I&O Research_Getroffenenmonitor_2003 - Impact

impact.kenniscentrum.nl

I&O Research_Getroffenenmonitor_2003 - Impact

Getroffenenmonitor 2003


Getroffenenmonitor 2003

Derde meting


COLOFON

Uitgave:

I&O Research

Langestraat 37

Postbus 563, 7500 AN Enschede

tel. (053) 4825000

Project:

Amslv03

Rapportnummer:

2003/60

Datum:

december 2003

Opdrachtgever:

Gemeente Enschede

Langestraat 24, 7511 HC Enschede

tel. (053) 4818181

Auteurs:

drs. Marlies Bongers

dr. Rob van de Peppel

Redactie:

dr. Rob van de Peppel

Bestellingen:

Exemplaren zijn verkrijgbaar bij de

opdrachtgever.

Het overnemen uit deze publicatie is

toegestaan, mits de bron duidelijk

wordt vermeld.


Inhoud

blz.

Voorwoord

Samenvatting

1. Vraagstelling en verantwoording 1

1.1. Inleiding 1

1.2. Terugblik 1

1.3. Verantwoording 2

1.4. Statistische procedures 5

1.5. Leeswijzer 6

2. Gezondhei d en welbevinden 7

2.1. Inleiding 7

2.2. Gezondheid 7

2.3. Sociale participatie 13

2.4. Schade 16

2.5. Invloed ramp 17

2.6. Conclusies 18

3. Nazorg en afwikkeling schades 21

3.1. Inleiding 21

3.2. Gebruik nazorg 21

3.3. Tevredenheid met nazorg en schadeafwikkeling 23

3.4. Behoefte aan nazorg 27

3.5. Conclusies 28

4. Wederopbouw 31

4.1. Inleiding 31

4.2. Roombeek 31

4.3. Terugkeer 31

4.4. Buurthuisactiviteiten 33

4.5. Betrokkenheid en vertrouwen 35

4.6. Projectbureau Wederopbouw 39

4.7. Conclusies 43

5. Actuele onderwerpen 45

5.1. Inleiding 45

5.2. Herstel van vertrouwen 45

5.3. Beleidsvoorkeuren 48

5.4. Conclusies 50

6. Ondernemers 51

6.1. Kenmerken van de onderzoeksgroep 51

6.2. Gezondheid en bedrijfsvoering 51

6.3. Nazorg 55

6.4. Wederopbouw 57

6.5. Conclusies 59

7. Leeftijdsgroepen 61

7.1. Inleiding 61

7.2. Gezondheid en welbevinden 61

7.3. Wederopbouw 67

7.4. Conclusies 69

I

II


lz.

8. Allochtonen 71

8.1. Inleiding 71

8.2. Gezondheid en welbevinden 71

8.3. Nazorg 73

8.4. Wederopbouw 76

8.5. Conclusies 77

Bijlagen 79

1. Leden Begeleidingscommissie 81

2. Begrippenlijst 82


Getroffenenmonitor 2003

Voorwoord

Voorwoord

Ook in 2003 zijn de sporen van de vuurwerkramp van 13 mei 2000 nog niet uitgewist.

Toch lijkt 2003 voor veel getroffenen een jaar van herstel geweest te zijn. In

tegenstelling tot 2002 zijn er in 2003 op veel vlakken duidelijke indicaties van verbetering:

zo vertonen de meeste indicatoren voor de gezondheid en het welbevinden

van getroffenen een positieve ontwikkeling.

Dit is één van de algemene conclusies die wij trekken in de Getroffenenmonitor

2003. Dit onderzoek voert I&O Research jaarlijks uit in opdracht van de gemeente

Enschede. In samenhang met het Gezondheidsonderzoek Getroffenen Vuurwerkramp

Enschede (GGVE, zie ook de derde meting van het GGVE) geeft de Getroffenenmonitor

jaarlijks een actueel beeld van (de ontwikkeling van) het welbevinden

van getroffenen van de vuurwerkramp, hun tevredenheid met en behoefte aan nazorg

en hun betrokkenheid bij en vertrouwen in de wederopbouw.

De Getroffenenmonitor biedt de gemeente Enschede en andere bij de nazorg en

wederopbouw betrokken organisaties de mogelijkheid om de effecten van beleid en

maatregelen te toetsen èn te signaleren welke aanvullende of nieuwe maatregelen

wenselijk zijn.

Wij hopen hiermee een bijdrage te leveren aan een optimale afstemming van de

nazorg op de behoeften van getroffenen en aan een wederopbouwproces dat is

afgestemd op de wensen en behoeften van oud-bewoners.

I&O Research,

drs. Nico Buurman

directeur

I


Getroffenenmonitor 2003

Samenvatting

Samenvatting

Inleiding

Hoe vergaat het de getroffenen van de vuurwerkramp? In welke mate maken zij

gebruik van het aanbod van zorginstellingen? Zijn zij tevreden over de begeleiding

na de ramp? Voelen zij zich betrokken bij de wederopbouw van het rampgebied?

Hoe tevreden zijn zij over het verloop van de wederopbouw? En: is er sprake van

een herstel van vertrouwen tussen burgers en de gemeente Enschede? Deze en andere

vragen staan centraal in de Getroffenenmonitor 2003, een onderzoek dat tot

nu toe jaarlijks in september is uitgevoerd onder door de vuurwerkramp getroffen

Enschedeërs. Het onderzoek is in opdracht van de gemeente Enschede uitgevoerd

door I&O Research. Deze samenvatting beschrijft in kort bestek de belangrijkste

resultaten.

Wij hebben gesprekken gevoerd met drie te onderscheiden groepen getroffenen en

met een groep ‘gewone’ Enschedeërs. De drie groepen getroffenen worden in dit

rapport aangeduid als ‘geherhuisvesten’, ‘bewoners van de binnenring’ en ‘overige

getroffenen’. Deze drie groepen hebben gemeen dat zij allen op enige wijze zijn

getroffen door de ramp. Sommigen zijn gewond geraakt. Anderen hebben huis en

haard verloren en hebben daarmee materiële schade geleden. Weer anderen zijn

door de ervaringen tijdens en na de ramp getraumatiseerd. Toch zijn tussen de

groepen belangrijke verschillen aan te wijzen. Geherhuisvesten zijn Enschedeërs die

als gevolg van de ramp moesten verhuizen. In de meeste gevallen gaat het hier om

Enschedeërs die binnen de zogenoemde schuttingring woonden. Bewoners van de

binnenring woonden ten tijde van de ramp net buiten deze schuttingring. Overige

getroffenen zijn personen die niet binnen de schuttingring of de binnenring woonden

maar tijdens de ramp wel in het getroffen gebied aanwezig waren: als passant

of als hulpverlener. Tot de groep overige getroffenen rekenen wij ook bewoners van

het gebied vlak buiten de binnenring (ook wel de buitenring genoemd). Daarnaast

heeft een vierde groep aan dit onderzoek meegewerkt. Personen in deze groep, die

in dit rapport wordt aangeduid met de term ‘controlegroep’ zijn niet getroffen door

de ramp. Zij zijn niet gewond geraakt. Zij woonden ten tijde van de ramp weliswaar

in Enschede, maar hun woning stond niet in of in de directe nabijheid van het getroffen

gebied. Respondenten in deze groep hebben geen materiële schade geleden

als gevolg van de ramp. Deze groep vormt daarmee dus een afspiegeling van de

‘gemiddelde Enschedeër’.

Het vervolg van deze samenvatting beschrijft in kort bestek de belangrijkste resultaten

van de Getroffenenmonitor 2003 waarvoor in september 2003 ruim 700 gesprekken

zijn gevoerd. Eerst beschrijven we het welbevinden van getroffenen in

2003. Daarna gaan we in op hun ervaringen met, tevredenheid over en behoefte

aan nazorg. Vervolgens beschrijven we de betrokkenheid bij en het vertrouwen in

de wederopbouw van het rampgebied. Ten slotte bespreken we de situatie van enkele

specifieke groepen: getroffen ondernemers, allochtonen, en jongeren en 50-

plussers. We sluiten deze samenvatting af met de belangrijkste algemene conclusies

van het onderzoek.

II


Getroffenenmonitor 2003

Samenvatting

Gezondheid en welbevinden

Ten aanzien van de gezondheid en het welbevinden van getroffenen zijn in de Getroffenenmonitor

2003 de volgende conclusies getrokken:

Lichte afname lichamelijke klachten

Onder geherhuisvesten is het aantal mensen met lichamelijke klachten, die zij zelf

aan de vuurwerkramp toeschrijven, in 2003 gedaald (van 30 procent in 2002 naar 24

procent in 2003). Dit neemt niet weg dat geherhuisvesten ook in 2003 vaker dan

andere groepen getroffenen lichamelijke klachten hebben.

Lichte afname belemmeringen in dagelijkse activiteiten

In 2003 ervaart 25 procent van de geherhuisvesten nog belemmeringen in het uitvoeren

van dagelijkse activiteiten. Dat is vier procent minder dan in 2002, maar nog

altijd ruim meer dan in de twee andere groepen getroffenen, waar slechts een paar

procent van de mensen zich in hun dagelijkse activiteiten belemmerd voelt.

Ziekteverzuim blijft hoog

Ook in 2003 heeft nog bijna eenderde van geherhuisvesten zich een keer of vaker

ziek gemeld op het werk. Bij de andere groepen getroffenen komt ziekteverzuim de

helft minder vaak voor.

Afname huisartsbezoek

Geherhuisvesten bezoeken de huisarts in 2003 minder vaak dan in 2002. Het verschil

met de andere groepen getroffenen is kleiner geworden. Het huisartsbezoek van

met name geherhuisvesten ligt nog niet op het niveau van de controlegroep.

Afname medicijngebruik

Geherhuisvesten gebruiken in 2003 minder medicijnen dan in 2002. Het medicijngebruik

bij geherhuisvesten is praktisch gelijk aan dat van de andere groepen getroffenen.

Het verschil in gebruik van medicijnen tussen getroffenen en de controlegroep

is gering.

Aanzienlijk minder kinderen met problemen

Het aantal kinderen met problemen die mogelijk te maken hebben met de vuurwerkramp

is in 2003 afgenomen. Toch zijn in gezinnen van geherhuisvesten en overige

getroffenen nog steeds vaker kinderen met problemen dan in de controlegroep.

Gezondheid geherhuisvesten verbeterd

Het aantal geherhuisvesten dat de eigen gezondheid als slecht beoordeelt, is in 2003

gedaald. Maar ook in 2003 voelen geherhuisvesten zich aanmerkelijk vaker ongezond

dan de andere groepen getroffenen en de controlegroep.

Lichte afname psychische klachten

Bij geherhuisvesten, bewoners van de binnenring en overige getroffenen is in 2003

het aantal personen met psychische klachten, die zij zelf toeschrijven aan de vuurwerkramp,

licht gedaald. De kans op psychische klachten is bij geherhuisvesten nog

steeds aanmerkelijk groter dan bij bewoners van de binnenring en overige getroffenen.

Loesje-campagne doeltreffend in opzet

De campagne met posters van Loesje is door veel getroffenen opgemerkt en verlaagt

volgens velen de drempels om professionele hulp in te schakelen.

Toename sociale contacten

Geherhuisvesten en andere getroffenen zijn in 2003 vaker sociaal actief dan in 2002.

De mate van participatie is weer op het niveau van voor de ramp.

Meer geherhuisvesten actief als vrijwilliger

Geherhuisvesten en andere getroffenen zijn in 2003 vaker actief als vrijwilliger. Geherhuisvesten

zijn nog minder vaak als vrijwilliger actief dan de controlegroep.

III


Getroffenenmonitor 2003

Samenvatting

Buurtintegratie verbeterd

De buurtintegratie van geherhuisvesten is verbeterd ten opzichte van 2002. De

buurtintegratie van geherhuisvesten en andere getroffenen wijkt in 2003 niet meer

sterk af van de controlegroep.

Noaberschap niet toegenomen

Het aantal geherhuisvesten met een sterk ontwikkeld noaberschap is niet toegenomen

ten opzichte van 2002. In dit opzicht blijven geherhuisvesten achter bij andere

getroffenen en de controlegroep.

Daling gevallen van niet-gecompenseerde schade zet door

Nog ongeveer eenvijfde van de geherhuisvesten heeft in 2003 nog nietgecompenseerde

schade. Vergeleken met vorig jaar is het aantal getroffenen met

niet-gecompenseerde schade licht gedaald. De daling doet zich zowel voor bij geherhuisvesten,

bewoners van de binnenring en overige getroffenen.

Invloed ramp nog steeds groot

De ramp oefent ook na ruim drie jaar nog grote invloed uit op het leven van getroffenen.

Geherhuisvesten merken daar het meest van. Maar ook bij bewoners van de

binnenring en de overige getroffenen laat de ramp nog steeds sporen na. Opvallend

is dat de invloed van de ramp bij de controlegroep gestaag afneemt. Slechts een

kleine fractie van ‘gemiddelde Enschedeërs’ is anno 2003 nog van mening dat de

ramp veel invloed op het eigen leven heeft.

Getroffenen kunnen effecten ramp beter relativeren

Een groter aantal getroffenen ziet ook duidelijk positieve effecten van de ramp. Na

een daling vorig jaar zien we dit effect in alle groepen getroffenen optreden. Er zijn

in dit opzicht geen verschillen meer tussen geherhuisvesten, andere getroffenen en

de controlegroep.

Nazorg en afwikkeling schade

Gebruik nazorg constant

Getroffenen doen in gelijke mate als in 2002 een beroep op nazorginstellingen. Tussen

nazorginstellingen vinden we wel verschillen. Zo is het beroep op maatschappelijk

werk en Mediant gedaald, terwijl contacten met medisch specialisten en alternatieve

genezers een toename laten zien. Getroffenen doen nog steeds aanmerkelijk

vaker een beroep op instellingen die bij de nazorg betrokken zijn dan de controlegroep.

Tevredenheid met nazorg blijft hoog

De meeste getroffenen zijn tevreden over de kwaliteit van de nazorg. We vinden in

dit opzicht geen grote verschillen tussen groepen getroffenen. Onder geherhuisvesten

neemt de tevredenheid voor het tweede achtereenvolgende jaar licht toe.

Tevredenheid over herdenking

De meeste getroffenen zijn evenals vorig jaar tevreden over de herdenkingsactiviteiten

van 13 mei 2003. Dat geldt zowel voor de stille tocht naar het kindermonument

als voor het officiële deel van het herdenkingsprogramma.

Toename tevredenheid schadeafwikkeling bij geherhuisvesten

Toename tevredenheid schadeafwikkeling bij geherhuisvesten

Voor het tweede achtereenvolgende jaar neemt het aantal geherhuisvesten dat

tevreden is over de schadeafwikkeling licht toe. Andere groepen zijn nog steeds wel

iets vaker tevreden over de schadeafwikkeling, maar het verschil met geherhuisvesten

is niet groot meer.

IV


Getroffenenmonitor 2003

Samenvatting

Tevreden over optreden instanties stabiel

Getroffenen zijn evenals in 2003 over het geheel genomen tevreden met het optreden

van instanties na de vuurwerkramp. Toch zijn er tussen instanties wel wat verschillen.

Zo zijn geherhuisvesten minder tevreden over de gemeente Enschede. Opvallend

is verder dat onder geherhuisvesten de tevredenheid met het optreden van

de woningcorporaties toeneemt, terwijl de overige getroffenen juist aanmerkelijk

minder vaak tevreden zijn over corporaties.

Lichte afname nazorgbehoefte

Nog ongeveer eenvijfde van de geherhuisvesten overweegt in 2003 contact op te

nemen met een nazorginstelling. Dat is iets minder dan vorig jaar. Bij andere groepen

is de nazorgbehoefte vrijwel afwezig.

Wederopbouw

Afname onzekerheid over terugkeer

De meeste geherhuisvesten weten inmiddels of ze al dan niet terug willen keren

naar Roombeek. Het aantal geherhuisvesten dat terug wil stijgt, ten koste van het

aantal geherhuisvesten dat zeker niet terug wil.

Bekendheid terugkeermogelijkheden neemt toe

Geherhuisvesten zijn beter op de hoogte van terugkeermogelijkheden dan in 2002.

Deelname activiteiten buurthuizen daalt

Het aantal getroffenen dat heeft deelgenomen aan buurthuisactiviteiten is in 2003

gedaald. Deze daling deed zich vooral voor bij geherhuisvesten en bewoners van de

binnenring. De deelnemers zijn zeer tevreden over de activiteiten die zij hebben

bijgewoond.

Geherhuisvesten meer betrokken bij wederopbouw

De betrokkenheid bij de wederopbouw neemt toe bij geherhuisvesten. Bij de andere

groepen getroffenen en bij de controlegroep vinden we een daling van de betrokkenheid

bij de wederopbouw.

Veel vertrouwen in nieuwe wijk

Zowel bij de getroffenen als bij de controlegroep is, evenals in 2002, het vertrouwen

in de nieuwe wijk stabiel en hoog tot zeer hoog. Iets meer geherhuisvesten verwachten

dat er bij de wederopbouw ook echt rekening met de wensen van bewoners

gehouden zal worden. Verder valt op dat de getroffenen en de controlegroep

vaker van mening zijn dat bij de wederopbouw de belangen van de Enschedese bevolking

voorop zullen staan.

Vertrouwen in gemeente stijgt licht

Bij alle groepen getroffenen en bij de controlegroep valt op dat het vertrouwen dat

men in (vertegenwoordigers van) de gemeente Enschede heeft, licht toeneemt.

Bekendheid Projectbureau Wederopbouw licht toegenomen

Bekendheid Projectbureau Wederopbouw licht toegenomen

De bekendheid van het Projectbureau Wederopbouw, de gemeentelijke dienst die

de wederopbouw van Roombeek regisseert, is in 2003 licht toegenomen. Deze toename

is het sterkst bij de controlegroep. Het Projectbureau is met name bij geherhuisvesten

goed bekend.

V


Getroffenenmonitor 2003

Samenvatting

Actueel

Afname tevredenheid over aanpak veiligheid bij geherhuisvesten

Met name bij geherhuisvesten vinden we een afname in de tevredenheid over de

aanpak van veiligheidsproblematiek door de gemeente. Evenals in 2002 zeggen de

meeste getroffenen en de controlegroep dat zij nog weinig merken van wat de gemeente

Enschede doet met de aanbevelingen van de commissie Oosting. Een minderheid

van de getroffenen en de controlegroep zegt goed op de hoogte te zijn van

de activiteiten die de gemeente onderneemt om de veiligheid te verbeteren.

Nog steeds veel steun voor extra maatregelen voor getroffenen

Evenals vorig jaar is er zowel bij getroffenen zelf als bij de controlegroep nog steeds

veel steun voor extra maatregelen.

Meer duidelijkheid over gewenst beleid ten aanzien van vuurwerkshows

Getroffenen en de controlegroep voelen minder vaak voor een algeheel verbod op

vuurwerkshows. Zij neigen er wel naar dat de gemeente in de toekomst terughoudend

met dit soort evenementen moet omgaan.

Tabel 1 vat deze bevindingen kort samen. Een zwarte stip in de tweede kolom (‘verbetering

ten opzichte van 2002’) geeft aan dat op een indicator de toestand van

getroffenen is verbeterd vergeleken met de vorige Getroffenenmonitor. Een zwarte

stip in de derde kolom (‘niveau voor de ramp bereikt’) duidt aan dat de toestand van

getroffenen weer op het niveau is van vóór de ramp of dat er geen verschil meer is

met de controlegroep. Een leesvoorbeeld: er is sprake van minder lichamelijke klachten

bij getroffenen, maar het niveau van voor de ramp is nog niet bereikt.

VI


Getroffenenmonitor 2003

Samenvatting

Tabel 1

Samenvatting van ontwikkeling in indicatoren.

indicator

verbetering ten

opzichte van 2002

niveau van voor

de ramp bereikt in

2003

gezondheid en welbevinden

lichamelijk klachten

dagelijkse activiteiten



ziekteverzuim

huisartsbezoek


medicijngebruik • •

problemen kinderen

ervaren gezondheid

psychische klachten




sociale contacten • •

vrijwilligerswerk


buurtintegratie • •

noaberschap


niet-gecompenseerde schade

ziet ook positieve kanten



nazorg en wederopouw

gebruik nazorg

tevredenheid met nazorg

tevredenheid over herdenking



tevredenheid met afwikkeling schade


tevredenheid met optreden instanties


nazorgbehoefte


bekendheid terugkeermogelijkheden • •

betrokkenheid bij wederopbouw

terugkeergeneigdheid • n.v.t.

vertrouwen in nieuwe wijk


beleid gemeente

vertrouwen in gemeente • •

zichtbaarheid aanpak veiligheid

herstel van vertrouwen

totaal: 28 17 11

VII


Getroffenenmonitor 2003

Samenvatting

Ondernemers

Op het vlak van gezondheid gaat het in 2003 met ondernemers die door de ramp

zijn getroffen, beter dan in 2001 en 2002. Er is echter geen sprake van een afname

van contacten met nazorginstellingen. Wel geven ondernemers in 2003 minder vaak

aan dat de ramp nog veel invloed op hun leven heeft. Over het algemeen zijn getroffen

ondernemers tevreden met de bedrijfsruimte en met de buurt waarin het

bedrijf is gevestigd. De meeste ondernemers zijn in 2003 tevreden met de schadeafwikkeling

door de verzekeringsmaatschappijen. Ondernemers zijn in meerderheid

ontevreden over de schadeafwikkeling via de regelingen van CFA I en CFA II. Eenderde

van de getroffen ondernemers is van plan naar Roombeek terug te keren. De

meeste getroffen ondernemers beoordelen de nieuwe wijk, op basis van de plannen,

als ondernemersvriendelijk.

Jongeren en 50-plussers

Zowel bij jongeren als 50-plussers vinden we op veel indicatoren voor gezondheid,

welbevinden, nazorg en wederopbouw verbetering. Bij veel jongeren zijn deze verbeteringen

dermate sterk dat de groep die nog echt problemen ondervindt erg klein

is geworden. Dit geldt nog niet voor de mensen tussen 30 en 50 jaar en de 50-

plussers. Bij de groep mensen tussen 30 en 50 jaar is de vooruitgang ten opzichte

van 2002 kleiner dan bij de jongeren. Daardoor is de groep die nog problemen ondervindt

groter. Hetzelfde geldt voor de 50-plussers waar geen afname van psychische

klachten merkbaar is en waar ook de behoefte aan nazorg niet daalt. Verder

valt op dat bij de 50-plussers de terugkeergeneigdheid nog steeds toeneemt, evenals

de betrokkenheid bij de wederopbouw.

Tabel 2

Samenvatting van ontwikkeling in indicatoren.

16-29 jaar 30-49 jaar 50 jaar en ouder

verbetering

t.o.v.

2002

niveau

van voor

de ramp

bereikt

in 2003

verbetering

t.o.v.

2002

niveau

van voor

de ramp

bereikt

in 2003

verbetering

t.o.v.

2002

niveau

van voor

de ramp

bereikt

in 2003

ervaren gezondheid • •

lichamelijke klachten • • • •

dagelijkse activiteiten • • •

huisartsbezoek • • •

medicijngebruik •• • •• • • •

psychische klachten •• • •

gebruik nazorg • •

sociale contacten • • • • • •

invloed ramp • • •

behoefte aan nazorg • • •

niet-gecompenseerde schade • •

terugkeergeneigdheid

betrokkenheid bij wederopbouw



VIII


Getroffenenmonitor 2003

Samenvatting

Allochtonen

Bij niet-westerse geherhuisvesten vinden we op vrijwel alle indicatoren voor gezondheid,

welbevinden en nazorg positieve ontwikkelingen. Deze verbeteringen

hebben het karakter van een inhaalslag. Vaak zijn de verbeteringen die optreden

sterker dan bij westerse en Nederlandse geherhuisvesten. Toch gaat het met allochtone

geherhuisvesten nog steeds slechter dan met de westerse en Nederlandse geherhuisvesten.

