nr. 12 december - Publicaties Nederlandse Politieke Partijen

pubnpp.eldoc.ub.rug.nl

nr. 12 december - Publicaties Nederlandse Politieke Partijen

~

ö

en

-;

L

:a


- a:

llol

liD

:E

UI

u

llol

Q

N

- 0

z

z

" c(

a:

" c(

.c(

- !

~


DECEMBER 1965

Huren en huizen W. van het Schip 521

Aan de wieg van het moderne

Nederland Theun de Vries 531

De cybernetische revolutie Hyman Lumer 544

Tien punten voor het werk van een

auteur in de verdeelde wereld Peter Weiss 555

Het standpunt van de CPN over

de Goedkeuringswet 561

PARTIJDOCUMENT:

Open brief aan de aanhangers

van de PSP 566

POLITIEK EN CULTUUR

verschijnt maandelijks bij uitgeverij Pegasus

Leidsestraat 25, Amsterdam-C., tel. 23.11.38

De abonnementsprijs is f 7.20 per jaar,

f 3.60 per halfjaar, losse nummers f 0.70

Ons gironummer is 173127, Gem.giro: P 1527

Correspondentie over betaling en verkoop s.v.p.

zenden aan de administratie p/a Pegasus.

Alle correspondentie over de inhoud aan de

redactie van P. & C., Prinsengracht 473,

Amsterdam-C., tel. 62565


25e jaargang no. 12 december 1965

POLITIEK

EN

CULTUUR

maandblad, gewijd aan de theorie en praktijk van

het marxisme-leninisme onder leiding van

het partijbestuur der C.P.N.

Huren en huizen

De voorstellen van minister Bogaers tot verhoging van de huren

zijn in de Tweede Kamer met 104 tegen 10 stemmen aanvaard.

In de Eerste Kamer zal dat waarschijnlijk ook geschieden

.en dan zal het Nederlandse volk geconfronteerd worden

met de achtste en negende huurverhoging sinds 1950; het huurpeil

zal als gevolg daarvan volgens de officiële gegevens stijgen

tot gemiddeld het drievoudige van dat van voor 1950 ...

Er :is moeite gedaan om zoveel mo~elijk woningen bij de komende

huurverhogingen te betrekken. Daartoe heeft minister

Bogaers alle mogelijke inspanningen gedaan en de rechtse kringen

in het parlement hebhen hieraan hard meegewerkt.

In grote lijnen komt de huurverhoging op het volgende neer:

-Woningen gebouwd tussen 1921 en 1945 met een huur lager

dan resp. 75, 70 of 60 gulden per maand (deze huurbedragen

gelden voor de 'diverse gemeenteklassen), mogen met tweemaal

7,5 procent worden verhoogd.

- Woningen gebouwd tussen 1921 en 1945 met een huur hoger

dan 135, 125 of 110 gulden per maand, worden verhoogd

met tweemaal 15 procent.

-Woningen gebouwd tussen 1921 en 1945 met huren hoger

dan 75, 70 of 65 gulden per maand, maar lager dan 135, 125

of 110 gulden, mogen met tweemaal 10 procent worden verhoogd.

- Woningen gebouwd in de periode van 5 mei 1945 tot 1957

mogen met tweemaal 10 procent worden verhoogd. 521


- Woningen gebouwd na 1956 zullen tweemaal een gedifferentieerde

huurverhoging krijgen, variërende van 0 tot 10 procent.

- Nieuwbouwwoningen, die van dit moment af klaar komen

en waarop subsidie wordt gegeven, zullen met ingang van 1968

een jaarlijkse huurverhoging krijgen van 4 procent, net zolang

tot de subsidie opgeheven is. Deze jaarlijkse huurverhogingen

zullen ook gelden voor gesubsidieerde woningen, gebouwd sinds

1945, voor zover daarop thans nog subsidie wordt gegeven.

- Woningen van vóór 1921, met een huur van meer dan 75,

70 of 60 gulden per maand worden verhoogd met tweemaal

10 procent.

- Woningen van vóór 1921 met een lagere huur kunnen, als

de eigenaar aantoont "dat ze een duidelijk te lage huur doen",

worden verhoogd met tweemaal 7,5 procent.

- De huurverhogingen zullen ingaan op 1 januari 1966 en

1 januari 1967.*)

Waarheen gaan we?

De vraag die rijst naar aanleiding van deze nieuwe huurverhoging

en die overal steeds klemmender wordt gesteld, is: Waarheen

gaan we met de huren en het woningbeleid?

Honderdduizenden gezinnen leven in woningen van tachtig tot

honderd jaar oud, met huren van 70 tot 100 gulden per maand.

Deze gezinnen staan voor een tweetal huurverhogingen, tezamen

liggende tussen de 14 en 20 gulden. Tienduizenden andere

gezinnen leven in na-oorlogse woningen met huren van 100 tot

130 gulden per maand; voor hen dreigen er nog extra-huurverhogingen.

Duizenden anderen hebben, gedreven door de woningnood,

in de laatste jaren woningen moeten betrekken met

huren rondom de 150 gulden per maand. Met de huidige huren

hebben zij vaak een last op zich genomen, die eigenlijk te zwaar

is. Wat moet er dan gebeuren, als deze last nog vergroot wordt?

Vele middenstanders staan nog voor andere problemen, als gevolg

van deze huurpolitiek. Zij zullen straks dezelfde verhogingen

moeten betalen, echter niet alleen voor hun woning maar

ook voor hun bedrijfsruimte.

Nu hebben arbeiders, loon- en salaristrekkenden in het algemeen,

de mogelijkheid, - ook al zal dit met veel strijd gepaard

gaan, - om bij hun werkgever een hoger loon te bedingen en

langs deze weg nieuwe lastenverzwaringen te bestrijden. Doch

voor de middenstand ligt dit veel moeilijker. Voor hen is het

doorberekenen in de prijzen de enige mogelijkheid. De moordende

concurrentiestrijd met de grootwinkelbedrijven en monopolies

maakt dit vaak onmogelijk. Bovendien brengt verhoging

van de prijzen vaak ook daling van de verkoop met zich mee,

zodat het middel van prijsverhoging slechts een beperkte uitwerking

zal hebben. Daar komt nog bij, dat vele van deze mid-

522

*) Voor meer bijzonderheden verwijs ik naar het betreffende artikel m

De Waarheid van 20 november 1965.


denstanders al grote moeite zullen hebben om de andere lastenverzwaringen

o.a. door de belastingverhogingen en de prijsstijgingen

in het algemeen, op te vangen.

Het is dan ook niet verwonderlijk, dat Bogaers toen hij zijn

plannen bekend maakte, talrijke protesten moest horen. Hij

heeft daar een antwoord op moeten geven, al is dit niet een getuigenis

van originaliteit geworden. Als we in de woordenlawines

van Bogaers naar de kern van zijn redenering zoeken,

dan komt deze uiteindelijk op het volgende neer:

-De achtste en negende huurverhoging zijn nodig om een einde

te maken aan de woningnood ...

- Door de oudere woningen duurder te maken, wordt de afstand

tussen de oudere woningen en de betere nieuwbouwwoningen

kleiner.

- Aldus zal de belangstelling van hen, die de hogere huren in

de nieuwbouw kunnen betalen en nu nog in goedkopere oudere

won~ngen leven, toenemen. Zij zullen eerder gaan verhuizen ...

- Daardoor zullen de goedkopere - maar vaak nog veel

slechtere - oudere woningen vrij komen voor de tienduizenden

die de dure nieuwbouwwoningen niet kunnen betalen ...

- De conclusie is dan: als de huurders de nieuwe, hogere huren

maar betalen, wordt de woningnood opgelost!

Deze argumentatie gaat niet op

Deze argumentatie is bepaald niet nieuw; bij alle vorige huurverhogingen

is ze eveneens op een of andere manier aangewend.

Maar hebben de zeven vorige huurverhogingen geholpen de

woningnood op te lossen? Het antwoord op deze vraag kan tevens

aantonen of nieuwe huurverhogingen daartoe dienstig zullen

zijn.

Gezien het aantal huurverhogingen en het peil waarop de huren

als ~gevolg daarvan gekomen zijn, zou dy woningnood eigenlijk

allang tot het verleden hebben moeten behoren. De feitelijke

toestand is evenwel geheel anders. Vatten wij het samen:

a. Geen van de verhogingen, die achter ons liggen, heeft ertoe

geleid, dat de jaarproductie van woningen is gebracht op het

peil dat vereist zou zijn (145.000 woningen per jaar).

b. Geen van de verhogingen heeft ertoe geleid, dat de eigenaren

hun bezittingen beter gingen onderhouden. Het onderhoud

wordt veelal door de huurders 21elf uitgevoerd en vormt eigenlijk

een versluierde huurverhoging.

c. Geen enkele huurverhoging heeft met zich gebracht, dat de

eigenaren tot modernisering van hun woningbezit zijn overgegaan.

Vele oude woningen zouden heel wat beter bruikbaar zijn,

~ndien bijvoorbeeld badcellen werden ingebouwd en de keukens

aan de eisen van deze tijd werden aangepast. Tal van oude woningen

zouden ook door een herindeling beter aan de behoeften

van nu kunnen beantwoorden.

d. De huurverhogingen hebben ook de woningbouwverenigingen

geen ruimte gegeven. De huurverhogingen voor gesubsidieerde 523


woningen moeten worden afgedragen aan het rijk. Een van de

meest rgeuite grieven van de bouwverenigingen is dan ook, dat

zij niet over voldoende geld beschikken om het noodzakelijke

onderhoud te kunnen uitvoeren.

De huurverhogingen hebben dus niet gebracht, wat de voorgangers

van Bogaers beweerden en wat dez·e minister nu utt gebrek

aan argumenten opnieuw naar voren brengt.

De doorstromingstheorie van Bogaers wordt dan ook meer en

meer aangevochten.

Op een bijeenkomst van de Vereniging voor de Staathuishoudkunde,

gehouden op 27 november j.l. te Utrecht, stond het huuren

subsidiebeleid ter bespreking.

Ook daar werd de doorstromingstheorie op verschillende gronden

bestreden.

Prof. ir J. Sandee, hoogleraar te Rotterdam en Brussel, liet op

dit punt de duidelijkste taal horen.

Een maandenlange studie werd door hem en zijn medewerkers

afgesloten met een computer-berekening. De uitkomst daarvan

liet zien, dat huurverhoging op geen enkele wijze tot doorstroming

zalleiden ...

De heer P. Schatte, vice-voorzitter van de Huur Advies Commissie,

in Den Haag zei:

"Van doorstroming verwacht ik niet veel. De enige oplossing

is een flinke uitbreiding van de woningbouw".

En de heer H. Umrath, adviseur van de NVV-bouwvakarbeidersbond

stelde: "Er blijft een gaping bestaan tussen de hoogte

van de huren en de draagkracht van de huurders".

In wiens belang zijn de huurverhogingen?

Het oude en zelfs het oudste bezit is van jaar tot jaar in waarde

gestegen. Met de nieuwe verhogingen zal dit proces verder worden

gestimuleerd. Ook de oudste huizen vormen aldus een waardevast

bezit. In deze peáode van voortdurende geldontwaarding

is de huurverhoging daarom een van de grootste diensten,

die aan de bezitters van huizen kan worden bewezen. Het bezit

van huizen vormt een veilig en winstgevend beleggingsobject.

524

We publiceren hierbij nogmaals het lijstje van de

huurverhogingen sedert 1950:

1 jan. 1951 15 pct over de hele linie.

jan. 1954 - van 17 pct tot 29 pct.

sept. 1955 5 pct over de hele linie.

1 aug. 1957 25 pct over de hele linie.

1 apr. 1960 20 pct over de hele linie.

sept. 1962 van 10 pct tot 12 pct.

juli 1964 van 10 pct tot 12,5 pct.


De2le huurverhogingen brachten met zich mee, dat de belangen

van de huizenbezitters gediend werden, maar de woningbouw

werd er niet goedkoper door. Integendeel, de nieuwbouw komt

steeds meer buiten het bereik van die groepen der bevolking,

voor welke de nood het grootst is. (Dit zijn vooral de groepen

met de lagere inkomens.)

Officieel is de nieuwbouw zeven maal zo duur als voor 1940.

Volgens sommige deskundigen is de bouwprijs zelfs gestegen

tot het tienvoudige van voor 1940.

Deze hoge bouwprijzen worden niet verklaard uit de betere

kwaliteit van de nieuwe woningen. De kwaliteit van de heden

ten dage gebouwde woning laat juist vaak veel te wensen over.

Ook worden nieuwe materialen nog weinig toegepast. De woningen

worden, net als vroeger, gebouwd van beton, bakstenen

en andere stenen, hout en glas.

Voor het merendeel zijn dit producten die in eigen land worden

voortgebracht, zodat de ontwikkeling op de internationale

economische markt op de prijsvorming van deze materialen en

grondstoffen van slechts geringe invloed kan zijn.

De voornaamste redenen, dat de woningen zo schandalig duur

zijn, liggen in het volgende:

- De prijs van de toekomsüge bouwgrond is omhooggevlogen

sinds de prijsbeheersing is opgeheven. Dit is van grote invloed

op de uiteindelijke prijs.

- De kosten van het bouwrijp maken V


Op vele manieren dus hebben winstmakers z~ch van de woningbouw

meester gemaakt. De huurverhogingen moeten dienen om

hun winstbelangen veilig te stellen.

Huur- en woningbeleid tegengesteld

aan werkelijke behoefte

Alleen al in de periode Bogaers zijn de huren van de volkswoningen

(woningwetwoningen) opgelopen tot 120-130 gulden

per maand. Inclusief centrale verwarming stijgt de huur dan

tot boven de 150 gulden per maand.

Verdere huurverhogingen zullen dus noch de huurder, noch de

bouw ten goede komen. Ze leiden slechts tot meer winst voor

al diegenen die van het tekort aan woningen en van de woningbouw

profiteren.

Twee jaar geleden heeft het NVV een oude gedachte inzake de

hoogte der huren opnieuw in de herinnering geroepen en er een

nieuwe gestalte aan gegeven. De huur mag, zo Z·ette het NVV

uiteen, niet meer dan 15 procent van het inkomen zijn. Als men

aan deze gedachte vasthoudt, dan zijn de woningen die thans

gereed komen in de woningwetsector met een huur van 130 gulden

per maand, bestemd voor gezinnen met een maandinkomen

van een duizend gulden!

En dat terwijl al jaren de conclusie opgang doet, dat de grootste

behoefte uitgaat naar woningen met een huur van maximaal

20 gulden per week. In Amsterdam is zelfs eens verklaard, dat

twee derde van de totale woningproductie betrekking zou moeten

hebben op woningen met deze huren. Het i's niet zo moeilijk

om tot deze conclusie te komen. Alleen in Amsterdam staan

40.000 gezinnen als woningzoekend ingeschreven. Ongeveer

9000 daarvan hebben geen woning; zij verblijven "ergens". Het

merendeel der woningzoekenden vraagt woningen tot een huur

van 20 gulden per week. De duizenden bejaarden die een passende

woning nodig hebben, kunnen als regel beslist niet meer

dan dit bedrag betalen.

In alle grote steden moeten saneringen plaats vinden, vaak ook

in samenhang met noodzakelijke verkeersdoorbraken. In deze

saneringsbuurten wonen over het algemeen arbeiders en kleine

neringdoenden. Ook zij vragen betaalbare woningen.

Het beleid ten aanzien van de woningbouw en in samenhang

daarmee het rhuu11beleid stemt in niets overeen met de werkelijke

behoeften, het is er zelfs tegengesteld aan.

Dit blijkt heel duidelijk, als de veranderingen in het woningbouwbeleid

van de laatste jaren worden nagegaan.

Reeds onder Van Aartsen, maar in sterker mate nog onder Bogaers

worden wijzigingen in diJt beleid doorgevoerd. Vooral

sinds 1962 komt een ander type van woningen op de voorgrond.

De bouw in de partkuliere sector is tot grote bloei gekomen.

De woningen in deze sector zijn grotendeels ongesubsidieerd.

526 Voor een deel ervan ontvangen de bouwers een bijdrage ineens.


Men zegt, dat deze woningen wat royaler van opzet zijn; ze

zijn ook bestemd voor mensen die een nog hogere huur kunnen

betalen dan de woningwetsector vraagt. Hoe hoog zijn dan die

huren? Schrik niet, lezer, ze bedragen 200, 250 tot aan 400 gulden

per maand. Als ze voor verkoop bestemd zijn, is de koopprijs

dienovereenkomstig.

Veertig procent van alle woningen in aanbouw bestaat uit dit

soort woningen. In Amsterdam loopt dit percentage zelfs op

tot 50 procent!

Wie bouwen deze woningen? Tot de grote bouwers behoren

Zwolsman en Caransa. Maar ook Philips, zij het dan het

Philips-pensioenfonds, behoort ertoe. Een reeks van geldschieters

en speculatieve bouwers heeft zich op deze markt geworpen,

die Bogaers voor hen heeft geopend. De hooS!bouw- en

torenflats schieten de grond uit, want Bogaers beloofde hoger

huren en hoge verkoopprijzen. Tienduizenden van deze woningen

zijn in aanbouw ... , maar in alle delen van ons land staan er

bij elkaar duizenden leeg. Ze zijn moeilijk verhuurbaar en moeilijk

verkoopbaar.

De bouwers en speculanten verlangen nu, dat Bogaers waar

maakt wat hij hun heeft beloofd.

De huurverhogingen, die nu zullen worden opgelegd, passen

precies in de verlangens van deze speculanten. De huren moeten

verder omhoog, opdat er "doo~geschoven" kan worden naar

de woningen van Zwolsman c.s.

Waarheen wil Bogaers de woningbouw verder leiden?

Hij wil de belangen van deze profiteurs nog verder dienen. Het

ligt in zijn plan om de huren binnen enkele jaren vrij te maken,

tezamen met het opheffen van de distribuering van woonruimte.

In feite wil hij de oude vooroorlogse verhoudingen herstellen,

waarbij vraag en aanbod moeten bepalen waar en hoe iemand

woont en wat hij daarvoor moet betalen.

Wie geld heeft, zal een goede woning hebben, wie geen geld

heeft, zal zich tevreden moeten stellen met een woning in het

oude of oudste huizenbezit.

