Vel 79. 305 Tweede Kamer. 14dc VERGADERING

resourcessgd.kb.nl

Vel 79. 305 Tweede Kamer. 14dc VERGADERING

Vel 79. 305 Tweede Kamer.

14de VERGADERING. - 29 OCTOBER 1924.

Ingekomen stukken. — 186. Wijziging van artikel 26 der Arbeidswet 1919.

14 dc VERGADERING

VERGADERING VAN WOENSDAG 29 OCTOBER 1924

(Bijeenroepingsuur 1 namiddag.)

Ingekomen: 1°. berichten van leden; 2°. verzoekschriften;

3°. moties; 4°. een drukwerk. — Verslag uitgebracht

over verzoekschriften. — Verlenging van

den termijn voor bet uitbrengen van verslag. —

Behandeling en aanneming van een ontwerp van

wet. — Voortzetting der behandeling van bet ontwerp

van wet tot vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

Voorzitter: de beer Kooien.

Aanwezig, met den Voorzitter, 87 leden, te weten:

de heeren Scheurer, van de Bilt, Rutgers van Rozenburg,

Ament, Fleskens, Beumer, van der Molen, Bakker,

Michielsen, van Sasse van Ysselt, mevrouw Bronsveld—

Vitringa, de heeren Knigge, van Rijckevorsel, Bongaerts,

Wintemians, Engels, Bulten, Smeenk, Duys, Ebels, Ketelaar,

Leenstra, Sannes, Feber, van Rijzewijk, Wijkamp,

Deckers, van Vuuren, van Voorst tot Voorst, van Dijk,

Albarda, mejuffrouw, Groeneweg, de heeren Kleerekoper,

Kuiper, Schaper, Loerakker, Brautigam, Troelstra, mejuffrouw

Westerman, de heer Heukels, mevrouw Bakker—

Nort, de heeren Staalman, van der Waerden, Colijn, van

Gijn, Braat, van den Tempel, Ter Hall, Bierema, de Monté

verLoren. Dresselhuys, K. ter Laan, Lovink, IJzerman,

Hermans, de Boer, van Zadelhoff, Zijlstra, Suring, Schokking.

Tilcnus, Xolons, Fntten, Bnmans, de Wilde, lixifsyers,

Weitkamp, van den Heuvel, Schouten, de Groot ( Boon,

Snoeck Henkemans, Fruytier, Krijger, van Schaik, van

Braambeek, mejuffrouw Meijer, de heeren Gerritsen. Hiemstra,

Duymaer van Twist, Marcliant, Kersten, Visscher,

van Ravesteijn, mejuffrouw Katz, de heer van Rappard,

en de heeren Ministers van Financiën en van Arbeid,

Handel en Nijverheid.

De Voorzitter: Ik deel aan de Kamer mede:

A. dat zijn ingekomen:

1°. berichten van leden, die verhinderd zijn de vergadering

bij te wonen: van den heer Vliegen, wegens verhuizing;

van den heer de Boer, gisteren, wegens een vergadering

elders.

Deze berichten worden voor kennisgeving aangenomen;

2°. de volgende adressen:

een, betreffende het ontwerp van wet tot vaststelling

eener nieuwe Tariefwet, van den voorzitter en den seci'etaris

namens het bestuur der Vereeniging van Nederian iselie

Grossiers in horloges, te Amsterdam j

een, betreffende het ontwerp van wet tot wijziging van

de Gemeentewet met betrekking tot de plaatselijke belastin-

(Voorzitter e. a.)

gen, van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Gouda

en omstreken;

een, betreffende het ontwerp van wet lot wijziging van

art. 26 der Arbeidswet 1919, van den voorzitter en den

waarnemenden secretaris namens het dagelijksch bestuur

van het Verbond van Nederlandsche Fabrikanten-Vereenigingen,

te 's Gravenhage.

Deze verzoekschriften zullen worden gezonden aan

de betrokken Commissie van Rapporteurs;

3°. de volgende motiën:

twee, betreffende de opeenvolgende salarisverlagingen van

het personeel in 's Rijks dienst, aangenomen door de af


306

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

186. Wijziging van artikel 26 der Arbeidswet 1919.

(Schaper e. a.)

De heer Schaper: Mijnheer de Voorzitter! Ik zal niet een

(kort woord mijn stem betreffende dit wetsontwerp motiveeren,

en stel daarbij voorop, dat dit wetsontwerp onze stem

niet zal kunnen krijgen. Ik wil niet ontkennen, dat de

Memorie van Antwoord op mij den indruk heeft gemaalkt,

dat de Minister zelf met ernst over deze zaak heeft gedacht

en dat hij onder den indruk is van het moeilijke van dit

voorstel. Overtuigd heeft dat Staatsstulk mij echter niet. De

argumentatie is voor mij niet afdoende. Wij kunnen onmogelijk

de verantwoordelijkheid voor een maatregel als

hier wordt voorgesteld op ons nemen. Ik wil niet beweren,

dat wij Kamerleden volikomen afdoende alles kunnen beoordeelen.

Er kunnen zich dingen van internen aard voordoen,

waarbij wij niet over voldoende materiaal beschikken om

alles te Ikunnen overzien. Maar de houding van den Minister

lijkt ons zoo, dat hij als het ware murw gemaakt is door de

werkgevers, en daarom kunnen wij hem niet volgen zonder

voldoende gegevens.

Wij hebben hier te doen met een gewichtige overgangsbepaling,

waarvan gebruik gemaalkt wordt om de jeugd

langer dan 8 uur per dag te laten werken, om dus de jeugd

te doen uitbuiten door het ondernemerdom. De arbeidswetgeving'

is ook in ons land begonnen met de bescherming van

het kind; dat was het eerste begin van alle 'bescherming van

den arbeid. Nu wij als norm den 8-urigen wertkdag hebben

voor de volwassenen, moeten wij dus dubbel oppassen, dat

de kinderen niet door het kapitaal worden gebruikt om

arbeid te verrichten in strijd met de belangen van de volksgezondheid

en de volkskracht. Het komt mij voor, dat de

industrie zich hier heeft te schikken naar de normen van de

Arbeidswet. Om daarvoor nu weer twee jaar respijt te

geven, daartegen zien wij op. De Minister is pas op het

laatste oogenblilk tot de overtuiging gekomen, dat deze maatregel

genomen moest worden, want toen de laatste wijziging

van de Arbeidswet hier aan de orde was, was hij daarvan

blijkbaar nog niet overtuigd. Ik ben echter niet overtuigd,

dat de Minister niet eenvoudig had kunnen zeggen tegen de

werkgevers: Dat gaat niet; wij moeten nu ophouden. Ik zie

oolk niet in, dat de Minister over twee jaar — wanneer hij

hier dan nog zit — wel de kracht zal hebben om dat te

zeggen.

Wij hebben hier te doen met loopende vergunningen. Kan

de Minister verzekeren, dat het, wanneer deze vergunningen

geëindigd zijn, afgeloopen zal zijn, met het gebruilk maken

van dit artikel? Ik vrees van niet. In elk geval kunnen wij

de verantwoordelijfkheid voor een dergelijke verzwakking

van de Arbeidswet niet op ons nemen. Het komt ons voor,

dat dit niet moet gebeuren, en om die reden zullen ik en mijn

politieke vrienden dan ook tegen dit ontwerp •temmen.

De heer Smeenk: Mijnheer de Voorzitter! Niet dan noode

zal ik in verband met de moeilijke tijdsomstandigheden mijn

stem aan dit wetsontwerp geven. Ik doe dat in het vertrouwen,

dat slecbts bij zeer hooge uitzondering vergunningen

zullen worden verleend. Ik dring er bij den Minister

op aan, dat hij de bestaande vergunningen allengs vermindere,

zoodat over twee jaar geen nieuwe verlenging van dezen

termijn behoeft te worden toegestaan. Op verlenging voor

langer dan tot 1926 mag ook door de industrieelen stellig

niet worden gerekend.

Dit moet vaststaan. Waar evenwel de bijzondere tij ds •

omstandigheden thans hier en daar op beperkte schaal veroorzaken,

dat overwerkvergunningen, die zonder vergunningen

ook voor jeugdige personen geen effect kunnen sorteeren,

noodzakelijk zijn, zal ik mijn stem aan dit wetsontwerp

niet onthouden.

De heer Aalberse.Minister van Arbeid. Handel en Nijverheid:

Mijnheer de Voorzitter! Ik kan mij geheel aansluiten

bij hetgeen de laatste geachte spreker heeft gezegd. Geeft hij

slechts noode zijn stem aan dit wetsontwerp, hel zal uit de

toelichting en uit de Memorie van Antwcord wel voldoende

aan de Kamer gebleken zijn, dat ik niet dan noode overgegaan

ben_ tot de indiening van dit wetsontweri).

Het feit, dat die indiening eigenlijk te laat heeft plaats

(Minister Aalberse.)

gehad, waarvoor ik in andere omstandigheden zou moeten

beginnen met mijn verontschuldiging aan de Kamer aan te

bieden, is in dit geval het beste bewijs, dat het wantrouwen,

waarvan de heer Schaper blijk gat', toch inderdaad niet verdiend

is.

Hoe stond de zaak? Ik was vast van plan om niet het

initiatief tot een verlenging van den termijn te nemen. De

gehecle wijze, waarop ik gebruik heb gemaakt van de bevoegdbeid,

welke in dit artikel uitsluitend en persoonlijk aan

den Minister wordt gegeven — dus niet aan de Arbeidsinspectie;

het betreft hier vergunningen welke de wet uitdrukkelijk

aan den Minister persoonlijk heeft voorbohouden

—, kan zelfs voor den heer Schaper wel een waarborg

zijn, dat er werkelijk niet anders van gebruik gemaakt is dan

in gevallen van zeer dringende noodzakelijkheid.

In de Memorie van Antwoord zijn eenige cijfers medegedeeld

over 1924. Wat betreft 1923, waaromtrent meer cijfers

te mijner beschikking zijn, kan ik dit mededeelen: in dat jaar

zijn in het geheel 15 216 eigenlijke overwerkvergunningen

gegeven; daarvan waren er 6317 voor een maand en langer,

dus overwerkvergunningen van ernige beteekenis. De andere

waren vergunningen van enkele dagen.

Naast die 6317 overwerkvergunningen voor een maand of

langer zijn gegeven 29 vergunningen krachtens dit artikel.

Men zal begrijpen, dat er een zeer groote aandrang op den

Minister is uitgeoefend om meer van dergelijke vergunningen

te yerleenen. Vooral in den aanvang heeft zender eenigen

twijfel de zeer sterke beperking, welke ik in acht genomen

heb wat betreft den overarbeid van deze jeugdige personen,

het verschillenden industrieën niet gemakkelijk gemaakt om

zich aan de Arbeidswet aan te passen. In het eerste jaar zijn

er dan ook meer gegeven. Dat was ook de bedoeling der overgangsbepaling.

Maar er is van het eerste begin af aan, dat

ik begonnen ben met de uitvoering der Arbeidswet, naar

gestreefd om zoo kras mogelijk in te gaan tegen alle verzoeken

om overwerkvergunning voor jeugdige personen beneden 16

jaar. Geleidelijk zijn ze dan ook ingekrompen, zoodat in het

3de jaar, dat do wet werkt, op de ruim 6000 overwerkvergunningen

van langeren duur voor personen van 16 jaar of ouder

er niet meer dan 29 zijn geweest voor jeugdige personen van

14 en 15 jaar.

De heer Schaper: Dat is 30 te veel!

P, e hf_ er Aalberse. Minister van Arbeid, Handel en Nijverheid:

Wanneer de heer Schaper in mijn plaats was geweest

en had gestaan voor de verantwoordelijkheid van een afwijzende

beschikking, dan weet ik niet,'of hij dan ook niet

even verstandig zou geweest zijn als ik meen dat ik in die

omstandigheden wel geweest ben.

Men moet zeker deze zaak niet te licht nemen. Ik neem

het inderdaad niet te licht, wat betreft dezen arbeid voor

jeugdige personen. Ik vind het ernstig voor deze kinderen,

die pas de school verlaten hebben, om 8| uur in de fabriek

te moeten gaan werken. Dat is een overgang voor die kinderen,

welke buitengewoon groot en ernstig en zwaar is.

Vandaar dan ook, dat ik mij altijd, als het maar eenigszius

mogelijk is, er tegen verzet om toe te staan, dat die aibeïdsdag

van 8| uur nog zou worden verlengd.

Maar men moet toch, wanneer werkelijk ernstige gevallen

zich voordoen, den moed hebben om te zien wat de

werkelijkheid is. Wanneer ik dan sta voor de keuze, dat een

industrie voor geruimen tijd stopgezet moet worden, tenzij

men gelegenheid geeft het verlies eenigermate te verkleinen

door het gebeele personeel langer te laten werken, omdat

het overwerk van de volwassenen geen voldoende productiviteit

heeft, wanneer niet te gelijker tijd een gedeeltelijk*

overwerkvergunning voor jeugdige personen gegeven worde,

dan staat men voor de keuze het kwaad, dat zit in den toestand

van de overwerkvergunning voor die 14-, 15-jarigen.

af te meten aan dat andere kwaad, dat het geheele personeel

maandenlang op de keien komt te staan en geen voldoende

levensonderhoud zou hebben.

Dit is de keuze, waarvoor ik in die gevallen gesteld was,


307

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

186. Wijziging art. 26 der Arbeidswet 1919. — 66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Minister Aalbevse e. a.)

en alleen onder dergelijke omstandigheden ben ik er toe

overgegaan deze vergunning to geven.

Nu heeft de geachte afgevaardigde de heer Schaper een

vraag gesteld, die ik niet begrijp. Hij heeft gevraagd, of ik

van plan was om, wanneer de loopende overwerk vergun -

ningen krachtens dit wetsontwerp waren afgeloopen, die dan

nog te verlengen. Mijnteer de Voorzitter! Er loopt er op het

oogenblik geen een, ze zijn alle afgeloopen 23 October. De

vraag is alleen, of er nog eenige zullen gegeven worden.

Daarop kan ik alleen zeggen, dat ze altijd gegeven zijn,

krachtens dit artikel, voor betrekkelijk korten termijn en

dat steeds opnieuw zal worden onderzocht, of inderdaad nog

dezelfde ernstige redenen aanwezig zijn, die aanleiding I

iven tot de verlenging als aanvankelijk aanwezig^ waren, j

f

u is het mij niet gegeven op dit oogenblik in te zien, hoe j

over drie of over zes maanden de toestanden in deze zelfde

industrieën zullen zijn. Indien die toestanden precies |

dezelfde zijn en precies dezelfde argumenten gelden, dan j

geloof ik, dat de Minister, belast met de uitvoering van de j

wet, van zijn bevoegdheid krachtens dit artikel ook dan zal

moeten gebruik maken. Zijn de omstandigheden eenigszins |

anders, meent hij, dat het eenigszins mogelijk is, dat de '

industrie zich redden kan zonder die vergunningen, dan zou

die Minister m.i. zijn plicht verzaken, indien hij toch doorging

mot die vergunning te geven. Dit is het antwoord, dat

ik op die vraag geven kan.

De vraag van den heer Smeenk heb ik eigenlijk reeds

beantwoord. De heer Smeenk vraagt, of de bedoeling is,

deze vergunningen steeds zoozeer in te krimpen, dat wij geleidelijk

komen tot het niet meer geven van die vergunningen.

Dat is inderdaad van het begin af aan de bedoeling

geweest. Het aantal is geleidelijk verminderd en is op dit

oogenblik tot een minimum beperkt. Ik heb precies medegedeeld,

hoeveel er op 23 October nog loopende waren, en dat

het aantal vergroot zal worden acht ik bijna uitgesloten,

maar ik moet ook hier het voorbehoud maken, dat ik niet

kan weten voor welke plotselinge gevallen ik in de toekomst

kan komen te staan. De bedoeling is evenwol, om geheel te

handelen in den geest van den heer Smeenk, welke ook mijn

geest is, om van dit artikel niet dan bij dringende noodzaak

gebruik_ te maken en het zooveel daarheen te drijven, dat de

industrie zich moet trachten te redden zonder den arbeid

van deze jeugdige personen.

De algemeene beraadslaging wordt gesloten.

De artikelen I en II, zoomede de beweegreden van het

ontwerp van wet, worden achtereenvolgens zonder beraadslaging

en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Het ontwerp van wet wordt op verzoek van den heer

Schaper in stemming gebracht en met 61 tegen 19 stemmen

aangenomen.

Vóór hebben gestemd de heeren van Dijk. Kuiper, Loerakker,

mejuffrouw Westerman, de heeren Heukels, Staalman,

Colijn. van Gijn, Braat, Ter Hall, Bierema, de Monté

ver Loren, Dresselhuys, Lovink, Hermans, de Boer, Zijlstra,

Suring, Schokking, Tilanus, Nolens, Rutten, Bomans, de

Wilde, Rutgers, Weitkamp, van den Heuvel, Schouten, de

Groot, Boon. Snoeck Henkemans, Fruytier, Krijger, van

Schaik, mejuffrouw Meijer, de heeren Gerritzen, Scheurer,

van de Bilt, Rutgers van Rozenburg, Ament, Fleskens,

Beumer, van der Molen, Bakker, Michielsen, van Sasse van

Ysselt.__ mevrouw Bronsveld—Vitringa, de heeren Knigge,

van Riickevorsel, Bongaerts, Wintormans, Engels, Bulten,

Smeenk. Leenstra, Feber, van Rijzewijk, Deckers, van

Vuuren, van Voorst tot Voorst en de Voorzitter.

Tegen hebben gestemd de heer Albarda, mejuffrouw Groeneweg,

de heeren Kleerekoper, Schaper, Brautigam, Troelstra,

mevrouw Bakker—Nort, de heeren van der Waerden,

van den Tempel, K. ter Laan, IJzerman, van Zadelhof f,

van Braambeek, Hiemstra, Duys, Ebels, Ketelaar, Sannes

«n Wijkamp.

(de Monté ver Loren e. a.)

Aan de orde is de behandeling van het ontwerp van wet

tot vaststelling eener nieuwe Tariefwet (66).

De heer de Monté ver Loren, voorzitter van de Commissie

van Rapporteurs, brengt het volgend Verslag uit:

In handen der Commissie is het volgende verzoekschrift

gesteld (n°. 210) van de Vereeniging van Nederlandsche

Grossiers in Horloges, te Amsterdam.

Adressante acht de voorgestelde verhooging van het invoerrecht

op horloges niet in het belang van den handel in

uurwerken, te meer, omdat, behalve het gewone verschuldigde

invoerrecht op horloges, welke uit edel metaal zijn

samengesteld, nog een surtaxe wordt geheven, welke in den

laatsten tijd is verhoogd met 100 pet. ingevolge de gewijzigde

Waarborgwet. Door verminderde koopkracht, als

gevolg van verhooging van invoerrecht, zal, naar adressante

meent, de invoer van horloges belangrijk dalen en de fiscus

dus weinig gebaat zijn. Verzocht wordt het artikel horloges

niet met een verhoogd invoerrecht te belasten.

De Commissie stelt voor, dit adres neder te leggen ter

griffie, ter inzage van de leden.

De Kamer vereenigt zich met de voorgestelde conclusie.

Beraadslaging over volgnummer 83, luidende:

„Mangels, waschmachines, wringmachines en waschborden

voor het opmaken en wasschen van linnengoed,

welke onderscheidenlijk een gewicht hebben van 125,

60, 20 en 5 kilogram of minder, en wringmachinerollen

(gummirollen op metalen of andere spil), welke een gewicht

hebben van 3 kilogram of minder. Maatstaf:

waarde. Rechten: 8 pet.",

waarop zijn ingediend de volgende amendementen:

I. een, door den heer Vliegen (Stuk n°. 5, IX), strekkendo

om in plaats van 8 pet. te lezen: 5 pet.;

II. een, van mevrouw Bakker—Nort (Stuk n°. 7), van

dezelfde strekking;

III. een, van den heer van Gijn (Stuk n°. 14, III), strekkende

om het volgnummer te doen vervallen.

De heer IJzerman verkrijgt het woord tot toelichting van

het amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Ik wil de

toelichting van dit amendement beginnen met te erkennen,

dat het invoerrecht, dat van deze werktuigen en gereedschappen

geheven zal worden, wanneer zij voor den arbeid

in het huisgezin worden gebezigd, ligt in de lijn van de

beginselen, welke de samenstelling van dit tarief beheerscht

hebben.

Maar dit pleit meer tegen die beginselen dan tegen dit

amendement.

Want de consequentie van die beginselen is in dit geval

wel bijzonder onbillijk.

Zij leidt er toe, dat men wel die arbeidsmiddelen onbelast

laat. wanneer ze in het bedrijf van een waschinrichting gebruikt

worden, terwijl men ze met 8 pet. belast, wanneer

ze gebruikt worden door do huisvrouw, die toch waarlijk

niet uit weelde de wasch binnenshuis doet, of door de vrouw,

die, evenmin uit weelde, dit werk voor andere vrouwen verricht.

In alle gemeenten, waar voor de minvermogende huisvrouwen

geen goedkoope waschinrichting bestaat — en dus

in verreweg de meeste gemeenten—, zal deze tariefsherziening

ten gevolge hebben, dat dit invoerrecht speciaal en

biina geheel op de minvermogenden drukt.

Ik hoop daarom, dat de Regeering zal inzien, dat deze

consequentie toch tot al te ongewenschte verhoudingen leidt.

Moge Zijn Excellentie bedenken, dat „jede Konsequenz'

ons kan brengen bij iemand, op wiens gezelschap hij zeker

weinig prijs zal stellen. _ ,

Ik geef daarom Zijn Excellentie in overweging, zich desnoods

aan een inconsequentie — in dit geval een beminnelijke


308

14do VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(IJzerman ca.)

inconsequentie — schuldig te maken, door dit amendement

over te nemen.

Het amendement van den heer Vliegen (Stuk n°. 5, IX)

is mede-onderteekend door de heeren van der Waerden en

IJzerman en wordt ondersteund door de heeren Wijkamp,

Alharda en mejuffrouw Groeneweg en maakt mitsdien een

onderwerp van beraadslaging uit.

Mevrouw Bakker—Nort verkrijgt het woord tot toelichting

van haar amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter:

Ik zal zeer kort zijn met de toelichting van dit amendement.

Er waren twee gronden, de eene is reeds aangevoerd door

'den heer IJzerman, dat de in post 83 genoemde artikelen

hulpmiddelen zijn in de huishouding voor elke huisvrouw,

ter bevordering van de reinheid en de hygiëne. Er is nog

een ernstiger grond, nl. dat deze artikelen de hulpmiddelen

zijn voor de arme waschvrouw, die het brood voor haar gezin

moet verdienen met deze hulpmiddelen. Weer op dezelfde

gronden als bij volgnummer 56 meen ik, dat deze artikelen

niet zoo zwaar mogen worden belast. Ik heb niet algeheel»

vrijstelling bepleit, omdat ik weet, dat de Minister uit dit

ontwerp een verhooging van inkomsten verwacht en dit dus

geen kans van slagen heeft. Ik heb dus een zeer bescheiden

amendement voorgesteld, om het tarief van 8 pet. te brengen

op ö pet. en hoop, dat de Minister daarmede zal kunnen

meegaan.

De Voorzitter: Als ik het goed zie, zijn de amendementen

van den heer Vliegen en van mevrouw Bakker—Nort

dezelfde. Het zal dus het beste zijn, dat een van die twee

amendementen wordt ingetrokken. Ik denk, dat de heer

IJzerman uit hoffelijkheid tegenover mevrouw Bakker—Nort

het zijne wil intrekken • zoo ja, dan blijft alleen over het

amendement van mevrouw Bakker—Nort.

De heer IJzerman : Wij trekken ons amendement in, Mijnheer

de Voorzitter!

Aangezien het amendement van den heer Vliegen (Shik

n°. 5, IX) is ingetrokken, maakt het geen onderwerp van

beraadslaging meer uit.

De Voorzitter: Ik mag nu aannemen, dat de leden, die

het gelijkluidend amendement van den heer Vliegen hebben

gesteund, dat van mevrouw Bakker—Nort steunen.

De heer van Oijn verkrijgt het woord tot toelichting van

zijn amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Gaarne

zou ik een enkel woord over deze zaak zeggen.

De Voorzitter: Alleen tot toelichting van uw amendement

!

De heer van Gijn: Mijnheer de Voorzitter! Dit amendement

is, zooals u bekend is een van de zes amendementen,

waarin een zeker systeem ligt. Ik geef toe, dat er in de

beide gevallen die tot nog toe aan de orde waren, iets dubieus

was. Wel is waar begrijp ik niet wat de Minister van de

electromotoren gezegd heeft, maar er was zeker wel een

grond van waarheid in de opmerking, die de Minister

maakte ten aanzien van de stofzuigers, dat zij ook wel

worden gebruikt bij wijze van luxe. _

Dit laatste bezwaar kan zeker hier niet gelden, want ik

heb nooit gehoord van iemand, die bij wijze van luxe aan

de waschtobbe ging staan of er een wringmachine op na

hield als weeldeartikel. Hier is een zeer sterk geval van

hetgeen ik in dit artikel afkeur, dat het de productie in

het D gr oot vrijlaat, maar dat het de productie m het klein,

en speciaal de productie voor het gezin, niet als productie

beschouwt, maar als consumptie. Wanneer een mangel of

een wringmachine in een fabriek staat, dan dient zij voor

de productie van schoon goed maar wanneer een mangel in

het huisgezin wordt gebruikt, dan schijnt het volgens

(van Gijn e. a.)

den Minister een artikel van consumptie, en wie met de

mangel mangelt, consumeert den mangel. Dat is de opzet van

het tarief, maar die opzet is in casu in strijd met de werke-

1 ijkheid.

Het gaat hier echter niet alleen over de huisvrouwen,

maar ook de kleine producenten, de kleine waschbaas en de

kleine waschvrouw, zijn hierbij in sterke mate betrokken.

De Minister zal zeker niet zeggen, dat die personen, die het

bedrijf in het klein uitoefenen, den mangel consumeeren.

De Regeering, die zooveel mogelijk de vrouwen uit het

beroep en het bedrijf naar het huisgezin terugdrijft, zal

zeker willen, dat de vrouw thuis ook nuttig is. De Minister

zal dan ook moeten toegeven, dat een vrouw, die buitenshuis

niets meer verdienen kan en die daarom naar het huisgezin

teruggaat, zeker in de eerste plaats zal willen besparen op

de kosten van de wasch. Maar, dan is het ook hoogst onbillijk,

te zeggen: wat de vrouw nu thuis doet, is nutteloos, het

is geen productie, maar het is consumeeren van mangels,

wringmachines en dergelijke.

In dit geval gaat het in hoofdzaak over den vrouwenarbeid,

en daarom breng ik dit argument sterk op den voorgrond.

Ik zou het zeer betreuren, als de Regeering den

vrouwenarbeid disqualificeerde door het handhaven van

deze bepaling.

Ik wil hierbij nog opmerken, dat een vrijstelling van alle

werktuigen, die voor het wasschen bestemd zijn, ook zeer

wenschelijk is uit een oogpunt van hygiëne. Onze natie heeft

een eerepunt, nl., dat zij de zindelijkste is van de wereld,

laat het dan niet zijn op eigen lichaam — dat schijnt men

niet zoo noodig te vinden —, maar wel op wat zij draagt.

Maar zelfs die eer zou de Nederlandsche natie worden ontnomen,

wanneer de vreemdeling zag, dat de Regeering een

recht van 8 pet. wil heffen op de toestellen, die noodig zijn

om die zindelijkheid mogelijk te maken.

De Voorzitter: Ik zal niet vragen, of het amendement

van den heer van Gijn wordt ondersteund, omdat het geea

amendement is. Als de geachte afgevaardigde bezwaar heeft

tegen het volgnummer, kan hij straks er tegenstemmen.

Mejuffrouw Meijer: Mijnheer de Voorzitter! Naar aanleiding

van het amendement, ingediend op dit volgnummer

door mevrouw Bakker—Nort, zou ik gaarne een enkel woord

willen zeggen. Ik zelf voel er ook voor, om de huisvrouwen

hierin te gemoet te komen: mangels, waschmachines, wringmachines

zijn toch hulpmiddelen, die in vele huisgezinnen

worden gebruikt, vooral in die van minder welgestelden,

waar de wasch geheel in huis wordt behandeld. De personen,

die deze aitikelen koopen, koopen ze voor eigen gebruik, en

deze uitgaaf vordert een belangrijk bedrag, zoodat de vermeerdering

der kosten met 3 pet. dan ook zeker door hen zal

worden gevoeld.

Naar ik meen te weten, zal de bate, welke dit artikel voor

de schatkist oplevert, niet groot zijn.

Ook bestaat er geen samenhang met andere posten. Het

lijkt mij dus een goed amendement en ik hoop daarom te

mogen aannemen, dat er voor Zijn Excellentie gern bezwaar

bestaat, het amendement over te nemen en het recht op 5 pet.

te bepalen.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Ik zal eerst een enkel woord zeggen over het overgeblevcn

amendement van mevrouw Bakker—Nort, dat

betoogt, het recht terug te brengen van 8 op 6 pet. Ofschoon

men niet alle min of meer pathetische beschouwingen, die

daarover zijn gevoerd, voor zijn rekening behoeft te nemen,

is er, dunkt mij, wel aanleiding, om te gemoet te komen aan

den wensch, die van zoo verschillende zijden in de Kamer is

uitgesprolken. Ilk neem dus het amendement over.

Aangezien het amendement van mevrouw Bakker—Nort

(Stuk n°. 7) door de Regeering is overgenomen, maakt het

geen onderwerp van beraadslaging meer uit.


Vel 80. 309 Tweede Kamer.

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Minister Colijn e. a.)

De heer Colijn, Minister van Einanciën: Mijnheer de Voorzitter!

Ik wil nog een enkel woord zeggen over den nu gewijzigden

post, in antwoord op hetgeen de heer van Gijn als

bezwaar heeft aangevoerd. Ik vertrouw, dat de bezwaren J

van den geachten afgevaardigde door overneming van het ;

amendement op niet onbelangrijke wijze gereduceerd ziin, j

al erken ik. dat daarmee niet ten volle aan zijn wenschea

is te gemoet gekomen.

De heer van Gijn heeft een betoog opgezet over de disqualificatie,

die van de Eegeering zou uitgaan in zalke den

arbeid van de vrouw in huis tegenover den arbeid in industrieele

ondernemingen. Ik geloof, dat de heer van G'"n wat

erg sterk heeft gesproken, want wanneer men die gedachte

door het heele tarief heen zou willen volgen, zou elk artikel,

waarmee de vrouw op eenigerlei wijze in het huishouden

werkt, b. v. alle potten en pannen in de keuken, onder gelijk

gezichtspunt moeten worden behandeld, en ilk vrees, dat er

dan van vele posten in het tarief niet heel veel zou overblijven!

