HET DAGBLADZEGEL VERDWEEN

webstore.iisg.nl

HET DAGBLADZEGEL VERDWEEN

JUNI 1944

MAANDBLAD VOOR H

OFFICIEEL ORGAAN VAN HET PERS

2e JAARGANG NUMMER 9

US

NDSCHE PERSWEZEN

NEDERLANDSCHE KULTUURKAMER

REDACTEUR: J. LEARBUCH, BEZUIDENHOUTSCHEWEG 75, DEN HAAG, TEL. 720070—723151

ADMINISTRATIE EN ADVERTENTIES: HEKELVELD 15, AMSTERDAM — TEL. 38811

HET DAGBLADZEGEL VERDWEEN

Op 1 Juli 1869 verdwenen op de Nederlandsche

kranten de „vuile vingers van den fiscus". Anders

gezegd: Met ingang van den eersten Juli anno

1869 verviel het dag'ila Izegel, nadat het bijna

twee eeuwen lang zk I aar of onzichtbaar de

dagbladbedrijven had gedrukt. Dit feit staat nu

eenmaal te boek als de grootste en belangrijkste

mijlpaal in' de historie van het Nederlandsche

dagbladwezen. Alken al hierom is er aanleiding

om thans, nu dit gedenkwaardige

feit juist driekwart eeuw achter ons

ligt en zelfs onze oudste levende

generaties nog maar weinig uit eigen

herinnering over het dagbladzegel

van weleer weten te verhalen, even

stil te staan bij den zin van het

nieuwtje van 1 Juli 1869: het eerste

dagblad zonder vingerafdruk van

r

v.

den fiscus onder aan de pagina. En er is hiertoe

des te meer aanleiding, omdat een beschouwing

over het vervallen van- het dagbladzegel ons

dwingt, ons nader te verdiepen in het wezen van

de journalistiek.

In 1674, dus ongeveer zestig jaren na de periode,

waarin de eerste Nederlandsche kranten ontstaan

moeten zijn — welke ook gerekend mogen

worden tot de eerste, kranten ter wereld — verscheen

een ordonnantie, „nae de welcke in den

Lande van Hollandt ende West-Vrieslandt, soude

werden geheven den impost op eenige gedruckte

soo Inlandtsche als Uytlandtsche Papieren, Geheven

t' zedert den Jare 1674, ende vervolgens".

In het eerste lid van deze ordonnantie werd

gezegd: „der Courante, Gazette, Post ofte Nieuwe-tydinge,

diet verbode blaeuwe Boeckxkens,

ende diergelyke, in Hollandt gedruckt, het zy in

de Nederlandtsche ofte Uytheemsche Tale, maer

een half Vel aen beyde zyden op de ordinaris

wyse vol, ofte oock minder gedruckt zynde, of

grooter zynde, meer nae advenant, alsmede van

alle Staets Resolutiën.... sal worden betaelt vier

penningen door den Drucker die de selve uyt-

NIEUW LICHT OP

OUDE MIJLPALEN (IV)

1869

levert; ende van die van buy ten, omme te venten

ofte voor geldt of geldtswaerde uyt te geven,

souden mogen worden ingebracht, acht penningen

door den Inbrenger ofte Verveyler op poene

van honderd guldens yder Courante...." Ook

boekverkoopers in andere provincies zouden deze

belasting moeten betalen, indien zij „omme te

venten ofte voor geldt of geldtswaerde uyt te

geven" couranten of vlugschriften in Holland

en West-Vriesland mochten willen

— N brengen. De ordonnantie zonderde

particulieren uitdrukkelijk uit. Deze

behoefden bij verzending van

nieuwspapieren geen belasting te

betalen, mits zoo'n zending maar

beperkt bleef tot twee nieuwsbladen

van „yeder soorte".

Ziehier het formeele begin van de

zegelbelasting. De idee was vooralsnog gebrekkig

uitgevoerd. Waarschijnlijk was de toepassing der

nieuwe bepaling aanvankelijk ook hoogst gebrekkig.

Belangrijk was dit: men had een middel gevonden

om zonder oogenschijnlijke beperking van

individueele vrijheden of van de vrije meeningsuiting

het vastleggen van bepaalde gedachten in

gedrukte geschriften te beperken, en zulks liefst

met eenige financieele voordeden voor den staat.

We behoeven er niet aan te twijfelen, dat het

spekken van de staatskas inderdaad één der beweegredenen,

zoo niet de directe aanleiding, is

geweest tot het instellen van de zegelbelasting.

Het staat trouwens opzichtig te lezen in een

„Waerschouwinge", die in 1691 verscheen en de

zegelbelasting en passant aanmerkelijk verzwaarde,

te weten „wegens de zware lasten, die bij den

jegenswoordigen oorlogh gedragen' moeten worden"

en met het doel „des Gemeene Lands Finantien

zoo veel mogelyck te styven". Weshalve

men overging tot het „Introduceeren van eenen

Impost op Coffy, Thee, Chocolate en andere

Drancken, en het verdubbelen van den

op de gedruckte Papieren".

Impost

1


Men moet bij dit alles in het oog houden, dat

de nieuwe zegelbelasting, zoo zij althans tevens

ten doel had eenige practische beperkingen op te

leggen aan de meeningsuiting via gedrukte geschriften,

niet alleen afgestemd was op de nieuwstijdinghen,

meer zeer in het algemeen op al die

gedrukte stukken, die wegens hun inhoud voor

de uitgevers lucratief konden zijn. En wat was in

die dagen winstgevender, de uitgave van sensationeele

verhalen èn politieke pamfletten, of het

drukken van courante nouvellen, welk gebruik

althans omstreeks 1674 alleen in de groote steden

van Holland nog maar eenig burgerrecht verkregen

had? Hoe het zij, de nieuwe bepaling had

zoowel economische als geestelijke facetten en

we weten, dat de autoriteiten, we kunnen wel

zeggen in de eerste eeuw van het bestaan van

gedrukte nieuwspapieren, weinig favorabel gestaan

hebben tegenover de actueele producten

van de boekdrukkers. Stelde men het drukken

niet vaak afhankelijk van allerlei privileges, juist

onder de voorwaarde slechts bepaalde „Noviteyten,

die den Staat betreffen" op te nemen en

andere berichten niet. En dat nog wel in de gouden

eeuw, die toch waarlijk niet gekenmerkt was

door conservatisme!

Bladeren we intusschen nog even verder in de

belastingwetten der Republiek, dan blijkt ons, dat

men pas ruim driekwart eeuw na het instellen

van de zegelbelasting op papier de noodzaak ging

inzien om een speciale regeling voor de kranten

te maken — de nieuwstijdinghen van voorheen

waren trouwens intusschen uitgegroeid tot wezenlijke

kranten. Den 14den Maart 1750 n.1. werd

een ordonnantie wereldkundig gemaakt, „na dewelke

by collecte zal geheven worden den Impost

op de zoo inlandsche als uitheemsche daarbij gemelde

gedruckte Papieren", waarna in artikel 1

o.a. gezegd wordt: „aan den Gaarder of Collecteur

zal van ieder Courante enz., mitsgaders van

alle Blaadjes en Boekjes, die het zy maandelyks

of weekelyks, of ook op eenige daagen in de

week of by wat voor verdeeling van tyd het ook

weezen mocht, voortaan het zy in de nederlandsche

of uitheemsche Taaien zullen uitkomen, voor

zooverre het drukken in de Commercie daarvan

niet is verbooden, betaald moeten worden, te

weeten, van de geene die in deeze Provincie zijn

gedruckt van elk half vel, het zy vol of alleen

voor een gedeelte gedrukt, een penning "

We krijgen den indruk, dat de zegelbelasting

een sleur werd. Het krantenwezen ontwikkelde

zich trouwens ook niet zoo dynamisch, dat er

aanleiding kon bestaan om plotseling de eenmaal

drukkende lasten als een knevel van de uitgevers

te beschouwen. Stellig werd in den patriottentijd

en de periode van de Bataafsche revolutie veel

gedrukt, dat ook bij den middenstand, om een

modern woord te gebruiken, meer belangstelling

voor de kranten kon gaan wekken — in feite

heeft de politieke warwinkel aan het eind van de

achttiende eeuw zelfs het aanzijn geschonken aan

een nieuw soort journalistiek: de politieke pennestrijd

in het volle licht der openbaarheid —, maar

ook deze periode overleefde het zegelrecht glansrijk.

Zelfs werd in de jaren daarna uit Frankrijk

— waar de fiscus zich pas na de revolutie met de

gazettes was gaan bemoeien (daar sneed stellig

het mes aan twee kanten!) — het gebruik geïmporteerd

om de bemoeiingen van den fiscus dag

in dag uit zichtbaar te doen zijn. Het belastingmerk

werd op het papier aangebracht; de vingerafdruk

van den fiscus ontstond, en werd opnieuw

gelegaliseerd door de Koninklijke besluiten van

15 Januari 1814, van 26 Februari 1825, de wet van

16 Juni 1832 en tenslotte door de Wet op het

Zegel van 1843. In dien tijd echter had de journalistiek

een grooten sprong gemaakt.

Had de patriottentijd de krant nader tot de

burgerij, tot het volk in het algemeen gebracht,

en een frisschen, strijdlustigen geest in het krantenwereldje

van toen geblazen, de periode van

de Fransche overheersching was voor de instandhouding

van zulk een geest niet bevorderlijk geweest.

Zelfs in de eerste decennia van het Koninkrijk

bleef de krant een vrij karakterloos

drukwerk, dat in al zijn matheid de reactie weerspiegelde

van de bewogen jaren van vóór dien.

Pas de politieke en geestelijke ontwikkeling,

die in de jaren van dertig inzette, — foen begon

men eindelijk waarlijk te profiteeren van de in

1814 in de Grondwet vastgelegde drukpersvrijheid

_ voegde een nieuw kenmerk aan het krantenwezen

toe. De Belgische kwestie lokte felle

commentaren uit, maar, wat belangrijker was

voor de Nederlandsche journalistiek, jonge kranten

als het Algemeen Handelsblad en de Arnhemsche

Courant gingen ijveren voor Thorbecke's

grondwetsherziening en andere binnenlandsche

belangen. De Nieuwe Rotterdamsche Courant

kwam zich scharen in het liberale front. De kranten

werden als actieve, richtinggevende factoren

ingeschakeld bij de bewerkstelliging van de

uiterst geleidelijke staatkundige revolutie: anders

dan in den patriottentijd, toen zij weinig meer

waren dan spreektrompetten van allerlei groepen

en groepjes. Het bestaan van het zegelrecht en

van een waarlijk niet malsche advertentiebelasting

bovendien (sedert 1796) kon de journalistiek

blijkbaar niet meer van haar ontbolstering weerhouden.

