ontwikkeling van een maat - Technische Universiteit Eindhoven

alexandria.tue.nl

ontwikkeling van een maat - Technische Universiteit Eindhoven

ONTWIKKELING VAN EEN MAAT­

STELSEL ALS KADER VOOR EEN

BESLUITVORMINGSPROCES OP HET

GEBIED VAN RUIMTELIJK ORDENEN

M.FT. BAX DECEMBER 1975


M E T E N T W E E M A T E N.

De ontwikkelinq van een maatstelsel als kader voor

een besluitvorminqsproces op het gebied van rui~

telijk ordenen.

The development of a structural system of measuring

as a framework for a decision-making process in the

field of spatial orqanisation.

(With a summary in English)

PROEFSCHRIFT

ter verkrijging van de graad van doctor in de technische

wetenschappen aan de Technische Hogeschool

te Eindhoven, op gezag van de rector magnificus

prof. dr. ir. G. Vossers, voor een kommissie, aangewezen

door het ko~lege van dekanen, in het openbaar

te verdedigen op dinsdag 13 januari 1976 te 16.00 uur.

door

Mattheus, Franciscus, Theodorus Bax

geboren te Eindhoven.

f by M.F.Th. Bax, Eindhoven, The Netherlands.


Dit proefschrift is goedgekeurd door de

promotoren

Prof. Ir. N.J. Habraken

en

Prof. dr. Kwee Swan Liat.

2


Inhoud.

Aanwijzingen.

Voorwoord.

o.

1.

2.

3.

4.

5.

6.

Inleiding.

Analyse en synthese.

Ruimte en tijd.

Struktuur.

Spel.

Vijf delen.

Slotopmerkingen.

13

14

17

18

21

23

25

Deel I - Spel.

o. Inleiding.

Hoofdstuk 1 - Spel als parallel.

0. Inleiding.

1. De wereld van de maatschappij en die

van de materie.

2. Een parallel.

Hoofdstuk 2 - Twee spelen.

1. Het spel, statische aspekten.

2. Het spel, dynamische as pekten.

3. Het spelverloop.

Hoofdstuk 3 -

1.

2.

3.

Hoofdstuk 4 - Spel als voorbeeld.

0. Inleiding.

1. Spel en rite.

2. Spel en kultuur.

3. Spel en ruimtelijk ordenen.

27

28

28

30

32

35

35

37

39

Twee voorbeelden van ruimtelijk

ordenen. 42

Bloemschikken.

42

Globaal bestemmingsplan.

43

Voorlopige konkl~sies.

47

49

49

49

52

54

3


Deel II -

Struktuur en elementen.

o. Inleiding. 57

Hoofdstuk 1 -

Struktuur volgens het Strukturalisme.

59

Par. 1 - Thema. 59

1. Struktuur en gebeurtenissen. 59

2. Struktuur en integratie. 60

3. Struktuur en varianten. 61

4. Struktuur: het gemeenschappelijke

van varianten. 64

5. Een voorbeeld. 64

Par. 2 - Norm, regel, stelsel. 66

1. Gelijkenis, ordening, geschiedenis. 66

2. Leven, taal en werken. 68

Hoofdstuk 2 -

0. Inleiding.

Operationele struktuur.

Par. 1 - Instrukties met strukturele eigenschappen.

72

1. Instruktie voor een militair kamp. 72

2. Indische Wetten (fig. 2.1). 73

Par. 2 - Situaties met strukturele eigenschappen.

77

1. Dragers. 77

2. Voorbeeld (fig. 2.2). 79

Par. 3 - Slotbeschouwing. 81

Hoofdstuk 3 - Elementen. 83

0. Inleiding. 83

Par. 1 - Identiteit en kriteria. 86

0. Inlèiding. 86

1. Identiteit volgens Kevin Lynch. 87

2. Identiteit volgens psychologische

test. 88

Par. 2 - Kriteria. 89

0. Inleiding. 89

1. Maat. 90

2. Plaats. 91

3. Funktie. 92

4. Toepassing van elementen in een

proces. 93

"12

72

4


Par. 3 - Stelsel van elementen. 94

1. Identiteit en relàties. 94

2. Sltelsel. 96

Par. 4 - Kategorie van elementen. 97

Par. 5 - Elementenstelsel. 98

5


Deel III -

Stelsels.

o. Inleiding.

Hoofdstuk 1 - Elementenstelsel.

0. Inleiding.

101

102

102

Par. 1 - Dekken van een tafel. 103

1. Situatie (fig. 3.1). 103

2. Elementen (fig. 3.2). 103

3. Programma. 103

4. Varianten (fig. 3.3). 104

5. Kanttekening 1, Equivalente varianten.

104

Kanttekening 2, Relatie tussen aantal

varianten en

maateenheid. 105

Kanttekening 3, Soorten van varianten

(fig. 3.4). 106

Kanttekening 4, Ontwerpen van een representatieve

tafel

(fig. 3.5). 107

Par. 2 - Indelen van een vertrek. 107

1. Situatie (fig. 3.6). 108

2. Elementen (fig. 3.7). 108

3. Programma. 109

4. Varianten (fig. 3.8). 110

5. Kanttekening 1, Formulering van het

programma. 111

Kanttekening 2, Ontwerpen van een

representatief vertrek

c.q. norm. 111

Kanttekening 3, Voorschriften en

Wenken 1965 (24). 113

Par. 3 - Indelen van een woonstruktuur. 114

1; Situaüe (fig. 3.9). 115

2. Elementen. 116

3. Programma. 117

4. Varianten (fig. 3.10) 118

5. Kanttekening 1, Fo~ulering volgens

pr'ógramma SAR 7 0 • 119

Kanttekening 2; Ontwerpen van een

representatieve woonstruktuur.

120

6


Par. 4 - Begrippen ten behoeve van ruimtelijk

ordenen. · 121

1. Situatie, fysiek en regelend deel

van de situatie, situatie met strukturele

eigenschapppen. 121

2. Elementen, maat, plaats en funktie. 124

3. Programma, aantal en relaties, normstelling

(fig. 3.11). 125

4. Varianten, basis- en subvarianten,

gelijkwaardigheid van varianten,

maateenheid. 127

5. Proces. 129

Par. 5 - Nivo. 131

1. Het begrip nivo (fig. 3.12). 131

2. Funktie begrip. 133

3. Stelsel. 134

4. Elementenstelsel, elementensysteem. 135

5. Twee procesvormen. 138

Hoofdstuk 2 - Maatstelsel. 141

o. Inleiding.

141

Par. 1 - Meten met twee maten. 141

1. Maate~nheid. 141

2. Maatnivo's (fig. 3.13). 142

Par. 2 - Rasters. 145

1. Modulaire koördinatie. 145

2. Twee opvattingen: prioriteit van maat

en prioriteit van plaats (fig. 3.14

en 3.15). 147

3. Rasternivo's (fig. 3.16 en 3.17). 150

Par. 3 - Maatstelsel. 153

0. Inleiding (fig. 3.18). 153

1. Twee plattegronden, nominale maat

(fig. 3.19 en 3.20). 155

2. Toepassing van het maatstelsel. 162

1) Bandraster: fysiek en regelend

' deel, pasmaat. 162

2) Bandraster in divergerend en

konvergerend proces (fig. 3.21). 162

3) Bandraster, ruimte en materiaal

(fig. 3.22). 164

4) Bandraster, notitiewijze (fig.

3.23 en 3.24). 166

7


5) Bandraster, transformatieregel

(fig. 3.25). 169

6) Bandraster, zOnering. 172

7) Bandraster, ontwerptekeningen

(fig. 3.26). 174

8} Schaal. 175

3. Voorbeelden van maatsystemen. 177

Hoofdstuk 3 - Ru~te-stelsel. 179

0. Inleiding. 179

1. Schema van een ruimte-stelsel. 181

8


Deel IV- Proces.

0. Inleiding. 182

Hoofdstuk 1 - Aktiviteit. 185

0. Inleiding. 185

Par. 1 - De ruimtelijke dimensie. 187

1. Het ruimte-systeem. 187

2. Financiële dimensie. 188

3. Definitie van elementen in ruimtelijke

~n financiële dimensie. 191

Par. 2 - De maatschappelijke wereld. 194

0. Inleiding. 194

1. Wereld van de "krachten". 195

2. Horizontale en vertikale geleding

van de maatschappelijke wereld. 198

3. Marge van beslissingsgebieden. 202

Par. 3 - Struktuur en plan. 202

Kanttekening, struktuurelementen -

strukturele elementen. 204

Par. 4 - Aktiviteit. 205

1. Aktiviteitenstelsel c.q. systeem.

(fig •. 4.1). 205

2. Beginsituatie, elementen, programma,

en eindsituaties. 207

3. Identiteit en relaties. 208

4. Markt. 208

Hoofdstuk 2 - Procesmodel. 210

0. Inleiding. 210

Par. 1 - Relaties van aktiviteiten in horizontale

en vertikale zin. 210

1. Vertikale relaties: fase. 210

2. Horizontale relaties: aktiviteiten

op ~ên nivo. 212

3. Procesvorm. 213

Par. 2 - Opbouw van het model in stadia. 215

1. stadia. 215

2. Stadia vanstelsel via systeem en

struktuur tot plan. 216

1) Stadium P.O. 216

2) Stadium D.S. 217

3) Stadium V.B. 217

4) Stadium U.B. 217

3. Stadia en procesvorm. 217

4. Schema van het procesmodel (fig. 4.2) 218

9


Hoofdstuk 3 - Procedure. 221

o. Inleiding. 221

Par. 1 - Inventarisatie. 221

1. Ru~telijke dimensie. 222

2. Maatschappelijke wereld. 222

3. Aktiviteiten. 223

4. Verloop van de procedure (fig.

4.3). 225·

Kanttekening, aktiviteit - aktie. 227

Hoofdstuk 4 - Spel.

0. Inleiding.

1. Begrippen.

2. Slot.

230

230

231

234

10


Deel V -

Toepassing.

o. Inleiding. 237

Hoofdstuk 1 - Doelstellingenstadium (D.S.).

0. Inleiding.

239

239

1.

2.

Beginsituatie.

Elementen.

239

240

3.

4.

Programma met behulp van typen.

Eindsituatie.

240

242

Hoofdstuk 2 - Stadium voorbereiding besluitvorming

(V.B.) 243

0. Inleiding. 243

1. Bizondere woonstruktuur (fig. 5.1). 245

2. Bizondere buurtstruktuur (fig. 5.2). 246

3. Katalogi van elementen, normen en

typen. 247

Hoofdstuk 3 - Stadium uitvoering besluitvorming

(U.B.) 250

0. Inleiding. 250

1. Aktiviteit wijkstruktuur (fig. 5.3) 251

2. Aktiviteit wijkplan (fig. 5.4). 257

3. Aktiviteit buurtstruktuur (fig. 5.5). 259

4. Aktiviteit buurtplan (fig. 5.6). 261

5. Aktiviteit straatstruktuur (fig. 5.7). 263

6. Aktiviteit straatplan (fig. 5.8). 266

1. Aktiviteit woonstruktuur (fig. 5.9). 269

8. Aktiviteit woning (fig. 5.10). 272

9. Twee kanttekeningen. 273

Kanttekening 1, Inbouwpakket. 273

Kanttekening 2, Variant-procedure UB. 273

Begrippenlijst.

Summary.

Literatuurlijst.

Curriculum Vitae.

276

217

285

287

290

11


Aanwijzingen.

Verwijzing naar literatuur heeft plaats via een tussen

haakjes geplaatst nummer.

Gaat het om een citaat, dan worden eveneens de pagina's

aangegeven, bijvoorbeeld (7, pag. 318).

Achter in het boek is· een literatuurlijst opgenomen.

Van de belangrijkste begrippen is achter in het boek

een alfabetische lijst opgenomen. Bij elk begrip is daar

aangegeven waar het in het boek meer uitgebreid behandeld

wordt.

Het voorwoord van het boek en de inleidingen van de

verschillende delen en hoofidstukken hebben, behalve een

introducerend tevens een samenvattend karakter. Achter

in het boek is een surnmary opgenomen.

Delen worden aangeduid met Romeinse cijfers, hoofdstukken

en verdere indelingen met Arabische.

De aanduiding III, H. 2, par. 4. 1 betekent deel III, Hoofdstuk

2, Paragraaf 4, punt 1.

De afbeeldingen hebben een tweedelig nummer: het eerste

cijfer geeft het deel aan, het tweede cijfer is een volgnummer.

De aanduiding fig. 4.2 betekent: afbeelding 2 van

deel IV.

12


Voorwoord.

0. Inleiding.

In de tijd dat m~Jn grootvader als architekt werkte,

kon hij bij het ontwerpen van een woning volstaan met

een tekening 1:100, waarop plattegronden, doorsneden

en gevels stonden aangegeven. Details kv1amen hierop

niet voor. Dit was ook niet nodig, daar deze immers bekend

waren bij de mensen, pie het projekt moesten t.ütvoeren.

De timmerlieden wisten welke houtafmetingen gekozen

moesten worden bij een raam van gegeven afmetingen.

Ook wisten zij welke profilering in kozijnstijlen

en dorpels aangebracht moest worden bij een bepaalde

houtzwaarte. Deze zaken waren bekend, daar zij deel

uit maakten van de vakopleiding van de timmerman.

De architekt was hiermee eveneens bekend en op deze

wijze kon de instruktie voor de uitvoering tot

enkele essentiële zaken worden teruggebracht.

Mocht deze instruktie nog op verschillende manieren

uitgewerkt kunnen worden, dan behoorde het doen van

een keuze tot de kompetentie van de timmerman.

Dit behoefde geen invloed te hebben op de kwaliteit van

het projekt, daar de omvang van het gebied, waarin de

uitwerking viel, heel precies was afgebakend en er een

bepaalde "common sense" bestond ten aanzien van de

interpretatie van de gegeven instruktie.

Op deze wijze werd maksimaal gebruik gemaakt van de

mogelijkheden aan gereedschappen en materiaal van de

ambachtsman, terwijl deze tevens uitgedaagd werd op

een kreatieve manier mee te spelen in het bouw-ontwerpproces.

Door de aanwezigheid van een voor ieder geldend

patroon van afspraken, waarin de kompetenties

waren vastgelegd voor alle betrokken partijen, was het

mogelijk het gehele ontwerp te verdelen in een aantal

beslissingsgebieden, waarvan zowel de inhoud als de

onderlinge samenhang geregeld waren.

Een dergelijk patroon behoeft niet beperkt te blijven

tot de problematiek van de uitvoering van het ontwerp.

Zo blijkt het ook mogelijk de gebruikers te betrekken op

het ontwerp zelf. Zo bijvoorbeeld in Japan.

De plattegrond van een Japans huis bestaat uit vertrekken,

waarvan het oppervlak bepaald wordt door

een aantal tatami's of matten. Elke tatami meet ongeveer

90 x 180 cm. Wenst men een vertrek van 4 tatami's

13


groot, dan is daarmee zowel de vorm als de omvang

van het vertrek bepaald. De opbouw van de woning

is in principe altijd hetzelfde, alleen de behoefte

van de bewoners en de inpassing in de situatie bepalen

de uiteindelijke vorm van de woning.

De bewoners kunnen, door te schuiven met hele en

halve matten, zelf de woning ontwerpen. De vertaling

daarvan in een bouwwerk kan dan nog wel leiden tot

een terugkoppeling op het eerste voorstel, doch er

kan snel een resultaat bereikt worden. De woning

zal na uitvoering nagenoeg geheel overeenkomen met

de verwachting, die men er van had, daar bij het

nemen van de beslissingen gebruik is gemaakt van

elementen, waarvan de gebruikswaarde door en door

bekend was. In het arrangement van deze elementen,

die op zich algemeen zijn, ontstaat het ontwerp,

dat een antwoord geeft op een specifiek probleem.

Door gebruik te maken van voor eenieder, binnen het kultuurpatroon

geldende elementen, is het mogelijk een

zeer direkte relatie te leggen tussen de bewoners en

hun omgeving.

Als deze elementen niet alleen bepaald zijn in termen

van gebruik, doch ook in termen van uitvoering, dan

is een situatie ontstaan waarbi' de vertalin van

behoefte naar bouwkundi e w

d voor bewoners

en bouwers, een rote mate er~c theid heeft.

1. Analyse en synthese.

Hiermee is een ideale situatie van elders en vroeger

geschetst, die echter op geen enkele manier korrespondeert

met de situatie van vandaag in onze westerse

wereld. Deze wordt juist gekenmerkt door een loskoppeling

van bewoners en bouwers van het proces.

Niets is vanzelfsprekend en alles moet bedacht worden.

Terwijl de taak van de architekt aanvankelijk die van

een bemiddelaar was tussen bewoners en bouwers, is hij

gaandeweg een eigen rol gaan spelen in het proces.

Dit was ook noodzakelijk, daar bewoners en bouwers

geen gemeenschappelijke basis meer hadden in de elementen,

waarmee zij vorm konden geven aan hun ideeën.

14


Het ontwerp van de architekt gaat een eigen bestaan

leiden, dat onafhankelijk getoetst werd aan de behoefte

van de bewoners en de technische mogelijkheden van het

bouwbedrijf. De architektuur werd hierdoor steeds autonomer

en ging zich langs eigen wegen ontwikkelen.

Deze overgang voltrok zich in de 19e eeuw. Een soortgelijk

verschijnsel viel waar te nemen in het vlak

van de taal. Dit noemt men literatuur. "Tussen weten

en taal zullen dan de intermediaire taalvormen zich

tot in het oneindige verder ontwikkelen en deze zijn

afgeleid, zowel van het weten als van de letterkundige

werken, of, zo men wil,· zijn zij als aan lager

wal geraakte vormen van deze beiden te beschouwen"

( 7, pag. 113) •

Beide gelijktijdig optredende verschijnselen worden gekenmerkt

door een neiging zaken uit te splitsen, die

in principe een evenwichtig geheel vormen. Die tijd

wordt gekenmerkt door analyse. Niet toevallig kwam

Lavoisier op de gedachte, dat zo iets eenvoudigs als

water toch nog op te splitsen is in zuurstof en water­

_stof.

Hetzelfde geldt voor de arbeid. Het vervaardigen van

een geheel werd uitgesplitst in een groot aantal deelhandelingen,

met de bedoeling kwaliteit en produktiviteit

op te voeren.

Deze neiging tot splitsen en daarmee het vergroten van

de gelijkheid van de dingen, die geproduceerd werden,

hangt nauw samen met de opkomst van de industrialisatie

en de invoering van de machines. Van den Berg

schrijft in "Het leven in meervoud" (3, pag.192):

"De machine nam plaats in, groeide tussen hand en

ding en duwde de hand steeds verder van de dingen

weg". Hij doelt hiermee op de vervreemding van arbeid

en produkt; gebruikers worden verbruikers.

Waarschijnlijk juist als gevolg van maatschappelijke

en technologische aspekten treden in beide vlakken opzienbarende

ontwikkelingen op, die als gevolg van de

bovengeschetste vervreemding een ontstaan van een

evenwicht tussen beide aspekten sterk bemoeilijken.

Toch zullen middelen gevonden moeten worden dit evenwicht

te herstellen.

Habraken stelt in 1961 in zijn boek "De dragers en

de mensen" (8, pag. 29): "Wonen is onverbrekelijk verbo~den

met bouwen, met het maken van de beschuttende

omgeving. Oe beide begrippen zijn niet te scheiden,

15


maar omvatten samen de zich huisvestende mens~ wonen

is bouwen. Steeds hebben wij te doen met resultaten

van dezelfde relatie tussen mens en materie. Deze

relatie is daarom de basis van al wat gebeuren moet

in verband met de menselijke huisvesting. Zij is de

uitkomst van de menselijke natuur en ik wil haar

daarom de natuurlijke relatie noemen". Enkele alinea's

verder stelt hij: "Want hoewel tegenwoordig vrijwel

alles wat voor het ontstaan van de beschuttende

omgeving nodig is kan plaatsvinden buiten de direkte

werkingssfeer van de natuurlijke relaties om, blijft

deze toch steeds de toetssteen van alles wat er

gebeurt".

De bewoner zal daartoe in de gelegenheid moeten worden

gesteld door beslissingen te nemen ten aanzien van zijn

woning en zijn woonomgeving.

Deze beslisingen zullen echter door de bouwbedrijven

gekonkretiseerd moeten worden. Deze opzet biedt kans

van slagen, wanneer er een gemeenschappelijk belang

wordt gekreëerd tussen bewoners en bouwbedrijven.

De beslissingen zullen betrekking moeten hebben

op elementen, die zowel voor de gebruikers als voor

de bouwers relevant zijn. Voor de bewoners zullen

zij relevant zijn, wanneer zij aansluiten op hun specifieke

behoefte zich een identiteit te verschaffen,

en voor de bedrijven zullen zij relevant zijn wanneer

zij serieproduktie mogelijk maken door typebeperking.

Dit idee leidde tot een koncept van de dragerwoning,

waarbij binnen de situatie van de drager ofwel

gemeenschappelijk en algemeen bouwwerk, specifieke woningen

kunnen worden gerealiseerd, doordat de bewoners

beslissen over algemene inbouwelementen. De drager is

het beslissingsgebied van de architekt, terwijl de

woning het beslissingsgebied is van de bewoners.

De bouwbedrijven verschaffen de elementen, waaruit

drager dan wel inbouwpakket zijn samengesteld. Deze

gedachte werd uitgewerkt door de Stichting Architekten

Research(S.A.R.), die dezelfde filosofie technisch

uitwerkte in het rapport SAR 65. (21)

In het koncept van de drager-woning kan een evenwicht

ontstaan tussen een maatschappelijke behoefte en een .

ruimtelijke geleding. Het is mogelijk deze gedachtengang

door te trekken naar andere nivo's van ruimtelijk

ordenen. De stedebouwkundige problematiek doch ook

de problematiek van de bouwkundige detaillering kan

op een zodanige wijze geformuleerd worden, dat zich

openingen voor gaan doen, waardoor nieuwe

16


evenwichten kunnen ontstaan. Het zal duidelijk Z1Jn,

dat het op die nivo's om andere elementen gaat, doch

tevens zal het duidelijk zijn, dat deze elementen ook

relaties met elkaar onderhouden 1 de beslissing ten

aanzien van de stedebouwkundige elementen zal de voorwaarde

bepalen voor nog te nemen beslissingen van

architektonische en bouwkundige aard. Dit leidt tot

het koncept van een stelsel van elementen als onderdeel

van een meer omvattend stelsel.

Dit stelsel en de elementen waaruit het is opgebouwd

zijn gedefinieerd in termen van gebruik. Hierdoor

wordt een direkte relatie gelegd tussen gebruikers

c.q. bewoners en de elementen, waardoor de bewoners werkelijk

kunnen participeren in een proces van ruimtelijk

ordenen. Dit proces kan dan na een periode van analyse

weer een relatie tussen bewoners en hun omgeving herstellen,

waardoor ruimte geboden wordt voor synthese.

2. Ruimte en tijd.

Met behulp van het ruimte~stelsel wordt een ordening

aangebracht in de ruimte. Daarnaast wordt in deze

studie een ordening aangebracht in de tijd en wel

in de vorm van een model van een proces van ruimtelijk

ordenen. Ook dit model heeft het karakter van

een stelsel en wel een stelsel dat is opgebouwd uit

zgn. aktiviteiten. Deze aktiviteiten zijn beslissingsgebieden

of overdrachtelijk gesproken markten, waar

maatschappelijke groepen, partijen, tot overeenstemming

moeten zien te geraken ten aanzien van de

verandering die zij willen aanbrengen in een situatie.

Het resultaat van het overleg is een eindsituatie,

die weer als beginsituatie kan optreden voor een

volgende aktiviteit. Binnen de aktiyiteit worden \ ·

uitspraken gedaan over elementen. De geleding van de I

dimensie tijd kan daarom niet los gezien worden van j

de geleding van de ruimtelijke dimensie en de geledingen

van de maatschappelijke kontekst van het

proces.

Zowel de elementen van de ruimtelijke dimensie als de

aktiviteiten van de dimensie tijd zijn kunstmatige

eenheden, die tot doel hebben een geleding aan te

17


engen in de kontinuiteit van ruimte en tijd.

Het gaat daarbij om een geleding, die kultuurgebonden

is en als zodanig een intermediaire funktie heeft

tussen de mens en de hem omringende wereld. Het

vooronderstellen van die geledingen legt beperkingen

op doch maakt tevens doelgericht handelen mogelijk.

In beide gevallen, dus zowel bij het ruimtelijk

stelsel als bij het model van het proces, gaat het

om stelsels, die slechts benoemd zijn ten aanzien van

de identiteit van en de relaties tussen hun geledingen

in algemene termen. Willen deze stelsels

operationeel worden, dan is het noodzakelijk de geledingen

van de stelsels te specificeren tot systemen:

ruimtelijk systeem en processysteem oftewel procedure.

De stelsels zijn dan benoemd. Van het ruimtelijk

systeem zijn dan zowel de elementen benoemd als de

maten waarin ze gemeten en de rasters waarin ze gesitueerd

kunnen worden. Van de procedure is dan bekend

over welke elementen door welke groepen besloten

wordt en op welke momenten.

3. Struktuur.

Het is niet mogelijk stelsels te beschrijven zonder

daarbij gebruik te maken van het begrip struktuur. Met

dit begrip wordt de eigenschap van een objekt-stelsel

aangeduid, een essentiële informatie te bevatten, die

representatief is voor bepaalde normen en die volgens

tot de struktuur behorende regels uitgewerkt kan worden

in varianten. Door dit vermogen kan informatie

zowel in een gekoncentreerde en daardoor weer hanteerbare

vorm samengebald worden, terwijl het omgekeerd

mogelijk is deze algemene informatie uiteen

te laten vallen in meer specifieke vormen.

Met behulp van het begrip struktuur kan een stelsel

opgebOuw~worden, waarmee een verband gelegd kan

worden tussen algemene en specifieke verschijningsvormen

van de ruimtelijke dimensie.

Tevens wordt met het begrip struktuur een hulpmiddel

verschaft voor het tot stand brengen van integratie:

tot hun strukturele vorm teruggebracht, kan een af-

18


stemming tussen plandelen gerealiseerd worden, waar

dat niet mogelijk is wanneer deze plandelen in hun

specifieke vorm met elkaar in verband gebracht

worden.

Een stelsel kan opgevat worden als een struktuur,

de struktuur van de ruimte dan wel van de tijd.

Een systeem is een gespecificeerd stelsel en als zodanig

te beschouwen als een variant van het stelsel.

Er is dan ook êên stelsel en er zijn meerdere

systemen. Binnen het bestek van het ruimte-syste~m

is weer sprake van het begrip struktuur; het gaat

daar echter om situaties of elementen met strukturele

eigenschappen. Een drager, zoals die door de SAR

is gedefinieerd, is een voorbeeld van een situatie met

strukturele eigenschappen, doch ook op hogere nivo's

van ruimtelijk ordenen kunnen dergelijke situaties

onderscheiden worden.

Het begrip struktuur speelt een belangrijke rol in

de opbouw van een begrippenstelsel, zoals dat gehanteerd

kan worden bij het ruimtelijk ordenen.

Om dit begrip te verduidelijken wordt in eerste instantie

ingegaan op de betekenis van dit begrip in, \

het Franse Strukturalisme. Struktuur betekent bij

hen de aanwezigheid van een bepaalde mate van ordening,

die nooit aan de oppervlakte treedt, doch die

gekeurd kan worden door het vaststellen van de overeenkomst

van verschijnselen. Deze struktuur is altijd

aanwezig, doch moet ontdekt worden.

Deze struktuur houdt een noodzaak in en is dwingend

van aard.

In deze studie gaat het om een struktuurbegrip van

een ander type. Hier gaat het om een struktuur, die

aangebracht wordt in de vorm van een voor-ordehing

van ruimte en tijd, die juist vrijheid van handelen

mogelijk maakt. Dit struktuurbegrip maakt de ontwikkeling

mogelijk van stelsels en situaties met strukturele

eigenschappen, die een plaats geven aan aktiviteiten

in een proces en situaties verschaffen, die

zowel op kunnen treden als delen van een groter geheel

alswel het kader vormen voor verdere indelingen.

Juist door het onderscheiden en aksepteren van de

(strukturele stelsels en situaties ontstaat vri'heid

van me andelen.

e e an eling van het begrip struktuur wordt

in deze studie een nogal zwaar aksent gelegd op het

strukturalistische struktuurtype. Dit kan gemakkelijk

leiden tot een onjuiste plaatsing van de studie.

19


Daarom wil ik uitdrukkelijk stellen, dat de beschouwingen

over het Franse Strukturalisme alleen tot

doel hebben de aard van het struktuurbegrip op zich

te verduidelijken, zonder daarmee de opvattingen van

de Strukturalisten ten aanzien van het gebruik van

dit begrip over te nemen.

In deze studie wordt het struktuurbegrip toegepast bij

àë ordening van processen en de ordening van de ruimte.

De grondslag van deze ordeninq ligt niet in theoretj

sche beschouwingen tEm aanzien van het begrip

struktuur, doch in de praktijk van het ontwerpen en

bouwen. Daarbij wordt steeds duidelijker dat het niet

alleen gaat om de vormgeving van de ruimte, doch ook

om de vormgeving van het proces.

In een grotere reeks van projekten werd ervaring

opgedaan met een werkwijze, die gericht is op

een stapsgewijze planontwikkeling, die openingen

biedt voor kontrole en inbreng van buitenaf. Daarbij

ging het zowel om projekten op hoog nivo, zoals studies

ten behoeve van bestemmingsplannen, als wel om

uitwerkingen daarvan in de vorm van bebouwingsplannen,

terwijl daarna uiteraard tevens de woningtypen ontwikkeld

werden.

Verschillende van deze plannen werden gepubliceerd

in het blad Plan. Als voorbeeld van

plannen op het nivo van het globaal bestemmingsplan

kunnen gelden: Maarssenbroek (12, pag. 33 t/m 38),

Duiven-Westervoort (27, pag. 6 en 7) en Dordrecht,

Sterrenburg III (27, pag. 18 t/m 21).

Als voorbeeld van een uitwerking tot bebouwingsplan

kan gelden: Bloemendaal-Oost te Gouda (12, pag. 39

t/m 49). Aan dit projekt werd het predikaat "Experimenteel"

toegekend. Daarnaast nog het plan Rapijnen

te Linschoten (11, pag. 210 t/m 218) en het plan

Nieuwe Oostdijk te GoE?dereede (11,pag. 154 t/m 158).

De projekten in Linschoten en Gouda zijn nu (1975)

bewoond en het projekt in Dordrecht is in aanbouw.

Bij al deze projekten werd niet volstaan met de ontwikkeling

van een plan, doch werd tevens een instrumentarium

geschapen, waarmee de besluitvorming gestruktureerd

kon worden.

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan Sterrenburg

III te Dordrecht werden raadskornmissies betrokken

op de planontwikkeling, terwijl voor de verdere

uitwerking van het bestemmingsplan participatieprocedures

ontwikkeld werden. In beide gevallen bleek het

moge~ijk gebruikers in te schakelen in het besluitvormingsproces,

door hen binnen konkrete ruimtelijke si-

20


tuaties besluiten te laten nemen over konkrete ruimtelijke

elementen, waardoor variant-situaties ontstonden.

Situaties en elementen op h~t nivo van het globaal bestemmingsplan

zijn uiteraard komplexer dan die van het

bebouwingsplan. Wil een gemeenteraad echter beslissingen

kunnen nemen over deze komplexe elementen, dan

zullen zij toch konkreet moeten zijn, dat wil zeggen

dat bekend moet zijn langs welke weg deze elementen

gespecificeerd kunnen worden tot elementen, waarmee

men vertrouwd is. KomplE!xe elementen en meer enkelvoudige

elementen moeten~an deel uitmaken van een systeem

van elementen, waarin voorzien is op welke wijze

de elementen äespeciflceerd kunnen worden.

Het stelsel,at aan een dergelijk systeem ten grondslag

ligt, heeft, evenals de situatie, die door maatschappelijke

groepen in varianten uitgewerkt worden,

strukturele eigenschappen. Het is in deze zin, dat in

deze studie het begrip struktuur gebruikt wordt: als

een praktisch hulpmiddel bij het ruimtelijk ordenen.

4. Spel.

Bij het ruimtelijk ordenen gaat het om een konfron- \

tatie van twee werelden, die in deze studie worden

aangeduid met de materiele wereld en de maatschappelijke

wereld. De eerste is de wereld van de dimensie:

ruimte, tijd, geld etc.in principe de wereld

van de meetbare zaken~. de andere wereld is die van

de krachten, die slechts meetbaar zijn in zoverre

ze veranderingen aanbrengen in de wereld van de

dimensies. De maatschappelijke krachten brengen een

evenwicht tot stand tussen een maatschappelijke

behoefte enerzijds en een ruimtelijke geleding

anderzijds. De ruimtelijke dimensie moet daartoe

aangrijpingspunten bieden, er moeten elementen onderscheiden

worden, die de mensen aanspreken. Tevens moeten

deze elementen het mogelijk maken dat er regels

opgesteld worden, die de garantie geven, dat het

ruimtelijk resultaat inderdaad een afspiegeling is

van de maatschappelijke behoefte.

Deze situatie vertoont een zekere symmetrie met het

spel. Ook daarbij wordt uitgegaan van een zekere

maQtschappelijke geleding: de partijen, de spelers

en een zekere materiële geleding: de attributen.

De aanwezigheid van de beide geledingen maakt het

mogelijk spelregels te formuleren, die voorschriften

geven ten aanzien van de relaties tussen spelers en

21


attributen en de manier waarop het spel zich in de

tijd ontwikkelt.

Door de spelregels worden "gelijke kansen" gekreëerd

voor de deelnemende partijen. Het is dan afhankelijk

van talent, toeval, behendigheid e.d. of deze kansen

ook inderdaad benut worden.

Na afloop van het spèl wordt de partij, die gewonnen

heeft, boven de andere gesteld. Door gebruik te maken

van materiële ruimtelijke attributen wordt een .maatschappelijke

hiërarchie aangebracht.

Bij het wedstrijdspel gaat het inderdaad om het bewerkstelligen

van maatschappelijke ongelijkheid.

Dit in tegenstelling tot de rite, waarbij het rituele

spel juist gericht is op het tot stand brengen van

een maatschappelijke gelijkheid. In beide gevallen

gaat het echter om het aanbrengen van een maatschappelijke

ordening.

Bij het ruimtelijk ordenen geldt, dat evenals bij

het spel "gelijke kansen" gekreëerd moeten worden.

In de maatschappelijke wereld behoeft deze term geen

nadere uitleg. Doch wat moet men zich daarbij voorstellen

in de ruimtelijke dimensie?

Het ruimtelijk equivalent van het bieden van gelijke

kansen is het bieden van (gelijkwaardige) varianten.

Een situatie met strukturele eigenschappen biedt per

definitie varianten en daarmee gelijke kansen waar het

gaat om het instellen van een evenwicht tussen maatschappelijke

behoefte en ruimtelijke ordening.

Hetzelfde geldt voor een stelsel (met strukturele

eigenschappen) : ook hierbij is een uitwerking in

varianten mogelijk en doet zich dus de gelegenheid

voor om tot een evenwicht te komen. Dit geldt zowel

voor het ruimtelijk stelsel als voor het procesmodel.

De parallelliteit tussen ruimtelijk ordenen en

speJ.en gaat ver genoeg om het ruimtelijk ordenen aan

te kunnen duiden als een bizonder spel. Nemen we het

spel als voorbeeld van ruimtelijk ordenen dan houdt

dit in, dat er spelregels geformuleerd moeten kunnen

worden, gebaseerd op het scheppen van gelijke kansen.

Deze regels kunnen echter alleen geformuleerd worden

wanneer geledingen aangebracht kunnen worden. zowel

bij de spelers als bij de attributen c.q. elementen

waarmee gespeeld wordt. De geleding van de spelers

ofwel de partijen is de inzet van de specifikatie van

het procesmodel tot een procedure, terwijl de geleding

van de ruimte in eerste instantie leidt tot

een ~uimte-stelsel en vervolgens tot een ruimtesysteem.

Is aan deze basisvoorwaarde voldaan,

22


dan kan het bizondere spel van het ruimtelijk ordenen

gespeeld worden.

5. Vijf delen.

In grote lijnen zijn nu alle onderwerpen genoemd,

die verderop aan bod zullen komen. De studie is

opgebouwd uit vijf delen: Spel, Struktuur en elementen,

Stelsel en Proces en Toepassing.

In deel I, Spel, wordt het spel behandeld als parallelle

aktiviteit, terwijl het tevens tot voorbeeld gesteld

wordt. Het gaat om een ruimtelijke ordening met

gelijke kansen; het ruimtelijk ordenen als bizonder

spel. In dit deel worden aan de hand van spelen de

belangrijkste begrippen ontwikkeld, die.zoals mag blijken,

ook van toepassing zijn op het gebied van het

ruimtelijk ordenen.

In deel II, Struktuur en elementen, wordt aandacht

besteed aan het begrip struktuur, zoals dat gebruikt

wordt door de Franse Strukturalisten, doch tevens

wordt vastgesteld dat een operationele definitie van het

begrip struktuur denkbaar is, die maatschappelijke

akties mogelijk maakt.

In ditzelfde deel wordt nader ingegaan op het begrip

element en daarmee samenhangende termen als stelsel,

kategorie en elementenstelsel.

In deel III, Stelsels, wordt het begrip nivo gedefinieerd.

Het begrip is essentieel voor de gehele studie

daar het de kern vormt van de opbouw van alle nog te

on brikkelen stelsels.

In eerste instantie wordt een elementenstelsel ontwikkeld,

vervolgens worden maat- en rasternivo's

beschouwd, die geintegreerd kunnen worden in een zogenaamd

maatstelsel. De synthese van elementen- en

maatstelsel leidt tot een zogenaamd ruimte-stelsel:

de primaire geleding van de ruimtelijke dimensie.

Alle stelsels kunnen gespecificeerd worden tot (operationele)

systemen.

In deel IV, Proces, gaat het eveneens om een stelsel,

doch nu een processtelsel ofwel een procesmodel.

Dit stelsel is opgebouwd uit aktiviteiten. Ook dit

is een essentieel begrip voor deze studie, daar het

stelsel van aktiviteiten een synthese inhoudt van de

maatschappelijke en ruimtelijke geledingen. Op basis

23


van een bepaalde processtrategie kan het uit aktiviteiten

opgebouwde procesmodel gespecificeerd worden

tot een operationele procedure.

In deel V, Toepassing, gaat het om de toepassing

van het ontwikkelde model in een praktische ontwerpsituatie.

Hierbij wordt uitgegaan van een hypothetisch

·projekt. Achtereenvolgens komen de ontwikkeling

van de doelstelling, het vervaardigen van het procesinstrumentarium

tijdens de voorbereiding van de besluitvorming,

en de feitelijke planontwikkeling tij-'

dens de uitvoering van de besluitvorming aan de orde.

Uitgaande van een notie van het ruimte-stelsel en

het procesmodel wordt beschreven op welke manier via

de ontwikkeling van procedure en ruimte-systemen een

plan ontwikkeld kan worden. Deze ontwikkeling is een

specifieke ontwikkeling. Afhankelijk van de aard van

het projekt kan ook, gebasee~d op dezelfde uitgangspunten,

een geheel andere procedure vastgesteld worden.

De inhoud van deel V, moet dus niet opgevat

worden als een recept voor planontwikkeling, doch als

êên illustratie van de uitwerkingamogelijkheden van

het procesmodel.

Er zijn verschillende groeperingen van de 5 delen mogelijk.

De delen I en II zijn beschouwend, en de delen

III tot en met V zijn praktisch van aard.

De delen I en IV onderhouden echter ook een duidelijke

relatie: beide hebben namelijk betrekking op het

gehele gebeuren of dat nu spel dan wel proces is.

Deel IV wordt daarom ook afgerond met een hoofdstuk

spel.

De delen II en III zijn ook op elkaar betrokken.

In deel II worden de elementen als de onderdelen en

de struktuur als verbindingsmiddel geintroduceerd,

waarmee in deel III het bouwwerk van het ruimtelijk

stelsel kan worden opgetrokken.

Deel V neemt een onafhankelijke positie in. Het dient

als illustratie voor de ontwikkelde begrippen in de

delen III en IV.

24


6. Slotopmerkingen.

Het ruimtelijk ordenen behelst natuurlijk veel meer

aspekten dan in deze studie aan de orde kunnen komen.

Zo is er weinig aandacht besteed aan de ekonomische

dimensie van het vraagstuk. Door het definiëren van

het begrip element is wel een aanknopingspunt verschaft,

doch het maakt geen deel uit van de studie.

Niet alleen bepaalde aspekten blijven onbelicht,

doch tevens hele gebieden van ruimtelijk ordenen komen

niet aan de orde. Al~ studiegebied is zeer nadrukkelijk

gekozen voor het probleem van de volkshuisvesting.

Utiliteitsbouw in de vorm van scholenbouw,

ziekenhuisbouw e.d.komen niet aan de bod.

Tevens wordt alleen .dat gebied behandeld, dat in de

omgangstaal aangeduid wordt met ontwerpen, waarmee

een bepaald nivo van ruimtelijk ordenen aangeduid

wordt, waar een ruimtelijke beleving plaats vindt;

zowel de bouwkundige detaillering als bijvoorbeeld

de opbouw van een streekplan blijven buiten beschouwing.

Er wordt volstaan met het geven van een principe van

ruimtelijke ordening, dat in wezen op elk nivo voor

elk onderwerp mijns inziens van toepassing is.

Deze studie is niet neergeschreven vanuit een magistraal

overzicht van de gehele problematiek van het

ruimtelijk ordenen. Het onderwerp is niet van buiten

af benaderd, doch van binnenuit.

Er komt een zwaarder aksent te liggen op de plaatsing

van de deelproblemen in een meer omvattende problematiek

dan op de specifieke oplossing van die deelproblemen.

Hoewel het zwaartepunt ligt op een onderzoek in de

breedte, was toch enige diepgang geboden ten aanzien

van de verheldering van het begrip struktuur, daar alleen

daardoor het veelomvattende geheel op een konsistente

manier behandeld kan worden. In dit opzicht

bleek een theoretische behandeling onvermijdelijk.

Dit leidde tot koncepten, die daarna in de praktijk

getoetst konden worden op hun toepassingsmogelijkheden.

Waar het theoretische en het praktische aspekt

als twee gelijkwaardige polen van deze studie gezien

kunnen worden, vormen zij een getrouwe afbeelding van

mijn werkzaamheden gedurende de laatste 10 jaar. De

eerste jaren heb ik onderzoek verricht binnen het

kader van de Stichting Architekten Research (S.A.R.),

25


26

terwijl de laatste vijf jaren een praktische toepassing

van de binnen de S.A.R. ontwikkelde ideeën

inhielden, binnen de Architakten B.V. de Jong, van

Olphen, Bax (J.O.B.) te Maarssen.

Het neerschrijven van deze studie is voor mij

een leer-proces geweest. Veel zaken en veel verbanden

werden mij pas werkelijk duidelijk tijdens deze studie.

Dit heeft tot gevolg gehad, dat nieuw verworven inzichten

in zoverre.'ll\ogelijk, getoetst moesten worden

· in de praktijk van het ontwerpen en weer verwerkt moesten

worden in de reeds gereed gekomen delen van de

studie. Ongetwijfeld heeft deze enigszins moeizame

werkwijze zijn sporen nagelaten in deze studie, doch

naar ik hoop niet in die mate, dat hierdoor afbreuk

wordt gedaan aan de leesbaarheid van het verhaal.


Deel I -

Spel.

0. Inleiding.

Het ruimtelijk ordenen vertoont als aktiviteit verwantschap

met het spel. Van deze relatie wordt in

dit deel gebruik gemaakt. In eerste instantie wordt

gebruik gemaakt van de voor iedereen vertrouwde

opbouw van een bord-spel om via de spel-begrippen

een aantal begrippen te introduceren, die ook voor

het ruimtelijk ordenen essentieel blijken. Dit

gebeurt in de eerste drie hoofdstukken van dit deel.

In tweede instantie wordt dieper ingegaan op het

spel. Het ontwerpen van het spel wordt daarbij onderscheiden

van het spelen van het spel. Het spel

blijkt dan niet slechts een parallelle aktiviteit

te zijn, doch een aktiviteit,die het ruimtelijk ordenen

tot voorbeeld kan dienen.

Belangrijke zaken hierbij zijn: de noodzakelijkheid

van een voor-ordening om tot het formuleren van

spelregels te kunnen komen en de noodzakelijkheid

van een partiële voorordening met strukturele eigenschappen

om een uitwerking in varianten mogelijk

te maken. Deze beide aspekten blijken ook essentieel

te zijn bij het ruimtelijk ordenen. Dit leidt

tot de noodzaak van een geleding van de ruimtelijke

dimensie van de materiële wereld en de maatschappelijke

wereld en tot de noodzaak, die kenmerkend is

voor het ruimtelijk ordenen, dat deze geledingen

struktureel van aard zijn en afhankelijk van de

kontext van het ordeningaproces in varianten uitgewerkt

kunnen worden. Hiermee tekent zich de kontoer

af van de ruimtelijke geleding in stelsels, die gespecificeerd

kunnen worden tot systemen, zowel ten

aanzien van het proces als ten aanzien van de ruimtelijke

dimensie. Het processtelsel wordt uitgewerkt

in deel IV, het ruimte-stelsel in deel III en het

begrip struktuur, zonder welke de stelsels niet

gedefinieerd kunnen worden, wordt beschreven in

deel II.

27


Hoofdstuk 1 -

0. Inleiding.

Spel als parallel.

In het artikel "Yagua, or the Amazone dwelling" in

"Landscape'', voorjaar 1967, beschreef Amos Rapopart

een bezoek aan een Indianenstam in het oerwoudgebied

van Zuid-Amerika. (18)

Hij gaf een beschrijving van de wijze, waarop deze

Indianen vorm gegeven hadden aan hun woonomgeving en

tevens schetste hij een beeld van de wijze, waarop

zij deze omgeving gebruikten.

De architektuur van de woningen was vanzelfsprekend

gericht op het verschaffen van beschutting tegen felle

zon en eveneens tegen zware tropische regenbuien. Bovendien

moesten de woningen bescherming bieden tegen

het altijd aanwezige ongedierte als ratten en slangen.

De woningen bestonden dan ook primair uit een dicht,

zwaar uitgevoerd zadeldak met overstek boven een

verhoogd platform. Voor de rest werden de woningen

gekenmerkt door grote openheid, om maar zoveel mogelijk

gebruik te kunnen maken van de verkoelende

wind. Praktisch niets mocht deze wind in de weg staan.

De woningen hadden een dusdanige omvang, dat

onderdak geboden kon worden aan een groep van ongeveer

twintig personen.

De openheid van de woningen gaf, naar het gevoel van

Rapoport, geen privacy. Toch bleek dat dit probleem

daar op een zeer bizondere wijze werd opgelost en wel

door het invoeren van een gedragsregel.

Deze houdt in principe een stilzwijgende overeenkomst

in, waarbij iemand absolute privacy (tenminste in de

zin van niet gestoord te worden door anderen) kan

verkrijgen, door zijn gezicht af te wenden van het

midden van het huis.

Wie dit doet, wordt niet langer als aanwezig beschouwd

en niemand zal hem lastig vallen, hoe dringend de

behoefte ook is. Feyor (auteur, die als bron fungeerde

voor Rapoport) vertelt, dat hij eens een uur

28


moest wachten tot iemand "terugkwam" en vermeldt

dat zelfs kinderen dit privilege hadden. "In een

gesloten gemeenschap,overheerst door tradities,

is dit een doelmatige manier om privacy te verkrijgen

in een huis waarin geen scheidingen

bestaan". Aldus Rapoport.

Uit het verhaal blijkt dat êên probleem op verschillende

manieren kan worden opgelost en dat het zeer

kultuur-bepalend is op welke wijze dat gebeurt.

De behoefte aan privacy kan immers ook opgelost

worden door wanden. Ook dan nog kan dat op verschillende

manieren gebeuren. Een wand in een Japans huis

is aanmerkelijk dunner en minder isolerend dan een

wand van een westers huis. Dit korrespondeert wederom

met een verschil in gedragspatroon.

Een Japanse wand behoeft slechts gedempte geluiden

te isoleren: de vloeren zijn bedekt met rietmatten

en de bewoners bewegen zich voort op pantoffels.

Zo is het niet verwonderlijk, dat het gebruik van

een koptelefoon bij een hifi-installatie juist in

Japan het eerst werd toegepast.

Een wand in een westers huis daarentegen moet een

aanmerkelijk hogere isolatiewaarde hebben, daar de

bewoners zich geen beperkingen op willen leggen in

het produceren van geluid.

In de drie geschetste oplossingen voor het vraagstuk

van de privacy werd in het eerste geval (het

Yagua-huis) volstaan met een regel, die uitsluitend

het gedrag bepaalt van de bewoners; er kwam geen

materiaal aan te pas. De oplossing van het probleem

lag geheel in het maatscháppelijke vlak: de oplossing

lag geheel in ä.e "wereld van de maatschappij".

In het derde geval (het westerse huis) werd het

probleem opgelost door de toepassing van materiaal:

het probleem werd uitsluitend opgelost in de "wereld

van de materie".

Er wordt dan geen aanpassing van het gedragspatroon

verwacht. zoals bekend leidt dit tot steeds hogere

eisen ten aanzien van de geluidsisolatie.

In het tweede geval (het Japanse huis) gaat het om

een tussen-oplossing. Er wordt een evenwicht gevonden

tussen een oplossing in de wereld van de materie

en die van de mensen: door een bepaalde aanpassing

29


van het gedragspatroon kan men met een wand van

geringe dikte en isolatie volstaan. De scheiding

is alleen visueel, niet akoestisch.

Het eerste en het derde geval zijn extreme voorbeelden:

het probleem van de privacy werd uitsluitend

in de maatschappelijke en uitsluitend in de

materiële wereld opgelost. Het tweede geval

gaf een tussenoplossing.

In werkelijkheid gaat het altijd om een tus.senoplossing,

daar zelfs de twee extreme voorbeelden

nog middelen uit de andere dimensie behoeven.

In het eerste geval kan het met de rug naar het

midden van de woning gaan zitten gezien worden

als het optrekken van een scherm, zij het dan dat

het bestaat uit het eigen lichaam van degenen, die

zich afwenden.

In wezen zijn de maatregelen, die voor de oplossing

van een bepaald probleem in de beide werelden genomen

kunnen worden, tot op zekere hoogte uitwisselbaar.

Door deze principiële mogelijkheid is een

afstemming van de maatregelen in beide werelden op

elkaar mogelijk, waardoor een evenwichtig antwoord

op een gesignaleerde behoefte gegeven kan worden.

1. De wereld van de maatschappij en de wereld van de

materie.

aanzien van

worden in

30


In principe kunnen nog andere dimensies onderscheiden

worden, waarbij gewicht, temperatuur, geluid

e.d. aan de orde komen. Deze dimensies hebben de

eigenschap dat ze door een bepaalde wijze van definieren

van de eenheden met elkaar in verband gebracht

kunnen worden.

Zo kunnen geluids- en warmte isolatie van een wand

bij elke materiaalsoort worden vertaald in een

maat.

Bij de wereld van de maatschappij gaat het om krachten,

die invloed uitoefenen op de wereld van de

materie, doch die op zichzelf niet meetbaar zijn.

Deze invloed wordt pas zichtbaar door de veranderingen,

die zij in de wereld van de materie tot stand

brengen.

Beide werelden zijn zelfstandig en elkaar aanvullend.

Beide werelden hebben hun eigen geledingen, die evenwel

naar zal blijken, niet los van elkaar gedacht

kunnen worden. De wereld van de materie kan geleed

worden in termen van de maatschappij, terwijl ook het

omgekeerde het geval is. Alleen daardoor is het mogelijk

beide werelden op elkaar te betrekken in een proces,

waardoor de krachten van de maatschappij

relevante veranderingen tot stand kunnen brengen in de

wereld van de materie.

