Doorstroom in het onDerwijs - Onderwijsraad

onderwijsraad.nl

Doorstroom in het onDerwijs - Onderwijsraad

Doorstroom in het onderwijs

studie


Doorstroom in het onderwijs


Colofon

De Onderwijsraad is een onafhankelijk adviescollege, opgericht in 1919. De raad adviseert, gevraagd en

ongevraagd, over hoofdlijnen van het beleid en de wetgeving op het gebied van het onderwijs. Hij adviseert

de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

De Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal kunnen de raad ook om advies vragen. Gemeenten kunnen

in speciale gevallen van lokaal onderwijsbeleid een beroep doen op de Onderwijsraad.

De raad gebruikt in zijn advisering verschillende (bijvoorbeeld onderwijskundige, economische en juridische)

disciplinaire aspecten en verbindt deze met ontwikkelingen in de praktijk van het onderwijs. Ook de

internationale dimensie van educatie in Nederland heeft steeds de aandacht.

De raad adviseert over een breed terrein van het onderwijs, dat wil zeggen van voorschoolse educatie tot

aan postuniversitair onderwijs en bedrijfsopleidingen. De producten van de raad worden gepubliceerd in

de vorm van adviezen, studies en verkenningen. Daarnaast initieert de raad seminars en websitediscussies

over onderwerpen die van belang zijn voor het onderwijsbeleid.

De raad bestaat uit veertien leden die op persoonlijke titel zijn benoemd.

Studie Doorstroom in het onderwijs, uitgebracht aan de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Nr. 20070313/883, november 2007.

Uitgave van de Onderwijsraad, Den Haag, 2007.

ISBN 978-90-77293-73-7

Bestellingen van publicaties:

Onderwijsraad

Nassaulaan 6

2514 JS Den Haag

email: secretariaat@onderwijsraad.nl

(070) 310 00 00 of via de website: www.onderwijsraad.nl

Ontwerp en opmaak:

Maarten Balyon grafische vormgeving

Drukwerk:

OBT bv

© Onderwijsraad, Den Haag

Alle rechten voorbehouden. All rights reserved.


Doorstroom in het onderwijs


Ten geleide

De verkenning Doorstroom en talentontwikkeling gaat vooral in op de vraag welke factoren

van invloed zijn op doorstroom en talentontwikkeling in het voortgezet onderwijs en

beroepsonderwijs. De programmastructuur krijgt daarbij bijzondere aandacht. Deze verkenning

is mede gebaseerd op drie studies waarin de rol van de programmastructuur in

het voortgezet onderwijs nader wordt bekeken. Daarbij worden twee hervormingen in

het voortgezet onderwijs onder de loep genomen: de invoering van het vmbo (voortgezet

middelbaar beroepsonderwijs) en de introductie van profielen in de bovenbouw van

havo en vwo.

Om een goed beeld te krijgen van de effecten van beide hervormingen zijn ze op twee

verschillende manieren onderzocht: met behulp van cross-sectionele data over meerdere

jaren, door het ROA (Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt) en het onderzoeksbureau

ITS, en met behulp van een analyse van verschillende cohorten, door het

GION (Gronings Instituut voor Onderzoek van Onderwijs). Beide benaderingswijzen hebben

specifieke voor- en nadelen, gezamenlijk vullen zij elkaar echter goed aan. De cohortanalyse

van GION heeft als voordeel dat een groep leerlingen gedurende langere tijd gevolgd

is en van deze leerlingen veel achtergrondgegevens beschikbaar zijn. Een nadeel

van de cohortvergelijking is echter dat er zes jaar tussen de twee cohorten zit, zodat er

zich in de tussentijd naast de hervormingen in het onderwijs ook andere ontwikkelingen

kunnen hebben voorgedaan, die verschillen tussen de cohorten kunnen verklaren. De gegevens

van ROA en ITS bevatten daarentegen minder achtergrondgegevens, maar kunnen

wel veranderingen in leerlingenstromen van jaar op jaar laten zien.

In het eerste onderzoek van Borghans en Coenen (ROA) wordt aan de hand van gegevens

over de keuzes van leerlingen en hun succes tijdens en na de desbetreffende opleiding in

kaart gebracht wat de effecten van de overgang van de combinatie van mavo en vbo

(voorbereidend beroepsonderwijs) naar vmbo zijn geweest. Volgens Borghans en Coenen

heeft de invoering van het vmbo geleid tot een lichte verschuiving van de leerlingenstroom

van mavo en vmbo-tl/gl (respectievelijk theoretische en gemengde leerweg) naar

vbo en vmbo/bl/kl (respectievelijk basisberoepsgerichte en kaderberoepsgerichte leerweg).

Tussentijdse opstroom van mavo naar havo kwam bijna niet voor, maar gebeurt

sinds de invoering van het vmbo wel sporadisch. Er zijn minder zittenblijvers in zowel

vbo als de mavo, al is deze afname ingezet nog voor de invoering van het vmbo. De tussentijdse

afstroom van havo naar mavo is flink afgenomen sinds de invoering van het

vmbo. Net als bij de leerlingen vond er ook bij de gediplomeerden een verschuiving van

mavo naar vbo plaats na de invoering van het vmbo. Na de invoering van de profielen in

de tweede fase havo daalde het aandeel mavo-gediplomeerden dat doorstroomde naar

de havo fors. Met de invoering van het vmbo steeg dit aandeel weer tot ongeveer het

oude niveau. Er zijn geen substantiële veranderingen waarneembaar in de aansluiting op

het mbo (middelbaar beroepsonderwijs) sinds de invoering van het vmbo.


Het tweede onderzoek van Korpershoek, Kuyper en Van der Werf (GION) probeert met

behulp van leerlinggegevens uit de vocl-cohorten (voortgezet onderwijs cohort leerlingen)

van 1993 en 1999 de effecten van zowel de invoering van het vmbo als de introductie

van de profielen na te gaan. Hun resultaten suggereren een aantal trends. In de eerste

plaats constateren ze dat de doorstroom vanuit het vmbo naar het havo nog steeds problematisch

is. Wel stromen steeds meer leerlingen vanuit het vmbo door naar het mbo,

maar de keuze van de richting sluit lang niet altijd aan bij de vmbo-sector waaruit de

leerlingen afkomstig zijn. Een andere trend die de GION-onderzoekers signaleren, is dat

door de invoering van de profielen de doorstroom van het havo naar het vwo ongebruikelijker

is geworden, maar niet moeilijker. De aansluiting tussen de profielen in havo en

vwo en de richting in het hoger beroepsonderwijs en het wetenschappelijk onderwijs

lijkt bij de meeste studierichtingen echter afgenomen. Bovendien veranderen veel studenten

na het eerste studiejaar weer van richting.

