19.12.2013 Views

Baumgarten: rationalisme

Baumgarten: rationalisme

Baumgarten: rationalisme

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

I<br />

Een rationalistische benadering<br />

1 Een rationalistische benadering van kennis<br />

1.1 Inleiding<br />

In een meer strikte zin opgevat is het <strong>rationalisme</strong> een filosofische<br />

stroming in de 17de en 18de eeuw die als belangrijkste vertegenwoordigers<br />

Descartes, Spinoza en Leibniz heeft. Ondanks belangrijke<br />

onderlinge verschillen tussen deze filosofen, zou men kunnen zeggen<br />

dat hun theorieën overeenkomen voor wat betreft de volgende<br />

drie aannames: 1. de opvatting dat het mogelijk is om door-redeneren-alleen<br />

(d.w.z. a priori, zonder zich te moeten beperken tot zintuiglijke<br />

ervaringen van de werkelijkheid) wezenlijke kennis te verkrijgen<br />

van de aard van dat wat bestaat; 2. de opvatting dat kennis<br />

een systeem vormt dat deductieve trekken vertoont; en 3. de opvatting<br />

dat alle kennis uiteindelijk bij dit ene systeem ondergebracht<br />

kan worden. In deze aannames onderscheidt de rationalistische benadering<br />

zich van de empiristische die in hoofdstuk 2 besproken zal<br />

worden: in beide denkrichtingen is men het er weliswaar over eens<br />

dat we algemene regels en universele uitspraken niet zonder meer<br />

uit zintuiglijke waarneming kunnen afleiden, maar de rationalisten<br />

stellen dat dergelijke regels en uitspraken geldig zijn omdat ze de<br />

werkelijkheid zelf ook 'bestieren', terwijl de empiristen (m.n. Hume)<br />

claimen dat de associaties met behulp waarvan we dergelijke regels<br />

tot stand brengen geen garantie vormen voor het bestaan van de eraan<br />

beantwoordende verbanden in de werkelijkheid. Ter illustratie<br />

van de rationalistische opvattingen over kennis zal ik in § 1 enkele<br />

hoofdlijnen van het denken van Leibniz weergeven. En dit zal tevens<br />

als inleiding op de esthetica van <strong>Baumgarten</strong> dienst doen, aangezien<br />

deze vooral hierop teruggrijpt (weliswaar via het denken van Leibniz'<br />

filosofische opvolger, Wolff).<br />

© Rob van Gerwen


Kennis in schoonheid<br />

Voorafgaand hieraan moet evenwel worden opgemerkt dat het<br />

uitermate moeilijk is vat te krijgen op dit denken van Leibniz. Hij<br />

schreef over uitzonderlijk veel onderwerpen, en dat ook nog op een<br />

zeer diepgaand niveau. En de paar afgeronde 'boeken' die hij geschreven<br />

heeft, de Essais de Théodicée uit 1710, enkele filosofische<br />

artikelen (waaronder het Discours de Métaphysique uit 1686 en de<br />

Monadologie uit 1714), en de posthuum in 1765 verschenen Nouveaux<br />

Essais sur l'Entendement Humaine, bevatten doorgaans niet<br />

eens de scherpte waartoe hij in staat was. 1 Zijn beste werk vinden<br />

we in de vele schetsen en brieven waarin hij zijn opvattingen met<br />

vakgenoten besprak.<br />

1.2 Substanties en de waarneming<br />

1.2.1 Monaden: een relationele ontologie<br />

Of je nu beweert dat Leibniz' metafysica, zijn monadenleer, op zijn<br />

epistemologie berust, of direct op zijn fysica, beide opvattingen<br />

onderstrepen slechts het belang van die metafysica voor een goed<br />

begrip van zijn opvattingen over kennis. 2 Daarenboven is het verband<br />

tussen zijn metafysische en epistemologische principes zo<br />

hecht, dat ze moeilijk uit elkaar te houden zijn. Leibniz gaat deductief<br />

te werk. Hij neemt slechts twee principes aan als basis van alle<br />

andere waarheden. Deze twee principes zijn het principe van niettegenspraak<br />

en dat van voldoende reden. (LG, II, 62).<br />

Volgens Leibniz bestaat de werkelijkheid uitsluitend uit individuele<br />

substanties, de monaden. Dit zijn geen uitgebreide objecten,<br />

maar immateriële, ondeelbare entiteiten, te begrijpen naar analogie<br />

met ons begrip 'ziel', of 'geest'. Ze worden gekenmerkt door een principe<br />

van activiteit: ze percipiëren (weerspiegelen) alle toestanden<br />

van alle andere monaden en deze perceptie is een vorm van expressie.<br />

Je zou dit metaforisch met een spiegel kunnen vergelijken: die<br />

ontvangt (percipieert) het beeld dat hij vervolgens ook weer uitdrukt<br />

(expressie). Substanties zijn daarom in hun toestanden afgestemd op<br />

elkaar. God – zelf ook een monade – heeft de huidige werkelijkheid<br />

geschapen omdat hij hem – op grond van een afweging van alle mogelijkheden<br />

– de beste van alle mogelijke werelden achtte: in de huidige<br />

afstemming van de individuele monaden op elkaar is het<br />

grootst mogelijke goede verwezenlijkt. Welnu, hun eigenschappen en<br />

16


Een rationalistische benadering<br />

toestanden hebben de monaden in potentie reeds vanaf de schepping.<br />

Op grond dáárvan heeft God nl. de afweging tussen alle mogelijke<br />

werelden kunnen maken. En weliswaar bevindt ook God zich in<br />

een of andere toestand, maar dan wel buiten de temporele orde (hij<br />

is immers oneindig, ook m.b.t. de tijd).<br />

Met deze opvatting verzet Leibniz zich tegen iedere vorm van<br />

essentialisme, het idee dat sommige eigenschappen essentiëler zijn<br />

voor een bepaald individu dan andere. 3 'Socrates' bestaat niet onafhankelijk<br />

van zijn 'wijsheid', Eva niet los van Adam, enz. Volgens<br />

Leibniz zijn alle eigenschappen van individuen even belangrijk, en<br />

aangezien ze niet allemaal bijkomstig kunnen zijn, moeten ze wel<br />

even essentieel zijn.<br />

Leibniz definieert substantie ook wel in logische termen als datgene<br />

wat in onze proposities alleen subject (onderwerp) kan zijn, en<br />

waarvan weliswaar eigenschappen worden geprediceerd, maar wat<br />

zelf nooit predikaat kan zijn. Volgens Leibniz is – zoals we nog<br />

zullen zien – in iedere ware propositie het predikaat eigenlijk al in<br />

het subject vervat en gebruiken we een propositie alleen maar om<br />

dat expliciet uit te drukken. Dat betekent uiteindelijk dat alles wat<br />

er ooit van een bepaald subject geprediceerd kan worden, uit het<br />

concept van dit subject afgeleid kan worden. Een individuele substantie<br />

is dan datgene wat onder een volledig concept valt. Zo'n concept<br />

ís volledig, wanneer het alle eigenschappen bevat van hetgeen<br />

eronder valt, maar dan ook alleen in dat geval. (Zie verder § 1.2.1).<br />

De eigenschappen van monaden zijn strikt individueel; Socrates en<br />

Plato zijn bij voorbeeld allebei wijs, maar de wijsheid van Socrates is<br />

niet gelijk aan die van Plato. Zij hebben eigenlijk niets gemeen.<br />

Maar 'wijsheid' toch wel? Volgens Leibniz beantwoordt er niets aan<br />

deze abstractie 'wijsheid' (noch aan enige andere): dergelijke universalia<br />

bestaan niet.<br />

In Leibniz' metafysica bestaat er een gespannen verhouding tussen<br />

realisme en nominalisme m.b.t. de bestaanswijze van universalia.<br />

4 Enerzijds bestaan eigenschappen (van monaden) bij de gratie<br />

van de volledige individuele begrippen in God, d.w.z. bij de gratie<br />

van de totaliteit, aangezien iedere monade daar een afspiegeling van<br />

is; anderzijds zal de mens om achter die begrippen te komen, moeten<br />

proberen ze te deduceren van de verschijnselen zoals die zich aan<br />

ons voordoen; hierbij volstaan ter herkenning van objecten nominalistische<br />

definities. Eenzelfde term (bij voorbeeld 'wijsheid') op verschillende<br />

individuen toepassen is feitelijk onmogelijk: je gebruikt<br />

hem dan nl. op verschillende manieren, aangezien de waarheid van<br />

17


Kennis in schoonheid<br />

zo'n toepassing afhangt van het precieze perspectief van waaruit de<br />

betreffende entiteit de totaliteit weerspiegelt.<br />

Belangrijker dan de vraag naar een ontologie van universele<br />

eigenschappen is de vraag naar de toepasbaarheid van onze wetenschappelijke<br />