Het aan ri· ins unt van de wereld van

wordt in et kader van deze studie

telijke dimensie. Deze dimensie dien

station tussen de wereld van de materie en die van

de maatschappij. Met andere woorden: maatschappelijke

aspekten in het proces worden alleen via de ruimtelijke

dimensie in bijvoorbeeld financiele termen

uitgedrukt. Het proces, waarmee een afstemming tot

stand wordt gebracht tussen de wereld van de maatschappij

en de ruimtelijke dimensie (van de wereld

van de materie) wordt aangeduid met de term ruimtelijk

ordenen.

Het is de bedoeling van deze studie de W~Jze tè laten

zien, waarop een geleding aangebracht kan worden in

de ruimtelijke dimensie en hoe daarop ingespeeld kan

worden door een specifieke geleding van de wereld van

de maatschappij.

31


Dit leidt dan tot een model van het proces van ruimtelijk

ordenen. De beschrijving van die geledingen ·

en het procesmodel kan echter alleen doelmatig gebeuren

wanneer eerst een aantal ordeningabegrippen

van ruimtelijk ordenen worden ingevoerd. Dit zal

gebeuren aan de hand van een aktiviteit, die een

zekere parallelliteit vertoont met het ruimtelijk

ordenen: het spel.

2. Een parallel.

Het invoeren van begrippen brengt risiko's met zich

mee. Zij zullen in de meeste gevallen ontleend zijn

aan de omgangstaal, die voor dit specifiek gebruik

een zekere betekenisverenging zal ondergaan. Dit

roept een barriêre op, die alleen gerechtvaardigd

is, wanneer het qebruik van de beqrippen daarna

een zinvolle vereenvoudiqing met zich mee brenqt.

De ingevoerde beperking, die de gebruiker opqeleqd

wordt, moet gekompenseerd worden, door een winst

in het kommunikatieve vlak. Het ontwikkelen van

begrippen moet dan gezien worden als een soort voorinvesterinq.

Ik wil proberen de begrippen zodanig

te ontwikkelen, dat ze zo klein mogelijk in aantal

zijn, duidelijk aan elkaar gerelateerd zijn en qua

betekènis zo dicht mogelijk bij de omqanqstaal

liqqen.

Bij het ontwikkelen van deze beqrippen wil ik uitgaan

van een aktiviteit, die qua opbouw overeenkomst vertoont

met het ruimtelijk ordenen, namelijk het spel

en wel het wedstrijdspel. In beide gevallen gaat het

om een materiële dimensie en een maatschappelijke

wereld en in beide gevallen is er sprake van een

ordening. Bij het spel ligt de ordening in de maatschapleliáke

wereld; er wordt een hi~rarchie vastgeste~:

e wlnn~ar staat boven de verliezer. §E

wordt bij deze ordening echter gebruik gemaakt van

attributen van de ruimtelijke dimensie.

Bij het ruimtelijk ordenen ligt het eindresultaat in

de ruimteli ke dimensie; de maatscha eli'ke wereld

speelt ier iJ echter een aktieve rol.

32


Hoewel een verwisseling van doel en middelen

plaats vindt, wordt verondersteld dat het om processen

en dus ook om begrippen gaat, die met elkaar in

verband gebracht kunnen worden.

In eerste instantie worden nu spelbegrippen ontwikkeld,

die daarna getoetst worden op hun waarde als begrippen

van ruimtelijk ordenen.

Bij het spel wordt de maatschappelijke wereld voorgesteld

door de spelers, de ruimtelijke dimensie

door de attributen, terwijl de onderlinge relaties

tussen de s elers tussen de attributen en

e

spelers en de attributen geregeld wordt in e vorm van

spelregels.


Er is een belangrijk verschil tussen ruimtelijk ordenen

en spelen.

Het proces van ruimtelijk ordenen richt zich op de

realisatie van een evenwicht vanuit een onevenwichtige

situatie. Het spel gaat uit van een evenwichtige

situatie: er wordt van uit gegaan, dat de spelers

in hun kansen gelijkwaardig zijn; het spel heeft

ook alleen maar zin als die gelijkwaardigheid er is, anders

wordt die, zoals bijvoorbeeld bij het golfspel, op

een kunstmatige manier tot stand gebracht, door

middel van een handicap.

Uitgaande van die evenwichtige situatie wordt door

middel van het spel het evenwicht aangetast, zodat,

waar aanvankelijk gelijkheid was, naar ongelijkheid

wordt gestreefd. Het spel heeft zijn einde pas gevonden,

als het evenwicht verbroken is. Indien bij

het voetbalspel in de finale van kampioenschappen

na twee speelhelften het evenwicht niet verbroken

is, dan wordt de wedstrijd met twee keer een kwartier

verlengd. Wordt het evenwicht dan nog niet verbroken,

dan mag elk elftal een vast aantal strafschoppen

afvuren op het doel van de tegenpartij. Is de stand dan

nog steeds gelijk, dan wordt er geloot. Het spel

richt zich dus op het verbreken van een evenwicht

vanuit een evenwichtige situatie.

Vergelijken we het proces van ruimtelijk ordenen

en het spel met elkaar, dan blijkt dat het in beide

gevallen om een proces gaat, doch de richting van

het proces is bij het spel precies omgekeerd aan

die van het proces van ruimtelijk ordenen. De elementen,

waaruit het spel en het proces van ruimtelijk

ordenen zijn opgebouwd, zijn op dezelfde wijze

te verdelen in elementen van ruimtelijke en maatschappelijke

dimensies.

33


34

Op het veld van overeenkomsten en verschillen kunnen

aldus spelen en ontwerpen eenduidig ten opzichte van

elkaar gesitueerd worden. Van deze eigenschap wordt

gebruik gemaakt bij het introduceren van een aantal

begrippen. Deze begrippen worden in eerste instantie

beschreven aan de hand van spelsituaties van twee

bekende spelen.


Hoofdstuk 2 -

Twee spelen.

1. Het spel, statische aspekten.

Spelen worden doorgaans gekarakteriseerd door de

attributen, die gebruikt worden. Zo worden bordspelen,

kaartspelen, balspelen etc. onderscheiden.

Dit is een indeling naar de ruimtelijke dimensie

van het spel. Bij de term gezelschapsspel ligt dit

kriterium in de maatschappelijke dimensie. Een spel

kan volgens beide indelingen geplaatst worden: ganzeborden

is zowel een bordspel als een gezelschapsspel.

Nog een andere indeling kan gevonden worden door de

fysieke dan wel de geestelijke inzet van de speler

als kriterium te kiezen: behendigheidsspelen, denksport.

Deze indeling overlapt weer de vorige indelingen.

Het is niet de bedoeling in het bestek van deze

studie een alleszins verantwoorde indeling van de

spelen te geven. Zou deze indeling bestaan, dan zou

van elke kategorie een spel-voorbeeld genomen kunnen

worden om na te gaan of het mogelijk is het spel te

beschrijven door gebruik te maken van de spelbegrippen:

speler~, spelattributen en s~lregels.

Als voorbeeld wordt een anaLyse ~tgevoerd van twee

bordspelen: schaken en dammen. Het gaat niet om de

mêrites van het ene spel boven het andere, doch het

gaat er om vast te stellen, dat beide spelen in dezelfde

termen beschreven kunnen worden. Van deze

terminologie wordt nagegaan in hoeverre deze eveneens

geschikt is voor het beschrijven van een parallelle

aktiviteit: het ruimtelijk ordenen.

Dat juist twee bordspelen gekozen worden, ligt voor

de hand, daar deze in de vorm al iets weg hebben van

de werkwijze, die gehanteerd wordt bij het noteren

van een ontwerp. Dat twee qua vorm bij elkaar gelegen

spelen als uitgangspunt genomen worden, heeft

het methodisch voordeel, dat op eenvoudige wijze

overeenkomsten en verschillen aangegeven kunnen worden,

waardoor de gehanteerde begrippen eenvoudiger

belicht kunnen worden. Beide spelen hebben het voordeel,

dat ze genoegzaam bekend zijn, waardoor de fase

van de beschrijving van de afzonderlijke spelen

overgeslagen kan worden en direkt overgegaan kan

worden tot de vergelijking van de beide spelen.

35


1. De spelers.

2. De attributen.

3. De spelregels1 deze regels worden in drieën verdeeld:

3.1 Regels betreffende de relaties tussen de attributen.

3.2 Regels betreffende de relaties tussen de spelers.

3.3 Regels betreffende de relaties tussen de spelers

en de attributen.

Gaan we beide spelen analyseren, dan kunnen de resultaten

daarvan als volgt kort worden samengevat~

1. In beide gevallen wordt onderscheid gemaakt

tussen een bord en stenen of stukken.

In beide gevallen vertoont het bord een identiek

patroon van witte en zwarte "Velden,alleen het

aantal velden is verschillend.

In beide gevallen worden twee kategorieën van

stenen of stukken onderscheiden: witte of zwarte

stenen, alleen de vorm en het aantal zijn ver~

schillend.

Bij het damspel zijn alle stenen binnen een kleur

identiek, bij het schaakspel komen per kleur zes

verschillende stukken voor.

2. In beide gevallen zijn er twee spelers.

3.1 Bij het dammen mogen slechts de zwarte velden

worden bezet, bij het schaken kan elk veld bezet

worden.

Beide spelen hebben een duidelijke uitgangsstelling.

Bij het dammen telt de eindstand

slechts stenen van een kleur (die van de winnaar).

Bij het schaken ontbreekt de koning van een van

de kleuren in de eindstand (die van de verliezer).

··

Bij het dammen kan elke steen zich volgens een

diagonaal patroon over het bord verplaatsen.

Bij het schaken kan elk stuk zich op een voor

dat stuk kenmerkende manier over het bord verplaatsen.

Beide spelen hebben een karakteristieke manier

van het elimineren van een steen of stuk van de

tegenpartij: bij het dammen door er overheen te

springen, bij het schaken door het innemen van

diens plaats.

36


3.2 Beide spelen hebben een identieke relatie tussen

de spelers onderling. Dit betreft de volgorde

waarin de spelers spelen: de spelers spelen

beurtelings, doch wit begint; de speler, die als

enige zijn kleur stenen (bij dammen) of zijn koning

(bij schaken) heeft weten te behouden, is

de winnaar van het spel.

3.3 Beide spelen hebben een identieke relatie tussen

spelers en attributen. Dit betreft de plaats van

de spelers ten opzichte van het bord; speler

"wit" speelt met witte stukken of stenen; bij

elke beurt moet de speler een stuk verzetten; de

speler verplaatst de stukken volgens de

van 3.1.

In eerste instantie kan vastgesteld worden dat het

mogelijk is met de onderscheiden begrippen: spelers,

attributen, en spelregels, een adequate beschrijving

te geven van ?eze twee spelen en het is waarschijnlijk,

dat met behulp van dezelfde begrippen ook andere

spelen van hetzelfde type beschreven kunnen worden.

~· · Naast deze begrippen zullen andere begrippen

ontwikkeld moeten worden, waardoor niet alleen het

spel als statisch gegeven beschreven kan worden, doch

waardoor eveneens de dynamische aspekten van de uitvoering

van het spel aan de orde kunnen komen.

Ter afronding van dit punt kunnen voor het bordspel

de volgende begrippen omschreven worden.

1) attributen: bord plus stukken.

2) spelers: degenen, die de zetten doen.

3) spelregels: voorschriften om het spel formeel te

spelen; deze regels worden verdeeld in drie groepen.

3.1) regels ~etreffende de relatie tussen de attributen.

3.2) regels betreffende de relatie tussen de spelers.

3.3) regels betreffende de relatie tussen speler en

attributen.

2. Het spel, dynamische aspekten.

Beide spelen worden gekenmerkt door borden met een

identiek patroon. Het verschil tussen de beide spelen

bestaat onder andere hierin, dat er op verschillende

manieren gebruik van gemaakt wordt. Dit gebruik

wordt bepaald door de spelregels, die een relatie

leggen tussen de stukken en het bord. Zowel het bord

als de stukken zijn fysieke ruimtelijke zaken, die

slechts door de spelregels een rol in het spel kun-

37


nen vervullen. Attributen en spelregels betreffende·

de attributen vormen slechts de basisvoorwaarden voor

het spel. Het betreft slechts de voorwaarden, die

deel uit maken van de ruimtelijke dimensie.

Het feitelijke spel, het spelen, ontstaat pas bij

het optreden van de spelers. Ook hun optreden is

gebonden aan in spelregels vastgelegde voorwaarden.

. Het is niet voldoende begrippen te ontwikkelen

die betrekking hebben op het spel als zodanig, doch

er mOeten nu ook begrippen onderscheiden worden,

waarmee het mogelijk is nadere uitspraken te doen

ten aanzien van het spelen van het spel.

De kleinste zinvolle handeling van het spelen is de

zet. De zet geeft in het kleinst mogelijke bestek

de.relatie tussen de ruimtelijke en de maatschappelijke

dimensie van het spel. Bij alle onderverdelingen

van de spelregels wordt een bepaald aspekt

belicht van de zet.

Waar het gaat om de relatie tussen de attributen,

gaat het primair om de volgorde, waarin de spelers

zetten doen: er wordt vastgesteld wie aan de beurt

is, wie mag beginnen en wie het spel beëindigt door

te winnen.

Waar het gaat om de relatie tussen de spelers en de

attributen, gaat het er om welke spelers met welke

attributen een zet mogen doen. Het gehele spelverloop

is opgebouwd uit zetten. Het is mogelijk een

beeld te geven van het spelverloop, door alle zetten,

die gedaan zijn tijdens het spelen, te benoemen.

Naast spelregels kunnen speelregels onderscheiden

worden. Spelregels zijn er op gericht gelijke kansen

te bieden aan Be spelers. Speelreiels zi~n er

op gericht de kansen, die in elke spe situat1e

eboden worden, te waarderen en uit te buiten.

Spelregels zi n betre elijk eenvoudig te

leren en bindend voor alle spelers. ·

Speelregels daarentegen zijn gekompliceerd, niet

bindend, doch wel·raadzaam. Een voorbeeld van een

speelregel is: houdt in de gaten, dat een dame evenveel

waard is als twee torens of probeer, als je iets

achter staat, de stelling gesloten te houden etc.

Spelregels karakteriseren het spel, terwijl

de speelregels de speler karakteriseren; hierdoor

wordt de speelstijl van een speler gekenmerkt.

38


Binnen het kader van spel- en speelregels zal elke

speler een strategie ontwikkelen. Wanneer hij aan

zet is, zal hij zijn stukken daar inzetten waar ze

zijn tegenstander de meeste afbreuk berokkenen.

Hierbij stelt hij een speelplan op, waarbij hij een

voor het specifieke spel eigen relatie legt tussen

de attributen onderling en komt tot de vaststelling

van patronen, waarmee hij zijn eigen spel ordent en

schade tracht toe te brengen aan de tegenstander.

Een strategie is opgebouwd uit zetten. Het is

niet een gefixeerd programma van zetten (dat zou

ook niet kunnen, daar het niet waarschijnlijk is

dat de tegenstander daar ruimte voor zal laten),

doch het is een algemeen speelplan, dat nog in

varianten uitgewerkt kan worden, afhankelijk van

de specifieke omstandigheden tijdens het spelverloop.

Een strategie kan niet los gezien worden van de

dimensie tijd. Er wordt een plan opgesteld, met een

bepaalde verwachting ten aanzien van de toekomstige

ontwikkeling.

Bij een strategie gaat het om een plan op betrekkelijk

lange termijn. Dit in tegenstelling tot taktiek,

waarbij het er bijvoorbeeld om gaat door een

taktische kombinatie, eventueel afwijkend van de

speelregels, een doorbraak te forceren in het spelverloop.

Ter afronding van dit punt kunnen de volgende begrippen

omschreven worden:

4) zet: verplaatsing van een stuk door een van de spelers

o basis van s elre els;

5) aanwi zin om een situatie te kunnen

zo doeltreffend mogelijk uit te

6) opgebouwd uit zetten, dat uitin

varianten.

3. Het spelverloop.

Zowel de statische als de dynamische aspekten van het

spel zijn nu behandeld. Daarnaast is het noodzakelijk

nog een aantal aanvullende begrippen te onderscheiden,

waarmee het spelverloop beschreven kan worden.

Wanneer tijdens het spelen een momentopname gemaakt

wordt, dan kan voor dat moment worden vastgesteld

wat de stand van het spel is. Daarmee wordt niet

alleen aangegeven wat de positie van de stukken op

39


het bord is, doch eveneens wie er op dat moment aan·

zet is. Met de stelstand wordt dus zowel de ruimtelijke

als de maa schappelijke dimensie benoemd: elke

spelstand is het resultaat van een zet en wordt ook

weer veranderd door middel van een zet.

Een goed voorbeeld van een dergelijke spelstand is

een zogenaamde schaak- of dam-diagram, waarin is

aangegeven welke positie de stukken innemen, met de

·aanduiding: wit begint. Zou deze laatste aanduiding

ontbreken, dan zou het om twee geheel verschillende

opgaven gaan.

Daarnaast is het nog zinvol het begrip situatie te

onderscheiden. In dat geval gaat het om een spelstand,

doch nu zonder de benoeming van de maatschappelijke

dimensie. Het gaat dan uitsluitend om een

benoeming van de ruimtelijke dimensie: alleen de

fysieke aspekten komen daarbij aan de orde. De situatie

bestaat uit het bord plus het patroon van de

stukken. Bij een bordspel bestaat de situatie tenminste

uit een bord. In wezen gaat het om alle beslissingen,

die tot aan een bepaald moment ten aanzien

van de stukken genomen zijn. Een situatie betreft

altijd een opname van een specifiek moment

van het spel, zoals die door een kamera geregistreerd

zou kunnen worden.

7)

8)

9)

Het gehele verloop van het spel kan beschreven worden

door vanaf de be instand alle tussenstanden (s elstanden

te beschrijven. Bij belangrijke schaakpartijen

worden deze standen wel gepubliceerd en het is dan

mogelijk het gehele spel na te spelen.

Ter afronding van dit punt kunnen de volgende begrippen

omschreven worden:

spelstand: momentopname van het spel, waarbij wordt

aangegeven wie aan zet is.

situatie: het ruimtelijke deel van de spelstand op

een specifiek moment.

spelverloop: opeenvolging van spelstanden of opeenvolging

van zetten.

Er zijn nu 9 spelbegrippen ontwikkeld, waarmee het

mogelijk is spel, spelen en spelverloop formeel te

beschrijven. Deze begrippen zijn ontwikkeld aan de

hand van een bepaald type spel en wel een bordspel.

Worden deze begrippen toegepast op andere speltypen,

dan zullen waarschijnlijk zowel de namen van de

40


egrippen als de inhoud aangepast moeten worden.

Het is duidelijk dat het niet de bedoeling is van deze

studie een algemeen begrippenstelsel te ontwikkelen ten

behoeve van spelen. De begrippen zijn echter voldoende

algemeen om in de overdrachtelijke zin gebruikt te

kunnen worden bij het beschrijven van andere spelenen,

wat de bedoeling is, voor het beschrijven

van problemen van ruimtelijke ordening.

41


Hoofdstuk 3 -

Twee voorbeelden van ruimtelijk ordenen.

1. Bloemschikken.

In hoofdstuk I werden spelen en ruimtelijk ordenen

met elkaar vergeleken. Er werden overeenkomsten en

verschillen vastgesteld. De overeenkomsten bestonden

primair uit het gegeven, dat beiden een zekere verwevenheid

te zien geven van ruimtelijke en maatschappelijk

- kulturele aspekten, een verwevenheid, die

tot uitdrukking gebracht wordt in een proces. Bij

het spel is het doel een bestaand evenwicht te verstoren

en bij het proces van ruimtelijk ordenen gaat

het juist om het herstellen van het evenwicht.

~djn uitgangspunt was dat er een terminologie mogelijk

is, die op beide gebieden van toepassing is.

Er zal nu aangetoond moeten worden, dat het mogelijk

is het voor spelen ontwikkelde begrippenstelsel toe

te passen op een situatie van ruimtelijk ordenen.

Daartoe een voorbeeld: het schikken van bloemen in

een vaas. De verschillende aspekten, die hierbij

aan de orde komen, worden behandeld in de volgorde van

de spelbegrippen. Evenals het mogelijk is met behulp

van de begrippen een omschrijving te geven van een

spel te geven, moet nu duidelijk gemaakt worden, dat

met dezelfde begrippen ook een probleem van ruimtelijke

ordening omschreven kan worden.

1) Attributen: vaas en bloemen.

2) Spelers: degene, die de bloemen schikt.

3) Spelregels:

3. 1) Regels betreffende de relatie tussen de attributen:

deze regels zijn zeer triviaal1 zo is het mogelijk

te stellen, dat de bloemen met hun kop boven de rand

van de vaas uit moeten komen.

3. 2) Regels betreffende de relatie tussen de spelers:

deze regels zijn hier nauwelijks van toepassing.

In een bepaalde kultuur zou gesteld kunnen worden

dat bloemschikken .uitsluitend door vrouwen zou mogen

geschieden. In dat geval gaat het niet meer om het

type van relatie als wel om het doen van een keuze

uit een groep potentiele spelers.

3.3) Regels betreffende de relatie tussen de spelers en de

attributen.

Ook deze regel is hier nauwelijks te benoemen, doch

ook hier weer kan binnen een bepaald kultuurpatroon

42


taboes voorgeschreven worden welke spelers welke

bloemen al of niet mogen plaatsen.

3.4) Zet: het plaatsen van een bloem in de vaas.

3.5) speelregel: een veel gehoorde speelregel is: plaats

een oneven aantal bloemen.

3.6) Strategie: deze is afhankelijk van de bestemming van

het bloemstuk, bijvoorbeeld een bruiloft of een begrafenis;

op grond daarvan kan bijvoorbeeld een

kleurengamma worden vastgesteld: tinten rood of wit.

In elk geval is bij het opstellen van de strategie

een uitwerking in varianten mogelijk.

3.7) Spel-stand: een vaas met een aantal bloemen: het

aantal is afhankelijk van het moment, waarop de stand

gegeven wordt: in het begin zal alleen de vaas aanwezig

zijn, terwijl in de eindstand de vaas geheel gevuld

zal zijn met bloemen.

De maatschappelijke dimensie spelstand is konstant

voor elke stand; de bloemschikker·.

3.8) Situatie: hetzelfde als de spelstand, doch nu wordt

de bloemschikker buiten beschouwing gelaten.

3.9) Spelverloop: een film waarop alle spelstanden in

de Juiste volgorde zijn vastgelegd.

2. Globaal bestemmingsplan.

Dit voorbeeld bevindt zich aan de uiterste grens tot

waar deze studie zich uitstrekt. Het blijkt echter

mogelijk met behulp van de spel-begrippen dit specifieke

probleem van ruimtelijk ordenen op een adequate

wijze te beschrijven. Nadat aan de hand van de begrippen

1 tot en met 9 het plan is doorgelicht, zullen

enkele konklusies getrokken worden, die van belang

zijn voor het verdere verloop van deze studie.

1) Attributen. Het gaat bij het ontwikkelen van het plan

om een aantal beslissingen, die genomen moeten worden

ten aanzien van omvang en situering van woon- en voorzieningengebieden

met een differentiatie haar kategorieën

(bebouwingshoogte, wijze van financiering,

huurnivo}, het systeem van de ontsluiting, waterhuishouding,

groenvoorziening en civiel-technische

werken. Ook het aanwezige terrein moet tot de attributen

gerekend worden.

De attributen hebben het karakter van min of meer

autonome systemen, die op zich weinig beeldend van

karakter zijn. In de vorm van een toelichting worden

43


illustraties gegeven, die pogen aan dit bezwaar tegemoet

te komen.

2) Spelers. Dat zijn de deskundigen: stedebouwkundigen,

verkeersdeskundigen, social geografische onderzoekers,

civiel-technische deskundigen. Daarnaast Burgemeester

en Wethouders, de gemeenteraad met zijn kommissies en

de provinciale overheid.

Er zouden echter meer spelers moeten zijn: bewoners

of vertegenwoordigers daarvan: woningbouwverenigingen,

belangengroepen etc. Hun participatie wordt

vervangen door onderzoek. Het is nog de vraag in hoeverre

de gemeenteraad werkelijk als speler optreedt,

daar het hoge abstraktie nivo van de problematiek het

hen niet eenvoudig maakt werkelijk besluiten te nemen.

3) · Spelregels. Voordat hier verder op ingegaan kan worden,

moet eerst duidelijk zijn, dat de procedure van het

globale bestemmingsplan, zoals die vandaag gevolgd

wordt, in feite een vaststellingsprocedure is, en geen

besluitvormingsprocedure. In deze vaststellingsprocedure

worden tal van zaken geregeld, die vooral betrekking

hebben op de rechtszekerheid van de burgers.

Nadat een plan ontwikkeld is, is het mogelijk dat het

niet goedgekeurd wordt en dat het terug verwezen wordt

naar de plannenmakers. Dit is de enige manier voor

gemeenteraad en burgerij om invloed ·uit te oefenen op

het plan-resultaat. In deze studie gaat het niet om

de vaststellingsprocedure, doch om de besluitvormingsprocedure.

Die blijkt aanmerkelijk minder goed geregeld

te zijn.

3.1) Regels betreffende de relatie tussen de attributen;

deze kunnen niet onderscheiden worden, met uitzondering

van zeer triviale regels.

3.2) Regels betreffende de relatie tussen de spelers;

het gaat hier om de regels die gericht zijn op het

verkrijgen van overeenstemming tussen de spelers betreffende

de te nemen besluiten ofwel om de verdeling

van de macht.

Deze regels zijn er niet.

Doorgaans wordt de overeenkomst bereikt in een projektteam,

waarbij diegene wint, die de hardste argumenten

op tafel legt. Dat geldt voor ekonomische

argumenten, doch in het algemeen voor elk argument,

dat getalmatig tot uitdrukking gebracht kan worden.

Ook verkaarsdeskundigen blijken dikwijls in een vroeg

44


stadium met dergelijke harde argumenten voor de dag

te komen: dit knooppunt kan de Pinksterdrukte van

1980 niet meer verwerken, er moet dus ••• etc.

3.3) Regels betreffende de relatie tussen de spelers en

de attributen.

Deze regels zijn niet formeel vastgesteld, doch ze

hangen nauw samen met de betrokken vakgebieden. De

verkeersdeskundige houdt zich bezig met het verloop

en detaillering van wegen en straten, de civiel-technische

deskundige met riolering etc.

Er kunnen gemakkelijk problemen ontstaan in de overlapping

van de verschillende vakgebieden; het risiko

pestaat dat iedereen zijn eigen marges hanteert.

3.4) Zet: de kleinste zinvolle handeling is meteen het gehele

plan, zij het in schetsvorm dan wel meer gedetailleerd

uitgewerkt.

Binnen de besluitvormingsprocedure worden geen fasen

meer onderscheiden. Er wordt geen onderscheid gemaakt

tussen hoofdzaken en bijzaken. Er treedt tijdens de

procedure geen verandering op in het spelersbestand.

3.5) Speelregels. Het tekort aan spelregels wordt gekompenseerd

door de speelregels.

Ten aanzien van de attributen worden ervaringsgegevens

ingevoerd, bijvoorbeeld met betrekking tot grondgebruik.

Bekend is het boekje Grondkosten Woningbouw

(26), waarin voor verschillende bebouwingstypen

het kenmerkende grondgebruik is aangegeven.

Als gevolg hiervan wordt de stijl van de plannen sterk

beinvloed, in die zin dat ·eenvormigheid ontstaat.

Hoewel speelregels zeer doelmatig zijn voor het waarderen

en uitbuiten van ordeningssituaties, moeten ze

wel beschouwd worden als aanvulling op spelregels,

die juist tot doel hebben gelijke kansen te bieden

aan alle spelers.

45


3.6) Strat ie.

B e ontwikkeling van een globaal bestemmingsplan

kan de strategie betrekking hebben op twee aspekten;

namelijk de kwaliteiten, die in het plan gerealiseerd

moeten worden en de manier waarop men denkt dèze kwaliteiten

te bereiken. Er kunnen dus bij het ruimtelijk

ordenen twee strategieën onderscheiden worden: namelijk

een strategie die gericht is op het realiseren van

een bepaald ruimtelijk resultaat en een strategie, die

gericht is op het proces, waarmee dat resultaat bereikt

moet worden. De eerste vorm van strategie, de

ruimtelijke strategie, wordt ook wel aangeduid met de

term doelstelling. In dit punt wordt hierop nader

ingegaan. De tweede vorm van strategie, de processtrategie,

wordt behandeld in punt 9, procesverloop.

De strategie (doelstelling) is doorgaans zeer summier

en heeft alleen betrekking op aantallen woningen, gedifferentieerd

naar verschillende kategorieën.

Er worden praktisch nooit uitspraken gedaan ten

aanzien van de manier waarop dit uitgangspunt verder

uitgewerkt moet worden. Het plan wordt opgevat als

een implikatie van het gestelde programma en het gekozen

terrein.

3.7) Spel-stand.

Alleen de eindstand is van belang. Hiermee wordt het

plan gepresenteerd in de vorm van een kaart met daarbij

alle voorschriften betreffende de uitwerking van

het plan tot meer gedetailleerde plannen en de bevoegdheden

bij de uitwerking.

De kaart is doorgaans een lege kaart, waarop slechts

het hoognodige is vastgelegd om zoveel mogelijk vrijheid

te behouden voor de uitwerking. Het probleem is

echter, dat de kaart geen afbeelding verschaft van een

kwaliteit, die men voor het gebied wenselijk acht. In

het doorlezen van de voorschriften en de toelichting

wordt getracht het geheel aan beeldend vermogen op

verbale wijze te kompenseren. Evenals bij de attributen

het geval was, heeft het plan een hoog abstraktie

nivo en spreekt het niet tot de verbeelding van diegenen,

die het moe·ten vaststellen en die het moeten

uitwerken.

3.8) Situatie.

Dit is de spelstand, doch de maatschappelijke dimensie

is niet benoemd. Alleen wat vastligt in de vorm

van een kaart behoort tot de situatie.

46


3.9) Spelverloop.

Bij de behandeling van de spelen betrof het een

zuivere registratie van het spel. Ook bij het ontwikkelen

van het bestemmingsplan is het mogelijk de gang

van zaken filmisch vast te leggen. Er wordt echter

nu een andere inhoud toegekend aan het begrip spelverloop.

Het gaat hier om de strategie van het proces, die

ontwikkeld wordt om in hoofdzaken aan te geven langs welke

lijnen het plan uitgewerkt zal worden.

Het is niet mogelijk ·in de praktijk van vandaag vorm

te geven aan zo'n processtrategie; er wordt namelijk

maar êên zet gedaan. Eventueel zou een skandering in

voorlopig en definitief ontwerp, wanneer deze gepaard

gaat met een werkelijke specifikatie van het plan, nog

een inzet kunnen zijn van een processtrategie.

Alle aktiviteiten, die in dit vlak verricht zouden

kunnen worden, worden verlegd naar de vaststellingsprocedure,

waar door de aanwezigheid van een wettelijk

kader fantasie prikkelende mogelijkheden geboden

worden. In dat vlak is het mogelijk met procedures

te manipuleren om daarmee te komen tot een voor

het projekt zo doelmatig mogelijke afloop.

3. Voorlopige konklusies.

Het is mogelijk op basis van het laatste voorbeeld

enige vaststellingen te doen.

Er kan gekonkludeerd worden dat de spelbegrippen met

enige aanpassing ten aanzien van de strategie, een

adequaatbegrippenstelsel bieden, doch het is wel

gebleken dat lang niet alle begrippen op een bevredigende

wijze benoemd konden worden. Met name bij de

spelregels en de strategie leidde dit tot het idee,

dat daar in de besluitvormingsprocedure een vacuum

wordt aangetroffen.

Voor een deel is dit een gevolg van het domineren van

de vaststellingsprocedure en ten tweede is dit het

gevolg van het betrekkelijk hoge abstraktie nivo van

de attributen, waarmee gewerkt wordt, waardoor geen

duideli"k aanknoins unt evonden wordt voor het

definieren van s el- e

en waardoor

het formuleren van een

lijft steken in

een aantal harde uitspraken ten aanzien van aantallen.

Het is in dit stadium van de studie niet te bewijzen

dat als deze aspekten aangepakt worden er een wereld

van nieuwe mogelijkheden open gaat. Desalniettemin

wordt in deze zin een oplossing gezocht voor de onbe-

47


48

vredigende situatie. Gesteld wordt dat aanmerkelijke

verbeteringen aangebracht kunnen worden door het herformuleren

van de attributen in de vorm van een zinvolle

geleding van de ruimtelijke dimensie. De opbouw

van de ruimtelijke dimensie zal daarbij dusdanig

moeten zijn, dat elementen gedefinieerd kunnen

worden, die zowel het voorstellingsvermogen aanspreken

van diegene die er over moeten beslissen als wel

een operationeel vermogen hebben, waardoor de konsekwenties

ten aanzien van het ruimtelijke, het ekonomische

en het technologische vlak te overzien zijn.

Door in het volgende hoofdstuk spelen en ruimtelijk

ordenen nauwer op elkaar te betrekken, wordt

ook vanuit het spelen, als een aan het ruimtelijk

ordenen verwante aktiviteit, materiaal aangedragen

voor deze stelling.


Hoofdstuk 4 - Spel als voorbeeld.

0. Inleiding.

In hoofdstuk 1 werd het spel opgevat als een aktiviteit,

die parallelloopt aan het ontwerpen. Op grond

van die opvatting werden spel-begrippen ontwikkeld

en nader onder de loep genomen met de bedoeling ze

te gaan hanteren als begrippen van het ruimtelijk

ordenen. Bij de twee voorbeelden "bloemschikken" en

"globaal bestemmingsplan" bleek, dat het mogelijk was

de procesgang, waarmee een bloemstuk en een plan tot

stand komen, met behulp van deze begrippen te beschrijven,

zij het dan dat bepaalde begrippen bij de spelen

volwaardig benoemd worden, terwijl zij bij het

ruimtelijk ordenen praktisch onbenoemd bleven.

zo is het nagenoeg onmogelijk bij het ontwikkelen van

een plan spelregels en strategie te onderscheiden.

Hieruit zou gekonkludèerd kunnen worden dat het dus

niet juist is ruimtelijk ordenen en spelen met elkaar

te vergelijken; het is echter ook mogelijk hieruit

te konkluderen, dat er iets niet in orde is met de

manier waarop de ontwikkeling van een plan plaats

heeft. Het is mijn mening, dat dit laatste het geval

is en dat uit de opbouw van een spel en de manier

waarop het gespeeld wordt, lering getrokken moet worden

ten aanzien van het ruimtelijk ordenen. Het spel

wordt daarbij niet meer opgevat als een parallelle

aktiviteit, waaruit begrippen afgeleid kunnen worden

ten behoeve van het ruimtelijke ordenen, doch het

spelen wordt daarbij opgevat als een aktiviteit, die

korrespondeert met het ruimtelijk ordenen en praktisch

gesproken er mee samenvalt.

1. Spel en rite.

49


In hoofdstuk 1 werden spel en ruimtelijk ordenen ten

opzichte van elkaar geplaatst op basis van hun overeenkomsten

en verschillen. Als verschil werd aangegeven,

dat het spel het verbreken van een evenwicht

bewerkstelligt, terwijl het ruim telijk ordenen juist

het herstellen of het tot stand brengen van een evenwicht

beoogt. Dit gaf voor dat stadium van de studie

een bevredigende plaatsing van de beide aktiviteiten.

Het is nu echter noodzakelijk dieper in te gaan op de

overeenkomsten en de verschillen. Het blijkt dan dat

er speltypen te onderscheiden zijn, die veel overeenkomst

vertonen met ruimtelijk ordenen. Dit kan duidelijk

worden aan de hand van een zeer bepaalde spelvorm,

de rite, waarbij zoals bij het ruimtelijk ordenen

eveneens een evenwicht tot stand gebracht wordt.

Elke spelvorm wordt gekenmerkt door zeer bepaalde

spelregels, die een grote variatie in spelverloop

mogelijk maakt. Uit al die varianten kan men er eèn

kiezen. Die variant, een bizonder spel of rite, wordt

gekozen omdat deze in staat wordt geacht een evenwicht

tot stand te brengen tussen twee partijen.

Een goed voorbeeld van een dergelijk spel als rite

is het voetbalspel, zoals dat op Nieuw-Guinea wer~

waargenomen. Er werden zoveel dagen achtereen voetbalwedstrijden

gespeeld,. tot beide partijen evenveel

wedstrijden verloren hadden. Het voetbalspel had daar niet

tot funktie een evenwicht te verbreken, integendeel,

de voetballers getroostten zich veel moeite om op

een gelijke stand uit te komen. Van alle mogelijke

voetbalspelen is dat spel uitverkoren, dat gelijkheid

tot eindresultaat heeft. Het voetbalspel is in

dat geval geproirammeerd en wordt daarmee een rite.

Een rite wordtgespeeld 11 als een evenwicht verbroken

is; bijvoorbeeld door een sterfgeval: door middel

van de rite wordt getracht het evenwicht te herstellen.

Een goed voorbeeld hiervan is een rite van de Fox­

Indianen.

50


"Wanneer ze een balspel spelen, gebeurt het volgende:

als de man (de overledene), voor wie de adoptie-rite

gehouden wordt, een Tokana is, winnen de Tokanagi de

partij. De Kickoagi kunnen niet winnen. Maar als het

feest plaats vindt voor een Kicko-vrouw, dan winnen

de Kickoagi en kunnen de Tokanagi niet winnen".

De afloop van het spel staat dus bij voorbaat vast.

Beide voorbeelden zijn ontleend aan .Lévi Strauss

( 14 l: "Het wilde denken" en wel het hoofdstuk "De wetenschap

van het konkrete" (14, pag. 46 en 47)

In een vergelijking tussen spel en rite komt hij tot

de volgende slotsom:

"Bij het spel is de symmetrie van tevoren bepaald; ze

is bovendien struktureel, omdat ze voortvloeit uit het

principe dat de regels voor beide kanten hetzelfde

zijn.

De a-symmetrie wordt echter gekreëerd en vloeit onvermijdelijk

voort uit de toevalligheid van de gebeurtenissen,

die zelf weer van bedoeling, toeval of talent

afhankelijk zijn. Bij het ritueel is het net omgekeerd.

Er wordt een a-symmetrie gesteld, die van tevoren

is uitgedacht, een a-symmetrie tussen profaan en

sakraal, gelovige en priester, dode en levende, ingewijde

en niet-ingewijde, enz. en het "spel" bestaat

erin, alle deelnemers over te laten gaan naar de zijde

van de winnende partij door middel van gebeurtenissen,

waarvan de aard en de ordening struktureel zijn" (1.4,

p. 48).

Hoewel in deze beschouwing juist het verschil tussen

spel en rite benadrukt wordt, moet toch vastgesteld

worden, dat een rite een bepaalde vorm van spel is,

waarbij alle regels gehanteerd worden, die het spel

eigen zijn: het zal voor een buitenstaander niet duidélijk

zijn of het om een spel dan wel om een rite

gaat. Het is noodzakelijk tot de ingewijden te behoren

om het spel als rite te beleven.

Het voorbeeld is dan om twee .redenen van belang.

Op de eerste plaats wordt hier een spelvorm geintroduceerd,

die aangeeft, dat de overeenkomsten tussen

spelen en ruimtelijk ordenen groter is dan aanvankelijk

verondersteld werd; en op de tweede plaats wordt

hierin door het gebruik van de termen struktuur en

gebeurtenissen, een woordgebruik geintroduceerd, waarmee

het mogelijkblijkt essentiele uitspraken te doen

ten aanzien van het spel en naar verwacht mag worden

51


ook ten aanzien van het ruimtelijk ordenen. Op dit

laatste aspekt wordt in deel II, Struktuur en Element,

verder ingegaan.

2. Spel en kultuur.

Hoewel ik er van uit ga, dat in het voorgaande minstens

plausibel gemaakt werd, dat ruimtelijk ordenen en spelen

onder bepaalde voorwaarden met elkaar kunnen koz:responderen,

is het toch noodzakelijk dieper op de relatie

spel - ruimtelijk ordenen in te gaan. Hierbij baseer ik

mij vooral op een beschouwing ten aanzien van spelen

door Kwee Swan .Liat in zijn boek "Dé mens tussen mythe

en machine".

Hij onderscheidt in zijn boek twee soorten spelen:

het ludieke spel en het agonale spel, die elk een

duidelijke karakteristiek bezitten. Uitgangspunt van

zijn beschouwing is de ethologie, ofwel de studie

van het dierlijke gedrag. "Het ludieke spel vervult

een funktie bij het ontwikkelen van vermogens, die

voor het volwassen individu van levensbelang zijn in

de strijd en konkurrentie met andere soorten. Het a­

gonale spel ontwikkelt zich juist als sociaal spel

in de onderlinge betrekkingen tussen leden van dezelfde

soort; het heeft een duidelijk wedstrijd-karakter,

het is tegelijk kompetitief en koöperatief. ·

De agonale fase volgt op de ludieke fase, hoewel het

ludieke element nooit helemaal verloren gaat en beiden

als het goedgaat in het volwassen individu kunnen samenwerken."

(13, pag. 81).

Bij het ludieke spel "herneemt de mens de wereld".

"Dat hernemen staat dan in de trits van vernemen, ·

waarnemen, hernemen. Bij het vernemen worden prikkels

van buiten af opgenomen en verwerkt, onmiddelijk vertaald

in reaktie ,patronen. Bij het waarnemen is de rol

van het subjekt aktiever: het subjekt gaat van zich

zelf uit naar de wereld, onderzoekt en ondervraagt de

wereld. Bij het hernemen stelt het subjekt zich niet

tevreden met de wereld, zoals die zich voordoet: het

herschept de wereld, vereenvoudigt die, perkt een kader

af waarbinnen vastgestelde regels gelden. Het is vooral

de symbolische taal die dit onderscheiden van elementen

en kategorieën, hanteren van regels, herscheppen

van de wereld mogelijk maakt" {13, pag. 74, 75).

Dit hernemen geschiedt als spel, als ludiek spel, en

52


door dat spel wordt toegang verkregen tot de kultuur,

'~ij het dan in een volstrekt door de kultuur

bepaalde vorm"· (13, pag. 76).

~ij het ludieke spel gaat het om de overlevingskansen

van het individu, het agonale spel heeft biologisch

een funktie ten dienste van de overlevingskansen

van de soort: door de krachtmeting worden de

sterkste eksemplaren bevoorrecht en krijgen zij de

beste kansen op het verwekken van een nageslacht.

De sterkste mannetjes verwerven of behouden bovendien

de leidende rol in de sociale groep en de hi~rarchische

rangorde is gunstig voor de kollektieve

verdediging"· (13, pag. 82).

Kultuur, stelt Kwee, is een voortzetting van het ludieke

en agonale spel beide, in een niet te scheiden,

maar wel te onderscheiden samenhang (13. pag. 82).

!-iet deze stellingname bouwt Kwee voort op een onderscheid

tussen deze twee termen, dat reeds door Johan

Huizinga in zijn boek Homo ludens werd ingevoerd.

In hoofdstuk 2 werd al onderscheid gemaakt tussen

spelregels en speelregels. Spelregels zijn konstituatief,

speelregels zijn meer kommunikatief.

Spelregels worden zodanig geformuleerd, dat ze eenvoud

paren aan varianten, waarbij alle partijen gelijke

kansen hebben.

Speelregels zijn meestal niet eenvoudig te formuleren;

het gaat dan niet om het leren van het spel,

maar om het leren van het spelen (13, pag. 83).

Bij het ludieke spel staan de spelregels op

het tweede plan. !-1en kan zelfs zeggen, dat het

fantasievol aftasten van de wereld leidt tot een ontdekking

van die spelregels. Anders is het gesteld bij

het agonale spel; daar worden de spelregels juist

heel nauwkeurig in acht genomen (13, pag. 83).

"In het ludieke spel herneemt de mens zijn wereld,

kreëert hij nieuwe werelden met zo gelijk mogelijke

kansen; uit een innerlijk besef van normen en waarden

kreëert hij een wereld zoals die volgens hem behoort

te zijn. Binnen die hernomen wereld speelt de mens

vervolgens vol overgave en hartstocht. Hij komt in de

ban van zijn zelf geschapen wereld, zijn kultuur. Maar

die kultuur is niet in de eerste plaats ludiek, maar

agonaal. Zodra het spel tot stand is gebracht, worden

de spelregels angstvallig bewaakt" (13, pag. 86).

53


Uit deze beschouwing ten aanzien van spel en kultuur

wordt aan het spel een geheel andere dimensie

toegekend dan in de eerste drie hoofdstukken van

dit deel.Het spel is de oorsprong van de kultuur,

"Kultuur" kanopgevat worden als een vorm van bemiddeling,

een tussensysteem van middelen en media,

waarmee de mens de wereld begrijpt en op de wereld

ingrijpt (13, pag. 188).

Het tussensysteem wordt geformuleerd in een symbolische

taal, in de vorm van een vereenvoudigd model,

dat een strukturele voorordening van de werkelijkheid

inhoudt, uit elementen en kategorieën van elementen.

Binnen dat kultureel kader kunnen op basis van deze

voorordening weer nieuwe spelregels opgesteld worden,

die het mogelijk maken al spelend weer andere

ordeningen aan te brengen in de werkelijkheid.

3. Spel en ruimtelijk ordenen.

Elke fase van een kultuurontwikkeling zal gekenmerkt

worden door bepaalde opvattingen ten aanzien van

de relaties tussen de mens en zijn ruimtelijke omgeving.

In deze omgeving wordt tot uiting gebracht

op welke manier individu en gemeenschap zich ten opzichte

van elkaar verhouden, door de manier waarop zij

gehuisvest zijn, doch tevens door de manier waarop deze

huisvesting tot stand komt en in stand gehouden

wordt. In deze omgeving komt tevens tot uiting welke

normen en waarden daarbij gehanteerd worden. Vanuit

deze normen en waarden moet het mogelijk zijn te

komen tot een ruimtelijke ordening, terwijl het omgekeerd

mogelijk is aan de hand van ruimtelijke verschijnselen

uit een verleden een beeld te vormen van

het maatschappijbeeld, van de normen en waarden, kortom

van de kultuur van het volk dat deze verschijnselen

tot stand heeft gebracht.

Het spel leidt tot een ordening in elementen en kategorieën

van elementen en gaat daarbij uit van de

specifieke voorordening van een kultuur. Alleen dan

is het mogelijk spe·lregels te formuleren, die relaties

leggen tussen de elementen en kategorieën van het

"tussensysteem" en de spelers. Als een kultuur zijn

oorsprong vindt in het spel o~ basis van een voor

het spel noodzakelijke vooror ening, dan is het zinvol

om te veronderstellen, dat ook de ruimtelijke

ordening als een van de exponenten van de kultuur

54


Bij hèt spel heeft de mens te rnaken met de gedeeltelijke

voorgeordende werkelijkheid, waardoor de speler in

interaktie met de spelattributen en met medespelers

(tegenspelers) allerlei voldoening schenkende, behoefte

vervullende mogelijkheden krijgt, die berusten op

de zinvolle struktuur van de voorordening.

Die spelen zijn het meest in trek, die met eenvoudige,

struktureel doordachte spelregels gelijke beginkansen

aranderen en een boeiende veelheid van s eelrno elijkeden

varianten, strate ·

s uit te zoeken

en uit te buiten met

Bij het ruimtelijk ordenen heeft .de mens eveneens te

rnaken met een voorordening van de ruimtelijke werkelijkheid.

Wanneer het gaat om de woning, krijgen de bewoners

daardoor de gelegenheid in interaktie met woonattributen

en met medebewoners allerlei voldoening schenkende

behoeftes te vervullen, bezigheden te verrichten,

die juist berusten op die voorordening.

Die bouwvormen zijn het meest in trek, die met betrekkelijk

eenvoudige, maar struktureel verantwoorde

dragers (voor-ordening) de woonkansen zoveel mogelijk

elijk en evenwichti rnaken en tevens een ri'ke en

boeiende veelheid van variaties inbouwrnogelijkheden)

open laten. Ook voor het uitwerken en uitbuiten van

die woon- en inbouwmogelijkheden moeten naast de

spelregels voor de dragers verantwoorde speelregels

worden gegeven.

Op deze wijze ontstaat dan een duidelijke symmetrie

tussen spelontwerp en speelmogelijkheden enerzijds

en bouwontwerp en woonmogelijkheden anderzijds.

55


Een drager wordt door de SAR gedefinieerd als een

algemeen bouwwerk, bestemd voor wonen, doch dat nog

met behulp van inbouwelementen door de bewoners

voltooid moet worden tot een woning. Een drager is

een stuk voor-geordende bouwkundige werkelijkheid.

Deze drager is een ruimtelijke situatie, die weer

deel uit maakt van een meer omvattende ruimtelijke

situatie.

Een drager wordt zichtbaar op een bepaald moment van

het proces; dit is een deelsituatie in een meer omvattende

situatie. Er zijn dan reeds tal van, met name

stedebouwkundige, beslissingen genomen. Indeloop

van deze studie worden al deze beslissingen genomen

binnen het kader van een ruimte-stelsel. Dit stelsel

is op zich weer een voor-ordening, die op kultuurgebonden

wijze een aanknopingspunt biedt voor spelregels,

die varianten opleveren.

De opbouw van dit stelsel vormt de inhoud van deel

III, Stelsel, terwijl in deel IV, Proces, duidelijk

gemaakt zal worden op welke wijze dit stelsel als

uitgangspunt kan dienen voor het opstellen van spelregels

in het ontwerp van een procedure.

Daarvoor is echter noodzakelijk eerst in deel II

aandacht te besteden aan het begrip struktuur. Alleen

daardoor is het mogelijk beeld en begrip te

krijgen van de opbouw van het stelsel als een voorordening

van de ruimtelijke dimensie als geheel en

de plaats van bijvoorbeeld een drager als een voorordening

van een ruimtelijke deel-situatie.

56


Deel II -

Struktuur en elementen.

0. Inleiding.

Het doel van de studie is het ontwikkelen van een aantal

begrippen, waarmee het mogelijk is een beschrijving

te geven van het proces van ruimtelijk ordenen.

Bovendien wordt een ruimtelijk model ontwikkeld, dat

als kader kan fungeren voor de vormgeving van een

dergelijk proces. Dit ruimte-model of ruimte-stelsel

dient als een voor-ordening van de ruimtelijke

dimensie; op grond van deze voor-ordening kunnen

spelregels ontwikkeld worden, die het mogelijk maken

het ruimtelijk ordenen als een bizonder spel op te

vatte-n.

Het ruimte-stelsel is een stelsel met strukturele

eigenschappen. Dit houdt in, dat het enerzijds een

ordening inhoudt, die reeds kwaliteiten bezit, dat

wil zeggen representatief is voor bepaalde normen en

waarden, zoals die gedefinieerd kunnen worden binnen

een stelsel van betekenissen, eigen aan een bepaalde

kultuur, terwijl dit stelsel op grond van regels uitgewerkt

kan worden tot varianten.

De eerste twee hoofdstukken van dit deel waren gewijd

aan een uitwerking van het begrip struktuur, dat

als sleutel-begrip fungeert bij de definiering van het

ruimtelijk stelsel.

In hoofdstuk 1 wordt een beschouwing gegeven van het

begrip struktuur, zoals het door de Franse Strukturalisten

gehanteerd wordt. Hierbij wordt in paragraaf

1, Thema, aan de hand van artikelen van Lêvi Strauss

het begrip struktuur gedefinieerd als het gemeenschappelijke

van varianten.

In paragraaf 2 wordt aan de hand van het boek van

Michel Foucault "De woorden en de dingen" het struktuurbegrip

verder uitgediept. Het begrip struktuur kan

dan aan de hand van een geleding van de menswetenschappen

gedefinieerd worden in termen van normen,

regels en stelsels.

In hoofdstuk 2 wordt duidelijk gemaakt, dat het struktuurbegrip

niet alleen een begrip is dat een plaats

heeft in de sfeer van het onbewuste, zoals het gehanteerd

wordt door de Franse Strukturalisten, doch dat

het tevens een begrip is, dat een operationele waarde

57


heeft. In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan

instrukties met strukturele eigenschappen (de Indische

Wettten), aan situaties met strukturele eigenschappen:

de dragers, volgens Habraken van de SAR.