Het derde onderzoek van Van Langen, Kurver en Vierke (ITS) schetst een beeld van het

rendement van havo en vwo en de doorstroom naar het hoger onderwijs sinds 1998.

Daaruit komt naar voren dat steeds meer leerlingen naar het havo en vooral naar het

vwo gaan en zij in kortere tijd een diploma behalen. De invoering van de profielen heeft

tijdelijk geleid tot een lagere doorstroom vanuit het vmbo naar het havo dan voorheen;

inmiddels lijkt er sprake van herstel van deze doorstroom. De studievoortgang van leerlingen

die zijn doorgestroomd van havo naar hoger beroepsonderwijs en van vwo naar

hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs is niet spectaculair veranderd

sinds of door de invoering van de profielen. Daarnaast nemen de auteurs waar dat er belangrijke

verschuivingen zijn opgetreden in de deelnamepercentages bij bepaalde vakken,

zowel op het havo als het vwo. Daarbij valt met name op dat het aantal leerlingen

met het maximaal mogelijke bètapakket flink is geslonken, vooral onder meisjes en in

het vwo.

De raad wil de auteurs van harte bedanken voor hun waardevolle bijdragen. Zij hebben

een belangrijke rol gespeeld bij het tot stand komen van de verkenning.

Namens de Onderwijsraad,

Prof.dr. A.M.L. van Wieringen

Voorzitter


Inhoud

I Breed of smal opleiden? 11

(L. Borghans & J. Coenen)

1 Inleiding 12

2 Theoretisch kader 13

3 De schoolloopbaan tijdens vbo/mavo/vmbo 18

4 De schoolloopbaan na vbo/mavo/vmbo 31

5 Conclusies 46

Afkortingen 47

Figurenlijst 48

II Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs 51

(H. Korpershoek, H. Kuyper & M.P.C. van der Werf)

1 Inleiding 52

2 Breed of smal opleiden in het vmbo 54

2.1 Vergelijkbaarheid VOCL’93 en VOCL’99 54

2.2 Examenresultaten 56

2.3 Samenvatting 70

3 Breed of smal opleiden in het havo en vwo 74

3.1 Vergelijkbaarheid VOCL’93 en VOCL’99 74

3.2 Examenresultaten havo 75

3.3 Doorstroom havo 78

3.4 Examenresultaten vwo 84

3.5 Voorkeur voor profielen 88

3.6 Samenvatting 89

4 Alternatieve verklaringen 92

4.1 Achtergrond- en instroomkenmerken vmbo 92

4.2 Relaties met resultaten vmbo 93


5 Achtergrond- en instroomkenmerken havo en vwo 98

5.1 Relaties met resultaten havo en vwo 99

5.2 Samenvatting 105

6 Conclusies 106

7 Nabeschouwing 110

Afkortingen 111

Figurenlijst 112

Literatuur 114

Bijlage

Bijlage 1: Tabellen

B.1-115

III Effecten van de invoering van vier profielen 127

(A. van Langen)

1 Inleiding 128

1.1 Achtergrond 128

1.2 Onderzoeksvragen en opzet 130

1.3 Leeswijzer 131

2 Kwantitatieve effecten: populatiecijfers over rendement en 132

doorstroom in en vanuit havo en vwo

2.1 Inleiding 132

2.2 Intern rendement 132

2.3 De doorstroom vanuit mavo/vmbo-tl naar havo 133

2.4 De doorstroom vanuit havo en vwo naar mbo, hbo en vwo 134

2.5 De aansluiting tussen vakkenpakketten en sectoren 135

2.6 Studievoortgang 137

2.7 Conclusies 138

3 Onderzoeksreview naar effecten van de profielen 140

3.1 Inleiding 140

3.2 De keuze voor bèta in vo en ho 140

3.3 Aansluiting vo-ho volgens studenten en opleiders 142

3.4 Herkenbaarheid van profielen en schooltypen 143

3.5 Conclusies 145

4 Effecten op de eindexamenresultaten 146

4.1 Inleiding 146

4.2 Ontwikkelingen in deelname 146

4.2.1 Deelname per vak 146

4.2.2 Deelname aan combinaties van vakken 148

4.3 Ontwikkelingen in examenresultaten 151

4.3.1 Examenresultaten per vak 151

4.3.2 Examenresultaten naar vakkencombinaties 152


4.4 Conclusies 155

5 Effecten op de scholenstructuur 157

5.1 Inleiding 157

5.2 Resultaten analyses 157

5.3 Conclusie 159

6 Samenvatting rapport 160

Afkortingen 163

Figurenlijst 164

Literatuur 165

Bijlage

Bijlage 1: Resultaten discriminant-analyse hoofdstuk 4

B.1-167


Breed of smal opleiden?


Een vergelijking tussen het oude vbo en mavo en het nieuwe vmbo

L. Borghans

J. Coenen

(Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt, Universiteit Maastricht)

Breed of smal opleiden?

11


1 Inleiding

De invoering van het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) in 1999 luidde

het samengaan in van het voormalige vbo (voorbereidend beroepsonderwijs) en het

mavo in een viertal nieuwe leerwegen: basisberoepsgerichte leerweg (bl), kaderberoepsgerichte

leerweg (kl), gemengde leerweg (gl) en theoretische leerweg (tl). Leerlingen die

eerst mavo of vbo volgden, stromen nu in in een gemeenschappelijk programma en kiezen

na twee jaar een van de genoemde leerwegen. De eerste leerlingen die vanuit de

nieuwe structuur doorstroomden naar het vervolgonderwijs waren de eindexamenkandidaten

van het schooljaar 2002-2003.

Een belangrijke vraag die hierbij speelt is wat de optimale verhouding tussen algemeenbreed

en specifiek-smal is. Het onderwijs moet aan de ene kant de nodige variëteit vertonen

om tegemoet te komen aan de verschillen in het niveau van leerlingen. Aan de andere

kant liggen de ontwikkelingsmogelijkheden van deze jongeren nog niet vast en moet

voorkomen worden dat door een vroegtijdige specialisatie of keuze, relevante ontwikkelingsmogelijkheden

uitgesloten worden. Er is een verkenning gewenst die onderzoekt of

maatschappelijke veranderingen vragen om een aanpassing van de structuur van het onderwijs

aan deze groep jongeren, of dat binnen de huidige structuur ook aanpassingen

mogelijk zijn.