Op korte termijn wil Bogaers een begin maken met de uitvoering

van zijn plannen. In 1967-1968 wil hij beginnen in de

provincies Groningen, Friesland, Drente, Overijssel, Zeeland

en het oostelijke deel van Noord-Brabant.

i

!

Andere politiek vereist

De arbeidersbeweging en alle organisaties die op de een of andere

manier met de woningbouw te maken hebben, dienen zich

erop te bezinnen dat de bouw- en huurpolitiek tot de inzet is

geworden van een scherpe strijd.

De monopolies en bankgroepen met daar omheen allerlei speculanten

zijn erop uit de woningen en de huren te gebruiken

als middelen om een extra-uitbuiting door te voeren, niet alleen

gericht tegen de loontrekkers maar evenzeer ook tegen de middenstand.

527


Deze huur- en bouwpolitiek vormt één geheel met de politiek

van geldontwaarding, die thans gaande is. Ook deze dient de

belangen van de bezitters, die zelf hun geld kunnen beleggen

in de hun waarde behoudende "Sachwerten", terwijl de andere

bevolkingsgroepen veren moeten laten en aan extra-uitbuiting

worden onderworpen.

Ook in de loop van het huur- en woningbouwdebat dat de laatste

maanden is gevoerd, is de indruk gewekt dat er geen andere

oplossing van de woningnood is te vinden dan het door Bogaers

gevoerde beleid. Maar er is wel een andere weg. Deze is te vinden

in het anti-monopolistische program, dat de CPN onlangs

heeft bekend gemaakt. Dit program omvat:

- De nationalisatie van banken en monopolies zou de macht

van deze reuzen aan banden leggen. Het zou daardoor mogelijk

worden de prijzen te reguleren en goedkoop geld vrij te

maken ter financiering van de woningbouw.

- Een werkelijke prijsbeheersing zou niet alleen de grondprijzen

doen dalen, maar ook de prijzen die de leveranciers van

bouwmaterialen vragen, onder controle stellen.

- Meer geld voor de gemeenten zou deze in de gelegenheid

stellen om allerlei kosten, die nu in de huren worden doorberekend,

op de algemene middelen te laten rusten.

-- Nationalisatie van het aardgas zou de overheid niet alleen

over een grote bron van inkomsten doen beschikken, die ook

de woningbouw ten goede zou kunnen komen, maar zou het

ook mogelijk maken om zowel in een deel van de oudbouw als

in de gehele nieuwbouw centrale verwarming voor een billijke

prijs aan te leggen.

De aanpak van de woningbouw in deze geest zou in overeenstemming

zijn met de behoeften van het overgrote deel van

de bevolking.

Er zou daarmee een einde worden gemaakt aan de vicieuse cirkelgang,

van hogere huren en hogere bouwkosten, weer hogere

huren en nog hogere bouwkosten,enz. Het zou mogelijk worden

de huren van de nieuwbouwwoningen in de hand te houden en

te verlagen, ten einde op die manier de huren van oudere en

nieuwere woningen dichter bij elkaar te brengen.

Actie vereist

Er is reeds op vele manieren aan de dag getreden, dat de bevolking

een andere benadering van huren en woningbouw voorstaat.

In verscheidene plaatsen zijn comité's gevormd. In soms

massale acties hebben de bewoners van buurten en soms plaatsen

waar dez,e comité's bestaan, zich uitgesproken tegen de huurpolitiek

van de regering. Als het om oude woningen gaat, richten

de bewoners zich daarbij dan niet alleen tegen de huurpolitiek,

maar ze verlangen bovendien, dat er nu eindelijk eens

iets gedaan wordt aan hun woning, als tegenprestatie voor alle

528 achter ons liggende huurverhogingen.

,·i'


Ook van de zijde der woningbouwverenigingen wordt toenemende

critiek op het bouwbeleid van de regering geoefend.

Deze richt zich op het feit, dat de woningbouwverenigingen

te weiniggeld ontvangen voor het onderlhoud van de woningen,

maar daarnaast op het gebrek aan medezeggenschap bij het

bepalen van het te bouwen woningtype en de vaststelling van

de huren. In vele jaarverslagen vindt men verder de klacht, dat

de verenigingen een deel van hun leden niet kunnen helpen,

omdat de huren, gezien het inkomen van de leden, veel te hoog

moeten zijn.

In de bedrijven vormt de huurverhoging eveneens een onderwerp

van gesprek. Naast de verontwaardiging over de nieuwe

golf van prijsstijgingen die aan de huurverhoging ~ekoppeld

zijn, speelt daar de compensatie een grote rol. De compensatie

is bepaald op 1,25 procent van het loon met een minimum van

2 gulden per week. Na aftrek van belasting e.d. zal deze in vele

gevallen onvoldoende zijn om de huurverhoging op te vangen.

Bovendien vormt deze compensatie een onderdeel van de zgn.

ruimte voor 1966. Het komt er dus op neer, dat de compensatie

wordt gegeven uit een bedrag dat toch in de vorm van

loonsverhoging zou moeten worden uitbetaald. De compensatie

is aldus een sigaar uit eigen koker.

Het NVV heeft zich gerealiseerd, dat in de bedrijven door de

arbeiders veel critiek op de huurverhogingsplannen werd geleverd.

Zij heeft zich uitgesproken tegen de huurverhoging op dit

moment en nadien uitstel met een jaar bepleit.

Ofschoon de communisten de huurverhoging onverminderd afwijzen,

konden zij zich met dit streven naar uitstel verenigen.

Tijd schaft immers raad en van uitstel had afstel kunnen komen.

Ongetwijfeld heeft het verzet tegen de huurverhoging een zekere

rol gespeeld bij de debatten in de Tweede Kamer. Maar

volgens de rechterzijde ging Bogaers nog niet ver genoeg. In

zijn wetsontwerp had minister Bogaers de groep woningen, die

gebouwd zijn voor 1921 en een huur van minder dan 75, 70 of

60 gulden per maand doen, buiten beschouwing gelaten. Daarmee

wilden de rechtse partijen geen genoegen nemen. De heer

Aantjes, secretaris van de Christelijke Bouwpatroonsbond, deed

het voorstel om ook een deel van deze groep woningen bij de

huurverhogingen te betrekken. Hij vond ondersteuning bij de

KVP-er Nelissen, ook een bekende in de aannemerswereld.

Naast de AR en de K VP schaarden zich ook de VVD en de

CHU. Aldus stond de oude regeringscoalitie weer eens schouder

aan schouder en minister Bogaers haastte zich aan de verlangens

van de heren tegemoet te komen.

Eerst verzette naast de CPN-woordvoerder Jager ook de

PvdA-spreker Brandsma zich tegen deze eisen van rechts. Uiteindelijk

werden de ~eschillen echter binnenskamers verder uitgepraat

en tenslotte ging de PvdA opzij voor de verlangens

van de huizenbezitters.

I

:r

i"

'i

De strijd is echter niet ten einde als de wetsWlJZlgmg in het

staatsblad komt. Het is nodig om de tot nu toe gevoerde huuren

bouwpolitiek een halt toe te roepen en door een andere te 529


vervangen, die in overeenstemming is met de grote tradities die

er in ons land op het gebied van de woningbouw bestaan. Daarnaast

is het noodzakelijk de uitvoering van de maatregelen, die

uit de wijziging der huurwet zullen voortvloeien, te betwisten.

Er zijn daartoe verschillende mogelijkheden aanwezig, die al

in De Waarheid (20 november 1965) zijn toegelicht en daarin

ongetwijfeld ook in de komende tiid behandeld zullen worden.

In de oudbouw zal het bovendien nodig zijn om op te treden

v?or een beter onderhoud en voor modernisering van de wonmgen.

Welke mogelijkheden er ook zijn, steeds is het echter nodig, dat

de huurders zich organen scheppen, die hulp en leiding geven

in de actie.

Want actie is bovenal nodig. Voor een beter beleid en om de

belangen van de huurders zo goed mogelijk te verdedigen.

WIM VAN HET SCHIP

BETALING ABONNEMENTSGELD 1966

Verzekert u van een ononderbroken toezending

van POLITIEK EN CULTUUR, door vóór 15 februari

1966 uw abonnementsgeld:

f 7.20 voor het hele jaar

of

f 3.60 voor het eerste halfjaar

over te maken op:

postrekening 173127

of

gem.girorekening P 1527

of

per postwissel

ten name van

Boekhandel

PEGASUS

Leidsestraat 25

te AMSTERDAM

metvermelding van "bestemd voorPen C, 1966".

Indien uw betaling op 15 februari 1966 niet in ons

bezit is, zijn wij genoodzaakt een kwitantie, verhoogd

met incassokosten, te laten aanbieden.

Boekhandel PEGASUS

adm. Politiek en Cultuur

Leidsestraat 25, Amsterdam

530


Aan de wieg van het

moderne Nederland

I

Het moderne Nederland, d.w.z. onze huidige burgerlijke en

kapitalistische democratie met haar partijenstelsel en parlementair

systeem, heeft een boeiende, zij het tragische voorgeschiedenis.

Als wij er van afzien dat de kiemen voor de Bataafse

Republiek van 1795 dienen te worden opgespoord in de "oude"

republiek, welke na de revolutionaire oorlog tegen Spanje onze

nationale souvereiniteit gevestigd heeft, staan wij met de komst

van de Franse revolutielegers op het einde van de 18e eeuw aan

de wieg van onze hedendaagse staat. De machtsvraag van de

democratie stond toentertijd voor de deur. Het zou een burgerlijke

democratie moeten worden- uiteraard- waarin oude

instellingen en rechtsvormen die hun levensfunctie hadden verloren

door nieuwe, vooruitstrevende, "vroegliberale" werden

vervangen; waarin de aristocratie, de oligarchische klieken van

edelen en stadspatriciërs, van de macht zouden zijn beroofd, de

staatseenheid tot stand gebracht, die broodnodig was om de

diepe nationale inzinking en versplintering te boven te komen

en een sociaal-economische structuur op te bouwen, die het land

weer zou opstoten "in de vaart der volkeren".

Wat gebeurde er na 1795 werkelijk en wat verhinderde dat de

staatsdroom van actieve en progressieve democraten uit de derde

stand verwezenlijkt werd, ja, een halve eeuw moest wachten

voor zij - in de gewijzigde omstandigheden van de 19e eeuw

- onder Thorbecke weer vorm kreeg?

Het antwoord op die vraag wordt ons gegeven door een proefschrift

van ongewone allure, visie en vakmanschap, voorgelegd

aan de faculteit der geschiedenis aan de Amsterdamse gemeente-universiteit

door de Limburgse historicus C. H. E. de

Wit, die daarmee in februari j.l. zijn doctorstitel behaalde. Wij

geloven dat er in de laatste tientallen jaren te onzent weinige zo

belangrijke en fundamentele geschiedwerken zijn verschenen

als deze studie over "De strijd tussen aristocratie en democratie

in Nederland, 1780-1848", door de schrijver bedoeld (en in zijn

ondertitel vastgelegd) als een "critisch onderzoek van een historisch

beeld en herwaardering van een periode" 1 ).

Ongetwijfeld heeft dr De Wit het historische beeld dat er rondom

de Bataafse Republiek in Nederland is gevestigd, inzonderheid

door de professoren H. T. Colenbrander en P. Geyl, uitermate

critisch onderzocht en, wij mogen het wel zeggen, tot in

de grondvesten geschokt. Colenbrander, die totnogtoe om zijn

3-delig werk "De Patriottentijd" (1897-'99), waarin hij een

massale hoeveelheid vooral buitenlandse bescheiden bijeendroeg

en verwerkte, als de autoriteit voor deze geschiedperiode gold,

wordt ,door dr De Wit vrijwel van zijn voetstuk gehaald. Natuurlijk

niet omdat hij zoveel materiaal verzamelde en uitgaf,

1 ) N.V. Uitgeverij Winants, Heerlen, 1965. Prijs geb. f 37,50. 531


maar om de wijze waarop hij het interpreteerde en aan zijn lezers

voorstelde: dat n.l. onze 18e-eeuwse domocraten niet meer

zouden zijn geweest dan imitaties van de radicale Franse Jacobijnen,

dat zij geen eigen lijn, stijl of programma hadden en dat

zelfs hun Grondwet van Frans maaksel was. Met grote beslistheid

verzet dr De Wit zich tegen deze caricatuur - die voortkwam

uit Colenbranders "partijdig-heid", zoals hij zegt, te weten·

het feit dat Colenbrander, die de Oranje-archieven gebruiken

mocht voor zijn standaardwerk, daardoor verplicht meende

te zijn de Patriottenbeweging welke in botsing kwam met de

Oranjes, die zich vcrbonden hadden met de heersende regentengroep,

als anti-nationaal af te beelden! Uit dat feit komt een

verknipt, verschoven en verdraaid geschiedenisbeeld voort, en

dr De Wit blijft het, heel zijn boek door, confronteren met feiten

en documenten die juist aantonen dat de Patriottische democraten

de ware en de beste vaderlanders van onze 18e eeuw zijn

geweest. "Jacobijn", zo zegt hij ironisch, was "een scheldnaam,

tevens een schriknaam, zoiets als communist in sommige landen

tegenwoordig, waarachter de regenten hun liefde voor het

ancien régime (oude bewind) en de moderaten (de gematigden

en verzoeningsgezinden) hun opportunisme verborgen".

Prof. P. Geyl, die in 1947 een boek over "De Patriottenbeweging"

publiceerde waarin hij Colenbrander critiseerde, wordt

door dr De Wit evenzeer aan afwijzende critiek onderworpen.

Geyl deelt uiteindelijk Colenbranders haat tegen de progressieve

en revolutionaire democraten van 1795, no~mt hen 6ok

"Jacobijnen", verheerlijkt de moderaten en komt door deze totaal

foutieve waardering van partijen en krachten in de Bataafse

Republiek aldoor tot conservatief gerichte misvattingen

-d.w.z. tot historische onbetrouwbaarheid.

Tegenover Colenbrander en Geyl stelt dr De Wit de treffende,

soms liberaal-ethische, soms vlijmscherp geformuleerde visie op

de Bataafse Republiek van de oude Thorbecke, die in zijn bundel

"Historische schetsen" van 1860 niet alleen vaststelde, dat

Nederland in 1795 dringend behoefte had aan een revolutie,

maar die ook onomwonden verklaarde - "een naar de achtergrond

geschoven" mening, zoals dr De Wit zegt- dat de toenmalige

revolutionaire Nederlandse burgers de werkelijke democraten

en hervormers geweest zijn.

Deze critiek op het gangbare historische beeld van de Bataafse

Republiek, zoals dat in Nederland vrijwel gefixeerd was in de

anti-patriottische voorstellingswijze van Colenbrander en

Geyl 2 ), wol'dt door dr De Wit praktisch door al de 400 pagina's

van zijn grootscheepse tijdsstudie ontwikkeld. Maar dit

532

2 ) Ik neem hier de vrijheid lezers van mijn "Rutger jan Schimmelpenninck;

republikein zonder republiek" erop te wijzen dat ik in deze studie, ofschoon

in beginsel uitgaande van Colenbranders bevindingen en zeer zeker van het

door C. bijeengebrachte documentaire materiaal, toch vanuit mijn marxistische

opvattingen begonnen was met een praktische critiek op de interpretatie

van Colenbrander, inzonderheid waar Schimmelpennincks klasse-positie

te sprake komt.

Dr De Wit gaat in zijn beoordeling van Schimmelpenninck nog enkele

stappen verder en wijst hem, vooral om zijn later optreden, als nationale

figuur nagenoeg af! (Th. de V.).


zou toch in zekere zin een "negatieve" verdienste kunnen zijn

als zijn methode niet voorbeeldig-positief was; zijn critiek gaat

vergezeld van een "herwaardering", d.w.z. hij baseert haar op

een nieuw onderzoek van stukken en bescheiden, en hij heeft

daarbij gebruik gemaakt van een aantal nog niet eerder aangetrokken

tijdsdocumenten, die zijn stellingname niet alleen ten

zeerste verscherpen, maar o.i. geheel in het gelijk stellen. De

gebeurtenissen die op het einde van de 18e eeuw in Nederland

plaatsvonden en in 1848 hun (burgerlijk-) democratische voltooiïng

kregen door Thorbeeke's Grondwet, welke thans nog

van kracht is, vormen een enorm brok belangenstrijd (wij zouden

zeggen klassenstrijd) tussen de oude bevoorrechte standen,

regenten en aristocraten, en de jonge, opkomende, met de nijverheid

verbonden bourgeoisie. Daar ligt de wortel en het wezen

van onze nationale geschiedenis tijdens de jaren 1795-1848:

in het op en af van deze strijd tussen reactionaire aristocraten

en revolutiegezinde democraten. "Alle hervormingen hingen

van de overwinning der democratie af", zegt dr De Wit al op

de eerste bladzij van zijn werk. De dramatische worsteling om

die overwinning is de inhoud van zijn geschrift.

II

De regentenmaatschappij dateert van onze overwinning op

Spanje, die in 1648 officiëel werd; de regenten, eerst ongescheiden

uit de burgerij voortkomende, hadden zich van bestuurders,

administrateurs en legerkapiteins in overheersers veranderd.

Hun klasse was in de 18e eeuw tot een parasitaire aristocratie

geworden, die zich al naar het uitkwam, voor of tegen de Oranjedynastie

verklaarde, maar onafgebroken aan de macht bleef

en waarschijnlijk wel de rijkste "gesloten" oligarchie van Europa

werd.

Wie de revolutie van 1795 beschrijft stoot onvermijdelijk op

haar voorgeschiedenis: de ontwikkeling van het burgerlijk

Patriottendom als nieuwe, politiek-economische, strijdbare tegenkracht

van de aristocratie. Hij zal, zoals dr De Wit dat in

een overzicht van bijna 100 bladzijden met de stukken in de

hand doet, laten zien hoe de staatsmacht zich heel de achttiende

eeu~ .door in handen bevon~ va'-:1 een soort "~rote club" die

besh!!smgen nam waartegen ZKh memand verz.etten kon, dankzij

op onderlinge afspraken berustende functies en posities die

zo stuitend zijn daar zij stuk voor stuk als winstobject werden

gezien en nagestreefd. Van deze oligarchen waren zowel "de

professor, de predikant als de turfdrager" afhankelijk (De Wit,

pag. 20); hun wil1ekeur werd alleen beperkt door hun angst

voor volksoproer.