Het begrip struktuur is een basisbegrip bij de definiering

van het ruimte-stelsel. Voordat hierop nader

ingegaan kan worden, is het nog noodzakelijk de bouwstenen

van het ruimte-stelsel: de ruimtelijke elementen,

nader onder de loep te nemen.

Dit gebeurt in hoofdstuk 3 van dit deel. Als dan

zowel de begrippen struktuur en element gedefinieerd

zijn, is al het materiaal aanwezig om in deel lil,

Stelsels, de opbouw van het ruimte-stelsel te behandelen.

58


Hoofdstuk I -

Struktuur volgens het Strukturalisme.

Par. 1 -

Thema.

Het is zeker niet de bedoeling de theorieën van het Strukturalisme

op hun waarde te toetsen en ze te plaatsen ten

aanzien van andere theorieën.

Er wordt volstaan met de vaststelling, dat er een methode

van wetenschappelijk onderzoek bestaat, die aangeduid wordt

met de term "Strukturalisme" en die bij het verklaren en

het karakteriseren van de aard van de verschijnselen gebruik

maakt van het begrip struktuur.

Als de geestelijke vader van het Franse Strukturalisme

wordt algemeen de etnograaf-filosoof Lévi Strauss gezien.

Belangrijk zijn vooral -en -antal lezingen of artikelen

uit de jaren 1945 tot 1955.

Voor de studie van de lezingen en artikelen wordt gebruik

gemaakt van het boek van Gunther Schiwy: Der Französiche

Strukturalismus. Hierin zijn, naast algemene beschouwingen

in de vorm van resumés, de belangrijkste teksten opgenomen

van alle Franse Strukturalisten. Ik heb drie artikelen

uitgelezen, die mij van belang leken bij de omschrijving

van het begrip struktuur.

1. Struktuur en gebeurtenissen (23, pag. 115 t/m 118).

Het eerste artikel stamt uit 1945 en verscheen in het

Amerikaanse linguistische tijdschrift "Word".

L~vi Strauss konstateert hierin, dat de taalwetenschappen

en met name de fonologie,geweldige vorderingen

heeft gemaakt en eigenlijk als enige mens-wetenschap

zijn onderwerp volledig beheerst; dat het mogelijk

moet zijn de werkwijze van de fonologie ingang

te doen vinden in de etnografie.

Hij haalt in het artikel de uitgangspunten .aan van

de fonologische methode, zoals die door N. Trubetzkoj

zijn geformuleerd. Deze stelt dat de fonologie haar

studieterrein verlegt van "bewuste" taalverschijnselen

naar de "onbewuste" infrastruktuur,

dat het niet gaat om de bestudering van de taal-"uitdrukkingen"

als onafhankelijke eenheden, doch

dat het gaat om de "relaties" tussen de uitdrukking,

zij (de fonologie) voert het begrip "stelsel" in,

waarbij het er haar niet om gaat vast te stellen dat

de. fenomenen elementen van het stelsel zijn, doch om

deze stelsels te "tonen".

59


en tenslotte wil zij komen tot de vaststelling van

"algemene wetten". Tot zover Trubetzkoj.

In deze uitgangspunten tekent zich reeds de kontoer

af van het struktuurbegrip: het onbewuste en absolute

karakter (algemene wetten) en de inhoud, die gevormd

wordt door relaties tussen elementen, die deel

uitmaken van een stelsel.

Lêvi Strauss (L.S.) stelt, dat deze uitgangspunten

eveneens voor de etnograaf geldig zijn, waarbij ·het

"fonologische systeem" ingewisseld kan worden voor

"verwantschapssystemen".

"De verwantschapsverschijnselen zijn in een andere

orde van de werkelijkheid verschijnselen van hetzelfde

type als de taalkundige" (23, pag. 117).

Het begrip struktuur heeft het in zich niet alleen binnen

een bepaalde wetenschap tot diepere inzichten te

komen, doch bovendien is het in staat een brug te

slaan tussen de wetenschappen.

In hetzelfde artikel stelt hij de begrippen "diachronie"

en "synchronie" tegenover elkaar, ofwel "het

opeenvolgende", de geschiedenis, de gebeurtenis, het

toeval, tegenover "het gelijktijdige", de struktuur,

de noodzaak.

Hij vraagt zich daarbij af, hoe het mogelijk is dat

men vanuit het opeenvolgende onderzoek, gebaseerd op

het toeval van de geschiedenis, dat uitsluitend diskontinuiteiten

aan het licht brengt, de gelijktijdige

eenheid van met regelmaat en in harmonie funktionerende

verwantschapssystemen denkt te kunnen verklaren.

Bij elk onderzoek dienen struktuur en gebeurtenis

duidelijk van elkaar gescheiden te worden. Struktuur

en gebeurtenis worden door de strukturalistische onderzoekers

als een tegenstellingenpaar gehanteerd.

Via de gebeurtenissen is het mogelijk inzicht te verkrijgen

in de struktuur van de verschijnselen.

2. Struktuur en integratie.

Het tweede artikel is oorspronkelijk een lezing voor

de Wenner-Gren Foundation: International Symposium

on Anthropology in 1952, New York (23, pag. 131 t/m

133) •

De titel van de voordracht was "Social Structure".

De inzet van het betoog is de eenheid van de wetenschappen

en de noodzaak te komen tot een zelfde type

van formaliseren. L.S. ziet hiertoe mogelijkheden in

de toepassing van struktureel onderzoek.

60


In het tweede deel van Zl.Jn betoog stelt hij de orde

van gebeurtenissen ( de "beleefde" orde) tegerover de

orde van de struktuur (de "gedachte" orde), waarbij

men zich er rekenschap van moet geven dat de orde van

de gebeurtenissen een orde van de struktuur voor-onderstelt,

"wil men niet slechts de gebeurtenissen begrijen,

maar ook de aard en de wijze waaro elke maatscha

J robeert ze alle in een eordend eheel te

egreren" (23, pag. 133).

Ook hier weer stelt. hij dat de orde van de struktuur

slechts geanalyseerd kan worden aan de hand van Zl.Jn

uitwerking in de orde van gebeurtenissen. De orde

van de struktuur is het gebied van de mythe, de religie,

of de politieke doktrine. Een ander aspekt dat

hierbij aan de orde komt, is de rol die het struktuurbegrip

kan vervullen bij op integratie gerichte processen.

3. Struktuur en varianten.

Het derde artikel werd in 1955 gepubliceerd in

Journal of American Folklore (23, pag. 133 t/m 143)

Het stuk is getiteld: "De struktuur van de mythe".

Uitgangspunt in dit artikel is dat de mythe niet

zonder meer een verhaal is, dat in estetisch opzicht

ontroering teweeg kan brengen, doch dat de mythe een

betekenis heeft. De betekenis ligt niet zozeer in

het verhaal alswel in de struktuur van de mythe.

Deze instelling is verwant aan het uitgangspunt

van Schliemann, die er van uit ging dat de

Ilias een epos was, dat werkelijk gebeurd was, waardoor

hij na een serieuze bestudering, de precieze

plaats van Trojè wist te vinden.

Het belang van dit artikel is, dat wordt beschreven

op welke wijze de struktuur van een mythe wordt blootgelegd.

Eerder nog dan uit de theoretische beschouwingen

van het voorafgaande, blijkt hieruit wat L.S.

onder struktuur verstaat. Het betoog start met het

vermelden van een misverstand, dat vroeger in de taalwetenschap

bestond, namelijk het misverstand, dat bepaalde

klankgroepen in elke taal overeenkomen met

een bepaalde betekenis-inhoud. Een soortgelijk misverstand

bestond tot voor kort ook ten aanzien van de

mythe.

Evenals de problemen in de taalwetenschap opgelost

zijn door te ontdekken, dat de "betekenisfunktie van

de taal niet direkt aan de klanken zelf verbonden is,

maar aan de aard en wijze, waarop de klanken met el-

61


kaar gekombineerd worden" (23, pag.135), kan langs

analoge weg het probleem van de mythe opgelost worden.

De vergelijking met de taal is niet geheel toevallig:

de mythe maakt deel uit van de taal (de gebeurtenissen

worden "verteld"). En tegelijk belicht de mythe

ook een hoger nivo van de taal. Dit is niet vreemd

voor de taal, daar hierin al twee nivo's onderscheiden

worden, namelijk het strukturele nivo ( taal) en

en het nivo van de gebeurtenissen (gesproken woord).

Beide nivo's worden van elkaar onderscheiden in termen

van tijd: het strukturele nivo is gelijktijdig

van aard, het nivo van de gebeurtenissen is opeenvolgend

van aard. Gesteld wordt dat de wereld van de

mythe zich op een derde nivo bevindt, dat beide vorige

nivo's omvat en eveneens in termen van tijd gedefinieerd

wordt en dus zowel gelijktijdig als opeenvolgend

van karakter is.

Evenals elk taal-beeld bestaat uit elementen, bestaat

ook de mythe uit elementen, doch op grond van

het hogere nivo van de mythe zijn deze elementen meer

kamplex van aard. De elementen bij de taal zijn (in

toenemende mate van komplexiteit) fonemen, morfemen

en semantemen.

De elementen van de mythe worden gevormd door zogenaamde

mythemen, elementen die weer komplexer zijn

dan de semantemen. De mythemen kunnen onderscheiden

worden van de andere elementen, doordat deze zich niet

op het nivo van het woord, maar op het nivo van de

zin bevinden: in elke mytheroe worden relaties vastgelegd

(tussen personen, tussen personen en plaatsen

etc) • Gesteld wordt dat de mytheroe als element van

de mythe zich onderscheidt van andere elementen, doordat

het niet om een enkele relatie gaat, doch om een

"bundel" van relaties. De mythe krijgt haar betekenis

door een kombinatie van dergelijke relatiebundels.

Deze relaties van een bundel moeten, gezien het nivo

van de mythe, (gekenmerkt door gelijktijdigheid en

opeenvolging) op twee manieren te rangschikken zijn.

Opeenvolgend in de volgorde van het verhaal, doch

dan moet men rekening houden met de mogelijkheid dat

ze met tussenpozen voorkomen en gelijktijdig doordat

ze onder een gemeenschappelijke noemer gebracht

kunnen worden, die als kenmerk Voor een relatiebundel

fungeert. De opbouw van de mythe kan het beste vergeleken

worden worden met de opbouw van een orkestpartituur.

In een kolom zijn alle klanken genoteerd,

die gelijktijdig ten gehore gebracht worden en de

62


egels geven het verloop in de tijd aan ofwel de opeenvolging.

Deze vergelijking met de muziek kwam L.S. zo treffend

voor, dat hij alle hoofdstukken van zijn "Mythologiques"

aanduidt als "thema en variatie", "sonate van

de wellevendheid" etc.

De mythe wordt verteld als een verhaal en manifesteert

zich dus op het nivo van de gebeurtenissen. De gelijktijdigheid,

de struktuur, moet ontdekt worden.

Als voorbeeld noemt L.S. de Oidipoes-mythe.

De analyse van de mythe geeft 4 kolommen, dus 4 relatiebundels

te zien, die elk een eigen kenmerk bezitten.

In de eerste groep: " de overgewaardeerde verwantschapsbetrekkingen",

bevat relaties als Oidipoes

trouwt Jokaste, zijn moeder en Antigene begraaft Polyneikos,

haar broer en overtreedt het verbod.

De tweede groep, "de ondergewaardeerde verwantschapsbetrekkingen",

bevat relaties als: Oidipoes verslaat

zijn vader Laios, Eteokles doodt zijn broer Polyneikos.

De derde groep, "de ontkenning van de autochtonie"

(het uit de aarde geboren zijn van de mens) , bevat

relaties als: Kadmos doodt de draak, Oidipoes brengt

de sfinx om (beide monsters belemmerden de opgang van

de mens).

De vierde groep, "de bestendigheid van de autochtonie"

bevat de relaties in de vorm van eigennamen als: Labdakos

en Oidipoes, die respektievelijk hinkend en gezwollen

voet betekenen. (Beide namen duiden een belemmering

aan ten aanzien van het rechtop gaan van de

mens)

De vier kenmerken zijn de elementen van de mythe, die

opgebouwd zijn uit relaties. ·"De overwaardering van

de bloedverwantschappen verhouden zich tot haar onderwaardering

zoals de moeite aan de autochtonie te ontkomen

zich verhoudt tot de onmogelijkheid dit te bereiken".

In deze relatie schuilt de feitelijke betekenis

van de mythe. Door het begrip autochtonie ruimer

te interpreteren, kan het probleem ook gesteld worden

in termen van "geboren uit een, of geboren uit twee".

In deze vorm toont de mythe in zijn essentie verwantschap

met het Oidipoeskomplex, zoals het door Freud is

beschreven. Van de Oidipoesmythe zijn tal van varianten

bekend, doch al deze varianten kunnen terug gebracht

worden tot hetzelfde aantal elementen: alleen

het aantal relaties per kolom kan nog varieren. De

betekenisinhoud van de mythe ondergaat hierdoor geen

verandering: er komen geen nieuwe elementen bij. Het

63


is evenwel echter wel noodzakelijk zoveel mogelijk

varianten te onderzoeken, omdat daardoor pas duidelijk

wordt of werkelijk alle wezenlijke elementen onderscheiden

zijn, waardoor de grootst mogelijke zekerheid ten

aanzien van de betekenis van de mythe verkregen kan

worden. L.S. definieert de mytheals het totaal van

zijn varianten.

Tot zover Lévi Strauss.

4. Struktuur: het gemeenschappelijke van varianten.

Waar het gaat om de betekenis van de mythe, gaat

het echter niet om het totaal, doch om het "gemeenschappelijke"

van de varianten. Wat zij namelijk gemeenschappelijk

hebben, blijkt konstant te zijn,

namelijk de elementen ofwel de relatiebundels. Deze

konstante faktoren herbergen de betekenis van de mythe.

Dit is de "struktuur" van de mythe. Hiermee zijn we

gekomen bij de kern van het begrip struktuur.

Het begrip struktuur definieer ik als het gemeenschappelijke

van varianten.

De struktuur heeft ten aanzien van de varianten een

eigen betekenis, die op een eigen nivo ligt; de struktuur

heeft een betekenis, die in de meest kompakte

vorm een boodschap, een gedragsregel, bevat, voor de

mensen van een bepaalde kultuur en deze zou zelfs beschouwd

kunnen worden als een determinant van die kultuur.

De struktuur verklaart waarom ogenschijnlijk sterk verschillende

gebeurtenissen (varianten) toch niet met

elkaar in konflikt geraken.

De struktuur is in staat varianten te genereren, de

struktuur fungeert daarbij als een thema, waarop gevarieerd

kan worden. Door de variaties wordt het thema

herkenbaar.

5. Een voorbeeld.

Er is veel over gediskussieerd of het Strukturalisme

een mode, een methode dan wel een ideologie zou zijn.

Het is hier niet van belang ten aanzien van de mogelijke

zienswijzen een standpunt in te nemen. Er kàn

volstaan worden met de vaststelling, dat het Strukturalisme

een bepaalde kijk op de verschijnselen om ons

heen heeft geintroduceerd, waardoor deze ineens in een

heel ander perspektief gezien worden; het is het besef,

dat er achter de verschijnselen (varianten) een

64


samenhang aanwezig is, die het mogelijk maakt op het

oog zeer uiteenlopende verschijnselen ten opzichte

van elkaar te plaatsen.

Nemen we als voorbeeld de architektuurgeschiedenis.

Deze geschiedenis beperkt zich er toe in een chronologische

volgorde de verschillende bouwstijlen te beschrijven.

Een ieder kent wel de belangrijkste kenmerken

van de verschillende stijlen. Romaanse bouwstijl

met ronde bogen, dikke muren, kleine raamopeningen

en over het algemeen een gedrongen bouwmassa.

Gothische bouwstijl met spitsbogen, opengewerkte

muren en een naar hoogte strevende architektuur. Aangenomen

mag worden, dat elke bouwstijl in de tijd,

waarin deze toegepast werd, afgestemd was op een stelsel

van normen en waarden. De vraag doet zich dan

voor, waarom in de lle eeuw een Romaanse bouwstijl

ontstond en in de 12e eenw een Gothische bouwstijl.

Beide stijlen verkeerden in een evenwicht met hun omgeving,

doch kennelijk was er een aanleiding om in het

begin van de 12e eeuw over te gaan op een andere bouwstijl.

Een dergelijke vraag kan niet beantwoord worden

door het bestuderen van de verschijnselen zelf.

Deze geven ons eindeloze hoeveelheden details, die

het onderzoek alleen maar bemoeilijken. Het heeft

geen zin het onderzoek te verbreden; het onderzoek

moet verdiept worden: vanuit een inzicht in het

wezen van de bouwstijl en tegelijk vanuit een inzicht

in het wezen van het doen, denken en weten

van de mens uit die tijd, wordt he.t mogelijk een

brug te slaan tussen verschillende uitingsvormen en

is het mogelijk de essentie daarvan vast te leggen.

Vanuit deze essentie kunnen de verschillende ontwikkelingen

en uitwerkingen verklaard worden.

In het boek "Metabletica van de materie" van J .H. van

den Berg (5) is een voorbeeld gegeven van een dergelijke

benadering. Het boek beoogt een visie te geven

op de relatie tussen mensen en materie en de ontwikkeling

van deze relatie in de tijd. Als illustratie

van deze relatie geeft hij voorbeelden uit de wereld

van de architektuur.

Zijn benadering van het onderwerp geeft niet

alleen een verklaring voor de verschijningsvorm van

de architektuur ten tijde van de 12e en 13e eeuw, doch

ev~neens van andere vormen als kleding, muziek etc.

Deze kunnen als even zoveel varianten van de .nu blootgelegde

struktuur beschouwd worden. De overgang van

de ene stijlperiode naar de andere, die zoals bleek

65


wordt gesignaleerd op het vlak van de verschijnselen,

is een verandering, die alle verschijnselen uit die

periode met elkaar gemeen hebben, waarvan het in wezen

een strukturele verandering is. Deze karakteristiek

van de nieuwe, veranderde struktuur verklaart daarna

weer de verschijnselen en niet alleen die, waarvan de

struktuur afgeleid werd.

Hiermee is nog niet gezegd dat vanden Berg een Strukturalist

is. Hij gebruikt alleen een methode, die

met methoden van andere onderzoekers, bijvoorbeeld op

het terrein van de etnografie en de fonologie, gemeen

heeft, dat onderscheid gemaakt wordt tussen de wereld

van de verschijnselen en de wereld van de struktuur.

Het woord struktuur komt in dit werk niet voor, doch

de uitdrukking "beginsel van de gelijktijdigheid" is

natuurlijk wel verwant aan het door de Strukturalisten

gebezigde begrip "synchronie".

Deze opvatting wordt gedeeld door S. Parabirsing in

zijn boek "De metabletische methode". Hij onderstreept

daarin vooral de overeenkomst in opvatting tussen van

denBergen Foucault (17, pag. 229 t/m 245}.

In principe kan een dergelijke werkwijze op elke problematiek

toegepast worden, daar het primair een bepaalde

"zienswijze" op de werkelijkheid inhoudt.

Belangrijk voor mijn studie was, dat hier een voorbeeld

van een strukturele benadering werd gegeven,

dat al enigszins op het architektonische terrein ligt.

Par. 2 -

Norm, regel, stelsel.

1. Gelijkenis, ordening, geschiedenis.

De omschrijving van het begrip struktuur, in zoverre

dit tot nu toe is gebruikt, bleef nog beperkt tot de

manier waarop een struktuur voorgesteld kan worden.

Er is nog niet ingegaan op de inhoud van de struktuur.

In principe kan struktuur ontdekt worden in tal van

verschijnselen. Voorbeelden hiervan waren twee wel

heel verschillende onderzoekterreinen, de mythe en de

architektuur. De inhoud van de struktuur vertoont vanzelfsprekend

wezenlijke verschillen. Toch is het van

belang na te gaan of het mogelijk is ten aanzien van

de inhoud van de struktuur tot algemene uitspraken te

komen. In principe heeft de struktuur betekenis.

De inhoud van de struktuur is dus een betekenisinhoud.

Op welke wijze wordt uitdrukking gegeven aan deze betekenis?

Op deze vraag wordt nader ingegaan aan de

66


hand van het boek van Michel Foucauit (M.F.) "De woorden

en de dingen". (7)

Dit boek is om twee redenen van belang. Op de eerste

plaats geeft het weer een illustratie van een onderzoekmethode,

die tot inzet heeft een struktuur bloot

te leggen en op de tweede plaats heeft het boek de

intentie een archeologie te geven van de mens-wetenschappen.

In de beschrijving van de ruimte, waarin deze

wetenschap zich ontplooit, komt hij tot een aantal

komplementaire paren van tegenstellingen, die naar

mijn mening een antwoord geven op de vraag naar de

inhoud van de struktuur. M.F. onderscheidt in zijn

boek drie tijdvakken, die elk gekenmerkt worden aan de

hand van de voorwaarden tot het denken, zoals die in

die periode bestonden. Van elk tijdvak vergelijkt hij

drie takken van wetenschap met elkaar: de taalwetenschap,

de natuurlijke historie of de biologie en de

ekonomie. Hij stelt dat deze wetenschappen in elke

periode ten aanzien van hun specifieke methoden een

gemeenschappelijk epistemologisch veld bezitten.

Dit veld bevat de voorwaarden, waaronder kennis mogelijk

is. Het gaat M.F. dan om vast te stellen "welk

stelsel aan de verschillende vormen van empirische

kennis ruimte gegeven heeft" (7, pag. 21). In principe

onderscheidt hij drie tijdvakken: de Renaissance,

de Klassieke periode (van Port Royal) en de moderne

tijd.

Elke tijd heeft zijn eigen kenmerken, die ik hier

slechts aan wil duiden.

In de Renaissance betrof het een denken in "gelijkenissen":

er bestonden in die tijd dan ook tal van uitdrukkingen

om de soort van gelijkenis aan te geven.

In wezen is he~ denken nog magisch, gebonden aan beelden.

Het ziektebeeld, behorende bij een beroerte, wordt

beschreven aan de hànd van de beschrijving van een onweer1

wortelen zijn geschikt voor oogziekten, omdat de

doorsnede van een wortel op een oog gelijkt. Het denken

wordt primair gekarakteriseerd door interpretatie

van een gegeven, van een in wezen beperkte hoeveelheid

(denk)beelden, die telkens anders gerangschikt werden.

In de Klassieke tijd heeft men zich los gemaakt

van de gelijkenis als vorm van kennis. Descartes ziet

deze veeleer als een gelegenheid zich te kunnen vergiasen

( 7, pag. 73). Was ten tijde van de Renaissance

de interpretatie belangrijk, een overeenkomstige rol

wordt hier gespeeld door de "ordening". Alle verschijnselen

behoren tot een orde, een voorstelbare orde.

67


"Het meest wezenlijke vraagstuk van het Klassieke denken

was gelegen in de betrekking tussen naam en orde:

namelijk een nomenklatuur te ontdekken, die tevens

taxonomie zou zijn"


Per aspekt brengt hij een geleding aan tussen onbewust

en bewust, wat in termen van deze studie vertaald

kan worden als een geleding in struktuur en gebeurtenis.

De begrippen het andere, het onbewuste, het niet

aktuele, zoals die door M.F. gebruikt worden, zijn

in mijn opvatting synoniemen van het begrip struktuur.

Het gaat hier om het wezen van het begrip struktuur.

Het begrip is primair verankerd in de wereld

van het onbewuste, doch het wordt bewust door de uitwerking

die het heeft in de wereld van de verschijnselen.

Deze verschijnselen zullen in het kader van de

studie van Foucault gevonden moeten worden in de wereld

van taal, leven en werken.

Deze wereld korrespondeert met de wetenschappen taalkunde,

biologie en ekonomie. Gebruik makend van deze

verdeling in wetenschappen kunnen ook in mens-wetenschappen

kategorieën onderscheiden worden. "Tegen

het projektievlak van de biologie tekent de mens zich

zelf af als een wezen, dat bepaalde funkties bezit,

dat stimulerende elementen opvangt, fysiologische

maar ook sociale, intermenselijke en kulturele, daar

ook antwoord op geeft, dat zich aanpast, dat evolueert

Cl, en de bestaansvoorwaarden en de mogelijkheid

bezit om gemiddelde aanpassingsnormen te vinden,

die het toestaan zijn funkties uit te oefenen.

"Op het projektievlak van de ekonomie verschijnt

de mens als een wezen, dat behoeften en verlangens

heeft (), verschijnt (hij) in een onherleidbare konfliktsituatie

(), maar hij stelt een geheel van regels op,

dat een begrenzing en een wederoplaaiing van het konflikt

ten gevolge heeft".

"Op het projektievlak van de taal verschijnen de gedragingen

van de mens als wil deze iets z·eggen () , de..:

ze hebben een betekenis, die gezamenlijk een stelser-­

van tekens vormen" •

"Zo bedekken de drie paarsgewijze elementen funktie

en norm, konflikt en regel, betekenis en stelsel, zonder

dat er iets overblijft, het gehele gebied van de

kennis der mensen" (7, pag. 386).

Funktie en norm zijn begrippen van wat M.F. aanduidt

met de'psychologische stree~~ regels en konflikten van

de "sociologische stree~', betekenissen en stelsel "van de

streek van de wetten en de vormen van de taal".

"Al die begrippen zijn vervat in het gemeenschappelijke

volume van de mens-wetenschappen en ze gelden in

elk van de gebieden, die dat volume omsluit".

69


De begrippen; normen, regels en stelsels behoren tot

de wereld van het ongedachte ofwel van het onbewuste.

De begrippen funkties, konflikt en betekenis behoren

in de termen van deze studie tot de orde van de gebeurtenissen.

Zij zijn objektief waarneembaar en van

daar uit kan een idee verkregen worden van de struktuur.

Als deze be

mens bestr

den uiteen, name de orde van de struktuur en die

van de gebeurten ssen, dan kan gesteld worden, dat

het kennisgebied van de struktuur ofwel de inhoud van

de struktuur bepaald wordt door normen, regels en stelsel.

Op grond van deze beschouwingen kan het begrip struktuur

nu nader omschreven worden.

Doch eerst een opmerking vooraf.

Het begrip struktuur mag niet opgevat worden, zoals

men meestal een zelfstandig naamwoord opvat: een konkreet

ding~ "de" struktuur bestaat niet; het is een

eigenschap: de struktuur van de mythe; het is echter

wel mogelijk het bijvoeglijk naamwoord struktureel

te gebruiken. Het begrip struktuur moet dus altijd

in verband gebracht worden met een objekt,

bijvoorbeeld een situatie met strukturele eigenschappen,

of anders een programma met strukturele eigenschappen,

eventueel een strukturele situatie en een

struktureel programma.

Het begrip struktuur kan dus nooit los gezien worden

van een nader gespecificeerde kontext.

1}

2}

3}

4}

inhoudt.

Deze omschrijving vah het begrip struktuur geeft gestalte

aan het begrip, zoals het in deze studie gebruikt

gaat worden. Dit houdt in, dat een objekt aan

de hand van de bovengenoemde vier kriteria getoetst

meet worden, wanneer we vast willen stellen of het

strukturele eigenschappen heeft. In het volgende hoofd-

en

70


stuk zullen een aantal objekten op deze wijze getoetst

worden. Het zal dan blijkèn, dat ook verschijnselen

van een geheel andere orde dan die in dit hoofdstuk

behandeld werden, strukturele eigenschappen kunnen

bezitten en dat het in wezen niet alleen om een

"mythisch-magisch" doch ook om een "logisch-technisch"

begrip gaat.

Bovengenoemde beschrijving van het begrip struktuur

heb ik nog eens getoetst aan de opvattingen van

Raymond Boudon.

Deze heeft in zijn boek "The uses of stucturalism" (6)

een studie gemaakt van het begrip struktuur

in tal van takken van wetenschap. Hij kwam daarbij

tot de ontdekking, dat het in veel gevallen mogelijk

is, synoniemen te bedenken voor de term struktuur,

die beter aangeven waar het in het betoog om gaat:

in de tegenstelling konstant-variabel is het niet direkt

noodzakelijk het konstante deel met struktuur

aan te duiden. Daarnaast kwam hij tot de ontdekking,

dat waar de term struktuur gebruikt werd, dit in de

verschillende takken van wetenschap een totaal verschillende

strekking heeft. In het eerste geval vielen

hem de synonieme. en in het tweede geval de homonieme

eigenschappen van de term struktuur op.

Als het gebruik van het begrip struktuur zinvol is,

dan moet volgens Boudon voldaan worden aan twee eisen.

Op de eerste plaats gaat het bij het begrip struktuur

altijd om een stelsel, opgebouwd uit onderling afhankelijke

elementen (hij spreekt dan van een intentionele

definitie) en op de tweede plaats gaat het

om de theorie van het stelsel. In deze theorie wordt

verklaard, op welke wijze en volgens welke regels; vanuit

de struktuur van het stelsel de varianten afgeleid

kunnen worden of omgekeerd hoe vanuit de varianten

de struktuur van het stelsel herleid kan worden

(Boudon spreekt dan van een operationele definitie).

Deze beschrijving van het begrip struktuur is opgebouwd

uit dezelfde elementen als het struktuurbegrip, dat in

deze studie tot uitgangspunt wordt genomen; het gaat

namelijk om een stelsel, de regels van het stelsel,

en de varianten, waarmee het stelsel zich manifesteert.

Boudon noemt de term norm nergens ekspliciet, doch het

zal duidelijk zijn dat het bij elke wetenschapsbeoefening

gaat om de bestudering van stelsels, die weer

passen in een groter geheel en die zich daarin manifesteren

door de funktie die ze vervullen en die herleid

kan worden op normen.

71


Hoofdstuk 2 -

Operationele struktuur.

0. Inleiding.

Bij alle beschouwingen, zowel bij Lêvi Strauss als bij

Michel Foucault gaat het om een struktuur, die in

essentie onbewust is. Wel is er sprake van dat de

struktuur gekend kan worden aan de hand van de gebeurtenissen

of de verschijnselen. Als een model opgesteld

wordt van bijvoorbeeld sociale betrekkingen, dan kan

daarin een sociale struktuur ''herkend'' worden. Op

analoge wijze spreekt L.S. over de kunst, die uitgaat

van een geheel van objekten en gebeurtenissen en komt

tot de "ontdekking" van de struktuur ervan (14, pag. 40).

De psycho-analyse . wordt door M.F. gezien als de wetenschap,

die tot taak heeft de (onbewuste} struktuur tot

spreken te brengen.

De struktuur is in deze opvatting niet alleen onbewust

doch tevens passief en moet herkend, ontdekt worden,

tot spreken gebracht, bezield worden.

De vraag doet zich nu voor of het wel mogelijk is een

voorstelling te maken van de struktuur en of het mogelijk

is de struktuur operationeel te laten zijn. Deze

vraag blijkt positief te kunnen worden beantwoord.

Par. 1 -

Instrukties met strukturele eigenschappen.

1. Instruktie voor een militair kamp.

Dit voorbeeld is. van Hillier c.s. (10). Hij beschrijft

dat elk kampement afhankelijk van situatie en omstandigheden

een ander aanschijn heeft, doch dat zij de

plaats van kommandopost, keuken, schildwachten, radiowagen

etc. gemeen hebben met elkaar.

Beoordeelt men ze slechts op grond van de normen en

regels, die in de instruktie vermeld staan, dan zal

blijken dat ze identiek zijn.

Worden alle denkbare kampen als variant opgevat, dan

is de instruktie de struktuur ervan. B1j het opstellen

van de instruktie is uiteraard rekening gehouden met

alle denkbare omstandigheden, waaronder de kampen

opgeslagen moeten worden. Er wordt daarbij rekening

gehouden met zowel faktoren van ruimtelijke als fak-

72


2. Indische wetten. {fig. 2.1)

Overal, waar zich een probleem voordoet, waarbij informatie

gebundeld moet worden in een kompakte, doch

voor de betrokkenen toch herkenbare vorm en een antwoord

gegeven moet worden op een grote verscheidenheid

van problemen, daagt het begrip struktuur. Dergelijke

problemen deden zich voor bij het stichten van

nieuwe steden in Noord-Amerika. John Reps

geeft hiervan enkele voorbeelden in zijn boek "Townplanning

in frontier America". De kolonisten kregen

vanuit het moederland instrukties mee, waarin uitgebreid

was omschreven op welke wijze zij het beste te

werk konden gaan bij het stichten van nieuwe steden.

Deze eerste instrukties stammen uit 1513. Hierin

werd aandacht besteed aan het uitzoeken van een geschikte

plaats voor een nederzetting: goed water en

lucht, gelegen aan de rivier etc. Daarnaast werden

ook voorschriften gegeven betreffende de inrichting

van de stad: vanaf het begin moest uitgegaan worden

van een duidelijk stedelijk patroon. Dit patroon

werd primair bepaald door bouwpercelen. Daaraan werden

plaza, kerk en stratenpatroon toegevoegd.("If

not started with ferm, they (de steden) never will

attain it"l . (19, pag. 41).

Reeds enige jaren later werden in 1573 door Philips II

de zogenaamde "Indische Wetten" uitgevaardigd •. Hierin

werden de vorige instrukties uitgebreid met de ervaringen,

die men sindsdien had opgedaan. Deze wetten

kunnen gezien worden als de eerste Amerikaanse planologische

wetten. Honderden steden werden uitgevoerd

volgens de voorschriften van deze wetten. Wat ons

daarbij opvalt is het uiterst beeldende karakter van

deze wetten ên het feit dat dit geen problemen opleverde

bij de uitvoering. Blijkbaar waren deze wetten

gebaseerd op inzichten, ontstaan door telkens opnieuw

·gewogen ervaringen. Deze ervaringen blijken terug

73


te voeren te Z1Jn op werken van Vitruvius (30 voor

Christus) en de studies van de Italiaanse architekt

Alberti (de Re Aedificatoria uit 1485). Naast deze

vooral theoretische werken bestonden er ervaringen

op stedebouwkundig gebied in de bouw van nieuwe vestingssteden.

Dat zijn meestal nieuwe steden, die

ontworpen zijn op basis van een rechthoekig raster

van straten en stegen. Binnen dit raster wordt een

veld uitgespaard voor de plaza en eventueel nog ,kleinere

plekken voor kerken en andere gemeenschappelijke

bouwwerken. Dit streng rechthoekige systeem werd

slechts aangepast als de situatie in de vorm van

hoogteverschillen, de bocht van een rivier en dergelijke

daar aanleiding toe gaf.

Dit patroon vormde vanaf de 13e eeuw de grondslag van

de zogenaamde "bastides". Een van de bekendste is

die van Montpazier, gebouwd in 1284. In Spanje werd

in de 15e eeuw op basis van hetzelfde principe Santa

Fê gesticht. Het plan van deze stad heeft naar alle

waarschijnlijkheid model gestaan voor de "Indische

Wetten"~ Het stedelijk patroon is zo eenvoudig te

bevatten en tegelijk zo rijk aan gebruiks- en uitwerkingsmogelijkheden,

dat het een ideale vorm was om

als instruktie te dienen voor de kolonisten in Amerika.

Bij de beschrijving van de wetten wordt een ruime

plaats ingenomen door voorschriften betreffende

de plaza. Ik ga hier nader op in, om aan te geven

hoe specifiek deze wetten waren. (fig. 2.1.)

Kuststeden behoorden hun plaza aan de wal te hebben

en steden in het binnenland in het hart van de stad.

Een vorm, waarbij de lengte ongeveer anderhalf maal

de breedte was, werd het gunstigst geoordeeld.

De ontwerpers werden uitgenodigd de afmetingen van de

plaza en de afmeting van de stad op elkaar te betrekken.

Zelfs de afmetingen waren aan bepalingen onderhevig:

niet minder dan 60 meter breed en 90 meter lang,

niet meer dan 90 meter breed en 240 meter lang.

Een goed geproportioneerde plaza meet 120 x 180 meter.

De hoofdplaza moest zo geörienteerd worden, dat de 4

hoeken korresponderen met de 4 windrichtingen. Dit

hing samen met eventuele ongemakken als gevolg van

de wind, De plattegrond van de plaza met zijn ontsluiting

door hoofdstraten en ondergeschikte straten werd

in detail aangegeven. De hoofdstraten komen op de plaza

uit in het midden van de zijden, te~1ijl de vier

74


zijden van de plaza geflankeerd worden door voetpaden

onder arkaden, die verder doorgetrokken in het plan,

deel uit maken van een netwerk van lager orde (lg,

p. 43).

schema van plaza

in::lische YJetten

fig. 2.1

Deze instrukties werden zo letterlijk mogelijk opgevolgd

en hebben het gezicht bepaald van tal van Amerikaanse

steden.

De instruktie bevatte niet alleen modellen van de verkaveling

van nieuwe steden, doch eveneens tal van regels,

die betrekking hadden op de uitvoering van de

werkzaamheden: de volgorde van realisatie (bijvoorbeeld

eerst verdedigingswerken maken), regelingen

betreffende het toezicht, watervoorziening en afvalverwijdering,

reservering van gronden, uniformiteit

in de uitvoering van de afzonderlijke gebouwen etc.

en zelfs regels als: inboorlingen mogen niet toege-

75


1aten worden tijdens de bouw van de stad (om ze

daarna beteF te kunnen imponeren) • (19, pag. 44, 45)

Deze instrukties zijn zonder meer struktureel van

aard: het voorschrift is het gemeenschappelijke van

de varianten: het voorschrift genereert varianten, die

van elkaar verschillen naar gelang de specifieke omstandigheden

van elke variant verschillen en bovendien

houdt de instruktie een norm in, die maksimale

garanties biedt voor het funktioneren van een stedelijke

gemeenschap en regels betreffende de manier

waarop het geheel tot stand kan komen met een minimale

kans op konflikten bij de uitvoering.

Bij het formuleren van deze wetten werd een stelsel

gehanteerd, bestaande uit elementen, die zowel qua

gebruik als uitvoering beke.nd waren bij de mensen, die

bela&t waren met het stichten van een nederzetting.

Hiermee is dus voldaan aan de voorwaarden, waar een

struktuur aan moet voldoen. Er is alleen dit verschil:

er is hier geen sprake van een onbewuste s.truktuur.

Integendeel, de struktuur is bewust en operationeel.

De struktuur roept als het ware varianten op, geeft

daar aanleiding toe.

In hoofdstuk 1 werd er van uit gegaan dat de struktuur

passief is. Hij is wel aanwezig, doch moet

ontdekt worden. Wat er ontdekt wordt is afhankelijk

van de interpretatie van degene, die deze daad stelt.

Hierbij zal deze zich nooit los kunnen maken van zijn

kulturele en persoonlijke achtergronden. Aangenomen

mag worden, dat een struktuur nooit absoluut is, doch

afhankelijk is van de kulturele kontext, waarin hij

ontdekt wordt. Met andere woorden, dezelfde verschijnselen

kunnen in twee verschillende kulturen aanleiding

geven tot de ontdekking van verschillende strukturen.

Het begrip struktuur kan dus niet los gedacht worden

van de maatschappelijke wereld. Deze relatie kan

zowel operationeel als passief zijn. In het geval van

hoofdstuk 1 was de struktuur passief: hij werd ontdekt.

Uit de varianten van de Oidipoes-mythe werd de struktuur

van de mythe blootgelegd: er werd een boodschap

ontcijferd. Deze boodschap kan daarna, zodra hij bewust

gemaakt is, weer als uitgangspunt dienst doen

voor andere, zo.men wil moderne, versies van de mythe.

In dat geval wordt de struktuur toegepast, hij is

niet meer passi~f doch wordt operationeel bij de vormgeving

van een instruktie. Afgezien of een film als

Orpheu Negro, waarin op een eigentijdse, Zuid-Ameri-

76


kaanse manier, vorm werd gegeven aan de mythe van

Orpheus en Euridice, doorgedrongen is tot de boodschap

van de mythe, kan zij in dit verband als voorbeeld

gelden. Hier wordt de operationele struktuur

als uitgangspunt genomen voor een vorm {voorstelling) ,

die gericht is op de aktuele maatschappelijke wereld

en dus appelleert aan de ervaringswereld van de betrokkenen

{toeschouwers) •

Bij een dergelijke relatie tussen struktuur en maatschappelijke

wereld kan een operatie tot stand komen.

Door de specifieke maatschappelijke omgeving wordt

de strüktuur van de mythe gespecificeerd tot een

verhaal.

Op dezelfde manier is het voorstelbaar, dat ook een

ruimtelijke struktuur operationeel kan zijn, met andere

woorden aktie van de maatschappelijke wereld mogelijk

maakt. In het kader van deze studie ligt het

niet voor de hand op een andere wijze over strukturen

te praten. zoals. gesteld gaat het bij het ruimtelijk

ordenen om het bewerkstelligen van een evenwicht

tussen de ruimtelijke dimensie en de maatschappelijke

wereld. Dit evenwicht moet door een aktie

in de maatschGpeli~ke wereld tot stand gebracht

worden. De ru teliJke dimensie, in casu de struktuur

daarvan, moet dat mogelijk maken.

Par. 2 -

Situaties met strukturele eigenschappen.

Een voorbeeld van een situatie met strukturele eigenschappen

is een drager of een woonstruktuur. Dit begrip

is afkomstig van de Stichting ~rchitekten Research

{S.A.R.). De SAR werkt een thema uit dat door

N.J. Habraken werd ge!ntroduceerd in.zijn boek "De

dragers en de mensen". (8)

Hij stelde dat bij volkshuisvestingsvraagstukken de

bewoners betrokken moeten worden in het besluitvormingsproces,

teneinde op die wijze een "natuurlijke

relatie" met hun omgeving te kunnen realiseren.

1. Dragers.

In het eerste rapport van de SAR, SAR .65 (21) getiteld,

werden voorstellen gedaan om deze doelstellingen te

kunnen realiseren.

77


Men kwam hierbij tot de definitie van dragers of

woonstrukturen. De woonstruktuur werd gedefinieerd

als een "bouwwerk , waarbinnen een of meer woningen

(inbouwwoningen) gerealiseerd kunnen worden, welk

bouwwerk als zodanig ontworpen en gebouwd kan worden,

zonder dat de indeling en detaillering van de

woningen bekend is".

Een woonstruktuur wordt genoteerd als een aaneengesloten

groep van sektoren, in een zOnering.

'Een zOne is een aanwijsbaar gebied in een woonstruktuur

met een bepaalde bestemming".

"Een marge is een gebied in een woonstruktuur tussen

twee zOnes".

ZOnes en marges zijn een-dimensionale ruimten, gekenmerkt

door een maat, ze bieden plaats aan elementen

doch de plaatsing is wel aan regels onderworpen, elementen

vinden bijvoorbeeld hun begrenzing in een

marge.

Een z6nering is een meer samengestelde ruimte: zOnes en

marges plus alle regels betreffende het gebruik

daarvan. De sektor is een rechthoekig oppervlak, waarvan

de rnaten bepaald worden door de samenstellende

zOnes en marges en een maat die het indeelbare trajekt

van de zOnering aangeeft.

Naar gelang hun situatieve eigenschappen kunnen verschillende

zOnes onderscheiden worden. Deze eigen~

schappen worden omschreven met behulp van twee paren

van tegenstellingen, namelijk binnen/buiten en privê

/openbaar.

Alpha-zone

Beta-zOne

Gamma-zOne

Delta-zOne

privé en binnen, doch grenzend aan buiten.

privé en binnen, niet grenzend aan buiten.

openbaar en buiten-of binnen.

privé en buiten.

Binnen de algemene situatie van de woonstruktuur kunnen

elementen geplaatst worden. Dit zijn vertrekken,

cellen, etc.

De elementen kunnen onderscheiden worden naar de

zOnes, waarin ze gesitueerd kunnen worden.

Door aan te geven dat een element een Alpha-element

is, wordt aangeduid, dat het in de Alpha-zOne gesitueerd

wordt; daardoor ligt vast, dat het element

grenst aan de buitenlucht.

De struktuur bestaat in dit voorbeeld uit de notitie

van een sektorgroep. -

78


1}

2}

3)

41

Deze notitie kan als uitgangspunt dienen voor een realisatie.

Maat en plaats van bouwmuren, vloeren, doorbrekingen

daarvan, kanalen etc. worden dan vastgesteld

; er worden beslissingen genomen ten aanzien

van materiaal en uitvoeringswijzen en tenslotte wordt

de drager gebouwd.

Zowel de notitie van de drager in de vorm van een zOnering

als de gerealiseerde dragers zijn situaties met

strukturele eigenschappen. Dit blijkt uit de volgende

toetsin9.

De situatie kan uitgewerkt worden in de vorm van varianten,

(inbouwwoningen,} die een antwoord geven op

de specifieke woonwensen.

De situatie beantwoordt aan een norm, ten aanzien van

aantallen, afmetingen en plaats van de elementen (vertrekken,

en cellen}, waardoor een minimale funktie gegarandeerd

wordt (zie hiervoor later deel III, Stelsel).

De situatie wordt uitgewerkt volgens vastgestelde

regels, die deel uit maken van de situatie (elementen

eindigen in de marges).

De situatie bestaat uit een stelsel van elementen,

(zOnering + sektoren} waarvan de identiteit en

de relaties precies gedefinieerd zijn.

De drager van de SAR is dus een situatie met strukturele

eigenschappen in de betekenis, die daaraan in

hoofdstuk 1 gehecht werd en kan dus met recht als

woonstruktuur aangeduid worden.

2. Voorbeeld. (fig. 2.2)

Een goed voorbeeld van een woonstruktuur is een drager,

zoals die door Ir. K. Rijnboutt. in samenwerking

met de SAR is ontwikkeld voor een proefprojekt in

de Zuid-Bijlmar (fig. 2.2).

Als uitgangspunt voor het ontwikkelen van de drager

diende een programma van eisen, waarin uitspraken

gedaan werden ten aanzien van de differentiatie van

de woningtypen, die men er in wilde realiseren, terwijl

per woningtype aantallen en soort van vertrekken

en cellen, gespecificeerd naar hun afmetingen en relaties,

werden aë:~,ngegeven.

Dit programma leidde tot een kontinue zOnering, bestaande

uit zOnes van 270 cm en marges van 180 cm

(dus met een werkende maat van 450 cm). Er werden

twee sektoren vastgesteld met overspanningsmaten van

300 cm en 600 cm.

79


11 11 11 11 11

~

~ ~

:JI"J

~

oi

V ~ ~

-~

R-l

N-; ~


...-

11270 11570 11 11270 11 1

WOCI'lstruct uur M2= 1&>

• • •

B D ~

IJf\

:Ç ~~

p 0 I 0

..........,.i:l:Il ~- ·v

bo

./

.....

bi·

\:: - ~

-- -

variant A

-

'VO.riant B

woonstructuur en varianten

fig.2.2

variant C

80


(De werkende maat van de z6nering en de overspanningsmaten

van de sektoren kunnen genoteerd worden in een

zogenaamd struktuurraster met een maateenheid van

150 cm) .

Met behulp van deze sektoren werd een drager gekonsipieerd,

bestaande uit drie bouwlagen, met een overdekte

straat op de begane grond. Omdat sektoren en

z6nering beide in een 150 cm raster genoteerd kunnen

worden, bleek het mogelijk in stedebouwkundig opzicht

tal van schakelingen in beide richtingen te

realiseren. Binnen de gerealiseerde drager konden

nog tal van sektorgroepen als woon-eenheid gelokaliseerd

worden, terwijl tevens een eenmaal gemaakte

keuze in dit opzicht weer op verschillende manieren

ingedeeld kon worden tot woningen.

Zowel de notitie van de drager als de werkelijk gekonkretiseerde

drager zijn situaties met strukturele eigenschappen.

Zelfs het 150 cm-struktuurraster kan beschouwd

worden als een algemene situatie met strukturele

eigenschappen. Het is een stelsel van maten; het

is representatief voor een bepaalde normstelling, namelijk

die van de dragers, die er in genoteerd kunnen

worden: het raster wordt uitgewerkt volgens bepaalde

regels (zie hiervoor deel III, Stelsels) en het

kan in varianten tot meer specifieke situaties

uitgewerkt worden.

Zoals straks zal blijken kan zelfs aan de maat van

150 cm strukturele eigenschappen toegekend worden.

Par. 3 -

Slotbeschouwing.

Het begrip struktuur blijkt een begrip te zijn met

een groot toepassingsgebied.

Bij Lêvi Strauss betekent dit een ordening in de

sfeer van het mythisch-magische: de sfeer van het onbewuste.

Bij Michel Foucault betekent dit een begrip, dat

een ordening inhoudt in de mens-wetenschappen. In

beide gevallen gaat het om de struktuur van stelsels

van hoge en zeer samengestelde orde. Bij de daaropvolgende

uitwerking van het begrip ging het om een

logisch-technische struktuur met operationele eigenschappen.

In dat geval gaat het om een struktuurbegrip

van een lage orde: instrukties, dragers en zelfs

rasters blijken strukturele eigenschappen te bezitten.

81


82

Het struktuurbegrip wordt in het kader van deze

studie in beide orden toegepast.

Wanneer het gaat om de ontwikkeling van het ruimtestelsel,

gaat het om een struktuur van hoge orde.

Wanneer het gaat om de ontwikkeling van bijvoorbeeld

een drager,gaat het om een struktuur van lage

orde.

In deel III, Stelsel, wordt duidelijk gemaakt dat de

ontwikkeling van een ruimte-stelsel niet mogelijk

is zonder gebruik te maken van deze lagere struktuurvormen.

Het begrip struktuur is onafhankelijk van de orde van

het toepassingsgebied. Het kan dus zowel gaan om een

ruimte-stelsel als om een situatie met strukturele

eigenschappen.

In deze studie wordt de term het meest gebruikt voor

situaties met strukturele eigenschappen. Zo betekent

de term woonstruktuur een woonsituatie met strukturele

eigenschappen, evenals een buurtstruktuur

een buurtsituatie is met strukturele eigenschappen.

Om deze uitdrukkingen wat in te korten, worden,

hoewel in principe onjuist, deze situaties aangeduid

met de zelfstandige naamwoorden woon- en buurtstruktuur.


Hoofdstuk 3 -

Elementen.

0. Inleiding.

Al vanaf 600 jaar voor Christus speelt het begrip

elementen een rol in de Westerse filosofie en wetenschap.

Met behulp van dit begrip probeerde men orde

te brengen in de omringende wereld en verklaringen

te vinden voor alle verschijnselen, die zich voordeden.

Thales van Milete was de eerste, die bij de verklaring

van de verschijnselen uitging van een element,

waarvan alles afgeleid was. Bij hem was dit het element

water. Anaximander ging uit van een primaire,

onbekende substantie, die getransformeerd kon worden

in verschillende substanties, waarmee we vertrouwd

zijn en deze substanties kunnen weer in elkaar

worden omgezet.

Er moet wel een bepaalde hoeveelheid vuur, water en

aarde zijn in de wereld, maar elk element is voortdurend

aan het proberen zijn gebied uit te breiden.

Maar er is een zekere noodzaak, of natuurwet,

stelt hij, welke voortdurend het evenwicht herstelt.

Anaximedes ging eveneens uit van een fundamentele

substantie. Bij hem is dat het element lucht.

De ziel is lucht, vuur is een bepaalde vorm van

lucht, wanneer het kondenseert wordt lucht water en

dan wanneer het verder kondenseert, aarde en uiteindelijk

steen.

Deze theorie heeft de verdienste al de verschillen

tussen de verschillende substanties kwalitatief te

maken, geheel afhankelijk van hun graad van kondensatie.

Heraclithes veronderstelt het vuur als fundamentele

substantie. Alles, zoals de vlammen van het vuur,

wordt geboren door de dood van iets anders.

Er is eenheid in de wereld, maar het is een eenheid,

gevormd door de samenvoeging van tegenstellingen.

Naast deze doktrine stelt hij die van de voortdurende

verandering. Je kunt nooit tweemaal in dezelfde

rivier stappen ().Bij hem domineert het idee van

het proces boven dat van de substantie.