De vraag is daarom welke effecten de recente hervorming van mavo en vbo heeft gehad

op de doorstroompatronen in en na het voortgezet onderwijs. De invoering van de leerwegen

in het vmbo biedt de mogelijkheid om meer in het algemeen te inventariseren

met welke effecten we rekening moeten houden als de structuur van het onderwijs

wordt aangepast en kan dus dienen als casus voor een gedachtevorming over de optimale

verhouding tussen breed en smal in verschillende fases van het voortgezet onderwijs.

In dit rapport zal een theoretisch kader worden geschetst voor de afweging tussen breed

en smal in het onderwijs en zal aan de hand van gegevens over de keuzes van leerlingen

en hun succes tijdens en na de desbetreffende opleiding in kaart worden gebracht wat

de effecten van de overgang van mavo/vbo naar vmbo zijn geweest.

12 Onderwijsraad, november 2007


2 Theoretisch kader

Bij de afweging op welke wijze het onderwijs het beste gestructureerd kan worden, spelen

twee aspecten een belangrijke rol.

De onderdelen die een leerling volgt dienen te passen binnen zijn of haar ontwikkelingslijn.

Een opleiding moet goed voorbereiden op een vervolgopleiding en deze vervolgopleiding

moet goed aansluiten op werk dat men uiteindelijk zal gaan doen. De optimale

invulling van het onderwijs vroeg in de opleiding zal dus afhangen van het traject dat

een leerling later zal doorlopen.

Daarnaast kent de ontwikkeling van leerlingen grote onzekerheden. De structuur van opleidingen

zou dan ook zo moeten zijn dat eenmaal gemaakte keuzes voor de hand liggende

ontwikkelingen niet bij voorbaat onnodig inperken. Dit heeft zowel betrekking op

het niveau als op de richting. Een leerling die relatief laat opbloeit, zou zijn opleidingsloopbaan

op een bij hem passend niveau moeten kunnen afronden. Een leerling die vrij

laat interesse in een bepaalde vakrichting ontwikkelt, zou op redelijke wijze nog invulling

moeten kunnen geven aan deze voorkeur. Dit kan gerealiseerd worden door opleidingen

voldoende breed te houden of door schakelmogelijkheden in te bouwen.

In de praktijk zijn beide uitgangspunten niet altijd volledig verenigbaar. Een brede opleiding

waarmee leerlingen nog alle kanten op kunnen, kan te zwaar worden waardoor een

deel van de relevante doelgroep het traject niet meer zal volgen of tussentijds afhaakt.

Een schakelmogelijkheid kan zo veel extra tijd vergen, dat in de praktijk maar weinig

leerlingen gebruikmaken van de mogelijkheid. Gezocht moet dus worden naar goede afwegingen

waarbij zo veel mogelijk aan het ene uitgangspunt wordt voldaan zonder het

andere uitgangspunt te veel op te offeren.

Deze trade-off kan het beste aan de hand van een gestileerd voorbeeld worden getoond.

In dit gestileerde voorbeeld gaan we ervan uit dat het curriculum uit slechts twee onderdelen

bestaat: theorie en praktijk. Bij theorie leren leerlingen algemene, theoretische

kennis die in een groot aantal situaties toepasbaar is. Theoretische kennis alleen is nooit

voldoende om goed te kunnen functioneren in het werk, maar dankzij deze theoretische

kennis kunnen leerlingen praktische vaardigheden sneller oppakken en leren ze dus sneller.

Bij praktijk leren leerlingen de vaardigheden voor een bepaald beroep goed uit te

voeren. Hierbij moet men dus kiezen voor een specifieke richting.

In het curriculum moet een keuze worden gemaakt over hoeveel theorie en praktijk er

gegeven moet worden en in welke volgorde dit het beste kan plaatsvinden. Leerlingen

die instromen in het onderwijs verschillen in capaciteiten. Intelligentere leerlingen zullen


Het gaat hierbij overigens niet per se om specialisatie in de zin van een smal vakkenpakket. Zelfs als precies bekend zou zijn

welke richting een leerling uit gaat, kan in het ene geval een gespecialiseerde opleiding optimaal zijn, maar kan het ook interessant

zijn om een brede opleiding te krijgen.

Breed of smal opleiden?

13


minder moeite hebben met het leren van theorie en kunnen in kortere tijd daardoor meer

theorie leren. Bij anderen zal dit moeizamer gaan.

Als precies bekend zou zijn wat de capaciteiten van elke leerling zijn, zou voor iedereen

het optimale curriculum kunnen worden vastgesteld. Voor intelligentere kinderen zal het

optimaal zijn om meer theorie in het curriculum te stoppen, terwijl voor minder intelligente

kinderen een groter praktijkdeel optimaal zou zijn. Omdat de capaciteiten van

leerlingen gradueel variëren, zou er in principe voor elke leerling een apart optimaal curriculum

moeten worden gevonden. Praktisch stuit dit uiteraard op bezwaren en zullen

groepen leerlingen die qua niveau bij elkaar in de buurt zitten, samen worden genomen

in een opleiding.

Als bekend is hoeveel theorie en praktijk het curriculum voor een bepaalde groep leerlingen

moet bevatten, zal het optimaal zijn om eerst de theorie en dan de praktijk aan de

orde te laten komen. De veronderstelling is immers dat meer theoretische kennis het

leervermogen bij praktische lessen zal verhogen. Het rendement van de theoretische lessen

is dus het hoogst als alle praktijkonderdelen na de theorie komen. In principe is er

voor elk niveau dus een optimaal curriculum waarin eerst theorie en daarna praktijk aan

de orde komen. De betere studenten krijgen veel theorie en zwakkere studenten veel

praktijk. Tabel 1 laat dit zien. Voor de eenvoud van het voorbeeld en omdat in de praktijk

geen aparte studieprogramma’s voor ieder denkbaar niveau gemaakt kunnen worden,

gaan we hier uit van twee programma’s: een voor het hoge niveau en een voor het

lage niveau.