kennis op de concrete dingen. (LG, IV, 434). Onze definities<br />

hebben nl. slechts betrekking op de mogelijkheid van dingen.<br />

(LG, V, 272. Vgl. ook VI, 608.) Voor het werkelijke bestaan van de<br />

dingen is nl. iets anders nodig dan begrip van hun essenties alleen.<br />

En het is o.a. onze ervaring die ons a posteriori van de werkelijkheid<br />

van een ding overtuigt. Evenals sommige nominalisten beschouwt<br />

Leibniz het toevoegen van tekens aan de dingen als willekeurig. 5<br />

Maar toch hebben volgens hem de tekens een niet-willekeurige verhouding<br />

tot de dingen – proportio – en zijn tekens die dezelfde dingen<br />

betekenen onderling niet-willekeurig verbonden – relatio. Waarheid<br />

is volgens Leibniz een proportie van relaties, nl. van de relaties<br />

tussen dingen en die tussen tekens. In deze relationele ontologie zijn<br />

dingen wat ze zijn door hun relatie met de rest. Geen enkel ding is<br />

in zichzelf besloten los van de toestand van de rest van de wereld;<br />

geen enkel ding blijft constant in mogelijke werelden die zich op de<br />

een of andere manier van de huidige onderscheiden. 6<br />

Uit het gegeven dat er alleen niet-uitgebreide, spirituele entiteiten<br />

(want dat is het wat monaden zijn) bestaan, mag je niet afleiden<br />

dat de dingen zoals wij ze om ons heen zien, met hun grootte en afmetingen,<br />

illusoir zijn, maar wel dat het slechts fenomenen zijn.<br />

Objecten zijn verschijnselen, die hun fundament hebben in aggregaten<br />

van monaden. Deze verschijnselen ontlenen hun karakteristiciteit<br />

aan het gegeven dat hun 'onderliggende' aggregaat van monaden<br />

door een specifieke monade gedomineerd wordt. Zo'n dominante<br />

monade drukt op een specifieke manier de andere monaden in het<br />

funderende aggregaat uit en is zo een soort centrale spiegel van de<br />

percepties van de andere monaden van het aggregaat. Ook planten,<br />

die geen ziel hebben bezitten niettemin een identiteit, ingegeven<br />

door zo'n dominante monade. (LG, V, 215). Leibniz gebruikt de term<br />

'ziel' voor dieren, d.w.z. voor monaden waarvan de percepties<br />

relatief 'onderscheiden' zijn en gepaard gaan met geheugen. Niet<br />

alleen herinneren we ons – minstens op een onuitgesproken manier<br />

– alle gedachten die we ooit gehad hebben, maar we hebben ook een<br />

voorgevoel van onze toekomstige gedachten. (LG, V, 16). 'Associaties'<br />

en 'herinneringen' zijn de termen waarmee we de<br />

gewaarwordingen van de onderliggende afgestemdheid van onze<br />

gedachten uitdrukken. Alleen wij mensen kunnen die afgestemdheid<br />

18


Een rationalistische benadering<br />

expliciteren. Voor de meeste mensen is bij voorbeeld de aanname dat<br />

morgen de zon zal opkomen, het (inductieve) resultaat van ervaringen<br />

uit het verleden. Voor de astronoom is dezelfde verwachting<br />

echter op redenering gebaseerd; en dit is het wat de mens van het<br />

dier onderscheidt. Menselijke zielen, die dan ook tot redeneren en<br />

wetenschap in staat zijn, heten 'geest'.<br />

1.2.2 Percepties en de waarneming van objecten<br />

Leibniz stelt dat iedere monade altijd alle andere monaden percipieert<br />

en uitdrukt, en dat geldt ook voor de geesten van mensen: ook<br />

die percipiëren alles in het universum. Het meeste hiervan gebeurt<br />

evenwel onbewust. Leibniz noemt onze bewuste waarneming, d.w.z.<br />

ons reflexieve bewustzijn van voorbije gewaarwordingen van percepties:<br />

apperceptie (LG, V, 222 en VI, 600). Zelfs deze apperceptie is<br />

evenwel min of meer verward; ook de meest heldere en onderscheiden<br />

appercepties geven nl. alleen maar de structuur van objecten<br />

weer en geen werkelijke (monadische) kwaliteiten. We moeten dus<br />

onderscheiden tussen percepties en appercepties. Percepties betreffen<br />

de toestanden van monaden; appercepties (wat wij normaal als<br />

waarnemingen beschouwen) betreffen de manier waarop aggregaten<br />

van monaden zich aan ons voordoen. Onze apperceptie laat zich wel<br />

uit de onbewuste monadische percepties verklaren: het is nl. alleen<br />

omdat onze 'oppermonade' (onze geest) de toestanden percipieert<br />

van het aggregaat van monaden dat hij domineert en deze op hun<br />

beurt de toestanden van alle andere monaden percipiëren en uitdrukken,<br />

dat wij er in onze bewuste apperceptie aanspraak op kunnen<br />

maken bepaalde uitgebreide lichamen waar te nemen. Perceptie'<br />

is dus geen onderdeel van onze kennis. En apperceptie is slechts<br />

een meer of minder gelegitimeerde 'samenvattende' uitdrukking van<br />

de overigens onbewuste en ontoegankelijke mentale toestanden en<br />

disposities. Als we een object waarnemen, worden we ons eigenlijk<br />

op een verwarde manier een aggregaat van monaden gewaar: we<br />

zien immers niet rechtstreeks de monaden die het aggregaat uitmaken.<br />

Leibniz geeft het voorbeeld van de waarneming van het geluid<br />

van de zee: opgebouwd uit kleine percepties van monaden op onbewust<br />

niveau, de kleine geluidjes van de individuele golfjes, horen we<br />

'bewust' alleen de verzameling daarvan op een verwarde manier.<br />

(LG, V, 16. Vgl. ook VI, 534).<br />

19


Kennis in schoonheid<br />

Gewaarwordingen moeten in het bewustzijn of de apperceptie opgemerkt,<br />

herkend worden, en zoiets gebeurt dankzij het geheugen.<br />

In iedere geest zijn er oneindig veel percepties aanwezig die allemaal<br />

aspecten van het universum uitdrukken, maar een bewustzijn<br />

is zich maar van een gedeelte hiervan bewust, en wel alleen van die<br />

percepties die zich van de rest onderscheiden en zo onze aandacht<br />

afdwingen. 7 Hoe meer bewustzijn er met een gewaarwording<br />

gepaard gaat, des te minder verward en meer onderscheiden is ze. 8<br />

Zo kun je het geruis van de zee onderscheiden en waarnemen wanneer<br />

je het vergelijkt met een kanonschot, maar dat geldt daarom<br />

nog niet voor de kleine percepties die er deel van uitmaken. Zo'n<br />

relatief 'onderscheiden' waarneming is dus nog steeds verward<br />

m.b.t. de kleine percepties, die te on-onderscheiden of te zwak zijn<br />

om de aandacht op te eisen, waarop ze is gefundeerd. De opvatting<br />

van Leibniz dat zintuiglijke gewaarwording slechts verwarde kennis<br />

is, speelt een belangrijke rol in de verdere ontwikkeling van de<br />

Wolffiaanse school, en zal ook in <strong>Baumgarten</strong>s esthetica centraal<br />

