijven door rondtrekkende personen

worden uitgeoefend.

Het bovenstaande geldt niet voor zoover:

1) de onder 9, f tot en met 1, en onder 10, e en

f, genoemde bedrijven zich in noemenswaardigen

omvang bezig houden met reparaties;

2) de onder 10 genoemde ambachtsbedrijven in

noemenswaardigen omvang andere dan de

genoemde bedrijfssoorten uitoefenen.

Vervolgens worden in artikel III de beroepen

opgesomd, welke vanaf den datum van ingang

van deze beschikking verboden zijn, te weten:

1) de werkzaamheid van handelsreizigers voor

wervingsdoeleinden, tot het afhalen van bestellingen

of tot het bezorgen van waren;

2) de als hoofdberoep uitgeoefende werving

voor verzekeringsmaatschappijen in den buitendienst

met uitzondering van de als nevenberoep

uitgeoefende wervingswerkzaamheid

van de met de incasseering, schaderegeling

of met het voorkomen van schade belaste

personen;

3) klantendienst ten opzichte van de verbruikers,

voor zoover deze uitsluitend bestaat in

het afhalen of bezorgen van waren; van het

verbod is uitgezonderd het bezorgen van

nieuwsbladen, melk, brood, aardappelen en

groenten, waschgoed, brandstoffen en groote

voorwerpen, zooals meubelen;

de burgemeester kan om bijzondere redenen

andere uitzonderingen toestaan;

4) aan de kappers andere werkzaamheden dan:

a) in de heerenafdeelingen:

haarknippen, hoofdwasschen, friseeren en

scheren;

b) in de damesafdeelingen:

haarknippen, hoofdwasschen en friseeren

(watergolven en onduleeren).

De beschikking geeft voorts nog aan, in welke

bedrijven de tewerkstelling van personen uit bepaalde

leeftijdsklassen verboden is, terwijl zij verder

de maatregelen ter uitvoering der bepalingen

noemt. Dit zijn echter zaken, welke voor de bladen

van minder belang zijn.

Zooals in de desbetreffende telex-mededeelingen

van de Presseabteilung reeds is gezegd, doen

de bladen het beste, in twijfelgevallen de advertenties

te weigeren. Het is in dit soort gevallen

beter een advertentie minder in de krant te hebben,

dan de kans te loopen op een bestraffing.

Mogen nu advertenties op dit gebied niet meer

aan het Persgilde worden voorgelegd om advies?

Natuurlijk wel, doch slechts in die gevallen,

waarin het blad op redelijke gronden twijfelt of

weigering, respectievelijk plaatsing, wel gerechtvaardigd

zou zijn.

De bladen doen wijs, indien zij hun vragen omschrijven,

d.w.z., dat zij aangeven, waarom zij

twijfelen. Begrijpelijkerwijs kan het Persgilde onmogelijk

alle omstandigheden van de adverteerders

uit een summieren advertentie-tekst aflezen.

Volledigheidshalve volgen hieronder nog de

over dit onderwerp uitgegeven mededeelingen van

de Presseabteilung:

1) De Presseabteilung van het Rijkscommissariaat

brengt nogmaals in herinnering, dat op de

dagelijksche persconferentie op 13 October

1943 door de officieele woordvoerders elke

twijfel is weggenomen omtrent de toelaatbaarheid

van advertenties, waarin personen voor

zoogenaamde verboden beroepen (als handelsreiziger)

worden gevraagd.

Plaatsing van dergelijke advertenties is verboden

en zal bestraft worden.

2) De Presseabteilung van het Rijkscommissariaat

wijst er de bladen op, dat zijzelf, aan de hand

der beschikking van den Rijkscommissaris betreffende

de sluiting van bedrijven van 15

Maart 1943 (verordeningenblad aflevering 11

van 15-3-'43) moeten uitmaken, welke bij hen

aangeboden advertenties voor vraag en aanbod

van werkkrachten geweigerd moeten worden.

Het heeft geen zin dergelijke advertenties ter

goedkeuring bij de Presseabteilung voor te leggen,

aangezien de beschikking van den Rijkscommissaris

meer dan voldoende aanwijzingen

geeft. In geval van twijfel weigere men dergelijke

advertenties.

3) De Presseabteilung van het Rijkscommissariaat

wijst er op, dat hoewel het in noot 2273 gegeven

verbod tot plaatsing van advertenties

van bij verordening van tien Rijkscommissaris

van 15 Maart tot sluiting aangewezen bedrijven

in eersten aanleg slechts advertenties voor

vraag en aanbod ven werkkrachten noemt,

daar het de bedoeling dezer verordening is

deze werkkrachten voor den arbeidsinzet vrij

te maken, deze aanwijzing tot sluiting mede tot

gevolg heeft, dat ook andere advertenties van

dergelijke, in deze verordening genoemde bedrijven,

dienen te vervallen. In het vervolg zijn

alle advertenties der onderhavige bedrijven dus

verboden.

3


DE ORGANISATIE VAN HET DUITSCHE

RECLAMEWEZEN

Rond tien jaar geleden, om juist te zijn, 12

September 1933, werd ingevolge het „Gesetz über

Wirtschaftswerbung" de „Werberat der deutschen

Wirtschaft" als publiekrechtelijk lichaam ingesteld.

Het tijdschrift „Wirtschaftswerbung" geeft naar

aanleiding hiervan een overzicht van de wijze,

waarop deze organisatie „in elkaar zit", van de

diverse vakgroepen en verbonden, welke er rechtstreeks

ondergeschikt aan zijn en van die, met

welke zij zijdelings bemoeienis heeft.

Een schematisch overzicht van de organisatie

van den „Werberat", uit Wirtschaftswerbung

overgenomen, is hierbij afgedrukt.