Tabel 1: Optimaal curriculum voor leerlingen met een laag en hoog niveau

Doelgroep

Curriculum

Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3 Jaar 4

Hoog Theorie Praktijk

Laag Theorie Praktijk

Verwacht kan worden dat de leerlingen met hoge capaciteiten sneller zullen leren. Zij

krijgen dus langer theorie, waarbij ze per tijdseenheid meer leren, waardoor hun theoretische

achtergrond uiteindelijk aanzienlijk groter zal zijn dan die van leerlingen met lage

capaciteiten. Als de zwakste leerlingen bepalend zijn voor het leertempo in de klas, zal

er halverwege de opleiding dus een aanzienlijk verschil zijn in de kennis van de leerlingen

uit de hoge en de lage stroom.

Hierdoor ontstaat een flexibiliteitsprobleem. Als er een leerling is die aanvankelijk instroomde

in het lage niveau, omdat verwacht werd dat zijn capaciteiten niet groot genoeg

waren voor het hoge niveau, maar na verloop van tijd blijkt dat hij wel voldoende

geschikt is voor deze hoge stroom, wordt het moeilijk voor hem om alsnog de stap van

de lage naar de hoge stroom te maken. Zelfs als hij vanwege zijn capaciteiten meer geleerd

heeft van de theorie dan zijn gemiddelde klasgenoten, dan nog heeft hij minder


In werkelijkheid zijn er natuurlijk ook andere afwegingen die een rol spelen bij de optimale inrichting van het curriculum en

kan het bijvoorbeeld voor de motivatie van de student gunstig zijn om theorie en praktijk al eerder af te wisselen. Deze overwegingen

van dit gestileerde voorbeeld blijven echter ook dan spelen.

14 Onderwijsraad, november 2007


theorie gehad dan de leerlingen in de hoge stroom. In de praktijk zal het leereffect van

de lessen in de lage stroom overigens ook lager zijn. Aan de praktijkkennis die hij inmiddels

heeft opgedaan, heeft hij niet veel, want het praktijkdeel moet in de hoge stroom

halverwege de opleiding nog beginnen. Dit maakt de overstap moeilijk.

Ook de afstroom van de hoge naar de lage stroom zal problemen met zich mee kunnen

brengen. Een leerling die na twee jaar ontdekt dat de hoge stroom eigenlijk te zwaar

voor hem is, zal minder hebben opgestoken van deze lessen, maar mist ook de eerste

praktijkervaringen die de leerlingen van de lage stroom al wel gehad hebben. Deze overgangsproblemen

zullen echter kleiner zijn dan de problemen van leerlingen die van laag

naar hoog willen stromen.

Om de flexibiliteit van het systeem te verhogen zou daarom voor de eerste twee jaar van

de opleiding een gemeenschappelijk programma gemaakt kunnen worden. Tabel 2 geeft

aan hoe dit er waarschijnlijk uit zou zien.

Tabel 2: Optimaal curriculum voor leerlingen met een laag en hoog niveau met een

gemeenschappelijk deel van twee jaren

Doelgroep

Curriculum

Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3 Jaar 4

Hoog

Laag

Theorie

Praktijk

Theorie

Praktijk

Praktijk

Om voor beide groepen leerlingen een goed lesprogramma te maken, zal voor de eerste

twee jaren een compromis tussen beide stromen uit tabel 1 worden gemaakt. De leerlingen

met de lage capaciteiten krijgen meer theorie dan ze anders zouden hebben gehad.

De leerlingen met de hoge capaciteiten krijgen minder theorie en alvast wat praktijk. Met

name als ook het lestempo afgestemd moet worden op beide groepen, zal het niveau

aan het einde van de twee gemeenschappelijk jaren met name voor deze hoge groep lager

worden. De lage groep krijgt meer theorie, en zal dus meer moeite hebben om het

programma te kunnen volgen.

Ook de laatste twee jaar van de opleiding zullen aangepast worden aan de nieuwe omstandigheden.

Er blijven weliswaar twee stromen bestaan, maar de kennis van de instroom

verandert. In de hoge stroom zullen daarom wat extra theorie en minder praktijk

worden gegeven, om de mindere aandacht voor theorie in de eerste twee jaar te compenseren.

Deze compensatie zal echter niet volledig zijn. Ook is de optimale volgorde

van theorie en praktijk doorbroken. Om deze redenen zal het eindniveau van leerlingen

die van het begin af aan al wisten dat ze de hoge stroom zouden volgen, lager zijn.

Voor de leerlingen die zonder meer de lage stroom zouden volgen, is de situatie ook

minder gunstig geworden. Ze hebben weliswaar meer theorie gehad, maar dit is eigenlijk

meer dan optimaal is. Vanwege hun leercapaciteiten zou een opleiding met een hoger

praktijkgehalte voor hen een betere voorbereiding op de arbeidsmarkt of een vervolgopleiding

zijn.

Breed of smal opleiden?

15


De situatie ligt minder duidelijk voor leerlingen die op de grens van de hoge en de lage

stroom zitten. Daarbij kan het ten eerste gaan om leerlingen die net wel of net niet de

capaciteiten hebben om de hoge stroom te volgen, maar van wie wel duidelijk is wat hun

capaciteiten zijn. Daarnaast kunnen er leerlingen zijn over wie nog onduidelijkheid bestaat

wat betreft hun capaciteiten. Voor hen is vooraf onduidelijk of de hoge of de lage

stroom gunstiger zal zijn.

Voor de leerlingen die qua capaciteiten op de grens van beide stromen zitten, wordt de

nieuwe situatie minder gunstig. Door het compromis in het programma zullen de eerste

twee jaren een minder gunstige voorbereiding op de hoge stroom zijn dan bij het programma

zonder een gemeenschappelijk deel. De laatste twee jaar van de hoge stroom

zullen weliswaar aangepast worden aan de nieuwe instroom, maar het ligt voor de hand

dat deze aanpassing niet groot genoeg zal zijn om ook voor de marginale leerling de

overstap mogelijk te maken. De zwakkere leerlingen van voorheen nog de hoge stroom,

zullen daardoor de stap van het gemeenschappelijk deel naar de nieuwe hoge stroom

niet kunnen maken en doorstromen naar de lage stroom.

Voor leerlingen die onzeker zijn over hun capaciteiten wordt de situatie wel gunstiger.