staan (zie verder § 2). 9<br />

1.2.3 De causaliteiten van percepties en objecten<br />

Hoewel iedere monade alle andere weerspiegelt, bestaat er geen<br />

causale wisselwerking tussen hen: ze zijn vensterloos. (LG, IV,<br />

451). Om te verklaren hoe ze dan toch elkaar kunnen weerspiegelen,<br />

postuleert Leibniz een vooraf door God ingestelde harmonie ('harmonie<br />

préétablie') tussen de monaden, volgens welke iedere monade<br />

zich kenmerkt door zijn plaats in het geheel en als zodanig op al het<br />

overige afgestemd is. Toekomstige toestanden van de monaden volgen<br />

uit hun eigen toestanden in het verleden. 10 Substanties worden<br />

immers gekenmerkt door een principe van activiteit: 'perceptie' en<br />

'expressie'. Deze slaan evenwel niet op enige externe interactie,<br />

maar op hun interne ontwikkeling, ingegeven door de 'harmonie préétablie'.<br />

11 Leibniz' argument van deze vooraf ingestelde harmonie is<br />

dan ook bedoeld als een verklaring voor de relationele samenhang<br />

van monaden, niet als vervanging voor een causale verklaring van<br />

concrete percepties, want concrete percepties moeten wel degelijk<br />

concrete oorzaken hebben in de immanente keten die hun ontwikkeling<br />

uitmaakt. Volgens Leibniz kan weliswaar de ene voorstelling de<br />

andere veroorzaken of voortbrengen, maar dit is geen 'gewone' causaliteit.<br />

Zielen handelen volgens de intrinsieke principes van hun<br />

20


Een rationalistische benadering<br />

ontplooiing. (LG, VI, 620). De activiteiten van de ziel zijn spontaan<br />

in de zin van 'intern bepaald', terwijl die van lichamen extern<br />

bepaald zijn door hun onderlinge mechanische interactie. Ondanks<br />

dit verschil komen 'inwendige' en 'gewone' causaliteit in één aspect<br />

overeen: beide behelzen een relatie tussen entiteiten middels een of<br />

andere wetmatigheid. (LG, II, 112). Alleen m.b.t. lichamen worden<br />

veranderingen mechanisch uitgelegd, in termen van massa's die<br />

causale invloed op elkaar uitoefenen. Wanneer je ze zo abstraheert<br />

van de monaden (die er het eigenlijke subject van uitmaken), breng<br />

je de krachten die hier werken in verband met uitgebreidheid,<br />

oppervlaktes, lijnen en punten, waardoor ze berekenbaar worden<br />

voor de zintuigen en de natuurwetenschappen. 12 De inwendige<br />

krachten van monaden vormen evenwel geen voorwerp voor de<br />

natuur-wetenschappen, maar voor de metafysica, omdat ze onzichtbaar<br />

zijn en zich niet in de berekenbare ruimte van de objecten<br />

bevinden. Metafysische en wetenschappelijke opvattingen van<br />

krachten moeten dus streng worden onderscheiden.<br />

Naast de 'objectieve beweging', die het voorwerp der natuurwetenschappen<br />

is, bestaan er als voorwerp van de metafysica 'primitieve'<br />

en 'afgeleide' krachten. Primitieve kracht is permanent en tijdloos,<br />

te identificeren met substantie. De afgeleide kracht slaat op een<br />

monadische toestand voor zover ze de tendens naar een volgende<br />

inhoudt. (LG, V, 200). Primitieve kracht is het principe van de opeenvolging<br />

waarmee een individu gekarakteriseerd kan worden, terwijl<br />

afgeleide kracht een bepaalde opeenvolging benoemt. In onze<br />

ziel vinden we deze afgeleide kracht terug in onze strevingen. 'Expressies',<br />

'percepties' en 'strevingen' zijn drie termen waarmee we<br />

naar dezelfde modificaties van de ziel referen maar dan vanuit verschillende<br />

gezichtshoeken. 13 Iedere concrete toestand is de expressie<br />

van vele andere en als zodanig de perceptie daarvan; en evenzeer is<br />

iedere concrete toestand een tendens naar een volgende toestand en<br />

als zodanig een streving.<br />

1.3 Kennis<br />

1.3.1 Volledige individuele concepten<br />

Onze kennis is analoog aan de principes van de werkelijkheid opgebouwd.<br />

Zoals een monade altijd in potentie al zijn eigenschappen<br />

21


Kennis in schoonheid<br />

bevat, zo is in iedere ware affirmatieve propositie het predikaat in<br />

het subject vervat. (LG, II, 37). Als 'Caesar trok de Rubicon over'<br />

waar is, betekent dit dat 'de Rubicon overtrekken' in 'Caesar' vervat<br />

is. Dit is het gevolg van Leibniz' predikaat-in-subject principe, dat<br />

ten eerste inhoudt dat er voor ieder individu een volledige verzameling<br />

van feiten bestaat waarmee de hele geschiedenis van dat individu<br />

beschreven wordt. Ten tweede houdt dit principe in dat ieder feit<br />

hoewel het met een specifiek tijdstip verbonden is, niettemin op een<br />

tijdloze manier bestaat, nl. als een onderdeel van een relationele<br />

samenhang van alle monaden in alle tijden. 14 Dit waarheidsprincipe<br />

houdt in dat in het concept van individuele monaden alle toekomstige<br />

en voorbije activiteiten opgeslagen liggen. Als je alle opeenvolgende<br />

eigenschappen van een individu wilt afleiden, hoef je alleen<br />

maar te weten hoe hij begonnen is en wat het principe van zijn ontwikkeling<br />