Ik meen dus, waar ik te gemoet ben gekomen aan

een wensch, die vrij algemeen in deze Kamer werd uitgesproken,

door den post te verlagen, den aldus verlaagden

post te moeten handhaven.

De heer van Gijn: Mijnheer de Voorzitter! De Minister

heeft gevraagd, of ik 'de consequentie zoover zou willen

trekken, dat alles waarmee de vrouw te maken beeft, uit het

tarief zou moeten worden geschrapt. Maar ik ben met mijn

amendementen juist zoover niet gegaan. Ik heb een zeer

logische grens getrokken: al het werk, dat zoowel binnens. als

buitenshuis wordt gedaan, mag worden beschouwd als productie,

en nu is er geen reden, om die productie in het klein

te belasten en de productie in het groot niet.

Wanneer de Mini&ter zegt, dat men voor 'het heele tarief

heen consequent moet zijn, merk ik op, dat de Minister dan

ook het amendement van mevrouw Bakker—Nort niet had

moeten overnemen, want die verlaging op 5 pet. zou dan nu

ook in het heele tarief moeten worden doorgewerkt.

Mijnheer de Voorzitter! Ik handhaaf mijn bezwaar tegen

dezen post en zal daarover stemming viagen.

De Voorzitter: Ik neem aan, dat de Commissie van Rapporteurs

tegen de door de Regeering aangebrachte wijziging

geen bezwaar heeft.

De beraadslaging wordt gesloten.

De Voorzitter: Ik geef het woord aan den heer van der

Waerden, tot motiveering van zijn stem.

De heer van der Waerden: Mijnheer de Voorzitter! Een

enkel woord om mijn stem te motiveeren. Het zou anders

vreemd kunnen worden gevonden, wanneer wij ook tegen

dezen gewijzigden post — die in overeenstemming is met

ons amendement — onze stem uitbrengen. Wij waren echter

van oordeel, dat wij, om succes te hebben, ten hoogste konden

vragen vermindering van 8 op 5 pet., maar dat wil

niet zeggen, dat wij niet waren vóór geheele vrijstelling.

Wij hebben alleen daartoe geen amendement ingediend,

omdat wij meenden, dat het uiterste wat te bereiken was,

is 5 pet. Maar nu eenmaal stemming wordt gevraagd, zullen

wij ook tegen den gewijzigden post onze stem uitbrrTi-

Het gewijzigd volgnummer 83, waarvan in de kolom

Rechten het cijfer ,,8" gewijzigd is in ,,5", wordt aangenomen

met 51 tegen 31 stemmen.

Vóór hebben gestemd de heeren de Monté ver Loren,

Loviuk, Hermans, Zijlstra, Suring, Schokking, Tilanus,

Nolens, Rutten, Bomans, de Wilde, Rutgers, Weitkamp,

van den Heuvel, Schouten, Snoeck Henkemans, Fruytier,

Krijger, van Schaik, mejuffrouw Meijer, de heeren Duymaer

van Twist, Scheurer, van de Bilt, Rutgers van Rozenburg,

Ament, FlesJkens, Beumer, van der Molen, Bakker. MichieU

sen, van Sasse van Ysselt, mevrouw Bronsveld—Vitringa,

de heeren Knigge, van Rijckevorsel, Bongaerts, Wintermans, 1

Handelingen der Staten-Generaal. — 1924—1925. — II.

I (Voorzitter e. a.)

Engels, Bulten, Smeenk, Leenstra, Feber, van Rijzewijk,

Deekers, van Vuuren, van Voorst tot Voorst, van Dijk,

Kuiper, Loerakker, Heukels, Colijn en de Voorzitter.

Tegen hebben gestemd de heeren van den Tempel, Ter

Hall, Bierema, Dresselhuys, K. ter Laan, IJzerman, de

Boer, van Zadelhoff, de Groot, Boon, van Braambeek, Gerritzen,

Hiemstra, Marchant, Duys, Ebels, Ketelaar, Sannes,

Wijkamp, Albarda, mejuffrouw Groeneweg, de heeren

Kitcekoper, Schaper, brautigara, Troel'.tw, ireiuffrouw

Westerman, mevrouw Bakker—Nort, de heeren Staalman,

van der Waerden, van Gijn en Braat.

Volgnummer 84 wordt zonder beraadslaging en zonder

hoofdelijke stemming aangenomen.

Beraadslaging over volgnummer 85, luidende:

„Manufacturen, weefsels, stoffen en vlechtwerken en

borduur-, haak-, kant-, knoop- en breiwerken van allerlei

aard (zoogenaamde entredeux en puntjes; lint, band,

kant, feston en ganieersel; servetten, tafellakens,

handdoeken, zakdoeken, dekens en netten; embrasses,

franjes, kwasten en passementen; borduurwerken met

aangegeven of gedeeltelijk voltooid borduurpatroon;

stoffen bedrukt, beschilderd of gebatikt; stoffen doorweekt

met vet, bekleed met rubber, glasgruis of zand,

bestreken met graphiet, asphalt of teer, of op eenigerlei

andere wijze voor een bepaald doel geschikt gemaakt;

stoffen waarvan, als bij imitatiebastband, de

draden of vezels door middel van lijm of andere kleefstof

worden bijeengehouden; haarvilt; wolvilt; was»

doek; leerdcek en dergelijke artikelen daaronder begrepen),

zoomede, met inachtneming van de Bijzondere

bepalingen, de met een en ander geheel of hoofdzakelijk

samengestelde werken en voorwerpen.

I. Jute weefsels en, met uitzondering van weefsels

en vlechtwerken van stroo, spaan, hout, bies of andere

dergelijke natuurproducten en van fabrikaten in koord-,

snoer-, touw- of buisvorm, andere tot den post behoorende

weefsels, vlechtwerken en stoffen, welke per 10

centimeter in het vierkant, meer draden hebben dau

30, maar niet meer dan 200, en per meter in het vierkant,

voor elke 10 draden, welke op den meter in het

vierkant voorkomen, een gewicht hebben van meer dan

2, maar niet meer dan 7 gram, zoowel aan het stuk,

als in niet verder bewerkte, uitsluitend uit zoodanige

stof bestaande stukken. Maatstaf: waarde. Bechten;

5 pet.

_ II. Niet van beugel.sluiting of metalen oogen,

ringen of kousen voorziene zakken( beddezakken, geld-,

wasch-, post- en monsterzakken en dergelijke zakken

daaronder begrepen), vervaardigd van de stoffen behoorende

tot onderdeel I, ook al mochten die zakken

inwendig zijn bekleed of beplakt met papier. Maatstaf:

waarde. Bechten: 5 pet.

III. Wit katoenen band, mits ingevoerd op rollen,

welke ten minste 100 meter bevatten, en waaromtrent

bij de visitatie door bestelorders of andere bescheiden

afdoende wordt aangetoond, dat het is bestemd om te

worden gebezigd als grondstof voor het samenstellen

van motoren en andere electrotechnische artikelen.

Maatstaf: waarde. Rechten: 5 pet.

IV. Overige tot den post behoorende artikelen.

Maatstaf: waarde. Rechten: 8 pet.

Bijzondere bepalingen.

I. Tot den post behooren niet:

a. weefsels en vlechtwerken en andere bij den post

genoemde fabrikaten, uitsluitend vervaardigd uit metaaldraad

of metaalband, dat niet is samengesteld met

papier, weefsel, garen of andere zelfstandigheden, welke

behooren tot een der posten nos. 41, 85 of 97;


310

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. (Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Voorzitter.)

o. artikelen, welke behooren tot een der posten nos.

11, 26, 41, 51, 53, 67, 108, 123 of 132, onderdeel I.

II. Wij behouden Ons voor, bij algenieenen maatregel

van bestuur, onder de noodige voorzieningen, vrijdom

van het volgens dezen post verschuldigd invoerrecht

te verleenen:

a. voor ongebleekt katoen ten gebruike der katoendrukkerijen

en ververijen;

0. voor ongebleekte en ongeverfde lakens, bestemd

om te worden gebruikt voor dekens in katoendrukkerijen.

III. Met inachtneming van het bepaalde sub IV

hierna, worden van het volgens den post verschuldigd

invoerrecht vrijgesteld:

1. Geknoopte, al dan niet getaande stof voor het vervaardigen

van netten, zoowel aan het stuk als in riet

verder bewerkte uitsluitend uit zoodanige stof bestaande

stukken, en de uit zoodanige stof vervaardigde vischnetten.

2. Zijden builgaas, zoowel aan het stuk, als in niet

verder bewerkte uitsluitend uit zoodanig gaas bestaande

stukken, en de met zoodanig gaas geheel of hoofdzakelijk

samengestelde builkleeden en builzakken.

3. Weefsels en stoffen, uitshiitend vervaardigd van

asbest, zoowel aan het stuk als in niet verder bewerkte

uitsluitend uit zoodanige stof bestaande stukken, en de

van zoodanige stof vervaardigde ringen, ringvormige

randen en doorboorde schijven.

4. Zeildoek, karldoek, scheerdoek, prezenningdoek,

en, met uitzondering van zoogenaamde kokosmat en

andere tapijt- en looperstof en van fabrikaten in koord-,

snoer-, touw- of buisvorm, andere tot den post behoorende

weefsels, vlechtwerken en stoffen, welke per vierkanten

meter een gewicht hebben van meer dan 800,

maar niet meer dan 1500 gram, zoowel aan het stuk als

in niet verder bewerkte, uitsluitend uit zoodanige stof

bestaande stukken, mits:

a. deze stoffen niet als fluweel, pluche, velours, velvet

en trijp, zijn voorzien van opstaande of liggende

haren of draden, of als imitatie-astrakan, zijn voorzien

van oogen of lussen;

b. deze stoffen geheel noch gedeeltelijk zijn vervaardigd

uit elastiek of elastiekgaren ; of uit wol, haar,

zijde of andere producten, welke zich bij verbranding

gedragen als een product van dierlijken aard, en niet

ziin bekleed of beplakt met amaril, glasgruis of zand,

of zijn bekleed, beplakt, bestreken of doortrokken met

caoutchouc, rubber of gutta-percha, of met eene zelfstandigheid,

welke op grond van Bijzondere bepaling

n°. 1 op post n°. 28 daarmede is gelijk te stellen;

c. van deze stoffen geen inslagdraden of niet meer

dan 1/10 van het aantal kettingdraden, of wanneer dit

1/10 meer bedraagt dan 8 draden, niet meer dan 8 kettingdraden

(getwijnde draden voor één te tellen), aan

het stuk of in de draden geheel of gedeeltelijk zijn geverf

d of bedrukt;

d. deze stoffen niet door middel van weven, drukken

of op eenigerlei andere wijze zijn voorzien van bloemen,

bladeren, blokken, lijnen, ruiten, strepen, patronen of

figuren, tenzij gevormd door het 1/10 aantal Kettingdraden

of door de 8 kettingdraden, bedoeld bij letter c

hiervoor.

5. Kaardenband, drijfriemenband en, met uitzondering

van zoogenaamde kokosmat en andere tapijt- en

looperstof en van fabrikaten in koord-, snoer-, touw- of

buisvorm, andere tot den post behoorende weefsels,

vlechtwerken en stoffen, welke per vierkanten meter een

gewicht hebben van 1500 gram of meer, zoowel aan het

stuk als in niet verder bewerkte uitsluitend uit zoodanige

stof bestaande stukken, mits:

«. deze stoffen niet, als fluweel, pluche, velours,

velvet en trijp, zijn voorzien van opstaande of liggende

haren of draden,'of als imitatie-astrakan, zijn voorzien

van oogen of lussen;

5'. deze stoffen niet door middel van weven, drukken

of op eenigerlei andere wijze zijn voorzien van bloemen,

bladeren, blokken, lijnen, ruiten, strepen, patronen of

figuren.

6. Geweven of gevlochten koord, snoer en touw, voor

het vervaardigen van pakkingstof, en (met uitzondering

van al dan niet van dradenkern voorzien hol- of pijpkoord

en van snoer, koord en touw met weefsel of vlecntwerk

bekleed of overtrokken) ander geweven of gevlochten

of met weefsel of vlechtwerk samengesteld koord,

snoer en touw (ook wanneer het is bestreken met vet of

graphiet, is ingelegd met catoiitchouc. rubber of gutta»

ercha, of eene zelfstandigheid, welke op grond van

Êajzondere bepaling n°. 1 op post n°. 28 daarmede is

gelijk te stellen, of is gevuld met asbest, gips, mica,

kurk, kieselguhr of dergelijke stof), dat per strekkenden

meter, per decimeter omtrek (onderdeelen van decimeters

niet te verwaarloozen), een gewicht heeft van 150 gram

of meer, zoowel aan het stuk, als in niet verder bewerkte,

uitsluitend uit zoodanig koord, snoer of touw bestaande

stukken, mits:

a. deze fabriknten, geheel noch gedeeltelijk zijn vervaardigd

uit wol, haar, zijde of andere producten, welke

zich bij verbranding gedrageu als een product van dierlijken

aard;

o. deze fabrikaten (bestrijken met graphiet en vet

buiten aanmerking gelaten), niet zijn geverfd of gekleurd,

of uit geverfde, gekleurde of bedrukte draden

zijn samengesteld;

c. deze fabrikaten niet door middel van weven, drukken

of op eenigerlei andere wijze zijn voorzien van bloemen,

bladeren, blokken, lijnen, ruiten, strepen, patronen

of figuren.

7. Scheepszeilen, en, voor zoover zij een gewicht

hebben van 25 Ikilogram of meer en worden ingevoerd

in ruit-, rechthoek" of vierkantvorm, brand- en reddingszeilen,

dekkleeden en niet op garnituur gemonteerde

tent-, wagen- en rijtuigkleeden; een en ander

mits vervaardigd van de stoffen vrijgesteld sub 4 hiervoor.

8. Drijfriemen en transportbanden, en, wanneer aan

derzelver bestemming om te dienen als werktuigen of

toestellen of als onderdeelen of toebehooren daarvan,

niet wordt getwijfeld, buil-, filter- en perszakken, buil-,

filter- en perskleeden en andere dergelijke als bedrij f 3-

hulpmiddel gebezigde artikelen, een en ander voor zoover

vervaardigd van de stoffen vrijgesteld sub 4 of ')

biervoor, zoomede de van zoodanige stoffen vervaardigde

ringen, ringvormige randen en doorboorde schijvcn.

kennelijk bestemd om te worden gebezigd om bij

worlktuigen, toestellen en buizen, uitstraling of toetreding

van warmte, het ontsnappen van stoom, gas of

vloeistoffen, of geraas of trilling te voorkomen.

9. Zoogenaamde rondgeweven wolvilten,_ en drukdekens

met gutta-percha overtrek, vervaardigd van de

stoffen vrijgesteld sub 5 hiervoor, of aan welker bestemming

om te worden gebezigd als onderdeel van werktuigen

en toestellen niet wordt getwijfeld.

10. Olielinnen, oliebuis, oliekous en andere op dergelijke

wijze geprepareerde weefsels en stoffen, waaromtrent

bij de visitatie door bestelorders of andere bescheiden

afdoende wordt aangetoond, dat zij zijn bestemd

om te worden gebezigd als grondstof voor het samenstellen

van motoren en andere electroterhnische artikelen.

11. Reddingsboeien en scheepsstootzakken.

12. Land-, zee- en hemelkaarten, welke, gemeten

binnen de rolhouten, zoo die aanwezig zijn, eene oppervlakte

hebben van 60 vierkante decimeter of meer, mits

(de enkele vermelding in een der hoeken of randen, van

naam en adres van drukker en uitgever en op de kaart

betrekking hebbende wapens en vlaggen buiten aanmerking

gelaten) niet bedrukt met eenigerlei reclame


311

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Voorzitter.)

of andere niet tot de eigenlijke kaart 'behoorende aanduiding

in letters, cijfers, teekens of figuren.

13. Op schildersdoek aangebrachte, al dan niet op

raam gespanen, al dan niet voltooide schetsen, schilderstukken

of teekeningen, zoomede geschilderde of geteekende

kakemono's en makimono's, een en ander mits

niet voorzien van eenigerlei reclame of andere niet tot

de eigenlijke schildering of teekening behoorende aanduiding

en letters, cijfers, teekens of figuren, en met

uitzondering van artikelen als zoogenaamde peinture

Bogaerts en dergelijke, welke slechts gedeeltelijk door

schilderen of teekenen zijn verkregen.

14. Vlechtwerken van stroo of spaan, of van niet

tot garen of draad gesponnen hennep, rameh of andere

plantenvezels, in niet aaneengehechte reepen of strooken,

welke eene breedte hebben van 3 centimeter of

minder en eene lengte van 3 meter of meer, oolk al bevinden

zich in die reepen of strooken emkele katoenen

draden.

16. Stroohulzen.

16. Lompen, zoomede resten van weefsels en stoffen,

welke in verband met hunnen aard en den toestand

waarin zij worden ingevoerd, met lompen zijn gelijk te

stellen.

IV. Regelen voor de toepassing.

1. Voor de toepassing van onderdeel I van den post

en van sub III nos. 1 tot en met 6 van de Bijzondere

bepalingen, als manufacturen, weefsels, stoffen en

andere tot den post behoorende artikelen ,,aan het

stuk", met inachtneming van het bepaalde hierna,

alleen aan te merken, niet met andere zelfstandigheden

verbonden fabrikaten welke eene lengte hebben van

8 meter of meer, en, als stukken bukskin, feston en kant,

worden begrensd door vier zijden, waarvan de twee van

zelfkant of af hechting voorziene zijden, of, zoo deze

ontbreekt, de twee langste zijden, over de geheele

lengte van het stuk met elkander evenwijdig loopen, en

waarvan de beide overige zijden niet door middel van

zelfkant, afhechting, het aanbrengen van franje of op

eenigerlei andere dergelijke wijze zijn afgewerkt of afgesloten.

2. Als lengte, met inachtneming van het bepaalde

bij de nos. 3, 4, 5 en 6 hierna, te nemen de gemiddelde

lengte van de twee van zelfkant of afhechting voorziene

zijden, welke aan elkander evenwijdig loopen, in andere

gevallen de gemiddelde lengte van de aan elkander

evenwijdig loopende langste zijden.

3. Voor weefsels, vlechtwerken en andere tot den

post behoorende artikelen, opgemaakt uit meer dan eene

lengte, als lengte aan te nemen de lengte van elk der

stukken voor de opmaking gebezigd.

4. Bij stoffen met zoogenaamden valschen zelfkant

(stoffen, waarbij behalve de gewone zelfkant aan de

uiteinden van het stuk, ook in het midden van het stuk

een of meer zelfkanten of tusschenruimten voorkomen),

en bij stoffen, welke als aaneengeweven servetten,

handdoeken, en zakdoeken, blijkens een daarop aangebraoht

patroon, of een daarin voorkomende indeeling,

blijkbaar zijn bestemd om op bepaalde plaatsen te worden

gescheiden of vaneengeknipt, als lengte te nemen de

lengte der af te scheiden stukken, (zelfkant en tusschenruimte

niet medegemeten).

5. Van weefsels en stoffen, waarvan de uiteinden op

eenigerlei wijze zijn verbonden of aaneengehecht (randgeweven

en rondgevlochten artikelen daaronder begrepen),

zal de omtrek worden genomen als breedte, wanneer

die omtrek minder is dan 2 meter, als lengte, wanneer

die omtrek is 2 meter of meer.

6. Bij het opnemen der afmetingen (met inachtneming

van het bepaalde hiervoor) zelfkant, afhechting, |

franje, enz. mede te meten. Bij het meten van feston,

kant en franje, en van stoffen van feston, kant of franje

voorzien en dergelijke artikelen, te meten volgens de

li]n of lijnen, welke de meest uitstekende punten vereenigt.

# 7. Als niet verder bewerkte stukken voor de toepassing

van onderdeel I van den post en van sub III nos. 1

tot en met 6 van de Bijzondere bepalingen, alleen aan

te merken de artikelen, welke enkel zijn verkregen door

weefsels en stoffen door middel van snijden, knippen,

ponsen of dergelijke eenvoudige wijze te verdeelen in

stukken, of welke, wanneer zij op andere wijze zijn vervaardigd,

eenzelfde eenvoudig karakter dragen, 'een en

ander voor zooveel die bewerking of vervaardiging niet,

of niet tevens is dienstbaar gemaakt om de artikelen

te versieren met of te voorzien van opengewerkte patronen,

van gekartelde of uitgeschulpte randen of van

feston, kant, franje, enz. Op laatstgenoemde wijze bewerkte

artikelen zullen, evenals artikelen, welke zijn

gezoomd of doorstikt, of zijn voorzien van kant, franje

of feston, of waarvan (voor zooveel de cirkelvormige

stukken betreft) de omtrek geheel of gedeeltelijk, of

(voor zooveel de andervormige artikelen betreft) meer

dan twee zijden of andere dan de aan elkander tegenover

liggende zijden geheel of gedeeltelijk zijn afgehecht of

voorzien van zelfkant, als verder bewerkte artikelen worden

aangemerkt.

8. Voor de toepassing van onderdeel I van den post

en van sub 12 dezer Bijzondere bepaling, bij het bepalen

van het aantal draden, wanneer ketting of inslag of

beiden bestaan uit twee of meer naast of op elkander

liggende draden, eiken draad afzonderlijk te tellen.

9. Voor de toepassing van de letters c en d van sub

III n°. 4 en van sub IV n°. 12 van de Bijzondere bepalingen:

a. bij het berekenen van 1/10 van het aantal kettingdraden,

onderdeden te verwaarloozen;

h. geverfde of bedrukte draden in zoom, zelfkant of

elders aangebracht, als geverfde of bedrukte draden aan

te merken, en, voor zoover zij liggen in de richting der

kettingdraden, bij het vaststellen van het aantal geverfde

of bedrukte kettingdraden mede te tellen;

c. wanneer aan stoffen en fabrikaten zelfkant of

afhechting ontbreekt en slechts in ééne richting (schering

of inslag), geverfde of bedrukte draden voorkomen,

de in die richting loopende draden als kettingdraden aan

te merken;

d. stoffen en draden, welke zijn geïmpregneerd,

geappreteerd, gedrenkt, bekleed, bestreken of bedekt

met zoodanige al dan niet kunstmatig gekleurde zelfstandigheden,

dat zij naar uiterlijk aanzien met bedrukte

of geverfde stoffen en draden overeenkomen

(bestrijken met graphiet en vet, zoomede bleeken, ook

witbleeken, buiten aanmerking gelaten), met bedrukte

of geverfde stoffen en draden gelijk te stellen;

e. stoffen en fabrikaten, bedrukt met een enkel

firmastempel, verzendmerk, fabrieksmerk, inhoudsopgave

of plaatsnaam, niet als geverfd of bedrukt of als

voorzien van figmren of patronen aan te merken.

10. Als schilderdoek voor de toepassing van sub 111

n°. 13, van de Bijzondere bepalingen aan te merken

alle al dan niet gepraepareerde weefsels en stoffen,

uitsluitend vervaardigd uit zelfstandigheden, welke

zich bij verbranding gedragen als een product van

plantaardigen aard.

11. Onderdeel 1 van den post zal alleen worden toegepast

op weefsels en stoffen:

a. waarvan ketting en inslag duidelijk waarneembaar

zijn, en niet, als bij fluweeh, velours-, pluche-,

vilt-, velvet-, trijp- en astrakanachfige stoffen en als

bij g'emoltonneeide, gehekelde, geteerde of met andere

zelfstandigheden bedekte of bekleede stoffen, aan een

of beide zijden geheel of gedeeltelijk aan het oog zijn

onttrokken;


312

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Voorzitter.)

h. welke geheel noch gedeeltelijk zijn vervaardigd

uit elastiek, of metaaldraad, of uit wol, haar, zijde of

andere producten, die zich bij verbranding gedragen

als een product van dierlijken aard, en geen getwijnde

draden bevatten;

c. waarvan geen inslagdraden, of niet meer dan

1/10 van het aantal kettingdraden, of wanneer dat 1/10

meer bedraagt dan 14 draden, niet meer dan 14 kettingdraden,

aan het stuk of in de draden geheel of gedeeltelijk

zijn geverfd of bedrukt;

d. welke niet door middel van weven, drukken of

op eenigerlei andere wijze zijn voorzien van bloemen,

bladeren, blokken, ruiten, lijnen, strepen, patronen of

figuren, tenzij gevormd door het 1/10 aantal kettingdraden,

of door 14 kettingdraden, bedoeld bij letter c

hiervoor."

De Voorzitter: Ik meen aan het adres van de Regeering

een opmerking te moeten maken.

Dit is een zeer lang volgnummer en wat ik wil zeggen

betreft hetgeen voorkomt op bladz. 47.

Volgens de Nota van Wijziging, Stuk n°. 18, wordt in

'de Bijzondere bepaling IV het bestaande punt 10 vervangen

door een nieuw punt 10. Ik onderstel, dat dit niet de bedoeling

is, maar dat tusschen de bestaande punten 9 en 10

een nieuw punt 10 zal worden ingevoegd, luidende zooals

het in de Nota van Wijziging is opgenomen:

,,10. Wij behouden Ons vnor bij alcemesnen mantregel

van bestuur met betrekking tot de goederen bedoeld

bij onderdeel III van den post en bij Bijzondere

bepaling III, sub 10, zoo noodig nader beperkende voorschriften

te geven, ten einde misbruik te voorkomen."

Het bestaande punt 10 wordt dan punt 11 en punt 11

wordt 12.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Uw opmerking is juist.

De Voorzitter: Ik wensch verder even aan den heer van

Gijn te doen opmerken, dat, terwijl zijn stuk is ingekomen

op 21 October, sedert dien door de Regeering een Nota van

Wijziging is ingediend, waarbij zij een nieuw punt III

heeft ingevoegd. Punt III is nu punt IV geworden. In het

amendement van den heer van Gij» (Stuk n". 14, VII,

sub 1°.) zal nu in plaats van III moeten staan: IV.

In het amendement (Stuk n°. 14, VII, sub 2°.) staat het

woord ..Voor"; dit moet zijn: ,,voor".

Vindt de heer van Gijn goed, dat die wijzigingen worden i

aangebracht?

De heer Tan Gijn: Ja, Mijnheer de Voorzitter!

De Voorzitter: Op dit volgnummer zijn ingediend 3 amendementen

van den lieer van Gijn (Stuk n°. 14, VII), strekkende

dus:

1°. In de omschrijving den post sub IV te lezen:

,,Overige tot den post behoorende artikelen waarde

5 pet.".

2°. In de Bijzondere Bepalingen II, 6ub a, te lezen: '

..voor ongebleekt katoen ten gebruike der katoendrukkerijen,

.ververijen en -bleekerijen".

3°. In de Bijzondere Bepalingen III toe te voegen:

,,17. Wollensterkflanel voor gebruik in katoen- |

sterkerijen."

De heer van Gijn: Mijnheer de Voorzitter! Het geldt hier

een amendement van gansch anderen aard dan de andere

amendementen, die wij hebben ingediend.

In dit geval geldt het een verhooging van rechten, waar- ,

tegen ik mij moet verzetten, omdat daarbij de zeer groote ,

(van Gijn.)

kans bastaat, dat de verbruikers veel meer moeten betalen,

dan de schatkist ontvangt.

De heer Gelderman, een Twentenaar, man van het vak.

berekende in de Economisch Statistische Bcri :hten, op

grond van de gegevens van den heer van Spae:donck in

Tilburg, dat de inkomsten uit dezen post voor den Staat

zijn 3,3 millioen, zijnde 3 pet. van 110 millioen. terwijl

do verbruikers meer zullen te betalen hebben 9,3 millioen,

omdat de prijzen van de in het binnenland gemaakte

en verbruikte goederen, ter waarde van f200 millioen, ook

met 3 pet. zal worden verhoogd.

Dat duurder worden van de artikelen is niet op centen

nauwkeurig te berekenen en ik wil voor een oogenblik aannemen,

dat er elementen zullen zijn, die verhooging tegenwerken

en dus inderdaad de prijsstijging 2 pet. zal zijn,

ofschoon ik hier dadelijk bij opmerk, dat de Twentenaren

aannemen, dat het volle bedrag er bij zal komen. De deskundigen

zullen er toch wel iets van weten.

Is dus het percentage van de verhooging van de prijzen

der artikelen, die in het binnenland worden gemaakt, 2, dan

is het totaal bedrag 7,3 millioen, waarvan 3,3 millioen

komen in de schatkist. M.a.w.. wij hebben hier een belasting

— op het standpunt van den Minister mogen wij

niet naar alle andere gevolgen krijgen —, waarbij het resultaat

is, dat, van wat er betaald wordt 45 pet. niet in de

schatkist komen en 55 pet. wel. Wij zijn bedenkelijk dicht

genaderd tot het percentage, waarom de wegtollen werden

afgeschaft, waarbij een belangrijk deel niet kwam in de

zakken van den fiscus, doch in de zakken van de tollenaren.

In dit geval zijn de anderen de fabrikanten, maar uit zuiver

fiscaal licht bezien is de zaak precies hetzelfde.

Ik vols: den Minister dus op den weg, om hier de zaak

alleen te bezien uit een oogpunt van belastingheffing, maar

dan moet de Minister mij ook toegeven, dat een belastingwetgeving,

waarbij 45 pet. komt te vallen tusschen den wal

en het schip, een belastingwetgeving is, die in de geheele

geschiedenis als de slechtste is gekenschetst. Vooral als dan

anderen, die een belangrijk deel krijgen, dat eigenlijk liever

niet hebben willen.

De Twentsche fabrikanten van textielgoederen zeggen: wij

zullen daardoor een aanzienlijke som in onze zaken krijgen,

maar wij beschouwen het als een Danaïsgeschenk, als het

Trojaansche paard, 1°. omdat wij principieel bescherming

slecht vinden voor een industrie, en 2°. omdat wij verwachten,

dat de ééne bescherming de andere medebrengen zal

en zich in duurdere productie zal doen gevoelen, hetgeen het

binnenlandsche voordeel weer opheft en den export zal bemoeilijken.

Hier spreken geen malle, domme, weltfremde

theoretici, doch mannen van de practijk, die getoond hebben,

hun industrie zonder bescherming (wellicht juist door het

ontbreken daarvan) groot te kunnen maken. Zij zeggen:

geef het ons niet, want wij zijn er bang voor. Verder beweren

zij: Ook is het gevaar niet denkbeeldig, dat bij verhooging

van het tarief van 5 op 8 pet. het overigens vrijhandelsgezinde

Engeland aan den zoo belangrijken invoer

onzer manufacturen in haar koloniën fiscale belemmeringen

in den weg gaat leggen. Ik zeg nog eens: het zijn geen

theoretici, die dit beweren, maar de Twentsche industricelen,

die die vrees te kennen geven, terwijl zij daarenboven verklaren,

„dat zij in mogelijke prijsstijging van weefgoederen

een ernstig bezwaar zien voor de belangrijke confectieindustrie

in ons land, waarvoor de manufacturen toch grondstoffen

zijn en die daardoor in het betrekken van haar grondstoffen

nog meer wordt belemmerd."