En de ontwikkeling zette gestaag door,

ook toen de fascus in 1843 nog eens een nieuwe

zegelwet ontwierp, die het zegelrecht voor gedrukte

stukken andermaal verzwaarde en de per

advertentie verschuldigde belastingpenningen bepaalde

op 25 cents per advententie.

Een opsomming van de kranten, die in de hier

besproken periode werden opgericht is als het

ware een grafische voorstelling van het ontluiken

en de ontwikkeling van het politieke leven in de

vorige eeuw. Zoo gezegd, Het Algemeen Handelsblad

dateert uit 1828 (zoo men wil uit 1831),

de Nieuwe Rotterdamsche Courant ontstond in

1844. Het Handelsblad verscheen met ingang van

1830 als dagblad, de N.R.C, met ingang van 23

April 1844. In 1846 werd De Tijd opgericht. In

1847 ging de Oprechte Haarlemsche Courant dagelijks

verschijnen. De Tijd werd in 1848 dagblad.

In de daarop volgende jaren besloten ook de directies

van de Utrechtsche Provinciale en Stads-

2


courant, van het Dagblad van Zuid-Holland en

van het Leidsche Dagblad tot een dagelijksche

uitgave over te gaan. Vervolgens ontstonden in

1868 de Maasbode (voorloopig, n.1. tot 1872, als

weekblad), in 1869, enkele maanden voor de afschaffing

van het dagbladzegel (!) Het Vaderland,

in 1870 Het Nieuws van den Dag, in 1871 De

Gooi en Eemlander, in 1872 De Standaard, omstreeks

1875 De Gelderlander en De Limburger

Koerier, in 1883 de Haagsche Courant en het

Haarlems Dagblad, in 1884 Het Centrum, het

Utrechtsch Nieuwsblad in 1885, in 1887 De Volkskrant,

in 1890 De Telegraaf en in 1894 De Residentiebode.

Als we deze geheele reeks opschrijven, vergeten

we zoowaar, dat één van de hier genoteerde

jaren als kenteringsjaar in de historie van het

Nederlandsche dagbladwezen te boek staat! En

dit is nu juist de reden, waarom dit artikel geschreven

werd: de veranderingen, die ongetwijfeld

zijn ingetreden door de afschaffing van het

dagbladzegel hielden geenszins een revolutie in

de journalistiek van binnen uit in! Het was een

soort faciliteit, die het dagbladwezen van buitenaf

ontving en pas in den loop der jaren de journalistiek

een nieuwe gedaante kón geven. Men

kan zelfs zeggen: de oorspronkelijke functie van

de belasting op mercantiel drukwerk had al lang

uitgediend. Er was geen sprake meer van, dat het

dagbladzegel nog een rem vormde voor de politieke

meeningsuiting, en beschouwen we den toestand

van 's Rijks kas in dien tijd, dan blijkt, dat

de inkomsten, uit het dagbladzegel en de advertentiebelasting

door de geweldige uitbreiding van

het maatschappelijke leven nog maar nauwelijks

een post vormden, die 's Rijks financieelen toestand

kon beïnvloeden.

Het is dus stellig veel te simplistisch geredeneerd,

als men zegt — het staat overigens zoo in

bijna alle beschouwingen over de afschaffing van

het dagbladzegel —, dat op dien Isten Juli 1869

„het hek van den dam was" en de stoot gegeven

werd voor een snelle revolutie en evolutie van

het Nederlandsche dagbladwezen. Zeker, nog in

1869 voegden zich vijf nieuwe kranten naast de

negen reeds bestaande — de nieuwe producten

waren overigens van weinig beteekenis —, twintig

jaar later waren er 54 kranten in Nederland

en in 1894 zelfs 62. Maar men vergeet bij het

lanceeren van deze „meetkundige reeks" meestal

ook, haar verloop vóór 1869 te vermelden. Onze

opsomming hierboven was reeds een poging in

die richting, maar sprekender nog zijn de volgende

cijfers, die iets leeren omtrent den groei van

de Nederlandsche journalistiek, ook wat haar

wezen befreft in de jaren vóór 1869.

Werden in 1850 hier te lande ten behoeve van

dag- en weekbladen 8.348.834 vellen papier gezegeld,

in 1866 waren het er al 13.121.146, hetgeen

neerkomt pp een progressie van gemiddeld

300.000 vellen per jaar. Deze cijfers zeggen nog

iets meer als men ze plaatst naast enkele cijfers

uit Engeland, dat in die jaren geld als het land

met de ruimste publiciteit ter wereld. Daar werden

jaarlijks bijna 30.000.000 vellen papier gezegeld,

hetgeen daarop neerkwam, dat in Engeland

per jaar per ziel juist ongeveer een vel druks

gezegeld werd. In Nederland, waarvan de taal

toch allerminst een wereldtaal. was, zoodat men

kan aannemen, dat het meerendeel van de Nederlandsche

kranten — anders dan de Engelsche

nieuwsproducten — voor uitsluitend binnenlandsch

gebruik bestemd waren, kon men rekenen

op meer dan 3 vel druks per jaar per ziel!

Dit had de zegelwet dan toch niet kunnen verhinderen,

al belastte zij het krantenlezende publiek

in Nederland zoo veel zwaarder -dan den Britschen

krantenlezer.

Trouwens, als men de toeneming van het aantal

abonné's in de jaren 1850 tot 1866 beschouwt,

valt eenzelfde verschijnsel op. In Noord-Holland,

waar verreweg de meeste krantenlezers woonden,

steeg in die periode het aantal abonné's met niet

minder dan bijna 7000, of ongeveer 30 percent.

Ook in Zuid-Holland kwam er een dergelijk aantal

abonné's bij, hetgeen voor deze provincie

neerkwam op een toeneming van 50 percent. In

Gelderland verdubbelde het aantal abonné's, in

Noord-Brabant verviervoudigde het en in Limburg

werd het zelfs negen maal zoo groot. Gemiddeld

over het geheele land nam in de twee

decennia, die aan de afschaffing van het dagbladzegel

voorafgingen, het aantal abonné's op dagbladen

met ongeveer 70 percent toe!

Een soortgelijke statistiek leert ons iets omtrent

het advertentiewezen. Uit de officieele cijfers

van de regeering blijkt, dat in 1850 voor een

totaal bedrag van ruim 45 duizend gulden aan

zegelbelasting betaald werd. Dit bedrag is zeer

geleidelijk, zelfs zonder een enkelen teruggang

gestegen tot ruim 100 duizend gulden in 1866.

Werden in 1850 in het totaal 131.694 advertenties

geplaatst — de belasting bedroeg per advertentie,

onverschillig van welken omvang en van welk

soort, een kwartje —, in 1866 moesten de kranten

al ruimte maken voor 292.880 advertenties, iets

wat ongetwijfeld een aardige illustratie is van de

ontwikkeling van het zakenleven in die jaren.

Legde men een Handelsblad, een Nieuwe Rotterdammer

of een Haarlemsche Courant uit die dagen

naast een willekeurige Engelsche of Fransche

krant, een enkele blik was voldoende om te constateeren,

dat de Nederlandsche kranten minstens

twee of drie maal zooveel advertenties vertoonden

als de buitenlandsche bladen.

Deze advertentiestatistiek is intusschen een

zachte wenk, dat we wellicht ook den gro'ei van

het dagbladwezen even moeten zien tegen een

zuiver economischen achtergrond, welke natuurlijk

organisch verband houdt met de politieke lijnen,

die wij hierboven reeds in het algemeen aanstipten.

Dan blijkt, dat zich sedert ongeveer 1850

een economische ontwikkeling voltrokken heeft,

die niet anders kan zijn dan één van de bases

van het moderne dagbladwezen. Dan blijkt ook,

dat zich om den datum, dien wij thans bespreken,

den mijlpaal van 1 Juli 1869, een aantal niet onbelangrijke

economische gebeurtenissen groepeeren,

hetgeen aanstonds tot de conclusie leidt, dat

de afschaffing van het dagbladzegel niet zoozeer


te zien is als het ontsluiten van een politieken

boei dan als een verschijnsel, dat de economische

ontwikkeling van de vorige eeuw kan illustreeren.

Steeds meer werd de krant trouwens ook in het

economische leven ingeschakeld.

'

Welke waren al deze feiten? De scheepvaartwetten

van Van Bosse hadden bewezen, dat Nederland

bereid was Engeland te volgen bij de

verwezenlijking van de vrijhandelidealen. Het

duurde echter nog tot 1862 voor de algemeene

tarief wet werd aangenomen, die Nederland voor

een halve eeuw den zoo vurig verlangden vrijhandel

zou schenken. Voor dien had men echter

reeds gevoeld, dat een mercantiel systeem als het

verlangde niet zou kunnen functionneeren zonder

een technische vervolmaking op velerlei gebied.

Toen België reeds over een modern spoorwegnet

beschikte, bezat Nederland nog niet meer

dan de „lus" Utrecht—Amsterdam—Den Haag—

Rotterdam—Utrecht—Arnhem. In 1860 wist minister

Van Hall echter een spoorwegwet aangenomen

te krijgen, die voorzag in den snellen aanleg

van verscheidene lijnen. Deze spoorwegwet

was ongetwijfeld'een der uitingen van de verhoogde

energie, die zich in die dagen kenbaarmaakte.

Ook gingen, om een voorbeeld van geheel

anderen aard te nemen, de Twentsche fabrikanten

meer activiteit toonen. Zij zonden hun

zonen naar het buitenland om zich daar op de

hoogte te stellen van de nieuwste technische snufjes

in de textielindustrie. Toen door den Amerikaanschen

burgeroorlog de aanvoer van katoen

gestremd werd, buitten zij de periode van noodge

dwongen werkloosheid uit door hun bedrijven te

verbeteren. De stoommachine vond steeds meer

toepassing. De groote brand van Enschede in

1862 schonk nieuwe gelegenheid voor opbouw in

modernen' trant. Toen kwam in 1863 een wet tot

stand, die beoogde Rotterdam en Amsterdam

betere verbinding met de zee te geven.