Economisch verkwijnde de oude republiek: terwijl de oligarchen

op de internationale markt speculeerden en kapitalen

uitleenden, lag onze nijverheid braak, brak een middeleeuws

belastingstelsel ons concurrentievermogen, bracht onze achterstand

in techniek in het tijdperk van de industriële revolutie

werkloosheid en verpaupering der grote, onmondige massa. (De 533


Wit, pag. 22). De zeven gewesten hadden elk hun "huishouding":

zij remdèn daarmee elke mogelijkheid tot industrialisatie.

De "middengroepen" waren zwak, het onderwijs slecht, het

geheel maakt de indruk van een "onderontwikkeld gebied"

(pag. 25). De vierde oorlog met Engeland (1780-1784) openbaarde

ons volslagen staatsverval, maar betrok ons tegelijk in de

"Europese" strijdvraag van die periode: reactie of progressie?

De derde stand, kooplui, fabrikanten, intellectuëlen, niet het

minst uit de kringen van Dissenters (Protestanten buiten de

"staatskerk") en Katholieken, die ook om hun godsdienst achteruitgezet

waren, "moest zichzelf een machtspositie verschaffen",

wilde zij de met Oranje al enger verbonden regenten en

de staatscorruptie met succes weerstaan en de staat der Nederlanden

nieuw leven inblazen. Waartoe de oprichting van de

gewapende clubs en exercitiegenootschappen der Patriotten geleid

hebben, weten wij: de "eerste revolutie" van de jonge Nederlandse

bourgeoisie lokte in 1787 het ingrijpen van Pruisen uit

en leidde tot massale vlucht van de democraten, vooral naar

Frankrijk, en tot de climax van de binnenlandse verrotting

dankzij de "restauratie" van oligarchen plus Oranje.

Symptomatisch voor dit decadentieproces is b.v. het koloniaal

bewind. Dr De Wit besteedt in zijn studie ongewone aandacht

aan onze koloniale geschiedenis van dat tijdvak (niet minder

dan drie hoofdstukken, tezamen een kleine 50 bladzijden), ten

dele omdat ook Colenbrander zich, met zijn bekende misvattingen,

op dit terrein heeft bewogen, maar vooral omdat de

corruptie in de koloniën "in schrillere kleuren, een gevolg van

de Indische zon" een reflex te zien gaf van die in het "moederland"

(citaat bij De Wit, pag. 61). Waarbij ik evenzo aanteken

dat het lot en bezit van deze koloniën, in de "Oost" als in de

"West", de historicus De Wit kennelijk sterk aangaat. Hij ziet

hier, naar ik meen op te merken, een historisch gegroeide band

van Nederland met de overzeese gebieden en zelfs bevolkingen;

zijn uiteenz,ettingen monden uit in onmiskenbare verontwaardiging

over de al te bereidwillige haast waarmee onze oligarchen,

hierin voorafgegaan door stadhouder Willem V, in de Engels­

Nederlandse conflicten de Nederlandse koloniën in Engelse

handen plachten te spelen. Wij delen niet het standpunt van

dr De Wit dat "het welzijn van Indië" samenvalt met het "gemene

beste van het Vaderland" (citaat pag. 78), maar wij hebben

ook bij deze koloniale hoofdstukken niet dan waardering

voor de manier waarop de historicus laat zien tot welk een

despotisch cynisme onze "vaderlanders" de uitbuiting in de Oost

hadden opgedreven, en hoe zelfs de bescheiden poging van een

Dirk van Hogendorp om deze uitplundering te teugelen, zijn

leven en carrière bij de gevestigde regentenkliek in gevaar

bracht! (De Wit, pag. 76-77).

De revolutie van 1795 - direct gevolg van de intocht der republikeins-Franse

legers - kwam niet uit de lucht vallen. Zij

was voorbereid en niet slecht ook. Mocht een groot deel van de

roerigste Patriotten in 1787 zijn uitgeweken, een ander deel

was gebleven en be~ette verscheidene sleutelposities, 1 ooral te

534 Amsterdam. Het waren mannen ah Gogel, Irhoven va.n Dam,

i i'


Kraeyenhoff, Blauw, WisPlius, Schimmelpenninck; het relaa~

van htm onaflatende democratische propaganda - legaal en

illegaal - onder een jonge burgerij ging, toen Nederland eenmaal

in de anti-Franse coalitie was betrokken, over in het opnemen

van contacten met de revolutionaire legers: zij beschouwden

de oorlog als verklaard aan de stadhouder en het oude bewind,

zij achtten zidh de natuurlijke vrienden en bondgenoten

van het nieuwe Frankrijk. En dank zij het feit dat zij in Amsterdam

een opstand wisten te verwekken, erkenden de Fransen

hen als de vertegenwoordigers van het Nederlandse volk

en verklaarden de Bataafse Republiek voor onafhankelijk, de

Patriottenregering als de enige waarmee zij wilden en konden

onderhandelen. De grote strijd om de zo lang begeerde en

broodnodige staatshervorming begon.

III

Dat de Bataafse Republiek als toenmalige jongste burgerlijke

democratie toetrad tot het Franse "blok" in Europa, koppelde

haar lotgevallen ongetwijfeld aan de gebeurtenissen te Parijs op

een wij21e waardoor ze veel van haar bewegingsvrijheid inboette.

In Parijs ging de koers na de dood van Robespierre al meer naar

rechts: Napoleons dictatuur en keizerschap waren daarvan het

onvermijdelijke uitvloeisel, Franse legers op onze bodem, wier

beveLhebbers zich doorlopend met onze zaken bemoeiden, inmenging

en tenslotte inlijving bij Frankrijk het droeve gevolg.

Maar de jonge burgerlijke democratie had niet slechts te kampen

met de moeilijkheden die de Europa-politiek van Frankrijk

voor haar meebracht. Zij werd in haar vrije en revolutionaire

ontplooiing gehinderd door de intriges niet alleen van de thans

uit de macht gestoten regenten, die toch langs allerlei achterdeurtjes

weer op posten trachtten te komen, maar ook van de

rechtse vleugel in de Patriottenbeweging zelf en van de middengroep

der "moderaten" die ermee samenspande. Van deze moderaten

werd de a'dvocaat Schrmmelpenninck meer en meer de

spreekbuis.

In ons eerste democratische parlement, de Nationale Vergadering,

werd vinnig om de nieuwe staatsvorm gestreden: de linkse

democraten wilden een sterke eenheidsstaat, eensluidende wetten,

gesloten economie, afschaffing van het particularisme. De

moderaten hebben, trainerend en delibererend, de belangen van

hun welgestelde constituenten veilig willen stellen door slechts

het benodigde minimum aan democratie toe te staan, restanten

van de "oude" republiek in allerlei mengvormen te blijven begunstigen

en een soort passieve weerstand te bieden aan de totstandkoming

van een moderne nationale Grondwet, waaraan

staat en volk als werkplan voor de herschapen orde behoefte

hadden. Het ging om de overwinning van de democratie, zoals

dr De Wit het formuleerde. Maar wat is er al niet van die

overwinning afgeknabbeld door de belangenstrijd in de Patriotse

gelederen zelf, die na 1795 losbrak. De moderaten knabbel- 535


den aan het bestaan van de democratische politieke clubs die

ontstaan waren en een leerschool betekenden voor politieke meningsvorming,

zij knabbelden aan de grote gedachte van de

eenheidsstaat, aan het beginsel van de volksvertegenwoordiging,

zij speelden het spel van het uitstellen.

Zo is het niet te verwonderen geweest dat de linkse vleugel der

Patriottische democraten genoeg kreeg van het langgerekte

moderate spel dat doortasten in progressieve richting in de weg

stond, en in 1798 een "staatsgreep" fopceerde om eenheid en

democratie door te drukken, ook in de Grondwet. Die Grondwet

kwam in 1798 tot stand.

Bij Colenbrander - en bij alle historici die op hem steunden -

wordt deze Grondwet meestal afgedaan als een Frans maaksel,

eenvoudig door "onze Jacobijnen" vertaald naar de zoveelste

Franse en op de nationale tafel gegooid. De Wit bestrijdt deze

zienswijze niet alleen met de stukken zelf (hij geeft daarvan een

nauwlettend verslag in een afzonderlijke bijlage), maar hij bewijst

vooral dat er "geen woord Frans" in dit grondwetsontwerp

was, al werd het dan met Franse steun ingevoerd. "Geen

woord Frans" is in zover overdreven als er uiteraard tal van

denkbeelden in voorkwamen die 6ok in de Frans,e constituties

waren neergelegd: "De democratische beweging en gedachten

waren dezelfde in alle landen van het West en, zoals het liberalisme

en socialisme algemeen Europese stromingen waren in

de larere decennia", zo stelt De Wit terecht vast. Nederlands

was deze Grondwet omdat zij door Nederlanders was opgesteld

(redacteuren waren Ockerse en Konijnenhurg), Nederlands

was zij in haar specifiek op onze historie, zeden en omstandigheden

gerichte beginselen, en ... zij was linber dan de toenmalige

Franse: géen censuskiesrecht en getrapte verkiezingen,

maar beslissingsrechten aan de Tweede Kamer, scheiding van

de drie machten (waardoor de rechterlijke macht zich niet met

de uitvoerende mocht bemoeien); er liggen schetslijnen in voor

een sociaal-economisch program; de volksv,ertegenwoordigin~

is de staatsmacht. "Een experiment in democratie", zo omschrijft

De Wit haar. De benaming is juist. Zij was de rechts,e Patriotten

veel te democratisch, en zij was het al vrij gauw ook de

rechtse Fransen, die hier door middel van generaals en ambassadeurs

aldoor 'een vinger in de pap hielden. De machtsvorming

bleek bij de regenstanders te zitten. Een tweede staatsgreep in

1798 bracht de moderaten aan het bewind: het beginsel van

een krachtige, centralistische staat kreeg meteen een knak. Er

ontstond een Patriots aristocratisme, dat niet afkerig was van

konkelen met de oude Oranjegezinde regenten: de rechtse Patriotten

haalden deze steunpilaren van het oude bewind opnieuw

binnen omdat zij zulke goede bondgenoten vormden tegen

de "anarchisten", zoals de linkervleugel nu al door de voormalige

partijgenoten gescholden werd!

Omstandig en bitter is het af en aangolven van deze belangenstrijd

- en alweer: ik noem het klassenstrijd - tussen de

facties in de Bataafse Republiek. De Wit v,ervolgt haar stap

voor stap met de onverbiddelijke documenten, waarbij vooral

536 de zwenking van de eens zo vrijheidlievende, het jonge Ame-


ika verheerlijkende Schimmelpenninck naar rechts triestig opvalt:

"orgaan" van de behoudende vleugel in de hoofdstad

werd hij alras ambassadeur te Parijs, en begon vandaaruit zijn

onaflatende strijd tegen de invloed der democraten. Niet alleen

zijn portret verrijst uit :het boek van De Wit in schrille

kleur; het werk bevat een hele galerij van Nederlanders uit die

tijd, de mannen van de Nationale Vergadering en van de eerste

Grondwet, de militante Kraeyenhoff, de knappe econoom

Gogel, de radicale te jong gestorven staatsfilosoof Pieter Paulus,

de realist Blauw die later al te sceptisch worden zou in zijn kijk

op het wel'eldgebeuren, de radicaLe Valckenaer, Vreede, Van

Langen, Hahn en Fijnje en zovde anderen die ons de overtuiging

bijbrengen, dat het aan mannen, talenten en toewijding in

de Bataafse Republiek niet heeft ontbroken. Integendeel: de

rechtse vleugel wilde deze talenten en revolutionaire toewijding

niet, en heeft ze met hulp van de herleefde aristocratie gesmoord.

De Wit onderstreept het nationale karaktJer van de mannen van

1795. Een goede illustratie voor zijn zienswijze vond hij in de

figuur van Samuel Iperusz Wiselius, v66r 1795 reeds de stille,

hoogst bekwame propagandist van een moderne burger-democratie.

De Wit iheeft deze persoonlijkheid in zijn boek met gelukkige

greep uit de schaduw gehaald waarin hij terechtgekomen

was door de anti-democratische geschiedbeschouwing van

Colenbrander, Geyl c.s., alsmede door de volstrekt ontoereikende

biograf,ie van Wiselius door diens schoonzoon P. van Limburg

Brouwer. Wiselius heeft zijn papieren bewust voor het nageslacht

bewaard; zij bevinden zich thans in de Leidse universiteitsbibliotheek

en zijn door De Wit met vrucht geraadpleegd

(pag. 83-93): zij zijn a.h.w. de beste samenvatting van de staatkundige

ideeën en idealen van de Nederlandse derde stand op

het ,einde van de 18e eeuw en projecteren reeds het beeld van

een constitutionele "volksregering" - 'bedoeld is een burgerlijke

democraüe - dat straks de inzet zal worden van de belangenstrijd

die te onzent tijdens de "Franse" jaren gewoed

heeft. Studie van deze denkbeelden bewijst dat hier geen "Jacobinisme"

door de Fransen is geïmporteerd, dat uiteraard de

Fransen door hun al dwingender aanwezigheid ons modern

staatsbestel hebben beïnvloed, maar dat de grondgedachten

daarvoor van ver v66r 1795 stammen.

'I I

:I

,, I

I

I

IV

Omstandig en bitter heb ik de strijd genoemd die aan de inlijving

voorafgaat, een strijd die karakters heeft gebroken, talenten

afgestompt, overtuigingen van zichzelf beschaamd doen

staan, de behoudzucht heeft bevorderd - kortom, het beeld van

een politiek experiment dat zijn vorm niet heeft kunnen vinden,

een burgerlijke democratie die à11es en al te vaak tevergeefs

heeft geprobeel'd - tot een democratisering van de koloniën

toe, waarbij ernstig is overwogen om de Indonesische bevolking

vrij te verklaren en burgerrechten te geven - om tenslotte 537


op de binnen- en buitenlandse z:eactie te stranden. Het stuk, opgezweept

tot een tempo dat ook onze tijd weer moet verdragen,

is overvol aan gebeurtenissen en personen. De dynami,ek van

de Napoleontische staat sleepte ons land mee, door de vijf bedrijven

van het klassiek,e tveurspel heen: via de democratie naar

de "verzoeningsgezindheid", terug tot de oligarchie, vandaar

naar Schimmelpennincks kort eenhoofdig bestuur en het koninkrijk

Holland van Loclewijk Bonaparte. De epiloog van het

stuk was de inlijving bij Frankrijk. Het drama beslaat bij De

Wit een 100-tal bladzijden: wij kunnen erin lezen hoe de rechtse

bourgeoisie de Oranje's,een "schadevergoeding" van 4 miljoen

toemat, hoe zij in de koloniën alles bij het oude liet "om bij de

geringste Engelse stoot als een kaartenhuis ineen te storten" (De

Wit, pag. 234 ), hoe de oligarchie, de Oranje-oligarchie dwingend

om niet achter te bliiven, alle verloren posten weer bezette

en hoe deze "vaderlanders" met hulp van Schimmelpenninek

en Napoleons boze demon TaUeyrand de laatste strijd

der democraten als een strovuur uitstampten, om hen daarna

uit alle regeringslichamen te stoten, hoe Schimmelpenninck in

beklagenswaardig opportunisme de Bataafse Republiek tot een

farce maakte en daarmee rijp om als "apanage 3 ) van de familie

Bonaparte" te dienen, waarbij de oude Nederlandse adel, in

1795 op zij gezet, zich aan het Utrechtse hof van Loclewijk

Bonaparte vevdrong, als welkome opluistering door de parvenukoning

ontvangen ... Het aristocratisme had ook uiterlijk gezegevierd.

Was de democratie dan nu volkomen uitgeschakeld en dood?

Het tweeslachtige karakter van de Napoleontische tijd - een

militaire dictatuur di,e omegenzeggelijk hervormingen, uit de

Franse revolutie voortvloeiend, hoe ook gekortwiekt, in Europa

heeft uitgedragen - heeft ook Nederland niet onaangeraakt

kunnen laten. Over de hoofden van die aristocratie heen, ten

spijt van behoudzucht en reactie, was de dynamiek van dit

tweeslachtig Napoleonisme te sterk: wij moesten mee in de

stroom; de Franse bezetting is niet te vergelijken met de Duitse

van 1940-1945 die ons slechts rampen bracht.

De Wit gaat dan ook, als historicus met een koel hoofd, al weer

met het aftasten der feiten na wat voor "resultaten" de Bataafse

Republiek en haar nasleep voor ons land hebben gehad. De drie

eerste jaren waren "vruchtbaar", maar de omkeer van 1801

waarbij de oude regenten terugkwamen ("als overtuigd, dat de

posten voor hen en de hunnen waren gemaakt", zou Thorbecke

eenmaal schrijven) heeft veel verknoeid. Gebrek aan "scheppingskracht"

was er niet bij die democraten, maar bij de parasitaire

regenten, de geldhandelaars en speculanten; wat de democraten

voor bruikbare en nuttige wetten op sociaal-economisch

terrein ontwierpen, kwam er dan uiteindelijk aHeen met

hulp van de Fransen: inzonderheid noemt De Wit de wil van

Napoleon persoonlijk, die ter dekking van zijn flanken sterk,e

eenheidsstaten nodig had (en de Nederlandse aristocratie wilde

I

538 3) Een soort familiebezitting.


federalisme en departementale, d.i. versnipperde macht). Zo

werden dan, daar de regenten al geleerd hadden wetten op bevel

aan te nemen, een aantal hervormingen be11eikt op het gebied

van de "actieve welvaartspolitiek" - afschaffing van de

gilden, munteenheid, opheffing van gewestelijke belastingen, een

vrij,e markt, het laatsne een zuiver liberale wens, door Gogel met

kracht bevorderd. Het was ook Gogel die het moderne bankwezen

in Nederland regelde (de Nederlandse Bank, in 1814 opgericht,

gaat op zijn grondplan terug). In de landbouwpolitiek

werden door de acüeve commissaris van de landbouw, Kops,

en zijn chef Gogel op grond van door beide gedane statistische

onderzoekingen een aantal gunstige verbeteringen bereikt,

hoewel de monarchie Kops na 1815 "wegpromoveerde" waardoor

zijn landbouwcommissies kwamen te vervallen . . . Het

beheer van waterstaat werd tijdens de "Franse" jaren aanmerkelijk

verbeterd, de verslechtering op dit gebied dateert ook van

na ons "volksherstel" in 1813. De eenheid en organisatie van

het postwezen onder Hahn waren bepaald een succes en worden

door de geschiedschrijver van ons postwezen, Ten Brink,

"een volkomen stuk Bataafs werk" genoemd. (Citaat bij De

Wit, pag. 289). De Bataafse democratie heeft zich onder Van der

Palm uitermate verdienstelijk gemaakt voor het volksonderwijs;

de hier bereikte hervormingen zijn door de oligarchen voor

een aanmerkelijk deel weer gesloopt. "De achttiende eeuw bleef

hun droomwereld", zo zegt De Wit. Zij wilden in alles terug

naar het verleden, maar niet steeds was dit mogelijk. "De staat

bewoog zich sinds 1805 in heel andere richting dan de maatschappelijke

krachten begeerden", noteert De Wit (pag. 290).