Op al deze gronden meen ik der Regeering ten zeerste

in overweging te moeten geven, dezen post van haar belastingwetgeving

terug te nemen, omdat het buitengewoon

evident is, dat meer uit de zakken van de verbmikers zal

worden gehaald, dan in de zakken van den fiscus komt.

Mijn tweede amendement betreft de aanvulling van de bijzondere

bepaling sub 2, welke betreft het verleenen van vrijdom

van invoerrecht voor ongebleekt katoen ten gebruike der

katoenclnikkerijen en ververijen. Dit zou ik, als eenvoudige

logica, aangevuld willen zien met de bleekerijen.


Vel 81. 313 Tweede Kamer.

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. .Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(van Gijn e. a.)

De katoenververijen en katoendrukkerijen krijgen haar

ongebleekt katoen hier binnen geheel vrij ; zij veredelen dat

product en het wordt dus beschouwd als grondstof. Dat heeft

altijd zoo gegolden en blijft gelden, ook bij het hoogere recht.

Toen indertijd deze vrijstelling van ongebleekt katoen werd

verleend, waren er hier te lande nog geen katoen bleekerij en,

maar die zijn er thans wel, waaronder een zeer belangrijke,

het zijn ondernemingen, die dn hoofdzaak in Nederland gemaakt

katoen bleeken, maar toch ook wel uit Engeland ingevoerd

katoen bleeken, en die dat katoen ten deele weer exporteeren,

ten deele in Nederland verkoopen. Wordt het geëxporteerd,

dan komt het recht weer terug, maar in het andere

geval niet. Wat kan nu de reden wezen om een verschillende

behandeling toe te passen tusschen de bleekerij en eenerzij ds

en de katoen drukkerij en en ververijen anderzijds? Onder de

makers van het tarief waren er wel, die de meening waren

toegedaan, dat hier geen recht moest worden geheven. De

Minister zal zeggen, dat het mij niet aangaat, maar ik durf

dat te vertellen, omdat ook de Minister reeds uit de keuken

van het tarief heeft geklapt.

Het derde amendement betreft eigenlijk een vraag, welke

niet is beantwoord. De Minister heeft indertijd toegezegd,

ook op vragen, welke in adressen waren gedaan, te zullen

ingaan. Nu heeft de Twentsche Kamer van Koophandel in

haar adres bij volgnummer 85 te kennen gegeven, dat er

naar haar meening alle reden was, dat wollensterkflanel,

zuiver een product, noodig voor de industrie, moest worden

vermeld in de bijzondere bepaling III. Het gaat hier niet om

bescherming of niet-bescherming, want het artikel wordt

alleen in het buitenland gemaakt. Het is zuiver de quaestie,

of een artikel, noodig voor de industrie, zal worden belast.

Ik geef den Minister in overweging, het advies van die

Kamer van Koophandel te volgen.

De gewijzigde amendementen van den heer van Gijn worden

ondersteund door de heeren Staalman, Ter Hall, Gerritzen,

mejuffrouw Westerman en mevrouw Bakker—Nort en

maken derhalve een onderwerp van beraadslaging uit.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Ik begin met mede te deelen, dat het mij voorkomt,

dat uw opmerking over de door de Regeering aangebrachte

wijzigingen volkomen juist is, zoodat de lezing moet zijn als

door u aangegeven.

Ik kom thans tot de amendementen van den heer van Gijn.

Het eerste strekt eigenlijk om het recht van manufacturen,

dat wordt voorgesteld op 8 pet., terug te brengen op 5 pet.

De heer van Gijn deelde reeds mede, dat inwilliging van zijn

voorstel voor de schatkist een schade zou meebrengen van

rond f 3 300 000. Dit cijfer, gebaseerd op den invoer van het

jaar 1923. is juist. De gronden, die de heer van Gijn voor

die verlaging heeft aangegeven, zi.in bij het algemeen debat

uitvoerig besproken. De heer van Gijn betoogde toen en betoogt

ook nu: wanneer men van een zeker artikel het recht

verhoogt, gelijk in dit geval, met 3 pet., dan brengt dat mede

voor dezelfde goederen, die in het binnenland worden vervaardigd,

een prijsverhooging met 3 pet.; misschien wat

minder, maar allicht 2 pet. Maar dat is nu het punt, waarover

bij de algemeene beschouwingen het geheele debat geloopen

heeft, met betrekking tot de vraag, of er in dit tarief

een protectionistisch element zit of niet. Wat de heer van

Gijn hier stelt als een feit, is juist het punt, dat te bewijzen

was en dat ik, naar ik meen, bij de algemeene beschouwingen

heb weerlegd. De vraag gaat m. i. hierom, of de voorsprong,

die Nederland heeft in de bestaande tarief verhoudingen,

gewijzigd wordt door dit nieuwe tarief, in aanmerking

nemende, dat bijna alle andere continentale landen van

Europa hun tarief in de laatste jaren aanmerkelijk hebben

verhoogd. Destijds heb ik betwist, dat de invoer van deze

goederen in Nederland zou verminderen en heb ik aangetoond,

dat de rechten op die goederen — men kan nooit zeggen

geheel; ik laat mij niet uit in dergelijke stellige bewoordingen

— waarschijnlijk niet zullen worden betaald door den

Nederlandschen gebruiker en derhalve ook geen aanleiding

zullen geven tot verhooging van den binnenlandschen prijs.

Handelingen der Staten-Generaal. — 1924—1925. — II.

(Minister Colijn e. a.)

Deheer van Gijn heeft ook nog gewezen op het bezwaar,

dat hij niet zelf te berde beeft gebracht, maar geciteerd heeft

uit een der adressen, dat men wel eens zou kunnen ondervinden,

dat in de Engelsche Dominions en koloniën de rechten

verhoogd zouden worden, omdat Nederland de rechten op

goederen van Engelschen oorsprong verhoogd had. Wie nu

in het bekende geschriftje van den heer van Spaendonck heeft

gelezen, welke tarieven nu reeds in de Engelsche koloniën

geheven worden, ziet, dat de onze daarvan nog zoo ver verwijderd

zijn, dat een dergelijke vrees mij overdreven toeschijnt.

Ik geloof daarvan niets. Wanneer iemand zelf een

recht heft van 30 pet., kan men moeilijk tot represailles

komen op grond dat iemand anders 8 pet. heft.

Het tweede amendement van den neer van Gijn heeft

de strekking om de uitzondering, die nu in het tarief zit

voor katoendrukkerijen en «ververijen, ook uit te strekken

tot de bleekerijen. Hij heeft gezegd: dat kan ook best; ik

weet zelfs, dat er onder degenen, die aan dit ontwerp gedokterd

hebben, ook zijn die er zoo over denken. Daarover

is inderdaad gedacht, maar ook aan wat anders, nl. om de

vrijstelling voor de drukkerijen en ververijen terug te

nemen, omdat artikel 15 van de wet een volmaakte solutie

geeft ten opzichte van die goederen, welke weer worden

geëxporteerd en die hier te lande alleen ingevoerd zijn om

weer te worden bewerkt of verwerkt.

De toestand is zoo, dat indertijd voor de drukkerijen en

ververijen, die uitsluitend voor export werkten, die vrijstelling

is ingevoerd en de bleekerijen er buiten zijn gelaten,

omdat er gevaar bestond voor misbruik, hierin bestaande,

dat het voor binnenlandsch gebruik bestemde

katoen, door het ongebleekt te laten binnenkomen en daarna

hier te bleeken, aan het invoerrecht, ook voor binnenlandsch

gebruik, zou worden onttrokken. Nu is die toestand

langzamerhand eenigszins gewijzigd. De vrijstelling voor

drukkerijen en ververijen zou, zooals ik reeds zeide, kunnen

vervallen, omdat art. 15 van het wetsontwerp geheel en al

voorziet in deze aangelegenheid, nl. dat goederen, ingevoerd

om hier te lande een bewerking of verwerking of herstelling

te ondergaan en daarna weer te worden uitgevoerd,

van invoerrecht zijn vrijgesteld. De Regeering heeft de

bijzondere bepaling voor drukkerijen en ververijen ten

; slotte echter niet teruggenomen, omdat sedert 1877 die

drukkerijen en ververijen nu eenmaal zich daarop geheel

hebben ingericht. Om zoo weinig mogelijk verandering te

brengen in den bestaanden toestand, hebben wij gezegd:

laat het nu voor de drukkerijen en ververijen maar bestaan,

doch voor de bleekerijen is het geheel en al onnoodig, want

voor zoover de goederen worden ingevoerd en daarna weer

uitgevoerd, zijn zij aan het recht niet onderworpen.

Wat nu het derde amendement betreft, ik moge er do

aandacht op vestigen, dat z.g. wollen sterkflanel op het

oogenblik belast is; dat wordt getroffen door een recht van

5 pet. Nu komt het mij voor, dat het mogelijk is, om aan

den wensch van den geachten afgevaardigde te gemoet te

komen, indien hij dat derde amendement zou willen redigeeren

ongeveer in overeenstemming met hetgeen voorkomt

op blz. 44 van het tarief, onder punt 10, nl : ,,wollensterkflanel,

waaromtrent bij de visitatie door bestelorders of

.andere bescheiden afdoende wordt aangetoond, enz.". Dan

zou aan het verlangen van den geachten afgevaardigde

worden voldaan, dat het als hulpmiddel voor de industrie

vrijblijft, terwijl het, wanneer het voor andere doeleinden

wordt ingevoerd, belast blijft.

De heer van Gijn: Mijnheer de Voorzitter! De Minister

heeft opgemerkt, dat deze zaak besproken is bij de algemeene

beschouwingen. Ik heb toen echter geen antwoord

gekregen op mijn bezwaar, dat er zooveel tusschen den wal

en het schip raakt. De Minister zegt nu, dat gebeurt niet.

Echter is een deel van de textielindustrieelen tegen deze

verhooging, ofschoon zij erkennen dat die in hun zakken

komt, terwijl oen ander deel ervóór is. klaarblijkelijk omdat

zij in hun zakken komt. Vindt de Minister dat niet een

duidelijke aanwijzing, dat de heeren van plan zijn, als het

zoover is, het recht er op te leggen? Wanneer wij in dit


314

14de VERGADERING.

66. Vaststelling

- 29 OCTOBER 1924.

nieuwe Tariefwet.

(van Gijn e. a.)

wetsontwerp een bepaling zouden opnemen, gesteld eens,

dat dit technisch mogelijk was, dat de industrieelen hetgeen

zij er zelf bij opzetten, aan het einde van het jaar aan den

Staat moeten afstaan, dan zou de belangstelling van de

committenten van den heer Fleskens en de zijnen zeker veel

geringer worden.

De Voorzitter: Ik moet den geachten afgevaardigde verzoeken,

om zich van dergelijke uitdrukkingen te onthouden.

Wij spreken hier niet van „committenten" van Kamerleden.

Een dergelijke wijze van spreken kan hier niet toegelaten

worden.

De heer van Gijn: Mijnheer de Voorzitter! Ik wist niet,

dat ik daarmede iets miszeide. Laat ik dan zeggen, dat

degenen, wier belangen de heer Fleskens voorstaat, niet van

zooveel belangstelling zouden doen blijken. De heer Nolens

zegt, dat dit niet zoo is, maar wij zien hier van die zijde

amendementen, die voor een speciaal deel van het land zijn.

De leer van den Minister: als het buitenland de rechten

verhoogt b. v. van 20 tot 40 pet., moeten wij verhoogen van

5 tot 8 pet., en dan blijven wij in vollkomen dezelfde verhouding,

is m. i. moeilijk te handhaven. Wij zouden dan

van jaar tot jaar ons tarief moeten wijzigen, al naar gelang

het 'buitenland de rechten wijzigt, en dan zouden wij nu

moeten verhoogen niet van 5 tot 8 pet., maar zeker tot

28 pet. De Minister zegt, dat hij dit heeft aangetoond, maar

ik heb het even stenk bestreden en wij hebben elkander niet

overtuigd. Ik Ikan dus met evenveel recht zeggen, dat ik

het tegendeel heb aangetoond, maar het is zeker, dat de

verhooging van 5 tot 8 niets te malken heeft met den voorsprong,

die vroeger reeds bestond en die nu blijft bestaan.

Wanneer de Minister daaraan geloofde, moest h^* zeggen:

die verhooging met 3 pet. doet er niets toe, ik moet er 20 pet.

opzetten. Maar bovendien, wij zouden al lang met buitenlandsche

goederen moeten zijn overstroomd. Ik bl^i dus

bij mijn meening, niet alleen in overeenstemming met mijn

theoretisch inzicht, maar ook met het practisch inzicht van

de Twentsche industrieelen, die hun industrie hebben groot

gemaakt zonder bescherming, en, zooals zij zeggen, omdat

zij geen bescherming hadden, althans zeer geringe bescherming.

Ik handhaaf dan ook mijn amendement.

Toen de heer Vliegen bij amendement voorstelde, de

werkmanspakken vrij te stellen, zeide de Minister: dan Ikom

ik in moeilijkheden met de manufacturen. Zoo ziet men, dat

men van het eene tot het andere Ikonit. Voor mij zou dat een

reden geweest zijn om de manufacturen op 5 pet. te houden,

zoodat men ook de werkpalkken niet duurder maakte. Langs

anderen weg kan men, zooals ook in het buitenland geschiedt,

de luxekleeding belasten, zonder dat alle manufacturen en

textielgoederen, die gekocht moeten worden door de massa

van de Nederlandsche bevolking, die het toch al zwaar

genoeg heeft, tevens duurder worden gemaakt.

Wat betreft de bleekerijen, Ikan ik den Minister wel toegeven,

dat de ververijen en drukkerijen niet in geheel

dezelfde positie zijn. De een voegt bij de veredeling een

grooter bedrag aan waarde toe dan de ander, maar dat is

een quaestie van percentage. Als de Minister de drukkerijen

handhaaft, brengt de logica mee, dat hij ook de bleekerijen

er in zet. Intusschen zal ik, om niet te veel stemmingen te

provoceeren, dit amendement terugnemen.

Wat betreft het derde amendement, zal ik gaarne gevolg

geven aan hetgeen de Minister in overweging heeft gegeven,

om nl. dit amendement aldus te lezen:

„Wollenstenkflanel, waaromtrent bij de visitatie door

bestelorders of andere bescheiden afdoende wordt aangetoond,

dat het bestemd is om te worden gebezigd als

hulpmiddel in katoensterkerijen."

Ik breng deze wijziging in mijn amendement aan.

Aangezien de heer van Gijn het tweede amendement (Stuk

n°. 14, VII, 2°.) heeft ingetrokken, maakt het geen onderwerp

van beraadslaging: meer uit.

(Voorzitter e. a.)

De Voorzitter: De heer van Gijn heeft het derde amendement

gewijzigd, zoodat het thans strekt om aan sub III

I van de Bijzondere bepalingen toe te voegen:

,,17. Wollensterkflanel waaromtrent bij de visitatie

door bestelorders of andere bescheiden afdoende wordt

aangetoond, dat zij zijn bestemd om te worden gebezigd

als hulpmiddel in katoensterkerijen."

Ik onderstel, dat de leden, die het oorspronkelijk amendement

hebben ondersteund, ook het gewijzigd amendement

ondersteunen.

De heer Colijjn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Ik meen te hebben verstaan, dat de heer van Gijn

zijn tweede amendement heeft ingetrokken, zoodat ik daarover

niet verder behoef te spreken.

Het derde amendement, zooals het nu gewijzigd is, wordt

door de Regeering overgenomen.

Tegen het eerste amendement handhaaf ik mijn bezwaar.

, De heer van Gijn heeft gezegd: vindt gij dan in de uitlating

I van dat deel der industrieelen, dat zegt. dat het recht wel

! zal worden gelegd op den prijs van de goederen, die in het

: binnenland zullen worden vervaardigd, geen afdoend bewijs,

i dat het wel zoo zal zijn? Neen, daarin vind ik geen afdoend

bewijs. Ik sluit de mogelijkheid niet uit, dat een deel van het

I recht op den prijs van het binnenslands vervaardigd goed zal

worden gelegd, maar ik acht het niet waarschijnlijk, en ik

heb de gronden voor mijn meening aangevoerd. De simpele

! verklaring van een groep personen, van wie bekend is, dat

zij nu eenmaal altijd principieele vrijhandelaars zijn geweest,

is voor mij niet afdoende. Als iemand eenmaal prin--

cipieel op dat standpunt staat, spreekt het vanzelf, dat hij

het argument, dat het recht op den prijs komt, moet voli

houden, omdat anders zijn heele redeneering omvalt.

Nu zegt de heer van Gijn: maar gij dan, die u baseert op

de relatieve verhouding van de verschillende tarieven, moet

gij niet elk jaar, als een ander land zijn tarief wijzigt,

I ook uw tarief wijzigen? Neen, wat ik alleen te bewijzen had,

! en wat ik ook meen bewezen te hebben, is, dat met deze

wijziging geen verandering ten ongunste in de verhouding

wordt gebracht.

Nu zegt de geachte afgevaardigde: als gij die verhouding

hadt willen bewaren, dan hadt gij met veel meer moeten

verhoogen. Dat zou juist zijn, als het de bedoeling was, de

verhouding, zooals die te voren was, te handhaven. Maar

de bedoeling was alleen om een fiscaal tarief te maken, om

'• daaruit meer geld te halen en toch de verhouding niet

ongunstiger te maken dan zij vroeger was, en ik meen, dat

! dat hier bereikt is.

Voorts heeft de geachte afgevaardigde nog een opmerking

! gemaakt met verwijzing naar een argument, dat ik gisteren

i tegen den heer Vliegen heb gebruikt. Hij heeft gezegd: als

het recht maar 5 pet. was, dan gold het argument, dat gn

i gisteren bij de werkmanskleeren hebt gebruikt, niet langer.

Neen, Mijnheer de Voorzitter, dan blijft dat argument ook

van kracht, want als men 5 pet. heft op de grondstoffen en

het gereede artikel vrijlaat, dan creëert men een averechtsche

bescherming, zij het een, die minder is dan wanneer het

: recht op de grondstof 8 pet. bedraagt. Ik moet dus de

! Kamer aanraden, het overgebleven amendement van den heer

van Gijn niet aan te nemen.

De Voorzitter: De Regeering deelt mede, dat zij het gewijzigrl

derde amendement van den heer van Gijn heeft over-

• genomen, zoodat dit Reen onderwerp van beraadslaging meer

uitmaakt. Er is dus no-r overgebleven het eerste gewijzigde

iimendc-iiient. Ma,? ik den voorzitter van de Commissie van

Rapporteurs verzoeken, haar oordeel mede te deelen over

de Regeeringswijziginpren en het eenijr overgebleven amendement?

De hfer de Monté ver Loren, voorzitter van de Commissie

van Rapporteurs: Mijnheer de Voorzitter! De Commissie van

Rapporteurs heeft tegen de door de Regeering aangebrachte

l wijzigingen geen bezwaar.


315

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. [Vaststelling 1 eener nieuwe Tariefwet.

(de Monté ver Loren e. a.)

Aangaande het eenig overgebleven amendement van den

heer van Gijn is de meerderheid der Commissie van Rapporteurs

van meening, dat het niet behoort te worden aangenomen.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het gewijzigd amendement van den heer van Gijn komt

in stemming.

De Voorzitter: De heer Dresselhuys suggereert, dat ik

aan de Kamer zal voorstellen om te stemmen met zitten en

opstaan.

Ik stel voor, daartoe te besluiten.

Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Ik verzoek den leden, die vóór het amendement

zijn, zich van hun zitplaatsen te verheffen.

Ik constateer, dat het amendement niet is aangenomen.

Volgnummer 85, aan welks Bijzondere bepaling III thans

is toegevoegd:

,,17. Wollensterkflanel waaromtrent bij de visitatie

door bestelorders of andere bescheiden afdoende wordt

aangetoond, dat zij zijn bestemd om te worden gebezigd

als hulpmiddel in katoensterkerijen.",

wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

De volgnummers 86 en 87 worden achtereenvolgens zonder

beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Beraadslaging over volgnummer 88, luidende:

,,Messen en messenmakerswerk.

Rechten: 8 pet.

Bijzondere bepalingen.

Maatstaf: waarde.

_ 1. Als messen en messenmakerswerk voor de toepassing

van den post alleen aan te merken:

a. knipmessen;

b. scheermessen en andere toiletmessen, en scheermeslemmetten;

c. tafel- en keukenmessen (snijboonenmesjes, broodzaagmessen,

boter-, kaas-, visch-, vruchten-, dessert-,

koekpan-, oester- en voorsnijmessen, en dergelijke artikelen

daaronder begrepen);

d. bijlen, bij den invoer voorzien van een aangezet

handvat of steel;

e. hakmessen, snoeimessen, steekmessen, schrapinessen,

slagersmessen, koksmessen, looiersmessen, kmpersbandmessen,

en andere bedrij f smessen, chirurgische

messen daaronder begrepen, bij den invoer voorzien van

een aangezet handvat, handgreep, heft of steel, en

waarvan, als bij tafel- en voorsnijmessen, het grootste

gedeelte van een of meer der lengtezij den van het !emmer

of lemmet ( het metalen gedeelte van het mes dat

uit het handvat uitsteekt) is aangescherpt of voorzien

van snede, een en ander ook, wanneer die artikelen naar

vak- of spraakgebruik met den naam van „snijders'",

,,stalen", „schrappers" „schrapers" of anderen naam

dan messen mochten worden aangeduid.

2. Zagen, met uitzondering van broodzaagmessen, en

schaven en vijlen behooren niet tot den post.

3. Bus- en blikopeners en zeepraspen en zeepschaven

te belasten volgens post n°. 56; radeermesjes volgens post

n°. 62; sigarenkistopeners volgens post n°. 103; scharen,

schaarbladen en tondeusemessen volgens post n°. 106;

van mes voorziene snijborden en andere snij werktuigen,

zoomede kaas-, kool- en komkommerschaven en op houder

bevestigde koolmessen volgens post n°. 113; baardschccrapparaten

en daarbij gebezigde mesjes volgeus post n°.

127; niet samenvouw- of inschuifbare dolken, ponjaards

(Voorzitter e. a.)

en dergelijke wapenmessen, en klingen voor blanke

wapenen volgens post n°. 141.

4. Als „knipmessen" zullen voor de toepassing van

den post worden aangemerkt alle messen, met uitzon^

dering van scheermessen, welke samenvouw, of inschuifbaar

zijn, samenvouwbare oculeer-, rits-, snoei- en

tempermessen, samenvouwbare jacht- en dolkmessen en

samenvouwbare chirurgische messen daaronder begrepen.

5. Van het volgens den post verschuldigd invoerrecht

worden vrijgesteld:

0. trekmessen en andere tot den post behoorende

artikelen met twee handvatten ;

b. mits niet samengesteld met edele metalen, messen,

bijlen en andere tot den post behoorende artikelen,

waarvan handvat, handgreep, heft of steel geheel of

hoofdzakelijk is vervaardigd van hout of onedel metaal

en welke een gewicht hebben van meer dan 600 gram;

c. lemmetten, met uitzondering van lemmetten voor

scheermessen.",

waarop door den heer Vliegen een amendement is voorgesteld

(Stuk n°. 5, X), strekkende om bij de Bijzondere be»

palingen 5 toe te voegen aan b: „messen met houten gevesten,

zonder eenige versiering, en gereedschapsmessen;".

De heer van der Waerden: Mijnheer de Voorzitter! Bij

dit amendement is het wederom gebleken, hoe verbazend

moeilijk het is, in de techniek in te grijpen. Bij nadere

overweging vrees ik. dat, wanneer dit amendement zou worden

aangenomen, toch nog de voorwerpen, waarvoor wij een

verlaging voorstellen, zouden vallen onder de bepaling I, e.

Bovendien zijn voor soortgelijke amendementen reeds sternmingen

geweest. Op deze gronden hebben wij de eer, dit

amendement in te trekken.

Aangezien het amendement van den heer Vliegen (Stuk

n°. 5, X) is ingetrokken, maakt het geen onderwerp van

beraadslaging meer uit.

Volgnummer 88 wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Volgnummer 89 wordt zonder beraadslaging en zonder

hoofdelijke stemming aangenomen.

Beraadslaging over volgnummer 90, luidende:

„Muziekinstrumenten, phonographen en dergelijke

artikelen, en onderdeelen en toebehooren van een en

ander.

1. Piano's, orgels, harmoniums, pianino's, vleugelpiano's,

spinetten, clavecymbalen en andere dergelijke

klavierinstrumenten. Maatstaf: waarde. Rechten: 8 pet.

II. Gramophonen, dictaphonen, graphophonen, phonographen,

muziekdoozen, muziekautomaten, orchestrions,

draaiorgels, electrische piano's en andere dergelijke

instrumenten, waarmede muziek of geluiden geheel

of ten deele op mechanische wijze worden voortgehracht,

of waarmede muziek of geluiden worden opgenomen,

zoomede pianola's, phonola's en andere dergelijke

voor het mechanisch bespelen van muziekinstrumenten

gebezigde apparaten. Maatstaf: waarde. Rechten:

8 pot.

III. Slag-, blaas- en strijkinstrumenten, mond- en

trekharmonica's, harpen guitaren, mandolines, citers,

fluiten, en andere muziekinstrumenten dan genoemd bij

onderdeel I en II hiervoor, castagnetten, bekkens, tamboerijnen,

trommels, gongs, gamelangs, zoogenaamde

Turksche hoornen en dergelijke artikelen daaronder hegrepen.

Maatstaf: waarde. Ëechten: S pet.

IV. Onderdeelen en toebehooren.

«. Muziekrollen, muziekwalsen, muziekplaten en dergclijke

artikelen, gebezigd bij het mechanisch voortbrengen

van muziek: of geluiden, rollen, walsen en


316

(Voorzitter e. a.)

platen voor carrillons, orchestions, pianola's, muziekdoozen

en dergelijke artikelen daaronder begrepen, zoomede

zoogenaamde vierges (platen en rollen voor het

opnemen van muziek en geluiden). Maatstaf: waarde.

Rechten: 8 pet.

o. Kasten en omhullingen voor muziekinstrumenten,

zoomede drijfwerken (ook wel genaamd motoren), microphonen

(sound-boxes), hoorns, armen, naalden en naaldhouders

voor phonographen, gramophonen, graphophonen>en

dergelijke muziekinstrumenten; strijk-, trommelen

paukenstokken; plectra's en ringen voor het bespelen

van mandolines en citers; dirigeerstokken; stemvorken

en stemfluiten; klankmeters en maataangevers; kinsteunen

en schouderkussentjes voor vioolspelers. Maatstaf:

waarde. Rechten: 8 pet.

Bijzondere bepaling.

Volledige of zoo goed als volledige binnenwerken voor

de muziekinstrumenten, aangeduid sub I en II van den

post voor de toepassing van het tarief met muziekinstrumenten

gelijk te stellen en als zoodanig te belasten.",

waarop door den heer Ter Hall is voorgesteld een amendement

(Stuk n°. 16), strekkende om:

sub III, te doen vervallen de woorden: ,,Slag-, blaasen

strijkinstrumenten, harpen, castagnetten, bekkens, tamboerijnen,

trommels,";

sub IV, 6, te doen vervallen de woorden: .,strijk-, trommel-

en paukenstokken, dirigeerstokken, stemvorken en sternfluiten;".

De heer Ter Hall: Mijnheer de Voorzitter! Onder dit volgnummer

lezen wij: Muziekinstrumenten, phonographen, gramophonen,

orchestrions, enz., enz. Ik zal over deze muziekinstrumenten

geen woord 6preken. Even verder in het volgnummer

lezen wij: Slag-, blaas- en strijkinstrumenten, en

daarover wil ik wel enkele woorden zeggen.

Slag-, blaas- en strijkinstrumenten zijn die instrumenten,

die door de musici gebruikt worden in de orkesten.

Een slaginstrument, Excellentie, is een trommel, een

pauken en een tambourijn. Een castagnet is een instrument,

dat men met de hand kan bewegen en waarmede een soort

kleppergeluid wordt verwekt.

Over die blaas- en strijkinstrumenten wensen ik het volgende

te zeggen.

Op bladz. 14 van den vergelijkenden staat (volgnummer 20)

staat, dat gereedschappen, welke zijn het eigendom van den

werkman, vrij zijn. Nu is het logisch, dat deze instrumenten

zijn te beschouwen als gereedschappen. Wat is toch in

's hemelsnaam een violist zonder viool, een klarinettist zonder

klarinet, enz.? Al die instrumenten zijn het eigendom

van de werknemers en niet van de werkgevers en zijn dus te

beschouwen als gereedschappen, waarmede die menschen hun

brood verdienen.

Ik heb nu het amendement met zekere angstvalligheid zóó

geredigeerd, dat alleen die instrumenten uit het volgnummer

gelicht worden, waarop deze motiveering van toepassing

zou zijn.

Ik geloof niet, dat de Minister bezwaar zal hebben, dat

deze instrumenten, met name genoemd, welke zijn te beschouwen

als gereedschappen, worden vrijgesteld, zooals nu

reeds het geval is.

Het amendement van den heer Ter Hall (Stuk n°. 16)

«Oldt ondersteund door den heer St.ialman, mejuffrouw j

Westerman, den heer van Gijn, mevrouw Bakker—Nort en j

den heer Marchant en maakt mitsdien een onderwerp van j

beraadslaging uit.

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de V001-

zitter! Het bezwaar, dat ik heb tegen de uiteenzetting van

den geachten afgevaardigde, is hierin gelegen, dat hij

meent, dat de instrumenten, welke hier genoemd worden, ;

uitsluitend worden gebezigd door personen, die daarmede |

(Minister Coiijjn e. a.)

hun brood moeten verdienen. Men heeft mij echter gezegd,

dat de hier met name genoemde instrumenten ook in talrijke

gevallen worden gekocht voor gebruik door particuliere personen,

die die instrumenten voor hun genoegen bezigen.

Waar dat het geval is, geloof ik, dat er niet veel aanleiding

is aan het verzoek van den geachten afgevaardigde te voldoen.

Ik vind evenwel de zaak niet van zooveel belang, dat

ik niet de beslissing aan de Kamer zou kunnen overlaten.