De jaren 1860—1870 vormden voor Nederland

een tijdperk van overgang van vroeg- tot modern

kapitalisme. Het had er van als begon ons economische

leven zijn agrarische karakter te verliezen.

Handel, industrie en scheepvaart begonnen

zich sneller te ontwikkelen dan de landbouw

en de veeteelt. Nederland kon bovendien profiteeren

van de verhooging van het welvaartspeil

in Europa en Amerika. Het had zelfs zijn centrale

ligging voor. Rotterdam werd in die jaren

een wereldhaven, Amsterdam groeide uit tot een

centrum van beurshandel, de snelle groei van

onze scheepvaart, de toenemende winsten op

onze koloniale exportartikelen, de formidabele

Hoe geschiedt de paplerdistrihuüe

* Een overzicht van

de organisatie

Het is wel voor de hand liggend,

dat de uitgevers zich zullen

interesseeren voor de wijze waarop

de Afdeeling Papierdistributie

van het Persgilde haar organisatie

heeft ingericht en hoe in groote

trekken de werkzaamheden

verloopen.

De taak van de afdeeling Papierdistributie

is in algemeenen

zin een zoo juist mogelijke verdeeling

te bewerkstelligen van de ter

beschikking gestelde contingenten

CQurantenpapier. Hierbij komt

dan de controle op het verbruik

en de verbruiksadministratie.

Hoewel bij deze controle, waar

zulks noodig is, de roede zeker

niet gespaard wordt, is de opzet

ervan toch in de eerste plaats

het garandeeren van een zoo vlot

mogelijk verloop der zaken en

het helpen van de uitgevers bij

voorkomende moeilijkheden. Om

deze reden mogen de papiercontroleurs

een ingesteld onderzoek

pas als geëindigd beschouwen op

het moment, dat de papieradministratie

tot aan den dag van hun

onderzoek is bijgewerkt en in

orde bevonden.

Zooals* uit het afgebeelde organisatie-schema

blijkt, zijn er bij

de distributieregeling vier samenwerkende

groepen, nl:

1. de Nieuwsbladen, de verbruikers;

2. de afdeeling Papierdistributie

van het Persgilde, die de

distributie verzorgt;

3. de papiergroothandel, de leverancier;

4. de groothandel in oud papier,

die den overblijvenden

afval opneemt.

Deze vier groepen hebben in

de organisatie ieder een eigen

functie en vormen samen een gesloten

geheel. Ontstaat door een

fout of vergissing bij een der samenwerkende

groepen of door

het wegvallen van één der onderlinge

verbindingen een organisatorische

kortsluiting, dan blijkt

dit vrijwel onmiddellijk bij het

controleerend apparaat van het

Persgilde.

I. De Nieuwsbladen.

De uitgevers der nieuwsbladen

en van die tijdschriften die door

uitgevers en drukkers van nieuwsbladen

worden vervaardigd op

couranten-rotatiepapier, zenden

maandelijks voor den tienden afschriften

van oplage- en papierboek

naar het Persgilde. Het

nauwkeurig en regelmatig bijhouden

van oplage- en papierboek is

wel de voornaamste taak, welke

den uitgevers in de distributieregeling

is opgelegd en dat deze

taak zeker een belangrijke is,

blijkt wel uit de velerlei moeilijkheden,

die ontstaan als de daaraan

verbonden werkzaamheden

niet voor de volle honderd procent

goed worden gedaan.

Verder hebben de uitgevers de

verplichting den onbedrukten afval

van het rotatiepapier te verkoopen

aan de daarvoor aangewezen

groothandelaren in oudpapier,

waarvoor ze een bewijs

van inlevering ontvangen.

Tenslotte hebben de uitgevers

er voor te zorgen, dat de hun

toegezonden aankoopvergunningen

binnen tien dagen worden

doorgezonden naar den papiergroothandel

en dit zal wel nimmer

worden vergeten.

II. De afdeeling Papierdistributie.

m

Zpodra de afschriften van op-


afzet van onze land- en tuinbouwproducten, dit

alles kon slechts verband houden met de ons omringende

wereldhuishouding. Omstreeks 1870

werden de belangrijkste trajecten van ons spoorwegnet

voltooid. Juist in dien tijd ging men van

de zeilboot over tot de stoomvaart. Door de

opening van het Suezkanaal in 1869 was Nederland

dichter bij Indië komen te liggen (in 1870

moest het cultuurstelsel daar plaats maken voor

de vrije cultures: waarlijk geen toeval, dat jaartal!).

De Nederlandsche industrie ging over van

het kleine bedrijf naar het groot-bedrijf. Zoo

werd het moderne arbeidersprobleem actueel,

met alle politieke uitwassen van dien, de eerste

vakvereenigingen ontstonden, met het beroemde

„kinderwetje" van Van Houten werd de reeks

van sociale wetgevingen geopend, die een getrouwe

afspiegeling zou zijn van de dynamiek

'vaia het maatschappelijke leven.

Was het een wonder, dat de krant bij zulk een

ontwikkeling óók haar ontwikkeling beleefde?

Doch leggen wij de ganzenpen van den historicus

thans naast ons neer en schuiven wij de tabellen

der economen opzij om nog even als journalist

stil te staan bij de veranderingen, die dooide

afschaffing van het dagbladzegel intraden. De

tijd voor een nieuwe journalistiek was aangebroken.

Ontwikkelden de politieke kolommen van

de krant zich geheel geleidelijk, het beschikken

over meer ruimte maakte de Nederlandsche journalistiek

ontvankelijk voor voorbeelden van overzee.

Reportage en verslaggeverij vonden ingang.

Nu men papier had voor ochtend- en avondedities

en de meer kapitalistische inslag van de dagbladbedrijven

de directies en redacties tot concurrentiestrijd

aanzette, werd de hoogste actualiteit

eerste gebod. Hoe welkom was de draadlooze

telegrafie, waaraan het Handelsblad zoovele

primeurs te danken heeft gehad! Voor pakkende

reportages werd overvloedig geld ter beschikking

gesteld. Men moest zich trouwe.ns

meer gaan instellen op het publiek. De krant was

goedkooper gewoiden — de N.R.C, bijvoorbeeld

verlaagde in 1870 den abonnementsprijs van ƒ 33

op ƒ20. De krant werd populair. De laatste resten

van de ambtelijke berichtenschrijverij moesten

worden opgeruimd. Aan de dynamiek van

de geestelijke belangstelling van het volk kreeg

de krant zich aan te passen. Zoo werd zij volksgoed.

Zoo veroverde zij voor eeuwig haar positie

in de maatschappij. Als journalist kunnen wij niet

anders doen dan op 1 Juli 1944 een krans deponeeren

aan den voet van den mijlpaal, welke de

afschaffing van het dagbladzegel voor de Nederlandsche

journalistiek beteekend heeft.

lage- en papierboeken zijn ontvan,

beginnen de werkzaamheden

van het distributie-apparaat.

Controle oplagetabellen en papierboek.

De controle geschiedt in de

courantenbedrijven door den accountant

en de papiercontroleurs,

terwijl ten kantore van het Persgilde

de verstrekte gegevens worden

nagegaan. De werkzaamheden

van deze onderafdeeling bestaan

in hoofdzaak uit het volgende:

1. de controle op het binnenkomen

der tabellen. Worden

de tabellen niet op tijd

ontvangen, dan wordt een

waarschuwing gezonden en

bij herhaalde nalatigheid

wordt de betreffende zaak

doorgegeven naar den tuchtrechter.

2. Het nagaan of de invulling

volledig en op de juiste

wijze is geschied.

3. Het vergelijken van de gegevens

in de kolommen 16

en 17 van de oplagetabel

met het papierboek.

4. Het controleeren van de invulling

van kolom 15 (aantal

pagina's) in samenwerking

met de afdeeling Lectoraat.

5. Het berekenen van de gemiddelde

bruto-oplage,

waarbij blijkt, of het bij beschikking

toegestane maximum

aantal al dan niet is

overschreden.

Bij gebleken overschrijding

wordt op dezelfde wijze

gehandeld als onder 1 is

aangegeven.

6. het vragen van inlichtingen

en het geven van voorlichting,

waarbij in vele gevallen

uitgewerkte voorbeelden

van invulling worden verstrekt.

De hierboven aangegeven werkzaamheden

kunnen ten aanzien

van de verbruiksberekening Jei-.

den tot een drietal conclusies:

A. de tabellen zijn in orde en

kunnen worden doorgegeven

voor de verbruiksberekening.

B. de verstrekte gegevens zijn

onvolledig of niet geheel

juist, doch het wordt toch

mogelijk geacht te komen

tot een voorloopige berekening

van het papierverbruik

om zoodoende de afhandeling

der betreffende zaak

niet onnoodig op te houden.

C. de tabellen zijn in zoodanige

mate onvolledig of onjuist,

dat het niet mogelijk

is hierop de verbruiksberekening

te baseeren.

Het behoeft wel geen betoog,

da't de onder B. en C. genoemde

gevallen oorzaak zijn van veel

extra werk. Een voorloopige verbruiksberekening

dient van een

uiteenzetting te worden voorzien

en in veel gevallen, nadat door

den uitgever nadere gegevens zijn

verstrekt, moet herziening plaats

vinden, hetgeen wil zeggen, dat

een geheel nieuwe berekening

moet worden gemaakt. Kan zelfs

geen voorloonige berekening worden

samengesteld, dan blijft de

aangelegenheid liegen, zeer ten

ongerieve van de betrokken partiien.

Het betreffende blad ziet

zijn bevoorrading öestaöneerd en

de Afdeeling Papierdistributie

moet met haar totale verbruiksberekening

wachten tot ook de

zaken der nakomers in orde zijn

gebracht.

Berekening Papierverbruik.

Het werkelijke verbruik wordt

berekend aan de hand van de

op de oplagetabel verstrekte gegevens.

De verbruiksformule

wordt gevormd door drie factoren,

te weten: het bruto aantal

vervaardigde pagina's, het formaat

en het papiergewicht.


N I E U W S B L A D E N

I

A

SI*

CONTROLE

OPLAQBTABZLLEN

PAPIESBOBK

OPLAÖ£Cy£GS

I

_li_

JL

STATISTIEK

—w

Sis!

GQOaTHANDGt.

JN Ot/D &AP/S/3

SIS

M

±

BEREKENING

x—T

PAP/£BVEI?BPtJ/K

jzr

PAP/EPVEPORUIK

I

*lo

X

I?