EndeZie maatschappelijke krachten, hoe ook door de reactie aan

banden gelegd, stuwden Nederland voorwaarts, of het wilde

of niet.

De inlijving bij Frankrijk bracht ongekend verdriet, vernedering

en uitplundering - maar ook een moderne administratie, zoals

Napoleon die in Frankrijk had ingevoerd en die beantwoordde

aan de eisen van de georganiseerde burgerlijke staatsorde

... precies datgene wat de regenten niet wilden. Dat Gogel

er tenslotte niet in slaagde zijn uniform belastingstelsel ingang

te doen vinden - "gelijke lasten, gelijke lusten" - was het

werk van de rusteloos intrigerende oude machten, die in koning

Loclewijk Bonaparte ,een al te zwakke tegenstander vonden: ze

verdreven de overspannen Gogel van het staatstoneel en deden

hem nog in 1820 weigeren minister van financiën te worden

onder Willem I.

Het is de overtuiging van dr De Wit, dat het niet aan de Bataafse

democraten te wijten is dat de Nederlandse economie in

deze jaren van strijd zo werd uitgehold. Het zijn de anti-democraten

die in hun betogen steeds het "Jacobinisme" aan de

"dalende welvaart" hebben gekoppeld. De Wit merkt op dat in

dit geval de bevrijding van 1813 het begin had moeten zijn van

een algehele economische opvlucht. Dit nu is niet het geval

geweest; het was de aristocratisohe reactie van 1801 die

onze volkshuishouding zieker maakte dan zij had hoeven te

zijn, zo luidt de slotsom van De Wit (pag. 296).

539

i'



Uit het voorgaande mocht blijken dat de heschouwingswijze

van dr De Wit zich niet aan het gangbaar geworden beeld houdt

dat van de slechte "Franse tijd" en "herstel van de vrijheid in

1813" spreekt, alsof in dat laatste jaar en met de terugkeer en

verheffing der Oranjes tot de koningstroon een hervonden gelukstoestand

ontstond. Scherp houdt De Wit het oog op de

politiek-sociale verhoudingen; en hij kan dan ook achter het

koningschap, tussen de jaren 1813 en 1848, niet anders ontdekken

dan de voortgaande belangenstrijd tussen aristocratie

en democratie, tussen de reactie en de progressie. Voor hem is

onze monarchie geen herstel van de volksvrijheden, maar een

nieuwe, nu door een autocratisch vorst beheerste periode waarin

de aristocratie de toon aangeeft: ook al hangt men daaraan

een aantal nieuwe begrippen, voornamelijk dankzij de staatsdenkbeelden

van een man, die zidh lang afzij-dig gehouden had,

maar in 1813 met zegevierende stap uit de schaduw kwam geschreden:

Gijshert Karel van Hogendorp. Van Hogendorp is

de "staatsfilosofische" v·ertegenwoordiger van het oude bewind;

hij keek, zoals Thorbecke zei, met één oog naar het verleden

en met het andere naar Engeland, dat met Rusland en Oostenrijk

de garanti·e was van de Europese restauratie. Zeker, Hogendorp

bezigde allerlei nieuwe politieke termen, constitutie, souverein,

natie, volksvertegenwoordiging en wat dies meer zij,

maar hij dacht daarbij aan de 18e-eeuwse standenstaat. De natie

wordt bij hem enkel vertegenwoordigd door de zonen van de

oude l"iegenten. Hij wilde van de adel in de nieuwe monarchie

het kernstuk maken, en die adel nog uitbreiden met leden van

oude, invloedrijke families. Hij zag in de handel onze economische

oplossing en hield het platteland voor een uitbuitingsobject.

Willem I nam in zijn constitutie genoeg van hem over

"om in Nederland de volkskracht te laten sluimeren en de

structuur van onderontwikkeld land in stand te houden", stelt

De Wit in zijn portret van Van Hogendorp (pag. 307-311) onverbiddelijk

vast.

Zeker, er waren in 1813, bij de algemene verwarring van

zaken, die ook oude linkse patriotten weer hoop deed vestigen

op de Oranjemonarchie, allerlei "politieke dialogen" gevoerd,

waarbij de democraat Fennekol ernstig waarschuwde tegen het

koningschap, maar mannen als Wiselius, Van Maanen, om maar

te zwijgen van Falck, Kernper of Bilderdijk, meenden dat Willem

I als krachtig monarch de regentenheerschappij wel de teugels

zou aanlegJgen. (De Wit, pag. 326-336). Er kwam een

Grondwet, maar wat voor een Grondwet! De Wit trekt onmiddellijk

op grond van de vel'deling der kiesrechten een vergelijking

met de "moderate" van 1801; zij "brak de ziel" van het

staatsbmgerschap (citaat bij De Wit, pag. 342). Moest Willem I

ook enkele politieke rechten als dat van drukpersvrijheid en petitie

toestaan, het patroon van de constitutie hield de klasse,

waarvan het land het had moeten hebben, de democratische

bourgeoisie in feite buiten vertegenwoordigende lichamen en ma-

540 gistratuur (pag. 343). Dat de overwinnaars van Napoleon Ne-


derland en België tot één koninkrijk verenigden was overigens

een bijzondere bedreiging voor dit anti-liberale patroon: "In

België waren nieuwe krachten naar boven gekomen, stevig op

economische basis ~egrond", d.w.z. industriëlen en moderne kapitalisten,

waaraan de Nederlandse regenten zo'n hekel hadden

en waardoor zij hun oude en zieke volkshuishouding verkozen

boven doortastende hervormingen. De Wit haalt een uitspraak

aan van prof. Verberne over het "dualisme" in dat Nederlands­

Belgisch koninkrijk (pag.344), dat dke werkelijke vooruitgang

-materieel en dus ook politiek- remde. Het pauperisme nam

ontstellend toe. Op Java moest het cultuurstelsel worden ingevoerd

om kapitalen uit de inlandse bevolking te persen. Maar

in Amsterdam was luxe, daar verrezen prachtige huizen van

speculanten en woekerkapitalisten die de diepe misère van de

achterbuurten verdekten. (Citaat bij De Wit, pag. 347).

VI

Het zou weer te ver voeren om de nadere analyse van dr De

Wit van de Nederlandse staat onder koning Willem I, autocraat

en aristocraat, en onder Willem 11, goedhartiger, romantischer,

maar evenzeer neigend tot de autocratie, hier ook maar in grote

lijnen weer te geven. In twee voortreffelijke hoofdstukken tekent

De Wit de stand van de politieke partijen in het koninkrijk

na 1813 en onderzoekt hij de daaromtrent gelanceerde meningen

van prof. Huizinga (uit het herdenkingsjaar 1913) die

".een mooi stuk proza" vormen, maar als geschiedbeschouwing

waardeloos zijn, omdat Huizinga meent dat het "voor of tegen

Oranj·e" ging. Dr De Wit houdt terecht vast aan zijn controverse

aristocratie en democratie, die hij ook ontwikkelt in het

hoofdstuk "Van Hogendorp en het liberalisme": hier weerlegt

hij volstrekt Colenbranders stelling dat Van Hogendorp onze

"eerste liberaal" is met de ons r·eeds bekende argumenten.

Naderen wij nu de gebeurtenissen van het jaar 1848 - ,,de

ov·erwinning der democraten", noemt dr De Wit het - dan

blijft de critiek op Colenbrander ook ten aanzien van de veronderstelde

vorderingen van het Hberalisme onder Willem II

gelden. De Wit stelt vast dat integendeel onder deze v·eel slappere

monarch het oude Nederland, conservatief, vol stoffelijke

misère, benepenheid en anti-papisme "in kracht toenam" (De

Wit, pag. 368). In 1845 ketsten de eerste liberal.e pogingen om

tot een moderne Grondwet te komen volstrekt op de onwil van

koning en kamer af. Thorbecke, de gangma;ker en destijds professor

in Leiden, liep al gevaar om zijn ontslag te krijgen. Het

was de "paniek" van het jaar 1848, het waren de februarirevolutie

van liberalen en socialisten in Frankrijk, gevolgd door

ltberale en nationale beroeringen in de Duitse landen - bet

was, kortom, de vlam van de onweerhoudbare Europese revolutie,

die in Nederland een schok teweeg bracht. De koning wil

zijn hu~d, lees zijn dynastie, r·edden: op 13 maart 1848 ontbiedt

hij de voorzitter van de Tweede Kamer bij zich en deelt hem

mee dat hij een grondwetshervorming tegemoetziet, zoals hij 541


De cybernetische revolutie

In het juli-augustusnummer van "Socialisme en Democratie",

het maandblad van de PvdA, verscheen een lang artikel van

prof. dr Fred L. Polak onder de titel "Automatie: dynamische

drijfkracht naar een vernieuwd socialisme". Voor dit artikel

ontleende de schrijver veel gegevens en redeneringen aan het

memorandum "The Triple Revolution" (De drievoudige revolutie),

dat opgesteld werd door een commissie ad hoc in de Verenigde

Staten en in 1964 aan president johnson werd overhandigd.

Prof. Polak zegt, dat in dit memorandum "voor het

eerst . .. reeds zeer duidelijk de lijnen (worden) doorgetrokken

naar een door voortschrijdende automatie zonder meer afgedwongen

reconstructie der maatschappelijke ordening in - bij

gebreke aan enige andere passende term - socialistische zin".

Het memorandum over de "drievoudige revolutie" waarin

hoofdzakelijk de cybernetische revolutie aan de orde is, wordt

sinds zijn verschijnen door de Amerikaanse marxisten levendig

besproken. Een van hen, Hyman Lumer, heeft over de er in

neergelegde stellingen reeds gedebatteerd met enkele ondertekenaars

ervan. In zijn pas verschenen boekje "Poverty: its

roots and its future" (New York, 1965) wijdt Lumer een geheel

hoofdstuk aan de behandeling van het memorandum.

Daar prof. Polak, de redeneringen van dit memorandum voortzettend

in zijn artikel, komt met een oproep om terug te keren

tot de bron der pre-marxistische utopisten, leek het ons voor

onze lezers van belang deze bespreking van marxistische zijde

in ons blad op te nemen.

Zoals Benjamin Franklin eens zei: IS de mens "een dier, dat

werktuigen maakt". De geschiedenis van de mensheid toont het

beeld van een onophoudelijk streven naar het ontwikkelen en

verbeteren van de werktuigen die de mens gebruikt, teneinde

zijn arbeid productiev·er en minder inspannend te maken en

zich te bevrijden van de steeds aanwezige dreiging van g·ebrek.

Heden ten dage is dit lang nagestreefde doel - het tot stand

brengen van overvloed bij een minimum aan inspanning -

eindelijk in zicht. De op computers gegrondveste technische revolutie,

ofschoon nog in haar kinderschoenen, biedt het perspectief

van een wereld die vrij is van armoede en ~ezwoeg, een

wereld waarin de middelen bestaan om ieder m~nselijk wezen

een rijk en overvloedig leven te waarborgen.

Deze toenemende bekwaamheid om een overvloed voort te

hrengen, gaat echter in onze maatschappij niet vergezeld van

een overeenkomstige toename van de welvaart, maar van groeiende

onveiligheid, werkloosheid en armoede. Er zijn thans

slechts weinigen, die volharden in de gedachte dat automatisering

een onvermengde zege is. Integendeel, het vooruitzicht van

overvloed wordt vaak beschr.even als een "dreiging", een "uit-

544 daging", ·een "paradox" - in het kort, als een reeds bestaande


of potendeel aanwezige bron van zorg, die niet van voorbijgaande

aard is, maar met de tijd ·ernstiger dreigt te worden.

Deze "paradox" van armoede in overvloed brengt een groeiend

aantal mensen tot de overtuiging, .dat werkloosheid en gebrek

diep-gewortelde misstanden zijn, die niet kunnen worden hersteld

door oppervlakkige hervormingen, maar alleen door maatschappelijke

en economische veranderingen van ingrijpende

aard. Diep ingrijpende oplossingen voor dit vraagstuk worden

in toenemende mate gepropageerd.

Een van de belangrijkste daarvan wordt uiteengezet in het "memorandum

van de commissie ad hoc over de drievoudige revolutie",

dat een grote publiciteit heeft gekregen. Dit werd ,in

maart 1964 gepubliceerd, ondertekend door 34 personen, onder

wie zich bekende figuren bevinden, als de vakbondsleider

Ralhp L. Helstein, de econoom Gunnar Myrdal, de criticus

Maxwell Geismar, Nobelprijswinnaar Linus Pauling en de social~stische

leider Norman Thomas, en is sindsdien het onderwerp

geworden van een uitgebreirde discussie.

De ideeën die in deze verklaring zijn neergelegd, vormen een

synthese van overeenkomstige opvattingen, die reeds enige tijd

geleden door een aantal ondertekenaars, zoals de econoom Robert

Theobald, zijn uiteengeZJet. Zij hebben betrekking op een

aantal fundamentele vraagstukken ten aanzien van de maatschappelijke

en economische gevolgen van de automatisering

en de aard en de functie van de menselijke arbeid. We zullen

deze hieronder critisch bezien.

Mensen en machines

Het memorandum van de commissie ad hoc begint met te verklaren,

dat er zich op het ogenblik drie revoluties voltrekken:

de cybernetische revolutie, de revolutie in de bewapening en de

revolutie op het gebied van de menselijke rechten. Het beperkt

zich echter tot de behandeling van de eerste van dit drietal, die

als volgt wordt omschreven: "De cybernetische revolutie is tot

stand gebracht door het verenigen van de computer met de

automatische machine. Dit leidt tot een stelsel van bijna onbeperkte

productiecapaciteit, dat steeds minder menselijke arbeid

vereist".

Uit de vervanging van de mensen door machines ontstaat het

centrale vraagstuk van het nieuwe tijdperk.

"Het fundamentele probleem, dat door de cybernetische revolutie

in de Verenigde Staten wordt gesteld, is, dat hierdoor het

tot nu toe gebruikte mechanisme om de rechten van de mens

als consument te regelen, krachteloos wordt gemaakt. Tot dit

ogenblik zijn de economische hulpbronnen verdeeld op grondslag

van de bijdragen die aan de productie werden gegeven,

waarbij machines en mensen op ong:eveer gelijke voet wedijverden

om te werk gesteld te worden. In het zich ontwikkelende

cybernetische stelsel kan evenwel een potentieel onbeperkte productie

worden verwezenlijkt met behulp van machinesystemen,

die weinig medewerking van de zijde van menselijke wezens

vereisen. Daar machines de productie overnemen van de

mensen, nemen zij een groeiend deel van de hulpbronnen voor 545


zich in beslag, terwijl de mensen die worden vervangen, afhankelijk

worden van minimale regeringsmaatregelen - werkloosheidsuitkering,

sociale veiligheid, bijstandsregelingen. Deze

maatregelen zijn steeds minder in staat om een historische paradox

te verbergen: dat een aanzienlijk deel van de bevolking leeft

op minimale inkomens, vaak beneden de armoe-grens, in een

tijd waarin een voldoende productiepotentieel beschikbaar is

om in de behoeften van een ieder in de Verenigde Staten te

voorzien".

Dez·e paradox toont, hoe verouderd de huidige wijze van inkomensverdeling

is, die "nu als de voornaamste rem werkt op

de bijna onbeperkte capaciteit van een cybernetisch productiesnelsel".

Het belangrijkste economische probleem is daarom

"niet, hoe de productie moet worden v·ergroot, maar hoe de

overvloed, het grote potentieel van de cybernetica, moet worden

verdeeld". En dit probleem zou dan als volgt moeten worden

opgelost:

"Als een eerste stap naar een nieuwe samenhangende regeling

dient te worden erkend, dat de traditionele band tussen werk

en inkomen is verbroken. De economie van de overvloed kan

alle burgers welgesteldheid en economische veiligheid verschaffen,

onverschillig of ze zich wel of niet bezig houden met wat

gewoonlijk als arbeid wordt beschouwd. Rijkdom die eerder

door machines dan door mensen wordt voortgebracht, blijft

toch rijkdom. Wij dringen er daarom op aan, dat de maatschappij

door haar daartoe geëindigde wettelijke en regerende

instellingen de onvoorwaardelijke verplichting op zich neemt,

om iedere persoon en ieder gezin als een recht een gepast inkomen

te verschaffen".

Met andere woorden, automatisering (of cybernetica) leidt snel

tot een maatschappij, waarin de behoefte aan menselijke arbeid

praktisch afwezig zal zijn. Ali,oe Mary Hilton, een van de ondertekenaars,

beschrijft het aldus (The Cybercultural Revolution",

Minority of One, oktober 1963): "Er zullen geen andere

arbeiders dan machines zijn. De weinigen die werken, zullen

zich-niet-herhalende-taken vervullen, die intelligentie en verbeeldingskracht

vereisen. De knapsten en eerzuchtigsten zullen

de veeleisende opleiding en scholing voor zulk werk ondergaan

en dit zal hun spel zijn".

En wat gebeurt er met de anderen, met de overweldigende meerderheid?

Zij zullen, daar zij een gegarandeerd inkomen ontvangen,

in staat zijn te delen in de overvloed die door de machines

wordt voortgebracht, en in plaats van het afstompende

nietsdoen van de werkloosheid zullen zij vrije tijd hebben om

die opbouwende en scheppende activiteit te veróchten, waarvoor

onze huidige maatschappij weinig economische beloning

geeft. De grondslag zal zijn geiegd, zo zegt het memorandum,

voor "de wederopbouw van het waardestelsel van onze maatschappij".

