ejournalist

webstore.iisg.nl

ejournalist

ejournalist

1ste Jaargang No. 3 — November 1946

Redadie: Mr. E. Elias - Y. Foppema

MAANDBLAD, ORGAAN VAN DEN NEDERLANDSCHEN

JOURNALIST ENKRING

MET VOLLE KRACHT VOORUIT

Het zou geenszins verwonderlijk zijn, indien sommige

leden zich zouden afvragen, hoe het thans met de zaken

van den N.J.K. gesteld is. Behalve incidenteel en natuurlijk

met te vergeten, door De Journalist, is de Krinc nog

met naar buiten opgetreden. Het Bestuur erkent ten° volle

het recht der leden om deze en dergelijke vragen te stellen.

Zijnerzijds mag het echter de aandacht van de leden

vragen voor de moeilijkheden, waarvoor het zich bij den

opbouw van den Kring gesteld zag. Daarenboven moet m

aanmerking worden genomen, dat veel van het werk dat

de Kring m het volle licht van de openbaarheid zal brengen,

moet wachten totdat de Federatie van Nederlandsche

Journalisten gestalte zal hebben gekregen.

In de vergadering van den Kringraad, waarvan elders

m dit nummer verslag wordt gedaan, ben ik dieper in

deze moeilijkheden getreden. Ik kon echter tevens opmerken,

dat de eerste phase, die van den opbouw binnenkort

haar afsluiting zal vinden en dat de tweede

phase, die van de eerste functionneering, zich reeds heeft

aangekondigd in de eerste vergadering van de contactcommissie,

waarin de N.D.P., de K.N.J.K. en de NJK

(naderhand de Federatie) vertegenwoordigd zijn

Het werk van den Kring is op de oprichtingsvergadering

begonnen met het leggen van de grondslagen van

het journalistenhuis. De oprichting van de katholieke

organisatie beteekende het leggen van een fundeering op

een aangrenzend terrein. Het optrekken van beide gebouwen

is thans in gang en binnenkort zullen zij hecht

verbonden worden en in de overkoepeling van de Federatie

naar buiten toe de nauwe samenwerking demonstreeren.

In de komende algemeene vergaderingen van beide

organisaties zullen het buitenwerk en een. flink deel van

het binnenwerk van deze gemeenschappelijke constructie

worden voltooid. De statutenwijziging en het vaststellen

van de Federatiestatuten en het Huishoudelijk Reglement

zullen voor den N.J.K. dit feit markeeren. Tevens zullen

in het gebouw van onzen Kring reeds enkele kamers

worden ingericht; voorstellen zullen n.1. worden ingediend

om tot instelling van de sectie van hoofdredacteuren,

van een sectie van protestant-christelijke journalisten

en van een. sectie sportjournalisten over te gaan

Spoedig hopen we daarna het Federatiesecretariaat te

stichten en op gang te krijgen. Aldus is dan het kader

geschapen, waarbinnen de georganiseerde journalistiek,

haar maatschappelijke taak zal gaan verrichten.

Deze taak is zoo omvangrijk, dat het noodzakelijk is

een rangorde op te stellen, waarin de onderscheidene

zaken in behandeling zullen worden genomen. Van overheerschende

beteekenis is het scheppen van orde in den

salarischoas, welke thans heerscht en welke voortvloeit

uit den wilden groei van het perswezen na de bevrijding.

De onderhandelingen over het afsluiten van een collectieve

arbeidsovereenkomst, welke den journalisten de

mateneele erkenning van hun belangrijke maatschappelijke

functie moet brengen, zullen beginnen. De onderhandelmgscommissie

zal tevens haar bemiddeling verleenen

bij het totstandbrengen van een noodvoorziening

voor die collega's, die in eenzelfde functie als vóór den

oorlog werkzaam, geen of geen voldoende verhooging van

hun vroegere salaris hebben genoten. Teneinde niet

vooruit te loopen op den inhoud van de tot stand te

brengen collectieve arbeidsovereenkomst oordeelde de

contactcommisie het de beste tactiek niet door een formeele

regeling, doch door incidenteel optreden in de

allerergste nooden te voorzien.

Aan het probleem der vakopleiding, dat eerst in vollen

omvang kan worden behandeld zoodra de salarisonderhandelingen

zijn ofgesloten, werd door de contactcommissie

eveneens aandacht geschonken; te dezer zake wordt

verwezen naar een beschouwing elders in dit nummer

. De kwestie van de representatie zoowel voor de individueele

journalisten en bladen als voor het georganiseerde

perswezen is eveneens een onderwerp, dat in behandeling

is genomen. Daartoe is uiteraard overleg met

de bevoegde autoriteiten noodzakelijk; de door de samenwerkende

organisaties vast te stellen representatieregeling,

daarbij inbegrepen de uitreiking van een

nationale perskaart en de landelijke erkenning van

plaatselijke persboutons, heeft aleen effect, indien de

overheidsinstanties, waarmede de pers regelmatig in

aanraking komt, zich met zulk een regeling kunnen vereenigen.

Tenslotte beraden de besturen van K.N.JK en NJK

zich over de spoedige instelling van een Federatieluchtraad.

Wellicht zal het mogelijk zijn daaromtrent

m de komende algemeene vergadering reeds definitieve

mededeelmgen te doen en de benoeming van de leden

orde te stellen.

en plaatsvervangende leden van dit college aan de

Het vorenstaande toont duidelijk aan, dat de oogmerken

welke de oprichters van de journalistenorganisaties

hebben gehad, inderdaad verwezenlijking gaan

vinden. Meer dan een begin is dit echter niet. Voordat

alle gestelde doeleinden bereikt eijn, zal er nog zeer veel

werk moeten worden verzet. Het bestuur, dat overigens

na een jaar volgens de statutaire regels zijn zetels

ter beschikking stelt, is bereid zich voor het welslagen

yan den begonnen arbeid ook in de komende maanden

te volle m te zetten, zoo dat het in Mei van het volgende

jaar de verantwoording over zijn beleid niet behoeft te

schuwen. Het bestuur kan echter niet alles doen om de

positie van den Kring, welke hij behoort in te nemen,

te vestigen en voortdurend te verstevigen. Daartoe is de

actieve medewerking van de overgroote meerderheid der

leden onontbeerlijk. Zij moeten door hun belangstelling

het werk van den Kring dragen en hun vereeniging

schragen. Het is onvermijdelijk, dat hiervoor offers

moeten worden gebracht, offers in geld en in tijd.

In dit verband mag ik wel een dringend beroep doen

1


HET MEEST NOODIGE

ren in het openbaar; rechtszittingen worden met open

deuren gehouden; maatschappelijke organen doen thans

meer dan ooit een publiek beroep op medewerking en

samenwerking. Niet de publieke tribunes, slechts door

enkelen bezocht, verzekeren echter de gewenschte en

noodzakelijke openbaarheid. Neen, het is de pers, die in

den lande moet uitdragen, wat zich op staatkundig, maatschappelijk

en cultureel terrein afspeelt. Wat komt daarvan

onder de tegenwoordige omstandigheden terecht? De

kranten zien zich genoodzaakt op journalistiek eigenlijk

niet verantwoorde wijze, kamerverslag en kameroverzicht

te combineeren, zoodat informatie en commentaar op voor

het publiek verwarrende wijze dooreenloopen. De rubriek

Rechtszaken is ineengeschrompeld tot, een reeks summiere

berichten, welke aan de merites van de onderscheidene

zaken in het geheel geen recht doet wedervaren. Is het

niet teekenend voor de onbevredigende situatie van het

oogenblik, dat van de belangrijkste rechtszaak-Kief het

weekblad De Vlam zich geroepen achtte een uitvoerig

objectief verslag te publiceeren, dat vóór den oorlog in

elk dagblad van eenige beteekenis zou zijn opgenomen

geweest? En wat kan er van de herleving van ons maatschappelijk

en cultureel organisatiewezen in de krant

van heden worden teruggevonden?

Deze diagnose brengt een ernstig ziektegeval aan het

licht. Ons volk lijdt onder geestelijke avitaminose en

allerlei afwijkingen zijn daarvan hèt gevolg. Het gerucht,

de roddelpraat, zij kunnen hoogtij vieren, omdat zij niet

in een degelijke, uitvoerige nieuwsvoorziening der dagbladen

een tegenwicht vinden. Sociale spanningen worden

verscherpt, omdat de kennis van allerlei feiten en omstandigheden

in onvoldoende mate tot de massa des volks

kan doordringen. In zijn intreerede heeft de onlangs

benoemde Groningsche hoogleeraar prof. dr. P. J. Bouman

te dezen aanzien behartigenswaardige opmerkingen

gemaakt.

Overweging van dit alles voert tot de conclusie, dat de

regeering schromelijk is tekort geschoten in haar plicht

om na de 'bevrijding de papiervoorziening op zoodanig

peil te brengen, dat althans in de allerdringendste behoeften

aan vrije voorlichting kan worden voorzien. Al

schijnt het een preek voor eigen parochie toch mag de

pers niet aflaten in haar aandrang op de regeering om

binnen den kortst mogelijken tijd in de tekorten te

voorzien. Niet ten onrechte gaf Sir Walter Layton, voorzitter

van de Engelsche verdeelingscommissie voor krantenpapier,

aan zijn dezer dagen verschenen brochure den

titel: „Krantenpapier, een vraagstuk van democratie".

Oplossing van dit probleem is thans het meestnoodige!

M. R.

Dezer dagen is de Engelsche pers verblijd niet een verbetering

van de papiervoorziening, welke zoowel een uitbreiding

van den omvang als een opheffing van de z.g.

oplagestop mogelijk maakt. De uitbreiding komt neer op

een toevoeging van twee pagina's of een half blad groot

formaat op drie dagen van de week voor de dagbladen,

, die tot dusver vier groote pagina's per editie telden. De

Times zal voortaan dagelijks 10 (groote) pagina's en zoo

nu en dan een editie van 12 (groote) bladzijden geven.

Voor ons, Nederlandsche journalisten, schijnt deze uitbreiding

een dorado te openen. Moeten wij het, zelfs na

de vergrooting van den omvang sinds November niet

maar stellen met vier (groote) bladzijden?

Wij zijn geneigd, elke vergrooting van den omvang

met een gevoel van opluchting te begroeten. De

critische opmerkingen, welke onze Engelsche collega's

ten beste geven in hun commentaren op de jongste verbetering

mogen ons echter leeren, dat elke verruiming

slechts tijdelijk soelaas verschaft, zoolang de totale omvang

der dagbladen blijft beneden dien van vóór den

oorlog. „Wat beteekent vrijheid in een dagblad van vier

(soms zes) pagina's?" vraagt de Daily Express. „Kranten

van zes bladzijden", aldus de News Chronicle, geven gelegenheid

tot opneming van iets uitvoeriger verslagen van

het parlement; een beetje meer „background" van internationale

zaken. De cricket-enthousiast zal zelfs in. staat

zijn de uitslagenlijst zonder vergrootglas te lezen." Het

blad voegt daaraan toe: „Weinigen zullen ontkennen, dat

het publiek van een land, welks verantwoordelijkheden in

de wereld voor die van niemand onderdoen, niet kan

* verwachten behoorlijk te worden ingelicht, voordat zijn

kranten ten minste acht bladzijden daags tellen."

Met deze opmerkingen wordt de spijker op den kop geslagen.

Een pers, die niet over voldoende papier beschikt,

kan haar taak niet naar behooren verrichten. En de persvrijheid,

waarvan wegens gebrek aan materiëele middelen

slechts een beperkt gebruik kan worden gemaakt, heeft

dientengevolge slechts betrekkelijke waarde.

De critiek, welke de Engelsche bladen laten hooren,

geldt a fortiori voor ons land, dat op het oogenblik van

alle beschaafde landen ter wereld de kleinste krantjes

bezit. En zulks terwijl omtrent de nationale en internationale

vraagstukken inlichting en voorlichting moet

worden gegeven in een mate, welke die van vóór den

oorlog verre te boven gaat.

Dit gebrek aan informatie en commentaar houdt ernstige

gevaren voor de juiste werking van ons staatsbestel

in. Het kenmerk daarvan is, dat de vervulling van elke

publieke functie zich oplost in verantwoordelijkheden,'

welke in het openbaar geldend kunnen worden gemaakt.

Onze openbare vertegenwoordigende lichamen vergadeop

alle leden om zich hun plicht tegenover de organisatie

ten volle bewust te zijn. De mate, waarin de georganiseerde

journalistiek zich bij de totstandkoming

van een ordening van het perswezen en bij de uitvoering

daarvan zal kunnen doen gelden, is rechtstreeks

afhankelijk van de kracht, welke de journalistenvereenigingen

ontwikkelen. Deze kracht is des te grooter

naarmate zij een betere representatie van de journalistiek

in al haar geledingen vormen. Wanneer een belangrijke

groep, met name die der leidende journalisten,

aan den kant zou blijven staan, zouden de N.J.K. en

K.N.J.K. niet den invloed kunnen oefenen, welke aan de

andere organisaties in het perswezen, welke wel alle of

de overgroote meerderheid der bedrijfsgenooten vertegenwoordigen,

zal toevallen.

De offers, welke van de hierbedoelde groep journalisten

worden gevraagd, zijn in zooverre grooter dan die

van de overigen, dat de progressieve regeling der contributie,

welke zal worden voorgesteld, van hen een hoogere

bijdrage voor het Kringwerk vergt. Maar zij zullen de

lasten van den arbeid ten behoeve van de toekomst van

de pers toch niet uitsluitend door de anderen mogen

laten dragen.

Het komt er thans op aan, dat alle journalisten naast

elkander staan om de journalistenvereenigingen zoo

sterk en representatief mogelijk te maken. Slechts op

deze wijze consolideeren we de positie van de journalistiek,

voorwaarde om met volle kracht vooruit te koersen,

de toekomst tegemoet.

M. R.

2


Is de Journalisten-zuivering

doelmatig?

Mr. G. B. J. Hiltermann schrijft ons:

Tribunalen, bijzondere gerechtshoven en zuiveringscommissie

maken ruim gebruik van de mogelijkheid om als

straf of maatregel aan bepaalde Nederlanders het recht

te ontzeggen zeker ambt of beroep uit te oefenen. Hiertegen

bestaat — eventueele bezwaren tegen de formuleering

van het stuk staatsnoodrecht, dat deze organen en

haar bevoegdheid omschrijft terzijde gelaten — géén

bezwaar. Vrijheid van beroep of bedrijf is in ons staatsrecht

nergens expressis verbis omschreven en ons Wetboek

van Strafrecht kende reeds vóór 1940 de ontzetting

van het recht een bepaald beroep uit te oefenen als

bijkomende straf.

In de grondwet is echter uitdrukkelijk gestipuleerd, dat

niemand voorafgaand verlof noodig heeft om door de

drukpers gedachten of gevoelens te openbaren (art. 7).

Indien het Tijdelijk Persbesluit 1945 met „het recht om

bij een dagbladonderneming in journalistieke functie

werkzaam te zijn" tevens bedoeld het recht om gedachten

of gevoelens door de drukpers te openbaren, komt het in

strijd met de grondwet, wanneer het de Perszuiveringscommissie

toestaat iemand dat recht te ontnemen. Aangezien

ook bij de makers van staatsnoodrecht bekendheid

met en eerbied voor de grondwet dient te worden aangenomen,

zou de veronderstelling voor de hand liggen, dat

zgn. „uitgesloten journalisten" de journalistiek derhalve

niet beroepsmatig mogen uitoefenen, maar dat het hun

nimmer verboden kan zijn „gevoelens of gedachten door

de drukpers te openbaren".

Dit is zonderling.

Niet minder zonderling is het alternatief.

Indien een ontzetting van het recht om in een journalistieke

functie werkzaam te zijn tevens ontzetting van

het bij art. 7 Grondwet gewaarborgde recht gevoelens en

gedachten door de drukpers te openbaren inhoudt, is het

Tijdelijk Persbesluit 1945 in strijd met de Grondwet.

Den rechter is echter de macht de wet aan de Grondwet

te toetsen ontzegd; de advocaat-generaal bil den

Hoogen Raad heeft zoojuist geconcludeerd, dat ook het

toetsingsrecht van staatsnoodrecht aan de grondwet den

rechter niet toekomt. Zoolang het Tijdelijk Persbesluit

1945 dus bestaat, is het wel is waar in strijd met de grondwet,

maar daarom niet minder wet. Eens zal het echter

verdwijnen. Het dient reeds 1 Januari 1947 te worden

vervangen. Door een wet. Dit moet omdat Staatsnoodrecht

tenslotte eenmaal ophouden moet te bestaan.

Het Tijdelijk Persbesluit 1945 kan echter nooit worden

vervangen door een wet, waarmee sommigen Nederlanders

het recht ontzegd kan worden gevoelens en gedachten

door de drukpers te openbaren, aangezien ministers en

leden der Staten-Generaal door een eed aan de Grondwet

gebonden zijn. Derhalve zou, indien de laatste opvatting

juist is, na afloop van de geldigheid van 't Tijlelijk

Persbesluit nooit meer een journalist (of wie dan ook)

het publiceeren verboden kunnen worden, terwijl zoodanigen

verboden op grond van het met de Grondwet strijdende

Persbesluit een zeer onzeker lot wacht.

Het wil mij voorkomen, dat ook thans nog te veel over

het hoofd wordt gezien, dat journalisten voor hun houding

tijdens den bezettingstijd uitsluitend strafrechtelijk

vervolgd kunnen worden en dat hun nimmer op grond

van een onjuiste houding, door de overheid het recht om

te publiceeren kan worden ontnomen, tenzij het grondwettelijke

recht der z.g. drukpersvrijheid uitdrukkelijk

wordt afgeschaft. Dit zal spoedig met onaangename duidelijkheid

blijken, tot groote verwarring aanleiding geven

en aan de journalistenzuivering iedere doelmatigheid

ontnemen.

Ik zou daarom de N.J.K. in overweging willen geven

een commissie van journalisten (w.o. enkele juristen in

de journalistiek) en eenige bekwame juristen buiten de

journalistiek uit de noodigen over dit vraagstuk een

duidelijke uiteenzetting op te stellen.

ff PERSVRIJHEID" IN INDIE

N.a.V. de rede van dr. Van Mook te

Pangkalpinang, waarin deze o.m. naar

voren bracht, dat de regeering een

vrije meeningsuiting wenschte te bevorderen,

doch een „enkele maal had

ingegrepen t.a.v. een dagblad, dat haast

systematisch een redactie voerde, die

gericht was tegen het regeeringsbeleid",

schrijft „Het Dagblad" te Batavia

in een hoofdartikel o.m.:, „Het

is evident, dat dr. Van Mook hiermede

„Het Dagblad" te Batavia bedoelde.

Het conflict tusschen de regeering

en ons blad, dat destijds onder

hoofdredactie van den heer W. Be-

Ion je stond, is ontstaan, doordat de

laatste zich scherpe critiek op het

algemeene regeeringsbeleid veroor-'

loofde. Deze was echter niet scherper

dan in vrijwel alle Indon. bladen en

een deel van de pers in het moederland

aangetroffen werd en wordt."

Releveerend, dat na de capitulatie

de regeering tegemoet is gekomen aan

de kosten van het herstel der dagbladpers,

welke groote materieele schade

geleden had, schrijft het blad verder,

dat de critiek van „Het Dagblad" de

regeering niet beviel en dat de laatste

daaraan een einde wilde maken door

gebruik te maken van de materieele

banden, die het blad aan haar bonden.

„De R.V.D. zinspeelde er zeer duidelijk

op dat, indien de heer Belonje

niet heenging, de regeering wel middelen

zou vinden om uitgifte van het

orgaan onmogelijk te maken. Zulk een

optreden van de overheid verwerpen

wij ten eenen male als volstrekt ondemocratisch."

„Waar wij de republiek steeds voorhouden,

dat een moderne staat met

een zelfstandig bestaan den toets der

democratische normen moet kunnen

doorstaan, heeft de regeering zich verre

te houden van methoden als de

R.V.D. klaarblijkelijk wilde toepassen.

Wij kunnen dit niet anders zien dan

als een positieve poging om de persvrijheid

te beknotten."

Het blad verklaart bereid te zijn tot

volledige medewerking, doch behoudt

zich het grondrecht van critiek voor.

Mocht de regeering meenen, dat de

grenzen van bepaalde normen overschreden

worden, dan dient zij het

laatste woord aan de justitie te geven.

„Dan kan nooit iemand haar verwijten

de persvrijheid geschonden te

hebben."

(Nieuwe Courant - 23 Oct.).

3


VAN ALLERLEI KANTEN EN KRANTEN

Een misgreep

Het had in „De Waarheid" kunnen

staan.

Waarom? Wij zijn van dit blad niet

veel gewend op het gebied van fatsoen,

goeden smaak en wat dies meer

zij. Nog slechts twee dagen geleden

zagen wij ons genoodzaakt het roode

blad wegens grof onfatsoen op de vingers

te tikken.

Het had in „De Waarheid" kunnen

staan. Maar daar stond het niet in.

Wij vonden het in „De Nieuwe

Nederlander". Dat maakt het niet

minder erg, maar erger. Er zijn nu

eenmaal buurtjes, waar men weet,

wat men te verwachten heeft. Maar

in andere straten verwacht men bepaalde

dingen niet. En wie zich daar

te buiten gaat, blameert zich.

Zoo blameert „De Nieuwe Nederlander"

zich met een infaam plaatje,

waarop onze Minister van Justitie

wordt voorgesteld in de houding van

een dronkeman, achterover liggend,

met een groote sigaar in de eene en

een wijnflesch in de andere hand, in

gezelschap van drie louche individuen,

tegen een weivoorziene dinertafel aan,

waarop het menu is opgehangen aan

een miniatuur-galgje. Een venster.dat

uitziet op een schavot, vormt den

acthergrond. Het onderschrift luidt-

„Een krantenberichtje meldt, dat de

Nederlandsche minister van Justitie

ter viering van den goeden afloop van

het Neurenbergsche proces, met eenige

officials uit Frankrijk, België, Luxemburg

en Denemarken dineerde".

Zie, dit is infaam: de motiveering

van het diner niet voor rekening van

den — duisteren — berichtgever laten,

maar die ongecontroleerd grif klakkeloos

overnemen en uitbreiden met de

insinuatie, vervat in de afbeelding,

als zou, om den bezegelden dood deiveroordeelden

te vieren, zelfs een

bacchanaal zijn aangericht.

Wij meenen het oprecht, wanneer

wij zeggen, dat dit ons van een respectabel

blad als „De Nieuwe Nederlander"

pijnlijk verbaast. Wij weten niet

uit welken duisteren koker het bericht,

in den vorm, waarin „De Niéuwe-

Nederlander" het hier geeft, stamt,

maar wij zijn nu van meening, dat

een blad, dat zichzelf respecteert, moet

beginnen met te veronderstellen, dat

een minister van de Kroon zich van

een dergelijke stijllooze grofheid, als

die hier wordt geïnsinueerd, zal weten

te onthouden en dat het zich daarna

van de ware toedracht der zaken'op

de hoogte had moeten stellen.

En nu de feiten, waarop dit even

leugenachtige als beleedigende bericht

betrekking heeft.

Wij hebben gedaan wat „De Nieuwe

Nederlander" naliet en daarbij is ons,

in aanvulling op hetgeen wij hierover

4

reeds publiceerden, het volgende gebleken

:

Er is geen sprake van, dat er een

feestelijk diner of eenige openbare

feestelijkheid heeft plaats gehad, na

de uitspraken ter viering van den afloop

van het proces te Neurenberg,

waaraan de Minister van Justitie heeft

deelgenomen. Op Maandagavond, 30

September, — dus vóór dat de vonnissen

werden uitgesproken, (dit geschiedde

eerst op Dinsdag daaropvolgende),

heeft de Fransche prosecutor,

Champetier de Ribes, de ministers van

Justitie van Frankrijk, België, Luxemburg

en Nederland, alsmede vertegenwoordigers

van landen, wier zaak hij

had behartigd in het Neurenbergsche

proces, — uitgenoodigd voor een zeer

eenvoudigen, besloten maaltijd.

Tijdens dezen maaltijd heeft de

Nederlandsche minister van Justitie

oen Franschen prosecutor den dank

betuigd van de Nederlandsche regeering

voor de behartiging van onze

zaak te Neurenberg.