51*

"I

J_

BEVOORRADING

i.

i 1

Si

Q.1

AFDEELING PAPIERD/STRIBUTIE VAN HET PERSGILDE JT

±

PAP/£13G0OOTHAMDEL

J2C

Daarna wordt dit verbruik, Deze voorloopige afschrijving Deze afleveringsvergunning

vermeerderd met de per bon wordt, in geval het berekende komt, nadat de levering is geschied,

terug bij de afdeeling,

verantwoorde hoeveelheid afval, verbruik minder is dan het verbruik

volgens het papierboek, be­

waar dan het werkelijke aantal

vergeleken met het aantal kilogrammen,

dat volgens het papierboek

aan rollen is afgeboekt. veelheid en in de overige geval­

voorraad rekening-courant van

rekend naar deze kleinere hoe­

afgeleverde kilogrammen in de

Deze vergelijking kan de volgende

uitkomsten'geven:

len wordt de in het papierboek den uitgever wordt bij geboekt.

afgeschreven hoeveelheid, verminderd

met het gewicht van de kan de afdeeling Papierdistribu­

Door deze wijze van werken

a. het berekende verbruik

laatste rol, in de voorraadrekening-courant

afgeschreven. gen en wordt tevens voorkomen,

tie de bevoorrading geheel vol­

klopt met de in het papierboek

afgeschreven rollen,

d.w.z. ligt onder het afgeschreven

gewicht aan rollen,

Van dezen gang van zaken krijgen

de betreffende uitgevers bij gen plaats vinden met alle moge­

dat theoretische voorraadboekin­

het toezenden van het „Bericht lijkheden van vergissingen, die

doch met een kleiner verschil

dan het gewicht der

van Afschrijving" mededeeling. daaraan verbonden zijn.

Zij dienen dan de verbeterde gegevens

alsnog te verstrekken,

laatst afgeschreven rol.

III. De Papiergroothandel.

b. het berekende verbruik is

De groothandel mag pas papier

waarna rectificatie kan plaats

grooter dan het gewicht der

afleveren, zoodra de bij elkaar

vinden. Dit is van het grootste

afgeschreven rollen of het

behoorende aankoop- en afleveringsvergunningen

in zijn bezit

belang, niet alleen voor een kloppende

voorraad-administratie,

is, rekening houdende met

de laatste restant rol, kleiner.

In deze gevallen is bij­

dan wordt de afleveringsvergun­

zijn. Is de aflevering geschied,

doch tevens omdat in het andere

geval van overtreding der beschikking

ten aanzien van het pana

altijd onnauwkeurigheid

ning, voorzien van den datum

bij de invulling van kolom

van aflevering en een gespecificeerde

opgave van het afgeleverpierverbruik

sprake kan zijn.

17 der oplagetabel (het gewicht

in m 2 ) oorzaak der Statistiek.

de papier aan de Afdeeling Papierdistributie

van het Persgilde

verschillen.

De oplagegegevens en het papierverbruik

worden statistisch gezonden, terwijl de aankoopver­

Deze onnauwkeurigheid is niet

geordend, waarover later meer. gunning door den groothandelaar

alleen voor de afdeeling Papierdistributie

een bron van meer en Bevoorrading.

wordt bewaard.

onnoodig werk, doch ditzelfde Blijkt na afschrijving van het IV. Groothandel in Oud-Papier.

geldt in nog erger mate voor de verbruik, dat bevoorrading noodzakelijk

is, dan wordt een aan­

onbedrukten afval van het rota­

Deze neemt, zooals gezegd, den

betreffende bladen, daar er nu

ook weer een voorloopige afschrijving

met de daaraan verver

en een gelijkluidende afleve­

aan den uitgever een bewijs van

koopvergunning voor den uitgetiepapier

op, verstrekt hiervoor

bonden moeilijkheden plaats ringsvergunning voor den papiergroothandel

uitgeschreven. schrift aan het Persgilde.

inlevering en zendt hiervan af­

vindt

A. G. Hm.


theek met een exacte studie uit

Wanneer verscheen

van Karoly Maté („Az Elsö Magyarorszaagi

Hirlap Kérdése" —

de eerste krant ? „De Vraag van de eerste Krant

in Hongarije"), waarin deze

in Hongarije


vraag nog eens helder wordt gesteld

en op ondubbelzinnige

Ziehier een vraag, welke in krant in Hongarije de „Ephemerides

Latinae" hebben uitge­

wijze wordt beantwoord. Op de

Hongarije in den laatsten tijd

eerste plaats wijst Maté er op,

nogal eens tot meeningsverschillen

geleid heeft, hetgeen trou­

De Hongaarsche Perswetengeven.

dat de „Ephemerides" voor het

eerst genoemd worden in het in

wens niet vreemd is, daar overeenkomstige

vragen in andere thans in aflevering 3 van haar

schappelijke Vereeniging komt

1711 in Frankfurt en Leipzig verschenen

werk van Czvittinger

landen, zooals Duitschland en Perswetenschappelijke Biblio­

„Specimen Hungariae Literatae"

Nederland, eveneens vaak twistpunten

hebben gevormd. Terwijl

o.a. „Vliegende Bladen", „Nieuwe

Tijdingen" en „Briefcouran-

MERKENBESCHERMING

ten" reeds in de 16de eeuw in voor namen van periodieken

Hongarije onweerlegbaar kunnen

worden aangewezen, bestonden In nummer 5 van den loopenden

jaargang is op blz. 8 een be­

Assan heeft in 1920 voor periodiezin.

De firma W. van Gorcum te

er ten aanzien van het ontstaan

van de gedrukte periodieke Hongaarsche

pers in Hongarije tot beschermen van namen van als merk gedeponeerd. De firma

schouwing opgenomen over „Het ken let woord „De Klein veeteelt"

nu toe twee meeningen:

nieuwsbladen en tijdschriften". De Vlijt te Arnhem heeft daarvan

toen de nietigverklaring ver­

Voor het eerst werd door Daarin wordt geadviseerd, die

Koloman Thaly in 1883 de „Mercurius

Hungaricus" (later de ven bij het Merkenbureau, Laakbank,

omdat zij dit merk reeds als

namen als merk te laten inschrijzocht

aan de Haagsehe Recht­

„Mercurius Veridicus ex Hungaria")

met als jaar van verschijal

wanneer een periodiek tijdelijk

kade 80, te 's-Gravenhage, voor­

titel voor een tijdschrift gebruikte.

Bij beschikking van 11 November

1920 heeft de Rechtbank

ning 1705 als de eerste „echte" niet kan verschijnen.

dit verzoek toegewezen en het

courant in Hongarije geïdentificeerd.

Deze stelling werd later naam van een tijdschrift of couklaard-

Deze beschikking is ge­

Er is inderdaad alles voor, den merk van Van Gorcum nietig ver­

door verschillende litterair-historici

als bijv. Jozef Ferenczy in Eenerzij ds wordt daardoor voor­

Eigendom" 1921, blz. 5 ('s-Grarant

als merk te deponeeren. publiceerd in „De Industriéele

1887 en in den jongsten tijd komen, dat men een naam kiest, venhage, 1 Januari 1920).

speciaal door Béla Dezsényi gesteund.

De „Mercurius Hungari­

want het Merkenbureau onder­

Niet anders oordeelt men in de

dien iedereen mag gebruiken;

cus" werd ten tijde van de zoekt of de naam onderscheidende

kracht heeft, d.w.z. of hij vol­

Prof. Mr. W. H. Drucker,

litteratuur:

troonsbestijging van den Zevenburgschen

vorst Franz Rakóczy doende eigenaardig is om een bepaald

blad van andere couranten 1931, blz. 262;

Titels, Rechtsgeleerd Magazijn

II in diens opdracht door Generaal

Graaf Anton Esterhazy op­

te onderscheiden. Anderzijds bereikt

men daardoor, dat het Mer­

Het collectieve merk en de mer-

Mej. Dr. B. J. Bellaar Spruyt,

gericht, als uitgesproken strijd- reikt men daardoor, dai nei mer- , ~ , . rt . M P rWl


en hij toont met duidelijke voorbeelden

"aan, hoe het mogelijk is

geweest, dat de opvatting, als

zouden de „Ephemerides" het

karakter van courant hebben gedragen,

een soort van sleur is geweest,

welke vaak zonder eenige

kritiek van den eenen auteur

door den anderen werd overgenomen.

Hij haalt daarbij o.a. het

voorbeeld aan van een anonymen

schrijver in een kerstuitgave van

de toenmalige Vereeniging van

Hongaarsche uitgevers en boekhandelaren,

die verbazingwekkende

mededeelingen over de

„Ephemerides" als krant wist te

zeggen.

De samensteller van bovenbedoelde

studie is echter tot de

bronnen teruggegaan en heeft ondubbelzinnig

vastgesteld, dat de

„Ephemerides" weliswaar voorkomen

in het groote verzamelwerk

van Martinus Szentivanyi

„Curiosoria et Selectoria Variarum

Scientiarum Miscallanea, I—

III. Tyrnaviae 1689—1709", evenals

in vele jaargangen van denzelfden

tijd van de „Calendarium

Tyrnaviense", doch dat zij in

geen enkele betrekking tot het

couranten-wezen staan. De „Dagbladen"

of „Dagelijksche Notities"

van M. Szentivanyi zijn

veeleer in den vorm van een dag 1

boek van dag tot dag bijgehouden

overzichten van wetenwaardigheden

op de meest verschillende

gebieden. Zelf heeft hij

zich over het karakter van zijn

„Ephemerides" als volgt uitgelaten:

„Ephemeris Graecis est

idem, quod Latinis Diarium, hoc

est Codex, in quo per dios singulos

res gestae scribuntur ét

adriotantur. Sunt autem multiplices

ac variae Ephemerides, prout

diverse generis res scriptas continent".

De betiteling „Baanbreker

van de Hongaarsche Journalistiek"

ten aanzien van Szentivanyi

is dus misplaatst.

Na aldus de beteekenis van de

„Ephemerides" tot haar ware

proporties te hebben teruggebracht,

kan bij den huidigen

stand van het couranten-onder-

" zoek in Hongarije de „Mercurius

Hungaricus" van het jaar 1705

als de eerste echte Hongaarsche

krant beschouwd worden.

(Dr. Roder, Boedapest, in

Zeitungswissenschaft)

De Pers in Zwitserland.