Pa~ïnenides daarentegen gelooft in de onmogelijkheid

van de verandering. Hij gelooft, modern uitgedrukt,

in de onvernietigbaarheid van de materie. Een substantie

werd verondersteld het blijvend onderwerp

te zijn van varierende eigenschappen.

83


Thales gelooft in water als belangrijkste van de

elementen. Bij Anaximedes was dat de lucht en bij Heraclithes

vuur. Empedocles bewees met behulp van een

waterklok het bestaan van het element lucht. Hij

bouwde zijn kosmologie op uit vier elementen: aarde,

lucht, vuur en water. Ieder element was eeuwigdurend,

maar zij konden in verschillende verhoudingen gemengd

worden en op die manier de veranderende samengestelde

substanties opleveren, die wij in de wereld vinden.

De samenvoeging heeft plaats onder invloed van de

liefde en de scheiding onder invloed van de strijd.

Elke samenstellende substantie is tijdelijk,

alleen de elementen samen met liefde en strijd zijn

eeuwigdurend.

Anaxagoras stelde, dat alles tot in het oneindige

deelbaar was en dat zelfs de kleinste hoeveelheid materie

iets van elk element bevat. Sneeuw is ten dele

zwart. De samenvoeging van alle delen heeft plaats

onder invloed van de geest.

Het principe van de opbouw in elementen en de verschillende

visies ten aanzien van de wijze, waarop

ze samengevoegd kunnen worden tot alle verschijnselen,

die wij om ons heen kunnen waarnemen, werden

ook door Aristoteles gehanteerd en zij vormden eveneens

de grondslag van Euklides' Elementen.

Het bovenstaande heb ik ontleend aan Bertrand Russel's

History of the western Philosophie (20, pag. 25 t/m

81) •

Het betreft hier slechts een beginfase uit een ontwikkeling

van het westerse denken, die juist in dat

prille stadium zeer duidelijke aksenten legt. In alle

theorieën wordt uitgegaan van een bepaalde geleding

in de kosmos. De overstelpende hoeveelheid verschijnselen

werd als chaotisch en weinig geordend ervaren.

Hierin werd orde gebracht door te veronderstellen

dat al deze verschijnselen op de een of andere manier

afgeleid konden worden van een overzichtelijk aantal

elementen, of zelfs van één, fundamentele, substantie.

Door deze beschouwing kreeg men weer vat op de verwarrende

gekompliceerdheld van de verschijnselen. Door

het onderscheiden van elementen werd op een kunstmatie

wi'ze een ordenin tewee ebracht, waardoor de

wereld begri pelijk werd. Hiermee werd tegemoet gekomen

aan een wezenlijke intellektuele behoefte van

de mens, waaraan voldaan moest worden om hem zijn

plaats te doen vinden in de wereld. De theorieën

84


hebben niet alleen betrekking op de elementen zelf,

doch ook op hun onderlinge verhouding, hoe ze samengevoegd

kunnen worden. Hierbij worden krachten verondersteld

als liefde, strijd, rechtvaardigheid, geest

etc. Deze krachten bewerkstelligen verandering,

konstant blijven en het voortdurend instellen van een

evenwicht. Deze krachten, die normaal in het maatschappelijk

leven waarneembaar waren, worden hier

getransponeerd op de materie, die hierdoor ongetwijfeld

een meer vertrouwde aanblik kreeg.

Het is niet zo dat het begrip element van meet af aan

gehanteerd werd. Waarschijnlijk was Aristoteles de

eerste, die dat deed. Euklides gaf zijn boek de

titel Elementen mee.

Het zal duidelijk zijn, dat waar deze studie over ruimtelijke

ordening eveneens gebaseerd is op het onderscheiden

en hanteren van elementen, er gedacht kan

worden aan het gebruik van deze term in de Griekse

filosofie. ~wordt het daar op dezelfde wijze gebruikt?

In beide gevallen gaat het immers om het aanbrengen

van een kunstmatige geleding met de bedoeling de omgeving

meer doorzichtig, meer begrijpelijk en daardoor

meer beïnvloedbaar te maken. Deze indeling is

kunstmatig, dat wil zeggen afhankelijk van het kultuurpatroon

en dus van de normen en waarden van de

mensen, die de geleding aanbrengen. Daarom ligt het

voor de hand dat een geleding in de Griekse oudheid

op basis van andere kriteria werd aangebracht, dan

dat bij ons het geval is.

Bij het ruimtelijk ordenen gaat het nog om e~n anderssoortige

geleding. Niet de geleding van de materie

staat voorop, doch veeleer een geleding van het samenstel

van ruimte en materiaal. In belde gevallen gaat

het er wel om door geledingen een diskontinuïteit aan

te brengen in de kontinuïteit van de.omringende en

waarneembare wereld, waarbij diens komplexiteit wordt

afgebroken tot enkelvoudige en herkeP~are elementen.

Vanuit deze eenvoudige elementen kan de wereld weer,

op een kontroleerbare manier, worden opgebouwd.

De overeenkomst blijft niet beperkt tot de geleding

van materiaal en ruimte, doch tevens geldt zij voor

de manier, waarop de veelheid van verschijnselen

bewerkstelligd wordt. Deze ontstaat primair door

sa•11envoeging van bekende elementen in bepaalde verhoudingen,

onder invloed van een krachtenspel, dat

gericht is op het bewerkstelligen van een evenwicht.

85


Par. 1 -

Dit ordenen kan ook bij het ruimtelijk ordenen voorgesteld

worden als een proces, waarbij elementen

samengevoegd worden onder invloed van maatschappelijke

krachten, die de elementen in een dusdanige

relatie brengen, dat de ordening, die ontstaat,

een juiste afspiegeling inhoudt van een maatschappelijke

behoefte.

Zowel in materieel opzicht als qua proces blijkt

het om verwante koncepties te gaan. In elk geval. is

de verwantschap groot genoeg om de term element, die

door zijn voorgeschiedenis een bepaalde gebondenheid

heeft en daardoor bepaalde verwachtingen wekt, in het

kader van deze studie te hanteren.

0. Inleiding.

Identiteit en kriteria.

Na deze rechtvaardiging van het op zo'n manier gebruiken

van het woord element is het nu noodzakelijk

nader in te gaan op de vraag, of en hoe elementen geidentificeerd

kunnen worden. Het eerste deel van

deze vraag is van essentieel belang. Het is niet

alleen van belang, dat een enkele persoon bepaalde

elementen kan identificeren, doch dat er bij meerdere

personen of groepen eenstemmigheid bestaat ten aanzien

van deze identifikatie. Pas in dat geval kunnen

deze elementen een rol spelen in de kommunikatieproblemen

van het ontwerpproces. Deze vraag wordt behandeld

aan de hand van twee onderzoekmethoden: een in

het vlak van de stedebouw en een ander in het vlak van

de psychologie, die beide gebaseerd zijn op een zekere

eenstemmigheid ten aanzien van het gebruik van elementen.

Het tweede deel van de vraag betreft de kriteria, die

aangelegd kunnen worden bij het onderscheiden van

elementen. Drie kriteria komen hierbij aan de orde,

die alle drie inhaerent zijn aan de problematiek van

het ruimtelijk ordenen en er zelfs de belangrijkste

.kenmerken. van zjjn. De eerste twee kriteria geven

de morfologische aspekten van de ruimte, namelijk maat

en plaats; het derde kriterium geeft de gebruiksaspekten

van deze ruimte, ofwel de funktie die deze ruimte

vervult in een bepaalde maatschappelijke en ruimtelijke

kontekst.

Op basis van deze kriteria kan een omschrijving gegeven

worden van het begrip element.

86


1. Identiteit volgens Kevin Lynch. (The image of the

city) (15).

Kevin Lynch kreeg inzicht in het funktioneren en de

samenhang van steden door aan proefpersonen te vragen

of zij een beschrijving wilden geven van hun stad.

Uit de wijze, waarop zij dat deden, konden konklusies

getrokken worden ten aanzien van de anatomie

van de stad. Bij de beantwoording werd door eenieder

gebruik gemaakt van voor hen relevante, waarneembare

ruimtelijke verschijnselen. Dit zijn "landmarks" in

de zin van torens, kruispunten, bruggen, parkeren en

dergelijke. Wanneer deze genoemd worden is het voor

een ieder zonneklaar wat er bedoeld wordt. Bij de

beschrijving wordt een keuze gemaakt uit een praktisch

onbeperkt aantal ruimtelijke verschijnselen. De proefpersoon

brengt in de kontinue ruimte van de stad die

geleding aan, die hem zinvol voorkomt om tot .een

karakteristiek van de stad te geraken. Deze geleding

is persoonlijk, doch als meerdere personen dezelfde

aspekten gebruiken bij de beschrijving van de stad,

dan is er steeds meer aanleiding die geleding als wezenlijk

voor de stad te beschouwen. Deze stedelijke

geledingen kunnen dan beschouwd worden als elementen,

waarmee het stedelijk geheel beschreven kan worden.

Het gaat bij dat geheel uiteraard niet alleen om het

onderscheid van de elementen op zich en de bewuste

keuze, die men daarbij maakt, doch het gaat eveneens

om de relaties, die gelegd kunnen worden tussen de

elementen. De elementen worden immers in een bepaalde

volgorde benoemd; sommige elementen worden met elkaar

in relatie gebracht en andere weer niet. Hoewel elke

beschrijving een persoonlijk karakter zal hebben (het

zal bijvoorbeeld veel uit maken of men zich als voetganger

dan wel als automobilist door een stad beweegt)

is het in principe mogèlijk op basis van een groot

aantal beschrijvingen tot een algemeen beeld te geraken.

Dit beeld kan beschouwd worden als de struktuur

van de stad.

Uit een aantal specifieke waarnemingen is het mogelijk

via een proces van induktie tot een algemene voorstelling

te komen.

In deze weergave van de werkwijze.van Lynch ging

het er om iets te weten te komen over de struktuur

van de stad. Dit kan een doel op zichzelf zijn. wanneer

men verschillende steden (in ruimtelijk opzicht)

met elkaar wil vergelijken, dan. is het zinvol de

strukturen, bijvoorbeeld in de vorm van een schema,

87


met elkaar te vergelijken. Hiermee wordt namelijk de

karakteristiek van de stad weergegeven. Dit geeft een

aanmerkelijk helderder beel~ dan wanneer men de stadsplattegronden

naast elkaar legt. Deze studie van de

struktuur kan ook dienen om een operationeel uitgangspunt

te verkrijgen bij het aanbrengen van veranderingen.

Het onderzoek heeft dan het karakter van een

diagnose met de bedoeling te komen tot de formulering

van een therapie.

2. Identiteit volgens psychologische test.

In beide gevallen, de vergelijking en de diagnose,

wordt een werkwijze gehanteerd, waarbij door gebruik

te maken van de waarnemingen van personen, het mogelijk

is een inzicht te krijgen in de karakteristiek van

de stad. Ook het omgekeerde is natuurlijk mogelijk.

Door na te gaan op welke manier een persoon de karakteristiek

van een stad weergeeft, is het mogelijk tot

konklusies te komen ten aanzien van de karakteristiek

van de persoon. Hier komen we op het terrein van de

psychologie, waar men door middel van testen een voorstelling

probeert op te bouwen van iemands persoonlijkheidsstruktuur.

Ook hier weer kan het gaan om een vergelijking

dan wel om een diagnose met het doel tot een

therapie te geraken.

Voorbeelden van dergelijke testen zijn wel bekend.

Het zal duidelijk zijn, dat hierbij geen gebruik gemaakt

behoeft te worden van de schematische aanduiding

van de stad, doch dat in principe elke afbeelding

deze funktie kan vervullen. Zo is het mogelijk

een test op te stellen, waarbij men te testen personen

betrekkelijk eenvoudige patronen laat beschrijven

op basis waarvan men tot konklusies kan komen ten

aanzien van hun persoonlijkheidsstruktuur.

Evenals bij de analyse van de stad heeft ook hier een

voor de proefpersoon karakteristieke geleding van het

patroon plaats in elementen. De volgorde, waarin elementen

benoemd en de relaties, die tussen de elementen

gelegd worden, voltooien de karakteristiek van de

persoon. Het gaat mij hier niet om een dergelijke aanpak

in de psychologie op zichzelf, noch om de methode

van Lynch als een werkwijze om tot de bepaling van

stedelijke strukturen te geraken. Wel is voor mijn

studie van belang, dat beide methoden bestaan en binnen

hun eigen vakgebied een zekere geldigheid hebben

en erkenning genieten. De methode van Lynch komt via

88


Par. 2 -

reeksen van personen tot de struktuur van de stad en

de psychologische test komt via reeksen van (op zich

uitgeteste) patronen tot de struktuur van de persoon.

In beide gevallen gaat het om een ruimtelijke dimensie

(de stad) van het vraagstuk en een maatschappelijke

wereld (proefpersonen, te testen persoon) • In

beide gevallen gaat het om een proces: van waarneming

in de maatschappelijke wereld komt men tot de konklusie

in de ruimtelijke dimensie en ook het omgekeerde

is het geval. Er wordt uitgegaan van een onmiskenbaar

verband tussen ruimtelijke dimensie en maatschappelijke

wereld.

Kriteria.

0. Inleiding.

De vraag is nu welke kriteria aangelegd worden bij het

onderscheiden van ruimtelijke elementen. Het is mogelijk

hierbij proefondervindelijk te werk te gaan, in

de zin van bovengenoemde onderzoekingen.

Zo kan men proefpersonen afbeeldingen voorleggen, bijvoorbeeld

een luchtfoto van een wijk,een buurt of een

opname van een straat uit die buurt, of een opname

van een woning-interieur en hen vragen een beschrijving

te geven van die afbeelding. In alle vier de

afbeeldingen zullen elementen onderscheiden worden,

die op een bepaalde wij ze met elkaar in relatie

gebracht kunnen worden.. Bij de foto van de buurt

zullen andere elementen aan de orde komen dan bij de

beschrijving van de straat. De elementen van de straat

zullen bij waarneming met behulp van een vergrootglas

ook op de foto van de buurt onderscheiden kunnen worden,

doch er mag aangenomen worden dat de proefpersonen

dat niet zullen doen; er zijn immers op de foto van

van de buurt naar ieders gevoel belangrijkere dingen

aan de orde. Naar men mag aannemen zal zich hetzelfde

verschijnsel voordoen bij de beschrijving van de

andere foto's. Er is dus sprake van een zekere skandering

van de ruimte, die enerzijds bepaald wordt

door wat via de foto in het gezichtsveld komt (en

wat voorlopig als een gegeven beschouwd wordt) en anderzijds

de skandering, die binnen dat veld aangebracht wordt.

Elke afbeelding is er een uit een serie van vier.

Deze vier afbeeldingen hebben een onderlinge relatie.

De luchtfoto van de wijk is genomen vanaf een bepaalde

hoogte en het is mogelijk te veronderstellen, dat

89


elke volgende foto gemaakt werd vanaf een lager nivo.

Bij het afdalen maakt de fotograaf vier stoppen voor

het maken van een opname. Hierin schuilt een bepaalde

willekeur. Het is moeilijk hiervoor een goed en onafhankelijk

kriterium vast te stellen: het is bijvoorbeeld

zinloos te stellen, dat de stoppen verlopen

volgens de reeks 100 meter, 50 meter, 25 meter

en 12,5 meter hoogte. Wanneer hij bepaalde elementen

scherp in de zoeker krijgt, zal hij afdrukken en het

betreffende beeld vastleggen. In dat geval wordt er

aan de elementen een zekere autonomie toegekend, die

voor de fotograaf vanzelfsprekend is. Voorlopig wordt

er van uit gegaan dat de vier onderscheiden opnamen

een eerste geleding van de ruimte voorstellen. Het

gaat er nu om vast te stellen welke elementen per nivo

onderscheiden worden en welke rol ze spelen bij die

beschrijving: welke elementen worden geselekteerd

uit het totaal en welke relaties tussen deze elementen

worden als belangrijk ervaren bij de beschrijving

van de straat. Hetzelfde geldt ook voor de

wijk, de buurt en de woning. Enerzijds doen de proefpersonen

hiermee belangrijke uitspraken ten aanzien

van een ruimtelijke situatie, doch anderzijds en dat

is uiterst belangrijk wanneer er sprake is van ruimtelijk

ordenen als participatieproces, doen zij hiermee

uitspraken ten aanzien van wat zij, en juist zij,

als elementen in deze bizondere omstandigheden-kunnen

waarnemen. Alleen deze elementen kunnen immers onderwerp

zijn van maatschappelijke akties in het proces.

1. Maat.

Bekijkt men de foto van de straat, dan ziet men er

rijstroken, stoepen, voortuinen, parkeerplaatsen, de

gevels van de woningen ofwel de straatwand met

zijn ramen, erkers, balkons etc. en dat deel van het

dak, wat mede de ruimte van de straat bepaalt. Hiermee

zijn een aantal elementen genoemd, die een rol

spelen bij de beschrijving van de straat. In het geval

het element gevel direkt grenst aan het element

stoep, dan betreft het een andere straat, dan wanneer

de elementen gevel en stoep gescheiden zijn

door het element voortuin.

Het is de vraag in hoeverre de proefpersonen straatkolken,

stoeptegels en banden als element zullen benoemen

bij hun beschrijving. Bomen en telefooncellen

90


zullen waarschijnlijk wel als element geidentificeerd

worden. Opgemerkt kan worden, dat de genoemde elementen

een bepaalde orde van grootte bezitten. Elk

element zal een veelvoud zijn van een bepaalde maateenheid,

die representatief is voor de afbeelding.

De straat is bijvoorbeeld 6 meter breed, de stoep

3 meter, de voortuin 4,5 meter, de gevelopeningen

1,5 meter etc. In dit geval zullen die ruimtelijke

eenheden als elementen onderscheiden worden, die een,

in alle redelijkheid telbaar veelvoud zijn van 1,5

meter. Bij de beschrijving van de straat zal de lengte

van de straat waarschijnlijk niet aan de orde komen,

daar het een niet hanteerbaar veelvoud is,

bijvoorbeeld 20 x de gebezigde maat. Bij de beschrijving

van de buurt zal deze lengte wel een rol spelen

en kan onderscheid gemaakt worden tussen lange en

korte straten. Zou een kleinere maat, bijvoorbeeld

30 cm, gehanteerd worden, dan zou ook de breedte

van de straat leiden tot een niet hanteerbaar veelvoud,

bijvoorbeeld eveneens 20 x. Die maat zal daarom

nauwelijks als een geschikt kriterium dienst

kunnen doen voor het onderscheiden van elementen op

straatnivo. Er zouden wel andere elementen onderscheiden

kunnen worden, zoals boomkransen, goten, kolken,

stoepranden, opritten, stoepjes bij voordeuren etc.

die wel een bijdrage zouden kunnen leveren aan de beschrijving

van de straat, doch in feite te gedetailleerd

zijn om te kunnen spreken v~n een karakteristiek

van de straat. In wezen blijkt dus een maat als

belangrijk kriterium te kunnen fungeren bij het onderscheiden

van elementen. Hoe groot die maat nu precies

is, doet er nog niet toe1 voorlopig wordt gesproken

van een orde van grootte.

2. Plaats.

In het bovenstaande werd de maat als kriterium onderscheiden

bij het ident~ficeren van elementen. Het gaat

hierbij om een uitsluitend morfologisch kriterium.

Het is direkt waarneembaar en staat niet voor meerdere

interpretaties open. Het is echter noodzakelijk

nog een kriterium in te voeren. Bij de beschrijving

van de straat werden een aantal elementen onderscheiden:

rijstrook, stoep, voortuin e.d. Het is denkbaar

dat het element rijstrook en het element stoep dezelfde

maat hebben; zij zijn dan op grond van hun

91


maatvoering niet zonder meer van elkaar te onderscheiden.

Doordat beide elementen een bepaalde positie

innemen in de straat, dus een bepaalde relatie

onderhouden met elkaar en met de andere elementen,

die de straat kenmerken, kunnen de elementen geïdentificeerd

worden. Nemen we naast de elementen rijstrook

en stoep ook nog het element gevel in beschouwing,

dan pas kunnen beide elementen benoemd worden.

Daarbij wordt wel een beroep gedaan op bepaalde konventies,

waarmee de proefpersonen bekend zijn. De

strook, die direkt grenst aan de gevel, zal nooit een

rijstrook zijn; dit kan alleen een stoep zijn. Het

kriterium, dat hierbij gehanteerd wordt, is geen kriterium

van maat, doch een kriterium van plaats. Uit

de plaats van de strook in het ruimtelijk geheel van

de straat blijkt, dat het om een rijstrook dan wel om

een stoep gaat.

3. Funktie.

Elke uitspraak is echter alleen mogelijk op grond van

het gebruik dat van een dergelijk element gemaakt

wordt. De rijstrook wordt gebruikt door auto's en de

stoep door voetgangers. Juist omdat op de rijstrook

auto's voor kunnen komen, is het voor een ieder duidelijk,

dat deze niet direkt aan de gevel mag grenzen;

dat zou immers veel te gevaarlijk zijn. Dit gebruik

helpt dus mee het element te identificeren. Dit verschil

in gebruik zal konsekwentles hebben ten aanzien

van de wijze, waarop het element gedetailleerd

wordt. Ook hierdoor kan het element (indirekt) onderscheiden

worden en wel op basis van het maatkriterium.

De rijstrook zal bijvoorbeeld een klinkerbestrating

krijgen van klinkers 10 x 20 cm, de stoep zal geplaveid

worden met tegels 30 x 30 cm, de stoep zal 10

cm hoger komen te liggen dan de straat etc. Deze maten

zijn van een andere orde van grootte dan die van de

straat. Toch spelen ze mee bij de identifikatie van de elementen

van de straat, niet direkt als maat, doch doordat

ze als het ware een kode zijn binnen een bepaalde

konventie voor de aanduiding van het gebruik of de

funktie van het element. Deze maten zijn dan vergelijkbaar

met andere kriteria, zoals materiaal en

kleur, die in het kader van deze studie beschouwd

worden als sekundaire kriteria.

Evenals de maatvoering van de elementen het invoe-

92


en betekent van een diskontinuiteit van de ruimte,

geldt dit eveneens voor de funktie van het element.

Het element krijgt door zijn maat een plaats in een

groter ruimtelijk geheel, het element krijgt door

zijn funktie een plaats (in overdrachtelijke zin) in

een groter funktioneel geheel. Doordat bekend is welke

funktie de straat als geheel moet kunnen vervullen,

manifesteren zich de funkties van de verschillende

elementen.

Elementen kunnen omschreven worden als ruimteeenheden,

die gekenmerkt worden door hun maat,

plaats en funktie.

De ruimtelijke dimensie kan geheel opgebouwd gedacht

worden uit elementen. Elke situatie kan beschreven

worden als een samenstel van elementen. Dit houdt in

dat de kenmerken van de elementen tevens de kenmerkenzijnvan

de ruimtelijke dimensie.

4. Toepassing van elementen in een proces.

Men kan zich het proces van ruimtelijk ordenen in de

meest primitieve vorm voorstellen als het ordenen van

een aantal elementen. Het onderscheiden van elementen

is altijd de eerste daad bij de inrichting van het

proces. Betreft het een proces in een andere kultuur

dan de onze, dan zullen waarschijnlijk andere elementen

onderscheiden worden. Hetzelfde geldt ook voor een

subkultuur. Start men in een bepaalde buurt een saneringsprojekt

en men wil de bewoners laten participeren

in dat proces, dan is het noodzakelijk vast te

stellen welke elementen voor hen als groep van personen

relevant zijn, alvorens hen uit te nodigen daar

uitspraken over te doen. In saneringsprojekten ligt

deze zaak nog betrekkelijk eenvoudig omdat men in de

aktuele situatie van de buurt proefnemingen kan doen

in de vorm van enqu~tes, zoals hiervoor omschreven.

Aan de hand hiervan kan men dan vaststellen welke

elementen als zodanig onderscheiden worden en tevens

hoe de bewoners zelf hun buurt karakteriseren.

Dit kan gebeuren door het beschrijven van de relaties

tuosen de elementen, die onderscheiden zijn. Nog een

stap verder en het is mogelijk te komen tot een waardering

van de buurt.

Men kan namelijk het al of niet voorkomen van bepaalde

elementen laten waarderen en eveneens het al of niet

93


voorkomen van bepaalde relaties tussen deze elementen.

Gebruik makend van deze werkwijze, gestoeld op het

onderscheiden van elementen en het laten participeren

van de bewoners, kan een goede start voor een

proces verkregen worden. Door het onderscheiden elementenbestand

verkrijgt men een ruimtelijke inventarisatie,

terwijl de wenselijke relaties tussen de

elementen een aanzet geven voor een doelstelling. Het

verstrekken van mandaten door koppeling van maatschappelijke

groepen aan groepen van elementen is, althans

in principe, geen probleem. Wat voor een saneringsprojekt

geldt, is ook juist voor een nieuwbouwprojekt,

er is alleen een veel minder konkrete situatie

voor handen, zodat op een andere wijze, bijvoorbeeld

door gebruik te maken van afbeeldingen van elders gerealiseerde

buurten en woningen, een idee verkregen

kan worden van het te onderscheiden elementenbestand

als ook van de programma's ten aanzien van de ordening

daarvan.

Par. 3 -

Stelsel van elementen.

1. Identiteit en relaties.

Bij de beschrijving van het model van de stad in de

Indische Wetten, wordt gebruik gemaakt van elementen

als plaza en straat; er worden twee kategorieën van

straten onderscheiden: hoofd- en nevenstraten. Ook in

de bebouwing worden kategorieën onderscheiden: woonbebouwing,

openbare gebouwen, kerken, verdedigingswerken

etc. Al deze elementen hebben een zekere identiteit,

die het mogelijk maakt er over te beslissen.

De elementen kunnen in het voorbeeld op grond van

betrekkelijk eenvoudige kriteria van elkaar onderscheiden

worden, waardoor zij een eigen identiteit

bezitten. Daarnaast bezitten deze elementen het vermogen

relaties met andere elementen aan te gaan.

De identiteit en het vermogen relaties aan te gaan

zijn karakteristiek voor het element. Deze eigenschappen

van het element worden bondig geformuleerd

in de volgende definitie van Ludwig Wittgenstein.

Het Duits heb ik hier gehandhaafd wegens de pregnante

uitdrukkingsvorm, die in het Nederlands niet benaderd

kan worden.

94


Das Ding ist selbständig, insofern es in allen

möglichen Sachlagen vorkommen kann, aber diese

Form der Selbständigkeit ist eine Form des zusammenhangs

mit der Sachverhalt, eine Form der Unselbständigkeit.

Ludwig Wittgenstein, Logisch-Philosophische Abhandling

2.0122 (25, pag. 12).

Deze eigenschappen van het element maken het onmogelijk

dat ze niet deel uit maken van een meer samengesteld

geheel. De karakteristiek van dit geheel is de

manier, waarop de elementen van een geheel zich ten

opzichte van elkaar verhouden. Michel Foucault gaf

hiervan tijdens een diskussie met Noam Chomsky een

voorbeeld. Hij vergeleek met elkaar de positieve afdruk

van een portretfoto en het negatief van dezelfde

foto. Alle elementen (zwarte en witte puntjes) zijn

juist verwisseld in beide afbeeldingen, doch het is

toch mogelijk de geportretteerde te herkennen, doordat

in beide afbeeldingen de "relaties" tussen de

elementen dezelfde zijn. Op het gebied van de

taalwetenschappen kwam men tot de ontdekking, dat de

verwantschap van de talen niet zozeer gezocht moet

worden in de overeenkomst betreffende de wortels van

de woorden, doch dat deze veel eerder ligt in de

overeenkomst tussen de verbuigingen, dus in de transformaties

van de woorden en daarmee in de relaties

tussen de woorden als elementen binnen een systeem

( 7 , pag. 2 5 6) .

Ook Lévi Strauss stelde, dat een struktuur primair

gedefinieerd wordt door de relaties tussen de elementen.

Deze moeten op hun beurt het leggen van relaties

dan ook mogelijk maken, ze worden er door gedefinieerd.

Dit bleek ook wel in de beide voorbeelden

van een situatie met strukturele eigenschappen.

In het geval van het stedelijk model uit de "Indische

Wetten" ging het om een beschrijving van de relaties

tussen elementen: de hoofdstraten gaan door het midden

van de zijden van de plaza etc. Welke afmetingen

welke vorm of welk materiaal gebruikt moet worden,

maakt geen deel uit van de instruktie. Dit houdt in

dat de situatie op tal van manieren gespecificeerd

kan worden tot varianten, afhankelijk van de specifieke

omstandigheden. Dit wil nog niet zeggen, dat

een exakte maatvoering geen deel uit kàn maken van

de strukturele situatie. Er wordt alleen gesteld

dat de struktuur van de situatie tenminste bestaat

uit de beschrijving van de relaties tussen de elementen.

95


2. Stelsel.

Een struktuur is de struktuur van een stelsel. Dit

stelsel wordt gekenmerkt door de identiteit van de

elementen en het patroon van relaties tussen deze

elementen. V~randering van een van de elementen van

het stelsel beinvloedt de andere elementen daarvan.

"Alle organen van een zelfde dier vormen ê~n stelsel

waarvan alle delen afhangen, terwijl ze op elkaar een

bepaalde werking, gevolgd door een reaktie daarop,

uitoefenen. En er kan geen wijziging in een van de

organen optreden, zonder dat er in alle organen analoge

veranderingen plaats grijpen." (7, pag. 288).

Binnen het stelsel van de spijsvertering varieert

de vorm van de tanden (die scheurend of kauwend

van aard kunnen zijn) te zelfder tijd als de "lengte

de plooiing en de verwijdingen van het darmstelsel"

( 7, pag. 288). Een stelsel als geheel kan weer als

element fungeren van een meer omvattend stelsel.

"De spijsverteringsorganen kunnen niet onafhankelijk

van de morfologie van de ledematen (en meer

nog: van de vorm der nagels) variëren. Naar gelang

een dier klauwen of hoeven bezit (in verband waarmee

het dier dus zijn prooi al dan niet kan pakken en

verscheuren), verschillen ook het spijsverteringskanaal,

de "oplossende sappen"; en ook de vorm van de

tanden zal niet gelijk zijn".

"Dit alles zijn vormen van samenhang, zijdelingse

korrelaties, die tussen de elementen van hetzelfde

nivo kc-existentiële verbanden leggen, welke op funktionele

noodzaak zijn gegrond". (7, pag. 289).

(Op deze passage zal ik in deel III, Stelsels, nog terugkomen,

bij de behandeling van het begrip nivo).

Een element kan niet los gezien worden van het stelsel,

waartoe het behoort. Wanneer gesproken wordt van een

stelselmatige benadering, dan betreft het een benadering

"waarbij men een betrekkelijk scherp begrensd

geheel van eigenaardigheden kiest, waarvan dan,

bij elk individueel geval, dat zich voordoet, de

bestendige en veranderlijke eigenschappen worden

bestudeerd" (7, pag. 162).

Tegenover deze stelselmatige benadering staat de methodische

benadering, "waarbij men alles omvattende

vergelijkingen maakt, maar dan binnen empirisch vastgestelde

groepen, waarin het aantal overeenkomsten

klaarblijkelijk zo groot is, dat het opsommen van de

verschillen"niet al te veel tijd zal vergen" (7, pag.

162) •

96


Par. 4 -

De begrippen element en stelsel z~Jn hier toegelicht

met voorbeelden uit de biologie. De begrippen zijn

echter zo algemeen, dat ze in elke tak van de wetenschap

toegepast worden. Men denke aan het periodiek

systeem van Mendelejew in de chemie, geldstelsels in

de ekonomie etc.

Ook bij het bouwkundig ontwerpen kunnen elementen

onderscheiden worden. Het is een van de doelstellingen

van dit onderzoek een voorzet te doen ten aanz~en van

de definiering van deze elementen. Het is echter niet

zo dat bij beschouwing van de bouwkundige werkelijkheid

deze elementen zich opdringen. Pas als door fundamenteel

onderzoek, gebaseerd op vergelijking met

andere takken van wetenschap, het "begrip" element

goed is gedefinieerd, kunnen ook de samenstellende

elementen van die werkelijkheid onderscheiden worden

en kan vastgesteld worden van welke stelsels ze deel

uit maken.

De probleemstelling loopt hier enigszins parallel met

die van Christopher Alexander (Notes on the synthesis of

form) (1), die binnen de kontext van een bepaald pro­

Jekt of een bepaald soort van projekten geledingen

probeert te ontdekken, die een zekere onafhankelijkheid

bezitten, doordat ze als groep van elementen

een minimale relatie onderhouden met andere

groepen. De vraagstelling loopt parallel, doch de oplossing

wordt in dit onderzoek in een geheel ander

vlak gezocht, narnelijk in de procesmatige opzet van

het ontwerpen en in een aktieve rol van de maatschappelijke

wereld.

Kategorie van elementen.

Een stelsel bestaat uit elementen.

De elementen en hun onderlinge relaties geven het

stelsel zijn karakteristieke eigenschappen.

De vraag doet zich nu voor of diezelfde elementen ook

geen andere relaties met elkaar hadden kunnen aangaan.

Het antwoord hierop is positief. Het model van de stad

had even goed strukturele eigenschappen gehad als het

element hoofdstraat juist in het verlengde van de

zijde van de plaza gesitueerd was in plaats van de nevenstraten.

In dit geval was met behulp van dezelfde elementen

door. middel van andere relaties een andere situatie

ontstaan met andere eigenschappen. Deze elementen

behoren op grond daarvan tot een kategorie van elementen,

waarvan de elementen alle mogelijke relaties

97


met elkaar kunnen aangaan, doch waarvan het aantal in

principe beperkt is, althans, overzichtelijk is.

Alle elementen die een rol "kunnen" spelen bij het

funktionele geheel van een stedelijke struktuur maken

deel uit van een kategorie. Bezien we niet één voorbeeld

van een stedelijke struktuur, doch bestuderen

we tal van voorbeelden van stedeli'ke strukturen,

dan zal heel" van elementen, dat daarbi'

ebezi

de kate orie van elementen vormen

die kenmerkend is voor de stedelijke struktuur. De

kategorie zal daarbij bestaan uit elementen, die op

meerdere manieren relaties met elkaar kunnen aangaan

en die alle betrekking hebben op het funktioneren

van een stedelijke struktuur.

In deel III, Stelsels, zal blijken, dat de elementen,

die op één nivo gesitueerd worden, deel uit maken

van een kategorie van elementen, zoals hier beschreven.

Par. 5 -

Elementenstelsel.

Dit deel wordt nu afgerond met een samenvattende

beschouwing ten aanzien van het begrip element. Die

doet tevens dienst als overgang naar het volgende

deel, Stelsels.

Het begrip element is in staat een verzoening tot

stand te brengen tussen twee paren van op het oog

schijnbare tegenstellingen.

Een element heeft zowel een beeldend als een technisch-operationeel

vermogen en is zowel konkreet als

algemeen.

Om met de eerste tegenstelling te beginnen. Een element

is gesitueerd in twee sferen. De ene sfeer is

de mythisch magische sfeer. Het menselijk denken in

die sfeer is geheel gebonden aan beelden. Deze beelden

kunnen tekens worden en als zodanig ergens naar

verwijzen. Dit aan.beelden gebonden denken, het mythisch

denkèn~ kan'daardoor toch generaliserend en

wetenschappelijk zijn. Het is de wereld van de magie,

door Lévi Strauss aangeduid als de wetenschap van het

konkrete, wier arbeidsterrein beperkt blijft tot

het zintuigelijk waarneembare en waarbij elke beschrijving

en elk resultaat uitsluitend plaats heeft in

termen van het zintuigelijk waarneewhare. In deze

mythisch-magische s·feer bestaat er een dirakte relatie

tussen de mensen en de beelden; zij zijn er mee

vertrouwd, zij vormen zijn wereld; deze beelden en de

98


manier, waarop ze deel uit maken van een klassifikatie

van beelden vormen als het ware de projektie

van die mens op de hem omringende wereld, waardoor

hij deze wereld kan begrijpen en beinvloeden.

In deze sfeer ligt het beeldend vermogen van de

elementen, die pas werkelijk aanspreken als ze afbeeldbaar

zijn; als er een voorstelling van te maken

is.

De elementen liggen echter ook in een geheel andere

sfeer: de logisch-technische sfeer. Dit is niet het

denken in beelden; het moderne denken wordt juist gekenmerkt

doordat het losgekoppeld is van de voorstelling.

Het is een denken in modellen, in stelsels,

systemen en processen, waardoor het mogelijk werd, dat

de wetenschap zich met zulke enorme sprongen heeft

kunnen ontwikkelen, en er op technologisch gebied

zulke vorderingen zijn gemaakt, dat er een kloof is

ontstaan tussen de manier waarop de dingen bedacht

en uitgevoerd worden en de manier waarop ze ervaren

en beleefd worden.

Het is zo, dat het begrip element slechts beschreven

kan worden op het snijvlak van deze sferen. Zowel het

beeldend vermogen als het technische aspekt zijn bij

het maatschappelijk relevante ruimtelijk ordenen van

belang. Het is niet alleen van belang dat de dingen

verbeeld kunnen worden, doch ze moeten tevens in termen

van processen ontwikkeld en uitgevoerd kunnen

worden. Dit leidt in deze studie tot de ontwikkeling

van een ruimtelijk koncept, waarin beeldende elementen

in een logisch stelsel ondergebracht worden.

Een proces van ruimtelijke ordening wordt in deze

studie opgevat als een besluitvormingsproces. Dit

proces zal in de eerste fase globaal van aard zijn,

terwijl in de latere fase meer gedetailleerde besluiten

aan de orde zullen komen. Willen maatschappelijke

groepen werkelijk kunnen participeren in het

proces, dan zouden ook in die algemene fasen beeldende,

konkrcte elementen ter beschikking moeten staan.

Dit houdt in dat de algemene elementen konkreet zullen

moeten zijn. In eerste instantie lijkt dit een

tegenspraak; een element zal konkreet zijn naarmate

het meer specifiek is, naarmate meer specifikaties bekend

zijn, zodat het gemakkelijker wordt er een voorstelling

van te maken. Deze tegenstelling kan opgeheven

worden door het algemene element niet werkelijk

specifiek te laten zijn, doch door aan te geven

langs welke weg het algemene element gespecificeerd

99


kan worden. Gespecificeerd tot elke graad van uitwerking,

die in de besluitvormingssituatie noodzakelijk

geacht wordt. Dit kan gebeuren door het algemene

element en de specifikaties daarvan deel uit te laten

maken van een stelsel, waarin deze weg aangegeven

wordt. Binnen het kader van dit stelsel is elk element

precies zo konkreet en beeldend als gewenst is.

De twee tegenstellingen beeldend en technisch en.

beeldend en al emeen kunnen met elkaar verzoend worden

door een st arin beeldend vermo en technische

hanteer

n specificeerbaarbeid samen

gaan. Dit stelsel wordt aangeduid als elementenstelsel.

Hoewel een stelsel altijd uit elementen bestaat,

(zie par. 3), is hier geen sprake van een pleonasme.

De geledingen van het stelsel of wel de elementen

er van worden in deze studie gevormd door elementenkategorieën

(zie par. 4), bestaande uit

ruimte- elementen, die op een bepaald nivo van algemeenheid

een funktioneel geheel kunnen bewerkstelligen.

Dit elementenstelsel geeft een eerste geleding

van de ruimtelijke dimensie, die door benoeming

van dP. elementen gespecificeerd kan worden tot

een elementensysteem. Als zodanig vormt dit stelsel

een struktuur, die nog op verschillende manieren

in de vorm van systeemvarianten uitgewerkt

kan worden. Binnen het kader van een dergelijk systeem

is het dan weer mogelijk met behulp van ruimtelijke

elementen ruimtelijke strukturen te beschrijven,

die op zich weer startpunt kunnen worden voor een

uitwerking in varianten. De opbouw van dit stelsel

is de inhoud van deel III, Stelsel, terwijl in deel

IV, Proces, aangegeven wordt hoe op basis van de

ruimtelijke voor-ordening de spelregels opgesteld

kunnen worden voor het spel van het ruimtelijk ordenen.

100


·~

..

t


Deel III - Stelsels.

0. Inleiding.

In dit deel ligt het zwaartepunt van de studie. Het

gaat hier om een ordening van de ruimtelijke dimensie

in de vorm van een ruimtelijk stelsel. Dit stelsel

levert de preformatie of voor-ordening waar aan het

einde van deel I, Spel, om gevraagd werd.

Oe beschrijving van het stelsel wordt mogelijk doordat

nu, na deel II, Struktuur en Elementen, beschikt

wordt over twee essentiële begrippen, die deze ordening

tot stand kunnen brengen. In het volgende deel,

Proces, zal deze ordening gebruikt worden om een

proces-model te koncipiëren Naast een ordening in de

ruimtelijke dimensie wordt dan tevens een ordening

aangebracht in de wereld van de maatschappij en de

dimensie tijd.

Het ruimte-stelsel wordt opgevat als een synthese

van twee andere stelsels, namelijk een elementenstelsel

en een maatstelsel. Hoofdstuk 1 heeft betrekking

op de ontwikkeling van een elementenstelsel,

hoofdstuk 2 betreft het maatstelsel, terwijl

hoofdstuk 3 het samengaan van deze twee stelsels

in een ruimte-stelsel tot onderwerp heeft.

101


Hoofdstuk 1 -

Elementenstelsel.

0. Inleiding.

In dit hoofdstuk wordt voortgebouwd op het begrip

element, zoals dat in.deel II werd ontwikkeld.

Daarin werd al aan de hand van een voorbeeld uit de

biologie duidelijk, dat elementen deel uit kunnen

maken van een bepaalde, funktionele samenhang, die

op zich weer als element kan fungeren voor een meer

omvattend funktioneel geheel. Hiermee werd een zekere

gelaagdheid geintroduceerd, dieverder

wordt aangeduid als een geleding in nivo's. Gesteld

wordt, dat een nivo een kategorie elementen inhoudt,

waarvan elk element op een lager nivo uitgewerkt kan

worden in varianten. Met andere woorden: een element

van een hoger nivo kan op een lager nivo optreden

als situatie met strukturele eigenschappen, en kan

dus (volgens de definitie van struktuur) uitgewerkt

worden in varianten.

Dit hoofdstuk start met drie voorbeelden van ruimtelijk

ordenen: dekken van een tafel, inrichten van een

vertrek en indelen van een woonstruktuur. Elk voorbeeld

wordt op identieke wijze beschreven: er wordt

begonnen met een beginsituatie, daarna worden de

elementen, die gebruikt worden bij het indelen van

deze situatie, in termen van maat en funktie gedefinieerd

• Vervolgens wordt een hrogramma geformuleerd

(door een denkbeeldige maatsc appelijke groep), waarin

uitspraken gedaan worden over aantallen elementen

en relaties tussen elementen in termen van plaats.

Daarna wordt de eindsituatie beschreven of getekend;

of beter: eindsituaties, want deze blijkt in varianten

voor te komen. De beginsituatie kan dan ook opgevat

worden als een situatie met strukturele eigenschappen.

Deze voorbeelden geven aanleiding tot het maken van

enige kanttekeningen, waardoor het mogelijk wordt

enkele voor het ruimtelijk ordenen belangrijke termen

wat meer reliëf te geven: situatie, elementen,

programma, varianten. Bovendien wordt hierdoor materiaal

aangedragen, waardoor het begrip nivo niet alleen

in logische zin, doch tevens op een meer beeldende

manier vorm kan krijgen. Met enkele kanttekeningen

ten aanzien van het begrip nivo wordt dit

hoofdstuk beëindigd.

102


Par. 1 -

Dekken van een tafel.

Een tafel van gegeven afmetingen wordt op zijn bruikbaarheid

getoetst op basis van een gegeven programma.

Het programma doet uitspraken over elementen. Ook de

situatie bestaat uit elementen: de tafelranden, die

eventueel nog gespecificeerd kunnen worden naar hun

afmetingen, bijvoorbeeld tafelrand van 75 cm. etc.

1. Situatie (fig. 3.1)

Een tafelblad van 75 x 100 cm.

1100

situatie

fig.31

2. Elementen (fig. 3.2)

Borden, messen, vorken, lepels, glazen.

Een bord plus een mes, een vork een lepel en een glas

worden aangeduid als een couvert en treden op in een

vaste konfiguratie. Een couvert heeft de maat van

25 x 25 cm.

~-

1251

elementen

fig.3.2

3. Programma.

Relaties tussen elementen.

1) De afstand tussen twee couverts mag niet kleiner zijn

dan 12,5 cm.

2) De couverts moeten met een zijde aan de tafelrand

grenzen.

103


3) De afstand van een andere zijde van een couvert tot

een tafelrand is minstens 12,5 cm.

Aantallen elementen.

1) Er moeten minstens 4 couverts gedekt worden.

4. Varianten (fig. 3.3)

Er on.tstaat een reeks van varianten. In deze reeks

kan een geleding aangebracht worden door ze bijvoorbeeld

te groeperen naar:

- couverts aan 2 zijden

- couverts aan 3 zijden

- couverts aan 4 zijden.

Dan nog zijn er per groep tal van mogelijkheden.

Van elke groep kan een representatieve variant weergegeven

worden, die een aantal zogenaamde sub-varianten

vertegenwoordigt. (zie kanttekening 3)

Voor een verdere behandeling van dit voorbeeld worden

twee representatieve varianten uitgekozen. Deze worden

gekenmerkt door een symmetrische plaatsing van

de 4 couverts. Deze varianten zijn afgebeeld in

figuur 3.3.

De keuze van de twee varianten is hier gemaakt nadat

de varianten gegenereerd zijn. Het was natuurlijk ook

mogelijk geweest door middel van een andere formulering

van het programma alleen symmetrische varianten

te vragen.

variant A

varianten

fig.3.3

0

variant B

5. Kanttekening 1 - Equivalente varianten.

Beide varianten zijn per definitie gelijkwaardig.

Zij zijn namelijk het resultaa.t van dezelfde situatie

en hetzelfde programma. Als men vaststelt, dat variant

Been betere oplossing is.dan variant A, omdat er meer

ruimte is voor dekschalen, dan staat deze opmerking

104


"buiten spel". Het kan echter z~Jn dat men aan dit

punt zoveel belang hecht, dat het deel uit zou moeten

maken van het programma. Met behulp van dit uitgebreide

programma worden dan opnieuw varianten gegenereerd,

die opnieuw weer allen gelijkwaardig zijn. Het kan

evenwel zijn dat er van de twee varian~en slechts

een of misschien geen enkele over blijft. Dit is

êên voorbeeld van de wijziging van een programma.

Het programma kan ook gewijzigd worden door een

andere keuze van elementen te maken, stel een

couvert: 20 x 20 cm, of men kan het programma wijzigen

en een kleinere afstand gedogen tussen elementen

etc. Het zal duidelijk zijn dat door verscherping

of verruiming van het programma het aantal

varianten verkleind dan wel vergroot zal worden.

Hetzelfde geldt eveneens voor vergroting of verkleining

van de situatie. Nemen we de situatie

75 x 75 cm, dan blijft er van de twee oorspronkelijke

varianten slechts één over.

Kanttekening 2 - Relati~ tussen aantal varianten

en maateenheid.

Het resultaat van het eerste voorbeeld gaf twee varianten:

A en B. De opstelling van variant B voldoet

precies aan het programma. Elk couvert staat

precies op zijn plaats en kan geen centimeter meer

verschoven worden op straffe van niet meer te voldoen.

De opstelling van variant A (fig. 3.3) heeft

echter nog speling voor de plaatsing van de couverts

aan de lange zijde van de tafel en als gevolg daarvan

ook weer voor de couverts langs de korte zijde.

In principe betekent een verschuiving van 1 cm

al een nieuwe variant. Het aantal varianten is dan

ontelbaar. Het is evenwel duidelijk dat dit geen

wezenlijke varianten zijn, daar geen nieuw gebruiksaspekt

aan de orde komt. De vraag komt op welke maatsprong

nu gehanteerd moet worden om wel wezenlijke

varianten te verkrijgen. Als deze maatsprong te klein

is dan ontstaan er veel niet essëntiele varianten:

is de maatsprong te groot, dan gaan er wezenlijke

varianten verloren. Het onderzoek naar de, in bepaalde

gevallen, juiste maatsprong ligt altijd in een

dergelijk spanningsveld. In dit specifieke voorbeeld

ligt een maatsprong van 12,5 cm voor de hand, daar

deze reeds impliciet bij de formulering van situatie

en programma gehanteerd is. Deze maatsprong is de

105


maateenheid, waarmee tijdens dit onderzoek gemeten

wordt, niet alleen de maten van de situatie en de

elementen, doch eveneens de maat van de vrije ruimte,

die tussen de elementen gewenst wordt (in het

programma). Met behulp van deze maateenheid kan een

raster beschreven worden met de afspraak, dat elk

element een of meer komplete velden uit het raster

beslaat. Het is dan bij het bepalen van de varianten

niet meer noodzakelijk alle posities ten opzichte

van elkaar uit te meten, doch het raster kan als referentiekader

dienen. Het probleem is dan vereenvoudigd

door het telbaar te maken; afstand couverts

tot elkaar: 2 velden, afstand tot tafelrand: 0, of

1 veld etc. terwijl alleen maar zinvolle varianten

genoteerd kunnen worden.

Kanttekening 3 - Soorten van varianten. (fig. 3.4)

Worden alle subvarianten van variant A genoteerd,

dan gaat het ondanks de vrij forse maatsprong toch

nog om grote aantallen. Het aantal varianten is in

dit geval echter terug te brengen tot 2 stuks, namelijk

de oorspronkelijke varianten A en B. Dit zijn

su bvarianteh Ä

fig.34

de basisvarianten, terwijl de afgeleide varianten met

subvarianten worden aangeduid. Bij de basisvarianten

gaat het om couverts langs twee zijden of langs 4

zijden van de tafel, hetgeen een wezenlijk ander

gebruik geeft. Bij de subvarianten gaat het slechts

om positieveranderingen binnen dit kader. Het is de

vraag in hoeverre het voor de beoordeling van de

situatie of het programma van belang is te beschikken

over basis- dan wel over subvarianten. In dit specifieke

geval geven de basisvarianten al voldoende

informatie.

Straks, in paragraaf 4 punt 4, zal verder ingegaan

106


worden op de verschillende aspekten, die samenhangen

met varianten. Daar zal ook het verschil tussen basisen

subvarianten nauwkeuriger worden beschreven.

Kanttekening 4 -

Ontwerpen van een representatieve

tafel. (fig. 3.5)

Op basis van het feit dat de tafel voldoet aan het

programma, kan gesteld worden dat de tafel geschikt

is voor 4 personen. Meer personen kan in elk geval

niet. Doch het was wel mogelijk 4 personen te laten

eten aan een aanmerkelijk kleinere tafel, namelijk

een tafel van 75 x 75 cm (fig. 3.5)

Par. 2 -

175

repr:tafel

fig.35

Hoewel het op basis van een dergelijk onderzoek niet

mogelijk is vast te stellen wat de afmetingen van

een 4-persoons tafel moeten zijn, kan ik door voortdurend

telkens iets afwijkende tafelmaten te kiezen,

benaderen wat de orde van grootte van een dergelijke

tafel zou moeten zijn, uitgaande van het nu nog betrekkelijk

willekeurige programma. Dit kan leiden

tot een zogenaamde representatieve tafel, maar het

kan ook leiden tot een reeks van tafels, die allemaal

aan de gestelde eis beantwoorden. Het is evenwel

altijd mogelijk vast te stellen, wat de minimale

afmetingen zijn van een tafel, die aan het

gegeven programma voldoet.

Indelen van een vertrek.

Bij de notitie van situatie, elementen·en programma

wordt gebruik gemaakt van kanttekening 2 van voorbeeld

1. Er wordt een maateenheid van 30 cm gerntroduceerd.

Op basis van deze maateenheid wordt

107


een raster ontwikkeld met velden van 30 x 30 cm. Bij

alle maat- en plaatsbepalingen wordt van dit raster

gebruik gemaakt.