De heer Ter Hall: Mijnheer de Voorzitter: Mij past in

de eerste plaats een innig woord van dank aan Zijn

Excellentie voor de tegemoetkomende houding, door hem

aangenomen, maar ik wensch aan zijn motiveering nog toe

te voegen, dat de instrumenten, door mij genoemd, hoofdzakelijk

worden aangeschaft door menschen, die er hun

brood mede moeten verdienen. Het spreekt vrijwel vanzelf,

dat die instrumenten ook worden gebruikt door amateurs,

maar dat moet men toejuichen, want het is van groot cultureel

belang, dat men het beoefenen van de muziek als

zoodanig in de hand werkt. Een groote trom wordt natuurlijk

niet in ieder gezin gevonden, maar een viool of een harp

zijn instrumenten, die veel worden aangetroffen, en men

moet iemand feliciteeren, wanneer een van zijn buren zich

daarop oefent.

Ik hoop, dat de Kamer de bezwaren, door mij naar voren

gebracht, zal onderschrijven en zal beamen, dat instrumenten,

waarmede de menschen hun brood moeten verdienen

en die hun eigendom zijn, niet moeten worden belast.

De Voorzitter: Ik verzoek de Commissie van Rapporteurs,

haar oordeel over het amendement mede te deelen.

De heer de Monté ver Loren, voorzitter van de Commissie

van Rapporteurs: Mijnheer de Voorzitter! De meerderheid

\an de Commissie van Rapporteurs, ofschoon natuurlijk op

prijs stellende dat de Minister aan de Kamer in deze geheel

de vrije hand laat, kan toch niet aan de Kamer adviseeren

van deze vrijheid gebruik to maken. De Commissie is van

oordeel, dat, evenmin als in andere gevallen, hier een

voldoend motief aanwezig is, om een verlaging als de voorgestelde

aan te brengen. Zij geeft de Kamer derhalve in overweging,

het amendement niet aan te nemen.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het amendement van den heer Ter Hall (Stuk n°. 1G)

wordt op verzoek van den heer Duys in stemming gebracht

en verworpen met 53 tegen 30 stemmen.

Tegen hebben gestemd de heeren Heukels, Colijn, de

Monté ver Loren, Lovink, Hermans, Zijlstra, Suring,

Schokking. Tilanus, Nolens, Rutten, Bomans, de Wilde,

Rutgers, Weitkamp, van den Heuvel, Schouten ? Snoeck

Henkemans, Fruytier, Krijger, van Schaik, mejuffrouw

Meijer, de heeren Duymaer van Twist, Kersten, Visscher,

mejuffrouw Katz, de heeren van de Bilt, Rutgers van Rozenburg,

Ament, Fleskens, Beumer, van der Molen, Bakker,

Michielsen, van Sasse van Ysselt, mevrouw Bronsveld—

Vitringa, de heeren Knigge, van Rijckevorsel, Bongaerts,

Wintermans, Engels, Bulten, Smeenk Leenstra, Feber, van

Rijzewijk, Deckers, van Vuuren van Voorst tot Voorst, van

Dijk, Kuiper, Loerakker en de Voorzitter.

Vóór hebben gestemd mejuffrouw Westerman, mevrouw

Bakker—Nort, de heeren Staalman, van der Waerden, van

Gijn, Braat, van den Tempel, Ter Hall, Bierema, Dfesselhuys,

K. ter Laan, IJzerman, de Boer, van Zadelhoff, de

Groot, Boon, van Braambeek, Gerritzen, Marchant, van

Ravesteijn, Duys, Ebels, Sannes, Wij kamp, Albarda, mejuffrouw

Groeneweg, en de heeren Kleerekoper, Schaper, Brautigam

en Troelstra.

Volgnummer 90 wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen^


Vel 82. 317 Tweede Kamer.

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling 1 eener nieuwe Tariefwet.

(Voorzitter e. a.1

Beraadslaging over volgnummer 91. luidende:

„Naai-, brei-, stop-, borduur., zoom-, stik-. festonneeren

dergelijke machines/ en apparaten.

I. Breï- en stopmachines, brei- en stopapparaten,

zoogenaamde magio weavers en dergelijke artikelen

daaronder begrepen, welke een gewicht hebben van 3

kilogram of minder. Maatstaf: waarde. Reebten: 8 pet.

II. Naaimachines, ook zooldoornaaimachines en

dergelijke naaimachines, en borduur-, zoom-. stik- en

festonneermachines:

a. ingebouwd in, of bevestigd aan of op zoogenaamde

salonkastjes. Maatstaf: waarde. Rechten: 8 pet.;

b. andere:

1. op tafel, voetstuk of pooten, al dan niet voorzien

van trapinrichting, welke een gewicht hebben van 55

kilogram of minder. Maatstaf: waarde. Rechten: 8 pot.;

2. overige, welke een gewicht hebben van 20 kilogram

of minder. Maatstaf: waarde. Rechten 8 pet.",

waarop zijn ingediend de volgende amendementen.

I. een, van mevrouw Bakker—Nort (Stuk n°. 7), strekkende

om in plaats van 8 pet. te lezen: 5 pet;

II. een, van den heer van Gijn (Stuk n°. 14, IV), strekkende

om het volgnummer te lezen:

,,Naaimachines, ook zooldoornaaimachines en dergelijke

machines en borduur-, zoom-, stik- en festonneermachines

ingebouwd in of bevestigd aan of op zoogenaamde

salonkastjes waarde 8 pet.;

III. een, van de heeren IJzerman en van der Waerden,

(Stuk n°. 21, III), strekkende om 116 te lezen:

,,&. andere waarde 5 pet."

en IV. een, van de heeren Boon, de Groot, van Rappard,

mejuffrouw Westerman en de heeren Staalman. Ter Hall,

Gerritzen, Dresselhuys, Duys en Oud (Stuk n°. 32, I),

strekkende om aan het volgnummer sub 2 toe te voegen een

bijzondere bepaling:

„Van het volgens dezen post verschuldigd invoerrecht

worden vrijgesteld de machines, voor zoover desverlangd

bij de visitatie door bestelorders of bescheiden afdoende

wordt aangetoond, dat de artikelen zijn bestemd om te

worden gebezigd als grondstof of hulpmiddel in de

industrie. Wij behouden Ons echter het recht voor bij

algemeenen maatregel van bestuur met betrekking tot

de'hierbedoelde vrijstellingen zoo noodig nader beperkende

voorschriften te geven, ten einde misbruik te voorkomen."

Mevrouw Bakker—Nort verkrijgt het woord tot toelich-

•ting van het amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter!

Door den Minister wordt voorgesteld 8 pet. te heffen van al

deze machines, waarvan vooral de naaimachines ook in de

eenvoudigste huishouding worden gebruikt, hetzij voor eigen

gebruik, hetzij voor betaalden arbeid, als kostwinning van

de huisvrouw.

Ook ten opzichte van de andere machines, in dezen post

genoemd, is er een dringend argument om tot verlaging van

het invoerrecht over te gaan. Deze machines, b.v. brei- en

stopmachines, worden gebruikt door vrouwen, die haar kinderen

niet alleen kunnen laten en het brood thuis voor het

gezin moeten verdienen. Het zou consequent zijn geweest om,

zooals de heer van Gijn heeft gedaan, vrijstelling te vragen,

omdat deze machines in vele gevallen een hulpmiddel van

bedriif zijn. Ik heb dat echter evenmin als in andere gevallen

gedaan, omdat ik meen, dat een matig recht meer

kans van slagen heeft, waar dit ontwerp bedoelt te zijn een

fiscale herziening.

Het amendement van mevrouw Bakker—Nort (Stuk n°. 7)

wordt ondersteund door de heeren Dresselhuys, Ter Hall,

(van Gijn e. a.)

Duys, van der Waerden, van Zadelhoff en de Boer en maakt

mitsdien een onderwerp van beraadslaging uit.

De heer van Gijn verkrijgt het woord tot toelichting van

zijn amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Bij dit

artikel geldt wel het sterkst, dat het onjuist is om een

productiemiddel van gering gewicht, dat bij thuisnaaien

voor eigen gezin — of bij het naaien thuis voor anderen —

ee -i. l i"' it wor(^t' * e belasten, terwijl de fabrieksnaaimachine

vrij blij ft. Het geldt hier de huiselijke productie der vrouw

bij uitnemendheid. Maar toch ook wel fabrieksmachines.

Het gaat zoowel om naaimachines, wat de hoofdzaak is,

als ook om brei-, stop-, borduur-, zoom-, stuk- en festonneermachines,

welke laatste door vrouwen (en mannen), die in

klein bedrijf voor anderen naaien, gebezigd worden. Ik ben

niet tevreden met het terugbrengen van 8 op 5 pet., want

deze naaimachines waren tot nu toe vrij, en terwijl de algemeene

verhooging 3 pet. bedraagt, gaat men hier van

0 tot 5 pet.

Ten einde te toonen, dat ik in den stijl van het ontwerp

wil blijven, wordt niet voorgesteld het geheele artikel te

schrappen, doch te behouden de „naaimachines, ingebouwd

in salonkastjes", die als min of meer luxueus zijn te beschouwen.

Ik heb er zelfs niet tegen, als de Minister daarop

16 pet. wil beffen. Hier gaat het om verbruiksters, die zich

wellicht voor dat gebruik eenigszins geneeren.

TJit een adres van Singer blijkt, dat men het recht op den

prijs zal zetten, vermits reeds nu niet met voordeel geleverd

wordt wegens de noodzakelijkheid om krediet te geven. Ik

wijs er op, dat het hier niet gaat om vrijhandel of bescher»

ming, omdat naaimachines hier te lande niet worden gemaakt;

de vraag is, of dit een object is voor een fiscaal recht.

Singer geeft een goed beeld van de personen, die hier

belast worden; hij schrijft o. a. het volgende:

„Ons artikel wordt voor nog geen 20 pet. a contant

of ten minste op groote termijnen verkocht en voor meer

dan 80 pet. op zéér, zéér kleine, wekelijksche termijnen.

Waarom? Omdat het is geworden het gereedschap dei

economisch meest zwakken, het redmiddel van duizenden

weduwen, die voor zich en bare kindereD den natuurlijken

verzorger missen; van tienduizenden huismoeders,

die in de naaimachine een middel hebben om ligt niet

toereikende iniomen van den man en vader te completeeren

öf om op schappelijke wijze in het bezit te komen

van nette kleeding voor haar gezin; van tienduizenden

beroepsnaaisters en "kleermakers, die van de hand in

den tand leven, doch — dank zij de naaimachine en het

door ons verleende krediet — een — zij het dan ook

zuur — stuk brood verdienen. Hierbij komen nog de

honderden „loonfabrikantjes", die nu reeds de allergrootste

moeite hebben om het hoofd boven water te

houden "

De berichten, die ik ontvangen heb, zijn van dien aard,

dat tal van machines, die door de fabrikanten worden gebruikt,

ook nog onder het recht zouden vallen. Mij kan dat

op zich zelf niet schelen; als de Minister de huisvrouwen

belast, kan hij mijnentwege ook de fabrikanten belasten.

Te recht eindigt Singer met de vraag, of nu van deze reeds

overbelaste tobbers ook nog een recht van 5 pet. op de

machines, die zij gebruiken, moet worden geheven.

Ik meen dan ook met den meesten ernst bij den Minister

een goed woord te mogen doen voor de vrouw, die thuis

werken moet; voor de ontslagen ambtenares, die elders niets

meer verdienen kan voor baar gezin, en dergelijken. Ik

twijfel niet, of de Minister zal, ofschoon hem een brug aangeboden

wordt in den vorm van het 5-pct.«amendement, in

dit geval de stemming over het amendement-van Gijn overlaten

aan de rechterzijde en ik twijfel er niet aan, of de

rechterzijde zal bij deze gelegenheid van die vrijheid een

nuttig gebruik maken.

Het amendement van den heer van Gijn (Stuk n°. 14, IV)

wordt ondersteund door de heeren Dresselhuys, Boon, Ter

Hall, Staalman en mejuffrouw Westerman en maakt derhalve

mede een onderwerp van beraadslaging uit.

Handelingen der Staten-Generaal. — 1924—1925. — II.


318

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(IJzerman e. a.)

De lieer IJzerman verkrijgt het woord tot toelichting van

zij» amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Volgens

dezen post worden naaimachines en soortgelijke machines,

ook wanneer ze van de luxe der salonkastjes gespeend zijn,

met 8 pet. belast, indien zij zwaarder zijn dan 55 of 20

kilogram. De zwaardere naaimachines blijven onbelast.

Het komt mij voor, dat er geen enkel redelijk_ motief Is,

om, terwijl men naaimachines, die in de industrie gebruikt

worden, vrijlaat, de eenvoudige naaimachines van de huisvrouw

en van de naaister te belasten.

Ik zou dan ook hebben voorgesteld, deze arbeidsmiddelen

geheel vrij te stellen, indien ik het niet, om althans iets

te bereiken, gewenscht vond, den Minister een eindweegs

te gemoet te komen, door voor te stellen voor deze machines

het invoerrecht op o pet. te bepalen.

Ik ben daarbij zeer ver gegaan, ik heb van den afstand

tusschen den Minister en mij 5/8 afgelegd, en vertrouw

dus, dat Zijn Excellentie de oveblijvende 3/8 van den weg

zal afleggen.

Het amendement van de heeren IJzerman en van der

Waerden (Stuk n°. 21, III) wordt ondersteund door de heeren

Schaper, Wij kamp, Ter Hall en mejuffrouw Groeneweg en

maakt derhalve mede een onderwerp van beraadslaging uit.

De heer Boon verkrijgt het woord tot toelichting van zijn

amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Do bedoeling

van den Minister is, naaimachines beneden een zeker gewicht

te belasten en zwaardere machines vrij te stellen,

omdat die alleen in de industrie worden gebezigd.

Men kan nu wel aan het Departement denken, dat deze

scheidingslijn zoo loopt en theoretisch is het zeker _ heel

fraai, maar de practijk is anders. De machines, die in de

industrie worden gebruikt, wegen voor een zeer groot deel

minder dan 20 K.G. Ik had hier wel zulk een machine

kunnen meenemen, een van 8\ K.G., dat is maar zoo'n klein

dingetje. Uit mijn gegevens blijkt, dat bijv. in één fabriek

met 400 machines, in bedrijf zijn 86 overlockmachines van

8£ K.G., 7 trikotitmachines'van 5i K.G., 212 stuks dubbele

kettingsteekbezetmachines van lli K.G. en 19 overdeknaaimachines

van 20 K.G., terwijl in totaal slechts 66 machines

gebruikt worden zwaarder dan 20 K.G. M.a.w. 16 pet. van

de machines is zwaarder, 84 pot. is lichter dan 20 K.G. Geen

dier machines is geschikt om voor huishoudelijke doeleinden

te worden gebruikt; zij worden uitsluitend gebezigd voor de

industrie. Het criterium, dat in dit artikel wordt aangelegd,

is derhalve voor de practijk absoluut onbruikbaar en

daarom heb ik dit amendement ingediend. Nu echter de

heer van Gijn een amendement heeft voorgesteld van verdere

strekking, waarbij ook deze machines worden vrijgesteld,

zal ik natuurlijk nog liever zien, dat het amendement

van mijn geestverwant wordt aangenomen.

Voorgesteld door 10 leden maakt het amendement van den

heer Boon c. s. (Stuk n°. 32, I) een onderwerp van beraad,

slaging uit.

Mevrouw Bronsveld—Vitringa: Mijnheer de Voorzitter!

Mevrouw Bakker—Nort wil in post 91 het recht terugbrengen

tot 5 pet. Ik zou zoover niet willen gaan, maar ik

zou toch een goed woord willen doen voor de huisvrouwen,

die de z.g. hand- en trapnaaimachines in het gezin gebruiken.

Ik kan mij aansluiten bij hetgeen wordt voorgesteld

in het amendement-van der Waerden, dat juist op

die naaimachines betrekking heeft. Ik geloof, dat het wenschelijk

is, waar de huisvrouw zooveel goed thuis moet

naaien, dat het materiaal, dat zij daarvoor noodig heeft,

die naaimachines, niet hooger worden belast dan strikt

noodig is. Ik hoop daarom, dat de Minister er toe zal overgaan,

om, zooals de heer van der Waerden heeft voorgesteld,

voor deze naaimachines het recht terug te brengen

op 5 pet.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Ik wil eerst naar aanleiding van het amendement van

den heer Boon een enkel woord zeggen.

(Minister Colijn e. a.)

De opmerking van den geachten afgevaardigde, dat hier

onder de in II, 2°, aangenomen gewichtsgrens van 20 K.G.

ook vallen enkele machines, die ook in de industrie worden

gebruikt, is juist. Dat was mij ook bekend. Toen wij deze

gewichtsgrens gingen vaststellen, hebben wij ons eerst op de

hoogte gesteld wat zou vrijvallen en wat zou worden belast.

Daarop is deze gewichtsgrens als de meest doelmatige aangenomen,

ofschoon wij wisten, dat de machines, die de heer

Boon noemt en die betrekking hebben op enkele fabrieken,

er onder zouden vallen. Waarom is toen toch die gewichtsgrens

gehandhaafd? Ik heb gevraagd, hoeveel zulk een machine

kostte en hoeveel jaren zij mee kon. Zij bleek f 400 ta

kosten en 20 jaar te kunnen worden gebruikt, d. w. z. het

gebruik per jaar kost f20. Wanneer men nu aanneemt, dat

het recht van 8 pet. ten volle op die machine komt te drukken,

dan beteekent dat per jaar voor iedere machine f 1,60. Wanneer

men nu in een groote zaak 100 van die machines in

gebruik heeft, beteekent dat een verhooging van kosten van

f 160 per jaar. Ik weet nu wel, dat men in elk bedrijf ook

moet kijken naar een uitgave van f 160, m.aar als in groote

bedrijven in het ongunstigste geval dientengevolge de productiekosten

worden verhoogd met f160, dan vraag ik mij toch

af, of daarvoor alleen noodig is, de groote bezwaren, die aan

het amendement van den geachten afgevaardigde verbonden

zijn, op den koop toe te nemen; alle machines zouden dan

gecontroleerd moeten worden op haar bestemming. Daaraan

zijn ernstige administratieve bezwaren verbonden. Wat het

amendement van den heer van Gijn betreft, om alleen werktuigen,

die in salonkastjes en dergelijke zijn ingebouwd, en

die dus als luxe zijn te beschouwen, te belasten met 8 pet.

en daarentegen al het andere, wat in den post voorkomt, vrij

te laten, dat zou de schatkist een nadeel berokkenen van

2A ton. Het is op dien grond, dat ik veel meer voel voor het

amendement van de heeren van der Waerden en IJzerman,

die het recht voor gewone naaimachines, zooals die worden

gebruikt in het huishouden en door huisnaaisters, terugbrengen

van 8 op 5 pet. Een soortgelijk amendement is ingediend

door mevrouw Bakker—Nort, die echter te ver gaat,

omdat zij alle artikelen, ook die, welke de heer van Gijn op

8 pet. wil laten en waarvan hij zelfs zeide, dat men tot 16 pet.

zou kunnen gaan, op 5 pet. wil laten. Ik resumeer dus, dat

met het oog op de gevolgen voor de schatkist noch het amendement

van den heer van Gijn, noch dat van mevrouw Bakker—Nort

aanbeveling verdient: dat, ofschoon ik erken, dat

voor het amendement van den heer Boon het een en ander

is aan te voeren, ik de juistheid daarvan niet van zoo overwegende_beteekenis

acht. dat het geoorloofd zou zijn, ons

den administratieven omslag op den hals te halen, die daarvan

het gevolg zal zijn.

Er blijft dus alleen over het ook door mevrouw Bronsveld—

Vitringa aanbevolen amendement van de heeren van der

Waerden en IJzerman, dat tot strekking heeft voor de gewone

naaimachines het recht terug te brengen van 8 tot 5

pet., waarbij dan nog komt, dat indien dat geschiedt, in

zooverre aan het bezwaar van den heer Boon is te gemoet

gekomen, ook voor de machines, die hij op het oog heeft, het

recht met 3 pet. wordt verminderd, zoodat het bezwaar, dat

ik zooeven heb getracht onder cijfers te brengen, nog geringer

wordt. Ik durf nog niet te zeggen, dat ik het overneem,

omdat mij nog niet gebleken is, of misschien uit de Kamer

daartegen verzet zou rijzen. Blijkt dat niet het geval te zijn,

gelijk ik uit de stemming der vergadering meen te mogen

opmaken, dan ben ik bereid het amendement over te nemen,

hetgeen ik bij deze doe.

Aangezien het amendement van de heeren van der Waerden

en IJzerman (Stuk n°. 21, III) door de Regeering is

overgenomen, maakt het geen onderwerp van beraadslaging

meer uit.

De heer Boon: Mijnheer de Voorzitter! De Minister heeft

gezegd, dat het hem bekend was, dat ,,enkele" machines, die

voor de industrie gebruikt worden, onder dezen post zouden

vallen. Ik vermoed, dat de Minister zooeven niet zeer scherp

geluisterd heeft, want ik heb met cijfers vermeld, dat in


319

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. [Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Boon e. a.)

sommige fabrieken niet enkele, maar 84 pet. van de daar

gebruikte machines er onder zouden vallen, in andere fabrieken

misschien 70 of 80 pet. Ik ben eventueel bereid die cijfers

nog eens te noemen.

Wat zegt nu de Minister? Er worden in de fabrieken gebruikt400

machines. Wat doet dat er eigenlijk toe? Ze hebben

een levensduur van 20 jaar. (De levensduur is wel wat korter,

nl. 12 tot 15 jaar, maar laten wij daar niet al te veel op

vallen!) Het zal dus voor één bedrijf zijn een post van 400 x

f 400 = f 160 000. Dat is dus per jaar voor één bedrijf met

400 machines een post van f 8000, of f G40 invoerrecht.

Wanneer wij aannemen, dat de levensduur niet is 20 jaar,

maar 12 jaar, dan blijkt het. dat die post voor een vrij uitgebreide

fabriek tegen de f 1000 loopt.

Nu zegt de Minister: wat maakt ge een kabaal voor zoo'n

klein postje. Ik wijs er echter op, hoe gevaarlijk het is, om

bij ieder postje te zeggen: wat doet het er eigenlijk toe.

Door drie achtereenvolgende postjes, nl. voor garens f 1200,

voor de naaimachines f 1000 en straks voor naalden f 800, zal

één fabriek f 3000 hebben te betalen. De Minister kan nu wel

zeggen: dat is een klein bedrag en wat doet dat er eigenlijk

toe, maar de Minister is er toch met mij van overtuigd, dat

onze industrie dergelijke kleine bedragen niet kan dragen,

dat wij, met onze wassende bevolking, hoe langer hoe meer

op den export zijn aangewezen en dat wij de industrie zoo

weinig mogelijk belemmeringen in den v^eg moeten leggen.

Mijnheer de Voorzitter! De Minister is geëindigd met te

zeggen: het amendement van den heer Boon bevat elementen

van juistheid, ik zou er wel iets voor gevoelen, maar de administratie

wordt zoo moeilijk. Ik wijs er dan echter op. dat de

Minister in post 41 onder de bijzondere bepalingen dezelfde

redactie heeft voor platinadraad, koperdraad, kopertouw,

ongeverfde zijde en dergelijke meer, waarbij het in de declaratie

ontzettend veel moeilijker zal zijn te constateeren, waarvoor

de .artikelen bestemd zijn, dan bij deze machines.

Aan den eenen kant beroept de Minister er zich op, dat

de machines zoo zelden vernieuwd worden: zij zouden een

levensduur van 20 janr hebben; zoo heel veel worden er niet

ingevoerd; maar aan den anderen kant zegt de Minister, dat

het voor de administratie ondoenlijk zal zijn dit te controleeren.

Dat argument zal de Minister moeilijk kunnen volhouden.

Mijnheer de Voorzitter! Het spijt mij, dat de dames Bronsveld—Vitringa

of Meijer, of een ander lid der rechterzijde

mij hierbij niet steunen, aangezien ik dan meer succes zou

hebben, nu de Minister zelf erkent, dat het billijk en juist is.

Mevrouw Bakker—Nort: Mijnheer de Voorzitter! Ten

einde de Kamer een onnoodige stemming te besparen, trek

ik mijn amendement in.

Aangezien het amendement van mevrouw Bakker—Nort

(Stuk n°. 7) is ingetrokken, maakt het geen onderwerp van

beraadslaging meer uit.

De heer van Gijn: Mijnheer de Voorzitter! Het is minder

aangenaam voor den vrouwenarbeid te moeten optreden, als

men de vrouwen aan de rechterzijde hoort zeggen: och, als

de naaimachines iets duurder worden, wat doet dat er toe? j

Wanneer een naaimachine f 160 of f 200 kost, wil het

zeggen voor de arme stakkerds die haar bijna afbetaald

hebben, dat er f 12,80 of f 16 bijkomt en dat zij dus een i

paar termijnen meer moeten betalen.

Wij hebben mevrouw Bronsveld—Vitringa hooren zeggen:

5 pet. komt er niet op aan. Zij was al heel blij, dat er

8 pet. afging en zij tegen de kiezers kon zeggen': ik heb

jullie verdedigd tegenover den Minister, die zooveel vroeg.

Ik ben van die meening niet en blijf het voor de stakkerds

opnemen, die vaak al zoo heel moeilijk door het leven

komen en zich even nuttig maken in de productie als do

groote fabrikanten.

De Minister heeft gezegd: het kost alle jaren f 2-15 000.

Mijnheer de Voorzitter! Ik zou wel eens willen weten, !

wat het amendement, dat de Minister heeft overgenomen,

(van Gijn e. a.)

hem kost, om daaruit te berekenen, welk verschil er tusschen

die twee zou zijn. Een belangrijk deel traat van die

f245 000 af.

Ik wil er op wijzen, dat brei- en stopmachines evengoed

worden gebruikt door thuiswerkers. Die worden gebruikt

door menschen, die daarmede niet werken voor hun eigen

gezin, maar in het klein werken voor ondernemingen.

Ik zie niet in, waarom wij alleen aan naaimachines

moeten vasthouden. Wie een breimachine gebruikt, is er

dikwerf even arm en akelig aan toe, als wie een naaimachine

gebruikt, misschien nog veel slechter.

Ik blijf dus hopen, dat althans een voldoend aantal leden

zich zullen verklaren voor de belangen van die arme tobbers,

die de Regeering, in haar 6treven om de schatkist te vullen,

helaas meent te moeten treffen door dit recht.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Ik heb nog enkele opmerkingen te maken naar aaulei

ding van de becijfering, welke de heer Boon gegeven heeft.

Die geachte afgevaardigde zegt: 84 pet. van die machines

valt onder de gewiebtsgrens van 20 K.G.

Dit zegt op zich zelf zeer weinig. Wanneer men namelijk

de geldelijke gevolgen berekent, dan dient men te zeggen:

84 pet. van welk aantal ? Van 10 000 machines ? Van 100 000 ?

Van_400, zegt de geachte afgevaardigde. Welnu, dan zijn

wij in staat om het precies uit te rekenen.

84 pet. van 400 is rond 325. De prijs van een machine is

f 400. De verbruiksduur is 20 jaren. Dat beteekent dus een

afschrijving van f 20 per jaar. Wanneer er een recht op is

van 8 pet., dan moet die afschrijving worden verhoogd met

f 1,60 per jaar, aangenomen althans, dat dat recht ten volle

op het artikel drukt.

En als het gaat om 325 machines, dan gaat het in totaal

dus om verhooging der productiekosten met een bedrag van

325 maal f 1,60.

Een gelijke opmerking moet ik maken naar aanleiding van

de cijfers, door den heer van Gijn genoemd. De geachte

afgevaardigde spreekt, als hij het heeft over die arme

tobberds, die met een naaimachine hun brood moeten verdienen,

van een naaimachine van f 200, maar een naaimachine

kost f 60 of f 70 en, al6 men een heel mooie wil

hebben, f90.

Ik hoor daar zeggen: f 30, maar die soort ken ik niet. In

elk geval is f 60 veel dichter bij de waarheid dan f 200.

Als men dergelijke argumenten gebruikt, waarvan ik de

betrekkelijke waarde niet wil ontkennen, moet men niet door

dergelijke overdrijving de zaak voorstellen in afmetingen,

welke met de werkelijkheid niet in overeenstemming zijn.

Ik handhaaf dus mijn bezwaren tegen de amendementen,

voor zoover ik ze niet heb overgenomen.

De heer Boon: Mijnheer de Voorzitter! Nu de Minister

zijnerzijds een berekening heeft gemaakt, moet ik die toch

even rectificeeren. De Minister heeft gezegd, dat 83 pet. van

400 was 325, maar, als Zijn Excellentie had geluisterd naar

de berekening, welk ik zooeven heb gemaakt, dan had hij

gehoord, dat het waren 334 machines, zoodat men kreeg een

bedrag van 334 maal f 1,60 of f 477. De Minister denkt, dat

de levensduur van een machine is 20 jaar, maar die zal

ongeveer 12 jaar zijn, zoodat men komt tot een bedrag van

ongeveer f 800 voor de eene door mij bedoelde fabriek. Maar

al ging het om f 500, dan was het nog van belang.

Verder wijs ik er op, dat de Minister verder wijselijk heeft

gezwegen over zijn bewering, dat de administratieve moeilijkheden

zoo groot zouden zijn, terwijl Zijn Excellentie die

bij andere ingewikkelde artikelen niet laat wegen.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Ik wensch alleen mede te deelen, dat één der betrokken

fabrikanten persoonlijk aan het Departement heeft gesprolken

van een levensduur van 20 jaar; niet van 12 jaar.

De Voorzitter: Ik verzoek de Commissie van Rapporteurs,

haar oordeel over de Regeeringswijziging en over de beide

amendementen mede te deelen.


320

14de VERGADERING. — 29 0CT0BER 1924.

66. Vaststelling eener nieuw© Tariefwet.

(de Monté ver Loren e. a.)

De heer de Monté ver Loren, voorzitter van de Commissie

van Rapporteurs: Mijnheer de Voorzitter! De Commissie van

Rapporteurs heeft tegen de Regeeringswijziging geen bezwaar,

maar de meerderheid der Commissie is van meening,

dat de beide amendementen niet moeten worden aangenomen.

De beraadslaging wordt gesloten.

De Voorzitter: Kan de Kamer goedvinden, dat over de

amendementen wordt beslist met zitten en opstaan?

Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Ik verzoek den leden, die vóór het amendement

van den heer van Gijn (Stuk n°. 14, IV) zijn, op te

staan.

Ik constateer, dat het amendement nipt is aangenomen.

Ik stel voor, op dezelfde wijze te beslissen over het amendement

van den heer Boon c. s. (Stuk n°. 32, I).

Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Ik verzoek degenen, die tegen het amendement

zijn, op te staan.