Het valt terstond op, dat de Werberat organisatorisch

rechtstreeks en uitsluitend aan het

„Reichsministerium für Volksaufklarung und Propaganda"

ohderhoorig is. Hij is dus niet direct,

doch slechts zijdelings gelieerd aan de Reichsgruppen

Industrie en Handel, namelijk voor zoover het

de belangen betreft, welke hij gemeenschappelijk

heeft met de Wirtschafsgruppe Druck en de Fach-

Reichsministerium

für Volksaufklarung und

Propaganda

Reichswirtschaftsministerium

/

y

Reichskulturkammer

Werberat

der deutschen Wirtschaft

I

I

Rcichsfilm

kammer

Retchïpresse

ka miner

f"

J

Reichskammef

der biidetiden

T

± ±_

ReichsausschuB

für volkswirtschaftliche

Aufklarung

GmbH.

Reichsgruppe

Industrie

Reichsgruppe

Handel

I

• Fachgruppe Gebrauchsgraphiker

Reichsfachschaft

Deutscher Werbefachleute

NSRDW - e.V.

I--I

Wirtschaftsgruppe Druck

Reichsverband

der deutschen Zeitungsverieger E.V.

Reichsverband

der deutschen Werbungsmittler

e.V.

M

Fachgruppe AuBenwerbung

Reichsverband

der

dtf_ischen Zeitschriften-Verleger e.V.

Verband

Deutscher Verkëhrsrektame-

Unternehmungen e.V.

Fachgruppe Anzeigenvertreter

Reichsverband

der Deutschen Lesezirkelbesitzer e.V.

Reichsverband

des Adrefi- und Anzeigenbuch-

Verlagsgewerbes

«--J

Fachuntergruppe Werbeartikel $>

Fachschaft der Verlagsangestellten

Fachgruppe Kultur und Werbefilrr

1

Reichsverband

der Werbungtreibenden e.V.

Fachgruppe Filmtheater

Reichsverband

der

Unternehmer für Lichtwerbung e.V.

Markenscfiutzverband e.V.

4


grappen Auszenwerbung, Anzeigenvertreter en

Werbe-artikel.

Eveneens bestaan er, zooals op het schema duidelijk

tot uitdrukking komt, zijdelingsche verbindingen

met diverse onderdeden van de Reichskulturkammer,

daar, waar beider gebieden elkander

raken. Op Persgebied is dit het geval met de

Fachgruppe Gebrauchsgraphiker, de Reichsverbande

der deutschen Zeitungsverleger und Zeitschriftenverleger

en de Fachschaft der Verlagsangestellten.

Dat de Werberat ook belangen heeft,

welke parallel loopen met die van de Fachgruppen

Kultur- und Werbefilm en Filmtheater is duidelijk.

Dit alles zijn echter slechts neven-belangen. Het

eigenlijke terrein van den Werberat is natuurlijk

dat, waarop de bij hem rechtstreeks aangesloten

organisaties werkzaam zijn. De grootste en omvangrijkste

van deze is de Reichsfachschaft Deutscher

Werbefachleute, welke de takken Industrie,

Verbruik en Verkeer omvat. Behalve dat deze

als beroepsstandsorganisatie de directe belangen

van de leden behartigt, ziet zij ook op het juiste

gebruik van de op haar gebied beschikbare werkkrachten

toe. Onder haar en dus ook onder den

Werberat ressorteeren de Werbefachschulen, die

voor een behoorlijke scholing van de toekomstige

reclamedeskundigen zorgen.

De taak van de overige, tot de werkingssfeer

van den Werberat behoorende organisaties: het

„Reichsverband der deutschen Werbungsmittler",

het „Verband Deutscher Verkehrsreklame-Unternehmungen"

en het „Reichsverband des Adreszund

Anzeigenbuch-Verlagsgewerbes", komt in

haar namen ten volle tot uitdrukking. Zij alle behartigen

de maatschappelijke en sociale belangen

van haar leden en werken voorts mede aan het

opstellen en uitvoeren van de door den Werberat

noodzakelijk geachte maatregelen.

Geheel afzonderlijk zijn in het schema nog verwerkt

het „Reichsverband der Werbungtreibenden"

(te vergelijken met den Nederlandschen

„Bond van Adverteerders"), het „Reichsverband

der Unternehmer für Lichtwerbung" en het „Markenschutzverband".

Deze vrijwillige organisaties,

hoewel organisatorisch volkomen onafhankelijk

van den Werberat, werken ten nauwste met hem

samen, daar aller doel: een zoo gezond mogelijk

reclame-wezen, hetzelfde is.

Censuur

In den herfsttijd van het democratisch

regiem in Nederland hebben

wij op velerlei gebied, niet

in de laatste plaats op dat van

de pers, een verval der eenmaal

zoo hooggeroemde vrijheid kunnen

waarnemen.

Artikel 7 van de oude liberale

grondwet bepaalde, dat niemand

voorafgaand verlof noodig had

om door de drukpers gedachten

of gevoelens te openbaren, behoudens

ieders verantwoordelijkheid

volgens de wet. Oogenschijnlijk

waarborgde dit artikel

de volstrekte vrijheid van drukpers.

Niets was echter minder

waar. Want wel sloot dit artikel

alle voorafgaande censuur uit,

maar het „venijn in den staart"

hield den wetgever de deur open

voor een onbeperkte kneveling

der vrijheid — onbeperkt, omdat

„ieders verantwoordelijkheid volgens

de wet", bij het ontbreken

eener behoorlijke perswetgeving,

nooit volkomen duidelijk kon

vaststaan.

Naar buiten toe — op het

schild van de grondwet — praalde

de liberale staat dus met de

vrijheid, achter dat schild ging de

uiterste willekeur der wetsinterpretatie

schuil.

Thans is dat schild omgekeerd.

De Europeesche vernieuwing, die

ook Nederland in haar ban

bracht, heeft voor het eerst in

Nederland den grondslag gelegd

voor een integrale perswetgeving,

die duidelijke voorschriften stelt

en daarenboven, achter die voorschriften,

bescherming verleent

aan allen, die in de pers werkzaam

zijn.