De verschillen tussen deze groepen worden echter wel kleiner.

Tabel 3

Samenvatting van ontwikkeling in indicatoren.

niet-westerse geherhuisvesten

westerse en Nederlandse

geherhuisvesten

verbetering

t.o.v. 2002

niveau van

voor de ramp

bereikt in 2003

verbetering

t.o.v. 2002

niveau van

voor de ramp

bereikt in 2003

ervaren gezondheid


lichamelijke klachten • •

dagelijkse activiteiten


huisartsbezoek • •

medicijngebruik • • •

psychische klachten


gebruik nazorg • •

sociale contacten • •

behoefte aan nazorg • •

niet-gecompenseerde schade • •

terugkeergeneigdheid • •

Eindconclusie

Voor veel getroffenen lijkt 2003 een jaar van herstel geweest te zijn. In tegenstelling

tot 2002 zijn er in 2003 op veel vlakken duidelijke indicaties van verbetering: zo vertonen

de meeste indicatoren voor de gezondheid en het welbevinden van getroffenen

een positieve ontwikkeling. Vooral bij de zwaarst getroffenen, de geherhuisvesten,

zijn er duidelijk positieve ontwikkelingen waarneembaar. Dit blijkt bijvoorbeeld

uit een afname van lichamelijke en psychische klachten, huisartsbezoek, medicijngebruik

en sociale participatie. Verder mag het bemoedigend genoemd worden dat er

geen indicatoren zijn waarop het getroffenen noemenswaardig slechter vergaat. Op

een aantal indicatoren voor gezondheid en welbevinden is inmiddels sprake van

normalisatie. Dit is het geval bij medicijngebruik, psychische klachten, sociale contacten

en buurtintegratie.

De tevredenheid van getroffenen met de kwaliteit van de nazorg en hun vertrouwen

in de wederopbouw is stabiel en in de meeste gevallen ook van een voldoende

niveau. Dat geldt bijvoorbeeld voor het nazorgaanbod, de herdenking op 13 mei en

het optreden van de meeste instanties bij schadeafwikkeling. De tevredenheid met

de schadeafwikkeling stijgt.

IX


Getroffenenmonitor 2003

Samenvatting

De zichtbaarheid van het beleid van de gemeente Enschede rond veiligheidsproblemen

is, zo blijkt uit de gesprekken met getroffenen, nog voor verbetering vatbaar.

Deze constatering is ook in 2002 gedaan. Wel stijgt het vertrouwen dat getroffenen

hebben in de gemeente als het gaat om de aanpak van veiligheidsproblemen.

X


Getroffenenmonitor 2003

Vraagstelling en verantwoording

1. Vraagstelling en verantwoording

1.1. Inleiding

In dit rapport treft u de resultaten aan van de Getroffenenmonitor 2003. Dit onderzoek,

dat I&O Research uitvoert in opdracht van de gemeente Enschede, heeft tot

doel na te gaan hoe het gaat met de getroffenen van de vuurwerkramp en hoe zij

de inspanningen van de gemeente Enschede, onder andere bij de nazorg en wederopbouw

van betrokken instanties, beoordelen. Via de Getroffenenmonitor kan antwoord

worden gegeven op de volgende vragen:

1. Hoe vergaat het de getroffenen van de vuurwerkramp?

2. In welke mate maken getroffenen gebruik van het aanbod van medische,

psycho-sociale en materiële nazorg en in welke mate zijn getroffenen tevreden

hierover?

3. In welke mate zijn getroffenen betrokken bij de wederopbouw en in welke mate

zijn zij tevreden over het wederopbouwproces?

4. In hoeverre leiden de nazorg en het wederopbouwproces tot een ‘herstel van

vertrouwen’ tussen burgers en de gemeente Enschede?

1.2. Terugblik

2001

De hoofdconclusie van de Getroffenenmonitor 2001 was dat de vuurwerkramp nog

steeds een grote invloed heeft op het leven van veel Enschedeërs 1 . Geconstateerd

werd dat de vuurwerkramp in vele opzichten nog sterk doorwerkte in het persoonlijke

leven van getroffenen. Daarbij viel op dat geherhuisvesten vaker met problemen

kampten dan andere groepen getroffenen, zoals bewoners van de binnenring

en overige getroffenen (bewoners aan de rand van het rampgebied en hulpverleners).

Ook werd geconcludeerd dat de meerderheid van zowel de getroffenen als de

controlegroep van mening was dat de gemeente Enschede voldoende maatregelen

neemt om haar burgers weer een gevoel van veiligheid te geven. Getroffenen bleken

verder over het algemeen tevreden te zijn over de aangeboden nazorg. De

vuurwerkramp bleek tenslotte ook een uitstralingseffect te hebben onder inwoners

van Enschede die zelf geen lichamelijk letsel opliepen en ook geen materiële schade

leden.

2002

In 2002 kampte nog een aanzienlijk deel van de geherhuisvesten en een kleiner deel

van de bewoners van de binnenring en de overige getroffenen met problemen die

een gevolg zijn van de vuurwerkramp. Deze problemen deden zich voor op verschillende

terreinen, zowel medisch, psychisch en sociaal. Tevens werd geconstateerd

dat getroffenen, met name geherhuisvesten, nog steeds een verhoogd beroep doen

op allerlei hulpinstellingen die bij de nazorg zijn betrokken.

1

R. van de Peppel, O. Bulthuis en G. Huijgen, Getroffenenmonitor, I&O Research, 2002.

1


Getroffenenmonitor 2003

Vraagstelling en verantwoording

Ook werd geconstateerd dat geherhuisvesten sterk betrokken waren bij de wederopbouw,

de onzekerheid over het al dan niet terugkeren naar Roombeek nam af en

de meeste getroffenen vonden dat de wederopbouw voor de gemeente de hoogste

prioriteit moest hebben. Ten slotte werd vastgesteld dat het verwachte herstel van

vertrouwen nog niet was gerealiseerd en dat de zichtbaarheid van de activiteiten

die de gemeente op dit vlak uitvoerde aan het afnemen was.

De eindconclusie van de Getroffenenmonitor 2002 luidde dan ook dat de nazorg en

de wederopbouw nog niet zijn voltooid.

In de Getroffenenmonitor 2001 luidde één van de hoofdconclusies dat de vuurwerkramp

een uitstralingseffect heeft dat verder reikt dan de direct getroffenen: ‘ook

onder de inwoners van Enschede die geen lichamelijk letsel opliepen en geen schade

leden, heeft de vuurwerkramp sporen achtergelaten.’ Op basis van de Getroffenenmonitor

2002 kan geconcludeerd worden dat dit uitstralingseffect langzaam verdwijnt.

Dat kan onder meer worden afgemeten aan de dalende belangstelling voor

deelname aan herdenkingsactiviteiten en de afnemende betrokkenheid bij de wederopbouw.

Daar staat echter tegenover dat er onder Enschedeërs ook in 2002 nog

een ruim draagvlak bestaat voor het nemen van extra maatregelen voor getroffenen.

1.3. Verantwoording

Het veldwerk voor de derde Getroffenenmonitor vond plaats in augustus en september

2003. Ter voorbereiding op de vragenlijst is de commissie, die de Getroffenenmonitor

begeleidt, tweemaal bijeengekomen. In samenspraak met deze begeleidingscommissie

is voor input voor de nieuwe vragenlijst verder nog gesproken

met de heer J. Roorda (GGD), de heer J. Schukking (IAC), de heer R. van der Werff

(gemeente Enschede, Veiligheid), de heer J. Bron (Stichting Herdenking), mevrouw

L. Bruns (SSE), de heer J. Hegeman (Mediant) en de heer J.N. Wigboldus (voorlichter

bij Projectbureau Wederopbouw).

Vijf onderzoeksgroepen

In de opzet van de Getroffenenmonitor worden vijf onderzoeksgroepen onderscheiden:

geherhuisvesten, bewoners van de binnenring, overige getroffenen, getroffen

ondernemers en een controlegroep 2 . De groep geherhuisvesten bestaat uit Enschedeërs

die als gevolg van de ramp moesten verhuizen (in de vorige rapportage spraken

we over ‘ontheemden’). In de meeste gevallen gaat het om huishoudens binnen

de zogenoemde schuttingring (het blauw gearceerde vlak van figuur 1.1). De bewoners

van de binnenring woonden ten tijde van de ramp net buiten de schuttingring

(het paars gearceerde vlak in figuur 1.1). De derde onderzoeksgroep, de overige

getroffenen, bestaat uit personen die niet binnen de schuttingring of de binnenring

woonden, maar tijdens de ramp toevallig in het getroffen gebied aanwezig waren

(passanten) en hulpverleners. Tot de groep overige getroffenen rekenen wij ook

bewoners van het gebied vlak buiten de binnenring (ook wel de buitenring genoemd).

De vierde onderzoeksgroep betreft een groep ondernemers met een bedrijfsvestiging

in het rampgebied. Ten slotte maakt een controlegroep deel uit van

de Getroffenenmonitor. De personen in deze groep, die in dit rapport wordt aangeduid

met de term controlegroep, zijn niet getroffen door de ramp. Zij zijn niet gewond

geraakt.

2

R. van de Peppel, O. Bulthuis en G. Huijgen, Getroffenenmonitor, I&O Research, 2002, p. 2.

2


Getroffenenmonitor 2003

Vraagstelling en verantwoording

Zij woonden niet in of in de directe nabijheid van het getroffen gebied en hebben

geen omvangrijke materiële schade geleden als gevolg van de ramp. Deze groep

vormt een afspiegeling van de ‘gemiddelde Enschedeër’.

Deze controlegroep maakt het mogelijk om de situatie van de drie groepen getroffenen,

en de ontwikkelingen daarin door de jaren heen, te bekijken in het licht van

niet-getroffenen. Omdat de controlegroep voor wat betreft inkomen, opleiding en

etnische afkomst verschilt van de groepen getroffenen zijn vergelijkingen alleen

maar zinvol in relatieve zin; er moet niet worden verwacht dat de getroffenen op

alle situaties op het niveau moeten komen van de controlegroep. Duidelijkheid kan

door deze opzet wel worden verschaft in de richting waarin en de onderwerpen

waarop de groepen getroffenen verschillen van de controlegroep. Dit kan vervolgens,

door het betrekken van een controlegroep in de analyse, worden gerelateerd

aan het hebben meegemaakt van de ramp. Op deze wijze kan enig inzicht worden

verkregen in de impact die een dergelijke ramp heeft op het leven van de directe

getroffenen.

Figuur 1.1

Indelingen rampgebied.

Indelingen Rampgebied

Schuttingring

Binnenring

Panelonderzoek

De Getroffenenmonitor is een panelonderzoek. Een panelonderzoek is een onderzoek

waarbij dezelfde groep respondenten op meerdere tijdstippen wordt bevraagd,

in dit geval eenmaal per jaar. Voor de Getroffenenmonitor 2002 zijn dus

alleen de personen benaderd die ook aan de Getroffenenmonitor 2001 hebben

deelgenomen. In 2003 is op verzoek van de begeleidingscommissie iedereen die

heeft meegedaan aan de eerste meting in 2001 opnieuw benaderd met het verzoek

ook in 2003 mee te doen. Ook degenen die in 2002 aangaven niet meer mee te willen

doen, zijn alsnog in de gelegenheid gesteld om aan de derde meting mee te

doen.

I&O Research heeft (net als voor de eerste en tweede meting) een brief gestuurd,

waarin het onderzoek werd aangekondigd en toegelicht. Een kleine groep respondenten

gaf tijdens de eerste meting aan geen belangstelling te hebben om deel te

nemen aan de tweede Getroffenenmonitor.

3


Getroffenenmonitor 2003

Vraagstelling en verantwoording

In overleg met de begeleidingscommissie is afgesproken deze groep toch in de gelegenheid

te stellen alsnog aan de tweede meting en derde mee te doen. Daarom is

ook aan deze groep respondenten schriftelijk gevraagd te willen meewerken aan de

tweede Getroffenenmonitor.

Vervolgens is een telefonisch interview gehouden, waarbij het onderzoek nog een

keer werd toegelicht. Ook was het mogelijk om in het Turks, Duits of Engels te worden

geïnterviewd. Potentiële respondenten uit de groep ‘geherhuisvesten’ waarvan

geen telefoonnummer bekend was of die liever niet telefonisch geïnterviewd wilden

worden, is de mogelijkheid aangeboden op een later tijdstip of op een andere manier

(door thuis een schriftelijke vragenlijst in te vullen of via een face-to-face interview)

aan het onderzoek deel te nemen. Indien een respondent tijdens het interview

aangaf niet meer verder te willen of te kunnen, bestond de mogelijkheid het interview

op een ander tijdstip voort te zetten of eventueel in een andere vorm te kiezen

(schriftelijk of face-to-face). De respondenten die geen belangstelling hadden om

aan de derde Getroffenenmonitor deel te nemen, is gevraagd naar de reden.

Respons

De gerealiseerde respons op de derde Getroffenenmonitor is opgenomen in tabel

1.1. Met uitzondering van de groep ondernemers heeft ongeveer 60 procent van de

respondenten die aan de Getroffenenmonitor 2002 deelnam ook aan de Getroffenenmonitor

van 2003 deelgenomen. Bij de ondernemers kwam de respons uit op 80

procent.

We hebben ervoor gekozen om niet in elke figuur op te nemen over hoeveel respondenten

het resultaat wordt gepresenteerd; daarvoor dienen de onderstaande

gegevens als uitgangspunt. Aantallen respondenten (n) worden alleen weergegeven

als grafieken of tabellen informatie bevatten over subpopulaties.

Waar relevant (bijvoorbeeld wanneer is gevraagd naar tevredenheid als men heeft

deelgenomen) is het aantal respondenten waarover uitspraken wordt gedaan, in dit

geval dus alleen deelnemers, wel vermeld.

Tabel 1.1

Gerealiseerde respons 2003.

geherhuisvesten

binnenring

overige

getroffenen

overig

Enschede

ondernemers

n % n % n % n % n %

benaderd 2001 397 430 426 621 130

benaderd in 2002 312 356 354 395 105

benaderd in 2003 268 314 311 342 99

non-respons 2002 totaal 107 34 123 35 117 33 133 34 27 26

respons 2002 205 66 233 65 237 67 262 66 78 74

non-respons 2003 totaal 115 43 105 33 98 32 141 41 16 20

respons 2003 153 57 209 67 213 68 201 59 62 80

4


Getroffenenmonitor 2003

Vraagstelling en verantwoording

Selectieve uitval

Panelonderzoek brengt altijd het risico van selectieve uitval met zich mee. Daarom is

onderzocht in hoeverre de groep respondenten die in 2003 niet deelnam aan de

Getroffenenmonitor afwijkt van de groep die wel is geïnterviewd. Gebleken is dat

beide groepen op verschillende kenmerken van elkaar afwijken. Op het kenmerk

‘beoordeling gezondheidstoestand 2001’ bleken in de non-responsgroep personen

oververtegenwoordigd te zijn die de eigen gezondheid in 2001 als zeer goed of als

zeer slecht beoordeelden. Ook op het kenmerk ‘invloed ramp op het eigen leven

2001’ blijkt de non-responsgroep af te wijken van de groep die wel aan de Getroffenenmonitor

2002 deelnam. Respondenten die in 2001 van mening waren dat de

invloed van de ramp op hun eigen leven gering was, weigerden vaker hun medewerking

aan dit onderzoek in 2002. De uitval bleek het meest selectief te zijn op het

kenmerk leeftijd. Binnen alle onderzoeksgroepen bleken jongeren oververtegenwoordigd

in de groep die niet aan de meting van 2002 heeft deelgenomen. De factor

leeftijd bleek ook samen te hangen met de andere kenmerken waarop sprake

was van ongelijk verdeelde non-respons. Om zoveel mogelijk te voorkomen dat selectieve

uitval leidt tot vertekeningen in de uitkomsten van de Getroffenenmonitor

2003 is op basis van leeftijd (net als in 2002) per stratificatie een weegfactor toegepast.

1.4. Statistische procedures

De analyses waarop de conclusies in dit rapport berusten hebben tot doel na te gaan

of zich belangrijke verschillen voordoen tussen de vier onderzoeksgroepen. Daarbij

ging het er met name om, te onderzoeken of de drie groepen getroffenen (geherhuisvesten,

bewoners van de binnenring en overige getroffenen) zich op bepaalde

kenmerken duidelijk onderscheiden van de controlegroep. Indien in dit rapport

wordt geconcludeerd dat één van de onderzoeksgroepen zich op een bepaald kenmerk

duidelijk onderscheidt van één of meer van de andere onderzoeksgroepen dan

gaat het om statistisch significante verschillen die bovendien onafhankelijk zijn van

andere verschillen tussen de onderzoeksgroepen.

De analyse van verschillen tussen de vier onderzoeksgroepen is uitgevoerd met behulp

van een ANOVA-procedure. Dit is een statistische test waarmee op basis van

een vergelijking van gemiddelden verschillen tussen twee of meer groepen op één

kenmerk kunnen worden vastgesteld. De ANOVA-procedure laat echter niet toe om

gevonden verschillen te controleren op de invloed van andere kenmerken.

Om nu na te gaan of een gevonden verschil tussen twee of meer onderzoeksgroepen

op één kenmerk stand houdt indien gecontroleerd wordt op andere kenmerken

is een regressieanalyse uitgevoerd. Daarbij is het lidmaatschap van één van de onderzoeksgroepen

als een onafhankelijke variabele (een zogenaamde dummyvariabele)

opgevoerd naast een aantal controlevariabelen. Als controlevariabelen is

een aantal achtergrondkenmerken gebruikt zoals leeftijd, geslacht, inkomen en

opleidingsniveau. Als in de hoofdtekst wordt gesproken van een ‘statistisch significant’

of ‘duidelijk’ verschil tussen de onderzoeksgroepen is er dus sprake van een

verschil tussen de vier onderzoeksgroepen, dat onafhankelijk is van invloeden van

achtergrondkenmerken van de respondenten.

Aan de hand van bovengenoemde statistische procedures is steeds nagegaan of zich

statistisch significante verschillen voordoen tussen de groepen getroffenen en de

controlegroepen tussen de verschillende metingen.

5


Getroffenenmonitor 2003

Vraagstelling en verantwoording

1.5. Leeswijzer

In het vervolg van dit rapport wordt verslag gedaan van de bevindingen van de uitkomsten

van de Getroffenenmonitor 2003. Hoofdstuk 2 gaat uitgebreid in op de

gezondheid en het welbevinden van getroffenen. Waar mogelijk worden deze gegevens

vergeleken met de Getroffenenmonitor van 2001 en 2002 en met de controlegroep.

Hoofdstuk 3 gaat over de nazorg aan getroffenen. In dit hoofdstuk behandelen

we met name vragen over gebruik van en tevredenheid met de geboden nazorg.

Hoofdstuk 4 is geheel gewijd aan de wederopbouw. Hoofdstukken 5, 6 en 7

besteden aandacht aan enkele specifieke groepen getroffenen: ondernemers, allochtonen

en jongeren en 50-plussers. Hoofdstuk 8 behandelt een aantal actuele

onderwerpen.

6


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

2. Gezondheid en welbevinden

2.1. Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft hoe het in 2003 gaat met getroffenen van de vuurwerkramp.

We gaan met name in op de lichamelijke en geestelijke gezondheid van getroffenen,

hun sociale participatie, woonsituatie, de resterende materiële schade van

de ramp en de invloed die de ramp in het algemeen op hen heeft gehad. Waar mogelijk

vergelijken we deze gegevens met informatie over de controlegroep. Ook

vergelijken we de gegevens van dit jaar met de uitkomsten van de Getroffenenmonitor

van 2001 en van 2002.

2.2. Gezondheid

Lichte afname lichamelijke klachten bij geherhuisvesten

Aan respondenten is gevraagd of ze ten tijde van de derde meting van de Getroffenenmonitor

in 2003 nog lichamelijke klachten hebben die zij toeschrijven aan de

vuurwerkramp. Uit figuur 2.1 blijkt dat 24 procent van de geherhuisvesten, 10 procent

van de bewoners van de binnenring en negen procent van de overige getroffenen

in september 2003 nog kampt met lichamelijke klachten die zij toeschrijven aan

de vuurwerkramp. Hoewel er bij de geherhuisvesten een daling is opgetreden in het

aandeel met lichamelijk klachten (van 30 procent in 2002 naar 24 procent in 2003)

hebben geherhuisvesten nog wel duidelijk vaker lichamelijke klachten dan andere

getroffenen.

Figuur 2.1

Percentage personen met lichamelijke klachten als gevolg van de vuurwerkramp

(september 2001, 2002 en 2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen

2001 2002 2003

7


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

Lichte afname belemmeringen in dagelijkse activiteiten

geherhuisvesten

In hoeverre worden getroffenen in 2003 belemmerd in het uitvoeren van allerlei

dagelijkse activiteiten, zoals werken, boodschappen doen en het huishouden? Op de

vraag: ”Zijn er op dit moment dagelijkse activiteiten die u niet kunt uitvoeren?” gaf

in 2001 nog ruim driekwart van de geherhuisvesten aan korte of langere tijd niet in

staat te zijn geweest deze dagelijkse activiteiten uit te voeren (figuur 2.2). In 2002 is

dat teruggelopen tot 29 procent en in 2003 is dat heel licht gedaald naar 25 procent.

In de andere groepen is geen verandering opgetreden.

Figuur 2.2

Percentage personen dat dagelijkse activiteiten niet kan uitvoeren (september 2001,

2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen

2001 2002 2003

Nog veel ziekteverzuim bij geherhuisvesten

Een andere indicator voor de gezondheid van getroffenen is ziekteverzuim als gevolg

van de ramp. Aan getroffenen met betaald werk is gevraagd of zij zich in 2003

ziek hebben gemeld. Uit figuur 2.3 blijkt dat dit het geval is bij 30 procent (29 procent

in 2002) van de geherhuisvesten, 10 procent van de bewoners van de binnenring

(13 procent in 2002) en 13 procent van de overige getroffenen (10 procent in

2002). Er is nauwelijks verschil met vorig jaar.

Figuur 2.3

Percentage personen dat zich heeft ziek gemeld (september 2003).

100%

75%

50%

25%

niet overwogen, niet

ziek gemeld

wel overwogen, niet

ziek gemeld

wel ziek gemeld

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

8


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

Huisartsbezoek neemt af bij geherhuisvesten

Gevraagd is of respondenten de afgelopen drie maanden contact hebben gehad met

de huisarts vanwege gezondheidsklachten (niet voor voorbehoedmiddelen of herhalingsrecepten).

Overigens heeft de vraag niet alleen betrekking op aan de vuurwerkramp

gerelateerde gezondheidsklachten; gevraagd is naar contacten in het

algemeen.