Voor een leerling die zou zijn begonnen in de lage stroom, maar na verloop van tijd

merkt dat hij de hoge stroom ook had aangekund, is immers de stap naar deze hoge

stroom nog steeds open. Het niveau van de hoge stroom is lager dan het voorheen was,

maar zal voor hem gunstiger zijn dan de situatie waarin hij in de lage stroom had moeten

blijven. Een vergelijkbaar maar kleiner voordeel is er voor de leerling die instroomt

in de hoge stroom, maar ontdekt dat dit niveau te hoog is voor hem.

De vraag of twee gemeenschappelijke eerste jaren gunstiger zijn dan twee volledig aparte

stromen, hangt dus af van de vraag hoe groot de onzekerheid over capaciteiten is aan

het begin van de opleiding en hoe groot de verschillen in het optimale curriculum zijn

tussen het programma voor sterkere en zwakkere leerlingen. Als de verschillen in een

adequaat programma voor zwakke en sterke leerlingen groot zijn, zijn de kosten van een

gemeenschappelijk programma ook hoog. Als er veel leerlingen zijn die niet weten in

welke programma ze thuishoren, zijn de baten van differentiatie echter klein.

Tabel 3: Curriculum met zowel een gemeenschappelijk als een gescheiden programma voor

de eerste twee jaren

Doelgroep

Curriculum

Jaar 1 Jaar 2 Jaar 3 Jaar 4

Hoog zeker Theorie Praktijk

Hoog onzeker Theorie Praktijk

Laag onzeker

Theorie

Praktijk

Praktijk

Laag zeker Theorie Praktijk

In de praktijk kunnen scholen ook in een gemeenschappelijk jaar differentiëren in de lesstof

die ze aanbieden aan leerlingen. Dit is echter geen oplossing van het geschetste dilemma,

omdat hiermee informeel weer aparte leerwegen worden ingevoerd. Afhankelijk

16 Onderwijsraad, november 2007


van de inschatting van de leraar, worden verschillende leerlingen in een klas impliciet ingedeeld

in de hoge en de lage stroom en zullen zij ook moeite krijgen om na de eerste

twee jaar nog van richting te veranderen.

Wel is het denkbaar om een programma te maken waarin de leerlingen aan het begin de

keuze hebben om naast een hoge of een lage stroom een gemeenschappelijke stroom te

volgen. Alleen voor leerlingen met twijfel over hun capaciteiten zal dit aantrekkelijk zijn.

Hierdoor kan het programma ook weer worden aangepast. De zwakste leerlingen zullen

niet in deze gemeenschappelijke stroom participeren, waardoor er meer theorie gegeven

kan worden en dus de doorstroom naar de hoge stroom makkelijker zal zijn. In principe

zouden ook de programma’s in de hoge en de lage stroom aangepast moeten worden

voor deze groep leerlingen. Een interessante vraag is of de verschillen tussen de twee

hoge en de twee lage stromen die nu ontstaan klein genoeg zijn om geen onderscheid te

hoeven maken. Als dit wel nodig is, ontstaat per saldo een derde niveau in het onderwijssysteem.

In een systeem met meer lagen zal doorstromen naar boven of beneden

makkelijker zijn, omdat de verschillen kleiner zijn, maar de vraag is of verdere differentiatie

logistiek niet te complex is. Ook is de vraag hoe de instroom zal reageren op deze

keuze tussen onmiddellijke specialisatie en een algemeen begin. De algemene opleiding

biedt een soort verzekeringspolis. Onzekerheid over de capaciteiten van de leerling kan

worden ingedekt, maar de prijs is een iets lager eindresultaat, ongeacht de stroom waarin

men uiteindelijk uitkomt. Als leerlingen en hun ouders niet voldoende risico-avers zijn,

zal de belangstelling hiervoor gering zijn. Ook bestaat het gevaar van screening-effecten.

Een leerling die via het algemene deel doorstroomt naar de hoge stroom, geeft bij

toekomstige werkgevers aan dat hij aanvankelijk twijfelde over zijn capaciteiten en kan

daardoor op de arbeidsmarkt mogelijk lager worden gewaardeerd dan degene die onmiddellijk

de hoge stroom is gaan volgen.

Breed of smal opleiden?

17


3 De schoolloopbaan tijdens vbo/mavo/vmbo

De overgang van het onderwijssysteem met een scheiding tussen mavo en vbo naar het

nieuwe vmbo met aparte leerwegen vanaf het derde leerjaar, kan gezien worden als een

verandering van een systeem waarbij in de eerste jaren twee niveaus worden onderscheiden

naar een systeem waarbij leerlingen van beide niveaus de eerste jaren een gezamenlijk

curriculum hebben. In de praktijk komt het regelmatig voor dat scholen hun klassen

indelen in groepen die waarschijnlijk doorstromen naar de tl en klassen die waarschijnlijk

de bl of kl gaan volgen. Omdat beide opties voor beide groepen open moeten blijven

en ook het curriculum voor beide groepen in principe gelijk is, zal dit onderscheid veel

minder bepalend zijn dan in het oude systeem. Bij de analyses zullen de leerlingen uit

het vbo (tot 2002) vergeleken worden met de leerlingen van de kl en de bl.

Totalen

Figuur 1 geeft de absolute leerlingenaantallen weer van het vbo, en vmbo-kl en vmbo-bl

samen.

Figuur 1: Totaal aantal leerlingen in het vbo en het vmbo-kl/bl, leerjaar 3 en 4, 1996-2004

18 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 1 laat een lichte stijging zien bij de overgang van het oude vbo naar het nieuwe

vmbo. Deze stijging is in overeenkomst met de verwachting van het theoretisch kader.

Een gezamenlijk begin van een opleiding maakt het moeilijker voor leerlingen op de

grens tussen beide niveaus om naar de hogere leerweg door te stromen. Zo stijgt het

aantal leerlingen in het derde leerjaar bij de overgang tussen 2001 en 2002 van 48.000

tot 51.500. Ook bij de leerlingen van het vierde leerjaar vindt er een lichte stijging

plaats: van ruim 43.000 tot bijna 45.000 leerlingen. Deze stijging van ongeveer 5% is wel

minder dan bij leerjaar 3. Na 2002 neemt de belangstelling voor de praktische leerwegen

weer af tot 45.000 leerlingen. Dit past in de dalende trend voor vbo-deelname die ook

voor 2001 waarneembaar was, maar kan er ook op wijzen dat de aanvankelijke reactie

op de nieuwe situatie te sterk was en weer meer leerlingen de stap naar de tl durven te

zetten.