1. Situatie (fig. 3.6)

Vertrek met afmetingen van 360 x 360 cm. Een zijde

wordt aangeduid met gevel, de daar tegenover liggende

zijde met ingangszijde en de twee andere zijden met

wanden 1 en 2.

gevel

N

§ ~

~ ~~

1 ngangszi jde- -

13o0 I

2. Elementen (fig. 3.7)

Situatie

fig.3.6

Bed 90 x 210 cm.

Kast 60 x 150 cm.

Werkblad 60 x 150 cm.

Deur 90 x 90 cm.

Het zal duidelijk zijn dat bij het element deur niet

de afmetingen van de deuropening bedoeld worden, doch

de afmetingen, die de deur vraagt om te kunnen funktioneren

in een horizontaal.vlak.

·oo cO~

ro

N

1901 werkbed

blad

elementen

fig.37

o~ ·~

6)

kast

deur

108


3. Programma.

Relaties tussen elementen.

1) Bed - bed. Twee bedden grenzen met 210-zijde aan

elkaar; dit levert een samengesteld

element op van 180 x 210 cm.

2) Bed - kast: afstand min. 60 cm.

3) Bed - werkblad: afstand min. 60 cm.

4) Bed - deur: mogen aan elkaar grenzen.

5) Kast - werkblad:mogen met 60 cm zijde aan elkaar gren-

6)

7)

Kast - deur:

Werkblad -

deur:

zen.

mogen aan elkaar grenzen.

mogen aan elkaar grenzen.

Relaties tussen situatie en elementen.

1)

2)

3)

4)

5)

6)

7)

8)

9)

10)

11)

12)

13)

Gevel -

Gevel -

bed:

kast:

Gevel-werkblad:

Gevel - deur:

Ingangszijde

- bed:

Ingangszijde

- kast:

Ingangszijde

- werkblad:

Ingangszijde

- deur:

Wand 1 of 2

- bed:

Wand 1 of 2

- kast:

Wand 1 of 2

- werkblad:

Wand 1 of 2

- deur:

Wand 1 of 2,

ingangszijde,

- bed:

afstand min. 60 cm.

kast mag met 60-cm zijde grenzen aan

gevel.

mogen aan elkaar grenzen.

niet aan de orde.

Bed mag slechts met 180 cm zijde aan

ingangszijde grenzen,

indien het er niet aan grenst, dan:

afstand min. 60 cm.

mogen aan elkaar grenzen.

mogen aan elkaar grenzen.

moeten aan elkaar grenzen.

Bed mag slechts met 180 cm zijde aan

wand 1 of 2 grenzen,

indien het er niet aan grenst, dan:

afstand min. 60 cm.

mogen aan elkaar grenzen.

mogen aan elkaar grenzen.

mogen aan elkaar grenzen.

bed moet met 180 cm zijde grenzen aan

wand 1 of 2, of ingangszijde.

109


14) Wand 1 of 2,

ingangszijde,

- kast: Kast moet met 150 cm zijde grenzen aan

wand 1 of 2, of ingangszijde.

15) wand 1 of 2,

gevel-werkblad: werkblad grenst met 150 cm zijde aan

wand 1 of 2 of gevel.

Aantal elementen.

1) Twee bedden;

2) een kast;

3) een werkblad;

4) een deur.

4. Varianten. (fig. 3.8).

Evenals bij het voorbeeld van het tafel dekken wordt

voor de illustratie het aantal varianten beperkt tot

2 stuks. Bij variant A staat de kop van het bed tegen

een zijwand en bij variant B staat de kop van het bed

tegen de ingangszijde. Beide varianten vertegenwoordigen

een bepaald type van indeling. Het verschil in

indeling zal door de gebruikers als wezenlijk ervaren

worden.

)

-

,--

f\1

vanantA

varianten

fig.38

._


tJ

var1ant B

Deze varianten worden daarom aangeduid als basisvariant.

Elke basisvariant kan weer op verschillende

manieren worden uitgewerkt tot sub-varianten. In paragraaf

4.4 worden de begrippen basis- en subvariant

nog nader uitgewerkt.

V

110


5. Kanttekening 1 - Formulering van het programma.

Bij de formulering van het programma is een geleding

aangebracht door eerst de relaties tussen de elementen

te noteren, vervolgens de relaties tussen de elementen

en de situatie en daarna worden uitspraken gedaan

ten aanzien van aantallen elementen.

Een meer principiële geleding ontstaat door het

programma op te vatten als een specifieke uitwerking

van een meer algemeen programma. In dat algemene

programma zijn dan alle relaties geformuleerd,

die altijd geldig zijn voor slaapvertrekken: een bed

mag bijvoorbeeld nooit grenzen aan een gevel. Bij een

dergelijke notitiewijze kan er gebruik gemaakt worden

van een gestandaardiseerd, algemeen programmadeel, dat

in algemene zin de funktie slapen veilig stelt. Dit

deel wordt dan gevolgd door het specifieke deel, dat

van toepassing is voor een bizondere ontwerpsituatie.

Zo'n algemeen programma wordt ook wel aangeduid als

een patroon. Hierbij denk ik aan patronen, zoals die

ontwikkeld zijn door Christopher Alexander o.a. ten

behoeve van zogenaamde civic eentres ( 2 ) •

Deze patronen leggen relaties tussen elementen; zij

zijn in hoge mate konstant en onafhankelijk van

een specifiek projekt en als zodanig zijn deze patronen

struktureel van aard: zij leggen kwaliteiten

vast, leiden tot varianten etc.

Kanttekening 2 -

Ontwerpen van een representatief

vertrek c.q. norm.

Een vertrek van 360 x 360 cm voldoet aan het gestelde

programma; er zijn zelfs twee basisvarianten. De vraag

is nu of er ook nog andere vertrekken zijn, die aan

het programma voldoen. Een vertrek van 360 x 390 cm

zal uiteraard voldoen, doch dit is hier niet van belang.

Straks zal blijken dat het belangrijk is de

minimum voorwaarden te kennen, waaronder een programma

nog gerealiseerd kan.worden.

Een vertrek van 270 x 450 cm en een vertrek van 390

x 300 cm blijken echter eveneens te voldoen. Deze

vertrekken werden op dezelfde wijze getoetst als het

vertrek uit het voorbeeld. Het is echter mogelijk

deze alternatieven te. zien als situaties, die niet

111


los naast elkaar staan, doch ze op te vatten als

exemplaren van een verzameling situaties. De algemene

notitie van deze verzameling zal niet een naar lengte

en breedte gespecificeerd oppervlak zijn. De notitie

zal wel een oppervlak zijn, doch een oppervlak, aangeduid

door een aantal vierkante meters, dat nog op

verschillende rnanieren gespecificeerd kan worden tot

lengte- (of beter diepte-) breedte kombinaties. Een

oppervlak van bijvoorbeeld rond 10 m2 is een algemene

notitie van een dergelijke verzameling situaties.

De exemplaren zijn een verzameling rechthoeken met

wisselende breedte en diepte en nagenoeg hetzelfde

oppervlak.

Bezien we de drie alternatieven 270 x 450 cm, 300 x

390 cm en 360 x 360 cm, dan blijken deze vertrekken

een oppervlakte te hebben van respektievelijk 12,15

m2, 11,70 m2 en 12,96 m2.

De vraag is nu: welke algemene notitie van de verzameling

situaties behoort bij het programma uit het

voorbeeld.

Het gaat hier om een kombinatie van een minimaal

oppervlak en een minimale breedte, waarin dit programma

kan worden gerealiseerd. Stellen we deze kombinatie

op 11,70 m2 en een breedte van 270 cm, dan blijken

alle onderzochte alternatieven exemplaren te zijn

van deze verzameling situaties.

Het programma, zoals dat in dit voorbeeld werd geformuleerd,

mag representatief geacht worden voor de

funktie hoofdslaapvertrek. Gaan we na welke eisen

hieraan gesteld worden in de Voorschriften en Wenken

van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke

Ordening (V en w 1965) (24), dan moet het oppervlak tenminste

11 m2 bedragen en de breedte moet minstens

270 cm zijn. Het oppervlak, waar het hier om gaat,

is een netto oppervlak, dus zonder kasten. Aan bergruimte

moet bij deze funktie twee kasten geplaatst

worden van 60 x 80 cm, dus in totaal 0,96 rn2.

Wordt het bruto oppervlak van 11,70 m2 verminderd met

deze twee kasten, dan resteert 10,74 m2, wat na afronding

inderdaad 11 m2 oplevert. Door deze afronding

gaat echter een waardevolle oplossing , narnelijk het

vertrek van 300 x 390 cm, verloren. Uit deze behandeling

volgt als vanzelf een voorstel tot een.meer getrapt

systeem van toetsing van vertrekken.

In eerste instantie zal dan getoetst worden op minimum

oppervlak, uitgedrukt in hele vierkante meters,

plus een minimale breedte.

In tweede instantie zal getoetst worden op een opper-

112


vlak.met een niet afgerond aantal vierkante meters in

kombinatie met een minimale breedte.

In derde instantie zal getoetst worden op een vrij

gespecificeerd programma, zoals bij de aanvang van

het voorbeeld.

Op deze wijze werkend kan in eerste instantie globaal

en dus snel gewerkt worden, terwijl in bizondere

gevallen en die doen zich bij het ontwerpen altijd

voor,teruggevallen kan worden op een meer verfijnde

wijze van toetsen.

De inhoud van deze kanttekening kan op twee manieren

worden opgevat. Enerzijds gaat het om het noteren

van een verzameling situaties, waarvan elk exemplaar

voldoet aan een gegeven programma. Anderzijds gaat het

om een nieuwe soort van toets, waarmee op een algemene

wijze een situatie getoetst kan worden. Het is geen

programma in de zin, waarop het begrip tot nu toe

werd gehanteerd: het legt namelijk geen relaties tussen

elementen doch het is een algemene versie daarvan,

die rechtstreeks situaties verschaft, waarvan de

gebruikswaarde op grond van gemiddelde waarden vaststaat.

Deze algemene vorm van een programma wordt

aangeduid met het begrip norm.

Een norm vervangt een programma; op grond van een

toetsing met behulp van een norm kan vastgesteld

worden of aan een situatie een bepaalde funktie kan

worden toegekend. Een norm is representatief voor

een verzameling situaties en de funktie die deze

kunnen vervullen.

Zie hiervoor verder paragraaf 3 - programma.

Kanttekening 3 - Voorschriften en Wenken 1965. (24)

V en W 1965 is een voorbeeld van een normstelling.

Deze voorschriften en wenken hebben onder meer tot

doel eisen te stellen aan vertrekken en indelingen

van woningen om een gemiddelde·kwaliteit te

garanderen. Wordt deze kwaliteit aangetoond,

dan volgt hieruit voor elke woning, die in de gesubsidiëerde

sektor wordt gerealiseerd, een bijdrage uit

's Rijks kas, die van jaar tot jaar opnieuw wordt

vastgesteld in de zogenaamde Bijdrageregeling.Voor

de funktie hoofdslaapvertrek is de norm al geformuleerd,

namelijk een minimaal oppervlak van 11 m2 en

een minimale breedte van 270 cm. Ook de andere

funkties binnen de woning worden op een dergelijke

113


Par. 3 -

wijze omschreven. Elke funktie heeft daarbij een

waardering, uitgedrukt in zogenaamde verblijfseenheden

(V.E.). Een vertrek kan een waardering hebben,

variërend van 0, 0,5 tot en met 1,5 VE. De totale

kapaciteit van een woning kan behalve in een aantal

vertrekken dus eveneens opgegeven worden in aantallen

VE's. De waardering van de funktie hoofdslaapvertrek

is 1 VE. ·

Elke funktie kan, behalve met een naam, eveneens

aangeduid worden met een letter-cijfer kode. Zo

wordt de funktie hoofdslaapvertrek aangeduid met de

kode S3. Desgewenst kunnen nog nadere specifikaties

aangebracht worden.

De V en W 1965 is een normstelling ofwel een stelsel

van normen, die even zoveel funkties vertegenwoordigen.

Elke funktie is een notitie van een verzameling

situaties, die voldoen aan een bepaald programma. De

normstelling is tevens een programma in zoverre het

uitspraken doet ten aanzien van een aantal malen dat

een funktie voor moet komen: bijvoorbeeld, minstens

êên funktie hoofdslaapkamer per indeling, en wanneer

het uitspraken inhoudt ten aanzien van relaties

tussen elementen. Het hoofdslaapvertrek is bij een

dergelijke uitspraak al geen subjekt meer doch objekt#

het wordt dan gehanteerd als element. Wij zijn

daarmee aangekomen op de problematiek van het volgende

voorbeeld, waar de V en W het elementenbestand

gaat verschaffen, en tevens deel uit maakt van het

programma, omdat het uitspraken bevat ten aanzien van

aantallen en relaties. ·

Indelen van een woonstruktuur.

Een woonstruktuur of drager is een algemeen woongebouw,

dat nog gespecificeerd kan worden tot woningen.

Hiertoe moet de drager nog ingedeeld worden. Deze

indelingen worden dan geëffektueerd met behulp van

een inbouwpakket. Een drager wordt volgens SAR 65 ge­

~oteerd als een aaneengesloten groep sektoren, die

gesitueerd zijn in een zOnering. De termen sektor en

zOnering kwamen in deel II, Struktuur, al aan de

orde. Evenals in het vorige voorbeeld worden ook

hier alle notities vastgelegd in een 30 cm-raster.

De bouwmuren van de drager worden dan 30 cm dik getekend,

terwijl de scheidingswanden slechts aangegeven

worden met een lijndikte (zie hiervoor hoofdstuk

2).

114


1. Situatie (fig. 3.9)

Deze bestaat uit twee alfa-zOnes van 270 cm breed,

elk geflankeerd door twee marges van 180 cm breed.

De bovenste zOne (op de tekening) krijgt het nummer 1,

de onderste het nummer 2. De marges worden aangeduid

met boven- en ondermarge. Tussen de ondermarge van

zOne 1 en de bovenmarge van zOne 2 wordt een bêtazOne

verondersteld van 270 cm. Elke zOne wordt verdeeld

in twee sektoren. De linkse sektor (op de

tekening) in zOne 1 krijgt het nummer 1.1.

Op analoge wijze worden de sektoren 1.2, 2.1 en 2.2

gesitueerd. Elke sektor heeft een vrij indeelbare

breedtemaat. Sektor 1.1: 420 cm, sektor 1.2: 270 cm,

sektor 2.1: 420 cm, sektor 2.2: 270 cm. Hiermee is

~ktor

1.1

sektor

2.:1

1.2

.Q

u

(1)

.....

1=:

5

22

1420 IIZ70 I

situatie

fig.3.9

I~ marge

R ·rtzone

zone 1

~ marge

...-

R l1201e

N

I~

marge

R

N

~1

~

marge

een situatie gedefinieerd.

In de bovenmarge van zOne 1 en in de ondermarge van

zOne 2 worden in de verschillende sektoren puien geplaatst.

Elke pui heeft een dikte van 30 cm.

Hierdoor wordt het gebruik, dat van dè.marges gemaakt

kan worden, beperkt.

Ook ten aanzien van het gebruik van de ondermarge

van zOne 1 en de bovenmarge van zOne 2 worden beper-

115


kingen ingevoerd. Er wordt van uit gegaan, dat deze

marges voor wat betreft de sektoren 1.2 en 2.2 geheel

bezet zijn door een sanitaire groep.

Van alle marges van de situatie kan nu in een overzicht

worden aangegeven welk deel nog ter beschikking

staat voor de indeling van de sektoren.

sektor 1.1

sektor 1.2

sektor 2.1

sektor 2.2

bovenmarge 0

bovenmarge ISO

bovenmarge 180

bovenmarge 0

cm, benedenmarge

cm,· benedenmarge

cm, benedenmarge

cm, benedenmarge

180 ·Cm.

0 cm.

0 cm.

150 cm.

Voor het gebruik van de marges geldt, dat de bovenmarges

van de sektoren 1.1 en 1.2 en de benedenmarges

van de sektoren 2. 1 en 2. 2 maximaal bezet moeten

worden en dat de benedenmarge van de sektoren

1,2 en 1.1 en de bovenmarge van de sektoren 2.1 en

2.2 in principe helemaal dan wel gedeeltelijk bezet

moeten worden.

2. Elementen.

Bij dit onderzoek worden vertrekken als elementen gehanteerd.

Hierbij wordt gebruik gemaakt van het gestelde

in kanttekening 2 en 3 van voorbeeld 2. Elk

element wordt aangeduid met een kode, die zijn funktie

aangeeft. Een element met de kode SJ vervult de funktie

hoofdslaapvertrek. Met de notitie element S3

wordt de verzameling elementen aangeduid, die alle de

funktie hoofdslaapvertrek kunnen vervullen.

Daarnaast wordt van elke funktie de norm aangegeven,

in termen van minimaal oppervlak en minimale breedte

plus de waardering in VE's, die aan de funktie wordt

toegekend. In principe gaat het bij alle vertrekken

behalve bij de funkties Wl en W2 om rechthoekige

oppervlakten. De elementen met de funktie Wl en W2

zijn inde SAR-terminologie algemene verblijfsruimten;

zij kunnen een meer gelede vorm hebben. Deze vorm

wordt in dit onderzoek opgevat als een samenstel

van rechthoeken, waarvan er een, met de afmetingen

van een normaal vertrek, in de alfa-zOne gesitueerd

wordt terwijl een aanvullend en daar aan grenzend vertrek

in de bêta-zone zijn plaats vindt. D.e toe te passen

.elementen kunnen als volgt in een lijstje worden

ondergebracht. ·

116


funktie min. netto min. breed- waaropp.

in m2 te in cm. de ring

w 1 (woonvertrek 1) 12 360 1 VE

w 2 (woonvertrek 2) 12 360 1,5 VE

w 3 (woonvertrek 3) 11 270 1,5 VE

w 4 (woonvertrek 4) 8 210 1 VE

K 1 ( keuken 1) 7 180 0 VE

K 2 (keuken 2) 12 180 0,5 VE

E (entree) 120 0 VE

s 1 (slaapvertrek 1) 5 180 0,5 VE

s 2 (slaapvertrek 2) 8 210 1 VE

s 3 (slaapvertrek 3) 11 270 1 VE

s 4 (slaapvertrek 4) 11 270 1,5 VE

Voor het gemak van het formuleren van het programma

worden nog elementengroepen onderscheiden. Deze

worden niet gekodeerd, doch aangegeven met namen:

Wonen 1 bevat de elementen w 1 en w 2.

Wonen 2 bevat de elementen W 3 en W 4.

Koken bevat de elementen K 1. en K 2.

Entree bevat de elementen E.

Slapen bevat de elementen S1, S2, S3 en 84.

3 • Progranuna.

1) Het aantal elementen van elementengroep wonen 1

is altijd 1.

2) Het aantal elementen W3 of W4 is altijd kleiner

dan of gelijk aan 1.

3) Het aantal elementen van de elementengroepen koken

en entree is altijd 1.

4) Het aantal elementen S3 is altijd 1.

5) Het element uit de elementengroep wonen 1 ligt in

sektor 1.1.

6) Het element E ligt in zOne 2.

7) Als van de funktiegroep koken een element in sektor

2.1 ligt, dan grenst dat element aan de linkerwand

in deze sektor.

8) Als het element van 83 in sektor 1.2 ligt, dan ligt

het element van de funktiegroep koken niet in sektor

2.2.

9) De breedte van het element K1 is altijd groter of

gelijk aan 240 cm.

10) De breedte van element K2 is altijd groter of gelijk

aan 270 cm.

11) Het aantal elementen van de elementengroep slapen is

altijd groter of gelijk aan 2.

117


12) Indien het aantal elementen K1 gelijk is aan nul, dan

is het aantal elementen W1 altijd geli)k aan nul,

anders is het aantal elementen W2 a~tijd gelijk aan nul.

13) Indien elementen van de elementengroep slapen in sek.­

tor 2.1 liggen, dan liggen elementen van de elementengroep

koken niet in sektor 2.1 •

. 14) Waardering van het totaal aan elementen is groter of

gelijk aan 3 VE.

4. Varianten (fig. 3.10)

Het aantal varianten blijkt bij deze kombinatie van

situaties, elementen en programma zeer gering te

zijn. Er rekening mee houdend, dat de inhoud van

sektor 1,2 zowel S2 als S4 kan zijn, ontstaan er

slechts twee basisvarianten. Het verschil tussen

deze twee varianten bestaat slechts uit een positieverwisseling

van de elementen E en S3 in sektor 2.1.

Daarnaast zijn nog subvarianten mogelijk, daar de

elementen E - S3 elk in twee breedternaten voor kunnen

komen~ ook in de dieptemaat van de elementen is

nog een zekere speling mogelijk.

W1

~

W1

~

?

~ 53 K1 53 [E ~

variant A

.. varianten

. fig.3.10

variant B

118


Beide varianten vormen geen aantrekkelijk uitgangspunt

voor de ontwikkeling van een plattegrond. Om

dit uitgangspunt te bereiken zal het programma aangepast

moeten worden. Indien dit geen bevredigend

resultaat oplevert, dan zullen de elementen of de

situatie gewijzigd moeten worden. Voor dit stadium

van de redenering is dit niet van belang; het gaat

er hier slechts om, dat er varianten mogelijk zijn

die een situatie en een programma gemeenschappelijk

hebben.

5. Kanttekening 1 - Formulering volgens programma SAR 70.

(22)

Het programma is op een methodische wijze geformuleerd,

maar nog wel leesbaar. Het programma kan nog

verder geformaliseerd worden tot een vraagtaal SAR 70.

Dit is de naam van een komputertaal, die ontwikkeld

werd in een samenwerking tussen de S.A.R. en de

T.H.E. Met behulp van deze taal is het mogelijk

situaties, elementen en_een programma te formuleren

en een kompleet overzicht te krijgen van de varianten,

die onder de gegeven omstandigheden mogelijk

zijn. Daar de formulering in deze taal het midden

houdt tussen de eisen, die daaraan gesteld worden

door de ontwerper en de rekenautomaat, is hiermee

een hulpmiddel gekreëerd voor het genereren van

varianten en naar we later zullen zien voor het beoordelen

en ontwerpen van woonstrukturen.

Als intermezzo een kort voorbeeld.

Vraag (8) als het element S3 in sektor 1,2 ligt, dan

liggen de elementen van de elementengroep

koken niet in sektor 2.2.

(8) IF SI S3 = 1.2 THEN SI KOKEN = /2.2;

("SI" is dan afkorting van "situation'~)

Het programma betreft, evenals bij de vorige voorbeelden,

aantallen en funkties van elementen, die

aan elkaar dan wel aan de situatie gerelateerd worden.

Een toevoeging ten opzichte van de vorige voorbeelden

is wel, dat in "programma" nog nadere specifikaties

van elementen gegeven worden; zie programmapunt

9) en 10). Dit is een gevolg van het streven

de beslissingen, die in "elementen" zijn vastgelegd,

zo lang mogelijk konstant te houden en het

spelen, aftasten, variëren e.d. te lokaliseren in

het "programma".

119


Kanttekening 2 -

Ontwerpen van een representatieve

woonstruktuur.

Het "produkt" van situatie, elementen en programma

levert een aantal basisvarianten op. Een basisvariant

wordt gedefinieerd als een funktie- en plaatsingsvariant.

Subvarianten ontstaan doordat de elementen

van een basisvariant in verschillende maatvoeringsvarianten

uitgewerkt worden.. Bij de beoordeling

van de .:situatie gaat het evenals bij de vorige

voorbeelden in principe om de basisvarianten.

De subvarianten kunnen een rol spelen wanneer de

uitgekozen struktuur uitgewerkt wordt tot plattegronden.

Er komen dan weer geheel andere aspekten

aan de orde, zoals de uitrusting van de vertrekken,

(kasten, aanrecht) natte cellen, cirkulatie-elementen

e.d. Bij de bestudering van de problemen, die daarmee

samenhangen, is het van belang te weten binnen

welke grenzen de afmetingen van de vertrekken uit de

basisvariant zich kunnen bewegen.

Het genereren van de basisvarianten en de begrenzing

van de subvarianten kan langs automatische weg gebeuren

met behulp van het programma SAR 70. Evenals

in voorbeeld 2, inrichten van een vertrek, kan ook

hier een kwaliteit worden toegekend aan de getoetste

struktuur, namelijk dat hij voldoet aan het

gehanteerde programma. Op zich is dit al waardevol.

Een andere woonstruktuur kan eveneens voldoen aan

hetzelfde programma.

In het geval dat de tweede woonstruktuur kleiner van

afmetingen of goedkoper te realiseren is dan de eerste,

verdient deze de voorkeur, daar beide volgens paragraaf

1.5.1 even waardevol zijn. In het geval de

eerste en tweede woonstruktuur qua afmetingen en

prijs volledig vergelijkbaar zijn, moet er nög

een keuzekriterium gevonden worden. Beide strukturen

zullen waarschijnlijk niet in dezelfde mate

voldoen aan het programma. Dit tast het principe

van de gelijkwaardigheid van de varianten niet aan,

doch het geeft aan dat de twee strukturen nog van

elkaar kunnen verschillen ten aanzien van het aantal

indelingsvarianten. In dat geval verdient de

struktuur met de meeste indelingsvarianten en dus

met de meeste keuzevrijheid voor de bewoners de

voorkeur. Langs deze weg is het mogelijk via de

beoordeling van een tweetal en iri principe dus

ook van een groter aantal situaties te komen tot

een ontwerpbeslissing. Voordat een definitieve

120


Par. 4 -

beslissing genomen wordt, is er waarschijnlijk zowel

een eri ander veranderd aan de situatie als aan

het programma. Het proces van telkens toetsen gaat

net zo lang door tot een bevredigend evenwicht

gevonden is.

Het is denkbaar, dat de twee struktuuralternatieven

die hiervoor onderzocht werden niet zonder meer

alternatieven, doch varianten, dus specifikaties van

een meer algemeen uitgangspunt zijn. Dit houdt in

dat de twee strukturen afgeleid zijn van een algemene

situatie, die zou kunnen bestaan uit een zOne~

ring, of zelfs een grofmazig raster, waarin zOneringen

en sektoren in varianten genoteerd kunnen

worden. Door de verschillende varianten te onderzoeken

kunne~ door kwaliteiten aan de specifieke

situatie toe te kennen, ook kwaliteiten worden toegekend

aan de algemene situatie, die de varianten

heeft opgeleverd. Door strukturen te beoordelen

kan bijvoorbeeld een kwaliteit worden toegekend aan

de zOnering, overspanningsmaten, eventueel beide

en zelfs aan een raster, dat hieraan ten grondslag

ligt.

Begrippen ten behoeve van ruimtelijk ordenen.

In deel I werden een aantal spelbegrippen ontwikkeld,

die relevant bleken voor de problematiek van

het ruimtelijk ordenen. In elk geval bleek het mogelijk

deze begrippen toe te passen bij de beschrijving

van een probleem van ruimtelijk ordenen: het globale

bestemmingsplan. Het is echter noodzakelijk de daar

gehanteerde begrippen opnieuw te bezien en ze op een

meer aangepaste wijze te formuleren.

1. Situatie, fysiek en regelend· '.deel van de situatie,

situatie met strukturele eigenschappen.

In de spelbegrippen werd een situatie omschreven

als "positie van de stukken op ·een bepaald moment".

Onder stukken werden de· spelattributen verstaan; in

het kader van deze studie betreft het de positie van

de elementen. Het gaat dan om alle elementen, waarover

een beslissing is genomen ten aanzien van hun

plaatsing en dus eveneens ten aánzien van de relaties

die ze met elkaar onderhouden. Het doet. er niet toe

wat de achtergronden van de beslissing zijn geweest:

121


op een bepaald moment wordt een bepaalde konfiguratie

van elementen waargenomen en deze wordt aangeduid

met het begrip situatie. Het betreft een momentopname:

een situatie kan de konfiguratie van elementen

zijn bij het begin van een proces; er wordt

dan gesproken van een beginsituatie en het kan gaan

om een situatie aan het einde van een proces: er

wordt dan gesproken van een eindsituatie. Wanneer

het begrip situatie niet gespecificeerd wordt, dan

betreft het de situatie op een niet gespecificeerd

moment van waarneming.

In principe is een situatie een puur ruimtelijke aangelegenheid:

het gaat om een fysieke situatie, zoals

die objektief waargenomen kan worden. Het is echter

zinvol ook de regels, die het gebruik van de situatie

bepalen, daarvan deel te laten zijn. In de beschrijving

van het "inrichten van een kamer" en het

"indelen van een woonstruktuur" is dat in feite al

gedaan. In beide gevallen worden, door een raster

van 30 x 30 cm als onderdeel van de situatie op te

vatten, regels geintroduceerd ten aanzien van de

plaatsing van elementen in die situaties. Een element

kan nu niet scheef in de situatie geplaatst

worden, althans daar wordt bij de toetsing van de

situatie geen rekening mee gehouden, doch ook in de

diepte- en breedterichting worden door het raster

beperkende regels gelntroduceerd: een element zal

altijd een geheel aantal velden van de situatie

moeten bezetten. Dit behoeft geen probleem op te

leveren, daar de afmetingen van de elementen en de

situatie beide gemeten worden in een geheel aantal

velden.

In het voorbeeld "indelen van een woonstruktuur"

werd nog een tweede regel geïntroduceerd. In de situatie

werden zOnes en marges onderscheiden, die

eveneens beperkende regels opleggen aan de plaatsing

van elementen: een element moet altijd eindigen in

een marge.

Deze regels zijn in hoge mate invariabel; ook wanneer

andere situaties, andere vertrekken en anQere

woonstrukturen gedefinieerd worden, zullen deze regels

gehandha!ifd blijven. Ze worden geformuleerd in

de vorm van relaties tussen elementen: een vertrek

(element, dat geplaa.tst moet worden) eindigt in

een marge (reeds geplaatst element van de situatie).

Ook het programma spreekt zich uit over

relaties tussen elementen. Toch behoeft hierdoor

geen verwarring te ontstaan. Regels zijn in hoge

122


mate invariabel en hebben een koördinerende en konditionerende

taak, terwijl een programma juist in hoge

mate variabel is en tot taak heeft uiting te geven

aan een specifieke behoefte. De regel~ zijn niet objektief

waarneembaar, doch daar ze evenzeer als de

fysieke situatie bepalen, welke indelingen er mogelijk

zijn, is het zinvol ze deel uit te laten maken

van de situatie. Op grond van deze overwegingen kunnen

binnen een situatie dus twee delen onderscheiden

worden: het fysieke deel van de situatie en het regelend

deel van de situatie. Dit laatste deel wordt ook

wel aangeduid als juridisch deel van de situatie.

In deel II werd het begrip struktuur ontwikkeld als

een eigenschap, die eveneens toegekend kan worden

aan een situatie. doende ontstaat een situatie

met strukturele eigens appen. De situatie voldoet

dan aan alle eisen, die het begrip struktuur stelt.

De woonstruktuur uit voorbeeld 3 kan in varianten

worden uitgewerkt; de woonstruktuur representeert

een normstelling, namelijk die van de programma's,

waaraan het bij toetsing voldoet; de woonstruktuur

wordt daarbij uitgewerkt volgens regels,

in dit geval de regels van het regelend deel van de

situatie,en de woonstruktuur is een stelsel van

elementen: een samenstel van sektoren, zönes en

marges.

Doch ook de beginsituaties uit de andere voorbeelden

kunnen opgevat worden als situaties met strukturele

eigenschappen, zij het dan op een meer bescheiden

wijze.

Wanneer in het vervolg van deze studie (deel IV)

een proces opgebouwd gaat worden uit fasen, gekenmerkt

door een bepaalde begin- en eindsituatie, dan zal

blijken, dat het zinvol is voor beginsituaties uitsluitend

situaties met strukturele eigenschappen te

gebruiken.

Een terrein met zijn specifieke terreinbegrenzing

en reeds aanwezige elementen is. een situatie en wel

een beginsituatie van een proces. Gaande het proces

zullen elementen aan de situatie worden toegevoegd,

die elk hun eigen relatie met andere elementen en dus

ook met het terrein zullen hebben. Over dit soort situaties

wordt gesproken bij de ~ontwikkeling van een

plan.

Ook wanneer het gaat om de ontwikkeling.van modellen

van bijvoorbeeld woonstrukturen, kan het situatiebegrip

zonder meer gehanteerdworden, daar alleen

123


het benoemd z~Jn van de relaties tussen de samenstellende

elementen dit samenstel tot situatie maakt.

2. Elementen; maat, plaats en funktie.

In deel II werd een element omschreven als een ruimte-eenheid

gekenmerkt door maat, plaats en funktie.-

In alle drie de voorbeelden werden per voorbeeld de

elementen en de situatie gemeten in een gemeenschappelijke

maat. Bij het tafel dekken was dat een maat

van 12,5 cm, terwijl bij de twee andere voorbeelden

een maat van 30 cm gehanteerd werd. Elk element mat

in beide richtingen een veelvoud van deze maat.

Op basis van die gemeenschappelijke maat werd bij

het "inrichten van een vertrek" en het "indelen

van een woonstruktuur" een raster ontwikkeld, waarin

de f'ituatie genoteerd werd en waarin volgens de

regels van het regelend deel van de situatie de

elementen geplaatst konden worden. Bij elke indeling

blijft dus bij de plaatsing van een element

een aantal velden van het raster over, waardoor

direkt inzichtelijk is waarvoor deze ruimte nog gebruikt

kan worden.

De plaatsing van de elementen is nu onderworpen aan

de regels van de situatie. Het is natuurlijk om het

even of deze plaatsingaregel nu deel is van de situatie

dan wel van de elementen. Het is ook mogelijk

te spreken van een fysiek en een regelend deel van

een element; het effekt op de eindsituatie is hetzelfde.

De funktie van het element betreft het funktioneren

daarvan in een funktioneel geheel. Een woning is een

voorbeeld van zo'n geheel. In een aantal funkties

moet voorzien zijn, wil er sprake zijn van een woning.

Bij het "indelen van een woonstruktuur" kwamen deze

funkties naar voren in de namen van de elementen,

die toegepast kunnen of moeten worden.

In dat voorbeeld was elke funktie een verzameling

elementen, aangeduid met bijvoorbeeld hoofdslaapvertrek,

dan wel met een kode, bijvoorbeeld S 3.

Desgewenst kunnen meer omvattende verzamelingen aangelegd

worden, bijvoorbeeld in de vorm van een elementen-

c.q. funktiegroep slaapvertrekken.

Binnen een situatie gaat het om elementen, waarover

reeds besloten is ten aanzien van hun onderlinge

relaties. Wanneer er sprake is van elementen zonder

124


meer, dan kunnen ze reeds deel uit maken van een situatie,

doch het kunnen ook elementen zijn, die misschien

wel gekenmerkt worden door een aantal potentiële

relaties, doch waarover nog niet besloten is.

Over die elementen kunnen in de vorm van een programma

nog uitspnaken gedaan worden.

Een element wordt primair gekenmerkt door zijn maat,

op grond waarvan het een funktie kan krijgen, terwijl

een situatie primair gekenmerkt wordt door de plaats

die deze nog biedt ten aanzien van elementen.

3. Programma; aantal en relaties, normstelling. (fig. 3.11)

In een programnta worden in principe uitspraken

gedaan ten aanzien van aantallen elementen en relaties

tussen elementen. Het is wel van belang, dat

alle elementen, waarover het programma zich uitspreekt,

deel uitmaken van eenzelfde kategorie

van elementen, namelijk elementen, die deel uitmaken

van eenzelfde funktioneel geheel en die in dezelfde

maat(eenheid) gemeten worden.

Nemen wc de formulering van het programma nader

onder de loep, dan kunnen de volgende soorten van

uitspraken gedaan worden.

1) Uitspraken betreffende de groepering van elementen

in hoofd- en subgroepen.

2) Uitspraken betreffende aantallen elementen en verhoudingen

van aantallen (differentiatie): dit houdt

in dat ook gesteld kan worden, dat een element geen

deel uit mag maken van de eindsituatie.

3) Uitspraken ten aanzien van selekties uit het elementenbestand

op basis van oppervlakte, maat en funktie.

Deze uitspraken kunnen vervangen worden door die van

het vorige punt; het hangt er v.an at: h()(l!ver het

elementenbestand gespecificeerd is. · ·

4) Uitspraken betreffende de relaties tussen de elementen.

Gaat het over twee elementen A en B dan zijn de volgende

relaties mogelijk:

4.1) element B ligt in element A, ofwel element A overlapt

element B geheel;

4.2) element B eindigt in element A;--.,

4.3) elementB grenst aan elementA;

4.4) elementB heeft een bepaalde afstand tot elementA.

125


Deze relaties kunnen formeel onder een noemer gebracht

worden door uitspraken te doen ten aanzien.van de

overlapping van de elementen A en B (fig. 3.11). Deze

1 overla!+'ing A en B:B

A

2 0\erlappi~Aen 8 =+a

A 3overlappingAen B= 0

D [] 4overlapping

AenB:...q

overlapping van elementen AenB

fig.3.11

wijze van formuleren sluit niet erg aan bij het spraakgebruik,

doch het geeft aan, dat uitspraken ten aanzien

van plaats vertaald kunnen worden in termen van

maat. Bijvoorbeeld: de uitspraak element A grenst aan

element B betekent een overlapping van nul van de elementen

A en B. Door aan de over~apping een positieve

dan wel negatieve maat toe te kennen kunnen de relaties

en daarmee de plaats van de twee elementen ten

opzichtevan elkaar vastgesteld worden.

126


In kanttekening 2 en 3 van voorbeeld 2, "inrichten

van een vertrek", kwam een bizondere vorm van een

programma aan de orde, wat daar aangeduid werd met

normstelling. Als voorbeeld van een norm werd gegeven:

het programma van een hoofdslaapvertrek

kan gegarandeerd gerealiseerd worden in een rechthoekigoppervlak

van11m2 (netto oppervlak) met

een minimum breedte van 270 cm. Deze norm heeft

met het programma gemeen, dat het als toets kan

fungeren voor een vertrek. Wordt een vertrek met gespecificeerde

breedte en diepte getoetst aan de

hand van een norm, dan kan vastgesteld worden of

het al dan niet voldoet en kan het op grond daarvan

al of niet de kwalifikatie. hoofdslaapvertrek krijgen.

In voorbeeld 2 werd duidelijk dat hetzelfde

vertrek ook op een geheel andere manier getoetst kan

worden en wel via een programma. Het eindresultaat is

hetzelfde. In beide gevallen wordt tot een bepaalde

konklusie gekomen ten aanzien van de kwaliteit van

het vertrek.

Tot zover deze overeenkomst.

Er is echter ook een belangrijk verschil. De werkwijze

met de norm gaat veel sneller dan die met het

programma. Daar staat tegenover dat de werkwijze met

de norm onnauwkeuriger is, daar waardevolle mogelijkheden

vervallen verklaard worden, omdat ze een fraktie

van het geëiste oppervlak verwijderd blijven.

Daarom werd in paragraaf 2 een getrapte toetsing voorgesteld,

waarbij dat probleem komt te vervallen.

Er werd daarbij uitgegaan van een bepaald verband

tussen programma en norm. De norm werd opgevat als een

algemene vorm van een programma, algemeen in die zin

dat het gebaseerd is op gemiddelde waarden. Deze gemiddelde

waarden kunnen echter uitsluitend verkregen

zijn door generalisatie van situaties, zoals die met

behulp van een programma onderzocht en juist bevonden

werden. Bij het invoeren van een norm accepteert men

bepaalde verliezen, doch men wint tegelijk aan hanteerbaarheid.

Het gaat bij het formuleren van de norm

om het vinden van een evenwicht tussen beide aspekten;

in wezen gaat het dus om een ontwerpprobleem.

4. Varianten; basis- en subvarianEen, gelijkwaardigheid

van varianten, maateenheid.

Wanneer binnen het kader van een beginsituatie met behulp

van een programma uitspraken gedaan worden ten

127


aanzien van elementen, dan ontstaan in het meest algemene

geval verschillende eindsituaties. De.ze eindsituaties

worden aangeduid met varianten. Een variant

wordt gedefinieerd door een verzameling eindsituaties,

die met elkaar een beginsituatie en een programma

gemeenschap~elijk hebben. Alle varianten zijn

per definitie geliJkwaardig, omdat zij alle aan hetzelfde

programma beantwoorden. Niettemin kan iemand

- persoonlijk - verschillende kwaliteitsoordelen

uitspreken over de diverse varianten.

Bij alle voorbeelden werd gewag gemaakt van verschillende

soorten varianten. Gaat het om het indelen van

een woonstruktuur, dan levert een positie van de keuken

aan de straatzijde dan wel aan de tuinzijde van

de woning wezenlijke varianten op. Als minder belangrijk

wordt ervaren, of de afmetingen van de keukens

aan de straatzijde nog eens 30 cm in breedte verschillen,

tenminste als hierdoor geen ander type keuken

ontstaat. In beide gevallen gaat het om varian-.

ten. De eerste soort varianten wordt aangeduid met

basisvarianten. Deze basisvarianten treden weer op

als uitgangspunt voor afgeleide varianten ofwel subvarianten.

Deze varianten verschillen uitsluitend

ten aanzien van de maat van de elementen.

Subvarianten zij.n dus varianten vanuit basisvarianten,

dat wil zeggen een basisvariant houdt een

verzameling subvarianten in.

Zou men beide soorten varianten willen typeren in

termen van maat, plaats en funktie, dan zijn basisvarianten

plaats- en funktievarianten, terwijl

sübvarianten binnen het bestek van een basisvariant

alleen maatvarianten zijn.

De gelijkwaardigheid van de varianten maakt het mogelijk

betekenis toe te kennen aan het aantal varianten.

Een woonstruktuur, die een groot aantal varianten oplevert,

biedt veel keuzemogelijkheid aan bewoners en

heeft op grond daarvan een meerwaarde ten opzichte

·Van een woonstruktuur, die bij hetzelfde programma

minder varianten oplevert. Het aantal varianten zal

dus een rol spelen bij de beoordeling van een woonstrüktuur.

Daar het aantal varianten het resultaat

is van een beginsituatie, elementenbestand ên programma,

is het ook mogelijk met behulp van het aantal

varianten tevens de elementen dan wel het programma

te beoordelen.

Het aantal varianten speelt een belangrijke rol bij

de vaststelling van de meest geschikte maateenheid,

128


·die gehanteerd moet worden. In voorbeeld 1, "dekken

van een tafel", werd al gesteld dat het invoeren van

een maateenheid noodzakelijk was om tot een zinnig

aantal varianten te komen. Deze maateenheid ligt

in een spanningsveld tussen een kleine maat (dus

veel en misschien onzinni e varianten) en een rote

maat weinig en misschien veel verloren varianten •

In het geval van de tafel werd een maateenheid van

12,5 cm gehanteerd, terwijl voor alle andere voorbeelden

30 cm gehanteerd werd. Het is op deze

plaats nog niet belangrijk te weten welke maat

vastgesteld wordt, doch wel dat er een relatie bestaat

tussen de maateenheid, waarmee gewerkt wordt en

het aantal varianten, dat daarmee telbaar in aantal

en waarneembaar in verschil wordt.

5. Proces.

Het gaat hier om een proces van ruimtelijk ordenen,

dat gericht is op het koncipiëren van een woonstruktuur,

hier kortweg met struktuur aangeduid.

Vanuit een struktuur als beginsituatie kunnen met

behulp van een programma varianten ontwikkeld worden.

Deze varianten houden een specifikatie in van de

struktuur.

Bij het ontwerpen kan het gaan om het ontwikkelen van

varianten uit een gegeven struktuur en een gegeven

programma1 het kan echter ook gaan om het koncipiëren

van een struktuur. In beide gevallen gaat het om het

ontwerpen van een situatie; in het eerste geval is

die specifiek, in het andere geval is die algemeen.

Het ontwerpen van een specifieke situatie vanuit een

algemene is een betrekkelijk eenvoudige bezigheid.

Het gaat hier om een deducerend of afleidend proces.

Dit is een bewerking, die bekend is uit de voorbeelden.

Voor het ontwerpen van de algemene situatie

moet een andere werkwijze worden gevolgd. Hierbij

kan teruggegrepen worden op deel II, waarin gesteld

werd dat de struktuur gekend, ontdekt kan worden

vanuit zijn verschijnselen ofwel vanuit zijn varianten

(de Oidipoes mythe). Vanuit de specifieke

varianten moet de algemene struktuur vastgesteld

worden. Dit is een proces, dat gekarakteriseerd kan

worden als inducerend of herleidend. Di.t proces

berust op het vinden van het gemeenschappelijke van

varianten. Het probleem is echter dat deze varianten

niet, zoals in het geval van de mythe, spontaan

129


gegenereerd Z~Jn. Het is wel mogelijk te beschikken

over varianten, doch dan moet uitgegaan worden van

een voor-onderstelde struktuur. Het voèrdeel is dat

dan gebruik gemaakt kan worden van de bekende procesvorm:

afleiding. Het gaat hier dus niet om de ontdekking

van de struktuur, want die wordt juist voorondersteld,

doch het gaat hier om de beoordeling van

de struktuur. De struktuur wordt niet ontdekt, doch

beoordeeld op grond van varianten.

Deze varianten ontstaan echter niet spontaan, doch

als gevolg van een programma, dat aan de struktuur

wordt toegevoegd. Het is dus ook mogelijk te stellen,

dat de struktuur beoordeeld wordt op grond van een

programma ofwel getoetst wordt 9P basis van een

programma.

De toetsing kan verschillende resultaten hebben: er

ontstaan varianten of er ontstaan geen varianten.

In het geval er geen varianten zijn, kan gesteld

worden dat de kwaliteit van de struktuur en het programma

niet met elkaar korresponderen.

Indien er wel varianten zijn, is het enige probleem

dat zich dan nog voor kan doen, het aantal varianten.

Zijn het er heel veel, dan v.al t de kwaliteit van het

programma wel binnen die van de struktuur, doch er

zouden hogere eisen gesteld kunnen worden. De struktuur

zal in een dergelijke geval kunnen voldoen

aan een kwalitatief hoger programma. Of dit

werkelijk het geval is , kan vastgesteld worden

door de struktuur met behulp van dat programma

te toetsen en het aantal varianten vast te stellen.

Op deze wijze kan dus door bij herhaling een deduktie~

afleidend en bekend,proces te volgen een induktief,

herleidend,effekt bewerkstelligd worden. Het gaat dus

om twee procesrichtingen, die beide deel uitmaken van

het wikken en wegen, het vinden van een evenwicht,

dat zo kenmerkend is voor het ontwerpen. In wezen

gaat het om een "trial and error" methode: er wordt

een struktuur getoetst met behulp van een programma,

men stelt de varianten vast en als het aantal te

groot is, of te klein, dan wordt er weer wat veranderd

(ên struktuur èn/of programma) en het proces

van ·"ontwerpen als toetsen" start opnieuw.

Gaat het om het afleiden van varianten vanuit een gegeven

struktuur dan gaat het om betrekkelijk specifieke,

persoonlijke kwaliteiten. Op grond daarvan is

het juist om het begrip programma te hanteren.

Gaat het echter om het ontwikkelen van een struktuur,

dan is het zinvol het begrip normstelling te

lJO


hanteren. Bij het ontwerpen van de struktuur staan

namelijk geen, subjektieve en persoonlijke, kwaliteiten

op het spel, doch het gaat juist om objektieve,

kollektieve, op gemiddelde waarden gebaseerde

kwaliteiten, zoals die tot uitdrukking gebracht worden

in een normstelling. Door vast te stellen dat

een struktuur korrespondeert met een bepaalde normstelling,

wordt daarmee te kennen gegeven, dat de

struktuur de objektleve kwaliteit van de normstelling

representeert; de struktuur is daarmee de afbeelding

van de normstelling.

Een struktuur zal ontwikkeld worden op basis van een

(objektieve) normstelling en deze struktuur zal, zodra

hij is vastgesteld, uitgewerkt worden tot woningvarianten

op basis van een (subjektief) programma.

Par. 5 -

Nivo.

1. Het begrip nivo (fig. 3.12)

Het is mogelijk een overzicht samen te stellen van

de drie voorbeelden.

In het overzicht kunnen drie lagen onderscheiden

worden. Het voorbeeld "dekken van een tafel" komt

op de onderste laag, het voorbeeld "inrichten van

een vertrek" komt op de tweede laag, "indelen van

een woonstruktuur" komt op de derde en bovenste

laag. In dit overzicht staat links een afbeelding

van een beginsituatie en rechts een afbeelding

van de varianten. Het is mogelijk in dit overzicht

een aantal verbanden te leggen, die wezenlijk zijn

voor de defini~ring van het begrip nivo.

Bezien we in eerste instantie de 2e en 3e laag, dan

valt op dat de ruimten die bij de indeling van de

woonstruktuur als element fungeren, namelijk de ver..;.

trekken, bij het inrichten van een vertrek als situatie

fungeren.

Wanneer zich tussen twee problemen van ruimtelijk

ordenen een dergelijke relatie voordoet, dan wil dit

zeggen, dat beide problemen op een verschillend nivo

liggen. Hiermee is in principe het begrip nivo

gedefinieerd.

Deze omschrijving van het begrip nivo is hiermee echter

nog lang niet volledig, want er moet nog een belangrijke

voorwaarde aan worden toegevoegd. Het element

van het hogere nivo moet niet een situatie zonder

meer kunnen zijn, doch een situatie met strukturele

131


1.1 1.2 rN1 ~2 rN1 ~2

p4

S4

2.1 22 E 53 K1 S3 ~1

r-

woonstruktuur /

/-

/

I

vertrek

~ /~)

/

f\' D

~ '

-

I

V

tafel

situatie

!varianten

overzicht 3 voorbeelden

fig. 3.12

132


eigenschappen. Dit houdt in dat deze situatie in

varianten uitgewerkt moet kunnen worden. Dit betekent

dat een element van het hogere nivo in varianten

uit ewerkt moet kunnen worden o het la ere nivo.

Het onderscheid hoog en aag n vo is betrekkeli k

intuïtief aangebracht. Het is noodzakelijk dit onderscheid

te formaliseren. Een ruimte-eenheid kan twee

rollen vervullen, namelijk die van element en is dan

objekt van onderzoek en die van situatie en is dan

subjekt van onderzoek. Het nivo, waarop de ruimteeenheid

de rol van element vervult, wordt - en dit is

een puur arbitraire beslissing - hoger genoemd ten opzichte

van het nivo, waarop de ruimte-eenheid de rol

van situatie vervult.

Om het begrip nivo nog nader toe te lichten, keren

we terug naar de voorbeelden. Op het nivo van voorbeeld

3 werd een woonstruktuur ingedeeld met behulp

van vertrekken. Elk vertrek van elke variant kan

op het nivo van voorbeeld 2, dus op een lager nivo,

weer als situatie optreden en wel als een situatie

met strukturele eigenschappen en daar, op basis van

een programma, uitgewerkt worden tot varianten (dekken.van

een tafel). Het was misschien nog d~delijker

geweest om in voorbeeld 1, in plaats van een eettafel

een werkblad als situatie te nemen. In feite gaat het

natuurlijk om een problematiek, die op hetzelfde nivo

ligt. Op deze wijze zijn dus drie onder elkaar liggende

nivo's onderscheiden.

Op basis van dit principe kunnen nog meer nivo's onderscheiden

worden. De problematiek van een denkbeeldig

voorbeeld 4 tekent zich reeds af. De woonstruktuur

van voorbeeld 3 zal daar als element op

moeten treden en wel in een van de varianten van

een situatie met strukturele eigenschappen. Zo'n

situatie wordt voorlopig aangeduid met de term

stedelijke struktuur.

2. Funktie begrip.

In de voorgaande toelichting werden de voorbeelden in

een bepaalde volgorde behandeld en wel van hoog naar

laag nivo. Het is ook mogelijk de voorbeelden in de

tegenovergestelde volgorde te behandelen en wel

van laag naar hoog nivo. Het is nu mogelijk het begrip

funktie te verduidelijken. In voorbeeld 2, "indelen

van een vertrek", werd een vertrek als beginsituatie

getoetst op basis van een programma. Daar

133


de toetsing positief uitviel, had dat tot gevolg, dat

aan het vertrek de funktie hoofdslaapvertrek toegekend

kon worden. Het programma gaf daarbij de omschrijving

van deze funktie. De vrij uitgebreide

omschrijving door middel van het programma wordt nu

in één aanduiding, namelijk de funktie hoofdslaapvertrek,

ofwel S3, samengebald. Niemand is er dan meer in geinteresseerd

op welke manier het vertrek met de

funktie S3 precies ingedeeld kan worden; alleen de

buitenkant van de situatie is nu nog van belang: de

afmetingen en de funktie waarmee de ruimte aangeduid

kan worden. Met andere woorden, de situatie

is nu een element geworden en geschikt om op een

hoger nivo als element deel uit te maken van een

programma, waarmee aan een meer omvattende en meer

algemene situatie een meer algemene funktie toegekend

kan worden.