Figuur 2.4

Percentage personen dat vanwege gezondheidsklachten twee keer of vaker in de

afgelopen drie maanden contact heeft gehad met de huisarts (september 2001, 2002

en 2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

2001 2002 2003

Uit figuur 2.4 blijkt dat geherhuisvesten en bewoners van de binnenring minder

vaak dan voorgaande jaren de huisarts bezochten. Van de geherhuisvesten heeft 31

procent de afgelopen drie maanden twee keer of vaker de huisarts bezocht. Van de

respondenten in de controlegroep heeft 16 procent in die periode twee of meer

huisartsbezoeken afgelegd. Dit verschil is statistisch significant. Bewoners van de

binnenring en overige getroffenen bezoeken de huisarts eveneens vaker dan de

controlegroep (respectievelijk 21 en 23 procent). Het verschil tussen de geherhuisvesten

en de bewoners van de binnenring is in 2003 wel significant; er is in 2003 geen

statistisch significant verschil tussen de geherhuisvesten en de overige getroffenen.

Deze laatste groep heeft relatief vaak de huisarts bezocht.

Afname medicijngebruik bij geherhuisvesten

Er is ook gevraagd naar het medicijngebruik van de respondenten. De vraag was of

men in de twee weken voorafgaande aan dit onderzoek medicijnen op doktersvoorschrift

had gebruikt (met uitzondering van voorbehoedmiddelen en herhalingsrecepten).

9


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

Figuur 2.5

Percentage personen dat twee weken voor het onderzoek medicijnen op doktersvoorschrift

gebruikt (september 2001, 2002 en 2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

2001 2002 2003

In 2001 werd een duidelijk verschil aangetroffen tussen groepen getroffenen en de

controlegroep. In 2002 vinden we alleen een statistisch significant verschil in medicijngebruik

tussen geherhuisvesten en de controlegroep. Uit figuur 2.5 blijkt verder

dat bij geherhuisvesten sprake is van een afname van het medicijngebruik. In 2003

gebruikt van de geherhuisvesten 38 procent medicijnen. Bij de andere onderzoeksgroepen

ligt dit tussen de 28 en 37 procent. Er is in 2003 geen statistisch significant

verschil meer in medicijngebruik.

Steeds minder problemen bij kinderen geherhuisvesten

De Getroffenenmonitor besteedt ook aandacht aan de problemen waarmee jonge

kinderen kampen die kunnen worden toegeschreven aan de vuurwerkramp. Aan de

ouders is gevraagd in welke mate bij thuiswonende kinderen (tot 17 jaar) de volgende

klachten optreden: concentratieproblemen, teruglopende schoolprestaties,

slecht slapen, oververmoeidheid, vaak ziek en gedragsproblemen.

Figuur 2.6

Klachten van kinderen bij gezinnen met jonge kinderen (in procenten, september

2003).

concentratieproblemen

gedragsproblemen

oververmoeidheid

teruglopende

schoolprestaties

geherhuisvesten

bewoners binnenring

overige getroffenen

controlegroep

vaak ziek

slecht slapen

0% 10% 20% 30% 40% 50%

10


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

Uit figuur 2.6 blijkt dat kinderen in gezinnen van geherhuisvesten ook in 2003 nog

vaker klachten hebben dan kinderen in gezinnen van de andere onderzoeksgroepen.

Bij 14 procent van de gezinnen van geherhuisvesten zijn er nog kinderen met

uiteenlopende klachten. Hetzelfde geldt voor vijf procent van de gezinnen van bewoners

van de binnenring, twaalf procent van de gezinnen van overige getroffenen

en drie procent van de gezinnen in de controlegroep. Vergeleken met 2001 en 2002

is deze problematiek in 2003 vooral bij geherhuisvesten en bewoners van de binnenring

afgenomen. Opvallend is de stabilisatie van het aantal gezinnen onder de overige

getroffenen ten opzichte van 2002, toen had 15 procent van de gezinnen van

overige getroffenen kinderen met klachten.

Er werd dit jaar ook aandacht besteed aan kinderen die ten tijde van de ramp thuis

woonden, maar inmiddels niet meer. Zes procent van de geherhuisveste gezinnen

heeft uitwonende kinderen die ten tijde van de ramp thuis woonden. Datzelfde

geldt voor 14 procent van de gezinnen van bewoners van de binnenring en drie

procent van de gezinnen van de overige getroffenen. In de Getroffenenmonitor

zitten vier gezinnen waarvan deze kinderen problemen ondervinden in hun dagelijks

functioneren als gevolg van de ramp. Dat aantal is te klein om algemene uitspraken

te kunnen doen over deze kinderen.

Geherhuisvesten voelen zich gezonder

Ook in 2003 is de respondenten gevraagd de eigen gezondheidstoestand te beoordelen.

Figuur 2.7 toont het percentage respondenten dat de eigen gezondheidstoestand

als ‘soms goed en soms slecht’ of als ‘slecht’ beoordeelt. Dat is het geval bij 33

procent van geherhuisvesten, 17 procent van bewoners van de binnenring, 14 procent

van de overige getroffenen en bij acht procent van de controlegroep. Alleen bij

de geherhuisvesten is er ten opzichte van 2002 een verandering opgetreden; in 2002

gaf nog 42 procent aan dat de gezondheidstoestand ‘soms goed en soms slecht’ of

‘slecht’ was. In 2003 is de ervaren gezondheid van getroffenen overigens nog steeds

statistisch significant slechter dan die van de controlegroep.

Figuur 2.7

Beoordeling van de eigen gezondheidstoestand (percentages ‘soms goed en soms

slecht’ en ‘slecht’, september 2001, 2002 en 2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

2001 2002 2003

Lichte afname psychische klachten

Naast de hierboven genoemde lichamelijke klachten is aan getroffenen gevraagd of

ze last hebben van psychische klachten als gevolg van de vuurwerkramp (figuur 2.8).

11


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

Figuur 2.8

Percentage personen dat in 2001 langere tijd kampte met psychische klachten en het

percentage dat in de eerste helft van 2002 en 2003 last had van psychische klachten

(september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen

2001 2002 2003

Ruim 60 procent van de geherhuisvesten heeft na de ramp langere tijd last gehad

van psychische klachten. In 2002 had nog steeds 50 procent van de geherhuisvesten

psychische klachten. Hetzelfde geldt voor 20 procent van de bewoners van de binnenring

en 13 procent van de overige getroffenen. In 2003 is er een lichte daling

opgetreden in het percentage getroffenen met psychische klachten. Van de geherhuisvesten

heeft 44 procent psychische klachten gehad in de eerste helft van 2003,

15 procent van de bewoners van de binnenring en 12 procent van de overige getroffen.

In 2003 komen psychische klachten nog steeds statistisch significant vaker voor

bij geherhuisvesten dan bij andere groepen getroffenen.

Loesje-campagne doeltreffend in opzet

In 2003 hebben op diverse plaatsten in de stad Loesje-posters over de vuurwerkramp

gehangen. Het doel van de Loesje-campagne was om de drempel te verlagen om

professionele hulp te zoeken. We vroegen de getroffenen of ze de posters hebben

zien hangen en of ze denken dat de Loesje-posters de drempel hebben verlaagd om

hulp te zoeken (figuur 2.9).

Figuur 2.9

Percentage personen dat de Loesje-posters heeft gezien en denkt dat ze drempelverlagend

werken (september 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen

posters gezien

drempel verlagend

12


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

Van de geherhuisvesten heeft 60 procent de posters gezien. De andere groepen

getroffenen hebben de posters iets minder vaak gezien. Van de bewoners van de

binnenring zag 47 procent de posters en van de overige getroffenen 45 procent.

Geherhuisvesten hebben statistisch significant vaker dan de andere groepen

getroffenen de posters gezien.

Rond de 60 procent van de getroffenen denkt dat de posters de drempel om

professionele hulp te zoeken verlagen. De bewoners van de binnenring denken dat

het vaakst (61 procent), de overige getroffenen het minst vaak (55 procent). Deze

verschillen zijn statistisch niet significant. Eén procent van de getroffenen heeft

daadwerkelijk hulp gezocht naar aanleiding van de Loesje-campagne.

2.3. Sociale participatie

Onder sociale participatie verstaan we contacten met familie, vrienden en buren,

activiteiten buitenshuis en in verenigingsverband, vrijwilligerswerk de frequentie

van contact met de buren en de mate van ‘noaberschap’.

Toename sociale contacten bij geherhuisvesten

Contacten met familie, vrienden en buren, activiteiten buitenshuis en in verenigingsverband

vatten we samen onder de noemer ‘sociale contacten’. Aan de respondenten

is gevraagd hoe frequent zij deze drie soorten sociale contacten onderhouden.

Op basis van deze vragen is een index voor sociale contacten ontwikkeld.

De maximale score op deze index bedraagt tien. In dat geval is sprake van zeer veel

sociale contacten: wekelijks of vaker contact met familie en vrienden, wekelijkse

deelname aan activiteiten in verenigingsverband en wekelijks deelname aan activiteiten

buitenshuis. De minimale score van de sociale contacten index bedraagt 0. Er

is dan sprake van niet of minder dan maandelijks contact met familie of vrienden,

niet of minder dan maandelijkse deelname aan verenigingsactiviteiten en niet of

minder dan maandelijkse deelname aan activiteiten buitenshuis.

Figuur 2.10

Ontwikkeling van sociale contacten bij getroffenen en de controlegroep (september

2001, 2002 en 2003).

10

8

6

4

2

0

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

2000 2001 2002 2003

13


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

Figuur 2.10 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de sociale contacten bij

getroffenen en de controlegroep. De gegevens over 2000 zijn verzameld tijdens de

meting van 2001; het is een retrospectieve vraag omdat we aan respondenten hebben

we gevraagd in welke mate zij sociale contacten hadden vóór de vuurwerkramp.

Uit de figuur komt naar voren dat bij geherhuisvesten sprake is van een toename

van de sociale contacten. In voorgaande jaren weken de geherhuisvesten statistisch

significant af van de overige groepen. In 2003 wijken de geherhuisvesten

voor wat betreft de sociale contacten niet meer significant af van de bewoners van

de binnenring maar nog wel van de overige getroffenen en de controlegroep. Maar

de verschillen zijn heel klein, statistisch gezien wijken de bewoners van de binnenring

niet af van de controlegroep.

Meer getroffenen actief als vrijwilliger

Figuur 2.11 geeft een overzicht van het percentage personen dat vrijwilligerswerk

verricht. Ongeveer 22 procent van de geherhuisvesten verricht vrijwilligerswerk (in

2002 was dat 17 procent). Tussen 30 en 37 procent van de personen in de andere

onderzoeksgroepen zijn als vrijwilliger actief. Het grootste percentage vrijwilligers

is, net als in 2002, te vinden in de groep overige getroffenen. Dit is goed verklaarbaar,

omdat zich in deze groep veel hulpverleners bevinden, waarvan een deel als

vrijwilliger bij de hulpverlening kort na de ramp betrokken is geweest. De verschillen

tussen de onderzoeksgroepen zijn statistisch significant; de overige getroffenen

doen vaker vrijwilligerswerk dan de geherhuisvesten. Tussen de overige getroffenen

en de andere groepen is geen sprake van statistisch significante verschillen.

Figuur 2.11

Percentage personen dat vrijwilligerswerk verricht (september 2002 en 2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

2002 2003

Buurtintegratie redelijk op peil

In de Getroffenenmonitor is ook buurtintegratie gemeten. Dat is gedaan door te

vragen naar de frequentie van het contact met buren voor bepaalde doeleinden

(praten over buurtproblemen, iets lenen, praten over persoonlijke problemen en op

visite gaan). Figuur 2.12 bevat het percentage van de onderscheiden groepen dat in

2003 regelmatig of vaak contact heeft met de buren.

Uit de figuur komt naar voren dat de groep geherhuisvesten van de bewoners uit de

binnenring afwijkt als het gaat om het bespreken van buurtproblemen. De bewoners

van de binnenring bespreken relatief vaker (13 procent) dan de geherhuisvesten

buurtproblemen (7 procent). Tussen geherhuisvesten, overige getroffenen en de

controlegroep doen zich geen statistisch significante verschillen voor.

14


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

De geherhuisvesten (9 procent) gaan ook significant minder vaak dan de bewoners

van de binnenring (15 procent) en de controlegroep (13 procent) bij de buren op

visite. Voor de overige contacten met buren (iets lenen en persoonlijke zaken bespreken)

zijn de verschillen tussen de groepen statistisch niet significant.

Figuur 2.12

Percentage personen dat vaak of regelmatig contact heeft met de buren (september

2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

buurtproblemen

bespreken

op visite iets geleend persoonlijke

zaken

bespreken

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen controlegroep

Ten opzichte van 2002 zijn er ook verschillen. In 2002 weken de geherhuisvesten

vooral van de andere groepen af waar het ging om ‘op visite gaan bij de buren’.

Deze verschillen zijn kleiner geworden in 2003.

Noaberschap bij geherhuisvesten nog zwak ontwikkeld

In het oosten van ons land en in Groningen is het begrip ‘noaber’ welbekend. Noaberschap

betekent omzien naar elkaar in de naaste omgeving. We hebben vanaf

2002 onderzocht in hoeverre tussen de onderzoeksgroepen verschillen optreden in

noaberschap. Noaberschap is gemeten door aan de respondenten te vragen in hoeverre

zij het eens zijn met de volgende stellingen:

- ‘Als buurtgenoten problemen hebben, dan vind ik het mijn plicht te helpen.’

- ‘De mensen in deze buurt zijn bereid de handen ineen te slaan om de leefbaarheid

van de buurt goed te houden of te verbeteren.’

- ‘Als ik op vakantie ga is er altijd wel iemand uit de buurt die op de woning past.’

- ‘Als ik problemen heb, dan weet ik dat ik altijd een beroep kan doen op mensen

in de buurt.’

Figuur 2.13

Percentage personen met een zwak, gemiddeld en sterk ontwikkeld ‘noaberschap’

(september 2003).

100%

75%

50%

25%

zwak ontwikkeld

gemiddeld

sterk ontwikkeld

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

15


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

Zoals uit figuur 2.13 blijkt, wijken de geherhuisvesten op noaberschap af van de

andere groepen getroffenen en van de controlegroep. Bij de geherhuisvesten is het

noaberschap in 2003, net als in 2002, zwakker ontwikkeld dan bij de andere onderzoeksgroepen.

Hoewel bij alle groepen getroffenen het percentage dat een sterk

ontwikkeld naoberschap heeft tussen de jaren nauwelijks is veranderd, zijn er wel

verschillen in het percentage zwak en gemiddeld ontwikkeld noaberschap. Bij de

geherhuisvesten is het aandeel met een zwak ontwikkeld noaberschap afgenomen

en het aandeel met een gemiddeld ontwikkeld noaberschap dus toegenomen. Bij de

andere groepen getroffenen is de verandering precies andersom; het aandeel met

een zwak ontwikkeld noaberschap is gestegen ten koste van het aandeel met een

gemiddeld ontwikkeld noaberschap. Bij de controlegroep heeft zich een grotere

stijging voor gedaan in het aandeel met een sterk ontwikkeld noaberschap en is ook

het aandeel in de groep met een zwak ontwikkeld noaberschap toegenomen.

Bij de geherhuisvesten wordt (in tegenstelling tot in 2002) een deel van het verschil

in 2003 niet alleen verklaard door de samenstelling van de groep maar ook door de

leeftijdsopbouw in de groep. Er zitten relatief veel jongeren in de groep geherhuisvesten

en bij hen is het noaberschap over het algemeen minder sterk ontwikkeld

dan bij 50-plussers.

Geconcludeerd kan worden dat geherhuisvesten in termen van noaberschap in 2003

nog achterblijven bij de andere onderzoeksgroepen.

2.4. Schade

Afname aantal getroffenen met nog niet-gecompenseerde schade

Aan de respondenten is gevraagd of zij per september 2003 nog nietgecompenseerde

materiële schade hebben. Deze vraag is ook gesteld in voorgaande

jaren, zodat kan worden nagegaan of het aantal niet afgehandelde schadegevallen

is afgenomen en hoe sterk deze afname is.

Figuur 2.14

Percentage personen met nog niet-gecompenseerde materiële schade (september

2001, 2002 en 2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen

2001 2002 2003

16


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

Uit figuur 2.14 blijkt dat bij alle groepen getroffenen een lichte daling is opgetreden

in het aantal personen met niet-gecompenseerde schade. In 2003 zegt 25 procent

van de geherhuisvesten, 17 procent van de bewoners van de binnenring en 14 procent

van de overige getroffenen niet-gecompenseerde schade van de ramp te hebben.

3

2.5. Invloed ramp

Invloed ramp nog steeds groot

De ramp heeft op allerlei mogelijke manieren invloed gehad op de burgers in Enschede.

In de eerste plaats natuurlijk op de slachtoffers en nabestaanden van de

vuurwerkramp, in de tweede plaats hebben allerlei andere Enschedeërs van dichtbij

of wat verder af de ramp meegemaakt. Iedere burger kent wel één of meer mensen

die direct het slachtoffer zijn geworden van de vuurwerkramp. Ook dit jaar is opnieuw

onderzocht in welke mate de mensen ook nu nog, ruim drie jaar later, de

invloed ervaren van de ramp. Tevens is in deze meting gevraagd of deze invloed als

positief of negatief wordt ervaren en wat daarvan de oorzaak is.

Figuur 2.15

Percentage personen dat zegt dat de ramp veel invloed heeft op het eigen leven

(september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

2001 2002 2003

Uit figuur 2.15 blijkt dat de invloed van de vuurwerkramp op het eigen leven voor

de geherhuisvesten en de controlegroep in 2003 bij de geherhuisvesten is afgenomen.

Bij de bewoners van de binnenring en de overige getroffenen lijkt sprake te

zijn van een toename van de impact van de ramp. De verschillen tussen de geherhuisvesten

en de andere onderzoeksgroepen zijn overigens nog steeds statistisch

significant, evenals de verschillen tussen de bewoners van de binnenring, de overige

getroffenen en de controlegroep. Er zijn geen verschillen meer tussen de bewoners

van de binnenring en de overige getroffenen.

3

De stijging in 2002 bij de overige getroffenen wordt veroorzaakt doordat de vraag naar nietgecompenseerde

schade in de Getroffenenmonitor van 2001 alleen is gesteld aan respondenten van de

groep overige getroffenen die nabij het rampgebied woonachtig waren. Vanaf 2002 is deze vraag gesteld

aan alle leden van de groep overige getroffenen. Daardoor is vanaf 2002 ook de nietgecompenseerde

schade van hulpverleners meegenomen in de berekening.

17


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

Getroffenen zien ook positieve kanten

Net als in 2001 en 2002 is gevraagd of de ramp, naast alle negatieve effecten, voor

respondenten wellicht ook een positieve betekenis heeft gehad (figuur 2.16). In

2003 is het percentage geherhuisvesten dat positieve effecten van de ramp ziet,

toegenomen van 47 procent naar 58 procent. Ook in de andere groepen getroffenen

is het percentage respondenten dat ook positieve effecten van de ramp waarneemt,

in 2003 toegenomen. De toename bij geherhuisvesten is echter het sterkst. In

de controlegroep is het percentage dat ook positieve kanten ziet iets afgenomen

(van 60 naar 57 procent).

Figuur 2.16

Percentage personen dat ook positieve kanten van de ramp waarneemt (september

2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

2001 2002 2003

2.6. Conclusies

Gezondheid en welbevinden

Ten aanzien van de gezondheid en het welbevinden van getroffenen zijn in de Getroffenenmonitor

2003 de volgende conclusies getrokken:

Lichte afname lichamelijke klachten

Onder geherhuisvesten is het aantal mensen met lichamelijk klachten, die zij zelf

aan de vuurwerkramp toeschrijven, in 2003 gedaald (van 30 procent in 2002 naar 24

procent in 2003). Geherhuisvesten melden ook in 2003 vaker dan andere groepen

getroffenen lichamelijke klachten.

Lichte afname belemmeringen in dagelijkse activiteiten

In 2003 ervaart 25 procent van de geherhuisvesten nog belemmeringen in het uitvoeren

van dagelijkse activiteiten. Dat is vier procent minder dan in 2002, maar nog

altijd ruim meer dan in de twee andere groepen getroffenen, waar slechts een paar

procent van de mensen zich in hun dagelijkse activiteiten belemmerd voelt.

Ziekteverzuim blijft hoog

Ziekteverzuim blijft hoog

Ook in 2003 heeft nog bijna eenderde van geherhuisvesten zich één keer of vaker

ziek gemeld op het werk. Bij de andere groepen getroffenen komt ziekteverzuim de

helft minder vaak voor.

18


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

Afname huisartsbezoek

Geherhuisvesten bezoeken de huisarts in 2003 minder vaak dan in 2002. Het verschil

met de andere groepen getroffenen is kleiner geworden. Het huisartsbezoek van

met name geherhuisvesten ligt nog niet op het niveau van de controlegroep.

Afname medicijngebruik

Geherhuisvesten gebruiken in 2003 minder medicijnen dan in 2002. Het medicijngebruik

bij geherhuisvesten is praktisch gelijk aan dat van de andere groepen getroffenen.

Het verschil in gebruik van medicijnen tussen getroffenen en de controlegroep

is gering.

Minder kinderen met problemen

Het aantal kinderen met problemen die mogelijk te maken hebben met de vuurwerkramp

is in 2003 afgenomen. Toch zijn in gezinnen van geherhuisvesten en overige

getroffenen nog steeds vaker kinderen met problemen dan in de controlegroep.

Gezondheid geherhuisvesten verbeterd

Het aantal geherhuisvesten dat de eigen gezondheid als slecht beoordeelt, is in 2003

gedaald. Maar ook in 2003 voelen geherhuisvesten zich aanmerkelijk vaker ongezond

dan de andere groepen getroffenen en de controlegroep.

Lichte afname psychische klachten

Bij geherhuisvesten, bewoners van de binnenring en overige getroffenen is in 2003

het aantal personen met psychische klachten, die zij zelf toeschrijven aan de vuurwerkramp,

licht gedaald. De kans op psychische klachten is bij geherhuisvesten nog

steeds aanmerkelijk groter dan bij bewoners van de binnenring en overige getroffenen.

Loesje-campagne doeltreffend in opzet

De campagne met posters van Loesje is door veel getroffenen opgemerkt en verlaagt

volgens velen de drempels om professionele hulp in te schakelen.

Toename sociale contacten

Geherhuisvesten en andere getroffenen zijn in 2003 vaker sociaal actief dan in 2002.

De mate van participatie is weer op het niveau van voor de ramp.

Meer geherhuisvesten actief als vrijwilliger

Geherhuisvesten en andere getroffenen zijn in 2003 vaker actief als vrijwilliger. Geherhuisvesten

zijn nog minder vaak als vrijwilliger actief dan de controlegroep.

Buurtintegratie verbeterd

De buurtintegratie van geherhuisvesten is verbeterd ten opzichte van 2002. De buurtintegratie

van geherhuisvesten en andere getroffenen wijkt in 2003 niet meer sterk

af van de controlegroep.

Noaberschap niet toegenomen

Het aantal geherhuisvesten met een sterk ontwikkeld noaberschap is niet toegenomen

ten opzichte van 2002. In dit opzicht blijven geherhuisvesten achter bij andere

getroffenen en de controlegroep.

Daling gevallen van niet-gecompenseerde schade zet door

Daling gevallen van niet-gecompenseerde schade zet door

Nog ongeveer een vijfde van de geherhuisvesten heeft in 2003 nog nietgecompenseerde

schade. Vergeleken met vorig jaar is het aantal getroffenen met

niet-gecompenseerde schade licht gedaald. De daling doet zich zowel voor bij geherhuisvesten,

bewoners van de binnenring en overige getroffenen.

19


Getroffenenmonitor 2003

Gezondheid en welbevinden

Invloed ramp nog steeds groot

De ramp oefent ook na ruim drie jaar nog grote invloed uit op het leven van getroffenen.