Waar onze minister tot dezen maaltijd

was uitgenoodigd door den Franschen

prosecutor, valt de insinuatie,

als zou de minister deelgenomen hebben

aan een slemppartij, (de prent

kan moeilijk een anderen indruk wekken)

terug op den uitnoodiger en is

deze „geestigheid" van „De Nieuwe

Nederlander" een rechtstreeksche beleediging

aan het adres van de Fransche

natie, die onze zaak te Neurenberg

waarnam en die hiervoor onzen

dank verdient en niet onzen smaad.

Hiertegen is een woord van protest

op zijn plaats, evenzeer als het dat

is, wanneer door een zeker blad een

Churchill of een Smuts worden beleedigd.

De publicatie van deze ongehoorde

grofheid, of zij bedoeld was den

minister van Justitie te treffen, of

dat zij het ridderlijke Fransche volk

nu treft, is mis, heelemaal mis, Nieuwe

Nederlander!

Utrechtsch Katholiek Dagblad —

14 October.

De pers in Nederland

De rol die de pers heeft gespeeld,

is in het recente verleden, met name

ir. de bezettingsjaren verre van fraai

geweest. Wij laten hier buiten beschouwing,

die persorganen, die rechtstreeks

exponent waren -van den bezetter

of zijn „Nederlandsche" trawanten.

Aan bladen als „Die Deutsche

Zeitung" en het „Nationale Dagblad"

wenschen wij geen woord te besteden.

Maar deze bladen bezaten nog

in zooverre karakter, dat zij openlijk

de Duitsche meening verkondigden.

Men wist in ieder geval welk vleesch

men hier in de kuip had.

Treurig echter was de rol van de

zoogenaamde „goede" pers. Zij bedreef

onder Nederlandsche vlag de

meest perverse hand- en spandiensten

aan de Duitschers. Zij lieten zich

willig gelijkschakelen. Zij volgde zonder

protest de suggesties van de voorlichters

van het departement voor

propaganda. Zij was laaghartig tot

in het perverse en volkomen karakterloos.

Haar zakelijke en journalistieke

leiders stelden het eigen materieel

belang hoog boven dat van vaderland

en volk. Zij waren totaal vergeten de

schoone woorden, die zij vroeger over

de taak der pers hadden geschreven

en gesproken. Door hun houding hebben

zij meer kwaad gesticht, meer

verraad gepleegd, dan de eenvoudige

jongen, die uit recalcitrantie of zucht

naar avontuur, het ouderlijk huis ontvluchtte

en zijn heil zocht bij de SS,

hoe zeer wij ook deze daad afkeuren!

Echter ook vóór 1940 waren de persverhoudingen

vaak verre van fraai.

Ook toen was de krant maar al te

vaak een goed handelszaakje. Stonden

de advertentiekolommen hooger

genoteerd, dan de redactioneele bijdragen.

Stonden vele kranten maar al

te gewillig in dienst van een liberaalkapitalistisch

ondernemerdom. Eerlijkheid

en objectiviteit bij de pers,

het was in doorsnee een sprookje!

waarin zelfs de meest argelooze niet

geloofde. En dan waren de Nederlandsche

perszeden nog heilig vergeleken

bij die in sommige vreemde

landen.

Wij hebben er reeds eerder in een

aantal artikelen op gewezen, dat de

pers de dubbele taak heeft om objectieve

voorlichting te bieden en daarnaast

geestelijke leiding te geven.

Daarvoor dient zij echter los te staan

van welk belang ook. Dient zij geen

winstobject te zijn. Dient zij vrij te

staan tegenover iederen kapitalistischen

invloed. Zij zal nimmer dienstbaar

mogen worden gemaakt aan private

belangen, maar steeds het algemeen

belang voor oogen dienen te

houden. Wanneer zij in conflict komt

met private, belangen, zal zij de controversen

niet mogen ontwijken.

Slechts in trouw aan zichzelven en

eigen geestelijken inhoud, gedragen

door den wil mede te werken aan het

scheppen van een beter en rechtvaardiger

wereld zal zij haar werk mogen

verrichten.

Kiest zij andere wegen, dan zal zij

noodzakelijk moeten ontaarden.

Na de bevrijding hebben wij een

oogenblik in de overtuiging geleefd,

dat het met de pers inderdaad de'

goede richting uit zou gaan. De bladen,

die in de illegaliteit voortreffelijk,

verantwoordelijk en bovendien

gevaarlijk werk hadden gedaan, kregen

de gelegenheid op legale 'wijze

hun werk voort te zetten. De oude


pers, die zóó zeer het belang van land

en volk had geschaad, werd het werk

onmogelijk gemaakt.

Er werden maatregelen geprojecteerd,

waardoor voortaan iedere ongewenschte

invloed op het redactioneel

beleid zou worden voorkomen. Stichtingen

zouden het instrument zijn om

een goede en juiste gang van zaken

te verzekeren.

Nu, ruim een jaar na de bevrijding,

zal iedere objectieve beoordeelaar moeten

constateeren, dat de loop der

ontwikkeling anders is geweest. De

bladen, die zich zoozeer hadden gecompromitteerd,

kwamen de één na

de ander terug. De „groote" pers

voorop: N.R.C., Handelsblad, Haagsche

Courant en binnenkort ook de

illustere Telegraaf. Ook de provinciale

bladen, die in den tijd der bezetting

zoo braaf met den vijand hadden

meegeheuld, verschenen achtereenvolgens

weer ten tooneele. Allerlei schijnorganisaties

werden in het leven geroepen

om deze herverschijning een

legaal tintje te geven.

Formeel zal alles wel prachtig in

orde zijn. Daaraan willen wij geen

oogenblik twijfelen. Dat de dingen

echter anders zijn gegaan, zal duidelijk

zijn. De kapitalistische belangen

waren ook hier weer sterker dan de

ideëele.

Nóg is de zaak niet verloren! Dat

echter de kansen voor de nieuwe pers

en daarmede, voor het nieuwe Nederland

beter zijn geworden, kan men

moeilijk beweren. Het is alles bij

elkaar een trieste vertooning.

DEWI.

De Vrije Alkmaarder —

4 September.

Verboten

Voor ons ligt een stapeltje kranten,

exemplaren van „De Waarheid" van

de laatste dagen. Het zijn kranten,

die, in goede orde uit Amsterdam verzonden,

hun abonné's niet hebben bereikt

en door de post zijn teruggestuurd.

Op het bandje is een aanteekening

gemaakt: „Retour afzender —

niet toegelaten — verboden".

De abonné's, die aldus van hun

krant verstoken werden, zijn de soldaten

van drie kazernes in Nijmegen.

Van een van hen ontvingen wij gelijktijdig

het volgende briefje:

„Hierbij deel ik u mede, dat ik op

last van mijn regimentscommandant

mijn abonnement op „De Waarheid"

opzeg. Het lezen of in het bezit hebben

van die krant wordt van nu af

gestraft met een gevangenisstraf van

ten hoogste drie jaar. Het verbod is

afkomstig van lt.-kol. W. P. Schotman,

commandant van de stoottroepen in

Nijmegen."

Ziehier de ontstellende feiten. Anderhalf

jaar na de bevrijding wordt niet

alleen „De Waarheid" in de kazernes

verboden, maar worden de soldaten

niet zware straffen bedreigd, wanneer

zij dit blad zelfs maar in hun bezit

hebben. Er was een tijd, dat in Nederland

het in het bezit hebben van „De

Waarheid" op dergelijke wijze werd

vervolgd. Dat was in de jaren, dat de

fascistische horden hier oppermachtig

schenen. Overste Schotman betreedt

op eigen gezag dezelfden weg. Ook dat

wekt herinneringen op aan een verleden

tijd, toen elk klein fascistisch

potentaatje naar willekeur „verordnete".

Zoover is he*- dus in Nederland al

gekomen, dat de soldaten weer als

onmondigen worden behandeld, hun

burgerrechten worden ingetrokken en

zij voorgeschreven krijgen, wat zij

lezen mogen en wat niet.

Op het vrije woord wordt gevangenisstraf

gesteld. De persvrijheid wordt

een zaak, waarover de sergeant-majoor

beschikt. De goud-gegalonneerde maakt

uit, wat de soldaat lezen, en zo mogelijk

denken, zal. Hij behoeft er zelfs

den minister niet naar_ te vragen. Er

blijken burgers in Nederland te zijn,

voor wie een heel aparte grondwet

geldt: de wet van de goudkragen en

de strepen. Het is een onduldbare toestand.

De regeering en, met haar,

generaal Kruis, jammeren bij tijd en

wijle over de slechte voorlichting van

de troepen en schrijven daaraan oorlogszuchtige

uitlatingen tegen de Indonesische

republiek toe. Hoe moet men

dit jammeren noemen, wanneer men

tegelijkertijd het blad, dat de juiste

voorlichting omtrent Indonesië geeft,

verbiedt?

De regeering verzekert, dat zij "geen

oorlog met Indonesië wil. Hoe moet

men dit noemen, wanneer ze tegelijkertijd

voor de soldaten de krant laat

verbieden, die voor vrede en vriendschap

met Indonesië met de grootste

kracht opkomt? De regeering spreekt

soms schoone woorden van vrijheid

en democratie. Hoe moet men dat noemen,

wanneer zij de kazernes in tuchthuizen

verandert en het lezen van de

vrije pers met drie jaar opsluiting

straft? Veinzerij was eens een dood­


zonde. Zij is thans het hoofdkenmerk

van de Nederlandsche regeeringspolitiek

geworden, die op „zedelijke normen"

rust.

Reactionnaire bladen als „Het Binnenhof"

en soortgelijke van Katholieken

huize, eischen openlijk het verbod

van ons dagblad. Militaire commandanten

beginnen er maar al vast

mee, onder de stilzwijgende goedkeuring

van Beel en consorten.

Men vergist zich echter, wanneer

men meent, dat een dergelijk optreden

thans nog succes kan hebben. Te diep

is „De Waarheid" verankerd in de

massa, in de harten van honderdduizenden

Nederlanders, die zich hun

sterkste wapen in den strijd tegen de

toenemende reactie niet zullen laten

ontnemen. Het succes van onze werfcampagne

is daarvoor een nieuw bewijs.

„Verboten!" — dat is de hoogste

wijsheid geworden van de regeering-

Beel. Laat zij echter bedenken, dat

zelfs een regiem, dat zich tot de

personificatie van dit woord maakte,

zich niet tegen de krachten van den

vooruitgang en de vrijheid zal kunnen

staande houden. A. J. K.

De Waarheid — 1 October.

De perskamer in het

Palais du Luxembourg

La salie de presse. Het is drie uur

in den middag. Een redelijke bezetting

van journalisten is aanwezig. Aan

de houten tafeltjes, in drie rijen in

het lokaal geplaatst, zitten de vertegenwoordigers

van alle nationaliteiten

temidden van wanordelijke hoopen

paperassen. Keurige kartonnen bordjes

duiden de nationaliteiten van de

schrijvende afgezanten aan. Door het

DE GENERAAL EN DE JOURNALISTEN

Van links naar rechts: Niermeyer (Haags Dagblad), Holslag (Het Dagblad),

Peppink (A.N.P.), 't Hart (Nieuwe Haagse Courant), Van der Wielen (Alg.

Handelsblad), Luberti (Persbureau Nederland), Hoek (Trouw), generaal van

Voorst tot Voorst (gouverneur der Residentie), ?(?),

5


geroezemoes van stemmen klinkt het

geratel van de schrijfmachines. Recht

voor mij plaatst een Syriër zijn gedachten

op papier. Nu en dan stopt

de vulpen en dan staren nietsziende

oogen in de verten, waar de groote

geheimen van deze conferentie zich

opstapelen. Uit de Amerikaansche

hoek rollen de r's zwaar door het vertrek,

vergezeld door even breede gebaren

en grijnzen, als de r's zwaar zijn.

Geanimeerde gesprekken tusschen

kris kras door het vertrek opgestelde

formaties ontwikkelen zich. Maar ook

de ernstige noot ontbreekt niet. Toch

worden er heel wat minder zware

zaken behandeld dan in overeenstemming

zou zijn met den aard der conferentie.

In het midden van de middentaf

el zit, zooals altijd, een Engelschman

verwoed op zijn „noiseless"

te tikken. De Russen zijn er niet. Die

hebben het te druk met de zittingen,

die zonder mankeeren in volle bezetting

worden „gedaan".

Voor het mededeelingenbord, waaide

loop van de zittingen met de regelmaat

van de klok worden bij geprikt,

is nog geen queue-vorming. Dat komt

later op den middag, wanneer er wat

meer te halen valt. De Lybanees,

waarmee ik aan tafel van de Ukraine

zit — grenzen vallen hier in de perszaal

bijna of geheel weg — heeft

slaap. Daar hebben ze dikwijls last

van, die Lybaneezen.

Een scherp getik, komend uit het

vijftal luidsprekers, dat op de tafels

staat opgesteld, stoort ons in de gedachten

en haalt ons uit de mijmeringen.

Het is de Britsch-Indiër, Sir

Joseph Bhore, voorzitter der economische

commissie van Italië, die ons er

aan herinnert,; dat de zitting van zijn

commissie is begonnen.

De Nederlander — 21 September.

Fransch journalist uit

Duitschiand uitgewezen

Het Pransche persbureau A.P.P. verraste

vorige week de geallieerde autoriteiten,

door de verwerping der gratieverzoeken

van de veroordeelden in

Neurenberg bekend te maken. De Berlijnsche

correspondent van A.P.P. is

door den Pranschen opperbevelhebber

in Berlijn, generaal König, uitgewezen.

Hij weigerde den naam van zijn

zegsman te noemen en kreeg één uur

tijd om zijn koffer te pakken. Tot aan

de Pransche grens werd hij door gendarmes

begeleid.

A.N.P.-bericht.

O Tempora

„De Nieuwe Nederlander'" is overgenomen

door de „Arbeiderspers".

A.N.P.-bericht.

„Een vrije pers

in een vrij land"

Een illegaal plaatselijk blad in

Noord-Holland zette en drukte op de

machines en persen van een collega,

die in oorlogstijd was blijven verschijnen.

De mannen van het onzuivere

6

blad namen zich in die situatie de

vrijheid, censuur te oefenen op den

inhoud van de hoofdartikelen van het

voormalige illegale blad.

Daar dit een onhoudbare toestand

werd, liet het illegale blad toen zijn

hoofdartikelen per deurwaarder-exploit

aan de zetterij afleveren. Dat ging

een tijdje goed, maar toen kwam ook

daar de klad in en werden de artikelen

toch weer verminkt.

Toen besloot het illegale blad zijn

hoofdartikelenkolom blanco te laten.

Het hoofdartikel werd nu bij een

andere firma gezet en gedrukt en, met

een verklarend briefje erbij, bij de

lezers thuisbezorgd.

Perszuivering, zei U toch?

De Nieuwe Nederlander — 14 October.

VAN EEN GROOT JOURNALIST

Gedurende het tumult van den oorlog

zijn ons persoonlijkheden ontvallen

zonder dat zij herdacht en gekenschetst

konden worden. Wij bezaten

immers geen vrije pers.

Ik. denk aan Bonger, Colijn, De

Vlugt, Boekman, Latzko, Jan de

Roode, Vitus Bruinsma en helaas aan

zoovele andere schitterende geesten,

vaste karakters, oprechte dienaren

der gemeenschap, practische werkers,

goede vaderlanders ...

Het is een regen-Zondag, die mij

noopt om thuis te blijven. Verloren

uren? Neen •— gezegende uren. Men

komt tot dingen, waartoe het bezige

leven ons nauwelijks den tijd laat.

Terwijl het onweer een ruischend

grijs gordijn spant, dat mijn werkkamer

in zachte schemering zet, laat

ik mijn oogen over mijn bibliotheek

gaan. Hoeveel boeken staan daar, die

ik in vele maanden, soms ettelijke

jaren niet inzag?

Ik pakte er plotseling twee bandjes

uit en mijn verdere middag vergaat

in het geboeide lezen van litterair werk,

dat tot de beste journalistiek van

Nederland behoort. Ik lees de „Oproerige

Krabbels" van den sociaaldemocratischen

dagbladschrijver A. B.

Kleerekoper.

Ik heb A.B.K. goed gekend. Toen

hij nog vol-op in het drukke leven der

openbaarheid stond en toen een verraderlijke

ziekte hem het loopen onmogelijk

had gemaakt.

Een merkwaardige figuur in onze

politiek is hij geweest, deze Tielsche

rabbijnen-zoon. Langen tijd een der

grootste redenaars, die ooit het spreekgestoelte

betraden. Zijn toespraken

muntten uit door een welhaast volmaakte

vormverzorging. De hartstochtelijke

ziel van den spreker verleende

er een meesleepende overtuigingskracht

aan. Een redevoering van

AB.K. werd nagenoeg tot een artistiek

genot.

Een ongemeene werkijver maakte

het hem mogelijk om ondanks zijn

Kamer-, Staten- en Raadslidmaatschap,

zijn veelvuldige propagandareizen

en tijdroovende vergaderingen

van het Partijbestuur der S.D.A.P.,

voor het dagblad „Het Volk" een

wekelijksch hoofdartikel en een dagelijksche

„Oproerige Krabbel" te schrijven.

Deze laatste nu, waarvan twee

bloemlezingen werden samengesteld,

zijn fijn geslepen juweelen van journalistiek

vernuft. Alle stemmingen

van den mensch komen er in tot

uiting. Soms zijn de Krabbels uitbundig,

dan weer van een beheerschte

gedragenheid. Nu eens vonkt een nauwelijks

ingetoomde felle haat uit de

woorden, maar andere ademen een

zachte melancholie, een Joodsch-wijsgeerige

berusting. Een toon van diepe

vroomheid klinkt den lezer tegemoet,

maar vaak ook een bijtende ironie. En

veelal een innige liefde voor alles wat

het leed dezer wreede wereld ondergaat,

vooral voor kinderen. Nooit doet

een Krabbel aan routine-werk denken.

Elke zin is geïnspireerd. Met groote

aandacht verzorgde Kleerekoper zijn

hoekje in de krant, herschreef een

stukje, dat gemakkelijk neergesmeten

schijnt, somtijds ettelijke malen en

gaf het niet ter zetterij, als hij er

niet ten volle tevreden mee was. Deze

begenadigde spreker en bedreven parlementariër

voelde zich toch in de

allereerste plaats journalist.

Zwaar heeft A. B. Kleerekoper geleden,

toen hij van den eenen dag op

den anderen uit het volle leven gerukt

werd. Deze man, die het applaus en

het rumoer van den politieken strijd

niet kon missen, zat verlamd op zijn

stoel. Zijn vulpenhouder en de telefoon

waren de eenige middelen, die

hem nog met de buitenwereld verbonden.

Hij leefde in die jaren op zijn

Krabbels, die allengs een meer bespiegelend

karakter kregen, een stilheid,

die er vroeger vreemd aan was.

Toen de nazi's ons land overvielen,

brak hij natuurlijk zijn werk af. Zijn

laatste maanden sleet hij in het gebouw

van de Joodsche Invalide. Een

dag voordat de Duitsche beulen de

stakkerige bevolking naar de Poolsche

gaskamers sleurden, gelukte het een

paar vrienden om A.B.K. eruit te krijgen.

De eenige soulaas, welke het leven

hem nog kon bieden, was, dat hij buiten

het bereik van zijn doodsvijanden

zijn natuurlijken dood kon sterven.

Piet Bakker, in Elseviers

Weekblad — 7 September.

Een Amerikaan, die aanvalsdatum

op Pearl Harbour

voorspelde

Den vorigen dag per vliegtuig uit

Parijs aangekomen, wachtte de „Dean"

'van de Amerikaansche buitenlandsche

correspondenten, de heer K. H.

von Wiegand in Amsterdam op een

telefoontje van de K.L.M, of er voor

hem en zijn secretaresse plaats was

in het vliegtuig naar Madrid van

den volgenden dag. Wij zochten hem

op in het Amstelhotel, den laatste

van de oude garde, die nog steeds in

actieven dienst is voor het Hearst

Concern, waarvan de Zondagsbladen

32 millioen en de dagbladen ruim 15

millioen lezers tellen.

Toen de oorlog in September 1939

uitbrak, vertrok hij naar Amsterdam,

bleef daar echter kort en vloog naar

Rome. Italië kwam in den oorlog en


mr. Wiegand keerde naar New York

terug. Hij bleef daar niet lang, want

Hearst stuurde hem naar Shanghai.

Hij was het, die op 17 October 1941

admiraal Glassford, den opperbevelhebber

der Amerikaansche zeestrijdkrachten

in de Chineesche wateren,

waarschuwde dat de oorlog tusschen

Japan en de Ver. Staten elk uur na

6 Dec. middernacht kon uitbreken. De

aanval op Pearl Harbour geschiedde

op den morgen van den 7en December.

Zijn informatie was juist geweest.

De oude, grijze heer, die tegenover

ons zit, heeft nog weinig van zijn

vitaliteit ingeboet, hoewel een van de

Japansche bombardementen op Manilla,

waar hij zich sedert Dec. 1941

bevond, hem het licht van zijn oogen

kostte. Door operatief ingrijpen verkreeg

hij slechts 25 % van zijn gezicht

terug.

„Of hij generaal Mac Arthur ontmoet

heeft?" Zeker, hij beschouwt

hem als den knapsten Amerikaanschen

veldheer, die ook na oorlogstijd

bewezen heeft opmerkelijke diplomatieke

talenten te bezitten. Hij heeft

trouwens bijna alle groote staatslieden

uit dezen tijd ontmoet: Stalin,

Roosevelt, Mussolini, Hitler, Atatürk,

Tsjiang Kai Sjek, Churchill.

Hij was nu zoo juist van de Parijsche

Vredesconferentie teruggekomen,

waar hij staatslieden van groot formaat,

die er wel te Versailles waren,

miste.

Als wij met hem spreken over zijn

tocht met de Zeppelin tijdens haar

eerste reis over den Atlantischen

Oceaan in 1928 en haar historische

vlucht rondom de wereld in 1929,

komt het verwachte telefoongesprek

door. Er is plaats voor hem en miss

Clifford in het vliegtuig naar Madrid.

We nemen afscheid van den veteraan,

die de komende dagen Franco

zal spreken en dan via Lissabon,

Rome en Caïro naar Jeruzalem zal

gaan, waarna hij Indië en China

hoopt te bezoeken.

Nieuwe Courant.

En nu de waarheid

„Portugal, de hoop van Romme"

zette „De Waarheid" 14 September

1946 boven een foto met enkele jonge

mannen in uniform, die den fascistischen

groet brengen. En er onder:

„Op 1 September vond ter herdenking

van het heuglijke feit, dat Hitler

zeven jaar geleden Polen overvallen

heeft, in Lissabon een demonstratie

van de officieele jeugdbeweging

plaats. De „leiders" nemen de

parade af. Is het niet verheffend om

te weten, dat er ten minste nog één

land in Europa is, waar de heldendaden

van Hitler op passende wijze

herdacht worden?"

Foto en onderschrift laten aan duidelijkheid

niets te wenschen over,

zoodat dit een goede gelegenheid was

om de berichtgeving van „De Waarheid"

eens aan de waarheid te toetsen.

In de „Diaro de Lisboa" van 1 September

1946 treffen we dan dezelfde

foto aan met als onderschrift „De

nationale commissaris en andere autoriteiten

salueeren la Mocidade Portuguesa

(de Portugeesche jeugd) bij het

betreden van het terrein (van Paia)".

Dezelfde krant bevat een verslag

van de dien dag gehouden uitreiking

van onderscheidingen aan de pas afgestudeerden

van deze jeugdbeweging,

aan het slot van een zomercursus, die

in dit kamp — in de bosschen van

de Landbouwschool Diniz — gegeven

was.

Wil men Portugals houding ten opzichte

van Polen weten, dan zij hier

minister-president Salazar geciteerd,

die op 9 October 1939, de dag dat

Duitschland en Rusland samen Polen

verdeelden, in de nationale vergadering

een rede hield, waarin hij over

de internationale situatie zeide: „Ik

wil hier een woord van diepe sympathie

uitspreken over de Poolsche

natie, die we hier hulde willen brengen

vanwege zijn heldhaftige offers

en zijn vaderlandsliefde". (Salazar

kent geen Nederlandsen; wij verwijten

hem niet, dat hij „natie" als een

mannelijk woord beschouwt. — Red.

De Journalist).

En wat overigens Romme met Portugal

te maken heeft, is niet erg duidelijk.

Niet iedere arm reikt zoover

buitenlands als die van de C.P.N.