Mej. Hilton gaat verder. Zij ziet een nieuwe ,Gouden Eeuw'

aanbreken, zoals in het oude Griekenland, waar "een maatschappij

bestond van vrije tijd en overvloed, die niet gescha-

546 pen werd door de arbeid van enig lid van de maatschappij, maar


door slaven". Thans echter zouden dez,e rijkdom en vrije tijd

worden voortgebracht "door electronische en mechanische in

plaats van menselijke sla ven".

Dit alles zal een aanzienlijke uitbreiding van de economische

rol van de regering met zich mee brengen. Deze draagt de verantwoordelijkheid

voor de planmatige ontwikkeling van de

cybernetica en de overgang naar de nieuwe maatschappij. En

daar de algemene welvaart het doel is, moet dit een democratische

planning zijn. "Het doel zal zijn", aldus het memorandum,

"de bewuste en zedelijk,e leiding van het economische leven

door onder democratische controle staande planningorganen".

Dat is, in het kort, het "nieuwe sociaal-economische stelsel",

dat de cybernetische revolutie in het vat heeft. En dat is op zijn

beurt weer de grondslag van de wereld van de toekomst, zoals

die gevormd zal worden onder de gecombineerde invloed van

de drie revoluties - een wereld van overvloed, vrede en vrijheid.

Laten wij nu overgaan tot het centrale vraagstuk: in hoeverre

is dit beeld juist?

Onmiddellijk moet worden opgemerkt, dat de belangrijkste stelling

van de commissie ad hoc in zekere opzichten een grote

stap vooruit betekent in het denken over zulke vraagstukken.

In het bijzonder is dit het geval, als erkend wordt dat er iets

fundamenteel verkeerd is in ons economische stels·el. Dit stelsel

kan de problemen niet de baas, die gesbeid worden door de

nieuwe bechnische revolutie en het is zelfs een hinderpaal voor

hun oplossing en moet daarom ingrijpend worden veranderd.

"Ons economische stelsel", schrijft Theobald, "is afhankelijk

van de onderstelling van schaarste ... In ons huidige economische

stelsel bestaat de tendentie, dat een product meer waarde

heeft naarmate het schaarser is en minder waarde naarmate

het op overvloediger wijze aanwezig is ... Indien wij ons een

economie van overvloed voorstellen, waarin de schaarste grotendeels

is weggenomen, dan zouden we voor vele soorten goederen

ni,et hoeven te betalen, want het wegnemen van de

schaarste zou :z;e 'waardeloos' maken" (The Challenge of Abundance,

1962, pag. 84 ).

Hij gaat voort: "Op het ogenblik hangen de inkomens van de

goederenproducenten geheel af van de prijzen die ze voor hun

goederen ontvangen. Derhalve moet iedere producent er naar

streven zijn prijzen zo hoog mogelijk te houden ten einde zijn inkomen

op te voeren. Zolang dit stelsel van kracht is, is het onmogelijk

om toe te staan, dat de prijzen in een bijzondei'e sector

zeer aanzienlijk dalen, zoals ze natuurlijk zouden doen als de

overvloed toeneemt. Het resultaat van een prijsdaling zou een

vermindering betekenen van de inkomens van hen die ze produceren".

Vandaar, dat er bij groeiende productiviteit "in de

fabrieks- en mijnsector systemen worden ontwikkeld om de

productie te beperken en zo de prijzen op peil te houden, ook

al is er voldoende capaciteit om toenemende productie mogelijk

te maken" (pag. 85 ). 547


Een marxist zal het niet eens zijn met Theobalds opvatting, dat

de waarde door de graad van schaarste wordt gemeten, in plaats

van door arbeidstijd, maar hij zal niet van mening met hem verschillen

dat, terwijl de waal"de van de goederen daalt bij toenemende

productiviteit, de producenten in onze kapitalistische

economie er belang bij hebben de prijzen hoog te houden. Evenmin

kan men het oneens zijn met de hieruit gemaakte gevolgtrekking,

dat in een economie waarin goederen in zulk een overvloed

voortgebracht kunnen worden dat ze 'waardeloos' worden,

het noodzakelijk wordt om ze in ove.l'eenstemming met de

behoefte te verdelen, in plaats van met het inkomen dat uit

warenproductie wordt verkregen.

Even opmerkelijk is het humanistische perspectief dat het memorandum

geeft, met het doel van een maatschappij die gericht

is op het bevorderen van het menselijke welzijn, in plaats

dat de productie als een doel op zich zelf wordt beschouwd,

een maatschappij waarin het aanmoedigen van scheppend werk

en een leven vol inhoud voor een ieder de eerste overweging is.

Het program dat in het memorandum wordt gegeven, kan echter

niet tot het bereiken van dit doel leiden, want de analyse

waaruit het is afgeleid, is gebaseerd op verkeerde veronderstellingen.

Vandaar, dat ze in feite uitmondt in een utopisch schema

dat niet uitgevoerd kan worden - en dat zelfs, als het gevolgd

zou worden, in een verkeerde richting zou gaan.

Machines en werkloosheid

Om te beginnen geven de auteurs van het memorandum een eenzijdig

beeld van de gevolgen van de automatisering; dat leidt

tot een grove overdrijving van de invloed op de werkgelegenheid.

Het afschaffen van de menselijke arbeid door de machines

zou dicht bij zijn; volgens Mej. Hilton zal het tijdperk

van de vrije tijd "technologisch binnen enkele tientallen jaren

denkbaar zijn". Men kan gemakkelijk tot zo'n conclusie komen,

als men zich beperkt tot de vervanging van directe arbeid door

geautomatiseerde machines - een vervanging, die zich inderdaad

in grote omvang voltrekt. Maar dat is ni,et het gehele

beeld.

In de eerste plaats wordt door de automatisering van zekere

handelingen in een fabriek niet de behoefte aan arbeid in de

gehele fabriek verminderd. Integendeel, het kan zeer wel zijn,

dat de behoefte aan onderhoudpersoneel toeneemt als gevolg

van de grotere gecompliceerdheid van de automatische machines

en de noodzaak om reparaties snel te verrichten; bovendien

kan de behoefte toenemen aan arbeiders in andere afdelingen

om de automatische afdelingen bij te houden.

In de tweede plaats wordt de vervanging van arbeiders door de

automatisering ten dele tegengegaan door de ermee samenhangende

ontwikkeling van nieuwe industrieën voor de electronische

uitrusting en de automatische machines. Zeker nemen deze

niet zoveel arbeiders op als elders worden vervangen en de

werkgelegenheid wordt er beperkt door het feit, dat deze bedrijven

zelf grotendeels geautomatiseerd zijn. Desalniettemin

548 verschaffen ze een niet-onaanzienlijke werkgelegenheid.


In de derde plaats opent de vooruitgang nieuwe terreinen, zoals

de industrieën voor atoomenergie en ruimtevaart. De vorming

van een toenemend aantal nieuwe industrieën is trouwens

inbegrepen in de idee zelf van een wetenschappelijke en technologische

revolutie. Ook de~e v·erschaffen werk, dat de neergang

elders tegengaat.

Het totale beeld is dus ingewikkelder dan de auteurs van het

memorandum het afschilderen. De stijging van de productiviteit,

ofschoon reëel en toenemend in de na-oorlogse periode, is

niet zo spectaculair als het memorandum het voorstelt. 1 ) En de

tendentie tot het stijgen van de werkloosheid, ofschoon eveneens

reëel, werkt langzaam en ongelijkmatig. Er is zeker geen

reden om een werkloosheid die zich uitstrekt tot de meerderheid

van de arbeiders binnen een afzienbare periode te voorspellen.

Bovendien, ook al worden we gekweld door een hardnekkige

werkloosheid, dan komt dat niet, omdat er gebrek is aan nuttig

werk dat gedaan moet worden. Als voorzien wordt in het bestaande

tekort aan openbare en sociale diensten zou meer dan

het huidige aantal werklozen opgenomen kunnen worden.

Volgens Theobald kunnen zulke sociale behoeften niet bevredigd

worden in het kader van het huidige economische stelsel.

En inderdaad, het kapitalisme verzet zich tegen het voorzien

in sociale noden en neemt liever zijn toevlucht tot een toenemende

verspilling van sociale en economische middelen, in het

bijzonder in de vorm van militaire uitgaven, om zijn winsten

in stand te houden. Maar zelfs binnen het bestaande systeem

zijn maatregelen als grootscheepse openbare werken een bereikbaar

doel. In het memorandum wordt dit eigenlijk stilzwijgend

toegegeven, want het opgestelde program voorziet juist in

zulke maatregelen. Ze ziet ze echter als niet meer dan noodhulp,

in afwachting van de instelling van een gewaarborgd inkomen

voor allen. Daarmee worden evenwel de betekenis en de gevolgen

van de actie voor de verwerkelijking ervan schromelijk

onderschat. Toch kan dit program begroet worden, als een effectief

program voor de strijd te?;en de werkloosheid.

Tenslotte overdrijven de auteurs van het memorandum het bestaan

van overvloed, of ze die nu als reeds bestaand zien, zoals

in het geval van landbouwproducten, of haar potentieel aanwezig

achten (in de vorm van niet-gebruikte producüecapaciteit),

zoals bij de industrieproducten. Ofschoon het waar kan

zijn dat de productie van sommige landbouwproducten groot

genoeg is om ruimschoots in ieders behoeften te voorzien, bestaat

zulk een surplus in het algemeen niet in verhouding tot de

menselijke behoeften maar alleen in verhouding tot de koopkrachtige

vraag, - wat dus betaald kan worden. De auteurs

hebben echter de neiging deze twee aan elkaar gelijk te stellen

en over het probleem te spreken alsof het alleen gaat om de verhoging

van het peil van de koopkrachtige vraag. Als ze even-

1) Victor Perlo wees er op, dat de toename in de laatste jaren geringer is

dan in de jaren twintig. Tussen 1926 en 1929 steeg de arbeidsproductiviteit

met 3,9 pct per jaar en van 1960 tot 1963 met 3,5 pct (The Worker, 21 april

1964). 549


wel een bedrag noemen, waarover ieder gezin zou moeten beschikken,

komen ze nauwelijks uit boven het officiële bedrag

dat nodig is om een minimumbestaan te leiden. Dit is uitJeraard

onvoldoende om volledig in de behoeften te voorzien, of om

het delen in de overvloed, die de grondslag moet zijn van een

goed leven, mogelijk te maken.

Gepaard aan een dergelijke benadering wordt dan de rol van

de materiëie behoeften gekleineerd; de uitbreiding ervan wordt

eenvoudigweg toegeschreven aan "gedwongen consumptie", die

gestimuleerd is door adv·ertentiecampagnes en een foutieve

schaal van waarde-oordelen. "Wij moeten leren", zegt Theobald

(The Challenge of Abundance, pag. 159), "dat de overvloed

niet kan worden bereikt, zolang we een hoger levenspeil

als ons doel zien. Wij kunnen alleen ov·ervloed hebben, als we

andere doeleinden nastreven die we belangrijker achten".

De maatschappij, waartoe het memorandum oproept is er een,

die "activiteiten als onderwijzen en leren zal aanmoedigen, omdat

deze de mens met de mens in aanraking brengen in plaats

van met dingen". Maar deze benadering is, hoe juist de critiek

op de "gedwongen consumptie" ook is, toch eenzijdig, omdat ze

het feit onderschat, dat de menselijke behoeften hand in hand

met de ontwikkeling van wetenschap en techniek toenemen en

in deze zin oneindig zijn. Indien dit niet zo zou zijn, zou de

technische vooruitgang ons reeds lang in een rampzalige werkloosheid

hebben gestort. Gerard Piel, een van de ondertekenaars

en redacteur van de "Scientific American" (De wetenschappelijke

Amerikaan), wijst erop, dat, terwijl de productie per manuur

drie maal zo groot is geworden sinds 1900, de totale productie

van goederen tot het zesvoudige is gestegen. Hij voegt

hieraan toe: "Een groot deel van die aanzienlijke productiestijging

bestaat uit producten, waarvan in 1900 niet gedroomd

werd. Met andere woorden, de arbeiders die hun werk verloren

door de stijgende productiviteit in de oude industáeën, zijn geabsorbeerd

door de nieuwe industrieën ... " (Consumers of

Abundance, 1961, pag. 7).

De nieuwe goederen en functies zijn langzamerhand opgenomen

in de catagorie van normale menselijke behoeften, En er is geen

reden, waarom dit proces niet zou voortduren, afgezien van de

beperking ervan door de koopkrachtige vraag. Er is in een

maatschappij, waarin deze beperking is weggenomen en de verdeling

werkelijk op de behoefte ,is gebaseerd, niets dat een eindeloze

uitbreiding van de productie verhindert en daarmee dan

ook de toenemende behoefte aan de menselijke arbeid die in het

memorandum eenvoudigweg wordt afgeschreven.

Samenvattend: er bestaat weliswaar geen twijfel aan het bestaan

van de tendenties die het memorandum beschrijft en aan

de ernst van de problemen die erdoor gesteld worden, doch het

doort11ekken tot het punt van het praktisch universele verdwijnen

van menselijke arbeid is onverantwoord en een gevolg van

een eenzijdige benadering.

Productie en verdeling

550 De fout gaat echter veel dieper. Ze ligt in de eerstJe plaats in


de poging om de methode van de verdeling der goederen los te

maken van het er aan ten grondslag liggende productiestelseL

De wortel van onze vraagstukken, zo is de redenering, is de

verkeerde verdeling, die op haar beurt weer voortspruit uit een

verkeerde schaal van waarde-oordelen. "Wij weten", schrijft

Mej. Hilton, "dat alle armoede in dit land armoede is in weerwil

van de overvloed - een armoede die wordt teweeggebracht

door de ontoereikende verdelingsmethoden, eerder door de

ethos (de geest) van de schaarste, dan door het werkelijk bestaan

ervan". Voor Theobald is de fundamentele taak het bepalen

van de "juiste" inkomensverdeling vanuit het oogpunt

van sociale gerechtigheid en het breken met de economisçhe

theorieën, "die verklaren dat ze bepaald moet worden door de

krachten van de markt" (The Challenge of Abundance, pag. 16 ).

Het vraagstuk is, zo onderstreept hij, "in wezen het probleem

hoe een land zijn hulpbronnen wil verdelen" (pag. 102).

De oplossing is volgens dez·e opvattingen het vaststellen en invoeren

van een billijke verdelingswijze, die meer in overeenstemming

is met de nieuwe economie van de overvloed. De

weg om deze tot stand te brengen, zou liggen in het wegnemen

van de ideeën en waarde-oordelen - van de "ethos" van de

schaarste - die ertoe leidt, dat men zich vastklampt aan de

oude vormen.

Bovendien zou dit tot stand gebracht moeten worden binnen

het raam van de bestaande kapitalistische productieve~houdingen.

In zijn opsomming van revoluties ontbreekt in het memorandum

zelfs een verwijzing naa·r wat de diepstgaande sociale

verandering van onze tijd is, de socialistische revolutie. Voor

de auteurs bestaat het socialisme blijkbaar niet en is de productie

die gebaseerd is op de kapitalistische eigendom eeuwig.

In overeenstemming daarmee wordt ook de klassenstrijd als

niet-bestaand gezien. Voor het bereiken van zijn doeleinden

wendt het memorandum zich alleen in een algemene oproep tot

alle mensen van goeden wil, kapitalisten zowel als arbeiders.

De verdeling kan echter niet losgemaakt worden van de productie.

Integendeel, de wijze waarop de goederen worden verdeeld,

wordt niet bepaald door de ideeën van de mensen, maar

door de heersende productiewijze en de ene kan niet worden

V'eranderd zonder tegelijkertijd de andere te wijzigen.

Het kapitalisme is een stelsel van warenproductie, waarin een

ieder leeft door t·e kopen en te verkopen. Een ieder moet kopen

wat hij nodig heeft en om het noodzakelijke inkomen te verkrijgen,

moet men iets hebben om te verkopen. Dit is de noodzakelijke

wijze van verdeling, die voortvloeit uit de aard van de

productiekrachten. Andere verdelingsvormen, zoals pensioenen,

werkloosheidsuitkeringen, e.d. zijn slechts ondergeschikte vormen,

die ontstaan door een deel van het uit de verkoop van

goederen verkregen inkomen opzij te leggen.

De arbeider in een kapitalistische maatschappij bezit geen andere

waar dan zijn arbeidskracht, die hij aan de kapitalist verkoopt

om te leven en die de kapitalist koopt als de transactie een

winst opbrengt. Des te minder hij de arbeiders betaalt, des te

groter is de winst. 551


Indien voorgesteld wordt, dat de regering de arbeiders een gewaarborgd

inkomen betaalt dat niet voortvloeit uit de verkoop

van de arbeidskracht dan moet het geld uit de belastingen

gehaald worden en het grootste deel daarvan moet dan van

de kapitalisten komen, daar het uiteraard nergens toe zou dienen

de arbeiders met de ene hand inkomen te geven en het met

de andere hand in belastingen terug te nemen. Doch dit zou

ernstige inbreuk maken op de kapitalistische winsten en als het

gewaarborgde inkomen, zoals in het memorandum wordt voorgesteld,

wordt uitgebreid tot de grote meerderheid van het werkende

volk, zou dit de basis van hun bestaan als kapitalisten

ondergraven. Aan elke poging daartoe zal fel weerstand worden

geboden. Te denken dat kapitalisten, wier enige bestaansgrond

de winst is, ertoe gebracht kunnen worden niet voor de

winst, maar voor het sociale welzijn te produceren, betekent

werkelijk zich in dagdromerijen te verliezen.

Om een andel'e methode van verdeling tot stand te brengen

moet de productie voor de winst vervangen worden door de

productie voor de behoefte. Dat wil zeggen, dat de kapitalist

uit het beeld dient te verdwijnen en dat de collectieve producenten

en consumenten ook de collectieve eigenaars van de productiemiddelen

moeten worden. Anders gezegd, het kapitalisme

moet door het socialisme worden vervangen. Als dan de overvloed

wordt verwezenlijkt, zal het mogelijk worden de warenproductie

geheel af te schaffen en over te gaan naar een communistische

maatschappij, waarin de goederen d~rect naar de

behoefte worden v·erdeeld.