In de „Schweitzer Mittelpresse"

van 6 Maart werd de ontwik-

' keling /van de Zwitsersche Pers

aan de hand van officieele cijfers

in het licht gesteld. Uit deze

cijfers bleek, dat'de vraag naar

kranten gedurende den oorlog gestegen

is. Voor een gedeelte kon

aan deze verhoogde vraag door

oplageverhoogingen worden tegemoet

gekomen. Door bemidde-

- ling van de Posterijen werden in

1942 meer dan 405 millioen kranten

in het land zelf bezorgd.

Daarbij moeten dan geteld wor-

den de exemplaren, welke door

krantenbezorgsters rechtstreeks

bij de abonné's worden afgeleverd

en welker aantal met „vele

dozijnen millioenen" wordt aangeduid.

Alleen reeds de verzending

per post van periodieke

drukwerken naar adressen in

Zwitserland nam in vergelijking

met 1939 met 5 millioen exemplaren

toe.

De internationale uitwisseling

van couranten liep daarentegen

terug. Door de Posterijen werden

nog slechts 1.1 millioen Zwitsersche

kranten en tijdschriften naar

het buitenland besteld, hetgeen

slechts een vijfde gedeelte is van

het aantal in vredestijd. Tegenover

23 millioen exemplaren in

1938 werden in 1942 nog slechts

6.3 millioen exemplaren van buitenlandsche

bladen in Zwitserland

ingevoerd, hetgeen toch nog

altijd ongeveer zesmaal zooveel

is als het aantal uitgevoerde

bladen.

VRAGEN EN ANTWOORDEN BETREFFENDE ADVERTENTIES

Mogen onderstaande advertenties Antwoord,

worden geplaatst?

Is de uitdrukking in- een adv.

'„Uw adres voor nu en na den

oorlog" geoorloofd?

Voorlaad-percussiegeweer te

koop gevraagd, bij voorkeur dubbelloops.

Mogen adv. van de Ver. voor

Facult. Lijkverbranding worden

geplaatst?

Adv. van een zeepfabriek,

waarin de zinsnede voorkomt

„een merk dat in de herinnering

leeft".

Neen; tekst wijzigen in „Uw

adres voor nu en later".

Mag geplaatst worden.

In afwijking van het per telexnoot

nummer 2269 bepaalde is

door het Departement van Volksvoorlichting

en Kunsten toestemming

verleend, adv. van deze vereeniging

op te nemen.

Niet plaatsen; volgens telexnoot

1998 is de publicatie van advertenties,

waarin op schaarsche

of in het geheel niet beschikbare

goederen wordt gewezen, verboden.

Ik heb een gevoel, alsof mijn

ooren tintelen van de klappen,

die ik den laatsten tijd op deze

lïchaamsdeelen heb moeten incasseeren.

Ze tintelen en gloeien,

maar ze suizen ook, wat in den

volksmond wil zeggen, dat er

over mij geroddeld wordt, dat er

kwaad van mij wordt gesproken.

Wat kunnen ze toch over mij

zeggen, wat heb ik toch misdaan,

ik, advertentie-chef, die altijd zoo

mijn best heb gedaan om mijn

zaakjes zoo goed mogelijk voor

elkaar te hebben? Ik weet het

wel, ik ben een mensch en maak

heusch wel eens foutjes, maar ik

heb me toch nooit kunnen voorstellen,

dat die zoo ernstig zouden

worden opgenomen. En omdat

ik maar een doodgewoon

mensch ben, heb ik gedacht of

het ook mogelijk nou zijn, dat er

vergissingen worden gemaakt,

dat namelijk de andere, de klappen-uitdeelende

partij het bij het

verkeerde einde heeft. Eerst heb

ik tegen mezelf gezegd: dat kan

niet, dat mag je eigenlijk niet

eens denken. Stel je voor, dat

een Persgilde, een Departement

of Presseabteilung zich zouden

vergissen, waar zouden we dan

blijven, waar moesten we dan

houvast zoeken? Maar juist, omdat

ik in mezelf het klein-menschelijke

ontdekt heb, durfde ik

zulk een gewaagde veronderstelling

maken en deze zelfs aan het

papier toe te vertrouwen. Hopenlijk

wordt het mij niet al te kwalijk

genomen, maar ik meende als

advertentie-chef nu toch werkelijk

aan mijn stand verplicht te

zijn ook eens een geluid van

dezen kant te laten' hooren.

Ik wil dan van wal steken en

beginnen met het artikel van den

heer Kierdorff in het Maart-nummer

van de Pers. Daar lees ik

dan, dat „iedere Nederlander de

wet moet kennen", waarna de

heer Kierdorff dit toepast op de

verordening van den Rijkscommissaris

over de bedrijfssluiting.

Ik protesteer. Zeker, formeel

moge een dergelijke positieve bewering

juist zijn, maar ten eerste

leven we nu toch niet in een tijd

van formeele wetstoepassingen

en ten tweede meen ik in alle bescheidenheid

te mogen ' constateeren,

dat als hiernaar een onderzoek

zou worden ingesteld,

mker honderd procent van alle

Nederlanders de wet niet zou

blijken te kennen. Ik heb eens

eenigen tijd geleden een hoogen

ambtenaar hooren beweren, dat

de Staat eigenlijk zou kunnen

volstaan met de publicatie van

wetten en voorschriften in de

Nederlandsche Staatscourant, omdat

iedere Nederlander de wet

y

DE

DIE DE K

moet kennen en dus maar moet

zien, dat hij die wetskennis. uit

de Staatscourant haalt. Dat er

een journalistieke voorlichting

bestaat, welke het publiek ook

van deze dingen op de hoogte

moet stellen, scheen de brave

man niet te weten. Dezen zelfden,

naar mijn meening onjuisten

gedachtengang, heeft de heer

Kierdorff waarschijnlijk gevolgd.

Het is voor een ieder duidelijk,

dat het, voor wien dan ook, een

onmogelijkheid is de wet volledig

en in al haar toepassingen te kennen.

Zelfs de beste rechtsgeleerde

is daar niet toe in staat. Hoe

kan zoo iets dan van een eenvoudigen

advertentie-chef, die voorheen

nooit iets met wets-bepalingen

en derzelver voetangels en

klemmen te maken heeft gehad,

verlangd worden? Ik lees in het

Advertentie-besluit, dat een advertentie

niet „kennelijk misleidend

of overdreven" mag zijn.

MAN,

APPEN KRIJGT

Waarin zit het misleidende van

de advertentie van den juwelier,

die geen dispensatie heeft om geopend

te blijven en toch rustig

met zijn zaak doorgaat? Ik zou

zeggen: laat den man maar rustig

adverteeren, zooveel te eerder

loopt hij tegen de lamp.

Zou de werkwijze, welke hier

door den heer Kierdorff, dus

door de Presseabteilung, wordt

voorgeschreven, ten aanzien van

alle advertenties worden doorgevoerd,

waar zouden we dan in

's hemelsnaam blijven? Als ik een

advertentie ontvang met een aanbieding

van een tweedehandsch

fiets, behoef ik toch niet te gaan

onderzoeken, of de aanbieder er

wel eerlijk aan is gekomen! Integendeel,

ik meende, dat het

voorschrift, dat de stellers van

dergelijke advertenties hun naam

daarin moeten zetten, juist bedoeld

was om allerlei ongerechtigheden

op het spoor te kunnen

komen.

^_ Zoo kom ik dan vanzelf ook-op

een ander terrein terecht en wel

op dat van de prijsvoorschriften

en al dergelijke soesah, waar een

normaal mensch tenslotte zijn

hoofd bij verliest. Ik mag geen *•

advertentie opnemen waarin een

paar gebruikte schoenen voor

f75.— worden aangeboden. Accoord.

Dat begrijpt ieder weldenkend

mensch. Zooiets spreekt

duidelijk. Maar een bontjas tegen

een in de oogen van mij, armen

loontrekkenden bediende, fenomenaal

bedrag, mag die wel worden

geadverteerd? Kan ik uitmaken

of het ding dien prijs waard

is? Waarom krijg ik dan toch

een veeg uit de pan, als ik in dit

opzicht eens mijn boekje te

buiten ga?

Nu loopt het, eerlijk gezegd,

nogal los met de „vegen uit de

pan"die ik persoonlijk heb gehad,

want heusch, ik pas goed op, al

zeg ik het zelf, maar ik begin het

zoo'n beetje als een kwestie van

„beroepseer" te beschouwen..,Het

is niet prettig om in elk nieuw

nummer van je eigen maandblad

standjes te krijgen. Telkens

tegen den tijd, dat de „Pers" in

de bus verwacht wordt, begin je

een kriebelig gevoel te krijgen,

want je weet bijna zeker: er zal

wel weer iets minder prettigs

voor mij in Staan.

En toch heb ik hierin den laatsten

tijd eenige verandering bemerkt.

Toen ik het Mei-nummer

in handen kreeg, vond ik daarin,

naast een aantal op- en aanmerkingen,

ook de noodige adviezen

en, kijk, die hebben we noodig.

Heusch, mijnheer C. R., wij willen

werkelijk wel goed, maar de

moeilijkheden zijn zoo legio.

Ik heb al meer dan eens een

goed advies van het Lectoraat

van het Persgilde gekregen en als

ik daar ging praten, kon ik best

bemerken, dat die stukjes in De

Pers, eigenlijk gezegd, boozer

schijnen dan ze bedoeld zijn, al

werden me ook gevallen getoond

en feiten voorgelegd, welke alle

reden tot ontstemming gaven.

Maar ik blijf erbij, dat de advertentie-chef

klaarblijkelijk de man

is, die op het oogenblik in een

kwaden hoek zit, al moge hij dat

in veel gevallen aan zichzelf te

wijten hebben. Daarom doe ik

langs dezen weg een beroep op

alle mogelijke instanties, die ons

op de vingers kijken: Weest clement,

ziet wat door de vingers!!

Dan zullen wij van onzen kant,

daar ben ik van overtuigd, alles

doen wat in ons vermogen ligt

om onze kranten van alle ongerechtigheden

vrij te houden. A.

9


Karakter Analyse door graphologisch

onderzoek van het handschrift.

Advies omtrent karakter,

aanleg, natuur en levenshouding

van Uzelf en personen, waarmede

U in relatie staat.