Ik constateer, dat het amendement niet is aangenomen.

Het gewijzigde volgnummer 91, waarvan het bepaalde bij

II sub b thans luidt:

„o.

andere: waarde 5 pet.",

wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Beraadslaging over volgnummer 92, luidende:

„Naalden en spelden.

I. Pak-, matras-, zeil-, snij- en stoffeerdersnaalden,

naai- en stopnaalden, borduur», rijg-, hecht- en knoopnaalden

en andere gereedschapsnaalden met oog,

machinenaalden en naalden voor chirurgisch gebruik

daaronder begrepen, zoomede haak- en breinaalden, ook

wel genaamd haak- en breipennen, lardeernaalden en

nettenknoop- of nettenbreinaalden. Maatstaf: waarde.

Rechten: 8 pet.

II. Siernaalden en andere hoed- en kleednaalden,

zoomede spelden (friseer-, haar-, krul- en veiligheidsspelden,

van speld voorziene insignes en derQ-eliike artikelen

daaronder begrepen). Maatstaf: waarde. Rechten:

8 pet.",

waarop de volgende amendementen zijn voorgesteld:

I. twee, van de heeren IJzerman en van der Waerden,

strekkende om: sub I in plaats van ,,8 pet." te lezen:

„5 pet." (Stuk n°. 21, IV),

en sub tl te vervangen door:

,,II. Spelden, met uitzondering van de onder III

genoemde, waarde 5 pet.

III. Siernaalden en andere hoed- en kleednaalden.

zoomede friseer-, haar» en krulspelden, van een speld

voorziene insignes en dergelijke artikelen. Waarde:

8 pet." (Stuk n°. 21, V);

II. een, van den heer Boon (Stuk n°. 22), strekkende om

tusschen I en II in te voegen:

..Bijzondere bepaling.

Van het volgens dezen post onder I verschuldigde

recht worden vrijgesteld de artikelen, vcor zoover desverlangd

bij de visitatie door bestelorders of bescheiden

afdoende wordt aangetoond, dat de artikelen zijn bestemd

om te worden gebezigd als hulpmiddelen in de

industrie. Wij behouden Ons echter voor bij algemeenen

maatregel van bestuur met betrekking tot de hier be-

(Yoorzitter e. a.)

doelde vrijstellingen, zoo noodig nader beperkende voor.

schriften te geven ten einde misbruik te voorkomen.",

en III. een, van de heeren Boon, de Groot, van Rappard,

mejuffrouw Westermau, en de heeren Staalman, Ter Hall,

Gerritzen, Dresselhuys, Duys en Oud (Stuk n°. 32, II), strekkende

om aan het volgnummer toe te voegen:

,, Vrij gesteld worden alle breimachinenaalden, zoowel

tongen- als hakennaalden."

De heer IJzerman verkrijgt het woord tot toelichting van

de amendementen en zegt: Mijnheer de Voorzitter! De bedoeling

van deze twee amendementen is, om naalden en

spelden, voor zoover zij arbeidsmiddelen zijn ep bovendien

niet dienen als instrument voor wereldsche ijdelheid, niet

zwaarder te belasten dan thans.

Tot dusver waren deze artikelen deels met 5 pet. belast,

deels vrij van invoerrecht, deels soms vrij, soms met 5 pet.

belast. Om het tarief niet al te gecompliceerd te maken en

voor Zijn Excellentie de overneming van dit amendement

niet te moeilijk te maken, heb ik voorgesteld, ze alle met

5 pet. te belasten, en voor siernaalden, enz., die min of meer

als weelde-artikelen kunnen worden aangemerkt, de verhooging

tot 8 pet. te behouden.

De amendementen van de heeren IJzerman en van der

Waerden (Stuk n D . 21, IV en V) worden ondersteund door

de heeren Ter Hall, Boon, Troelstra en Braat en maken

mitsdien een onderwerp van beraadslaging uit.

De heer Boon verkrijgt het woord tot toelichting van het

amendement op Stuk n°. 32 en zegt: Mijnheer de Voorzitter!

Ik zal gaarne mijn stem geven aan het door den heer IJzerman

voorgestelde amendement, maar, wanneer dit mocht

worden verworpen, stel ik er prijs op. dat mijn amendement

wordt aangenomen. Het geldt hier duizenden naalden, die

met 8 pet. zullen worden belast. Nu wordt er onderscheid

gemaakt tusschen naalden met en zonder oog. Tongennaalden

hebben iets, dat op een oog gelijkt, maar voor de ambtenaren

is het zeer moeilijk te zeggen, of het een oog is of

niet. Het gevolg zal wel zijn, dat de haken- en tongennaalden

belast zullen worden. Men gebruikt al deze naalden alleen

in de industrie, en er zijn fabrieken, die er jaarlijks f 10 000

tot f 12 000 van gebruiken. De overneming van mijn amendement

zal de opbrengst van het tarief niet veel verminderen,

zoodat dit voor den Minister geen bezwaar kan zijn,

daar de geïncasseerde winst tot aan art. 92 nog gering is

en zich beperkt tot de borstels van den heer Vliegen, de

anti-conceptioneele middelen van den heer van Gijn, de

mattenkloppers van mevrouw Bakker—Nort en de badkuipen

van den heer IJzerman en mevrouw Bakker—Nort.

De Voorzitter: Wenscht te heer Boon het tweede amendement

(Stuk n°. 32, II), voorgesteld door hem en andere

leden, ook toe te lichten?

De heer Boon: Dank u, Mijnheer de Voorzitter!

Het amendement van den heer Boon (Stuk n°. 22) wordt

ondersteund door de heeren de Boer, Braat, Ter Hall, Staalman

en Dresselhuys, en maakt mitsdien een onderwerp van

beraadslaging uit.

Het amendement van den heer Boon e. s. (Stuk n°. 32, II)

maakt, als voorgesteld door tien leden, een onderwerp van

beraadslaging uit.

De heer Colijn, Ministei van Financiën: Mijnheer de V001-

zitter! Het amendement-Boon op Stuk 32 lijkt mij overbodig.

Er wordt in den post gezegd: ,,zoomede haak- en breinaalden,

ook wel genaamd naak- en breipennen". Die zin

dient ter verklaring van hetgeen met haak- en breinaalden

wordt bedoeld, en dus komt het mij voor, dat de door den

geacht en afgevaardigde bedoelde naalden reeds vrijgesteld

zijn. In elk geval is het de bedoeling van het tarief om ze


Vel 83. 321 Tweede Kamer.

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Minister Colijn e. ft.)

vrij te stellen. Indien de geachte afgevaardigde het nu nog

.veiliger vindt om zijn amendement er aan toe te voeden, ii

dat misschien overbodig, maar niet gevaarlijk, en ben ik

bereid het amendement over te nemen. Het brengt geen verandering

in wat de Regeering reeds bedoelde.

Wat het andere amendement-Boon betreft, daartegen heb

ik weer overwegende bezwaren van administratieven aard.

•Wanneer men al deze dingen moet nagaan, geeft dat een

omslag voor de administratie, die ik weet niet hoeveel amb-

.tenaren noodig zal maken.

Wat het amendement-van der Waerden aangaat, het

schijnt buitengewoon moeilijk te zijn om uit te maken, wat

al dan niet sierspelden zijn. Onder het oude tarief is juist

'dit artikel altijd een bron van voortdurende geschillen geweest.

Daarom komt het mij voor, dat het Deter is, dat

onderscheid niet te maken en eenvoudig al deze spelden als

één soort te beschouwen.

(de Monté ver Loren e. a.)

bezwaar. De meerderheid van de Commissie is van meening,

dat de beide amendementen niet moeten worden aangenomen.

De beraad^slaKing wordt gesloten.

De Voorzitter: Verlangt de heer IJzerman, dat over de

beide amendementen afzonderlijk gestemd wordt, of zou hij

kunnen goedvinden, dat over beide amendementen gezamenlijk

wordt gestemd P

De heer IJzerman: Mijnheer de Voorzitter! Ik heb tegen

een gecombineerde stemming: geen bezwaar.

De Voorzitter: Ik stel voor, deze stemming te doen geschieden

bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

De heer Boon: Mijnheer de Voorzitter! Het amendement

op Stuk n°. 22 wordt door mij ingetrokken. Straks, bij de

naaimachines, was het administratieve bezwaar van den

Minister zeer gezocht, maar ik begrijp, dat het hier nioeilijker

is en dat de Minister het amendement bezwaarlijk kan

overnemen.

De Minister heeft in zake mijn amendement op Stuk

n". 32 gezegd: het is misschien overbodig, maar als de geachte

afgevaardigde er prijs op stelt, wil ik het overnemen.

ïk zou dit laatste gaarne zien. Dan weet men waar men aan

toe is en anders blijft er twijfel bestaan.

'Aangezien het amendement van den heer Boon (Stuk n*.

22) is ingetrokken, maakt het geen onderwerp van beraad-

Blaging meer uit.

De heer IJzerman: Mijnheer de Voorzitter! Ik geloof,

'dat het bezwaar van den Minister tegen mijn amendementen

overdreven is. De overgroote massa van de naalden, die

opgesomd worden sub I van dit volgnummer, kan niet verward

worden met siernaalden. Ik meen dus, mijn amendementen

te moeten handhaven.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

De stel thans voor, tusschen I en II van den post in

te voegen: vrijgesteld worden alle breimachinenaalden, zoo-

Wel tongen- als hakennaalden.

Wat Detreft de opmerking van den heer IJzerman, deze

xal begrijpen, dat ik in dergelijke vragen mij moet laten

leiden door de ervaring van den dienst der invoerrechten en

accijnzen. Wanneer die dienst verklaart, dat hij het onderscheid

zeer moeilijk kan vaststellen, en dat daaruit in het

verleden tal van moeilijkheden zijn voortgekomen, dan moet

ik dat als een ervaringsfeit aannemen en het hier aanvoeren

als een grond tegen het amendement.

De Voorzitter: De Minister deelt mede, dat hij tusschen

I en II in volgnummer 92 invoegt de woorden: ..Vrijgesteld

worden alle breimachinenaalden, zoowel tongen- als hakennaalden".

Ik mag aannemen, dat de heer Boon thans zijn amendement

(Stuk n°. 32, II) intrekt.

De heer Boon: Ja, Mijnheer de Voorzitter!

Aangezien bet amendement van den heer Boon (Stuk

n c . 32, II) is ingetrokken, maakt dit geen onderwerp van

beraadslaging meer uit.

De Voorzitter: Ik verzoek thans de Commissie van Rapporteurs,

haar gevoelen mede te deelen over de Regeeringswijzigin


322

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

C6. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(IJzerman e. a.)

talrijkste en meest sympathieke sexe, maar ook bij de vele

mannen, vooral ter rechterzijde, wier harten zooveel meer

uitgaan tot de breiende, mazende en stoppende vrouw dan

tot de onderwijzende, tikkende of politiseerende vrouw.

Ik beveel ook daarom dit amendement in de bijzondere

aandacht van Zijn Excellentie aan.

Het amendement van den heer Vliegen (Stuik n°. 5, XI)

is mede-onderteekend door de heeren van der Waerden en

IJzerman en wordt ondersteund door de heeren Duys,

Troelstra, Hiemstra en de Boer en maakt mitsdien een

onderwerp van beraadslaging uit.

De heer Colijjn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Nu de geachte afgevaardigde en ik een paar maal op

voet van vriendschappelijkheid hebben gestaan bij de bespreking

van zijn amendementen en ik er een paar heb overgenomen,

is de geachte afgevaardigde blijkbaar van oordeel,

dat ik in die richting tot het einde van den avond behoor

door te gaan. Maar dat zal toch met dit amendement al heel

moeilijk gaan! Want onder de hier genoemde voorwerpen

zullen er verscheidene voorkomen, die in zeer kostbare opmakingen

en vormen worden ingevoerd, bijv. zilveren en

f ouden vingerhoeden, kostbaar versierde naaldenkokers en

ergelijke. Het zal bij deze gToep onmogelijk zijn, onderscheid

te maken txisschen de eene en de andere soort, en

daarom is het m.i. verkeerd af te wijken van de algemeene

lijn van het wetsontwerp, door het recht voor alle, dus ook

voor de zeer dure, artikelen te verlagen.

De heer IJzerman: Mijnheer de Voorzitter! Om de Kamer

een stemming te besparen, trek ik het amendement m.

Aangezien het amendement van den heer Vliegen (Stuk

n°. 6, XI) is ingetrokken, maakt het geen onderwerp van

beraadslaging meer uit.

Volgnummer 93 wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Beraadslaging over volgnummer 94, luidende:

„Naturaliën en anatomische en microscopische praeparaten.

I. Naturaliën en anatomische praeparaten op spiritus

of andere stoffen, welke behooren tot post n°. 2,

sub II, voor zoover niet behoorende tot post n°. 138,

met inbegrip van de onmiddellijke (eerste) verpakking,

met vrijstelling van accijns;

a. in glazen verpakking. Maatetaf: kilogram. Rechtsn:

f4,7ü;

0. in andere verpakking. Maatstaf: kilogram. Rechten:

f 6,70.

II. Schelpen, „verpakt", of wel ingevoerd in kisten,

vaten, doozen of andere emballage van hout, metaal,

papier of karton. Maatstaf: waarde. Rechten: 8 pet.

III. Opgezette dieren, al dan niet bevestigd op

plankje of geplaatst in lijst, raam of vitrine. Maatstaf:

waarde. Rechten: 8 pet.

# IV. Vlinders, insecten of andere naturaliën, bevestigd

in doosjes of op al dan niet in lijst, raam of vitrine

rrevat karton of plankje, of op eenitrerlei, andere dergclijke

wijze opgemaakt, zoomede microscopische praeparaten.

Maatstaf: waarde. Rechten: 8 pet.

Bijzondere bepaling.

Geweien, hoornen, hoeven, tanden en schelpen, op

eenigerlei wijze gemonteerd of ingericht tot gebruiksof

versieringsyooiwerpen, of wel bediukt, beschilderd of

op andere wijze voorzien van figuren of af beddingen

(snijwerken daaronder bedropen), voor zoover zij niet, in

verband met hunnen aard. behcoren tot een anderen post,

te belasten volgens post n°. 132.",

(Bierema e. a.)

waarop door den heer Bierema een amendement is voorgesteld

(Stuk n°. 11, II), strekkende om III en IV te doen

vervallen.

De heer Bierema verkrijgt het woord tot toelichting van

het amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Bii dezen

post worden belast naturaliën en anatomische en miscroscopische

praeparaten. Reeds in 1854, merkt de Minister op,

werden deze artikelen vrijgesteld, behalve anatomische

praeparaten op spiritus. In de Memorie van Antwoord merkt

de Minister op, dat de onder I genoemde artikelen niet

kunnen worden vrijgesteld, omdat daarvan misbruik gemaakt

zou worden door vrijen alcohol in te voeren. Dat is mij

duidelijk, maar ik meen, dat de zaak met de artikelen, genoemd

onder III en IV anders staat. Daar geldt het in het

algemeen artikelen, gebruikt voor wetenschappelijke doeleinden.

Het is mogelijk, dat een opgezet dier wordt gebruikt

voor sieraad, maar dat zal uitzondering zijn. Bij art. 19 van

de wet heeft de Minister een voorziening getroffen voor de

artikelen, die worden opgenomen in openbare musea of

dienen voor het onderwijs, en die daarom kunnen worden

vrijgesteld, maar er zijn ook particulieren, die wetenschappelijken

arbeid verrichten, en ik acht het verkeerd,

dien wetenschappeliiken arbeid belemmeringen in den weg

te leggen. Daarom heb ik bij amendement voorgesteld, III

en IV te doen vervallen.

Het amendement van den heer Bierema (Stuk n*. 11, II)

wordt ondersteund door de heeren Duys, Dresselhuys, Boon,

van Rappard en mevrouw Bakker—Nort en maakt mitsdien

een onderwerp van beraadslaging uit.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Wij hebben in den loop van de discussie al eenige

malen voorstellen van gelijke strekking gehad. Ik herinner

bijv. aan het voorstel van den heer Boon om globes, telluriums,

enz. vrij te stellen. Wij hebben ook prehad een amendement

om chemicaliën voor wetenschappelijk onderzoek vrij

te stellen. De Kamer heeft te dezer zake een paar maal een

beslissing genomen, nl. dat voor dergelijke artikelen geen

uitzondering zal worden gemaakt. Natuurlijk heeft de geachte

afgevaardigde volkomen het recht, om bij ieder onderwerp

opnieuw een amendement in te dienen, en ik zal hem

dat niet kwalijk nemen, maar ik geloof, dat er voor de Kamer

geen aanleiding bestaat, om, nadat zij reeds enkele malen

amendementen van gelijke strekking heeft verworpen, dit

amendement aan te nemen.

De heer Bierema: Mijnheer de Voorzitter! De Minister

heeft er op gewezen, dat reeds eenige malen amendementen

van gelijke strekking zijn verworpen. Ik ontken dat niet.

Maar de Minister zal moeilijk kunnen staande houden, dat

zijn opzet in alle opzichten consequent is. De Minister heeft

zelf reeds wetenschappelijke instrumenten vrijgesteld, en

waar ik meen, dat ook hetgeen in dezen post wordt genoemd,

hoofdzakelijk voor wetenschappelijke doeleinden wordt gebruikt,

kan ik geen aanleiding vinden, om mijn amendement

in te trekken en moet ik het dus handhaven.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Ik wilde alleen nog even opmerken, dat de vergelijking

met wetenschappelijke instrumenten niet opgaat.

Deze instrumenten worden uitsluitend gebezigd vcor wetenschappelijke

doeleinden en de onderwerpelijke artikelen

worden ook gebruikt voor andere dan wetenschapoelijke doeleinden.

In sommige etalages kan men opgezette vlinders zien,

die soms een prijs doen van f 10. Waar hier dus de onderscheiding

niet kan worden gemaakt, staat dit amendement

volkomen gelijk met de amendementen, die reeds verworpen

zijn.

De Voorzitter: Mag ik den voorzitter van de Commissie

van Rapporteurs verdoeken, haar oordeel mede te deelen

aangaande het amendement?


323

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(de Monté ver Loren e. a.)

De heer (Ie Monté ver Loren, voorzitter van de Commissie

van Rapporteurs: Mijnheer de Voorzitter! De meerderheid

der Commissie van Rapporteurs is van oordeel, dat het amendement

niet behoort te worden aangenomen.

De beraadslaging wordt gesloten.

De Voorzitter: Ik stel voor, over dit amendement te stemmen

bij zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Ik verzoek den leden, die tegen het amendement

zijn, op te staan.

Ik constateer, dat het amendement niet is aangenomen.

Volgnummer 94 wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

De Voorzitter: Ik stel aan de Kamer voor, om het voor

de leden ter inzage gelegd gedeelte van het officieel verslag

der Handelingen van de vorige vergadering goed te keuren.

Daartoe wordt besloten.

De beraadslaging wordt hervat.

Volgnummer 95 wordt zonder beraadslaging en zonder

hoofdelijke stemming aangenomen.

Beraadslaging over volgnummer 96, luidende:

„Oliën en vetten, zoowel dierlijke, plantaardige en

minerale, als kunstmatige, aetherische en welriekende

(noten- of bandazeep, cacaoboter, kokosvet, lanoline,

reuzel, talk en traan daaronder begrepen); smeer, hars,

was, balsem, gom, teer en terpentijn; oliezuur, vetzuur,

olievetzuur, glycerine, creosoot, carbolzuur, benzine,

paraffine, vaseline, en andere olie- en vetachtige

producten uit olie of teer; zoomede producten en zelfstandigheden,

welke voor een aanmerkelijk gedeelte

daaruit bestaan.

I. Petroleum, benzine, gasolie, teerolie en alle producten

en zelfstandigheden, ruwe petroleum, residu's en

dergelijke stoffen daaronder begrepen, welke bij 15°

Celsius voor ten minste 95 pet. van hun volume bestaan

uit vloeibare koolwaterstoffen, die bij atmospherischen

druk bij 300° Celsius of lagere temperatuur overdistilleeren,

of, bij een soortelijk gewicht van niet hooger

dan 0,84 bij 15° Celsius, voor meer dan 70 pet. van hun

volume bestaan uit vloeibare koolwaterstoffen, welke bij

atmospherische druk bij 300° Celsius of lagere temperatuur

door distillatie daaruit zijn af te scheiden:

a. verpakt of in tabletvorm. Maatstaf: waarde. Rechten:

8 pet.;

b. ingevoerd op andere wijze. Maatstaf: 100 kilogr.

Rechten: f 1.

II. Overige tot den post behoorende artikelen, met

uitzondering van natuur- en kunstboter, bak- en braadvet

en andere dergelijke eetbare vetten, welke in elke

verpakking en in eiken vorm vrij van rechten ten invoer

zullen worden toegelaten:

verpakt of in tabletvorm. Maatstaf: waarde. Rechten:

8 pet.

Bijzondere bepalingen.

1. Natuurlijke terpentijn en producten en zelfstandigheden,

welke voor meer dan oO percent daaruit bestaan,

worden, voor zoover zij niet behooren tot onderdeel

I letter a van den post, van het volgens den post

verschuldigd invoerrecht vrijgesteld.

2. Ongesmolten dierenvet te belasten volgens post

n\ 136.

(de Groot e. a.)

3. Het onderzoek naar de sameustelling van de bij

onderdeel I van den post bedoelde stoffen zal geschieden

overeenkomstig de voorschriften bij algemeenen maatregel

van bestuur te bepalen.

4. Bij invoer van gestorte petroleum en andere tot

onderdeel I van den post behoorende artikelen in tankschepen,

zal op daartoe gedaan verzoek het gewicht der

"roederen, overeenkomstig door Onzen Minister van

ï financiën te geven voorschriften, door ambtenaren der

invoerrechten en accijnzen worden vastgesteld.

5. Als eetbare vetten, bedoeld bij onderdeel II van

den post, zullen alleen worden aangemerkt de artikelen,

welke blijkens een op de verpakking voorkomende aanduiding

of opschrift als consumptieartikel zullen worden

gebezigd.",

waarop zijn voorgesteld twee amendementen:

een, van den heer de Groot (Stuk n°. 20, IV), strekkende

om onder o: in plaats van 8 pet. te lezen 5 pet.; onder 6:

in plaats van f 1 te lezen: f 0,55,

en een van de heeren IJzerman en van der Waerden

(Stuk n°. 21, VI). strekkende om sub 1 b in plaats van:

f 1 te lezen: „f 0,55".

De heer de Groot: Mijnheer de Voorzitter! Ik zou nog

graag een enkel woord over dit amendement willen zeggen,

hoewel het mij tamelijk hopeloos lijkt, wanneer ik hier den

gang van zaken aanschouw.

De artikelen, die onder dit volgnummer zijn opgenomen,

worden dagelijks niet alleen in de klein-industrie, doch ook

in alle gezinnen gebruikt.

De strekking van mijn amendement is, om de bestaande

rechten te handhaven, omdat deze post omvat de artikelen,

die het minst gemist kunnen worden, zoowel in de kleinindustrie

als in de arbeidersgezinnen, alsook in de gezinnen

van de beter-gesitueerden.

Het amendement van den heer de Groot (Stuk n°. 20, IV)

wordt ondersteund door de heeren van Rappard, Boon,

Dresselhuys en Duys en maakt derhalve een onderwerp van

beraadslaging uit.

De heer van der Waerden: Mijnheer de Voorzitter! De

bedoeling van dit amendement is om de belasting op petroleum,

benzine en aanverwante artikelen, die op het oogenblik

55 cent per 100 K.G. bedraagt, maar waarvan wordt

voorgesteld ze te verhoogen tot f 1 per 100 K.G., op het oude

bedrag te handhaven. Ik zou natuurlijk liever voorgesteld

hebben nog verder te gaan, maar het is weer om de lijn van

den zwaksten weerstand te volgen, dat ik mij zal vergenoegen

met het terugbrengen van het voorstel van f 1 op 55 cent

per 100 K.G.

De heer de Groot heeft gezegd, dat het eigenlijk zoo moeilijk

zou zijn, dergelijke amendementen hier aangenomen te

krijgen. Mijnheer de Voorzitter! Ik geloof dat voor dit

amendement vooralsnog niet.

De argumenten, die wij van de tafel van den Minister

meermalen bij verschillende artikelen hebben gehoord als

averechtsche bescherming, inbreuk op de lijn van het tarief,

gelden hier absoluut niet. Het is een amendement, dat de

eentonigheid van 5 en 8 pet. onderbreekt en het heeft over

55 cent en f 1. Het is volkomen in overeenstemming met de

Nota, die WT indertijd hebben ingediend en die den Minister

zeer sympathiek gestemd vond. Alleen vond hij groote technische

bezwaren, die hier juist niet aanwezig zijn, want do

toestand blijft, zooals hij was.

Mijnheer de Voorzitter! Ik heb twee ernstige bezwaren

tegen deze verhooging.

Petroleum is onmisbaar en speciaal onmisbaar in de gezinnen

van de minstgegocden. Ze wordt daar ia groote hoeveelheden

gebruikt. Ze wordt vooral daar gebruikt, waar men

nog een beetje achterop is of nog achter is en niet van den


324

14de VERGADERING. — 29 OCTÜBER 1924.

66. [Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(van der Waerden e. a.)

vooruitgang van de wetenschap en techniek kan gebruik

maken, op het platteland, waar nog geen gas is, waar de

electriciteit nog niet is doorgedrongen, waar de gewone huishrand

te duur is door de transportkosten, en in de armere

streken.

Men kan zeker zeggen, dat, waar hij dit artikel geen conourrentie

is, het verhoogde recht op den prijs zal komen,

zoodat het wel een van de meest onbillijke indirecte belastingen

is.

Mijnheer de Voorzitter! Mijn tweede ernstige bezwaar is,

dat petroleum en de onder I genoemde aanverwante artikëlen

onmisbaar zijn voor bet bedrijfsleven en voor een deel

altü-d onmisbaar zullen blijven.

Vooral in dezen tijd kan men in afgelegen streken de

petroleum niet missen, zoodat het uit een economisch oogpunt

verwerpelijk zou zijn, om dit invoerrecht te verhoogen.

Even dwaas zou het zijn, als men er toe kwam — dat zou de

Minister zelf niet durven — een invoerrecht op steenkolen

te gaan heffen. Maar bovendien, vooral de armere en achterlij

ke streken worden hier getroffen. Ik acht bet dus onbillijk

en oneconomisch en ik dring er dus bij de Kamer zoo

sterk mogelijk op aan, om niet verder te gaan en het bestaande

recht niet te verhoogen.

Het amendement van de heeren IJzerman en van der

Waerden (Stuk n°. 21, VI) wordt ondersteund door de

heeren Wijkamp, Troelstra, van den Tempel en Duys, en

maakt derhalve een onderwerp van beraadslaging uit.

De Voorzitter: Een deel van het amendement van den heer

de Groot bestrijkt dezelfde quaestie, maar mij dunkt, dat

dat amendement als een geheel kan worden beschouwd,

zoodat de beide amendementen naast ellkander staan.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Ilk moet één opmerking herhalen, welke ik gisteren

reeds heb gemaalkt. Wanneer men op de verschillende redeneeringen,

welke hier worden gehouden, een tarief moest

opbouwen, zou men ten eenenmale falen; want, wanneer men

een artikel heeft, waarvan men kan zeggen, dat de uitwerking

er van beschermend zou kunnen zijn, dan zegt men,

dat zulk een artikel niet in het tarief mag voorkomen. Heeft

men een artikel, waarvan men zeiker is, dat het geen beschermende

werking kan uitoefenen, dat zuiver fiscaal is,

gelijk thee, koffie, caoutchouc en petroleumproducten, dan

mag men dat ook niet in het tarief betrekken, omdat de

artikelen dan duurder worden. Uk vraag mij echter af, waar

toch ieder artikel of het eene öf het andere karakter draagt,

hoe men dan tot het opbouwen van een tarief kan komen.

Vooral degenen, die bij de algemeene beschouwingen zoo

sterk hebben gepleit voor een tarief, alleen gebaseerd op

fiscale rechten, rechten op goederen, welke hier te lande niet

worden vervaardigd, zullen moeten erkennen, dat dit amendement

buiten de lijn van hun betoog valt.

Verder vestig ik er de aandacht op, dat het hier een

product geldt, dat inderdaad ook gebruikt wordt voor verlichtings-

en verwarmingsdoeleinden op het platteland;

maar in elk geval slechts ten deele, want een ander deel van

het product, de benzine, wordt voor het overgroote deel gebezigd

ten behoeve van luxe-vervoermiddelen. Er zijn wel

taxi's en vrachtauto's, maar het gebruik van benzine door

die vervoermiddelen is belangrijk geringer dan het gebruik

van benzine door de luxe-auto's. Er loopen in verhouding

duizenden luxe-auto's tegen honderden andere vervoermiddelen.

De heer Dresselhuys voegt mij toe, dat voor motoren in

fabrieken ook veel benzine wordt gebezigd. Ik meen, dat dit

gebruik niet zoo groot is en zelfs afnemende.

Zijn de geachte afgevaardigden het hiermede niet eens,

dan zullen zij niet nalaten, aan te toonen, dat er in Nederland

zooveel benzine gebruikt wordt in fabrieksmotoren.

Mijnheer de Voorzitter! Waarop komt nu de verhooging

van het recht neer? Op nog geen halven cent per kilogram,

en om nu ter wille daarvan prijs te geven het groote bedrag,

dat men zonder eenig bezwaar uit dezen post kan krijgen,

(Minister Colijn e. a.)

nl. 12 ton, daarmede kan ik mij niet vereenigen, ook al wordt

petroleum in de lamp gebruikt. Het geldt hier in elk gevai

een product, dat volgens de eigen beschouwingen van den

geachten afgevaardigde volkomen thuis behoort in een

fiscaal tarief. Want dat een fiscaal invoerrecht invloed op

den prijs Ikan uitoefenen, dat geldt voor alle artikelen. Ik ial

dus het door mij voorgestelde tegenover bot amendement

moeten handhaven.

De heer de Groot: Mijnheer de Voorzitter! De Minister

heeft gezegd, dat, wanneer wij spreken over een tarief, alleen

een fiscaal tarief bij ons op zijn plaats is, maar er is ook

bij dezen post niemand, die den Minister aanspoort, op dezen

post geen recht te heffen. Wij vragen alleen handhaving

van het oude recht.

De Minister heeft gezegd, dat de benzine in hoofdzaak

wordt gebezigd voor luxe automobielen, maar bij informatie

is mij gebleken, dat er tienmaal zooveel chassis voor vrachtauto's

worden ingevoerd, dan door den Minister is opgegeven,

ongeveer vier tot vijf duizend en niet vierhonderd, zooals de

Memorie van Toelichting aangeeft, zoodat het aantal luxe

auto's daartegenover in een andere verhouding komt.