is. 15<br />

Hiermee bedoelt Leibniz ook dat je van een afdoende begrip van<br />

een bepaalde monade toestanden van andere monaden kunt afleiden<br />

(en des te meer naarmate het begrip vollediger is). Als je alles zou<br />

weten van een bepaalde monade, dan impliceert dat niet alleen zijn<br />

toestanden in het verleden, maar ook die in de toekomst en omdat<br />

die met alle toestanden van alle andere monaden samenhangen,<br />

impliceert dit kennis van het hele universum. Leibniz impliceert dat<br />

iedere verandering van welk individu ook als verandering van ieder<br />

individu gezien moet worden. Dit lijkt tegen-intuïtief: als Jan groter<br />

is geworden dan Piet, is toch alleen Jan veranderd? Het probleem is<br />

welke soort en hoeveel eigenschappen een individu eigenlijk mag<br />

kwijtraken zonder van identiteit te veranderen? Volgens Leibniz<br />

zijn alle eigenschappen van een individu samen essentieel voor zijn<br />

identiteit; dat Jan groter is geworden dan Piet en daardoor bij het<br />

volley-ballen meer ballen krijgt toegespeeld dan Piet zal duidelijk<br />

gevolgen hebben voor Piets zelfwaardering.<br />

Zo kunnen we begrijpen waarom het voor ons onmogelijk is om<br />

een individuele monade in zijn geheel te kennen. Gods begrip van<br />

een individu behelst alles wat er met dat individu gebeurd is, gebeurt,<br />

en nog zal gebeuren; het is het complete concept van dat individu.<br />

(LG, IV, 433).<br />

22


Een rationalistische benadering<br />

1.3.2 Noodzakelijke en contingente waarheden<br />

Leibniz onderscheidt in onze kennis noodzakelijke en contingente<br />

waarheden. Een noodzakelijke waarheid is zodanig dat zijn ontkenning<br />

een contradictie inhoudt; een contingente waarheid is een<br />

waarheid die niet noodzakelijk is, d.w.z. eentje waarvan de ontkenning<br />

geen contradictie inhoudt. 16 Bij voorbeeld 'Het regent nu in<br />

Utrecht' is waar, maar had net zo goed onwaar kunnen zijn. Maar<br />

wanneer volgens het predikaat-in-subject principe in iedere ware<br />

propositie het predikaat-concept in het concept van het subject vervat<br />

is, zoals we in de vorige subparagraaf zagen, hoe kan de ontkenning<br />

van een contingente propositie dan géén contradictie zijn? Als<br />

'de Rubicon oversteken' vervat ligt in het concept van Caesar, dan<br />

moet 'Caesar stak de Rubicon niet over' toch een contradictie inhouden?<br />

Leibniz heeft hier lang over nagedacht maar stelt uiteindelijk<br />

dat we 'een contradictie inhouden' moeten begrijpen als betrokken<br />

op een eindige hoeveelheid stappen, waarbij een 'stap' staat voor een<br />

substitutie van een definiens voor een definiendum (of omgekeerd)<br />

overeenkomstig een definitie. In een contingente propositie zou het<br />

evenwel een oneindige hoeveelheid van zulke stappen vereisen voordat<br />

men op de contradictie uitkomt, en alleen God kan die overzien;<br />

alleen God kan immers zien hoe in het geval van zo'n ontkenning<br />

het predikaat-concept onterecht van het subject uitgesloten wordt,<br />

omdat hij het betreffende volledige individuele concept bezit. Dit<br />

betekent dat wij het idee van contingentie alleen maar hebben omdat<br />

wij in ons kennen beperkt zijn.<br />

Volgens Leibniz moet iedere reëel bestaande toestand verklaard<br />

kunnen worden, wat hij het principe van voldoende reden noemt.<br />

Een reden is niet hetzelfde als een oorzaak maar in Leibniz' principe<br />

wordt de claim dat alles een reden heeft, en dat het dus zin heeft bepaalde<br />

waarom-vragen te stellen, niet aldoor scherp gescheiden van<br />

de sterkere claim dat alles een oorzaak heeft. 17 Oorzaken zijn mechanische<br />

krachten die tussen objectieve toestanden werken; met<br />

redenen geven we in het algemeen aan waarom iets is zoals het is en<br />

niet eerder anders. Welnu, als je het principe van voldoende reden<br />

beschouwt als uitsluitend op redenen, betekenissen en uitspraken<br />

betrokken, dan lijkt het logisch te volgen uit het predikaat-insubject<br />

principe.<br />

23


Kennis in schoonheid<br />

1.3.3 Concepten als mentale disposities<br />

Leibniz gaat uit van de visie dat taal ervoor dient onze gedachten<br />

over de werkelijkheid te representeren. Hiermee in overeenstemming<br />

spreekt hij over drie regionen: de werkelijke wereld, gedachten<br />

en ideeën, en taal. De werkelijkheid bestaat uitsluitend uit de<br />

individuele substanties, monaden. De tweede regio wordt bevolkt<br />

door ideeën, waarvan de belangrijkste onderklasse die der<br />

concepten is. Leibniz beschrijft de regio der ideeën als een<br />

intelligibele wereld in Gods geest, die door onze geest slechts op<br />

onvolkomen wijze gevat kan worden. Leibniz beschouwt ideeën als<br />

wat wij tegenwoordig dispositionele mentale toestanden zouden<br />

noemen, dit ter onderscheiding van gedachten, die nl. actueel zijn:<br />

een idee hebben betekent ertoe neigen om op een bepaalde manier te<br />

denken. (LG, IV, 451, V, 108). Ideeën zijn dus geen entiteiten met<br />

een eigen zijnswijze naast die van monaden, want zulke dingen<br />

bestaan er helemaal niet: alleen monaden bestaan. (Vgl. § 1.1.1).<br />

Dat betekent dus dat Gods geest geen opslagplaats van concepten en<br />

ideeën is, maar dat hij het vermogen of de neiging heeft om op bepaalde<br />

wijzen te denken. De derde regio is die van de taal, waarmee<br />

we ons denken uitdrukken, dat – zoals gezegd – uit toestanden van<br />

monaden bestaat. Taal bestaat uit woorden en zinnen, en dat zijn<br />

fenomenen, d.w.z. manieren waarop aggregaten van monaden aan<br />

ons verschijnen. Uiteindelijk is er dus slechts sprake van één rijk,<br />

nl. dat van de monaden.<br />

1.3.4 Classificatie van concepten<br />

Vanwege zijn eigenschappen valt een gegeven substantie onder een<br />

hiërarchie van concepten; gegeven dat wijsheid een deugd is, valt<br />

iemand die als eigenschap wijsheid heeft, tevens onder het concept<br />

'deugdzaam'. En een individu kan ook onder tegengestelde concepten<br />

vallen: iemand die moedig is en egoïstisch, is tegelijk prijzenswaardig<br />

en afkeurenswaardig. Zo bestaat er een zekere ordening<br />

van de concepten waaronder een individu valt, die het best te karakteriseren<br />

is in termen van 'omdat'. Vr.: 'Waarom is Socrates deugdzaam?'<br />

Antw.: 'Omdat hij wijs is.'<br />

Naast deze inhoudelijke ordening zijn ideeën ook te ordenen op<br />

grond van hun kwaliteit. (LG, IV, 449). Het is nl. dankzij onze<br />

ideeën dat wij in de zintuiglijke gegevens concrete objecten in meer<br />

of mindere mate herkennen. Welnu, het idee van een ding is duister<br />

24


Een rationalistische benadering<br />

als het onvoldoende is voor de herkenning van dit ding en helder als<br />

het daar wel voldoende voor is. Zo'n helder idee is verward als de<br />

kenmerken van het ding, op grond waarvan dit van andere dingen<br />

onderscheiden kan worden, niet opgesomd kunnen worden, en<br />

onderscheiden als dit wel kan. Zo'n onderscheiden idee is inadequaat<br />

wanneer de kenmerken op grond waarvan het onderscheiden wordt,<br />

niet zelf weer in onderscheidende kenmerken geanalyseerd zijn. Een<br />

idee is dan ook alleen adequaat wanneer de analyse zover is doorgevoerd<br />

dat de samenstellende ideeën niet verder geanalyseerd kunnen<br />

worden maar volkomen eenvoudig zijn.<br />

Heldere ideeën. Een helder idee behelst iets universeels. Wie zo'n<br />

idee bezit, of kent, is in staat om een objectieve instantie ervan te<br />

herkennen, of om m.a.w. de aanwezigheid ervan in een object te herkennen.<br />

(LG, V, 236). Het gaat Leibniz hierbij om instanties van<br />

ideeën, en niet om individuen, aangezien we die immers nooit helemaal<br />

kunnen kennen: we beschikken immers niet over de middelen<br />

om de individualiteit van iets te herkennen. (LG, V, 268). Maar als<br />

een helder idee het vermogen is om iets universeels in iets concreets<br />

te herkennen, wat is dat universele dan voor iets? Volgens Leibniz<br />

leiden we universalia niet af van op elkaar lijkende dingen, maar is<br />

het algemene idee al aanwezig wanneer een individu herkend wordt.<br />

Wat dan herkend wordt is nl. geen gelijkenis met andere reeds gekende<br />

individuen, maar gelijkenis met mogelijke individuen, die<br />

juist nog onbekend zijn. Universalia komen dus niet uit abstractie<br />

voort en impliceren evenmin dat er al 'klassen' in de natuur zouden<br />

bestaan. M.a.w. één instantie is al voldoende voor het verkrijgen van<br />

een helder idee, voor het herkennen van iets universeels in iets concreets.<br />