Niet plaatsen. Mogen advertenties, waarin

luidsprekers te koop worden gevraagd

of aangeboden weer in

dag- en nieuwsbladen en tijdschriften

worden opgenomen?

Postzegels te koop aangeboden

door postzegelhandel (volgen

naam en adres); door inzender

wordt de opmerking gemaakt,

dat vergunning is verleend, welke

vergunning al 2 jaar in zijn bezit

is.

Mogen advertenties worden opgenomen,

waarin haargroeimiddelen

te koop worden aangeboden?

„ Woningruil". Zoekt U een andere

woning? Laat U dan inschrijven

bij woningruilbureau

(volgen naam en adres).

Incasseerder gevraagd in vrijkomend

Levensverzekering

Agentschap. Vakkennis vereischt.

Genegen uitbreiding ter hand te

nemen.

10

Tot plaatsing van advertenties

van postzegelhandelaren mag pas

worden overgegaan, indien de

opdrachtgevers een schriftelijk

bewijs van de daartoe bevoegde

instanties kunnen toonen, dat

hun zaken geopend mogen blijven

en daarvoor dus mag worden

geadverteerd; met de mededeeling

„dat vergunning is verleend"

kan dus niet worden volstaan.

Tegen het plaatsen van dergelijke

annonces bestaat geen speciaal

verbod; de meeste dezer

advertentieteksten zijn evenwel

dermate kennelijk misleidend,

dat het opnemen daarvan op

grond van het in art. 4 sub a

van het advertentiebesluit bepaalde

dient te worden geweerd.

Een eenigszins andere

maatstaf dient te worden aangelegd

ten opzichte van advertenties,

waarin producten worden

aangeboden, welke haaruitval,

roosvorming, vet haar enz. zouden

tegengaan. Wanneer deze

teksten zeer neutraal worden gehouden,

kunnen zij niet officieel

worden afgekeurd, hetgeen echter

nog geenszins wil zeggen, dat

het Persgilde de plaatsing van

dergelijke annonces aanmoedigt.

De advertentie-chefs behouden

dus de beslissing, of zij wel of

niet tot plaatsing daarvan willen

overgaan, volkomen in eigen

hand. (Men leze in verband met

het voorgaande het artikel „De

advertentie-kolommen" in „De

Pers" van September 1943.)

Indien de advertentie-chef zich

ervan vergewist heeft, of het betreffende

bureau bona-fide is, bestaat

tegen plaatsing van dergelijke

advertenties geen bezwaar.

Mag worden opgenomen, indien

de passage „genegen uitbreiding

ter hand te nemen" wordt

weggelaten.

Mag met een eierconserveermiddel

worden geadverteerd?

Door part. te koop gevr. complete

en gedeelt. compl. postzegelverzamelingen.

Thans volgen nog enkele bijzondere

gevallen. Zoo vraagt een

schildersvakblad, hetwelk de

overheids-voorschriften trouw

naleeft, niet alleen naar de letter,

maar ook in den geest, of

toestemming kan worden verleend,

een ruil-advertentie op te

nemen, waarin een schilder, die

twee overalls heeft en geen verf,

dit laatste artikel met een collega,

die nog een behoorlijken

voorraad verf heeft, maar wiens

vakkleeding totaal is versleten,

wil ruilen, onder motiveering, dat

beiden dan door kunnen werken.

Hierop is door de betreffende

overheids-instantie geantwoord,

dat er in beginsel geen bezwaren

tegen bestaan, dat in dit vakblad

de gelegenheid wordt geboden,

om schildersmateriaal onder de

vakgenooten onderling uit te wisselen.

Daarbij zal echter in aanmerking

dienen te worden genomen,

dat bij de aanbieding van

ongelijksoortige artikelen als b.v.


Neen; het in telex-noot'nummer

1928 bepaalde is nog steeds

van kracht. Het verbod geldt dus

ook voor luidsprekers, welke

voor radio-distributie te koop

worden gevraagd of aangeboden.

In bepaalde gevallen kan evenwel

door de Presseabteilung ontheffing

worden verleend; het is

daarom noodzakelijk, dat dergelijke

annonces aan deze instantie

ter keuring worden voorgelegd,

hetgeen in 4-voud dient te geschieden.

Neen; nu er vrijwel geen eieren

zijn, is een propagande-actie

voor een dergelijk middel overbodig.

Particulieren is het niet verboden,

postzegels te koop te vragen

of aan te bieden. Men dient

er echter voor te waken, dat

postzegelhandelaren, wien het adverteeren

op grond van de beschikking

van den Rijkscommissarie

verboden is, dit middel te

baat nemen, om bedoeld verbod

te ontduiken. Wanneer derhalve

z.g. particulieren groote partijen

postzegels te koop vragen of aanbieden

of min of meer regelmatig

adverteeren, doet men er goed

aan, deze advertenties te weigeren

of een onderzoek in te stellen.

een overall tegen een verfspuit

rekening wordt gehouden met de

door den Dienst voor den Gemachtigde

voor de prijzen vastgestelde

prijzen voor deze artikelen

als basis voor de ruiltransactie.

Verwezen wordt hiervoor

naar de bekende „Prijzenbeschikking

gebruikte goederen no. 1."

In het algemeen komt de inhoud

hiervan hierop neer, dat bij

de waardeering van de te ruilen

goederen een onderlinge redelijke

verhouding moet blijven bestaan

tot den te waardeeren prijs voor

beide goederen. Zoo zal dus

nauwkeurig dienen te worden afgewogen,

of een bepaalde hoeveelheid

verf één dan wel twee

overalls waard is. Aanbiedingen

van b.v. shag tegen verf of een

Friesche klok tegen loodwit komen

vanzelfsprekend niet in aanmerking

om te worden opgenomen

in ruil-advertenties.

Uit het bovenstaande kan wel

worden opgemaakt, dat een ad-

* vertentie-chef, die zijn taak zeer

serieus opvat en niet alleen naar

de letter van de voorschriften

handelt, de bevoegdheid kan worden

verleend, dergelijke ruil-advertenties,

waarin ongelijksoortige

goederen tegen elkaar worden

aangeboden, op te nemen.

Het bovenstaande geval kan dus

niet als algemeene richtlijn worden

beschouwd, doch is alleen

even gesignaleerd, om te laten

zien, dat het in de practijk weleens

kan voorkomen, dat door de

daartoe bevoegde autoriteiten

toestemming wordt verleend tot

plaatsing van annonces, welke

feitelijk aan de hand van de

voorschriften dienen te worden

geweigerd. Wanneer soortgelijke

gevallen zich voordoen, dan kunnen

deze door de bladen, voorzien

van een uitvoerige omschrijving

van redenen, aan het lectoraat

van het Persgilde worden

voorgelegd.

Eigener beweging mag men dus

nimmer tot plaatsing van dergelijke

ruil-advertenties overgaan.

Het /volgende geval bewijst, dat

men voorzichtig moet zijn met

opname van advertenties, welke

worden aangeboden vergezeld

van de mededeeling, dat „het

Persgilde toestemming tot plaatsing

heeft verleend". Gedoeld

wordt hier op een door een bureau,

hetwelk bemiddeling verleent

bij het zoeken van een correspondentievriend

of -vriendin

aangeboden advertentie. Op een

door dit bureau aan het P.G. gestelde

vraag, of dit bezwaar

heeft, indien voor dit doel van

de advertentie-ruimte van de dagbladen

gebruik wordt gemaakt,

is door het P.G. geantwoord, dat

„er weliswaar geen verbod tot

het opnemen van de bedoelde

annonces bestaat, DOCH DAT

HET ANDERZIJDS NIET OP

DEN WEG VAN HET P.G.

LIGT, DOOR HET AFGEVEN

VAN EEN VERKLARING DE

BLADEN OP EENIGERLEI

WIJZE TE' BEINFLUENCEE-

REN.

Wat doet het bemiddelingsbureau

nu? Het stuurt den bladen

advertenties toe, waarin correspondentievrienden

of -vriendinnen

worden gevraagd, onder mededeeling,

dat „van het P.G. bericht

is ontvangen, dat voor het

plaatsen van deze advertenties

geen verbod bestaat. Over de

hiervoor kapitaal gedrukte passagewordt

vanzelfsprekend met geen

woord gerept, doch de bladen,

in casu de advertentie-chefs, zouden

uit deze korte mededeeling

de gevolgtrekking kunnen maken,

dat het P.G. aan dergelijke annonces

volledig zijn fiat heeft

gegeven, hetgeen toch geenszins

het geval is. Ten aanzien van

deze advertenties geldt precies

hetzelfde, als hiervoor reeds is

medegedeeld met betrekking tot

het opnemen van advertenties

betreffende haargroeimiddelen.

Men houdt de beslissing in eigen

hand of men wil plaatsen of wil

weigeren!

Indien noodig zal deze rubriek

in een volgend nummer worden

vervolgd.

Verbeterde papiersituatie

in Slowakije

De ontwikkeling van de internationale

houtmarkt, welke in

een groot aantal landen, zooals

bijvoorbeeld Zweden, reeds tot

belemmering van den afzet en

tot beperking van de productie

heeft geleid, is ook niet geheel

zonder invloed op den Slowaakschen

houthandel gebleven. De

situatie in Slowakije is steeds zoo

geweest, dat bepaalde moeilijkheden,

welke zich op buitenlandsche"

markten voordeden, ten

slotte tot een verbetering van de

inlandsche markt leidden. Zoo

meldt de „Süd-ostecho", dat bepaalde

beperkingen, welke begin

vorig jaar van hoogerhand werden

opgelegd om voornamelijk

op het gebied van de pers een

papierbesparing door te voeren,

weer konden worden ingetrokken,

waardoor de oorspronkelijke

toestand wederom werd hersteld.

Door dezen maatregel zijn ook

weer verschillende wijzigingen in

de prijsberekeningen aangebracht

moeten worden, daar vele bladen

bij de inkrimping van den omvang

tot verhooging van de

advertentie-prijzen waren overgegaan.

Thans werd voorgeschreven,

dat de advertentie-prijzen

tot het niveau van vóór 1 Mei

1943 moeten worden teruggebracht.

11


De Bruto oplage

Nu de beschikkingen van den

leider van het Persgilde, waarbij

voor ieder blad vanaf 1 November

1943 een maximum bruto oplage

werd vastgesteld, reeds gedurende

eenige maanden den

abonnementenstop vervangen, is

het van belang eens na te gaan,

welken invloed dit voorschrift

heeft gehad op de samenstelling

van de oplage van verschillende

bladen.