Er is verder bijna geen kleinindustrie, die niet al3 hulpmiddel

benzine, olie en petroleum noodig heeft; ik handhaaf

daarom mijn amendement om het tegenwoordige recht te behouden.

De heer van der Waerden: Mijnheer de Voorzitter! Ik

kan mij bij den vorigen spreker aansluiten en ik erken dus

niet het verwijt van den. Minister, dat men destructief doet

door met een dergelijk amendement te komen, waar er alleen

wordt voorgesteld behoud van het bestaande recht. Ik ben

het niet eens met den Minister als zoude hiermede ee-n luxe

belasting worden geheven.

De hoeveelheid benzine, in het bedrijf en voor vrachtauto's

gebruikt, is, juist omdat de frequentie zooveel grooter

is, ontzaglijk grooter dan die voor luxe auto's. Indien de

Minister voor een wegenfonds of voor een luxe belasting zou

komen met een element, waarin de benzine voor luxe auto's

is begrepen, willen wij daarover spreken. Maar het gaat hier

om een hulpmiddel voor de industrie en voor huishoudelijk

gebruik.

De Minister zegt: het is zoo'n belangrijk cijfer, wel 12 ton.

Juist daarom stel ik zooveel prijs op aanneming van het

amendement. Het argument kan niet beslissend zijn, zelfs

indien ik stond op het standpunt van de overzijde. De Minister

dacht 10 a 12 millioen uit dit ontwerp te krijgen; door

de oppositie in het land is er gekomen art. 43, waardoor de

Minister meer dan 3 millioen meer zal krijgen. Zelfs bij

aanneming van mijn amendement zal de Minister nog 1 a 2

millioen meer krijgen dan hij aanvankelijk bedoelde bij de

indiening van het ontwerp.

Het is natuurlijk ,,maar" een halve cent, maar het gaat

om de hoeveelheid. Het is misschien een verhooging van

10 pet. van den kostprijs, wat de kleine man moet betalen.

Wij krijgen hier onmiddellijk het verhoogde recht op de

petroleum, op de verwarming met petroleumstellen. op de

verlichting met de petroleum, dus juist voor het platteland,

waar de loonen het laagst zijn.

Wij hebben bij de algemeene beschouwingen van den heer

Hermans gehoord, dat, wanneer het een fiscaal tarief was,

speciaal ten aanzien van de lagere volksklassen, zijn houding

geheel anders zou zijn. Ik verwacht dan ook van hem, en

van mejuffrouw Meijer en mevrouw Bronsveld—Vitringa,

die zoo aandoenlijk spraken over de kosten van het huishouden

der kleine luyden, dat zij voor dit amendement zullen

stemmen.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

De heer de Groot meende, dat het in de Memorie van

Toelichting genoemde cijfer van 420 vrachtauto's ten eenenmale

onjuist is en met 10 moet worden vermenigvuldigd.

Ik handhaaf dit cijfer, en vermoedelijk bestaat er bij den

geachten afgevaardigde omtrent hetgeen in de Memorie van

Toelichting staat dit misverstand, dat hierin gesproken wonU


Vel 84. 325 Tweede Kamer.

14de VERGADERING.

66. Vaststelling 1 eener

- 29 OCTOBER 1924.

nieuwe Tariefwet.

(Minister ('oli.jn e. a.)

van. vrachtauto's, die als zoodanig worden ingevoerd en niet

als chassis, omdat men daaraan niet kan zien of het chassis

zim voor vrachtauto's of voor gewone auto's, tenzij voor

bijzonder groote lastauto's. Maar hij de kleinere vrachtwagens,

zooals de veelvuldig gebruikte Ford-wagens, kan

men het verschil niet zien.

De heer van der Waerden stelt zich op het standpunt:

ik heb geen be/waar, dat gij een recht heft, maar hef dan

een recht, zooals het tot nu toe gelieven werd, en ik ben dan

bereid tot zoover met u mee te gaan. De geachte afgevaardigde

verliest dan echter uit het oog, met welk doel deze

tariefsherziening ondernomen is, nl. om er een meerdere

opbrengst van 15 millioen uit te krijgen.

Nu zegt de geachte afgevaardigde: Gii krijgt uit het tarief

reeds een hoogere opbrengst ten gevolge van de wijziging

van artikel 43 en dus hebt ge het meerdere van dezen post i

niet noodig, maar dat meerdere bedrag uit het tarief is reeds [

van de tabaksbelasting afgenomen. Oorspronkelijk was geraamd

een opbrengst van 20 millioen uit beide en zoo is het

gebleven. De redeneering van den geachten afgevaardigde

gaat derhalve niet op. Dat hier een belasting gelegd wordt

ook op eeu eenvoudig verbruiksartikel, ik denk er niet aan

het tegen te spreken, maar voor een zeer belangrijk deel drukt :

de verhooging op wat ik eenerzijds acht te zijn luxe, terwijl

het anderzijds is een tegemoetkoming voor de vernieling van

onze wegen door de zware vrachtautomobielen, ten gevolge

waarvan de schatkist aanzienlijke offers moet brengen om l

de vernieling te herstellen. Dit rechtvaardigt deze heffing

zoowel voor de luxe-automobielen als voor de vrachtautomobielen.

De Voorzitter: Ik verzoek thans de Commissie van Rapporteurs

advies uit te brengen over de beide amendementen.

De heer do Monté ver Loren, voorzitter van de Commissie

van Rapporteurs: Mijnheer de Voorzitter! De meerderheid

van de Commissie is van meening, dat de beide amendemeuten

niet moeten worden aangenomen.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het amendement van den heer de Groot (Stuk n°. 20, IV)

wordt verworpen met 51 tegen 30 stemmen.

Tegen hebben gestemd de heeren Leenstra, Feber, van

Rijzewijk, Deckers, van Vuuren, van Voorst tot Voorst, vau

Dijk, Kuiper, Loerakker, Heukels, Colijn, de Monté ver

Loren, Lovink. Hermans, Zijlstra, Suring, Schokking, Tilanus,

Nolens, Rutten, Bomans, de Wilde, Rutgers, Weitkamp,

van den Heuvel, Schouten, Snoeck Henkemans,

Fruytier, Krijger, van Schaik, mejuffrouw Meijer, de heeren

Duymaer van Twist, Visscher, mejuffrouw Katz, de heeren.

van de Bilt, Rutgers van Rozenburg, Ament, Fleskens,

Beumer, van der Molen, Bakker, Michielsen, van Sasse van

Ysselt, mevrouw Bronsveld—Vitringa, de heeren. Knigge,

van Rijckevorsel, Bongaerts, Wintermans, Engels, Bulten

en de Voorzitter.

Vóór hebben gestemd de heeren Smeenk, Duys, Ebels,

Sannes, Wijkamp, mejuffrouw Groeneweg, de heeren

Kleerekoper, Schaper, Brautigam, ïroel«tra, mejuffrouw

Westerman, mevrouw Bakker—Nort, de heeren Staalman,

van der Waerden, van Gijn, Braat, van den Tempel, Ter

Hall, Bierema, Dresselhuys, K. ter Laan, IJzerman, de

Boer, van Zadelhoff, de Groot, Boon, Gerritzen, Hiemstra,

van Ravesteijn en van Rappard.

De Voorzitter: Ik stel voor, over het amendement van

de heeren IJzerman en van der Waerden (Stuk n°. 21, VI)

te stemmen bij zitten en opstaan.

De heer van der Waerden: Mijnheer de Voorzitter! Ik ben

het met u eens, dat het amendement niet van zoo verre

strekking is; ik zou daarom gaarne zien, dat het in hocfdelijke

stemming werd gebracht.

Handelingen der Staten-Generaal. — 1924—1925. — II.

(Voorzifter e. a.)

De Voorzitter: Ieder lid heeft het recht, hoofdelijke

stemming te vragen; er zal dus hoofdelijk worden gestemd.

Het amendement van de heeren IJzerman en van der

Waerden (Stuk n°. 21, VI) wordt verworpen met 52 tegen

29 stemmen.

Te,gen hebben gestemd de heeren Kuiper, Loerakker,

Heukels, Colijn, de Monté ver Loren, Lovink, Hermans,

Zijlstra, Suring, Schokkipg, Tilanus, Nolens, Rutten,

Bomans, de Wilde, Rutgers, Weitkamp, van den Heuvel,

Schouten, Snoeck Henkemans, Fruytier, Krijger, van

Schaik, mejuffrouw Meijer, de heeren Duymaer van Twist,

Visscher, mejuffrouw Katz, de heeren van de Bilt, Rutgers

van Rozenburg, Ament, Fleskens, Beumer, van der Molen,

Bakker, Michielsen, van Sasse van Ysselt, mevrouw

Bronsveld—Vitringa, de heeren Knigge, van Rijckevorsel,

Bongaerts, Wintermans, Engels, Bulten, Smeenk, Leenstra,

Feber, van Rijzewijk, Deckers, van Vuuren, van Voorst tot

Voorst, van Dijk en de Voorzitter.

Vóór hebben gestemd de heeren Schaper, Brautigam,

Troelstra, mejuffrouw Westerman, mevrouw Bakker—Nort,

de heeren Staalman, van der Waerden, van Gijn, Braat,

van den Tempel, Ter Hall, Bierema, Dresselhuys, K. ter

Laan, IJzerman, de Boer, van Zadelhoff, de Groot, Boon,

Gerritzen, Hiemstra, van Ravesteijn, van Rappard, Duys,

Ebels, Sannes, Wijkamp, mejuffrouw Groeneweg en do

heer Kleerekoper.

Volgnummer 96 wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Beraadslaging over volgnummer 97, luidende:

„Papier v. a. s., al dan niet vermengd, gedrenkt of

bekleed met andere zelfstandigheden, of op eenigerlei

wijze voor een bepaald doel geschikt gemaakt (ook wanneer

het, als papier maché, vulcanfibre en dergelijke

uit papiergTondstof vervaardigde producten, de eigenschappen

van papier geheel of gedeeltelijk heeft verloren),

zoomede met inachtneming van de Bijzondere

bepalingen, papierwaren (artikelen geheel of hoofdzakelijk

uit of met papier of papiergrondstof samengesteld),

prenten, platen, schrifturen, albums, boeken

en drukwerken daaronder begrepen.

I. Sigarettenpapier, ongeacht den vorm waarin het

wordt ingevoerd, zoomede sigarettenhulzen en deelen

van sigarettenhulzen, voor zoover deze deelen zijn vervaardigd

uit sigarettenpapier.

A. Sigarettenhulzen en deelen van sigarettenhulzen.

Maatstaf: 1000 stuks. Rechten: f 1,50.

B. Sigarettenpapier:

1. Ingevoerd in bladen of vellen, al dan niet opgerold:

al. in blaadjes van niet meer dan 25 vierkanten centimeter

oppervlakte, al dan niet samengevoegd tot

boekjes. Maatstaf: 1000 stuks. Rechten f 1,50;

6. in bladen of vellen van andere maat dan aangegeven

bij letter a. Maatstaf: M\ Rechten: f 0,60.

2. Ingevoerd in anderen vorm, voor zoover niet behoorende

tot post n°. 110. Maatstaf: M 2 . Rechten:

f 0,60.

II. Rotatiepapier en ander papier uit één stuk, ingevoerd

op rollen, wegende per rol, met inbegrip van

huls of ander opwin dmiddel, 200 kilogram of meer.

Maatstaf: waarde. Rechten: 5 pet.

III. Overige tot den post behoorende artikelen.

Maatstaf: waarde. Rechten: 8 pet.

Bijzondere bepalingen.

I. Tot den post behooren niet:

a. artikelen van papier maché, vulcan-fibre of andere

uit papierbrij of papiergTondstof vervaardigde pro-


326

*_ — - '

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1934.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

!


(Voorzitter.)

ducten, welker hardheid die van hout evenaart of overtreft,

tenzij ingevoerd in vlakke al dan niet opgerolde

bladen, vellen, banen, banden, reepen, ringen, strooken,

stukken, schijven, enz.;

6. weefsels en vlechtwerken van papier en hetgeen

met zoodanige weefsels en vlechtwerken geheel of

hoofdzakelijk is samengesteld;

0. artikelen, welke behooren tot een der posten nos.

11, 41, 80, 132 sub I, of 143.

II. Wij behouden Ons voor bij algemeenen maat-

•egel van bestuur, onder de noodige voorzieningen, vrijdom

van invoerrecht te verleenen voor sigarettenpapier,

dat gebezigd wordt, voor de vervaardiging 1 van sigaretten

in sigarettenfabrieken, of voor de vervaardiging 1 van

artikelen, welke bij invoer niet of aan een lager invoerrecht

zijn onderworpen dan van sigarettenpapier is verschuldigd.

Goudpapier en dergelijke artikelen voor het vervaardigen

van mondstulkken van sigaretten zullen niet als

sigarettenpapier worden aangemerkt.

III. Van het volgens den post verschuldigd invoerrecht

worden vrijgesteld:

1. Papierwaren (geschreven of getypte manuscripten,

artikelen in brailleschrift, drukwerken, prenten,

platen en kaarten daaronder begrepen), in boek-,

brochure- of tijdschriftvorm, zoowel los als ingenaaid

of ingebonden, mits bestaande, behalve omslag en titelvel,

zoo deze aanwezig zijn, uit meer dan vier bladzijden,

blijkbaar bestemd om aaneen te blijven, met inbegrip

van do voor reclame daaraan toegevoegde drukwerken

en de daarbij behoorende gelijktijdig ingevoerde prenten,

platen, kaarten, modellen, patronen, plattegronden,

bijvoegsels of andere bescheiden, welke vóór, tusschen

of achter den tekst zijn aangebracht of los daaraan zijn

toegevoegd, met uitzondering van:

a. boeken en andere papierwaren in boek-, brochureof

tijdschriftvorm, in de Nederlandsche taal;

h. registers, schoolschriften, kantoorboeken, kalenders,

almanakken, jaarboeken, albums, en andere papierwaren

in boek-, brochure- of tijdschriftvorm, waarvan

meer dan een vierde van het aantal al dan niet bedrukte

bladzijden, omslag en titelblad, zoo deze aanwezig zijn,

medegerekend, is voorzien van kalender of van niet

ebruikte notenbalken, of geheel of gedeeltelijk blijkaar

is bestemd of ingericht, maar nog 1 niet geheel is

f

benut voor het maken van becijferingen of schetsen, voor

het maken van aanteekeningen, het invullen van prijsbedragen,

voor het inschuiven of opplakken van prenten,

platen, postzegels, photographieën of andere artikelen,

of dergelijk gebruik;

c. boeken en andere papierwaren in boek-, brochureof

tijdschriftvorm, welke geheel of voor meer dan de

helft van het aantal bladzijden, berekend als is aangegeven

sub b hiervoor, bestaan uit prenten, platen, kaarten,

plattegronden, teekeningen of afbeeldingen, welke

uitvouwbaar, samenvouwbaar of opzetbaar zijn;

d. boeken met metalen, lederen of andere sluiting, of

waarvan rug of delkblad geheel of gedeeltelijk zijn bekleed

of versierd met edelgesteenten, halfedelgesteenten

of paarlen of met imitatie's daarvan, of wel met

edele metalen, met ivoor, been, barnsteen, schelp, schildpad,

paarlemoer, lava of dergelijke natuurproducten,

met celluloid, galalith of dergelijke fabrikaten, met

fluweel of pluche, of fluweeb of plucheachtige stoffen,

met borduur-j brei-, haak-, kant- of batikwerk, of welke

zijn verpakt in doos of étui, wanneer zich in de doozen

of étui's, bovendien bevinden een of meer in het tarief

belast verklaarde artikelen, als portemonnaies, rozenkransen,

verfbenoodigdheden, enz.;

e. _ Ikleurboeken en zoogenaamde plakboeken (boeken

waarin zich naast in kleuren gedrukte voorbeelden, afbeeldingen

bevinden, bestemd om te worden nagekleurd,

of waarvan de bladen deels zijn bedrukt met een schets

en deels met gekleurde deelen dierzelfde schets, welke

laatste zijn bestemd, om na te zijn uitgeknipt, op de

eerstbedoelde schets te worden geplakt), en zoogenaamde

tooverboekjes.

2. Schetsen, schilderstukken en teekeningen, zoomede

geschilderde of geteekende kakemono's en makimono's,

een en ander mits niet voorzien van eenigerlei

reclame of andere niet tot de eigenlijke voorstelling of

afbeelding behoorende aanduiding in letters, cijfers,

teekens of figuren, en met uitzondering van met de hand

gekleurde photographieën en andere artikelen, welke

slechts gedeeltelijk door schilderen of teekenen zijn verkregen.

3. Land-, zee- en hemelkaarten, welke, gemeten binnen

de rolhouten, zoo die aanwezig zijn, eene oppervlakte

hebben van 50 vierkanten decimeter of meer, mits

(de enkele vermelding in een der hoeken of randen van

naam en adres van drukker en uitgever en op de kaart

betrekking hebbende wapens en vlaggen buiten aanmerking

gelaten), niet bedrukt met eenigerlei reclame

of andere niet tot de eigenlijke kaart behoorende aanduiding

in letters, cijfers, teekens of figuren.

4. Bouwkundige en andere technische teekeningen

op lichtdrukpapier, waarvan ten genoegen van den inspecteur

der invoerrechten ter losplaats of diens plaatsvervanger,

wordt aangetoond, dat zij betrekking hebben

op ontwerpen, prijsvragen of in uitvoering zijnde

werken.

5. Rag- en weekbladen, met uitzondering van die

in de Nederlandsche taal.

6. Gedrukte of geschreven muziek, waaronder te

verstaan van noten voorzien muziekpapier, met uitzondering

van die, voorzien van een tekst in de Nederlandeche

taal.

7. Van Staatswege uitgegeven papiergeld.

8. Postzegels en andere van Staatswege uitgegeven

zegels en briefkaarten en andere van Staatswege uitgegeven

met zegel bedrukte bescheiden, al dan niet

gangbaar of gebruikt, ook wanneer die artikelen zijn

verzameld in boekjes of albums, in welk geval het hiervoren

bepaalde bij n°. 1, letter b, buiten toepassing zal

blijven.

9. Effecten, coupons, couponbladen, bankbiljetten,

wissels en andere dergelijke geldswaardige stukken, met

uitzondering van stukken, waaraan, wegens het niet volledig

ingevuld zijn van de voor invulling bestemde

ruimte of het ontbreken van nummer, handteekening of

naamstempel, op het oogenblik van invoer geldswaarde

dient te worden ontzegd.

10. Gebruikte spoorwegkaartjes, gebruikte reisbiljetten,

geheel of gedeeltelijk beschreven kantoorboeken

en andere dergelijke stukken, waarvan ten genoegen van

den inspecteur der invoerrechten ter losplaats of diens

plaatsvervanger wordt aangetoond, dat de invoer geschiedt

voor verificatie of in verband met eene kantoorverplaatsing

en cognossementen, vrachtbrieven en dergeb'ike

bescheiden, waarvan de voor invulling bestemde

ruimte is benut, zoomede plaatsbiljetten van buitenlandsche

spoorwegmaatschappijen of andere ondernemingen

van vervoer, welke naar hier te lande gevestigde

ondernemingen worden gezonden voor de samenstelling

van reisbiljetten in internationaal verkeer.

11. Tenzij onder de waarde van naar dien maatstaf

belaste goederen begrepen, drukwerken gevoegd bij, of

gebezigd' tot verpakking van goederen, waarmede) zij

te gelijk worden verkocht, verspreid of afgeleverd, en

drukwerken, welke zijn toegevoegd aan zendingen tot

het geven van aanwijzingen omtrent ontpakking, monteering

of behandeling daarvan, of welke in niet meer

dan vijf stuks zijn toegevoegd, om voor een verkoopartikel

van afzender reclame te maken.

12. Papier, papierstof, houtstof en cellulose in bladen

of vellen, blijkens de daarin aangebrachte gaten, of blij-


327

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. [Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

{Yoorzitter.)

kens den graad van vochtigheid blijkbaar alleen geschikt

om te dienen als grondstof voor papierfabricage.

13. Papierhulzen voor katoenspinnerijen.

14. Prespaan, pertinax en ander papier, waaromtrent

bij de visitatie door bestelorders of andere bescheiden

afdoende wordt aangetoond, dat het is bestemd om te

worden gebezigd als grondstof voor het samenstellen van

motoren en andere electrotechnische artikelen, of om in

fabrieken, waarin deze artikelen worden vervaardigd, tot

zoodanige grondstof te worden verwerkt.

15. Decalcomanieën, waaromtrent bij visitatie door

bestelorders of andere bescheiden afdoende wordt aangetoond,

dat zij zijn bestemd om in aardewerk" of andere

fabrieken te worden gebezigd ter versiering of afwerking

van daar vervaardigde goederen.

16. Papierlompen, papierafval en verscheurd papier,

voor geen ander doel geschikt dan voor verwerking in

den papiermolen.

IV. Wij behouden Ons voor bij algemeenen maatregel

van bestuur, met betrekking tot de bij Bijzondere

bepaling III, sub 14 en 15 bedoelde vrijstellingen, zoo

noodig nader beperkende voorschriften te geven ten

einde misbruik te voorkomen.

V. Ten einde te voorkomen, dat Fransche, Engelsche,

Duitsche of andere geschriften in een vreemde taal

vrij van invoerrecht zouden binnenkomen, daarentegen

Vlaamsche of Zuid-Afrikaansche geschriften op grond

van overeenkomst met de Nederlandsche taal wel aan

invoerrecht onderworpen zouden zijn, worden voor de

toepassing dezer wet het Vlaamsch en Zuid-Afrikaansch

met buitenlandsche talen gelijkgesteld.

VI. Wanneer voor de toepassing van het bepaalde

sub III ; n°. 8, bij het invoeren van zegels en bescheiden

in boekjes of albums, meer dan drie-vierden van de voor

aanhechting van zegels en bescheiden ingerichte ruimte

nog niet is benut, zal, met inachtneming van het bepaalde

sub III, n°. 1, letter o, van de boekjes en albums,

waarin die artikelen zijn aangebracht, afzonderlijk invoerrecht

verschuldigd zijn en zullen deze afzonderlijk

ten invoer moeten worden aangegeven.",

waarop de volgende amendementen zijn voorgesteld:

I. een, van den heer Vliegen (Stuk n°. 5, XII), strekkende

om in de Bijzondere bepalingen, onder III, la en 6,

het woord „Nederlandsche" te vervangen door: ,,Hollandsche",

en van de Bijzondere bepalingen III 5 te laten vervallen

;

II. een, van den Keer Staalman (Stuk •n°. J3,- IV),

strekkende om sub II te doen vervallen en achter III, te

wijzigen in II, in plaats van 8 pet. te lezen: ,,5 pet.";

III. een, van den heer de Groot (Stuk n°. 20, V), strekkende

om aan de Bijzondere bepalingen toe te voegen:

„16. Transfers (waarmede figuren op schilder- of

lakwerk worden overgebracht)."

De heer IJzerman: Mijnheer de Voorzitter! Daar de

Regeering een wijziging in het wetsontwerp heeft aangebracht,

waardoor de bedoeling van ons amendement wordt

bereikt, meen ik, dat het amendement kan worden ingetrokken.

Aangezien het amendement van den heer Vliegen (Stuk

n°. 5, XII) is ingetrokken, maakt het geen onderwerp van

beraadslaging meer uit.

De heer Staalman verkrijgt het woord tot toelichting van

het amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Dit amendement

heeft de bedoeling om alle papier goelijk te stellen

met roiatiepapier, waarvan het recht door den Minister is

teruggebracht van 8 op 5 pet. Op het oogenblik is het zoo,

(Staalman e. a.)

dat het allerminderwaardigste drukwerk wordt gedrukt op

papier, dat belast zal worden met 5 pet., terwijl boeken van

beter gehalte gedrukt zullen worden op papier, dat belast

zal worden met 8 pet. Ik heb hier voor mij een prullig stukje

lectuur, een keukenromannetje, dat gedrukt is op rotatiepapier.

Dat zal belast worden met 5 pet. Een boek van eenige

waarde zal in Nederland gedrukt worden op papier, dat met

8 pet. belast is. Ik geloof, dat dit is een aantasting van de

cultureele waarde van alles, wat in Nederland gedrukt wordt.

Daar komt nog iets bij. Onder dezen post valt ook papier,

dat gebruikt wordt op kantoren. Het is dus om zoo te zeggen

hulpmiddel bij de uitoefening van het bedrijf en in het

systeem van den Minister had dit dus zelfs moeten worden

vrijgesteld. Ik begrijp daarom niet, dat, terwijl men allerlei

grondstoffen voor fabrieken en trafieken vrijstelt, men het

papier, dat de grondstof is voor alles wat bureau is, met

8 pet. wil belasten. Ik geloof dan ook, dat er alle aanleiding

is, om dit amendement bij den Minister en de Kamer aan te

bevelen.

Het amendement van den heer Staalman (Stuk n". 13, IV)

wordt ondersteund door de heeren Boon, Dresselhuys, van

Rappard, de Groot en Hiemstra en maakt mitsdien een onderwerp

van beraadslaging uit.

De heer de Groot: Mijnheer de Voorzitter! Dit amendementje

zal de Minister wel willen aanvaarden. Dit is nu

zoo onschuldig en in zijn financieele beteekenis voor de

schatkist van zoo weinig belang, dat ik meen. dat er niet

veel toelichting bij noodig is. Het amendementje betreft het

vrijstellen van een hulpmiddel voor onze industrie, nl.

decalcomanie-papier, dat gebruikt wordt om op rijwielen en

andere voorwerpen een kleine versiering aan te brengen,

waarna het papier als waardeloos wordt weggeworpen. Ik

hoop daarom, dat de Minister het zal willen overnemen.

De Voorzitter: De heer de Groot zal de kans op voldoening

aan zijn wenschen vergrooten door twee wijzigingen aan te

brengen in zijn amendement; in de eerste plaats door achter

„Bijzondere bepalingen" toe te voegen: „onder III" en ten

tweede door het cijfer 16 te veranderen in 17, en dit naar

aanleiding van de wijzigingen, door de Regeering bij Nota

van Wijziging in het volgnummer gebracht.

De heer de Groot: Mijnheer de Voorzitter! Ik breng die

wijzigingen aan.

De Voorzitter: Dan is dus het amendement in dien zin

gewijzigd.

Het amendement wordt ondersteund door de heeren Dresselhuys,

Ter Hall, Staalman, Boon en Hiemstra en maakt

mitsdien een onderwerp van beraadslaging uit.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Tegen het amendement van den heer de Groot heb ik

geen bezwaar. Ik geloof alleen, dat het beter is, het te verwerken

in n°. 17 (dat op bladz. 57 begint) onder III op

bladz. 59.

De Voorzitter: Ik kan den Minister nededeelen, dat die

wijziging zooeven op mijn verzoek is aangebracht.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Ja, Mijnheer de

Voorzitter, maar ik wilde u voorstellen het te verwerken in

punt 17, want transfers, die in het amendement worden

genoemd, is precies hetzelfde als wat in dat punt genoemd

worden, nl. decalcomanieën.

Wanneer men in het tot 15 geworden punt 17 leest,

„Decalcomanieën, transfers daaronder begrepen, enz." is

men klaar. Ik geloof, dat dit beter is dan er een nieuwen

post van te maken, waar het hier betreft voorwerpen, die

precies hetzelfde zijn.

De heer Staalman maakt er mij een grief van, dat het

eenvoudiger product met een lager recht belast is dan het


328

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Minister Colijn e.a.)

duurdere. Dit is nu juist een geval, waarin wij zonder

moeite voor bepaalde soorten een lager recht hebben kunnen

voorstellen dan voor de duurdere.

Wanneer wij den geachten afgevaardigde zouden volgen

op den weg van zijn amendement, zouden wij ook het allerduurste

luxe-papier, dat in den handel voorkomt, moeten

belasten met 5 pet. en ik geloof niet, dat daartoe eenige

aanleiding is.

Ik handhaaf dus tegenover het amendement van dien geachten

afgevaardigde den post, zooals hij hier staat, terwijl

ik door de door mij aangegeven wijziging in punt 15 (oud 17)

ben te gemoet gekomen aan het amendement van den heer

de Groot.

De Voorzitter: Door de Regeering is een wijziging aangebracht

in punt III, sub 15, in dien zin, dat achter ,,Decalcomanieën"

worden ingevoegd de woorden: „transfers daaronder

begrepen,".

Mag ik den heer de Groot verzoeken, mij mede te deelen

of hij nu zijn amendement intrekt?

De heer de Groot: Mijnheer de Voorzitter! Ik trek thans

mijn amendement in.

Aangezien het gewijzigde amendement van den heer de

Groot is ingetrokken, maakt het geen onderwerp van beraadslaging

meer uit.

De Voorzitter: Is ook de heer Staalman bereid, zijn amendement

in te trekken.

De heer Staalman: Hoewel ik het hopeloos acht, meen

ik, mijn amendement te moeten handhaven.

De Voorzitter: Ik geef thans het woord aan den heer de

Monté ver Lor en, voorzitter van de Commissie van Rapporteurs,

ten einde het oordeel dier Commissie over de Regeeringswijziging

en het amendement van den heer Staalman

mede te deelen.

(Voorzitter e. a.)

De Voorzitter: In volgnummer 101 is door de Regeering

een wijziging aangebracht na het Verslag. De Commissie

van Rapporteurs heeft mij medegedeeld, dat zij tegen deze

wijziging geen bezwaar heeft.

Volgnummer 101, zoomede volgnummer 102 worden

achtereenvolgens zonder beraadslaging en zonder hoofdelij

ke stemming aangenomen.

Beraadslaging over volgnummer 103, luidende:

„Rookersbenoodigdheden.

Tabaks-, sigaren- en sigarettenpijpen v. a. »., nargilehs,

sigaren, en sigarettenhoudera (houders waarmede

sigaar of sigaret bij het rooken wordt vastgehouden)

en dergelijke artikelen daaronder begrepen, zoomede

opiumpijpen; de voor een en ander gebezigde branders,

koppen, doppen, sluitingen, roeren en mondstukken;

sigarenkolkers; sigarettenkofleers; sigarettenrolmatjes;

nicotinefilters; tabakszakken; tabak&doozen; zakvuuraanstekers;

omhullingen voor lucifersdoosjes; sigaren-

Iknippers en sigarendoovers; sigarenkistopeners; sigaren-.

pijpen- en luciferstandaards; sigarendroogflesschen;

tabalkspotten; aschbakjes; rookstellen; rooktafeitjes, zoomede

andere dergelijke rookersbenoodigdheden. Maatstaf:

waarde. Rechten: 8 pet.

Bijzondere bepaling.