Pot voor Portugal.

De Volkskrant — 17 October.

Wist U ...

Dat Nederland 125 dagbladen telt

en 1875 periodieken.

Nieuwe Haagsche Courant —

7 October.

Voor één Christelijke

Dagbladpers

ZAANDAM — In een gisteravond

gehouden ledenvergadering van de

A.R. Kiesvereeniging heeft men met

algemeene stemmen zijn groote teleurstelling

uitgesproken over het. feit,

dat naast het dagblad „Trouw", binnen

zeer afzienbaren tijd ook het dagblad

„De Standaard" weer gaat verschijnen.

Zonder dat men thans nog een

oordeel wilde uitspreken over de

positie van „De Standaard" in den

bezettingstijd, betreurt men het, dat

in ons land meer Christelijke dagbladen

zouden komen en dat dit niet

beperkt kan blijven tot één groot dagblad,

in Christelijk nationalen geest.

Besloten werd, deze meening schriftelijk

ter kennis te brengen van de

directies van de N.V. Dagblad

„Trouw", N.V. Dagblad „De Standaard"

en het Centraal Comité van

A.R. Kiesvereenigingen.

Trouw — 2 October.

Newspapers

Sir Walter Layton has done a

valuable service by publishing a

pamphlet, „Newsprint: A Problem f or

Democracy", which sets out clearly

and simply the facts about the basis

of the newspaper industry. The industry

is a large one, yet, for reasons

of public policy with which no reasonable

man quarrels, it is restricted to

27 per cent only of its pre-war raw

material. And, as Sir Walter says,

whatever criticisms we may bring

against newspapers, however badly

we may think of them, it is impossible

for them at present to render

the service to the community that

the country expects from them. The

advertiser who wishes to insert a

simple announcement of his wants

and has to wait weeks for publication

knows that from experience. And in

all the fields of information the

handicap on the British papers is

hardly less. The size of newspapers

was cut down during the war and the

supplies of the precious raw material

rationed by a remarkable system of

co-operation between the industry and

the Government. The return to

bigger papers should be planned in

the same way. The newspapers do not

put their claims high. They know

that we cannot hope to come near to

the standards already reached by

America (with a consumption this

year of 591b. per head, against 15ilb),

or Australia or Sweden. A modest

expansion carefully planned over the

next five years is as much as, in face

of the country's difficult economic

position, can perhaps be aimed at,

but it should not be beyond reach.

Manchester Guardian —

17 September.

Record productie van

krantenpapier

De productie van krantenpapier in

Canada, de V.S. en New Foundland

heeft in Augustus een nieuw hoogtepunt

bereikt met een totaal van

468.236 ton. In de eerste 8 maanden

van dit jaar steeg de productie daardoor

tot 3.490.000 ton, hetgeen eveneens

meer is dan in eenige voorafgaande

overeenkomstige periode.

Nationale Rotterdamsche Courant —

20 September.

De Telegraaf terug?

Met belangstelling ziet men uit naar

het antwoord op .de vraag of „De

Telegraaf" zal terugkeeren, ja dan

neen.

Men vergist zich echter als men

meent, dat daarover bij de zuivering

beslist wordt. Bij de zuivering gaat

het alleen om de vraag, of de personenen,

die bij „De Telegraaf" betrokken

waren, hetzij in de directie, hetzij

in de redactie, in het dagbladbedrijf

werkzaam mogen blijven. Al zouden

er nog zulke zware „straffen" vallen,

daarmee wordt over den terugkeer van

„De Telegraaf" niet beslist. Degenen,

die het apparaat in handen hebben,

kunnen het blad weer laten verschijnen,

mits zij zich bedienen van gezuiverde

personen.

Wij zijn uiterst benieuwd wat de

houding der Regeering in deze zaak

zal zijn; voor haar is deze zaak een

test-case. Indien zij toelaat, dat „De

Telegraaf" weer gaat verschijnen,

zal zij het laatste restje vertrouwen

op nakoming van hetgeen tijdens de

7


ezetting werd toegezegd, kapot moeten

maken en het falen van haar

persbeleid bezegelen.

Pormeele overwegingen mogen hier

niet den doorslag geven. Indien onder

het bestaande recht tegen den terugkeer

van „De Telegraaf" niets te doen

is, behoort dat recht gewijzigd te worden.

Men versta ons goed: wij hebben

niets tegen het verschijnen van

een blad, dat dezelfde plaats inneemt

als „De Telegraaf" en wat ons betreft

ook zoo heet. Waar wij echter ernstig

verzet tegen moeten aanteekenen is,

dat „De Telegraaf" in feite weer zal

uitkomen. M.a.w.: wij hebben er bezwaar

tegen, dat dezelfde financieele

belangen, die achter „De Telegraaf"

stonden, alsof er niets was voorgevallen,

weer zouden doorgaan.

Moet men dan medelijden hebben

met „De Telegraaf", die sedert de bevrijding

niet is kunnen verschijnen.

Er is geen enkele reden toe: evenals

andere „verboden" bladen, heeft „De

Telegraaf" dik verdiend aan het drukken

van de niet-verboden bladen.

Met het aldus verdiende geld gaan

zij dan, wanneer zij weer kunnen uitkomen,

de bladen, die hun plaats hebben

ingenomen, en die de' lasten des

daags na de bevrijding gedragen hebben,

wegconcurreeren. Het beleid van

de Regeering ten deze is waarlijk ten

hemel schreiend! Eerst worden deze

bladen uitgeschakeld, omdat men hen

op grond van hun gedrag tijdens de

bezetting de voorlichting niet toevertrouwt

en dan laat men na eenigen

tijd weer toe, dat zij de nieuwe bladen

gaan verdringen!

Ieder, die om zich heen ziet, kan

het constateeren: ook hier is er niets

veranderd en vernieuwd. De pers is

weer evenzeer als voor den oorlog in

handen van degenen, die haar in de

eerste plaats als een winstobject zien.

Hier is een schoone kans om een stap

vooruit te doen verzuimd. En de terugkeer

van „De Telegraaf" zal, als de

regeering niet op haar hoede is, de

bezoldiging van deze haar zonde zijn,

waarmede tevens voor velen, die in

den oorlog hebben uitgezien naar een

beter vaderland, weer een illusie te

meer ten grave is gedragen.

Er is nog een andere kant aan deze

zaak. Als „De Telegraaf" terugkomt,

wordt aan bladen als „Trouw", „Het

Parool", die op het apparaat van „De

Telegraaf" gedrukt worden, het voortbestaan

vrijwel onmogelijk gemaakt.

Dat kan en mag deze beide bladen,

die in de illegaliteit ons volk onschatbare

diensten hebben bewezen, niet

worden aangedaan. Wij weigeren eenvoudig

te gelooven, dat de Overheid

zóó kort van memorie zou zijn, dat

zij dat zou toelaten.

Men weet, dat wij met name met

„Trouw" nog al eens den degen kruisen.

In deze zaak treden wij echter

gaarne als pleitbezorger voor „Trouw"

en natuurlijk ook voor „Het Parool"

op.

De Nieuwe Nederlander —

28 September.

Zeitungssterben in Rom

Heute erscheinen in Rom nur noch

21 Tageszeitungen, wahrend es vor

8

einem Jahr noch über dreiszig waren.

Aber auch diese 21 scheinen noch

zuviel für eine Stadt von anderhalb

Millionen Einwohnern, von denen

bestenf alls 250 000 als Kauf er in Prage

kommen. Denn von diesen kaufen nur

die allerwenigsten mehr als eine Zeitung

im Tag, weil der Leser bei einem

Stückpreis von fünf Lire seiner alten

Leseleidenschaft nicht mehr frönen

kann. Rechnet man also optimistisch

mit einer Gesamtzahl von taglich

300 000 Zeitungsempfanger, so ergibt

sich für jede Zeitung eine mittlere

Auflage von 14 000 Exemplaren. In

Wirklichkeit erreichen aber noch nicht

einmal ein Drittel der römischen Blatter

diese Zahl. Die beiden einzigen

Tageszeitungen, bei denen man von

einer Massenauflage sprechen kann,

sind „Tempo" ünd „Messaggero". Beide

liegen in hartem Konkurrenzkampf.

Der „Messaggero" — unter diesem

den Römern alt vertrauten Titel erst

seit einigen Monaten wieder im Verkauf

— hat Terrain aufgeholt; aber

noch liegt „Tempo" klar in Pührung.

„Tempo" hat eine bewegte Vergangenheit

hinter sich. Bei seiner Gründung

nach der Befreiung Romsnannte

es sich „unabhangig-sozialistisch",

dann wurde es monarchistisch mit

NittirTendenz, daraufhin schwenkte

es auf die liberale Linie ein, und

heute gilt es als das von den Kommunisten

am meisten gehasste Blatt, dem

man gewisse neu-fascistische Neigungen

— sicher zu Unrecht — vorwirft.

Die Auflage der anderen Zeitungen

erreicht oft nicht einmal 1000 Exemplare.

Als Minimum gilt eine Auflage

von 700, weil es in Rom 700 Leute

oder Bureaus gibt, die notgedrungen

alle Zeitungen abonnieren mussen.

Eine angesehene Abendzeitung mit

klangvollem Namen verkauft 3000

Exemplare. Die Organe der Massenparteien

erreichen eine Auflage von

rund 50 000, die der anderen von etwa

20 000, aber auch weniger. Unter diesen

Umstanden ist es kein Wunder,

dass die Zahl der taglich erscheinenden

Blatter sich standig reduziert.

Thurgauer Zeitung — 11 September.

Merkwaardige enquête

De Centrale Bibliotheek heeft een

enquête gehouden onder haar Bataviasche

lezers over de vraag voor welke

Hollandsche couranten en tijdschriften

de meeste belangstelling bestaat.

Deze enquête strekte zich uit over 86

dag- én weekbladen.

De resultaten waren als volgt:

Aantal

Dagbladen

stemmen

per 100

1. Alg. Handelsblad 47.75

2. Nat. Rotterd. Courant ... 27

3. Trouw 22.25

4: Parool 16.75

5. Maasbode 15.25

6. Tijd 11

7. Rotterdammer 9.75

8. Vrije Volk 9.25

Weekbladen

1. Haagsche Post 49.25

2. Elsevier 49.25

3. Groene Amsterdammer ... 46.25

4. Stem van Nederland (v.h.

Vrij Ned.) 25

5. Je Maintiendrai 12.25

8. Trouw 7.25

7. Vrij Nederland 7

8. Vlam 6.25

Geïll. weekbladen

1. Wereldkroniek 55.25

2. Libelle 25.25

3. Ons Vrije Nederland 21.75

4. Filmwereld 17.25

5. Vliegwereld 17

6. Uitkijk 15

7. Indische Nieuws 14

Het aantal lezers bij de wijkbibliotheken

is in Juli zeer sterk gestegen

en wel van 2000 op plm. 3000 lezers.

Over deze maand bedroegen de ruilingen

ca. 31.000. Tot dit succes hebben

de vele nieuwe buitenlandsche

tijdschriften zeer sterk bijgedragen.

Ten behoeve van de evacué's, woonachtig

in het kamp „Tanah Tinggi",

heeft de C.B. een bibliotheek geoepnd,

waarvan reeds druk gebruik wordt gemaakt.

Om de publieke aandacht nog

meer te trekken, zullen borden worden

aangebracht met de aanduiding

„Wijkbibliotheek" en Vermelding van

de openingsuren.

Welfare — September.

Beruchte drie-kruisjes-schrijver

in Den Haag gearresteerd

Naar wij vernemen, is de vroegere

hoofdredacteur van het Twents

Nieuwsblad, M. J. L. v. Nierop, Vrijdag

in Den Haag gearresteerd. Hij zal vandaag

naar Enschede worden overgebracht.

Wij kunnen ons voorstellen, dat dit

bericht een zucht van voldoening zal

doen opgaan in Twente en in de

Graafschap, want als er een man is

geweest, die zich tijdens den oorlog

in dit gebied gehaat heeft gemaakt,

dan is het wel de drie-kruisjes-man.

Elke dag opnieuw heeft hij gepoogd,

nadat hij in November 1943 de leiding

had gekregen van de gelijkgeschakelde

Twentsche pers, om hart en

geest van de bevolking in dit gebied

te vergiftigen met de nationaal-socialistische

opvattingen. Toen het hem

niet gelukte op de door hem aanvankelijk

gekozen zoetsappige wijze, kwam

hij anders voor den dag. Hij trad toen

zoodanig op, dat elk artikel in de

krant, die men om het officiëele

nieuws wel lezen moest, een beleediging

vormde voor het goedwillende

deel der bevolking, dus voor vrijwel

allen. Hij wierp het masker af, zooals

de meeste nationaal-socialisten na

korter of langer tijd. Stuitend en beleedigend

was zijn optreden als journalist,

zoowel als in officiëele N.S.B.-

functies. Niemand zal ooit vergeten,

hoe hij schreef over de Joden, over

de onderduikers en over de verzetsstrijders,

die hij, als getrouw dienaar

van zijn Duitschen leermeester, nooit

anders betitelde dan als terroristen.

Hij heulde in elk opzicht volledig met

de Duitschers en de vreugde, die hij

aan den dag legde, toen tot leedwezen

van de geheele wereld de aanslag op


Hitler mislukte: „De Pührer bleef ons

behouden", jubelde hij in een opschrift

dat de gehele breedte van de

pagina in beslag nam, was zo mogelijk

nog beleedigender voor ons, Nederlanders,

dan zijn afwisselende

vleierij en dreigementen.

In de N.S.B, in Twente bekleedde

hij — hoe kon het anders in een

partij, die zoo weinig kader bezat —

natuurlijk allerlei hooge posten. Een

tijdlang had hij de algemeene leiding

van Mussert's volgelingen in dit district,

hij gaf leiding aan den Naticnalen

Jeugdstorm, was natuurlijk begunstigend

lid van de S.S. en wat hem

vooral zwaar zal worden aangerekend:

hij was commandant van de Landwacht

in Twente.

Van Nierop, die 34 jaar oud is, had

al vroeg fascistische neigingen. Voor

den oorlog was hij verbonden aan de

redactie van De Residentiebode in

Den Haag en hij behoorde toen tot

het Verdinaso, het Verbond van

Dietsche Nationaal Solidaristen, in

welks jeugdbeweging hij een groote

rol vervulde. Toen na Mei 1940 het

Verdinaso opging in de N.S.B., kwam

hij op persgebied naar voren. Voor de

beruchte Vereenigde Persbureau's trad

hij op als Berlijnsch correspondent

en na zijn terugkeer in Nederland

werd hij achtereenvolgens hoofd van

de afd. Perszaken van het hoofdkwartier

der N.S.B, en waarnemend hoofdredacteur

van Volk en Vaderland.

Toen stuurden zijn bazen hem naar

Twente, om daar de hoofdredactie op

zich te nemen en het Twents Nieuwsblad,

dat ontstaan was uit de gedwongen

fusie van Tubantia en de Nieuwe

Hengelosche Courant. Hij deed hier

zijn werk zoodanig, dat de N.S.B.-ers

hem beloonden met den dr. Goedewagen-prijs,

die was uitgeloofd voor

de grootste vuilschrijverij.

Van Nierop, die, toen er nog geen

gevaar was, even moedig praatte en

schreef als Mussert, pakte toen de

bevrijders in aantocht waren, natuurlijK

de biezen.

Hij trok naar het Noorden, maar

toen de politie hem hier op het spoor

kwam, was de vogel gevlogen. Wel

werden zijn vrouw en kinderen in

Oude Pekela gevonden. De politie

bleef echter actief en zoo kon hij gisteren

in Den Haag worden gearresteerd.

Het mag een raadsel worden

genoemd hoe deze man zoolang heeft

kunnen onderduiken, maar ook dit zal

wel spoedig worden opgelost.

Het Vrije Volk — 5 October.

Krantenpapier

Canada en New Poundland zullen

hun uitvoer van krantenpapier naar

Groot-Brittannië in 1947 verhoogen

van 50.000 tot 150.000 long ton.

Met deze beide landen heeft Groot-

Britannië voorts onderhandelingen

gevoerd, dat in 1950 de Britsche import

van papier zoodanig zal zijn, dat

de kranten met 12 pagina's kunnen

verschijnen.

Economische Voorlichting —

5 October.

De Standaard

Het A.R. dagblad „De Standaard"

zal waarschijnlijk op 1 Dec. weer verschijnen.

Haagsch Dagblad — 3 October.

Misbruik van persconferenties

De persconferenties zijn een groeiend

euvel in onze Nederlandsche perswereld.

Er zijn er veel te veel, hun

kwaliteit is te laag en hun bijverschijnselen

zijn onaangenaam.

Beginnen wij met het laatste. Steeds

meer worden persconferenties gelegenheden,

waar de „heeren" van de

pers met eten en drinken worden volgestopt

in de hoop, dat zij in de

goede stemming zullen raken, om het

ter persconferentie aanbevolen stoffelijke

en geestelijke product in hun

courant eenigen lof toe te zwaaien.

Het mag niet voorkomen, dat iemand,

die namens een groote semi-overheidsinstelling

de pers een uiteenzetting

geeft over de werkzaamheden daarvan,

kennelijk onder den invloed is

van de heerlijke dranken, welke op

een voorafgaande receptie werden geschonken.

Het mag ook niet voorkomen,

dat de persconferentie van

een hooggeplaatst buitenlandsch militair

in het water (of liever in de spiritualiën)

valt, omdat, wanneer de

conferentie eenmaal begint, de generaal

evenzeer onder den invloed is als

de aanwezige journalisten. Zulke verschijnselen

geven een verre van prettigen

indruk van degenen, die de persconferenties

leiden. Zij zijn ook volstrekt

misplaatst in een tijd van

soberheid, of laten wij voorzichtig zijn

en zeggen: in een tijd, die een tijd

van soberheid zou moeten zijn. Maar

het is naar den kant van de pers

gezien nog veel bedenkelijker, dat men

meent deze met een kluitje in het

riet te kunnen sturen en als een kind

met wat lekkers te kunnen zoet houden.

Groote soberheid dient bij het

aanvaarden van ververschingen en

dergelijke door de vertegenwoordigers

van de pers te worden betracht en zij

moeten ook niet aarzelen óf door

woorden óf door wegblijven te protesteeren,

wanneer hun gastheeren toch

de houding blijven aannemen, dat zij

de pers op zoo goedkoope wijze meenen

te kunnen lijmen.

Bedenkelijk is ook de veelvuldigheid

van persconferenties in deze dagen.

Die veelvuldigheid brengt mede, dat de

betrokken overheidsinstanties en particuliere

lichamen niet altijd met hun

beste vertegenwoordigers achter de

tafel verschijnen en dat de pers van

den weeromstuit uit haar toch reeds

beperkte redactiestaven ook niet altijd

de besten zendt. Het droevige gevolg

is een steeds verder dalen van het

peil van de gedachtenwisseling. Het

is beschamend om van buitenlandsche

journalisten te moeten hooren, hoe

tam en onbelangrijk zij de Nederlandsche

persconferenties vinden —

en juist door de schuchtere gedragingen

van den gemiddelden Nederlandschen

journalist. Tot een verlaging

van het peil draagt ook bij de overvloed

van hoogst onbelangrijke vereenigingen

en instellingen, die alle

aan de mode offeren, door ook hun

eigen persconferenties te gaan geven.

Men vergeet bij het houden van een

persconferentie dikwijls ook, dat het

medegedeelde van eenig belang moet

zijn. Indien het alleen maar gaat om

feitelijke mededeeling die men even

goed in een gestencild memorandum

aan de pers zou kunnen voorleggen,

is het eenvoudig tijd verknoeien om

een groot aantal journalisten daartoe

bijeen te roepen. Wij begrijpen heel

goed, dat dit toch dikwijls gebeurt,

omdat de betrokken instanties van

een schriftelijke mededeeling weinig

heil meer verwachten. Wij kunnen

ons dat best voorstellen, maar daartegen

is een zeer eenvoudige remedie:

laat men ook het aantal schriftelijke

stukken, dat men aan de verschillende

redacties rondzendt, eindelijk eens

wat beperken. Men weet nu eenmaal,

dat alle kranten nog te woekeren

hebben met een ernstig gebrek aan

papier en dus alleen het allernoodzakelijkste

kunnen publiceeren. Nalijk

zijn er altijd bezwaren te maken

tegen de keus, welke de redacties doen

uit het hun aangeboden materiaal,

maar juist, als degenen, die aan de

couranten schriftelijk materiaal aanbieden,

zichzelf reeds beperkingen opleggen,

is het voor de redacties gemakkelijker

een keus te doen uit de

dan belangrijker stof, welke hun wordt

voorgelegd.

De Nieuwe Nederlander — 2 October.

De Duitsche pers

Van de vijftien kranten, die op het

oogenblik in Berlijn verschijnen, is de

„Tagliche Rundschau" de grootste, met

een oplage ongeveer gelijk aan die

van de Londensche „Times" (500.000).

Reeds enkele dagen na de bezetting

van de hoofdstad hadden de Russische

autoriteiten dit nieuwe dagblad gesticht,

dat nu naar alle deelen van

Sovjet-Duitschland wordt gevlogen.

Het blad maakt soms den indruk letterlijk

uit de „Prawda" te zijn vertaald,

artikelen over Russische cultuur,

economie en politiek domineeren

volkomen. De hoofdartikelen zijn

precies in denzeïfden geest gesteld als

in het roode orgaan. Het uiterlijk doet

daarbij sterk aan dat van de vroegere

officieele Nazikrant de „Völkischer

Beobachter" denken door de enorme

zwarte koppen met roode strepen eronder

op de voorpagina.

„Neue Zeit", het blad van de

Christelijk Democraten, werd door het

Duitsche publiek in de Oostelijke zone

enthousiast ontvangen, daar het de

communistische ideologie niet was toegedaan.

Toen de leider van de CD. in

den herfst van het vorig jaar zich tegen

de „landhervorming" verzette,

waarbij alle groote bezittingen verkaveld

werden, hadden de Russen een

aanleiding in te grijpen. Zij bezetten

het redactiebureau van het partijorgaan

en zorgden, dat er een hoofdartikel

op de voorpagina kwam, waarin

de leiding van de Christelijk Democraten

werd aangevallen.

Maar het Berlijnsche publiek begreep

wat er achter zat; de man, die

9


zich. verzet had, week uit naar de

Britsche zone. Daar volgens een mededeeling,

op bevel der autoriteiten gepubliceerd,

„de capaciteit van de persen

niet meer toereikend was", werd

plotseling de oplage drastisch verlaagd

en het blad verloor veel aan beteekenis.

„Das Volk" van de sociaal-democraten,

die in Mei j'.l. een fusie met de

communisten aangingen, toont weinig

karakter, evenmin als „Der Morgen"

van de Duitsche Liberale Partij, die

beide hun uiterste best doen de roode

machthebbers niet te ontstemmen.

Heel wat interessanter is dan „Der

Kurier" in Berlijnsch Pransche zone

uitgegeven, dat driemaal per week verschijnt.

Hoewel vrijwel uitsluitend uit

Parijs van nieuws voorzien, neemt 't

een zoo onafhankelijk mogelijke houding

aan ten opzichte van de groote

politieke problemen.

Het meeste gezag heeft echter wel

het door de Amerikanen gesteunde

blad „Der Tagesspiegel" (400.000), dat

zich voortdurend openlijk verzet tegen

de politiek, die in Rood-Berliin gevolgd

wordt. Herhaaldelijk werd 't

verleden van een Communistischen

partijman uit de doeken gedaan. De

oproep van de Engelsche Labour .partij

in het begin van dit jaar tot de

sociaal-democraten gericht, om zich

niet met de communisten te vereenigen,

werd door de pers onder Sovjetcontröle

niet gepubliceerd, evenmin als

de rede van „kameraad" Thorez, die

het Ruhrgebied voor Frankrijk opeischte.

Maar de Amerikanen waren

er ook nog en zetten het nieuws uitgebreid

op de voorpagina van hun

blad, zoodat heel Berlijn in korten

tijd van de feiten op de hoogte was.

„Geallieerde" kranten zijn in de Russische

zone van Berlijn verboden, ze

worden er dus binnengesmokkeld en

soms voor meer dan drie gulden verkocht.

De Engelschen stichtten „Der Berliner",

ook driemaal per week verschijnend,

en naar Britsche opvattingen

geredigeerd en opgemaakt met

een hoofdartikel op pagina drie. Het

rustige uiterlijk en de bezadigde toon

geven het uitstekend gedocumenteerde,

zeer betrouwbaar blad, veel invloed

in conservatieve Berlijnsche kringen.