Liet de abonnementenstop geen

enkele mogelijkheid van beteekenis

om binnen de gestelde

grens de inkomsten te vergrooten

door bezuinigingen door te

voeren bij het overige deel der

oplage, ^de bruto-oplage-beschikkingen

openden deze mogelijkheden

in vele gevallen wel.

Hoewel velschillende uitgevers

aanvankelijk eenigszins sceptisch

tegenover dezen maatregel stonden

en van meening waren, dat

het zeer bezwaarlijk zou zijn om

zich, met den soms sterk varieerenden

inschiet en misdruk, aan

de maximum bruto oplage te kunnen

houden, bleek, toen men in

de bedrijven hier scherper op

ging letten, weldra, dat de mogelijkheid

om dezen onvermijdelijken

verliespost te verminderen

inderdaad aanwezig was: zélfs in

gevallen waar het percentage inschiet

en misdruk reeds laag te

noemen was.

Afbeelding 1 geeft een overzicht

van de maandgemiddelden

aan inschiet en misdruk van een

blad, waarvan het percentage inschiet

en misdruk voor 1 November

1943 steeds ongeveer 2 % bedroeg.

Hoewel de aantallen na

De afbeeldingen 2 en 4 toonen

de oplage-gegevens van een dagblad,

dat van Juli t/m October

1943 eveneens een gemiddelden

inschiet en misdruk van ongeveer

2 % had. De lijngrafiek (Afb. 2)

geeft aanleiding tot eenige opmerkelijke

algemeene conclusies.

Tengevolge van den abonnementenstop

liep de lijn der betalende

abonné's tot 1 November 1943

vrijwel horizontaal, terwijl de

12

Afb

dezen datum sterk blijven wisselen,

is het toch duidelijk, dat het

percentage aanmerkelijk is teruggeloopen.

Bedroeg het gemiddelde

over de maanden Juli tot en

met October 1943 1804 exemplaren,

over de maanden November

1943 tot en met Maart 1944 bleken

dit slechts 1075 exemplaren

te zijn, hetgeen een vermindering

met 401 procent beteekent. En

dat wil nu niet alleen zeggen een

kleine bezuiniging op de papierkosten,

zooals dit zou zijn geweest

bij den abonnementenstop,

maar het openen van een gelegenheid

om eenigszins tegemoet te

komen aan den zeer grooten toeloop

van gegadigden voor een

abonnement en een vergrooting

van de inkomsten.

- bruto oplage aan zeer sterke

schommelingen onderhevig was.

De maand October geeft zelfs

een zeer hooge bruto oplage te

zien. In November daalt de

bruto-oplage met gemiddeld 290

exemplaren tot onder den stop,

die op 43500 exemplaren is gesteld.

Het verloop van de lijn der

bruto-oplage geeft in de daarop

volgende maanden aan, dat de

sterke schommelingen zijn opgehouden,

terwijl tevens blijkt, dat

de bedrijfsleiding de aanwezige

mogelijkheden dadelijk op haar

juiste waarde heeft geschat, daar

geen enkele overschrijding van

het gestelde maximum heeft

plaats gevonden en tevens het

aantal betalende abonné's na 1

November vrijwel constant is ge-


•bleven. Verder is dit voorbeeld

een sprekend bewijs van de mogelijkheid

tot het beter benutten

van het toegewezen kwantum

papier, daar de verlaging der

bruto-oplage in November met

290 exemplaren samenging met

een verhooging van het aantal

betalende abonné's met gemiddeld

625.

Het is nu zeker interessant om

aan de hand van afbeelding 4 en

de oplagecijfers eens na te gaan

hoe deze verhooging van het aantal

betalende abonné's tot stand

is gekomen.

De volgende gemiddelde cijfers

over de perioden van 1 Juli tot

en met 31 October 1943 en 1 November

1943 tot en met 31 Maart

1944 zijn hierbij berekend.

1.

2.

3.

4.

5.


Bruto Oplage

Betal. abonné's

Reductie gratis

ab. comm. ex.

en losse verk.

Bewijsn., arch,

ex., werk-ex. en

diversen

Insch. en misdr.

Juli,

Oct.

43455

41775

377

414

929

NOV.;

Maart

43454

42338

323

318

474

Bij een onveranderde gemiddelde

bruto-oplage blijkt nu, dat

het aantal betalende abonné's is

gegroeid ten koste van de rubrieken

3, 4 en 5, waarbij het sterke

terugloopen van den inschiet en

misdruk wel zeer opvallend is en

deze nog slechts 1.09 % van de

bruto-oplage bedraagt.

Het ligt voor de hand, dat niet

alle bladen eenzelfde reactie op

de bruto-oplage vertoonen als

hierboven is geschetst. Er zijn

gevallen aan te wijzen, waarbij in

het geheel niet is gereageerd. Anderen

hebben eerst bezuinigingen

ingevoerd en zagen daardoor de

bruto-oplage verminderen. Bleek

dit goed te gaan, dan werd daarna

pas overgegaan tot het aan-

BtTEEKENIS DE» ARCEER ING.

INSCHIET EN MISDRUK.

DEWV3N0-J, ARCHIEF, DIVERSEN.

RED.KNGRAT1S AB., COMM.Ex ,Wte veRK.

BETALENDE ABONNEE .

Afb. 3

nemen van nieuwe abonné's, Dit

-waren wel de zeer voorzichtigen.

Weer anderen meenden een

oogenblik in staat te zijn wel een

courant te kunnen vervaardigen

zonder dat practisch van inschiet

en misdruk sprake zou zijn. Zij

kwamen in moeilijkheden en

voelden zich het lid op den neus

vallen, zooals dat nu eenmaal

gaat met hen, die het onderste

uit dé kan willen hebben.

Tot slot van dit overzicht zij

nog gewezen op de reactie bij een

niet dagelijks verschijnend

nieuwsblad, in afbeelding 5 in

beeld gebracht.

Nadat in November, December

en Januari van eenige reactie

feitelijk geen sprake was geweest,

had men in Februari den smaak

plotseling zoo te pakken gekregen,

dat men te hard van stapel

liep en de maximum bruto-oplage

overschreed, waarop onmiddellijk

een waarschuwing van het Persgilde

volgde en in Maart de

hruto-oplage werd teruggebracht.

Dit is een duidelijk voorbeeld

van een blad, dat den boog te

strak gespannen heeft. Hoewel

het streven om al het papier tot

600.

900

Sao

7°°

601


Vergoedingen aan redactioneele medewerkers

Op 11 Mei j.1. heeft de leider king gegeven, waarvan de inhoud

van het Persgildè der Nederland- hieronder in extenso wordt afsche

Kultuurkamer een beschik- gedrukt:

Beschikking

van den Leider van het Persgildè der Nederlandsche Kultuurkamer.

Op grond van artikel 22 van de Verordening no. 211/1941, van den Rijks»

commissaris voor het bezette Nederlandsche gebied, betreffende de Neder»

landsche Kultuurkamer, (aangevuld bij de verordeningen no. 28/1942 en

34/1942), wordt bepaald:

Artikel 1. (1) De uitgever c.q. ondernemer: (volgt naam)

is verplicht van alle vergoedingen, die hij wegens redactioneele medewer»

king aan niet bij hem in vast dienstverband werkzaam zijnde personen ver»

strekt, aan het Verbond van Nederlandsche Journalisten opgave te doen.

(2) Onder redactioneele medewerking wordt verstaan iedere medewerking

aan of ten behoeve van den redactioneelen inhoud van de door den in artikel 1

genoemden uitgever uitgegeven nieuwsbladen of tijdschriften, alsmede iedere

medewerking aan of ten behoeve van het vergaren of verspreiden van nieuws»

berichten voor de door den'm artikel 1 genoemden ondernemer gedreven pers»

bureaux of persdiensten.

(3) Onder niet in vast dienstverband werkzaam zijnde personen worden

verstaan al diegenen voor wie niet reeds krachtens de beschikking no. 1/1942

van den leider van het Persgildè door den uitgever c.q. ondernemer de aan het

Verbond van Nederlandsche Journalisten verschuldigde lidmaatschapsbijdrage

wordt afgedragen.

Artikel 2. De in artikel 1, eerste lid, bedoelde opgave geschiedt op de wijze

en binnen de termijnen als door den Voorzitter van het Verbond van Neder»

landsche Journalisten wordt bepaald.

Artikel 3. Overtreding van het bepaalde bij artikel 1, eerste lid, wordt

gestraft met een geldboete van ten hoogste duizend gulden.

Artikel 4. Met het toezicht op de naleving dezer verordening en met de

opsporing van bij deze beschikking strafbaar gestelde handelingen, zijn mede

belast de personen, daartoe door' den President der Nederlandsche Kuituur»

kamer of den leider van het Persgildè aangewezen.

Artikel 5. Deze beschikking treedt met terugwerkende kracht vanaf

1 Januari 1944 in werking.

's»Gravenhage, 11 Mei 1944

w.g. J. HUIJTS.

De Gildeleider

De betrokkenen worden dooc

deze beschikking verplicht aan

het Verbond van Nederlandsche

Journalisten opgave te doen van

alle vergoedingen, die zij wegens

redactioneele medewerking aan

niet bij hen in vast dienstverband

werkzaam zijnde personen verstrekken.

De stroom van brieven, die bij

de administratie van het Verbond

is binnengekomen, waarin alle mogelijke

vragen omtrent de uitvoering

van de beschikking worden

gesteld, maakt het noodzakelijk

de beschikking hier aan een

nadere bespreking te onderwerpen.

Wie zijn redactioneele medewerkers?

Een aantal uitgevers blijkt de

meening toegedaan te zijn, dat zij

op grond van het feit, dat aan

hun uitgaven geen redactioneele

medewerking wordt verleend

door beroepsjournalisten, niet

verplicht zijn de in de beschikking

bedoelde aangifte te doen.

Zij beroepen zich daarbij op de

bij de beschikking gegeven

nadere toelichting van het Ver-

-bond (zie alinea 2).

Inderdaad gaat het er het Verbond

in hoofdzaak om, gegevens

te verkrijgen omtrent de journalistieke

inkomsten van de ingeschreven

leden. Dit o.a. ter vaststelling

van de door de leden van

het Verbond verschuldigde lidmaatschapsbijdrage,

die berekend

wordt over het geheele journalistieke

inkomen.

