Tweede Kamer

resourcessgd.kb.nl

Tweede Kamer

Vel oo. :,.:. Twoode Kamor.

20at


20sta VERGADERING. — 18 NOVEMBER 1904

57. Aanvulling en wijziging vim tanige bepalingen dor Militiewet 1901 , aangevuld bij de wet van 20 Juni 190-'.

Statistiek van den in-, uit- en doorvoer van liet Koninkrijk

over 1902;

van het Departement van Marine, het Geneeskundig jaarverslag

betreffende ilen gezondheidstoestand by - de Koninklijke

Nederlands, he Marine, gedurende 1902;

van den raad van beheer der Xederlandsche Indische Tramwegmaatechapplj,

het verslag over 1902—1903)

van de hoofddirectie van het instituut voor doofstommen te

Groningen , haar verslag over 11)02 ;

van de Vereeniging voor de zeevaart, de Daitsohe Seeunfallversicherungsgesetze,

van 5 Juli 1900.

Deze boekwerken zullen worden geplaatst in de boekerij

der Kamer.

Aan de orde is de behandeling van het wetsontwerp tot

AANVULLING U WIJZIGING VAN EKNIGK ÜKPALINGKS DU MlLlTIKWKT 1901

(STAATSBLAD 1901 w, 212), AANGEVULD BIJ Dl WET VAN 20 JUNI

1902 (STAATSBLAD N . 119) (57).

De beraadslaging over omUrarl. 100 wordt hervat.

De heer Heriraiisius . Minister van Oorlog: Mijnheer de Voorzitter

! Ik ben zoo vrij geweest om bij den aanvang van deze

Vergadering het woord te vragen, omdat ik in den tusschentijd

die verloopen is sedert laatstleden Vrijdag , nader overleg met

mijn ambtgenooten gepleegd heb. De uitslag van dat overleg

zal ik zoo aanstonds aan de Kamer mededeelen.

Iutusscheu vertrouw ik niet onbescheiden te zijn, en stel ik

bet op hoogen prijs, om, alvorens daartoe over te gaan. nader

de bedoeling die liy ons voorstel beeft voorgezeten, toe te lichten,

en daarb;j tevens enkele punten uit de redevoeringen van verleden

Vrydag, en meer bepaaldelijk uit die van den heer Marcbant,

te bespreken. Ik zal daarbij de rede van dezen geachten afgevaardigde

volgen.

De voorgestelde wetswijziging vau art. 109 bevatte twee punten :

1°. de verhoudingvan het maximum voor het blijvend gedeelte: en

2°. een verandering vau het ploegenstelsel.

Omtrent de wijze waarop men tot het in de wet gestelde

maximum gekomen is . bestaat wel eeuig misverstand.

De heer Troelstra heeft namelijk, bij de algemeene beschouwingeu

over dit artikel sprekende, gezegd: „De heer Kool heeft

tot standpunt aangenomen : zoo en zoo groot is het contingent

en het blijvend gedeelte moet tot bet contingent in zeker verband

staan. Daarbij kan de vraag over hoeveel regimenten het contingent

verdeeld is, op den achtergrond treden, is in geen geval

beslissend voor de sterkte van het blijvend gedeelte."

Üe heer Marcbant heelt naar die uiting verwezen, maar ik

moet opmerken, dat de heer Kool juist het omgekeerde gedaan

en niet gedacht heeft aan het vaststellen vau een verhouding

tusschen bet maximum van het blijvend gedeelte en het contingent.

In de toelichting op de vijfde Nota van Wijziging, Zitting 1900—

1901. — £1, n". tl, waar de Minister het verschil aangeeft tusschen

art. 124 nieuw en art. 123 oud, waarvoor art. 121 nieuw,

thans 109, in de plaats kwam, staat woordelijk het volgende:

„In de derde plaats wordt, in stede van de vroeger rekeukundige

formule van „een zevende van het geheele belrag, der

jongste vijf lichtingen van de militie te land", (10 400 X •">):

7 ~ 7428, het juiste getal, afgerond, genoemd."

De Minister Kool heeft alzoo het getal, dat gold bij de vorige

wet, gehandhaafd, zonder het minste verband met het nieuw

bepaalde contingent.

vandaal dat de vrees vau den baai Troelstra, dat «ie vermeerdering

van het maximum lichtelijk zou leiden tot verhooging

van het contingent, ten einde in gelijke verhouding te blyven,

ten eenenmale onjuist is.

Ik zal hetgeen daarover door den Minister Kool gezegd is

niet in zyn geheel voorlezen , maar wanneer de heeren bladz.

1510 van de HandeU/ii/en 1901 willen opslaan , dan zullen zy -

daar vinden, dat deze o. a. zeide: .Volgens die cijfers bedraagt

het blijvend gedeelte van de lichting 1900 voor de onbereden

wapens 4218 soldaten. Nu moet ik intusschen rekenen op de '

uitbreiding die het leger zal oud orgaan ton gevolge van het

rei boogde contingent,'

Zoo doorredeneerende komt hy er toe, dat er met 7500 man

een klein overschot ia] zijn. Om dit cijfer te verdedigen volgde

de beer Kool denzelfden weg die nu is gevolgd. De verhouding

tnweben contingent en maximum van het blijvend gedeelte was

geheel losgelaten.

Afgescheiden van de berekening in de .Memorie van Toelicbr

ting, is er in de Memorie van Antwoord op gewezen, dat wy

tot eene verhooging zijn gekomen om volkomen zekerheid te

hebbeu om, niet alleen zonder het maximum te overschrijden,

maar zonder dat maximum te na te komen, over een voldoend

getal dienstdoende manschappen kunnen beschikken in de ver-

Ichülende garnizoenen, en om tevens, waar noodig, door detacheering

uit verschillende garnizoenen, andere zoodanig te kunnen

versterken als de toestand zou eischen.

Ik zal op die cijfers niet nader ingaan.

De heer Marchant heeft nog gevraagd of die 500 man maar

zyn voorgesteld om voor alle zekerheid gereed te zijn.

Ja, Mijnheer de Voorzitter, dat is de bedoeling er vau.

Men weuseht zeker te zyn, altijd hei,eden het maximum te

kunnen blijven zonder nadeel voor den dienst. In de stukkeu

is uitdrukkelijk verklaard dat het streven zil zijn. om beneden

dat getal te blijven.

Het blijvend gedeelte voor de lichting 1903 is voor de onbereden

troepen op 5977 man bepaald , waarbij , op zekere tijden van

het jaar. niet doorloopena, 1000 man komen voor de hereden

troepen. Ik zeg: „niet doorloopend"', omdat de regeling vanden

oefeningstijd voor de bereden troepen een andere u dan voor

de onbereden wapens.

In ieder geval blijven wy niet de/.e 6000 + 1000 man nog

500 beneden het thans geldende maximum.

De omstandigheden, waaroij versterking vau enkele garnizoenen

gewenscht is, zouden aanleiding kunnen geven, dat wij iets

over de 7500 man zouden moeten gaan. Intusschen de absolute

noodzakelijkheid daarvan staat op dit oogenblik niet vast.

De geachte afgevaardigde uit Deventer heelt, sprekende over

het blijvend gedeelte , er verder nog op gewezen, dat bet streven

moest zijn om dat gedeelte geheel af te schaffen en in den

winter de kazernes te sluiten.

My'nheer de Voorzitter ! Ik zal daarop niet diep ingaan. De

Minister Kool heeft by de behandeling van de Militiewet in 1901

op zoo duidelijk en klare wyze aangetoond dat, en waarom, een

behoorlijk blijvend gedeelte niet kan worden gemist, dat het

onnoodige moeite zou zyn om te trachten de toen gebezigde

argumenten te versterken. Toch mag ik wel zeggen, niet te

ge'ooven, dat er, na hetgeen wij dit jaar hebben beleefd , heel

spoedig een Minister op zijn verantwoording zal durven nemen

om het blijvend gedeelte af te schaffen en de kazernes te sluiten.

Ik kom thans, Mijnheer de Voorzitter, tot het ploegenstelsel.

Dat stelsel heeft ook een geschiedenis. Wij hebben jaren en jaren

lang, na de inwerkingtreding van de wet vau 18*31 , gehad een

blijvend gedeelte van één ploeg. Ik erken, dat toen de eerste

oefening-tijd twaalf maanden was. en de duur van het blijvend

gedeelte maar 4 of 5 maanden. Maar dat neemt niet weg, dat

gedurende al dien tyd het blijvend g-deelte uit één ploeg bestond,

en dat er nooit aan gedacht i-; om den last over twee

ploegen , zoogenaamd te verdeden.

In de Staatscommissie van 1888. waarvan ik de eer heb gehad

voorzitter te zyn, heeft die wyze echter een punt van overweging

uitgemaakt en ik erken, dat in die commissie de meerderheid

het tweeploegenstelsel heeft aanbevolen , zooals ook in

het verslag dier commissie is vermeld, maar ik was reeds destyds

met beu die ik geraadpleegd had van gevoelen , dat bet

voor degenen die tot de tweede ploeg behooren . groot bezwaar

heeft om een korten tijd weg te gaan en daarna terug te komen.

In 1891 is dat steisel dan ook niet aanvaard, maar in bet

toenmalig ontwerp was het éénploegensysteem neergelegd,

zonder dat in de stukken daartegen eenig bezwaar is geopperd.

De geachte afgevaardigde uit Deventer beeft nog gevraagd

of ik van meening zou wezen , dat degenen , die tot de tweede

ploeg zouden behooren, liever acht maanden zouden blyven dan

terugkeeren.

Maar, my'nheer de Voorzitter, dat is een vraag, die niet zoo

te beantwoorden is en daar gaat het niet om. Het il de quaestie


:}45

20*to VERGADERING. ~ 18 NOVEMBER 1903.

r»r. Aanvulling en wijziging van eenige bepalingen der Militiewet 1901 , aangevuld by dfl wet vuu 20 Juni 1902.

wut nii'ii kiezen zal: Ma «en doel Maar lichting den /.waarderen

last opleggeu van 8 maandeu langer te dienen, met de vrijstel*

liug van een even groot deel van «hit langer dienen, of dat men

een zeker aantal manschappen vier maanden zal laten dienen

en een gelijk getal in den wintertijd verlof geven . om dttrni

vier maanden later te wisselen. Het antwoord op deze vraag is

mijns itllieni zeer moeilijk te geven, want dat antwoord zal

vcor ieder individu verschillen , al naar den persoon wieu het

geldt.

Intuaschen , op dit punt zij mij nog een opmerking veroorloofd.

De bceren Marehant en Troelstra hehben gesproken over de

zware lasten die zouden worden gelegd op de 800) miliciens,

en de heer Troelstra voegde er aan toe : tegenover de vrijstelling

van een minder aantal.

Dit is evenwel niet juist. De voorgestelde wijziging gaat niet

om 8000 man, maar om COoO, hoogstens (5500 man, nl. om het

blijvend gedeelte van de onbereden wapens. Wanneer dat gedeelte

bijv. 6500 bedraagt, worden by het twee-ploegenstelsel

2 X 0500 man getroffen, bij het eén-ploegenstelsel slechts 1 X dat

aantal.

Overigens wil ik wel zeggen , dat het bezwaar voor hen die

8 maanden blijven niet zoo overwegend schijnt te zyn , want

bij de betrekkelijk zwakke lichting van 1002 zijn er 1010 geweest

die, met ruiling, 8 maanden zijn gebleven. Nu moge men

zeggen dat dit tegen betaling is, de andere factor — het buiten

werk zijn in den winter — zal toch ook hebben medegewerkt.

In de tweede plaats h»eft de heer Marehant er op gewezen ,

dat daardoor de nummerverwisseling sterk zou worden bevorderd

En hij heeft er bygevoegd . dat hem dit zoo bevreemdde

van den Minister die ind jrtjjd den persoonlijken dienstplicht

heeft verdedigd, en die nu kwam met dit voorstel, wat eigenlijk

was een vermomde plaatsvervanging.

Mijnheer de Voorzitter, een plaatsvervanging in den zin

zooals die vroeger werd bedoeld , is de/.e numtnerverwisseliug

beslist niet.

Waarvoor heb ik gestreden? Dat is voor den persoonlijken

dienstplicht. Ik heb er voor gestreden . dat iemand die werd

aangewezen , zich ook zou beschikbaar stellen om het vaderland

te dienen ; dat is heel wat anders dan deze nummerwisseling.

Degeen die ruilt wordt overigens van geen enkelen mi!itiedien>t

vrijgesteld en, als geoefend man , in oorlogstijd van geen enkelen

last ontheven; hij blijft beschikbaar voor het leger, en moet zich ,

als de nood aan den man komt, evengoed geveu als hij die

niet heeft geruild.

Het is geen oogenblik bij mij opgekomen om de plaatsvervanging

gemakkelijker temaken; ik begryp zelfs niet hoe iemand

dit kan onderstellen.

Ook ziet de geachte afgevaardigde voorby , dat, al wordt by

hetzelfde korps uummerwisseling toegestaan , toch het vierde

lid van art 109 een geduchte klem oplegt.

Ieder die voor het kader wordt aangewe/.en, en ieder die zich

daarvoor heeft aangemeld en tot het blyvend gedeelte behoort

mag niet van nummer ruilen.

Wanneer men daar!.ij nog in aanmerking neemt, Mynheer

de Voorzitter, dat onder hen die de geschiktheid voor kader

bezitten , zeker de meesten worden gevonden die financieel over

de middelen tot ruiling beschikken , dan zal men wel willen

toegeven , dat het hier slechts een zeer beperkte ruiling geldt.

Bij mij staat het vast, dat er geen a inleiding is om te gelooven,

dat de ruiliug bij het één-ploegenstelsel meer zou gebeuren dan

by het twee-ploegenstelsel.

Verder heeft de geachte afgevaardigde de wyziging van het

blyvend gedeelte in verband met de kadervorming besproken.

Ik zal den aanhef van de betrekkelijke rede voorlezen. „Nu

weet ik dat deze Minister zyn kader alleen denkt te kunnen

krijgen , wanneer hy zyn manschappen zoo lang mogelyk onder

dienst en in de kazerne houdt; dat hy voorstander is van het stelsel

van kadervorming, hetwelk na de opkomst eener lichting, de

voor kader geschikte elementen daaruit apart zet en ze gaat geleiden

tot kader." Ik zou dus, ook in verband met hetgeen de

geachte afgevaardigde liet volgen , met de kaderopleiding wachten,

totdat het blyvend gedeelte er is.

Ik begryp deze opvatting niet, Mynheer de Voorzitter!

Bij de infanterie is deze opleiding voor de achtmaanders als

volgt geregeld. Na de opkomst omstreeks lij Maart, begint de

algoineene opleiding van den troep, waarby allen bijeen blij ren

tot omstreeks 10 Juli; alsdan worden de kluten voor de kaderopleiding

gevormd en begint de soogenaamde korporaalsopleiding.

Deze duurt tot 1 September, op welken datum de («schikten

tot korporaal worden aange.-tilid.

Gedurende de geheelc maand September doen de nieuw aangesteldcn

in tien troep dienst als korporaal. Regiment** en

ander.' groote oefeningen worden als zoodanig bygewoond. Zy

zijn in liet geheel niet buiten den troep geplaatst. Wel krijgen

zy gedurende de opleiding, op bepaalde tyden , afzonderlijk

onderricht, doch het grootste deel hunner opleiding gaat gepaard

met de gewone exercitië'n.

Einde September begint de opleiding van hen die sergeant

moeten worden , welke opleiding duurt van 1 October tot omstreeks

Kerstmis. Tegen het laatst van December worden de geschikten

tot Bergeaut aangebeld. Ook deze genieten afzonderlijk

onderricht, docb zij worden overigens, zooveel mogelijk , onderwezen

met de gezamenlijke miliciens. Na 21 December is, voor

hun verdere vorming, het blijven onder de wapenen voor deze

onderofficieren een bepaalde eisch.

Ten amzien van hen die zich hebben bereid verklaard tot

het aangaan van een verbintenis als militie-officier, ligt het

in de bedoeling deze niet groot verlof te zenden na ultimo

Februari, onder voorwaarde dat zij in den volgenden winter een

earsni zullen vormen, en dan den daarop volgenden zomereen

paar maanden onder de wapenen zullen komen voor bun verdere

vorming. Van een apart zetten, zooals de geachte afgevaardigde

bedoelt, is dus by de kaderopleiding geen sprake.

Nu zijn in dit jaar eenige wijzigingen moeten worden aangebraeht,

maar dat belet toch niet, dat do vorming van de klassen hy

de opleiding op soortgelijk'! wy/.e heeft plaats gehad. Daarbij

wensch ik nog mede te dceleu , dat bij de infanterie dit jaar

in opleiding zijn genomen 1125 aeht-niaanders en 101 viermaanders,

te zamen 1536, waarvan op 30 September jl. totkorporaal

zyn aangesteld 812 achtmaanden en 382 viermaanders,

te zamen 1141. Verder zijn uit de korporaals de sergeantenklassen

gevormd en daarin wordt onderricht gegerer. aan 341

achtmaanders en 139 viermaanders, te zamen 430.

Verder heeft de geachte afgevaardigde nog gezegd: „Wie

krijgt de Minister nu bij zijn blyvend gedeelte van achtmaanders?

Worden daartoe de meest geschikten aangewezen?

Neen , wie daartoe zullen behooren , west het lot aan", en zoo

voorts, om te komen tot de conclusie dat armen en ontevredenen

dat blijvend gedeelte zullen uitmaken.

De geachte afgevaardigde boude mg ten goede , Mynheer de

Voorzitter, dat ik hetgeen hier staat, onjuist moet noemen.

De heer Marehant heelt voorbijgezien het laatste lid van art.

109, dat zegt dat degenen die voor kader opgeleid worden —

aangewezenen of zy die zich vrywillig opgegeven hebben en

die tevens tot het blijvend gedeelte behooren — niet mogen

ruilen.

Hy de infanterie h.-bben zieh er dit jaar'J457 opgegeven voor

kadervorming ; het aantal dat zich aanmeldt zal bij liet ploegstelsel

toenemen en als ik er nu de helft van verlies, houdt

ik er nog genoeg over om alle klassen samen te stellen.

Ik zal niet diep ingaan op hetgeen de geachte afgevaardigde

verder heelt gezegd.

Hij vreesde, dat het voorbereidend militair onderwijs de

doodsteek zou worden gegeven, evenzeer als ik het reservekader

ref»ds zou hebben vermoord.

Ik ben zoo vry , Mijnheer de Voorzitter, ook in dit opzicht

met den geachten afgevaardigde van gevoelen te verschillen.

Het is waar, dat de viermaanders, wanneer zij voor het 1 * 1 ij—

vend gedeelte worden bestemd, 8 maanden moeten dienen, maar

de helft van hen, die nu 4 + 4 maanden moeten dienen, komen

er , volgens het ontwerp , met 4 maanden af. Buitendien is in

den korten eerste-oefeningstijd toch altijd een groot voordeel

gelegen boven de achtmaanders.

Iutusscheu wy leven in een overgangstijdperk. Wat is gebleken

?

Omtrent de viermaanders heerscht in den lande een verkeerde

opvatting. Er zyn betrekkelijk weinig menschen , die juist weten

waarom het gaat. Zeer velen hebben verleden jaar gemeend.dat

zy, wanneer zy den eersten oefeningstyd hadden meegemaakt en


20ste VEIMJADEKING.

ö?. Aanvulling eu wijziging van eenige bepalingen dei

by de viermaanderi waren ingedeeld, verder in ieder geval vrij

tonden zijn. /ij hebben niet gerekend op bet blijvend gedeelte

en dat beeft nu teleuratelling gewekt

Men heeft toen aau zijn vrienden gezegd: buit uw jongen

dien weg niet opgaan ; bij beeft er toch nit*ts aan.

Tegen de bewering i dat ik bet reservekader KOU hebben ver»

noord, Mijnheer de vooraitter, moet ik met alle kracht die in mü

is opkomen, Wel heb ik maatregelen genomen, om te traehten

verbetering in de opleiding van dit Kader te brengen.

De toeloop is dit jaar minder geweest, maar ook daarin heeft

het stelsel der viermaanderi een belangrijke rol er ipeeld.

Er zyii velen geweeat, die, in plnata een verbintenis bij het

reservekader aan te gaan, hoopten by de viermaanderi te tollen

worden ingedeeld. Wanneer zij uu echter bemerken, dat men

er lang niet altijd niet vier maanden afkomt, /.uilen er wel

weer meer bij het reservekader komen.

Mijnheer de Voorzitter! Ik zal de Kamer niet niet cijfers

vermoeien, maar het getal officieren . vaandrigs eu onderoffioieren

is niet minder dan de twee vorige jaren. Ik heb overigens

aan de uniform , aan de toelage . noch aan het in de kazerne

wonen iets veranderd. Dit alles heeft plaats gehad kort vóór

niijn optreden en heeft ook invloed uitgeoefend.

Inderdaad . er kan niemand op den huidigen OOgenblik meer

overtuigd zyu van de noodzakelijkheid van het reservekaderiustituut

dan i .

Het ia onmiskenbaar, Mijnheer de Voorzitter, dat wij meer

officieren noodig hebben. De nieuwe organisatie is anders niet

uit te voeren. Korpor.ials en onderofficieren kunnen wy - uit

de miliciens genoeg krijgen , zonder ze langer bezig te houden

dan de wet toelaat, maar officieren niet, ten minste tot nu

toe niet, want in het geheel hebben zich slechts 10 bh" de

infanterie bereid verklaard om tot officier opgeleid te worden.

Van die 16 zyn er 10 vier- en (> achtmaanders.

Welke middelen beraamd zullen moeten worden om in deze

zaak te voorzien , zal nader worden overwogen.

Ik had mij voorgesteld dat de toeloop voor militie-officier

grooter zou zuil, maar tot nog toe is van offervaardigheid of

van ambitie bij hen die onder de wapenen zijn bitter weinig

gebleken.

Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nu tot wat de geachte afgevaardigde

nit Deventer heeft gezegd omtrent het niet kloppen

van dit wetsontwerp op hetgeen in de Vemorie van Antwoord

betreffende het onder de wapenen houden der lichting 1902

(Gedrukte Stukken 1902—1903 171 n . 5) op ia Juni en later

30 Juni bij de mondelinge beraadslaging door mijn «vachten

ambtgenoot van Binnenlaudsche /aken is gezegd. Uit beide

verklaringen op 13 en 30 Juni bleek niet volkomen duidelijkheid,

dat de Regeering destijds oordeelde als waarborg

voor de handhaving van orde eu rast een eenignrin* aanzienlijke

vermeerdering van het blijvend gedeelte te zullen noo.lig hebben.

Bij een nogmaals wikken en nogmaals overwegen van de gerezen

moeilijkheid, eu b;j het stellen van de vraag of niet weilicht

op andere wijze, zonder zoodanige verhooging van het

blyvend gedeelte, de verantwoordelijkheid voorden toestand

kon wor.len gedragen , is de Regeering ten slotte tot de overtniging

gekomen , dat het voorgestelde doel, zij het met iets

minder zekerheid, ook wel te bereiken zou zijn. In de eerste

plaats door — zooaD reeds gezegd is — waar noodig het garnizoen

middels detacheering van elders te versterken , en verder door

maatregelen, die, bij eventueel noodige toepassing van art. 110,

tot bespoediging van de opkomst bij de korpsen kunnen leiden.

Daar nu de Regeering zelf niets liever wenscht dan voor

de orde te kunnen instaan zouder meerdere lasten op de miliciens

te leggen, sprak het vanzelf, dat zij, zoo ! ra die overtuiging

verkregen was, zelf met ingenomenheid haar eerste

plan varen liet en daarop dan ook niet is teruggekomen. Vandaar

dat het voorstel tot wijziging van art. 109, gelijk het in

behandeling is, met geen woord in verband is gebracht met de

behoefte aan meerdere sterkte tot handhaving der orde.

De Regeering acht, dank zy de nu voorgenomen regeling,

o. a. in staat te zullen zyn te Amsterdam een voldoend garnizoen

te handhaven, en bleek het op een gegeven oogenbük

onvoldoende, het onverwijld te kunnen versterken.

Mocht nu de geachte afgevaardigde uit Deventer onderstellen

m

- 18 NOVEMBER 1903.

Militiewet H)0l , aangevuld by de wet van '20 Juni 1902.

dat dit resultaat het gevolg zou zijn van den eerst ontveinsden

angst, over den strijd waarmede de heer Drinker op 80 Juni

gedreigd had, dan net de heer Merchant toch voorbij, dat ook

een Begeering in «Ie eerste plaats gedreven wordt door de zucht

om onnoodig opleggen van lasten aan het volk te besparen.