De tafel of het werkblad van het nivo van voorbeeld

1 werd getoetst en representatief geacht voor een

bepaalde funktie. Hierdoor werd een element gedefinieerd,

dat op het nivo van voorbeeld 2 gebruikt

kon worden bij de toetsing van een vertrek. Aan dit

vertrek kan op grond van de toetsing een funktie

toegekend worden, waardoor het weer als element kan

fungeren bij de toetsing van een woonstruktuur. Ook

aan deze woonstruktuur kunnen dan weer funktionele

eigenschappen 'Worden toegekend etc.

3. Stelsel.

Elk nivo wordt gekenmerkt door een bepaald soort elementen.

In voorbeeld 1 was dat serviesgoed, in voorbeeld

2 was dat meubilair: bedden, kasten, werkbladen

etc. en in voorbeeld 3 waren dat vertrekken.

Op grond van deze inhoud aan elementen heeft elk nivo

een eigen identiteit, waardoor elk nivo een bepaalde

naam gegeven kan worden. Deze naam wordt bepaald door

de situatie aan te duiden, die onderzocht wordt op dat

nivo. Voorbeeld 1 ligt op het nivo van het meubilair,

voorbeeld 2 ligt op het nivo van het vertrek, voorbeeld

3 op het nivo van de woning. De relaties tussen

de nivo's zijn precies omschreven en worden bepaald

door de relaties tussen de elementen van de verschillende

nivo's. Als nu zowel de inhoud en daarmee de

identiteit van elk nivo en tevens de relaties tussen

de verschillende nivo's bekend zijn, dan kunnen de

nivo's opgevat worden als "elementen" van een hogere

134


orde, die deel uit maken van een stelsel van elementen

ofwel een stelsel van nivo's. Dit stelsel van

nivo's wor~ in deze studie kortweg aangeduid met

het begrip stelsel. Het stelsel is opgebouwd uit nivo's

en elk element van een nivo kan op lagere

nivo's in varianten worden uitgewerkt. Elk nivo behelst

daarbij een problematiek, die een zekere onafhankelijkheid

(binnen het kader van het stelsel)

heeft ten opzichte van de problematiek van de andere

nivo's.

Bij de omschrijving van het stelsel werd gebruik

gemaakt van nivo's, bestaande uit elementen; in de

zin van de ruimtelijke eenheden, zoals die iri de drie

voorbeelden aan de orde kwamen. Het is echter mogelijk

ook andere "elementen" op de verschillende nivo's

van het stelsel te denken. In het volgende hoofdstuk

zal het stelsel uitgewerkt worden tot een maatstelsel.

Hierin zullen dan nivo's onderscheiden worden,

waarbij de "elementen" maten en rasters zijn.

Elk raster, gebaseerd op een bepaalde maatvoering,

zal daarbij in principe in varianten kunnen worden

uitgewerkt op een lager nivo. De verschillende stelsels

worden met een eigen naam aangeduid: elementenstelsel,

maatstelsel en in hoofdstuk 3 nog het zogenaamde

ruimte-stelsel als een synthese van het elementen-

en het maatstelsel. Al deze stelsels hebben

in nivo's emeen die deel uit maken van

e) stelsel. Elk nivo,van het stelsel wordt

t een nummer. Het stelsel kan dan geno-

4. Elementenstelsel, elementensysteem.

Het overzicht van de drie voorbeelden geeft een betrekkelijk

willekeurige specifikatie van het elementenstelsel.

Het gaat bij het stelsel uitsluitend om het feit, dat

elk nivo gekarakteriseerd wordt door een groep "elementen"

en de manier waarop de relaties tussen de nivo's

geregeld worden. Een stelsel is dus in principe

leeg, het moet nog inhoud krijgen, het moet nog ingevuld

worden met een bepaalde kategorie van "elementen".

In die zin heeft het stelsel strukturele eigenschappen

doordat het nog op verschillende manieren (in varianten)

gespecificeerd kan worden; het stelsel bezit al

wel een bepaalde mate van ordening.

Wanneer het gaat om een stelsel van ruimte-elementen,

135


136

dan ontlenen de nivo's hun identiteit aan een kate- ·

gorie van elementen en worden de relaties tussen de

nivo's gekenmerkt door de relaties tussen de elementen

van de verschillende nivo's. Een elementenstelsel

is een specifieke uitwerking van het (algemene) stelsel.

Dit elementenstelsel kan op zich weer gespecificeerd

worden door de elementen te benoemen, die er

deel van uit maken. Met deze benoeming worden ook de

nivo's benoemd, waaruit het elementenstelsel is ,opgebouwd.

Een dergelijk gespecificeerd stelsel wordt

aangeduid met het begrip systeem. In dit geval gaat

het om een elementensysteem. De voorbeelden 1 tot en

met 3 geven een voorbeeld van een dergelijk elementensysteem,

in dit geval bestaande uit: meubilair nivo,

vertrek nivo en woning nivo, met op elk nivo o.a. de

elementen, zoals die in de voorbeelden aan de orde

kwamen.

De specifikatie van het elementenstelsel tot een elementensysteem

is geheel afhankelijk van de problematiek,

die aan de orde is. In de voorbeelden was dit

een problematiek van betrekkelijk laag nivo. Deze

studie houdt zich bezig met een problematiek, waarbij

het nivo van de woning het laagste nivo is en waarbij

de problematiek van het globaal bestemmingsplan het

hoogste nivo is. Het blijkt dan mogelijk nog twee

tussenliggende nivo's te onderscheiden. Het is nu

mogelijk weer terug te keren naar deel II, Struktuur

en Elementen, waarin ook al, zij het op betrekkelijk

onbevangen wijze, een aantal toen nog letterlijk te

nemen nivo's onderscheiden werden. Een fotograaf

daalde toen van een zekere hoogte af en maakte vanaf

bepaalde nivo's foto's van een woongebied. Er werden

toen vier nivo's onderscheiden: het nivo van de wijk,

buurt, straat en woning. Elk nivo werd daarbij gekenmerkt

door duidelijk identificeerbare elementen, gekenmerkt

in termen van maat, plaats, en funktie. Elk

nivo betrof een ruimtelijk en een funktioneel geheel.

Op grond daarvan is er geen onbeperkte vrijheid in

de keuze van de elementen per nivo. Afhankelijk van

de kontext van het elementenstelsel zal het altijd

zodanig gespecificeerd moeten worden, dat die elementen

aanwezig zijn, die dit funktionele geheel tot

stand kunnen brengen. Om een voorbeeld te noemen:

op het nivo van de straat zullen al die elementen

vertegenwoordigd moeten zijn, waarmee alle mogelijke

straten gekoncipieerd kunnen worden.

Welkè elementen dit zijn, zal in hoge mate kultuurgebonden

zijn. Bovengenoemde nivo's werden in deel


II hoofdzakelijk aan de orde gesteld, om de kwestie

van de identifikatie van de elementen te kunnen behandelen.

~ het vervolg wordt deze geleding in

nivo's niet meer als een betrekkelijk willekeurig

voorbeeld van een elementensysteem opgevat, doch

als een konkreet voorstel, om op die manier de ruimtelijke

dimensie met betrekking tot de woning en

de direkte woonomgeving te geleden. In onderstaand

overzicht wordt een voorstel gedaan ten aanzien van

het onderscheid in nivo's en de benoeming van de elementen

van een elementensysteem, Hoewel dat systeem

niet kan bogen op volledigheid, kan het toch als een

beeldend referentiekader fungeren voor alle beschouwingen,

die hierna volgen.

Nivo 1, de woning.

- bouwmuren, vloeren, gevels (inklusief doorbrekingen

daarvan), kanalen.

- vertrekken, onderverdeeld naar funktie (verblijfsruimten),

- cellen, onderverdeeld naar funktie (gebruiksruimten).

Nivo 2, de straat.

- sektoren (volgens SAR-terminologie) onder te verdelen

naar sektoren ten behoeve van verblijfsruimten,

ten behoeve van gebruiksruimten, ~penbare cirkulatie,

privê buitenruimten.

(Het samenstel van sektoren bepaalt het type van de

woonstruktuur. Deze sektoren kunnen weer onderverdeeld

worden naar primairestruktuur-elementen

(kernen) en sekundaire struktuurelementen (aanbouwen,

gevels, kap-elementen e.d.).

verkeerselementen: rijstroken, stoepen, parkeerplaatsen,

stegen etc.

water- en groenelementen.

kabels en leidingen (in kombinatie met groen en/of

verkeerselementen) .

Nivo 3, de buurt.

- erven en woonzOnes.

- verkeerselementen: buurtstraten, parkeerplaatsen etc.

- water- en groenelementen.

- kabels en leidingen (in kombinatie met groen- en/of

verkeerselementen).

137


Nivo 4, de wijk.

-woongebieden, onderverdeeld naar laag-, middelhoogen

hoogbouw, hoge en lage dichtheid etc.

- voorzieningengebieden, onderverdeeld naar funkties.

- verkeerselementen: wijkwegen, voetgangersroutes etc.

- water- en groenelementen.

- kabels en leidingen {in kombinatie met groen- en/of

verkeerselementen).

Als een besluitvormingsproces start op nivo 4, de

wijk, dan kan men zich voorstellen dat bijvoorbeeld

besloten wordt over de situering van het woongebied.

Op nivo 3, de buurt, wordt dit element dan gespecificeerd

naar de elementen van nivo 3. De erven en de

woonzOnes vormen hierbij een belangrijk element.

Op nivo 2, de straat, wordt het element woonzOne

weer gespecificeerd met behulp van elementen van dat

nivo, namelijk de sektoren. Deze sektoren worden op

nivo 1, de woning, dan weer uitgewerkt met behulp

van de elementen van dat nivo: bouwmuren en doorbrekingen

etc. tot en met de indeling in vertrekken, cellen

e.d.

Bij elke nivo-overgang, die gemaakt wordt, biedt elk

element in principe weer een uitwerkingamogelijkheid

in varianten. Zo kan een woonzOne van het nivo van de

buurt uitgewerkt worden tot verschillende woonstruktuurvarianten

op het niveau van de straat.

Het is nu mogelijk het elementenstelsel nader te definiëren.

Een elementenstelsel is een stelsel van

elementen, oägebouwd uit nivo's, waarbij elk nivo gekenmerkt

wor t door een kategorie van elementen. De

relatie tussen twee OP-eenvolgende nivo's is dusdanig

geregeld, dat een element van een hoger nivo in

varianten kan worden uitgewerkt op een lager nivo.

Een elementenstelsel wordt voorgesteld als El, E2,

E3, E4, waarbij El tot en met E4 de elementengroeP-en

voorstelt van de nivo's 1 tot en met 4.

Een elementensysteem is een elementenstelsel. waarvan

de elementen en daarmee de nivo's benoemd zi~

In deze studie worden vier nivo's onderscheiden: woning,

straat-, buurt- en wijknivo.

5. Twee procesvormen.

Met het elementenstelsel is een kader voorhanden

waarbinnen zich op twee manieren en wel in twee rich-

138


tingen, een proces kan voltrekken. Het is mogelijk

een proces te onderscheiden, dat van hoog naar laag

nivo gaat en een proces, dat een omgekeerde richting

heeft. Beide procesvormen zijn voor deze studie van

belang. De eerste procesvorm wordt aangeduid met de

term specificerend en de tweede procesvorm met generaliserend.

In de specificerende procesvorm wordt een element van

een hoger nivo in varianten uitgewerkt op een la~

nivo en de elementen, die daar weer deel van uit maken,

worden opnieuw weer in varianten uitgewerkt op

een weer lager nivo.

De situaties, die zich gaande het proces voor gaan

doen, zullen steeds gedetailleerder en specifieker

van aard zijn; vandaar de term specificerend pröces.

Het proces start als het ware op een punt (een

element) en eindigt een aantal nivo's lager, in een

serie punten (de varianten), zodat dat proces ook als

divergerend aangeduid kan worden. Andere termen, die

voor dezelfde procesvorm gebruikt kunnen worden,

zijn: afleidend of deducerendproces, dan wel kataloog

(van hoog naar laag nivo) proces.

In een generaliserend proces wordt een situatie met

strukturele eigenschap~gezien als de vertegenwoordiging

van de kwaliteit van de specifieke varianten,

die binnen deze situatie gerealiseerd kunnen worden.

De situatie met strukturele eigenschappen is datgene,

wat de varianten gemeen hebben naast het programma,

dat zij eveneens gemeenschappelijk hebben. Deze situatie

met strukturele eigenschappen vertegenwoordigt

dus een kwaliteit, namelijk die van het programma,

waardoor het als element kan optreden op een

hoger nivo. Dit element heeft dan een funktie, die

omschreven kan worden door het programma. Dit element

maakt met andere elementen van het hogere nivo deel

uit van de varianten, die weer vertegenwoordigd kunnen

worden door een situatie met strukturele eigenschappen.·

De situaties, die zich gaande het proces

voordoen, zullen steeds minder gedetailleerd, steeds

globaler zijn, waardoor deze procesvorm aangeduid

kan worden als generaliserend. Telkens worden specifieke

kwaliteiten vertegenwoordigd door een algemene

notitie. Met deze generalisatie gaat geen informatie

verloren, het gaat slechts om het hanteerbaar maken

van een hoeveelheid complexe informatie in een hanteerbare

vorm. Door het proces, binnen het elementenstelsel,

weer in de omgekeerde richting af te lopen,

139


140

kan alle specifieke informatie weer vrijkomen. Generalisatie

betekent hierdoor geen reduktie. Het proces

start op een groot aantal punten (de varianten) en

het eindigt in principe in êên punt (een element) ,

zodat dit proces als konvergerend aangeduid kan

worden.

Andere termen, die voor dezelfde procesvorm gebruikt

kunnen worden, zijn: herleidend of inducerend proces,

dan wel analoog (van laag naar hoog) proces.


Hoofdstuk 2 - Maatstelsel •

0. Inleiding.

._).

Zoals in het voorwoord van dit deel werd gesteld,

is het de bedoeling te komen tot een ruimte-stelsel,

waarmee een voorordening van de ruimtelijke dimensie

tot stand gebracht wordt. Binnen dit stelsel kan een

gefaseerd besluitvormingsproces gekoncipieerd worden.

De eerste stap op weg naar dit ruimte-stelsel is nu

gezet door de konceptie van het elementenstelsel.

Naast dit stelsel wordt nu een maatstelsel ontwikkeld.

Daarin worden zowel maat- als plaatsaspekten met elkaar

in relatie gebracht. In eerste instantie heeft

echter een gescheiden behandeling plaats. Allereerst

worden,aansluitend op het elementenstelsel de maatnivo's

besproken en daarna de rasternivo's van het

maatstelsel. Bij dit laatste aspekt wordt nader ingegaan

op twee typen van rasters en de manier waarop

deze gehanteerd kunnen worden in een nieuw koncept

van modulaire koördinatie.

Par. 1 - Meten met twee maten.

1. ~faateenheid.

In de voorbeelden van hoofdstuk 1 van dit deel bleek

het niet mogelijk enige uitspraak te doen ten aanzien

van de ruimtelijk ordening zonder gebruik te maken van

maten. In deel II, Strllktuur en Elementen, werd de

gehele ruimtelijke dimensie opgebouwd gedacht uit elementen,

die daarbij gekenmerkt werden in termen van

maat, plaats en funktie.

De term maat neemt hier een centrale plaats in.

De maat is de eenheid bij uitstek van de ruimtelijke

dimensie op dezelfde manier als geld dat is in een

financiële dimensie. Alle problemen van ruimtelijke

ordening kunnen op de een of andere manier worden

teruggebracht tot een maatprobleem. Dit kan duidelijk

worden aan de hand van net volgende.

Elk ontwerpprobleem is een probleem, dat gekarakteriseerd

wordt door de begrippen: beginsituatie, elemer.ten,

programma en eindsituatie c.q. varianten.

De primaire vraag, die bij het "ontwerpen als

toetsen" gesteld wordt, is: biedt de beginsituatie

plaats voor een programma aan elementen. zo ja, hoe

ziet de eindsituatie er dan uit?

141


De beginsituatie kan geheel getekend worden door het

verstrekken van maatgegevens. Stel dat de beginsituatie

een maat a heeft.

Het programma heeft betrekking op aantallen elementen

en op de relaties tussen elementen~ elementen die

zelf weer een maat bezitten. Zoals we in hoofdstuk

1 paragraaf 4, programma, zagen, kan de relatie tussen

elementen, hoewel in principe een kwestie van

plaats, geheel uitgedrukt worden in termen van maat.

Dit gebeurde door de relaties uit te drukken in de

maat van de overlapping van de betreffende elementen.

Stel dat deze overlapping tot uitdrukking gebracht

wordt door een maat b.

De elementen worden gedefinieerd in termen van maat.

Stel dat deze maten tot uitdrukking gebracht worden

door een maat c.

De oorspronkelijke vraag wordt dan: biedt de maat (a)

(van de situatie) plaats aan een aantal maal maat

(b + c) (van programma en elementen).

Zo ja, hoe ziet dan de eindsituatie er uit?

Deze vraag kan ook als volgt geformuleerd worden:

is a = n x (b+c)?

Het is duidelijk, dat deze "formule" op geen enkele

wijze opgevat moet worden als een wiskundige notitie.

Het enige waar het nu om gaat is, dat alle faktoren

van het ontwerpprobleem eerst vertaald worden in

maten en dat de P.roblematiek van de toetsing van de

situatie uiteindelijk altijd een kwestie is van

maatvergelijking en dus van maat.

De problematiek van de maatvergelijking is zoals de

"formule" aangeeft, behalve een kwestie van maatvoering

en dus van maten ook een kwestie van aantallen

en dus van tellen. ~P.roblematiek kan echter alleen

telbaar gemaakt worden door het introduceren van een

maateenheid, die alle maten a, b en c gemeenschappelijk

hebben en waarmee zowel situatie, elementen als

programma gemeten kunnen worden. In alle voorbeelden

van het vorige hoofdstuk is van een dergelijke maateenheid

gebruik gemaakt: 12,5 cm bij het tafel dekken

en 30 cm bij het inrichten van een vertrek en het indelen

van een woonstruktuur.

2. Maatnivo's. (fig. 3.13)

Het."ontwerpen als toetsen" speelt zich altijd af binnen

het bestek van één nivo, waarop altijd met één

maateenheid gewerkt wordt. Op verschillende nivo's

142


zal echter in de meeste gevallen met verschillende

maateenheden gewerkt worden. Op een hoger nivo zal

met grotere>maten gemeten worden dan op de lagere

nivo's. Dit kwam in de voorbeelden duidelijk tot uiting.

Voor het nivo van de woning is 30 cm een

juiste maateenheid. Op het daaronder liggende nivo,

dat van het vertrek, werd eveneens een maat van 30

cm gehanteerd, doch zeker wanneer het gaat om meubilair

heeft een behoorlijke afronding van maten

naar boven plaats gevonden: een maat van 10 cm zou

waarschijnlijk de werkelijkheid minder geweld aan

doen. ,

Op het nivo van het meubilair werd een maat van 12,5

cm gehanteerd, die eveneens vrij ruim bemeten is waar

het om zulke kleine elementen als eetgerei gaat. Een

maat van bijvoorbeeld 5 cm zou misschien beter zijn

geweest. Het eenvoudige elementensysteem van de drie

voorbeelden laat met bovenstaande aanpassingen een

verdeling van maten zien, waarbij elk nivo een grotere

maateenheid heeft en waarbij bovendien elke grotere

maat een ~eheeD veelvoud is van de kleinere maateenheden.

In zo'n geval hebben we te doen met drie maatnivo's

met als maten: 5, 10, 30 cm.

Bij de vaststelling van de rnaten van de drie nivo's

zijn drie vaststellingen gedaan:

1) hoe hoger het nivo, hoe groter de maateenheid.

2) de maateenheid van een hoger nivo is een geheel veelvoud

van de maateenheid van het lagere nivo, en

3) de maateenheden per nivo.

Vaststelling 1 is wel aannemelijk: in het voorbeeld

"dekken van een tafel" werd al gesteld, dat de juiste

maat voor een bepaald onderzoek en dus voor een

bepaald nivo, gelegen is. in een spanningsveld van een

te kleine maat, die voor het onderzoek niet relevante

indelingen oplevert en een te grote maat, die relevante

indelingen verloren doet gaan. Het is duidelijk,

dat bij het ontwerpen van een woning gewerkt wordt in

centimeters, terwijl een stedebouwkundig plan wordt

uitgedrukt in meters. Zou men op het nivo van de woning

met meters werken, dan zou dit als te grof ervaren

worden: voor de woning wezenlijke aspekten

zouden dan niet tot uiting gebracht kunnen worden.

Zou men op het nivo van het stedebouwkundig plan met

centimeters werken, dan zou dit als te fijn ervaren

worden: er wordt dan te veel gedetailleerde informatie

verwerkt, waardoor de besluitvorming minder in-

143


zichtelijk wordt en uiteindelijk gaat stagneren.

Door het vaststellen van de aantallen varianten kan

een beeld verkregen worden van de grootte van de

maateenheid, die gehanteerd kan worden. Bij een teveel

aan varianten moet de maateenheid kleiner worden.

In principe zou op een dergelijke manier een

orde van grootte van een maateenheid vastgesteld

kunnen worden. Dat een hoger nivo een grotere maateenheid

vraagt, behoeft hier niet verder aangetoond

te worden.

element

nivo2

situatie

nivo1

M2=pxM1

fig.3.13

Vaststelling 2 is minder voor de hand liggend {fig.3.

13). Een grotere maateenheid behoeft nog geen veelvoud

in te houden. Deze vaststelling hangt nauw samen

met de opbouw van het elementenstelsel. Dit moet ook

wel, daar anders straks nooit een synthese tot stand

gebracht kan worden tussen een elementen- en een maatstelsel

tot een ruimte-stelsel.

Bij de definiëring van het begrip nivo werd geb;ruik

gemaakt van de dubbelrol van een ruimte-eenheid

QP. een hoger nivo SP.eelt deze eenheid de rol yan

element en OP. een lager nivo die yan situatie.

Hierdoor kan deze eenheid dus zowel gemeten worden

in de maateenheid van het hog~re als die yan het

lagere nivo, hij kan in twee maten gemeten worden.

Noem de maateenheid van het element op nivo 2: M2,

en de maateenheid van de situatie op nivo 1: M1 1 dan

wordt de ruimtelijke eenheid zowel gemeten in M1

als in M2. Specificeren we deze eenheid dan wordt

deze op nivo 2 gemeten als n x M2 en op nivo 1 als

m x M1. Wordt n met 1 vermeerderd, dan ontstaat een

144


aanvullende maat 1 x M2, die eveneens gemeten wordt

in een veelvoud van M1, stel p x M1, waarbij p een

geheel get~\ moet zijn. M2 is dan p x M1 ofwel een

geheel veelvoud van M1.

Vaststelling 3 is veel gekompliceerder. Hierop kan

in dit stadium van de studie nog geen antwoord gegeven

worden. Hiervoor is het noodzakelijk dat eerst de

plaatsingsaspekten van het maatstelsel bezien worden,

terwijl de eindfase van de maatbepaling pas 'in deel

IV, Proces, plaats vindt en wel in het stadium voorbereiding

besluitvorming. Voorlop~ wordt er mee

volstaan de maten van de maatnivo's aan te duiden

met de maateenheden M1, M2, M3 en M4, waarbij de

maateenheden voldoen aan de volgende relaties:

M(n+1) = p x Mn, waarbii_P. een geheel getal is.

De verschillende maatnivo's worden aangeduid als

M1, M2, M3, M4-nivo, bijvoorbeeld te specificeren als

30 cm, 150 cm, 600 cm, 3000 cm nivo.

Deze maateenheden zijn, zoals later zal blijken, de

maten van een zogenaamd nominaal maatsY.steem, waarmee

de orde van grootte van de maateenheden op de verschillende

maatnivo's wordt aangeduid.

Par. 2 - Rasters.

1. Modulaire koördinatie.

In alle voorbeelden van hoofdstuk 1 van dit deel werd

direkt of indirekt gebruik gemaakt van rasters. In het

voorbeeld "dekken van een tafel" bestond dit raster

uit velden van 12,5 cm, terwijl in de voorbeelden

"inrichten van een vertrek" en "inrichten van een

woonstruktuur" een raster met velden van 30 cm gebruikt

werd. Dit raster•maakt deel uit van het fysieke

deel van de situatie, doch het is tevens het

deel, met behulp waarvan de regels van de situatie

tot uitdrukking gebracht kunnen worden. Hierbij wordt

de regel gehanteerd, dat een e1ement altijd een geheel

aantal velden van het raster bezet. Dit raster

kan gezien worden als een algemene situatie met

zowel een fysiek als een regelend deel. Het raster

kan daarmee opgevat worden als de meest algemene

notitie van een situatie. Op dezelfde wijze kan een

maat opgevat worden als de meest algemene .notit.ie

van een element. De relatie tussen situatie en

element: een element kan deel uit maken van een situatie

en/of het kan er in geplaatst worden, is

145


dezelfde als die tussen raster en maat: een maat kan

deel uit maken van het raster (in de vorm van de

maat van de velden, waaruit het raster is opgebouwd)

èn de maat kan in het raster geplaatst, genoteerd

worden. Maatvoerin~plaatsbepaling worden door

het raster in êên koncept ondergebracht.

Door aan te geven welke en dus hoeveel velden van een

raster bezet zijn door een element, worden twee uitspraken

gedaan, namelijk ten aanzien van de afmetingen

van het element en ten aanzien van de plaats van het

element.

Een raster is algemeen en daardoor tevens een situatie,

die gekenmerkt wordt door een hoge mate van regelmaat,


eide opvattingen in ~~n koncept verenigd worden,

waarbij getracht wordt de voordelen van beide tot gelding

te brel:}gen. Dit koncept bestaat uit een stelsel

van rasters, die geleed zijn in nivo's. Elk nivo zal

gekenmerkt worden door een voor dat nivo relevant

raster en er zullen bepaalde regels opgesteld moeten

worden betreffende relaties tussen deze rasters.

2. Twee opvattingen: prioriteit van maat en prioriteit

van plaats. (fig. 3.14 en 3.15}

Het Klassieke stelsel van modulaire koördinatie gaat

uit van een moduul met een daarvan afgeleid raster

(fig. 3.14).

I I

I~Mt

!1-t: i

i

IM21

l U nraster M2.

flg.3.14

Daarin worden elementen gesitueerd, volgens de regel

dat een element een geheel aantal velden bezet, doch

er worden wel uitzonderingen toegelaten. Er ontstaat

namelijk een probleem op het moment dat een vloerelement

opgelegd wordt op twee·wandelementen. Het

vloerelement strekt zich uit van hart wandelement

tot hart wandelement. Als de wandelementen modulair

geplaatst zijn, bijvoorbeeld in een 30 cm-raster,

dan houdt dit in dat het vloer element niet meer

voldoet aan de regel: er zijn namelijk velden van

het raster, die slechts voor de helft bezet zijn

door het vloerelement. Deze wijze van plaatsen

wordt aangeduid met halfmodulaire plaatsing. De

betiteling is juist, daar nu van het oorspronkelijke

147


aster een raster afgeleid wordt met als moduul

de helft van de oorspronkelijke en waarbij het

raster zodanig gesitueerd wordt dat een oorspronkelijk

veld 4 velden van het afgeleide raster omvat.

Dan voldoen zowel de vloerelementen als de wandelementen

aan de regel, die bij het afgeleide raster

(met de halve moduul) behoort. Dit is een kunstgreep,

die bedacht is om het mogelijk te maken hoe

dan ook, met modulair materiaal te werken. Dit s,telsel

van modulaire koördinatie legt, waar het gaat om

maat of plaats, een duidelijke prioriteit bij een

konsekwente maatvoering van de elementen, eventueel

ten koste van een konsekwente plaatsing. In feite

wordt om de oorspronkelijke moduul te kunnen handhaven

voor de maatvoering een halve moduul ingevoerd

voor de plaatsing. Dit houdt in dat op één nivo met

twee modulen gewerkt wordt, hetgeen afbreuk doet

aan het streven naar een voor een nivo representatieve

maat.

Er wordt nog een andere uitzondering toegelaten in

het Klassieke stelsel van modulaire koördinatie:

een èlement mag zodanig opgebouwd zijn, dat de samenstellende

onderdelen niet aan de plaatsingaregels

voldoen en het geheel wel. Dit ligt daarom voor de

hand, daar het bij de modulaire koördinatie gaat om

het maken van afspraken, waar verschillende beslissingsgebieden

elkaar ontmoeten. Wat er binnen het

kader van een beslissingsgebied gebeurt, is in wezen

niet relevant voor de probleemstelling.

Bij de klassieke modulaire koördinatie ligt de prioriteit

bij de maatvoering en worden afwijkingen van

de hoofdregel toegestaan voor plaatsing. Dit is problematisch

voor een koncept, dat gehanteerd moet worden

bij het bouwkundig ontwerpen. Daarbij is het veel

belangrijker een systeem te hanteren, dat juist ten

aanzien van de plaatsing van elementen konsequent is.

Het gaat bij het bouwkundig ontwerpen om een voortdurend

toetsen van een situatie aan een programma en

het bepalen van indelingsvarianten van de situatie,

wat primair plaatsingavarianten zijn. Alle bewerkingen,

die uitgevoerd worden tijdens het proces,hebben

altijd betrekking op het plaatsen van elementen.

Zowel waar het gaat om het indelen van een situatie

als het schakelen of groeperen van elementen.

Doordat de elementen op zichzelf afmetingen hebben,

heeft elke plaatsing van elementen ten opzichte van

elkaar of ten opzichte van de situatie ook konsekwentles

voor de afmetingen van de ruimten, die ont-

148


staan. Maar het is voor het uitvoeren van het proces

van belang de prioriteit bij de plaatsing te leggen

en de maaty&ering daarvan afhankelijk te stellen •.

Dit houdt niet in dat de maatvoering daardoor van

ondergeschikt belang is. doch wel dat er een zekere

2P.eling_geacceP-teerd moet worden in de afmetingen

om een konseguent plaatsen moqelijk te maken.

Deze speling is ook noodzakelijk omdat in de praktijk

van het bouwen praktisch geen afmetingen voorkomen,

die werkelijk modulair zijn. Hoewel de ekonomische

belangen voor het gebruik van modulaire materialen

niet te onderschatten zijn uit oogpunt van typebeperking

en daarmee van seriegrootte, is het toch zo dat

bijvoorbeeld bij muurdiktes de voordelen niet tegen

de kosten opwegen en volstaan wordt met die maten,

die voortkomen uit overwegingen van geluidsisolatie

en sterkteberekening.

Hoe belangrijk het is om tolerant te zijn ten aanzien

van de afmetingen, toch zullen de afmetingen

aan grenzen onderworpen moeten worden. De maat van

een element zal gelegen moeten zijn tussen een minimum

en een maximum van grootte. De vraag is nu of

een konsequent stelsel van modulaire koördinatie

ontwikkeld kan worden, dat vorm geeft aan dit streven.

De SAR ontwikkelde hiervoor in het rapport SAR 65een

raster met afspraken, waardoor aan de gestelde eisen

tegemoet gekomen kan worden (fig. 3.15).

I

~~

.rt: IL

M1

IM21

bandraster M1/M2

fig.3.15

149


Het raster is afgeleid van het hiervoor behandelde

30 cm-raster. Elke lijn uit dit raster wordt vervangen

door een band van 10 cm en wel zodanig, dat er

tussen de banden velden ontstaan van 20 cm. Dit is

de fysieke situatie van het zogenaamde 10-20 cm-raster.

De regelende situatie stelt, dat alle elementen, die

in het raster geplaatst worden, elkaar ontmoeten en

dus hun beeindiging vinden in een 10 cm band. Er worden

bij dit stelsel van modulaire koördinatie geen

uitzonderingen toegelaten. Elk element kan dus op

ondubbelzinnige wijze geplaatst worden, de afmetingen

van zowel element als ruimte zijn binnen bepaalde

grenzen flexibel. Door dit systeem wordt dus tegemoet

gekomen aan een aantal primaire eisen, die het

ontwerpen stelt. Omdat de plaatsing ondubbelzinnig

is, kan een situatie genoteerd worden, beoordeeld

en goedgekeurd worden, onafhankelijk van de technieken

en materialen, die tot een exakte maatbepaling

zullen leiden. Dit stelt wel eisen aan de manier,

waarop de maatvoering van de elementen wordt

geformuleerd.

3. Raster-nivo's. (fig. 3.16 en 3.17)

Naar analogie van de term bandraster kan het oorspronkelijke

raster aangeduid worden als lijnraster.

Het bandraster is beschreven als een van het lijnraster

afgeleid raster, waarbij de lijnen vervangen

zijn door banden. Het lijnraster (plus regels) en

het bandraster (plus regels) zijn in zekere zin

qua inhoud gelijkwaardig, alleen ligt de prioriteit

van maat en plaats juist andersom.

Het is zinvol de twee rastervariantenqua. gebruikseigenschappen

met elkaar te vergelijken. Deze vergelijkin~

heeft plaats op êên nivo, het 30 cm-nivo.

Het lijnraster blijft ten aanzien van de maatvoering

de moduul 30 cm hanteren en valt bij plaatsing

eventueel terug op een 10 cm-raster.

Het bandraster blijft ten aanzien van de plaatsing

het 30 cm-raster hanteren en valt bij de maatvoering

eventueel terug op een maateenheid van 10 cm. Ook in

andere opzichten zijn beide varianten vergelijkbaar

en wel ten aanzien van de hanteerbaarheid in praktische

ontwerpsituatief?.• Het lijnraster heeft als

voordeel: dat situaties zeer eenvoudig ingedeeld

kunnen worden; ontwerpbeslissingen zijn eenvoudig en

snel te kwantificeren, zowel qua ruimte als qua kos-

150


ten. Het systeem heeft de charme van het spelen met

een blokkendoos: alles is even helder en inzichtelijk.

Het lijnraster heeft als nadeel dat de notities in

het raster. niet korresponderen met de bouwkundige

werkelijkheid, daar van veel materialen de afmetingen

om ekonomische redenen niet modulair te maken

zijn.

Het bandraster heeft als voordeel dat de notities in

dit raster wel speelruimte bieden voor de bouwkundige

werkelijkheid. Het bandraster heeft als nadeel dat

het indelen en kwantificeren minder snel zal gaan,

daar het raster is opgebouwd uit 2 maten, waardoor in

feite wordt teruggevallen op de kleinere moduul van

10 cm.

Het gaat er nu niet om tot een keuze te komen. Het

is belangrijker na te gaan of er niet een meer omvattend

koncept van modulaire koördinatie is te bedenken,

waarvan beide genoemde stelsels een specifieke

uitwerking zijn. In dit koncept zouden dan de

voordelen van beide varianten gekombineerd moeten

worden, dus zowel eenvoudige kwantificeerbaarheid

als speelruimte voor de bouwkundige werkelijkheid.

Het koncept zal dus zowel plaats moeten bieden aan

een lijnraster als aan een bandraster. Om tot dit

konsept te komen, gaan we de fysieke situatie van

beide rastervarianten met elkaar in verband brengen

(fig. 3.16).

Er is al een verband gesignaleerd bij de eerste beschrijving

van een bandraster. Het bandraster is

afgeleid van het lijnraster door een lijn te specificeren

als band (1). Een bandraster kan ook opgevat

worden als een uitgedund lijnraster (2).

Omgekeerd kan een lijnraster opgevat worden als een

grensgeval van een bandraster, waarbij een band

vervangen wordt door een lijn (3). Een lijnraster

kan ook gevormd worden door verdichting van een bandraster

(4).

Het valt bij deze transformaties op, dat er twee lijnrasters

aan de orde zijn, elk met hun eigen moduul:

stel M1 en M2, en dat er een bandraster is, waarvan

de band M1 meet en waarvan de werkende maat t-12 is.

Bovendien valt op dat deze transformaties in geval 1

en geval 4 met elkaar gemeen hebben, dat ze een specifikatie

(er komen lijnen bij) inhouden. In geval 1

wordt de lijn gespecificeerd tot een band. In geval

4 wordt het veld gespecificeerd. In geval 2 en 3

zijn de transformaties generaliserend (er vervallen

lijnen) van aard. In geval 3 wordt een band gegene-

151


aliseerd tot een lijn en in geval 2 geldt hetzelfde

voor een veld. In principe zijn er dus twee soorten

transformaties: namelijk specificerende en generaliserende.

Dit komt overeen met konvergerend: uitsluiting

van plaatsingsmogelijkheden van elementen en divergerend:

uitbreiding van plaatsingsmogelijkheden

van elementen.

~~raster

2 ~~· VJU

...";0

"00.

·""'I...

bandraster

M1/M2

~rraster

T ~~ EjQ

uo..

bandroster

M1/M2

11 bandraster

I

tM1~2

Q.l:il

~~

uh.

~~raster

transformatie l.ijnraster-ba.ndraster v.v

fig.3.16

Het feit, dat we te maken hebben met een toestand

waarbij twee modulen aan de orde zijn en waarbij

een proces waargenomen kan worden, waardoor de overgang

bewerkstelligd wordt tussen die twee maten en

dat beschreven kan worden in termen van konvergerend

en divergerend, geeft aan, dat we te maken hebben

met een problematiek rond de overgang tussen twee

152


nivo's. Het is nu mogelijk deze overgang in kaart

te brengen door de twee nivo•s weer te geven als

twee regels, elke regel met een eigen moduul, die

als basis fungeert voor een lijnraster (fig. 3.17).

I I I I I I I I I I ~~raster

+1-ltH · H·Tl-1· ~I tl r-~ ·H ~· ~~rs!er

11111111111111111111111111111111 ~rraster

~

e

0..

8

nivo

1

'y--'--

c nivo

~ 2

rasternivo'S

fig.3.17

De overgang tussen beide lijnrasters en ook tussen

de beide nivo's wordt weergegeven door het bandraster.

Dit leidt tot een model van een stelsel van modulaire

koördinatie, waarbij zowel het lijnraster

als het bandraster hun plaats hebben gekregen.

Het lijnraster is dan het raster, waarin bij voorkeur

alle operaties plaatsvinden, terwijl het bandraster

doordat het de modulen van'de beide nivo's

bevat, een overbruggingsfunktie vervult tussen de

beide nivo's.

Par. 3 - Maatstelsel

0. Inleiding. (fig. 3 .18)

Het maatstelsel houdt een synthese in van de geleding

in maatnivo's van paragraaf 1 en de geleding in rasternivo's

van paragraaf 2. Deze synthese kan tot

stand gebracht worden doordat de onderscheiden nivo's

met elkaar korresponderen. Dit maatstelsel wordt als volgt

beschreven: een maatstelsel is een stelsel van rasters

en maten, opgebouwd uit nivo•s, waarbij elk nivo

gekenmerkt wordt door een lijnraster met een bepaalde

153


--+----

~-- +------

j

M4

(2800)

ntvo

4

M3hv14

I (720/2880) ·

M3 ntvo

3

(720)

__ LM2/M~

1


maateenheid.

De relaties tussen beide nivo's zijn dusdanig_geregeld,

dat een maateenheid van een hoger nivo een veelvoud

is van een maateenheid van een lager nivo en dat

twee lijnrasters van aan elkaar grenzende nivo's via

een bandraster met elkaar verbonden zijn. Dit bandraster

is daarbij een specifikatie van een hoger

lijnraster en is tevens een generaliserende notitie

in het lagere lijnraster. Een maatstelsel wordt voorgesteld

door de notitie M1, M2, M3, M4, waarbij M1

tot en met M4 de lijnrasters met bijbehorende maten

voorstellen van de nivo's 1 tot en met 4.

De bandrasters tussen de verschillende nivo's worden

als vol~genoteerd: M1/M2, M2/M3, M3/M4.

Een maatsysteem is een maatstelsel, waarvan alle rasters

en maten benoemd zi~

Met dit maatstelsel is een stelsel van modulaire

koördinatie ontwikkeld(fig. 3.1~ dat dienst kan doen

als voertuig voor alle vormen van informatie, van

algemeen naar specifiek, van groot naar klein, van

maat en plaats, van ruimte en materiaal, zoals die

bij problemen van ruimtelijk ordenen naar voren komen.

Het stelsel heeft een opbouw, waarmee het mog~

lijk is een kontinue stroom van informatie over de

grenzen van de verschillende nivo's te verwerken,

waarbij deze stroom zowel van hoog naar laag nivo

als omgekeerd kan verloP.en.

1. Twee plattegronden, nominale maat. (fig. 3.19)

Ter illustratie wordt nu één plattegrond op twee

manieren genoteerd, namelijk in een 10-20 cm bandraster

en in een 30 cm-lijnraster.

Allereerst de notitie in het bandraster (fig. 3.19).

Het fysieke en het regelende deel van het bandraster

is reeds aan de orde gesteld. Door deze regels

kunnen drie maatseries onderscheiden worden. Deze

maatseries kunnen als volgt genoteerd worden:

n x 30 + 10 cm, n x 30 cm en n x 30 - 10 cm.

Deze maatseries geven behalve een maataanduiding

tevens een plaats in het raster aan. Elementen,

in deze maatseries gemeten, kunnen op verschillende

manieren tot een aaneengesloten geheel geschakeld

worden. Elementen in de maatseries n x 30 - 10 cm

en n x 30 + 10 cm kunnen door afwisselend geplaatst

155


I

n---n-~--~------t~~~-=

. I . o

-t'=-p"'r-----_-_---f!:!jc f----_-_-----1-a!:!\-· -_-_--_-_-_--_-_-_--_-_-·..uj-----=====IL..f..-.~:!::~ -