Dit wil echter niet zeggen, dat

de vergoedingen, die aan nietjournalisten

worden uitgekeerd,

ook niet aangegeven behoeven te

worden. Artikel 1 sub Ie bepaalt

toch, dat opgave moet worden

gedaan van alle vergoedingen, die

wegens redactioneele medewerking

aan niet in vast dienstverband

werkzaam zijnde personen

worden verstrekt. Het woord

„personen" dient als zoodanig gelezen

te worden en daaruit mag

niet worden opgemaakt, dat met

dit woord in feite wel „journalisten"

bedoeld zullen zijn. In de

nadere toelichting wordt hierop

bovendien nog extra de nadruk

gelegd (zie alinea 4).

Trouwens, hoe zou het aangeven

van vergoedingen uitsluitend

aan beroepsjpurnalisten in

de practijk moeten worden uitgevoerd?

Hoe zou b.v. een uitgever

van meer dan één tijdschrift,

waaraan in één kwartaal

meer dan 200 personen redactioneele

medewerking hebben verleend,

moeten nagaan wie van

deze medewerkers als journalist

bij het Verbond zijn ingeschreven?

Hij zou daartoe moeten beschikken

over een volledig beroepsregister

van het Verbond.

Dit beroepsregister zou het Verbond

niet alleen aan de plm. 350

uitgevers en persbureaux moeten

toezenden, doch ook alle mutaties

moeten doorgeven die door

de uitgevers moesten worden bijgehouden.

Het is zonder meer

duidelijk, dat dit voor alle betrokken

partijen een schier onbegonnen

taak is. Neen, het aangeven

van de vergoedingen op de

wijze als in de beschikking is

voorgeschreven, is zeker voor de

betrokken uitgevers wel de eenvoudigste

regeling.

Voor welke uitgaven moeten de

vergoedingen worden aangegeven?

Het kwam meermalen voor, dat

uitgevers de hun gezonden aangifte-formulieren

hebben teruggestuurd

met de mededeeling, dat

hun uitgave niet valt onder de

bepalingen van het Journalistenbesluit

en dat zij deswege niet

verplicht zijn tot het doen van

opgave als in de beschikking bedoeld.

Deze opvatting is volkomen

onjuist en het is ook niet geheel

duidelijk waarop de uitgevers die

opvatting baseeren. Immers, de

verplichting tot het doen van de

bij de beschikking bedoelde aangifte

is opgelegd aan alle uitgevers,

die krachtens het bepaalde

van artikel 3 van de eerder genoemde

Verordening no. 211/1941

bij de Nederlandsche Kultuurkamer

zijn. aangesloten. Dit zijn

dus alle uitgevers van nieuwsbladen

en tijdschriften en ondernemers

van persbureaux en persdiensten,

die in de betreffende

vakgroepen van het Persgildè

zijn opgenomen. Uitsluitend aan

deze uitgevers en ondernemers is

14


de beschikking toegezonden.

Het doet er in het geheel niet

toe of een uitgave „niet-journalistiek"

is, daar de beschikking

niet op het journalistenbesluit

steunt en de bepalingen daarvan

ten deze dus van geen enkel belang

zijn.

Moet ook opgave worden gedaan

indien geen vergoedingen verstrekt

worden?

Weer een andere categorie uitgevers

stelt zich op het standpunt,

dat zij niet verplicht zijn

het aangifte-formulier in te zenden,

daar de medewerking aan

hun uitgave belangeloos wordt

verricht of omdat geen medewerking

aan hun uitgave wordt verleend.

Ook dit standpunt is onjuist.

Op het aangifte-formulier is

uitdrukkelijk vermeld, dat indien

in eenig kwartaal geen vergoedingen

worden verstrekt, de aangifte

toch moet worden ingezonden.

Daarop moet dan de vermelding

voorkomen: In dit kwartaal zijn

geen vergoedingen verstrekt.

Ook indien geen redactioneele

medewerking plaats vindt of de

medewerking belangeloos wordt

verricht, moet de aangifte worden

ingezonden.

Slechts is in enkele gevallen

toegestaan de aangifte éénmaal

per jaar in stede van per kwartaal

in te dienen.

Wat zijn niet in vast dienstverband

werkzaam zijnde personen?

Onder niet in vast dienstverband

werkzaam zijnde personen

worden verstaan al diegenen, voor

wie niet reeds krachtens de beschikking

no. 1/1942 van den

leider van het Persgilde door

den uitgever c.q. ondernemer de

aan het Verbond van Nederlandsche

Journalisten verschuldigde

lidmaatschapsbijdrage worden afgedragen.

Zelfs indien een werkgever

maandelijks de contributie voor

bij hem werkzaam zijnde journalisten

aan het Verbond overmaakt,

zonder dat hij daartoe gebruik

maakt van de bij Beschikking

no. 1/1942 voorgeschreven

aangifte-formulieren, ook dan

worden die journalisten beschouwd

als niet in vast dienstverband

werkzaam en dient per

kwartaal opgave van het uitgekeerde

salaris te worden gedaan.

Geen heffing van contributie van

niet-journalisten.

Eenige uitgevers opperden bedenkingen

tegen de gegeven beschikking,

daar het aangeven van

vergoedingen de redactioneele

medewerking ten nadeele zou beïnvloeden.

Met name vreesden

zij, dat van de redactioneele medewerkers

door het Verbond een

lidmaatschapsbijdrage zal worden

verlangd, hetgeen de animo

om verdere medewerking te verleenen

aanmerkelijk zou verminderen.

Het zij hier uitdrukkelijk vermeld,

dat het in het geheel niet

in de bedoeling ligt van personen,

die niet in hoofdberoep de functie

van journalist uitoefenen,

eenige vergoeding te vorderen of

eenige andere verplichting op te

leggen.

De invulling van de aangifte-formulieren.

Het is de bedoeling, dat uit het

aangifte-formulier blijkt, aan welke

uitgave de verschillende personen,

aan wie vergoedingen zijn

verstrekt, medewerking hebben

verleend.

Tot goed begrip van de wijze

waarop de invulling moet geschieden

volgt hieronder een voorbeeld:

De Uitgeverij „Eenvoud" te

Simpelveld geeft drie tijdschriften

uit, te weten „Gemak",

„Zakelijk" en „Snel". Aan eerstgenoemde

uitgave verkenen Jansen

en Pieterse medewerking, aan

de tweede Klaassen en Gerritse

en aan de derde van Straten en

van den Berg.

De invulling van het aangifteformulier

geschiedt nu als volgt:

Naam van den uitgever: Uitgeverij Eenvoud.

te: Simpelveld.

Betreffende de uitgaven: 1. Gemak 2. Zakelijk 3. Snel

No.

1.

2.

3.

4.

5.

6.

Naam en woonpl. v. d. medewerker

A. van den Berg te B.

P. Gerritse te C.

D. Jansen te E.

F. Klaassen te G.

H. Pieterse te J.

K. van Straten te L.

Medewerking

aan no.

Vergoedingen

ƒ 60.-

H 90.-

„ 30.-

„ 45.-

., 15.-

., 27.-

0

i

i

DE

POSTCHEQUE-

EN GIRODIENST r

VERZOEKT DRINGEND

0 A

^ SAMENVOEGING VAN BEDRAGEN ;EN VOOR

^ ^

EENZELFDEN BEGUNSTIGDE SDE

MAANDBETALINGEN TE WIJZIGEN IN

2 OF 3 MAANDELIJKSCHE BETALINGEN iTALINGEN

@

GELIJKMATIGE VERDEELING VAN OP- OP­

DRACHTEN OVER DE GEHEELE E MAAND

g

i

UITERSTE BEPERKING TE BETRACHTEN rRACHTEN

MET NAVRAGEN EN KLACHTEN :HTEN

U REKENDE ALTIJD OP DEN POSTCHEQUE- -EN GIRODIENST

NU REKENT DE POSTCHEQUE- EN GIRODIENST 20DIENST OP U

-

Bij een bekende uitgeverij van tijdschriften vaceert

de betrekking van

Chef der Advertentie-afdeeling

Hiervoor komt in aanmerking een energiek persoon,

gewend om leiding te geven, volledig bekend met

het advertentie- en reclamevak, vooral wat betreft

den binnendienst, met voldoende ervaring om o.a.

den opmaak van de advertentiepagina's technisch

juist en smaakvol te verzorgen.

Voor een harden werker bestaat hier een gelegenheid

zich een mooie levenspositie op te bouwen.

Brieven met voll. inlichtingen en zoo mogelijk

pasfoto onder. Nr. A 7188, bureau van dit blad.

Hekelveld 15, Amsterdam.

15


Bij een belangrijke uitgeverij is plaats voor een

Bedrijfschef

vnl. voor de leiding der afdeelingen abonnementen,

agentenadministratie en expeditie. In aanmerking

komt een oudere kracht met jarenlange ervaring

op dit gebied, goed organisator, en met eigen

ideeën, gewend zelfstandig te werken.

Uitsluitend zij, die hun sporen in de uitgeversbranche

verdiend hebben, gelieven te solliciteeren

onder Nr. A 7187 bur. v. d. blad, Hekelveld 15,

Amsterdam.

ENVEHA

EPEHI

H.V. Maatschappij voor Papierveredelmg

DEN HAAG

Enveloppen

Kantoorboeken

UW

OUD PAPIER

wordt door ons door geheel Nederland verpakt

en afgehaald tegen den maximum prijs.

JAC. VELZEL

Gilles van Ledenberghstraat 24

Amsterdam - Tel. 80129-80696-95061-40616

Heeft U nog wat op te ruimen?

Firma v. d". Eist en Jas

haalt alles gratis af. Oud papier, lompen,

metalen en archieven.

Voor vernietiging wordt zorg gedragen.

Wij betalen de door het Rijksbureau

hoogst toegestane prijzen.

O.Z. Achterburgwal 45, Lange Houtstraat 67

Amsterdam, telefoon 41397—46737

De naam Milo roept associaties op aan klassieke schoonheid;

de Venus van Milo. De letter die Milo heet, mag dan niet

klassiek zijn - haar schoonheid heeft duizenden grafische fijnproevers

en ook het lezend publiek in haar ban gevangen.

SPRINGER&MÖLLER N.V.

AMSTERDAM, Warmoesstraat 2-4-6-8

s

Prijs per nummer f 0.60.

More magazines by this user
Similar magazines