Ook „Telegraf" en „Volksblatt" worden

onder Britsch toezicht uitgegeven.

Toen de sociaal-democraten, die geweigerd

hadden in de communistische

partij op te gaan, een nieuwe partij

stichtten, wilden zij hun orgaan „Vorwarts"

noemen, om daarmee een oude

vermaarde socialistische krant tot

nieuw leven te brengen. — Maar de

communisten kregen er de lucht van

en zij veranderden hun dagblad „Einheit"

in „Vorwarts", voor de

anderen hun plan tot uitvoering hadden

kunnen brengen.

De Westelijke geallieerden dus zullen

Berlijn van betrouwbaar nieuws

moeten voorzien.

De Linie.

Terug naar den Rechtsstaat!

Dezer dagen heeft de Centrale Zuivzringsraad

voor het Bedrijfsleven

10

een uitspraak gedaan, welke meer dan

gewone aandacht verdient, omdat zij

een wegwijzer is op den weg-terug

naar den rechtsstaat. Zij betreft een

zaak, in eerste instantie door de Commissie

voor de Perszuivering behandeld,

waarbij deze een ontzetting van

recht om in een leidende functie werkzaam

te zijn, had uitgesproken.

Grond voor deze ontzetting was de

houding van den beschuldigde met betrekking

tot het drukken van „De

Zwarte Soldaat", het blad van de W.A.,

welke houding, ook volgens den Centralen

Raad, op zichzelve een ontzetting

zou wettigen. De Raad overweegt

echter, dat deze gedraging reeds oorzaak

is geweest, dat de beschuldigde

ernstig nadeel in zijn bedrijf heeft

ondervonden, aangezien in Mei 1945

het Militair Gezag hem heeft belet,

de uitgave van „De Bussumsche Courant"

te hervatten, waartoe hij gerechtigd

was op grond van het (Londensche)

Tijdelijk Persbesluit; de verschijning

van deze courant was n.1.

reeds medio Februari 1942 door den

beschuldigde om principieele redenen

gestaakt, zoodat hij geenerlei toestemming

van het Militair Gezag of

van wien dan ook behoefde om na de

bevrijding de courant opnieuw uit te

geven. In stede daarvan beval, onder

strafbedreiging bij onvoldoende medewerking,

het Militair Gezag, dat op

beschuldigdes persen een nieuw orgaan,

de „Gooische Courant Stad en

Lande", moest worden gedrukt, welke

toestand zich tot groot nadeel van

den beschuldigde heeft bestendigd tot

op dezen dag. De Centrale Raad overweegt

nu, dat het hem niet duidelijk

is kunnen worden, waaraan het Militair

Gezag een bevoegdheid tot ingrijpen

in dezen vorm heeft gemeend te

kunnen ontleenen (!) en stelt vast

dat dit aan beschuldigde terzake van

de onderhavige gedraging op onregelmatige

wijze toegebrachte zeer

ernstige nadeel in rekening moet worden

gebracht bij de beantwoording

van de vraag, of de beschuldigde nu

nog verder moet worden getroffen. De

Raad beantwoordt deze vraag ontkennend,

ook omdat de beschuldigde juist

in het onderdeel van zijn bedrijf,

waarvan de uitoefening hem door het

M.G. is belet, n.1. de uitgave van de

Bussumsche Courant, tijdens de bezetting

ten koste van materieele offers

de juiste houding heeft betracht, en

hem de erkenning daarvan, die het

Tijdelijk Persbesluit met de mogelijkheid

van onmiddellijke herverschijning

had bedoeld, is onthouden. De

Raad besluit daarom, dat het nemen

van maatregelen op grond van het

Besluit Zuivering Bedrijfsleven achterwege

zal worden gelaten. Deze

uitspraak van den Centralen Zuiveringsraad,

welke naar zijn oordeel

de Commissie voor de Perszuivering

had behooren te geven, doet weldadig

aan, omdat daarin op zoo besliste

wijze afkeuring wordt uitgesproken

over een onrechtmatige

overheidsdaad zooals er helaas zoovele

na de bevrijding zijn voorgekomen.

Bij lezing van de scherp geformuleerde

overwegingen rijst voor het

geestesoog het vertrouwde beeld van

de geblinddoekte Vrouwe Justitia, die

sine ira et studio — zonder haat en

naijver — het voor en tegen voor den

beschuldigde tegen elkaar afweegt.

Voor dezen beschuldigde waren er

nog rechters in Den Haag, omdat de

Commissie voor de Perszuivering ditmaal

haar beslissing moest doen steunen

op het Besluit Zuivering Bedrijfsleven,

dat een tweede instantie kent.

In alle zaken evenwel, waarin de Commissie

beslist op grond van het Tijdelijk

Persbesluit 1945, ontbreekt zulk

een beroepsinstantie. Reeds maanden

geleden stelden wij vast, dat een hooger

beroep op pijnlijke wijze wordt

gemist; de behoefte aan een behandeling

in tweeden aanleg is er sindsdien

niet minder op geworden! Dat

hierin thans spoedig worde voorzien.

Ook processueel moeten wij den weg

naar den rechtsstaat hervinden.

Nat. Rott. Crt. — 4 October.

Vorübergehend eingestellt...

Neün Monate hat die Herrlichkeit

einer communistischen Tageszeitung

in der deutschsprachigen Schweiz

gedauert. Seit dem 1. Dezember 1945

erschien der „Vorwarts", das „Organ

der Partei der Arbeit der Schweiz",

taglich nachdem dies schon Monate

vorher in Aussicht gestelt war, aber

aus durchsichtigen Gründen nicht

verwirklicht werden konnte. In dieser

kurzen Spanne von dreiviertel

Jahren sind nicht nur ungezahlte

grüne Einzahlungsscheine verschickt,

verschiedene Werbekampagnen eröffnet

und Bettelaufrufe publiziert

worden, sondern hat das Blatt auch

sonst zahlreiche Wandlungen durchgemacht,

die- alle den Heim des Niederganges

in sich trugen. Eine der

Hauptanforderungen, die der Schweizer

an seine Presse stellt, ist die der

Soliditat und der Konstanz; in diesen

entscheidenden Punkten vermochte

der „Vorwarts" nicht zu genügen

und musste deshalb früher

oder spater vom Schicksal ereilt werden.

Dies war auch dadurch nicht zu

verhindern, dass die Zeitung „den

selben Namen wie die Zeitung Lenins

tragt" und dieser Name für die Herausgeber

als Verpflichtung aufgefasst

wurde, wie der famose Direktor Hirsch

alias Surava in einem „Brief aus dem

Gefangnis" seinen staunenden Anhangern

verkündete.

Ja, diesere Direktor! Wie hat er doch

dem „Vorwarts" die Merkmale seines

eigenen unsteten Charakters aufgedrückt,

die sich zeigten in einem

abenteuerhaften, hochstaplerischen

Geschaftsgebaren, in abnormen journalistischen

Exklusivitaten und in

einem grössenwahnsinnigen Streben

nach Macht. Mit Sentimentalitaten

aller Art mit dem Martyrerschein der

verfolgten Unschuld in Untersuchungshaft,

mit antikapitalistischen Bekenntnissen,

die ihm sowieso niemand

glaubte, sowie mit Verleumdungen

aller Art hat er gespielt, nicht aber

solid und seriös gearbeitet, wie das

das Schweizervolk von einem mitgroszer

Ve-rantwortung ausgestatteten

Herausgeber eines Presse-organs verlangt.

Es zeugt für ein gesundes Ur-


teilsvermögen unseres Volkes und in

diesem besonderem Fall der Arbeiterschaft,

dass es dem gefahrlichen Demagogen

nicht auf den Leim gekrochen

ist, sondern ihm, wie seinem

zweifelhaften Presseprodukt, die Gefolgschaft

versagte.

Wir sind uns durchaus bewusst, hier

nicht einen endgültigen Nekrolog auf

die kommunistische Publizistik in der

Schweiz zu schreiben. Der in der Partei

der Arbeit organisierten politischen

Minderheit soil, den demokratischen

Spielregeln entsprechend, das Recht

der freien Meinungsausserung unbenommen

sein, soweit es sich als legitim

erweist, das heisst nich durch

eine finanzielle oder geistige Ubhangigkeit

vom Auslande genahrt und

auch sonst dem Unsehen des Landes

nicht schadlich ist. Uebrigens scheint

sich das welsche Organ des Herrn

Nicole, die „Voix ouvrière", ja vorlaufig

halten zu können, so dass der

Vorwurf einer Vergewaltigung und

Entrechtung der Minderheit ohnedies

nicht am Platze ist. Denn es ist

ganz klar, dass sich die Herren Hirsch

usw. auch jetzt wieder als die unschuldigen

Opfer des „Systems" aufspielen

und dementsprechend Stimmung zu

ihren Gunsten machen werden. Sie

sind nicht in der Lage, die Gründe des

Verfagens in ihrer eigenen Unzulanglichkeit

zu,sehen, im Widerspruch, der

sich bei Typen wie Hirsch und Gmür

aus einem Konflikt der Ideologien

zwangsweise ergeben muss. Sie haben

sich der revolutioneren Bewegung

verschrieben, ohne sich persönlich

von den kapitalistischen Pesseln zu

lösen. Das ist der Grund ihres Versagens.

Das klagliche Ende des „Vorwarts"

aber zeigt einmal mehr, dass

der revolutionare Punke bei uns nicht

zünden kann, weil das Pulverfass

überhaupt nicht vorhanden ist.

St. Gallen Tagblatt — 6 September.

Protest Arnhemsche Persraad

Tot dusver hebben de Arnhemsche

dagbladen, in afwachting van een

verklaring van de officieele instanties

en van het comité tot herdenking van

den 17den September 1944, over de

incidenten tijdens de Airborne-herdenking

gezwegen en zich beperkt tot het

weergeven van protesten van Engelsche

journalisten.

Waar thans blijkt, dat men niet

voornemens is, deze aangelegenheid

alsnog aan een onderzoek te onderwerpen,

achten de redacties van de

Arnhemsche dagbladen het haar

plicht, ook harerzijds een krachtig

woord van protest te laten hooren

tegen de methodes van voorlichting

en het gebrek van medewerking van

de zijde van voornoemd comité en de

politie in Renkum en Arnhem.

In het comité ontbraken de menschen,

die aan de buitenlandsche en

Nederlandsche pers op behoorlijke

wijze inlichtingen konden verschaffen

over den gang van zaken, die men

blijkens ook tal van andere incidenten

niet voldoende beheerschte, zoodat

onaangename verwikkelingen niet

konden worden voorkomen. Waar men

van de zijde van de Arnhemsche persvereeniging

zich bereid heeft verklaard

aan de te elfder ure gedane

verzoeken tot medewerking, te voldoen,

treft het des te pijnlijker, dat

de Renkumsche politie in het bijzonder,

doch evenzeer de Arnhemsche

politie, iedere berichtgeving bij voorbaat

onmogelijk maakte.

Men heeft een kostbare gelegenheid

voorbij laten gaan om Arnhems gastvrijheid

ook in het buitenland te bevestigen.

De Arnhemsche persvereeniging

dringt er, gezien het voorgevallene

bij de bevoegde autoriteiten ten

zeerste op aan, dat dergelijke onaanr

gename incidenten in den vervolge

achterwege zullen blijven en dat men

ook in Arnhem eindelijk eens inzicht

zal toonen in de taak van de pers,

die al die duizenden vertegenwoordigde,

die niet in de gelegenheid waren

om de herdenkingen zelf bij te wonen.

Zwart krantenpapier

Trouw — Arnhem.

Naar onlangs werd bekend gemaakt,

zou een groep uitgevers van nieuwsbladen

in de V.S. met' ongeeer 12

uitgevers van Canadeesche nieuwsbladen

bijeenkomen in de kantoren der

American Newspaper Publishers Association,

ten einde de' groote vraag

naar krantenpapier, die in de geheele

wereld bestaat, te bespreken. Aan

het hoofd van de groep uitgevers

staat het uit 9 personen bestaande

bestuur van A.N.P.A. en Cranston

Wililams, algemeen leider der organisatie.

Medegedeeld werd, dat er op de vergaderingen

pogingen in het werk werden

gesteld om den export van krantenpapier

van Canada naar de V.S. te

vergroten. Er werd op gewezen, dat

vele Amerikaansche uitgevers zóó krap

krantenpapier bezitten, dat zij genoodzaakt

zijn het adverteeren te

rantsoeneeren. Volgens mededeelingen

zou het buitenland, dat eveneens gebrek

aan krantenpapier heeft, gaarne

meer betalen dan de basisprijs van

$ 74 per ton, vastgesteld door het

Office of Price Administration voor

het district New York en berichten

doen de ronde, dat de prijzen op de

zwarte markt varieeren van $ 240 tot

$300 per ton.

Het Financieele Dagblad —

10 October.

Onze eerste journaliste

Onze eerste Nederlandsche journaliste

Henriëtte van der Meij,

die eenigen tijd geleden in den

hoogen leeftijd van 96 jaar te Laren

overleed, was een officiersdochter.

Haar ouders hadden weinig contact in

niet-militaire kringen. Misschien was

dat wel de oorzaak, dat zij van

jongsaf aan een nimmer verminderende

belangstelling had voor al wat

zich in de wereld afspeelde. Zoo spoedig

als maar eenigszins mogelijk was,

wilde ze zelfstandig zijn. Als een der

eerste vrouwen in Nederland ging zij

Duitsch studeeren. In 1875 werd zij

leerares in deze taal aan de Middelbare

School voor Meisjes te Goes.

Tegelijk studeerde zij door voor een

hoofdacte Nederlandsch.

Maar ook dit beviel haar niet geheel

en al. Zij ging schrijven. Een

stukje, dat zij had geschreven over

„Nathan der Weise" werd opgenomen

in de „Portefeuille" van Taco de Beer.

Op dat eene stukje volgden er meer;

in het blad „De Lantaarn", in „De

Spectator" en in „Nederland". Schilderkunst

en letteren waren haar meest

geliefde onderwerpen.

In 1880 werd zij medewerkster aan

„De Amsterdammer". Onder het pseudoniem

„Enrichetta" schreef zij in dat

blad letterkundige critieken. Daarna

nam zij — tot zeer groote ergernis van

haar familie — een betrekking aan

als redactrice van de Middelburgsche

Courant. Heel Middelburg stond op

zijn kop ... een vrouw als journaliste,

zooiets had men nog nooit beleefd!

Mej. Van der Meij had er groote

belangstelling voor, maar zij klaagde

zeer over een gebrek aan contact met

vooraanstaande socialisten. Door bemiddeling

van Jeltje de Bosch Kernper

kreeg zij een betrekking bij het

blad „Belang en Recht" te Amsterdam.

Het was in dat blad, dat zij in

1892 den Duitschen Keizer als een

„zenuwachtige, rustelooze persoonlijkheid

met een onberekenbaar karakter"

schetste, een karakteriseering, die

maar al te waar is gebleken.

Enkele jaren later werd zij hoofdredactrice

van „Belang en Recht". Het

was een strijdorgaan voor vrouwenbelangen

en vertegenwoordigde de

„gematigde richting". In „Belang en

Recht" werd rustig gepleit voor vrouwenkiesrecht,

terwijl de andere richting

in den waren zin des woords

streed voor dameskiesrecht, dus een

kiesrecht, waartoe alleen de meer ontwikkelde

vrouwen gerechtigd zouden

zijn.

Niet alleen met de pen, ook met de

daad was Henriëtte van der Meij een

ijveraarster voor de vrouwenbelangen.

Zij richtte een ontwikkelingscursus

voor werkende vrouwen op (speciaal

voor de arbeidsters in de diamantindustrie).

Henri Polak was haar hierbij

een groote steun. Nadat het blad

„Belang en Recht" was opgeheven,

werd zij medewerkster aan het orgaan

van den Algemeenen Nederlandschen

Diamantbewerkers Bond.

Vakbeweging, arbeidswetgeving, vrouwenbescherming

en tallooze andere

onderwerpen met socialen inslag hadden

haar belangstelling. Bij de instelling

van den Hoogen Raad van Arbeid

werd zij tot lid benoemd.

Toen Henriëtte van der Meij in

December 1940 90 jaar werd, heeft het

haar in haar "huisje te Laren niet aan

belangstelling ontbroken.

Margriet — 28 September.

Vervelende kranten

Wanneer men een land en zijn bevolking

in enkele weken wil leeren

kennen, is het zeker niet voldoende

alleen maar rond te kijken of de krant

11


te lezen, moge het dan waar zijn, dat

de laatste dikwijls een afspiegeling is

van de levende gedachten. Ik mag

deze Engelsche kranten niet. Ze zijn

me te sensationeel, te oppervlakkig,

te zeer toegespitst op onbelangrijke

gebeurtenissen. Zoo heb ik me stierlijk

verveeld met een verhaal over de

koningin van Engeland, die haar been

bezeerd had. Het werd de lezers in

een twee en een halve kolom lang

artikel in geuren en kleuren voorgezet

en het gebeurde met een kennis van

bijzonderheden, die me verwonderd

deed afvragen of deze collega's soms

dag en nacht aan haar tafel en haar

bed zaten. Een anderen keer las ik

het curieuze verhaal van een sprekende

hond. Het was misschien minder

verbazingwekkend dan de reporters

het hun publiek schilderden, want

de hond scheen het niet verder te ;

kunnen brengen dan het nogal simpele

„I want one". Het waren heus

niet alleen de conservatieve kranten,

die zich aan dezen onzin bezondigden,

ook Labour deed braaf mee.

De Waarheid — 2 September.

Alleen op Malakka bestaat

een onafhankelijke pers

Uit een onderzoek van Ass. Press

naar de omstandigheden, waaronder

de pers in Zuid-Oost-Azië werkt, is

gebleken, dat, ofschoon de oorlog is

geëindigd, in Siam en Indo-China

geen persvrijheid bestaat. Alleen te

Singapore en in de Maleische Unie

bestaat een onafhankelijke en objectieve

pers.

De situatie in de verschillende landen

van Oost-Azië, elk op zichzelf beschouwd,

is als volgt:

In de Maleische Unie, die historisch

een van de groote centra der journalistiek

in het Verre Oosten is, keerde

de volledige persvrijheid met de Britsche

bezetting terug. De bladen brengen

aan een publiek, dat weet te lezen,

een ruime selectie van wereldnieuws.

Bijna elke officieele maatregel wordt

op zijn waarde onderzocht en, indien

niet juist bevonden, vrijmoedig becritiseerd.

Het Britsche Ministerie van

Koloniën moet het daarbij dikwijls

ontgelden. Aan ingezonden stukken

wordt groote aandacht geschonken.

Het algemeene resultaat van een en

ander is geweest, dat het redactioneele

gedeelte der bladen een ongeëvenaard

prestige geniet en groote invloed heeft

zoowel op de openbare meening als

op de maatregelen der autoriteiten.

In Siam werd na den geheimzinnigen

dood van koning Ananda

Mahidol een volledige perscensuur ingevoerd,

omdat — zooals de officieele

toelichting luidde: de kranten lasterlijke

artikelen publiceerden, waardoor

de regeering in verband werd gebracht

met den dood van den koning. Volgens

den tekst van het censuurbesluit

zou de censuur beperkt zijn tot de

berichten en artikelen over den dood

van den koning en over het grensgeschil

tusschen Siam en Indo-China,

maar toen de datum voor de tusschentijdsche

verkiezingen (6 Augustus)

(Slot onderaan pag. 15)

12

AND THE SUF

I am always curious about the state

of our nation, so when I learned from

an advertisement in a morning newspaper

some weeks ago, that Mr. Ward

Morehouse, dramatic critic of the Sun

(an evening newspaper), was going to

make a cross-country motor trip and

describe it in a series of articles to be

called, simply but inclusively, "Report

on America," I determined to follow

his peregrinations with fidelity. My

plan, I foresaw, would entail giving

some attention, even if involuntary, to

other ingredients of the Sun, and I

looked forward to this with sentimental

disquiet. All my recollections of the

Sun are associated with my maternal

grandfather, whose favorite evening

paper it was. I have seldom had

occasion to look at it since his death,

twenty years ago. I feared, in renewing

the acquaintance, the sort of shock

experienced by the city man who

returns to the site of his boyhood

toboggan slide and finds it occupied

by part of a Robert Moses Autobahn.

As soon as I bought a copy of the

Sun containing the first installment

of Mr. Morehouse's Report, I could see

that I need have had no apprehension.

Nothing essential had changed since

1926. It seemed as perfectly preserved

as the corpse of Lenin, a first impression

I subsequently confirmed by examining

a couple of July, 1926, examples

in the Newspaper Division of the Public

Library. Morehouse, who has been

on the staff of the Sun since 1926 and

is well preserved himself, contributed

to my reversed time-machine illusion

by beginning his Report with a dispatch

datelined June 3rd — no year specified

— from Baltimore, entirely devoted to

an interview with H. L. Mencken.

Mencken, who is sixty-five, complained

that softshell crabs, for wfnch his

mother had paid twenty-five cents a

dozen, were retailing for twenty-five

cents apiece. This he cited as a sign

of the decay of the times, adding, as

another, that he never saw any beautiful

women any more, an observation

that may have had a subjective basis.

* *

*

Mencken's income as a writer — seven

dollars a week in 1899 — has, Morehouse

failed to note, risen rather more

than twelve times. The philosopher's

value has therefore been inflated,

rather than diminished (as he seems,

v/ithout statistical basis, to believe), in

terms of softshell crabs. The Sun is a

Republican paper, and this summer,

as in 1926, the Republicans are thinking

about Presidential candidates two

years in advance. Mencken told Mr.

Morehouse that Senator Vandenberg

was the best man the Party had but

that the nomination would probably

Stassen." (I noticed in the course of

my Public Library research that

go to "some fraud like Bricker or

twenty years ago George Van Slyke,

who is still one of the Sun's political

experts, was telling his concerned

public that President Coolidge would

not run again. The choice for the

nomination lay between Longworth,

Lowden, Dawes, Hoover, and Watson

— news which, viewed in retrospect,

renewed my faith in the designers of

the Constitution. Had they provided

for a plural Presidency, 1928—1932

might have been five times as bad.)

"People are in a state of imbecility,"

the Baltimore bonze told Morehouse in

valediction. "The country is a wreck.

Don't ask me the remedy."

Morehouse,, having establised suspense

by this beginning ("Will he find

the remedy?" I asked myself. "Will he

save us?"), pressed on to Washington.

There, under the dateline of June 5th,

he interviewed, by coincidence, Senator

Vandenberg. He described Vandenberg

as the "bland and incisive ... tall, articulate

... suave, vital, cigar-smoking,

Grand Rapids-born Senator, who, in

the opinion of many observers here, is

the outstanding man in the Reublican

Party." The most cheerful words

America's Reporter could wring from

the incisive and articulate statesman

were: "President Truman is a dear

personal friend of mine. He has my

very great sympathy in the tragic

responsibilities which he bears." So,

Morehouse, leaving behind him what

he called he "Potomac city of the

incommunicable beauty," pushed 'on

South, the remedy still undiscovered.

Vandenberg, who is sixty-two, is a

callow interviewee by Morehouse standards,

but the Sun man built up his

average at Raleigh, North Carolina, by

seeking counsel of Josephus Daniels, a

very elder statesman of eighty-four.

Mr. Daniels said, "I've seen the days

when capital said, 'The people be damned,'

but I never expected to see labor

say the same thing."

Banging along indomitably in his

car, "the doughty little coupe, WM125,"

which he has implacably personalized

throughout his journey, Morehouse

Reported two days later, "It's wet, as

wet as only north Georgia can be

during a cloudburst." (How wet was

that? I wasn't sure.) But he kept right

on going, apparently hitting his typewriter

as the dougthy coupe ran itself.

"I've slowed down to a crawl," he

reported. "Something's in the road

ahead — Yes, a mule cart driven by

a colored man." ("Stop typing. Ward!"

I caught myself crying. "Grab that

wheel! Don't hit that colored man!")

STOOD STILL

Apparently he didn't hit tne colored

man, for a few days later he was

calmly filing from Laurel, Mississippi.