Bovendien heeft zij in de censuur

aan de pers een adviseerend

orgaan ter beschikking gesteld,

dat die bescherming regelt, dat

—• om een beeldspraak te gebruiken

— aan ieder achter haar beveiligend

schild de plaats van

zijn werkzaamheden aanwijst en

hem adviseert hoe deze werkzaamheden

in den geest van de

perswet en met het oog op geldende

omstandigheden en behoeften

te vervullen.

Hiermede zijn de aard en de

werkzaamheden der algemeene

censuur onder nationaal-socialistische

ordening bepaald, waarbij

dan terzijde wordt gelaten, dat

de huidige oorlogsomstandigheden

nog een andere censuur —

van militairen aard — noodzakelijk

maken.

Het is dus de taak der algemeene

censuur om, op grond van

de bestaande en zich voortdurend

door nieuwe aanwijzingen ontwikkelende

perswetgeving in den

ruimsten zin des woords, de pers

van advies te dienen. In haar

eigen belang en gelet op onvermijdelijke

strubbelingen in dezen

tijd van overgang is het inwinnen

van dit advies in bepaalde gevallen

dwingend voorgeschreven —

het zgn. „voorleggen". Deze voorleggingsplicht

maakt echter niet

het wezen van de censuur uit en

zal ongetwijfeld, naarmate de

pers haar taak beter gaat verstaan

en de plaats der censuur

beter leert begrijpen, zich wijzigen

in een voorleggingsrecht,

waarvan de bladen even gaarne

gebruik zullen maken als zij

thans, in sommige gevallen, uit

onbegrip den voorleggingsplicht

met tegenzin vervullen.

De plaats, door de algemeene

censuur, deze journalistieke

„Rechtsberatungsstelle" in de

wordende staatsorde ingenomen,

verschilt wel hemelsbreed van de

voorstellingen omtrent censuur,

welke in het liberale staatsrecht

rondspookte. Thorbeckes „gewrocht

der duisternis" heeft niets

gemeen met het subtiel afgestemde

bemiddelingsorgaan, dat de

hedendaagsche censuur vormt

tusschen den staat eenerzijds en

een zich van haar volksche plichten

bewuste pers aan den anderen

kant.

KIERDORFF.

5


Nieuwe en hernieuwde voorschriften

voor de nieuwsbladen

Bruto-oplage.

Met ingang van 1 November

1943 is de abonnementenstop vervallen

en is voor ieder blad bij

beschikking van den Leider van

het Persgilde een bruto-oplage

vastgesteld. Onder de bruto-oplage

dient te worden verstaan het

totaal aantal te drukken exemplaren

inclusief inschiet en misdruk.

De overwegingen, welke tot

dezen maatregel hebben geleid,

zijn voornamelijk de volgende:

Ten eerste de papiersituatie,

welke een oogenblik wel zeer

precair is geweest. De geruchten

in dezen zullen vele uitgevers van

dag- en nieuwsbladen al zeer verontrust

hebben. Gelukkig is het

onheil in zooverre afgewend, dat

voor de directe toekomst geen

ingrijpende maatregelen noodig

zijn; doch uiterste zuinigheid is

een hoofdvoorwaarde om deze

situatie te kunnen bestendigen.

De tweede overweging was, om

binnen het kader der nu eenmaal

noodzakelijke bezuiniging, den

bladen een zoo groot mogelijke

vrijheid te geven.

Wijzigingen bruto-oplage.

Door het vele voorbereidende

werk, hetwelk deze nieuwe regeling

vergde en daarmede samengaande

besprekingen, zijn de gemiddelde

cijfers over de maand

Juli van dit jaar gebruikt voor de

vaststelling der bruto-oplagen.

Het is een alleszins begrijpelijk

feit en het zou verkeerd zijn, als

het anders was, dat iedere uitgever

probeert zijn krant zoo

groot mogelijk te maken. Het

aangebrachte plafond laat, zooals

begrijpelijk is, geen ruimte voor

expansie. Als gevolg daarvan zal

er vanzelfsprekend worden gemopperd.

Even vanzelfsprekend

zal het Persgilde, waar, zooals bekend

is, alle aanvragen om wijziging

der bruto-oplage moeten

worden ingediend, in gevallen

van gerechtvaardigd beklag alles

probeeren om de toestemming

te verkrijgen van het Rijkscommissariaat

voor het aanbrengen

van de gewenschte correctie.

Alvorens een zoodanige aanvrage

bij het Persgilde in te dienen,

moet worden nagegaan,

welke argumenten men tot zijn

beschikking heeft en of deze inderdaad

steekhoudend zijn. Zakelijk

inzicht en gemeenschapszin

kunnen over dit laatste zeker

al uitsluitsel geven.

Zijn bij eventueele aanvragen

alle argumenten, welke tot inwilliging

van het verzoek kunnen

leiden, gevoegd, dan is het Persgilde

ook in staat, de belangen

der betreffende krant te behartigen,

terwijl veel tijd en moeite

voor het vragen om nadere toelichting

worden bespaard.

Lichtvaardig ingediende verzoeken

onder het motto: „neen

heb ik en ja kan ik wellicht krijgen"

leiden tot geen ander resultaat,

dan dat de werkzaamheden

van het Gilde onnoodig worden

verzwaard.

De Papiertoewijzing.

Deze wordt bepaald door de

bruto-oplage en het gewicht van

het aantal pagina's, hetwelk per

week mag worden gebruikt.

Propaganda-exemplaren.

Het gebruiken van exemplaren

voor propaganda blijft verboden.

Bij het bepalen der maximumbruto-oplagen

zijn bij kranten,

welke hiermede geen rekening

hielden, de daarvoor gebruikte

aantallen afgetrokken.

Het is n.1. principieel onjuist,

dat papier zou worden toegewezen,

hetwelk wordt gebezigd voor

doeleinden, welke niet zijn toegestaan.

Alleen voor propagandaexemplaren,

waarvoor de toestemming

van het Rijkscommissariaat

werd verkregen, wordt

papier toegewezen.

Het Oplageboek.