De leerlingen van het oude mavo worden vergeleken met de leerlingen van de tl en de gl

van het vmbo. Deze vergelijking wordt zichtbaar in figuur 2.

Figuur 2: Totaal aantal leerlingen in het mavo en het vmbo-tl/gl, leerjaar 3 en 4, 1996-2004

Figuur 2 laat zien dat voor de overgang van mavo naar vmbo-tl en vmbo-gl het tegenovergestelde

het geval is: het aantal leerlingen neemt licht af vanaf het jaar waarin de

eerste lichting van het vmbo-tl en vmbo-gl zit. Het aantal leerlingen van leerjaar 3 daalde

van bijna 52.000 tot ongeveer 49.000. Bij de leerlingen van het vierde leerjaar daalde

het aantal van bijna 52.000 tot 47.500. Hier is de daling iets sterker bij de leerlingen van

leerjaar 4.

Breed of smal opleiden?

19


De invoering van het vmbo heeft er dus aanvankelijk toe geleid dat er iets meer leerlingen

in de kl en bl zijn terechtgekomen en iets minder in de tl en gl. In oude termen heeft

er dus een lichte verschuiving plaatsgevonden van mavo naar vbo.

De gl neemt hierbij een bijzondere plaats in. In de berekeningen hebben we de gl meegerekend

met de tl. De gl is een variant met een iets grotere praktijkcomponent dan de tl

en daardoor wellicht geschikt voor leerlingen die twijfelen tussen de tl en de praktische

leerwegen. Uit de tabel blijkt dat een groot percentage van deze leerlingen na het derde

jaar alsnog doorstroomt naar de tl. Slecht een klein deel blijkt door te stromen naar de

praktische leerwegen.

Tabel 4: De doorstroom van leerlingen in de gemengde leerweg, leerjaar 3 (percentages)

Van Naar 2002 2003 2004

Vmbo-gl 3 Vmbo-gl 4 46,41 46,82 48,62

Vmbo-gl 3 Vmbo-tl 4 37,36 38,22 38,64

Vmbo-gl 3 Bbo 6,55 7,03 7,64

Vmbo-gl 3 Vmbo-gl 3 3,29 3,48 3,58

Vmbo-gl 3 Vmbo-kl 4 1,53 1,66 1,25

Vmbo-gl 3 Vmbo-kl 3 1,68 1,37 1,26

Vmbo-gl 3 Vmbo-tl 3 0,94 0,75 0,76

(bbo = buiten bekostigd onderwijs)

Een vroegtijdige selectie zoals in het Nederlandse onderwijs zorgt ervoor dat er fouten

kunnen worden gemaakt, omdat leerlingen dan keuzes moeten maken op een moment

waarop zij soms nog niet goed hun eigen capaciteiten en interesses kunnen inschatten.

Herstelmogelijkheden kunnen plaatsvinden door zittenblijven en tussentijdse afstroom in

het geval van een keuze die (aanvankelijk) te hoog gegrepen is, en tussentijdse opstroom

wanneer de keuze onder het niveau van de capaciteiten van de leerling blijkt te liggen.

Naast de indicatoren zittenblijven, tussentijdse afstroom en tussentijdse opstroom, zullen

er nog meer indicatoren van schoolloopbaanpatronen beschreven worden. Zo wordt

ook de ongediplomeerde uitstroom beschreven, een verschijnsel dat zeer ongewenst is,

omdat het Nederlandse onderwijs iedere leerling in ieder geval een startkwalificatie voor

de arbeidsmarkt wil verschaffen en het onzeker is of voortijdige schoolverlaters hun onderwijsloopbaan

weer zullen oppakken na ongediplomeerde uitstroom. Verder komt bevordering

naar het volgende leerjaar aan bod, als indicator van een ongestoorde schoolloopbaan.

Zittenblijven

Figuur 3 geeft het aantal zittenblijvers per leerjaar weer voor het oude vbo en het

nieuwe vmbo-kl en vmbo-bl.

20 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 3: Aandeel zittenblijvers per leerjaar, vbo en vmbo-kl/bl, 1996-2004

Het aandeel leerlingen van leerjaar 3 en leerjaar 4 dat blijft zitten is de afgelopen jaren

gedaald. Deze daling werd bij leerlingen van leerjaar 4 echter al ingezet voor de overgang

van vbo naar vmbo. Voor de leerlingen van het derde leerjaar bleef het aandeel tot

2000 min of meer constant, waarna het in 2001 flink steeg, van 6,7% tot 10,7%. Een

groot deel van de zittenblijvers van 2001 kwam door het zittenblijven in het nieuwe

vmbo terecht. Na de invoering van het vmbo daalde het aandeel zittenblijvers sterk tot

5%. Voor het vierde leerjaar daalde het aandeel zittenblijvers van 1996 tot aan de overgang

in 2002 van 3,8% tot 0,9%. Vooral tussen 2001 en 2002 daalde het aandeel relatief

sterk. Dit zou te maken kunnen hebben met het door scholen willen voorkomen van ‘bezemklassen’,

kleine klassen met leerlingen die nog in een oud systeem hun diploma moeten

halen. Mogelijk om dezelfde reden steeg het aandeel zittenblijvers in het derde leerjaar

fors in 2001. Leerlingen waarvan het onzeker was of zij zonder vertraging in het

oude systeem zouden slagen bleven zitten, maar vervolgden hun opleiding in het vmbo

in plaats van in het vbo. Na invoering van het vmbo is het aandeel zittenblijvers in leerjaar

4 weer iets gestegen, om een jaar later weer iets te dalen. Voor leerlingen van leerjaar

4 lijkt er geen effect te zijn van de invoering van het nieuwe vmbo, behalve voor het

laatste jaar leerlingen in het oude vbo. Een effect dat er wel is voor leerlingen van leerjaar

3.

Figuur 4 geeft ook het aandeel zittenblijvers weer voor leerlingen uit het oude mavo en

het nieuwe vmbo-tl en vmbo-gl.

Breed of smal opleiden?

21


Figuur 4: Aandeel zittenblijvers per leerjaar, mavo en vmbo-tl/gl, 1996-2004

Bij de leerlingen van het mavo steeg het aandeel zittenblijvers in het derde leerjaar van

9,5 tot 13%; in het vierde leerjaar daalde het aandeel licht van 7,3 tot 6,4%. Vervolgens

doet zich voor beide leerjaren een flinke daling voor na de invoering van het vmbo. Bij

leerlingen van leerjaar 3 van 13 tot 6,8%, bij leerlingen van leerjaar 4 van 6,4 tot 4,9%.