"Some day I shall write a book about

going across America with two typewriters,

three extra tires, a camera, a

shotgun, half a case of shells, and a

case of neuritis," he said in beginning

his Laurel dispatch, and one found

oneself suspecting that perhaps he was

already doing so. "Mississippi — here's

a State with all the languor of the

deep, deep South ... Soothing on the

ear are the sounds of the South —the

Sunday morning tolling of churchbells

in an Alabama hamlet and the low,

faraway whistle of a locomotive in the

middle of the night." Up here in New

York, we-all Yankees put whistles on

the churches and automatic electric

guitars on the locomotives.

On June 25th, still in quest of the

remedy for the nation's ills, Morehouse

arrived in Tishomingo, Oklahoma.

There he sought the wisdom of former

Governor Alfalfa Bill Murray, seventysix.

This brought the average years of

his major political consulants to seventy-two.

"If you want me to tell you

about the country right now, I can

only tell you it's crazy," Mr. Murray

said. "I'm telling you that the groundwork

for a panic is already laid; it

will reach its zenith in about 1953. The

Republicans will have a chance in

1948, a good chance, and they probably

will be blamed, but Roosevelt really

started it." Turning to foreign affairs,

he said, "You can't harmonize a pagan

mind with a Christian mind, an Asiatic

mind with a Caucasian mind. When

a person talks of stopping war, he's

going against all the lessons of history."

Evidently the Murray interview

was discouraging, for Morehouse

quickly got away from politics and has

since confined his Report to observations

of a more superficial nature.

Soda clerks and filling-station attendants

are civil or uncivil or tolerably

civil, he has reported, and traffic on

the road is sometimes heavy and sometimes

light, depending. Hotel rooms are

hard to find, many veterans are back

in civilian life, and the legitimate

theatre outside New York is not what

it was when it was in a more flourishing

condition than it is now. Morehouse

arrived on the Pacific Coast

eariy in Juli, tying the transcontinental

record for oxcarts with gentlemen

outriders, and not long afterward

interviewed Jim Jeffries, seventy-one,

on the state of the prize ring. Mr. Jeffries

took a dim view of it. He lost his

most recent fight to the late Jack

Johnson, in 1910.

Mr. Morehouse chronicled an interlude

of gaiety under the dateline of

July 10th, from Beverly Hills, Reporting

that he had on that day seen Howard

Benedict, Howard Reinheimer, Howard

Clothes, Natalie Schafer, Hicks Coney,

Tom Cobley, Sammy Colt, Colt 45,

Grace George, Radie Harris, Tommy

Guinan, Lana Turner, Jimmy Stewart,

Beulah Bondi, Lucille Hille, Arthur de

Liagre II, Vinton Freedley, Bob Taplinger,

Alvin de Liagre III, Ray Massey,

Marjorie Rambeau, Reginald

Denham, Mary Orr, Peter Dayey, José

Iturbi, Hugh G. Flood, Alexander de

Liagre IV, Man Ray, Arch Selwyn,

Selig Archwyn, Mary Anderson, Ethel

Barrymore, Billy Selwyn, Belwyn, Jessie

Royce Landis, Battling Norfolk,

Louis Hayward, Joseph Gotten, Monty

Woolley, Jimmy Gleason, Humphrey

Bogart, Jack Goodman, Arigelo Rizzo,

H. B. Warner, H. B. Twentieth Century,

I. J. Pox, Charles Towbridge,

Armand de Liagre, Alaric de Liagre,

Hume Cronyn, Pat O'Brien, Walter

Slezak, Lionel Barrymore, Ray Arcel,

George Brown, Eddie Bitzell, James A

Mac-Donald, the Original Dixie Kid,

Frank Morgan, Leon Ames, Bob Montgomery,

Oscar Karlweis, Isobel Elsom.

Ollie Thomas, Delmore Schwartz, Corporal

Izzy Schwartz, Cyril Connolly,

One-Eyed Connolly, Jr., Jimmy Cagney,

Angus de Liagre, William Harrigan,

Jackie Kid Berg, Van Heflin, Barbara

Stanwyck, Katherine Emery, Burgess

Meredith, Peggy Wood, Edmund

Gwenn, Will Rogers, Jr., William S.

Hart, Jr., and Alfred de Liagre, Jr.

As I write, Mr. Morehouse has arrived

in the State of Washington, where

he may either jump in the Pacific

Ocean (since there is so little hope for

us) or decide to come home in time

for next season's first nights.

While pursuing Mr. Morehouse, I

have been, as I had anticipated,

bemused by other of the Sun's archaic

charms, which, like the taste of

Proust's madeleine steeped in tea

brought back the sensations of an earlier,

happier time. I have discovered,

for example, with a curious atavistic

excitement, that H. I. Phillips, the

Sun's artisan of light verse, still conducts

the column called "The Sun

Dial." Mr. Phillips, in the summer of

1926, wrote like this:

Here lies Mary Jane McNeil,

Shot down by Henry Wumps

For asking after ev'ry deal —

„Now lemme see — what's trumps?"

I am happy to report that he has

lost none of his skill, and that he has

adapted his themes to the times. One

of his recent poems, slyly entitled

"Readjustment," goes like this:

Hunter College bids farewell

To the U.N.'s cosmic spell.

Now the Bronx from fog is cleared —

Double talk has disappeared.

And another, entitled "Epitaph

Any Statesman," like this:

Here lies "X"

Flat on his musha;

He tried to get

Accord with Russia!

for

This one could as well have run in

the Sun on the July day in 1926 it

carried the headlines:

100 M.P.'S MEET

IN ANTI-SOVIET

MOVE IN LONDON

Moscow Sending Airplanes

to Afghans

You all remember the destruction of

London by the Afghan Air Force, or

Afghawaffe.

m s

Fontaine Fox's Toonerville Trolley

still clangs throught the Sun comics,

as it did two decades ago. What I took

at first glance to be a new comic

strip called "George Sokolsky" (I was

perhaps misled by the illustration)

turned out instead to be an anti-labor

column written by a man named

George Sokolsky, who once broadcast

for the National Association of Manufacturers

and made speeches for the

American Iron and Steel Institute. Dr.

Sokolsky (he received an honorary

degree from Notre Dame recently) uses

In het voortreffelijke Amerikaansche weekblad „The New Yorker"

troffen wij dit artikel aan. Wij hebben het met zooveel plezier gelezen,

dat wij onzen collega's hetzelfde genoegen willen bereiden door het

onverkort over te nemen. Dit is nu een typisch voorbeeld van (eerste

klas) Amerikaansche journalistiek: een zéér ironisch, zéér knap-geschreven

en.bovendien zéér gedetailleerd stuk werk, waarin de befaamde reporter

van „The New Yorker", A. J. Liebling, op even fijnzinnige als scherpe

W %£ e i en £ t % tk steekt met het wa * ouderwetsche New Yorksche avondblad

„ihe Sun . Geen détail wordt verwaarloosd. Tallooze feiten moesten worden

verzameld om dit artikel zoo gedocumenteerd te maken als het is en

bovendien: men moet de pen fijn kunnen hanteeren om — zonder grof te

worden en zonder pijn te doen — zulk een doodelijk steekspel ten beste

te kunnen geven. Lieblings aanval heeft een repliek van de zijde van

„The Sun" tengevolge gehad. En daarna nog een wederwoord. Misschien

nemen wij die in den volgenden „Journalist" op. Leest Lieblings liefelijk

artikel en geniet!

13


much of his space to denounce propagandists

for the Political Action Committee.

The column points up the one

perceptible dif ference in the Sun

since Grandpa died. Its political and

economic position is the same, but

whereas in 1926 the tone was always

complacent, it is now occasionally

querulous.

* *

*

The Sun still tries to be decent to

those it opposes, however. For example,

David Lawrence, a Sun writer, called

upon Truman in a first-page editorial

on June 10th to sign the Case Bill,

in order that the President might gain

the support of more voters at the next

election. But when, one day later, the

President, ignoring this solicitous

advice, vetoed .the bill, the Sun ran

another first-page editorial, under the

heading "MR- TRUMAN'S SHOES

DON'T FIT." " 'Get the votes' was the

Pendergast creed on which Mr. Truman

was reared, and 'Get the Votes'

is his motto now," the editorial said.

The Sun, of course, was not being consistent.

Also, it made the President

look like a pretty altruistic man. The

editorial was illustrated with a cartoon

showing Mr. Truman wearing shoes

far too big for him, which in some

papers might have seemed a belated

tribute to Mr. Roosevelt. In order to

make sure that its readers, evidently

an unsubtle lot, got the point, the Sun

had labelled the shoes "PRESIDEN­

TIAL SHOES," and the editorial

ended, "In brief, Mr. Truman's presidential

shoes don't fit."

* *

*

Most of the sportswriters are the

same ones I used to read when I was

a boy, after Grandpa finished with

the paper, and iri the case of the

changes made necessary by the deaths

of the incumbents, the new men, like

Grantland Rice, who is sixty-five,

employ the idiom of their predecessors.

The dazed Dodgers still reel in defeat

in the Sun's baseball stories, and it is

a safe bet that, according to the Sun,

any Southern football team scheduled

to play Princeton will come North

from a campus with a tradition of

swords and roses to twist the Tiger's

tail while the shades of Big Bill Edwards

and other Nassau greats look

on in dismay.

I do not remember having seen

before "The Word Game," a form of

selftorture which invites the Sun's

readers to find as many words as

possible concealed in one big word

and write them down in a given time

limit. This time is based, I suspect, on

the trajectory between Grand Central

Terminal and a median point like Cos

Cob or Darien. Specialized departments

are the Sun's long suit. It has one

called "First Aid for the Ailing House,"

which tells how to make a studio

skylight by sticking broken glass

ashtrays together with Scotch Tape,

and another called "Let's Make Pictures,"

about photography. It runs „Culbertson

on Contract," "The Garden

Guide," "The Choir Loft," "The

Quester" (antique collecting), and

14

departments on philately, astronomy,

cats, tropical fish, and the diseases of

dogs.

* *

*

The paper still carries, as it did in

1926, a higher percentage of Associated

Press stories than any other daily in

town. It has few special correspondents.

For local coverage, the Sun used to

depend heavily on the defunct City

News Association. I don't know what

it does now about things that happen

on Manhattan. Its local staff has

always been small. Some years ago,

when I was working for another

evening newspaper, I soon got to know

the Tribune, Times, Post, and Hearst

men who covered the same type of

assignment, but it was rare that I met

a Sun reporter. Very early one morning,

in 1932 or 1933, I covered a stabbing

in the Sun city room itself. One of

the night Associated Press machine

operators had carved up a colleague.

The only Sun men present at the

crime, a couple of old lobster-shift

rewrite men, wearing green eyeshades,

had not even looked up to see if the

victim was dead. They were busy

sorting clippings from the morning

papers for rewrite. An ancient compositor

who met me as I came down the

stairs from the city room with my

notes asked me if I was Frank Ward

O'Malley. He explained that nobody in

the Sun building had hurried since

O'Malley left, in 1919. .

* *

*

In the first weeks of Mr. Morehouse's

anabasis, while I was wallowing nostalgically

in the Sun, I occasionally felt

that my pleasure might prove of short

duration. Grandpa, had he survived,

would now be ninety-six, and other

readers of this delightful anachronism,

I feared, must be dying off rapidly.

Would all the Sun's readers soon be

officially dead? Its circulation problem,

I figured, was something like that of

the foreign-language press since the

severe limitation of immigration. It

never occurred to me that there would

be new readers. I was reassured on

consulting a newspaper directory,

however, to find that the Sun's circulation

had not only held up but had

risen — from 257,000 in 1926 to 293,000

now. The gain of fourteen per cent

during a period in which the city's

population has increased twenty-four

per cent is not sensational, but it is

heartening (and confusing), nevertheless.

I can account for it only by one

or more of three suppositions:

a. The tide of the elderly, which for

so long flowed from the Eastern seaboard

toward the milder climate of

California, has turned, and Dr. Townsend

is promoting a mass infiltration

of New York.

b. The people who like the show at

the East Fifty-fourth Street night club

called the Gay Nineties (strong father

and mother fixations) read the Sun.

c. A certain number of Republicans

seep into the city every year, probably

following returning vacationists who

have been kind to them during the

summer. , — A. J. LIEBLING.

Mijnheer de Redacteur

Buitenlandsche „voorlichting"

In de Engelsche bladen trof ik op

1 October het volgende bericht:

FIRES

FOOTWARE FACTORY, DEN

BOSCH, HOLLAND

The Hague, Sept. 30.—Stocks of

boots and shoes were destroyed in a

fire started by an explosion from an

unknown cause at the Bata plant at

Den Bosch, Holland, during the night.

The factory itself was saved, but

damage was estimated at about

£500,000.—Reuter.

Zoo werd het buitenland ingelicht

over den brand, welke een deel der

Batafabriek te Best (N.B.) vernielde

en een schade berokkende, begroot op

f 1 millioen. B.

Wie heeft schuld?

Wat coll. C. Meyer en Johan Paauw

schreven over „Wantoestanden in de

Journalistiek" is helaas- waar. Uit

de gegevens die U over mij bezit, kunt

U opmaken dat ik ook nog niet de

leeftijd bezit, waarop het haar aan de

slapen begint te grijzen. Het heeft mij

dus des te pijnlijker getroffen dat men

over jongeren zo moet schrijven.

Natuurlijk, komen ook hier de vele

malen afgetrapte „passende schoenen"

in aanmerking. Overigens ben ik van

mening dat aan deze toestanden

hoofdredacteuren en directies van

kranten in niet geringe mate schuld

hebben. In vredesnaam, wie neemt

dergelijke lieden aan of handhaaft ze?

Volkomen ben ik het eens met den

Heer J. Paauw, die schrijft, dat verschillende

directies van ondernemingen

maar al te zeer „press-minded" zijn, en

dat ouderen den jongeren een voorbeeld

dienen te zijn.

Verder ben ik benieuwd, welk standpunt

coll. Paauw inneemt ten aanzien

van de persconferentie die enige maanden

geleden op het paleis Soestdijk

gehouden werd. De Anjer-collecte. U

zult het zich herinneren.

De auteur van „Schwenkingen" is

niet van een zekere geestigheid ontbloot.

De voorstelling van zaken, zoals

hij ze geeft, is echter niet geheel juist.

Het ligt niet op mijn weg, om als verdediger

van de in het stukje genoemde

mensen op te treden. Dat kunnen ze

zo nodig zelf wel.

Ik wil evenwel een kleine correctie

geven. De schrijver betreurt het, dat

er van zijn „lijfblad" niets meer over

is dan de naam van den directeur,

het telefoonnummer en het adres.

U zoudt mij kunnen verplichten

door hem mede te delen, dat dit juist

het beroerde aan de zaak is. Wanneer

deze man tijdig als directeur vertrokken

was, zou „N. Leezer" zijn „lijfblad"

nog gehad hebben.

Hoogachtend,

R. J. H. KROM.


Het recht op de primeur

Het wordt onder journalisten als een grief gevoeld, dat

allerlei overheidsinstanties — de goede uitzonderingen

daargelaten — onvoldoende begrip van de beteekenis van

de primeur blijken te bezitten. Hoe dikwijls overkomt het

een verslaggever niet, dat hij bij informatie moet ervaren,

dat zijn activiteit slecht beloond wordt, doordat de

betrokken instantie slechts genegen is een voor alle bladen

bestemd bericht over een aangelegenheid vrij te

geven. Klaarblijkelijk bestaat dan bij die instantie dikwijls

de vrees, dat andere bladen zich achtergesteld zullen

voelen, wanneer aan een krant bepaalde inlichtingen

worden verstrekt. Dit is echter een misvatting van de

beteekenis van de primeur; geen collega zal er bezwaar

tegen gevoelen, dat een ander, die actiever is geweest dan

hij, de eerste publiciteit krijgt.

Bestaat er tegenover de buitenwereld derhalve eensgezindheid

onder journalisten, wanneer het gaat om de

verdediging van het recht op de primeur, dan moet toch

de vraag gesteld worden, of wij ook zoo eensgezind zijn

in de erkenning van dit recht tegenover elkaar.

Het antwoord moet helaas ontkennend luiden. Wanneer

ik dit uitspreek, denk ik niet in de eerste plaats aan het

verschijnsel van het vrijwel niet verbloemde plagiaat, van

welken vorm van geestelijken diefstal in het jongste verleden

helaas enkele staaltjes waren te signaleeren. Neen,

ik denk aan een meer geraf fineer den vorm. Het komt

meermalen voor, dat, wanneer een blad met een bepaald

bericht is gekomen, dat kersversch nieuws betrof, in volgende

edities van andere kranten een soortgelijk bericht

verschijnt, dat èn door eigen formuleering èn door de

aanduiding „van onzen correspondent", den indruk van

originaliteit wekt. Dit verschijnsel moet meestal aldus

verklaard worden, dat deze eigen correspondent het

bericht heeft opgesteld na zich door zelfstandige informatie

de noodige kennis van de feiten te hebben verworven.

De aanleiding tot deze informatie was echter

dikwijls de primeur van een ander blad. Ik kan het niet

anders zien, dan dat in zulk een geval op de activiteit

van anderen is geparasiteerd en ik aarzel dan ook niet

dezen vorm van journalistiek evenzeer tot den geestelijken

diefstal te rekenen.

Dit verschijnsel is des te bedenkelijker, omdat hiervan

door sommige bladen een systeem wordt gemaakt.

Voor den oorlog waren er kranten, die het goede journalistieke

politiek achtten om alleen eigen berichten aan

den lezer voor te zetten; dit streven valt uiteraard te eerbiedigen,

wanneer er inderdaad sprake is van eigen

berichten. Dit systeem leidt er echter spoedig toe om het

aangehangen journalistieke beginsel zoo ver toe te passen,

dat het over den schreef gaat. Overneming uit andere

bladen is taboe.

Voorzoover zulk een journalistiek beleid gevoerd werd

op instigatie van directies, die zich in concurrentieverhouding

tot andere kranten voelden staan, valt het te betreuren,

dat daartegen van de zijde der journalisten niet

eerder krachtig front is gemdakt. Voorzoover echter dit

beleid voortsproot uit een bepaalde opvatting van de

journalisten zelf, moet deze opvatting mijns inziens worden

afgekeurd. Ik ucnt het uit een juist begrip van de

journalistiek voort te vloeien, dat de geestelijke eiaendom

onvoorwaardelijk wordt erkend. Dit sluit in, dat een

redactie, die een door een ander blad gepubliceerd bericht

belangrijk genoeg vindt om het ter kennis van de eigen

lezers te brengen, begint met het bericht over te nemen,

voorzien van bronvermelding. Wil men het na verificatie

aanvullen met eigen gegevens, dan bestaat hiertegen

natuurlijk geen enkel bezwaar. Deze nadere gegevens

moeten echter worden aangehaakt aan het overgenomen

bericht.

Ik ben mij ervan bewust dat in sommige gevallen een

krant den schijn van den hier behandelden vorm van

geestelijken diefstal te hebben gepleegd tegen zich heeft,

maar desniettemin volkomen vrijuit gaat, doordat de

betrokken redactie, onafhankelijk van wat anderen

deden, achter een bericht aanzat en alleen juist iets later

in het bezit van het nieuws kwam, zoodot het niet meer

dienzelfden dag kon worden meegenomen. Dat in een

dergelijk geval de redactie zonder eenig gewetensbezwaar

haar eigen bericht in een volgende editie plaatst, ligt

voor de hand^ Deze uitzondering bewijst, dat men voorzichtig

moet zijn met het uiten van beschuldigingen in

een bepaald geval. Het komt er dus op aan, dat in de

Nederlandsche journalistiek begrippen van eer en fatsoen

zoozeer gemeen goed worden, dat de goede trouw van een

redactie, die bovenbedoelde ongunstige schijn tegen zich

heeft, zonder meer mag worden aangenomen. Ik hoop dat

onder Nederlandsche journalisten een zoo hoog besef van

hun verantwoordelijke taak zal worden gewekt, dat men

bereid is de regelen van de journalistieke eerecode uit

eigen aandrift na te leven, ook al is de kans, op overtreding

_ betrapt te worden, uitgesloten. Wij laten er als

journalisten ons steeds op voorstaan, dat wij geestelijken

arbeid van bijzonder gehalte verrichten. Noblesse oblige.

M. R.

(Vervolg van pag. 12)

naderde, werd zij uitgebreid tot de

politiek in het algemeen. Op het oogenblik

mag niets zonder toestemming

worden gepubliceerd en een vrije pers

bestaat niet.

In Indo-China is de pers theoretisch

vrij, maar zij wordt in werkekelijkheid

streng door de regeering

gecontroleerd.

Het leidende Annamietische bladm

Saigon, Tin Diet, dat met toestemming

der Franschen weer was begonnen

te verschijnen, werd door de

regeeïing verboden wegens het publiceeren

van „kwaadwillige propaganda",

n.a.v. een artikel waarin de

door de Franschen ten doop gehouden

„Republiek Cochin China" wordt

vergeleken met „een soepketel op een

zeer zwak onderstel". De directeur

van het blad, Anna Se Troeng Gang,

deelde aan een correspondent van As.

Pr mede, dat het verbod afkwam na

een bezoek van een Fransch autoriteit,

die hem 48 uur gaf om zijn draai te

nemen naar een pro-regeeringspolitiek.

Bepaalde soorten nieuws worden

niet gepubliceerd of op weinig opvallende

plaatsen vermeld, volgens aanwijzingen

der regeering, het nieuws

betreffende den onafhankelijkheidsdag

der Philippijnen werd niet opgenomen

en evenmin werd melding gemaakt

van Siams beroep op de UNO

in verband met het geschil over de

grens met Indo-China. Pro-Vietnambladen

kunnen beneden den 16en

breedtegraad alleen ondergronds werken

en omgekeerd staat de Vietnamregeering

die 't boven den 16en breedtegraad

voor het zeggen heeft, geen

algemeene circulatie van pro-Fransche

bladen toe.

In Indië

Wat Ned. Oost-Indië betreft: een

Nederlandsch woordvoerder ontkende

het bestaan van een openlijke of geheime

censuur op de Nederlandsche

pers en verklaarde, dat de bladen

vrijelijk tegen de regeering mochten

schrijven. Hij gaf toe, dat „als gevolg

van gebrek aan de noodige middelen".

vele Nederlandsche bladen nog worden

gefinancierd door de Nederlandsen-

Indische regeering, maar zei de, dat al

het mogelijke wordt gedaan om het

krantenwezen tot een particuliere aangelegenheid

te maken.

Een Indonesisch woordvoerder ontkende

eveneens het bestaan van een

officieele censuur en hij wees er op,

dat de republikeinsche voorlichtingsdienst"

dikwijls onjuiste Indonesische

persberichten zet, doch in een A.P.-

bericht uit Batavia wordt gezegd:

„Een zorgvuldige studie van het Indonesische

pers- en radio-wezen, heeft

aangetoond, dat op de republikeinsche

„regeering" nooit critiek wordt uitgeoefend.

Nieuwe Haarlemsche Crt. —

4 September.

Simon Koster

Simon Koster van het Nederlandsche

Aneta-persbureau is gekozen tot

president van de „Foreign Press

Association".

A.N.P.-bericht.

15


Departementale voorlichtingsdiensten moeten verdwijnen

Over een rapport dat ons niet bereikte

De op 6 Maart 1946, naar aanleiding

van het Kamer-debat van Januari van

dit jaar ingestelde adviescommissie

overheidsbeleid in zake voorlichting, is

tot de slotsom gekomen, dat de afzonderlijke

voorlichtingsdiensten der

departementen moeten verdwijnen.

Slechts dient, zoo zegt de commissie

in haar rapport, één voorlichtingsdienst

over te blijven onder verantwoordelijkheid

van den minister-president.

Bij verschillende departementen

heeft de commissie misstanden aangetroffen,

welke een fel licht werpen

op de wijze waarop men in de eerste

maanden na de bevrijding met 'slands

financiën, waar het ging om de voorlichting,

heeft omgesprongen.

In haar algemeene beschouwingen

zet de commissie, die onder voorzitterschap

stond van mr. S. J. van Heuven

Goedhart, o.m. uiteen, dat aan voorlichting

van overheidswege in normale

omstandigheden een zeer veel geringere

behoefte bestaat dan onder abnormale

en dat onder zulke normale

omstandigheden het ^propagandistisch"

element der voorlichting achterwege

kan en moet blijven.

De commissie verwerpt de gedachte

van een afzonderlijke politieke verantwoordelijkheid

voor de voorlichting'.