Alleen op deze wijze is dit doel te bereiken. De voorstdien in

het memorandum komen echter in het beste geval neer op plannen

om uitkeringen te verstrekken, waarvan de omvang in de

praktijk niet zou worden bepaald door de berekening wat de

arbeiders behoren te krijgen, maar door wat van de grote kapitalisten

kan worden afgedwongen.

Automatisering en menselijke arbeid

Ook vergissen de auteurs van het memorandum zich, als zij het

in toenemende mate wegvallen van werkgelegenheid toeschrijven

aan de automatisering op zich zelf. Dit is niet zo zeer het

gevolg van de automatisering als zodanig, maar van de kapitalistische

productieverhoudingen waaronder ze wordt ingevoerd.

Het gevolg van de automatisering zelf is niet, dat de menselijke

arbeid wordt weggenomen, maar dat ze op diepgaande wijze

van karakter verandert. Niet alleen maakt de nieuwe techniek

een einde aan de eentonige zich herhalende arbeid en het fysieke

gezwoeg, maar terzelfder tijd geeft ze aan de arbeid een in

toenemende mate scheppend karakter, waarbij de geestdijke

arbeid een steeds grotere rol speelt. De rol van de mens in de

productie wordt meer en meer niet het hanteren van machines,

maar het kennen van machines, het in staat zijn om ze te ontwikkelen

en te verbeteren, het uitvinden van nieuwe technische

methoden en nieuwe producten en het uitbreiden van de grenzen

552 van de productie. De behoefte van deze activ;iteit wordt door de


arrière van de overvloed niet beperkt, want de menselijke

behoeften zijn, zoals reeds gezegd, onuitputtelijk en breiden zich

in gdijke mate uit als de grenzen van de productie. Vandaar dat

er eerder een steeds grotere behoefte aan arbeid is. Er bestaat

niet zoiets als een situaüe, waarin de mens "niet op zijn eigen

activiteit aangewezen is voor de materiële grondslag van zijn

leven". Het is de aard van zijn activiteiten die verandert, niet

de noodzaak ervan.

Daarom vereist de volledige ontploo1ing van de nieuwe technische

revolutie n1et de beperking van de productieve arbeid

tot een kleine begaafde elit:e, terwijl de rest aan een leven van

nietsdoen wordt overgelev,erd, maar verlangt ze de voortdurende

verheffing van het ontwikkelingspeil en de scheppende

bekwaamheden van de arbeidersklasse als geheel. Ze vereist een

proces van ontwikkeling van de arbeiders tot all-round persoonlijkheden,

die meer dan één bekwaamheid bezitten en worden

tot technió, ingenieurs en wetenschapsmensen.

De hinderpaal voor zo'n ontwikkeling is niet het onvermogen

van de ~emiddelde arbeider, maar het kapitalisme. In plaats

van de arbeider_te ontwikkelen met de voortgang van de techniek,

wordt hij door de omstandigheden van de kapitalistische

productie omlaag gehaald. Teneinde de loonkosten te verlagen,

leidt de kapitalistische productie tot het uiteenvallen van het

arbeidsproces in afzonderlijke, zich steeds herhalende en monotone

taken die in het hoogst mogelijke tempo moeten worden

uitgevoerd. Hier ligt de tegenstelling: terwijl de automatisering

verlangt, dat het arbeidsproces samengaat met een groeiende

bekwaamheid, brengt het kapitalisme het omgekeerde tot stand.

Daarom wordt de rol van de arbeiders die nog vereist zijn voor

het bedienen van de automatische installaties, teruggebracht tot

het waken over bedieningspanelen en het drukken op knoppen.

Vandaar, dat een recent overzicht over de geautomatiseerde

fabrieken liet zien, dat in 70 pct der gevallen de algemene

geschooldheid niet was toegenomen, maar gelijk, of zelfs

lager was dan voorheen.

De verdedigers van het program van de drievoudige revolutie

maken de fout, dat zij de kenmerken die de arbeid heeft onder

het kapitalisme - en die voortvloeien uit het bestaan en de

verkoop van de arbeidskracht als waar - verwarren met het

karakter van de arbeid als zodanig. Daarom zien zij ook als

enig alternatief de vrije tijd en vereenzelvigen zij scheppende

activiteit met het vrij zijn van de noodzaak om te arbeiden.

Maar als de mens ,,.een dier is dat werktuigen vervaardigt",

dan is de productieve activiteit niet iets dat hem wordt opgelegd,

maar het wezen van zijn aard als mens. Van dit wezen

van zijn bestaan doet hij afstand in ruil voor een loon.

Het alternatief is echter niet de vervanging van de levensactiviteit

door een leven van nietsdoen; het is eerder het tot stand

brengen van sociale omstandigheden, waarin de arbeider niet

langer zijn arbeidskracht verkoopt als een waar, maar haar benut

voor zichzelf. In zulke omstandigheden wordt zijn arbeid

werkelijk de uitdrukking van zijn wezen. In plaats van een 553


554

vloek, wordt ze een eerste behoefte, waaromheen zijn hele leven

is opgebouwd.

Slechts in relatie daarmee heeft het constructieve gebruik van

vrije tijd een reële betekenis. De all-round ontwikkeling van

het individu houdt een combinatie in van zowel scheppende arbeid

als scheppende vrije tijd. In de moderne maatschappij is

een bestaan dat geheel uit vrije tijd bestaat een afwijking. Het

is niet verheffend of veredelend als gezegd wordt, dat iemands

productieve activiteit niet langer nodig is en dat men een inkomen

krijgt met de instructie om maar met zijn tijd om te gaan

zoals men wenst, dat is demoraliserend en haalt iemand omlaag.

Het is zeker onjuist om te strijden voor het vereeuwigen van

een soort werkzaamheden, die door de automatisering zullen

verdwijnen. Maar het kapitalisme kent geen ander soort. Ten

einde de aard van de arbeid te veranderen in overeenst·emming

met de vereisten van de automatisering is een socialistische

maatschappij-organisatie noodzakelijk. Pas dan kan de arbeidskracht

worden weggenomen uit de warensfeer en de grondslag

worden gelegd voor een communistische maatschappij, waarin

de verdeling van goederen zal plaats vinden volgens het principe:

"Van ieder naar zijn vermogen, aan ieder naar gelang van

zijn behoeften".

Het kapitalistische productiesysteem wortelt in de schaarste.

Historisch gezien heeft het kapitalisme de progressieve functie

vervuld de grondslag te leggen voor het afschaffen van de

schaarste. Maar nu het dit heeft gedaan, heeft het de grondslag

van zijn nut overleefd. De moderne kapitalistische maatschappij,

"die zulke ontzaglijke productie- en verkeersmiddelen heeft

te voorschijn getoverd, gelijkt op de heksenmeester, die de onderaardse

machten, door hem zelf opg.eroepen, niet meer kan

beheersen", zo werd het al in het Communistische Manifest gesteld.

De opmars van de techniek stort haar in steeds diepere

tegenstellingen en tegenstrijdigheden. Automatisering bekroont

dit proces. Dit bewijst de onbekwaamheid van het kapitalisme

om de nieuwe technische revolutie te omvatten. Niet de arbeiders

zijn ouderwets geworden, maar het kapitalistische stelsel.

Het is dit stelsel, en niet de verbinding van inkomen met werk,

dat de hinderpaal is voor de vooruitgang.

Zoals het Communistische Manifest het zo welsprekend uitdrukt,

de kapitalistische klasse "is niet in staat om nog langer

de heersende klasse der maatschappij te blijven en de levensvoorwaarden

van haar klasse aan de maatschappij als regelende

wet op te dringen. Zij is tot heersen onbekwaam, omdat ze niet

in staat is haar slaaf, zelfs binnen het raam van zijn slavernij,

een bestaan te waarborgen, omdat zij gedwongen is, hem in een

toestand te laten wegzinken, waarin zij hem moet voeden, in

plaats van gevoed te worden". De oplossing van de problemen

van nu ligt niet in het zoeken naar instellingen die dit voeden

moeten regelen; als de automatisering iets bewiist, dan is het

wel de noodzaak en de onvermijdelijkheid van het socialisme.

HYMANLUMER

(Uit: Poverty, its roots and its future. New York, International Publishers,

1965).


Tien punten voor het werk

van een auteur

in de verdeelde wereld

In 1934 vluchtten de ouders van Peter Weiss (thans 48 jaar)

voor de nazi-terreur. Zij zochten hun toevlucht in Zweden, waar

de later tot Zweed genaturaliseerde Peter W eiss opgroeide.

Sinds enkele jaren heeft hij als schrijver wereldfaam gekregen.

Allereerst door zijn toneelstuk "De vervolging van en de moord

op ]ean Paul Marat. Opgevoerd door de verpleegden van het

krankzinnigengesticht van Charenton onder regie van de heer

De Sade". Dit stuk wordt op het ogenblik ook in Nederland

opgevoerd. In oktober had de wereldpremière plaats van "Die

Ermittlung" (Het onderzoek), door hem een oratorium genoemd

en geschreven op basis van de documenten van het

Auschwitz-proces in Frank/ort. Het werd, met muziek van

Luigi N ono, gelijktijdig opgevoerd in Oost- en West-Duitsland,

in Zwitserland, Oostenrijk en andere landen en wordt sinds de

eerste dagen van december in Nederland opgevoerd door de

"Nederlandse C ome die".

Peter Weiss heeft zich steeds intensief met de problemen van

het verdeelde Duitsland en de verdeelde wereld en hun invloed

op de kunstenaar en zijn werk bezig gehouden. Er is in zijn

denken hierover een duidelijke ontwikkeling merkbaar. Van

groot belang is de samenvatting van zijn ideeën die hij onlangs

in de Zweedse "Dagens Nyheter" en in het Oostduitse "Neues

Deutschland" publiceerde.

1. Elk woord, dat ik neerschrijf en voor publicatie vrijgeef, is

politiek, dat wil zeggen, het is op een contact met vrij grote

groepen van de bevolking gericht om daar een bepaald effect

teweeg te brengen. Na mijn mededeling, die ik aan een van de

communicatiemiddelen overdraag, volgt het verwerken van

mijn mededeling door de consumenten. De wijze, waarop mijn

woorden worden opgenomen, wordt in grote mate bepaald door

het gegeven maatschappelijke stelsel, waaronder ze worden verbreid.

Daar mijn woorden altijd slechts een minimaal klein deel

binnen de algemene opinie uitmaken, moet ik, wil ik mijn mening

kunnen laten doordringen, de grootst mogelijke nauwkeurigheid

bereiken.

2. De keuze van de taal, die ik bij het schrijven gebruik, heeft

slechts een ambachtelijke functie. Ik kies de taal, die ik het

beste beheers. In miin geval is dat de Duitse taal.

Het voordeel van het gebruiken van deze taal is daarin gelegen,

dat elk woord daardoor meteen in een scherper licht komt

te staan. De verdeling van Duitsland in twee staten, met diametraal

tegenover elkaar staande maatschappelijke structuren,

beeldt de. verdeling van de wereld uit. De uitspraken van een

Duits-talige àuteur liggen daardoor meteen op de weegschaal, 555


waar ze aan de twee versdhillende waarderingssystemen onderworpen

worden. Dit vereenvoudigt mijn werk. Wat ik schrijf,

komt direct in het brandpunt van de meningen. De problemen

en conflicten, die ik noem, zijn echter niet aan dit bepaalde

taalgebied gebonden, doch slechts een deel van het thema, dat

vandaag in alle talen wordt behandeld.

3. Hoewel de tweedeling van de wereld veelvuldig in zich zelf

verbrokkeld en door gecompliceerde, elkaar vaak bestrijdende

tendenties doortrokken is, treden er toch twee duidelijke

machtsblokken uit naar voren. Het ene machtsblok omvat de

ten dele gevestigde, ten dele zich vormende socialistische krachten,

alsmede de vrijheidsbewegingen in de voormalige gekoloniseerde

of nog onder dwingelandij staande landen. Het andere

machtsblok bevat het door het kapitalisme bepaalde stelsel,

vanaf de vrije, onafhankelijk met elkaar concurrerende ondernemersgeest

tot aan de hoogste imperialistische concentraties.

Binnen dit blok kan men echter ook, vooral in de Skandinavische

landen, vrij omvangrijke democratiseringen en door de

klassenstrijd afgedwongen sociale instellingen aantreffen. Het

werk van de arbeidersbeweging of -regeringen blijft in laatste

instantie ingekapseld onder de opperheerschappij van de beheersers

van het grootkapitaal, die hun bezit nimmer vrijwillig

afstaan. De hoog ontwikkelde welvaartsmaatschappij is niets

anders dan een klassenmaatschappij op een hoger niveau, waar

de eertijds revolutionaire arbeiders de neiging ontwikkelen, de

normen van de burgerlijkheid over te nemen.

4. Het is mijn taak te onderzoeken, op welke manier mijn woorden

door de gesprekspartners in de verdeelde wereld worden

opgenomen. De ervaring leert mij, dat binnen het blok, dat zich

zelf de "vrije Westelijke wereld" noemt, die artistieke uiting,

die het stempel draagt van subjectieve belevenissen en formele

experimenten, erkenning geniet, zoals er ook een sociale critiek

wordt gewaardeerd, voor zover ze de onder humanisme en democratie

gecamoufleerde grenzen van het maatschappelijke stelsel

niet doorbreekt. Terwijl op het ,gebied van de estetica geen

enkele grens is getrokken en elke nieuwe ontdekking op dit terrein

haar nijvere tussenhandelaars en consumenten weet te vinden,

worden uitvallen op sociaal gebied aan uiterst nauwkeurige

controles onderworpen. Het inzicht in de sociale grenzen is voor

de auteur met grote moeilijkheden verbonden, daar hij de vrijheid,

die hem als een recht wordt toegezegd, vaak als een absolute

vrijheid beschouwt. Hij moet een lange weg afleggen, voordat

hij daar belandt, waar zijn vrijheid voor de maatschappij

niet meer ongevaarlijk is.

5. Terwijl de arbeid van de kunstenaar in het Westelijke blok

de grootste koopwaarde heeft, wanneer ze de consument een

estetisch of geestelijk genot of een emotionele sensatie geeft,

wordt aan de andere zijde naar de praktische functie van het

kunstwerk gevraagd. Het formele experiment, de innerlijke

monoloog, het poëtische beeld blijven zonder uitwerking, wanneer

ze voor het werk om de maatschappij een nieuwe vorm te

geven geen nut afwerpen. .. .

556 Opgegroeid met het beeld van een onvoorwaardeliJke expressie-


01

01

-.J

Een scène uit de Nederlandse opvoering van "Het onderzoek" door de "Nederlandse Comedie".


vrijheid voor ogen, zien wij ons hier in ons voornemen belemmerd

- zolang wij de eigen waarde van de kunst hoger achten

dan haar nut. Als wij het nut inzien, kunnen wij ook de strijd

voeren om de stoutmoedigste vormen door te zetten, want wij

weten: Bij een revolutie van het maatschappelijke stelsel behoort

ook een revolutionaire kunst.

Het is derhalve een tegenstrijdigheid, wanneer in enkele landen

van het socialisme de kunst op grond van de in haar schuilende

kracht onder de duim gehouden en tot kleurloosheid veroordeeld

wordt, terwijl ze zich in de burgerlijke landen wegens gebrek

aan bindingen tot aan het anarchisme ontplooit.

6. Hier kom ik al voor het probleem van de keuze te staan. Op

welke van de beide zijden moet ik de keuze laten vallen? Aan

welke van de twee kanten zie ik achter de onvolkomenheden,

de tegenstellingen en fouten de mogelijkheid van een ontwikkeling,

die aan mijn voorstellingen over humaniteit en gerechtigheid

beantwoordt? Kan ik mijn eigen onzekerheid, mijn tegenstrijdig,e

gevoelens overwinnen en in mijn werk bewust het politieke

effect betrekken, dat tot dusverre slechts passief tot uiting

kwam, doordat ik mij als een anonieme gesprekspartner aan de

consumenten aanbood? Kan ik het gerieflijke derde standpunt

opgeven, dat altijd een achterdeurtje voor me open liet, door

welke ik naar het niemandsland van loutere imaginaties mocht

uitwijken?

7. Het opwerpen van deze vraag is al het begin van haar beantwoording.

In het verloop van de onderzoekingen, die ik

verriaht om tot een antwoord te geraken, zie ik, dat er slechts

twee mogelijkheden zijn en dat het volharden in afzijdig staan

tot een steeds groter wordende ni,etswaardigheid leidt.

Wanneer ik mijn Duits taalgebied als voorbeeld neem, dan zie

ik, dat mijn besluiteloosheid, mijn twijfel in de westelijke staat

niet alleen geaccepteerd, doch ook goedgekeurd wordt. Dat is

natuurlijk: Zolang ik alleen maar uiting geef aan mijn onbehagen

in, mijn afkeer van de maatschappij, blijft dit een psychologisch

probieem, dat de heersenden bij hun gedoe niet stoort.

Onbelemmerd mag ik de toestand van mijn uitzichtloosheid

schilderen, want mijn uitziahtloosheid stelt immers de sterkte

van hun instellingen voorop. Ook mijn meest absurde ideeën,

mijn hoon, mijn ironie worden van me gekocht, want daarmee

lever ik de machthebbers alleen het bewijs van hun vrijgevigheid.

Zij voelen zich zo zeker in hun posities, dat ik voor vele

dingen mag opkomen, die mij vooruitstrevend lijken. Zij stemmen

welwillend toe, wanneer ik de mening verkondig, dat de

bestaande verschillen geleidelijk weggenomen kunnen worden.

Een van de voornaamste argumenten van hen, die aan het roer

staan, is immers, dat deze verschillen al in grote mate zijn opgeheven

en dat werkgevers en werknemers zich vandaag in een

gelijkgerechtigde belangengemeenschap bevinden. Hier sta ik

tegenover hun hele wereld van geraffineerd gerichte vervalsingen

van de werkelijkheid. Doordat zij in het bezit zijn van de

communicatiemiddelen en het onderwijs beheersen, hebben zij

met hun opvattingen tot in alle lagen van de bevolking kunnen

558 doordringen. Daar zij een onoositie van links ten dele onscha-


delijk hebben gemaakt of deze oppositie zich ten dele op grond

van uiterlijke successen aan een illusie van welvaart heeft aangepast,

wordt de vraag naar de aohtergrond van deze welvaart

en de vraag, op wiens kosten die welvaart werd bereikt, slechts

zelden gesteld. Als het al gebeurt, wordt de vragensteller zeker

op de smerigste manier uitgescholden en blijkt, hoe armzalig

het begrip van humaniteit en democratie in het wapen van de

bezittenden is.