I)e Regeering wist dat zij, niet op de aanvankelijk voorgenoinen

aanmerkelijke verhooging van het blijvend gedeelte terug

te komen, een ernstige verantwoordelijkheid op zich nam. maar

eenmaal t'd de overtuiging gekomen , dat ook zoodanige verhooging

niet volstrekt noodig was, bleef zij in haar aanvankelijk

voornemen niet volharden en liet ie.dit dan ook geheel

los. Daardoor laat het zich verklaren dat de nu voorgestelde

wijziging van art. 109 een bijkomende zaak was, en er geen

aanleiding bestond in de gewisselde stukken eenig verband te

leggen tueacben dat voorstel en de gebeurtenissen van het voorjaar.

De geachte afgevaardigde uit Deventer heeft vorts nog twijfel

geopperd omtrent het antwoord door mij Vrydag II. aan den

heer Troelstra gegeven, namelijk toen ik ontkennend heb beantwoord

de vraag of er nog meer wetsontwerpen tot verhooging

van het blijvend gedeelte zijn te verwachten.

Na hetgeen ik thans heb meegedeeld, zal, naar ik hoop, die

twyf'el wel zyn opgeheven , doch niettemin wensch ik nogmaals

beslist de verzekering te geven, (fat aan nadere voorstellen tot

verhooging van het blyvend gedeelte niet wordt gedacht.

Doch, Mijnheer de Voorzitter, er is meer.

Zooals ik in den aanhef van myn rede heb gezegd, is door

niÜ nader overleg gepleegd met mijn ambtgenooteu van Binneulandsche

Zaken en van Marine en hebben wy ons de vraag

gesteld, of ten slotte de thans voorgestelde wijzigingen van art.

109, hoe gewenscht ook in sommige opzichten, moesten worden

gehandhaafd.

Die vraag, Mijnheer de Voorzitter, hebben wij, waar het een

quaestie van appreciatie geldt, ontkennend beantwoord. Wij

wenschen zelfs den schijn van reactie en van niet strikt noodige

verzwaring van lasten niet op ons te laden. Op dien grond

heb ik de eer — mede namens mijn ambtgenooteu — mee te

deelen, dat het voorstel tot wijziging van art. 109 door de

Regeering wordt ingetrokken.

In verband hiermede zullen, Mijnheer de Voorzitter, in art. 2

van het wetsontwerp moeten vervallen de woorden: „met uitzonderiug

van, enz. tot aan het slot, zoodat het art. dan zal

luiden: „De/.e wet treedt in werking op 30 November 1903".

De Voorzitter: Daar door de Uegeering het voorstel tot

wyziging van onderart. 109 is ingetrokken, maakt dit geen

onderwerp van beraadslaging meer uit.

Beraadslaging over onderart. 110, luidende:

„Art. 110 wordt gelezen als volgt:

.Wanneer het ter handhaving of tot herstel van de openbare

rust of orde, tot uitvoering van wettelijke voorschriften of om

andere overwegende redenen noodig is, kan door Ons worden

bevolen, dat de ingeljjtden by de militie te land, die laatstelijk

. den bij art. 107 , art. 108 of art. 109 bepaalden tijd onder de

wapenen hebben doorgebracht, onder de wapenen worden ge-•

houden of geroepen.

„Is dit onvoldoende, dan kan door Ons worden bevolen , dat

j de ingelyfden bij de militie te land , die niet verlof zyn , voor

zooveel noodig, te gelijk of voor een deel, onder de wapenen

: worden geroepen, met dien verstande, dat by gedeeltelijke

oproeping, de oproeping van hen , die tot eene jongere ligtiug

behooren , steeds aan die der daaropvolgende ligting voorafga.

„Binnen zes weken nadat bovenbedoelde ingelyfden ingevolge

' : de bepaling van de vorige zinsneden onder de wapenen zyn

gebonden of zyn geroepen , wordt een voorstel van wet aan de

iStaten-Generaal gedaan , om het ouder de wapenen blijven van

; die ingelijfdeu zooveel noodig te bepalen."

De heer van Raallc: Mijnheer de Voorzitter! Toen in den

loop van dit jaar naar aanleiding van de bekende gebeurtenissen

hier aan de orde was het wetsontwerp, dat gelastte het byeenhouden

van de buitengewoon opgeroepen lichtingen, — het

wetsontwerp dat noch aangenomen noch verworpen is, maar


Vel 91. 347 Tweede Kamer.

20st« VERGADERING.

."»r. Aanvulling en wijziging ran eenige bepaliagan der

— 18 NOVEMBER 1903.

Militiewet 1'JiJl , aangevuld bij de wet van 20 Juni 19D2.

tan slotte werd ingetrokken — is van uit de Kamer de ernstige

twijfel geopperd of bet bestaande art. 110 van de Militiewet

wel in overeenstemming is met de Grondwet. Er is toen op*

gemerkt, dat van behandeling dier vraag op dat oogenbtik geen

sprake kon zijn. Wij stonden voor de noodzakelijkheid om het

wetsartikel, zooals het daar nu eenmaal lag, uit te voeren en

toe te passen.

Voor nadere beschouwing der vraag of art. 110 van de Militiewet

wel te rijmen is met de Grondwet, was het toen te laat

of te vroeg. Of te laat, want men had die vraag in 11)01 meer

nauwkeurig onder de oogen moeten /.ien , óf te vroeg, omdat

die quaestie eerst weder aan de orde zou kunnen komen bij een

eventueele herziening van de Militiewet ll'Ol.

Nu verkeeren wij in een ander geval. Art. 110 is thans van

meet af aan de orde. De Rogeering stelt bij haar wetsontwerp

een geheele wijziging van dat artikel voor: zy zelf spreekt in

de Nota van Wijziging van een nieuwe lezing, en thans is er

dan ook alle aanleiding voor opzettelijk onderzoek, opdat wy'de

klip kunnen vermijden, waarop in 1'JUl de Militiewet is verzeild.

De Kamer kent de quaestie. Terwyl art 185 van Grondwet

zegt, dat wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of'andere

buitengewone omstandigheden de dienstplichtigen door den

Koning buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, dan

onverwijld aan de Staten-Generaal een voorstel van wet wordt

gedaan om het byecnblijven te bepalen , zegt daarentegen art. 110

Tan de Militiewet, dat in geval van verstoring van de openbare

rust en orde of om andere dergelijke redenen , de Regeering

bevoegd is de miliciens buitengewoon byeen te roepen en dat,

eerst nadat dan de aldus ingelijfden zes weken onder de wapenen

hebben doorgebracht, een voorstel wordt ingediend om bet onder

de wapenen blijven mogelijk te maken.

Er is dus verschil tusschen deze beide bepalingen en deze

afwyking strydt tegen de Grondwet, omdat het grondwetsartikel

niet enkel spreekt van oorlogsgevaar, maar ook van andere

buitengewone omstandigheden. Onder het grondwetsartikel vallen

ook de gevallen waarover wy thans spreken, namelijk bet geval

van binnenlandsche rustverstoring en andere van soortgelijken

aard. Wanneer men in aanmerking neemt, dat in art. 185 der

Grondwet uitdrukkelijk genoemd is het geval van oorlog, en

even uitdrukkelijk het geval van oorlogsgevaar, en dat daarop

dan nog volgt de zeer algemeene uitdrukking .buitengewone

omstandigbeden", dan ligt in die woorden niets wat recht geeft

ten aanzien van die buitengewone omstandigheden te gaan onsderscheiden

tusschen internationale verwikkelingen en binnenlandsche

rustverstoring.

De Regeering is echter van andere meening, en heeft nu en

by vorige gelegenbeden herhaaldelijk beweerd, dat de Grondwet

volgens de bewoordingen van het artikel enkel redenen van

internationaal-staatkundigen aard op bet oog heeft en dus andere

gevallen dan waarop in het bestaande art. 110 der Militiewet

wordt gedoeld. Ik kan dat niet inzien, en meen reeds te hebben

aangetoond , dat voor een dergelijke onderscheiding gten reden

bestaat.

De Regeering beroept zich verder op de geschiedenis van de

grondwettelijke bepaling; maar zy' motiveert dat niet anders

dan door te verwij/.eu naar hetgeen van Regeeriugswege in het

midden werd ge brac t bij een vroegere gelegenheid , de behaudeling

van de Militiewet zelf. Als men nu de stukken, daarop

betrekking hebbende, opslaat, vindt men dan ook precies dozelfde

bewering uitgesproken. Maar welke geschiedkundige

bijzonderheden de Regeering daarbij op het oog had bleef geheel

in het duister. Mij zijn zij niet bekend en zoolang ik daaromtrent

niet nader wordt ingelicht, komt my het beroep op de geschiedenis

van het artikel even weinig gegrond voor als het beroep

op de bewoordingen.

Is er dus inderdaad veel te zeggen voor de meeiiiug, dat

art. 185 der Grondwet ook omvat de gevallen . die behandeld

worden in art. 110 der Militiewet, te ontkennen is het niet,

dat de wetgever van 1901 is uitgegaan van de gedachte, dat

art. 110 der Militiewet een andere materie regelde dan in art. 185

der Grondwet geregeld was. Laat ons daarmede rekening houden

en aannemen , dat er reden is voor twijfel. Maar dan zullen wy

toch het veiligst handelen met in dit nieuwe art. 110 de eigen

woorden van de Grondwet te bezigen. Want ook als juist is de

opvatting, dat de Grondwet zelf reeds in het onderwerp heeft

Handelingen der Staten-Generaal. — 1903—1904. — II.

voorzien, en dus strikt genomen de gewone wetgever zich soa

moeten ontbonden , kan er geen bezwaar tegen bestaan het

grondwettelijk roorsehrift in deze wet in dexelfde bewoordingen

te herbalen. Het is dus in ieder geval aan te barelen daterni*

nologie der Grondwet ook hier te volgen en dus niet te spreken

van: .binnen vier weken'' maar in plaats daarvan te herstellen

I .onverwijld".

Ik heb daarvoor nog een tweede, mijn inziens belangrijke

reden. De bedoeling is —ook van de Regeering—altijd geweest

en nu nog, om de straf in art. 110 te regelen geheel op dezelfde

wijze als de Grondwet dit gedaan heeft in art. 185. Ik stel my'

nu op het .standpunt der Regeering en neem aan, dat art. 185

i der Grondwet andere gevallen op het oog heeft dan die waarover

het artikel handelt thans aan de orde; maar op dit standpunt

zich plaatsende, heeft de Regeering van den aanvang af gezegd,

dat de bedoeling van dit ontwerp is de zaak te regelen zooals

de Grondwet het heeft gedaan voor het geval van oorlog en

oorlogsgevaar. Het is dus noodig, dat wij ons rekenschap geven

van de eigenlyke strekking van art. 185, en nagaan waarin de

kracht ligt van die bepaling. Ik beantwoord die vraag liefst

met de woorden van een autoriteit. Wanneer de Kamer het my

veroorlooft zal ik — het citaat is niet lang — voorlezen wat

Uuys , dl. II. bladz. 670, in zyn werk .De Grondwet" by' dit

artikel leert. Ik lees daar: „Bedrieg ik my' niet dan ligt echter

aan art. 184 — in de Grondwet van 1848 was art. 185 opgeuomen

als art. 184 — .het constitutioneele beginsel ten grondslag,

waarop men ook in Engeland zoo hoogen pry's stelt, dat nameliik

het recht van de Regeering om over de troepen te beschikken

in het belang van de burgerly'ke vryheid aan bepaalde

grenzen behoort te worden gebonden. Heelt eenmaal de wet bei

paald , welke macht noodig is om onder normale omstandigheden

voor handhaving van rust en orde te waken, dan moet die

macht niet plotseling aanmerkelijk kunnen worden uitgebreid,

1 zonder uitdrukkelijke erkentenis van de Vertegenwoordiging,

' dat buitengewone omstandigheden zulk een uitbreiding rechtvaardigen.

Er bestaat, dunkt mij , dan ook een zeer nauw verband

tusschen het hier besprokeu voorschrift en art. 50 Grondwet.

Juist daarom kan het recht van oorlogsverklaring ook in de

toekomst zonder bezwaar aan de Kroon worden gelaten, omdat

haar recht van vrye beschikking over gewapende macht en

geldmiddelen door de wetten streng is beperkt. Nam men art. 184

uit de Grondwet weg, dan zoude eene van de voornaamste dezer

: beperkingen komen te vervallen."

Daarin ligt dus de kracht en de beteekenis van dit artikel.

Aan de Regeering om haar oogenblik te kiezen, om uit te

] maken of op een gegeven moment tot handelen moet overgegaan

, worden — aan de Regeering, aan de Kroon het recht te be-

| palen dat de lichtingen buitengewoon zullen opgeroepen worden;

!

maar onder verplichting om dan ook ten spoedigste de medewerking

der Staten-Generaal in te roepen om het by'eenblijven

van de aldus opgeroepen troepen te bekrachtigen.

He 1 , buitengewoon oproepen van de miliciens is een zoo belangrijke

maatregel, zoo diep ingrijpende iii het geheele oeeonomiache

leven van een volk , dat ieder het eens zal zyn dat een

Regee-ing dit niet moet kuunen doen zonder machtiging der Volka*

I vertegenwoordiging, en dat, zoo ergens, hier een moment is,

waarop de Volksvertegenwoordiging, of liever: Regeering en

! Volksvertegenwoordiging te zamen, moeteu bepalen wat in

i 'slauds belang gevorderd wordt.

In de Grondwet van 1887 is het artikel — nu art. 185 — dan

ook behouden. Eu het is merkwaardig dat dit artikel behouden

: is, daar voor het overige de bepalingen der Grondwet van 1848,

welke op den dienst der miliciens betrekking hadden , vervallen

en aan de gewone wet overgelaten zijn. Er is in 18i7 dan ook

maar een verandering aangebracht. In de Grondwet van 1818

luidde de bepaling aldus: Art. 184 (oud) ,In geval van oorlog

I of andere buitengewone omstandigheden, kan de Koning de

I militie te land, hetzij geheel hetzy' ten deele, buitengewoon

bijeenroepen.

Ter zelftler t'y'd roept de Koning de Staten-Generaal bijeen ,

opdat eene wet het samenblijven der militie, zooveel noodig

bepale."

In 1SS7 heelt men, en te recht, rekening willen honden met

de practyk, die medebrengt, dat in normale gevallen in ons land

voor buitengewone zittingen geen plaats is. De gewone zitting


348

20tte VERGADERING. — 19 NoVEMMEll 1003.

.'»~. Aanvulling «MI wijziging ran eenige bepalingen der Militiewet 10C1, aangeTuld bij de wet ran 20 Juni 1902.

immer» duurt ran den derden Dinsdag van September tot den

Zaterdag voorafgaande aan denderden Dinsdag van bet volgende

jaar voort.

De Staten*! leneraal kunnen dus niet buitengewoon opgeroepen

worden. Eu om de Grondwet net de eonititutioneele praetgk

iu overeenstemming te brengen, lieett men toen, in plaats van

bet bijeenroepen van de Staten-Generaal, gesteld : liet indienen

van een wetsontwerp. Dit is de eenige essentieele verandering

die bij de grondwetsherziening van 18o7 in dit opzioht gemaakt U.

Wanneer wy~ het daarover eens zijn, dat liet onze bedoeling

is de aaak op de/.e zelfde wyze te regelen , il het van belang

om het constitutioneele beginsel, dat spreekt uit art. 185

Grondwet zoo volkomen mogelijk tot zijn recht te laten komeu

by deze wet.

Om dezelfde reden waarom de Grondwet van 1837 voorgeschreven

hee't dat onverwijld een voorstel zal gedaan worden

aan de Staten-Generaal, om dezelfde reden moet iu art. 110

van de Militiewet onverwijlde indiening worden voorgeschreven.

Verschil van meeuing omtrent de grondgedachte , die iu het

artikel moet worden uitgedrukt, bestaat tusscheu de ltegeeriug

en de Kamer thans niet meer. De ltegeeriug heeft een belangrijken

stap gedaan in de richting van het gemeen overleg, iets

waarvoor ik haar dankbaar ben , door bij de Nota van Wijziging

thans voor te stellen iu het artikel te lezen , dat het voorstel

aan de Staten-Generaal binnen zes weken zal worden gelaan.

Hiermede is de strijd, die bij de behandeling van het wetsontwerp

betreffende het bijeenhouden der buitengewoon opgeroepen

miliciens hier gevoerd is, beslecht.

De Kamer herinnert zich , dat, toen van Regeeringswege bij

monde vau den heer Minister van liinnenlandsche Zaken, hier

verkondigd is de theorie vau de drie perioden. De eerste periode

van zes weken was die waaronder de miliciens dienden, volgens

het bestaande art. 110, krachtens oproeping 'an de Regeering:

de tweede periode liep van het einde van die 6 weken tot op

het oogenblik waarop de wet iu werking zou treden , en de

derde periode was die waaronder de militie bijeen was onder

vigueur van die wet.

Naar aanleiding daarvan werd toen door de Regeering de

theorie verdedigd, dat de troepen bijeenkomen en bijeen blij ven

uit kracht van het recht der Itegeering en dat dat recht blijft

doorloopen zoolang de Staten-Generaal zich daartegen niet verzetten

en daaraan geen eind maken.

Daartegenover stond een andere opinie, die in de Kamer

verdedigd werd door de heeren Goemau Borgesius en Röell,

die de noodzakelijkheid in het licht stelden dat de bijeen roeping

van de militie ten spoedigste door de wet werd bekrachtigd.

Ik schaar mij aan de zijde van deze geachte leden. Maar deze

quaestie heeft ons thans niet meer bezig te houden ; zij is ter

•zijde gesteld, dank zij de tegemoetkomende houding vau de

Regeering. Nu .onverwijld na z°s weken" geworden is .binnen

zes weken", hetgeen ook: dadelijk beteekenen kan , is het practische

belang van die quaestie vervallen. Maar laat ons uu nog

een stap verder gaan en iu stede vau , binnen zes weken "

zeggen : „onverwijld".

Waarom zon men dat niet doen? Men heeft gezegd: onverwijld

is een vaag begrip, het is een begrip dat subjectief

voor allerlei opvattingen vatbaar is. Dat is de eenige reden

waarom .binnen zes weken" de voorkeur heeft gekregen boven

„ onverwijld ".

Dat is een taalkundige bewering, die mij geheel onjuist

voorkomt. .Onverwijld" is iu goed Hoüandsch, een volkomen

duidelijk, scherp omlynd begrip.

Dat is zoo in het algemeen en het is meer dan ooit zoo in

dit bijzonder geval. Wanneer wy het woord .onverwijld" opvatten

in de natuurlijke beteekenis, dan zegt het : zonder verwijl,

zonder willekeurige vertraging, zoo spoedig als het redelijkerwijs

kan.

De heer do Savornin Lobinaii: Redelijkerwijs, wat is dat?

De heer van Kaalte: Wat redelijkerwijs is?

Ik beschouw liet by voorbeeld als redelyk , dat men niet eischt,

dat een Minister den geheelen nacht doorwerkt, zyn nachtrust

t.-n offer brengt. Dat is toch een buitengewone inspanning,

die men niet het recht heeft te vorderen , die men redelijkerwijs

niet verlangen kan.

Maar ik zeide: het begip is in dubbele mate duidelijk in dit

geval. Laat mij ten hl ij Ue hiervan op een kleine historische bjj"

zonderheid de aandacht vestigen.

liet voorstel betreffende art. 185 der Grondwet van 1887,

zoouls het door de toenmalige Regeering werd voorgedragen

(de Staatscommissie had geen enkele verandering noodig geacht)

luidde aldus :

.Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere

buitengewone omstaudigheden de dienstplichtigen die niet in

werkelijken dienst zyn, door den Koning geheel of ten deele

buitengewoon onder de wapenen worden geroepen , wordt gelyklljilig

een voorstel van wet aan de Staten-Generaal gedaan ,

om het onder de wapenen blijven der dienstplichtigen zooveel

noodig te bepalen."

Toen heeft men in de afdeelingen aangemerkt, dat dit niet

altijd uitvoerbaar zoude zijn of wel het gevolg van het voorschrift

zou kunnen wezen, dat het besluit tot bu'eeuroepiug van

de militie zou worden opgehouden , omdat de Raad van State

toch ook moet worden gehoord en dat het daarom beter was

om te gebruiken het woord onverwijld.

De Regeering heeft daarop de gevraagde verandering overgenomen

met geen andere uiotiveering dan: Naar aanleiding

van de gemaakte opmerking wordt deze kleine redactiewyziging

aangebracht.

Dus afgescheiden van het volkomen duidelijke van het begrip

in het algemeen, werd hier .onverwijld" gebezigd in den zin

van: .zoo niet te gelijk dan toch met zoodanigen spoed als

onmiddellijk op gelijktijdig volgt" en zoo krijgt dus het woord

.onverwijld" èu taalkundig èn historisch in de Grondwet een

stellige beteekenis, die wij hier nu gaan verwateren, verslappen,

en waaraan wij elke kleur en geur ontnemen door aanneming

van hetgeeu thans door de Regeering wordt voorgesteld.

.Binnen zes weken" kan beteekeuen den lsten maar ook deu

41sten dag en laat dus een speelruimte vau 40 dagen, wat ik

liet tegendeel acht van stellig. Men gaat dus. terwijl men er

geen speciale bedoeling mede heeft, de volkomen duidelijke

uitdrukking van de Grondwet verzwakken.

Eiudelyk is er nog eeu derde reden van practisch belang, waarom

ik de uitdrukking .onverwijld" wensch te behouden. Daarmede

zal immers juist aan een spoedige behandeling de stoot worden

gegeven.

Het gereed maken van een voorstel dat van uiterst eenvoudigen

aard is, vereischt zeer weinig tijd; de toelichting beperkt zich

tot zeer enkele zinsneden; het geheel kan desnoods binnen

enkele uren worden gereed gemaakt Wordt het ontwerp dan

met spoed doorgezonden naar den llaad vau State , dan zal

deze zeker ook de zaak wel als urgent beschouwen en als zoodanig

behandelen , en ook de Kamer zal dan eveneens doen.

Wanneer men onverwijlde indiening voorschrijft, dan zal, als

onverhoopt zich weder eens buitengewone omstaudigheden

voordoen, de zaak iu enkele dagen zijn afgeloopen , en zal men

niet meer komen voor het geval waarin wij dit jaar verkeerd

hebben, dat de wet moest worden behandeld op een tijdstip

waarop de troepen reeds weif-r met verlof waren gezonden.

Ziedaar de drie redenen die er mij toe leiden om der Regeering

in overweging te geven een kleine wijziging iu het artikel

te brengen. Er staat nu :

„Binnen zes weken nadat bovenbedoelde ingelyflen ingevolge

de bepaling van de vorige rinsuedan onder de wapenen zijn

gehouden of zijn geroepen , wordt een voorstel van wet aan de

Staten-Generaal gedaan, om hst onder de wapenen blyven vau

die ingelijfden zooveel noodig te bepalen."

Ik zou wenschen , dat dit als volgt werd gelezen :

.Zoodra de bovenbedoelde ingelyfden ingevolge de bepaling

van de vorige zinsuede in werkelijken dienst zyn gehouden of

zyn geroepen , wordt onverwijld een voorstel van wet gedaan ,

om het iu werkelijken dienst blyven vau die ingelijfden zooveel

noodig te bepalen."

Ik zal uu op dit oogenblik nog geen amendement voorstellen,

omdat lift my voorkomt dat de door iny aangegeven wijziging

zoo duidelyk een verbetering is, dat ik alsnog hoop, dat de

Regeering ze ook als zoodanig zal willen beschouwen en zelf

deze verandering zal willen brengen in haar ontwerp.


349

20ste VERGADERING. — 18 NOVEMBER 1903.

Verslagen uitgebracht door de Commisiiie voor de Verzoekschriften,

De heer van Idsinga: Mijnheer «Ie Voorzitter! De geachte

afgevaardigde beeft een betoog geleverd om aan te toonen «hit

dit voorstel van de Begeeriog in stoijd sou K\j nn >°t de Grondwet-

En aangezien ik ten aanzien van dit punt een eenigszins andere

opvatting heb dan de Kegeering, y.y liet uiij veroorloofd om

mgn beswaren tegen het betoog van den geaebten afgevaardigde

even in het kort mede te deelen.