Dit betekent overigens ook dat er geen waarneming zonder<br />

denken bestaat. 18<br />

Onderscheiden heldere ideeën. Heldere ideeën zijn verward als we niet<br />

in staat zijn om apart de kenmerken van een ding te benoemen<br />

waarmee dit van andere dingen onderscheiden kan worden. Bij<br />

voorbeeld heldere ideeën die slecht voor één zintuig gelden, zoals<br />

kleuren en geuren, zijn complexe ideeën, maar omdat ze zich aan de<br />

zintuigen als simpel voordoen kunnen we ze niet uitleggen en aan<br />

anderen overbrengen, tenzij door aan hún zintuigen te refereren.<br />

Een onderscheiden idee bestaat wanneer degene die het heeft in<br />

staat is de elementen die tot de definitie van het idee behoren vast<br />

te stellen.<br />

Adequate onderscheiden heldere ideeën. Een adequaat idee is een idee<br />

dat zo onderscheiden is dat al zijn onderdelen ook zelf onder-<br />

25


Kennis in schoonheid<br />

scheiden zijn, tot en met de niet verder te analyseren primitieve<br />

componenten. Ons concept van 'goud' bij voorbeeld is inadequaat<br />

omdat de onderdelen ervan niet zelf onderscheiden zijn. De ideeën<br />

van chemische stoffen zijn nl. gebaseerd op (c.q. te analyseren in)<br />

verwarde ideeën. De ideeën van de wiskunde (getal, grootte, figuur)<br />

zijn wel in onderscheiden ideeën te analyseren en dus adequaat. En<br />

dat komt omdat deze ideeën onvolledig, abstract zijn, en niet op<br />

individuen slaan. In 1.2.1 hebben we gezien dat onze geest niet in<br />

staat is volledige individuele concepten te vormen, en dat alleen God<br />

die bezit. De concepten waarmee wij denken zijn onvolledig en abstract,<br />

en dat geldt voor onze mathematische concepten zowel als<br />

voor de concepten die we mathematisch kunnen bepalen, zoals<br />

ruimte, tijd en beweging. Dit soort concepten kunnen niet gebruikt<br />

worden om mee naar een individu te refereren. Evenmin is het zo<br />

dat ze (eigenschappen van) meerdere individuen samen behelzen,<br />

want geen eigenschap van het ene individu is uitsluitend numeriek<br />

verschillend van een eigenschap van een ander individu, ze<br />

verschillen altijd essentieel, d.w.z. kwalitatief. (VII, p. 481).<br />

2 Een rationalistische esthetica<br />

2.1 Een rationalistische esthetica<br />

Wat kan de rol of inhoud van een rationalistische esthetica zijn, gegeven<br />

de hierboven beschreven opvattingen over kennis en de werkelijkheid?<br />

Leibniz' <strong>rationalisme</strong> is allereerst een (metafysisch gefundeerde)<br />

epistemologische theorie, volgens welke het menselijk<br />

streven gericht moet zijn op een benadering van Gods volledige individuele<br />

concepten. Ideeën die gebrekkig en verward zijn, moeten zo<br />

onderscheiden en adequaat mogelijk gemaakt worden. Gods kennis,<br />

die immers coherent en volledig is, heeft een schoonheid die voor<br />

mensen ontoegankelijk blijft, omdat we Gods standpunt nooit vermogen<br />

in te nemen. Volgens Leibniz is de auditieve ervaring van<br />

muziek dan ook slechts verwarde kennis van mathematische relaties,<br />

en leiden we onze esthetische genoegens eigenlijk af van rationele<br />

genoegens die op een verwarde manier gekend worden. Als<br />

kunst voor hem al waarde heeft, dan zeker niet als bron van kennis,<br />

maar hoogstens als afspiegeling van de schoonheid van de door God<br />

26


Een rationalistische benadering<br />

ingestelde harmonie. Omdat ze verwarde kennis overbrengt heeft ze<br />

voor de wetenschap geen enkel belang. 19<br />

Binnen de rationalistische traditie vinden we de meest systematisch<br />

geordende esthetische opvattingen bij <strong>Baumgarten</strong> (1714-62).<br />

In twee werken betoogt hij dat er een zelfstandige discipline esthetica<br />

moet komen: in Meditationes philosophicae de nonnullis ad poema<br />

pertinentibus uit 1735, en in het onvoltooide Aesthetica uit 1750,<br />

1758. 20 <strong>Baumgarten</strong> is binnen het <strong>rationalisme</strong> echter een buitenbeentje,<br />

omdat hij enerzijds meent dat zintuiglijke kennis het wel<br />

waard is om onderzocht en ontwikkeld te worden en anderzijds dat<br />

de regels daarvoor niet van de eisen van de wetenschappen afgeleid<br />

moeten worden, maar van de waarneming zelf. Hoewel ook hij zintuiglijke<br />

kennis lager stelt dan discursieve, acht hij haar wel degelijk<br />

de moeite van het bestuderen waard. <strong>Baumgarten</strong> is de eerste<br />

die de naam 'esthetica' voor een zelfstandige filosofische discipline<br />

hanteert; hij heeft aan de esthetica echter meer bijgedragen dan<br />

alleen haar naam: hij heeft de esthetica opgevat als de opvoeding<br />

van onze waarneming. Het project van zijn Aesthetica zet hij op de<br />

volgende wijze uiteen: "Het doel van de esthetica is de perfectie (vervolmaking)<br />

van de zintuiglijke kennis als zodanig. Daarmee is echter<br />

de schoonheid bedoeld." 21 Hoe moeten we dit project begrijpen en<br />

welk licht werpt het op de problematiek van de verhouding tussen<br />

ons kennen en schoonheid?<br />

2.2 Zintuiglijke waarheid<br />

2.2.1 Het belang van zintuiglijke kennis naast de conceptuele<br />

<strong>Baumgarten</strong> accepteert Leibniz' rationalistische epistemologie en<br />

neemt zijn onderscheid tussen de verschillende soorten ideeën over.<br />

Ook hij beschouwt de voorstellingen van het lage kenvermogen, de<br />

zintuiglijkheid, als verwarde ideeën. Maar hij erkent dat onze<br />

discursieve kennis noodzakelijk tekortschiet. Daarom dient ze aangevuld<br />

te worden met de kennis van de zintuigen, zoals die in kunst<br />

wordt uitgedrukt. Je kunt volgens hem niet zonder meer zeggen dat<br />

kunst, omdat ze betrokken is op het lagere kenvermogen, daarom<br />

ook een slechte manier is om de werkelijkheid weer te geven. Nee,<br />

kunst, opgevat als weergave van zintuiglijke waarnemingen, geeft<br />

ons op een andere, rijkere manier een 'beeld' van de werkelijkheid<br />

27


Kennis in schoonheid<br />

dan discursieve kennis. En dit komt omdat de onderscheidenheid<br />

van onze wetenschappelijke kennis ten koste gaat van de rijkdom<br />

die aan de basis daarvan bestaat in de zintuiglijke gegevens: wanneer<br />

we een verward idee 'onderscheiden' maken, breken we een<br />

'beeld' dat op zich een eenheid vormt, in stukjes en vernietigen de<br />

samenhang van zijn kenmerken en aspecten. In een dergelijk wetenschappelijk<br />

opdelen van voorstellingen streven we naar intensieve<br />

helderheid: naar begrippen waarvan de bepalingen ook helder zijn.<br />

Daarmee sluiten we ons echter af van de zogenaamde extensieve<br />

helderheid van de fenomenen zoals die zich aan onze waarneming<br />

voordoen, met al hun verward waargenomen eigenschappen waarvan<br />

er sommige in begrippen uitgedrukt kunnen worden, maar andere<br />

niet. <strong>Baumgarten</strong> beschouwt de objecten van onze waarneming<br />