Vederschachten voor het vervaardigen van papieren

sigaren, of sigarettenpijpen, en niet gemonteerde diersprongen

worden van het volgens den post verschuldigd

invoerrecht vrijgesteld.",

waarop door den heer Staalman een amendement is voorgesteld

(Stuk n°. 13, V), strekkende om vóór de woorden:

Tabalks-, sigaren- en sigarettenpijpen, etc. te plaatsen:

,,!.". Hierachter te doen vervallen de woorden: de voor een

en ander gebezigde branders, koppen, doppen, sluitingen,

roeren en mondstukken.

De heer de Monté ver Loren, voorzitter van de Commissie

van Rapporteurs: Mijnheer de Voorzitter! De Commissie

heeft tegen de Regeeringswijziging geen bezwaar. Wat het

overgebleven amendement betreft, is zij in meerderheid van

meening, dat het niet moet worden aangenomen;

De beraadslaging wordt gesloten.

De Voorzitter: Ik stel voor, de stemming over het amendement

van den heer Staalman (Stuk n°. 13, IV) te doen

plaats hebben met zitten en opstaan.

Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Ik verzoek den leden, die vóór het amendement

zijn, op te staan.

Ik constateer, dat het amendement niet is aangenomen.

Volgnummer 97, waarvan de Bijzondere bepaling III,

'sub 15, thans luidt:

„Decalcomanieën, transfers daaronder begrepen, waaromtrent

bij visitatie door bestelorders of andere bescheiden

afdoende wordt aangetoond, dat zij zijn bestemd om

in aardewerk- of andere fabrieken te worden gebezigd

ter versiering of afwerking van daar vervaardigde goederen."

wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

De volgnummers 98 tot en met 100 worden achtereenvolgens

zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stem- ;

ming aangenomen.

i

Dezelfde woorden toe te voegen achter II en daarachter te

lezen: waarde, 3 pet.

De heer Staalman verkrijgt het woord tot toelichting van

zijn amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Dit amendement

heeft ten doel, om de artikelen, welke hulpmiddelen

zijn bij de pijpenindustrie, terug te brengen tot het oude

tarief van 3 pet. voor halffabrikaat. Men zal toch niet alleen

branders, koppen, sluitingen en mondstukken invoeren voor

het gebruik-door particulieren. Die artikelen worden bijna

uitsluitend ingevoerd door pijpenfabrikanten, om ze bij het

vervaardigen van pijpen te gebruiken. Als men nu van die

artikelen 8 pet. gaat heffen, is dat een averechtsche bescherming.

Dit is voor mij het motief geweest om mijn amendement

in te dienen.

Het amendement van den heer Staalman (Stuk n°. 13, V)

wordt ondersteund door de heeren Boon, Dresselhuys, Bierema,

Gerritzen en de Groot en maakt derhalve een onderwerp

van beraadslaging uit.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Het is zeer onaangenaam, wanneer men van de

Regeeringstafel altijd ,,neen" moet zeggen, en toch dwingt

de geachte afgevaardigde mij dit thans weer te doen. Zooeven

had hij een amendement, dat de opbrengst van het

tarief met 9 ton zou hebben doen afnemen, en nu heeft hij

er een, dat ten gevolge zou hebben, dat het recht van 8 pet.

op pijpen wellicht geheel illusoir zou maken, omdat men

dan de pijpen in onderdeelen zou kunnen invoeren. Als

men dat een beetje handig deed, dan zou het gevaar niet

denkbeeldig zijn, dat het bedrag, dat men met dezen post

wilde binnenkrijgen, geheel verloren ging.


Vel 85. 329 Tweede Kamer.

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Minister Colijn e.a.)

Bovendien merk ik op, dat deze artikelen thans onder den

naam van „krameriien" zijn belast me.t 5 pet. Van die geheele

groep van artikelen wordt voorgesteld 8 pet. te heffen

en er is geen enkele reden, om voor de hierbedoelde artikelen

daarvan af te wijken.

De heer Staalman: Mijnheer de Voorzitter! De Minister

tilt m.i. de zaak wat te zwaar. Ik ben niet van meening. dat

door mijn amendement de opbrengst van het recht op deze

artikelen geheel verloren zou gaan. Er zijn tal van pijpen,

welke niet uit elkander genomen kunnen worden, zoodat men

die niet in onderdeelen zou kunnen invoeren. Er is inderdaad

een soort pijpen, waarvan men voor de fabricage hier te

lande de onderdeelen uit het buitenland moet invoeren. Ten

einde nu de industrie hier te lande in een behoorlijke positie

te brengen tegenover de buitenlandsche, heb ik mijn amendement

ingediend.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Ik vestig er de aandacht op, dat bij dit amendement

wordt voorgesteld om o. a. de woorden „koppen" en ,,mondstuikken"

te doen vervallen. Verdeelt men nu een pijp in

twee hoofddeelen: den kop en het mondstuk, dan kan men

heden het eene pakket zenden en morgen het andere. Men

heeft dan een pijp en betaalt geen invoerrecht.

De Voorzitter: Ik verzoek de Commissie van Rapporteurs,

haar oordeel over het amendement mede te deelen.

De beer de Mont* ver Loren, voorzitter van de Commissie

van Rapporteurs: Mijnheer de Voorzitter! De Commissie is

in haar meerderheid van oordeel, dat het amendement niet

behoort te worden aangenomen.

De heer Staalman: Mijnheer de Voorzitter! Ten einde de

Kamer een stemming te besparen, trek ik het amendement in.

Aangezien de heer Staalman zijn amendement (Stuk n°. 13,

V) heeft ingetrokken, maakt het geen onderwerp van beraadslaging

meer uit.

De beraadslaging wordt gesloten en volgnummer 103

zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

De volgnummers 104 tot en met 106 worden achtereenyolgens

zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming

aangenomen.

Beraadslaging over volgnummer 107, luidende:

,,Schoen- en hoef beslag.

I. Hoefiizers, hoefkalkoenen, hoefzolen, zoomede

ander hoefbeslag en andere hoefbekleeding, ook van

rubber of dergelijke stof, met uitzondering van hoefnagels

en hoef spijkers. Maatstaf: waarde.. Rechten:

8 pet.

II. Schoenbeslag (metalen plaatjes gebezigd tot

vermindering der slijtage van zolen en hakken), hoefijzertjes

gebezigd tegen het afslijten van de schoenhakken,

lederen nopjes voor voetbalschoenen, zoogenaamde

rubberhakken, ijssporen en, met uitzondering van

nagels, spijkers en schoenpennen, andere dergelijke artikelen

gebezigd voor het uitwendig bekleeden van schoenzolen

en schoenhakken. Maatstaf: waarde. Rechten:

8 pet.",

waarop door den heer Bierema een amendement is voorgesteld

(Stuk n°. 11, III), strekkende om in dit volgnummer

I te doen vervallen.

De heer Bierema verkrijgt het woord tot toelichting van

het amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Bij de

raming, die de Minister maakt van de vermoedelijke opbrengst

van de nieuwe Tariefwet, deelt de Minister mede,

(Bierema e. a.)

dat onder den post ijzerwerk, hout, koperwerk, etc. van het

tegenwoordig tarief, artikelen worden ingevoerd tot een gezamenlijk

bedrag van 74 niillioen en dat hij hiervan artikelen

tot een gezamenlijke waarde van 48 millioen wil vrijstellen

als hulpmiddelen voor de industrie. Ik heb mij afgevraagd,

waarom de Minister dan ook niet het hoefbeslag vrijstelt.

Wij hebben verschillende hulpmiddelen ten dienste van handel,

industrie of landbouw, maar dit is een hulpmiddel ten

dienste van al die drie bedrijven. Hoefbeslag is noodig voor

vele paarden in den landbouw en voor alle paarden in handel

en industrie. Het komt mij daarom logisch" voor, het onder I

genoemde hoefbeslag vrij te stellen.

Ik stel dit ook voor uit een oogpunt van dierenmishandeling,

daar landbouwers, die op de kleintjes letten, nu dikwijls

paarden op harde wegen laten loopen zonder hoefbeslag,

wat voor de dieren pijnlijk is. Ik wil daarom er niet toa

medewerken, dat het hoefbeslag duurder wordt.

Het amendement wordt ondersteund door de heeren Ter

Hall, van Gijn, Dresselhuys, de Groot en Boon maakt mits»

dien een onderwerp van beraadslaging uit.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Ilk moet er bezwaar tegen maken om I uit dezen

post geheel te doen vervallen, maar ben wel bereid om het

recht van 8 pet. terug te brengen tot 5 pet., het recht, dat

op het oogenblik voor dit artikel bestaat. Trouwens, het zou

anders toch volgens art. 43 automatisch weer met 5 pet.

worden belast. Maar voor het behoud van de economie in do

wet vind ilk het beter, dat de post blijft staan, doch met een

waarderecht van 5 pet.

De Voorzitter: Ik heb begrepen, dat dit amendement

alleen I van dit volgnummer betreft.

De heer Bierema: Ja, Mijnheer de Voorzitter!

De Voorzitter: Door den Minister wordt onder I van het

volgnummer 8 pet. gewijzigd in 5 pet.

De heer Bierema deelt mij mede, dat hij thans zijn amendement

intrekt, zoodat dit verder geen onderwerp van beraadslaging

uitmaakt.

Ik verzoek nu de Commissie van Rapporteurs, haar oordeel

over de door de Regeering aangebrachte wijziging mede

te deelen.

De heer de Monté ver Loren, voorzitter van de Commissie

van Rapporteurs: Mijnheer de Voorzitter! De Commissie van

Rapporteurs heeft tegen deze wijziging geen bezwaar.

Het gewijzigd volgnummer 107, waarvan onder I in de

kolom Rechten het cijfer ,,8" is gewijzigd in ,,5", wordt

zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Beraadslaging over volgnummer 108, luidende:

,,Schoenen, laarzen en pantoffels, en andere dergelijke

voet- en beenbekleeding, klompschoenen, overschoenen,

muilen, sandalen, been- en rij kappen, beenen

broekbeschermers, slobkousen en dergelijke artikelen

daaronder begrepen, zoomede leestklaar schoenwerk,

(waaronder te verstaan bovenstukken voor bottines,

laarzen, pantoffels en andere voet- en beenbekleeding,

welke, om als zoodanig te worden aangewend, slechts

behoeven te worden voorzien van zool of klomp) en

losse inlegzooltjes. Maatstaf: waarde. Rechten: 8 pet.

Bijzondere bepaling.

Van het volgens den post verschuldigd invoerrecht

worden vrijgesteld:

a. duikerschoenen en ander schoenwerk, waarvan de

onderzijde bestaat uit of is bekleed met een niet onderbroken

plaat van metaal;

b. schoenen en andere tot den post behoorendo ,


330

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

06. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

iToorritter e. a.l

artikelen, uitsluitend of zoo goed als uitsluitend vervaardigd

van asbest;

c. klompen, geheel vervaardigd van hout, al dan

niet _ gevoerd of voorzien van zoogenaamde klompenleertjes:

d. klimschoenen, gebezigd door houthakkers of bij

bet beklimmen van telefoon- en telegraafpalen, welke,

bindriemen buiten aanmerking gelaten, uitsluitend zijn

vervaardigd van metaal.",

waarop zijn voorgesteld de volgende amendementen:

I. een, van den beer Bierema (Stuk n°. 11, IV), strekkende

om in plaats van 8 pet. te lezen 5 pet.;

II. een, van de heeren Fleskens en Bongaerts (Stuk n".

23, I), strekkende om in het hoofd van volgnummer I te

doen ven-allen de komma achter ,,klompschoenen" en na

dit woord in te voegen: ,,en klompen", en om in de bijzondere

bepaling op dezen post letter c te doen vervallen en

letjter d te lezen c.

De heer Bierema verkrijgt het woord tot toelichting van

eijn amendement en zegt: Mijnheer de Voorzitter! Scboenen

zullen met 8 pet. worden belast, met uitzondering van enkele

hulpmiddelen, die worden vrijgesteld; de Minister noemt

'duikerschoenen, schoenen van asbest, klompen en klimechoenen,

en beeft in de Memorie van Toelichting er aan

toegevoegd, dat het niet mogelijk is, meerdere hulpmiddelen

yrij te stellen, omdat het te groote technische bezwaren ontmoet.

Ik kan mij dit laatste levendig voorstellen, maar dan

is dat een beschuldiging tegen de verhooging van den geheelen

post.

Het verheugt mij, dat de Minister de klompen ook in bet

vervolg wil vrij stellen, al is dit voor den heer Fleskens een

bron van groot verdriet. Toch geloof ik, dat de Minister een

onjuisten indruk vestigt, wanneer hij het doet voorkomen,

alsof klompen alleen zouden worden gedragen door de allerarmsten.

Het dragen van klompen is in sommige streken

meer een gewoonte, omdat het buitengewoon practisch is en

men daardoor in dit vochtige jaargetijde^ drooge voeten

houdt. Thans loopen vele schoolgaande kinderen op het

platteland op klompen, niet alleen de arme, maar evenzeer

de meer welgestelde kinderen. Dat is een goede gewoonte. In

de steden dragen de kinderen bijna nooit klompen, en het is

een groote uitzondering, dat daar kinderen van paupers klompen

dragen. Het is dus onjuist te meenen, dat de klompen

speciaal door de allerarmsten worden gedragen en de schoenen

door de meer welgestelden. Ik geloof, dat schoenen een

veel meer algemeene levensbehoefte mogen worden genoemd

dan klompen.

Nu heeft de Minister bij de algemeene beschouwingen

uitdrukkelijk gezegd, dat hij de levensmiddelen niet wil

belasten, omdat hij niet absoluut zeker is, dat daardoor geen

prijsstijging zou plaats vinden. De Minister zegt: voedingsmiddelen;

ik neem dat woord gaarne over. Maar onder de

allereerste levensbehoeften vallen evenzeer schoenen. Wanneer

in de eerste plaats de levensmiddelen goedkoop moeten

zijn, is het evenzeer van groot belang, dat daarnaast de

schoenen zoo goedkoop mogelijk te verkrijgen zijn. De schoenen

vormen in ieder gezin een belangrijken post op het

budget; gaat men de schoenen belasten, dan worden daardoor

vooral de groote gezinnen getroffen. Het komt mij daarom

voor, dat deze veihooging van het bestaande tarief van 5 op

8 pet. zou zijn tegen het algemeen belang, en daarom heb

ik voorgesteld, het tarief weer terug te brengen tot 5 pet. Ik

beveel mijn amendement ten zeerste bij den Minister aan en

hoop, dat hij de groote gezinnen zal willen te genioet komen.

Het amendement van den heer Bierema (Stuk n°. 11, IV)

wordt ondersteund door de heeren Boon, Dressellmys, van

Rappard, Staalman, de Groot, mevrouw Bakker—Nort en

mejuffrouw Westerman en maakt mitsdien een onderwerp

van beraadslaging uit.

De heer Fleskens verkrijgt het woord tot toelichting van

zijn amendement en zegt: Mijnheer de Voorsitter! In het

(Fleskens.)

Voorloopig Verslag werd een sterke aandrang uitgeoefend

om ook de klompen in het tariefontwerp te betrekken, en mep.

meende dat met meer recht te mogen doen, waar het ontwerp

uitging van de grondgedachte, dat in het algemeen van de

zoogenaamde toonbankartikelen een invoerrecht moest worden

geheven. Dat de klompen tot de toonbankartikelen gerekend

moeten worden, zal wel niemand betwisten.

De Regeering heeft echter gemeend, aan het geuite verlangen

van verschillende leden niet te kunnen voldoen, tiitgaande

van de redeneering, dat de klompen öf als bedrijfsmiddel,

óf door den minder kapitaalkrachtige worden gebezigd.

Het argument, dat de klompen een bedrijfsmiddel zouden

zijn, vind ik wel wat gezocht. Als men de verschillende artikelen,

welke steeds belast werden en ook in de toekomst belast

zullen zijn, van uit dat gezichtspunt zou gaan bekijken, dan

wil liet mij toeschijnen, dat er heel wat uit bet ontwerp zouden

moeten verdwijnen.

Het tweede argument, dat de klompen door den minder

kapitaalkrachtige worden gedragen, kan vroeger hebben gegolden,

doch voor de latere jaren is het niet meer juist en

overeenkomstig de werkelijkheid. Wat het dragen van klompen

betreft, geldt de volgende onderscheiding.

In de steden draagt men schoenen; op het platteland draagt

men klompen. Meer of mindere kapitaalkrachtigheid blijft

hier buiten beschouwing. De armste stedeling houdt bet niet

zijn schoen, al is het dikwijls een slechte; de plattelandsbevolking

met zijn boeren en met zijn middenstanders blijft

den klomp als het geliefkoosd verbruiksartikel beschouwen.

Dat ten gevolde van een invoerrecht op klompen de levensduurte

in het gedrang zou komen ; acht ik op zim minst sterk

overdreven, waar men toch met vier paar klompen een geheet

jaar kan volstaan, terwijl de klompenindustrie bij een grootere

productie in staat zal zijn de prijzen van haar artikelen

eenigermate te verlagen. Een invoerrecht zal geen prijsstijging,

doch eerder prijsverlaging ten gevolge hebben.

Mijnheer de Voorzitter! Onze klompenindustrie heeft het

hard te verantwoorden. Reeds vóór den oorlog had zij zwaar

te strijden tegen de Belgische concurrentie. Gedurende den

oorlog werden maximum prijzen vastgesteld en de uitvoer

verboden. Na den oorlog kwam de Belgische concurrentie,

welke zelf beschermd wordt met minstens 10 pet., weer los,

verergerd door de valuta-concurrentie. In het jaar 1923 bedroeg

de Belgische invoer bijna 6 000 000 paren, terwijl de

tegenwoordige binnenlandsche productie maar steeds door

bleef terugloopen.

Waren er in 1919 in het handbedrijf ruim 3800 ondernemingen

en in het machinale bedrijf meer dan 50 met een

gezamenlijke productie van meer dan 9 000 000 paren, op

liet oogenblik mag de binnenlandsche productie op niet meer

dan 6 000 000 paren worden gesteld. De meeste machinale

bedrijyen hebben opgehouden te bestaan, terwijl de ruim

20 inrichtingen, die er nog in bedrijf zijn, nog gedeeltelijk

stilliggen. In de klompenindustrie heerscht dan ook een

malaise als in geen enkel ander bedrijf. Is het niet jammei

en in hooge mate te betreuren, dat de klompenindustrie niet

haar volle 100 pet. capaciteit kan ontplooien, waardoor zij

ruimschoots in eigen behoefte zou kunnen voorzien? Zou het

niet te betreuren ziin als deze echt Hollandsche nijverheid

langzamerhand zou moeten gaan verdwijnen?

Nu weet ik wel, Mijnheer de Voorzitter, dat we hier te

doen hebben met een technische herziening van ons tarief

en dat bescherming van de een of andere industrie niet de

reden is geweest van de indiening van het in behandeling

zijnde wetsontwerp. Maar, Mijnheer de Voorzitter, waar de

klommen technisch in het ontwerp thuisbehooren, waar de

bewering, dat de klompen onder de eerste levensbehoeften

gerekend moeten worden, niet staande kan worden gehouden,

waar door de aannnming van ons amendement de schatkisl

versterkt wordt, daar behoeft de omstandigheid, dat ten

gevolge van een invoerrecht de klompenindustrie gesteund

en de werkgelegenheid verruimd wordt, toch geen reden te

zijn om deze nijverheid niet ter wille te zijn.

Een enkel woord nog tot d«n heer van Gijn. Dit ame.".-

dement is mij ingegeven door het algemeen belang. De klom-


331

14de VERGADERING. — 29 OCïOBER 1924,

66. [Vaststelling eèner nieuwe Tariefwet.

(Fleskens e. a.)

penmakers zii'n niet mijn committenten. Er is meer reden

om aan te nemen — ofschoon ik het niet wil doen — dat,

waar de Vrij heidshond in verband met dit wetsontwerp een

informatiebureau heeft opgericht, de leden van dien bond ala

kl'achtenbus fungeeren.

Mijnheer de Voorzitter! Ik herhaal, dit amendement is

mij ingegeven door het algemeen belang. Ik hoop, dat de

Minister er tegenover een welwillende houding zal aannemen

en dat de Kamer het zal aanvaarden.

Het amendement van de heeren Fleskens en Bongaerts

'(Stuk n°. 23, I) wordt ondersteund door de heeren Bulten,

van Voorst tot Voorst, Fruytier, van Rijzewijk en Wintermans

en maakt mitsdien een onderwerp van beraadslaging

uit.

De heer Tan den Heuvel: Mijnheer de Voorzitter! De heer

Fleskens heeft, als ik hem goed begrepen heb, met de toelichting

van zijn amendement aannemelijk willen maken,

dat zijn amendement drie gunstige gevolgen zou hebben:

1° het zou de schatkist aan geld helpen, 2° het zou de klomenindustrie

helpen en 3° (een negatief resultaat) het zou

Se klompen niet duurder maken.

Mijnheer de Voorzitter! Ik heb met veel belangstelling

naar dat betoog geluisterd, maar de heer Fleskens heeft mij

niet kunnen overtuigen, dat dit alles inderdaad bereikt zal

kunnen worden.

De werking van dit invoerrecht kan drieërlei zijn:

In de eerste plaats kan de importeur het recht voor zijn

rekening nemen. Dan is de schatkist geholpen en ook de

ebruiker is geholpen, want de klompen worden niet duurer,

maar dan is de klompenindustrie niet geholpen. Ik be-

f

grijp althans niet, wanneer voor hetzelfde bedrag een zelfde

hoeveelheid klompen zou worden ingevoerd, hoe de klompenindustriei

daarmee 1 geholpen zou zijn.

Een tweede mogelijkheid is, dat de importeur het recht

legt op den prijs. Dan krijgt de schatkist ook het geld, de

klompenindustrie is wellicht geholpen, maar dan worden de

klompen waarschijnlijk duurder, en zijn dus maar weer twee

'doeleinden' bereikt.

Een derde werking is, dat het invoerrecht werkt als een

invoerverbod, dat de importeur van den invoer afziet, en dus

geen klompen worden ingevoerd. Ik zou dit op zich zelf geen

schadelijke werking vinden, want de mogelijkheid zou volstrekt

niet zijn uitgesloten, dat op deze wijze de klompen niet

'duurder zouden worden, daar de klompenindustrie door grootere

productie goedkooper zou kunnen produceeren.

In dit geval zijn maar weer twee doeleinden bereikt, omdat

'de schatkist dan niets krijgt.

Om dit echter langs een omweg te bereiken, lijkt mij niet

wenschelijk. Er zijn ook gemengde werkingen denkbaar,

waarbij noch het een noch het ander als eenig gevolg optreedt.

In dat geval blijven de gemaakte opmerkingen, zij het

jn verminderde mate ? van kracht.

Van_ welken kant ik de zaak ook bezie, ik kan mij niet

vereenigen met het amendement van den heer Fleskens,

vooral omdat dit amendement niet thuisbehoort in deze

Tariefwet. De duidelijk vooropgezette bedoeling om de klompenindustrie

te beschermen — wat ik op zich zelf volstrekt

niet verkeerd vind, maar wat men, indien noodig, niet bij

deze Tariefwet moet doen, maar bij een afzonderlijke regeling—-zou

voor dit punt recht geven aan degenen, die, thans

ten onrechte, deze Tariefwet van protectionistische tendensen

beschuldigen.

_ Een tweede bezwaar tegen het amendement is, dat het ook

in een ander opzicht afwijkt van den opzet van deze wet,

omdat wijihier nl. _ te doen hebben met een eerste levensbehoefte.

De duidelijk vooropgezette bedoeling bij deze herziening

is om de eerste levensbehoeften vrij te stellen, en wat

de heeren dnarvan ook zegden, die bedoeling is de Minister

getrouw gebleven. Het lijstje, dat de heer van der Waerden

Heelt gegeven om aan te toonen, dat er eerste levensbehoeften

zijn, welke belast worden, had geen waarde, omdat dat alles

betrol zaken, die wel eens een enkelen keer worden gebruikt

maar geen beteekenende uitgaaf vormen.

(van den Heuvel e. a.)

De Voorzitter: Ik hoop, dat de heer van den Heuvel zich

door de interrupties niet zal laten verleiden terug te treden

in de algemeene beschouwingen.

De heer van den Heuvel: Ik merkte alleen op, dat toti

dusverre de eerste levensbehoeften door deze wet niet zijn

belast geworden, en de Minister heeft door overneming van

het borstel- en boender-amendement van den heer Vliegen

getoond, dat hij in die richting zoover wil gaan als eenigs*

zins mogelijk is. Hier geldt het inderdaad een eerste levensbehoefte.

De cijfers, die de heer Fleskens ter verdediging

van het amendement heeft gegeven, zijn juist de scherpste

bestrijding er van. Hij heeft gezegd, dat 6 millioen paar van

buiten worden ingevoerd en 6 millioen hier worden gemaakt.

Dat is samen 12 millioen, dit is voor een waarde van minstens

15 millioen. Dat is een niet onbeteekenend bedTag. Wanneer

men dan bovendien bedenkt, dat die klompen bijna uitsluitend

worden gedragen door ten hoogste 1/5 van de Nederlandsche_

bevolking, en wel op het platteland, want in de

steden ziet men bijna geen klompen, en als men daarbij in

het oog vat, dat, al worden zij wel door een enkelen welgestelde

gedragen, het gros er van gedragen wordt door het

minst draagkrachtige deel der plattelandsbevolking, nl. door

de boerenarbeiders, dan ziet men, dat men hier te doen heeft

met een uitgaaf, die periodiek tot een vrij belangrijk bedrag

in ieder arbeidersgezin weerkeert.

Bovendien geldt het hier niet een verhooging van 5 tot 8

pet., maar een verhooging van 0 tot 8 pet., en al mag men

nu aannemen, dat een verhooging van 5 tot 8 pet. niet bepaald

tot prijsverhooging behoeft te leiden, het is toch niet

aan te nemen, dat van een verhooging van 0 tot 8 pet. geen

verhooging het gevolg zal zijn. Daarom, omdat dit amendement

niet past in de bedoeling van deze Tariefwet, geloof

ik, dat de Kamer goed zal doen, met ten aanzien van dit

amendement te volgen den raad, dien de heer van Vuuren

ten aanzien van een ander amendement gisteren ga", nl. voorloopig

het niet aan te nemen.

De heer Fruytier: Mijnheer de Voorzitter I Ik zou willen

beginnen met den heer van den Heuvel te vragen, hoe hij

staat tegenover den geheelen post. Hij wijst het invoerrecht

op klompen af, omdat die worden gedragen door het minst

draagkrachtige deel van onze bevolking, maar er is een ander,

evenzeer weinig draagkrachtig deel van onze bevolking, dat

schoenen draagt.

De heer van den Heuvel zegt, dat 1/5 deel der bevolking

klompen draagt. Daar staat tegenover, dat er veel meer personen

zijn, niet alleen in de gezinnen van de rijksten, maar

ook in die van de armsten, die schoenen dragen, zoodat de

heer van den Heuvel, consequent blijvende, het geheele volgnummer

zou moeten afwijzen.

Verder wil ik den heer van den Heuvel niet volgen in zijn

academisch overzicht wat betreft het dragen en het fabriceeren

van klompen. Hij schijnt echter niet voldoende op de

hoogte te zijn van het bedrijf.

In het klompenmakersbedrijf is een groote factor het koopen

van het klompenhout. Het is een feit, dat door de gunstiger

arbeids- en productievoorwaarden in het buitenland

het klompenhout door de buitenlandsche klompenmakers

tegen hoogeren prijs kan worden gekocht dan de Nederlandsche

klompenmakers er voor kunnen betalen. Het gevolg

daarvan is, dat jaarlijks uit Nederland groote hoeveelheden

klompenhout worden ingevoerd vooral in België, maar ook

in Duitschland. Het hout wordt daar verwerkt to't klompen,

die later tegen concurreerende prijzen in Nederland worden

ingevoerd. *

Is het nu mogelijk, door deze heffing onze industrie de

gelegenheid te geven, ^tegen meer concurreerende prijzen het

hout in Nederland te koopen en de klompen, die hier noodig

7 'iJ n , in^? 13 land te verwerken? Ik zie die mogelijkheid door

deze hefiing wel geschapen. In zou er de Kamer dan ook op

willen wijzen, dat de aanneming van dit amendement niet

zoozeer la het directe belang van de klompenmakers, als wel

het directe belang van de werkgelegenheid in deze industrie,

die vooral in de laatste jaren veel geleden heeft.


332

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Fruytier e. a.)

Ik beveel daarom het amendement van den heer Fleskens

bij de Kamer aan.

De heer Braat: Mijnheer de Voorzitter! Ik zou de Kamer

in overweging willen geven, het amendement van den heer

Fleskens niet te aanvaarden en dus den invoer van klompen

onbelast te laten.

De Iklompen zijn artikelen, die voor het overgroote deel

gedragen worden door de arbeiders en boeren op het platteland

en die zeiker niet duurder mogen gemaakt worden, dan

ze nu reeds zijn.

Veel werk, dat door de door mij bedoelde arbeiders moet

worden verricht, kan in vele gevallen niet op schoenen

gedaan worden.

De klompen zijn momenteel te duur. Groote-mansklompen

kosten nu f 2,50 per jaar, terwijl de prijs vóór den oorlog

van 80 tot 100 cent liep. Men Ikan veilig aannemen, dat de

prijs van de klompen op het oogenblilk 2^-maal zoo hoog "'s

als vóór den oorlog.

Mijnheer de Voorzitter! De heer Fleskens heeft gezegd,

dat het in het 'belang van de industrie zou zijn, wanneer

zijn amendement werd aangenomen. Er zijn echter bij alle

artikelen industrieën te noemen, in wier belang de heffing

niet en wèl zou zijn. Men kan zoo wel alle amendementen

op verschillende manieren verdedigen. Het kan best mogelijk

zijn, dat door een bepaald amendement een zekere

industrie wordt geholpen, maar daar staat tegenover, dat er

veel meer menschen zijn, die meer moeten betalen.

Ik moet ten aanzien van het betoog van den heer van den

Heuvel opmerlken, dat zijn betoog nu heel anders luidt dan

het geklonken heeft bij de heffingsvoorstellen van ongeveer

dezelfde soort artikelen in deze Kamer. Hij is in deze

eenigszins uit zijn rol gevallen! Hij spreekt nu van een

eerste levensbehoefte, maar er zijn meer artikelen behandeld,

die men onder die groep zou kunnen onderbrengen.