De geachte afgevaardigde gaat nifc van de onderstelling, dat

art. 185 van de Grondwet zou moeten worden toegepast op het

tijdstip waarop de G weken , waarvan dit wetsontwerp spreekt,

beginnen.

Ik zou den geaebten afgevaardigde willen vragen waarom of

hü aanneemt dat het artikel moet worden toegepast bij het

begin van de G weken en niet op het einde van die G weken.

Ik geloof, dat wanneer men de geschiedenis van art. 185 nagaat

en vergelijkt met deze wet, men tot de overtuiging zal komen ,

dat art. 185 eerst dan in werking treedt, wanneer de (5 weken

zyn afgeloopen , zoodat het wetsartikel anaals het nu wordt

voorgedragen, eigenlek meer geeft dan de Grondwet verlangt.

Ik geef' den geachten afgevaardigde toe, dat art. 185 een eenigszins

zonderling artikel is, maar wij moeten het beschouwen

zooals het geworden is uit de vorige Grondwet. Art. 185 is

eigenlijk art. 184 van de vorigeGrondwet, eenigs/.ins gewijzigd.

Dat art. 184 pastte in het stelsel van de vorige Grondwet, waar

men als het ware had een beperkte militiewet in het klein. Van

dat stelsel is afgeweken by de nieuwe Grondwet en men heeft

daarbij aangenomen , dat in hoofdzaak alles zou worden overgelaten

aan den gewonen wetgever.

Toen men dit stelsel had aanvaard, rees de vraag of art. 184,

het tegenwoordig art. 185, dan wel paste in de nieuwe bepalingen

der Grondwet, en of bij de weglating van de oude artt. 18l—

183 art. 185 niet overbodig werd. Mg de behandeling dier vraag

is gebleken hoe zonderling dit artikel was, want noch de Itegeering

noch «Ie Kamer wisten, wat er mede te doen. Die

vreemde houding is ook geschetst doorBuys. een schets, waarvan

de geachte afgevaariligde slechts een deel heeft voorgelezen.

Op het deel , dat aan ajjn citaat voorafgaat, wensch ik

de bijzondere aandacht van tien geachten afgevaardigde te

vestigen, omdat professor Buysjuist in die voorafgaande woorden

de beteekenis van het artikel aangeeft.

Sprekende over de begripsverwarring die er heerschte èn by

de liegeering èn l)y de Kamer over de beteekenis van dit artikel,

zegt hij: „Ik betwijfel intusschen of «Ie liegeering in hare

Memorie en de Kamer in haar Verslag de strekking van dit

grondwetsartikel wel volkomeu juist waardeeren. Wanneer het

inderdaad niet anders bedoelde dan aan de dienstplichtigen nog

eenigen meerderen waarborg te geven , dan ware er zeker voor

opheffing van het artikel by de aanstaande herziening veel te

zeggen. Acht de grondwetgever de belangen van de dieustplichtigeu

veilig in banden van de gewone Volksvertegenwoordigiug,

zonder welker instemming geen dienstplicht kan worden

opgelegd, en stelt hij om die reden de artikelen 181 —183 terzijde,

welk denkbaar motief kan er dan afin om voor art. 184 een

uitzondering te maken, en voor een enkele, vermoedelijke kortstondige

, dienstprestatie een grond wettigen waarborg te eischen ,

dien hij voor den geheeleu duur van den dienstplicht overbodig

acht."

Daarin ligt m. i. de vingerwijzing naar de juiste beteekenis

van het artikel. De wetgever kan op dit punt doen wat liy wil.

Maar nu is het zonderling, dat prof. Buys vervalt in dezelfde

fout die hij aan de liegeering en aan de Kamer verwijt. en dat hij

in de woorden , door den geachten afgevaardigde aangehaald ,

aan het artikel juist de beteekenis geeft ,«lie hij te voren meende,

dat het artikel niet kan hebben. Art. Is5 heeft door de grondwetswyzigiug

een geheel andere beteekenis gekregen. Viel iu de

vorige Grondwet het zwaartepunt in den waarborg, thans valt

dit zwaartepunt op de bevoegdheid van de Kroon om de troepen

onder de wapenen te roepen , ook buiten de voorschriften der

wet, en wel als tegenwicht tegen de mogelijkheid, dat de wetgever,

aan wien alles wordt overgelaten, die bevoegdhei«i te

veel zou beperken. Komt nu de wetgever met een regeling

waarin dit punt wordt voorzien , zooals thans is voorgesteld ,

dan wordt de toepassing van het grondwetsartikel natuurlijk

overbodig. Wat zien wy nu gebeuren? De wetgever heeft de

bevoegdheid der liegeering erkend, ja, hij legt, terwijl hy aan

de liegeering «Ie bevoegdheid geeft om (nder bijzondere onistandigheden


:m

20ste VEHGADERINü. — 18 NOVKMBEB 1908.

Veralagen uitgebracht door de Commiuia voor da Verzoekschriften.

uwc Vergoderiug bei verleenen eeuer ichadevergoeding in over*

weging te willen uemen.

Onder opmerking dat uit Int adrea niet blijkt, dat zoude

zijn gehandeld in strijd met de bepalingen vim de verbintenis

aangegaan bij adreaaant'a treden in 'a Rijke zeedienat en evenmin,

dat adressant zich reeda beeft gewend t"t ••'esteld twee adressen :

Ken van .Johannes .(aeohus (ierardus Kappelhof en 7 anderen ,

uitmakende het bestuur van de Vereeniging van eigenaren van

hiuzeu met vergunning te Amsterdam.

Adressanten wijzen er op , dat het voor velen in den lande

van groot belang is, dat geruinien tijd vóór 1 Mei 11104 de

definitieve wijzigiug der Drankwet tot stand komt en wenschen

voorts eenige opmerkingen aan de aandacht der Kamer te onderwerpen.

Adressanten achten het behoud der vergunning op het perceel

eeu eisch van billijkheid en goede wetgeving, daar aan het instellen

van een persoonlek vergunningsrecht groote bezwaren

zyn verbonden.

Voorts zijn adressanten van meening, dat de clandestiene

drankverkoop krachtig moet worden bestreden o. a. door den

verkoop van drank, ongeacht de hoeveelheid, aan iederen niet

vergunninghouder te verbieden.

Adressanten geven voorts te kennen , dat het wenscbelyk is

de vergunningen in de groote steden terug te brengen op het

maximum, door toe


Vel 92. 351 Tweede Kumer,

20ste VERGADERING. - 18 NOVEMBER 1003.

Verslagen uitgebracht door de Commissie voor de Verzoekschriften.

nationale overeenkomst te Brussel werd ingesteld, ter verzekering

van ieders binneulaudsche suikermarkt. Adressanten voeren aan,

dat by de scherpe concurrentie die aansta inde is, er voor Nederland

een groot gevaar dreigt, wanneer op dit land een uitzonderingsmaatregel

werd toegepast, namelijk dat vele, zoo

niet alle, suikerfabrieken zullen verdwynen en als gevolg daarvan

evenredige vermindering der bietencultuur, wat èn voor den

landbouw, èn voor den arbeid, voor de schippery èn voor de

neringdoenden een niet te overziene ramp zoude we/.en;

een adres van beetwortelverbouwers, wonende te Nieuwe

Tonge en omstreken en een adres van leden der landbouwvereeuiging

.Werkendam en Omstreken", gevestigd te Werkendam,

provincie Noordbrabant, tevens bietenverbouwers of

belanghebbenden by de suikerbietenteelt in die streek, beide

van dezelfde strekking.

Uw Commissie stelt voor ten aauzieu van deze adressen over

te gaan tot de orde van den dag.

IV. Een adres van het gemeentebestuur van Wehl. Adressant

wyst er op, dat tot dekking der plaatselijke uitgaven in die

gemeente o. a. wordt geheven een belasting in natura, hnnden

spandienst, toegestaan by art. 240 a der Gemeentewet, doch

dat het gemeentebestuur tegenover onwillige belastingplichtigen

machteloos staat.

Adressant beschouwt het als een leemte in de Gemeentewei,

dat tegen niet-voldoening aan of overtreding van Pen verordening

op de hand- en spandiensten geen dwangmiddel noch straf kan

toegepast worden; immers zoowel de invorderingsmaatregelen

(artt. 258 en volgende der Gemeentewet) als de geldboete —

welke laatste door art. 272 aan de .verschuldigde belasting" is

vastgeknoopt — kunnen alleen worden toegepast by belastingen

in geld, maar belastingen in natura kunnen noch door invordering

by dwangbevel afgedwongen, noch tot geldboete verdubbeld

worden. Ook de in verordeningen voorkomende bepalingen, dat

de verschuldigde diensten kunnen worden afgekocht, of dat zy

by niet-voldoening op een zeker bedrag in geld geschat worden,

kunnen de zaak niet in het wettige spoor brengen, omdat ook j

deze afkoopsom of geschatte waarde niet behoort tot de in

art. 210 toegelaten belastingen en dus ook daarop de artt. 258 I

en 271 niet kunnen toegepast worden. Ook de in art. 271 bedoelde

verbeurdverklaring kan hier uit den aard der zaak niet

in aanmerking komen.

Een officier van justitie heeft dan ook geweigerd ontluiking

der hand- en spandiensten te vervolgen op grond dat, volgens

de artt. 271 en 272 der Gemeentewet, overtreding in zake de

plaatselijke belastingen wordt gestraft met geldboete of verbeurdverklaring

(of beide) en wel boete bestaande in het dubbele

der verschuldigde belasting, doch ten minste f5, terwyl de

hand- en spandiensten zijn een belasting niet in geld te herleiden.

De heffingen van hand- en spandiensten zyn noch door

invorderingsmaatregelen noch door strafbepalingen te handhaven.

Adressant zet verder uiteen waarom een goede regeling zeer

in 't belang is der gemeente Wehl en verzoekt ten slotte dat

ten spoedigste een wijziging van de Gemeentewet plaats vinde,

opdat een gemeentebestuur niet langer machteloos sta tegenover

onwillige hand- eu spandienstplichtigen.

V. Een adres van Anton Gerhard Kohne, rangeerder by de

Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij te Amsterdam, houdende

verzoek tot naturalisatie.

Uwe Commissie stelt voor deze adressen neder te leggen ter

griffie ter inzage voor de leden.

VI. Een adres van Christiaan Wilhelm van Suchtelen, gepeusionneerd

majoor der infanterie, wonende te Ginneken, optredende

als gemachtigde van den heer Rutger van Eek, koopman

te Semaraug.

Adressant verzoekt teruggave van zyns inziens ten onrechte

geïnde bedryfsbelasting over het dienstjaar 1001—10U2.

Aangezien ingevolge art. 8 der Grondwet onderteekeuing uit

naam van anderen alleen kan geschieden krachtens schriftelijke

by het verzoek overgelegde volmacht en de adressant zoodanige

volmacht niet heeft overgelegd, stelt uw Commissie voor dit

adres ter zijde te leggen.

Handelingen der Staten-Generaal. — 1903—1904. — II.

VII. Een adres van II. Schraver, gepensionneerd eerste»

luitenant, plaatselijk adjudant te Rotterdam.

Adressant zet uiteen wat men, zyns inziens, de kinderen in

de school moet leeren.

VIII. Een adres van Arie Weltevreden, evangelist, gedetineerd

in het huis van bewaring te 's Uravenhage.

Adressant beweert dat by ten onrechte door de rechtbank te

Zierikzee en het gerechtshof te 'sGravenhage is veroordeelden

dat hy had moeten zyn vrijgesproken en verzoekt dat de Kamer

het daarheen zal leiden, dat iu zyn zaak recht worde gedaan.

IX. Een adres van het dagelyksch bestuur van den Algemeenen

Nederlaudschen Rykswerkliedenbond, domicilie kiezende

te Delft ten huize van den voorzitter van den Bond.

Adressant dringt aan op wijziging van eenige artikelen van

de wet van 18 Juli 1890, tot regeling der pensioenen van de

minder geè'mployeerden enz. op daggeld werkzaam by de inrichtingen

van 's Ryks zee- en landmacht (Staatsblad n". 109), met

name van de artikelen 6, 8 en 11 van die wet.

X. Een adres van A. N. Singer, oud-inspecteur van financiën

in Nederlandsch-lndié', wonende te Ginneken bij Breda.

Adressant wyst er op, dat by arrest van den Hoogen Raad

van 3 April 1903 is beslist, dat toelagen die ten behoeve van

hier te lande verblijvende minderjarigen uit het buitenland

worden verstrekt, niet aan belasting op bedryfs- en andere

inkomsten zijn onderworpen; dat hij op grond daarvan zich by'

request van 15 Juni 1903 tot den Minister van Financiën heeft

gewend, met het verzoek om hem te doen restitueeren de betaalde

belasting over de jaren 1900 1901,1901/1902 en 1902/1903;

dat hem is gerestitueerd de belasting over laatgenoemd dienstjaar,

doch niet over de vroegen dienstjaren, hoewel hy meent

daarop recht te hebben; dat adressant zyn rechtop die restitutie

ontleent aan genoemd arrest van den Hoogen Raad en dus

bezwaarlijk vóór dien tijd een verzoek tot restitutie kon inzenden ,

zoodat zijns inziens op het onderhavige geval niet van toepassing

kan wordsn geacht art. 3 der wet van 5 November 1815 n". 30

(Staatsblad n". 51), hetwelk verjaard of vernietigd verklaart

vorderingen ten laste vau het Ryk, die niet ingediend zyn

binnen den tyd van 18 maanden na de opening van het dienstjaar;

dat adressant ou die redenen meende by de Ministervan

Financiën op de zaak te mogen terugkomen en Zijn Excellentie

te verzoeken hem alsnog te willen doen restitueeren de van hem

ingevorderde niet verschuldigde sommen over de jaren 1900 1901

en 1901/1902; dat de Minister in zyn beschikking op dat verzoekschrift

heelt goedgevonden en verstaan aan den adressant

te kennen te geven, dat zyn bewering, als zoude door het

aangehaalde arrest een vroeger niet bestaan hebbend recht tot

terugvordering zijn ontstaan , onjuist en mitsdien zyn verzoek ,

waaraan hoogstens een verjaarde vordering ten grondslag ligt,

niet voor inwilliging vatbaar is.

Adressant verklaart zich by deze beschikking niet te kunnen

nederleggen en roept daarom de tusschenkomst van Uw Kamer

in, opdat hem het hem rechtens toekomende alsnog worde

uitgekeerd.

XI. Een adres van het bestuur van het waterschap Breukelerwaard

en andere besturen van gemeenten en waterschappen

in de provincie Utrecht, gelegen aan de rivier de Vecht, of

aan wateren die daarop uitloozen.

Adressanten wijzen op het bezwaar, dat sedert geruimen tijd

eenige malen per jaar gevoeld wordt door den hoogen stand

van de rivier de Vecht. Zy voeren aan dat de Vecht, een betrekkelyk

kleine boezem, het water van een groot aantal

hectaren moet afvoeren; dat er bovendien ten behoeve van de

waterverversching van de gemeente Utrecht, dagelyks water

wordt ingelaten uit de Lek te Vreeswyk eu uit den Ryn te

Wyk bij Duurstede en dat dit water, voor zooverre het niet

vanzelf door twee stroompjes op de Vecht loopt, door het

openen der Windsluis vanwege de gemeente Utrecht, daarop

wordt geloosd ; dat zulks by lagen Zuiderzeestand geen hinder

veroorzaakt, maar by hooge zeestanden ten gevolge heeft, dat

de dorpen, huizen, warmoeziersgronden eu landerijen langs de

Vecht gelegen, gedeeltelijk onderloopen , iu die mate dat zy


m

"—'— >

20ita VERGADERING.

57. Aanvulling en wijziging van «enige bepalingen der

18 NOVEMBER 1903.

ilitiewet 1901, aangevuld bij de wet van 20 Juni 1902.

geheel in het water staan , waardoor (ie gezondheid der bewoners

ernstig wordt bedreigd en groote schade wordt geleden ; dat

de op de Vecht loo/.ende waterschappen dan niet niet hun

molens en stoomgemalen kunnen werken , terwijl zij alsdan nog

in meerdere mate dan anders last hebben van kwelwater; dat

daardoor zoowel de materieele als hygiënische belangen der

bewoners van de Vechtstreek ten zeerste geschaad worden en dat

dei3 toestand in de laatste jaren zoo is verergerd , dat die thans

onhoudbaar is.

Adressanten roepen de medewerking van de Kamer in opdat

de Vechtstreek uit dezen onthoudbaren toestand verlost worde.

Uw Commissie stelt voor al deze adressen neder te leggen

ter griffie ter inzage van de leden.

XI[. Een adres van de Kamer van koophandel te Winschoten.

Adressante betuigt adhaesie aan het adres van 15 September

1903 van de Vereeniging ter bevordering van de verbetering

zoowel van de haven te Delfzijl, als van de waterwegen naar

Groningen, in het bijzonder van het Eemskanaal en van het

kanaal Groningen—de Lemmer, met de daarbij gevoegde ontwerpen

en de begeleidende brochure van den heer M.G.Schilthuis.

De Kamer van koophandel oordeelt het met die vereeniging

een verblijdend feit, dat de hand is geslagen aan een verbetering

van de haven te Delfzijl, maar acht het ook met haar een eisch,

een noodzakelijkheid om dien ingeslagen weg te volgen.

Waar die zoo gunstig gelegen haven de concurrentie moet

aanvaarden met Émden, aan hetzelfde water gelegen , maar

bovendien gesteund door bet grootere en machtige Duitsche Rijk,

daar ligt het naar de meening van de Kamer van koophandel

voor de hand , dat van Rijkswege meer en meer moet worden

getracht om af- en aanvoer in Delfzijl te vergemakkelijken, om

de handelsbevveging in die haven te steunen.

Waar de becijfering der deskundigen van de kosten der gevraagde

verbeteringen betrekkelijk laag mogen worden genoemd

tegenover het groote belang dat ons vaderland heeft bij een

zoo gunstig gelegen zeehaven , beveelt de Kamer van koophandel

dringend de voorgestelde verbeteringen aan.

Onder opmerking dat het adres, waaraan de Kamer van koophandel

adhaesie betuigt, niet bij de Tweede Kamer is ingekomen ,

stelt uw Commissie voor het adres neder te leggen ter griffie

ter inzage voor de leden.

XIII. Een adres van het hoofdbestuur van de Vereeniging

van leeraren aan inrichtingen van middelbaar onderwijs.

Adressant geeft te kennen , dat in de algemeene vergadering

der vereeniging, gehouden den 20sten Augustus 1903 te Dordrecht,

het Koninklijk besluit van 5 Augustus 1903 , waardoor

de leeraar aan de Rijkslandbouwscbool S. Lindeman uit zijn

betrekking ontslagen werd, ter sprake is gekomen ; dat op die

algemeene vergadering gebleken is, hoezeer onder de leeraren

van het middel naar onderwijs, ten gevolge van genoemd Koninklijk

besluit, het gevoel van rechtsonzekerheid is toegenomen;

dat in genoemde algemeene vergadering een motie is aangenomen

die adressant bij zijn adres voegt; dat het hoofdbestuur de Kamer

dringend verzoekt er toe te willen medewerken dat een wettelijke

regeling van de rechtspositie der ambtenaren zoo spoedig mogelijk

tot stand worde gebracht.

Uw Commissie stelt voor dit adres neder te leggen ter griffie

ter inzage voor de leden.

XIV. Een adres van Johannes van den Hoven , arbeider te

Drunen.

Adressant meent dat de burgemeester van Drunen in het jaar

1894 een onjuist proces-verbaal heeft opgemaakt en wenscht

dat er nu proces-verbaal tegen dien burgemeester zal worden

opgemaakt.

Uw Commissie stelt voor ten aanzien van dit adres over te

gaan tot de orde van den dag.

De Kamer vereenigt zich achtereenvolgens met de voorgestelde

conclusiën.

De fOOnltter deelt mede, dat door de afdeelingen benoemd

zijn tot rapporteurs over wetsontwerpen:

regeling van de ontvangsten en uitgaven van het Pensioenfonds

voor weduwen en weezen van burgerlijke ambtenaren,

voor liet jaar 1904 (95);

wijziging van de hoofdstukken II en VII/< der Staatsbegrooting

voor 1902 en verhooging van hoofdstuk VII ö der Staatsbegrooting

voor 1903 (89);

wyziging van hoofdstuk IV der Staatsbegrooting voor 1902 («8);

naturalisatie van N. D. J. Voss e. a. (81), en

toekenning van een renteloos voorschot voor den aanleg van

een spoorweg van Neede naar Hellendoorn (94),

de heeren van Nispen tot Sevenaer, Dolk, lloessingh

(voorzitter), van Veen en Verhey ;

bekrachtiging van provinciale belastingen (87);

bekrachtiging van provinciale heffingen in Zuidholland {72);

wijziging van hoofdstuk V der Staatsbegrooting voor 1902 (73);

verhooging en wijziging van hoofdstuk V der Staatsbegrooting

1903 (SB);

vaststelling van de begrooting der Algemeene Landsdrukkerij

voor 1904 (1(10);

verhooging van de begrootingen der Algemeene Landsdrukkerij

voor het dienstjaar 1902 en 1903 (74) en (09),

de heeren lirummelkamp, Drucker, Kolkman, ter Laan

en van Bylandt (voorzitter);

nadere wijziging van hoofdstuk VIII der Staatsbegrootiiijj

voor 1902 (84);

nadere wijziging en verhooging van hoofdstuk VIII der Staatsbegrooting

voor 1903 (80);

nadere aanvulling en verhooging van hoofdstuk VIII der

Staatsbegrooting voor 1903 (88),

de heeren Büleveld, Tydeman (voorzitter), Smidt, Pompe

van Meerdervoort en Melchers:

vaststelling van de begrooting van Suriname voor 1904 (80);

vaststelling der begrooting van Curacao voor 1904 (85);

wijziging en verhooging der begrooting van Curacao en verhoogiug

van hoofdstuk X der Staatsbegrooting voor 1002 (98);

bekrachtiging van een door den Gouverneur-Generaal boven

de Indische begrooting voor 1901 geopend krediet (91),

de heeren van Limburg Stiruoa, Cieiner (voorzitter),

Fock, Janssen en Pynacker Hordijk.

De beraadslaging over onderarl. 110 van het wetsontwerp lot

aanrulling en wijziging van eenige bepalingen dar Mililieuel wordt

voortgezet.

De heer Bergaiisius, Minister van Oorlog'. Mijnheer de Voorzitter!

Naar aanleiding van hetgeen door de heeren van Kaalte

en van Idsinga in het midden is gebracht, wensch ik in de

eerste plaats voorop te stellen , dat ik my niet zal begeven in

een diepzinnige beschouwing over de quaestie, of de Grondwet

al dan niet toelaat dat dit artikel in deze wet wordt neergeschreven.

Het heeft mij intusschen verheugd , dat die twijfel

in geen geval van dien aard is, dat er een voorstel in tegenovergestelden

zin is gedaan door den hter van Raalte, terwijl

de heer van Idsinga betoogd heeft, dat het niet alleen mag ,

maar, als ik hem goed begrepen heb, dat het vooreen dergelijk

geval zelfs bepaald moet worden voorgeschreven.

Zooals uit de gewisselde stukken blijkt, beeft de tegenwoordige

Regeering zich gedragen naar hetgeen in dit opzicht is

medegedeeld bij de behandeling der Militiewet, waar o. a. in

de Memorie van Antwoord, stuk 95 van de Zitting 1899—1900.

n". 3 op bladz. 17 de verklaring wordt afgelegd, dat de toen-


:m

20ste VERGADERING. — 18 NOVEMBER 1903.

47. Aanvulling eo wijziging van eenige bepalingen dar Militiewet 1901, aangevuld bij de wet van 20 Juni 1902.

malige Segtering zich op het standpunt geplaatst had , dat in

art. 12 t, tiians 110, andere omstandigheden waren hedoeld dan

die welke in art. 185 van de Grondwet zijn neergeschreven,

welk artikel meer bepaald betrekking heeft op '• lands defensie

of op omstandigheden van internationalen aard.

Ditzelfde standpunt is bovendien reeds vroeger ingenomen.

By de behandeling van het ontwerp van wet van 1891, waarin

een soortgelijk artikel voorkomt, is hetzelfde motief gebruikt.