rraat

S4

.____,,

erras

u

~~~~ n

. . . .

u "ia---ro 260-- 4D -500-----------~~ 260

0

(j) ,...... -

'-

- .a (.!) N - --

ro

0 en

- -

-

11111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111111 0/1

bandroster 10-20(MO)

plattegrond in rondroster

fig. 3.19

156


te worden een aaneengesloten geheel leveren en hetzelfde

geldt voor de n x 30 cm elementen.

Deze maatseries geven de mogelijkheid een onderscheid

in te voeren tussen twee soorten van elementen,

namelijk ruimte-elementen en materiaal-elementen.

Ruimte-elementen worden gemeten in de maatserie

n x 30 - 10 cm, en materiaal-elementen in de maatserie

n x 30 + 10 cm. Ruimte-en materiaal-elementen kunnen

elkaar dus afwisselen, waardoor elke ruimte door

materiaal-begrensd wordt en omgekeerd plaatsing van

materiaal-elementen ruimte oplevert. Het is niet toevallig

dat voor de materiaal-elementen de maatserie

n x 30 + 10 cm werd genomen, daar in het grensgeval,

als n = 0, altijd 10 cm overblijft om als afscheiding

te kunnen fungeren tussen twee verschillende ruimten.

Het maken van een dergelijk onderscheid tussen materiaal

en ruimte is een kenmerkende eigenschap van

het bandraster.

De maatserie n x 30 + 10 cm ten behoeve van materiaal

houdt in, dat altijd een dergelijke maat gereserveerd

wordt ten behoeve van de plaatsing van materiaal.

Hiermee wordt dus een grens aangegeven.

Op dezelfde manier wil de maatserie n x 30 - 10 cm

ten behoeve van ruimte zeggen, dat een dergelijke

maat altijd gegarandeerd wordt ten aanzien van de

ruimt~. Dit houdt in dat de ruimte-elementen, zoals

die bijvoorbeeld gedefinieerd werden in voorbeeld 3

van hoofdstuk 1, "indelen van een woonstruktuur", in

feite genoteerd moeten worden in termen van n x 30

- 10 cm, want als de materiaal-elementen inderdaad

de maat krijgen, die daarvoor gereserveerd is, dan

resten voor de ruimten slechts n x 30 - 10 cm maten.

Dit houdt in dat de normen ten behoeve van alle vertrekken

in deze maatserie geformuleerd moeten worden.

De norm voor de funktie hoofdslaapvertrek wordt dan:

minimum breedte 9 x 30 - 10 = 260 cm. Het is deze

maat, die op het nivo waarop het vertrek situatie is,

onderzocht moet worden op zijn indelingsmogelijkheden.

Keren we terug naar het voorbeeld van de platteqrond.

In deze plattegrond worden een aantal

ruimte- elementen gesitueerd als bouwmuren, gevels,

inbouwwanden etc. Het zijn materiaal-elementen; voor

de bouwmuren worden stroken gereserveerd van n x 30

+·10 = 40 cm, terwijl voor de inbouwwanden n x 30 +

10 = 10 cm wordt vrijgehouden. Voor.de schone ruimtematen

resteren dan n x 30 - 10 cm maten; deze

ma.ten moeten getoetst worden aan de normen van de

funkties, die in de ruimte ondergebracht worden.

157


------- -------- ---------------

straat

t-~

c

~Do 0 0

I ..----- r----1

berg1ng K2

l5J

s ~

.L:l 0

1\/

-+-_tg] tJl?lö ~

~LJ

1-R

~

~\ L! R

l-L_

Cl

~

54 loggia\_ W1 '-J

.u N

t---' I

11 r- r

a:.,..__

terras

------

' ' '

!------- r--------------

......

~)270 ) 270 • > 570 lD 270

111111111111111111111111111\lllllllll!llllllllllllfl 1

lijnraster 30

plattegrond in lijnraster

fig.3.20

l>

R

~

158


Het is belangrijk dat men zich realiseert dat

de notitie in een dergelijk raster zowel in termen

van 10 cm als van 30 cm maten plaats vindt. Hierdoor

kan dit raster een brugfunktie bewerkstelligen tussen

twee nivo's van maatvoering. Een dergelijke notitie

van een P.lattegrond moet dan geP.aard gaan met

een formulering van de normstelling in termen van

n x 30 - 10 maten.

Op de tweede plaats de notitie in het 30 cm-lijnraster

(fig. 3.20).

Het fysieke en het regelende deel van deze algemene

situatie zijn reeds aan de orde gesteld. In dit geval

kan slechts !ên maatserie onderscheiden worden,

namelijk n x 30 cm en er kan dus in dit opzicht geen

onderscheid gemaakt worden tussen ruimte-en materiaalelementen.

Een bouwmuur is n x 30 cm = 30 cm en de maat van een

inbouwwand is n x 30 = 0 cm; een inbouwwand zal

daarmee voorgesteld worden door een lijn. Ook de

schone ruimte-maten zijn n x 30 cm. De notitiewijze

korrespondeert geheel met die van voorbeeld 3 uit

hoofdstuk 1. De norm van de funktie hoofdslaapvertrek

werd daar geformuleerd als: min. breedte 9 x 30 =

270 cm. Het is belangrijk dat men zich realiseert dat

een dergelijke notitie op !ên nivo plaats vindt. Ten

aanzien van de norm wordt dan ook gebruik gemaakt van

de n x 30 maatserie.

De twee tekeningen kunnen met elkaar vergeleken worden.

Figuur 3.19 is realistischer, doch heeft het nadeel

dat de verschillende operaties door het werken

met twee maatseries minder gemakkelijk verlopen.

Figuur 3.20 wordt gekenmerkt door eenvoudige operaties,

doch heeft bijvoorbeeld door inbouwwanden van

0 cm minder realiteitswaarde. Als de relatie tussen

het bandraster van figuur 3.19 met het lijnraster van

figuur 3.20 echter precies bekend is, dan kan fig. 3.20

door een, aan bepaalde regels gebonden, transformatie

omgezet worden in figuur 3.19. Alle ontwerp-operaties

zouden dan in het lijnraster uitgevoerd kunnen worden,

met alle voordelen vandien, terwijl het toch een

realistisch ontwerp is, wat kan blijken uit een

transformatie naar een notitie in het bandraster.

De transformatieregel is zeer .eenvoudig_: elke

lijn van het 30 cm-lijnraster wordt vervangen door

e~n band van 10 cm van het 10-20 cm bandraster. De

operaties in het lijnraster zijn echter alleen maar

159


St roe

c:

I

I

J

.IE K2 53-

I~

R

~

.~

l.r 1:41- i- h c V ~

'-:./

\:"i

-~

54 l. \.. W1 '-

~

t. ~

'1:.

11270 11270 11570 11270 lt

1111111111111111111111111111111111111111111111111111 1

lijnraster30

1i 11111 3 jnraster ON 308

NZ45

plattegrond op nivo 1, 2, 3.

fig.3.20a.bc.

160


geldig wanneer de bij de toetsing gehanteerde norm

in termen van n x 30 cm, bij transformatie naar het

bandraster geen konflikt oplevert met de norm, zoals

die daar gehanteerd wordt in termen van n x 30 - 10

cm. Dit probleem kan alleen maar OP.gelost worden

door het invoeren van de afsP.raak, dat de n x 30 cm

norm bij de notitie in het lijnraster slechts een

nominale maat of noemmaat is, die staat voor een

n x 30 - 10 cm maat. Pas wanneer men deze tolerantie

ten aanzien van de maatvoering introduceert, is het

gerechtvaardigd het lijnraster te hanteren bij het

ontwerpen. De grootte van de tolerantie wordt daarbij

dus bepaald door de maat van de band van het onderliggende

bandraster. Omdat het lijnraster niet met

werkelijke maten werkt, wordt dit raster ook wel aangeduid

als nominaal raster.

De aanduiding "nominaal raster" geeft aan op welke

manier notities in dit. raster geïnterpreteerd moeten

worden. Voor dit raster kan eveneens de term bruto

raster gehanteerd worden; doordat bij dit rastertype

geen onderscheid gemaakt wordt tussen ruimte en materiaal,

tussen velden en banden, en alleen gewerkt

wordt met de werkende maat van beide, gaat het altijd

om een notitie, waarin ruimte en materiaal niet

onderscheiden zijn. In het bruto raster gaat het

altijd om de situering van bruto elementen, die bij

uitwerking op een lager nivo weer uiteen kunnen vallen

in ruimte-en materiaal-elementen.

Het zal wel duidelijk zijn dat de twee afbeeldingen

nog uitgebreid hadden kunnen worden met een

derde, namelijk een notitie in een 10 cm-lijnraster.

Dit betekent geen verandering van de plattegrond

notitie in het 10-20 cm raster; er komen alleen maar

rasterlijnen bij. Het betekent wel dat de notitie in

het 10-20 cm raster ten opzichte van de notitie in

het 10 cm lijnraster een bizondere notitie is, waarbij

al enigszins geanticipeerd wordt op een latere

notitie in het 30 cm-lijnraster. Het is een generaliserende

notitie.

De twee procesrichtingen, het konvergerend en het

divergerend proces, kunnen nu ook aan de hand van

de rasters verduidelijkt worden.

Een notitie in het 10 cm lijnraster kan via

een notitie in het 10-20 cm bandraster ~generaliseerd

worden tot een notitie in het 30 em.lijnraster en

omgekeerd kan een notitie in het 30 cm lijnraster via

het 10-20 cm bandraster qg§P.ecificeerd worden naar

het 10 cm lijnraster. Deze generalisatie en SP.ecifi-

161


katie verlOOP.t volgens de transformatiereqel, die deel

uit maakt van het rasterstelsel.

2.~ Toepassing van het maatstelsel.

Door de centrale en overbruggende funktie van het

bandraster is het mogelijk de belangrijkste aspekten

van het maatstelsel te belichten door een aantal be~

schouwingen te wijden aan de rol van het bandraster.

Deze beschrijving heeft een samenvattend karakter.

Dit houdt in dat het onvermijdelijk is, een aantal

reeds behandelde aspekten nog eens expliciet aan de

orde te stellen.

1) Bandraster: fysiek en regelend deel, pasmaat.

De fysieke situatie van het bandraster vraagt weinig

toelichting~ deze bestaat uit velden en banden, waarbij

de velden in principe groter zijn dan de banden.

Ook het regelend deel van de situatie kwam al

aan de orde: elementen ontmoeten elkaar in een band

van het bandraster. De elementen eindigen in een

band van het bandraster. Op deze wijze wordt dus

speelruimte gelaten voor de maatvoering van een element.

Toch kan het nodig zijn binnen het kader van

een bandraster tot exakte afspraken te komen ten

aanzien van de plaats van de begrenzing van een element.

Hiertoe heeft de SAR het begrip pasmaat ingevoerd (2l,bl.l.01)

Deze pasmaat wordt gedefiniäerd als de afstand van

de uiterste grens van een element (op basis van zijn

maatvoering ên zijn plaatsing) tot aan de eerstvolgende

lijn van het raster. In de SAR-afspraak betrof

dit een lijn van het 10-20 cm raster. Daar elk

element in een 10 cm band eindigde, was de pasmaat

min. 0 cm en max. 10 cm.groot. Deze exakte plaatsen

maatbepaling in een 10-20 cm raster kan echter ook

toegepast worden voor bandrasters van andere nivo's.

De definitie van pasmaat kan hierbij onverminderd

gehandhaafd blijven.

2) Bandraster in divergerend en konvergerend proces.

(fig. 3.21).

Bij de ontwikkeling van het maatstelsel bleek, dat

een bandraster op twee manieren opgevat kan worden.

Een bandraster kan opgevat worden als een specifi-

162


andrastervarianten M1/M2

fig. 3.21

katie van een lijnraster van een lager nivo, en een

bandraster kan opgevat worden als een generaliserende

notitie in een lijnraster, in dat geval vormt het

de overgang naar een lijnraster van een hoger nivo.

De eerste opvatting is die van een bandraster,

zoals dat voorkomt in een specificerend, divergerend

proces. Het blijkt dan ook, dat er in principe

meerdere bandrasters afgeleid kunnen worden van een

lijnraster. Nemen we als voorbeeld een maatstelsel,

waarvan M2 = 180 cm en M1 = 30 cm. Het is dan mogelijk

om twee bandrasters af te leiden, namelijk de

bandrasters 30-150 cm en 60-120 cm.

Beide bandrasters zijn legitieme notities in een

30 cm-lijnraster. Welk bandraster deel uit gaat maken

van het maatsysteem, kan afgesproken worden, doch het

kan ook open gelatien worden. In elk geval is het duidelijk,

dat een situatie, die genoteerd is in het

M2-raster, bij transformatie naar een lager nivo

extra ruimte krijgt van 30 cm, dan wel 60 cm.

Deze ruimte kan beschouwd worden als een speling,

waarover beschikt kan worden bij verdere uitwerking,

doch juister is het deze ruimte op te vatten als een

ruimte voor aanvullende beslissingen ten aanzien van

163


de oorspronkelijk situatie. Bij de uitwerking van

deze situatie zullen dan ook voor dat nivo kenmerkende

elementen aan de orde komen, die gemeten worden in

veelvouden van 30 cm, in dit geval bouwmuren, gevels,

puien e.d. Het divergerende karakter van het proces

zal geen nadere toelichting vragen, het gaat immers

om aanvullende beslissingen, die in principe zullen

leiden tot varianten.

De tweede opvatting is die van een bandraster, zoals

dat voorkomt in een generaliserend, konvergerend

proces. Ook hier blijkt dat in principe meerdere

bandrasters in het lijnraster genoteerd kunnen worden.

In het raster M1 = 30 cm kunnen de bandrasters

30-150 cm en 60-120 cm genoteerd worden, die op nivo

2 leiden tot M2 = 180 cm (werkende maat van het bandraster)

• Daarnaast kunnen tal van andere bandrasters

genoteerd worden, die leiden tot andere maateenheden

op nivo 2. Dit proces is herleidend; getracht wordt

door het vaststellen van wetmatigheden in de kombinaties

van elementen op een lager nivo te komen tot

de vaststelling van een grotere maateenheid op een

hoger nivo, die representatief, samenvattend is ten

aanzien van de kwaliteiten op het lagere nivo.

In de praktijk van het ontwerpen van de maatsystemen

wordt anders te werk gegaan. Een grotere maat wordt

vooropgesteld en in een trial and error proces wordt

nagegaan wat de eigenschappen van deze maat zijn voor

de uitwerking op het lagere nivo. Hierbij wordt dan

bij herhaling een divergerend proces toegepast om een

konvergerend resultaat te bereiken. Deze werkwijze

korrespondeert met die van het ontwerp van een struktuur,

zoals dat beschreven werd in de laatste paragraaf

van hoofdstuk 1.

3) Bandraster; ruimte en materiaal (fig. 3.22).

Een zeer belangrijke eigenschap van de bandrasters is

gelegen in hun vermogen een onderscheid aantebrengen

tussen ruimte en materiaal. Bij de vergelijking van

de 2 notities van een plattegrond: een in een lijnraster

en een in een bandraster, wordt dit in êén

oogopslag duidelijk. Door de aanwezigheid van banden

en velden kunnen drie maatseries onderscheiden worden.

De serie n x 30 cm is alleen interessant in zoverre

deze de werkende maat van het raster aangeeft; zowel

164


hart-band.- hart-band als hart-veld- hart-veld worden

gemeten in termen van n x 30 cm. Deze maat representeert

de maat van het hoger liggende lijnraster. Deze

relatie kwam in het vorige punt al aan de orde.

llllllllllllllllllllllll~~r

Kllli Klll~

K

m111111~

m

bandraster;. ruimte-materiaal

fig.3.22

maatserie

nx30 materiaal

ru1mle+

maatserie

nx30-10

ruimte

nx30+10

11 maatserie

materiaal

Belangrijker op dit moment Z~Jn de twee overige

maatseries, namelijk n x 30 - 10 cm en n x 30 + 10

cm. De eerste serie diende voor het meten en plaatsen

van ruimte elementen en de tweede serie voor

het meten en plaatsen van materiaal-elementen. Als

voorbeeld werd hier een bandraster gegeven, gelegen

tussen de nivo's 1 en 0. Ook voor de bandrasters,

gelegen tussen hogere nivo's gelden echter

dezelfde regels. Nemen we als voorbeeld een bandraster

240-480 cm, gelegen tussen nivo 2, M2 = 120 cm

en nivo 3, M3 = 720 cm, dan geldt ook hier, dat

twee maatseries onderscheiden kunnen worden: de serie

n x 720 - 240 cm voor ruimte-elementen en de

serie n x 720 + 240 cm voor materiaal-elementen.

Het zal duidelijk zijn, dat we ons voor het materiaal-element

hier een andere voorstelling moeten maken

dan bij het eerste voorbeeld van de plattegrond van

een woning. In dit geval zal een woonzOne als

(materiaal-) element optreden. Door zijn situering

165


in het raster wordt een straat, een plein, een tuingebied

gevormd, dat dan nog ingedeeld kan worden met

ruimte-elementen.

Wordt ontworpen op het M3-nivo, dan zal, evenals het

geval was bij het ontwerpen van een plattegrond van

een woning op Ml-nivo, er rekening mee gehouden moeten

worden, dat het hier gaat om nominale maten, die dus

met een speling van 240 cm ten nadele van de ruimteelementen

gEhanteerd moeten worden. OVerziet men deze

situatie niet dan is het altijd mogelijk de ontwerpaktiviteit

te verleggen naar het lagere M2-nivo.

In principe doet zich daar echter hetzelfde probleem

weer voor, zodat men op die manier verplicht zou zijn

tot het laagste nivo af te dalen. Daar dit een effektieve

werkwijze in de weg staat, zal het toch

noodzakelijk zijn op de hogere nivo's met nominale

maten te werken, waarbij alleen in het geval van

knelpunten afgedaald kan worden naar lagere nivo's.

4) Bandraster, notitiewijze (fig. 3.23en 3.24)

Een bandraster kan op verschillende manieren genoteerd

worden. Het bandraster, dat gelegen is tussen nivo

M3:720

-·-·t

+

._.u._.JJ_._.ll._ ·t ~~~l;~'720

11 11 11 120-fffi(M2)

l·t·l· ·+&:720

+-·~·~·1+ -t·~

M2=120

bandraster varianten M2/M3

fig. 323

166


M2 en nivo M3 wordt aangeduid als bandraster M2/M3.

Hierbij ligt het aksent heel sterk op de brugfunktie

die het bandraster vervult. Als M2 = 120 cm en M3 =

720 cm, dan wordt dit bandraster dus aangeduid als

120/720 cm. Deze notitie is een algemene aanduiding

van een aantal bandrasters, die mogelijk zijn in het

overgangsgebied tussen nivo M2 en M3. Dit blijkt wel

als we overgaan naar een .andere notitiewijze.

Een bandraster kan ook genoteerd worden als 240-

480 cm (liggend streepje tussen de twee maten). In

deze notitiewijze liggen beide maten op hetzelfde

nivo, namelijk het nivo M2 = 120 cm. Daarom wordt

een dergelijke notitie van een bandraster voorz~en

van een tussen haakjes voorziene aanduiding van het

maatvoeringsnivo: bandraster 120-600 cm (M2).

Het bandrast~r M2/M3 ofwel 120/720 cm blijkt nu op

twee manieren vertaald te kunnen worden naar een

bandraster, namelijk 120-600 cm (1-12) en 240-480 cm

(M2). De notitie M2/M3 heeft geen operationele betekenis;

het duidt slechts de aanwezigheid van een

(aantal) bandraster(s) aan. De notatie 240-480 cm

(M2) heeft wel operationele betekenis; het is mogelijk

een situatie, in dit raster genoteerd, te toetsen

met behulp van elementen en een programma, waarbij

alle maten veelvouden zijn van M2 = 120 cm.

Bij toetsingen is het van belang, dat alle notitjes

op één maateenheid worden teruggebracht.

Gaan we uit van een bandraster van een hoger nivo,

bijvoorbeeld het bandraster 240-480 cm (M2), dan kan

het noodzakelijk zijn het raster te transformeren

naar het MO-nivo (fig. 3.24)

Als M1 = 30 cm, en dat is bij alle maatsystemen het

geval, dan kan in dit lijnraster een bandraster 30-90

cm (M1) genoteerd worden. In dat geval wordt het veld

van het bandraster 240.,-480 cm (M2): 480- 30 = 450 cm

(M1) en de band 240 + 30 = 270 cm (M1), zodat het dan

gaat om een bandraster 270-450 cm (M1). Wordt dit

raster weer getransformeerd· naar een weer lager nivo,

MO, met een bandraster 10-20 cm (MO), dan wordt het

veld van het bandraster 270-450 cm (Ml): 450-10 =

440 cm (MO) en de band 270 + 10 = 280 cm (MO), zodat

het dan gaat om een bandraster 280-440 cm (MO).

Langs deze weg werd het oorspronkelijke bandraster

240-480 cm (M2) via 270-450 cm (M1) -getransformeerd

naar 280-440 cm (MO). De werkende maat blijft in

.alle gevallen 720 cm.

167


M2:: 120

ntvo

2

bandraster

240-480(M2)

M1=30 ntvo

1

bondraster

270-49J(M1)

M0=10

nivo

0

bandraster

280-440 (MO)

transformatie bandraster van nivo 2 naar 0

fig.3.24

168


5) Bandraster, transformatieregel (fig. 3.25).

In het voorbeeld "indelen van een woonstruktuur" werd

een woonstruktuur genoteerd met een zOnering 180-270

cm. Dit is een notitie op het M1 = 30 cm nivo.

De lijnen van dit raster liggen in het hart van de

10 cm-banden van een onderliggend bandraster 10-20 cm

(MO). Gaan we deze notitiewijze herleiden naar een

hoger bandraster M1/M2 met banden van 30 cm, dan

kan de zOnering 180-270 cm (M1) herleid worden tot

150-300 cm (M2). De lijnen van deze zOnering liggen

nu in het hart van de 30 cm-velden van het onderliggende

bandraster 30-120 cm (M1) en zijn tevens een

notitie in het lijnraster M2 = 150 cm.

Ook de notitie van de sektoren blijkt echter een notitie

te zijn in het lijnraster M2 = 150 cm.

Dit levert dan de sektormaten op van 300 en 450 cm

(M2). Gaan we hiervan een notitie afleiden in het

bandraster 30-120 cm (Ml), dan worden de banden, in

dit geval de bouwmuren 30 cm, en de velden, in dit

geval de vrije indeelbare maten, resp. 300 - 30 = 270

cm (Ml) en 450- 30 = 420 cm (M1). Dit levert dan de

sektormaten 270 en 420 cm op, zoals die in het voorbeeld

gehanteerd worden. Het blijkt dus dat in het

geval van deze woonstrukturen, zowel de notitie van

de zOnering als van de sektoren plaats heeft in één

op een hoger nivo gelegen lijnraster (M2). Dit is een

bizonder voorbeeld van een woonstruktuur, dat gekenmerkt

wordt door een grote regelmaat in maatvoering

in twee richtingen. Notities in een dergelijk raster,

ook wel .struktuurraster genoemd, leveren schakelingen

op van sektoren in twee loodrechtop e1kaar staande

richtingen. -

In dit voorbeeld werd een illustratie gegeven van toepassingen

van de transformatieregel.

Bij de zOnering ging het om een herleiding naar een

hoger nivo en bij de sektoren ging het om een afleiding

naar een lager nivo. ZOneringen en sektoren zijn

elementen, die deel uit maken van een situatie, die

genoteerd kan worden in de rasters van het rastersysteem.

Het blijkt, dat de regels, die gelden voor de

herleiding en afleiding van bandrasters eveneens van

toeP.assing~jn_QP. situaties. Bevindt zich een situatie

op een bepaald nivo, bijvoorbeeld als een notitie

in een lijnraster, dan moet bij de transformatie eerst

vastgesteld worden welke elementen als zogenaamde

materiaal-elementen optreden. Het zijn doorgaans de

elementen , die op het lagere nivo de meeste uitwer-

169


-- -----1---

(I)

c

tO

N

zcnennn

~~

1s:>-300~

nivo 1 niVO 2

sector

+-t H

'sector

sectoren

450-3)0

nivo 2

-+-t-t--~--

sectoren

420-30-270 .

nivo 1

- 1.-- -·

. 11.1 lli n.1

1.2

I

f21 IZ 12.1

22

170

\MJOI1Structuur op nivo 1 en 2

fig.3.25


king vragen. Deze elementen zullen dan een transformatie

ondergaan, die gelijk is aan die van de band

van een bandraster. De ruimte-elementen zullen dan

behandeld worden als velden.

Nemen we als voorbeeld een notitie van een woonstruktuur

in een lijnraster van 450 cm (M3) (fig. 3.26).

M3:450

M2/M3

150-300(M2)

LL JLM11M2

11 11 30-120(M1)

woonstructuur opni\10 t2,3

fig.3.26

De woonstruktuur is dan een element, genoteerd als een

strook met een breedte van 2 x 450 cm = 900 cm (M3)

Dit element moet getransformeerd worden naar een

bandraster 150-300 cm (M2). Treedt de woonstruktuur

op als materiaal-element dan wordt hiervoor een strook

gereserveerd van n x 450 + 150 cm (M2). Voor de ruimte

tussen de woonstrukturen wordt dan een vrije maat

gegarandeerd van n x 450 - 150 cm (M2) •

In het voorbeeld van de woonstruktuur (Hl, par. 3) werd

de marge 150 cm (M2) opgevat als materiaal-element,waardoor

bij afleiding in een 30-f20 cm {Mi) bandraste-r een

maat ontstaat van n x iS() + 30 =-ISO cm {Mi).

171


De maat van de zOne als ruimte-element wordt dan

n x 150 - 30 = 270 cm (lH). In het geval van de sektoren

werd een element als het ware gekreëerd. De bouwmuur

met de maat 0 (M2) wordt opgevat als materiaalelement,

waardoor bij afleiding in het 30-120 cm (M1)

bandraster een maat ontstaat van n x 150 + 30 30

cm (M1). De vrije ruimte-maat van de sektoren als

ruimte-element wordt dan n x 150 - 30 = resp. 270

en 420 cm.

6) .Bandraster, zOnering.

In het voorbeeld van de woonstruktuur blijkt de zOnering

150-300 cm (M2), qua vorm identiek te zijn aan

die van een bandraster M2/M3, ofwel 150-300 cm (M2).

Zowel de fysieke als de regelende situatie zijn

gelijk, terwijl beide bovendien aan dezelfde transformatieregel

onderworpen zijn. We hebben hier te

maken met een bizonder geval van een zOnering.

Een zOnering is P.rimair een notitie van een

§J?.ecifieke situatie in een lijn- of bandraster met

de bedoeling hiermee een (algemene) kwaliteit vast te

leggen. Deze kwaliteit kan getoetst worden met behulp

van een programma. Een zOnering, genoteerd in een

30 cm lijnraster kan bestaan uit zOnes en marges, die

in principe elk veelvoud van 30 cm kunnen meten. In

principe kunnen oneindig veel zOneringen in een raster

genoteerd worden. Een zOnering zal een meer specifiek

karakter. dragen, naarmate de kwaliteit, die er

in vastgelegd is, meer specifiek van aard is.

In het meest willekeurige geval zal een zOnering ·

zeer onregelmatig van aard zijn; bijvoorbeeld 120-330

-210-360-180-420-60 cm (M1), waarbij de onderlijnde

maten de maten van-de marges weergeven. Brengt men

daarin meer regelmaat, dan kan een andere notitie ontstaan,

bijvoorbeeld: 120-390-120-390-120-390-120 cm

(M1). In dit geval zijn zowel alle marges als alle

zOnes gelijk aan elkaar. Een dergelijke zOnering

wordt aangeduid als kontinue zOnering. Het is

echter mogelijk hierin nog meer regelmaat te brengen,

bijvoorbeeld door de maat van de zOnes en die

van de marges een veelvoud te laten zijn van een grotere

maat, bijvoorbeeld een veelvoud van 60 cm.

Dan ontstaat de zOnering: 120-360-120-360-120-360-

120 cm (M1). In het geval ~overgegaan wordt op

een grotere maat, ligt het m~er voor de hand dit een

maateenheid te laten zijnvan een hoger nivo, bijvoor-

172


eeld M2 = 90 cm. In dat geval wordt de kontinue

zOnering: 120-330-120-330-120-330-120 cm (Ml) • In het

laatste geval hebben we een-ieer regelmatige zOnering,

die van hetzelfde type is als die uit het voorbeeld

van hoofdstuk 1. Met deze reeks van steeds regelmatiger

wordende zOneringen wordt duidelijk gemaakt, dat

een zeer regelmatige zOnering in feite een zeer specifieke

zOnering is.

Een bandraster is eveneens een notitie van een situatie,

namelijk die van de banden in een lijnraster.

Een bandraster is als raster een algemene situatie,

gekenmerkt door een grote regelmaat en koninuiteit.

Wat dus bij een zOnering een bizonder geval is, is

bij een bandraster juist regel. Een bandraster is primair

een raster en dient als achtergrond voor het

noteren van situaties. Het raster verschaft daarbij

zowel een deel van de fysieke als van de regelende

situatie. Een zOnering Ds:primair een situatie,

die in een raster, dus ook in een bandraster, genoteerd

kan worden. Door middel van deze notatie wordt

iets toegevoegd aan de algemene situatie van het

bandraster, zowel in fysieke als in regelende zin.

Deze toevoeging door middel van de zOnering

heeft tot doel een kwaliteit vast te leggen, zoals

die op dat nivo van belang is. Dat wil nog niet zeggen,

dat een bandraster of een raster in algemene

zin geen kwaliteit vast zou leggen. Het tegendeel is

waar; in het kader van deze studie kan een raster

nooit gezien worden los van zijn kwalitatieve eigenschappen;

alleen op grond daarvan kan, zoals later

zal blijken, het raster zijn maat krijgen en alleen

via het raster kan een maatsysteem opgebouwd worden.

Het raster, in dit geval het bandraster, heeft kwalitatieve

eigenschapP.en, doch het zijn de eiqenscha12=

P.en van een lager nivo, die als achtergrond dienen

voor de notitie van een zOnering, die het doel heeft

kwalitatieve eigenschap~n OP. het hogere nivo te beschrijven.

Het verschil tussen bandraster en kontinue

zOneripg kan op grond van deze beschouwing alleen

verduidelijkt worden in het kader van het nivo-begrip.

Hoewel de notities hetzelfde zijn, gaat het bij een

bandraster om een situatie, opgebouwd uit elementen,

waarvan de kwaliteit op een lager nivo is getoetst

en die daarna als algemene situatie, dus met behoud

van kwalitatieve inhoud, als raster gaat fungeren

voor het noteren van situaties. Deze situaties, bijvoorbeeld

in de vorm van een zOnering, hebben tot

doel op een hoger nivo opnieuw weer meer omvattende

173


kwaliteiten te beschrijven.

Van deze relaties tussen bandraster en zOnering kan

gebruik gemaakt worden bij het ontwerpen van een

raster- c.q. maatsysteem. Door een situatie met strukturele

eigenschappen te noteren in de vorm van een

bizondere, regelmatige struktuur met kontinue zOnering,

kunnen met behulp van·een programma e.g. normstelling

de kwalitatieve eigenschappen van de zOnering worden

vastgesteld. Deze zOnering is zowel in fysiek als regelend

opzicht gelijk aan een bandraster en kan ook

als zodanig_gebruikt worden voor notities op een hoger

nivo. De kwaliteiten van het lagere nivo worden

dan door middel van het bandraster in een operationele

vorm tot gelding gebracht als deel van de situatie

van het hogere nivo. Van deze eigenschap wordt gebruik

gemaakt bij de ontwikkeling van het maatsysteem, zoals

dat in deel IV, Proces, beschreven .zal worden.

Ter verduidelijking is het hier op zijn plaats

deze gang van zaken te vergelijken met de opbouw van

het elementenstelsel. Daar werd een situatie met strukturele

eigenschappen element op een hoger nivo, waar

het bij kon dragen aan de koncipi~ring van situaties

op een hoger nivo. Hier wordt een bizondere zOnering

als notitiewijze van een situatie met strukturele

eigenschappen bandraster, waardoor deze kan bijdragen

aan de koncipi~ring van zOneringen op een weer hoger

nivo. In wezen gaat het om eenzelfde proces, waarbij

in het eerste geval het element als brug fungeert

tussen de twee nivo' s, terwijl in het tweede

geval het bandraster deze rol vervult. In het eerste

geval gaat het om een problematiek binnen een elementenstelsel,

en in het tweede geval gaat het om

een problematiek binnen een maatstelsel.

De


nen hieruit gemakkelijk herleid worden; M2 = 30 +

I20 =ISO cm (M2) en M3 =-ISO+ 300 = 450 cm (M3).

Het gaat hier dus om een maatsysteem 30, ISO, 450 cm.

In êên notitie worden dus meerdere nivo's met elkaar

in relatie gebracht. Het ontwerpp,robleem is hierdoor

als p,robleem ~p,laatst, daar hiermee zowel de relatie

met het hogere als met het laqere nivo in een ooggp,­

slag te overzien is. Een dergelijke werkwijze is

essentieel bij het ontwerp,en; op elk moment van het

proces moet een afstemming plaats kunnen hebben op

het bovenliggende en onderliggende nivo. Door de

relatie met het hogere nivo wordt het probleem geplaatst

in een meer omvattende problematiek en door

de relaties met het lagere nivo wordt een beeld gevormd

van de uitwerkingsmogelijkheden van de genomen

beslissing. De problematiek op het nivo M2, het nivo

van de straat, wordt door middel van het bandraster

M2/M3 in relatie gebracht met de problematiek op

het nivo van de buurt, op M3-nivo, terwijl het bandraster

!U/M2 een relatie bewerkstelligt met het

nivo van de woning, op MI-nivo.

Het bovenstaande voorbeeld van êên ontwerpnotitie,

is een van de notitiemogelijkheden. In de praktijk

van het ontwerpen komen tal van notaties voor, waarin

op alle mogelijke manieren lijn- en bandrasters

met elkaar in een tekening ondergebracht worden.

Het is geheel afhankelijk van de doelstelling, die

men nastreeft, we·lke tekenwijze men kiest. Als men in

een tekening het aksent wil leggen op verbanden tussen

verschillende nivo's en streeft men naar een presentatie,

die zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid

komt, dan zalhet aksent komen te liggen op een samenstel

van bandrasters; gaat het echter vooral om het

kwantificeren van het oppervlaktegebruik, dan zal de

voorkeur uitgaan naar lijnrasters.

8) Schaal.

Door middel van het maatstelsel worden maten met elkaar

in relatie gebracht. Grote maten worden volgens

bepaalde regels geleed in kleine maten, terwijl

kléine maten in een groter verband geplaatst worden.

Hierdoor heeft een organisatie van de ruimtelijke

dimensie plaats in termen van deel en geheel, waardoor

een harmonie, een afstemming van deel op geheel

kan ontstaan, die wel aangeduid wordt met de architektenuitdrukking

"schaal'~ In plaats van over een maat-

I75


11 n n tt .n.

=

-- -~

- '- Wl

~erras Jl • \j 'l-

11111111111111111111111111111111111111111111111111111111 MO= lO

1111111111111 1111111111111111 Ml=3l

I I I M2::150

platt~rond, 4 nivo's

fig.3.27

. M4 OW 3)()

NZ 450

176


systeem te spreken, geleed in nivo's, is het ook mogelijk

hiervoor de term schaal te gebruiken. Wanneer

de term schaal gebruikt wordt, dan gaat het meestal

om de menselijke maat als maatstaf voor alle maten

van een gebouw; in deze studie gaat het om ruimte

elementen als maatstaf, doch deze elementen zijn

door hun maat en funktie representatief voor een menselijke

aktiviteit en daardoor indirekt verbonden met

de menselijke maat. De menselijke maten bepalen immers

de maat van bedden, stoelen, deuropening e.d. en daarmee

kan weer de maat bepaald worden van vertrekken,

cellen etc. Een ander aspekt van de term schaal i~

dat men daarbij niet alleen denkt aan menselijke maten,

doch aan de verhoudingen tussen de maten, die op

hun beurt ook weer ontleend zijn aan de verhoudingen

tussen de maten van de verschillende delen van het

menselijk lichaam.

In deze studie kan voor de verschillende maatsystemen

wel vastgelegd worden welke verhoudingen er tussen

de verschillende maateenheden bestaan en het blijkt

ook wel dat deze verhoudingen gebonden zijn aan

bepaalde grenzen, doch dit zijn konstateringen achteraf,

die geen rol hebben. gespeeld bij de ontwikkeling

van het systeem. De maten van de verschillende

nivo's zijn uitsluitend bepaald op basis van hun

gebruikswaarde. Nog een ander aspekt van de term

schaal is dat hiermee dikwijls een betrekkelijk

subjektief oordeel over een ruimtelijke kwaliteit

wordt uitgesproken: een plein of een gebouw hebben

"schaal". Het gaat mij juist om een objektleve en

verifieerbare uitspraak ten aanzien van de ruimtelijke

geleding; wanneer de term schaal gebruikt

wordt in P-laats van maatsysteem, dan heeft de term

een normatieve betekenis.

3. Voorbeelden van maatsystemen.

Een maatstelsel is een voo~ deze studie universeel

gegeven. Een maatsysteem daarentegen is afhankelijk

van specifieke omstandigheden. Zoals in deel IV zal

blijken, kan het maatsysteem niet los gezien worden

van een elementensysteemen bovendien niet los gezien

worden van specifieke uitspraken, die met behulp

van h~t elementensysteem in het kader van een

projekt gedaan zijn. Zoals er slechts een stelsel

is, zijn er juist meerdere systemen. In principe

heeft elk projekt zijn eigen maatsysteem, doch daar

177


het aantal systemen niet onbeperkt is, kan toch voor

verschillende projekten hetzelfde maatsysteem gebruikt

worden.

Zonder op het ontwerp van de verschillende maatsystemen

in te gaan, (dat wordt wel in deel IV, Proce·s,

gedaan) worden nu enkele voorbeelden van maatsystemen

gegeven, zoals die door JOB in de loop van de jaren

.voor verschillende projekten ontwikkeld werden.

Elk systeem wordt aangeduid met de plaats van het

projekt.

Nivo 0 1 2 3 4

Maarssen 10 30 150 450 3150 (JOB '68)

Gouda 10 30 120 480 2880 (JOB • 71)

Dordrecht

1 10 30 180 540 2700 (JOB • 72)

Dordrecht

2 10 30 180 540 3240 (JOB I 75)

Maaspoort

10 30 150 600 3600 (JOB '74)

Het gemeenschappelijke van alle rastersystemen is de

verdeling in 4 nivo's. Voor alle projekten betrof

het aktiviteiten tot en met het nivo van het globale

bestemmingsplan. Er bestond in alle gevallen geen

behoefte aan grotere maateenheden, daar alle maten

die voorkwamen, op een zinvolle, dus telbare manier,

gemeten konden worden als een veelvoud van de onderscheiden

maateenheden.

Een ander gemeenschappelijk aspekt betreft de verhouding

tussen de verschillende modulen binnen een

systeem. Deze verhoudingen liggen voor alle gevallen

tussen 3 en 7, kleinere en grotere verschillen bleken

niet relevant voor de onder handen zijnde problematiek.

Een geheel ander gemeenschappelijk, doch onzichtbaar

aspekt is dat de stelsels op identieke wijze ontwikkeld

kunnen worden. Niet alleen de systemen, die

hier genoemd zijn, doch eveneens andere systemen voor

andere projekten. Deze ontwikkelingswijze komt aan de

orde in deel IV, Proces. Het systeem is niet universeel,

wel het stelsel en de manier waarop het systeem

ontwikkeld wordt. · ·

178


Hoofdstuk 3 -

0. Inleiding.

Ruimte-stelsel.

In dit hoofdstuk wordt een synthese tot stand gebracht

tussen het elementenstelsel en het maatstelsel

tot een ruimte-stelsel. Deze synthese kan tot

stand gebracht worden doordat beide stelsels een geleding

in nivo's gemeen hebben. Elementen van een

bepaald nivo worden dan gemeten in een bepaalde maateenheid,

die als maat fungeert voor een raster, waarin

de elementen geplaatst kunnen worden. In principe

is hier niets nieuws aan de hand, het bestaan van

een ruimte-stelsel houdt dan alleen maar in, dat

elementen, maat en raster volgens de regels van

het stelsel met elkaar in betrekking staan. In feite

gaat het om een specifikatie van de uitspraak in deel

II, dat maat, plaats (raster} en funktie (elementen}

de_bepalende termen zijn van de ruimtelijke dimensie.

Waar het echter gaat om een synthese van een elementensysteem

met een maatsysteem tot een ruimtesysteem,

gaat het om een bizondere uitspraak, waarbij

vastgesteld wordt dat bepaalde met naam genoemde

elementen in het kader van een bepaald projekt

gemeten en gesitueerd zullen gaan worden volgens

een gespecificeerd maatsysteem. Met nadruk wordt

hier de term "eE"n bepaald projekt" gebruikt, want

een dergelijk ruimte-systeem zal in principe nooit

een algemene rol kunnen vervullen. Dit ruimte-SY.Steem

heeft door de doelbewuste kopReling van elementen

en maatSY.Steem een zeer eigen kwaliteit verkre~

die kenmerkend is voor de omstandigheden van een be­

P.aald P.rojekt. De wijze waarop het ruimte-systeem

beschreven is, zou de indruk kunnen wekken, dat het

mogelijk is verschillende elementensystemen te ontwikkelen,

verschillende rastersystemen te ontwikkelen,

om daarna een keuze te doen uit beide soorten

systemen met de bedoeling ze op elkaar te betrekken.

Dit is niet de gang van zaken, zoals die bij de ontwikkeling

van een ruimte-systeem plaats vindt.

In eerste instantie wordt namelijk een elementensysteem

ontwikkeld. Binnen de uitspraken, die gedaan worden

ten aanzien van aantallen en relaties van de elementen

van dit systeem, wordt een maatsysteem ontwikkeld.

Als dit systeem ontwikkeld is, wordt beschikt

over een ruimte-systeem, dat als kader fungeert

voor een besluitvormingsproces .. Deze problematiek

komt in deel IV nader aan de orde, doch enig begrip

179


van de manier, waarop het ruimte-systeem tot stand

komt, is noodzakelijk, daar het anders gemakkelijk

gezien zou kunnen worden als een absoluut en

dwingend proceskader, in plaats van een stuk voorordening

van de ruimtelijke dimensie en in feite

dus een eerste fase van de ruimtelijke ordening,

die gericht is op het .tot stand brengen van een

evenwicht tussen de ruimtelijke dimensie en de maatschappelijke

wereld. Dit stuk voor-ordening is nood~

zakelijk om spelregels te kunnen ontwikkelen ten behoeve

van de deelnemende partijen.

Een ruimte-stelsel is een stelsel van elementen,

rasters en maten, opgebouwd uit nivo's, waarbij elk

nivo gekenmerkt wordt door een groep elementen en

een lijnraster met een bepaalde maateenheid. De relaties

tussen de nivo's zijn dusdanig_g,ereg,eld, dat

een element op een hoger nivo in varianten kan worden

uitgewerkt op een lager nivo, dat een maateenheid

op een hoger nivo een veelvoud is van een maateenheid

op een lager nivo en dat de lijnrasters van

twee aaneengrenzende nivo's via bandrasters met el-

. • Het bandraster is daarbij~

ere lijnraster en is tevens

generaliserende notitie in het lagere lijnraster.

ruimtelijk stelsel wordt voorgesteld als El, E2,

E3, E4 met raster Ml, M2, M3, M4, waarbij El tot en

met E4 de elementenkategorieën en Ml tot en met M4

de lijnrasters voorstellen van de nivo's 1 tot en

met 4.

De bandrasters op de verschillende nivo's worden als

volgt voorgesteld: Ml/M2, M2/M3, M3/M4.

Een ruimte-systeem is een ruimte-stelsel, waarvan

zowel de elementen als de rasters met hun maten

benoemd zijn. Een dergelijk ruimte-sy:steem kan

weergj!geven worden· in de vorm van een katalQ9'!:YL.

waarin per nivo de elementen benoemd worden, het

raster benoemd wordt en de regels 9§geven worden waarmee

de elementen in het raster gesitueerd moeten worden.

Een dergelijke katalogus staat aan het begin van het

feitelijke besluitvormingsproces en dus aan het begin

van een procesvorm, die ook wel als kataloog werd aangeduid,

namelijk van hoog nivo naár laag nivo, van een

nog leeg terrein naar een volledig gedetailleerd plan.

180


1. Schema van een ruimte-systeem.

In hoofdstuk 1 werd een elementensysteem voorgesteld

als een verdeling van elementen over de verschillende

nivo's.

In hoofdstuk 2 werden voorbeelden gegeven van ver­

$Chillende maatsystemen, tevens werd een nominaal

maatsysteem aangeduid om enig idee te geven van de

orde van grootte van de verschi'llende maten. Het is

nu mogelijk deze systemen onder te brengen in een

schema, waarbij van het elementensysteem slechts

een representatief element weergegeven wordt. Om dit

overzicht zo konkreet mogelijk te maken, wordt daaraan

tevens per nivo een aanduiding gegeven van de

dokumenten, die geproduceerd moeten worden in het

kader van de administratieve procedure, die parallel

loopt aan de besluitvormingsprocedure.

representatieve nominale

nivo plan elementen maateenheid dokument

1 woning vertrekken 30 bouwplan

2 straat sektoren 150 bebouwingsplan

3 buurt woon-zOnes 600 uitgewerkt

bestemmingsplan

4 wijk woongebieden 3000 globaal

bestemmingsplan

Dit overzicht is een zinvolle afsluiting van dit deel,

daar hiermee een ordening is aangebracht in de ruimtelijke

dimensie, die noodzakelijk is om de spelregels

te kunnen formuleren, waarmee het spel gespeeld kan

worden. Hoe dit spel ontworpen kan worden en vervolgens

hoe het gespeeld wordt, vormt de inhoud van deel

IV, Proces.

181


Deel IV -

Proces.

0. Inleiding.

Waar in de delen Struktuur en Elementen, en Stelsel

het aksent vooral heeft gelegen op de verkenning

van de ruimtelijke dimensie gaat het in dit deel om

de manier, waarop deze dimensie in relatie gebracht

kan worden met de maatschappelijke wereld. De ruimtelijke

dimensie omvat die aspekten van het ordeningsproces,

die in principe kwantificeerbaar zijn, terwijl

de maatschappelijke wereld alle aspekten van het

proces omvat, die niet meetbaar zijn en aangeduid kunnen

worden als krachten. Het proces wordt dan beschouwd

als een dusdanige ordening van gebeurtenissen in de

tijd, dat onder invloed van de krachten van de maatschappelijke

wereld een evenwicht tot stand gebracht

kan wordenmet de ruimtelijke dimensie.

Een ordening van gebeurtenissen in de tijd is tegelijk

de ordening van de tijd. oeze ordening van de

tijd bestrijkt een geheel eigen dimensie. J.H. van

de Berg stelt in zijn boek "De Dingen": "Tijd als

zodanig is niet werkelijk, werkelijk is het veranderen

van de dingen, van hun maten en kleuren" (4, pag.

87). En verderop: "De dingen bezitten tijd, ze

hebben duur en tempo; de duur van de dingen verleidt

ons aan te nemen, dat de dingen niet veranderen,

doch gelijk blijven. De wereld is dan dor en naamloos,

in laatste instantie slechts een formule.

Het tempo van de dingen kan ons er toe brengen te

geloven in een ongebonden, grillige, zelfs betoverde

wereld. Beide uitersten zijn af te wijzen.

De dingen hebben duur ên tempo" (4, pag. 10).

Het gaat hier om een tijd, de dingen eigen, zoals

die door mensen beleefd wordt. Het is niet de

klokke-tijd, doch een geheel eigen tijd, zoals die

bestaat in de relatie tussen mensen en dingen.

Ook Foucault hecht in zijn boek "De woorden en de

dingen" een bizondere betekenis aan de dimensie tijd.

Naar zijn mening ontstaat juist door het besef van

tijd, in termen van oorsprong en eindigheid, een

doorbraak van het Klassieke denken naar het Moderne

denken. "De dingen zullen wel aanwezig zijn met hun

eigen organisatie, verborgen nervatuur, met de ruimte,

die ze in geledingen kan verdelen en de tijd, die ze

voortbrengt; en dan zal daar ook zijn de representa-

182


tie, die zuiver temporele opvolging, waarbij de dingen

zich in kleine stukjes geven en aankondigen, aan

een subjektiviteit, aan een bewustzijn, aan de opzich-zelf-staande

poging om tot kennis te geraken of

ook aan het psychologische individu, dat op grond van

zijn persoonlijke geschiedenis of uitgaande van de

hem overgeleverde traditie tot kennis tracht te geraken"

{7, pag. 261). Het gaat hier om de tijd van de

dingen, de historiciteit van de dingen, waarbij de

dingen gekend moeten worden op basis van de geschiedenis,

die ze gemeen hebben met de mensen.

Voorwaarde tot het beleven en kennen van dingen is

de tijd; een tijd, die tot uiting komt in de verandering

van de dingen. Dingen, mensen en tijd zijn

in een niet los te maken verband op elkaar betrokken.

Zoeken we naar een eenheid van tijd, dan zal dat een

eenheid van verandering zijn. Een verandering, die

bewust aangebracht wordt, diegewild wordt, om een

doel te bereiken. Onderwerp van deze verandering

zijn de dingen, of in termen van deze studie: de

elementen. Deze verandering wordt aangebracht door

mensen, of in termen van deze studie: een maatschappelijke

groep. De aard van de verandering is een voor

de betrokken groep relevante verandering: een verandering,

die tot uiting gebracht wordt in de vorm van

een programma.

Deze eenheid van tijd wordt aangeduid met het begrip

aktiviteit. Het is een eenheid, die volledig kunstmatig

is, en direkt betrokken zowel op de ruimtelijke

als de maatschappelijke dimensie van het specifieke

proces, waarvan sprake is op dat moment. De aktiviteit

is daarmee tevens de eenheid waarmee het proces

kan worden opgebouwd.

Met behulp van het begrip aktiviteit wordt een geleding

aangebracht in de tijd. Dit is een basisgeleding,

die vergelijkbaar is met de eenheid van ruimte, het

element. Met het begrip aktiviteit worden de eenheden

van tijd en de eenheden van ruimte met elkaar

samengebracht. Een aktiviteit geleedt de tijd en

maakt de elementen herkenbaar: omgekeerd is een aktiviteit

alleen aanduidbaar als er elementen zijn en

eenheden van tijd.

Pas als beide eenheden gedefinieerd zijn, is het

mogelijk op basis van ruimtelijke en maatschappelijke

inventarisatie te komen tot koncipiëring van een

proces en de uitvoering van het proces. Procesontwerp

183


en procesuitvoering Z~Jn, in het kader van deze studie,

beide delen van het gehele proces, waarbinnen

een evenwicht binnen de ruimtelijke dimensie tot

stand gebracht kan worden onder invloed van maatschappelijke

krachten.

Hoofdopzet van dit deel is dus de ontwikkeling van

het begrip aktiviteit, en de organisatie van deze

aktiviteiten tot een proces. Tussen het procesdeel

aktiviteit en het totale proces kunnen nog tussenliggende

procesdelen onderscheiden worden met een

eigen karakter en een eigen opbouw. Dit zijn de

processtad ia.

Evenals het in de ruimtelijke dimensie mogelijk was

te komen tot de definiëring van een ruimte-stelsel,

blijkt ook een processtelsel ontwikkeld te kunnen

worden met eigen elementen en een eigen opbouw.

We kennen dus een ruimte-stelsel en een proces-stelsel.

Het een behoort tot de orè.e van de ruimte en

het andere behoort tot de orde van de tijd.

In het laatst.e hoofdstuk van dit deel wordt

teruggekomen op het ruimtelijk ordenen in vergelijking

met spelen. Steeds zal dan blijken, dat op basis

van de aangebrachte geledingen in tijd en ruimte

dusdanige regels geformuleerd kunnen worden, dat

het spel gespeeld kan worden. Daarmee wordt dan een

antwoord gegeven op de vragen, die aan het einde van

deel I, Spel, nog open moesten blijven.

184


Hoofdstuk 1 - Aktiviteit.

0. Inleiding.

Een aktiviteit is een bouwsteen van het proces.

Daarom moet het in de eerste plaats mogelijk zijn

met behulp van deze bouwsteen een proces tekoncipiëren.

De opbouw van het proces moet dan beant~

woorden aan de kontext van het proces, zoals die

tot uiting komt in zowel de materiële als de maatschappelijke

wereld van het proces. Deze opbouw

van het proces zal op zich al een zekere garantie

moeten geven, dat een evenwichtige afstemming van

ruimtelijke en maatschappelijke aspekten plaats

kan vinden. In de tweede plaats moet het mogelijk

zijn met het uit aktiviteiten opgebouwde proces

de feitelijke besluitvorming uit te voeren, die

leidt tot een ruimtelijk resultaat. Hiermee zijn

dan al twee voorwaarden gesteld, die hun invloed

zullen uitoefenen op de inhoud van de aktiviteit.

In het eerste geval is de invloed globaal van aard,

in het tweede geval specifiek.

Binnen het kader van het gehele proces zal een afstemming

plaats hebben tussen de ruimtelijke dimensie

en de maatschappelijke wereld: hetzelfde geldt, zoals

in de inleiding reeds is aangestipt, ook voor elke

aktiviteit afzonderlijk. Daarom zullen voor elke

aktiviteit zowel de maatschappelijke wereld als

de materiële wereld benoemd moeten worden. Dit houdt

in dat binnen het kader van een aktiviteit een mate-.

riële, ruimtelijke geleding betrokken zal worden op

een maatschappelijke geleding. Het definiëren van de

aktiviteiten wordt hiermee afhankelijk van de manier,

waarop deze werelden zich laten geleden.

Ten aanzien van de ruimtelijke dimensies is hiertoe

in de delen II en III al een ordening voorgesteld,

die als basis dienst zal doen bij de beschrijving

van een aktiviteit. Voor wat betreft de maatschappelijke

wereld zal in dit hoofdstuk nog nader ingegaan

worden op de vraag hoe dan relevante geledingen

gevonden kunnen worden. Uitspraken ten aanzien

van de ruimtelijke en maatschappelijke geleding bepalen

de identiteit van elke aktiviteit. Op grond

hiervan kan aan elke aktiviteit een naam toegekend

worden, die representatief is voor de plaats, die

de aktiviteit binnen het gehele bestek van het proces

inneemt. Behalve de herkenbaarheid van de akti-

185


viteit is eveneens van groot belang het vermogen, om

relaties aan te gaan met andere aktiviteiten. Door

dit vermogen ontstaat immers de mogelijkheid de aktiviteiten

te schakelen tot een geheel proces. In

principe kunnen dan met behulp van dezelfde bouwstenen

meerdere processen samengesteld worden,

afhankelijk van de kontext van het proces. Een aktiviteit

is in dit opzicht te vergelijken met een ruimteelement,

dat immers eveneens gekenmerkt wordt door

identiteit en het vermogen relaties aan te gaan met

andere elementen.

Elementen kunnen samengevoegd worden tot een herkenbaar

ruimtelijk geheel, terwijl aktiviteiten samengevoegd

kunnen worden tot een geheel van ruimte, menselijk

handelen en tijd: een proces.

Even goed als een ruimte-element gekenmerkt wordt

door maat en plaats, kunnen ook aan de aktiviteit

"maat" en "plaats" worden toegekend. De maat betreft

dan de tijdsduur van de aktiviteit, gemeten in termen

van kalendertijd, dagen of weken. De "plaats" van de

aktiviteit is de positie binnen het geheel van het

proces. Het gaat dan om de volgorde van de aktiviteiten.

Aktiviteiten kunnen volgtijdig, dus na elkaar,

geschakeld dan wel gelijktijdig geschakeld worden.

186


Par. 1 -

De ruimtelijke dimensie.

1. Het ruimte-systeem.

In de slotbeschouwing van deel I, Spel, werd de behoefte

gesignaleerd aan een dusdanige pre-formatie

of voor-ordening van de ruimte, dat het mogelijk wordt

h~t proces van ruimtelijk ordenen als een bizonder

spel te spelen. Om aan deze voorwaarde te voldoen

is in deel III een stelsel ontwikkeld, waardoor een

basis-geleding in de ruimtelijke dimensie wordt aangebracht,

die onder invloed van een doelstelling gespecificeerd

kan worden tot een ruimte-systeem.

Laat ik in het kort trachten samen te vatten wat

hierover in deel III is uiteengezet. Het stelsel werd

daarbij opgevat als een geleding van de ruimte in

nivo's. Elk nivo werd gekenmerkt door de elementen,

die er deel van uit maakten. Een nivo werd beschreven

als een kategorie van elementen; daaraan ontleent

het nivo zijn identiteit. De relaties tussen de nivo's

werden bepaald door de eigenschap, dat elk element

van een hoger nivo als situatie kon fungeren op een

lager nivo. Het ging dan om een situatie met strukturele

eigenschappen, zodat het element van een hoger

nivo in varianten uitgewerkt kon worden op een lager

nivo.

We zagen dat elk nivo, behalve door elementen, eveneens

gekenmerkt wordt door een maat-eenheid. Op basis

van deze maateenheid kon een raster ontwikkeld worden:

een lijnraster of wel een nominaal raster. Dit raster

trad op als algemene situatie waar binnen de elementen

van dat nivo gesitueerd kunnen worden. Binnen

het raster worden maat en plaats in principe verenigd.

We zagen hoe de relatie tussen de verschillende nivo's

wordt bepaald door de eigenschap, dat een lijnraster

van een hoger nivo uitgewerkt kan worden tot een lijnraster

met een kleinere maateenheid. Deze uitwerking

heeft plaats via een bandraster, dat opgevat kan

worden als een specifikatie van het hogere lijnraster

en tevens opgevat kan worden als een generalisatie

van het lagere lijnraster. Ook hier werd de voorwaarde

gesteld, dat bij de overgang van het hogere naar

het lagere nivo een uitwerking in varianten mogelijk

moet zijn.