Geherhuisvesten merken daar het meest van. Maar ook bij bewoners van de

binnenring en de overige getroffenen laat de ramp nog steeds sporen na. Opvallend

is dat de invloed van de ramp bij de controlegroep gestaag afneemt. Slechts een

kleine fractie van de ‘gemiddelde Enschedeërs’ is anno 2003 nog van mening dat de

ramp veel invloed op het eigen leven heeft.

Getroffenen kunnen effecten ramp beter relativeren

Getroffenen kunnen effecten ramp beter relativeren

Een groter aantal getroffenen ziet ook duidelijk positieve effecten van de ramp. Na

een daling vorig jaar zien we dit effect in alle groepen getroffenen optreden. Er zijn

in dit opzicht geen verschillen meer tussen geherhuisvesten, andere getroffenen en

de controlegroep.

20


Getroffenenmonitor 2003

Nazorg en afwikkeling schades

3. Nazorg en afwikkeling schades

3.1. Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de ervaringen van getroffenen met de geboden nazorg.

Nazorg is de praktische en psychosociale begeleiding die aan getroffenen van de

vuurwerkramp wordt geboden bij het verwerken van de vuurwerkramp. We besteden

aandacht aan het gebruik van het aanbod van nazorginstellingen, aan de tevredenheid

hiermee en aan tevredenheid met instanties die betrokken zijn bij de afwikkeling

van schade. Ook gaan we in op nazorg die de getroffenen op het werk

mochten ontvangen en het gebruik van en de tevredenheid met de herdenkingsactiviteiten.

3.2. Gebruik nazorg

Evenveel nazorgcontacten geherhuisvesten als in 2002

Onderzocht is hoe vaak de getroffenen en de controlegroep in 2003 contact hadden

met nazorginstellingen. Aan de respondenten is de volgende vraag gesteld: ‘Heeft u

tussen september 2002 en september 2003 voor uzelf contact gehad met de volgende

instellingen?’ Er is niet gevraagd of deze contacten betrekking hadden op rampgerelateerde

zaken.

Figuur 3.1

Percentage personen dat in de periode mei 2000-september 2001 en in de periode

september 2001-september 2002 en september 2002-september 2003 contact had

met een nazorginstelling.

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

2001 2002 2003

21


Getroffenenmonitor 2003

Nazorg en afwikkeling schades

Figuur 3.1 geeft een beeld van het totaal aantal getroffenen per groep dat de afgelopen

jaren contact heeft gehad met nazorginstellingen. Het percentage getroffenen

dat in 2003 contacten had met een zorginstelling is nagenoeg gelijk gebleven

4 . De groep geherhuisvesten heeft nog steeds statistisch significant vaker contact

met nazorginstellingen dan de andere onderzoeksgroepen. Tussen de andere groepen

doen zich geen verschillen voor in de contacten met nazorginstellingen.

Ook is onderzocht met welke nazorginstellingen getroffenen in 2003 contact hebben

gehad. Uit tabel 3.1 komt het volgende naar voren. Geherhuisvesten hebben in

2003 het meest frequent contact met een medisch specialist (en zelfs in toenemende

mate ten opzichte van 2002) en met Mediant. Het percentage geherhuisvesten dat

in 2003 contacten had met Mediant is afgenomen. Een afname vond eveneens plaats

in de contacten van geherhuisvesten met het algemeen maatschappelijk werk

(AMW). Daarentegen steeg in 2003 het percentage geherhuisvesten dat contact had

met een alternatief genezer. Geherhuisvesten hebben relatief vaker dan de andere

groepen contact met Mediant, de Belangenvereniging Slachtoffers Vuurwerkramp

Enschede (BSVE) en de Telefonische Hulpdienst (THD). Net als de bewoners van de

binnenring hebben de geherhuisvesten vaker contact met de wijkverpleging dan de

andere groepen. Ten slotte hebben de geherhuisvesten vaker dan de controlegroep

contact met een medisch specialist.

Tabel 3.1

Contacten in 2001, 2002 en 2003 met nazorginstellingen (percentages).

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

2001 2002 2003 2001 2002 2003 2001 2002 2003 2001 2002 2003

Mediant 31 27 21 12 8 7 11 3 7 3 2 2

CAD/Tactus 2 1 1 1 1 0 1 1 1 0 0 0

THD 14 6 5 5 1 0 3 1 0 0 0 0

AMW 23 8 4 8 6 3 6 1 2 0 1 1

wijkverpleging 3 8 7 3 4 3 2 4 2 2 2 2

gezinshulp 5 9 8 4 4 4 3 4 5 3 4 4

specialist 29 29 34 17 21 24 15 24 25 8 23 21

alternatief 9 6 11 7 8 7 5 8 9 2 7 7

bedrijfsarts 28 13 13 15 11 8 16 16 10 6 8 9

psycholoog 7 5 2 3 4 5 2 2

BSVE 21 18 8 5 3 2 0 1

4

De stijging van contacten in 2002 ten opzichte van 2001 met nazorginstellingen in de controlegroep is

vermoedelijk een gevolg van een enigszins afwijkende vraagstelling. In de Getroffenenmonitor 2001 is

de volgende vraag gesteld: “Heeft u sinds de vuurwerkramp voor uzelf contact gehad met de volgende

instellingen?” Deze vraag heeft betrekking op een langere periode (15 maanden) dan de vraag die in

2002 is gesteld. Bovendien wordt in de vraag die in 2001 is gesteld verwezen naar de vuurwerkramp.

Beide verschillen met de vraagstelling in 2002 verminderen de vergelijkbaarheid van de antwoorden.

22


Getroffenenmonitor 2003

Nazorg en afwikkeling schades

3.3. Tevredenheid met nazorg en schadeafwikkeling

Getroffenen ook in 2003 tevreden over psychosociale nazorg

In 2003 heeft 25 procent (in 2002 was dat 33 procent) van de geherhuisvesten, 8

procent (in 2002 was dat 12 procent) van de bewoners van de binnenring en 10 procent

(in 2002 was dat 11 procent) van de overige getroffenen contact gehad met een

instelling voor psychosociale nazorg. Aan deze getroffenen is gevraagd of zij tevreden

zijn over de psychosociale nazorg (figuur 3.2).

In 2003 is 86 procent van de geherhuisvesten tevreden met de nazorg die zij ontvangen.

Hetzelfde geldt voor 87 procent van de bewoners van de binnenring en voor 77

procent van de overige getroffenen 5 .

Figuur 3.2

Percentage personen dat tevreden is over psychosociale nazorg (september 2001,

2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen

2001 2002 2003

Tevredenheid over begeleiding op het werk stabiel

Aan respondenten is de vraag gesteld of ze tevreden zijn met de begeleiding na de

ramp op het werk. Uit figuur 3.3 blijkt dat in 2003 74 procent van de geherhuisvesten

tevreden is met de begeleiding op het werk. Hetzelfde geldt voor 81 procent

van de bewoners van de binnenring en 72 procent van de overige getroffenen. De

geherhuisvesten zijn weliswaar minder vaak tevreden over de begeleiding op het

werk dan andere getroffenen, maar dat verschil is niet-statistisch significant.

5

De cijfers over 2001 zijn wel vermeld maar zijn niet volledig vergelijkbaar, omdat de vraag over tevredenheid

met de psychosociale nazorg in 2001 ook is gesteld aan getroffenen die geen gebruik hebben

gemaakt van psychosociale nazorg. De in de grafiek vermelde percentagebasis geldt voor 2003.

23


Getroffenenmonitor 2003

Nazorg en afwikkeling schades

Figuur 3.3

Percentage personen met betaald werk dat tevreden is met de begeleiding na de

ramp op het werk (september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen

2001 2002 2003

Programma herdenking goed bekend

In 2003 zijn op 13 mei herdenkingsactiviteiten georganiseerd. De herdenking bestond

uit een stille tocht naar het kindermonument en een officieel gedeelte met

toespraken. We vroegen mensen of ze op de hoogte waren van het programma, wat

ze van de verschillende onderdelen vonden en welke voorkeur ze hebben voor het

tijdstip van de herdenking.

In 2003 is tussen de 75 en 82 procent van de getroffenen en iets meer dan de helft

van de controlegroep (56 procent) op de hoogte van het programma van de herdenking

(figuur 3.4). Tussen de 83 en 91 procent is tevreden over de stille tocht en

tussen de 83 en 88 procent is tevreden over het officiële gedeelte.

Figuur 3.4

Percentage personen dat op de hoogte was van het programma en (zeer) tevreden

met de verschillende onderdelen (september 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

op de hoogte van programma tevreden met stille tocht tevreden met officiële gedeelte

24


Getroffenenmonitor 2003

Nazorg en afwikkeling schades

Er lijkt geen overeenstemming over het beste tijdstip voor de herdenking. De geherhuisvesten

en de controlegroep willen iets vaker dat de herdenking ‘s middags, op

het tijdstip van de ramp, plaatsvindt en de bewoners van de binnenring en de overige

getroffenen willen iets vaker dat de herdenking ‘s avonds plaatsvindt.

We vroegen alle respondenten wat ze hebben gemist of wat ze anders zouden willen

zien in het programma van de herdenking. Veel mensen zouden de herdenking

anders willen zien. Dat loopt uiteen van het willen herdenken bij een monument,

andere muziek, meer aandacht voor slachtoffers en hoe zij de herdenking willen, tot

juist niet meer herdenken, meer aandacht voor de toekomst in plaats van het verleden.

De aanwezigheid van het gemeentebestuur wordt meer dan eens ter discussie

gesteld.

Tevredenheid schadeafwikkeling stabiel

We vroegen naar de tevredenheid met de wijze waarop de geleden financiële schade

is afgewikkeld. In 2003 is 70 procent van de geherhuisvesten tevreden met de

schadeafwikkeling in het algemeen (in 2002 was dat 65 procent). Van de bewoners

van de binnenring is 81 procent en van de overige getroffenen is 71 procent tevreden

met de afwikkeling van geleden financiële schade. Redenen voor tevredenheid

zijn de regelingen in het algemeen en de snelheid waarmee de afwikkeling van de

schade heeft plaatsgevonden. Redenen voor ontevredenheid zijn lage uitkeringen,

slechte regelingen en de lange procedures.

Figuur 3.5

Percentage personen dat tevreden is met de schadeafwikkeling (september 2001,

2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen

2001 2002 2003

Getroffenen tevreden over afwikkeling van schade betrokken instan-

ties

Ook is gevraagd naar de tevredenheid met het optreden van een aantal instanties

bij de afwikkeling en compensatie van de schade aan woonhuizen, inboedels en

bedrijven. Over het algemeen zijn getroffenen ook in 2003 tevreden over het optreden

van deze instanties. Toch zijn er enkele opvallende verschuivingen ten opzichte

van 2002. In 2002 waren alle groepen getroffenen het meest tevreden over de woningcorporaties

en het IAC. In 2003 zijn de bewoners van de binnenring en de overige

getroffenen daarnaast in grote mate tevreden met het optreden van verzekeraars.

Het minst tevreden is men met het optreden van de gemeente Enschede en de

organisaties die voortvloeien uit de Commissies voor Financiële Afwikkeling I en II

(UPV en LASER).

25


Getroffenenmonitor 2003

Nazorg en afwikkeling schades

Opvallende ontwikkelingen zijn de stijging in het aandeel geherhuisvesten dat tevreden

is met de woningcorporaties en de verzekeraars en de afname in het aandeel

dat tevreden is over de UPV. Onder de bewoners van de binnenring en de overige

getroffenen is het aandeel mensen dat tevreden is met de woningcorporaties juist

sterk gedaald, evenals voor LASER en UPV. Onder de doelgroep van de Stichting

Stadsherstel Enschede (de bewoners van de binnenring) is de tevredenheid met de

SSE bij de schadeafwikkeling gestegen.

Tabel 3.2

Tevredenheid met optreden instanties bij de afwikkeling van schade (2001, 2002 en

2003).

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen

2001 2002 2003 2001 2002 2003 2001 2002 2003

gemeente Enschede 63 55 51 79 69 67 71 64 58

IAC 72 72 68 84 85 87 85 84 82

woningcorporaties 73 74 83 77 83 75 84 82 60

Stichting Stadsherstel 65 58 54 72 71 75 74 78 69

verzekeraars 64 67 74 77 76 80 62 65 69

LASER 56 66 65 72 74 65 64 57 51

UPV - 57 44 - 77 57 - 63 55

Stichting Stadsherstel vooral benaderd voor keuring en informatie

De Stichting Stadsherstel (SSE) geeft eigenaar-bewoners van de binnenring met

schade aan de woning als gevolg van de ramp advies over het opstellen van een

herstelplan, keurt de woning en regelt financiële ondersteuning. Desgewenst kan de

SSE met verzekeraars onderhandelen en de uitvoering van herstelwerkzaamheden

coördineren. De SSE werkt onafhankelijk van de gemeente en krijgt voor het bereiken

van haar doelstellingen geld uit het wederopbouwbudget.

Aan bewoners van de binnenring en overige getroffenen met schade aan de eigen

woning is gevraagd of en, zo ja, van welke SSE-diensten men gebruik heeft gemaakt.

Van de bewoners van de binnenring zegt 29 procent van één of meer SSEdiensten

gebruik te hebben gemaakt. Van de groep overige getroffenen heeft 42

procent een beroep op de SSE gedaan. De SSE wordt in de meeste gevallen ingeschakeld

bij woningkeuring. Dat was het geval bij 28 procent van de bewoners van

de binnenring en bij 20 procent van de overige getroffenen. Verder heeft de SSE aan

twaalf procent van de bewoners van de binnenring en acht procent van de overige

getroffenen informatie en advies geleverd en is de SSE ingeschakeld bij hulp bij het

herstel van de woning (bij elf procent van de bewoners van de binnenring en bij elf

procent van de overige getroffenen) en voor bemiddeling met aannemers en verzekeraars

(respectievelijk drie en vijf procent).

26


Getroffenenmonitor 2003

Nazorg en afwikkeling schades

3.4. Behoefte aan nazorg

Behoefte aan nazorg stijgt niet verder bij geherhuisvesten

De Getroffenenmonitor is nagegaan bij welk deel van de getroffenen op dit moment

nog behoefte bestaat aan professionele nazorg. De vraag luidde:

‘Overweegt u momenteel om voor advies, hulp of steun contact op te nemen

met een professionele hulpverlener (bijvoorbeeld iemand van het IAC, uw

huisarts, een maatschappelijk werker of een psycholoog)?’

De nazorgbehoefte blijft vooral onder geherhuisvesten bestaan; een vijfde van de

geherhuisvesten heeft behoefte aan professionele nazorg. Daarin verschillen zij statistisch

significant van de bewoners van de binnenring en de overige getroffenen

(respectievelijk zes en zeven procent van hen overweegt contact op te nemen met

een professionele hulpverlener).

Figuur 3.6

Percentage personen dat overweegt contact op te nemen met een professionele

hulpverlener (september 2001, 2002 en 2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen

2001 2002 2003

Vraag naar hulp bij psychische klachten blijft

In 2003 is aan getroffenen met psychische klachten gevraagd of zij hierbij hulp nodig

hebben of dat de klachten vanzelf overgaan. Figuur 3.7 laat zien dat van de geherhuisvesten

met psychische klachten 31 procent denkt dat de klachten vanzelf

zullen overgaan (in 2002 was dat nog 40 procent), terwijl 57 procent (in 2002 was

dat 55 procent) denkt daarbij hulp nodig te hebben. Bewoners van de binnenring en

overige getroffenen denken vaker dat hun klachten vanzelf zullen verdwijnen, maar

dit is geen statistisch significant verschil.

27


Getroffenenmonitor 2003

Nazorg en afwikkeling schades

Figuur 3.7

Percentage personen met psychische klachten dat zegt hulp nodig te hebben (september

2003).

100%

75%

50%

25%

weet niet

gaat vanzelf over

hulp nodig

0%

geherhuisvesten

(n=67)

bewoners

binnenring (n=32)

overige

getroffenen (n=26)

3.5. Conclusies

Nazorg en afwikkeling schade

Gebruik nazorg constant

Getroffenen doen in gelijke mate als in 2002 een beroep op nazorginstellingen. Tussen

nazorginstellingen vinden we wel verschillen. Zo is het beroep op maatschappelijk

werk en Mediant gedaald, terwijl contacten met medische specialisten en alternatieve

genezers een toename laten zien. Getroffenen doen nog steeds aanmerkelijk

vaker een beroep op instellingen die bij de nazorg betrokken zijn dan de controlegroep.

Tevredenheid met nazorg blijft hoog

De meeste getroffenen zijn tevreden over de kwaliteit van de nazorg. We vinden in

dit opzicht geen grote verschillen tussen groepen getroffenen. Onder geherhuisvesten

neemt de tevredenheid voor het tweede achtereenvolgende jaar licht toe.

Tevredenheid over herdenking

De meeste getroffenen zijn evenals vorig jaar tevreden over de herdenkingsactiviteiten

van 13 mei 2003. Dat geldt zowel voor de stille tocht naar het kindermonument

als voor het officiële deel van het herdenkingsprogramma.

Toename tevredenheid schadeafwikkeling bij geherhuisvesten

Voor het tweede achtereenvolgende jaar neemt het aantal geherhuisvesten dat

tevreden is over de schadeafwikkeling licht toe. Andere groepen zijn nog steeds wel

iets vaker tevreden over de schadeafwikkeling, maar het verschil met geherhuisvesten

is niet groot meer.

Tevreden over optreden instanties stabiel

Tevreden over optreden instanties stabiel

Getroffenen zijn evenals in 2003 over het geheel genomen tevreden met het optreden

van instanties na de vuurwerkramp. Toch zijn er tussen instanties wel wat verschillen.

Zo zijn geherhuisvesten minder tevreden over de gemeente Enschede. Opvallend

is verder dat onder geherhuisvesten de tevredenheid met het optreden van

de woningcorporaties toeneemt, terwijl de overige getroffenen juist aanmerkelijk

minder vaak tevreden zijn over corporaties.

28


Getroffenenmonitor 2003

Nazorg en afwikkeling schades

Lichte afname nazorgbehoefte

Lichte afname nazorgbehoefte

Nog ongeveer een vijfde van de geherhuisvesten overweegt in 2003 contact op te

nemen met een nazorginstelling. Dat is iets minder dan vorig jaar. Bij andere groepen

is de nazorgbehoefte vrijwel afwezig.

29


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

4. Wederopbouw

4.1. Inleiding

In de Getroffenenmonitor 2003 wordt uitgebreid aandacht besteed aan de ervaringen

met en de tevredenheid over de voortgang van de wederopbouw van het

rampgebied. In dit hoofdstuk komt onder meer de vraag aan de orde hoeveel oudbewoners

van plan zijn na de wederopbouw naar Roombeek terug te keren. Ook

behandelen we de deelname aan activiteiten die buurthuizen voor getroffenen

hebben georganiseerd. Tevens gaan we in op de betrokkenheid van getroffenen bij

de wederopbouw en de rol van de gemeente Enschede daarbij. Verder gaan we in

op de bekendheid van het Projectbureau Wederopbouw en de prioriteiten die de

gemeente volgens getroffenen zou moeten geven in het nazorg- en wederopbouwproces.

We beginnen dit hoofdstuk met de nieuwe wijk Roombeek.

4.2. Roombeek

De afgelopen twee jaar is er voor oud-bewoners van Roombeek gelegenheid geweest

om mee te praten over plannen voor het nieuwe Roombeek. We vroegen hoe

mensen die plannen beoordelen. Gemiddeld gaven zij een zeven voor de plannen

van het nieuwe Roombeek.

Er zijn bijeenkomsten georganiseerd waarop is gesproken over de plannen voor het

nieuwe Roombeek. Van de geherhuisvesten bezocht 52 procent deze bijeenkomsten.

Een kwart van de bewoners van de binnenring en van de overige getroffenen heeft

een of meer van deze bijeenkomsten bezocht. Vier procent van de controlegroep

bezocht een of meer van de bijeenkomsten.

Van de geherhuisvesten zegt 57 procent goed of zeer goed op de hoogte te zijn van

de plannen voor de nieuwe wijk. Dat geldt eveneens voor 55 procent van de bewoners

van de binnenring, 44 procent van de overige getroffenen en 37 procent van de

controlegroep.

We vroegen ook of men vindt dat de plannen voor het nieuwe Roombeek een goede

afspiegeling van de bijeenkomsten vormt. We vroegen dat alleen aan de mensen

die de bijeenkomsten bezochten. Van de geherhuisvesten herkent 66 procent in de

plannen wat er tijdens de bijeenkomsten is besproken. Datzelfde geldt voor 71 procent

van de bewoners van de binnenring, 76 procent van de overige getroffenen en

71 procent van de controlegroep.

4.3. Terugkeer

Onzekerheid over terugkeer neemt af

Evenals in vorige jaren is aan geherhuisvesten gevraagd of zij na de wederopbouw

willen terugkeren naar Roombeek. Uit de Getroffenenmonitor 2003 komt naar voren

dat het aantal personen dat zegt zeker terug te willen toeneemt (van 27 naar 31

procent) en het aantal personen dat zegt zeker niet terug te willen afneemt (van 44

naar 41 procent).

31


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

Per saldo neemt daarmee het aantal personen dat nog twijfelt af (van 29 naar 27

procent), hetgeen wijst op een afname van de onzekerheid over terugkeer (figuur

4.1).

Figuur 4.1

Ontwikkeling van de terugkeergeneigdheid (september 2001, 2002 en 2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

zeker wel

waarschijnlijk

wel

weet niet

waarschijnlijk

niet

zeker niet

2001 2002 2003

Gehechtheid aan Roombeek belangrijkste reden terugkeer

Aan geherhuisvesten is ook gevraagd welke reden ze hebben om al dan niet terug

te keren of wat zorgt voor aarzeling. De belangrijkste reden om terug te keren is de

gehechtheid aan Roombeek; 59 procent van de terugkeerders noemt dit als reden.

Andere belangrijke redenen zijn dat mensen zich niet thuis voelen waar ze nu wonen

(bijna zeven procent) en het vertrouwen in de nieuwe wijk (11 procent).

Bijna de helft (45 procent) van de geherhuisvesten noemt als belangrijkste reden om

niet terug te keren, dat ze nu prettig wonen. Andere redenen die worden genoemd

om niet terug te keren naar Roombeek zijn dat mensen het te confronterend vinden

(11 procent), er geen vertrouwen in hebben dat de oude wijk voor hun een fijne

wijk wordt (13 procent) en niet nogmaals willen verhuizen (8 procent).

Aan mensen die twijfelen of ze willen terugkeren is gevraagd waar een eventuele

terugkeer van af hangt. Voor iets meer dan een vijfde van de potentiële

terugkeerders (21 procent) leidt onzekerheid over het karakter van de nieuwe wijk

tot twijfel over de terugkeer naar Roombeek. Ook de hoogte van de huur (17

procent) maakt dat mensen nog niet weten of ze wel terug willen.

De mensen hebben het vaakst met de woningbouwvereniging contact gehad over

terugkeer; 58 procent van de potentiële terugkeerders deed dat. Daarna hadden

mensen het vaakst contact met het Projectbureau Wederopbouw of hadden ze met

niemand contact over terugkeer (beide 18 procent).

Geherhuisvesten beter geïnformeerd over terugkeermogelijkheden

Hebben geherhuisvesten voldoende informatie om te kunnen beslissen over terugkeer?

Meer dan driekwart van de geherhuisvesten (78 procent) die (eventueel) willen

terugkeren, zegt voldoende informatie te hebben. Bijna een vijfde van de geherhuisvesten

met terugkeerplannen (19 procent) ontbeert voldoende informatie.