Nu vooropstellende , dat er geen grondwettig bezwaar tegen

kan bestaan om het artikel, gelijk het thans luidt, in de wet neer

te schrn'ven, doet zich de vraag voorin hoever de laatste zinsnede

daarvan al dan niet zou behooren te worden gewijzigd. Het heeft

my genoegen gedaan, dat de geachte afgevaardigde uit Rotterdam

in elk geval ingenomen is met de laatste wijziging, door de i

Regeering daarin aangebracht, een wijziging van eenige beteekenis,

aangezien vroeger eerst een wetsontwerp moest worden ingediend

nadat de dienstplichtigen 6 weken onder de wapenen waren ,

terwn'1 dan nog niet eens vaststond, dat het den dag volgend op dien

termijn moest geschieden. Waar er dan vroeger drie periodes bestonden

, is dit nu vervallen en bepaald, dat het bedoelde wetsontwerp

binnen 6 weken de Kamer zal moeten bereiken. Nu zou de

geachte afgevaardigde wenschen in de plaats daarvan te lezen

„onverwijld", en liy heeft een redactiewijziging in overweging

gegeven die daarmede verband houdt.

Ik blyf te dezen opzichte bij hetgeen iu de stukken is geze

gd, Mijnheer de Voorzitter! Dat „onverwijld" heeft voor

iny iets onbestemds, en ik geef de voorkeur aan de bepaling,

die thans is neergeschreven , namelijk .binnen de zes weken."

Datzelfde woord .onverwijld" heeft — het is der Kamer bekend

— reeds eerder een onderwerp van bespreking uitgemaakt.

Daarby is telkens gebleken, dat zich moeilijkheden konden

voordoen, vooral onder de omstandigheden, hier bedoeld. Het

g6Tal laat zich toch denken, dat het niet wenschelyk zou zijn

een ontwerp als dit enkele dagen na de oproeping in te dienen. [

Ik kan mij omstandigheden voorstellen die het verkieslijk ;

maken dit eerst te doen, by'v. nadat de manschappen vier weken

onder de wapenen zijn, en de toestand zoodanig is geworden ,

dat daarover veilig en zonder bezwaar een discussie kan wor- I

den gevoerd.

In dit verband kan ik geen vrijheid vinden om de wijziging, i

door den geachten afgevaardigde aanbevolen, over te nemen, en

ik vertrouw, dat de Kamer bet voorstel, zooals het nu luidt, '

zal willen goedkeuren , behoudens dat tegen de redactie-\vijzigingi

door den heer vnu Idsinga aan de hand gedaan, bij my

geen bezwaar bestaat.

Het is op dien grond, dat ik de eer heb het laatste gedeelte !

van de derde zinsnede van het artikel aldus te wijzigen: „wordt

dooi Ons een voorstel aan de Staten-Generaal gedaan , om het

onder de wapenen blijven van die ingelijfden , zooveel noodig,

by de wet te bepalen".

Hiermede meen ik, ook na hetgeen in de stukke.) ie gezegd,

te kunnen volstaan.

De Voorzitter: Door de Regeering wordt een wijziging gebracht

in haar voorst'1 tot wijziging van art. 110 en wel iu het

derde lid, waar achter het woord „wordt" worden ingelascht

de woorden „door Ons" en achter het woord „noodig" de

woorden „ bij de wet", terwijl in den derden regel vervallen de

woorden „ van wet".

De heer van Kaalte: Wanneer de geachte spreker, de heer

van Idsinga, thuiskomende, nog eens wil nalezen wat Buys

over art. 185 van de Grondwet zegt, dan zal hy bevinden dat

niet hy , maar ik de opinie van Buys zelf heb wedergegeven.

Wat de heer van Idsinga kortely'k heeft aangevoerd, is de

tegenovergestelde meening, die de heer Buys juist bestry'dt.

Wanneer de heer van Idsinga dus zegt, dat in art. 185 van de

Grondwet ligt een waarborg voor de Regeering, dan kan hy zich,

dunkt mij, niet beroepen op Buys, die niet voor de Regeering.

maar voor het Nederlandsche volk een waarborg in dat artikel

gelegen acht. Het geldt hier een van die onderwerpen waarby

de Kroon niet volgens de volheid naar haar eigen macht handelt,

maar waarby de medewerking van de Volksvertegenwoordiging

noodzakelijk vereischte is.

Dat is liet constitutioneel belang, dat hierbij betrokken is en

my in deze quaestie belang doet stellen. Het betreft dunkt my

hier de rechten van de Vertegenwoordiging. En nu mogen anderen

zich een geheel andere voorstelling maken van den geest van

ons staatsrecht te dien opzichte, dat neemt niet weg , dat wy

aan deze zyde , wanneer daartoe aanleiding bestaat, gely'k in

den bloeityd van de liberale politiek steeds het geval is geweest,

aan wat als een der grondbeginselen onzer Constitutie te beschouweu

is moeten blijven hechten.

De Regeering harerzyds heeft nog eens herhaald wat vroeger

door baar en haar voorgangster gezegd is, , nanielyk dat

art. 185 der Grondwet andere buitengewone omstandigheden

op het oog heeft dan art. 110 der Militiewet, maar daarvoor

geen nieuwe argumenten aangevoerd. De Minister van Oorlog

beeft feitelyk niets anders gedaan dan zich gerefereerd aan

vroegere verklaringen der Regeeringen en onthield zich van

nadere motiveering daarvan. Maar ik erken met genoegen, dat

de Regeering een belangrijke wyzigiug heeft gebracht by het

stuk n°. 9, zoodat het belang van de vraag of het oude art. 110

in overeenstemming was met de Grondwet, thans van geringer

beteekenis is geworden Ik ben dan ook, hoezeer nog niet bevredigd,

toch wel eenigermate voldaan. Maar nu zou ik nog

een stap verder willen gaan en „ binnen G weken" willen vervangen

door „onverwijld". In de eerste plaats op grond dat,

zoo wy aannemen dat twyfel kan bestaan over de vraag of wat

wij hier regelen niet reeds geregeld is door de Grondwet zelf,

het in ieder geval aanbeveling verdient dezelfde terminologie

te volgen als in de Grondwet gevonden wordt.

En in de tweede plaats, omdat op de/.e wyze de bedoeling

van het grondwettelijk voorschrift ook iu de Militiewet beter

tot haar recht komt.

Nu geeft de Minister — afgescheiden van de grondwettelijke

quaestie — toch aan „binnen 6 weken" de voorkeur boven

„onverwyld". Naar de redenen die de Minister daarby deed

gelden stellen juist duidelijk in het licht, dat er inderdaad verschil

is tusschen beide uitdrukkingen en dat „ onverwyld " minder

ruimte laat voor afwachten en uitstellen , dan de redactie der

Regeering.

Nu de Regeering dan ook geen aanleiding heeft gevonden uit

eigen beweging wyziging iu haar voorstel te brengen , wensch

ik thans als amendement voor te stellen — en ik doe dat mede

namens de heeren Williuge en van Styrum — om in den aanhef

van de 3de alinea van dit art. 110 in plaats van de woorden:

„binnen 6 weken nadat" te lezen: „wanneer" en in den 3den regel

van die zinsnede tusschen de woorden: „wordt" en „een voorstel"

in te voegen: „onverwijld".

De Voorzitter: Door de heeren vau Raalte, Willinge en

van Styrum wordt voorgesteld om in de 3de zinsnede van art.

110 iu plaats van „ biunen zes weken nadat" te lezen : „wauneer"

en in den derden regel tusschen de woorden „wordt" en,een

voorstel" in te voegen: „onverwijld''.

Het amendtment wordt ondersteund door de heeren ter Laan

en Drucker, en maakt derhalve een onderwerp van beraadslaging

uit.

De heer de Savoriiin Loliman: Mijnheer de Voorzitter! Ik

geloof dat hier eigenlijk gezegd verschil over de opvatting van

de Grondwet niet bestaat. Naar miju meening behoeft men niet

te komen in de quaestie wat bedoeld wordt in art. 185 met die

buitengewone omstandigheden , nu de Minister van Oorlog dit

artikel zoo geredigeerd heeft als hij' gedaan heeft. Ik voor mij

geloof ook dat er meer voor te zeggen ia dat „buitengewone

omstandigheden " in de Grondwet, alle omstandigheden, ook deze

omstandigheden, omvatten. Maar hoe men dit ook beschouwe,

my dunkt, nu de zaak geredigeerd is zooals de Regeeriug geuaan

heeft, hebben wy over die quaestie niet heel veel woorden meer

te verspillen. Uit heeft trouweus de heer van Raalte ook zelf

gezegd. Ik stel mij dus eenigermate , zonder op dit punt nog

een vaste opinie te hebben , op het standpunt van den heer van

Raalte en meen dat wy ons hier moeten houden aan art. 185. Maar

dan komt het my ook voor, dat deze redactie met de Grondwet

wel is in overeenstemming en inderdaad beter dan hetgeen de

heer van Raalte daarvoor in de plaats wil stellen , omdat naar

myn nieening het woordje „onverwijld' volstrekt niet heeft die


334

f>~.

BOtU VERGADERING. — 18 NOVEMBER 1903.

Aanvulling en wijziging van eenige bepalingen der Militiewet 1901, aangevuld by de wet van 20 Juni 1902.

beteekenis die de lieer van Kaalte dlUUO geeft. Die geachte

spreker heelt zelf' opgemerkt dut er oorspronkelijk gestaan heeft

te gelyker tijd, maar dat men jni.st dat woord niet heeft willen

behouden en .onverwijld" daarvoor in de plaats gesteld. Dat heeft

men, zegt hij, gedaan omdat te gelijker tijd niet juist is; doch

nu legt hij in dat woordje .onverwijld" eveneens de beteekenis

van terstond, onmiddellijk. Maar dan had men .te gelijker tyd' -

kunnen laten staan en dan was dat het woord dat men noodig

had. Doch .onverwijld" duidt niet aan een bepaald tijdstip,

maar alleen zeer spoedig, in verband met de omstandigheden.

De geachte afgevaardigde heeft in zijn eerste rede te recht

gezegd, dat .onverwijld" beteekenen zoude • ,zoo spoedig als

het kan".

Wanneer ik zeg: wy moeten onverwijld tot grondwetsherziening

overgaan, wil dat niet zeggen, dat men daarmede van daag of

morgen beginnen moet, maar moet meu dit in verband beschouwen

met hetgeen met de zaak beoogd wordt. Zoo beteekent

.onverwijld": zeer spoedig, maar in verband metde omstandiglieden.

Een omstandigheid waarmede te rekenen valt, is o. a. dat

de Raad van State er in gekend moet worden, zoodat de termijn

van 6 weken zelfs eenigermate valt buiten de macht van de

Regeering, omdat de Raad van State het ontwerp G weken kan

laten liggen; wy - moeten natuurlijk aannemen dat zulk een hoog

college dit niet doen zal; maar wanneer een handeling afhankelijk

is van de medewerking van andere personen, kan het woord

„onverwijld" nooit de beteekenis hebben van by'v. binnen een

of twee dagen.

Door het woord .onverwyld" is in. i. de Regeering niet minder,

maar meer gebonden. Dit is het bezwaar dat ik heb tegen het

amendement van den heer van Raalte.

Die geachte afgevaardigde meent als liberaal natuurlijk te

moeten opkomen voor de constitutioneele rechten des volks,

en herinnert er aan dat die rechten bij hem en de zijnen zoo

bijzonder goed gewaarborgd zijn

Ik laat op dit oogenblik de historische juistheid van die bewering

nu maar liever in het midden , ik zal daarover thans

niet spreken. Maar ik merk nu alleen op , dat men met het

woord .onverwijld" nog al spelen kan. Als de Regeering de

meerderheid op haar hand heeft, zal de Kamer allicht zeggen:

.onverwijld" beteekent: als het der Regeering goeddunkt. Dan

is het altijd vroeg genoeg

Ik geloof daarom dat het beter is een bepaalden termijn te

stellen.

Zes weken is wel wat lang : maar er staat dan ook : binnen

zes weken ; de Regeering zal altijd in het oog te houden hebben

het woord .onverwijld," in de Grondwet en dus het voorstel

zoo spoedig mogelijk doen. Doch men behoort toch ook een

eindtermyn te stellen, zoodat de redactie van de Regeering

beter zorgt voor de constitutioneele rechten der burgers dan

die van den heer Kaalte.

Nu kan men zeggen : de Grondwet heeft nu eenmaal het

woord .onverwijld" voorgeschreven ; wij mogen daarvan niet

afwijken. Dit hebben wij echter meermalen gedaan ; meermalen

hebben wij bij het maken eener wet ter uitvoering der Grondwet

niet de woorden der Grondwet overgenomen , of heeft de

wetgever daaraan een bepaalde beteekenis gegeven. Een nadere

uitlegging by de wet acht ik niet ongeoorloofd, als maar gezorgd

wordt dat de bedoeling der Grondwet in het oog gehouden

wordt eu de Regeering dus geen grooter bevoegdheden

kry'gt dan de Grondwet bedoelt. Ik whs ook op hetgeen gebeurd

is niet de wet tot uitvoering van art. 187 der Grondwet. Daarbij

is men veel verder gegaan dan de Grondwet zegt en heeft men

zich volstrekt niet gehouden aan de woorden der Grondwet.

Ten aanzien van de quaestie of de oproeping van het leger

afhankelijk gemaakt moet worden van de medewerking der

Staten-Geutraal, is men met het toekennen van bevoegdheden

aan de Staten-Generaal veel verder gegaan dan de woorden

der Grondwet zelf toelaten. Wanneer wy dus hier handelen

zooals de Regeering voorstelt, geloof ik dat wij zeer zeker op

grondwettig standpunt staan.

Het komt mij voor dat de zaak thans juist geregeld is en

goed loopt. Binnen G weken , als uiterste termijn, moeten de

Staten-Generaal in de gelegenheid gesteld worden bij wet te

bepalen of deze personen onder de wapenen/.uilen blijveu of niet.

Het spreekt vanzelf dat, wanneer zoodanige wet niet tot

stand komt, de troepen onmiddelijk naar huis gezonden moeten

worden; anders zou de bepaling van art. 185 geen zin hebben.

De beteekenis kan geen andere zyn dan deze: in tien regel

dienen de burgers alleen krachtens de wet. De wet bepaalt in

het algemeen regels, volgens welke zy mogen worden opgeroepen

om te dienen ; maar er zijn omstandigheden, dat men

buiten die wettelijke regeling moet gaan , maar in dat geval

wordt de Regeering na korten tyd, gebonden aan de medewerking

der Staten-Generaal.

Wanneer de wet niet tot stand komt, wanneer de wet verworpen

wordt, wanneer men het dus niet eens kan worden

over den termyn , dan gaan de soldaten naar buis en de buitengewone

bevoegdheid van de Regeering loopt af. Zooals de zaak

nu geregeld is, is zy dus goed geregeld. Ik weet echter niefc

of de zooeven gewijzigde redactie van de Regeering geheel en

al juist is, maar dat wensch ik over te laten aan den Minister

en aan de Commissie van Rapporteurs, die de zaak wel nauwkeurig

zullen hebben nagegaan.

De heer van Idsinga: Mijnheer de Voorzitter! Na hetgeen

i door den geachten afgevaardigde uit Goes gezegd is, kan ik

kort zyn.

Ik wensch alleen te zeggen dat het woord .onverwyld" alleen

te pas komt, volgens den uitleg dien ik gegeven heb van art.

185 van Grondwet, indien de wet zou moeten worden ingediend

I na een bepaalden termijn in de wet genoemd. De Regeering

wil echter dat volgeus de gewone wet, de wet (in art. 185

Grondwet aangeduid) reeds binnen den wettelijk bepaalden

| termyn moet worden ingediend, en daarom is het niet noodig

I om te spreken van .onverwyld''. Het tijdstip waarop de Grondj

wet met dat .onverwijld" doelt, zal zich hier niet voordoen.

De geachte afgevaardigde is niet ingegaan op mijn betoog en

heeft alleen gesproken over hetgeen professor Buys heeft gezegd.

Professor Buys zou in dat gedeelte, dat door den geachten afgevaardigde

is voorgelezen een andere opinie verdedigd hebben dan

de mijne is en die ik terugvond in bet voorgaande. In zeker

opzicht heeft de geachte afgevaardigde gelijk, maar ik heb er

ook op gewezen dat professor Buys zich zelf niet gelyk is

gebleven. Hy heeft, zooals ik gezegd heb, precies hetzelfde gedaan

wat hij verwy't aan de Regeering en aan de Kamer, nl. dat

zij eigenlyk de zaak niet goed zouden hebbeu voorgesteld.

De geachte afgevaardigde beweerde dat de woorden, die ik

aangehaald heb van professor Buys, eigenlyk de verklaring

waren van het gevoelen dat juist door professor Buys wa3

bestreden. Ik meen dat de woorden van professor Buys, die ik

voorgelezen heb, wel degelijk zyn meening weergeven en dat

die meening tot de conclusie leiden moet, die ik getrokken

heb. Om dit duidelijk te maken , zal ik voorlezen wat professor

I Buys heeft gezegd. Hij schreef: , Ik betwijfel intusschen of de

| Regeering in hare Memorie eu de Kamer in haar Verslag de

i strekking van dit grondwetsartikel wel volkomen juist waar-

I deeren." Dan gaat hij over tot het neerschrijven van de volgende

; onderstelling: .Wanneer hei inderdaad niets anders bedoelde

', dan aan de dienstplichtigen nog eeuigen meerderen waarborg

j te geven," en hij laat er op volgen: . dan zou er voor het

I art. 185 geen motief zyn."

De geachte afgevaardigde ziet ook in het grondwetsartikel

I dat het bedoelt dien meerderen waarborg te geven , dus neemt

| hy de onderstelling als waar aan , die de heer Buys juist in

: de volgende bewoordingen weerlegt: .Acht", zoo zegt de professor,

,de grondwetgever de belangen van de dienstplichtigen

veilig in handen van de gewone Volksvertegenwoordiging,

zonder welker instemming geen dienstplicht kan worden opgelegd,

en stelt hy om die reden de artt. 181 —183 ter zyde,

welk denkbaar motief kan er dan zijn om voor art. 184 eene uitzondering

te maken", enz.

Derhalve prof. Buys heeft in deze woorden juist de klem

hierop willen leggen, dat de meerdere waarborgen, die de

geachte afgevaardigde uit Rotterdam daarin ziet, niet de bedoeling

van het artikel kunnen zyn; en daarop heb ik de aaudacht

van den geachten afgevaardigde willen vestigen. In de

volgende zinsneden heeft de hoogleeraar daarop de zaak over

een anderen boeg gegooid en daartegen ben ik opgekomen.

Ik heb aan de eerste woorden van prof. Buys vastgehouden.


M 93. 355 Tweede Kamen

20tt« VERGADERING. - 18 NOVEMBER 1903.

67. Aanvulling en wijziging van eenige bepalingen dw Militiewet 1901 , aangevuld bij de wet van ÜU Juni 1902.

omdat ik daarin een vingerwijzing /.ie naar de beteekenis van

het artikel, dat niet strekt om meerdere waarborgen te geven

aan de dienstplichtigen, maar wel om vast te stellen de bevoegdlieid

der Kroon oni in alle gevallen waarin /ij dat noodig

acht troepen byeen te roepen, onder de voorwaarde dat in zoodanig

geval onverwijld een wetsontwerp wordt ingediend. Dit

is het zwaartepunt en de beteekenis van het grondwetsartikel.

Hier echter regelt de gewone wet de oproeping en is dus de

bevoegdheid , die de Regeeriug zal krijgen , een b 'voegdheid

gegrond in de gewone wet; en nu wil de Regeeriug met die

bevoegdheid te gelijk een dergelijken waarborg geven als inde

Grondwet staat; dit is meer dan de Gronwet eiseht Maar dat

doende is /.ij volstrekt niet verplicht om de uitdrukking van

de Grondwet over te nemen ; /,y kan eiken termijn in de wet

stellen, dien de gewone wetgever wil goedkeuren. De Regeering

heeft 6 weken voorgesteld, om te bepalen dat binnen dien termy'n

een wet moet worden ingediend als bedoeld is in art. 18'> Grondwet;

zy geeft dus meer dan volgens dat grondwetsartikel haar

plicht is.

De heer Heemskerk , rooniller der Commissie MM Rtpporlturt '

het woord verkregen hebbende , om, namens deze, haar gevoelen

over de Regeeringswijziging en het amendement mede te deeleu ,

zegt: De Commissie van Rapporteurs heeft geen bezwaar tegen

de invoeging door de Regeering voorgesteld van de woorden :

„door Ons". Wanneer bepaald wordt, dat een voorstel moet

worden gedaan om de militie zooveel noodig onder de wapenen

te doen blijven, dan is het duidelijk dat zoodanig voorstel moet

worden gedaan door de Kroon.

Maar ten aanzien van de andere aangebrachte wijziging,

twijfelt de Commissie of'de oorspronkelijke redactie niet beter was.

De woorden: „van wet" zullen worden weggelaten, maar

achter „zooveel noodig'" zal ingevoegd worden : „bij de wet".

Er zal dus een voorstel moeten worden gedaan , maar dit voorstel

kan niet anders zy'n dan een voorstel van wet, en zoodra een

voorstel van wet wordt gedaan om iets te bepalen , geschiedt

die bepaling by' de wet.

De Commissie gelooft dus dat de oorspronkelijke redactie de

voorkeur verdient, zoodat het noodzakelijk is om gevolg te

geven aan den wensch van den geachten afgevaardigde uit

Bodegraven

Wat aangaat het amendement van den geachten afgevaardigde

uit Rotterdam , heb ik de eer mede te deelen , dat de meerderheid

der Commissie daar tegen is.

Ik zou er prijs op stellen even aan te geven waarop die

meening van de meerderheid van de Commissie berust. Ik ben

het geheel eens met den geachten afgevaardigde uit Goes, dat

het woord „onverwijld ", volkomen de gelegenheid laat om dit

als het ware te limiteeren tot „binnen 6 weken ". De geachte

afgevaardigde uit Rotterdam heeft zelf' overtuigend aangetoond

dat „onverwy'ld'" in dit geval niet beteekenf „te gelijkertijd",

maar een zekere ruimte laat. Die ruimte uu kan men korter of

langer stellen: men kan haar limiteeren tot binneu 6 weken De opmerking

van den geachten afgevaardigde uit Goes, dat ook de

Raad van State nog eenige tyd zal noodig hebben om het wetsontwerp

te overwegen, duidt genoegzaam aan dat de limiet

binnen 0 weken volstrekt geen overdreven ruimte laat aan de

Regeering.

Maar dit is voor my nog niet de hoofdzaak waarom ik tegen

het amendement ben. Ik kan namelijk niet toestemmen dat wy

hier te doen hebben met een toepassing van art. 185 van de

Grondwet Hoe meer ik de zaak naga in het licht van de hier

gevoerde beschouwingen, des te meer geloof ik dat de Kamer

zich moet hoeden voor de gedachte , dat wij hier te doen zonden

hebben met de uitvoering van art. 185 van de Grondwet. Buiten

de zeer interessante beschouwingen daaromtrent door den geachten

afgevaardigde uit Bodegraven geleverd , dient men in het

oog te houden dat art. 185 van de Grondwet spreekt van

„geval van oorlog, oorlogsgevaar of van andere buitengewone

omstandigheden". Nu zal men dit grondwetsartikel gaan uitvoereu

by art. 110 van de Militiewet. Dan zou men verwachten

dat dit artikel zou beginnen met: „wanneer in geval van oorlog,

oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden". Maar

neen! men spreekt in art HO aldus: „Wanneer tot handhaving

of tot herstel van openbare orde of rii9t tot uitvoering van wet •

Handelingen der Staten-Generaal. — 1903—1904. — II.

telyke voorschriften of om andere overwegende redenen noodig

i-".'' Dat is nu toch al een zeer zonderlinge wijze om een groi.dwetsartikel

uit te voeren, dat begint met de zoo gewichtige

omstandigheid van oorlog of oorlogsgevaar.

Art. llÓ van de Militiewet weet het beter dan de Grondwet

en keert het om. Het begint met handhaving of herstel van de

openbare rust of orde en herinnert zich dan ineens, dat er ook

wel eens kan zy'n oorlog of' oorlogsgevaar, maar dit is zeker te

akelig om van te spreken en wordt dan maar eenvoudig gebracht

onder de andere overwegende redenen. Het is niet te denken,

dat de wetgever op die wy'/.e uitvoering zou hebben willen geven

aan art. 185 van de Grondwet; dat dit artikel zy'n toepassing

zou moeten vinden op de wijze en volgens de regelen gesteld

in art. 110 van de Militiewet. Het is daarom ook niet denkbaar,

omdat art. 110 voor bet geval van oorlog of oorlogsgevaar, de

Regeering veel te veel aan banden zou leggen , met al de byzonderheden

vermeld in de eerste eu tweede alinea. Dan moet met

toepassing van art. 185 van de Grondwet ieder voor de militie

worden opgeroepen die de Regeeriug noodig beeft. Dan wendt

de Regeering zich tot de Staten-Generaal, die dan gelegenheid

heeft om zoo noodig ingrijpend op te treden.