Het is haar overtuiging, dat geen minister

zich zou kunnen neerleggen oij

een regeling, waarbij hij zijn politieke

aansprakelijkheid voor de van zijn departement

uitgaande voorlichting afstand

zou hebben te doen. Maar handhavende

het beginsel, dat iedere minister

jegens het parlement een eigen

voorlichtingsaansprakelijkheid draagt,

verwerpt de commissie de gedachte dat

deze versplintering der politieke verantwoordelijkheid

tevens zou moeten

of mogen leiden tot versplintering der

technische apparatuur. Integendeel —

zij is tot de slotsom gekomen, dat de

uitvoering der voorlichting zoo straf

mogelijk in één apparaat moet worden

geconcentreerd, en dat dit apparaat

dient te ressorteren onder de verantwoordelijkheid

van den minister-president.

Wat de voorlichting in het buitenland

aangaat, merkt de commissie nog,

op: Indien niet overwegingen van

noodzakelijke zuinigheid tot een andere

conclusie dwongen, zou voorlichting

in het buitenland door ons land

gezien moeten worden als een belang,

zoo primair, dat bij de behartiging

daarvan niet in de eerste plaats op de

er aan verbonden kosten zou moeten

worden gelet.

Niettemin wil de commissie met klem

opkomen tegen zuinigheid die de wijsheid

bedreigt. Het thans voor voorlichting

in het buitenland beschikbare

bedrag van rond twee millioen ligt beneden

de maat van het minimaal

noodzakelijke.

Zij hoopt dat de regeering een zoodanige

ontwikkeling van den nog jongen

dienst der directe voorlichting

RAAR MAAR WAAR.

Het A.N.P. mocht blijkbaar

inzage nemen van het

rapport van de adviescommissie

en het A.N.P. moest

dan maar het uittreksel maken,

dat —• o, wonderen der

huidige „journalistiek" — de

kranten, eensluidend uiteraard,

mochten plaatsen. Van

alle, derhalve vrijwel identieke,

uittreksels nemen wij

dan maar dat 'van „Trouw"

en wij plaatsen daar een stuk

commentaar van één der

dagbladen bij, het dagblad

welke hoofdredacteur tevens

erevoorzitter van onze N.J.K.

is. Wij bewonderen deze

vorm van persbureau-journalistiek

niet. Zouden gaarne

zelve beoordelen wat van dit

rapport, dat ons beroep en

zijn uitoefening zobijzonder

nauw raakt, van belang is

om ter kennisneming van

onze lezers te brengen. Maar

de redactie van „De Journalist"

heeft het rapport niet

ontvangen. Raar maar waar.

buitenland zal mogelijk maken als

overeenkomst met het uitermate groote

belang tot welks behartiging die dienst

in het leven werd geroepen.

Vervolgens gaat de commissie dieper

in op de toestanden op het gebied

van voorlichting zooals die bij verschillende

departementen bestaan.

Hierbij wordt met name gewezen op

de afd. Voorlichting van het departement

van Landbouw, die, aldus de

commissie, een volkomen doublure is

van den R.V.D. Zulks moet radicaal

veranderen. Voorts wordt gewezen op

het departement van Overzeesche Gebiedsdeelen.

De commissie trof hier

een situatie aan waarvan een der

functionarissen van het departement

ter commissie-vergadering erkende dat

zij organisatorisch een „onding" was.

De commissie voelde zich zeer bezwaard

over den vreemden organisatorischen

opzet van de voorlichting

van dit departement.

Andere diensten, waarover de commissie

opmerkingen heeft gemaakt,

zijn die van de Marine, van het dept.

van Oorlog, O., K. en W. Zij acht het

voorts aan ernstige bedenkingen onderhevig,

dat een directoraat-generaal

(bedoeld is het directoraat-generaal

voor Bijzondere Rechtspleging) een

eigen afdeeling voor publiciteit heeft.

Naast het orgaan van één voorlichtingsdienst

concludeert de commissie

tot een contactorgaan met den R.V.D.

bij elk departement.

Dit contactorgaan mag, daargelaten

de persconferenties, zelf alleen op

aanvraag van individueele journalisten

rechtstreeks voorlichting geven.

De commissie is er van overtuigd,

dat deze vereenvoudiging dringend

noodzakelijk is. Niet allereerst uit bezuinigingsoogpunt,

maar bovenal omdat

het gevaar reeds zichtbaar aanwezig,

is, dat een te veel aan overheidsvoorlichting

tegenzin opwekt bij

het publiek.

Als bijlage is o.m. aan het rapport

toegevoegd een kostenberekening voor

voorlichtingsdoeleinden, waarbij een

eindcijfer van 9 millioen gulden is

gecalculeerd. De commissie meent, dat

dit bedrag nog bij de werkelijkheid

ten achter blijft.

Een commentaar

„Voorlichting faalde" zet de Nieuwe

Courant ('s Gravenhage) boven een

(artikel „van deskundige zijde" luidende:

Het rapport van de „Adviescommissie

Overheidsbeleid i. z. Voorlichting"

(zie ons blad van Zaterdag j.1.) geeft

ons aanleiding tot de volgende opmerkingen.

Op critieke momenten in onze recente

historie is de officieele voorlichting

pijnlijk te kort geschoten.

Het vertrek van de Regeering en

vooral van de Koninklijke familie in

Mei 1940 gaf reden tot ernstige verwarring.

Door snelle en adequate

voorlichting had deze kunnen worden

voorkomen. Geïrriteerd door Duitsch

gebral, ergerden velen zich aan de

propaganda en het gemis aan

feitelijk nieuws van Radio Oranje.

Uit de vele dankbetuigingen na de bevrijding

bleek dat velen de meer objectieve

B.B.C, verkozen. Al moge het

waar zijn, dat voor velen een krachtige

anti-propaganda nuttig was, toch

moet worden geconstateerd, dat Radio

Oranje niet geheel heeft voldaan.

Het brengen van „tegengif", onder

de bevolking van Nederlandsch-Indië,

was tegenover de geraffineerde Japansche

propaganda een zaak van

hoogste oorlogsprioriteit. Nog niet

volledig vertrouwd met de democratische

beginselen, nog meer uit gevoelsvoerwegingen

reageerend dan de Westerling

en kiemen voor een anti-

Europeesche gezindheid bevattend,

konden de volkeren van Indië, bij gebrek

aan „tegengif", geen voldoenden

weerstand bieden. Alle, ontegenzeglijk

enorme, propaganda-technische moeilijkheden

hadden moeten worden opgelost.

Het welzijn der bevolking en

het Rijksverband stonden op het spel.

Dat de voorlichting over Indië in

Nederland — en omgekeerd — faalde,

behoeft in dit blad geen betoog. Zwijgen

wij ook over de voorlichting over

Indië in het buitenland.

Voorlichting

na de bevrijding.

Tenslotte de voorlichting in Nederland

na de bevrijding tot op heden.

Vooral voorlichtings-vakmenschen realiseerden

zich reeds tijdens de bezet-

16


ting, dat een der eerste voorwaarden

voor een spoedigen terugkeer van den

rechtstaat was gelegen in de onmiddellijke

beschikking over een soepel

functionneerende voorlichtingsapparatuur.

Reeds lang uit het evenwicht

gebracht, werd het volk overstroomd

door honderden nieuwe bepalingen en

tallooze leuzen. Beduusd door de vele

verschijnselen, nieuwsgierig naar alle

bijzonderheden uit binnen- en buitenland,

zocht het vooral hojuvast.

Slechts een snelle en vrije vorming van

een communis opinio kon hier baten.

De meeste, vertrouwde persorganen,

waarin men altijd steun had gevonden,

waren echter verboden.

De ex-illegale dagbladen, plotseling

in een volkomen andere vorm en

imet een geheel andere f unie tie,

waren het publiek vreemd, (Terloops

zij erop gewezen, dat het onjuist is,

om van „illegale pers" te spreken. Het

begrip „Pers" impliceert algemeene,

snelle en regelmatige openbaarheid;

een wisselwerking en daardoor een

zeker evenwicht tusschen de bladen,

welke tezamen „de pers" vormen).

Bovendien hadden de meeste nieuwelingen

te kampen met technische

moeilijkheden, gebrek aan deskundige

medewerkers en allen met papierschaarschte.

Men moet het de Londensche Regeering

wel zwaar aanrekenen, dat zij

door een perswet, getuigende van

wanbegrip t.a.v. de perstoestanden in

Nederland en door onvoldoende bevoorrading

met courantenpapier, een

waarlijk vrije pers onmogelijk maakte.

Temeer, omdat waardevolle adviezen

door deskundigen uit bezet gebied,

tijdig en herhaaldelijk aan Londen

waren doorgegeven.

Chaos op persgebied.

De voorlichtingshonger was zoo

groot, dat men alles las. Binnen

enkele maanden steeg de totaal oplaag

van alle dagbladen met ruim

60 % boven het vooroorlogsche niveau.

Er was een hausse in weekbladen.

Thans zijn er ruim 2000 — twee duizend

— (vakbladen e.d. inbegrepen),

circa 350 streekblaadjes en ruim 100

dagbladen. Tezamen verbruiken deze

bladen echter nog geen fractie van

hetgeen voor den oorlog werd benut.

Niets had sneller, natuurlijker, objectiever,

evenwichtiger en goedkooper

de zoozeer gewenschte voorlichting

kunnen geven dan een meer volledig

hersteld perswezen.

Weerhield vrees voor openbaarheid

— dit democratisch correctief — het

kabinet Schermerhorn?

Inplaats van herstel der beide

grondfouten kwam een verwarrend

en irriteerend element den chaos nog

vergrooten. Een stroom van overheidspiopaganda

brak los.

Waar begint propaganda?

Het is schier ondoenlijk te bepalen

waar v o o r 1 i c hj t i n g en propaganda

begint. Want iedere publicatie,

ja zelfs iedere daad, bevat

zekere propagandistische elementen.

Het is echter een feit, dat de Regeering

te veel den propagandistischen

kant is opgegaan. Over de misvatting

een „politieke figuur" als „Regeermgseommissaris

voor de Voorlichting"

te benoemen, is de Commissie

dan ook zeer duidelijk.

Voorts zijn er bij de organisatie der

Overheidsvoorlichting technische

en o.i. ook tactische fouten gemaakt.

Door een samenbundeling van

ervaren deskundigen, werkzaam op

de reeds bestaande departementale

persdiensten, voordat deze, altijd min

of meer „autonome", lichamen, hun

persafdeelingen lieten uitgroeien, ware

de thans bepleite „Unificatie" der

voorlichting beter bereikt. Ook te dien

aanzien is het te betreuren, dat aan

tijdig uitgebrachte adviezen geen gehoor

werd gegeven.

Volledige centralisatie der

Overheidsvoorlichting wordt echter

door de Commissie niet voorgestaan.

In het bijzonder t.a.v. de buitenlandsche

voorlichting, maakt zij een uitzondering.

Doch ook de persdiensten, verbonden

aan de voornaamste departementen,

zullen in de practijk niet zoo

klein kunnen worden, als de Commissie

zich dit voorstelt. Beperking is

zeker mogelijk en gewenscht. Zoozeer

i.j deze departementale voorlichting

afhankelijk en verweven met den departementalen

arbeid, dat een straffe

inkrimping na de goede ervaringen,

welke de pers bij bedoelde departementen

heeft opgedaan, een ernstig

verlies zou beteekenen.

Veel meer slechte

De Commissie werpt een duidelijk

licht op enkele slecht georganiseerde

voorlichtingsdiensten, waarvan er overigens

veel meer zijn dan het rapport

doet vermoeden. Na den oorlog ontstonden

niet alleen bij de Overheid,

doch ook bij semi-overheidsinstellingen

en groote particuliere lichamen

een ware woekering van persdiensten.

Veelal verantwoord, doch in tal van

gevallen een overbodige luxe. Soms

zat ook de kennelijke bedoeling voor

gratis publiciteit te maken ten koste

van de uitgevers. Daar snelheid in de

publiciteit bijna altijd voorop staat,

beteekent de inschakeling van een

„centrale voorlichtingsdienst" in de

practijk steeds vertraging.

Dit wat betreft de „informatieve"

voorlichting (Perscommuniqué's, e.d.).

T.a.v. meer „activeerende" voorlichting,

zooals campagnes (bv. voor sparen,

afval-inzameling), e.d.), te voeren

met alle middelen der moderne

publiciteit, waarbij snelheid meestal

niet premair is, moet centralisatie, uit

publiciteits-technische overwegingen,

noodzakelijk worden geacht.

De primaire plicht

„De Overheid is belast met de handhaving

van het staatsbestel en de uitvoering

van zijn wet." Indien derhalve

een overheidsinstantie de opdracht

heeft een bepaalden maatregel

uit te voeren, verkrijgt zij automatisch

de taak, daaraan afdoende publiciteit

te' geven. Zoodanig, dat de

'meest mogelijke samenwerking van

het publiek (of groep) wordt verkregen.

Natuurlijk zal de pers, op grond

van haar taak, alle verdere voorlichting,

welke zij noodig oordeelt, geven.

De primaire plicht berust echter

bij de Overheid. In het bijzonder,

wanneer het om zg. „activeerende"

voorlichting gaat, zou het onjuist

wezen, indien zij deze poogde te voeren

op de beurs van particuliere ondernemers

op voorlichtingsgebied.

Want deze kunnen hun sociale functie

slechts vervullen, omdat zij naast

brengers van nieuws en voorlichting,

tevens exploitanten zijn van reclamemedia;

en alleen zodoende in

staat zijn een goedkoope en daardoor

voor iedereen bereikbare werkelijk

openbare pers te maken.

Oppervlakkige kennisname van het

bedrag van ƒ9 millioen, dat per jaar

aan de Overheidsvoorlichting wordt

besteed, zal bij menigeen de vraag

doen rijzen, of dit bedrag niet te hoog

is. Gelet op de totale overheidsuitgaven

kan een dergelijke som, mits

doelmatig aangewend, stellig

verantwoord zijn.

Men bedenke slechts hoeveel er bespaard

kan worden, indien het publiek

tot volledige medewerking, bij

de uitvoering van een bepaalden maatregel,

is te brengen.

Meer overtuiging

Het ware te bereiken, dat men tal

van zaken ging naleven uit overtuiging

en minder op grond van dreigementen

en verordeningen. Verschillende

malen leest men in het rapport

„de cost gaet voor den baet uyt". Inderdaad,

doelmatig aangewende voorlichting

is loonend. Het advies van de

Commissie inzake verhooging van het

budget voor buitenlandsche voorlichting

verdient, in het licht van onze

noodzakelijke herovering van buitenlandsche

afzetgebieden en versteviging

van onzen goodwill, in de

wereld, alle aandacht.

Ten onrechte heeft de PROPAGAN-

DA-METHODE en zelfs voorlichting,

een slechte reputatie. Men denkt hierbij

steeds aan de Duitsche propaganda,

doch JUIST het beste bewijs, dat

op den duur alleen propaganda voor

een goed „artikel" loonend is en deze

METHODE zich zelf weet te corrigeeren,

werd tijdens de bezetting geleverd.

Dat voorlichting, en dit geldt ook

voor reclame, zoo weinig waardeering

heeft, is voor een groot deel het gevolg

van teveel amateurisme.

Vrij algemeen wordt b.v. door nietvakmenschen

de fout gemaakt de

voorlichting af te stemmen naar hetgeen

men zelf, of een beperkte kennissenkring,

als gewenschte publiciteit

beschouwt. Bij „activeerende

voorlichting" maakt men helaas te

weinig gebruik van de, door besteding

van millioenen guldens, verworven

ervaring bij de commercieele publiciteit.

De aanbeveling der Commissie een

onderzoek te doen instellen naar het

effect der voorlichting, zouden wij

dan ook met klem willen ondersteunen.

17


ALLERLEI

De opbouw

van den N.J.K. in zijn eerste

en tweede phase

Zaterdag 12 October kwam de

Kringraad van den N.J.K. te Utrecht

bijeen. Elke regionale groep was door

twee leden vertegenwoordigd. Voorts

waren er zes bestuursleden, waaronder

alle leden van het Dagelijksch

Bestuur. Het zaaltje in „Terminus"

was geheel bezet.

Een overzicht van den opbouw.

In overeenstemming met art. 18 der

Statuten werd de vergadering gepresideerd

door den Kringvoorzitter. Te

half een opende coll. Rooy de vergadering

er» sprak hij een inleidend

woord, waarin hij, na het welkom tot

de leden van den Kringraad, een overzicht

gaf van den opbouw van onze

organisatie. Die opbouw verkeert nog

steeds in zijn eerste phase, maar onderwijl

hebben we ook resultaten bereikt,

die tot de tweede phase kunnen

worden gerekend. Zoo bijvoorbeeld de

verschijning van „De Journalist". We

kunnen, aldus spr., de redactie van

ons orgaan niet dan erkentelijk zijn

voor het werk, dat zij geleverd heeft,

maar zal het goed zijn dan zal er nog

meer medewerking van de zijde van

de leden moeten komen. Hoe meer

stemmen uit de journalistiek hoe

beter! Als tweede verschijnsel, dat de

N.J.K. de tweede phase van haar opbouw

is ingetreden, wijst spreker op

het feit, dat a.s. Dinsdag (15 Oct.)

in Den Haag de eerste vergadering zal

gehouden worden van de Contact-

Commissie, waarin de N.J.K. en de

K.N.J.K. de vertegenwoordigers van

„De Nederlandsche Dagbladpers" ontmoeten,

om gezamenlijk de belangen

van de journalisten en de journalistiek

te bespreken. Hier onder vindt

men een communiqué over deze besprekingen).

Terugkomende op de eerste, nog

niet beëindigde phase van den opbouw

der organisatie, ging spreker na de

moeilijkheden, waarvoor het bestuur

stond. Allereerst moest het Secretariaat

op gang komen. Coll. v. d. Bergh

heeft op verzoek van den Kringraad

de waarneming van het Secretariaat

op zich genomen, daarbij geassisteerd

door den administrateur, coll. A. P.

Bongers. Al hebben beiden zich naar

vermogen aan deze zaak gegeven en

al maken beiden aanspraak op onzen

dank, zij zijn de eerste om te zeggen,

dat het nog lang niet vlot genoeg

ging. Niet van alle groepsfunctionarissen

werd genoegzame medewerking

ondervonden en niet alle leden waren

actief in het verstrekken van de

noodige gegevens. Ook door de verkiezingen

en de vacanties ondervond

het Kringwerk stagnatie. Spreker doet

een dringend beroep op een vlotte

18

OFFICIEELS

medewerking van alle groepsbesturen

en van alle leden, anders blijft de

organisatie in de periode van de kinderziekten.

Een andere moeilijkheid

was, dat eerst de Katholieke Journalisten-organisatie

op gang moest

komen, vóór dat de plannen tot het

stichten van een federatief verband

uitgewerkt konden worden. Eerst begin

September konden de besprekingen

daarover beginnen. Blijkens het

concept Federatie-reglement zullen de

Journalisten-Kringen, ook regionaal,

nu in het werk naar buiten terugtreden

en zal het openbaar optreden van

den N.J.K. en den K.N.J.K. grootendeels

via de Federatie van Nederlandsche

Journalisten geschieden.

Wat ons nu te doen staat.

We bieden nu, aldus spreker, een

statutenwijziging aan, waarmede tegemoetgekomen

wordt aan de wenschen

van de Algemeene Vergadering van

27 April j.1. en aan de noodige voorzieningen

ten aanzien van de op te

richten Federatie. Voorts komen nu

in bespreking concepten van een Algemeen

Huishoudelijk Reglement, van

een afdeelingsreglement, bedoeld als

leidraad, en van de sectie hoofdredacteuren,

die spoedig aan den gang

moet gaan. In voorbereiding is de

stichting van een sectie van Prot. Chr.

journalisten. Zeer gaarne zal het bestuur

deze oprichting bij de Algemeene

Vergadering bevorderen. Het is

de bedoeling van de leden van deze

sectie en daartoe zal ook alle gelegenheid

zijn, binnen het Kringverband

hun geestelijke belangen in vrijheid

te behartigen. De Kring telt nu 690

leden. Het maximum is nog lang niet

bereikt. Het contributie-bedrag mag

geen bezwaar zijn. Vóór den oorlog

was de contributie lager. Maar de

vooroorlogsche organisatie past niet

op dezen tijd. Het werk moet op een

andere basis geschieden, waardoor

betere resultaten kunnen worden bereikt.

Als de collega's met betere salarissen

bezwaren tegen de contributie

hebben, dan zou spr. dit een droef

verschijnsel achten. Spreker dringt er

bij de groepsbesturen op aan, na te

gaan, welke journalisten in hun rayon

nog voor den N.J.K. gewonnen kunnen

worden. Er zijn in het Kringleven

plaatselijk hier en daar nog eenige

moeilijkheden. In zijn openingsrede op

de Algemeene Vergadering van 27

April j.1. heeft spreker daarop uitvoerig

gewezen. Er zijn nog resten van

de wrijving tusschen de oude en de

nieuwe pers. Ziende op het groot doel

van onze organisatie moeten in ons

Kringleven zulke bezwaren geheel

overwonnen kunnen worden. Er zijn

aïdeelingen, die de moeilijkheden nog

niet vermogen op te lossen. Spreker

geeft in dit verband den raad: als er

in de hitte van den strijd dingen zijn

gezegd, die krenkend of onjuist waren,

neemt zulke woorden dan terug. Voor

een woord van verontschuldiging moet

niemand zich te hoog achten. Komt

een stapje tot elkaar en steekt de

hand uit!

Algemeene Beschouwing-en.

Na deze openingsrede traden enkele

leden in algemeene beschouwingen.

Ten aanzien van een eventueele salaris-noodregeling

werd er op aangedrongen,

ook de jongeren, die betrekkelijk

kort in het vak zijn, daarin te

doen deelen. Geantwoord werd, dat dit

de zaak moeilijker maakt en stagnatie

in de totstandkoming van de C.A.O.

zou kunnen veroorzaken. Voor oude

journalisten kan een noodregeling bestaan

in een toeslag op het salaris

van 1940. Voor de nieuwe journalisten

zou bij een noodregeling al direct een

minimum-salaris moeten worden voorgesteld.

Dit is dus een vooruitgrijpen

op de C.A.O. De voorzitter belooft

echter de zaak in de Contact-Commissie

ter sprake te zullen brengen. De

opmerking werd >voorts gemaakt, dat

bij de Inkomstenbelasting de Kringcontributie

kan worden afgetrokken.

Voorziening in het Secretariaat.

Omtrent de voorziening in het secretariaat

deelt de voorzitter mede, dat

van een benoeming van een eigen bezoldigd

secretaris kan worden afgezien,

omdat de Federatie-raad een bezoldigd

secretaris zal aanstellen, die in

onderling overleg benoemd zal worden.

Op het secretariaat van de Federatie

zullen alle administratieve werkzaamheden

voor beide Kringen, zoowel de

ledenstaat en de contributie-inning als

de administratie van „De Journalist"

Onze algemeene

vergadering

De Algemeene Vergadering

van den Nederlandschen

Journalisten-Kring zal gehouden

worden Zaterdag 23

November, des namiddags

te half een, in een zaal van

„Tivoli" te Utrecht (Kruisstraat).

De Beschrijvingsbrief met

bijbehoorende stukken wordt

eind van deze maand aan

de leden toegezonden. Wie

deze zending op 5 November

nog niet in zijn bezit

heeft, geve daarvan onverwijld

kennis aan het Secretariaat.

Het Kringbestuur verwacht,

dat de Afdeelingsbesturen

den Beschrijvingsbrief

ten spoedigste met

hun leden zullen behandelen.

Eventueele voorstellen,

amendementen en candidaturen

in te zenden vóór 15

November. Zaterdag 16 November

komt het Kringbestuur

in vergadering bijeen.

Alle stukken te adresseeren:

Secretariaat Ned. Journar

listen-Kring, N.Z. Kolk 28,

Amsterdam-C.


en „De Katholieke Journalist" verricht

kunnen worden. Beide organisaties

kunnen nu volstaan met een honorair

secretaris.

Groote eenstemmigheid.

Daarop kwam de reglementenbundel

in behandeling. Dit ging zeer vlot

in zijn werk. Enkele amendementen

werden overgenomen en eenige verbeteringen

werden aangebracht. Op

geen enkel punt ontstond een zware

discussie. Er behoefde geen enkelen

keer gestemd te worden. Dus het feit,

dat op een vergadering van den

Kringraad alleen de leden van dien

raad stemrecht hebben en de bestuursleden

van den N.J.K. slechts een adviseerende

stem, kon nog niet gedemonstreerd

worden. Er was zulk een

groote eenstemmigheid tusschen Bestuur

en Kringraad, dat de artikelsgewijze

behandeling van de vijf concepten

in een snel tempo verliep.