Daarmee zijn meer potentiële terugkeerders geïnformeerd dan vorig jaar; toen had

bijna tweederde van de geherhuisvesten voldoende informatie en een derde had op

dat moment onvoldoende informatie over terugkeermogelijkheden.

32


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

Wennen aan nieuwe buren en buurt grootste knelpunt bij terugkeert

We hebben gevraagd welke knelpunten de geherhuisvesten zien bij een eventuele

terugkeer naar Roombeek. De geherhuisvesten noemen evenals in 2002 de hoge

woonlasten als knelpunt voor terugkeer (17 procent in 2002 en 10 procent in 2003).

Daarnaast wordt in 2003 ook het wennen aan de nieuwe buren en de buurt (meer

nog dan de hoge woonlasten) als knelpunt ervaren bij de terugkeer naar Roombeek

(14 procent noemt dat als knelpunt).

Ook vroegen we aan de potentiële terugkeerders of ze het belangrijk vinden om

contacten te hebben met mensen in de nieuwe wijk en of ze aan buurtactiviteiten

willen deelnemen en of ze die mee willen helpen organiseren. Bijna driekwart vindt

het belangrijk of zeer belangrijk om contacten met anderen in de nieuwe wijk te

hebben, 13 procent maakt het niet uit en 14 procent vindt dat niet belangrijk.

In het verlengde van inspraak en participatie bij de plannen voor de nieuwe wijk

worden er nogal wat initiatieven verwacht om samen met nieuwe (en oude) buurtbewoners

buurtactiviteiten voor en door bewoners te gaan organiseren. We vroegen

of mensen bereid zijn om aan dit soort activiteiten deel te nemen en of ze eventueel

bereid zijn om deze activiteiten te organiseren. Meer dan de helft van de geherhuisvesten

(53 procent) en iets meer dan een kwart van de bewoners van de binnenring

(27 procent) wil aan dit soort activiteiten deelnemen. Respectievelijk negen

en vier procent weten het nog niet.

Aan het organiseren van deze activiteiten zou 44 procent van de geherhuisvesten en

18 procent van de bewoners van de binnenring willen deelnemen, respectievelijk vijf

en drie procent weet dat nog niet.

De geherhuisvesten die willen meehelpen met het organiseren van activiteiten willen

dat in 16 procent van de gevallen eenmalig doen, in 29 procent van de gevallen

soms en in 39 procent van de gevallen vaker, 17 procent weet het nog niet. De bewoners

van de binnenring die willen meehelpen organiseren willen dat in bijna de

helft van de gevallen (48 procent) soms, 18 procent wil het eenmalig, 20 procent wil

het vaker doen en 15 procent weet het nog niet.

4.4. Buurthuisactiviteiten

Door de Enschedese buurthuizen zijn ook in jaar activiteiten uitgevoerd voor getroffenen

van de vuurwerkramp. Deze activiteiten vonden plaats vanuit de wijkwelzijnsinstellingen

en werden gefinancierd door de gemeente Enschede. In de Getroffenenmonitor

is gevraagd naar deelname aan één of meer van deze activiteiten.

Tevens is gevraagd naar de tevredenheid over die activiteiten.

Minder deelnemers activiteiten bewonersondersteuning

Onderzocht is hoeveel getroffenen zijn bereikt met het activiteitenaanbod van bewonersondersteuners.

Gevraagd is of men in de onderzoeksperiode heeft deelgenomen

aan voor getroffenen georganiseerde activiteiten op het gebied van ontmoeting,

ontspanning, sport of cursussen. Tevens is gevraagd of men individuele

contacten heeft gehad met bewonersondersteuners en of men aan reguliere buurthuisactiviteiten

heeft deelgenomen.

Uit figuur 4.2 blijkt dat 18 procent van de geherhuisvesten in de onderzoeksperiode

heeft deelgenomen aan een of meer van dit soort activiteiten (in 2002 was dat nog

24 procent). Hetzelfde geldt voor 13 procent van de bewoners van de binnenring en

13 procent van de overige getroffenen.

33


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

Figuur 4.2

Percentage getroffenen dat heeft deelgenomen aan activiteiten van bewonersondersteuners

en buurthuizen (september 2002 en 2003).

25%

20%

15%

10%

5%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen

2002 2003

Onderzoek naar bereik, prestaties en effecten van de bewonersondersteuning (I&O

Research 2002, 2003) laat zien dat in de periode september 2002-september 2003

aan de projecten in totaal ongeveer 3.500 personen hebben deelgenomen. Daarnaast

is met meer dan 700 personen individueel contact geweest. Tweeëntwintig

procent van de deelnemers aan activiteiten behoorde tot de groep geherhuisvesten,

49 procent tot de bewoners van de binnenring en 30 procent niet tot één van deze

groepen behoorden. Daarmee lijkt de hier geconstateerde daling een onderschatting.

Een mogelijke verklaring is dat de respondenten aan de Getroffenenmonitor

zich niet hebben gerealiseerd dat ze hebben deelgenomen aan activiteiten van de

buurthuizen.

Aan welke buurthuisactiviteiten nemen getroffenen deel? In de periode oktober

2002-september 2003 wordt door zeven procent van de geherhuisvesten deelgenomen

aan ontmoetingsactiviteiten (figuur 4.3). Daarnaast nemen relatief veel geherhuisvesten

deel aan ontspanningsactiviteiten (vijf procent). Acht procent van de geherhuisvesten

heeft daarnaast individuele contacten met bewonersondersteuners.

Vijf procent van de geherhuisvesten neemt ook deel aan reguliere buurthuisactiviteiten.

De geherhuisvesten nemen statistisch significant vaker dan de overige getroffenen

deel aan de ontmoetings- en ontspanningsactiviteiten en aan de cursussen

van de buurthuizen.

Figuur 4.3

Deelname naar soort activiteiten van buurthuizen (september 2003).

15%

12%

9%

6%

3%

0%

ontmoeting ontspanning sport cursus overig individueel

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen

34


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

Deelnemers tevreden over activiteiten buurthuizen

De deelnemers aan de activiteiten van bewonersondersteuners is gevraagd of zij

tevreden zijn over die activiteiten. Bijna iedereen is tevreden met de activiteiten

waaraan is deelgenomen (n=34). Van respondenten die een individueel contact

hebben gehad met een bewonersondersteuner (n=42) is 85 tot 94 procent tevreden

over het contact (niet afgebeeld).

Aan getroffenen is gevraagd of zij behoefte hebben aan bepaalde activiteiten die

de buurthuizen voor hen kunnen organiseren. Uit de open antwoorden op deze

vraag komt naar voren dat getroffenen globaal gesproken aan twee soorten activiteiten

behoefte hebben. Enerzijds willen zij meer ontmoeting. Anderzijds lijkt er

behoefte te zijn aan cursussen. Overigens zegt 28 tot 41 procent van de getroffenen

slecht op de hoogte te zijn van de activiteiten die in buurthuizen voor getroffenen

worden georganiseerd.

4.5. Betrokkenheid en vertrouwen

Afname betrokkenheid bij controlegroep

Gevraagd is hoe betrokken men zich voelt bij de wederopbouw van de nieuwe wijk.

Figuur 4.4 laat zien dat de betrokkenheid bij de wederopbouw bij de geherhuisvesten

licht toeneemt; 69 procent voelt zich in 2003 enigszins tot sterk betrokken tegenover

67 procent in 2002. Bij de andere groepen getroffenen neemt de betrokkenheid

iets af. Bij de controlegroep zegt 32 procent zich enigszins of sterk betrokken

te voelen; dit is een daling ten opzichte van 2002 met 10 procent. De controlegroep

is daarmee in 2003 statistisch significant minder betrokken dan de groep geherhuisvesten.

Figuur 4.4

Percentage personen dat zich sterk of enigszins betrokken voelt bij de wederopbouw

(september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen controlegroep

2001 2002 2003

Vertrouwen in nieuwe wijk stabiel en hoog

Naast de betrokkenheid die respondenten voelen bij de wederopbouw, is ook gevraagd

naar het vertrouwen dat de burgers hebben in de wederopbouw en het gevoel

dat er rekening wordt gehouden met wensen van huidige en oud-bewoners. De

gemeente Enschede speelt daarin een belangrijke rol. We gaan eerst in op het vertrouwen

van de burgers in een leefbare en duurzame wijk.

35


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

Gevraagd is in welke mate men het vertrouwen heeft dat Roombeek een leefbare

wijk zal worden, waar mensen ook over 25 jaar met plezier zullen wonen. De geherhuisvesten

hebben in alle jaren het minst vertrouwen in een leefbare en duurzame

wijk, toch is het percentage geherhuisvesten met veel of zeer veel vertrouwen toch

76 procent, een lichte afname vergeleken met vorig jaar (figuur 4.5). In 2003 blijft

het vertrouwen in de nieuwe wijk bij alle onderzoeksgroepen nagenoeg stabiel. De

controlegroep heeft het meeste vertrouwen: 89 procent.

Figuur 4.5

Percentage personen met veel of zeer veel vertrouwen in een leefbare en duurzame

wijk (september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen controlegroep

2001 2002 2003

In hoeverre zijn getroffenen van mening dat er voldoende rekening wordt gehouden

met de wensen van oud-bewoners en nieuwe bewoners bij het maken van

plannen voor de nieuwe wijk? Van de geherhuisvesten en de bewoners van de binnenring

zegt 31 en 29 procent dat er (zeer) sterk rekening met de wensen van bewoners

rekening gehouden zal worden (figuur 4.6). Van de overige getroffenen en

de controlegroep zegt 36 en 34 procent dat (zeer) sterk rekening met de wensen van

bewoners zal worden gehouden. Ten opzichte van 2002 is er nauwelijks iets veranderd.

Er zijn geen statistisch significante verschillen tussen de onderzoeksgroepen.

Figuur 4.6

Percentage personen dat denkt dat in de wederopbouw zeer sterk of sterk rekening

wordt gehouden met de wensen van de huidige en de oud-bewoners (september

2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen controlegroep

2002 2003

36


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

Tevens is gevraagd hoeveel vertrouwen men heeft dat in de wederopbouw de belangen

van de Enschedese bevolking voorop zullen staan (figuur 4.7). Van de geherhuisvesten

heeft 48 procent hierin (zeer) veel vertrouwen, in 2002 was dat nog 43

procent. Onder bewoners van de binnenring en overige getroffenen heeft respectievelijk

58 en 56 procent het vertrouwen dat de belangen van de Enschedese bevolking

voorop zullen staan. Bij de controlegroep is het vertrouwen hierin het grootst;

67 procent is van mening dat de belangen van de Enschedese bevolking bij de wederopbouw

voorop zullen staan. In vergelijking met 2002 is er onder alle groepen

(behalve de overige getroffenen) sprake van een toename in het vertrouwen dat in

de wederopbouw de belangen van de Enschedese bevolking voorop zullen staan. De

verschillen tussen de groepen zijn niet-statistisch significant.

Figuur 4.7

Percentage personen met veel of zeer veel vertrouwen in het vooropstaan van belangen

van de Enschedese bevolking in de wederopbouw (september 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen controlegroep

2002 2003

Vertrouwen in gemeentebestuur bij geherhuisvesten neemt toe

Door velen is beweerd dat de ramp ertoe heeft geleid dat het vertrouwen van burgers

in de vertegenwoordigers van het gemeentebestuur is geschonden. De gemeente

Enschede wil weten of er in de loop van de tijd sprake is van een herstel van

het vertrouwen in het gemeentebestuur. Daarom is in de Getroffenenmonitor 2003

ook gevraagd hoeveel vertegenwoordigers van de gemeente Enschede, zoals wethouders,

raadsleden en ambtenaren, rekening houden met de wensen en meningen

van burgers.

Binnen de onderzoeksgroepen zegt 31 tot 39 procent veel of tamelijk veel vertrouwen

in de gemeente te hebben (figuur 4.8). De groep die weinig of geen vertrouwen

zegt te hebben is groter; 54 tot 59 procent. Een vrij kleine groep (vijf tot negen

procent) heeft onvoldoende informatie om deze vraag te beantwoorden. Geherhuisvesten

hebben ten opzichte van 2002 meer vertrouwen in de gemeente Enschede,

overige getroffenen hebben minder vertrouwen. De groepen verschillen in hun

opvattingen over het vertrouwen in de gemeente Enschede niet-statistisch significant

van elkaar.

37


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

Figuur 4.8

Percentage personen dat van mening is dat vertegenwoordigers van de gemeente

veel of tamelijk veel rekening houden met wensen van mensen die denken als u

(september 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen controlegroep

2002 2003

Ten slotte is gevraagd naar de bekwaamheid van de vertegenwoordigers van de

gemeente. De vraag was:

‘Hoe bekwaam vindt u deze vertegenwoordigers van de gemeente Enschede?’

Uit figuur 4.9 blijkt dat van de geherhuisvesten 57 procent zegt de vertegenwoordigers

van de gemeente (zeer) bekwaam te vinden. Bij de andere onderzoekgroepen

ligt dit percentage hoger; 66 procent bij bewoners van de binnenring, 65 procent bij

overige getroffenen en 75 procent bij de controlegroep. In alle groepen is het aandeel

mensen dat de vertegenwoordigers van de gemeente (zeer) bekwaam vindt

gestegen ten opzichte van 2002.

Figuur 4.9

Percentage personen dat vertegenwoordigers van de gemeente (zeer) bekwaam

vindt (september 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen controlegroep

2002 2003

38


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

Wederopbouw hoogste prioriteit

De gemeente Enschede voert op dit moment verschillende activiteiten uit rond de

nazorg en de wederopbouw. Aan alle respondenten is de vraag gesteld welke activiteit

op dit moment de meeste aandacht moet krijgen.

Figuur 4.10

Prioriteiten die de gemeente Enschede zou moeten stellen (in procenten, september

2003).

100%

75%

50%

25%

weet niet

anders

nazorg

afwikkeling schades

huizen bouwen

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

Figuur 4.10 laat zien dat respondenten in alle groepen getroffenen zeggen dat herbouw

de belangrijkste opgave is op dit moment. Daarna worden de afwikkeling van

schades en de nazorg aan getroffenen als belangrijke prioriteiten genoemd. Veel

genoemde antwoorden bij ‘anders’ zijn: luisteren naar de (oud-) bewoners van

Roombeek, activiteiten organiseren, voorlichting en informatie geven over bijvoorbeeld

de plannen van het nieuwe Roombeek en het begeleiden en vergemakkelijken

van terugkeer. In de controlegroep vinden de mensen ongeveer even vaak dat

er gebouwd moet worden, dat schades afgewikkeld moeten worden en dat er nazorg

gegeven moet worden. Opvallend is dat bewoners van de binnenring en overige

getroffenen vaker dan de andere onderzoeksgroepen het belang van herbouw

noemen. Van deze groepen vindt respectievelijk 28 en 29 procent herbouw het belangrijkste

aandachtspunt. In de groep geherhuisvesten is dat 19 procent, in de controlegroep

is dat 18 procent. In 2002 was het bouwen van huizen voor alle respondenten

de grootste prioriteit.

4.6. Projectbureau Wederopbouw

Bekendheid Projectbureau Wederopbouw neemt toe

Het Projectbureau Wederopbouw is (als tijdelijk onderdeel van de gemeente) sinds

januari 2001 de regisseur van de sociale, economische en fysieke wederopbouw van

Roombeek en de wederopbouwactiviteiten in de rest van de stad. In de Getroffenenmonitor

2003 is gevraagd naar de bekendheid met en de tevredenheid over de

activiteiten van het Projectbureau.

Voor wat betreft de bekendheid komt uit het onderzoek naar voren dat 82 procent

van de geherhuisvesten, 70 procent van de bewoners van de binnenring en 67 procent

van de overige getroffenen het Projectbureau Wederopbouw kent (figuur

4.11). Bij de controlegroep is het Projectbureau aanzienlijk minder vaak bekend.

39


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

Van deze groep zegt 53 procent het Projectbureau te kennen. Sinds 2002 is de bekendheid

van het Projectbureau Wederopbouw onder alle onderzoeksgroepen toegenomen.

De geherhuisvesten verschillen in 2003 statistisch significant van de controlegroep

als het gaat om de bekendheid met het Projectbureau Wederopbouw.

Figuur 4.11

Percentage personen dat bekend is met het Projectbureau Wederopbouw (september

2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen controlegroep

2002 2003

Vooral informatievoorziening gewaardeerd door bewoners

binnenring en overige getroffenen

Aan degenen die zeggen het Projectbureau te kennen, is gevraagd of zij tevreden

zijn over de activiteiten die het Projectbureau ontplooit en over de informatievoorziening

die het Projectbureau verzorgt. Uit figuur 4.12 blijkt dat de respondenten

vaker tevreden zijn over de informatievoorziening dan over de activiteiten van het

Projectbureau Wederopbouw. Binnen de groep geherhuisvesten en de controlegroep

ligt het aandeel van mensen dat tevreden is met de informatievoorziening en

de activiteiten rond de 50 procent. De bewoners van de binnenring en de overige

getroffenen zijn over het algemeen vaker tevreden met de informatievoorziening

en de door het Projectbureau georganiseerde activiteiten dan de geherhuisvesten.

Figuur 4.12

Percentage personen dat tevreden is over de activiteiten en informatievoorziening

van het Projectbureau Wederopbouw (september 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen controlegroep

activiteiten

informatievoorziening

40


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

IAC

Vlak na de vuurwerkramp is het Informatie- en Adviescentrum (IAC) opgericht. Het

IAC was een centraal loket voor de getroffenen en alle anderen die vragen hebben

over de ramp, de nasleep van de ramp, financiële regelingen en de wederopbouw.

Sinds 1 juli is het Informatie- en Adviescentrum afgebouwd en ondergebracht bij de

publieksbalie in het stadskantoor. We vroegen of mensen het afgelopen jaar gebruik

hebben gemaakt van de diensten van het IAC en of ze tevreden zijn over die

dienstverlening. De geherhuisvesten hebben het meest gebruik gemaakt van de

diensten van het IAC, 15 procent heeft het afgelopen jaar een beroep gedaan op het

IAC. Vijf procent van de bewoners van de binnenring en zeven procent van de overige

getroffenen heeft het afgelopen jaar gebruik gemaakt van de diensten van het

IAC.

Figuur 4.13

Percentage personen dat gebruik heeft gemaakt van diensten van het IAC (september

2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige getroffenen

We vroegen degenen die gebruik maakten van de diensten van het IAC in welke

mate ze daar tevreden mee waren. Bijna driekwart van de geherhuisvesten, 60

procent van de bewoners van de binnenring en 85 procent van de overige

getroffenen is (zeer) tevreden over de dienstverlening door het IAC.

Figuur 4.14

Percentage personen dat tevreden is met de dienstverlening van het IAC (september

2003).

100%

75%

50%

25%

zeer ontevreden

ontevreden

neutraal

tevreden

zeer tevreden

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

41


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

Zorg- en voorzieningencluster

In het nieuwe Roombeek worden een Voorzieningen- en een Zorgcluster opgericht.

In beide clusters zullen allerlei buurt -en zorgvoorzieningen worden ondergebracht.

We vroegen de getroffenen en de controlegroep welke voorzieningen zij vinden

thuishoren in deze clusters (figuur 4.15 en 4.16).

Figuur 4.15

Voorzieningen die in het Voorzieningencluster thuishoren (september 2003).

peuterspeelzaal

kinderdagverblijf

verenigingsruimte

geherhuisvesten

bewoners binnenring

overige getroffenen

controlegroep

jeugdhonk

buurthuisactiviteiten

0% 25% 50% 75% 100%

De vijf belangrijkste voorzieningen (die door tussen de 76 en 93 procent van de

mensen worden gewenst) die in het Voorzieningencluster zouden thuishoren, zijn

sociale voorzieningen zoals een peuterspeelzaal, kinderdagverblijf, een verenigingsruimte,

een jeudhonk en buurthuisactiviteiten. De voorzieningen waarvan de minste

mensen vinden dat ze in het Voorzieningencluster thuishoren zijn zogenoemde ontspanningsvoorzieningen:

een restaurant, theaterruimte en een café.

De respondenten noemden nog andere voorzieningen die in het Voorzieningencluster

zouden moeten worden ondergebracht: veel genoemd zijn een bibliotheek,

speelgelegenheden voor kinderen en sportvoorzieningen.

We vroegen ook naar de voorzieningen die in het Zorgcluster een plaats zouden

moeten krijgen. Figuur 4.16 laat zien dat men in grote mate (tussen de 78 en 93

procent) vindt dat de huisarts en een fysiotherapeut in het Zorgcluster moeten

worden ondergebracht. Dat er een tandarts en een verloskundige in het Zorgcluster

moeten worden ondergebracht is voor tussen de 54 en 67 mensen vanzelfsprekend.

De respondenten noemden nog andere voorzieningen die in het Zorgcluster

ondergebracht zouden moeten worden: veel genoemd zijn een alternatieve

genezer, ontmoetingsplaats voor bejaarden, maatschappelijk werk, thuiszorg en een

EHBO-post.

42


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

Figuur 4.16

Voorzieningen die in het Zorgcluster thuishoren (september 2003).

huisarts

fysiotherapeut

apotheek

tandarts

geherhuisvesten

bewoners binnenring

overige getroffenen

controlegroep

verloskundige

psycholoog

0% 25% 50% 75% 100%

4.7. Conclusies

Wederopbouw

Afname onzekerheid over terugkeer

De meeste geherhuisvesten weten inmiddels of ze al dan niet terug willen keren

naar Roombeek. Het aantal geherhuisvesten dat terug wil, stijgt ten koste van het

aantal geherhuisvesten dat zeker niet terug wil.

Bekendheid terugkeermogelijkheden neemt toe

Geherhuisvesten zijn beter op de hoogte van terugkeermogelijkheden dan in 2002.

Deelname activiteiten buurthuizen daalt

Het aantal getroffenen dat heeft deelgenomen aan buurthuisactiviteiten is in 2003

gedaald. Deze daling deed zich vooral voor bij geherhuisvesten en bewoners van de

binnenring. De deelnemers zijn zeer tevreden over de activiteiten die zij hebben

bijgewoond.

Geherhuisvesten meer betrokken bij wederopbouw

De betrokkenheid bij de wederopbouw neemt toe bij geherhuisvesten. Bij de andere

groepen getroffenen en bij de controlegroep vinden we een daling van de betrokkenheid

bij de wederopbouw.

Veel vertrouwen in nieuwe wijk

Veel vertrouwen in nieuwe wijk

Zowel bij getroffenen als bij de controlegroep is, evenals in 2002, het vertrouwen in

de nieuwe wijk stabiel en hoog tot zeer hoog. Iets meer geherhuisvesten verwachten

dat er bij de wederopbouw ook echt rekening met de wensen van bewoners

gehouden zal worden. Verder valt op dat getroffenen en de controlegroep vaker

van mening zijn dat bij de wederopbouw de belangen van de Enschedese bevolking

voorop zullen staan.

43


Getroffenenmonitor 2003

Wederopbouw

Vertrouwen in gemeente stijgt licht

Bij alle groepen getroffenen en bij de controlegroep valt op dat het vertrouwen dat

men in (vertegenwoordigers van) de gemeente Enschede heeft, licht toeneemt.

Bekendheid Projectbureau Wederopbouw licht toegenomen

Bekendheid Projectbureau Wederopbouw licht toegenomen

De bekendheid van het Projectbureau Wederopbouw, de gemeentelijke dienst die

de wederopbouw van Roombeek regisseert, is in 2003 licht toegenomen. Deze toename

is het sterkst bij de controlegroep. Het Projectbureau is met name bij geherhuisvesten

goed bekend.