– tenminste impliciet – analoog aan de werkelijke individuen, de<br />

monaden: zoals die het beste gekend worden middels zo adequaat<br />

mogelijke ideeën (culminerend in de volledige concepten, die alle<br />

eigenschappen van de monade uitdrukken), zo wordt aan de fenomenen<br />

het meest recht gedaan wanneer ze zo volledig mogelijk op de<br />

manier waarop we ze waarnemen, voorgesteld worden, d.w.z. met al<br />

hun verward waargenomen elementen en eigenschappen. Een dergelijke<br />

extensieve helderheid is de ware perfecte fenomenale kennis,<br />

aangezien we immers altijd in onze waarneming met verward waargenomen<br />

individuele concrete dingen te maken hebben: die verwardheid<br />

vormt er een essentiële eigenschap van. 22 En deze perfecte<br />

fenomenale kennis kan – naar analogie met Gods coherente overzicht<br />

over het totale universum – mooi genoemd worden. 23<br />

Leibniz vatte de verwarde en duistere ideeën op als ideeën met<br />

een gebrek aan ken-inhoud, ervan uitgaande dat het ken-ideaal in<br />

Gods volledige concepten gelegen is. Maar <strong>Baumgarten</strong> merkt op dat<br />

wij mensen inderdaad nu eenmaal beperkt zijn in vergelijking tot<br />

Gods oneindig intellect, en dat we daarom de talenten en vermogens<br />

díe we hebben, in dit geval onze zintuigen, zo goed mogelijk dienen<br />

te ontwikkelen. 24 Hij blijft zich er evenwel van bewust dat onze zintuigen<br />

een vorm van kennis leveren, en dat die aan bepaalde criteria<br />

dient te voldoen. Zonder de hiërarchie tussen de diverse kenwijzen<br />

te willen omkeren, meent <strong>Baumgarten</strong> dat het toch in ieder geval de<br />

moeite loont om ze allemaal te bestuderen en te perfectioneren. Vandaar<br />

dat hij naast de logica als propedeuse voor discursieve kennis,<br />

de esthetica als propedeuse voor de lagere zintuiglijke kennis voorstelt.<br />

28


Een rationalistische benadering<br />

<strong>Baumgarten</strong> beziet het project van de wetenschappen dus vanuit<br />

een andere gezichtshoek dan Leibniz. Volgens hem komen we, naarmate<br />

onze kennis adequater is, steeds verder af te staan van een volledige<br />

bepaling van een concreet object zoals het ons in de waarneming<br />

verschijnt: zeggen dat een bepaald object 'een boom' is, typeert<br />

dit object nauwelijks; pas als we in één samenhangende representatie<br />

laten zien en horen dat hij grote bladeren heeft en in de<br />

wind een ritselend geluid maakt, een witte bast heeft en op het<br />

kruispunt van twee grote wegen staat, enz., benaderen we hem in de<br />

samenhang van zijn fenomenaliteit. We krijgen meer contact met<br />

een reëel bestaand object in de volledige rijkdom van zijn verschijning,<br />

wanneer we hem rechtstreeks met de zintuigen benaderen,<br />

want dan vatten we al deze aspecten in één keer. De rede is weliswaar<br />

preciezer dan de zintuigen, maar ze is ook armer.<br />

2.2.2 Esthetische waarheid<br />

Zintuiglijke voorstellingen zijn verward omdat ze de dingen dichter<br />

in hun concrete complexiteit benaderen en daarom meer dan één<br />

bepaling inhouden. In onze alledaagse waarneming zijn deze voorstellingen<br />

bovendien soms duister en zijn we niet eens in staat de<br />

objecten te herkennen. Het is dan ook de taak van de kunstenaar<br />

om deze duistere verwarde voorstellingen van de zintuiglijkheid helderder<br />

te maken, maar niet om ze onderscheiden te maken. Aldus<br />

introduceert <strong>Baumgarten</strong> de duistere verwarde ideeën van de zintuigen<br />

als de bron van esthetische drang, van artistieke inspiratie,<br />

en geeft hij hiermee tevens aan dat een kunstwerk het produkt is<br />

van een poging om tot een volledige, verwarde weergave van zijn<br />

object te komen.<br />

Volgens <strong>Baumgarten</strong> bezit esthetische waarheid twee kenmerken.<br />

Ten eerste het vanzelfsprekende gezonde mensenverstand, op grond<br />

waarvan we veel van onze waarnemingen begrijpen, maar dat we<br />

doorgaans niet expliciteren, om de eenvoudige reden dat we ervan<br />

uit gaan dat alle mensen het hier mee eens zullen zijn. En ten tweede<br />

bestaat esthetische waarheid uit onze "kleine en kleinste intuïtieve<br />

waarnemingen", Leibniz' "petites perceptions": 25 wanneer we op<br />

het strand staan, horen we het geluid van ieder golfje, zonder het als<br />

zodanig te kunnen onderscheiden van het totale 'geluid van de zee'.<br />

Een dergelijke esthetische waarheid wordt eigenlijk niet echt gekend,<br />

en dat geldt zowel voor het gezonde verstand als voor de<br />

29


Kennis in schoonheid<br />

kleine percepties. Toch bezitten we haar, want zodra we op dit<br />

niveau onwaarheden tegenkomen, zullen we ons daar volgens<br />

<strong>Baumgarten</strong> van afkeren vanwege hun lelijkheid. Wanneer we op<br />

een of ander onbeduidend geluid opmerkzaam gemaakt worden,<br />

kunnen we het ons meestal wel bewust maken.<br />

De gewaarwording van deze esthetische waarheid is echter alleszins<br />

voor verbetering vatbaar. En dat is zoals gezegd de taak van de<br />

kunstenaar. Deze moet zich hierbij laten leiden door datgene waarvan<br />

gewone mensen al bepaalde voorgevormde voorstellingen hebben.<br />

Het is dus niet zozeer een correcte nabootsing van de natuur<br />

die <strong>Baumgarten</strong> hier voor ogen staat, dan wel de weergave van hetgeen<br />

de natuur in ons voortbrengt, onze gewaarwordingen en onze<br />

alledaagse voorstellingen en de verbanden daartussen. 26 De natuur<br />

moet in haar werking geïmiteerd worden, d.w.z. voor zover ze een<br />

rijkdom aan fenomenen voortbrengt. 27<br />

Maar ook al is het extensief weergeven van de verwarde ideeën<br />

van de zintuiglijkheid het doel, toch moet de kunstenaar ze niet zomaar<br />

als uitgangspunt nemen, want dan leiden ze tot allerlei onbestaanbare<br />

gedrochten zoals centaurs en eenhoorns. Nee, een kunstenaar<br />

moet de verwarde esthetische ideeën in een functioneel geheel<br />

plaatsen. Hij dient hiertoe representaties te zoeken die zwanger zijn<br />

van betekenis, en die hij met elkaar verbindt middels thema's. Hiermee<br />

doelt <strong>Baumgarten</strong> op het gegeven dat er, bij voorbeeld in een<br />

verhaal, wel zaken beweerd mogen worden die in de realiteit onmogelijk<br />

zijn, wanneer daarvoor tenminste de een of andere esthetische<br />

noodzaak bestaat.<br />

Esthetische waarheid is geen waarheid in de strikte epistemologische<br />

zin, maar een verzwakte variant daarvan: waarschijnlijkheid. 28<br />

We weten nl. alleen maar dat er van esthetische waarheid sprake is,<br />

wanneer we geen lelijkheid (tegenspraak in de zintuiglijke<br />

gegevens) ervaren. En dat is natuurlijk het geval wanneer een voorstelling<br />

zowel zintuiglijk als verstandelijk consistent is, maar ook<br />

wanneer ze slechts zintuiglijk klopt en het verstand zijn analyserende<br />

activiteit nog niet uitgeoefend heeft, en zelfs in het geval van<br />

een voorstelling die alleen maar logisch en esthetisch geloofwaardig<br />

is, voor zover dat door de ervaring van het alledaagse gezonde<br />

verstand bevestigd wordt.<br />

30


Een rationalistische benadering<br />

2.2.3 Schoonheid als perfectie van de zintuiglijke kennis<br />

Het concept 'boom' is tegelijk één en veel, het is één concept (gedefinieerd<br />

door een aantal andere concepten: bladeren, stronk, natuur,<br />

groen, enz.) dat op veel objecten betrekking heeft. Dit geldt in eerste<br />

instantie voor discursieve kennis in het algemeen, maar <strong>Baumgarten</strong><br />