Mogelijk stappen leerlingen sinds de invoering van het vmbo vaker over naar een andere

(lagere) leerweg als alternatief voor zittenblijven.

Ongediplomeerde uitstroom

In figuur 5 wordt het percentage leerlingen weergegeven dat de vbo- dan wel vmbo-kl/

bl-opleiding ongediplomeerd verlaat. We laten bij de ongediplomeerde uitstroom de cijfers

van 1996 en 1997 buiten beschouwing, omdat deze waarschijnlijk minder betrouwbaar

zijn.

22 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 5: Aandeel leerlingen dat ongediplomeerd uitstroomt, per leerjaar, vbo en vmbokl/bl,

1998-2004

Figuur 5 laat zien dat de ongediplomeerde uitstroom uit het vbo tot 2001 redelijk constant

bleef. Daarna zet vanaf 2002 een sterke daling in. Voor de leerlingen van leerjaar 3

valt dit samen met de overgang naar het vmbo. Bij de leerlingen van het vierde leerjaar

zette deze daling al één jaar voor de overgang naar het vmbo in. Dit zou kunnen betekenen

dat een andere gebeurtenis dan de invoering van het vmbo de daling in 2001 deed

inzetten. Ook blijft het aandeel leerlingen dat ongediplomeerd uitstroomt uit het vmbokl/bl

dalen sinds 2001. De ongediplomeerde uitstroom is voor leerlingen uit beide leerjaren

bijna gehalveerd tussen 2001 en 2004 (van 5,7 naar 3% en van 4,3 naar 2,2%).

Vermoedelijk hangt dit samen met een interventie van het schoolbeleid om ongediplomeerde

uitstroom te verminderen.

Figuur 6 laat het aandeel leerlingen zien, dat ongediplomeerd het mavo of de tl en de gl

van het vmbo verlaat.

Breed of smal opleiden?

23


Figuur 6: Aandeel leerlingen dat ongediplomeerd uitstroomt, per leerjaar, mavo en vmbotl/gl,

1998-2004

Figuur 6 laat een behoorlijk constante ongediplomeerde uitstroom zien voor mavo-leerlingen.

Met nog geen 2% is de ongediplomeerde uitstroom veel geringer dan bij het vbo.

Bij de overgang van het oude mavo naar het nieuwe vmbo-tl/gl tussen 2001 en 2002

blijft het aandeel dat ongediplomeerd uitstroomt uit het derde jaar gelijk. Wel daalt het

aandeel licht bij de leerlingen van leerjaar 4 tussen 2003 en 2004, één jaar na de overgang

van mavo naar vmbo-tl/gl, van 2,5 tot 1,8%.

Bevordering volgend leerjaar

Figuur 7 geeft voor leerlingen van het derde leerjaar vbo en vmbo-kl/bl weer welk aandeel

bevorderd wordt naar het vierde leerjaar.

24 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 7: Aandeel leerlingen dat bevorderd wordt naar leerjaar 4, vbo en vmbo-kl/bl,

1996-2004

Figuur 7 laat tussen 1996 en 2001 weinig fluctuaties zien in het aandeel leerlingen dat

wordt bevorderd naar leerjaar 4. Ook na de overgang naar het vmbo is het aandeel min

of meer constant gebleven: van ruim 85 tot ongeveer 87%. Er is dus geen sprake van een

effect van de invoering van het vmbo op bevordering naar het volgende leerjaar.

Figuur 8 geeft voor mavo en vmbo-tl/gl het aandeel leerlingen dat naar het vierde leerjaar

bevorderd wordt.

Breed of smal opleiden?

25


Figuur 8: Aandeel leerlingen dat bevorderd wordt naar leerjaar 4, mavo en vmbo-tl/gl,

1996-2004

Gedurende de hele periode zijn er geen grote verschillen in het aandeel leerlingen dat

bevorderd wordt naar leerjaar 4. Tussen de 84 en 88% van de leerlingen wordt bevorderd

naar het volgend leerjaar tussen 1996 en 2004. Na de overgang naar vmbo-tl/gl

stijgt het aandeel eerst twee jaar, om vervolgens weer te dalen. De invoering van het

vmbo-tl/gl lijkt ondanks een lichte stijging weinig verschil uit te maken voor het aandeel

leerlingen dat bevorderd wordt naar leerjaar 4.

Tussentijdse opstroom

Tussentijdse opstroom wil hier zeggen: tussentijds, zonder diploma overstappen van vbo

of vmbo-kl/bl naar mavo of vmbo-tl/gl, of van mavo of vmbo-tl/gl naar havo. Het kan

dan gaan om een overstap naar hetzelfde leerjaar of naar een jaar hoger.

Figuur 9 laat de tussentijdse opstroom zien voor leerlingen afkomstig van vbo of vmbokl/bl.

Aangezien de tussentijdse opstroom van leerlingen uit leerjaar 4 nihil is, wordt

deze niet in de grafiek weergegeven.

26 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 9: Aandeel leerlingen dat tussentijds opstroomt van vbo of vmbo-kl/bl naar mavo

of vmbo-tl/gl, leerjaar 3, 1996-2004

Figuur 9 laat zien dat de tussentijdse opstroom van vbo naar mavo tussen 1996 en 2001

weinig voorstelde: tussen de 0,2 en de 0,4% van de leerlingen uit leerjaar 3. Ook na invoering

van het vmbo blijft het aandeel laag, rond de 0,5%.

Figuur 10 geeft de tussentijdse opstroom van mavo en vmbo-tl/gl naar havo weer.

Breed of smal opleiden?

27


Figuur 10: Aandeel leerlingen dat tussentijds opstroomt van mavo of vmbo-tl/gl naar havo,

per leerjaar, 1996-2004

Voor leerlingen van het derde jaar verandert er weinig tussen 1996 en 2004: er stromen

tussentijds nauwelijks leerlingen op naar havo. Zowel voor als na de invoering van het

vmbo doet slechts tussen de 0,2 en de 0,4% van de leerlingen dit. Ook leerlingen van het

vierde leerjaar maken maar zelden tussentijds de overstap naar het havo. Wel stijgt het

aandeel van deze leerlingen tussen 2002 en 2004 van 0,5 naar 1,7%. Na de overgang

naar vmbo-tl/gl is het aandeel leerlingen dat tussentijds doorstroomt wel toegenomen,

maar nog steeds laag.