Men heeft dus bier een speciale regeling die strekt niet tot

uitvoering van art. 185 van de Grondwet.

Ik vind daarvoor nog steun in eenige andere woorden van

art. 185. Daarin lees ik toch: „Wanneer in geval van oorlog,

oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden , de dienstplichtigen,

die niet in werkelijke* dienst zy'n door den Koning

geheel of ten deele buitengewoon onder de wapenen worden geroepen",

enz.

Zy'n dit nu de dienstplichtigen , die na een zekere oefening

te hebben gemaakt naar huis gaan? Ik weet het niet. De Grondwet

stelt verder geen regelen omtrent hetgeen in de Militiewet

moet staan, en de woorden in art. 185 kunnen dus moeilyk

de technische beteekenis hebben, die zy' hebben volgens een

eventueel vast te stellen Militiewet, waarop zy niet konden

terugkeeren. Zy' zyu eenvoudig zoo gekozen om aan de Regeering

in die buitengewone omstandigheden een groote ruimte te

laten, terwyl de zaak in art. 110 der Militiewet voor de daar

bepaalde gevallen zeer nauwkeurig wordt omschreven.

Eindelijk staat in art. 185 van de Grondwet, dat het onder

de wapenen blyven van de dienstplichtigen zonreet noodig moet

worden bepaald by een wet, die zal moeten ingediend aan de

Staten-Generaal. Maar voor gevallen , waarvoor de Militiewet

reeds zekere bevoegdheid geeft aan de Regeering , is het niet

noodig, dat nog eens een wetsvoorstel wordt ingediend

Zoo kom ik tot een conclusie, die niet ver af'wy'kt van die

van den geachten afgevaardigde uit Bodegraven, dat, ook

als men zou meeneu , dat de uitdrukking „binnen zes weken"

in strijd zou zy'n met de uitdrukking „onverwijld", de wetgever

volkomen het recht heeft aan de Regeering de gelegenheid te

laten zes weken te laten verloopen van af' het oogenblik , dat

zy de miliciens heeft opgeroepen tot het oogenblik waarop een

wetsvoorstel wor.it ingediend.

Ik geloof', dat er geen enkel constitutioneel motief is om

het amendement van den heer van Raalte aan te nemen, en

het integendeel voor de Kamer zeer geraden is over deze zaak

geeu votum uit te brengen, dat op haar den schijn zou leggen,

alsof' zy' oordeelde, dat art. 110 der Militiewet strekt tot uitvoering

van art. 185 der Grondwet. De Kamer zou m. i. goed

goed doen dit vraagstuk nog eens nauwkeurig en afzonderlijk

te overwegen. Ik adviseer daarom vrijmoedig met de meerderheid

der Commissie van Rapporteurs tot verwerping van het

amendement.

Nog zou ik gaarne het volgende opmerken.

De eisch van het doen van een voorstel vau wet aan de

Staten-Generaal is zeer goed om aan de Volksvertegenwoordiging

de gelegenheid te geven tegen mogelyke willekeur van

de Regeering te waken, maar niettemin is m.i. de Regeering

by aanneming van een artikel als dit volkomen bevoegd, om,

als er onrust is, de miliciens op te roepen. Mochten dan ook

later de Staten-Generaal weigeren dit langer onder de wapenen

blyven goed te keuren, dau zal nooit kunnen worden beweerd,

dat de miliciens onbevoegdely'k zy'n opgeroepen, en nooit zat

het mogelijk zy'n. dat de deswege gedane uitgaven niet worden

gevoteerd. De Staten-Generaal zuilen het in hun macht heb-


m

90su VERGADERING. — 18 NOVEMBER 1903.

j*. Aanvulling en wijziging van eenige bepalingen d**i* Militiewet 1901 , aangevuld bij de wet van '20 Juni 1902.

ben in te grijpen, en eeu einde te maken aan het verblijf onder

de wapenen «Ier milicien», maar zij mllen oimmer tot de oon*

clusie kunnen komen, dat dit oproepen en onder de wapenen

houden is geweest een onrechtmatige daad,

De heer van Kaalte: Mijnheer de Voorzitter! Ik zal niet in

den breede ingaan op hetgeen zooeven door den geochten voorzitter

van de Commissie van Rapporteur! ia gezegd en mij betot

een zeer enkel woord. Wat die geachte afgevaardigde

Eulen etreft, moge volstaan dese opmerking dat hij, naar ik meen,

het slachtoffer ii van eeu misverstand, [k heb nooit beweerd —

en niemand heeft dit gedaan — dat art. 110 van de Militiewet

1901 zou zijn bedoeld als een uitwerking van art. 185 der Grondwet.

Precies het tegenovergestelde is het geval: de Regeering,

die art. 110 heeft voorgesteld, de Kamer die het aannam en

ook deze Regeering zijn van den aanvang af uitgegaan van het

denkbeeld dut art. 185 der Grondwet op zekere bijzondere oinstandigheden

van internationale politiek betrekking bad en dat

de Grondwet den gewonen wetgever volkomen vrij liet om het

onderwerp dat het hier geldt en dat zy beschouwden als te

beoogen die andere gevallen van art. 185 der Grondwet, te

regelen zoo als hij wilde. Dit is de misvatting van den geachteu

afgevaardigde.

Wat den heer van Idsinga aangaat, ik geloof dat ik het zooeven

tot hem gerichte verzoek nog eens mag herhalen. Het is moeilijk

om stante pede met een exemplaar van Buys voor zich , als het

eeu aanteekening van vier pagina's betreft, nit te maken wat

die gezaghebbende schryver precies heeft bedoeld. Ik geloof dat

het een practische wenk van mij is geweest om deu geochten

spreker aan te raden dit nog eens na te gaan en ik houd het

er voor. dat hij als hij het gedaan heeft tot de conclusie zal

komen dat ik met het door mij aangehaald citaat niet tot zekere

hoogte maar volledig de opinie van Buys heb weergegeven.

Tusschen den geachten afgevaardigde uit Goes en mij bestaat

ten aanzien van het punt in hoofdzaak overeenstemming. Wij

zijn het er over eei s dat wij ten slotte de vraag aldus kunnen

stellen : wat is beter binnen ,6 weken" of .onverwijld". Jk

bluf bij myn gevoelen dat onverwijld beter is , omdat onverwijld

een volkomen duidelyk begrip, binnen (3 weken daarentegen

eenigszius rekbaar is. Het zou kunnen zyn dat men met binnen

6 weken te laat komt, terwyl men met onverwijld terstond zou

hebben moeten ingrijpen.

Maar het zou ook kunnen blijken dat men door .binnen 6

weken" te zeer bindt. Ik geloof dat men „onverwijld" moet

verklaren door : zoo spoedig de omstandigheden het toelaten, en

nu zou het kunnen zijn dat indien de omstandigheden een

spoedige indiening niet toelaten , G weken te beperkt zijn.

Wanneer men in de wet schrijft «binnen ü weken"', verzwakt

men het karakter van aanzetten tot spoed dat ligt in het woord

.onverwijld". Men bedenke wel dat in art. 185 der Grondwet voor

de meest critieke gevallen, die zich in een land kunnen voordoen

, van gevallen door oorlog, oorlogsgevaar of internationale

verwikkelingen , de indiening van het wetsvoorstel onverwyld

wordt voorgeschreven. Waarom zouden wij ditzelfde niet behouden

voor de gevallen waarop wij by dit artikel het

hebben ?

De heer van Idsinga, voor de derde maal het woord gevraagd

en verkregen hebbende, zegt: Mijnheer de Voorzitter! De Commissie

van Rapporteurs heeft tot mijn leedwezen aan de Kamer

ontraden zich te vereenigen met de wyziging door den Minister

op mijn advies voorgesteld en daarom wensch ik te zeggen

waarom ik der Regeering had voorgesteld deze redactiewyziging

in het artikel te brengen. Het is niets anders dan een redactiewüziging;

de bedoeling is dezelfde.

Ik meende, dat, zooals de redactie nu luidt, het den schyn

heeft, dat eigenlyk een wet noodig is om liet onder de wapenen

houden van ingelyfden te bepalen. D.t is echter niet het geval.

Het onder de wapenen blyven van de ingely'fden is reeds

bepaald, het is volkomen gedekt door de autoriteit van de Kroon.

Ik geef er daarom de voorkeur aan, dat de bijwoordelijke

bijvoeging niet gevoegd werd bij het onderwerp, maar bij het

werkwoord: Aiel het bepalen is nood ia.; maar een nieuwe rechtsvorm.

Het is echter volstrekt niet niyn bedoeling geweest de Regeering

in strijd te brengen met de Commissie van Rapporteurs, en

oog

daarom zou ik de Regeering wel in overweging willen geven

zich bü de opinie van de Commissie van Rapporteurs neer te

leggen. Dit vraagstuk behoeft dan niet een punt van verdeeld*

heid en stemming in de Kamer uit te maken.

Den heer van Kaalte dauk ik voor den wenk my gegeven ,

maar ik moet tot mijn leedwezen zeggen , dat hu te laat komt,

want de plaats van Buys, welke ik heb aangehaald, haalde ik

niet stante pede aan. Ik kan die bladzijde wel droomen. Het is

my altijd voorgekomen, dat de professor hier in tweespraak

met zich zelf was.

Waar echter de geachte afgevaardigde meende, dat ik haar

stante pede gelezen zou hebben , moet ik we] onderstellen , dat

dit by hem het geval is geweest en daarom wensch ik zijn

wenk aan hem terug te /enden.

De Voorzitter: Mag ik de Regeeriug vragen, of de wijziging

door haar in alinea 3 van art. 110 aangebracht, thans uitlluitend

zich bepaalt tot het invoegen van de woorden .door Ons''

tusschen de woorden: .worden" en „een voorstel van wet"?

De heer Bergansins, Minister van Oorlog: Mijnheer de Voor-

Bitter! Ik beantwoord uwe vraag omtrent de wijziging thans in

art. 110 gebracht toestemmend. Wat het amendement betreft,

meen ik, ook na al hetgeen daarover reeds is gezegd, geen

nadere verklaring te moeten geveu, waarom de Kegeering blijft

bij hetgeen zy heeft voorgesteld en dus den termijn binnen

zes weken verkiest boven onverwijld.

De beraadslaging wordt gesloten.

£ Het amondemeni wordt met 45 tegen 35 stemmen verworpen.

Tegen hebben gestemd de heeren Schokking, Xolens, Beckers,

Bijleveld , van Veen, de Waal Malelijt, de Savornin Lohman,

Duymaer van Twist, Pompe van Meerdervoort, Krap, Lucasse,

Arts, van de Velde, Michiels van Verduyneu, van den Berch

van Heemstede, Bolsius. van Idsinga, van Wassenaer van

Catwijck, van Karnebeek, Heemskerk, van Nispen tot Sevenaer,

Aalberse , Brummelkamp , van Limburg Stirum , Merckelbach ,

de Vries, van Sasse van Ysselt, Fiiesen, van Wijck, de Visser,

van Asch van Wyek , van Löben Sels, Brants, Janssen, Talma,

Kolkman | Travaglino, van Bylandt, Sluis, van Vlijmen, van

Vliet, Okma, Staalman, van Heemstia en de Voorzitter.

Foor hebben gestemd de heeren van der Zwaag, Willinge ,

ter Laan , Kolting , Smeenge , Roess.ingh , Ketelaar , van Kol,

Cremer, Dolk, Fock, Tydeman, van der Vlugt, Schaper,

Marchant, Hubrecht, Melchers, de Klerk, Pynacker Hordijk,

van Raalte, Smidt, Lieftinck, Röell, Goekoop, Mees, Hennequin

, Bos, ürucker, van Stmiui, de Boer, Zijlma, Helsdingen,

Troelstra, Verhey en van Gyn.

Het laatstelijk geiiijzu/de art. 110 wordt zonder hoofdelijke

stemming aangenomen.

De Voorzitter: Alsnu stel ik aan de orde art 1416/*, als

regelende voor de zeemacht hetzelfde als art. 110 voor de laudmacht,

en ook omdat by het amendement op art. 113 bis van

dat artikel waarschynlyk melding zal moeten worden gemaakt.

In art. 141 bis wordt door de Regeering dezelfde wyziging gebracht

als in art. 110 , namelijk in den derden regel van de derde

alinea wordt gelezen : , wordt door Ons een voorstel van wet".

Onder ar l. 141 bis luidt:

Tusschen de artt. 141 en 142 wordt een nieuw artikel ingevoegd ,

luidende als volgt:

, Art. 141 bis. Wanneer het ter handhaving of tot herstel

van de openbare rust of orde, tot uitvoering van wettelijke

voorschiften of om andere overwegende redenen noodig is, kan

door Ons worden bevolen , dat de ingelyfden by de zeemilitie,

die in werkelijke dienst of met verlof zyn , voor zooveel noodig,

te gelijk of voor een deel, in werkelyke dienst worden gehouden

of geroepen , met dien verstande, dat by gedeeltelijke oproeping,

de oproeping van hen , die tot eene jongere ligting behooren r

steeds aan die der daaropvolgende ligting voorafga.


357

SMkita VERGADERING. — 18 NOVEMHER 1908.

•»J. Aanvulling en wijziging van Mnige bepalingen der Militiewet 1901, aangevuld bij «Ie wet van 20 .Juni 1002.

Binnen IM weker mulat boven bedoelde in «iel ij fden , ingevolge

de bepaliny van «Ie rorige zinsnede in werkelijke dienst zijn

gehouden o£ zijn geroepen, wordt door Ons een roontel van

wet aan de >taten-< ieneraal gedaan , om bet in Werkelijke dienst

blijven van die ing< lijfden zooveel noodig te bepalen."

De heer tor Laan: Mijnheer de Voorzitter! De liegeering

stelt voor om tusschen art. 111 en 142 een nieuwe bepaling,

art. lAlbin , in te voegen. Dit dient ooi de Regeering de maeht

te geven, wnuneer het ter handhaving of tot herstel van de

openbare rust of orde noodig ia, of tot uitvoering van wettelijke

voorschriften, de zeemilitie in dienst te honden of te roepen.

Tot zoover zou men zich daarbij desnoods kunnen neerleggen.

Maar het geldt ook — en daarop vestig ik in het bijzonder de

aandacht — andere overwegende redenen. Ook dan kan worden

bevolen , dat de ingelyfden by de zeemilitie — voor zooveel

noodig — in werkelyken dienst worden gehouden of geroepen.

Hetzelfde wat, voor de landmacht reeds bestaat en nu geamendeerd

opnieuw door de Kamer is aangenomen , wordt nu ook voorgesteld

voor de zeemacht.

In de Memorie van Toelichting was de Minister van Marine

al bijzonder kort en toen hem in het Voorloopig Verslag gevraagd

werd nader mede te deelen waarom dit artikel noodig

was geworden, gaf hy niet meer te kennen , dan dat in sommige

tijden van het jaar de zeemacht noodig kan wezen om de landmacht

by te staan. Het zullen dus politiediensten zijn die door

de zeemilitie zullen worden verricht. Overigens geeft de Minister

geen nadere inlichtingen. Hij zegt ons, dat het noodig kan

zyn ; wij hebben dat uan te nemen. Daarmee uit. Toch voegt

de Minister er nog iets bij — en ik kan niet zegeen dat daardoor

de zaak voor my aannemelijker wordt. Het is voldoende

duidelijk, zegt hij, met het oog op de geschiedenis van 190;},

dat deze bepaling voor de zeemilitie moet worden getroffen.

Ik zal op de geschiedenis vuu üOil niet in bijzonderheden

ingaan, maar wanneer de Minister verklaart, dat het hem daaruit

duidelijk is geworden, dat hij meer beschikking moet hebben

over de zeemilitie, dan wensch ik daartegenover te verklaren, dat

niy uit die gebeurtenissen juist gebleken is, dat de macht der

Regeering zeker in alle opzichten meer dan voldoende genoemd

mag worden. Want dit voorstel komt eenvoudig hierop neer,

dat alweer meer macht wordt gegeven aan Oorlog, in dit

geval aan Marine. Art. 141 dat hieraan vooratgaat, geeft den

Minister van Marine anders nog al eenige bevoegdheid. „In

geval van oorlog", lezen wy in art. 141, „of andere buitengewone

omstandigheden'' — ook al een zeer rekbaar begrip — „kan

de zeemilitie, hetzij geheel, hetzy ten deele, door Ons buitengewoon

worden bijeengeroepen". De bevoegdheid van den Minister van

Marine is daarmede voldoend geregeld.

Zoowel de bepalingen, waaronder de zeemacht dient, als die

welke voor de landmacht gelden, zijn in de laatste jaren langzaam

en stelmatig verzwaard. We zijn op het hellend vlak en

glydeu helaas maar al te vlug. Wy herinneren ons allen den

tyd, dat de zeemilitie niet langer diende dan enkele maanden

en dat dit de eenige dienst was, en dat hy voldoende geacht

werd. Dit is nu anders geworden. Wy hebben reeds een diensttyd

gekregen van 8' 2 maand voor de zeemilitie zoo goed als

voor de militie te land.

Die 8' j maand kunnen verlengd worden tot 12, wanneer de

miliciens, naar het oordeel van den Minister van Marine, niet

voldoende geoefend zijn.

Volgens de wet van 1901 heeft de Minister verder de bevoegdheid

voor herhalingsoefeningen de manschappen in het derde

jaar zes weken onder de wapenen te roepen en, naar ik meen,

is trouw van die nieuwe bevoegdheid gebruik gemaakt.

Dit is genoeg om aan te toonen, dat in het algemeen ook by

de marine het streven bestaat, den dienst te verzwaren. Dit

korte woord is mede voldoende, om te verklaren, dat wij ons

tegen dat streven krachtig blijven verzetten en onze stem aan

dit artikel zullen weigeren.

De heer Ellis. Minister van Marine: Het zy my veroorloofd

met een paar woorden te antwoorden on hetgeen de heer ter

Laan in het midden heeft gebracht. W aar die geachte afgevaardigde

zegt, dat men er by de marine op uit is om de lasten

van den militiedienst te verzwaren, wensch ik tegen die bewering

niet kracht op te komen, want, behoudens in gevallen van ziekte

of buitengewone achterlijkheid , wordt van de bevoegdheid OU

den diensttijd by eerste oefening te verlengen geen gebruik

gemaakt. I)e miliciens komen op tusschen 1 en 1"> Maart en

als regel gaan zy' van 20—22 October naar huis.

Wat de herhalingsoefeningen betreft, waarvoor de Minister

bevoegd is de miliciens op te roepen krachtens art I 12 van de

Militiewet en tot welke oproeping hij ook verplicht is om de

manschappen geschikt te maken voor den dienst op het gepantserd

materieel, deze duren nooit langer dan zes weken.

I »e heer ter liaan: Meer mag ook niet.

De heer Ellis, Minister run Marine : De geachte afgevaardigde

gaf mij den indruk niet te weten, dat dit bij de wet bepaald

is, anders zou hij er den Minister geen verwijt van maken.

Nu is de geachte afgevaardigde teruggekomen op de redenen

die de Regeering aanleiding kunnen geven om de zeeniilicieus

volgens art. Hlbis op te roepen. Die redenen zijn iu art. 110

neergelegd en waar de geachte afgevaardigde zegt, dat ttrt. 111

van de Militiewet reeds de bevoegdheid geeft om de miliciens

op te roepen, daar wil ik er op wijzen, dat hetgeen in dat artikel

wordt b'paald een ouischryving (herhaling) is van den inhoud

van art. 185 van de Grondwet.

Wat de overwegende redenen betreft, welke tot het indienen

van dit voorstel hebben geleid, heeft, de geachte afgevaardigde

beweerd, dat de gegrondheid der redenen niet was taingetoond.

Ik heb niet beter kunnen doen dan de feiten te laten spreken.

In April 1903 waren de schepen aangewezen voor de visscherypolitie

op de Noordzee, verplicht binnengaati te blijven. Men

was verplicht voor enkele categorieën van schepelingen de

oefeningen te staken en ik heb materieel van den Moerdijk tot

aan de Honthaven te Amsterdam moeten gebruiken. Ik heb toen

niet kunnen voldoen aan de eerste aanvrage van den burgemeester

van Dordrecht om hulp. Ik heb dus, terwijl men onder

gunstige omatandigbe ;en verkeerde, doordat de schepen van

den buitendienst binnengaat» waren, te nauwernood aan de

verplichtingen kunnen voldoen. Wanneer die staking wat vroeger,

bijv. in de eerste dagen van December, ware voorgekomen,

dan zouden de schepen, aangewezen voor de allossing van het

auxiliair eskader, op reis geweest zyn en ik had twee groote

schepen minder gehad. Gelukkigerwijs verkeerde men in April

jl in zeer gunstige conditie, omdat de mannen, die voor herhalingsoefeningeu

waren opgekomen, beschikbaar waren. Ik wil

dus herhalen, dat het kar voorkomen, dat de marine materieel

beschikbaar moet stellen en daarvoor geen personeel zou hebben

als het geen miliciens voor de bemanning van dat materieel

mag oproepen of' aanhouden.

De beer ter Laan: Mynheer de Voorzitter! Ik wensch met

een enkel woord den heer Minister te antwoorden. Hij heeft

gezegd, dat er bijna geen gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid,

om de miliciens langer dan 8' .. maand in dienst te houden. Ik

heb dat ook niet beweerd. Ik heb alleen op de nieuwe bevoegdbeid

van den Minister van Marine gewezen , om aan te

toonen , hoe bij de Wetgevende Macht een strooming bestaat,

om de macht van de Itegeering te vermeerderen.

Verder heeft de Minister gezegd dat hy zich verplicht acht,

herhalingsoefeningen te houden. Ik kan geen beter bewijs

begearen voor wat ik beweer. Tot voor korten tijd bestonden

er voor de Marine geen herhalingsoefeningen. De toenmalige

Ministers van Marine achtten dit niet noodig. Maar nu de

Minister van Marine eenige jaren geleden de bevoegdheid tot

het houden van herhalingsoefeningen heeft gekregen, vindt

de Minister, nu hy die bevoegdheid heeft, dat by ook verplicht

is, er gebruik van te maken. Dit bewyst, dat als aan

een Minister een nieuwe bevoegdheid wordt verleend , weldra

de volgende Ministers deze als een verplichting opvatten.

De Minister zegt. dat bet hier hetzelfde geldt als in art.

110 voor de landmacht en daarom acht hy zich ontslagen van

den plicht, om de noodzakelijkheid der nieuwe bepaling te

verdedigen. Daar is hy er evenwel niet af, want er is steeds

aangenomen , dat mee by buitengewone omstandigheden de

zeemilitie niet mocht worden opgeroepen. Welke omstandigheden

zyn er dan nu , die het verschil tusschen vroeger en heden ,


358

20ste VERGADEKINU. — 18 NOVEMBER 1903.

•'»*. Aanvulling en wijziging vau eeltige bepalingen der Militiewet T.'Ol , aangevuld bij de wet van 20 Juni 1902.

tosacben landmacht en zeemacht in deze doen wegvallen f Dat

heel't di* Minister met geen enkel woord toegelicht en daarop

kwam liet juist aan. Dit de .M inister in het voorjaar zijn schepen

hinncugaats heeft gehouden , is voor ons geen roden . om hem

nu de bevoegdheid t'' geren , te beschikken over lichtingen die

DIM lni'8 zyu. Eu dat nog wel in buitengewone omstandigheden

door hen aelf te beoordeelen. Wij hebben uit de feiten van dit

voorjaar wat anders geloerd dan dr .Minister, n.1. dit, «lat wij

geen enkel recht uit handen moeten geven.

De beraadslaging wordt gesloten.

Het gewijüf/d art. 141 bh wordt, op verdoek van den heer

ter Laan , in itemming gebracht en met 70 tegen 7 stemmen

aangenomen.

/"


Vel U. 350 Tweede Kamer.

20ste VERGADERING. — 18 NOVEMBER 1003.