Het invullen van de oplagetabellen

geeft wel aanleiding tot

het maken van eenige opmerkingen.

Doordat dit invullen niet

steeds uniform geschiedt vergt

het controleeren van de tabellen

meer tijd, dan wel verantwoord

is, terwijl tevens allerlei misverstanden

met bijkomende moeilijkheden

kunnen ontstaan. Daarom

is het gewenscht, zoo noodig met

het volgende rekening te houden:

Kolom 2: „aantal betalende

abonné's".

Er zijn bladen, welke speciale

Zaterdag-abonné's hebben, waardoor

op dezen dag het aantal

abonné's dus hqoger is dan op

de andere verschijningsdagen, Het

is gewenscht deze aantallen ge-

> scheiden op te geven, dus des

Zaterdags bijv. 32186 + 748.

Kolom 9: „propaganda-exemplaren".

Deze kolom kan alleen worden

gebezigd, als toestemming is verkregen

voor het uitgeven van

propaganda-exemplaren.

Kolom 12: „aantal gedrukte

exemplaren".

Hier wordt ingevuld de zuivere

som der kolommen 5, 11 en 13,

eventueel kolom 15. Het aantal

inschiet en misdruk van kolom 13

moet dus in elk geval meegeteld

worden. Deze som duidt n.1. de

bruto-oplage aan.

Kolom 13: „Inschieten misdruk".

Onder deze kolom moet steeds

het aantal exemplaren worden

vermeld en dus niet het aantal

kilogrammen.

Kolom 15:

Daar het voorkomt, dat nog

andere exemplaren worden gedrukt,

dan die, welke op de tabel

zijn aangeduid, kan deze kolom

hiervoor worden benut.

Onderaan de tabel zal echter

steeds moeten worden vermeld,

voor welk doel de betreffende

exemplaren zijn gedrukt.

„Soort papier". Bovenaan de tabellen,

achter „soort papier",

moet tevens het gewicht per m 2

van het gebruikte papier worden

ingevuld. Dit laatste is van groot

belang met het oog op de papiertoewijzing.

Oplageboeken voor edities.

In punt 5 der nieuwe aanwijzingen

van het oplageboek wordt gesproken

over de gevallen, waarin

ook voor de edities een afzonderlijk

oplageboek moet worden bijgehouden.

In de gevallen, dat dit

noodig is, zendt het Persgilde

deze boeken toe, zoodat bij niet

ontvangen van de desbetreffende

oplageboeken geen invulling per

editie noodig is.

Tenslotte een goede raad om

bij het invullen der tabellen nimmer

te schatten, doch steeds

nauwkeurig de werkelijke aantallen

op te geven. Dit voorkomt

moeilijkheden. G.

6


JOURNALIST EN RECLAMEMAN

(Zie voor het eerste gedeelte van dit

ar tik e l het vorige nummer van De Pers)

Het gestadig doortambouren op een zeker thema

geeft, allen aanvankelijken weerstand ten spijt, een

zekere resonans bij het groote publiek. Er bestaat

een citaat, dat luidt „Die öffentliche Meinung lasst

sich definiëren als das Klappern der Bretter vor

den Köpfen", maar dat is door iemand geschreven,

die de massa wel heel erg laag taxeerde. Juist in

oorlogstijd bespeuren wij, hoe weinig ervoor

noodig is, om een gunstigen bodem voor een

zekere publieke opinie te kweeken. Ik heb er nooit

zoo heel veel waarde aan gehecht, als onze oude

couranten schreven: „Wij vertolken hier de

meening van tienduizenden lezers, als wij....

etc"! Dat is in mijn oogen altijd een schromelijke

overdrijving geweest. In werkelijkheid bleef men

evengoed open oor houden voor de opinie van de

tegenpartij. Met het zoogenaamde één lijn trekken

van redactie en lezerskring dienen wij een beetje

voorzichtig te zijn, alhoewel niet ontkend moet

worden, dat de „publieke opinie" in den regel niet

meer beteekent dan de drie of vier voornaamste

berichten in het avondblad van heden. Morgenmiddag

is diezelfde publieke opinie allang weer gewijzigd.

De macht van het gedrukte woord is wel

groot, maar wij moeten de beteekenis daarvan

toch weer niet overdrijven.

En nu is het typische van de zaak, dat zoowel

journalist als reclameman taken hebben, welke

voor een heel groot gedeelte parallel loopen.

Beiden zijn voorlichters van het publiek. Beiden

moeten betrouwbare, in elk geval gemakkelijk te

begrijpen informatie verstrekken over hetgeen er

in de wereld geschiedt.

Nieuwe vormen van advertenties.

Dat ook advertenties nieuws zijn, zal u duidelijk

blijken uit den vorm, den toon en het uiterlijk van

annonces in bijzondere tijden. Reeds tijdens de

mobilisatie kwam dit sterk tot uiting, terwijl men

nu nog eiken dag in de advertenties een weerspiegeling

van het tijdgebeuren kan zien^

„Voorlichtende" annonces zijn nu aan de orde van

den dag en d


De geneesmiddelen-controle

Het is zoo langzamerhand in de kringen van uitgevers,

adverteerders en advertentiebureaux wel

doorgedrongen, dat het met de controle van de

advertentiën op geneeskundig gebied niet erg vlot.

Men heeft terstond na 5 Augustus, den datum,

waarop de aanwijzing van den Gildeleider van

kracht werd, de advertentiën aan het Persgilde

voorgelegd en nu, ongeveer een maand na den

datum, waarop slechts goedgekeurde advertentiën

nog zouden mogen worden geplaatst, weet men

nog niet waar men aan toe is. Waaraan is dit wel

te wijten?