44


Getroffenenmonitor 2003

Actuele onderwerpen

5. Actuele onderwerpen

5.1. Inleiding

In dit hoofdstuk komen actuele onderwerpen aan de orde die verband houden met

de vuurwerkramp, zoals de wenselijkheid van extra ondersteuning voor de getroffenen

van de vuurwerkramp en het oordeel van getroffenen over de wijze waarop de

gemeente Enschede en de rijksoverheid omgaan met de aanbevelingen van de

commissie Oosting. Ten slotte wordt ingegaan op de manier waarop de gemeente

moet omgaan met het afgeven van vergunningen voor het afsteken van vuurwerk.

5.2. Herstel van vertrouwen

Oppakken aanbevelingen commissie Oosting nog weinig zichtbaar

Naar aanleiding van de vuurwerkramp is een commissie ingesteld, onder voorzitterschap

van de voormalig Nationale Ombudsman M. Oosting. De commissie Oosting

had als taak de oorzaak, toedracht, bestrijding en directe gevolgen van de vuurwerkramp

te onderzoeken. De commissie heeft bovendien uitgezocht wie waarvoor

verantwoordelijk was en heeft beoordeeld hoe met die verantwoordelijkheden is

omgegaan. Daarnaast is geprobeerd lessen te trekken voor de toekomst voor ramppreventie

en rampbestrijding, en voor de wetgeving. Verder was een doel van het

onderzoek een bijdrage te kunnen leveren aan de verwerking van de ramp.

In de Getroffenenmonitor 2003 is gevraagd wat respondenten merken van de aanbevelingen

die de commissie Oosting aan de gemeente Enschede heeft gedaan (figuur

5.1).

Figuur 5.1

Wat merkt u van de wijze waarop de gemeente Enschede omgaat met de aanbevelingen

van de commissie Oosting? (september 2003)

100%

75%

50%

25%

weet niet

niets

weinig

veel

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

45


Getroffenenmonitor 2003

Actuele onderwerpen

De inspanningen van de gemeente Enschede ten aanzien van de aanbevelingen van

de commissie Oosting zijn weinig zichtbaar. Van de getroffenen en de controlegroep

zegt 9 tot 16 procent (in 2002 was dat 9 tot 19 procent) veel te merken van de

wijze waarop de gemeente Enschede de aanbevelingen oppakt. Ongeveer driekwart

van de getroffenen en de controlegroep zegt hiervan weinig of niets te merken (dat

was in 2002 ook zo).

Een zelfde vraag is gesteld over de rijksoverheid. De vraag luidde:

‘Wat merkt u van de manier waarop de rijksoverheid omgaat met de aanbevelingen

van de commissie Oosting?’

Ook hier valt op dat weinig respondenten iets merken van de inspanningen van de

rijksoverheid (figuur 5.2). Drie tot zeven procent van de getroffenen en de controlegroep

(in 2002 was dat nog vijf tot negen procent) zegt hiervan veel te merken.

Meer dan 80 procent in alle groepen (dat was in 2002 nog ruim driekwart) merkt

weinig tot niets van de inspanningen van het rijk om met de aanbevelingen van

Oosting iets te doen.

Figuur 5.2

Wat merkt u van de rijksoverheid op het vlak van de aanbevelingen van de commissie

Oosting? (september 2003)

100%

75%

50%

25%

weet niet

niets

weinig

veel

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

Zichtbaarheid aanpak veiligheid neemt af

Ook is gevraagd of de getroffenen vinden dat de gemeente Enschede voldoende

maatregelen neemt om de veiligheid van haar inwoners beter onder controle te

krijgen. Zoals uit figuur 5.3 valt op te maken, neemt de zichtbaarheid van het aanpakken

van veiligheid door de gemeente Enschede af. Van de geherhuisvesten vindt

in 2003 47 procent dat de gemeente voldoende maatregelen omtrent de veiligheid

neemt, in 2002 was dat 53 procent en in 2001 was dat nog 66 procent. Ook in de

groep overige getroffenen neemt het aandeel dat het (zeer) eens is met de stelling

af. In 2001 was nog 74 procent het eens met deze stelling, in 2002 63 procent en in

2003 nog maar 58 procent. In de andere groepen vindt, net als in 2002, iets meer

dan 60 procent dat de gemeente Enschede voldoende doet om de veiligheid van

haar inwoners beter onder controle te krijgen.

46


Getroffenenmonitor 2003

Actuele onderwerpen

Figuur 5.3

Percentage personen dat het eens of zeer eens is met de stelling dat de gemeente

Enschede voldoende maatregelen neemt om de veiligheid van haar inwoners beter

onder controle te krijgen (september 2001 en september 2002).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

2001 2002 2003

We vroegen de respondenten ook of ze het eens zijn met de stelling:

“Ik ben goed op de hoogte van de activiteiten die de gemeente Enschede

uitvoert om de veiligheid van burgers te waarborgen”.

Zoals uit figuur 5.4 is op te maken vindt tussen de 34 en 42 procent van de

respondenten dat ze goed op de hoogte zijn van de activiteiten die de gemeente

Enschede uitvoert om de veiligheid van haar burgers te waarborgen. Meer dan de

helft van de ondervraagden vind van zichzelf niet dat hij of zij goed op de hoogte is

van activiteiten om veiligheid te waarborgen.

Figuur 5.4

Reacties op de stelling “Ik ben goed op de hoogte van de activiteiten die de

gemeente Enschede uitvoert om de veiligheid van burgers te waarborgen”

(september 2003).

100%

75%

50%

25%

weet niet

zeer oneens

oneens

neutraal

eens

zeer eens

0%

geherhuisvesten

bewoners

binnenring

overige

getroffenen

controlegroep

We vroegen ten slotte of mensen behoefte hebben aan meer informatie over de

activiteiten van de gemeente om de veiligheid te waarborgen en, zo ja, aan welk

soort informatie ze dan behoefte hebben. Van de geherhuisvesten heeft 43 procent

behoefte aan meer informatie, van de bewoners van de binnenring 37 procent en

van de overige getroffenen en de controlegroep heeft respectievelijk 34 en 29

procent behoefte aan meer informatie over de activiteiten die de gemeente

Enschede uitvoert om de veiligheid van burgers te waarborgen.

47


Getroffenenmonitor 2003

Actuele onderwerpen

We vroegen ook aan welke soort informatie de mensen dan behoefte zouden

hebben (figuur 5.5). De geherhuisvesten hebben het vaakst behoefte aan informatie

over risico’s van bedrijven (80 procent) en het transport van gevaarlijke stoffen (73

procent). De bewoners van de binnenring hebben het vaakst behoefte aan

informatie over risico’s van bedrijven (respectievelijk 85), diefstal, inbraak en

criminaliteit (beide 79 procent). De overige getroffenen hebben het vaakst behoefte

aan informatie over risico’s van bedrijven (85 procent) en verkeer en criminaliteit

(beide 72 procent). De controlegroep heeft het vaakst behoefte aan informatie over

verkeer en criminaliteit (beide 83 procent) en transport van gevaarlijke stoffen (79

procent). De verschillen zijn overigens niet significant, op de informatiebehoefte

over verkeer na. De controlegroep wil statistisch significant vaker informatie over

verkeer dan de geherhuisvesten. Er is minder behoefte aan informatie over

uitgaansoverlast.

Figuur 5.5

Informatiebehoefte over veiligheidsmaatregelen van gemeente Enschede (september

2003).

risico's bedrijven

transport stoffen

diefstal en inbraak

criminaliteit

geherhuisvesten

bewoners binnenring

overige getroffenen

controlegroep

verkeer

uitgaansoverlast

0% 25% 50% 75% 100%

5.3. Beleidsvoorkeuren

Veel steun voor extra maatregelen getroffenen

In het kader van de sociale wederopbouw faciliteert de gemeente Enschede extra

ondersteuning voor getroffenen van de vuurwerkramp. We hebben de respondenten

gevraagd of ze het zinvol, wenselijk of terecht vinden dat er voor deze getroffenen

extra maatregelen worden genomen. Uit figuur 5.6 blijkt dat ook in 2003 bijna

alle respondenten extra maatregelen voor getroffenen ondersteunen. Deze steun

is het hoogst in de controlegroep, waarvan 93 procent (in 2002 was dat 95 procent)

extra maatregelen ondersteunt. De verschillen zijn niet-statistisch significant.

48


Getroffenenmonitor 2003

Actuele onderwerpen

Figuur 5.6

Vindt u het zinvol, wenselijk of terecht dat er voor de getroffenen extra maatregelen

worden genomen? (september 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen controlegroep

2002 2003

Verdeeldheid over beleid vuurwerkshows

Tot slot van dit hoofdstuk wordt de vraag behandeld hoe de Enschedese burgers

vinden dat de gemeente moet omgaan met het toestaan van vuurwerkshows bij

evenementen.

17 procent (in 2002 was dat nog 23 procent) van de geherhuisvesten wil dat vuurwerkshows

nooit meer worden gehouden (figuur 5.7). Bij de bewoners van de binnenring

en de overige getroffenen ligt dat op respectievelijk 14 en 11 procent (in

2002 op respectievelijk 14 en 13 procent). In de controlegroep vindt zes procent dat

de gemeente vuurwerkshows nooit meer mag toestaan (in 2002 was dat tien procent).

Tussen de 36 procent (geherhuisvesten) en 43 procent (controlegroep) heeft

geen bezwaar tegen het toestaan van vuurwerkshows bij evenementen. In 2002 lag

het percentage dat geen bezwaar had ook rond de 40 procent in alle onderzoeksgroepen.

Tussen de 44 en 51 procent van de respondenten vindt dat de gemeente

terughoudend moet omgaan met het afgeven van vergunningen voor vuurwerkshows

(in 2002 was dat tussen de 36 en 48 procent).

Figuur 5.7

Hoe moet de gemeente omgaan met het toestaan van vuurwerkshows bij evenementen?

(september 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

geherhuisvesten bewoners binnenring overige getroffenen controlegroep

nooit meer toestaan terughoudend mee omgaan geen bezwaar weet niet

49


Getroffenenmonitor 2003

Actuele onderwerpen

Ten slotte vroegen we of mensen het belangrijk vinden dat de Getroffenenmonitor

de komende twee jaar nog wordt voortgezet. Driekwart van de geherhuisvesten

vindt dat belangrijk, 60 procent van de bewoners van de binnenring en de groep

overige getroffenen en 59 procent van de controlegroep vindt het belangrijk dat de

Getroffenenmonitor de komende twee jaar wordt herhaald.

5.4. Conclusies

Actueel

Afname tevredenheid over aanpak veiligheid bij geherhuisvesten

Met name bij geherhuisvesten vinden we een afname in de tevredenheid over de

aanpak van veiligheidsproblematiek door de gemeente. Evenals in 2002 zeggen de

meeste getroffenen en de controlegroep dat zij nog weinig merken van wat de gemeente

Enschede doet met de aanbevelingen van de commissie Oosting. Een minderheid

van de getroffenen en de controlegroep zegt goed op de hoogte te zijn van

de activiteiten die de gemeente onderneemt om de veiligheid te verbeteren.

Nog steeds veel steun voor extra maatregelen voor getroffenen

Evenals vorig jaar is er zowel bij getroffenen zelf als bij de controlegroep nog steeds

veel steun voor extra maatregelen.

Meer duidelijkheid over gewenst beleid ten aanzien van vuurwerkshows

Meer duidelijkheid over gewenst beleid ten aanzien van vuurwerkshows

Getroffenen en de controlegroep voelen minder vaak voor een algeheel verbod op

vuurwerkshows. Zij neigen er wel naar dat de gemeente in de toekomst terughoudend

met dit soort evenementen moet omgaan.

50


Getroffenenmonitor 2003

Ondernemers

6. Ondernemers

6.1. Kenmerken van de onderzoeksgroep

Dit hoofdstuk gaat over de situatie van door de vuurwerkramp getroffen ondernemers.

In tegenstelling tot 2001 is in de Getroffenenmonitor van 2002 en 2003, naast

de tevredenheid van ondernemers met hun (nieuwe of herstelde) bedrijfsruimte,

ook aandacht besteed aan gezondheid en welbevinden van getroffen ondernemers.

In deze paragraaf beschrijven wij in kort bestek de groep ondernemers die in 2003

aan de Getroffenenmonitor heeft deelgenomen. Dit is van belang om de groep ondernemers,

waarover we in dit hoofdstuk uitspraken doen, goed in beeld te krijgen.

In dit onderzoek verstaan we onder getroffen ondernemers, personen die kort voor

de ramp in het rampgebied (in de binnenring of binnen de schuttingring) een bedrijf

uitoefenden of atelier hadden en zich als slachtoffer van de ramp hebben laten

registreren bij de Helpdesk Ondernemers, dan wel tevens woonachtig waren in het

rampgebied. Over deze groep worden in dit hoofdstuk uitspraken gedaan.

Aan de Getroffenenmonitor 2001 namen 167 ondernemers deel. Hiervan maakten

57 ondernemers deel uit van de reguliere steekproef, terwijl met 110 ondernemers

verdiepende gesprekken zijn gevoerd die waren toegespitst op hoe het na de ramp

met het bedrijf ging. In de Getroffenenmonitor 2002 zijn beide groepen ondernemers

opnieuw benaderd met het verzoek om deel te nemen aan het onderzoek. Van

de 57 ondernemers uit de reguliere steekproef die in 2001 al meededen hebben 31

opnieuw aan het onderzoek deelgenomen. Van de 110 ondernemers waarmee in

2001 verdiepende gesprekken zijn gevoerd, waren 78 bereid ook dit jaar hun medewerking

aan het onderzoek te verlenen. In 2002 konden we daardoor uitspraken

doen over in totaal 109 ondernemers 6 . In 2003 is met 93 ondernemers een gesprek

gevoerd, waarvan 62 uit de groep extra ondernemers en 31 uit de reguliere steekproef.

6.2. Gezondheid en bedrijfsvoering

Nog een kwart heeft lichamelijke of psychische klachten

Nagegaan is hoe het ondernemers wat betreft hun gezondheid vergaat. Aan de

ondernemers is de vraag gesteld of ze op het moment van de tweede meting lichamelijke

of psychische klachten hebben die een gevolg kunnen zijn van de vuurwerkramp.

Uit het onderzoek komt naar voren dat in 2003 26 procent (in 2002 was dat

31 procent) van de ondernemers lichamelijke of psychische klachten heeft die zij

direct toeschrijven aan de vuurwerkramp (figuur 6.1). Zes procent (ook zes procent

in 2002) heeft alleen lichamelijke klachten, acht procent (in 2002 was dat 15 procent)

heeft alleen psychische klachten en 13 procent (dat was tien procent in 2002) heeft

zowel lichamelijke als psychische klachten.

6

De paneluitval bij ondernemers bedraagt daarmee ongeveer 30 procent. Deze uitval is niet selectief

voor enkele belangrijke variabelen in het onderzoek, zoals de tevredenheid met het bedrijfsresultaat,

de tevredenheid met de bedrijfsruimte en de tevredenheid met de buurt waarin het bedrijf is gevestigd.

51


Getroffenenmonitor 2003

Ondernemers

Verder zegt 13 procent (in 2002 was dat 17 procent) van de ondernemers niet in

staat te zijn om bepaalde dagelijkse activiteiten uit te voeren en overweegt 20 procent

(in 2002 was dat 13 procent) om voor advies of hulp contact te zoeken met een

professionele hulpverlener (niet afgebeeld).

Figuur 6.1

Percentage ondernemers met lichamelijke en/of psychische klachten als gevolg van

de vuurwerkramp (september 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

lichamelijke

klachten

psychische

klachten

beide

geen klachten

2002 2003

Afname invloed ramp

Aan de ondernemers is gevraagd hoeveel invloed de vuurwerkramp per saldo op

hun eigen leven heeft gehad. Figuur 6.2 laat zien dat in 2001 65 procent van de ondernemers

zegt dat de ramp veel invloed heeft gehad. In 2002 zegt 55 procent hetzelfde.

Er leek dus sprake van een lichte daling van het aantal ondernemers dat in

2002 nog veel invloed ondervond van de vuurwerkramp. In 2003 is het aandeel ondernemers

dat nog veel of enige invloed van de ramp ondervindt afgenomen (van

91 procent in 2002 naar 82 procent in 2003) en het aandeel dat weinig of geen invloed

meer ondervindt toegenomen (van 10 procent in 2002 tot 17 procent in 2003).

Figuur 6.2

Invloed van de vuurwerkramp op het eigen leven (september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

geen

weinig

enige

veel

0%

2001 2002 2003

52


Getroffenenmonitor 2003

Ondernemers

Tevredenheid over bedrijfsruimte blijft hoog

Gevraagd is of de ondernemers tevreden zijn over de huidige bedrijfsruimte (figuur

6.3). In 2002 en 2003 zegt 86 procent tevreden te zijn met de huidige bedrijfsruimte.

Ondernemers die een tijdelijke bedrijfsruimte hebben zijn, in tegenstelling tot in

2002 toen ze ongeveer even vaak tevreden waren, in 2003 minder vaak tevreden

over de bedrijfsruimte als ondernemers die een permanente bedrijfsruimte hebben.

Figuur 6.3

Tevredenheid ondernemers met tijdelijke bedrijfsruimte (september 2001, 2002 en

2003).

100%

75%

50%

25%

ontevreden

neutraal

tevreden

0%

2001 2002 2003

Aan de in totaal acht ondernemers die in 2003 zeggen ontevreden te zijn met de

bedrijfsruimte, is gevraagd naar de oorzaak van deze ontevredenheid. De volgende

redenen worden genoemd: te weinig klanten, de uitstraling van het pand zou niet

goed zijn, de ruimte is te klein, de schade aan de bedrijfsruimte is nog niet volledig

hersteld, klanten denken dat het bedrijf er niet meer is omdat alles er omheen weg

is, slechte ligging van het pand en een ondernemer noemt als reden dat er geen

toekomst in zit en dat hij daar weg moet.

Tevredenheid met buurt hoog

Evenals vorig jaar is gevraagd of ondernemers tevreden zijn met de buurt waarin

hun huidige bedrijfsruimte is gevestigd. Uit de Getroffenenmonitor 2003 komt naar

voren dat de tevredenheid met de buurt stabiel is gebleven (figuur 6.4).

Figuur 6.4

Tevredenheid met buurt waarin bedrijfsruimte is gevestigd (september 2001, 2002

en 2003).

100%

75%

50%

25%

ontevreden

neutraal

tevreden

0%

2001 2002 2003

53


Getroffenenmonitor 2003

Ondernemers

In 2001 zegt 71 procent van de ondernemers tevreden te zijn met de buurt waarin

het bedrijf is gevestigd. In 2002 is 78 procent tevreden met de buurt, in 2003 is dat

79 procent. De ondernemers met een tijdelijke bedrijfsvestiging (zeven) zijn vaker

tevreden met de buurt waarin het bedrijf is gevestigd (in alle gevallen) dan de ondernemers

met een permanente bedrijfsvestiging (74 procent, in 2002 was dat 86

procent).

Nagegaan is om welke reden ondernemers ontevreden zijn over de buurt. Bijna alle

ontevreden ondernemers noemen als reden voor hun ontevredenheid dat de buurt

geïsoleerd ligt, doordat deze (nog) niet is bebouwd.

Afname tevredenheid over bedrijfsresultaat

Veel ondernemers hebben niet alleen fysieke schade geleden. Doordat ze hun bedrijf

moesten verhuizen kan het ook zijn dat de vaste klanten hen niet meer weten

te vinden. Het is ook mogelijk dat allerlei andere redenen hebben geleid tot een

slechter bedrijfsresultaat. Daarom is gevraagd naar de tevredenheid met het bedrijfsresultaat

(figuur 6.5). Uit de Getroffenenmonitor 2003 komt naar voren dat 46

procent van de ondernemers tevreden is met het bedrijfsresultaat. Dit is een sterke

daling ten opzichte van 2002, toen 60 procent opgaf tevreden te zijn met het bedrijfsresultaat.

Ook het percentage ondernemers dat ontevreden is met het bedrijfsresultaat.

Opvallend is het grote percentage ondernemers in 2003 dat niet tevreden,

maar ook niet ontevreden is met het bedrijfsresultaat. Ondernemers die gebruik

maken van een tijdelijke bedrijfsruimte zijn even vaak tevreden met het bedrijfsresultaat

als ondernemers met een permanente bedrijfsruimte.

Figuur 6.5

Tevredenheid met het financiële resultaat van het bedrijf (september 2001, 2002 en

2003).

100%

75%

50%

25%

ontevreden

neutraal

tevreden

0%

2001 2002 2003

Nagegaan is hoe het bedrijfsresultaat over 2003 wordt beoordeeld in relatie tot het

bedrijfsresultaat van 2002 (figuur 6.6).

54


Getroffenenmonitor 2003

Ondernemers

Figuur 6.6

Ontwikkeling bedrijfsresultaat 2003 in vergelijking met voorgaande jaren (september

2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

slechter

gelijk

beter

0%

2001 2002 2003

Uit het onderzoek komt naar voren dat in 2003 32 procent (in 2002 was dat 35 procent

ten opzichte van 2001) van de ondernemers het bedrijfsresultaat een verbetering

vindt ten opzichte van 2002. Verder zegt 35 procent (in 2002 was dat 31 procent

ten opzichte van 2001) dat het bedrijfsresultaat vergelijkbaar is met 2002 en zegt 33

procent (in 2002 was dat 34 procent ten opzichte van 2001) dat er sprake is van een

achteruitgang in het bedrijfsresultaat.

Slechts een paar van de ondernemers die een achteruitgang in het bedrijfsresultaat

waarnemen, verklaren dit uit de naweeën van de vuurramp. De meeste ondernemers

noemen de economische situatie als oorzaak voor een achteruitgang in het

bedrijfsresultaat. Tweederde (68 procent) van de ondernemers (in 2002 was dat nog

76 procent ) zegt te verwachten dat er positieve verandering komt in het financiële

resultaat van de bedrijfsactiviteiten. De ondernemers die geen verbetering verwachten

wijzen vaak op de recessie, maar ook op omstandigheden die nauw met de nasleep

van de vuurwerkramp verbonden zijn.

6.3. Nazorg

Geen afname in contacten met nazorginstellingen

gen

Nagegaan is in welke mate ondernemers in 2003 contacten hebben gehad met nazorginstellingen.

Daarbij zijn ook de contacten met de belangenorganisaties OGOVE

en BSVE meegenomen. Figuur 6.7 geeft hiervan een beeld. Opvallend is dat ondernemers

meer contacten hebben gehad met de belangenorganisaties dan met de

reguliere nazorginstellingen. Ruim een kwart van de ondernemers (zowel in 2002 als

in 2003 was dat 26 procent) heeft in 2003 contact gehad met de OGOVE en 15 procent

had contact met de BSVE (dat was in 2002 17 procent).

55


Getroffenenmonitor 2003

Ondernemers

Figuur 6.7

Contacten van ondernemers met nazorginstellingen (september 2002 en 2003).

OGOVE

BSVE

medisch specialist

bedrijfsarts

Mediant

alternatief genezer

psycholoog

2002

2003

CAD

THD

gezinshulp

wijkverpleging

AMW

0% 5% 10% 15% 20% 25% 30%

Ondernemers hebben vaker dan in 2002 contacten gehad met een medisch specialist

(24 procent in 2003 en 17 procent in 2002) en minder vaak met de bedrijfsarts (van

16 procent in 2002 tot 2 procent in 2003). Het aantal contacten met Mediant is ongeveer

gelijk gebleven (14 procent in 2003 en 15 procent in 2002). Evenals vorig jaar

heeft een grote groep ondernemers contact gehad met een instelling voor alternatieve

geneeskundige (negen procent in 2003, dat was nog tien procent in 2002). Drie

procent heeft contact gehad met een psycholoog (dat was zeven procent in 2002).