57. Aanvulling en wyziging van eeuige bepalingen ' wet vnn 20 Juni 1902.

wordt bedreigd voor het niet verschijnen by' oproeping, wegens

het niet verschijnen bij inlijving en wegens het indienen van

valsche documenten.

Is er nu in een van deze gevallen iets dat aanleiding zou

behooren te geven om — by' exceptie van wat wy overigens

doen te gaan voorzien in het lot van het gezin dergenen

aan wie die straf wordt opgelegd?

Ik geloof het niet.

Dan is er eindelijk nog het geval van straf wegens het verzuim

van inschrijving.

Ik geef toe dat, wanneer er ooit quaestie kan wezen van —

de Minister heeft het woon! gebruikt in de Memorie van Antwoord

— onopzettelvkheid, het in dit geval zal zyn, want

verzuim van inschrijving geloofik ook , dat dikwy Is onopzettelijk

zal voorkomen: maar het is natuurlyk van het grootste gewicht,

dat streng de hand worde gehouden aan de verplichting tot

het doen van aangifte van inschrijving, omdat, wanneer iemand

niet wordt ingeschreven , de dienst waartoe anders die militieplichtige

eventueel zou worden opgeroepen , neerkomt op een

ander.

Wanneer nu liet Regeeringsontwerp ongewyzigd werd aangenomen

, wat zal dan geschieden ?

Dan zal de niilitieplichtige, die hoogst waarschynlyk geheel

onschuldig is aan het verzuim , tot straf' moeten dienen, maar

zal degene, die voor de inschrijving had behooren te zorgen,

wegens zijn verzuim een vergoeding uit de Staatskas ontvangen.

Het komt mij voor, dat dit niet goed zou zijn en dat er dus

ook in dit geval geen bijzondere consideratiën zyn om een

nieuw beginsel in te voeren dat overigens in onze geheele

rechtsbedeeliug niet bestaat.

Ik kom thans tot mijn tweede amendement, dat strekt om

ook op een ander punt de bestaande redactie te behouden. Ik

doe in parenthesi opmerken, dat by het overschryven een

lapsus calami is ingeslopen, want voor , niet voldoende'', moet

ook het woord .of" worden gesteld.

Door het nieuwe wetsvoorstel zal ongetwijfeld de deur van

de vergoedingen wijder worden opengezet.

Dit blijkt wanneer wij de nieuwe redactie vergelyken niet

alleen met de laatste, maar ook met de vierde zinsnede van

art. 113.

In art. 113, 4de lid, wordt gesproken van den ingelijfde die

onmisbaar is voor zyn gezin of voor personen in wier levensonderhoud

hy voorzag, en in het laatste lid vindt men den

terugslag daarop. Er staat daar: „de ingelijfde", bedoeld in de

vierde zinsnede. Welnu, in d.it opzicht maakt de nieuwe redactie

een verandering. Er wordt nu niet alleen gesproken van „in

het levensonderhoud voorzag", maar „in het levensonderhoud

hielp voorzien". Terwyl verder in het bestaande artikel staat:

„niet in eigen onderhoud kan worden voorzien ", stelt de Regeering

nu voor om te lezen : „niet voldoende kan worden voorzien".

Door beide veranderingen wordt dus de deur wyder opengezet,

wat mij zeer bedenkelijk voorkomt. Is dit noodig voor een goede

behoorlyke praktijk van de zaak V Ik geloof het niet. De llegeering

zegt zelf, dat zy niets anders bedoelt dan wat op het

oogenblik reeds plaats heeft. De Regeering wenscht dus eenvoudig

voort te gaan met te doen wat zij thans ook reeds doet.

Maar als dit waar is , waarom dan deze wetswijziging voorgesteld.

Die is niet alleen niet noodig , maar kan zelfs geva-irlyk

worden.

Het spreekt toch vanzelf dat wanneer men zal gaan inzien ,

dat de deur wyder i? opengezet, men daarvan ook gebruik zal

gaan maken. Dat kan, dunkt mij, niet uitblyven.

De Minister van Oorlog heeft zelf in zijn Memorie van Toelichting

op hoofdstuk VIII der Staatsbegrooting erkend, dat

de post voor deze vergoedingen in hooge mate neiging vertoond

tot uitzetting. Voor het jaar 1903 was daarvoor uitgetrokken

f 100 000, en voor 1904 ' wordt f 250 000 gevraagd, derhalve

voor dit jaar f 150 000 meer; en dat wel onder omstandigheden

die volstrekt niet abnormaal zyn. Want noch by de raming voor

1903 noch by die voor 1904 viel rekening te houden met de

byzondere omstandigheden die zich dit jaar hebben voorgedaan.

By een no/malen gang van zaken dus voorziet de Minister reeds

een vermeerdering van dezen post met f 150 000.

Wanneer men nu het artikel zóó rekbaar maakt, dat het

Moeilyk voor den Minister van Financiën wordt, de hand te

Handelingen der Staten-Generaal. — 1903—1904. — II.

houden op de beurs, dan vrees ik, dat dit aanleiding zal garen

tot groote opdryving van het Oorlogsbudget, wat ik zeer zou

betreuren , vooreerst, omdat deze uitgaven een zwaren last zullen

leggen op liet Oorlogsbudget, zonder dat zij ten goede komen aan

de weerbaarheid van ons leger, en ten tweede, omdat ik dit

geheele stelsel verkeerd vind.

Reeds in 1899 heb ik een andere r


360

20ste VERGA DEKING.

57i Aanvulling en wijziging van Benige bepalingen dn

— 18 NOVEMBER 1903.

ilitiewet 1901 , aangevuld by de wet van 20 Juni 1002.

waar het, militaire zaken geldt, liij zooveel mogelijk zijii zin

doordrijft, het leger sterk maakt, den diensttijd verlengt,

terwijl hij daarbij de belangen der bargermaateebapp(j verwaarloost.

Even rondait «il ik erkennen , «lat wij hier staan

voor een verbetering in de Militiewei.

Dat de omslag en moeilijkheid voor bet verkrijgen van schadevergoeding

wordt verminderd, is een verbetering; dat er

minder tyd zal rerloopen , voordat de schadevergoeding in de

huisgezinnen komt, is een verbetering. De ontheffing vanden

dienst en de aanvraag om de schadevergoeding worden loi van

elkaar gemaakt; ook dit is vooruitgang.

Dat het bedrag van 20 on 30 gulden gebracht wordt in de

maand, is een zeer belangrijke verbetering. En eindelijk, wat

de heer van Karnebeek zoo verkeerd vindt, dat is ook een

zoo natuurlijke aanvulling, dut ik daarover geen enkel woord

beboet' te zeggen. Volgens de letter van art. 113 kon tot heden

alleen aan die gezinnen hulp worden verleend, waar de milicien

die door het lot wordt opgeroepen de eenige kostwinner is.

Maar in de toekomst kan dat ook, wanneer hij, niet uitsluitend

in de behoeften van zijn gezin voorziende, daartoe toch een

deel bijdroeg.

Ik kan al deze verbeteringen des te gemakkelijker erkennen,

en ze met des te meer voldoening begroeten, omdat wij juist

bij elke gelegenheid op deze maatregelen hebben aangedrongen

en wij mot de stukken de onhoudbaarheid der tegenwoordige

regeling hebben aangetoond. In 1901 heeft de Kamer a gezegd

op dit stuk: de l> hebben wij geëischt en te zijner tijd zullen

wn ook met o komen.

Maar op dit oogenblik zijn wij pas aan b en voor liet oogenblik

ziju wy daarmee in hoofdzaak voldaan. Wij hebben dus

eenvoudig na te gaan, of de aangeboden verbeteringen afdoende

zijn. Eu dan blijkt dat in drieërlei opzicht de Minister nog niet

aan billijke verwachting voldoet. Dit betreft: 1°. het bedrag

der vergoeding: 2\ de tijd, welke verloopt, voordat de vergoeding

wordt uitgekeerd, en 'S', de vraag, welke personen, in het

vervolg voor de schadevergoeding van art. 1 13bi»in aanmerking

zullen komen.

Om met punt 1 te beginnen. De Minister van Oorlog zegt

in de Memorie van Antwoord op bladz. 14: «Een maximum

van f 1 per dag is inderdaad niet te hoog, als men in aanmerking

neemt. dat in enkele groote steden voor werkmansgezinnen

alleen voor huishuur eu busgeldeu reeds eene uitgave

van f 3 en meer per week wordt vereischt.

Toekenning van het maximum bedrag zal echter tot de uitzonderingen

behooreu : veelal zal met minder kunnen worden

volstaan."

Met het eerste gedeelte daarvan kan ik mij volkomen vereenigen.

Een gulden is zeer zeker niet te hoog.

Ik ben eerder eens met wat de Ihnasrlie Courant van 21

September schreef: , Ontevredenheid heerscht bovendien ook

nog over 't bedrag van het zoogenaamde levensonderhoud van 60

centen daags voor een gezin dat zijn kostwinner missen moet;

een bedrag, dat misschien somtijds een redelijk vergoediug was

voor een gezin op de Drentsche bei, maar, ook al ware 't contant

uitbetaald , een aalmoes voor het gezin van een stadsbewoner."

Dit betreft de oude regeling, maar is ook in zeer veel gevallen

van toepassing op de nieuwe.

Ik herhaal, dat de Minister het hiermede volmaakt eens is.

Ik heb bovendien nog een kijkje genomen in de cijfers, die

ons enkele dagen geleden zijn verstrekt door de Centrale Commissie

voor de Statistiek.

De loonen, die verdiend worden — ik heb het boek slechts

op te slaan en neem hier het 3de kwartaal van 1902 — bewijzen

hetzelfde. Hoe slecht de loonstandaard in Nederland ook zijn

moge, jonge mannen van twintig jaar brengen het voor het

meerendeel toch nog wel tot een loon van een gulden per dag.

Ik vind hier: aanlegger van geleidingen te Hilversum f 11,70

per week; grondwerker te 's Gravenhage f 12; boerenarbeider

in het Bildt f 7 per week; banketbakker te Dordrecht f 10per

•week, enz. Ik neem volstrekt niet de hoogste cijfers, er zijn

er ook van f 14 eu meer, die even goed in do termen voor

vergoeding vallen.

Ik vind hier in deze statistiek ook cijfers, waaruit blykt, dat

volwassen mannen, vooral op het platteland, minder dan f 1

verdienen. Maar ik vestig er de aandacht op, dat het hier inili-

tairen geldt en wij dus te doen hebben met flinke mannen van

20 jaar, ilie lichamelijk en geestelijk aan de vereischteu voldoen.

Bovendien is een onderzoek ingesteld door een geacht militair

in enkele compagnieën. In een daarvan werd bevonden dat van

de 41 man 8 vóór hun in dienst treden meer dan f 14 per

week verdienden; 3 f (5 per week; geen enkele minder; de

overigen verdienen dus tuss men f ti en f 14.

Van een andere compagnie is de uitslag nog gunstiger.

Zij verdienen dus bijna allen meer dan de Minister als maximum

wil geven. Een vergoeding van f 1 is dus wel het minste en

men mocht verwachten , dat de Minister dat dan ook als regel

zou geven.

Daarom begrijp ik te minder dat de Minister in de Memorie

van Antwoord zegt: „Toekenning van het maximum bedrag

zal erhter tot de uitzonderingen behooren."

Wat is het gevolg van deze schrielheid 'i

Zoo zullen mensehen , wier aanvrage geheel of gedeeltelijk is

afgewezen , overtuigd dat zij recht op het niaximum hebben ,

nogmaals by den Minister komen. Dit is heel natuurlijk; zy

zullen niet kunnen begrijpen , dat iemand, die \an zyn \veekloon

f 7 of meer afstaat aan het huisgezin , niet in aanmerking

komt voor de volle schadevergoeding,

Zy moeten wel denken aan een vergissing , vooral , wanneer

zij heelemaal niets krijgen , wat ook altijd nog voorkomt.

Ik wensch een voorbeeld aan te halen. Het betreft een arbeider

te Etten Leur.

De man is bij het Staatsspoor werkzaam eu verdient f 6 in

de week, waarvan hy' een vrouw en twee kinderen heeft te

onderhouden. Voor de lichting 1898 werd hy opgeroepen voor

28 dagen herhalingsoefeningen. Die man kwam op, en de Staatsspoor

is niet zoo royaal, in dit geval althans niet, om het salaris

te doen doorgaan ; daarom vroeg hij schadevergoeding volgens

art. 113 by den Minister. Zijn ouders konden zyn vrouw en

zyn kinderen niet zoo lang onderhouden, en wat is nu het

eigenaardige van het geval ? Dat deze man — en ik herhaal:

bet is niet het eenige voorbeeld — niets ontvangen heeft, niet

van den Minister, zooals my bericht werd, ook niet van de

Kerk, ook niet van de gemeente, ook niet van de Vincentiusvereeniging,

zooals men er bijvoegt. Zulk een man kan niet begrijpeu

waarom hy' in ziju moeilyke omstandigheden van niemand

de vergoeding heeft ontvangen, terwijl er toch alle aanleiding

toe bestond. Niemand heeft naar zijn omstandigheden omgezien,

en toen zyn vrouw op het gemeentehuis te Etteu-Leur kwam,

kon zy ongetroost en oniugelicht weer naar huis gaan. De

Minister kan het geval nazien, want zyn antwoord (de tweede

weigeriug) is geweest 17 October 1903, 3de afdeeling, n*. 96.

By deze gelegenheid wil ik meteen den Minister wyzeu op

een zinsnede op een andere plaats, op bladz. 14 der Memorie

van Antwoord. Hy verklaart daar, dat de gemeentebesturen

bereidwillig zyn, om op dit stuk alle medewerking te verleenen.

Ik twyfel niet aan de goede bedoeling van den Minister eu

ook niet aan die van de meerderheid der gemeentebesturen,

maar er mag niet op worden gerekend, dat er geen uitzonderingen

zijn. En men moet er op kunnen rekenen overal. Ik vraag

nu den Minister om een beslist antwoord: of hy nu met de

nieuwe en verbeterde bepaling van de Militiewet werkelijk de

schade van het gezin wil vergoeden, zoover hy kan ; of hy' dus

wil geven het maximum van t' l, waar de schade ook minstens

f 1 per dag bedraagt. Wanneer de Minister deze vraag bevestigend

kan beantwoorden, zullen wij geruster zyn dan wij op dit

oogenblik mogen wezen.

Het tweede punt dat ik wensch te behandelen , betreft den

tyd die er verloopt tusschen de inlijving van de iotelingeu en

de eerste uitkeering van de schadeloosstelling. Men weet, dat

de ervaring juist op dit punt zeer treurig was. De Minister

zegt op bladzyde 15 van de Memorie van Antwoord:

, De aanvrage om vergoeding reeds te laten doen binnen

denzelfden termijn als waarin belanghebbenden redenen van

vrijstelling wegens broederdienst of lichaamsgebreken moeten

doen gelden, komt geheel onnoodig voor. De tyd tusschen

de loting, ja zelfs tusschen de zitting van den militieraad

en de inlijving is ruimschoots toereikende om het noodzakelijke

onderzoek met betrekking tot de toekenning van vergoeding

tijdig te kunnen doen afloopen, mits belanghebbenden niet

dralen met het indienen van hun verzoek."


:>i

20ste VERGADERING. -

57. Aanvulling en wyziging van cenige bepalingen der

18 NOVEMBER 1903.

lilitiewet 1901, aangevuld by de wet van 20 Juui 1902.

Daaruit volgt, dat do Minister — en li ü zegt het op bladzijde

14 der Memorie van Antwoord met zooveel woorden — van ons

verlangt, dat w|j niet uie':r zullen twytelen aan den spoed

waarmede zal worden gewerkt. Ik geef toe: er komt een groote

verbetering en spoed wordt nu altlians mogelijk.

Maar het is noodig, dat ik den Minister aan den eisch herinner,

dien ik meende hom te moeten stellen b|j het debat in

dezen zomer, namelijk deze, dat op hetzelfde oogenblik, waarop

de milicien uittrekt in de vergoeding voor het gezin moet zjjn

TOOrzien. Kan de Miuistei daarvoor in bet algemeen inslaan ,

dan zullen wü aau hem gaarne de keuze overlaten van den weg

dien hij meent te moeten inslaan.

Zegt de Minister, dat het onnoodig is het verzoek om vergoeding

te gelijk in te dienen met de reclames voor broeder*

iuu3t • '• iicuaunisgcDrciiCU, net in oiu weii ueenc ny , M.U

daarvoor nog tijd is na de zitting van den militieraad, we hebbeu

er niets tegen , — wanneer w|j slechts de gevraagde verklaring

van den Minister hebben.

De belanghebbenden, zegt de Minister, moeten medewerken ;

z|j mogen niet dralen. Volkomen stem ik daarmede in, maar dan

moet de Minister dit mogelijk maken door op te geven, wanneer

de verzoekschriften kunnen ingezonden worden. In de Staatscourant

zal h|j dit byv. bekend kunnen maken. Wat is uu echter het

geval? In verschillende kazernes zijn inlichtingen ingewonnen

omtrent de vraag, of aan de miliciens bekend was gemaakt,

dat er gelegenheid bestond , om in het genot van schadeloosstelling

te worden gesteld. Verschillende miliciens verklaarden,

dat zy van hun meerderen nooit eenige inlichting hadden outvaugen

; dit was om een enkel voorbeeld te noemen , hot geval

in de Oranje-kazerne te 's Gravenhage en in de kazerne te Assen.

Maar ook van andere garnizoenen u uiy medegedeeld , dat zy

van een dergelyke bekendmaking nooit iets hadden gemerkt.

Wanneer het deu Minister ernst is , in deze behoefte op ruime

wijze te voorzieu , dan ware het aan te bevelen , dat h|j last

gaf, om by elke loting aan de lntelingen te doen mededeelen,

dat deze gelegenheid bestaat. Het zou nogmaals kunnen geschieden

by het binnentreden in de kazerne, wanneer deu soldaten

de kry'gsartikelcn worden voorgelezen.

De heer Schaper merkt op — en daarmede ben ik het eens —

dat de soldaten daar meteen beter zouden luisteren. Verder is j

myn ervaring, dat tal van miliciens er wel iets van gehoord

hebben, maar nog altijd niet weten, wat zij hebben te doen,

om schadeloosstelling te erlangen. Wat zy er nog van «raten

hebben zij uit onze geschriften vernomen, maar van den kant

vau het Ministerie van Oorlog is hun niets bekend gemaakt.

Als deze Minister daartoe wel last heeft gegeven , dan is dit

geen verwyt aan zijn adres. Maar dan is voor hem de mededeeling,

dat de kennis dezer bepalingen werkelijk niet tot alle

miliciens doordringt. Wanneer dus by de loting medegedeeld

werd, wat de ruilicieus hebben te doen , wanneer zy voor de

vergoeding in aanmerking komen, dan ware ook dat bezwaar

opgeheven.

De Minister zegt in de stukken, dat de militaire autoriteiten

met een goeden wil bezield zyn ; welnu, wanneer dat geval is,

dan gaat het zooveel te gemakkelijker. De last van den dienst

is al zwaar genoeg. Waar men dien door de vergoeding verlichteu

kan , en dat is by ongeveer alle arbeidersgezinnen het

geval, daar mag dat niet worden nagelaten.

De Minister komt met een enkel woord terug op het Belgische

stelsel. Ik heb vau dat stelsel niet gesproken, omdat ik beweerde,

dat evenals in België elke milicien vergoeding moet

ontvaugeu. De heer Xolting heeft dat beginsel ter sprake gebracht

en zal er later op terugkomen. Dan zal ik ook gelegenheid

hebben, onze denkbeelden daaromtrent te ontwikkelen. Op

dit oogenblik bepleit ik het voor Nederland niet.

Ik heb er alleen op gewezen , dat in België de toelage aan

den milicien van den eersten dag af aan ingaat. Dat is daar

gemakkelijk, dat wil ik toegeven, omdat men daar geen uitzonderingen

heeft en geen onderzoek heeft in te stellen. Die

zelfde vlugheid en die zelfde algemeenheid voor arbeidersgezinnen

en verdere kleine burgers moesten wy overnemen. Verdere

bedoeling had ik met myn aanhalen van het Belgische

stelsel niet. Nu de Minister dat stelsel echter , onzedelijk"

noemt, moet ik er even nader op terugkomen.

Ik kan verklaren, dat de Belgische arbeiders het in het

geheel niet met deu Minister eens zijn. Ik heb dat onderzocht

en het is my gebleken, dat de Belgische bevolking met dat

stelsel zeer ingenomen is, en dat spreekt ook vanzelf.

Wat de arbeiders aldaar tegen de borst stuit en wat dan ook

in hooge mate onzedelyk is, dat is bet feit , dat ia België nog

het stelsel van ronselary bestaat, dat althaus gedeeltelijk hier

is afgeschaft Wil de Minister van Oorlog over zedelijkheid

spreken , dan moet hij zyn aandacht eens vestigen ook op ons

stelsel van nummerverwisseling. Men moet niet te veelspreken

vau zedelijk en onzedelyk by Oorlog, want dan heriunert men

zich al te spoedig en te duidelijk, dat alles wat aan Oorlog

vastzit, in den grond der zaak onzedelijk is. Wij zullen hier

dus maar niet verder over uitweiden en hopen, dat do Belgische

spoed ook hier betracht zal worden.

[n de derde plaats uug een enkel woord over de persoueii

die voor de vergoeding iu aanmerking komen. Volgens dit artikel

komen voor de gunstige bepaling iu aanmerking de gezinnen

waartoe «Ie miliciens behooren, inair ook personen die niet

nader worden aangeduid, dan alleen, dat de miliciens in hun

onderhoud voorzagen. Ik heb daaromtrent de discussie nagelezen,

die in 1901 hierover gehouden is en gezien, dat het ook de

bedoeling is geweest van de Kamer, dat er vergoeding gegeven

zou worden aan al liegenen die door den milicien werden ouderhouden,

onverschillig of deze behoorden tot zyn gezin of niet. Zoo

zou byv. vergoeding gegeven kunnen worden aan een vriend van

den milicien, die, niet iu staat den kost te verdienen, door

den milicien werd onderhouden.

Ik zie tot mijn genoegen , dat de Minister by deze wijziging

hierin geen verandering brengt De Minister wyst zelf op de

in 1901 door dr. Kuyper gesproken woorden — woorden die

ik volkomen onderschrijf — u. 1. dat het de bedoeling vau de

vergoedingen is, om broodsgebrek en armlastigheid te voorkomen,

natiiurly'k by al de degenen die daartoe zouden vervallen,

wanneer de kostwinner het militaire pak moet aantrekken.

Maar nu is aan het licht gekomen , door de zaak-Hamminga te

Öiddeburen , dezen zomer hier in de Kamer ter sprake gebracht,

dat het doel van dat artikel niet wordt bereikt voor degenen

die geen bloedverwanten van den milicien zijn.

Ik treed niet terug iu het geval; meu zal zich herinneren ,

lat ik toen gesproken heb over de aanstaande vrouw van een

milicien , die iu aanmerking behoorde te komen voor schadevergoeding

volgens art. 113, maar die door den Minister volgens

het Koninklijk besluit van 28 Januari 1902 moest worden afgewezen

, omdat die vrouw nog niet behoorde tot het gezin van

dien milicien. liet is een sterk feit geweest, waarvan de Minister

zelf heeft verklaard, dat hy gaarne tusscheubeide zou zijn gekomen

, maar dat hy dit nu — slaaf van de wet als een Minister

van Oorlog is — tot zyn leedwezen niet heeft kunnen doen,

want er bestaat een bepaling, art. 4 van het Koninklijk besluit

van 28 Januari 1902 (Staatsblad n u . 9), welke zich daartegen

verzet. Xaar het m|j voorkomt, is dit artikel in strijd met de

bedoeling en de bewoordingen vau art. 113 der wet. In dat

art. 4 toch lees ik: «geen vergoeding wordt toegekend aan den

persoon of de personen in wier levensonderhoud de iugelyfde

vóór zyn opkomst onder de wapenen of in werkelijken dienst

voorzag of hielp voorzien, indien deze persoon of deze personen

den ingelijfde niet in bloed- of aanverwantschap bestaan, of

indien de graad vau bloed- of aanverwantschap een ander is

dan die van kind, vader, moeder, broeder, zuster, half broeder,

halfzuster, grootvader of grootmoeder, zoo eigen als aangehuwd.

Nu vraag ik den Minister, of het te verwachten is , dat van

hem zal uitgaan een poging, om dit Koninklijk besluit zóó te

wyzigen, dat er een ruimer strekking aan gegeven wordt iu

overeenstemming met de wet. De wet eischt geen gezin. Kan

de Minister dit doen, dau zal h|j een daad verrichten, die menigeen

ten goede zal komen en die het recht bevordert.