Uit de behandeling stippen we aan,

dat in art. 6 van de Statuten de gevallen

van ontheffing voor 1946 en

1947 soepeler geredigeerd werden dan

in het concept was aangegeven. Het

Reglement voor de Federatie werd

gepromoveerd tot statuten. In het artikel

over het Federatie-bureau werd

bepaald, dat de secretaris door den

Federatie-raad wordt benoemd en ontslagen

en dat zijn bezoldiging, rechtspositie

en instructie door dezen raad

zal worden geregeld.

De Contributie-regeling.

In het artikel over de contributie

(Algem. Huish. Regl art. 54) werden

eenige wijzigingen aangebracht. Niet

om aan te sturen op een lagere contributie.

Integendeel: niemand voerde

het pleit voor minder contributie. Wel

gingen er stemmen uit de vergadering

op om er bij het bestuur op aan te

dringen in eventueele voorstellen tot

contributie-verlaging niet te treden.

Als de Kring wat presteeren wil, moet

niet op de contributie worden afgedongen.

De wijzigingen in het contributie-artikel

hadden enkel tot doel

het progressief karakter van de contributieheffing

nog sterker tot uiting

te brengen en het mogelijk te maken

dat zonder reglementswijziging de contributie

verlaagd of verhoogd kan

worden. De progressie werd aldus ontworpen:

|% voor inkomens tot en met

ƒ3000.—; 1% voor inkomens van

ƒ 3001.— tot en met ƒ 5000.—; 1| %

voor inkomens van ƒ5001.— tot en

met ƒ 7000 —; 1J% voor inkomens van

ƒ7001.— tot en met ƒ9000.— en 1|%

voor inkomens boven ƒ9001.—. De

mogelijkheid tot verlaging of verhooging

der contributie wordt gevonden

door elk jaar op een Algemeene Vergadering

de vermenigvuldigingsfactor

te doen vaststellen. Voor de weerstandskas

zullen geen speciale bijdragen

worden geheven. Uit de Kringkas

wordt 10% van de inkomsten voor

de Weerstandskas bestemd. Het komt

er dus op neer, dat met ingang van

1947 alle Kringkosten uit de Kringcontributie

bestreden worden, dus ook

de kosten van de groepen (afdeelingen),

van de secties, van het orgaan

en van de Weerstandskas.

De regionale indeeling.

Na de behandeling van de reglementen

kwam nog de indeeling in

regionale groepen ter sprake, welke

in de gewijzigde statuten afdeelingen

zullen heeten. Met name wat Drenthe

betreft is er onzekerheid, wat bij

„Groningen" en wat bij „Oostelijke

Pers" hoort. Van de zijde van „Oostelijke

Pers" zal een nadere regeling

worden voorgesteld.

Op 23 November Algemeene

Vergadering.

Bij de rondvraag werd voorgesteld

den datum van de Algemeene Vergadering

nog wat te verschuiven, opdat

de leden de stukken thuis kunnen

hebben vóór de groepen vergaderen.

De Algemeene Vergadering wordt nu

gesteld op Zaterdag 23 November.

Getracht zal worden de stukken voor

2 November aan de leden te doen toekomen.

Nadat bij de rondvraag nog verschillende

vakbelangen en persaangelegenheden

waren besproken, werd

deze zoo wel geslaagde vergadering

van den Kringraad precies te 4 uur

door den Voorzitter gesloten.

De stukken vóór 16 November naar

het Secretariaat.

Daarop hield het Bestuur nog een

korte vergadering, waarin weer een

klein vijftigtal candidaat-leden tot

het lidmaatschap van den Kring

werd toegelaten. • Het Bestuur komt

16 November weer in vergadering bijeen.

Alle stukken voor de Algemeene

Vergadering, voorstellen, amendementen

en vraagstukken, moeten dus het

Secretariaat van den Kring voor 16

November bereikt hebben.

Vergadering van de

contactcommissie van

N.D.P., N.J.K. en K.N.J.K.

Parlementaire

Perstribune

Tot voorzitter van de parlementaire

journalisten is gekozen

dr. E. van Raalte, v. Dorpstraat

22, Scheveningen, telef.

554000.

In geval collega's, welke niet

tot de parlementaire journalisten

behooren, met het oog op

hun werk, gedurende eenbijeenkomst

van een der Kamers, toegang

tot de Kamer zouden willen

hebben, gelieven zij zich,

indien eenigszins mogelijk, te

voren met den voorzitter van de

parlementaire journalisten in

verbinding te stellen, aangezien

alle zitplaatsen op de perstribune

bezet zijn, zoodat reeds uit dien

hoofde verleening van gastvrijheid,

hoe gaarne die ook in

acht genomen zou worden,

moeilijkheden met zich mee kan

brengen. Uit den aard der zaak

is echter de bereidheid ten volle

aanwezig dan toch te willen

bevorderen en daaraan mede te

werken, dat collega's, die in verband

met hun arbeid daaraan

behoefte mochten hebben, in

staat worden gesteld een vergadering

van de Kamer bij te

wonen.

Den 15den October 1.1. werd te

's-Gravenhage gehouden de eerste

vergadering der door de Vereeniging

„De Nederlandsche Dagbladpers 1945",

den N.J.K. en den K.N.J.K. gestichte

Contact-commissie.

De N.D.P. is in deze commissie vertegenwoordigd

door de heeren J. v. d.

Kieft, J. Kuypers, W. v. Norden en

Mr. Veenhoven; de N.J.K. door de

heeren Mr. M. Rooy en J. J. F. v. d.

Bergh, de K.N.J.K. door de heeren L.

Hanekroot en A. L. G. M. v. Oorschot,

terwijl Mr. C. A. Steketee als secretaris

optrad.

Op deze eerste verga/iering werd

Mr. Veenhoven vervangen door het

plaatsvervangend lid der N.D.P. delegatie,

den heer N. v. d. Drift.

Op voorstel van Mr. M. Rooy werd

met algemeene stemmen besloten, dat

het voorzitterschap der commissie

jaarlijks bij afwisseling zal worden

waargenomen door den voorzitter van

de N.D.P. 1945 en den voorzitter der

door den N.J.K. en K.N.J.K. te stichten

Federatie, met dien verstande, dat

de voorzitter der N.D.P. 1945 zich het

eerste jaar met het voorzitterschap zal

belasten. De heer v. d. Kieft aanvaardde

het voorzitterschap voor het

eerste jaar.

Representatie-commissie.

Besloten werd tot instelling van een

representatie-commissie voor zaken de

representatie betreffende, in welke

commissie zitting krijgen de heer W.

v. Norden N.D.P. 1945, de secretaris

der N.D.P. 1945, een door het N.J.K.-

of K.N.J.K.-bestuur aan te wijzen lid

en den te benoemen secretaris der Federatie

van Ned. Journalisten (in afwachting

van diens benoeming zal hij

door den N.J.K.-secretaris worden vervangen)

.

Legitimatiekaart.

Hierna zijn besprekingen gevoerd

over de invoering van een model-legitimatiekaart

voor journalisten, welke

kaart zal moeten zijn voorzien van

een foto van den betrokkene en gewaarmerkt

zal moeten zijn door diens

werkgever en door het bestuur der in

oprichting zijnde Federatie van Ned.

Journalisten. Besprekingen ter zake

zullen worden gevoerd met den Directeur-Generaal

der Rijkspolitie, — mede

ook over de intercommunale regelmg

der perspenningen, welke voor speciale

doeleinden worden uitgegeven in de

plaatsen, waar een hoofdcommissaris

van politie is.

Het ligt in de bedoeling om bij invoering

van een uniforme-legitimatiekaart

alle thans in omloop zijnde perskaarten

te doen vervallen.

Salarissen-journalisten.

Overeenstemming wordt bereikt over

het in het leven roepen van een salariscommissie,

waarin zitting zullen

hebben 5 leden, benoemd door het

19


N.D.P.1945-bestuur, en 4 leden, benoemd

door het bestuur der in oprichting

zijnde Federatie van Journalisten.

Deze commissie heeft tot taak het

ontwerpen van een concept-C.A.O. voor

journalisten.

Op verzoek van de vertegenwoordigers

van de journalisten-organisaties

zal deze commissie op korten termijn

een noodrekening 1945 samenstellen

voor die gevallen, waarin het salaris

van den journalist, werkzaam in dezelfde

functie als vóór 1940 sindsdien

geen enkele salarisberhooging is toegekend.

Uitgesproken werd, dat de

Commissie zich tot doel moet stellen

allereerst te geraken tot vaststelling

van eenige algemeene richtlijnen,

ondr meer deze, dat een vrhooging van

het salarispil van 10 Mei 1940 met

25% niets onredelijk moet worden geacht.

Uitgaande van deze richtlijnen

zal de commissie in ieder haar voorgelegd

geval afzonderlijk een concret

adveies, dat overigens uw partijen

niet bindend zal zijn, hebben

te geven. In dit verband werd uitgesproken,

dat een verhooging van het

salarispeil van 10 Mei 1940 met 25 pet.

niet onredelijk moet worden geacht.

Besloten werd dat zij, de meenen onder

zulk een „noodregeling-1945" te

vallen, zich met een schriftelijk gemotiveerd

verzoek kunnen wenden tot

het secretariaat van de in oprichting

zijnde Federatie van Nederlandsche

Journalisten, Bureau N.J.K., N.Z.

Kolk 28, Amsterdam-C.

Ontslag Journalisten.

De Contact-Commissie besloot voorts

besprekingen te openen om te komen

tot een meer practische regeling inzake

het geven van advies door de organisaties

van werkgevers en werknemers

aan de Gewestelijke Arbeidsbureaux,

betreffende bij die bureaux aangevraagd

ontslag van journalisten.

Persconferenties.

In verband met het zich steeds verder

uitbreidend euvel der persconferenties

besloot de Contact-commissie

in het leven te roepen een Persconferentie-commissie,

welker taak zal zijn

advies uit te brengen inzake het al pf

niet gevolg geven aan uitnoodigingen

voor persconferenties, welke niet een

louter plaatselijk karakter hebben. Het

adres dezer Persconferentie-commissie

werd gevestigd bij het secretariaat deiin

oprichting zijnde Federatie van

Ned. Journalisten, N.Z. Kolk 28, Amsterdam-C.

Wanneer het persconferenties

betreft, die een zuiver plaatselijk

karakter hebben, bepale men in onderling

overleg ter plaatse het standpunt,

dat de pers in ieder incidenteel geval

heeft in te nemen, zij het ook aan

de hand van algemeene richtlijnen,

welke de Persconferentie-commissie zal

samenstellen en die vooral het verleenen

van gratis-publiciteit voor reclame

zullen moeten tegengaan. Wanneer

echter twijfel rijst of het plaatselijk

karakter niet wordt overschreden, verwijze

men den aanvrager naar. het

secretariaat der Persconferentie-commissie.

Kennemer

Arnhemsche Persvereniging

Journalisten-vereeniging

Dezer dagen is, naar het Vrije Volk

In de vergadering van de Kennemer

Journalistenvereeniging is besloricht

de Arnhemsche Persvereeniging,

(en De Journalist niet) vernam, opgeten

een definitief bestuur te benoemen. waarbij zich alle te Arnhem werkende

Gekozen werden Mevrouw Blaauw—De l journalisten van de plaatselijke dag-

Ridder, J. H. Bartman, S. Baarda, D. 1 bladen heben aangesloten. Doel is de

Koning en A. Overmeer. De ledenver­'gadering benoemde coll. Bartman tot j. belangen en het inschakelen van de

behartiging van gemeenschappelijke

voorzitter. De overige functies zijn als 5 pers, daar waar dit voor een vlotte

volgt verdeeld: A. Overmeer, secretaris

(Schoterweg 192 te Haarlem); D. moet worden. Men heeft hier in het

gang van zaken gewenscht geacht

Koning, penningmeester; S. Baarda, bijzonder gedacht aan het voorkomen

tweede voorzitter en Mevrouw Blaauw-'

van incidenten, zooals die zich ook

De Ridder, tweede secretaresse-penningmeesteressededen.

bij de jongste gebeurtenissen voor­

Tot leden van den kringraad werden L Het bestuur werd als volgt samengesteld:,

de heeren R. Kroes, voor­

aangewezen Mevrouw Blaauw-De Ridder

en A. Overmeer en tot plaatsvervangende

leden S. Baarda en J. H. Faber, penningmeester. Secretariaat:

zitter; K. J. Douma, secretaris; M. J.

Bartman.

Burgemeestersplein 6.

Het vraagstuk van de vakopleiding

Van het eerste oogenblik van zijn

wederoptreden heeft de Kring zich ten

doel gesteld een behoorlijke vakopleiding

tot stand te brengen. Zooals met

zoovele andere aangelegenheden het

geval was, bleek oo kte dezen aanzien

de noodzaak om de vorming van de

Federatie van Nederlandsche Journalisten

af te wachten, alvorens op dit

terrein stappen te ondernemen. Dit is

dan ook de reden, dat het Kringbestuur

er van heeft afgezien om de door

den Kringraad benoemde commissie

voor de vakopleiding bijeen te roepen.

Daarenboven was van den aanvang af

voorzien, dat de totstandkoming van

een vakopleiding overleg met de dagbladdirecteuren

zou vereischen. Niet

alleen immers de journalistenstand

zelf, doch ook de dagbladondernemingen

zijn er ten zeerste bij gebaat, dat

net beroep door vakbekwame journalisten

wordt uitgeoefend. In het kader

van de samenwerking tusschen bedrijfsgenooten,

welke thans algemeen

als een eisch des tijds wordt beschouwd,

past het dus, dat het belangrijke

probleem van de vakopleiding in

onderling overleg tot oplossing wordt

gebracht. Bovendien zal de opleiding

voor een belangrijk gedeelte in het

dagbladbedrijf moeten geschieden,

waarvoor uitteraard de volle medewerking

van de directeuren vereischt is.

We zwijgen nog maar van de kosten,

welke een opleiding zal meebrengen en

die zeker niet alleen door de journalistenvereenigingen

kunnen, noch behoeven

te worden gedragen.

In de eerste vergadering van de contactcommissie,

gevormd door vertegenwoordigers

van de Dagbladpers en van

de samenwerkende journalistenorganisaties,

bleek een gemeenschappelijke

overtuiging te bestaan, dat het vraagstuk

gezamenlijk moet worden aangepakt.

Als de meest urgente voorziening

voor de journalistiek dient op dit

oogenblik echter de regeling van de

sociaal-economische positie van den

journalist aan de orde te worden gesteld.

Zoodra deze regeling haar beslag

heeft gekregen, zal onzerzijds de kwes-

tie van de vakopleiding op het tapijt

worden gebracht. We loopen hierop

thans niet vooruit. Inmiddels mag

echter op dit gebied geen toestand

groeien, welke voor het perswezen • onaanvaardbaar

zou blijken. Dit gevaar

dreigt inderdaad, doordat verschillende

onderwijsinstanties zich ook met de

opleiding voor de journalistiek in eenigerlei

vorm gaan bezig houden.

We denken hierbij niet in de eerste

plaats aan de schriftelijke cursussen,

welke door allerlei instituten, al dan

niet met medewerking van journalisten,

worden aangeboden. Naar ons is

gebleken, meenen tal van gegadigden,

dat zij door het volgen van een dergelijken

cursus een volwaardige opleiding

ontvangen, welke de deuren der

dagbladen voor hen zou openen. Daargelaten

dat het programma van dergelijke

schriftelijke cursussen zonder

overleg met de organisaties van het

perswezen zijn opgesteld en onderling

ook zeer groote verschillen vertoonen,

is het duidelijk dat het „schrijvende"

vak niet „schriftelijk" kan worden geleerd,

doch dat een practische opleiding,

naast de verwerving van theoretische

kennis, onmisbaar is. De journalisten,

die hun naam aan dergelijke instituten

hebben verbonden, mogen

daarom voor zichzelf overwegen, of het

niet beter is hun belangstelling voor

de journalistieke opleiding te richten

op de plannen, welke de Federatie en

de N.D.P. gezamenlijk zullen ontwerpen

en tot uitvoering zullen brengen.

Bij het opstellen van deze plannen

zal ongetwijfeld in overweging worden

genomen, de medewerking in te roepen

van instellingen van hooger onderwijs

en van algemeen erkende onderwijsinstituten.

Voorzoover deze zich met de

opleiding voor de journalistiek willen

inlaten, zullen deze zich bij den opzet

en den inhoud van hun leerprogramma's

dienen te richten naar de eischen,

welke het georganiseerde dagbladbedrijf

zal meenen te moeten stellen.

Daarom heeft de contactcommissie besloten,

zich te wenden tot de senaten

van universiteiten en hoogescholen, alsmede

tot de besturen van bovenbe-

20


PERSZUIVERING

Perszuivering. Ik ben er mij van bewust,

dat ik dit woord neerschrijvende

boven een artikeltje voor „De Journalist"

een uiterst gevaarlijk terrein

heb betreden. Want men behoeft 't

mij, die als waarnemend secretaris

van den Kring in de gelegenheid ben

geweest om kennis te nemen van de

meeningen in den Kring (die secretariaatswaarneming,

daar ben ik ingekropen,

dat vergeef ik Schraver

nooit! — maar dat is een andere

kwestie!), men behoeft mij niets te

vertellen, dat er over de kwestie der

perszuivering in onzen kring verschillend

gedacht wordt! Er zijn..., neen,

ik ga niet verder op dit pad. Ik ben er

mij maar al te zeer van bewust, hoe

noodig het is, dat wij als journalisten

bij elkaar blijven, dan dat ik... een

knuppel in het hoenderhok zou werpen

en de eenheid van en in den

Kring, die wij aan het voorzichtig en

vooruitziend beleid van het voorloopig

comité te danken hebben (ik kan dit

gerust schrijven, omdat ik zelf buiten

dat comité stond) bij de heroprichting

van den Kring verkregen hebben,

in gevaar zou willen brengen.

Maar ik meen toch te mogen constateren,

dat de gang van zaken bij

de perszuivering ons geen van allen

geheel heeft bevredigd. En er zijn in

het jongste verleden oogenblikken geweest,

waarop onmiskenbare beroeringen

in den journalistieken eendenvijver

zijn ontstaan.

Natuurlijk hebben deze ook hun

weerslag gevonden in het bestuur van

den Kring, dat — wat men er ook

van zou willen zeggen (de alg. vergadering

van 23 Nov. a.s. zal daarvoor

alle gelegenheid bieden!) — er toch

niets van beschuldigd kan worden, dat

het ten aanzien van deze kwestie

eenzijdig zou zijn georiënteerd.

Nu zij er hier eerst aan herinnerd,

dat het bestuur in de stichtingsvergadering

van den Kring in „Krasnapolsky"

te Amsterdam, opdracht heeft

gekregen om bij de Regeering stappen

te doen ' inzake den tragen gang

bij de perszuivering en inzake ongewenschte

gevolgen van de per^guiveringsprocedure.

Aan het eerste gedeelte

van dezen opdracht heeft het bedoelde

onderwijsinstituten, met het

verzoek te worden erkend bij het ontwerpen

van programma's, welke de

journalistiek betreffen.

In dit verband moge nog melding

worden gemaakt van het aanbod, dat

het Genootschap voor Internationale

Zaken te 's-Gravenhage onlangs aan

de pers heeft gedaan. Dit Genootschap,

dat zich ten doel stelt belangstelling

bij het Nederlandsche volk te wekken

voor de internationale politiek, stelt

zich voor, cursussen te organiseeren

voor bepaalde groepen, zooals vakvereenigingsleiders,

journalisten, e.a.,

waartoe het Genootschap deskundige

sprekers heeft uitgenoodigd. Dit aanbod,

gedaan ter gelegenheid van een

stuur zoo spoedig als mogelijk was,

gevolg gegeven — d.w.z. toen het inmiddels

demissionair geworden kabinet-Schermerhorn

door het ministerie-

Beel was opgevolgd. En wellicht zijn

sommige collega's nog niet bekomen

van hun verbazing over den in onze

parlementaire verhoudingen toch zeker

adembenemenden spoed, waarmede de

nieuwe minister-president op het adres

van het Kringbestuur heeft gereageerd.

Het tweede gedeelte van de opdracht

der Kringvergadering was hiermede

niet in het vergeetboek geraakt,

al ware dit bij den omvang der werkzaamheden

van het bestuur om het

apparaat van den Kring op gang te

brengen, wellicht mogelijk geweest.

Maar de snelle ontwikkeling der dingen

— wat leven wij snel! — en de

beroeringen in den meer genoemden

vijver — die natuurlijk ook doorkabbelden

in den bestuurskring — op

zichzelf een gezond teeken van democratisch

verhoudingsgevoel in een

organisatie zonder uitgewerkte reglementen!

— zorgden er wel voor, dat

deze zaak binnen den bestuursgezichtskring

bleef.

Zoo is het bestuur dan op een

oogenblik direct vóór deze kwestie geplaatst,

waarbij de leiding der gedachtenwisseling

om bepaalde redenen

kwam te berusten in handen van een

tijdelijk waarnemend voorzitter, daar

nog niet in de functie van vice-voorzitter

is voorzien.

Nu zij nog vermeld, dat enkele leden

van den Kring, als bestuursleden van

den ouden N.J.K. getroffen door het

feit, dat in de zuiveringsprocedure van

een der dagbladen de kwestie van het

beleid van het bestuur van den ouden

Kring betrokken is, zonder dat zij,

die toch allereerst daarvoor verantwoordelijk

zijn over dat beleid zijn gehoord,

zich tot het bestuur van den

nieuwen Kring hebben gewend (zoolang

de Curacaosche kwestie niet is

opgelost, worde maar van den ouden

en den nieuwen Kring gesproken) met

het verzoek, dat het huidig bestuur —

in dezen optredende voor hen als leden

— stappen zou doen om te voorkomen,

dat zich zooiets in verdere zuiveringsprocedures,

de dagbladen betreffende,

zou herhalen.

Het bestuur heeft daarop besloten

door het Genootschap belegde conferentie,

is door den voorzitter van den

N.J.K. gaarne aanvaard. Niet alleen

aankomende journalisten, doch ook

oudere collega's kunnen slechts baat

hebben bij een stelselmatige behandeling

van bepaalde onderwerpen, waaraan

zij door de jachtige, dagelijksche

beslommeringen niet gemakkelijk toekomen.

Het vorenstaande toont wel aan, dat

de samenwerkende organisaties thans

bereid zijn de grondslagen te leggen

voor een opleiding, welke zal bijdragen

niet alleen tot een vergrooting van de

vakbekwaamheid, doch evenzeer tot

een maatschappelijke verheffing van

het beroep. M. R.

om, mede gevolg gevende aan het

tweede gedeelte van de opdracht der

Kringvergadering, bij de Regeering

een audiëntie aan te vragen. Daarbij

heeft het zich, op grond van de verkregen

inlichting, dat de verdere behandeling

der perszuiveringsaangelegenheden

door den minister-president

was overgedragen, aan zijn

collega van Onderwijs, Kunsten en

Wetenschappen, gewend tot minister

Gielen. Deze bewindsman antwoordde

echter, dat bedoelde overdracht van

bevoegdheden nog niet had plaats

gehad, waarom Z.Exc. het verzoek om

een audiëntie had doorgegeven aan

den minister-president. Waarop al

spoedig minister Beel bericht zond,

dat hij de gevraagde audiëntie gaarne

wilde verleenen.

Dus toog een delegatie uit het bestuur,

bestaande uit mevr. v. Meurs—

v. d. Burg en de. coll. A. J. Koejemans

en ondergeteekende, versterkt

met den voorzitter van den Ned. Kath.

Journalisten Kring, coll. L. Hanekroot

(met wien terzake steeds contact was

gehouden) ter audiëntie bij den minister-president.

In de omstandigheid,

dat intusschen de behandeling der

perszuiveringsaangelegenheden wel aan

den minister van O. K. en W. was

overgedragen, vond Z.Exc. gelukkig

geen reden om de door hem verleende

audiëntie niet te doen doorgaan!

In deze audiëntie zijn drie punten

ter sprake gebracht.

Allereerst het nog steeds ontbreken

in de perszuiveringsprocedure van

een hoogerberoepsinstantie.