Contacten met het CAD en THD komen in 2002 niet meer voor. In 2003 werd juist

wel gebruik gemaakt van gezinshulp, wijkverpleging en het algemeen maatschappelijk

werk.

Meer tevredenheid over verzekeringen dan over schaderegelingen

Van de ondernemers in dit onderzoek zegt 35 procent in september 2003 (in 2002

was dat 33 procent) nog niet-gecompenseerde schade te hebben als gevolg van de

vuurwerkramp. We vroegen ook naar de tevredenheid met de eventueel al wel vergoede

schade door de verzekering en de schaderegelingen (fondsen en CFA I en II).

De ondernemers zijn vaker tevreden (82 procent is (zeer) tevreden) over de door de

verzekering vergoede schade dan de door de schaderegelingen vergoede schade (47

procent is (zeer) tevreden).

56


Getroffenenmonitor 2003

Ondernemers

Figuur 6.8

Tevredenheid met vergoeding van schade door verzekering en schaderegelingen

(september 2003).

100%

75%

50%

25%

zeer ontevreden

ontevreden

neutraal

tevreden

zeer tevreden

0%

verzekering

schaderegelingen

De belangrijkste redenen voor tevredenheid met de door de verzekering vergoede

schade zijn de snelle afhandeling, de goede regeling in het algemeen en de volledige

vergoeding van de geclaimde schade. De belangrijkste redenen voor tevredenheid

met de door de schaderegelingen vergoede schade was ook de snelle afhandeling.

6.4. Wederopbouw

Geen toename terugkeergeneigdheid

De ondernemers is gevraagd of ze kenbaar hebben gemaakt dat ze na de wederopbouw

van Roombeek hun bedrijf daar weer willen vestigen; 75 procent heeft dit

gedaan.

Ondernemers die kiezen voor terugkeer geven aan dat te doen vanwege gehechtheid

aan de oude buurt. Een ander argument dat wordt genoemd, is dat Roombeek

voor het bedrijf een gunstigere ligging heeft ten opzichte van de huidige locatie.

Ondernemers die niet terug willen, wijzen op het voordeel van de huidige locatie.

Gebruik van en tevredenheid over terugkeerrichtlijnen laag

De gemeente Enschede heeft regelingen opgesteld voor terugkeer van getroffen

ondernemers en kunstenaars naar Roombeek. De regelingen als zodanig bestonden

niet meer ten tijde van het veldwerk van deze Getroffenenmonitor, maar de getroffen

ondernemers en kunstenaars kunnen er nog wel gebruik van maken; het Projectbureau

Wederopbouw biedt op basis van deze regelingen maatwerk aan.

Aan de ondernemers is gevraagd of ze op de hoogte zijn van deze terugkeerrichtlijnen.

In 2003 zegt 78 procent op de hoogte te zijn van de terugkeerrichtlijnen van

het Projectbureau Wederopbouw (in 2002 is voor de regelingen apart gevraagd of

de ondernemers op de hoogte waren van het bestaan ervan. Toen was elk van de

regelingen bij ongeveer de helft van de ondernemers bekend.

We vroegen aan de ondernemers of ze gebruik hebben gemaakt van de terugkeerrichtlijn,

de huur- en koopgewenningsregeling en de adviesregeling, en in hoeverre

ze tevreden zijn over de uitvoer van die regelingen.

57


Getroffenenmonitor 2003

Ondernemers

Figuur 6.9

Gebruik van en tevredenheid met de terugkeerregelingen van het Projectbureau

Wederopbouw (september 2003).

100%

75%

50%

gebruik

(zeer) tevreden

25%

0%

terugkeerrichtlijnen

huur- en

koopgewenning

adviesregeling

Het percentage ondernemers dat gebruik heeft gemaakt van de regelingen ligt

tussen de 13 procent (adviesregeling) en 22 procent (huur- en koopgewenningsregeling).

Tussen de 16 procent (adviesregeling) en 32 procent (terugkeerrichtlijnen)

van de ondernemers gaf aan dat ze niet in aanmerking voor de regeling kwamen. In

de Getroffenenmonitor wordt een ruimere definitie van getroffen ondernemers

gebruikt dan bij het Projectbureau Wederopbouw. Dat is een mogelijke verklaring

voor de relatieve onbekendheid van de terugkeerregelingen en voor de constatering

dat relatief veel ondernemers zeggen niet voor de terugkeerregelingen in aanmerking

te komen.

De ondernemers die gebruik hebben gemaakt van de regelingen zijn daar in 14

(huur- en koopgewenning) tot 50 procent (de beide andere regelingen) van de

gevallen tevreden mee.

Vertrouwen in nieuwe wijk daalt licht

Aan ondernemers is gevraagd hoeveel vertrouwen zij er in hebben dat Roombeek

na de wederopbouw een wijk wordt waar ondernemers met succes een bedrijf kunnen

uitoefenen. In 2003 zegt 66 procent van de ondernemers veel of zeer veel vertrouwen

te hebben in een ondernemersvriendelijke wijk. In de voorgaande jaren

was het vertrouwen in de ondernemersvriendelijkheid iets hoger: 75 procent in 2001

en 68 procent in 2002.

In 2002 was er nog sprake van dat ondernemers met nog niet-gecompenseerde

schade minder vaak vertrouwden op het feit dat de nieuwe wijk ondernemersvriendelijk

zal worden. In 2003 is er geen verschil meer tussen ondernemers met al wel of

nog niet-gecompenseerde schade voor wat betreft hun vertrouwen in de nieuwe

wijk. Vertrouwen in de ondernemersvriendelijkheid hangt ook niet samen met de

terugkeergeneigdheid van ondernemers.

58


Getroffenenmonitor 2003

Ondernemers

Figuur 6.10

Vertrouwen in de nieuwe wijk bij ondernemers (september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

geen

weinig

veel

zeer veel

0%

2001 2002 2003

6.5. Conclusies

Op het vlak van gezondheid gaat het in 2003 met ondernemers die door de ramp

zijn getroffen, beter dan in 2001 en in 2002. Er is echter geen sprake van een afname

van contacten met nazorginstellingen. Wel geven ondernemers in 2003 minder

vaak aan dat de ramp nog veel invloed op hun leven heeft. Over het algemeen zijn

getroffen ondernemers tevreden met de bedrijfsruimte en met de buurt waarin het

bedrijf is gevestigd. De meeste ondernemers zijn in 2003 tevreden met de schadeafwikkeling

door de verzekeringsmaatschappijen. Ondernemers zijn in meerderheid

ontevreden over de schadeafwikkeling via de regelingen van CFA I en CFA II. Eenderde

van de getroffen ondernemers is van plan naar Roombeek terug te keren. De

meeste getroffen ondernemers beoordelen de nieuwe wijk, op basis van de plannen,

als ondernemersvriendelijk.

59


Getroffenenmonitor 2003

Leeftijdsgroepen

7. Leeftijdsgroepen

7.1. Inleiding

In de Getroffenenmonitor 2001 is ingegaan op de problematiek van geherhuisveste

50-plussers. Geconcludeerd is toen dat 50-plussers vaker dan jongeren nog kampen

met lichamelijke klachten ten gevolge van de vuurwerkramp. Voorts is geconcludeerd

dat de maatschappelijke participatie van 50-plussers na de ramp is verminderd,

maar dat die afname niet sterker is dan in andere leeftijdsgroepen. In dit rapport

van de Getroffenenmonitor 2003 wordt, net als in 2002, aandacht besteed aan

de verschillen in gezondheid, beleving en tevredenheid met nazorg en wederbouw

van zowel jongere als oudere geherhuisvesten. We hanteren daarbij een onderscheid

in drie leeftijdscategorieën: geherhuisvesten tussen 16 en 29 jaar (n=49), tussen

30 en 50 jaar (n=54) en van 50 jaar en ouder (n=48).

7.2. Gezondheid en welbevinden

Geherhuisvesten tot 30 jaar herstellen zich sneller

Aan de respondenten is gevraagd een oordeel te geven over de eigen gezondheidstoestand.

De vraag die aan de respondenten is voorgelegd luidde:

‘Hoe beoordeelt u over het algemeen uw gezondheidstoestand?’

In 2003 zegt 59 procent (in 2002 was dat 49 procent) van de jongeren de eigen gezondheid

als goed of zeer goed te beoordelen (figuur 7.1). Van de geherhuisvesten

tussen 30 en 50 jaar beoordeelde in 2002 38 procent de eigen gezondheid als goed

of zeer goed; in 2003 is dat gedaald naar 32 procent.

Figuur 7.1

Beoordeling van de eigen gezondheidstoestand door geherhuisvesten naar leeftijd

(percentage goed of zeer goed) (september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

16-29 jaar 30-49 jaar > 50 jaar

2001 2002 2003

61


Getroffenenmonitor 2003

Leeftijdsgroepen

Het aantal 50-plussers dat de eigen gezondheid als goed of zeer goed beoordeelt is

in 2003 gestabiliseerd, 22 procent beoordeelt de eigen gezondheid als goed of zeer

goed (in 2002 was dat 21 procent). Het verschil in de beoordeling van de subjectieve

gezondheid tussen mensen tussen 30 en 50 jaar en van 50 jaar en ouder, is in 2003

niet-statistisch significant.

Figuur 7.2 geeft een beeld van de verschillen naar leeftijd voor wat betreft het voorkomen

van lichamelijke klachten die geherhuisvesten zelf aan de ramp toeschrijven.

Uit de figuur komt duidelijk naar voren dat ook in 2003 50-plussers vaker dan jongeren

lichamelijke klachten aan de ramp toeschrijven. In 2003 daalt het aantal jongeren

met rampgerelateerde lichamelijke klachten nog verder (van zeven naar vier

procent). Bij geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar is ook sprake van een verdere daling

van dit soort klachten (van 39 naar 31 procent). Ook het percentage 50-plussers

met lichamelijke klachten is in 2003 flink gedaald (van 48 naar 37 procent). In 2003

hebben dus minder mensen tussen 30 en 50 jaar en minder 50-plussers last van lichamelijke

klachten. Het verschil in rampgerelateerde lichamelijke klachten tussen

mensen tussen 30 en 50 jaar en 50-plussers, is in 2003 niet-statistisch significant.

Figuur 7.2

Percentage geherhuisvesten met lichamelijke klachten als gevolg van de ramp naar

leeftijd (september 2001, 2002 en 2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

16-29 jaar 30-49 jaar > 50 jaar

2001 2002 2003

Hoe ontwikkelen de verschillen in gezondheid tussen 50-plussers en jongeren zich

op drie andere indicatoren? Het beeld is wisselend. Zo daalde in 2002 in alle leeftijdsgroepen

het percentage geherhuisvesten dat moeite heeft om dagelijkse activiteiten

uit te voeren flink. Echter in 2003 is er sprake van een veel kleinere daling en

stabilisatie onder jongeren. Van de jongeren heeft 15 procent in 2003 moeite met

het uitvoeren van dagelijkse activiteiten (dat was in 2002 nog 14 procent en in 2001

nog 84 procent). Van de geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar ervaart nog 33 procent

belemmeringen in het uitvoeren van dagelijkse activiteiten (tegenover 40 procent in

2002 en 83 procent in 2001). Hetzelfde geldt voor 28 procent van de 50-plussers (dat

was 36 procent in 2002 en in 2001 72 procent). In 2003 zijn er dus minder mensen

tussen 30 en 50 jaar en minder 50-plussers die worden belemmerd in het uitvoeren

van dagelijkse activiteiten. De verschillen tussen de leeftijdsgroepen zijn in 2003 niet

meer statistisch significant.

Op een andere gezondheidsindicator, huisartsbezoek, is in 2002 ten opzichte van

2001 meer verandering opgetreden. Van de jongeren heeft 27 procent in de drie

maanden voorafgaand aan het onderzoek twee keer of vaker de huisarts bezocht

(dat was 35 procent in 2002). Hetzelfde geldt voor 32 procent van de geherhuisvesten

tussen 30 en 50 jaar (dat was 38 procent in 2002).

62


Getroffenenmonitor 2003

Leeftijdsgroepen

Ook minder 50-plussers bezochten de huisarts twee keer of vaker: 36 procent van

hen ging twee keer of vaker, in 2002 was dat nog 48 procent. Het huisartsbezoek is

in 2003 onder alle groepen afgenomen. De verschillen tussen de leeftijdsgroepen

zijn in 2003 niet-statistisch significant.

De derde indicator, medicijngebruik, laat een wisselend beeld zien. Het medicijngebruik

onder jongeren is in 2002 gestegen van 15 naar 30 procent en in 2003 weer

gedaald naar 16 procent. Bij geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar vinden we een

stijging van 36 naar 48 procent in 2002 en ook een daling in 2003 naar 34 procent.

Onder 50-plussers daalde het medicijngebruik licht van 72 naar 68 procent in 2002,

tot 65 procent in 2003.

Toename psychische klachten bij 50-plussers

Naast de hierboven genoemde fysieke klachten is aan de respondenten gevraagd of

ze last hebben van psychische klachten als gevolg van de vuurwerkramp. Figuur 7.3

laat zien dat meer 50-plussers te kampen hebben met psychische klachten en dat

onder de mensen tot 50 jaar het aandeel met rampgerelateerde psychische klachten

is gedaald. In 2001 kampte nog 64 procent van de jongeren met rampgerelateerde

psychische problemen, in 2002 is dat 36 procent en in 2003 is dat 16 procent. Van de

geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar had in 2002 63 procent psychische problemen,

nu is dat 56 procent. Onder 50-plussers is het percentage respondenten met psychische

klachten gestegen van 53 procent in 2002 naar 62 procent in 2003. Geherhuisvesten

vanaf 30 jaar hebben in 2003 statistisch significant vaker last van psychische

klachten dan geherhuisvesten tot 30 jaar.

Figuur 7.3

Percentage geherhuisvesten dat last heeft van rampgerelateerde psychische klachten

naar leeftijd (september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

16-29 jaar 30-49 jaar > 50 jaar

2001 2002 2003

Aan de mensen die in 2003 last hebben van psychische klachten, hebben we

gevraagd of ze denken dat die vanzelf overgaan of dat ze daar hulp voor willen

hebben (figuur 7.4). Van de jongeren zegt 38 procent hulp nodig te hebben (dat was

46 procent in 2002), voor de geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar is dat 65 procent

(69 procent in 2002) en ook de helft van de 50-plussers denkt hulp nodig te hebben

voor de psychische klachten (40 procent in 2002). Dit is consistent met de bevinding

hiervoor dat in de groep mensen tussen 30 en 50 jaar de daling in het aantal

rampgerelateerde klachten het kleinst is en dat deze groep in 2003 de grootste kans

heeft op rampgerelateerde psychische klachten.

63


Getroffenenmonitor 2003

Leeftijdsgroepen

Figuur 7.4

Beoordeling van psychische klachten naar leeftijd (september 2003).

100%

75%

50%

25%

weet niet

gaan vanzelf over

hulp nodig

0%

16-29 jaar 30-49 jaar > 50 jaar

Participatiegraad geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar herstelt ook

Aan de hand van deelname aan verenigingsactiviteiten, activiteiten buitenshuis en

het bezoek aan familie, vrienden en kennissen is een participatie-index geconstrueerd,

waarmee de participatiegraad bepaald kan worden (zie voor meer uitleg

hoofdstuk 2). In de Getroffenenmonitor 2001 is geconstateerd dat de participatie

van de geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar het meest gedaald is na de vuurwerkramp.

In deze groep was de afname van contacten in 2001 het grootst: een daling

van 6,1 in 2000 naar 4,9 in 2001. Onder jongeren en 50-plussers was de afname in

2001 minder groot. Bij jongeren daalde de participatie van 6,6 naar 5,8. Bij 50-

plussers was de daling het kleinst: van 5,2 naar 4,6. In 2002 is er sprake van een licht

herstel van de participatie in alle leeftijdsgroepen (figuur 7.5).

In 2003 is de participatie onder jongeren (van 6,5 naar 6,9) en geherhuisvesten tot 50

jaar (van 5,2 tot 5,8) weer iets toegenomen, onder 50-plussers is de participatie gestabiliseerd

(van 5,1 naar 5). De jongeren tot 30 jaar zitten inmiddels op een hoger

participatieniveau dan voor de ramp. Hun participatieniveau ligt statistisch significant

hoger dan dat van de geherhuisvesten vanaf 30 jaar. In alle groepen is het participatieniveau

van voor de ramp bereikt.

Figuur 7.5

Ontwikkeling in participatie naar leeftijd (september 2001, 2002 en 2003).

10

7,5

5

2,5

0

16-29 jaar 30-49 jaar > 50 jaar

2000 2001 2002 2003

64


Getroffenenmonitor 2003

Leeftijdsgroepen

Invloed ramp bij jongeren lager

We zijn nagegaan in welke mate de respondenten invloed van de ramp op hun dagelijks

leven ondervinden. Figuur 7.6 laat zien dat in 2002 tweederde van de jongeren,

89 procent van de geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar en 81 procent van de

50-plussers veel invloed van de ramp ondervindt. Jongeren zeggen dus in mindere

mate dat de ramp veel invloed op hun leven heeft dan 50-plussers. De invloed van

de ramp is in alle groepen in 2003 afgenomen. Iets meer dan de helft (55 procent)

van de jongeren zegt veel invloed te ondervinden van de ramp op het eigen leven,

van de geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar is dat nog 83 procent en van de 50-

plussers 71 procent.

Figuur 7.6

Percentage geherhuisvesten dat veel invloed van de ramp ondervindt naar leeftijd

(september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

16-29 jaar 30-49 jaar > 50 jaar

2001 2002 2003

Grote verschillen zitten tussen de respondenten in de beoordeling van die invloed

(figuur 7.7). Dat was al zo in 2001, toen 71 procent van de jongeren, 72 procent van

de geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar en 43 procent van de 50-plussers aangaf dat

er ook positieve kanten aan de ramp zitten. In 2002 zeggen veel minder respondenten

ook positieve kanten aan de ramp te zien. Deze daling is in elke leeftijdsgroep

ongeveer even sterk. In 2003 lijkt er sprake van stabilisatie; het aandeel mensen dat

ook positieve kanten aan de vuurwerkramp kan zien is ongeveer gelijk gebleven.

Figuur 7.7

Beoordeling aard van invloed ramp naar leeftijd (percentage invloed ook positief)

(september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

16-29 jaar 30-49 jaar > 50 jaar

2001 2002 2003

65


Getroffenenmonitor 2003

Leeftijdsgroepen

Nazorg en afwikkeling schades

Daling nazorgbehoefte jongeren en 50-plussers

In 2001 had 64 procent van de jongeren, 74 procent van de geherhuisvesten tussen

30 en 50 jaar en 71 procent van de 50-plussers contact gehad met één of meer instellingen

voor nazorg (CAD, algemeen maatschappelijk werk, gezinshulp, et cetera).

In 2002 heeft 49 procent van de jongeren, 64 procent van de geherhuisvesten tussen

30 en 50 jaar en 66 procent van de 50-plussers contact gehad met één of meer nazorginstellingen.

De jongeren hebben in 2002 het minst vaak contact met nazorginstellingen

in vergelijking tot de andere leeftijdsgroepen, maar de verschillen zijn

niet-statistisch significant.

In 2003 heeft 39 procent van de jongeren, 62 procent van de geherhuisvesten tussen

30 en 50 jaar en 55 procent van de 50-plussers contact gehad met één of meer nazorginstellingen.

De jongeren hebben statistisch significant minder vaak contact

gehad met een nazorginstelling.

De medisch specialist en Mediant werden net als in 2002 ook in 2003 door alle

leeftijdsgroepen het vaakst bezocht. Van de jongeren had 17 procent (in 2002 was

dat nog 23 procent) contact met een medisch specialist en 12 procent met Mediant

(in 2002 was dat nog 21 procent). Van de respondenten uit de categorie

geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar heeft 42 procent (in 2002 was dat 28 procent)

contact gehad met een medisch specialist en 33 procent (in 2002 was dat 28 procent)

bezocht Mediant. Van de 50-plussers heeft 42 procent in 2003 contact gehad met

een medisch specialist (in 2002 was dat 40 procent) en 19 procent van de 50-plussers

bezocht Mediant (in 2002 was dat 35 procent). Bij jongeren is dus de hulpvraag

afgenomen, bij geherhuisversten tussen 30 en 50 jaar is de hulpvraag licht

toegenomen en bij 50-plussers valt op dat de vraag naar specialistisch hulp is

gestabiliseerd en de vraag naar hulp van Mediant flink is gedaald.

We hebben gevraagd of mensen nog overwegen om contact op te nemen met een

professionele hulpverlener (figuur 7.8).

Figuur 7.8

Behoefte aan steun, hulp of advies van professionele hulpverlener (september 2001,

2002 en 2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

16-29 jaar 30-49 jaar > 50 jaar

2001 2002 2002

Het contact met nazorginstellingen is gedaald en mensen blijken ook minder dan

vorig jaar te overwegen voor advies, hulp of steun contact op te nemen met een

professionele hulpverlener. Deze daling doet zich vooral voor onder de

geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar en de 50-plussers. In 2002 overwoog 39 procent

van de geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar contact op te nemen met een

professional, in 2003 is dat 30 procent.

66


Getroffenenmonitor 2003

Leeftijdsgroepen

Van de 50-plussers overwoog in 2002 27 procent professionele hulp in te schakelen,

in 2003 is dat gedaald naar 20 procent. In 2002 en in 2003 overwoog 12 procent van

de jongeren een professional in te schakelen.

Minder niet-gecompenseerde schade bij jongeren en 50-plussers

We hebben de respondenten gevraagd of ze nog met niet-gecompenseerde schade

zitten. In 2001 heeft 38 procent van de jongeren, 42 procent van de geherhuisvesten

tussen 30 en 50 jaar en 52 procent van de 50-plussers nog niet-gecompenseerde

schade (de verschillen zijn niet-statistisch significant).

Ten opzichte van 2001 is er in 2002 sprake van minder niet-gecompenseerde schade.

In 2002 heeft van de jongeren 22 procent nog niet-gecompenseerde schade, van de

geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar is dat 35 procent en van de 50-plussers is dat 31

procent (figuur 7.9). Vooral de geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar hebben relatief

vaak nog niet-gecompenseerde schade, zeker in vergelijking met de afname van nog

niet-gecompenseerde schade bij de jongeren de (verschillen zijn echter niet-statistisch

significant). In 2003 hebben alleen de jongeren relatief minder nietgecompenseerde

schade, bij de geherhuisvesten van 30 jaar en ouder is er sprake

van stabilisatie. Het verschil tussen jongeren en mensen vanaf 30 jaar is statistisch

significant.

Figuur 7.9

Percentage geherhuisvesten met nog niet-gecompenseerde schade naar leeftijd

(september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

16-29 jaar 30-49 jaar > 50 jaar

2001 2002 2003

7.3. Wederopbouw

Toename terugkeergeneigdheid bij 50-plussers

Figuur 7.10 laat zien dat de stijging in terugkeergeneigdheid het sterkst is bij 50-

plussers. Van deze groep zegt 37 procent zeker terug te willen naar Roombeek.