8. In de oostelijke Duitse staat wordt mijn gebrek aan kleur

bekennen als een teken van ondergang beoordeeld. Zelfs mijn

negatieve schilderingen van de burgerlijke civilisatie blijven

zinloos, zolang ik daarin niet de poging doe, mij uit de inkapseling

te bevrijden. Zolang ik mij verbeeld, dat mijn integriteit

en bewegingsvrijheid daar hooggehouden kunnen worden, blijf

ik een gevangene van deze maatschappij, en als ik van mening

ben, dat deZJe maatschappij nog door sociale aspiraties zou kunnen

worden veranderd, dan sus ik daarmee alleen mijn geweten

en idealiseer ik het feit, dat zij mij mijn levensonderhoud

versaha ft.

De aanvallen op de corruptie, op de uitbuiting en op de door

private monopolies geleide verpesting van de openbare mening

leiden tot niets, wanneer ze geen duidelijk alternatief aanwijzen.

Waar in de westelijke staat vooral een politieke terughoudendheid

van de auteur wordt verwacht, wordt in de oostelijke

staat vooral de ondubbelzinnige politieke houding verlangd.

9. Daarmee verwijder ik mij weer van het enge begrip van een

taalgebied en stel ik de gehele wereld als werkterrein voor de

artistieke arbeid voorop. In deze wereld valt de beslissing. De

bezittenden van de aarde, een naar verhouding kleine groep,

doen vandaag hun uiterste best hun posities te versterken en

te verdedigen. Nadat zij de noodtoestand na de oorlog hadden

uitgebuit en zich daaraan nog eens uitermate hadden verrijkt,

zien ze zich thans geplaatst tegenover de weer ontwakende

krachten van de uitgeplunderde volken. Het spook, dat voor

hen oprijst, waart niet alleen door Europa, maar overal waarheen

ze hun blik ook maar richten. Waar ze hun bastions ook

bouwen, in Afrika, Azië of Latijns-Amerika, groeien vrijheidsbewegingen

op, die niet meer tegengehouden kunnen worden.

Nog hebben ze, dank zij hun wapens en huurlingen, op vele

plaatsen de overhand. Nog kunnen ze terreur verbreiden met

het platbranden van dorpen en landstreken, nog kunnen ze

naties in hun greep houden met hun bruutheid en met de chantage

van hun gelden, maar historisch veelb.ten ze voor een verloren

zaak.

Tegenover hen krijgt langzaam een macht voet aan de grond,

die ervan uitgaat, dat de wereldse goederen elke mens in gelijke

mate dienen toe te behoren. Nog zijn wij in het beginstadium

van deze alomvattende verandering. Enkele landen hebben de

door de verdeling van de wereld veroorzaakte economische

moeilijkheden in hoge mate overwonnen en een communistische

of socialistische maatschappijorde tot stand .gebracht, andere

spannen zich voor deze orde in allereerst onder het voorteken

van een nationale bevrijdinl'"sstrijd. Overal echter treden door 559


de koude oorlog, welks innerlijke gloed voortdurend tot openlijke

strijdhaarden opvlamt, de onevenwichtigheden en strijdvragen

in de opvatting van de nieuwe maatschappijorde aan

de dag. In die situatie vindt de tegenstander rijkelijk stof om

op het tekort schieten of op de utopieën van het socialisme te

wijzen. De taak van een auteur is hier: steeds opnieuw de waarhei,d,

die hij verdedigt, aan te tonen, steeds opnieuw de waarheid

onder de verdraaiïngen zoeken.

10. De richtlijnen van het socialisme bevatten voor mij de geldige

waarheid. Wat er ook voor fouten in naam van het socialisme

zijn begaan en nog zullen worden begaan, ze behoren er

tot lering te zijn en aan een critiek onderworpen te worden, die

uitgaat van de grondbeginselen van de socialistische opvatting.

De zelfcritiek, de dialectische meningenstrijd, het voortdurend

open staan voor veranderingen en verdere ontwikkeling zijn

bestanddelen van het socialisme. Van de twee keuzemogelijkheden,

die mij vandaag resten, zie ik slechts in de socialistische

maatschappijorde de mogelijkheid, de bestaande wantoestanden

in de wereld uit de weg te ruimen.

Ik ben zelf opgegroeid in de burgerlijke maatschappij en ik heb

in mijn werk en in mijn persoonlijke leven de meeste tijd ermee

gesleten, mij van de bekrompenheid, de vooroordelen en het

egoïsme te bevrijden, die mij door dit milieu werden opgelegd.

Ik heb lange tijd in de veronderstelling verkeerd, dat het artistieke

werk mij een onafhankelijkheid kon verschaffen, die de

wereld voor me zou openen. Vandaag echter zie ik, dat een

dergelijke ongebondenheid van een kunst een vermetelheid is,

gezien het feit, dat de gevangenissen van die landen, waarin de

verschillen tussen de rassen en de bezitsverhoudingen in stand

gehouden worden, vol zitten met de gemartelde voorvechters

van de vernieuwing. Elk van mijn in vermeende vrijheid veroverde

arbeidsresultaten tekent zich af tegen de noodtoestand,

die voor het grootste deel van de wereld nog gegeven is.

Daarom zeg ik: Mijn arbeid kan pas dan vruchtbaar worden,

wanneer ze in directe betrekking staat tot de krachten, die voor

mij de positieve krachten van deze wereld betekenen. Deze

krachten zijn vandaag overal, ook in de westelijke wereld,

waarneembaar en ze zouden een nog groter gewicht en een

grotere solidariteit verkrijgen en zich in nog omvangrijker wijze

op de maatschappij richten, wanneer de openheid in het Oostelijke

blok ruimer zou worden en er een vrije, ondogmatisàe

uitwisseling van meningen zou kunnen plaatsvinden.

PETER WEISS

560


Het standpunt van de CPN

over de Goedkeuringswet

Op 10 november 1965 werd in de Tweede Kamer

het door de regering-Cals ingediende wetsontwerp

om toestemming te verlenen tot het huwelijk van

prinses Beatrix met de heer Von Amsberg behandeld.

De communistische fractie zette, bij monde

van Marcus Bakker, het standpunt van de CPN

over deze kwestie uiteen. Hieronder volgt de tekst

van deze verklaring.

Reeds bij de discussies rondom Pri:nses Irene heeft onze fractie

zeer duidelijk gemaakt, dat de CPN geen koningskwestie wenst.

Dat is geen nieuw standpunt, het dateert van v66r de oorlog

en in het bijzonder van tijdens de oorlog. De constitutionele

monarchie, dus het grondwettelijke koningschap, waarin het

staatshoofd zich houdt aan de Grondwet, behoeft in Nederland

geen strijdvraag te zijn en moet het bij voorkeur niet zijn. De

centrale en overheersende politieke vraagstukken in Nederland

zijn - om ze kort samen te vatten - de noodzaak van strijd

tegen enkele oppet'machtige kapitaalsgroepen, de noodzaak te

verhinderen dat Nederland een aanhangsel en werktuig wordt

van een agressid revanchistisch Duitsland en de noodzaak van

verdediging van de parlementaire democratie tegen toenemende

pogingen tot aantasting daarvan. Dat wil zeggen: dagelijks

brood, vrede en democratie. Het is ongewenst, dat mensen, die

het op die punten ·eens zijn, tegenover elkaar zouden komen te

staan over het vraagstuk: monaKhie of republiek.

Wij menen, dat dit standpunt algemeen aanvaard is in de arbeidersbeweging

en in progressieve kringen. Als er dan een koningskwestie

kan ontstaan, dan kan die alleen van rechts komen.

Zulk een koningskwestie kan ontstaan, als men het koningshuis

wil gebruiken tegen de politieke en sociale rechten

van het vo1k, als men het vorstenJhuis of !.eden daarvan zodanig

in een omstreden positie brengt en als men het vorstenhuis of

leden van het vorstenhuis plaatst boven - dat wil zeggen tegenover

- de Grondwet. We hebben een dergelijke situatie de

laatste tientallen jaren gelukkig niet gekend, maar dit gevaar

wordt thans door het optreden van het kabinet en in het bijzonder

van de minister-president in feite opgeroepen. De overijling,

het gedraai, de verrassingsmanoeuvres en de propagandamethodes,

waarmee alles rondom de verloving, de toestemmingswet en

het aanstaande huwelijk is aangepakt, zijn precies in strijd met

wat had moeten gebeuren om een conflict te vermijden. Het

heeft er zelfs op geleken, dat men op zo'n conflict aanstuurde.

Wij zullen in het kort een aantal feiten nagaan.

In de regeringsverklaring, die is uitgesproken bij het eerste optreden

van dit kabinet, is de aanstaande verloving niet in het 561


geding gebracht. Minister Cals heeft, in antwoord op schriftelijke

vragen, gezegd, dat het kabinet van niets wist. Iedereen

weet, ook de regering kan dat weten, dat daarover zeer veel

twijfels bestaan. Er zijn mededelingen geweest, onder andere

van de heer Aalders, voorzitter van de Expogé, dat het kabinet-Marijnen

en daarna het kabinet-Cals van de feiten op de

hoogte waren. Dez·e mededelingen zijn voor zeer vele getuigen

gedaan, maar zij zijn ingeslikt op een manier alsof er een appel

van de stiefmoeder van Sneeuwwitje was toegediend.

Een ander feit is de nog niet verklaarde annulering van het

debat over vraagstukken met betrekking tot de ministeriële

verantwoordelijkheid voor het koninklijk huis, hetgeen twee

dagen voor de kabinetscrisis op initiatief van de heer Cals geschi·edde.

In de pers is de mededeling gedaan, dat de pagina's met berichten

over de verloving al met Pasen waren gezet en dat alleen

de naam van de v·erloofde ontbrak. Daarom bestaat er bij het

Nederlandse volk nog steeds twijfel of geen informatie aanwezig

was; of moet men aannemen, dat ook deze informatie

tussen de oude kranten is terechtgekomen?

Er is een gevoel van overrompeling blijven hangen, die verband

houdt met de kabinetsformatie. Daarna is er een lange tijd verlopen

tussen de bekende publicatie van de foto's en de informatie

aan de fractievoorzitters van de Eers1Je en de Tweede Kamer.

Die informatie is gegeven met de rug tegen de muur, omdat

de verlovingsdatum al was vastgesteld. Uit de gehele enscenering

daarvan is gebleken, dat die zogenaamde informatie niet

anders was dan een dwang tot uitspraak. In feite is de gehele

procedure daarbij gereduceerd tot één dag, waarbij inlichtingen

werden gegeven en het ja-woord werd gevraagd.

Vervolgens heeft de propagandacampagne voor de toestemmingswet

onder het volk plaatsgevonden, waarvan iedere televisiekijker

getuige is geweest.

De minister-president en de overige leden van het kabinet hebl:>en

door hun optreden een rustige oordeelsvorming onmogelijk

gemaakt. Niet alleen tegen de toestemmingswet, maar ook tegen

deze hele metmode is veel oppositie gerezen.

Wij hebben ervaren, dat bij de oppositie velerlei motieven een

rol spelen; die oppositie is ook niet te brengen onder enige partij-politieke

noemer. De beweegredenen zal ik hier niet allemaal

opsommen; beslissend is echter, dat het een oppositie van

betekenis is, ook in getal. Bovendien is het - dat is hier al meerdere

malen gezegd - een oppositie met een te respec1Jeren ondergrond.

Nu er zo'n oppositie bij een dergelijk vraagstuk bestaat,

was het eenvoudig de plicht van de regerirtg geweest,

iedere overhaasting te vermijden of te beëindigen, met de indiening

van de toestemmingswet te wachten en alle eenmaal

geschapen dwangsituaties tegenover leden van het parlement

op te heffen. Men had los van alle individuele overwegingen

moeten bedenken, wat deze tienduizenden mensen gezamenlijk

beweegt. Hun tegenstand komt voort uit een bittere herinnering

en uit zorg voor de toekomst van hun land. Het gemeen-

562 schappelijke element wordt gevormd door vaderlandslievende


overwegingen. De reden voor het zo sterk spreken van herinnering

en zorg in dit geval wordt gevormd door de bindingen van

de verloofde van prinses Beatrix met het Duitsland van voorheen

en van thans. Van Duitsland ging, en gaat ook nu, en gevaarlijke

dreiging uit. Het verleden kennen wij, maar velen,

de een minder, de ander meer, zien steeds duidelijk,er, dat er nu

ook gevaren bestaan. Zij zien, dat de omvang van dat Duitse

gevaar juist zo groot is door de verstrengelingen van Duitsland

met andere landen. Duitsland is in een positie gekomen, waarin

het kernreacties kan veroorzaken.

Het is een begrijpelijke reactie, dat men iemand, die zulke sterke

bindingen met de in Duitsland heersende kringen vertegenwoordigt,

niet op een belangrijke post in Nederland wil zien.

De argumenten, die van verscheidene zijden zijn aangedragen

tegen deze overwegingen, kunnen die zorg alLeen nog maar groter

maken. De voorzitter van de ARP heeft gezegd: Ja, maar

wij hebben Duitsland toch ook in de EEG en de NAVO opgenomen.

Ik mag eraan herinneren, dat t6en het argument is gebru~kt,

dat daarmee Duitsland in bedwang zou worden gehouden.

Wie houdt echter wie in bedwang op het ogenblik? Wie

is sterker geworden en wie zwakker?

Dan ligt een volgende conclusie voor de hand. Als eenmaal

zulke bindingen gaan ontstaan, als zij goedgekeurd worden,

nemen de kansen toe, dat leden van het koningshuis worden gebruikt

tegen de politieke wensen van het volk en ook tegen

onz·e grondwettelijke regelingen. Dan zal het gevaar bestaan,

dat sommigen van het koningshuis een wapen willen maken

voor een reactionaire politiek.

De aanwijzingen zijn er nu reeds, met name door de aanval, die

de minister-president heeft gedaan op de brief, die de heer

Nederhorst heeft geschreven. De heer Nederhorst had een brief

geschreven. Het was een particuliere brief; dat is hier vanmiddag

nog eens bevestigd. De reactie van de heer Cals was,

dat de inhoud strijdig met de Grondwet was. Hij is daarin dan

,-andaag bijgevallen door de heer Schmelzer, die wel eens even

als groot-inquisiteur zal optreden. De eerste vraag, die natuurlijk

opdoemt is, sedert wanneer een particuliere correspondentie

in strijd kan zijn met ,de Grondwet, die het briefgeheim erkent.

Maar de zaak reikt natuurlijk veel verder. Wij kennen de

minister-president als een groot stoeier met de Grondwet, als

ik het even zo mag zeggen. De minister-president heeft nog niet

zo lang geleden, toen hij nog Kamerlid was, langademige pleidooien

gehouden voor een verandering van de Nederlandse

Grondwet, waaruit blijkt, dat hij het met de Nederlandse huidige

Grondwet niet geheel eens is. Hij heeft laten verschijnen,

of zal dit binnenkort laten doen, als leider van het kabinet, een

proeve van een nieuwe grondwet, waarin naar zijn eigen z~ggen

ook zijn eigen denkbeelden niet verwerkt staan en waarmee hij

het dus ook niet helemaal eens zal zijn. En nu doet hij een aanval

op de heer Nederhorst met een stukje grondwetuitleg, waarmee

niemand anders het eens mag zijn. Datgene, waarover de

heer Nederhorst heeft gesproken, was het gevaar, dat door de

eigenzinnigheid van bepaa1de personen en door krachten, die 563


hiervan gebruik zouden maken, de constitutionele monarchie

in gevaar zou kunnen komen. Welnu, het is het recht en de

plicht van een Kamerlid om zulke dingen te zeggen, als hij de

meent. Het allereerste en het laatste recht van het parlement

en van zijn leden is geweest en moet zijn de mogelijkheid om

iedere vorm van willekeur van de zijde van een staatshoofd in

de kiem te smoren. Wanneer dat niet meer kan, komen wij niet

terecht in de eerste vepubliek van de heer Lankhorst, maar in

de Vijfde Republiek van de heer De Gaulle. Dat begrip is de

basis van ons parlementaire stelsel. Een Kamerlid heeft onder

zulke omstandigheden het recht zijn mond open te doen. Het

kabinet hoort het te doen; wanneer echter het kabinet in zijn

taak te kort schi,et, is er het parlement om die taak over te nemen.

Wie die rechten wil aantasten en zelfs ongrondwettig wil

verklaren, blijkt zelf uiterst gevaarlijke opvattingen over de

Grondwet te hebben.

Dit alles moet voor het Nederlandse volk een reden zijn tot

vergrote waakzaamheid tegen mogelijke aanslagen op zijn

rechten.

In dit verband wil ik slechts een enkel woord spreken over een

geheel ander aspect van deze zaak, nl. het feit, dat de heer

Schmelzer uit deze discussie tegenover de PvdA de conclusie

heeft getrokken: zoet blijven, anders ga je de regering uit! Dat

is het, wat wij vanmiddag hebben gehoord. De praktische

vorm, die dat dreigement zal blijken te hebben, zal morgen bij

de stemmingen over de Huurwet wel duidelijk worden.

Dit alles kan men niet los zien van de keuze van Amsterdam

als trouwstad. Het is een ongebruikelijke keuze; er is geen traditie

van prinselijke huwelijken in Amsterdam. Waarom is voor

het eerst de hoofdstad voor een dergelijk huwelijk aangewezen?

Het kan alleen te verklaren zijn doordat men aan de verloofde

van prinses Beatrix een extra staatkundig gewicht heeft willen

geven, hetgeen men nu juist niet zou moeten doen.

Al deze feiten maken het begrijpelijk, dat er zoveel oppositie

is ontstaan; zij is ontstaan door de overhaasting, begeleid door

propaganda-offensieven, die volstrekt verwerpelijk zijn.

In deze zaak hebben wij geen onverschillige houding aangenomen.

Steeds weer, vanaf de allereerste dag tot gisteren toe,

hebben wij tegen deze methodes gewaarschuwd. Wij hebben de

suggestie ter discussie gesteld om prinses Margriet als eerste

troonopvolgster in aanmerking te laten komen, omdat naar het

zich nu laat aanzien de risico's, waarover ik zojuist sprak, in

dat geval geringer zouden zijn. Wij hebben niets vernomen van

enige oppositie tegen een eventuele toestemmingswet voor het

huwelijk van die prinses.