Dit zijn de drie punten die ik had te behandelen, en waaromtrent

ik het antwoord vau den Minister met belangstelling afwacht.

De heer Bergatisius, Minister vin Oorlog: Mijnheer de Voorzitter!

Het onderwefp dat w|j op dit oogenblik behandelen, is

een van die, welke de voornaimste aanleiding zyn geweest tot

het samenstellen van het eerste wetsontwerp tot wyziging der

Militiewet, dat de Kamer heeft bereikt.


362

20ste VERGADERING. — 18 NOVUM HER 190:5.

.»7. Aanvulling on wijziging van eenige bepalingen der Militiewet 1901 , aangevuld luj de wet van 20 Juni 1(102.

Dat ontwerp werd ingediend uitoverweging van de bezwaren

die bü de toepassing van art. 118, laatste lid, zijn ondervonden.

Wanneer ik de zaak zelf beschouw, ban ik het eens niet

den heer van Karnebeek , dat het verreweg de voorkeur verdienen

zou uiu, indien het mogelijk ware. in het geheel geen vergot"

ding toe te kennen . maar de werkelijke kostwinners vrij te stellen.

Voor dat beginsel heb ik vroeger gestreden en het was in het

wetsontwerp van 1891 opgenomen, in de bestaande wet kan het

niet opgenomen worden of men moet de gebeele wet opnieuw

opbouwen , omdat de vrijstellingen een zeer groot getal zouden

beloopen, zoo groot, dat het niet in mindering van het leger

zou kunnen komen , en dus de plaatsen door anderen zouden

moeten ingenomen worden. Als een gevolg daarvan zou men

moeten terugkeeren tot het stelsel van tijdelijke vrijstellingen

zooals dat vóór 18(51 heeft bestaan.

Onder die omstandigheden laat het zich begrijpen dat in 1901

door den toenmaligen geachtrn afgevaardigde uit Sliedrecht,

gesteund door anderen, een poging gedaan is om in die leemte

te voorzien door het toekennen van vergoeding mogelijk te

maken. De regeling toen ontworpen en in de wet neergelegd .

heeft bezwaren aan het licht gebracht, zoowel ten opzichte

van het toe te kennen bedrag, als van de spoedige toekenning

van de noodige gelden.

Tot deze bezwaren hebben dit jaar buitengewone omstandigheden

veel bijgedragen. Ik zal de Kamer niet vermoeien met

een volledige opsomming maar. waar de heer ter Laan twijfel

opperde of ten deze wel met bekwamen spoed gehandeld is.

wil ik toch enkele getallen noemen, waaruit men zal zien, dat

het een zware taak geweest is om aan alle aanvragen te voldoen.

Er zijn toch niet minder dan 10 257 verzoeken behandeld:

daarvan is o. a. in 8281 gevallen vergoeding toegekend en 194

personen hebben ontheffing gekregen.

De heer ter Laan heeft gezegd, dat de toepassing van de vergoeding

zoo dikwijls niet voldoende is geweest en dat er zoo

vele reclames geweest zijn. Na verleende vergoeding zijn slechts

10 aanvragen om verhooging ingekomen , waarvan er, na behaDdeling,

4 toegestaan zijn. Ik zeg dit — niet om te beweren

dat al de anderen zuo bijzonder tevreden geweest zijn , maar

als bewijs dat de aanvragen om verhooging veel minder beteekeuis

gehad hebben , dan men uit het gesprokene van den heer ter Laan

zou opmaken.

Door den geachten afgevaardigde zijn eenige desiderata aangegeven

; ook de heer Xolting deed zulks. Reide afgevaardigden

zijn ingenomen met het voorstel, maar toch niet geheel voldaan.

In de eerste plaats niet, omdat het ledrag dat in de wet

voorgesteld wordt, een maximum zou zijn. De heeren Noltingen

ter Laan willen daarvoor lezen een minimnm.

De heer ter Laau heeft loonstaten opgenoemd van werklieden

en gezegd hoeveel zij verdienen , om te liewyzen , dat verhooging

van de vergoeding werkelijk noodzakelijk is , maar het zy BID,

vergund om daaromtrent van gevoelen te verschillen.

Vooreerst heeft de heer ter Laan een woord gebruikt waarom

het niet gaat: hij heelt gesproken van schudt' voor het gezin. De

bedoeling is als tegemoetkoming tngoeditig toe te kennen, opdat

gedurende de afwezigheid , het gezin , al is het niet op denzelfden

voet, toch in het onderhoud zon kunnen voorzien.

Waarom heeft de Regeeiing het voorstel gedaan om veraDdering

in het stelfel te brengen en de vergoeding per dag vast

*e stellen ? Dit is geschild cmdat het toekennen van een bedrag

per tijdvak van dertig dagen of minder soms zeer ongelijk werkt

en bij de toekenning soms moeilijkheid oplevert, vooral ingeval

het niet tevoren vaststaat hoe lang het verblijf onder de wapenen

zal duren. Daardoor is het mogelijk dat in het eene geval te

veel , in een ander te weinig wordt toegekend. Bedraagt by

langdurig verblijf onder de wapenen de vergoeding 10 gulden,

dus */i gulden per dag, dan kan dat voor sommigen te weinig

zijn , terwijl door dat bedrag daarentegen by een kort verblijf

onder de wapenen , b\jv. van 35 dagen , meer dan ée'n gulden

kan worden toegekend.

Nu wordt hiermede, zoover mogelijk, wel rekening gehouden,

doch meer toekem.en dï.n 'A. gulden is alleen tij kort verblijf

mogelijk, en dat is niet billijk.

Vooral hü het onder de wapenen zyn van de lichtingen 1900

en 1901 zijn d; arvan de be/.wi.reu gevoeld, omdat de tijd van

het verblijf niet te voren bekend was, zoodat daarin aanleiding

bestond bij de toestemming zeer vrijgevig te zyn.

Het toekennen per dag is wenschely'k ook uit een ander

oogpunt. Dit zal ik toelichten. Er moest een regel gesteld worden

voor de tijdstippen waarop de vergoeding zon uitgekeerd

worden. Dit geschiedt om de 14 dagen. Wanneer nu iemand 32

dagen opkomt en ik wil hem f 1 daags geven, dan krijgt hij

thai s f 10 voor elk tijdvak van 30 dagen of minder, dus in het

geheel 2 maal f 10. De eerste 14 dagen wordt hem echter

uitbetaald f 8, voor d.' vdgende 14 dagon weder f 8 en daarna

op eens f 10, zijnde het geheele bedrag voor het tweede tijdvak

dat pas na den 30sten dag aanvangt. Dat is niet goed. Hit bezwaar

zal nu ophouden en de betaling zal gelijkmatiger kuunen

[daats hebben, in het ovengenoemde geval elke 14 dagen vast f 14.

Zoo zal het bezwaar niet gevoeld worden dat de eerste dagen

te weinig wordt ontvangen , en wat somtijds nog erger is, dat

op den laatsten dag in eens een sommetje wordt uitbetaald ,

dat niet altijd even goed wordt besteed.

In de derde plaats heeft de geachte afgevaardigde gevraagd

of de regeling niet zoo zon kunnen gemaakt worden , dat de

betaling kon geschieden van het oogeublikdat de miliciens onder

de wapenen komen.

Zeker is dat gewenscht en de strekking van het voorstel, dat

hier wordt gedaan , is om dat zooveel mogelijk te bevorderen.

Wat moet tot nu toe geschieden, Mijnheer de Voorzitter?

De betrokken milicien moet eerst ontheffing vragen aan de

Koningin. Dat verzoek komt aan Oorlog en wordt gezonden

naar den Commissaris der Koningin , die het in handen stelt

van het gemeentebestuur. Zoodra het stuk aan bet Departement

terugkomt, wordt nagegaan of ontheffing kan worden verleend

en wanneer daarvoor wel termen bestaan, maar de belangen

van den dienst laten niet toe oin daartoe te besluiten , moet

de betrokkene opnieuw een verzoek indienen om vergoeding.

Dat zal nu niet meer noodig zyn, want uu kan een verzoekschrift

worden ingediend om vergoeding of ontheffing. Daardoor

loopt het onderzoek in eens af, en is het overgelaten aan den

Minister van Marine of aan dien van Oorlog vergoeding toe te

kennen of aan de Koningin voor te stellen ontheffing te verleenen.

Maar er is nog meer noodig om de zaak zoo te regelen, dat

de eerste termijn van betaling dadelijk na de opkomst kan

geschieden.

In het Voorloopig Verslag is gevraagd of de tijd, die verloopt

tusschen de aanwijzing door den niilitieraad en de opkomst onder

de wapenen, voldoende is voor de behandeling van het ingekomen

verzoek, en die vraag is door den heer ter Laan herhaald.

Ik mag daarop antwoorden, dat die tijd ruimschoots voldoende

is. mits het verzoek dan ook spoedig wordt ingediend.

De geachte afgevaardigde heeft gevraagd of ik bij de loting

daar niet op kan laten wijzen. Ik zal niet behoeven te z»ggcn,

dat de regeling der loting voor de nationale militie niet onder

mijn Departement ressorteert, maar ik ben natuurlijk bereid om

eiken maatregel te bevorderen, waardoor den lotelingen kan

kenbaar gemankt worden dat hun belang medebrengt de verzoeken

. die het hier geldt, zoo spoedig mogelijk in te dienen.

Bij de herhalingsoefeningen kan er ook geen bezwaar zyn ,

maar in buitengewone omstandigheden , dat is bij onverwachte

opkomst, kan niet altijd die mededeeling vooraf geschieden.

Doch ook dan is er we) iets te doen. Zoo heb ik, toen op 5

Februari jl. het besluit word genomen om twee lichtingen op

te roepen, reeds kort daarna een brief laten uitgaan, waarbij

den korpscommandanten werd opgedragen om de miliciens van

hun bevoegdheid ten deze te onderrichten.

Dat de aanvragen nog niet alle even spoedig inkomen , laat

zich verklaren , want de Militiewet 1901 heeft pas kort gewerkt

en haar bepalingen zijn dus nog niet algemeen bekend , maar

dat zal, vooral in dit opzicht, wel verbeteren.

Er is echter een zaak, waarop ik meen, Mijnheer de Voorzitter,

dat het goed is hier even te wijzen , omdat de heer ter Laan

zich ook nog al eens onder de miliciens beweegt.

De heer ter Laan meent dat vele miliciens geen verzoek doen

of onwillekeurig wachten, omdat zy nog niet op de hoogte zyn

vau de bepalingen. Het is mogelijk , maar het is gebleken, dat

er ook personen zyn , die met opzet de aanvraag laat doen ,


Vel 05. 363 Tweede Kamer.

20Bte VERGADERING. - 18 NOVEMBER 1903.

ft7. Aan vulling en wijziging van eenige bepalingen der Militiewet 1901, aangevuld hij de wet van 20 Juni 1902.

omdat zij dan ook nog wat van de uitkeering genieten als zy

thuis teruggekeerd zyn, want zeggen zy : voor de vrouw wordt

toch wel gezorgd.

Du heeft do geachte afgevaardigde nog het Belgische stelsel

besproken, waaromtrent door de Regeering is gezegd , dat zy

dienaangaande geen voorstel wenscht te doen. Ik ben ook niet

voornemens daaromtrent inlichtingen aan den Belgischen Minister

van Oorlog te vragen, omdat de toestand in België geheel auders

is dan hier; daar heeft men nog niet den persoonlijken dienstplicht

ingevoerd, en heeft de vergoeding een geheel ander doel.

En wanueer de geachte afgevaardigde vraagt om bij de toepassing

van het nieuwe besluit maatregelen te nemen, waardoor in het

door hem genoemde geval van Nanninga ook vergoeding zal

kunnen worden verleend, en uit dien hoofde art. 4 van het

Koninklijk besluit van 28 Januari 1902 n". 9 te wijzigen, dan

verklaar ik mij daartoe niet bereid in den zin als de geachte

afgevaardigde dit wenscht.

Wat is de bedoeling geweest van dat art. 4 van genoemd

Koninklijk besluit? Terwijl de wet alleen spreekt van het ge/.in

waartoe hy behoort, of van de personen in wier onderhoud hij

voorzag, worden in het Koninklijk besluit eenige regeleu gesteld,

welke personen hier worden bedoeld. Het komt my voor,

dat dit dringend noodig is, anders zouden er allerlei misbruiken

kunnen ontstaan. In het geval-Nanninga heb ik mij niet bevoegd

geacht in te grypen. De man was niet gehuwd, maar zou gaan

huwen met de vrouw in wier onderhoud hij om bepaalde redenen

reeds voorzag. Onder zulke omstandigheden kan men toch niet

spreken van het onderhouden van een gezin of van een persoon

die in familiebetrekking staat.

En dat is geen op zich zelf staand geval. Ik heb dezen zomer

bij het bezoeken van een fort o. a. gesproken met een milicien ,

die mij zeide gehuwd te zijn en drie kinderen te hebben. Maar

toen het advies op zyn verzoekschrift inkwam, bleek dat de man

nog ï'iet gehuwd was en hy dus een eigenaardige opvatting

van het huwelyk had. In dergelyke gevallen kan men art. 113

toch niet gaan toepassen.

De heer ter Laan meende dat er nog onlangs een weigering

is gekomen die niet gegrond zou zyn en wel den 17 Oetober

van dit jaar. Ik zal deze zaak overwegen en zien of er iets aan

te doen is, want natuurlyk staat mij thans dit geval niet voor

den geest.

De heer Nolting heeft, behalve de opmerkingen door hem

gemaakt omtrent het maximum bedrag van f 1, dat hy gaarne

tot minimum zag teruggebracht, ook nog gesproken over het

besluit van den gemeenteraad van Amsterdam , waarby is bepaald,

dat werklieden der gemeente die voor herhalingsoefeningen

onder de wapenen komen , hun volle loon zullen krijgen. een

besluit dat zeker toejuiching verdient. De geachte afgevaardigde

zal bü de algemeene beraadslagiug over de Staatsbegrootiug

dit punt nog nader ter sprake brengen, maar ik wil hem thans

wel zeggen , dat de zaak in behandeling is en voor de miliciens,

die dit jaar onder de wapenen zijn geweest en in dienst zijn

by militaire inrichtingen, reeds teu deele toepassing heeft

gevonden.

Wat het maximum van f 1 betreft, zegt de heer ter Laan ,

dat de menscheu vaak meer verdienen, maar men moet niet

vergeten , dat de groote massa bestaat uit jongelieden, die voor

eerste oefening opkomen, in den regel niet gehuwd zyn en

evenmin reeds als vol werkman veel geld verdienen.

Wy volgen den vasten regel, dat wij op advies van het gemeentebestuur

zooveel geven, dat de vrouw en kinderen in hun

onderhoud kunnen voorzien. En moge nu f 7 in de week voor

de groote gemeenten niet te veel zijn, voor vele andere plaatsen

is het meer dan voldoende en behoeft in vele gevallen zelfs niet

zooveel gegeven te worden. Op grond van hetgeen my by de

toepassing van art. 113 is gebleken, heb ik geen aanleiding

voor te stellen het maximum te verhoogeu.

De toelichting, die de heer van Karnebeek van zyn amendementen

heelt gegeven , heb ik met belangstelling gevolgd , doch

ik kan toch niet wel met den geachten afgevaardigde instemmen.

Ten aanzien van het eerste amendement zij opgemerkt, dat

indertyd in het amendement van dr. Kuyper geen artikelen

werden genoemd en was het dus aanvankelijk de bedoeling de

vergoeding te geven in alle gevallen; maar bij de tweede lezing

zyn de artikelen , waarbij het van toepassing zou zyn , er in

gebracht.

Thans is echter de vraag gerezen of er geen redenen van

billijkheid waren een anderen weg op te gaan. Wat gebeurt er

uu? Er zyn in de Militiewet eenige artikelen, dit; strafbepalingen

inhouden, byv. wegens ln-t verzuim van het doen afteeki'ion

van het zakboekje; het geen kennis geven van verhuizing;

nalatigheid by het jaarlyksch onderzoek; nalatigheid van iuschrijving

of by de inlijving ; vrijstelling verkregen op valsche

papieren , enz.

Voor de eerste feiten worden de miliciens voor ten hoogste

twee maanden onder de wapenen geroepen , doch in den regel

slechts voor zeer korten tijd en zal er vermoedelijk slechts zelden

quaestie van zyn dat zy daarvoor vergoeding vragen. In de

andere gevallen, zooals bij nalatigheid ter inlijving enz. worden

zij in de eerste plaats gestraft met inlyving zonder loting

en in de tweede plaats is bepaald dat zij dan twee jaren, in één

geval zelfs vyf jaren, onder de wapenen blyven , tenzij termen

worden gevonden om daarop terug te komen , en gebeurt het

dikwijls dat zy , wat het verblijf onder de wapenen betreft, door

de Koningin met de andere miliciens worden gelijkgesteld.

Wanneer het nu geldt kostwinners of hen die in de behoeften

van een gezin helpen voorzien, achtten wij het dubbel

hard , dat die vergoeding niet kon worden toegekend, en meenden

wy dan ook dat de uitzondering niet behoefde te worden gehandhaafd.

Dat de geachte afgevaardigde uit Utrecht de zaak

vergelijkt met die van personen die gerechtelijk zyu gestraft, gaat

myns inziens niet op. Het is waar dat zy in verzuim zyn en het

is zeker zaak, zulks, vooral voor de gevallen in het Xlde hoofdstuk

der Militiewet bedoeld, krachtig tegen te gaan, maar inlyviug

zonder loting en onder de wapenen houden gedurende

twee, eventueel vijf jaar, zyn geen zachte maatregelen en

reeds op zich zelf zeer gevoelige correctiën. Men kan echter

die personen niet gelijkstellen met hen, die in de gevangenis

terechtkomen en daarom is vermeend Hit voorstel te mogen

doen, hopende dat de Kamer er zich mede zal kunnen vereeuigen.

Ten aanzien van het tweede amendement heeft de geachte

afgevaardigde -er op gewezen dat in de oorspronkelijke redactie

niet werd gesproken van .hielp voorzien " of „ niet voldoende".

Het is volkomen waar dat het niet staat in art. 113, maar toch

wordt er in de practijk de vergoeding naar toegekend.

Waar vindt dat zyn grond in 'i Toen de heer Kuyper zijn

amendement indiende, stond er by : „ in wier levensonderhoud

hy voorzag of bydroeg ". Tegen die woorden had Minister Kool

bezwaar en de heer Kuyper heeft ze toen in de vergadering

van 24 April 1001 teruggenomen, met de volgende toelichting:

„Ik wensch acte te nemen van de uitdrukkelijke verklaring

van den Minister van Oorlog, dat, indien mijnerzijds de woorden

of bijdroeg worden weggelaten uit het eerste gedeelte van mijn

amendement en daarna alleen overblijven de woorden: M wier

levensonderhoud hij voorzag, deze niet zullen worden verstaan in

de exclusieve beteekenis van voorzien in het geheele levensonderhoud

, maar dat er ook onder zullen worden verstaan , al

zulke gevallen, .vaarby op eenigszius aanmerkelijke wyze, al is

het niet geheel. door dien ingelijfde in het levensonderhoud

wordt voorzien. Na daarvan acte genomen te hebben , heb ik

de eer mijn amendement thans aldus te wyzigen dat de woorden :

of bijdroen vervallen. Eu voorts dank ik den heer Minister voor

zyn goedgunstige bejegening van mijn voorstel."

.Sedert, is in dien zin gehandeld en hebben wij gemeend, dat

het niet alleen geen bezwaar had, maar zelfs wenschelyk was,

om thans art. ll'dbis zoo te redigeeren, dat de woorden met de

toepassing overeenkomen.

Wanneer nu de geachte afgevaardigde vreest, dat de uitgaven —

di j zeker niet onaanzienlijk zijn — daardoor te zeer zullen stijgen ,

dan geloof ik, dat die vrees niet zoo groot behoeft te wezen.

Daarom geef ik den geachten afgevaardigde in overweging

dit amendement, en ook het eerste, nog eens nader onder

de oogen te willen zien, en te willen overwegen of handhaving

er van wel gewenseht is.

De heer van Karnebeek: Mijnheer de Voorzitter! In de

eerste plaats een antwoord op het verwyt dat ik heb moeten

Handelingen der Staten-Generaal. — 1903—1904. — II.


364

20ste VERGADERING.

57. Aanvulling en wijziging van eenige bepalingen der

- 18 NOVEMBER 1903.

ilitiewet 1001, aangevuld by' de wet van 20 Juni 1902.

hooren van den heer Noltiug. By' de beoordeel ing van deze

zaak plaats ik my' op een ander standpunt dan hij, en dal

komt hem minder BOM voor.

Nu deuk ik wel, dat tusschen hem en uiü over militaire

zaken altijd verschil van gevoelen zal bestaan ; ik wenseh by

desa /aki n alty'd de belangen der defensie op den voorgrond

te plaatsen , terwijl hij dit blikbaar niet wil.

Een sprekend voorbeeld heeft hy heden daarvan opnieuw gegeven,

toen hy' \vee3 op het snelvuurge.scbut. Hy' heeft daarby'

echter uit het oog verloren, dat wanneer invoering van

snelvuurge3chut aan de orde komt, dit in de eerste plaats zal

geschieden, om onze soldaten van betere middelen van verweer

te voorzien. Dat is myu standpunt bij zulke zaken, niaar blykbaar

het zyne niet. Het is hem naar het schijnt onverschillig,

hoe onze soldaten eventueel in het vuur zullen komen, en hij

beschouwt het Oorlogsbudget als dienende voor iets anders dan

voor onze defensie en weerbaarheid.

Een bewy's, dat men voorzichtig moet zijn met de deur wy'der

open te zetten voor de vergoeding aan gezinnen van miliciens,

hebben wy juist heden weder opnieuw vernomen, want wy

hoorden dat een geheel alphabet gereed gehouden wordt, waarmede

telkens die deur verder open geduwd zal worden; een

alphabet waarvan wat reeds in de wet staat wordt beschouwd

als a , wat nu wordt voorgesteld als b en waarop dan een serie

van verdere letters zal volgen. Juist omdat ik dat voorzie, heb

ik my veroorloofd mijn amendement in te dienen.

Nu in antwoord aan den heer Minister.

Deze heeft bezwaar tegen de amendementen, maar plaatst zich

daarby op onjuisten grond.

Hy' zegt: oorspronkelyk werden in het voorstel van dr. Kuyper

de gevallen waarin men voor straf dient, niet van de vergoeding

uitgesloten. De aanhaling van bepaalde artikelen kwam oorspronkely'k

in dat voorstel niet voor, maar werd er in gebracht by

tweede lezing.

Dit is zoo, maar de conclusie die de Minister er uit trekt, is

onjuist.

Het art. 113 toch, waarin het amendement van dr. Kuyper

destijds werd opgenomen, bracht zoodanige uitsluiting vanzelf

mede, want het behandelt de ontheffingen en er wordt nooit

ontheffing verleend aan iemand die straf moet dienen.

Bij de tweede lezing viel daarop de aandacht, en werd men

opmerkzaam dat het artikel ten gevolge van de redactie van het

amendement van dr. Kuyper niet meer klopte , omdat in die

redactie geen restrictie was gemaakt voor de gevallen van strafdi


365

20ste VERGADERING - 18 NOVEMBER 1903.

57. Aanvulling eu wijziging van eenige bepalingen der Militiewet 1901, aangevuld by de wet van 20 Juni 1902.

omdat in de Memorie van Antwoord door den Minister zelf wordt

medegedeeld, dat iu den regel bet maximum niet wordt uitgekeerd.