typeert ook de esthetische, verwarde ideeën van de waarneming<br />

als zo'n samengaan van eenheid en veelheid. 29 Esthetische vorm<br />

onderscheidt zich echter van discursieve in zoverre dat de veelheid<br />

hier als zodanig mag blijven bestaan, terwijl voor wetenschappelijke<br />

discursieve kennis iedere veelheid teruggebracht moet worden tot<br />

eenheden van heldere en onderscheiden ideeën. In kunstwerken ligt<br />

dit dus anders; hier worden objecten in hun fenomenale bepalingen<br />

getoond.<br />

We kunnen dit ook anders uitdrukken: wetenschappelijke kennis<br />

zoekt voor ieder verschijnsel een oorzaak, volgens het principe van<br />

voldoende rede. Steeds weer wordt er doorgevraagd van het 'dat'<br />

naar het 'waarom' van de dingen. Een deel van de gezochte verklaring<br />

betreft de essentie (mogelijkheid) van het ding, die we uitdrukken<br />

in definities. Wanneer een ding gedefinieerd moet worden,<br />

geschiedt dit bij voorkeur d.m.v. definities waarin de oorzaak van<br />

het bestaan van het ding vervat ligt. Zo is een cirkel causaal gedefinieerd<br />

wanneer we weten hoe we hem moeten maken. "Een cirkel is<br />

rond" is niet voldoende; beter is: "we verkrijgen een cirkel, door een<br />

lijn te trekken die op alle plaatsen even ver van één enkel punt verwijderd<br />

is". In wetenschap dienen gecompliceerde situaties eerst te<br />

worden teruggebracht tot simpeler situaties, die dan uiteindelijk<br />

volgens dergelijke causale beschrijvingen gedefinieerd kunnen worden.<br />

<strong>Baumgarten</strong> nu, ziet dat dit wetenschapsideaal begrensd is. Esthetische<br />

zaken moet je nl. volgens hem in hun totaliteit zien en niet<br />

uit hun oorzaak verklaren: het principe van voldoende rede heeft op<br />

esthetische voorstellingen geen vat.<br />

De eenheid van een kunstwerk is dus niet in begrippen te vatten,<br />

ze behoort tot een 'voorbegrippelijke sfeer'. Een kunstwerk moet 'levend<br />

inzicht' leveren, een samenvallen van onze zintuiglijke gegevens<br />

met een weergegeven individualiteit. De activiteit van de kunstenaar<br />

moet gericht zijn op de totaliteit van een fenomeen en niet<br />

op zijn samenstellende delen. Het is de in kunstwerken voorgestelde<br />

samenhang tussen de elementen van het onderwerp die de eenheid<br />

vormt die voor alle kennis is vereist. Maar zijn we niet gewoon om<br />

bij kunstwerken de meest hoogstaande kwaliteit 'schoonheid' te noe-<br />

31


Kennis in schoonheid<br />

men? <strong>Baumgarten</strong> identificeert daarom de perfectie van zintuiglijke<br />

kennis met de schoonheid van een kunstwerk.<br />

2.2.4 Analogon rationis: de perfectie van de zintuigen<br />

<strong>Baumgarten</strong>s esthetica rust op twee pijlers: aan de ene kant geeft<br />

hij een analyse van de zintuiglijkheid als het lagere kenvermogen,<br />

en aan de andere kant probeert hij een filosofie van de kunst te formuleren.<br />

Beide onderdelen hangen bij <strong>Baumgarten</strong> ten nauwste<br />

samen. Ten eerste kunnen volgens <strong>Baumgarten</strong> mensen hun zintuiglijke<br />

verwarde ideeën structureren en zodoende hun zintuiglijkheid<br />

perfectioneren, omdat zij in het bezit zijn van bepaalde psychische<br />

vermogens, ten tweede is een dergelijke perfectionering met name<br />

de taak van kunstenaars, wat (ten derde) betekent dat het onze<br />

kunstwerken zijn waarin wij de verwarde zintuiglijke ideeën aldus<br />

structureren. 30 In zijn kunstfilosofische opvattingen beschrijft<br />

<strong>Baumgarten</strong> dan ook wat een kunstenaar moet doen om aan de rijkdom<br />

van zijn zintuiglijkheid tegemoet te komen, en geeft hij hierbij<br />

aan dat schoonheid de perfectie van de zintuiglijkheid zelf is. 31 De<br />

esthetica heeft dan ook een algemene functie in zoverre dat iedereen<br />

tot op zekere hoogte over de relevante vermogens beschikt, maar ze<br />

heeft een speciale functie voor de kunstenaar voor zover met name<br />

hij in staat is om zintuiglijke kennis tot perfectie te brengen. De<br />

kunstenaar moet hiertoe wel onderwezen worden (ook al verlangen<br />

we geen alwetendheid van hem): in de kennis van God, het universum<br />

en de mensen; en vooral moet hij op de hoogte zijn van de zogenaamde<br />

kunsttheorieën en van de tradities daarbinnen. Toch zijn<br />

deze voorwaarden onvoldoende om tot de gewenste perfectie te geraken.<br />

Voor de diverse kunsten en tradities gelden immers uitsluitend<br />

specifieke regels, en die worden door de algemene regels van de<br />

esthetica overstegen. Deze laatste zijn gericht op de algemene aspecten<br />

van schoonheid, de zes 'zorgen' van de kunstenaar: "vruchtbaarheid,<br />

grootsheid, waarheid, zekerheid, licht en leven(-digheid)",<br />

waarmee gedoeld wordt op de extensiviteit en de waarschijnlijkheid<br />

van de weergave. 32 De kunstenaar moet uitermate veel oefenen om<br />

afdoende aan deze zorgen tegemoet te kunnen komen. 33<br />

Om aan te geven hoe een kunstenaar zijn zintuiglijkheid kan perfectioneren,<br />

beschouwt <strong>Baumgarten</strong> zintuiglijke cognitie als een<br />

'analogon rationis', d.w.z. als een vermogen analoog aan de rede; de<br />

regels voor het functioneren van zintuiglijke kennis worden door<br />

32


Een rationalistische benadering<br />

hem parallel aan die van de rede ontwikkeld. Beide soorten regels<br />

hebben als functie aan te geven hoe relevante zaken op de juiste<br />

manier verbonden moeten worden: de verbanden van de rede<br />

worden door 'demonstratie' gelegd, die van de zintuiglijke cognitie<br />

door 'associatie'. Zintuiglijke kennis heeft twee componenten: de externe<br />

zintuigen en het reflexieve zelfbewustzijn. Door het eerste is<br />

men – en in het bijzonder de kunstenaar – zich bewust van de toestand<br />

van zijn lichaam; dit levert het materiaal voor het kunstwerk.<br />

Door zijn innerlijk zintuig kan de kunstenaar de gegevens van de<br />

andere vermogens ordenen. Dit interne zintuig omvat de volgende<br />

vermogens:<br />

1. vindingrijkheid (ketens van verbanden eerder aanvoelen dan analyseren;<br />

het kunnen weergeven van zo'n keten middels een metafoor),<br />

2. scherpzinnigheid, 3. geheugen (beelden uit het verleden als<br />

eenheid opgeroepen, niet geanalyseerd), 4. vooruitzien (welke<br />

elementen in een later stadium van een verhaal of muziekstuk een<br />

rol zullen spelen) en 5. reproduktieve verbeelding. 6. Het vermogen<br />

tot gebruik van tekens is van groot belang voor de kunstenaar, evenals<br />

datgene wat bij het gevoel analoog is aan het oordeelsvermogen,<br />

nl. 7. de smaak, het vermogen om perfectie en wanstaltigheid waar<br />

te nemen. 34 Dit alles draagt bij tot 8. het creatief vermogen, dat volgens<br />