Toen de commissie met de controle begon, had

zij, zooals begrijpelijk is, voor zichzelf richtlijnen

voor de beoordeeling aangelegd. Deze richtlijnen

zouden echter te eeniger tijd, het liefst zoo spoedig

mogelijk, gepubliceerd moeten worden, opdat

adverteerders en advertentie-bureaux daarmede

bij de opstelling der teksten rekening zouden

kunnen houden. Het Persgilde heeft dan ook de

berichten van goed- en afkeuring, welke aan de

hand van deze richtlijnen zijn opgesteld, gereed

liggen, doch het kon deze moeilijk publiceeren,

zoolang de officieele goedkeuring op de richt*

lijnen, welke was aangevraagd, niet was verkregen.

Deze goedkeuring is nog altijd niet afgekomen.

Dientengevolge hangen de tot nu toe genomen

beslissingen ook nog in de lucht, hetgeen voor

geen der partijen prettig is, doch hetgeen genomen

moet worden gelijk het is.

Wat echter in deze overgangsperiode te doen,

zal men zich afvragen. Daarop is slechts één antwoord

mogelijk en wel: voorloopig doorgaan met

het plaatsen van advertentiën op geneeskundig

gebied, zonder goedkeuringsstempel van het Persgilde,

doch wel onder toezending van een afdruk

van eiken nieuwen tekst, hetgeen door den adverteerder

of door het advertentie-bureau dient

te geschieden. Dit wordt geregeld bij de in dit

nummer gepubliceerde aanwijzing van den Gildeleider.

Wellicht zijn er enkelen, die denken, dat nu het

hek van den dam is. Niets is echter minder waar.

Zij, die deze meening zijn toegedaan, hebben een

geheel onjuiste opvatting van de bedoeling, welke

bij het instellen van de controle heeft voorgezeten.

Zooals bekend, stelt het „advertentiebesluit

1942" ten aanzien van den inhoud der advertentiën

bepaalde eischen en men moet de controlecommissie

dan ook zien als een hulpmiddel voor

den advertentie-chef, om hem de beoordeeling van

de advertentieteksten te vergemakkelijken. Uiteindelijk

is en blijft hij echter de verantwoordelijke

man voor het advertentie-gedeelte en hij zal,

als hij niet over het advies van de contröle-com-

, missie kan beschikken, nog scherper dan voorheen

moeten opletten. Het is duidelijk, dat de

advertentie-chef onmogelijk kan uitmaken, of een

bepaald middel helpt tegen hoest, rheumatiek,

griep of andere ziekten. Het is echter wel duidelijk,

dat eenzelfde middel, op geheel dezelfde

wijze toegepast, bezwaarlijk afdoende kan helpen

tegen een aantal met name genoemde kwalen.

Wordt deze verwachting in een advertentie gewekt,

dan dient zij te worden afgekeurd. Advertenties,

waarin behandeling op een afstand

wordt gepropageerd of waarin onbevoegden

spreekuren aankondigen, zijn uit den booze. Het

is vrijwel algemeen bekend, dat tegen normalen

haaruitval geen kruid gewassen is. Advertenties,

waarin beweerd wordt, dat deze haaruitval wordt

genezen bij toepassing van een bepaald middel of

van een bepaalde methode, zijn bedriegelijk en

dienen dus als zoodanig te worden geweigerd.

De conclusie van het bovenstaande is, dat de

bladen voorloopig, geheel voor eigen verantwoording,

advertentiën voor geneesmiddelen en genees*

wijzen kunnen plaatsen, waarbij het Persgilde

echter gaarne bereid is van advies te dienen. De

afdeeling Lectoraat van het Persgilde zal echter

tevens nauwlettend toezien, ten einde uitwassen

terstond tegen te gaan, totdat de definitieve richtlijnen

zijn komen vast te staan.

(Vervol? van t>ng. 7)

propaganda vermag. De fabrikant zal dan niet

meer op losse schroeven gaan betoogen, dat dit

of dat artikel „het beste" is, zooals de „kapitalistische"

reclame in den simpelsten vorm betoogde.

Gebonden door nieuwe economische en ethische

voorschriften en in het kader van de nieuwe gedachte,

die publiek, handel en nijverheid zal bezielen,

zal dan ook de reclame nieuwe vormen aannemen.

Daarover zal ik gaarne eens in een volgend

artikel iets vertellen.

Tot besluit nog alleen dit:

De journalist moge in het verleden vaak gereede

aanleiding hebben gehad om de reclame te haten.

8

Thans en vooral in de naaste toekomst, dient hij

echter niet langer afzijdig te staan van dit uiterst

belangrijke onderdeel van het bedrijf, waar hij

werkzaam is. Tot mijn spijt moet ik het hier zeggen,

er zijn meer reclamemenschen, die zich verdiept

hebben in de journalistiek, dan journalisten,

die zich interesseeren voor reclame. Wellicht dat

eenige lezingen, die het Persgilde zou kunnen organiseeren,

de banden tusschen beide categorieën

nauwer zou aanhalen en dat wij niet langer „getrennt

marschieren", maar ons naast elkander zetten

aan ons beider verantwoordelijke taak: Correcte

voorlichting van het groote publiek.

W. N. v. d. SLUYS Jr.


S edert Mei van dit jaar is op

instigatie van een aantal uitgevers

de kwestie aan de orde, of

het niet noodzakelijk zou zijn een

algemeen bindend voorgeschreven

prijsverhooging voor de tijdschriften

s advertenties in te voeren,

zulks in verband met de

vérgaande inperkingen van omvang

en formaat en de daarmede

samenhangende vermindering der

advertentie-ruimte. Per circulaire

van 25 Mei 1943 werden de

belanghebbenden van de resultaten

van een enquête in beperkten

• kring en van een bespreking,

welke in overleg met het „Referat

Zeitschriften" van het Rijkscommissariaat

werd gearrangeerd,

in kennis gesteld. Door de

verscheidenheid der wijd uiteenloopende

belangen der onderscheidene

tijdschriften bleek het

onmogelijk een voor allen algemeen

geldende regeling vast te

stellen en bleef de wenschelijk»

heid bestaan, geval voor geval

afzonderlijk te behandelen.

In verband met de nadien nog

doorgevoerde bezuinigingsmaatregelen

werd de advertentie-prijsverhooging

in September van dit

jaar opnieuw aanhangig gemaakt.