Onze conclusie is: er zijn niet voldoende garanties, dat dit goed

uitpakt; er zijn geen garanties, dat door de wijze waarop deze

kwestie is behandeld de constitutionele monarchie niet een

strijdvraag zal worden, met alle gevolgen vandien.

De communistische fractie heeft in het verleden - voor de

oorlog - de toestemmingswet voor het huwelijk tussen prinses

564 Juliana en prins Bernhard goedgekeurd; zij heeft ook deelge-


nomen aan de inhuldiging van koningin Juliana. Onder de

huidige omstandigheden liggen de zaken echter zo, dat onze

fractie heeft besloten, dat zij geen medeverantwoordelijkheid

kan dragen. Bij normale wetsontwerpen geeft dat een vrij eenvoudige

positie. In zo'n geval kan men tegenstemmen en daardoor

de wens en het voornemen tot uitdrukking brengen de

actie buiten en in het parlement voort te zetten, om te bereiken

dat de genomen beslissingen worden veranderd. In dit geval is

er sprake van een onherroepelijk besluit, waarop niet kan worden

teruggekomen; het is geen normale wet, het is een voldongen

feit.

Met het oog op die situatie zal onZie fractie niet aan de stemming

deelnemen.

565


Partijdocument:

OPEN BRIEF aan de

aanhangers van de PSP

V el en van U zullen zich de laatste tijd met bezorgdheid afgevraagd

hebben: waarheen gaat de PSP?

En daar is thans te meer reden voor nu de PSP de bekende

kwestie-V on Amsberg heeft aan~egrepen voor een grootscheepse

"principiële" actie tegen de monarchie en voor de republiek in

Nederland.

De kwestie-V on Amsberg is in versahiliende opzichten een ernstige

aangelegenheid en zij heeft terecht onder onze bevolking

grote verontrusting gewekt.

Ook de CPN heeft deze verontrusting tot uiting gebracht en zij

deed dit niet alleen met het oog op het Duitse verleden, doch

vooral in verband met het heden en de toekomst!

De CPN beoordeelt deze kwestie in het licht van de allesoverheersende

dreiging van een versterking van de internationale

positie van de heersende kringen in West-Duitsland, die op een

revanche-oorlog belust zijn en die atoomwapens voor de Bondsrepubliek

opeisen in de vorm van de MLF.

Elke nauwere binding van Ned,erland aan dit West-Duitsland

is daarom ongewenst en dit is het juist dat voor zovelen, bewust

of instinctief, de heer V on Amsberg als toekomstig echtgenoot

van een koningin ongewenst maakt.

Wanneer men deze gerechtvaardigde bezwaren en bedenkingen

echter in de baan van een "principiële" strij


ging om de monarchie voor reactionaire binnenlandse of buitenlandse

doeleinden te misbruiken.

Maar wat doet de PSP?

Zij speelt het spel van de reactie mee.

Waar de rechtsen een beroep doen op primitieve instincten uit

het verleden onder de leuze "Oranje boven, weg met de socialen",

daar appelleert de PSP-leiding aan de oude, overleefde

anarchistische opvattingen, die in de georganiseerde arbeidersbeweging

geen rol meer spelen.

Hoezeer de rech~erzijde dez.e PSP-houding gelegen komt bleek

overduidelijk uit de ,,grote waavdering" van KVP-minister

Cals voor het optreden van Lankhorst in de Tweede Kamer,

terwijl diezelfde minister ziin heftigste aanvallen tegen de CPN

richtte.

Honderdduizenden televisiekijkers hebben dit tijdens het debat

over de goedkeuringswet met eigen ogen kunnen zien.

Wat kan de reden voor dit PSP-optreden zijn?

Bij de Rijnmondraadverkiezingen in juni leed de PSP een aanzienlijk

stemmenverlies, in het bijzonder in Rotterdam. Dit was

~een donderslag bij heldere hemel, want reeds bij eerder gehouden

Kamerverkiezingen trad een voor de PSP ernstige stagnatie

op.

Wie de balans opmaakt, kan alleen maar constateren dat de

PSP er niet in geslaagd is om een we11kelijke partij op te bouwen

en dat zij geen invloed heeft verworven onder de Nederlandse

arbeiders. Gezien de houding van de PSP-leiding, die de

loonstrijd van de arbeiders negeert en z.elfs optreedt tegen de

noodzakelijke eenheid van vakbeweging, is dit niet verwonderlijk.

Hoewel de PSP reeds een aantal jaren bestaat, is zij nog niet

in staat gebleken met een eigen beginselprogram voor de dag te

komen. Dit alles roept een sfeer van ,.malaise" op in en rond

de PSP.

Terecht is op het jongste congres van de PSP door verschillende

aanwezigen scherpe critiek geoefend op Lankhorst, Slotemaker

de Bruïne, Van der Spek en andere leden van de PSP-leiding

en -Kamerfractie. Hun optreden werd door deze PSP-leden gekarakteriseel'd

als "flauw", "slap" en "ongevaarlijk voor de

reactie". En zij trokken een vevgelijking met het optreden van

de CPN, die door hen ten voorbeeld werd gesteld!

Het zijn alles verschijnselen, die het overdenken waard zijn,

juist nu! Vele kiezers immers, hadden bij het begin van het optreden

van de PSP onder de leuze "Socialisme zonder atoombom"

verwacht, dat de PSP een rol zou kunnen spelen in de

strijd tegen de atoomoorlog. Nu krijgen zij te horen dat er niets

zo belangrijk is als de strijd voor de republiek! En dat nog wel

van de kant van een partij, die zelf de "Koninklijke Goedkeuring"

van de regering heeft gevraagd en gekregen ...

Wij wiLlen nogmaals ~erhalen wat naar onze mening het hoofd- 567


gevaar van deze tijd is: de dreigende atoombewapening van

West-Duitsland en de toenemende Westduitse penetratie in het

politieke en openhare leven van ons land.

Steeds meer Nederlanders, van uiteenlopende politieke en godsdienstige

richtingen, beginnen dit in te zien. AUeen wanneer zij

de handen ineen slaan, kan met succes aan dit gevaar het hoofd

worden geboden.

Juist wanneer men dat beseft, is het nodig oude vooroordelen

op te ruimen en te voorkomen dat nieuwe scheidsmuren worden

opgetrokken. Het gaat niet om "voor of tegen de monaDchie"

maar om "voor of tegen het gevaar van het Duitse revanchisme".

Alles wat daarvan de aandacht afleidt is v,erwerpelijk.

Daarom roepen wij de aanhangers van de PSP op zich niet te

laten verleiden tot avonturen, die verdeeldheid zaaien onder de

vredelievende mensen en die de reactie nieuwe kansen geven.

Verwerpt een dergelijke funeste politiek en strijdt samen met

ons, communisten, voor eenheid van allen die gemeenschappelijk

willen opkomen voor de vrede en tegen een Westduitse

atoombewapening I

(De Waarheid, 19 november 1965).

De Communistische Partij van Nederland.

568


Inhoudsopgave Politiek en Cultuur 1965

Nederland

nr. pag.

-- De toestand in de Nederlandse landbouw Frans Aarts 3 116

-Het platteland in beweging Frans Aarts 7-8 303

De Kabinetscrisis Marcus Bakker 3 97

De onvoltooide overwinning Marcus Bakker 5 201

Olie en democratie Marcus Bakker 7-8 295

De CPN en de regeringspolitiek Marcus Bakker 11 473

De toestand in de Nederlandse bioscoopwereld M. v.d. Berg 11 485

Loonpolitiek op de helling H. Clerx en A. van Turnhout 9 387

De crisis in de NAVO en de MLF Paul de Groot 1 1

Investeringsloon of loonsverhoging Wessel Hartog 2 55

Jeugdproblemen en politiek Henk Hoekstra 2 49

De bijéenkomst in Brussel Henk Hoekstra 7-8 289

Zelfbediening-snelle vlucht van nieuw winkeltype Bram Hoeksema 7-8 310

Buitenlandse arbeiders in Nederland Tjalle Jager 4 154

Ondernemingsrecht en arbeidersbelang

Over het rapport van de Commissie-Verdam Freek Meis 4 145

De arbeidsongeschiktheidswet C. de Rover 9 397

De Waarheid vijfentwintig jaar W. van het Schip 9 377

Huren en huizen W. van het Schip 12 521

Democratie en gemeentefinanciën Harry Verheij 10

De geschiedenis van een moord Theun de Vries 6 241

Aan de wieg van het moderne Nederland Theun de Vries 12 531

Het gevaar van een Europese Politieke Unie Jaap Wolf! 3 107

Het spoor gevolgd ]~op Wolf! 5 193

Het standpunt van de CPN over de Goedkeuringswet 12 561

Culturele, historische en theoretische vraagstukken

Technische vooruitgang en arbeide~sklasse André Barjonet 10 458

Marxisme en cultuur Roger Garaudy 5 215

De cybernetische revolutie Hyman Lumer 12 54~,

Verkenningen in de toekomst

De wereld van overmorgen in de literatuur I. de Mol! 2 59

Arnold Schönberg: noodlot en bestemming van een

groot componist Care/ Porcelijn 9 412

Ballade van Birmingham Dudley Randall 7-8 367

Mens en geschiedenis - het probleem

van de vrijheid Prof. dr Adam Schaf! 7-8 340

De onvoorwaardelijke capitulatie

De laatste bladzijden uit een oorlogsdagboek Konstantin Simonov 5 211

De toekomst van het toneel Harry Verheij 10 452

Milier en de gewetensschuld Theun de Vries 3 125

Dante, middeleeuwer aan de drempel van een

nieuwe tijd I Theun de Vries 4 180


.

Dante; middeleeuwer aan de drempel van een

nieuwe tijd II . ·

De geschiedenis van een moord

Chris van Voor§t en de figuratieve schilderkunst

De mens tegen vernietiging

Aan de wieg van het moderne Nederland

Toneelnotitie: Incident in Vichy

Communisten en sociaal-democraten

Tien punten voor het werk van een auteur

in de verdeelde 'wereld

Marx en het kolonialisme

Industriële maatschappij, groeifasen en marxisme

Theun de Vries

Theun de Vries

Theun de Vries

Theun de Vries

Theun de Vries

Theun de Vries

A. Weber

Peter Weiss

jack Waddis

jaap Wolf!

Een discussie· over de vorming van een

.eenheidspartij der arbeidersklasse "Kommunist" 1965, nr. 1

5

6

7-8

10

12

5

3

nr. pag ..

12

6

10

2

277

241

335

442

531

237

131

555

272

434

71

Internationale vraagstukken

Vooruitzichten van de economische ontwikkeling

der Comecon-landen

A. Alexejew en L. lwanowa

De taktiek van het imperialisme in de klassenstrijd j. Arbatow

Neen tegen de apartheid

Annie Averink

Het Tweede Vaticaanse Concilie

L. Bramer

Aan de andere kant van de kleurgrens

Scheepers Fourie

De crisis in de NAVO en de MLF

Paul de Groot

De bijeenkomst in Brussel

Henk Hoekstra

De Griekse crisis

Ilias Iliou

Het gevaar van de Westduitse kernbewapening

G. Maas

Aan de zijde van het Spaanse volk

Max Meijer .

De strategie van de volksoorlog in Zuid-Vietnam Dang Quang Minh

De Amerikaanse vakbonden staan voor moeilijke

problemen

George Morris

Het Westduitse imperialisme en de EEG Dr. K. H. Schwank

Antisemitisme in Oostenrijk

Leopold Spira

Dollar, pond en goud

jaap Wolf!

Het gevaar van een Europese Politieke Unie

jaap Wolff

Het Wereldvre


Een nieuwe dimensie in het politieke denken?

(William J. Thorbecke: A new dimensron in politica! thinking.

' Uitg. A. W. Sijthoff, Leiden en Oceana Publications,

New York.)

]. op 't Ende

Ráanchisme en raketten.

(Jerzy Kowalewski: Revanchisme en raketten.

West-Duitslands streven naar atoombewapening.

Uitg. Pegasus.)

G. Maas

Tekeningen en· gedichten uit de gevangenis.

(Agostin Ibarrola; Tekeningen.uit de gevangenis van Burgos,

met gedichten van Marcos Ana en Vidal de Nicolas.

Uitg. Van Ditmar.)

Max Meijer

Herinneringen aan Gorter.

(]enne Clinge Doorenbos: Wisselend Getij.

Uitg. Polak en Van Gennep.)

joop Morriën

In rok tussen de Bruinhemden.

(Wolfgang zu Putlitz: In rok tussen de Bruinhemden.

Uitg. Bert Bakker- Daamen.)

G. van Praag

Herman Gorter gedocumenteerd.

(Herman Gorter, Documentatie over de jaren 1864 tot en met 1897.

Samengesteld door drs Enno Endt.

Uitg. Polak en Van Gennep.) C. P.

Marius Bauer en het Kroniek-debat.

(Marius Bauer, Brieven en schetsen van zijn reizen naar Moscou en

Constantinopel. Uitg. Wereldbibliotheek.) C. P.

Twee oorlogsromans.

(G. Baklanow: Een voetbreed aarde. Uitg. West-Friesland,

]. Bondarew: De kanonnen van kapitein Nowikow,

Uitg. Pegasus.)

Fr. Schoonenberg

De geschiedenis van een moord.

(Prof. dr ]. Presser: Ondergang. De vervolging en verdelging van

het NederlandseJodendom 1940-1945.

Staatsuitgeverij/Martirrus Nijhoff.)

Theun de Vries

Economische groei in ontwikkelingslanden.

(Maurice Dobb: Economie Growth and Underdeveloped Countries.

Uitg. Lawrence and Wishart, London.)

jaap Wolf/

De jeugd van Sartre.

(Jean Paul Sartre: De Woorden.

Vertaald door P. H. Dubois. Uitg. Bijleveld.) jaap Wolf/

De Negerbeweging in de Verenigde Staten.

(William Brink en Louis Harris: De rassenstrijd in Amerika.

Uitg. J. H. de Bussy.

John Howard Griffin: Zwart als ik.

Uitg. Wereldbibliotheek.

Ik ben de nieuwe neger. Samengesteld door Rosey E. Pool.

Uitg. Bert Bakker/Daamen. ·

Harlem USA, verzameld door en met inleiding van John Henrik

Clarke. Uitg. Seven Seas Publishers, Berlijn.) jaap Wolf!

nr.'

11

11

2

2

3

7-8

2

6

5

7-8

pag.

511

514

44

92

95

137

354

89

241

45

238

361

Partijdocumenten

Communiqué over zitting van het partijbestuur.

500 nieuwe leden winnen tot 1 mei

Oproep tot manifestatie voor hoger loon en prijzenstop

Communiqué over de kabinetscrisis

Partijbestuur besprak kabinetscrisis

2

3

3

3

96

141

142

14>


'

Partijb~stuur feliciteert CPSU

Telegram 'aan Roemeense arbeiderspartij

Reactie van het dagelijks bestuur van de CPN op het

omroepplan van Cals

Resoluties van het partijpestuur van de CPN:

Over de op 1 maart j.L te Moscou gehouden conferentie van

19 communistische en arbeiderspartijen .

Betreffende een conferentie van 17 communistische partijen

uit de kapitalistische landen van Europa

CPN begroet 45-jarig bestaan van de PKI

Verklaring dagelijks bestuur van de CPN

Communiqué van de bijeenkomst van communistische partijen

van de kapitalistische landen in Eurooa

Oproep tot solidariteit met het volk van Vietnam

Boodschap aan het volk van de Dominicaanse Republiek

Groet aan het volk van Cyprus

Oproep van het dagelijks bestuur van de CPN:

Maak een einde aan de prijsstijgingen

Gelukwens van de CPN aan de PKI

Telegram naar aanleiding van het overlijden van W. Galllacher

Samen tegen de monopolies

Communiqué van het partijbestuur der CPN

Open brief aan de aanhangers van de PSP

nr.

4

4

4

6

6

6

7-8

7-S

7-8

7-8

7-8

9

9

9

11

11

12

pag.

191

191

191

285

287

288

368

369

'FJ

375

376

423

424

424

518

520

566


Verkrijgbaar bij:

Braunbuch

Kriegs- und. Naziverbrecher in der Bundesrepublik

Velen, die door hun leidende werkzaamheden biïde voorbereiding en

doorvoering van nazimisdaden een zware schuld dragen, bekleden nu

weer hoge posten in West-Duitsland.

Dit bruinboek geeft over deze ministers, generaals, rechters,

diplomaten en hoge politiefunctionarissen de feiten: wat zij waren

en wat zij zijn!

Met vele fotokopieën geïllustreerd. 445 blz. Duitse taal. Geb. I 5,25.

Vladimir llyich Lenin

Een uitgebreid werk over Lenin, waarin naast directe biografische

gegevens ook Lenin's belangrijkste gedachten en werken worden

weergegeven. Gebruik is gemaakt van herinneringen van tijdgenoten en

van archiefmateriaal.

Geïllustreerd. 590 blz. Engelse taal. Geb. I 6,90.

Roger Garaudy Gott ist tot

Een studie over Hegel

Een levendig en historisch juist beeld van de filosofie van de Duitse

geleerde Hegel.

480 blz. Geb. I 21,55.

Georg W. F. Hegel

Aesthetik

Een volledige uitgave van Hegel's beroemde voordrachten.

2 delen, 1256 blz. Geb. compleet I 25,85.

Geschichte der klassischen russischen Literatur

Een standaardwerk over de Russische literatuur tussen 1790 en 1905.

In 4 overzichten en 45 monografieën worden meer dan tachtig

schrijvers en dichters behandeld.

Met 162 illustraties, uitvoerig register en bibliografie. 1012 blz.

Geb. I 23,50.

BOEKHANDEL PEGASUS

Leidsastraat 25 - Amsterdam

Hoogstraat 143 - Rotterdam


DE AEOACTII:.-ADMIN\iTAATIE:

TE\.Ef, &3871

RUKSGIRO~l1'4. GEMEENTEGIAOT~

Groote overwinning der Communisten

Ilondcrdachttienduizen~~ll8222)

......

-a:

w

>

w

C)

1-;:)

More magazines by this user
Similar magazines