Onder geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar is een lichte stijging in

terugkeergeneigdheid waarneembaar (van 34 procent in 2002 tot 36 procent in

2003). Onder jongeren daalde de terugkeergeneigdheid in 2003 van 27 naar 22

procent.

67


Getroffenenmonitor 2003

Leeftijdsgroepen

Figuur 7.10

Terugkeergeneigdheid naar leeftijd (percentage dat zeker terug wil naar de nieuwe

wijk) (september 2001, 2002 en 2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

16-29 jaar 30-49 jaar > 50 jaar

2001 2002 2002

Binnen de drie leeftijdsgroepen doen zich geen grote verschillen voor in de

beoordeling van de informatie die men heeft over terugkeer en ook niet in de soort

informatie die men nog mist

Lichte afname betrokkenheid bij geherhuisvesten tot 50 jaar

De betrokkenheid bij de wederopbouw daalt in 2003 bij jongeren (van 65 naar 59

procent) en bij geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar (van 72 naar 62 procent). In de

groep 50-plussers is sprake van een toename van de betrokkenheid bij de

wederopbouw (van 68 naar 75 procent). En dit is precies andersom als in 2002; toen

steeg de betrokkenheid bij de wederopbouw onder geherhuisvesten tot 50 jaar en

daalde de betrokkenheid onder 50-plussers.

Figuur 7.11

Betrokkenheid bij de wederopbouw (sterk of enigszins betrokken) naar leeftijd (september

2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

2001

2002

2003

0%

16-29 jaar 30-49 jaar > 50 jaar

Tevens is gevraagd of mensen er vertrouwen in hebben dat er een leefbare wijk

wordt gebouwd. Bij alle leeftijdsgroepen stijgt het vertrouwen; de stijging is het

grootst onder geherhuisvesten tussen 30 en 50 jaar. Bij jongeren neemt het

vertrouwen in de nieuwe wijk toe van 77 tot 80 procent. Bij geherhuisvesten tussen

30 en 50 jaar stijgt het vertrouwen van 70 tot 79 procent en bij 50-plussers stijgt het

vertrouwen van 66 naar 69 procent.

68


Getroffenenmonitor 2003

Leeftijdsgroepen

7.4. Conclusies

Zowel bij jongeren als 50-plussers vinden we op veel indicatoren voor gezondheid,

welbevinden, nazorg en wederopbouw verbetering. Bij veel jongeren zijn deze verbeteringen

dermate sterk dat de groep die nog echt problemen ondervindt erg klein

is geworden. Dit geldt nog niet voor de mensen tussen 30 en 50 jaar en de 50-

plussers. Bij de mensen tussen 30 en 50 jaar is de vooruitgang ten opzichte van 2002

kleiner dan bij de jongeren. Daardoor is de groep die nog problemen ondervindt

groter. Hetzelfde geldt voor de 50-plussers, waar geen afname van psychische klachten

merkbaar is en waar ook de behoefte aan nazorg niet daalt. Verder valt op dat

bij de 50-plussers de terugkeergeneigdheid nog steeds toeneemt, evenals de betrokkenheid

bij de wederopbouw.

69


Getroffenenmonitor 2003

Allochtonen

8. Allochtonen

8.1. Inleiding

Uit de Getroffenenmonitor van 2001 is gebleken dat het de allochtone geherhuisvesten

op een aantal aspecten slechter vergaat dan geherhuisvesten van Nederlandse

komaf. Dit is voldoende reden om ook in 2003 aandacht te besteden aan deze

groep getroffenen. We beperken ons daarbij tot het vergelijken van allochtonen en

autochtonen binnen de groep geherhuisvesten. We maken daarbij een onderscheid

tussen niet-westerse allochtonen (14 procent van de respondenten) en geherhuisvesten

met een Nederlandse of westerse achtergrond (86 procent van de respondenten).

We gaan vooral in op verschillen tussen deze groepen in gezondheid en welbevinden

en tevredenheid met de nazorg en de wederopbouw.

8.2. Gezondheid en welbevinden

Positieve ontwikkelingen in gezondheid en welbevinden

In 2002 constateerden we dat allochtone geherhuisvesten vaker kampen met gezondheidsproblemen

dan geherhuisvesten met een Nederlandse of westerse achtergrond.

Vrijwel alle gezondheidsindicatoren in de Getroffenenmonitor 2002 wezen in

die richting. In 2003 vinden we bij niet-westers geherhuisvesten op vrijwel alle indicatoren

voor gezondheid, welbevinden en nazorg positieve ontwikkelingen.

Hoewel allochtonen nog steeds vaker dan Nederlandse geherhuisvesten kampen

met lichamelijke klachten als gevolg van de ramp (28 versus 22 procent) is er wel een

daling opgetreden in het aandeel geherhuisvesten met lichamelijke klachten. Allochtonen

hadden in 2002 nog in 40 procent van de gevallen last van lichamelijke

klachten, Nederlanders in 27 procent van de gevallen. In 2003 zijn er geen statistisch

significante verschillen in lichamelijke klachten tussen allochtonen en Nederlanders.

Ook in de categorie huisartsbezoek is een verandering opgetreden. Ook in 2003

gaan allochtonen vaker dan Nederlandse geherhuisvesten naar de huisarts, maar

ook hierin is ten opzichte van 2002 een daling opgetreden. In 2002 bezocht 56 procent

van de allochtonen in de afgelopen drie maanden twee keer of vaker de huisarts,

in 2003 is dat 50 procent. Voor Nederlandse geherhuisvesten liggen die percentages

op 36 procent (in 2002) en 28 procent (in 2003).

Het medicijngebruik is in 2003 in beide groepen gedaald en in beide groepen is het

aandeel mensen dat medicijnen gebruikt nu 37 procent (in 2002 gebruikte 49 procent

van de allochtonen en 51 procent van de Nederlanders in de twee weken voor

het onderzoek medicijnen op doktersvoorschrift.

In 2003 voelen allochtone geherhuisvesten zich in vergelijking met 2003 minder vaak

belemmerd in het uitvoeren van dagelijkse activiteiten (27 procent tegenover 17

procent). Nederlandse geherhuisvesten voelen zich in 2003 even vaak belemmerd in

het uitvoeren van dagelijkse activiteiten als in 2002; 27 procent.

Allochtone geherhuisvesten meldden zich in 2003 vaker ziek dan Nederlandse geherhuisvesten

(50 tegenover 22 procent). Bij de allochtone geherhuisvesten is ten

opzichte van 2002 een stijging opgetreden in het aandeel dat zich ziek meldde; van

43 naar 50 procent.

71


Getroffenenmonitor 2003

Allochtonen

Onder de Nederlandse geherhuisvesten is sprake van een lichte afname; 24 procent

van hen meldden zich in 2002 ziek, in 2003 is dat nog 22 procent.

In de beoordeling van de eigen gezondheidstoestand is geen verandering opgetreden.

In 2001 beoordeelt 27 procent van de allochtone geherhuisvesten en 39 procent

van de Nederlandse of westerse geherhuisvesten de eigen gezondheid als goed. In

2002 liggen deze percentages op 20 en 40 procent. In 2003 liggen deze percentages

op 20 en 42 procent.

Voor wat betreft de geestelijke gezondheid (zie figuur 8.1) hebben allochtone geherhuisvesten

in 2003 minder last van psychische klachten dan Nederlandse geherhuisvesten

(42 om 47 procent). De allochtonen hebben ook in 2003 (42 procent)

minder last dan in 2002 (67 procent), voor de Nederlandse geherhuisvesten is geen

verandering opgetreden; 47 procent van hen had in 2002 en in 2003 last van psychische

klachten. Er is dus niet alleen een daling opgetreden onder de allochtonen,

maar ook relatief minder allochtonen dan Nederlanders hebben last van psychische

klachten.

Figuur 8.1

Percentage personen met psychische klachten (september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

niet-westerse

geherhuisvesten

nederlandse of westerse

geherhuisvesten

2001 2002 2003

Meer participatie

Op het vlak van participatie gaat het met allochtone geherhuisvesten minder goed

dan met Nederlandse geherhuisvesten. Figuur 8.2 geeft een beeld van de ontwikkeling

van de sociale contacten van allochtone en Nederlandse geherhuisvesten. Hierbij

is gebruik gemaakt van de sociale contactenindex 7 . Duidelijk is te zien dat de

sociale contacten van allochtone geherhuisvesten meer onder de ramp hebben geleden

dan die van Nederlandse geherhuisvesten. Ook is duidelijk dat het herstel van

sociale contacten naar het niveau van voor de ramp bij allochtone geherhuisvesten

nog minder ver gevorderd is dan bij Nederlandse geherhuisvesten.

7

Voor uitleg hierover zie paragraaf 2.3.

72


Getroffenenmonitor 2003

Allochtonen

Figuur 8.2

Ontwikkeling in participatiegraad (september 2001, 2002 en 2003).

10

7,5

5

2,5

0

niet-westerse geherhuisvesten

nederlandse of westerse

geherhuisvesten

2000 2001 2002 2003

8.3. Nazorg

Meer nazorgcontacten

Het vaker voorkomen van lichamelijke en psychische klachten bij allochtonen vertaalt

zich ook in meer contacten met GGZ-instellingen. In 2001 had 80 procent van

de allochtonen tegenover 68 procent van de Nederlandse geherhuisvesten één keer

of vaker contact met een GGZ-instelling. In 2002 is in beide groepen een daling waar

te nemen. Toch heeft nog 69 procent van de allochtonen en 57 procent van de Nederlandse

geherhuisvesten in 2002 met een GGZ-instelling contact gehad. In 2003

heeft 60 procent van de allochtone geherhuisvesten en 49 procent van de Nederlandse

geherhuisvesten één keer of vaker contact met een nazorginstelling gehad.

Er is sprake van een verdere daling van het aantal nazorgcontacten.

Figuur 8.3 toont de ontwikkeling in het percentage allochtone en autochtone geherhuisvesten

dat in 2003 met bepaalde GGZ instellingen contact heeft gehad 8 . Allochtone

geherhuisvesten hebben duidelijk vaker contact gehad met de bedrijfsarts,

een zelfstandig gevestigd psycholoog en een alternatief genezer. Alleen met medisch

specialisten hebben geherhuisvesten van Nederlandse komaf in 2003 duidelijk

vaker contact gehad.

8

Het gaat hierbij niet alleen om rampgerelateerde contacten. Zie ook paragraaf 3.2.

73


Getroffenenmonitor 2003

Allochtonen

Figuur 8.3

Percentage geherhuisvesten dat in 2003 contact heeft gehad met GGZ-instelling

(september 2003).

Mediant

bedrijfsarts

medisch specialist

gezinshulp

THD

AMW

niet-westerse

geherhuisvesten

nederlandse of

westerse geherhuisvesten

psycholoog

thuiszorg

alternatief genezer

CAD

0% 10% 20% 30% 40% 50%

Hulpvraag groter

Gegeven het vaker optreden van lichamelijke en geestelijke klachten en een intensiever

gebruik van het GGZ-aanbod, zou het niet verwonderlijk zijn indien allochtone

geherhuisvesten vaker zouden aangeven hulp nodig te hebben bij de (psychische)

problemen waar ze als gevolg van de vuurwerkramp mee geconfronteerd worden.

Dat blijkt inderdaad het geval te zijn. Zo overweegt 26 procent van de allochtone

geherhuisvesten tegenover 19 procent van de geherhuisvesten met een Nederlandse

achtergrond om voor advies, steun of hulp een professionele hulpverlener in te

schakelen. Dit is voor de allochtone geherhuisvesten een flinke daling ten opzichte

van 2002, toen nog 40 procent van de allochtone geherhuisvesten overwoog om

hulp in te schakelen. In 2003 overweegt 19 procent van de Nederlandse geherhuisvesten

om hulp in te schakelen, in 2002 was dat nog 22 procent. De hulpvraag lijkt

dus vooral bij allochtonen af te nemen. Daarnaast neemt ook het verschil in de

hulpbehoefte tussen allochtone geherhuisvesten en Nederlandse geherhuisvesten af.

Ook is gevraagd of geherhuisvesten met psychische klachten van mening zijn dat

deze klachten vanzelf overgaan of dat zij daarbij hulp nodig hebben (figuur 8.4).

Van de allochtone geherhuisvesten zegt 75 procent (in 2002 was dat 70 procent)

hulp nodig te hebben en denkt niemand dat de klachten vanzelf zullen verdwijnen

(in 2002 was dat nog 23 procent). Van de Nederlandse geherhuisvesten zegt 54 procent

(in 2002 was dat 48 procent) hulp nodig te hebben, terwijl 36 procent (dat was

47 procent in 2002) van mening is dat de klachten vanzelf wel overgaan.

74


Getroffenenmonitor 2003

Allochtonen

Figuur 8.4

Beoordeling van psychische klachten (september 2003).

100%

75%

50%

25%

weet niet

gaan vanzelf over

hulp nodig

0%

niet-westerse

geherhuisvesten

nederlandse of westerse

geherhuisvesten

Afname restschades

Allochtone geherhuisvesten hebben niet alleen vaker lichamelijke en psychische

klachten dan Nederlandse geherhuisvesten, ze hebben ook vaker nietgecompenseerde

schade. Er is onder beide groepen wel sprake van een afname. In

2003 zegt 30 procent (dat was 40 procent in 2002) van de allochtone geherhuisvesten

en 24 procent (dat was 27 procent in 2002) van de Nederlandse geherhuisvesten

nog niet-gecompenseerde schade te hebben.

Betekent dit ook dat allochtone geherhuisvesten minder tevreden zijn over de materiële

nazorg die zij ontvangen? De onderzoeksbevindingen gaan wel in die richting.

Allochtone geherhuisvesten zijn over bijna alle instanties waarmee getroffenen te

maken kunnen krijgen bij het afwikkelen van schades en herhuisvesting, minder

tevreden dan de Nederlandse geherhuisvesten (figuur 8.5). Een uitzondering hierop

vormt de tevredenheid met de gemeente Enschede, maar het verschil is heel klein.

Figuur 8.5

Tevredenheid met instanties die betrokken zijn bij afwikkeling schades en herhuisvesting

(september 2003).

woningcorporaties

IAC

verzekeraars

gemeente Enschede

LASER

niet-westerse

geherhuisvesten

nederlandse of

westerse geherhuisvesten

Stichting Stadsherstel

UPV

0% 25% 50% 75% 100%

75


Getroffenenmonitor 2003

Allochtonen

8.4. Wederopbouw

Terugkeergeneigdheid bij allochtonen groter

Tussen allochtone en Nederlandse geherhuisvesten doen zich grote verschillen voor

in de terugkeergeneigdheid. Van de allochtone geherhuisvesten zegt in 2003 meer

dan de helft (53 procent) zeker terug te willen naar Roombeek (in 2002 was dat 48

procent), terwijl van de Nederlandse geherhuisvesten 31 procent (dat was 27 procent

in 2002) dit voornemen heeft (figuur 8.6). Overigens doet zich in beide groepen een

stijging voor in het aantal personen/huishoudens dat zeker weet terug te willen naar

de nieuwe wijk 9 .

Figuur 8.6

Terugkeergeneigdheid (percentage dat zeker terug wil naar Roombeek)

(september 2001, 2002 en 2003).

100%

75%

50%

25%

0%

niet-westerse

geherhuisvesten

nederlandse of westerse

geherhuisvesten

2001 2002 2003

Er doet zich in dit opzicht nog een ander belangrijk verschil voor tussen allochtone

en Nederlandse geherhuisvesten. Nederlandse geherhuisvesten zeggen vaker (18

procent) dan allochtone geherhuisvesten (9 procent) onvoldoende informatie over

terugkeermogelijkheden te hebben. Het ontbreekt Nederlandse geherhuisvesten

vooral aan informatie over het tijdstip van terugkeer.

Sterke afname bewonersondersteuning

Het Projectbureau Wederopbouw van de gemeente Enschede financiert opbouwwerkers

van het wijkwelzijnswerk die getroffenen ondersteunen. Allochtone geherhuisvesten

vormen één van de doelgroepen van deze bewonersondersteuners. Hiervoor

is reeds geconstateerd dat ongeveer 18 procent van de geherhuisvesten in 2003

heeft deelgenomen aan één of meer activiteiten die door bewonersondersteuners

werden georganiseerd (zie paragraaf 4.4). Door allochtone getroffenen wordt iets

vaker deelgenomen aan activiteiten die door bewonersondersteuners worden aangeboden

(figuur 8.7). Van de allochtone geherhuisvesten nam in 2003 20 procent (in

2002 was dat 36 procent) deel aan dit soort activiteiten, terwijl 17 procent (in 2002

was dat 19 procent) van de geherhuisvesten met een Nederlandse achtergrond activiteiten

van bewonersondersteuners heeft bezocht.

9

Zie ook paragraaf 4.2.

76


Getroffenenmonitor 2003

Allochtonen

Figuur 8.7

Deelname aan activiteiten van bewonersondersteuners (september 2002 en 2003).

50%

40%

30%

20%

10%

0%

niet-westerse

geherhuisvesten

nederlandse of westerse

geherhuisvesten

2002 2003

8.5. Conclusies

Bij niet-westerse geherhuisvesten vinden we op vrijwel alle indicatoren voor gezondheid,

welbevinden en nazorg positieve ontwikkelingen. Deze verbeteringen

hebben het karakter van een inhaalslag. Vaak zijn de verbeteringen die optreden

sterker dan bij westerse en Nederlandse geherhuisvesten. Toch gaat het met allochtone

geherhuisvesten nog steeds slechter dan met de westerse en Nederlandse geherhuisvesten.

De verschillen tussen deze groepen worden echter wel kleiner.

77


Getroffenenmonitor 2003

Bijlagen

Bijlagen

79


Getroffenenmonitor 2003

Bijlagen

1. Leden Begeleidingscommissie

S. Bosman Belangenvereniging Slachtoffers

Vuurwerkramp Enschede

Mw. J. van Gils-Klavers

Mw. F. de Groot

Gemeente Enschede

Projectbureau Wederopbouw

Gemeente Enschede

Projectbureau Wederopbouw

Mw. dr. R.R.R. Huijsman-Rubingh

Mw. N. van Lijf-van leeuwen

Ministerie van Volksgezondheid

Welzijn en Sport

Belangenvereniging Slachtoffers

Vuurwerkramp Enschede

L. Oosting Ondernemersvereniging Getroffen

Ondernemers Vuurwerkramp Enschede

Mw. J. Peters

Informatie- en Adviescentrum

Gesprekken voorafgaand aan de eerste Begeleidingscommissie 2003 zijn gehouden

met:

Mw. dr. R.R.R. Huijsman-Rubingh Ministerie van Volksgezondheid

Welzijn en Sport

Mw. F. de Groot

Mw. J. Peters

Gemeente Enschede

Projectbureau Wederopbouw

Informatie- en Adviescentrum

Gesprekken op advies van de Begeleidingscommissie zijn gehouden met:

J. Roorda GGD

J.N. Wigboldus

Projectbureau Wederopbouw

J. Schukkink Informatie- en Adviescentrum

R. van der Werff Gemeente Enschede

Dienst Stedelijke Ontwikkeling en Beheer

J. Bron Stichting Herdenking

Mw. L. Bruns

Stichting Stadsherstel Enschede

J. Hegeman Mediant

81


Getroffenenmonitor 2003

Bijlagen

2. Begrippenlijst

AMW

Bewoners binnenring

BSVE

CFA I

CFA II

Commissie Oosting

CAD

Controlegroep

GGVE

Geherhuisvesten

IAC

LASER

Mediant

Nazorg

Algemeen maatschappelijk werk

Enschedeërs die ten tijde van de ramp net buiten de

schuttingring woonden

Belangenvereniging Slachtoffers Vuurwerkramp Enschede

Commissie Financiële Afwikkeling I; heeft in opdracht

van de rijksoverheid voor getroffenen schadevergoedingsregelingen

opgesteld

Commissie Financiële Afwikkeling II; opvolger van

CFA I

Naar aanleiding van de vuurwerkramp is een onafhankelijke

commissie ingesteld, onder voorzitterschap

van de voormalig Nationale Ombudsman, dhr. M.

Oosting. De commissie Oosting had als taak de oorzaak,

toedracht, bestrijding en directe gevolgen van

de vuurwerkramp te onderzoeken. De commissie

heeft bovendien uitgezocht wie waarvoor verantwoordelijk

was en heeft beoordeeld hoe met die verantwoordelijkheden

is omgegaan. Daarnaast is geprobeerd

lessen te trekken voor de toekomst voor

ramppreventie en rampbestrijding, en voor de wetgeving.

Verder was een doel van het onderzoek een bijdrage

te leveren aan de verwerking van de ramp

Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs

Enschedeërs die niet direct zijn getroffen door de

ramp. Zij zijn niet gewond geraakt. Zij woonden niet

in of in de directe nabijheid van het getroffen gebied

en hebben geen omvangrijke materiële schade geleden

als gevolg van de ramp. Deze groep vormt een afspiegeling

van de ‘gemiddelde Enschedeër’

Gezondheidsmonitor Getroffenen Vuurwerkramp

Enschede

Enschedeërs die als gevolg van de ramp moesten verhuizen.

In de meeste gevallen gaat het om huishoudens

binnen de zogenoemde schuttingring

Informatie- en Adviescentrum

Uitvoeringsorganisatie van CFA I; zorgde voor de uitvoering

van schadevergoedingsregelingen die door

CFA I zijn opgesteld

instelling voor geestelijke gezondheidszorg

de praktische en psychosociale begeleiding die door

verschillende instanties wordt geboden aan getroffenen

van de vuurwerkramp bij het verwerken van de

vuurwerkramp

82


Getroffenenmonitor 2003

Bijlagen

OGOVE Ondernemersvereniging Getroffen Ondernemers

Vuurwerkramp Enschede

Ondernemers

Overige getroffenen

Panelonderzoek

ondernemers met een bedrijfsvestiging in het rampgebied

personen die niet binnen de schuttingring of de binnenring

woonden, maar tijdens de ramp toevallig in

het getroffen gebied aanwezig waren (passanten) en

hulpverleners. Tot de groep overige getroffenen rekenen

wij ook bewoners van het gebied vlak buiten

de binnenring

vorm van onderzoek waarbij dezelfde groep respondenten

op meerdere tijdstippen wordt bevraagd

Projectbureau Wederopbouw tijdelijk onderdeel van de gemeente; sinds januari

2001 de regisseur van de sociale, economische en fysieke

wederopbouw van Roombeek en de wederopbouwactiviteiten

in de rest van de stad

SSE Stichting Stadsherstel Enschede: geeft eigenaarbewoners

en ondernemers van de binnenring met

schade aan de woning/het bedrijfspand als gevolg van

de ramp advies over het opstellen van een herstelplan,

keurt de woning en regelt financiële ondersteuning.

Desgewenst kan de SSE met verzekeraars onderhandelen

en de uitvoering van herstelwerkzaamheden

coördineren. De SSE werkt onafhankelijk van de gemeente

en krijgt voor het bereiken van haar doelstellingen

geld uit het wederopbouwbudget

Statistisch significant

THD

indien in dit rapport wordt geconcludeerd dat één

van de onderzoeksgroepen zich op een bepaald kenmerk

duidelijk onderscheidt van één of meer van de

andere onderzoeksgroepen dan gaat het om statistisch

significante verschillen die bovendien onafhankelijk

zijn van andere verschillen tussen de onderzoeksgroepen

Telefonische Hulpdienst

UPV Uitvoeringsorganisatie Personenschade Vuurwerkramp

Enschede (uitvoeringsorganisatie van CFA II),

zorgt voor de uitvoering van de schadevergoedingsregelingen

83

More magazines by this user
Similar magazines