Maar den was de heer van den Heuvel er niet tegen. Nu het

gaat over klompen, een artikel, dat speciaal ten plattelande

wordt gebruikt, treedt oolk de heer van den Heuvel in het

krijt, blijlkbaar om de kiezers ten plattelande in het gevlei te

komen. Andere dingen, in dit wetsontwerp genoemd, zijn

ook eerste levensbehoeften, welke ten plattelande worden

gebruikt. Ik begrijp den heer van den Heuvel niet best. Hii

Ikan blijkbaar twee kanten uitgaan. Het eene oogenblilk

spreekt hij zus en het andere oogenblik zoo.

_ De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Deze ongetwijfeld belangwekkende discussie gaat min

of meer buiten de Regeering om. De heer Fleskens wil bij

amendement in den post 108 ook klompen opnemen. l'echnisch

is daartegen geen bezwaar. Ik bedoel daarmede, dat

klompen, evenals vele andere artikelen, een artikel is, dat

in den vorm. waarin het hier wordt ingevoerd, ook aan den

gebruiker wordt afgeleverd en dus geheel voldoet aan het

criterium van toonbankartikel, welk criterium de Regeering

aan den opzet van dit tarief ten grondslag heeft gelegd.

Maar de Regeering heeft nog iets anders gedaan. Zij heeft

bij het oorspronkelijk ontwerp, zooal.s het bij de Kamer is

ingediend, en dat later door artikel 43 eenigszins is gewijzigd.

getracht het aantal vrijstellingen, dat er volgens

het oude tarief was, uit te breiden. Natuurlijk was rnetdien

gedaehtencang in strijd om het aantal vrijstellingen in te

krimpen. M. a. w. in den opzet van het ontwerp behoorde

niet thuis, dat artikelen van een aard als deze, als zij vrij

waren onder het oude tarief, in het nieuwe tarief belast

zouden worden. Natuurlijk komt het amendement van den

geachten afgevaardigde met die opvatting, welke óók aan

het tarief ten grondslag ligt, wel in strijd.

Terwiil dus eenerzijds in technischen zin het amendement

kan geacht worden binnen het kader van het wetsontwerp

te liggen, anderzijds is het, naar het mij voorkomt, niet in

overeenstemming met een van de andere opvattingen, welke

aan het tarief ten grondslag liggen.

Er is nu een amendement en daarover hebben verschillende

personen hun licht doen schijnen. Daarom zeg ik hier hetzelf

de, wat ik over het amendement van den heer Ter Hall

heb gezegd. Te meer, waar gebleken is, dat er in de Kamer

(Minister Colijn e.a.)

zooveel verschillende meeningen bestaan. Ik laat daarom de

beslissing aan de Kamer over.

De h eer Bierema heeft een amendement ingediend, strekkende

om den post van de schoenen van 8 pet. op 5 pet. terug

te brengen. Hij heeft dat amendement verdedigd op grond

van het feit, dat de schoen een artikel is, dat in ieder gezin

wordt gebruikt, dat somwijlen bij groote hoeveelheden wordt

gebruikt en dat geenszins altijd een luxe artikel is. Dat is

volkomen waar, maar er staan in dezen post ook tal van

dingen, welke wel als luxe artikelen zijn te beschouwen.

Wanneer men b.v. heeft met goud bestikte muiltjes, dan

vallen deze er ook onder, en dat geldt voor zeer veel duur

schoenwerk. dat van uit het buitenland wordt ingevoerd.

En daarom heb ik geen vrijmoedigheid om het recht op deze

geheele groep te verlagen, te meer niet, omdat het weer

31 ton kosten zou. Ik moet dus bezwaar maken tegen het

amendement van den heer Bierema en laat de beslissing over

het amendement van den heer Fleskens aan het oordeel van

de Kamer over.

De heer Bierema: Mijnheer de Voorzitter! Ik heb met

leedwezen vernomen, dat de Minister bezwaar maakt tegen

mijn amendement. Ik kan niet ontlkennen, dat onder dezen

post artikelen voorkomen, die tot de luxe-artikelen behooren,

maar wanneer ik van den Minister maar eenige aanwijzing

gekregen had, dat hij zijn medewerlking zou willen verleenen

tot verlaging van het invoerrecht voor schoenen, zou

ik trachten deze onder een aparten post te brengen. Waar ik

echter niet den indruk heb gekregen, dat de Minister daartoe

bereid zou zijn, meen ik in de gegeven omstandigheden mijn

amendement te moeten handhaven.

De heer Fleskens: Mijnheer de Voorzitter! Ik ben dankbaar

voor de houding van den Minister tegenover mijn

amendement, dat hij ter beslissing aan de Kamer overlaat.

Ik meen te kunnen volstaan met aan de Kamer mijn amendement

aan te bevelen.

De heer Dresselhnyg: Mijnheer de Voorzitter! Ik wil even

constateeren, dat deze debatten voor iemand, die de zaken

gevolgd heeft, eenige verwarring moeten opleveren. Wij

hebben den heer van den Heuvel met klem hooren betoogen.

dat hij ter wille van de belangen van het platteland geen

recht op klompen geheven wil zien, en de heer Fleskens

heeft betoogd, dat de klompen niet duurder zullen worden;

ik meen zelfs, dat hij een oogenblik sprak van goedkooper.

De Minister heeft zich daarover niet uitgelaten. Maar nu

zulke groote belangen voor een groote bevolkingsgroep op

het spel staan, moeten wij toch meer zekerheid hebben. De

heer van den Heuvel heeft ten slotte bij de algemeene beschouwingen

deze uitdrukking gebruikt, dat een bewijs van

een verband tusschen hoogere invoerrechten en duur leven

niet is geleverd en het tegendeel dikwijls is gezien. Dat lijkt

op hetgeen de neer Fleskens zegt. Maar de Minister heeft op

22 October bij de algemeene beschouwingen gezegd:

,,Mijnheer de Voorzitter! Op de gronden, die ik zooeven

heb uiteengezet, geloof ik niet, dat het gevolg van

dit tarief zal zijn vermindering van onzen invoer, geloof

ik ook daarom niet aan de beteekenis van het duurteargument,

want het duurder worden van de goederen

kan alleen plaats hebben, wanneer de prijs van het

invoerrecht op den prijs der goederen komt en dan niet

alleen voor de ingevoerde goederen, maar ook voor de

goederen, die binnenslands worden vervaardigd.

Ik verwacht, zooals ik zeide, niet, dat het Techt op den

prijs der goederen zal worden gelegd, en daarom verwacht

ik ook niet de duurtegevolgen, die door sommige

sprekers naar voren zijn geschoven."

Intusschen ben ik vandaag weer in de war gebracht, omdat

de Minister meewarig verklaarde, dat enkele artikelen ter

wille van de arme bevolking niet moesten worden belast,

omdat zij dan duurder zouden worden, zooals de nagelschuiers.

Intusschen worden de klompen volgens den heer


Vel 86. 333 Twrorla Kamer.

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. .Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Dresselhuys e. a.)

Fleskens goedkooper. Wij hebben van den Minister betzelfde

geboord van de niattenkloppers, terwijl deze bij de

naaimachines 5 pet. wilde toestaan om geen extra weeldebelasting

op te leggen. Wat meent de Minister nu; zullen de

klompen duurder worden of niet? En hoe staat bet met de

schoenen ? Zullen die door het invoerrecht goedkooper worden

of duurder? Voor mij staat het vast: alles zal duurder worden

en wij zullen allerlei bevolkingsgroepen extra belasten;

de Minister denkt, dat de zaken niet duurder zullen worden,

maar de beer van den Heuvel is blijkbaar bekeerd en meent,

dat de klompen wel duurder zullen worden. De heer Fleskens

staat nog altijd op het goedkoope standpunt. Voor dat alles

is van vitaal belang, dat de Minister verklaart: worden de

klompen duurder bij aanneming van het amendement-

Fleskens of niet; blijven de schoenen even goedkoop bij het

voorstel van den Minister of bij bet voorstel van den heer

Bierema? Die vraagstukken eischen toelichting en ik hoop

daarop van den Minister een stellig antwoord te ontvangen.

De heer Schaper: Mijnheer de Voorzitter! Ik hoor met

verontrusting dit debat voeren. Wij hadden de troost, dat I

althans de klompen, het schoeisel van de armen en van het [

platteland, vrijbieven. Nu staat de Minister schier altijd op j

zijn stuk; bijna altijd zegt hij: torn zoo weinig mogelijk

aan wat is voorgesteld. Hedenmiddag hebben wij bij de I

blaasinstrumenten wat tegemoetkoming gekregen, maar bet |

voorstel tot vrijstelling werd toch niet aangenomen; de ;

rechterzijde was het niet eens met den Minister en wilde !

het invoerrecht toch hebben. Maar nu is er over deze zaak

bij de rechterzijde strijd en de Minister zegt laconiek: ik

laai de Kamer vrij.

Ik zou wel willen waarschuwen tegen deze politiek, die

voor het platteland zeer slecht zal zijn. Ik verbaas mij, dat

hierbij nooit aanwezig is de Minister van Landbouw, die

alles heeft mede-onderteekend. Zelfs bij deze quaestie is de

Minister afwezig en de landbouw wordt door de ltegeering

vrijwel geïgnoreerd. De klompen waren vóór den oorlog, ik

zou haast zeggen, te goedkoop; ik heb teen verschillende j

klachten gehoord van klompenmakers, baasjes en knechten,

dat er geen stuk brood in zat. Ik kon het dus niet betreuren,

al wilde ik geen kunstmiddelen om den toestand te wijzigen,

dat onder de vrije werking van vraag en aanbod de klompen

wat duurder zijn geworden, waardoor het loon van die menschen

op een evenredig peil is kunnen worden gebracht.

Maar nu zijn de klompen zeker 2 maal duurder geworden en

volgens mijn inlichtingen is de toestand in de klompenmakerij

thans redelijk. Moet men nu kunstmatig door

8 pet. invoerrecht er een schep bovenop doen? Ik betreur het

zeer, dat de Minister, door de Kamer „vrij te laten", de

rechterzijde als het ware uitnoodigt nog wat verder te gaan

en de klompen, het schoeisel van de armen, nog duurder te

maken. Ik hoop, dat de Kamer niet aldus zal doen.

De heer Tan den Heuvel: Mijnheer de Voorzitter! Hoewel

het niet noodiff is, in te gaan op elke beschuldiging van

inconsequentie, vooral wanneer die Ikomt van de zijde van

;

den heer Dresselhuys, in wiens politieke loopbaan zooveel

dingen zijn, die men met den naam inconsequent kan betitelen,

wil ilk in dit specieal geval toch deze opmerking

maken:

Wanneer men spreekt over het duurder worden van arti- !

kelen, maakt het toch zeer veel verschil, of men te doen

heeft met artikelen, waarvoor het invoerrecht wordt gebracht

van 5 op 8 pet., dan wel met artilkelen, gelijk hier de

klompen, waarvan geen recht wordt geheven en thans voorgesteld

wordt 8 pet. Bij de algemeene beshouwingen ging

het in het algemeen over de verhooging van 5 op 8 pet., en

dat maakt een zeer groot verschil met een verhooging, die in

percenten niet is uit te drulkken, nl. van 0 op 8 net."Daarom

is er j^en sprake van, dat op dit punt eenige inconsequentie

bestaat.

De heer Colijn, Minister van Financiën: Mijnheer de Voor-

Zitter! Achter de Regeenngstafel heeft men zich niet kunnen |

Handelingen der Staten-Generaal. — 1824—1926,

II.

| (Minister Colijn e.a.)

opwerken tot die mate van warmte, die blijkbaar bij de bespreking

van dit onderwerp onder de leden nu en dan

heerscht. Wat ik in eersten termijn gezegd heb, \an ik herhalen:

de ltegeering heeft zelf een recht als dit niet voorgesteld,

omdat zij van oordeel was, dat, ofschoon het technisch

wel onder liet tarief gebracht kon worden, zij geen

uitbreiding wenschte te geven aan het aantal artikelen, die

tot nu toe vrij waren, indien zulks vermeden kor. worden.

De Regeering heeft integendeel gestreefd naar uitbreiding

van het aantal vrijstellingen.

Nu zegt de heer Dresselhuys: laat van de Regeeringstafel

eens weten, en ik wen-:ch een stellig ar.twoord op die vraag:

zullen de klompen duurder woiden, of zullen zij niet duurüer

worden? De heer Dresselhuys beschikt over een benijdenswaardige

zekerheid, wanneer hij meent te kunnen zeggen:

zij worden duurder. Tk heb dit geheele debat door gezegd,

dat ik dergelijke stellige vonekeringen niet kon ge* en en

niet wilde geven, omdat nanr mijn overtuiging niemand die

geven kan. Wanneer de heer Dresselhuys zegt: de klompen

worden duurder, dan zeg ik: het zou kunnen zijn, maar het

zou ook best kunnen zijn, dat het tegendeel het preval was.

Ik weet het niet.

De heer van Gijn : Dus niets dan een sprong in het duister!

De heer Colijn. Minister van Financiën: Er is een waarschijnlijkheid,

heb ik doorloopend betoogd, dat de artikelen

niet duurder worden bij verhooging van het recht van 5 tot

8 pet., maar over een bepaald geval durf ik niet met de stelligheid

van den heer Dresselhuys spreken.

Hetzelfde geldt natuurlijk van «choeneu. Of bij verhooging

van het recht van 5 tot 8 pet. de schoenen duurder zullen

worden, of zij 3 pet. duurder zullen worden, of zij 2 pet.

duurder zullen worden, of zij 1 pet. duurder zullen worden,

of de importeur het recht geheel voor zijn rekening zal

nemen, ik kan dat niet met zekerheid zeggen, en wanneer do

heer Dresselhuys meent, wel met de groote stelligheid over

zulke economische factoren te kunnen spreken als hij gedaan

heeft, welnu, wij zijn in een vrij land; laat de heer Dresselhuys

van die vrijheid gebruik maken op de wijze, die hem

goeddunkt, ik zal hem op dien weg niet volgen.

Een enkel woord nog naar aanleiding van hetgeen de heer

Schaper heeft gezegd. Deze geachte afgevaardigde meende,

dat ik verkeerd had gedaan door het oordeel over deze zaak

aan de Kamer over te laten. Ik acht het een goede praetijk,

wanneer zich in de Kamer tegenstrijdige meeningen openbaren,

zooals hier het geval is, en het amendement technisch

niet buiten den opzet van het tarief valt, noch ook aan bet

doel van het tarief schade toebrengt, dat de beslissing aan

de Kamer wordt overgelaten. Wanneer iemand komt met een

amendement, dat mij twaalf ton kost, of een dat drie ton

of negen ton kost, of dat technisch ondeugdelijk is, dan ben

ik wel verplicht, mij uit te spreken, omdat ik het doel van

het tarief en zijn inrichting in het oog heb te houden. Wanneer

dit echter niet het geval is en er zijn verschillende stroomingen

in de Kamer, dan moet de Kamer zelf een beslissing

nemen.

De heer Dresselhuys: Mijnheer de Voorzitter! Ik moet met

een enkel woord protesteeren tegen de opmerking van den

Minister in laatsten termijn. De Minister zegt: de vraag, of

de klompen door de aanneming van het amendement van den

heer Fleskens duurder zouden worden, kan ik niet beantwoorden.

Dat is in klaren strijd met hetgeen de Minister

gesteld heeft in de Memorie van Antwoord. In het Voorioopig

Verslag was gevraagd naar een invoerrecht op klompen,

en in antwoord daarop heeft de Minister verwezen naar

paragraaf 8 van de Memorie van Antwoord. Daarin stond:

,,De bestaande vrijstelling van klompen wordt bestendigd,

omdat deze öf als Bedrijfsmiddel of door den

minder kapitaalkrachtige worden gebezigd. Zij ligt derhalve

geheel in de lijn van het ontwerp."

De Minister wijst het dus af, omdat de minder draagkrachiigen

die verhooging niet betalen kunnen. Daar staat


334

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Dresselhuys e. a.)

'dus, dat do overtuiging van den Minister is, dat de klompen

door het invoerrecht duurder zullen worden.

Ik moet zeggen, dat ik de houding van den Minister niet

begrijp, waar het invoerrecht zoo sterk zal inwerken op de

belangen van de kleine luyden, van het platteland, van de

smalle gemeente. De Minister zegt: de vraag, of dat recht

eT op komt of niet, interesseert mij weinig, dat moet de

Kamer weten; het gaat niet tegen het systeem van mijn ont-

•werp. Neen, Mijnheer de Voorzitter, het gaat juist wel

tegen het systeem van het ontwerp. De Minister heeft deze

zaak in de Memorie van Antwoord afgewezen, omdat hij

niet wilde, dat de niet koopkrachtigen nog meer belast

zouden worden, dan reeds bij dit wetsontwerp het geval is.

Hét komt mij voor, dat de taak van den Minister ongetwijfeld

is, hier te waken voor de belangen van de menschen,

die het niet betalen kunnen en van de plattelandsbewoners.

Zoowel omdat het een hulpmiddel is, als omdat

bet invoerrecht drukt op de niet «koopkrachtigen, is het m.i.

de plicht van den Minister, om conform de Memorie van

Antwoord te zeggen: die hoogere belasting wil ik niet. Ik

wil dat geld niet hebben. Als gij het mij aanbiedt, heeren

Fleskens en Bongaerts, accepteer ik het niet, in de eerste

plaats omdat het niet noodig is (de Minister is al 5 millioen

boven de oorspronkelijke raming), in de tweede plaats,

omdat het ingaat tegen het systeem en bovenal, omdat het

de klompen duurder maakt.

De heer Schaper: Mijnheer de Voorzitter! Eeu enkele opmerking

over het slotwoord van den Minister aan mijn adres.

De Minister zegt: als mij geld wordt aangeboden, ben ik

als Minister van Financiën wel verplicht, het aan te nemen.

Dat is een standpunt, Mijnheer de Voorzitter, dat ik niet

begrijp, dat is zuiver mammonistisch! Dan staat de Minister

niet alleen als geldman ,,te grabbelen hier en te grabbelen

daar", maar dan zegt hij ook nog: als mij wat wordt toegeworpen,

grabbel ik het op, dat is binnen!

In de Memorie van Antwoord stelt de Minister zich op een

ander standpunt. Daar wijst hij op de belangen van de minder

draagkrachtigen. Wie verdedigt die belangen dan nu

aan de Ministerstaf el? De Minister van Landbouw is er

niet- de Minister van Arbeid zit er bij. Was het dan niet

zijn plicht om te zeggen: gij, Minister van Financien, beki'ïkt

die zaak stroef en koud van financieel standpunt, maar

er is nog een ander standpunt?

Het is de arbeider, die hier weer voornamelijk getroffen

wordt Ik acht dit standpunt van de Regeenng niet houdbaar.

Ik heb den Minister niet gevraagd, mij te zeggen, ot

het artikel duurder wordt, ja dan neen. Een kind, althans

een onbevooroordeeld kind, en ook een Minister van Financiën

kan begrijpen, dat als een artikel tot nu toe vrij kan

worden ingevoerd en men daar 8 pet op legt, dat artikel

naar alle waarschijnlijkheid veel duurder zal worden Elke

andere profetie op'dit gebied beteekent niets. Iedere stap in

deze richting is uiterst bedenkelijk en ik protesteer er bij

voorbaat tegen.

De heer Fruytier: Mijnheer de Voorzitter! Ik wil nog

even wijzen op de quaestie, door den heer Schaper ter sprake

gebracht, nl. met betrekking tot de loonen, die verdiend

worden in de klompenindustrie. Ik kan den heer bohaper niet

toestemmen, dat die loonen op het oogenblik zouden zirn op

een peil dat de heer Schaper behoorlijk vindt. Zi.i staan nog

achter bij de landarbeiders en, wanneer er op het land werk

is, werken de klompenmakers gaarne als landarbeiders. L)e

hooge prijzen van de klompen vinden hun ooi-zaak niet in

de hooge'loonen, die betaald worden, maar in de hoogere

prijzen van het hout, waarop ik reeds in eerste instontie

heb gewezen. Dat hout wordt door het buitenland gekocht

te'en vrij dure prijzen, zoodat het voor de binnen!andsche

industrie'onmogelijk is, dat hout te koopen. omdat het voor

het buitenland, wegens de daar heerschende gunstige

arbeidsvoorwaarden, mogelijk is, de klompen in Holland in

te voeren tegen prijzen, waartegen ze hier niet gemaakt kunnen

worden? Ik meende dit naar aanleiding van hetgeen de

heer Schaper heeft gezegd, te moeten opmerken.

(Braat e. a.)

De heer Braat: Mijnheer de Voorzitter! De Minister weet

ons niet mede te deelen, of, wanneer op een artikel een

invoerrecht wordt gelegd, dat duurder zal worden. Ik geloof,

dat, wanneer men die vraag aan 7 millioen Nederlandera

voorlegt, er geen 100 het antwoord schuldig zullen blijven.

Maar in deze Kamer schijnt men de wijsheid te gebruiken

om zekere dingen te maskeeren. Men staat er paf van, hoe

het mogelijk is, dat menschen, die zooveel geleerd hebben

als de vjlen, die in deze zaal zijn, op dergelijke onnoozele

vragen geen antwoord kunnen geven.

Ik moet mij thans aansluiten bij hetgeen de heer Schaper

heeft gezegd. Ook ik zou wel wenschen, dat de Minister van

Arbeid eenige inlichtingen gaf. Het geldt hier voornamelijk

de plattelandsarbeiders, die getroffen zullen worden. Tot nog

toe heeft deze Minister van Arbeid zich er voornamelijk voorgespannen

om de stadsarbeiders te bevoordeelen, thans gaat

het om de plattelandsarbeiders. Laat de Minister nu eens

zeggen, wat zijn oordeel is. Wij hebben hem van het begin

van de behandeling van deze wet aan de groene tafel gezien,

hij zal dus het wetsontwerp wel heel goed kennen, en tevens

het amendement-Fleskens. Zeker zal hij dus een antwoord

kunnen geven op de vraag, of iets duurder zal worden door

een invoerrecht en of dit in het belang van den plattelandsarbeider

is of niet.

Thans een enkel woord naar aanleiding van hetgeen de

heer van den Heuvel gezegd heeft, dat hij zich namelijk niet

bewust is van inconsequentie. Dit in verband met hetgeen

hij noemde de eerste levensbehoeften. De heer van den Heuvel

noemde klompen wel eerste levensbehoeften, maar andere

dingen, die het evengoed zijn, maar waar hij was voor de

verhooging van het invoerrecht, noemde hij dus blijkbaar

geen eerste levensbehoeften.

Wanneer het gaat om "vraagstukken voor het platteland,

treedt de heer van den Heuvel, misschien gefingeerd, on ala

verdediger van het platteland. Hij grijpt den toestand aan,

wil dien niet voorbij laten gaan en valt dan uit zijn rol. Hij

heeft altijd gestemd tegen de amendementen op de Tariefwet,

die hot duurder maken dor artikelen tegen) 'ingen, maar alleen

bij het artikel klompen, een minder noodwendig artikel, dat

de schatkist geen geld kost, als het verworpen wordt, kan

hij ook tegenstemmen. De inconsequentie van den heer van

den Heuvel ligt er zeer dik op, omdat hij aldus niet blijft

in de lijn om overal tegen het duurder maken der noodwendige

levensbehoefte, ook voor de plattelandsbevolking, ageert.

De heer Coliin, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Nog een paar korte opmerkingen aan het adres van

den heer Dresselhuys, die meent, dat de Regcering zich aan

inconsequentie heeft schuldig gemaakt. Nu zeg ik: ik kan

niet met even groote zekerheid spreken als de heer ÜTesselhuys,

en in de stukken heb ik gezegd: ik laat de eerste

levensbehoeften vrij, omdat de mogelijkheid bestaat, dat er

een verhooging komt! Dat is in volkomen overeenstemming

met elkaar. Bij de alfremeene beschouwingen heb ik in antwoord

op een opmerking van mejuffrouw Groeneweg nog

eens onderstreept, dat die mogelijkheid niet geheel werd

weggecijferd, en dat er een aantal artikelen waren, waarbij

men overwoog: ook die mogelijkheid moet worden ter zijde

gesteld om 100 pet. zekerheid te krijgen. Dat had betrekking

op verschillende voedingsmiddelen en verder dan die

verschillende voedingsmiddelen strekte zich dat niet uit.

Nu komt het mij voor, dat, wanneer men hier te doen had

met een artikel, dat de Regeering als waarlijk allereerste

levensbehoefte beschouwde, zij verplicht was om consequent

in die lijn door te gaan en te zeggen: hier moet ik het zekere

voor het onzekere nemen. Hier past de eisch van de 100 pet.

zekerheid. Maar een zoodanig artikel acht ik klompen niet

te zijn. Wij hebben het begrip eerste levensbehoeften voornamelijk

opgevat in den zin van voedingsmiddelen, en klompen

behooren niet in die mate tot de eerste levensbehoeften,

dat men daarop ook de volle 100 pet. zekerheid in het leven

zou moeten roepen. In antwoord op een vraag van mejuffrouw

Groeneweg, heb ik die zekerheid uitdrukkelijk beperkt tot

de voedingsmiddelen. De houding, die de Regeering nu aanneemt,

is daarmede niet in strijd.


335

14de VERGADERING. — 29 OCTOBER 1924.

66. Vaststelling eener nieuwe Tariefwet.

(Minister Colijn e.a.)

En als de heer Dresselhuys volhardt, en zegt: ik eisch,

dat de Minister zeggen zal, worden de klompen nu duurder

of worden ze niet duurder, dan zeg ik: in twijfel onthoudt

u en bega geen onvoorzichtigheden door met zooveel stelligheid

te spreken over dingen, die men niet waar kan maken.

Daarom volg ik den heer Dresselhuys op dien weg niet.

De Voorzitter: De heer Dresselhuys vraagt nu in vijfden

termijn het woord. Ofschoon het mij voorkomt, dat er aan

ieder debat een einde dient te komen, stel ik niettemin aan

de Kamer voor, den heer Dresselhuys toe te staan, in vijfden

termijn het woord te voeren.

Daartoe wordt besloten.

Do heer Dresselhnys: Mijnheer de Voorzitter! Wij zullen

moeten begrijpen, dat inderdaad de Minister zich hier aan

een zeer ernstige inconsequentie schuldig maakt.

De Minister heeft hier gesproken over levensmiddelen,

levensbehoeften, maar over klompen heeft hij in de Memorie

van Antwoord, naar aanleiding van een vraag van enkele

leden, gezegd:

„de bestaande vrijstelling van klompen wordt bestendigd;

zij ligt geheel in de lijn van het ontwerp."

Dat is dus geen vermoeden, maar zekerheid.

Wanneer de Minister nu zegt: ik laat de zaak aan de Kamer

Dver, of in zijn laatste betoog feitelijk liet amendement van

den heer Fleskens verdedigt, dan maakt de Minister mijns

inziens zich wellicht ten nadeele der arme plattelandsbevob

king aan een gevaarlijke inconsequentie sclnildig.

De heer Coliin, Minister van Financiën: Mijnheer de Voorzitter!

Ik wil nog slechts opmerken, dat wanneer de heer

Dresselhuys die conclusie zou willen handhaven, hij eigenlijk

verlangt, dat de Minister, indien een dergelijk amendement

werd aangenomen, daaruit de conclusie zou moeten

trekken, dat hij het voorstel van wet niet zou kunnen handhaven.

De geachte afgevaardigde begrijpt heel goed, dat dit

amendement, ongeacht wat daarover vroeger in de stukken

is gezegd, niet van zoodanige beteekenis is, dat de Minister

zich hier niet zou kunnen refereeren aan het oordeel der

Kamer.

De Voorzitter: Mag ik de Commissie van Rapporteurs

verzoeken haar gevoelen over de amendementen mede te

deelen?

De heer de Monté ver Loren, voorzitter van de Commissie

van Rapporteurs, verkrijgt het woord tot het uitbsengen van

rapport en zegt: Mijnheer da A T oorzitter! De Commissie van

Rapporteurs is in haar meerderheid van meening, dat het

amendement van den heer Bierema niet moet worden aangenomen.

Wat het amendement van den heer Fleskens betreft,

is het advies van een meerderheid der Commissie van

Rapporteurs van gelijke strekking.

(Voorzitter e. a.)

Die meerderheid is toch van meening, dat het artikel

„klompen", dat niet in den opzet van het tarief begrepen

was, er thans niet bij amendement behoort te worden ingebracht.

De beraadslaging wordt gesloten.

De Voorzitter: Ik stel voor, om over het amendement van

den heer Bierema (Stuk n°. 11, IV) te stemmen met zitten ea

opstaan.

Daartoe wordt besloten.

De Voorzitter: Ik verzoek den leden, die vóór het amendement

zijn, op te staan.

Ik constateer, dat het amendement van den heer Bierema

niet is aangenomen.

Het amendement van de heeren Fleskens en Bongaerts

(Stuk n\ 23, I) wordt verworpen met 46 tegen 22 stemmen.

Tegen hebben gestemd mejuffrouw Westerman, de heer

Heukels, mevrouw Bakker—Nort, de heeren Staalman, van

der Waerden, van Gijn, Braat, Ter Hall, Bierema, de Monté

ver Loren, Diesselhuys, K. ter Laan, IJzerman, de Boer,

van Zadelhoff, Zijlstra, Schokkjng Tilanus, Rutten, de

Wilde, Weitkamp, van den Heuvel, Schouten, de Groot,

Boon, Snoècï J3^nkemans, Krijgjer^ van Schaik, Gerritzen,

Duymaer van Twist, Marchant, mejuffrou$y_Katz, de heeren

van Rappard, Beumer, Bakker. Engels, Ebels, Leenstra,

Sannes, van Vuuren van Voorst tot Voorst, Albarda, mejuffrouw

Groeneweg, de heeren Schaper, Loerakker en Brau»

tigam.

Vóór hebben gestemd de heeren Hermans, Suring, Nolens,

Rutgers, Fruytier, mejuffrouw Meijer, de heeren van de

Bilt, Ament, Fleslkens, Michielsen, van Sasse van Ysselt,

mevrouw Bronsveld—Vitringa, de heeren Knigge, van

Rijckevorsel, Wintermans, Bulten, Feber, van Rijzewijk,

Deckers, van Dijk, Kuiper en de Voorzitter,

Volgnummer 108 wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

De volgnummers 109 en 110 worden achtereenvolgens

zonder beraadslaging en zonder hoofdelijlke stemming aangenomen.

De Voorzitter: In de volgnummers 111, 112 en 113 zijn

door de Regeering wijzigingen aangebracht na het uitbrengen

van het Verslag. Ik onderstel, dat tegen deze wijzigingen

bij de Commissie van Rapporteurs geen bezwaar

bestaat.

De volgnummers 111, 112 en 113 worden achtereenvolgens

zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

De behandeling van het ontwerp van wet wordt verdaagd

en de vergadering gesloten.

More magazines by this user
Similar magazines