De minister-president deelde echter

dadelijk mede, dat hem juist van den

Persraad een voorontwerp-Perszuiveringswet

had bereikt, waarin voorstellen

inzake het in het leven roepen

van zulk een instantie zijn opgenomen.

Al moest minister Beel — zoals

hij verklaarde — dit voorontwerp

nog nader bestuderen — de daarin

opgenomen mogelijkheid voor hooger

beroep heeft zijn volle instemming.

En het is zijn voornemen als voorzitter

van den Ministerraad het daarheen

te leiden, dat het wetsontwerp voor

het einde van dit jaar zal worden behandeld,

opdat de wettelijke regeling

dezer materie het thans en tot 1 Jan.

a.s. geldend Perszuiveringsbesluit zal

kunnen vervangen.

Het tweede punt, dat ter audiëntie

in bespreking kwam, was het mengen

van het beleid van het bestuur van

den ouden Kring in de perszuivering.

De minister-president meende er de

delegatie op te moeten wijzen, dat de

beoordeeling van dat beleid niet een

zaak was der Regeering, doch van

den Kring zelf en dat in het bedoelde

geval, dat aanleiding heeft gegeven

tot het in geding brengen dezer kwestie,

den betrokkene slechts verzocht is

inlichtingen over deze zaak te geven,

terwijl zijn aandeel in dit beleid geen

deel uitmaakt van de overwegingen

der Perszuiveringscommissie ten aanzien

van het optreden van den betrokkene

als journalist.

De derde ter audiëntie ter sprake

gebrachte kwestie was de invoeging

in de perszuiveringsprocedure van de

figuur van den openbaren aanklager,

21


JOURNALISTIEK JOURNAAL

A Eerst iets over „De Journalist"

zelf. Nu wij het derde nummer ter

perse leggen weten wij pas dat allerlei

vak-problemen ook óns deel zijn

en nog zullen worden. Daar is bijvoorbeeld

de rubriek „Van alle kanten en

kranten", die wij vrij-willekeurig moeten

samenstellen. Immers, wanneer

wij alle persstemmen over ons vak, die

op onze redactie-tafel belanden in die

rubriek zouden willen opnemen, dan

konden wij al ons papier alléén daaraan

reeds kwijt worden. Wij trachten,

in toch altijd nog zeer beperkte ruimte,

, die rubriek zoo veelzijdig mogelijk

te maken. En ook zoo „objectief" mogelijk.

Maar het blijf t een maandelijksche

worsteling.

• Over de objectiviteit van die rubriek

gesproken: wij hebben aanleiding

om nóg eens heel duidelijk te

zeggen, dat de redactie zich van de

meeningen, die erin worden geuit,

volledig distancieert. Zij neemt er geen

enkele verantwoordelijkheid voor op

zich en met vele, door haar geplaatste,

meeningen van anderen is zij het volslagen

ön-eens. Mogen wij dit nu

voorgoed als bekend veronderstellen?

• In dit nummer (en in komende

nummers) zal dit zeer waarschijnlijk

eveneens het geval zijn) staat nogal

heel wat in vreemde taal. Wij hadden

de keuze tusschen 1) niet opnemen, 2)

in het Nederlandsen vertalen, 3) in de

vreemde taal opnemen. Wij kozen 3.

Omdat 2 zooveel tijd kost dat het ons

onmogelijk is. En omdat 1 zonde zou

zijn voor al het interessants dat de

lezers van ons orgaan dan zouden

moeten missen.

• Wij hebben lang gepeinsd over de

klachten van verschillende zijden in

onze vorige nummers geuit over zich,

ten opzichte van onze vak-moraal misdragende,

collegae. Zou het, zoo overwogen

wij, niet mogelijk, ja zelfs

waarschijnlijk, zijn, dat een deel dier

misdragingen, haar grond vinden in

te lage salarieering? Zou een man met

een ruim salaris zich zooveel moeite

terzake waarvan de delegatie den minister

verzocht te mogen vernemen,

welke overwegingen den minister ertoe

hebben geleid deze figuur in de procedure

in te brengen.

Al vond minister Beel — zooals hij

lachend. opmerkte — dat de audiëntie

wat ging gelijken op het stellen van

vragen door een lid van het Parlement,

toch maakte hij geen bezwaar

op die vraag te antwoorden en hij

verklaarde, dat de invoeging van den

openbaren aanklager is geschied op

verzoek van juridische raadslieden

van in perszuiveringsprocedures betrokken

personen. En uit door Z.Exc.

ontvangen rapporten is hem gebleken,

dat deze invoeging in de procedure

zoowel door de leden der Perszuivegeven

voor de verovering van een

hem niet toekomend lunch-pakket?

Wilt ü de zaak óók eens van dien

kant bezien?

• Behalve aan de moraal zouden wij

ook aan de taal aandacht gewijd willen

zien in onzen kring. Op dit punt

is het erbarmelijk gesteld. Wat heeft

men veelal moeite met de geslachten.

In vele kranten worden — om een

klein voorbeeld te noemen — de namen

van voetbalverenigingen dan

weer mannelijk en dan weer vrouwelijk

genomen. — „A.P.C, en haar kansen"

—• „H.B.S. werd van haar plaats

gedrongen". Mogen wij even schoolmeesteren

en de onthulling doen dat

zelfs Emma en zelfs Wilhelmina (als

het Voetbalclubs betreft) onzijdig zijn.

Wij spreken van het snelle „Emma"

en van het oude „Wilhelmina". En

zoo is het óók met alle namen van

steden. Het schoone Amsterdam en

zijn fraaie grachten. En, gelooft ons,

dit is maar één van de tallooze, steeds

weer begane, taalfouten.

• Zoo zien wij (veel te) dikijwijls

de woorden „behartenswaardig" en

„politioneel". Het is „behartigenswaardig"

en „politieel". Denkt U eraan dat

de taal „gansch een volk" is? En dat

zij tot onze kostbaarste (en niet

„waardevolste") bezittingen behoort?

• Wij hebben twee weekbladen voor

ons liggen. Het eerste is „De Schouw",

hoofdredacteur: Francois Drion. Het

tweede: „Op Wacht", hoofdredacteur

Mr. J. H. Smeets. De redacties zijn

verder ook geheel verschillend. Maar

de redactioneele inhoud is volkomen

identiek. Wat is dit voor rare „journalistiek"?

En wat denken die lezers

erover die op beide bladen geabonneerd

zijn en precies het zelfde in

duplo voorgezet krijgen? Wij vinden

dit raar en naar. Daarom signaleeren

wij het.

• Schrijver dezes had onlangs in een

Hagsch blad in een Amsterdamschen

Brief geschreven, dat hij van

een portier van een Amsterdamsche

ringcommissies als door de „verdedigers"

der opdrachten ten zeerste is en

wordt gewaardeerd. Z.Exc. wees er

daarbij op, dat al neemt de openbare

aanklager in de perszuiveringsprocedure

een zelfde plaats in als de ambtenaar

van het Openbaar Ministerie in

een strafgeding, hierdoor het karakter

der zuiveringsprocedure niet wordt

aangetast en de practijk hem heeft

bevestigd in de verwachtingen, die

bij de invoeging van déze figuur in de

procedure zijn gekoesterd.

Ziedaar in 't kort het verloop der

audiëntie. Het binnenkort te verschijnen

wetsontwerp inzake de perszuivering

zal ongetwijfeld gelegenheid bieden

voor nader beraad.

v. d. B.

kroeg vernomen had, dat deze geüniformeerde

gezagsdrager ƒ20.000 per

jaar verdiende. Zes weken later werd

aan schrijvers deur geklopt door

twee rechercheurs van de Centrale

Recherche (af deeling fiscaal). De

heeren wilden den naam van den portier

weten. Schrijver dezes antwoordde:

„ik ken des portiers naam niet,

doch wanneer ik die wèl kende zou

ik dien'nog niet mededeelen; want

er bestaat een beroepsgeheim voor

journalisten, zoo al niet materieel

dan toch moreel". De recherche-heeren

ontkenden dit met overlegging

van een wettelijke bepaling, dat iedereen

verplicht is der overheid mededeelingen

te doen, die haar kunnen

helpen overtreders op te sporen. —

Afgezien van de prijzenswaardige

ijver onzer Centrale Recherche —

Wat vindt u hiervan? Wie deelt ons

zijn oordeel hierover mede?

• De materie van de toegestane

grootte der weekbladen willen wij hier

niet aanroeren, doch wèl willen wij

melding maken van de uitzonderlijke

houding ten deze van de „Haagsche

Post", die van 12 op 16 pagina's is

gegaan en, onder het motto „langzaam

aan dan breekt het lijntje niet"

geen onmiddellijk gebruik maakt van

de haar toegestane 20 pagina's. De

heer Van Oss schrijft: ,,eerst een week

of wat zestien bladzijden en dan naar

de twintig. Rustig overleggen en

schikken is noodig om ons aan te

passen aan den nieuwen en beteren

toestand. Het zit hem heusch minder

in de kwantiteit dan in de kwaliteit".

De heer Van Oss is een bejaard

man, doch hij is een rot in het vak.

Een slimme rot. „Slim als eene

mensch" zeggen ze in Noord Brabant

(waar hij — te Boxmeer — geboren

werd). Wij komen ook uit Noord

Brabant en wij gelooven stellig, dat

de heer Van Oss gelijk heeft. Een

slecht blad blijft slecht al verschijnt

het met meer pagina's. En een goed

blad blijft goed, al komt het met

zestien in plaats van met twintig

bladzijden. Wij zijn er van overtuigd,

dat de lezers er precies zóó over denken.

Er zijn bladen, die hun geringe

succes wijten aan hun geringe omvang;

terwijl zij dat moesten doen aan

hun geringe belangrijkheid.

• Wanneer wij één ding kunnen

leeren van de (goede) Amerikaansche

en Engelsche journalisten, dan is dat,

dat zij nimmer met elkaar polemiseeren.

Dat geschiedt in Nederland

nog altijd te veel. Het gezeur tusschen

blad A. en blad B. en blad C en blad

D. is ontstellend vervelend. Bovendien

blijft iedereen altijd gelijk houden.

Wij hebben het tenminste nog nooit

meegemaakt, dat A. „bij nader inzien

en overtuigd door de argumenten

van onze geachte collega" B. gelijk

gaf tenslotte. — Dacht u dat de lezers

dit lazen?

9 Wij vernamen, dat de raad aan

de nEgelsche redactie heeft rondgetelext

om de afschuwelijke post mortem

foto's van de gehangenen van

Neurenberg niet in de (kranten te

plaatsen. En wij vernamen ook, dat

dit — behalve op grond van moreele

overweging — gedaan is om de con-

22


DE STATEN WENSCHEN GEEN PROPAGANDA

Hier volgt een gedeelte van het verslag

van een vergadering van de Staten

van Curacao, ontleend aan het

Curacaosche dagblad „Beurs- en

Nieuwsberichten".

Ook was er een verslag van de Eerste

Commissie naar aanleiding van een

brief van Z.E. den Gouverneur, waarin

de wensen van de Staten betreffende

de oprichting van een Voorlichtingsdienst

worden gevraagd. Deze brief is

onlangs in de Eerste Commissie met

enkele vertegenwoordigers van de Curacaose

pers besproken die hun inzichten

omtrent de voorlichting aan de

commissie hebben medegedeeld.

De Eerste Commissie stelt thans de

tekst van een brief voor, die door de

Staten aan den Gouverneur zal worden

gezonden. Daar een aantal leden, die

niet bij de commissie-vergadering tegenwoordig

waren de tekst van deze

brief nog niet ontvangen hebben, besluit

de Voorzitter de Vergadering een

ogenblik te schorsen, opdat zij kennis

kunnen nemen van de inhoud.

De brief luidt als volgt:

Ter voldoening aan het verzoek, vervat

in de gouvernements-depeche dd.

3 September 1946 No. 6244 hebben de

Staten de eer Uwer Excellentie te berichten,

dat de daarin neergelegde indruk

van den Heer Minister van Overzeese

Gebiedsdelen inderdaad het inzicht

der Staten weergeeft.

De aandacht moge er op gevestigd

worden, dat de Heer Minister spreekt

van een „voorlichtingsdienst", terwijl

Uwe Excellentie vraagt te mogen vernemen

of de Staten instemmen met dé

instelling van een gouvernementspersdienst.

Hierbij zij direct aangetekend, dat

de Staten niets voelen voor een gouvernementspersdienst.

Volgens het inzicht der Staten bestaat

er behoefte aan een wederzijdse

voorlichingsdienst, die Nederland op

elk gebied van voorlichting dient en

omgekeerd. Een dergelijke instelling

dient los te staan van welke instantie

ook. De Staten menen, dat hiervoor als

.beste vorm die van een stichting gekozen

kan worden, waarin Curacao en

Nederland financieel participeren.

De Staten zijn gaarne bereid een

bedrag voor dit doel te bestemmen.

Zij stellen zich voor, dat het personeel

door het bestuur der stichting benoemd

zal worden en bestaan zal uit Nederlanders

en in dit gebiedsdeel geborenen,

dat de stichting in Nederland en

currentiezucht ten deze te beteugelen.

En staan de Britsche hoofdredacteuren

niet sterk genoeg in hun journalistieke

schoenen om iets, dat zij

onoirbaar achten niet te plaatsen

— ongeacht den goeden raad van vadertje

Staat en ongeacht wat Collega

Concurrent misschien zou willen

doen?

E.

in de Nederlandse Antillen een bureau

zal hebben, waar personeel uit beide

rijksdelen werkzaam zal zijn.

Het Statenlid Mr. E. Cohen Henriquez

verklaart zich na heropening van

de vergadering accoord met de inhoud,

doch merkt op, dat de onafhankelijkheid

van bedoelde stichting zal bewerkstelligd

moeten worden van de oprichting

af. Daarom zal het nodig zijn,

dat een kapitaal voor de instandhouding

voor een termijn van minstens 5

jaar reeds bij de oprichting wordt ter

beschikking gesteld of dat de jaarlijkse

subsidie voor een aantal jaren

tegelijk wordt toegekend, zodat de

Stichting niet later bij Bestuur of Staten

behoeft aan te kloppen om financiële

steun.

Dr. da Costa Gomez is van mening,

dat de gedachte van Mr. Cohen Henriquez

een zeer juist element bevat. De

stichting moet direct bij haar ontstaan

in volle omvang een onafhankelijk karakter

hebben. Het bezwaar dat de

Staten tegen de Gouvernementspersdienst

hebben is, dat hij totaal afhankelijk

is en in de plaatselijke bladen

zijn van de hand van het hoofd van

deze dienst artikelen verschenen, die

niet van grote bescheidenheid en objectiviteit

blijk gaven.

De persoverzichten, die door de

Gouvernementspersdienst worden gemaakt

geven geen juist overzicht. Aan

stukken die voor het Bestuur een aangenaam

karakter hebben wordt een

prominente plaats verleend.

De bedoeling is dat Nederland en

Curacao zo nauw mogelijk samenwerken

om zo nauwkeurig mogelijke inlichtingen

aan belangstellenden te geven

en niet alleen om persoverzichten

samen te stellen.

Het ambtelijk karakter van de voorlichtingsdienst

moet verdwijnen. Wel

kan een ambtenaar aan het bureau

worden verbonden, doch het bureau

zelf moet onafhankelijk zijn.

De Staten wensen geen propaganda,

doch objectieve voorlichting en voor

de laatste zijn wij bereid een flink

kapitaal te voteren, opdat deze voorlichtingsdienst

er komt.

Hef Koninklijk bezoek aan Brussel

Ik denk niet, dat de collega's, die in

Brussel waren, toen M.M. de Koningin

haar bezoek aan België bracht, met

veel plezier aan die dagen terugdenken.

Daarvoor waren de omstandigheden,

waaronder gewerkt moest worden,

te ongunstig. De politieke situatie

vooral met betrekking tot Z.M. den

Koning verhit nog te zeer de gemoederen

van onze zuidelijke naburen dan

dat men het bezoek van onze Koningin

hiervan los wist te maken, met

als gevolg vandien bij de zijde dei-

Belgische autoriteiten een groote persschuwheid,

hetgeen op zijn beurt weer

een terugslag had op de noodzakelijke

medewerking van de Nederlandsche

autoriteiten.

Van een normale reportage kan dan

ook nauwelijks gesproken worden en

daarom was het zeer aangenaam te

ontdekken, dat ondanks het feit, dat

de moeilijkheden redelijkerwijs de rivaliteit

tusschen de Belgische en Nederlandsche

collega's tot ongezonde

proporties hadden moeten aanwakkeren,

onze Brusselsche collega's, met

aan het hoofd den oud-minister

Hoste en den heer Bogaerts, alles in

het werk hebben gesteld hun Nederlandsche

vrienden hartelijk te ontvangen.

Op Donderdagavond werd een

cocktailpartij aangeboden door den

heer Van der Berkhof van Kockeningen,

persattaché der Nederlandsche

ambassade en kapitein Rutte, officier

in algemeenen dienst van H.M., waar

talrijke dames en heeren van de ambassade

en de journalisten elkaar ontmoetten,

gevolgd door een diner door

de Brusselsche journalisten aan hun

Nederlandsche gasten aangeboden.

De heer Koster hield daarbij een

speech, welke naast alle geestigheden

sterk naar voren bracht hoezeer in

België — en terecht — de noodzaak

van een nauwe samenwerking tusschen

België, Luxemburg en Nederland

wordt gevoeld; een samenwerking op

schier ieder gebied met'een oprechte

vriendschap en een wederzijdsch begrip

van eikaars standpunten en moeilijkheden

als basis.

Niet ten onrechte merkte de heer

Koster op, dat de journalistiek in beide

landen veel aan het bereiken van

dit einddoel kan bijdragen.

F v. STEENDEREN.

HEAR, HEAR!

You can teach almost any

intelligent kid the general form

of reporting, how to round up

all the facts of a story, how to

assemble them into words for

publication within the limits of

the space allotted and in a manner

that satisfies the desk and

fully informs the readers.

But that is the mechanical

phase of reporting only. It has

no relation to the art of She

profession. The artistic phase

of reporting is the ability to

put not only facts into the

story, but color and human

interest, also feeling and good

taste. The last elements are, I

think, most important.

DAMON RUNYON

23


COURANTEN IN BEVOEGDE

Het Engelse Zondagsblad „The

Observer" blijkt door de eigenaren

te zijn gesteld in handen van

trustees, die de volledige zeggenschap

over het blad hebben gekregen.

Voor de „Times" en

„The Manchester Guardian" waren

al vroeger overeenkomstige

maatregelen getroffen. Ook deze

bladen staan onder toezicht van

een Kleine groep mannen van

zodanig geestelijk gezag, dat de

kans in uitgesloten, dat zij in

handen zouden komen van duistere

politieke invloeden of alleen

ter wille van vurig gewin geëxploiteerd

zouden worden.

Wij hebben, zo schrijft de

Nieuwe Haagse Courant, in oorlogstijd

wel ontdekt, dat een

dagblad niet alleen een zaakje is,

waaraan men geld mag verdienen,

zoals vroeger wel werd gedacht,

maar een zaak van de,

hoogste en principieelste betekenis,

die niet alleen door commerciële

motieven mag worden beheerst.

Het is in zekere zin de

HANDEN

tragiek van sommige krantencollaborateurs

uit oorlogstijd, dat

zij hebben gemeend alleen maar

commerciële maatstaven te hoeven

aanleggen aan de leiding

van hun courant — waardoor zij

een willige prooi zijn geworden

van Duitse en nationaalsocialistische

invloeden.

De eerste gedachte, die men

na de oorlog heeft, is dus: dat

nooit meer. Een courant is niet

alleen maar object van commerciële

exploitatie en zou het in

beginsel misschien helemaal niet

mogen zijn. De meest gewenste

vorm zou dus zijn, dat de dagbladen

in handen waren van een

zo breed mogelijke kring van

hun lezers, die dan het feitelijke

toezicht aan een kleine raad van

vertrouwensmannen in handen

gaven.

De N.H.C, vervolgt:

Helaas zijn wij bij de grote

meerderheid van de Nederlandse

dagbladen daar nog ver van af.

De zuivering van de Nederlandse

pers heeft zich uitgestrekt tot

een vrij groot aantal personen,

maar heeft de financiële belangen

achter de verschillende bladen

in het algemeen op schandelijke

wijze ongemoeid gelaten.

Het effect is dan ook, dat de

pers, die in oorlogstijd gecollaboreerd

heeft en... verdiend heeft

een grote voorsprong dreigt te

krijgen op de bonafide en zelfs

vroegere illegale bladen.

Wij geloven, dat de hoofdoorzaak

daarvan niet moeilijk is aan

te wijzen. De Nederlandse regering

is te vreesachtig geweest

om ingrijpende maatregelen ie

nemen en heeft de bezitsverhoudingen

niet durven aantasten.

Wat had meer voor de hand gelegen

dan de collaborationistische

courantn te naasten en hen

te brengen in een fonds, waaruit

de „goede" couranten van zeten

drukgelegenheid konden worden

voorzien? Zo is het in

Frankrijk geschied en zo had

het hier ook gekund. Maar nu

zijn wij nog ver van een bevre

digende toestand af.

Journalist „Buitenland", met jarenlange

practijk als „buitenland

redacteur", wensdht artikelen

over internationale politiek

te schrijven in dagbladen, resp.

één- of meermalen per week verschijnende

bladen. Brieven onder

no. 1239, Administratie „De

Journalist", N.Z. Kolk 28, Amsterdam-C.

Oud gevestigd stedelijk blad in

het Westen des lands vraagt

redacteur-verslaggever.

Brieven onder nr. 1242 Administratie

„De Journalist", N.Z.

Kolk 28, Amsterdam-C.

De adressen, van

de redacteuren van

DE JOURNALIST"

zijn:

Mr. E. Elias - Elsevier -

Spuistraat

Y. Foppema -

sterdammer -

Amsterdam.

Groene Am-

Frederiksplein

- Amsterdam.

Administratie: Ned. Persmuseum,

N.Z. Kolk 28, Amsterdam.

Journalist, 26 j., ongehuwd,

sinds anderhalf jaar belast met

leiding groot provinciaal dagblad,

zoekt plaatsing bij blad

met mogelijkheid tot gedegen

verdere opleiding. Eenige naam

in jonge Ned. literatuur. Ondergeschikte

functie en uitzending

geen bezwaar. Zal gaarne knipselboeken

zenden. Salaris thans

ƒ375.— per maand. jBrieven onder

no. 1240, Adm. „De Journalist",

N.Z. Kolk 28, Amsterdam-C.

JOURNALIST

moet wegens verhuizing en

daardoor onstaan plaatsgebrek

zijn waardevol Archief verkoopen,

liefst aan gedupeerde collega's

of uitgevers.

Br. fr. ond. no. 1240, Adm.

„De Journalist", N.Z. Kolk 28,

Amsterdam-C.

Jeune écrivain et journaliste

frangais, Rédacteur en chef

d'une Revue littéraire et artistique,

désire devenir correspondant

pour la Prance d'un journal

hollandais. Ecrire: J. Soulas,

23 bis Rue des Abondances,

Boulogne/Seine - Prance.

JOURNALIST,

acad. gevormd, zoekt tegen 1

Jan. of 1 Febr. hem passenden

werkkring in. Noord- of Zuid-

Holland of Utrecht, aan neutraal

of progressief dagblad of

periodiek. In staat leiding te

geven; all round ervaring: binnen-

en buitenland, kunst, literatuur,

reportages. Uitstekende

referenties. Brieven onder no.

1243 Administratie „De Journalist",

N.Z. Kolk 28, Amsterdam-C.

Persbureau te Amsterdam zoekt

vertegenwoordiger voor het Zuiden,

respectievelijk het Noorden

van het land, voor de verkoop

van artikelen, foto-reportages

etc. van internationale strekking,

aan de Nederlandse Pers.

Brieven onder nr. 1238 Administratie

„De Journalist", N.Z.

Kolk 28, Amsterdam-C.

Zoo spoedig mogelijk gevraagd

:

Redacteur-verslaggever.

(Journalist N.J.K.). Vereischt

worden: ruime practische ervaring,

middelbare schoolopleiding

of daarmede gelijk staande ontwikkeling,

goede vlotte stijl. In

verband met woonprobleem bij

voorkeur ongehuwd. Brieven

aan Directeur-hoofdredacteur

Geldersch Dagblad, Nieuwe Plein

54, Arnhem.

24

KV, DE ARBEIDERSPERS • AMSTERDAM

More magazines by this user
Similar magazines