De opbouw van het elementenstelsel en die van het

maatstelsel bleken dus pàrallelliteit te vertonen,

187


hetgeen niet verwonderlijk is, daar een maat gezien

kan worden als de meest algemene notitie van

een element en een raster opgevat kan worden als de

meest algemene notitie van een situatie. Door de

synthese van de twee stelsels ontstond een ruimtestelsel,

dat operationeel is in die zin, dat het als

uitgangspunt kan dienen voor het formuleren van een

doelstelling. Deze doelstelling moet dan weer zoveel

informatie bevatten, dat het ruimte-stelsel gespecificeerd

kan worden tot een ruimte-systeem. Dit houdt

in dat de elementen op de verschillende nivo's benoemd

moeten zijn. Dit ruimte-systeem fungeert dan als de

verzameling attributen, waarmee het spel gespeeld

wordt. Het ruimte-systeem vertegenwoordigt dat deel

van de spelregels, waarin de relaties tussen de attributen

geregeld zijn.

2. Financiële dimensie .

Binnen het kader van de materiële wereld moet een

bizondere plaats toegekend worden aan de financiële

dimensie. Want geld fungeert in onze samenleving

als een eenheid, waarin de meest uiteenlopende zaken

een gemeenschappelijke noemer blijken te vinden. In

alle fasen van het besluitvormingsproces komen dan

ook naast de specifiek ruimtelijke ook de financiele

aspekten aan de orde. Elk element kan niet alleen

uitgedrukt worden in maten, doch tevens in geld.

Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt gekenmerkt door

een geleding van de ruimte doch eveneens door een

financiële geleding. Wordt een specifiek ruimtelijke

ordening beschreven als een ontwikkeling van een

beginsituatie naar een eindsituatie op basis van een

in termen van elementen geformuleerd programma, dan

zullen dus zowel elementen als situatie en programma

hun financieel equivalent moeten bezitten. Dit komt

ook geheel overeen met de gang van zaken, zoals die

in de praktijk van het ruimtelijk ordenen wordt waargenomen.

Het is niet nodig hiervoor een bizondere

tenninologie te ontwikkelen. Uitgangspunt is dat een

element tevens een kosten-element is, uitgedrukt in

geld. Een situatie is een samenstel van elementen. Uit

het totaal van elementen kan berekend worden, welk

bedrag in de situatie is geïnvesteerd. Betreft het een

beginsituatie, bijvoorbeeld in de vorm van een drager,

dan moet deze drager nog voltooid worden tot een

188


woning. Het programma doet uitspraken hiertoe in

termen van aantallen en soorten (inbouw-)elernenten.

Voor de formulering van het p~gramma is het niet

alleen belangrijk te weten, wat het ruimtelijk kader

is, doch tevens wat het financiële kader ofwel het

budget is waarbinnen 9:.!!1Qpereerd moet worden. Parallel

aan de specifiek ruimtelijke ontwikkeling heeft dus

een ontwikkeling plaats in het financiële vlak in

termen van kostprijs, investering en budget. Wordt

een situatie getoetst of ontwikkeld met behulp van

een programma, dan zal gelijktijdig nagegaan moeten

worden of dit programma zowel ruimtelijk als financiëel

gerealiseerd kan worden. Is dit niet het geval,

dan kunnen zowel in het ruimtelijke zo goed als in

het financiële vlak maatregelen worden genomen: bijvoorbeeld

een minder ambitieus programma of een ruimer

budget.

De gelijktijdigheid is hierbij wel van belang. Zeker

waar het gaat om de ontwikkeling van strukturen en

over het algemeen bij een ontwerpen in varianten zal

het voor een slagvaardige werkwijze noodzakelijk zijn

meteen gekonfronteerd te kunnen worden met mogelijkheden

en onmogelijkheden van bepaalde ruimtelijke voorstellen.

Deze zienswijze zet zich dan af tegen de

werkwijze, die op dit moment tot de praktijk van het

ontwerpen behoort, waarbij eerst een ruimtelijke eindsituatie

wordt bewerkstelligd en vervolgens wordt nagegaan

of dit ook een financiëel evenwicht betekent.

Het blijkt dan dikwijls niet meer mogelijk een principiële

terugkoppeling op de specifiek ruimtelijke aspekten

tot stand te brengen en vindt slechts een

oppervlakkige aanpassing plaats, die leidt tot een

verschraling van het ontwerp.

Een dergelijke behandeling van het ruimtelijk ordenen

schept wel problemen. Bij de start van een proces

zal narnelijk ook het budget bekend moeten zijn, waarbinnen

het projekt ontwikkeld moet worden. Gaat het

om de ontwikkeling van een wijk of buurt, dan wordt

het budget in principe gevormd door de gekapitaliseerde

huur, die opgebracht moet worden door de bewoners.

Het is daartoe noodzakelijk vooraf een beeld te

vormen van de huur en de differentiatie daarvan

op basis van de verwachtingen ten aanzien van de

financiele draagkracht van de toekomstige bewoners.

Dit budget wordt nog eens verhoogd door de

bedragen, die van rijkswege ingebracht worden en

189


waarvan het belangrijk is dat daarin op een vroegtijdig

tijdstip een inzicht bestaat. De bijdrageregeling

moet daarop dan wel zijn ingesteld.

De grootte van het budget wordt tevens bepaald

door de snelheid van afschrijving. De lengte van de

afschrijvingstermijn bepaalt de rente, die in rekening

gebracht moet worden bij het kapitaliseren.

Deze afschrijvingstermijnen zijn van belang, wanneer

de veranderbaarbeid van de gebouwde omgeving aan

de orde komt. Ten aanzien van dit aspekt wordt op

dit moment een onderscheid gehanteerd in grond-,

bouw- en installatiekosten, die elk hun eigen

afschrijvingstermijn hebben. Een dergelijke differentiatie

kan ook plaats hebben binnen het gebouw.

Zo is het bijvoorbeeld mogelijk de afschrijvingstermijnen

van een drager gelijk te maken aan die van

de grond, terwijl de afschrijvingstermijn voor een

inbouwpakket gelijk gemaakt kan worden aan die van

installaties. Voor het hier behandelde proces is het

van het grootste belang dat aldus de financiële

geleding parallelzal lopen met de ruimtelijke geleding.

Om de financiële beheersing van het projekt mogelijk

te maken, moeten dus in een vroeg stadium betrekkelijk

indringende vragen beantwoord worden. Doch ze

zijn tevens van belang om een goed startpunt te kunnen

krijgen voor een suksesvol proces. Via de te verwachten

huur ontstaat een inzicht in de samenstelling

en dikwijls leefwijze van de groep toekomstige

bewoners. Via de bijdrageregeling wordt de rol van

de overheid duidelijk, terwijl uitspraken betreffende

de duurzaamheid en de veranderbaarbeid van de

gebouwde omgeving al iets duidelijk kan maken over

de rol, die de verschillende instanties en gebruiksgroepen

in dat veranderingsproces kunnen vervullen.

De gekompliceerdbeid van de vraagstelling en de

visie, die het vraagt op ontwikkeing, uitvoering

en beheer van het projekt, zijn er waarschijnlijk

de oorzaak van dat in de praktijk van de woningbouw

in de meeste gevallen eenvoudigweg zonder

budget wordt gewerkt, in welk geval er dus alleen

achteraf een bijsturing mogelijk is.

Uiteraard heeft de vaststelling van een budget

niet alleen plaats in de beginfase van het projekt,

doch ook in alle tussenfasen. Overal in het

proces waar een programma geformuleerd wordt, moet

ook een budget vastgesteld worden. In principe

190


heeft elke aktiviteit uit het proces z~Jn eigen

budget. Gaande het proces worden alle nivo's van de

ruimtelijke dimensie doorlopen. Bij elke overgang

naar een lager nivo wordt een bepaalde ruimtelijke

afronding bereikt, die het gehele ter beschikking

staande terrein beslaat: deze afrondingen zullen

telkens verfijningen laten zien. Hetzelfde geldt

dus ook voor het budget. Bij elke nivo-overgang

gaat het om een zelfde totaalsom, die echter op ,

lagere nivo's steeds meer verfijningen in de opbouw

vertoont.

3. Definitie van elementen in ruimtelijke èn

financiële dimensies.

Zoals verwacht mag worden kunnen de financiële aspekten

niet uitsluitend betrokken worden op de ruimtelijke

dimensie van het proces. Uiteindelijk zijn er

maatschappelijke groepen en instellingen aan te wijzen,

die ten aanzien van dit aspekt uitspraken doen:

financiers, bankinstellingen, rijksoverheid, opdrachtgevers,

bouwbedrijven en.bewoners. Het gaat er nu nog

slechts om aan te.geven hoe het financiële aspekt ondergebracht

kan worden in relatie tot de ruimtelijke

dimensie.

De rol, die alle betrokkenen spelen in het krachtenspel

tijdens het proces wordt voor een belangrijk deel

bepaald dÓor de geleding van de maatschappelijke dimensie

van het proces. In verband met een overgang

naar de volgende paragraaf, die zal handelen over

deze maatschappelijke dimensie, is het zinvol nog eeri

specifiek voorbeeld te geven van de rol, die de bouwbedrijven

c.q.industrieën kunnen spelen en hoe zij

op een voor hen specifieke wijze een bijdrage kunnen

leveren aan de voor-ordening van de ruimtelijke dimensie,

die, zoals ik stel, noodzakelijk is voor een

proces, waarin zij werkelijk kunnen participeren.

Hiervoor werd betoogd, dat aan elk element

een prijs kan worden toegekend. Deze prijs wordt

aan dat element gehecht door het bouwbedrijf, dat

het element uitvoert, c.q. de industrie, die dat

element produceert. Het is ten overvloed~, zeker niet

de bedoeling,het element op te vatten als een geprefabriceerd

element, dat slechts in het werk gemonteerd

behoeft te worden. Alleen voor de elementen

op laag nivo is dat nog mogelijk, maar zeker niet

191


wanneer op hoger nivo bijvoorbeeld een straat als

element beschouwd wordt.

Betreft het een element op een laag nivo, dan kan

de prijs zeer specifiek zijn: een deur plus kozijn

van fabrikaat X kost f 100,--. Voor de gebruiker

is het van belang vast te stellen, dat deze prijs

geldt voor een "in het werk aangebrachte deur". Nog

beter en direkter wordt de relatie met de gebruiker,

wanneer deze prijs geen absolute prijs zal zijn,

doch een bepaald bedrag waarmee de maandhuur, dan wel

de maandelijkse lasten, verhoogd worden •. Een optelsom

van de toegepaste elementen verschaft hem dan de

maandhuur, waardoor hij het bedrag, dat daarmee gemoeid

is, rechtstreeks kan betrekken op het (gezins-)

budget, dat hem ter beschikking staat.

Betreft het een element op hoger nivo, bijvoorbeeld

op het nivo van de straat, dan is dikwijls nog niet

bekend op welke wijze de elementen gespecificeerd

gaan worden naar materiaal en arbeid. In principe

is een uitwerking in tal van technologische varianten

mogelijk, die elk hun eigen kostenkonsekwenties

hebben. Door het uitwerken. van verschillende varianten

kan door generalisatie een gemiddelde waarde

worden berekend ten aanzien van bijvoorbeeld gevel-,

en dakelementen van bepaalde maat, vierkante meters

verharding ten behoeve van rijverkeer etc. Door voortdurende

generalisatie kan op een dergelijke wijze

van elk element, ook op het hoogste nivo, een prijs

berekend worden. Deze financi~le normen kunnen direkt

berekend worden uit varianten. Daar dit echter

zeer tijdrovend is, ligt het meer voor de hand gerealiseerde

projekten aan de hand van een elementensystean

door te lichten en op deze wijze elementen

van gemiddelde prijzen te voorzien. Het ligt voor

de hand dat deze prijzen gedateerd moeten worden, zodat

via een systeem van indexering de prijs op een

bepaald moment berekend kan worden.

De elementen op een hoog nivo zijn bizonder samengesteld

van aard. Naarmate het. nivo lager wordt,

neemt de .komplexitéit af en ontstaat een moment

waarop het mogelijk wordt, dat een element niet

alleen een eenheid van gebruik is, doch tevens

een eenheid van produktie of uitvoering.

Wanneer een ruimtelijke eenheid zowel gedefinieerd

wordt door gebruiks- als door produktie-aspekten

heeft een heilzame synthese plaats. Op de eerste

plaats is het eenvoudiger een prijs te hechten aan

192


een element, waardoor een slagvaardiger besluitvorming

plaats vindt, terwijl tevens de organisatie

van de uitvoering langs eenvoudiger wegen kan verlopen.

Op de tweede plaats ontstaat een mogelijkheid

voor de bedrijven een rechtstreekse relatie aan te

gaan met de gebruikers. Door middel van een katalogus

van elementen kunnen zij in kontakt treden met de

gebruiker, die daarin kan vinden welke kwaliteiten

voor welke prijs geboden worden. Hierdoor ontstaat

een open marktmechanisme, waarbij de bedrijven hun

produktie kunnen bijsturen als gevolg van de reakties

van het publiek. Allee.n bij een dergelijke werkwijze

kan naar mijn mening gesproken worden van werkelijk

industriële bouwen. Het industriële aspekt bestaat

niet, zoals dikwijls\iördt veronderstel~-aiieen

een ver doorgevoerde mechanisatie van de produktie,

doch tevens in een direkte relatie met de gebruiker,

waarbij een wederzijdse be1nvloeding kan plaats vinden.

Het bedrijf richt zich met reklameboodschappen

tot de gebruiker en de gebruiker laat in zijn kopersgedrag

zijn appreciatie blijken voor het aangeboden

element,waarbij de kwaliteit van het element en de

prijs ervan samen een roi spelen. Dikwijls wordt aan de

bouwwereld de auto-industrie ten voorbeeld gesteld.

Het aksent lig.t dan sterk op de technologische aspekten

van het vervaardigen van auto's~ het zuiver

kommerci~le aspekt van de markt, waarbij het gaat

om een dirakte relatie met de gebruiker, wordt daarbij

meestal over het hoofd gezien. Dientengevolge

richtte de bouwnijverheid zich sterk op doelmatige

produktie, terwijl het marktaspekt verwaarloosd werd

en nog wordt. In mijn zienswijze is het mogelijk dat

een bedrijf, dat volledig ambachtelijk produceert,

toch industriëelte werk gaat, doordat het via een

katalogus van elementen zijn mogelijkheden intern

organiseert en naar buiten etaleert, en daardoor in

relatie treedt met de gebruiker.

Het definiëren van el

van belang

voor de relatie

hetzelfde

geldt voor de relatie o

en alg~

meen gesteld de relatie sen"- leken. Pas als

dit gebeurd is, wordt het mogelijk een proces te ontwerpen,

waarbij demaatschappelijke wereld in kan

spelen op de materiële wereld.

193


Par. 2 -

De maatschappelijke wereld.

0. Inleiding.

Foucault spreekt over: "Een "stelsel van elernenten",­

een definitie van segmenten, waarop de overeenkomsten

en verschillen zich kunnen aftekenen, de variatie

mogelijkheden van zulke segmenten en tenslotte

de drempel waarboven er verschil en waaronder er

gelijkenis bestaa~ dat alles is absoluut noodzakelijk

tot het vaststellen van de meest eenvoudige vorm van

orde.

De orde is tevens dat, wat in de dingen, als innerlijke

wet, wordt gegeven, het geheime netwerk volgens

welks rnazen die dingen elkaar in zekere zin bezien,

en dat, wat alleen door het raster van een blik,

van zekere aandacht of van een bepaalde taalvorm,

bestaat. En alleen in de blanko vakjes der ruitjes

van dat raste~ manifesteert die orde zich in de diepte

als "reeds aanwezig" en in stilte wachtend op het

ogenblik, waarop hij onder woorden zal worden gebracht"

( 7, pag. 19) •

In zijn boek "De mens tussen mythe en machine" hanteert

Kwee hetzelfde begrip, doch nu is het netwerk

niet een passief netwerk, doch een netwerk, waarmee

de mens aktief en handelend optreedt.

"In de verhouding tussen mens en natuur kunnen we

kultuur beschouwen als een vorm van "bemiddeling",

een tussensysteem van middelen en media, waarmee de

mens de wereld begrijpt en op de wereld ingrijpt.

Een fase van kultuur is dus een tussensysteern, dat in

een bepaalde periode funktieneert als een netwerk, dat

de mens om de wereld spant" ( 13, pag. 188).

Op soortgelijke wijze stel ik me de geleding van de

ruimtelijke dimensie voor. Het is mogelijk deze ordening

te gebruiken om e.en ruimtelijke situatie te begrijpen,

doch tevens om er veranderingen in aan te

brengen. In het kader van deze. studie wordt de ordening

van de ruimtelijke dimensie vooropgesteld als

voorwaarde voor het handelend optreden van de rnaatschappelijke

krachten. Aan deze ordening wordt dus

een zekere autonomie toegekend, die slechts in algemene

zin beinvloed is door de maatschappelijke wereld,

in feite alleen waar het gaat om de identificeerbaarbeid

van de elementen. De geleding van de elementen

in nivo's is geen afspiegeling van de maatschappelijke

geleding. Enerzijds is dit het gevolg van mijn bena-

194


dering als architekt, die meer thuis is in het ordenen

van ruimten dan in het ordenen, groeperen en geleden

van mensen. Een socioloog zou misschien een

ordening van de maatschappelijke dimensie tot uitgangspunt

genomen hebben. Hij zou misschien

vrede gehad hebben met onze maatschappij, die

zich op dit moment manifesteert, doch hij zou in dat

geval waarschijnlijk een theorie ontwikkeld hebben

ten aanzien van de maatschappelijke orde, die in zijn

ogen een bevredigend uitgangspunt zou vormen. Anderzijds

staat de zelfstandigheid van de ruimtelijke di­

Qensie open voor tal van opvattingen ten aanzien van

de maatschappelijke orde, juist doordat in het ruimtelijk

domein orde op zaken is gesteld.

1. Wereld van de "krachten".

De materiële wereld is de wereld van alle stoffelijke

zaken, die kwantificeerbaar zijn. Het is de wereld van

de dimensies: de ruimtelijke dimensie, de financiële

dimensie, de dimensie tijd etc. Elke dimensie heeft

zijn eigen eenheden, zijn eigen vak-beoefenaars.

Tegenover deze wereld staat de wereld van de maatschappij.

Deze wordt bevolkt door individuen en maatschappelijke

groepen, die invloed uitoefenen op de

materiële wereld, daar veranderingen in aanbrengen.

De wereld van de maatschapp~j is de wereld van de

krachten. Deze krachten zijn_gP- zich niet meetbaar;

alleen de veranderingen, die ze in de materiële wereld

aanbrengen zijn meetbaar en wel in de eenheden

van de verschillende dimensies.

Deze krachten kunnen georganiseerd worden in de vorm

van een proces, dat uit aktiviteiten opgebouwd kan

worden. Dit proces zal echter eerst nog ontworpen

moeten worden: vastgesteld zal moeten worden welke

groepen op welk tijdstip over welke elementen besluiten

gaan nemen. Het tot stand brengen van het

proces is in wezen niet te organiseren, het is een

strijd tussen verschillende maatschappelijke groepen,

die elkaar de macht zullen betwisten. Alleen de

wijze waarop het proces geleed kan worden, kan

hier worden aangegeven, niet de wijze waarop het door

maatschappelijke aktie tot stand kan komen.

Binnen het kader van het uit aktiviteiten opgebouwde

proces kunnen spelregels ontwikkeld worden; doch

er kunnen nauwelijks regels ontwikkeld worden ten

195


aanzien van de manier waarop men overeenstemming bereikt

over de wijze, waarop men het spel wil gaan

spelen.

Onder de maatschappelijke wereld wordt in deze

studie het geheel van krachten verstaan, die invloed

uitoefenen op het bereiken van een evenwicht in de

ruimtelijke dimensie van de materiële wereld. In eerste

instantie zijn dat alle partijen, die op een

aktieve manier deelnemen aan het besluitvormingsproces,

doch het gaat tevens om die krachten, die passief

in de vorm van normen, voorschriften en bepalingen

invloed uitoefenen op het resultaat van het proces.

Het gaat in dat geval niet om die bepalingen,

die op de een of andere manier al tot gelding zijn

gebracht in de vormgeving en de maatvoering van de

elementen, doch het gaat om die bepalingen, die relaties

leggen tussen elementen en waarmee dus rekening

moet worden gehouden tijdens het proces. Het betreft

bijvoorbeeld een algemene bouwverordening,

brandweervoorschriften, politie-verordeningen etc.

in de vorm van voorschriften dan wel in de vorm van

een instelling, die toeziet op de naleving hiervan.

In principe gaat het om alle krachten, die in

essentie niet meetbaar zijn voordat het proces begint.

De mate van hun invloed moet blijken tijdens

het proces; het proces zelf moet daarom dusdani~

kondities schep2en, dat alle krachten zoveel mogeli~qelijke

kansen krijgen om aan bod te komen en

hun invloed aan te wenden.

Als aktieve krachten kunnen tal van maatschappelijke

geledingen aan de orde komen in de vormen van personen,

groepen van personen, instellingen en/of

instanties. Om er enkele te noemen: bewoners, woningbouwverenigingen,

opdrachtgevers, gemeentelijke,

provinciale en rijksoverheden, deskundigen als architekten,

stedebouwkundigen, verkeersdeskundigen, sociaal-geografische

onderzoekers, uitvoerende bouwbedrijven,

producenten, en daarnaast nog bankiers,

beleggers. Ook specifieke belangengroepen en aktiegroepen

behoren tot de maatschappelijke wereld van

het proces.

Natuurlijk is het mogelijk de lijst terug te

brengen tot enkele hoofdgroepen. In principe gaat

het om - gebruikers en vertegenwoordigers van gebruikers

- deskundigen, die zich door opleiding

dan wel door onderzoek een beeld hebben gevormd,

normen hebben ontwikkeld met betrekking tot de

196


gewenste gebruikswaarde van het projekt, - uitvoerders,

die in konkrete zin vorm geven aan het

ontwerpresultaat, - financiers, die de financiële

kondities scheppen, waarbinnen het projekt ontwikkeld,

uitgevoerd en bewoond kan worden. De overheid

wordt, waar het bijvoorbeeld gaat om een gemeenteraad

of raadskommissie , opgevat als gebruiker

c.q. vertegenwoordiger van de gebruiker; de overheid

bijvoorbeeld in de vorm van de Rijksoverheid

kan in het geval van gesubsidieerde woningbouw

echter ook optreden in de rol van financier.

Al deze groepen hebben in principe hun eigen

belangen bij de tot standkoming van het projekt.

Deze belangen zullen in de meeste gevallen strijdig

met elkaar zijn. Zo is de bewoner geïnteresseerd in

een lage huurprijs, terwijl het bouwbedrijf een zo

groot mogelijke winst nastreeft. Een dergelijk konflikt

kan voor een belangrijk deel opgelost worden

door maatregelen in de ruimtel dimensie, waarbij

door het werken met budgetten en katalogi inzichtelijke

financiële situaties ontstaan. Ten aanzien

van het samenspel van de verschillende gebruikersnivo's

zullen altijd wel konflikten ontstaan tussen

een individueel belang en het belang van een groep

c.q. het algemeen belang. In wezen is dit een konflikt

tussen de gebruikers. Een konflikt van dezelfde

orde kan verwacht worden tussen de deskundigen, die

op verschillende ruimtelijke nivo•s opereren. Een

soortgelijk konflikt kan ook ontstaan tussen de groep

van gebruikers en de groep van deskundigen. In alle

gevallen zullen er schermutselingen kunnen ontstaan

ten aanzien van het terrein, waarover de desbetreffende

groep bevoegdheid heeft tot het nemen van beslissingen.

In dat geval treedt er een overlapping

op van bevoegdheden. Gevaarlijker nog is het wanneer

er een gaping ontstaat, dat er een gebied is waarover

helemaal niet besloten wordt, doch dat volledig routineus

wordt opgevuld.

Een dergelijke gaping wordt gesignaleerd in de Oriënteringsnota

Ruimtelijke Ordening, waarin gekonstateerd

wordt dat weinig zorgvuldigheid betracht wordt ten aanzien

van de stedebouwkundige detaillering.

"Van belang is daarbij ook de teruglopende aandacht

voor een goede, met vakmanschap uitgeoefende, stedebouwkundige

vormgeving, juist ook in de detalllering.

De bestrating, de verlichting, de relatie tussen

steen en groen, de ruimtelijke scheiding van voetgangersgebied

en vele andere details bepalen in hoge

197


mate de kwaliteit van het stedelijk milieu, zoals die

door bewoner en bezoeker - vaak onbewust - wordt ervaren."

(16, pag. 48).

Het gaat hier typisch om een gebied, dat doorgaans

buiten ieders kompetentie ligt. De stedebouwkundige

is betrokken op de grote lijn van het plan, de architekt

op de kleinschalige invulling van het privê-gebied

terwijl de gebruiker of de vertegenwoordiger

daarvan al helemaal niet gemachtigd is hierover besluiten

te nemen. Dat wil nog niet zeggen, dat er

gaten vallen in het plaveisel of het systeem van openbare

verlichting, het is alleen zo dat ten aanzien

van deze elementen geen zorgvuldig afgewogen besluiten

genomen worden, doch dat beslissingen genomen worden

door een dienst openbare werken op basis van standaard

oplossingen, los van de specifieke geaardheid

van de situatie.

2. Horizontale en vertikale geleding van de maatschappelijke

wereld.

Zowel in het geval van de overlapping als van de gaping

in de bevoegdheden zijn er aanleidingen om te

komen tot een evenwichtige afweging van de mandaten,

die verstrekt worden. In feite gaat het hier om dat

deel van de spelregels uit deel I, Spel, waarbij gesproken

wordt van regels betreffende de relatie tussen

de spelers en de attributen en de relatie tussen de

spelers. Deze relaties kunnen als volgt tot uitdrukking

gebracht worden. Op de eerste plaats door

aan te geven over welke elementen een bepaalde partij

mag beslissen en op de tweede plaats, wanneer, dus

op welke plaats in het proces, hij mag beslissen.

Het eerste aspekt wil ik nu behandelen.

Zo zullen stedebouwkundigen en gemeenteraad bijvoorbeeld

beslissen over algemene elementen als wijkwegen,

voorzieningencentrum en de hoofdelementen van de waterhuishouding.

Architekten en woningbouwverenigingen

zullen bijvoorbeeld beslissen over de elementen waaruit

de woonstruktuur is samengesteld. Op deze manier

wordt een parallelliteit gepostuleerd tussen de geleding

in nivo's van de ruimtelijke dimensie en de geleding

van de maatschappelijke wereld. Deze geleding

komt overeen met de praktijk van het ontwerpen, zij

het dat nu aanmerkelijk meer verfijningen aangebracht

kunnen worden.

198


199

Deze geleding kan beschreven worden als een horizontale

geleding~Op elke geleding komen zowel deskundigen

als gebrq:!,kers aan de orde, die in princiP.e beiden

over elementen van één nivo beslissingen kunnen nemen.

Zo is het mogelijk dat de stedebouwkundige zich uitsluitend

uitspreekt over de elementen van de verkeersen

waterhuishouding, terwijl de gemeenteraad op datzelfde

nivo besluiten neemt ten aanzien van de elementen

van de woonbebouwing, bijvoorbeeld in termen

van hoog- en laagbouw, etc.

In een vertikale geleding kan een P.rincipeel onderscheid

gemaakt worden tussen deskundigen en gebruikers.

In zijn afscheidsrede als hoogleraar aan de

Technische Hogeschool te Eindhoven, "Over de gebouwde

omgeving en de grenzen van de vakuitoefening",

schetst Habraken twee bizondere wijzen van het ontstaan

van een gebouwde omgeving. "Enerzijds de squatterwijk

in de derde wereld, waar slechts bewoners

macht uitoefenen. Anderzijds de Nederlandse volkshuisvesting,

waar slechts vakmensen macht uitoefenen.

Beide zijn daarom mismaakte gebouwde omgevingen in de

letterlijke betekenis van het woord" {8, pag. 23).

Habraken spreekt hier over die groeperingen, die werkelijk

de beslissingen nemen in het huisvestingsproces.

In de Nederlandse situatie is daar inderdaad

geen plaats voor bewoners. In zijn boek "De dragers

en de mensen" stelt Habraken, dat er pas werkelijk

sprake is van wonen, wanneer de mensen betrokken

zijn op de vormgeving van hun woning. Dit houdt in,

dat er in het besluitvormingsproces een plaats gekreëerd

moet worden voor de bewoners.

Het gaat er om een evenwicht te vinden tussen de

bevoegdheden van de deskundigen en die van de bewoners.

Het is duidelijk dat ik ervan uitga, dat beide

groepen deelnemen aan het proces, zij het dat het op

dit moment niet mogelijk is vast te stellen welke

bevoegdheden beide partijen zullen krijgen, welk evenwicht

zich in gaat stellen. Door het onderscheiden van

de twee groepen: van deskundigen en bewoners en het formuleren

van de manier waarop de bevoegdheden uitgedrukt

kunnen worden, moet het koncept van het proces

het instellen van dit evenwicht mogelijk maken.

Straks zal blijken dat een uitspraak ten aanzien van

dit aspekt een van de eerste vaststellingen moet

zijn voor het ontwerpen van het proces.

Dat de deskundigen het gehele beslissingsgebied

als het ware bezetten, is een gegroeide situatie.


Ik ga er van uit dat deze situatie voor 1800 in Nederland

niet bestond en waarschijnlijk nergens bestaat

waar we te maken hebben met een meer statisch maatschappijbeeld.

In een dergelijke situatie is er een

zek.er evenwicht tussen de ruimtelijke en de maatschappelijke

dimensie. Er is dan ook een bepaalde ordening

in de ruimtelijke dimensie aanwezig, waarbij de ruimtelijke

vormen de mensen direkt aanspreken in hun

gebruiksmogelijkheden. Op basis van een in generaties

gegroeide ervaring maken deze vormen deel uit van hun

voorstellingswereld, waardoor er eigenlijk niet gesproken

kan worden van ontwerpen, daar er geen feitelijke

barrière te overwinnen is voor het bedenken en

verbeelden van een ruimtelijke ordening en de uitvoering

daarvan tot konkrete vormen. Het beeldende en het

technische aspekt van het ordenen vallen dan praktisch

samen. In een dergelijks situatie is het ordeningspreces

deel van de kultuur van een volk en is er nauwelijks

specifieke deskundigheid voor nodig om tot een

beeld te geraken van vormen, materiaalgebruik en uitvoeringswijze;

hooguit is dit voor de specifieke uitvoering

wel het geval.

In een dynamische maatschappij waarin een voortdurende

ontwikkeling plaats vindt van maatschappelijke

verhoudingen en technische mogelijkheden, ontbreekt

de mogelijkheid ervaring op te doen en ontbreken de

ruimtelijke beelden waarmee men vertrouwd is geraakt.

Er gaat bovendien een scheiding ontstaan tussen het

beeldende en het technische aspekt van de ruimte, daar

beide zich in hun eigen tempo ontwikkelen. Op dat moment

van scheiding is niets meer vanzelfsprekend en

op het moment dat in de ruimtelijke dimensie een niet

meer te overbruggen splitsing optreedt, treedt er ook

een splitsing op in de maatschappelijke wereld, waarbij

deskundigen en bewoners als aparte groepen te

voorschijn treden. De situatie van hèt ruimtelijk

ordenen wordt nu zo gekompliceerd, dat alleen de

deskundigen nog in staat geacht worden het probleem

op te lossen. Doordat er een scheiding is tussen

deskundigen en bewoners, die nog eens versterkt wordt

door een specifiek taalgebruik, wordt het bouwprogramma

niet meer ontleend aan de specifieke behoeften van

de bewoners, doch worden deze behoeften vervangen

door algemene normen, die door onderzoek verkregen

worden. Werkelijke deelneming door de gebruikers aan

het proces wordt vervangen door onderzoek, gericht op

normen.

Het roept altijd gevoelens van heimwee op te zien

200


201

hoe vroeger, hier en op dit moment bij primitieve kulturen

een op het oog volmaakt evenwicht bestaat tussen

middelen en doel. Er is echter geen weg terug, onze

westerse samenleving heeft een industriële revolutie

achter de rug en de enige waarneembare konstante is

de gestaagheid, waarmee technische en maatschappelijke

ontwikkelingen plaats vinden. Ervan uitgaande dat de

deskundigen wel degelijk een rol te spelen hebben

in onze maatschappij, is het waarschijnlijk wel .mogelijk

deze rol anders te definiëren. Ik denk daarbij

aan twee zaken. Qp de eerste plaats zijn zii de

aangewezen personen om met .... hun kennis yan zaken de

technische mogelijkheden en in,zeer algemene zin,de

maatschappelijke behoeften te vertalen in voor bewoners

herkenbare beelden, die hen direkt aanspreken

en die een rol kunnen spelen in hun voorstellingswereld.

Op deze wijze kan de kloof tussen een beeldende

en een technische benadering overbrugd worden.

Op elk moment opnieuw weer zal dit beeld bijgesteld

moeten worden om de drempel tussen denken en doen

zo laag mogelijk te maken.

Het gaat hier dus om het aanbrengen van die voorordening

in de ruimtelijke dimensie, waardoor weer

spel mogelijk wordt. In de termen van deze studie

gaat het dus om het kreëren van elementen, waarmee

"gespeeld" kan worden. Qp de tweede plaats gaat het

om een ander soort voorordening, namelijk een voorordening

in specifieke zin binnen het kader van een

§pecifiek projekt. Binnen het kader van die voorordening

kunnen de deskundigen zich bezighouden met

het scheppen van situaties, die zowel tegemoet komen

aan de behoeften van individuele bewoners als wel

van een kollektief van bewoners. Een dergelijke

situatie wordt aangeduid met de term situatie met

strukturele eigenschappen ofwel struktuur.

Een struktuur wordt, om tegemoet te komen aan kollektieve

eisen, ontworpen op basis van algemene normen.

Dit is het specifieke domein van de deskundige,

terwijl de vormentaal van het elementenstelsel en de

toepassing daarvan in de voorgeordende situatie de

bewoners direkt moet aanspreken, waardoor ook voor hen

aktie mogelijk wordt. Er kan dus vastgesteld worden

dat het mogelijk en zinvol is afzonderlijke beslissingsgebieden

te bepalen voor deskundigen en bewoners.

Het gaat hier dus weer om de vertikale geleding van

de maatschappelijke wereld, die gezien moet worden

in samenhang met de zogenaamde horizontale geleding,


die parallelloopt met de ruimtelijke geleding. Beide

geledingen samen vormen het raamwerk van de maatschappelijke

wereld.

3. Marge van beslissingsgebieden.

Par. 3 -

In het vorige punt werd de indruk gewekt, dat het

om messcherpe scheidingen gaat tussen de verschillende

beslissingsgebieden. In principe is dat ook juist,

daar het noodzakelijk is,vast te kunnen stellen welke

personen of groepen van personen verantwoordelijk zijn

voor het nemen van besluiten. In de gedachtengang

is geen plaats voor enige overlapping. Toch is

het denkbaar, zeker in een periode, waarin een groei

plaats heeft naar nieuwe verhoudingen, dat twee groepen

binnen een gebied werkzaam zijn. Zo is het denkbaar

dat de deskundigen zich bij het koncipieren van

een drager laten inspireren door bewoners of vertegenwoordigers

daarvan. Het is duidelijk dat de deskundige,

in dit geval de architekt, de verantwoordelijkheid

draagt en de bewoners uitdrukkelijk niet. Dat wil

nog niet zeggen dat hun bijdrage daarom geheel vrijblijvend

is. Het is mogelijk dusdanige afspraken te

maken bij de aanvang van het projekt, dat rekening

wordt gehouden met de meningen, die "van onderen"

worden aangedragen en dat bijvoorbeeld een afwijking

van het gevraagde alleen is toegestaan wanneer deze

gemotiveerd wordt. Binnen een beslissingsgebied zijn

dan in een dergelijk geval twee groepen werkzaam, die

een verschillende rol spelen. Op basis van verantwoordelijkheid

heeft de deskundige zeggenschap, terwijl

de bewoners inspraak hebben.

In een periode, waarin zich een evenwicht moet instellen

tussen de mandaten van deskundigen en bewoners

kan alleen langs wegen van geleidelijkheid, door experimenten,

nagegaan worden over welk gebied de zeggenschap

van de bewoners zich kan uitstrekken. Dit kan

gebeuren door een marge te kreëren tussen de domeinen,

waarin zeggenschap heerst. Deze marge geeft het gebied

aan waarbinnen inspraak mogelijk is.

Struktuur en plan.

In de voorafgaande paragraaf bleek reeds dat de geleding

van de maatschappelijke wereld niet geheel los

202


203

gezien kan worden van een ordening in de ruimtelijke

dimensie, die verder gaat dan een geleding in elementen

en nivo's. Door het onderscheiden van situaties met

strukturele eigenschappen, gebaseerd op normen, als

het specifieke domein van de deskundigen, werd een

voor deze studie belangrijk moment bereikt, daar het

hier gaat om het samenvallen van een specifieke

ruimtelijke en een specifieke maatschappelijke geleding.

Deze situatie met strukturele eigenschappen,

ook wel kortweg met struktuur aangeduid, voldoet

aan alle eisen, die de definitie uit deel II, Struktuur

en Stelsel, daaraan stelt. Het is een situatie,

die opgebouwd is uit elementen, die volgens bepaalde

regels uitgewerkt kan worden in varianten en beantwoordt

aan een normstelling. Een struktuur is een

specifieke ordening binnen het ruimte-stelsel, zoals

dat in deel II werd omschreven. Een struktuur is

een situatie, opgebouwd uit elementen en wel uit

de elementen van één nivo. Een struktuur is dus

nivo-gebonden. Worden er 4 nivo's onderscheiden, dan

houdt dit in,dat er ook 4 soorten van strukturen

onderscheiden kunnen worden. Deze strukturen krijgen

in principe de naam van het nivo, waarbinnen ze gekoncipieerd

worden. Zo kunnen van hoog naar laag,

overeenkomstig de nivo-aanduidingen van deel II en III

wijk-, buurt-, straat- en woonstrukturen onderscheiden

worden. Een struktuur is een situatie binnen een nivo;

er is dan besloten over een aantal soorten van elementen.

Daar het om een voorordening gaat op dat nivo

moet nog besloten worden over andere soorten van elementen,

om een funktionerend geheel te verkrijgen.

Voorbeeld: een wijkstruktuur kan bestaan uit een situatie,

gevormd door wijkwegen, aftakkingspunten voor

buurtwegen, waterberging en watergangen, park en

groenkorridors. Er moet nu nog besloten worden over

woongebieden, voorzieningengebieden. De wijkstruktuur

kan nu op verschillende manieren voltooid worden tot een

zogenaamd wijkplan, waarin over alle soorten elementen

besloten is. De elementen, waaruit een struktuur is opgebouwd,

worden aangeduid met struktuurelementen. De elementen,

waarover besloten kan worden om de struktuur te

voltooien tot plan,worden aangeduid met plan-elementen.

Binnen het kader van een specifiek proces worden

alle elementen van een nivo verdeeld in struktuur-

en plan-elementen. Hoe deze verdeling er uit

ziet kan zeker op de hogere nivo's niet in het algemeen

worden vastgesteld. Bovendien is het maken

van deze indeling een maatschappelijke daad, die


vergaande konsekwenties heeft ten aanzien van de

verdeling van de bevoegdheden in het proces tussen

deskundigen en gebruikers. In een grensgeval kan

het zelfs zo zijn, dat er geen plan-elementen zijn:

in dat geval heeft een partij, de deskundigen, op

dat nivo alle macht. In een dergelijke situatie

verkeert de Nederlandse volkshuisvesting op dit moment.

Het kan echter ook zijn dat er uitsluitend

plan-elementen zijn. In dat geval hebben de bewoners

de macht. In het kader van deze studie wordt er van

uit gegaan, dat zowel struktuur- als plan-elementen

onderscheiden worden, waardoor zowel kollektleve als

individuele belangen op elk nivo behartigd kunnen

worden.

Het gehele veld van de ruimtelijke dimensie werd geleed

in nivo's; het gehele veld van de maatschappelijke

wereld werd geleed, .horizontaal in lagen van

gebruikers plus deskundigen, waarbij deze lagen korresponderen

met de nivo's van de ruimtelijke dimensie

en vertikaal in kolommen van deskundigen en gebruikers,

waarbij deze kolommen korresponderen met

een geleding van de ruimtelijke dimensie in struktuur-

en plan-elementen. De ruimtelijke en maatschappelijke

dimensie zijn dus in hun totaliteit op elkaar

betrokken, hetgeen inhoudt dat over alle elementen

beslissingen genomen kunnen wÓrden door maatschappelijke

groepen.

In wezen is nu al een belangrijke stap gezet op weg

naar de koncipiëring van het proces, dat een synthese

inhoudt van de ruimtelijke dimensie en de maatschappelijke

wereld. Op grond hiervan kan in de volgende

paragraaf het begrip aktiviteit ontwikkeld worden.

Kanttekening, struktuurelementen -

strukturele elementen.

Alvorens daartoe over te gaan, is het zinvol de weg

af te snijden naar mogelijke-misverstanden. Een struktuur

is opgebouwd uit struktuu~elementen; deze moeten

niet verward worden met strukturele elementen of elementen

met strukturele eigenschappen. Elk element van

een hoger nivo heeft op grond van de definitie van

nivo strukturele eigenschappen, hetgeen inhoudt, dat

het element op een lager nivo op kan treden als situatie

met strukturele eigenschappen. en dus op meerdere

manieren in varianten uitgewerkt kan worden tot

plan. In wezen gaat het om twee soorten van varianten.

Een uit struktuurelementen bestaande struktuur, of,

204


eter nog, een situatie met strukturele eigenschappen

kan in varianten uitgewerkt worden tot plan. Dit

proces speelt zich af op één nivo.

Een struktureel element kan uitgewerkt worden in varianten,

doch nu op een lager nivo.

Par. 4 -

Aktiviteit.

1. Aktiviteitenstelsel c.q. systeem. (fig. 4.1)

Door de geleding van de ruimtelijke dimensie te

benutten is het mogelijk een kleinste proces eenheid

te onderscheiden, waarmee een proces opgebouwd kan

worden, die het gehele veld van de ruimtelijke dimensie

en de maatschappelijke wereld bestrijkt.

Zo'n eenheid wordt gevonden in een beslissingsgebied,

dat gedefinieerd wordt door de overlapping van de

(horizontale) geleding van de ruimtelijke dimensie

in nivo's en de (vertikale) geleding van de maatschappelijke

wereld in groepen van deskundigen en

gebruikers.

Aan deze dimensies moet nog de dimensie tijd worden

toegevoegd, om een werkelijke bouwsteen voor het proces

te verkrijgen. Op deze wijze kunnen acht aktiviteiten

onderscheiden worden (fig. 4.1).

Elke aktiviteit kan op twee manieren benoemd worden:

naarzijlLplaats in de ruimtelijke dimensie kunnen respektievelijk

wijk-, buurt-, straat- en woningaktiviteiten

onderscheiden worden; naarzijrLP.laats in de maatschappelijke

wereld kunnen respektievelijk deskundiqenofwel

struktuuraktiviteiten en gebruikers- ofwel planaktiviteiten

onderscheiden worden. Op de overlappingen

van beide indelingen krijgt elke aktiviteit een naam,

die zijn positie in het geheel aanduidt; de aktiviteit

wijkplan ligt op het wijknivo en is tevens een planaktiviteit.

Door de nivo's te nummeren, zoals in deel III

is gedaan, van 1 tot en met 4, en een struktuuraktiviteit

met een 0 en een planaktiviteit met een 1 aan te

duiden, kan bij het vooropstellen van het nivo de aktiviteit

wijk-plan worden aangeduid met 4.1. De verschillende

aktiviteiten vormen tezamen een stelsel,

dat aangeduid wordt met het begrip aktiviteitenstelsel.

Het is opgebouwd uit een ruimte-stelsel (de ruimtelijke

dimensie), de basisgeleding van de maatschappelijke

wereld plus de dimensie tijd. Dit aktiviteitenstelsel

205


kan worden gespecificeerd naar een aktiviteitensysteem.

Dit houdt in dat dan een specifikatie heeft plaats gehad

van het elementenstelsel naar een globaal elementensysteem

en dat de maatschàppelijke geledingen benoemd

zijn, dat wil zeggen dat bekend is welke maatschappelijke

groepen binnen elke aktiviteit opereren

en eventueel hoe hun verantwoordelijkheden gedefinieerd

zijn in termen van zeggenschap en inspraak.

ldeskundi genlgebruikers I

activiteiten-stelsel

fig.4.1

4.1

3.1

2.1

1 .1

niVO

4

__ ,wijk_

qNo

ouurt

niVO

2

straat

n1vo

1 .

V\Onlng

Het aktiviteitenstelsel is een betrekkelijk theoretisch

begrip, dat vooral een funktie vervult bij

het nog te ontwikkelen processtelsel. In dat stelsel

wordt nog een nadere geleding aangebracht in de

dimensie tijd.

Het aktiviteitensysteem is een stap bij het ontwikkelen

van het specifieke proces; de delen, waaruit het

is opgebouwd, zijn dan bekend, het gaat dan nog

slechts om de plaatsing van de aktiviteiten in een

voor het proces doeltreffende volgorde.

206


2. Beginsituatie, elementen, programma en eindsituatie.

Binnen elke aktiviteit hebben deelprocessen plaats,

die elk een afgerond geheel vormen. Elke aktiviteit

heeft dezelfde opbouw. Vastgesteld is dan welke maatschappelijke

groep beslissingen neemt over welke elementen.

Het processchema van elke aktiviteit is

hetzelfde zoals gehanteerd werd bij de toetsing van

een situatie in deel rrr, namelijk: situatie, elementen,

programma en varianten.

Allereerst de situatie: binnen elke aktiviteit wordt

gestart met een beginsituatie, die eindsituatie is

van een voorgaande aktiviteit: een wijkplan is bijvoorbeeld

een beginsituatie van de aktiviteit buurtstruktuur

en de buurtstruktuur is weer beginsituatie

van de aktiviteit buurtplan.

De mogelijkheid bestaat, dat de beslissende groep tot

een eindsituatie komt, waaraan zij eisen wil verbinden

ten aanzien van de uitwerking op een lager nivo.

Men wil bijvoorbeeld in het wijkplan al uitspraken

doen ten aanzien van het profiel van de wijkweg. De

groep beschikt op het eigen nivo niet over de elementen

om dit op adequate wijze te doen. Zij kan echter

een opdracht (bindend) formuleren, dan wel een suggestie

(aanwijzend) meegeven voor de verdere uitwerking.

Door het formuleren van deze OP.drachten en suggesties

worden de grenzen tussen de verschillende aktiviteiten

ver:z:l:l.cht, waardoor gemakkelijker tegemoet gekomen

ka~ worden aan P.raktische ordeningssituaties. Een

opdracht wordt op een lager nivo opgevat als een deel

van het programma.

Op de tweede plaats de elementen. Deze worden in

principe verschaft door het aktiviteitensysteem.

Op de derde plaats het P.rogramma. Binnen het kader van

de beginsituatie wordt met behulp van de elementen,

die voor de betreffende aktiviteit ter beschikking

staan, door de groepen een programma geformuleerd.

Het programma wordt altijd vastgesteld door degenen,

die zeggenschap hebben (per definitie), maar er kan

een groep zijn, die er door inspraak invloed op uit

kan oefenen.

Daarnaast kan er nog een programma opgelegd worden

in de vorm van een opdracht.

Het programma kan nog heinvloed worden door aktiviteiten,

die gelijktijdig plaats vinden, zowel op een

hoger als op een lager nivo.

Op de vierde plaats de eindsituatie. Binnen de aktiviteit

wordt door de betrokken groepen overeenstem-

207


ming bereikt ten aanzien van de eindsituatie. In het

geval deze eindsituatie een struktuur is, zal de

situatie gemotiveerd moeten worden met varianten.

Deze zijn niet bedoeld als keuze mogelijkheden, doch

als motivering, eventueel als illustratie van de gebruiksmogelijkheden

van de ontworpen situatie. Als

deel van de eindsituatie kunnen opdrachten dan wel

suggesties meegegeven worden.

3. Identiteit en relaties.

Een aktiviteit ontleent Zl.Jn identiteit aan ruimtelijke

elementen waarover besloten moet worden en aan

de beslissende maatschappelijke groep.

Daarnaast heeft een aktiviteit het vermogen om een relatie

aan te gaan met andere aktiviteiten. De wijze

waarop dit gebeurt,is in het vorige punt al aan de

orde gekomen. Deze relaties komen op drie manieren tot

stand. Op de eerste plaats via het mechanisme waarbij

een eindsituatie van de ene aktiviteit beginsituatie

wordt van een andere aktiviteit, op de tweede plaats

via het mechanisme van opdrachten, waarmee het programma

in andere aktiviteiten heinvloed kan worden

en op de derde plaats via inspraak, waardoor groepen,

die bijvoorbeeld zeggenschap hebben in volgende aktiviteiten

inspraak krijgen in het programma.

4. Markt.

Voordat op basis van het begrip aktiviteit meer gekompliceerde

procesdelen opgebouwd worden, is het zinvol

even afstand te nemen van het begrip aktiviteit

om in grote lijnen een beeld te krijgen van de opzet

van het proces als geheel.

Een aktiviteit is te vergelijken met een markt.

Op de markt heeft een uitwisseling plaats. Of er

worden goederen geruild of er worden goederen

verkocht en gekocht. In alle gevallen zijn er twee

partijen, die tot overeenstemming moeten komen. In

alle gevallen zal er een vergelijking gemaakt worden:

goederen worden met elkaar vergeleken of de

goederen worden vergeleken met een geldbedrag. Beide

partijen brengen bij dat vergelijken eigen waarden

in, zodat beide partijen bij de transaktie winst

kunnen boeken. Een aktiviteit is een beslissingsgebied,

waar mensen, als op een markt, bij elkaar komen

208


en eveneens tot overeenstemming moeten komen ten aanzien

van beslissingen, die genomen moeten worden.

Alle partijen brengen daarbjj hun eigen waarden in en

ze komen tot subjektieve beslissingen, doch op grond

van objektief meetbare kriteria.

Zoals op een markt de goederen meetbaar gemaakt Z1Jn

door ze van een prijs te voorzien, worden ook de goederen

van de ruimtelijke dimensie meetbaar gemaakt.

Binnen de markt heeft een uitwisseling van waarden

plaats. De ordening in de ruimtelijke dimensie maakt

dat mogelijk en de maatschappelijke wereld levert de

marktbezoekers, die tot een vergelijk willen komen.

Er kunnen verschillende soorten aktiviteiten onderscheiden

worden, evenals er verschillende soorten

markten onderscheiden kunnen worden. Er zijn bloemen-,

rommel-, vismarkten etc. Wil iemand inkopen doen voor

een bepaald doel, dan zal hij verschillende markten

af moeten. Hij zal daartoe een bepaalde route uitstippelen,

die hem het meest doelmatig voorkomt. Ook in

het proces van ruimtelijk ordenen zullen meer aktiviteiten

plaats moeten vinden, en ook hierbij kan afhankelijk

van het doel, een bepaalde route en een bepaalde

aaneenschakeling van aktiviteiten de meest doelmatige

blijken. Doch voordat dit aan de orde komt,

moet eerst nog nader ingegaan worden op de manier,

waarop aktiviteiten tot eengroter geheel aaneengeschakeld

worden tot zogenaamde procesdelen.

Hierover handelt het volgende hoofdstuk.

209


Hoofdstuk 2 -

Procesmodel.

0. Inleiding.

In dit hoofdstuk wordt, uitgaande van het begrip

aktiviteit als bouwsteen, nagegaan op welke wijze

deze samengesteld kunnen worden tot meer samengestelde

bouwstenen, waarmee het uiteindelijke model van

het proces wordt gekoncipiëerd. Deze grotere bouwstenen

zijn de zogenaamde processtadia, die geordend

kunnen worden tot een processtelsel. Analoog aan de

behandeling van andere stelsels kunnen deze weer

gespecificeerd worden tot een processysteem.

Het processtelsel houdt al een globale geleding in

van alle dimensies en de maatschappelijke wereld; het

is een notie van het proces, die voorop staat bij het

ontwerpen van een specifiek proces. De termen stelsel

en systeem zijn hier gebruikt om de verwantschap

in opbouw met de ruimtelijke dimensie aan te geven,

waardoor het gehele samenstel van begrippen een zekere

konsistentie krijgt. De termen processtelsel en

-systeem kunnen echter beter vervangen worden door

proces-model en procedure, die meer aansluiten btj

het spraakgebruik.

In eerste instantie zullen enkele procesvormen onderscheiden

worden, waarmee aktiviteiten tot grotere

gehelen "geschakeld" worden. In tweede instantie wordt

nader ingegaan op de stadia, procesdelen met een eigen

specifieke strategie en een eigen procesvorm of schakeling

van aktiviteiten.

In derde instantie wordt een schets gegeven van het

processtelsel of het procesmodel.

Par. 1 -

Relaties tussen aktiviteiten in horizontale en

vertikale zin.

1. Vertikale relaties: fase.

Het betreft hier relaties in termen van tijd. In

principe zijn er maar twee mogelijkheden: aktiviteiten

hebben na elkaar plaats of ze hebben gelijktijdig

plaats. In schakeltermen: het gaat dan respektievelijk

om een volgtijdige dan wel gelijktijdige schakeling,

of in de terminologie van de elektrotechniek:

serieschakeling en parallelschakeling, of ook wel

210


diachroon en synchroon. Wanneer twee aktiviteiten

gelijktijdig plaats vinden, dan kan de bedoeling

daarvan zijn dat deze aktiviteiten op elkaar afgestemd

dienen te worden. Zo is het bijvoorbeeld zinvol

de aktiviteiten buurtstruktuur en woonstruktuur op

elkaar af te stemmen. Zowel de ruimtelijke ontwikkeling

op buurtnivo als op woningnivo verkeren dan nog

in een fase, dat een zinvolle afstemming mogelijk

is. Een afstemming in de planfase is aanmerkelijk

minder eenvoudig, getuige de praktijk van de Nederlandse

stedebouw. Het stedebouwkundige ontwerp wordt

daar vastgelegd in de vorm van een zogenaamd blokkenplan,

dat qua maatvoering nog binnen bepaalde marges

uitgewerkt~kan worden. Zo zijn bijvoorbeeld ten aanzien

van bloklengten en woningdiepten afwijkingen toegestaan

van bijvoorbeeld 5 %. Dit plan is een afgerond,

goedgekeurd en vastgesteld plan. Binnen dit plan

worden woningplannen gesitueerd. Het is in de meeste

gevallen een woning, die onafhankelijk van de betreffende

situatie ontworpen is en er dus in principe

geen relatie mee heeft. Daar het om twee onafhankelijk

van elkaar tot stand gekomen produkten gaat, is de

kans op een ruimtelijk konflikt bizonder groot of het

moet zijn dat de stedebouwkundige eigenlijk al wel

wist welke woningen er zouden komen in welk geval er

feitelijk geen twee ontwerpende partijen noodzakelijk

zijn.Konforrneren we ons aan de tegenwoordige ontwerppraktijk

en gaan we uit van de twee partijen, dan is

het zinvol een proces te ontwikkelen, waarop een afstemming

plaats kan vinden op elkaars ontwerp. In dat

geval zullen beide deskundigen zich uitsluitend bezig

moeten hougen met de essentie van hun ontwerP., ofwel ·

met de struktuur ervan. In dat algemene vlak kan dan

nog een afstemming tussen de aktiviteiten op de verschillende

nivo's plaats vinden. Deze afstemming heeft

dan plaats binnen een bepaald tijdsbestek, een tijdmoot

van het proces, die aangeduid wordt met de term

fase. In het boven beschreven geval betreft het een

struktuurfase, waarbinnen twee struktuuraktiviteiten

op elkaar afgestemd worden. Op dezelfde rnanier kan

ook de term planfase onderscheiden worden. In een

planfase kunnen eveneens twee aktiviteiten op meerdere