Ik beb bier ook voor iny het verslag van het hoofdbestuur

van den Uond vat) miliciens, (lat eindigt met de volgende woorden :

„Men ziet, persoonlijke meeningen, goedwilligheid en goedhartigbeid

in kleine plaatsen , sympathie en antipathie kunnen den

doorslag geven. Overal was de vergoeding onvoldoende. Het is

heel, heel noodig, dat aan deze willekeur een einde komt." Er

worden dus factoren in rekening gebracht, die daarbij niet thuis

behooren. Hoe laag de uitkeering soms is, blijkt uit de mededeeling,

die een van de geachte leden dezer Kamer ing nu juist deed: te

Gorredyk is een weduwe wier kostwinner in dienst moest en die

slechts f 1,50 schadeloosstelling ontvangt per week. Dat zy'n gevallen

, die niy zeker niet zonder reden ongerust doen zijn. De

heer van Karnebeek mag zeggen, dat het bedrag van f 280 000 nog

al hoog is ; het is slechts een honderdste gedeelte van het geheele

cyfer der begrooting van Oorlog en dus een betrekkelijk zeer

ondergeschikt bedrag. «^ -^*-VSB '•****•

Wanneer meu iu aanmerking neemt, dat ruim 8000 man die

f 280 000 moeten deelen , dan krijgt men door een eenvoudige

berekening als uitkomst, dat ieder voor zijn huisgeuooten slechts

f 35 ontvangt. Onder die 8000 man zy'n niet alleen begrepen

degenen die voor herhalingsoefeningen opgeroepen zyn, maar

ook de gewone miliciens, die voor het eerst in dienst zyn.

Wanneer een huisgezin voor ondersteuning slechts f 35 kriigt,

dan zal ieder toestemmen, dat aan de royaliteit van deu Minister

wel eenigszins valt te twijfelen.

Als het alleen de bijzondere oproeping en de herhalingsoefeningen

betrof, dan was bet wat anders. Maar voor een

zeer groot gedeelte betreft het mannen die het gansche jaar

dienen. Daarom kwam ik tot den Minister met het verzoek,

om dat stuk uit de Memorie van Antwoord, waarin hij verklaarde,

in den regel niet tot het maximum te willen gaan,

terug te nemen. Hij i3 daartoe echter niet geneigd, en hierin

vind ik aanleiding, om het omgekeerde te doen van hetgeen

de heer van Karnebeek doet. Nu de Minister duidelijk gezegd

heeft, dat liy althans in hoofdzaak, volhardt bij het door

hem tot nog toe rechtvaardig gevonden stelsel, komt het mij

voor, dat de Kamer den Minister een wenk dient te geven,

dat zij het uitgekeerde bedrag te laag vindt. Daarom zal ik

met mijn partygenooten de vrijheid nemen, een amendement

in te dienen , om het bedrag van f 1 per dag op f 2 te stellen

als maximum. Dit amendement bedoelt niet te zeggen , dat

de Minister steeds de helft te weinig heeft uitgekeerd en

nu alle bedragen moet verdubbelen, maar het is een wenk van

ons — en ik hoop dat de Kamer liet daarmede eens zal zijn —

dat de Minister hooger moet gaan dan tot nu toe geschiedde.

Daar komt iets anders by. De Minister zegt, dat geen der

gemeentebesturen den raad gaf, hooger dan f 7 te gaan. Dat

spreekt vanzelf; waar f 20 per maand het maximum is — dus

± f 4,60 per week — is het duidelijk, dat niet geadviseerd

wordt f 0 of f 7 te geven. Daarby is tot heden alleen het oog

gericht op soldaten van de jongste lichting. Maar de ervaring

van dit jaar zegt ons iets anders.

Ik wijs op buitengewone omstandigheden en op de herhalingsoeleningen

Wauueer een milicien van 2) jaar in dienst komt,

is hy in den regel ongehuwd en heeft weinig zorgen, maar als

iemand voor den 3den keer voor herhalingsoefeningen wordt

opgeroepen, kan het zijn dat hij 2, 3,4, soms nog meer kinderen

heeft. Velen hebben zaken waaruit zij moeilijk kunnen worden

gemist. In zulk een geval is een bedrag van 1'l bespottelijk laag

en vooral in zulke gevallen voorziet ons amendement. Deloonstaten

van het Bureau van statistiek wyzen dit voldoende uit.

In het kort, door de aanneming van het amendement geeft de

Kamer den Minister een grootere bevoegdheid, in de overtuiging,

dat de tot nu toe uitgekeerde bedragen te laag zyn.

De Voorzitter: Door de heeren ter Laan, Helsdingen,

Melchers, Schaper, Troelstra en van Kol is een amendement

ingediend om iu art. IVóbis, 1ste lid, te lezen in plaats van

„één gulden": „twee gulden".

Het amendement, voorgesteld door zas leden , behoeft niet nader

te worden ondersteund.

De heer Heemskerk : voorzitter der Commisnie van Rapporteurs,

het woord verkregen hebbende om , namens deze, haar gevoelen

over de amendementen mede te deelen , zegt: De Commissievan

Rapporteurs adviseert de Kamer tot verwerping van de drie

amendementen.

De heer Bergun ius, Minister van Oorlog: Voor dat ik de

amendementen van den heer van Karnebeek nader bespreek, wil ik

gaarne een tekortkoming herstellen en den geachten afgevaardigde

antwoorden op een vraag in zyn eerste rede gesteld, en wel

dat het uit den aard der zaak de bedoeling is dat wegens het

onder de wapenen zyn van een milicien, die in de termen van

art. 1l'.ibis verkeert, nooit meer dan éénmaal de vergoeding

van ten hoogste één gulden zal worden toegekend.

In de tweede plaats heeft de heer van Karnebeek er op

gewezen, dat door het niet aanvaarden van het eerste amendement

een nieuw beginsel in onze wetgeving zou komen.

Het zal vermoedelijk wel leggen aan myn opvoeding, maar ik

voel dat niet; ik kan hier die miliciens niet gelijkstellen met

menschen die strafrechtelijk worden behandeld. Ik meen, dat

dergelijke personen in sommige gevallen heel onschuldig aau het

verzuim zijn. Ik noem de quaestie van de inschrijvingen, waarvoor

vader, moeder of voogd in de eerste plaats hebben te zorgen.

Bovendien doen de verzuimen zich niet enkel voor onder degenen

die in de omstandigheid verkeeren dat zy vergoeding moeten

vragen. | '> «*•

Myn ervaring heeft my juist geleerd dat het nog al eens voorkomt

in andere kringen, die aau vergoeding niet denken, waar

men er toevallig niet op gelet had, dat de zoon 18 jaar was

geworden.

Als men alles by elkander neemt, gaat het niet om een

groot aantal. Doch ook afgescheiden daarvan gaat het mijns inziens

niet aan om deze personen gelyk te stellen met degenen die

strafrechtelijk vervolgd zijn. Zy worden, zooals reeds gezegd is,

getroffen door de directe inlijving, door het 2 jaren achtereen

dienen , in sommige gevallen 5 jaren , en bestaan er dus wel

redenen om in gevallen dat broodsgebrek zou ontstaan , niet

tevens het gezin te treffen.

De geachte afgevaardigde heeft verder gezegd dat het biilyk

eu oordeelkundig toekennen van schadevergoeding wel wenschelyk

is, doch niet zou strekken tot verhooging van de verdedigbaarheid

van ons land.

Het komt mij voor, dat zulks indirect wel het geval is. Daardoor

toch wordt de gemoedsstemming van die betrokken personen

in goeden geest geleid, en zal een tevreden stemming ontstaan,

die het leger ten goede komt.

De geachte spreker zegt, dat door het nieuwe artikel de vergoeding

zou losgemaakt zyn van de ontheffing.

Dit is toch niet geheel juist, daar het vierde lid van art. 113

van kracht blijft, al moet worden toegegeven dat het verband

iets losser is geworden.

Verder heeft de geachte spreker het tweede amendement besproken

en gevraagd of in de woorden : „eeuigszius aaninerkelyke

bijdrage", geen waarborg lag.

Als ik vroeg: wat beteekent een „eenigszins aanmerkelijke

bijdrage", geloof ik niet dat iemand daarop absoluut zou kunnen

antwoorden. Zoo is f 2 in de week byv. een eenigszins aanmerkelyke

bydrage voor een arbeider iu Drenthe, die f 3,50

's weeks verdient, voor anderen daarentegen niet.

Om den geachten afgevaardigde een beeld te geven van hetgeen

in dit opzicht is gedaan , kan ik wyzen op een staat van

vergoedingen die zyn toegekend. Ik zal dien staat niet geheel

voorlezen , maar er alleen op wijzen dat vau de 8281 gevallen

in 101 gevallen minder dan f 8 is gegeven; in alle andere gevallen

is f 8 en meer gegeven ; de groote meerderheid heeft

f 12, f 13, f 14 en meer gehad. In de ltil gevallen dat minder

is uitgekeerd, heeft men f 7,50, f 0 en f 5, in zeer enkele gevallen

nog minder gegeven.

De regel geldt byv. dat voor iemand die by zyn moeder woont

en f 5 bydraagt, doch f 2,50 aan onderhoud kost, gegeven

wordt in reden van f 2,50 per week ; om een vasten regel te

stellen voor hetgeen eenigszins aan merkel yk is, zou zeer moeilyk

zyn , maar in de toepassing zal daarop worden gelet.

Ik ben dan ook van meeumg dat uit dien hoofde het tweede


366

20ste VERGADERING. - 18 NOVEMBER 1903.

57. Aanvulling en wijziging van eenigo bepalingen der Militiewet 1901, aangevuld by de wet van 20 Juni 1902.

amendement niet noodig is, en dat van de tot nu toe gevolgde ' gezette overweging en op goede gronden. Overigens zal ik hetpractyk

geen te groote opdrijving der uitgaven is te vreezen.

Ten slotte het amendement van den heer ter Laan. Nadat de

Commissie van Rapporteurs haar oordeel heeft medegedeeld, zal

ik daarover niet meer uitweiden. Het komt mij noch noodig,

noch geweiiseht voor. Niet gewenscht, omdat het ouder bepaalde

omstandigheden tot groote uitgaven kan leiden , en niet noodig,

omdat ik niet de overtuiging heb gekregen door de behandeling

van deze zaak , dat het noodig zou kunnen zn'n.

Ik zeg dit niet zonder ervaring, want ik heb duizende gevallen

persoonlijk behoorlek nagegaan en dat heeft my juist voor

deze zaak veel doen gevoelen , want ik heb daardoor in vele

gevallen kunnen zien hoe goed deze tegemoetkoming werken kan.

Nu heeft de heer ter Laan gezegd, dat hij niet alleen miliciens

heeft gesproken, maar ook burgemeesters, en dat dezen

hebben gezegd, dat wij soms zoo beknibbelen op de voorgestelde

vergoedingen. Deze mededeeling verbaast mij. Natuurlyk

is het wel voorgekomen dat van de adviezen i< afgeweken,

maar in den zin van beknibbelen zeker niet. Integendeel is

mij ter oore gekomen. dat somtijds burgemeesters hebbeu

verklaard dat het zoo moeilijk was om in dezen te adviseeren,

omdat de Minister er gewoonlijk nog t 1 of meer oplegde.

En dat is ook gtbeurd. Vooral in den tyd, dat «Ie miliciens

onverwachts waren opgeroepen en geruimen tijd in 's landt

belang onder de wapenen zijn gehouden. Toen is met ietwat

ruime hand vergoeding toegekend. Overigens heb ik bepaald dat

afwijking in het mindere niet mag geschieden. dan nadat ik

het geval persoonlijk heb nagegaan.

Ik kom er dus pertinent tegen op, dat wij kariger zouden

geweest zijn dan de adviezen van de burgemeesters aangaven.

Het is gemakkelijk om hier te spreken over enkele gevallen,

die niet goed terecht zijn gekomen , ranar het is niet zoo gemakkelijk

om over meer dan 8000 gevallen te beslissen.

Het is mogelijk dat er onder de miliciens zijn , die wat meer

en anderen die wat minder hadden behooren te hebben , maar

met den meesten ernst is gestreefd om rekening te houden met

de adviezen, en wanneer er ook al een enkele maal in het mindere

van wordt afgeweken , dan geschiedt dit nooit anders dan na

(1) DEPARTEMENT VAN OORLOG.

Vilde AFDKF.UKO.

geen de geachte afgevaardigde zeide, dat een man f 1,50 per

week heeft gekregen , laten rusten. Op zich zelf is die mededeeling

zonder waarde, wanneer men niet weet wie de persoon

was, en welke behoefte hy had. Het maakt toch een groot

onderscheid of men woont in Limburg, achter op de hei in

Drenthe of in Amsterdam. Ook de berekening dat de f250000

over 8000 man verdeeld een zeker bedrag vertegenwoordigt, heeft

geen beteekenis , omdat de tijd dat de mentenen onder de wapenen

zun gebleven, zoo verschillend is. Wanneer men dit wenschelijk

acht wil ik hier wel in de Handelingen een staat doen afdrukken

betreffende de verstrekkingen van dit jaar.

De Voorzitter: Ik stel voor den heer Minister het gevraagde

verlof te verleenen.

Daartoe wordt besloten. (1)

De heer van Kariicljcek : Ik geloof dat een debat over mijn

amendementen althans wat het strafrechtelijke geschilpunt aaugaat,

moeilijk zal kunnen worden voortgezet, want de Minister

plaatst zich op een zuiver humanitair standpunt, waardoor het

juridische bezwaar natuurlijk buiten spel komt. Dat is dus een

geschilpunt dat eventueel nader met den Minister van Justitie

te behandelen zal zijn.

Wanneer de Minister alleen zegt, dat hjj de gezinnen deigestrafte

miliciens een goed hart toedraagt, dan kan ik wat mij

zelf betreft, dit nok zeggen : maar hij heeft het woord betjiiisel

gebezigd. In de Memorie van Antwoord heeft hij gesproken van

een beginsel, waarvan het uitvloeisel nu in de wet is opgenomen.

En ik meen aangetoond te hebben, dat integendeel thans

een nieuw beginsel zou worden aangenomen. Staat het nu echter

vast, dat dit laatste de bedoeling der Regeering niet is, maar dat

het alleen geldt het toonen van een meer of minder goed hart,

dan wil ik niet harder zijn dan de Minister en trek ik mijn

eerste amendement in , mits vaststa, dat hier geen nieuw beginsel

wordt aangenomen.

Wat mijn tweede amendement betreft, wensch ik mij te houden

OVERZICHT van de toegekende vergoedingen, de verleende ontheffingen, enz. gedurende het jaar 1903 tot en met IQ

November. Aantal behandelde verzoeken : 10 257.

Arti-

kelen.

20 19 18 17' ,

1 1

17 | 16 15 14 187, 1812"/,

Toegekende bedragen in guldens.

i

J 2 1110V 2 10 9 'S'/J 8 |7'/J 7 6 5 4 3 2'/

T °-

* '\ talen.

Aanmerkingen.

107 en 109 243 100 2 141 172 [104 5 7 141 192 9 37 h\ 6 9 16 2 1 1192 De getallen tus—

schen boogjes geven

(1) (1) (2) aan de gevallen,

a b wuarin het bedrag

110 432 330 225 102 90 2 115 149 1 28 4 7 2 1487 over twe tijdvakken

is toegekend.

111 1624 1 992 1 31 1020 687 222 3 12 137 340 3 7 298 32 2 81 38 5 40 24 * 1 1 5602 a. la slechts 51

(2) (3) O) (3) (2) (31) ll«7) (5) (77) (5) (O (8) (11) (2) (D (8) (1) (283) [jeum geweest.

b. Al:, voren 35

ila r M.

"

milicien , die de toe-

(2) (4) (1) (3) (2) (31) 127)

n (77) (5) (0 (4) n (2) (1) (8) e» gekende vergoeding

(285) geweigerd heeft,

(mil.

LEKVENDIG.)

Totalen aaftfl 1 1422 1 33 138o 961 416 3 1 7 639 42 2 146 43 1 53 47 2 M 2 8281 gekende vergoeding

Vergoeding toegekend (zie hierboven)

Ontheffing verleend . . . .

Aan de belangen te gemoet gekomen door het verleenen van uitstel of verlof . . . .

Afgewezen

Buiten beschikking gebleven , meest alle ingetrokken verzoeken

Ingetrokken ontheffingen, op verzoek

Aanvragen om verhooging van vergoediug (waarvan 4 ingewilligd) . .

Toegekende vergoedingen ingetrokken (verbetering in de huishoudelijke omstandigheden)

Totaal .

281

194

165

1460

136

8

10

3

10257


Vel Mu 367 Tweede Kamer.

20Mte VERGADERING. — 18 NOVEMBER 1903.

57. Aanvulling en wijziging van eenige bepalingen der Militiewet 1901, aangevuld by de wet vau 20 Juni 1902.

aan de tegenwoordige practyk ra waar de Minister nu met

cijfers en aanhalingen heeft betoogd, dut dit ook zijn bedoeling

is, wil ik toegeven, dat iedere uitdrukking ten deze eene zekere

vaagheid lx/it. Onder voorwaarde, dat niet alleen deze Minister,

maar zijn opvolgers zich zullen houden aan de tegenwoordige

beteekenil der bestaande wetsbepaling en dat er niet beoogd

wordt de deur wijder open te zetten , wil ik ook mijn tweede

amendement intrekken.

De heer Itergansius, Minister van Ootloq: Mijnheer do Voorzitter!

Wat het eerste amendement betreft, komt het mij voor

dat er in zoover misverstand kan bestaan, dat, waar in de Memorie

van Antwoord gesproken is van een beginsel, in de wet

gelegd , wy bij het neerschrijven daarvan niet hebben gedacht

aan het beginsel, dat familieleden en betrekkingen van gestraften

zouden worden ondersteund. Het is alleen de bedoeling

geweest om te zeggen : dat het beginsel er is dat miliciens, die

onder de wapenen zy'u geroepen en wier gezinnen daardoor niet

of niet voldoende in hun onderhoud kunnen voorzien , vergoedmg

zullen krijgen , in zekeren zin als contra praestatie voor

den dienst der miliciens. Het andere staat er geheel buiten. Ik

geloof, dat, als het amendement niet tot stand komt, de Minister

van Justitie zich toch niet gebonden z*l rekenen ten opzichte

van de gezinnen van gestraften, en dat er dus geen sprake

is van een nieuw beginsel voor dezen.

Wat het tvveede amendement betreft, doet het mg genoegen

dat de geachte afgevaardigde dit wil intrekken na de verkla*

ring, die ik zooeven heb gegeven en waardoor ik vertrouw, dat

ook mijn opvolgers zich gebonden zullen achten.

De Voorzitter: Worden de amendementen van den heer

van Karnebeek ingetrokken ?

De heer van Karnebeek:

Ja, Mynheer de Voorzitter!

De Voorzitter: Daar de beide amendementen van den heer

van Karnebeek door den voorsteller zijn ingetrokken, maken zy

geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

De beraadslaging wordt gesloten.

Tellet amendement van den heer ter Laan c. s. komt instemming

en wordt met 58 tegen 15 stemmen verworpen.

Teijrn hebbeu gestemd de heeren Bolsius, Dolk , Fock , van

Idsinga , Tydemau . van der Vlugt, van Wassenaer vau Catwyck ,

van Karnebeek, Heemskerk, van Nispen tot Seveuaer, Aalberse,

Brummelkamp , van Limburg Stirum , van Kaalte, Merckelbach,

Sassen, Röell, Frieten, van Wijck, van Asch vau VVijck,

van Löben Sels, Brants, Ferf, Rink, Goeman Burgenas, Janssen,

Talma , Hennequin , Kolkman , Travaglino , van Bylandt, van

Styrum, Sluis, van Vlymen, van Vliet, Okma, de Boer,

Zylma, Verhey, van Gijn, Schokking, Willinge, Nolens,

Beckers, van Veen, van Wichen , Roessiugh , de Savornin

Lohman , Duymaer van Twist. Pompe van Meerdervoort, Krap,

Lucasse, Arts, van de Velde, Michiels van Verduynen, Cremer,

van den Berch van Heemstede en de Voorzitter.

Foor hebben gestemd de heeren Schaper , Marchaut Melchers,

de Klerk, Pijnacker Hordijk, Smidt, Bos, Drucker , Staalman,

Troelstra, van der Zwaag, ter Laan , Nolting, Ketelaar en van Kol.

fT t Onderiirt. LlSMl wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

De Voorzitter: In ouderart. 114 isdoor de Uegeering alsnog

een wijziging gebracht, nadat de schriftelijke gedachtewisseling

was atgeioopen. Mag ik vragen, of de Commissie van Happorteurs

bezwaar heeft tegen deze wyziging P

De heer Heemskerk, voorzitter der CommissieMM Rapporteurs:

Neen , Mynheer de Voorzitter.

Het r/eu-ijzigde onderarl. 111 wordt zonder hoofdelijke stemming

aangenomen.

De onderartt. 133 en 1415 worden achtereenvolgens zonderberaadslaging

en zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

Art. 1 wordt zonder hoofdelijke stemming aangenomen.

De Voorzitter: Door de Uegeering is art. 2 zoodanig gewijzigd

, dat dit artikel thans zal luiden:

, Deze wet treedt in werking op HO November 1903".

Beraadslaging ove; dit artikel, waarop door de Commissie van

Rapporteurs een amendement is voorgesteld, strekkende om

het artikel te lezen :

, Deze wet treedt in werking op 3') November 1903 , met

uitzondering van de bepaling betrekkelijk art. 96 van de Militiewet

1901, welke met 1 Maart 1904, en van die betrekkely'k

art. 109 vau de Militiewet 1901, welke met 1 Augustus 1904

in werking treedt."

De heer Heemskerk ontvangt het woord toelichting van het

door Commissie vau Rapporteurs voorgesteld amendement en

zegt: Uit den aard der zaak kan de toelichting zeer kort zyn.

De bedoeling waarmede dit amendement is voorgesteld is

geenszins om zich op eenige wijze uit te spreken over de vraag,

welke oefeningstyd noodzakelijk moet geacht worden.

üe Commissie van Rapporteurs billykt volkomen de bedoeling

waarmede de Regeering de wyziging vau art. 96 heeft voorgesteld.

Afgescheiden van de wenschelykheid dezer wyziging in het algemeen,

was het echter naar de meening der Commissie van

Rapporteurs de vraag, of die wyziging kon worden toegepast op

de thans in dienst zynde lichtingen. Zy' meent dat het van

belang is, dat de miliciens zooveel mogelyk van te voren weten

hoe lang de oefeningstyd zal duren en men niet op het laatst

wordt overvallen met een nieuwe wetsbepaling, waardoor de

oefeningstijd verlengd wordt.

Het amendement heeft dus alleen het karakter van een overgaugsbepaling.

Daarom heeft de Commissie van Rapporteurs

voorgesteld de bepaling betrekkely'k art. 96 eerst in werking te

doen treden met 1 Maart 1904.

De redactie van dit amendement zal een kleine wyziging

moeten ondergaan overeenkomende met die door de Regeering

aangebracht. De woorden „en van die betrekkely'k art. 109 van

de Militiewet 1901, welke met 1 Augustus 1904" zullen moeten

vervallen.

Ik geloof voorts, dat misschien nog een kleine wyziging in

het amendement zou kunnen worden aangebracht.

De Commissie heeft zich gehouden voor alle bepalingen van

dit wetsontwerp, behalve die betrekkelijk art. 96, aan de in>werkingtrediug

op 30 November 1903. Zonder toelichting kon

de Commissie daarin moeilijk een wijziging voorstellen, maar

nu ik gelegenheid heb om even de redenen , die voor een anderen

termijn pleiten mede te deelen, kan ik zeggen, dat er aanleidiug

zou kunnen zijn om te lezen , in plaats van : 30 November

10 December.

De zaak is deze. Het is vau belang, dat dit wetsontwerp in

werking treedt vóór de militieradeu bijeenkomen en dit geschiedt

op den tweeden Maandag in December, dat is ditmaal

14 December. Wanneer wij dus een datum nemen, die eenigszins

dicht komt bij 14 December, maar nog daaraan voorafgaat,

treedt het wetsontwerp tijdig in werking. Daarom zou ik

willen vragen , of er by de Kegeering bezwaar bestaat om den

datum van inwerkingtreding te bepalen op 10 December 1903.

Het voordeel dat men daarmede verkrygt, zou dit wezen.dat

de Eerste Kamer niet zoo overhaast dit behoefde te behandelen.

Het zou dus uit een oogpunt van deferentie voor de Eerste

Kamer aanbeveling verdienen.

Alvorens deze wyziging in het amendement wordt aangebracht,

zou ik willen vragen of daartegen by de Regeering

geen bezwaar bestaat.

De heer Hergansius, Minister van Oorlog: Mynheer de

Voorzitter! Wat dit amendement betreft, behoef ik u niet te

zeggen , dat er voor den Minister van Oorlog een groot bezwaar

aan verbonden is.

Handelingen der Staten-Generaal. 1903 1904. — II.


308

20ste VBItüADKltING. - 18 NOVEMBER 1908.

>. Aanvulling en wijziging van Benige bepalingen ;i

More magazines by this user
Similar magazines