Aangezien echter bleek, dat uitgevers,

die nog in Mei hun prijzen

gaarne hadden verhoogd,

thans geheel onverschillig hier

tegenover staan, omdat het inmiddels

tot een minimum gereduceerde

advertentie-volume het

effect van een verhooging geheel

teloor doet gaan, werd opnieuw

een enquête gehouden.

De vragenlijst omvatte niet

alleen het al dan niet gewenscht

zijn van een prijsverhooging,

maar moest tevens een inzicht

geven in het percentage, waarmede

de hoeveelheid adverten*

ties voor ieder periodiek afzonderlijk

sinds Mei 1940 was teruggebracht.

Ook het percentage,

waarmede men de prijzen

wenschte te verhoogen, werd gevraagd

en wel uitgedrukt in percenten

van den tariefsprijs voor

het kleinste jaarcontract op

1 Mei 1940, omdat de losse regelprijs

uit dien tijd een zeer dubieuze

maatstaf is om van uit te

gaan en omdat de verhoogingen,

welke voor diverse periodieken

nadien van kracht werden, op

deze wijze buiten beschouwing

zouden kunnen blijven.

Is een

algemeene

advertentieprijsverhooging

voor de

tijdschriften

gewenscht?

#

De enquête gaf een

duidelijk

antwoord

Behalve vragen betreffende het

advertentiegedeelte en een eventueele

prijsverhooging behandelde

de enquête nog (geheel hiervan

losstaand) de beperkingen, waaraan

ieder tijdschrift in het algemeen

sedert 1 Mei 1940 onder 5

worpen was geweest:

verkleining van de verschijningsfrequentie,

vermindering van

het aantal pagina's en de veranderingen,

welke ten aanzien van

het formaat en.de papiersoort in

het kader der papierbesparing

waren aangebracht. Dit heeft bij

227 tijdschriften tot niet onbelangrijke

uitkomsten geleid en

aangetoond op welke vaak ontstellende

wijze er is bezuinigd.

Er zijn periodieken, welke alleen

al op het aantal pagina's over de

90 pCt. werden ingekrompen;

van een uitgeversfirma werd het

totale papierverbruik van vóór

Mei 1940 op 1/13 teruggebracht!

Hoewel op zichzelf interessant,

zouden de binnengekomen gegevens

eerst practische waarde gekregen

hebben, indien de uitgevers

van de overige 203 ingeschreven

tijdschriften het enquêteformulier

eveneens hadden

ingezonden. Het eigenbelang

woog echter zwaarder dan de

moeite; een voor deze heeren

voldoende reden om het voor an»

deren te bederven, die het groote

gemeenschappelijke belang erwèl

van inzagen.

Van de 227 tijdschriften hadden

er 70 nimmer advertenties

opgenomen, terwijl 19 thans geen

annonces meer plaatsen. Verder

kwamen nog 7 periodieken niet

in aanmerking, omdat hierin

slechts zeer zelden advertenties

werden opgenomen.

Van de overige en in dit verband

dus van oelang zijnde 131

tijdschriften waren er slechts 47

waarvoor de uitgevers een advertentie-prijsverhooging

gewenscht

achtten. Het aantal uitgevers bedroeg

daarbij niet meer dan 28,

waarvan 23 beroepsuitgevers en

5 vereenigingen en stichtingen.

De periodieken behoorden niet

alle tot één categorie, hoewel het

grootste deel (nl. 32) als vakblad

kan worden beschouwd.

Het percentage, waarmede het

advertentievolume sedert Mei

1940 was ingekrompen, liep

zeer uiteen en varieerde tusschen

0 pCt. en 96,7 pCt, terwijl er

zelfs één tijdschrift bij was, hetwelk

100 pCt. advertenties meer

opnam dan vroeger en niettemin

voor een prijsverhooging in aanmerking

wenschte te komen.

Er bestond in het algemeen

dan ook niet het minste verband

tusschen de inkrimping en de

verlangde verhooging.

Ook de percentages, waarmede

men de advertentieprijzen gaarne

verhoogd zag, liepen zeer uiteen,

zooals uit het volgend staatje

wel blijkt.

Aantal

periodieken

1

1

1

1

2

5

2

1

13

1

2

17

Gewenscht

percentage

?

10

10—15

10—20

20

25

30

30—40

40

42

40—50

50

Uit deze enquête is duidelijk

gebleken, dat de opvatting, dat

een algemeen voorgeschreven advertentie-prijsverhooging

van de

lijdschriften gewenscht of zelfs

mogelijk zou zijn, onjuist is.

Tenslotte mag hier niet een

woord van dank ontbreken aan

hen, die door een nauwgezet be*

antwoorden van de vragen van

hun gewaardeerde medewerking

in dezen blijk hebben gegeven.

9


^^tams^^^

AANWIJZING VAN DEN

GILDELEIDER.

No. 15.

Betreffende het honorarium voor de

correspondenten van nieuwsbladen.

Vanaf 1 Januari 1944 geldt voor

de berekening van het honorarium

van de correspondenten van nieuws*

bladen de volgende regeling, welke is

goedgekeurd door den Gemachtigde

voor de Prijzen bij schrijven van

25 October 1943, No. 19244/PIM/P 257.

De bladen worden ingedeeld in

twee klassen:

KLASSE A: Algemeen Handels»

blad, De Arbeiderspers, Het Natios

nale Dagblad, Nieuwe Rotterdamsche

Courant, Het Nieuws van den Dag,

De Standaard, De Telegraaf en De

Tijd;

KLASSE B: alle andere dag: en

nieuwsbladen.