<strong>Baumgarten</strong> geen analogon in het hogere kenvermogen heeft:<br />

de verbeelding is creatief omdat ze gegeven beelden combineert tot<br />

niet-bestaande, ongekende voorstellingen en deze voorstellingen ook<br />

weer op nieuwe manieren combineert.<br />

De eigenschappen van de dingen die direct aan de zintuigen<br />

tegenwoordig zijn, worden door de kunstenaar aangevuld met vindingrijkheid,<br />

scherpzinnigheid, geheugen, vooruitzien en reproduktieve<br />

verbeelding. Maar dit leidt nog niet vanzelf tot de perfectie van<br />

de zintuiglijke kennis. De voorstelling dient zoals gezegd een eenheid<br />

te bezitten en daarom dienen nieuwe fantasma's onderling<br />

coherent te zijn (evt. rond een thema geordend); of dit inderdaad het<br />

geval is, wordt door de smaak onderscheiden. En dan nog is dit samengaan<br />

der vermogens pas compleet wanneer deze nieuwe coherente<br />

fantasma's uitgedrukt worden in waarneembare tekens: het<br />

gaat immers om de perfectie van de zintuiglijke waarneming.<br />

Bij dit alles wordt het lagere kenvermogen geholpen door de rede:<br />

deze ontdekt de regels van de zintuiglijkheid en leidt deze ook. Dit<br />

laatste brengt evenwel het potentiële gevaar met zich mee, dat koele,<br />

berekende academische kunstwerken worden gecreëerd. Om dit<br />

te voorkomen heeft <strong>Baumgarten</strong> er in zijn Aesthetica voor gewaakt<br />

33


Kennis in schoonheid<br />

de zintuiglijke kennis ondergeschikt te maken aan dit vreemde<br />

element, de rede: de rede dient bij zijn ondersteuning de regels van<br />

het lagere vermogen zelf te volgen. De zintuiglijkheid heeft dus zijn<br />

eigen vermogens en komt door die te gebruiken tot de genoemde<br />

heldere maar verwarde voorstellingen in kunstwerken. Vandaar dat<br />

perfectie van de zintuiglijkheid tot perfecte kunstwerken moet<br />

leiden, d.w.z. tot schoonheid. Vandaar dus, omgekeerd, dat schoonheid<br />

als de perfectie van de zintuiglijkheid opgevat moet worden,<br />

omdat het kunstwerk immers een produkt is van de geoefende zintuiglijkheid<br />

van de kunstenaar.<br />

3 Kennis in schoonheid<br />

<strong>Baumgarten</strong> probeert de eigenheid van de zintuiglijke kennis t.o.v.<br />

de discursieve kennis te waarborgen. Deze dissidente positie van<br />

<strong>Baumgarten</strong> binnen het <strong>rationalisme</strong> is van groot belang. De zintuiglijkheid<br />

krijgt bij hem epistemologisch bestaansrecht. Het zal<br />

nog blijken dat de zintuiglijkheid in de esthetica tot op heden –<br />

terecht – een grote rol is blijven spelen. Niettemin is <strong>Baumgarten</strong>s<br />

vereenzelviging van het esthetische met zintuiglijke kennis problematisch.<br />

Een esthetische theorie die kunst uitsluitend opvat als een<br />

domein van kennis sluit zich af van ervaringsaspecten die ons kennen<br />

noodzakelijk te buiten gaan, en die precies daaraan hun belang<br />

ontlenen.<br />

Welnu, de identificatie van schoonheid met de perfectie van zintuiglijke<br />

kennis die bij <strong>Baumgarten</strong> centraal staat, vergemakkelijkt<br />

een overgang van ervaringen van de kunstenaar (zijn zintuiglijke<br />

kennen) naar de objectivering daarvan in een kunstwerk, maar het<br />

is de vraag of deze eigenschap met 'perfectie' afdoende begrepen is.<br />

Bij <strong>Baumgarten</strong> bestaat hierover veel onduidelijkheid: zijn notie van<br />

'extensiviteit' is interessant (gegeven de eigenschap van kunstwerken<br />

dat wat ze verbeelden niet in woorden gevangen kan worden,<br />

wat <strong>Baumgarten</strong> een reductie naar intensieve kennis zou noemen),<br />

maar verduidelijkt de overgang van ervaringen naar objectiveringen<br />

niet. Zo'n objectivering impliceert nl. evengoed een reductie van de<br />

oorspronkelijke waarnemingen. Om aan deze reductie een plaats te<br />

kunnen geven heeft <strong>Baumgarten</strong> twee termen ter beschikking: 'perfectie'<br />

en 'thema'. Het lijkt niet mogelijk hiertussen een goede keus<br />

34


Een rationalistische benadering<br />

te maken. Het is nl. ten eerste onduidelijk wat met deze 'perfectie<br />

van zintuiglijke kennis' bedoeld wordt, niettemin zou dit wanneer<br />

het wat beter uitgewerkt wordt, een algehele reductie van schoonheid<br />

tot kennis kunnen voorkomen. 'Thema' is in ieder geval problematisch,<br />

aangezien een thema een ordening is die aan het zintuiglijk<br />

materiaal van buitenaf wordt opgelegd, ofwel door de kunstenaar<br />

ofwel door de interpreet. 'Perfectie' is daarentegen een immanente<br />

eigenschap, een extremer worden van iets wat al in de waarneming<br />

aanwezig is. <strong>Baumgarten</strong> laat evenwel een aantal vragen<br />

open, zelfs voor een gunstige interpretatie van zijn theorie (d.w.z.<br />

één die schoonheid aan perfectie en niet aan het thema verbindt):<br />

Hoezo is schoonheid een vorm van kennis, wanneer de perfectie<br />

daarvan beslissend is (en niet die kennis zelf)? Welk criterium om<br />

over een dergelijke 'perfectie' te beslissen kan <strong>Baumgarten</strong><br />

voorstellen? 'Smaak' of 'verbeelding' zijn hier geen antwoord, want<br />

ook die behoeven criteria. Wanneer neemt/nam de kunstenaar<br />

perfect waar: voorafgaand aan het maken van het werk, of tijdens<br />

het werken?<br />

Bij Leibniz spelen de 'petites perceptions' van de monaden een<br />

gespannen rol: zij lijken niets dan essentiële aspecten (monaden hebben<br />

geen vensters) van een perspectief, maar ze vormen tegelijkertijd<br />

op een of andere manier de realistische aanleiding voor onze<br />

kennisdeducties. Ergens in de overgang tussen (onbewuste) gewaarwording<br />

en kennend begrip ligt de bewuste waarneming (Leibniz<br />

noemt deze ook 'verward begrip'). Als we pas kennen wanneer er<br />

sprake is van begrippen hebben we te maken met een nominalistisch<br />

standpunt. Het verband met de werkelijkheid is evenwel gegarandeerd<br />

door onze petites perceptions, de onbewuste gewaarwordingen:<br />

die zijn het realistisch anker voor een dergelijk nominalisme.<br />

Deze spanning vinden we terug in <strong>Baumgarten</strong>s notie van extensieve<br />

kennis, aangezien hierin aan deze petites perceptions tegemoet<br />

gekomen dient te worden. Dit duidt erop dat bij <strong>Baumgarten</strong> het<br />

esthetische domein betrokken is op de frictie tussen nominalistische<br />

en realistische aspecten van ons kennen.<br />

Wellicht zijn het de niet-bewuste aspecten van waarnemingen<br />

van de kunstenaar die de beslissende rol spelen bij de schoonheid<br />

van het kunstwerk. Wellicht heeft de term 'perfectie' hierop betrekking.<br />

Volgens <strong>Baumgarten</strong> zou dan niet alleen onze bewuste waarneming<br />

model staan voor de kunst, maar onze ervaring in het<br />

geheel. Dáármee gebeurt iets wanneer we met een mooi kunstwerk<br />

geconfronteerd worden. Hierbij van perfectie spreken is evenwel<br />

35


Kennis in schoonheid<br />

misleidend, aangezien de onbewuste petites perceptions als zodanig<br />

nooit bewust waargenomen kunnen worden. De noodzaak van een<br />

niet-cognitief criterium voor de schoonheid van objecten (kunstwerken)<br />

doet zich hier echter wel gevoelen. In een mooi kunstwerk<br />

wordt iets gethematiseerd (een bepaald ervaren) wat in ons bewustzijn<br />

doorgaans buiten de deur wordt gehouden, maar wat niettemin<br />

essentieel is voor ons nominalistisch kennen omdat het dit in onze<br />

ervaringen van de werkelijkheid realistisch verankert.<br />

36

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!