Wat de geplaatste copie betreft,

wordt een onderscheid gemaakt

tusschen:

1. eigen werk, dat wil zeggen:

alle werk, dat eenigermate creatief is:

artikelen beschouwingen, recensies

van muziek: en tooneeluitvoeringen,

tentoonstellingen, films, boeken enz.

met uitzondering van alles wat zuiver

verslaggevers=werk is;

2. belangrijke berichten en

verslagen, dat wil zeggen: alles

wat de waarde heeft van een „bins

nenlandje", dus ook de berichten, die

in de provinciale* en de streekbladen

als algemeen provincie; of streek:

nieuws worden opgenomen, alsmede

de berichten en verslagen, welke wors

den geplaatst in alle rubrieken buiten

het zuiver plaatselijke nieuws: sport,

onderwijs, kerknieuws, landbouw,

kunst, rechtszaken, financiën, handel

en nijverheid of economie, sociaal

leven, markten, enz.;

3. eenvoudige berichten en

verslagen, dat wil zeggen: copie

met de waarde van een locaal

nieuwtje, in den regel zuiver plaatse:

lijk nieuws, dat alleen in de plaats

zelve de aandacht verdient en terwille

van de lezers in die plaats wordt op:

genomen;

4. agenda's, dat wil zeggen: in:

gezonden mededeelingen, welke in

het redactioneele gedeelte der courant

worden opgenomen, ter aankondiging

van concerten, tentoonstellingen,

tooneelsuitvoeringen, film:vertoonin:

gen, jubilea enz.

KLASSE A:

HET TARIEF:

1. eigen werk: 10 cent per regel

met een minimum van f5.—;

2. belangrijke berichten en

verslagen: 6 cent per regel met

een minimum van ƒ 1.—, per bericht

of verslag;

3. eenvoudige berichten en

verslagen: 4 cent per regel met

een minimum van 60 cent per bericht

of verslag;

4. agendasberichten: van ten

hoogste vijf regels 20 cent per be:

richt, boven vijf regels 4 cent per

regel.

KLASSE B:

1. eigen werk: 6 cent per regel

met een minimum van ƒ 3.—;

2. belangrijke berichten en

verslagen: 4 cent per regel met

een minimum van 60 cent per bericht

of verslag;

3. eenvoudige berichten en

verslagen: 2 cent per regel met

een minimum van 30 cent per be:

richt of verslag;

4. agendasberichten: van ten

hoogste vijf regels 10 cent per bericht,

boven vijf regels 2 cent per regel.

Het tarief is gebaseerd op een

kolombreedte van tenminste 6 cm.

Voor bladen met een kolombreedte

van minder dan 6 cm kan de Gilde:

leider op aanvrage een naar ver:

houding afwijkend tarief toestaan.

VERGOEDING VAN ONKOSTEN

Alle onkosten voor het verkeer

tusschen correspondent/medewerker

en redactie (postzegels voor brieven,

telefoon) komen ten laste van den

uitgever van het blad.

'ssGravenhage, 11 November 1943.

No. 16.

De Gildeleider,

Mr. J. HUIJTS.

Betreffende het publiceeren van

huwelij ksadvertenties.

Het is den uitgevers van nieuws:

bladen vanaf 1 December 1943 vers

boden huwelij ks:advertenties op te

nemen, hetzij van particulieren, het=

zij van bemiddelingsbureaux, onges

acht of zij rechtstreeks of via advers

tentiesbureaux worden aangeboden,

tenzij de stellers van de advertenties

bij het blad bekend zijn.

'ssGravenhage, 18 November 1943.

De Gildeleider,

Mr. J. HUIJTS.

No. 17.

Betreffende het plaatsen van nieuws

jaarsadvertenties.

Het is den uitgevers van nieuws:

bladen en tijdschriften verboden ads

vertenties op te nemen, welke geluks

wenschen inhouden bij gelegenheid

van de jaarwisseling 1943—-1944.

'ssGravenhage, 18 November 1943.

De Gildeleider,

Mr. J. HUIJTS.

No. 18.

Betreffende de publicatie van advers

tentiën voor geneesmiddelen en ges

neeswijzen.

In afwijking van hetgeen is bepaald

in aanwijzing No. 13 d.d. 5 Augustus

1943 (gepubliceerd in „De Pers"

No. 12, Augustus 1943) wordt bes

paald:

1. De uitgevers van nieuwsbladen

en tijdschriften kunnen ook na

1 November 1943 advertentiën

voor geneesmiddelen of geneess

wijzen ter plaatsing aannemen,

zonder dat deze tevoren ter keus

ring aan het Persgilde zijn voors

gelegd.

2. De uitgevers van nieuwsbladen en

tijdschriften mogen uitsluitend die

advertentiën voor geneesmiddelen

en geneeswijzen publiceeren,

waarvan zij met redelijkheid kun:

nen aannemen, dat tevoren een

afdruk of copie hiervan door den

aanbieder aan het Persgilde is

ingezonden.

'ssGravenhage, 25 November 1943.

De Gildeleider,

w.g. Mr. J. HUIJTS.

VAKGROEP

NIEUWSBLADEN

De postverzending van de

nieuwsbladen

Onder de mededeelingen in het

Augustusnummer van „De Pers"

was een verzoek aan de bladen

opgenomen, om zich bij eventueele

klachten over de courantenverzending

door de Posterijen

niet tot vage algemeenheden te

beperken, doch deze met controleerbare

feiten te staven.

Op grond van enkele gegevens,

welke de Vakgroep naar aanleiding

van dezen oproep bereikten,

werd een en ander bij het Hoofdbestuur

der Posterijen aanhangig

gemaakt en een dezer dagen gaf

deze instantie in een uitvoerig

10


schrijven een overzicht van de

resultaten van het zeer consciëntieuze

onderzoek, waarvoor de

Posterijen alle lof toekomt.

Indien zich moeilijkheden voordoen

en de bezorging hier en

daar eens iets te wenschen overlaat,

diene men te bedenken, dat

de post onder de huidige omstandigheden

met groote moeilijkheden

ten aanzien van de personeelsbezetting

en het vervoer te

kampen heeft en al het mogelijke

wordt gedaan om den dienst een

zoo vlot mogelijk verloop te doen

hebben, waarbij vooral door de

directeuren der plattelandskantoren

bergen werk moeten worden

verzet.

Niettemin heeft het Hoofdbestuur

der P.T.T. bovendien een

rondschrijven aan de betrokken

dienstchefs gericht met het verzoek

op de regelmatige bestelling

van de bladen toe te zien en

het personeel met nadruk op het

belang van een prompte bezorging

van deze stukken te wijzen.

VAKGROEP

TIJDSCHRIFTEN

KERSTNUMMERS

De zeer slechte papiersituatie

laat het dit jaar niet toe, dat

voor speciale Kerstnummers of

voor uitbreiding van het aantal

pagina's van in de maand Des

cember verschijnende nummers

extra papier wordt verbruikt.

Verzoeken hiertoe hebben,

bij welke instantie dan ook

ingediend, geen zin en worden

zonder uitzondering afgewezen.

MAXIMUM ADVERTENTIE

FORMAAT VOOR DE

TIJDSCHRIFTEN.

Alle vroegere toestemmingen

voor advertenties over een heele

of een halve pagina ingetrokken.

Met ingang van 1 Januari 1944

wordt de bepaling, dat in tijdschriften

geen advertenties geplaatst

mogen worden grooter

dan I pagina (voor periodieken

grooter dan het formaat Din A 4,

i pagina) zonder uitzondering

van kracht.

Iedere, door welke instantie

dan ook tot dusver gegeven toestemming

tot het overschrijden

van dit formaat is met ingang

van dien datum ongeldig.

Uitgevers, die om bepaalde

redenen voor dispensatie in aanmerking

denken te komen, doen

het beste, zich ten spoedigste

hierover met de Vakgroep te

verstaan.

OPLAGEBOEKEN

INZENDEN

Er zijn nog enkele uitgevers,

die de omslagen van de in hun

bezit zijnde oplageboeken niet

hebben ingezonden, ten einde,

zooals in het vorige nummer van

„De Pers" reeds werd medegedeeld,

de op den binnenkant vermelde

z.g. voorwaarden te doen

veranderen. Hun wordt verzocht,

dit alsnog ten spoedigste te doen.

DEPARTEMENT VAN VOLKSVOORLICHTING EN KUNSTEN

Besluit no. 3 van den Secretaris-Generaal van het

Departement van Volksvoorlichting en Kunsten,

houdende nadere voorschriften betreffende het

plaatsen van advertenties in nieuwsbladen en tijdschriften.

Op grond van artikel 5 van het besluit van den

Secretaris-Generaal van het Departement van

Volksvoorlichting en Kunsten betreffende het

plaatsen van advertenties in nieuwsbladen en tijdschriften

(Nederlandsche Staatscourant 1942, no.

129) en in overeenstemming met de §§ 2 en 3 der

Verordening No. 3/1940 van den Rijkscommissaris

voor het bezette Nederlandsche gebied wordt

bepaald:

Artikel 1.

1. Het opnemen van advertenties en mededeelingen

op tandheelkundig gebied in dagbladen,

nieuwsbladen en tijdschriften is verboden.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet

toepassing op:

van

a. aankondigingen van vestiging en herhaling

hiervan zesmaal gedurende de eerste drie maanden

daarna;

b. aankondigingen van afwezigheid of ontstentenis

eenmaal en herroeping daarvan eenmaal,

doch hoogstens driemaal per jaar.

Afwijking hiervan is slechts geoorloofd na verkregen

toestemming van den president van de

Nederlandsche Tandartsenkamer;

c. advertenties of mededeelingen, waarvoor de

schriftelijke toestemming van den president van

de Nederlandsche Tandartsenkamer verkregen is.

Artikel 2.

Dit besluit treedt in werking op den dag, volgende

op dien van de afkondiging in de Nederlandsche

Staatscourant.

's-Gravenhage, 15 November 1943.

De Secretaris-Generaal,

DE RANITZ, wnd.

CARTONNAGEFABRIEK

„HESKON"

Ruyschstraat 85-87 - Tel. 51110 - A'dam

Alle soorten verpakkingen, zoowel luxe als gewone

Nederlandsche Uitgeverij zoekt ter overname:

Tijdschriften op elk gebied.

Geheimhouding verzocht en verzekerd. Aanbiedingen

onder No.ioi8g2, aan Adv. Bureau BOLREK,

Amsterdam-C.

11


Vlugger verzending van Periodieken

DEN HAAG

Enveloppen- en Kantoorboekenfabriek

Papier- en sch rijt war eng root handel

Wij zijn speciaal ingericht voor het

drukken van periodieken,

hebben een ruime gelegenheid voor postexpeditie,

terwijl door de ligging van Zeist in

het centrum des lands een snelle postbestelling

en andere expeditie gewaarborgd wordt

DRUKKERIJ VAN LÏIIIIIZEI - ZEIST

MONTAUBANSTRAAT 13 - TEL. K 3404/2441

Een met de meest moderne machines uitgeruste

Reparatiewerkplaats

staat, onder leiding van

voortreffelijk geschoold personeel

teJi beteMMJunty u-cui on^e apv&nteAA

tot het repareeren van alle soorten

MAG - LACfl

grafische machines.

Prins Hendrikkade 34 - Amsterdam

De naam Milo roept associaties op aan klassieke schoonheid;

de Venus van Milo. De letter die Milo heet, mag dan niet

klassiek zijn - haar schoonheid heeft duizenden grafische fijnproevers

en ook het lezend publiek in haar ban gevangen.

S P R I N G E R S

MULLER N.V.

AMSTERDAM, Warmoesstraat 2-4-6-8

P 1086 4 Verantwoordelijk redacteur: 1. Learbuch te 's,Gravenhage. Verantwoordelijk voor de advertenties: A. H. Lammers te Amsterdam.

Uitlever en drukker- N V. De Arbeiderspers te Amsterdam. K 113. Verschijnt eenmaal per maand. Abonnementspms f 5.- per jaar.

Prijs per nummer f 0.60.

More magazines by this user
Similar magazines