Tussentijdse afstroom

Er zijn ook leerlingen die gedurende hun opleiding overstappen naar een lager niveau. In

dit geval gaat het om leerlingen die overstappen van mavo of vmbo-tl/gl naar vbo of

vmbo-kl/bl. In figuur 11 wordt het aandeel van deze leerlingen weergegeven. De afstroom

van leerlingen uit het vierde jaar is zo gering dat deze niet in de figuur wordt

weergegeven.

28 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 11: Aandeel leerlingen dat tussentijds afstroomt van mavo of vmbo-tl/gl naar vbo

of vmbo-kl/bl, leerjaar 3, 1996-2004

De tussentijdse afstroom van mavo naar vbo en vmbo-tl/gl is tussen 1996 en 2004 constant

gebleven. Met 2% is het aandeel dat dit doet zeer gering. Wel stapt een klein deel

van de leerlingen van vmbo-tl over naar vmbo-gl. Van een effect van de invoering van

het vmbo is geen sprake bij tussentijdse afstroom van mavo naar vbo.

Figuur 12 geeft de tussentijdse afstroom van havo naar mavo en vmbo-tl/gl weer. Er

wordt weer alleen een figuur van de leerlingen uit leerjaar 3 gegeven, aangezien de afstroom

van leerlingen uit leerjaar 4 zeer gering is.

Breed of smal opleiden?

29


Figuur 12: Aandeel leerlingen van havo naar mavo of vmbo-tl/gl, leerjaar 3, 1996-2004

In figuur 12 is te zien dat tussen 1996 en 2000 het aandeel leerlingen dat tussentijds afstroomde

van havo naar mavo, steeg van bijna 7 tot ruim 9%. Vanaf de overgang naar

vmbo-tl daalt dit aandeel echter tot ongeveer 6%. Havo-leerlingen stromen dus minder

vaak af sinds de overgang naar het vmbo. Er lijkt sprake te zijn van een substantieel effect.

Vanaf de eerste jaren dat het vmbo-tl bestaat is het aandeel van de tussentijdse afstroom

van havo naar vmbo-tl lager dan het de hele periode tot dan toe was geweest. De

oorzaak hiervan kan zijn dat de kloof tussen havo en vmbo-tl groter is geworden, doordat

de verschillen tussen de niveaus binnen het vmbo, in vergelijking met de oude mavovbo-situatie

kleiner zijn geworden.

30 Onderwijsraad, november 2007


4 De schoolloopbaan na vbo/mavo/vmbo

Na afronding van het vbo, mavo, of een van de leerwegen van het vmbo heeft een leerling

verschillende mogelijkheden voor een vervolgopleiding. De meest voor de hand liggende

vorm van vervolgopleiding is een bol-opleiding (beroepsopleidende leerweg) in

het mbo (middelbaar beroepsonderwijs), maar ook een bbl-opleiding (beroepsbegeleidende

leerweg) in het mbo of een havo-opleiding zijn veel gekozen vervolgtrajecten. Er

is ook een deel van de gediplomeerden dat besluit geen opleiding te gaan volgen, maar

al te gaan werken. In deze paragraaf komt eerst het totaal aantal gediplomeerden aan

bod, waarna de doorstroom naar havo, mbo/bol, mbo/bbl en de arbeidsmarkt aan bod

komt.

Figuur 13 geeft het totaal aantal gediplomeerden weer van leerlingen van vbo en vmbokl/bl

enerzijds en leerlingen van mavo en vmbo-tl/gl anderzijds.

Figuur 13: Totaal aantal gediplomeerden

Figuur 13 laat tussen 1996 en 2001 een licht dalende trend zien voor zowel gediplomeerden

van het vbo als van het mavo. In het laatste jaar van het oude vbo en mavo vindt er

nog een stijging plaats, mogelijk omdat er minder mogelijkheden zijn om een jaar later

Breed of smal opleiden?

31


alsnog een diploma te halen voor de opleiding die wordt beëindigd. Met de overgang

naar vmbo treedt er een trendbreuk op: vmbo-kl en vmbo-bl samen hebben meer gediplomeerden

dan het oude vbo, terwijl vmbo-tl en vmbo-gl juist ineens veel minder gediplomeerden

hebben dan het mavo. Overigens haalde ongeveer 700 leerlingen in 2003

nog een vbo-diploma. Wat in mindere mate al uit de leerlingentotalen bleek, komt dus

ook bij de aantallen gediplomeerden terug: een verschuiving van mavo naar vbo of beter

gezegd van tl en gl naar kl en bl.

Doorstroom naar havo

In figuur 14 wordt het aandeel gediplomeerden van het mavo en het vmbo-tl/gl dat doorstroomt

naar het havo weergegeven.

Figuur 14: Aandeel gediplomeerden dat doorstroomt van mavo en vmbo-tl/gl naar havo,

1996-2004

Figuur 14 laat zien dat de doorstroom van mavo-gediplomeerden naar het havo tussen

1998 en 2002 bijna is gehalveerd, van 18 naar 9,5%. Vooral tussen 1998 en 1999 daalde

het aandeel dat doorstroomde sterk. Vanaf het schooljaar 1998-1999 werd bij een derde

van de middelbare scholen de tweede fase met de profielen voor havo en vwo ingevoerd.

In 1999-2000 volgde de rest. Deze invoering kan een belangrijke factor zijn geweest

bij de sterk dalende doorstroom naar het havo tussen vooral 1998 en 2000. Na de

invoering van het vmbo steeg het aandeel gediplomeerden dat doorstroomde naar het

havo binnen twee jaar van 9,5 naar ruim 16%. De invoering van de ene stelselherziening

(het vmbo) heeft daarmee de negatieve effecten van de andere stelselherziening (de

tweede fase) tenietgedaan.

32 Onderwijsraad, november 2007


Ook de doorstroom van gediplomeerden van vbo en vmbo-kl/bl naar mavo en vmbo-tl/

gl is onderzocht. Deze is echter vrijwel nihil en wordt daarom niet in een grafiek weergegeven.

Doorstroom mbo-bol

De bol-opleiding van het mbo is een logische volgende stap in de onderwijsloopbaan

van veel gediplomeerden van vbo, mavo en vmbo. In figuur 15 wordt het aandeel gediplomeerden

van vbo en vmbo-kl/bl weergegeven dat doorstroomt naar een bol-opleiding

in het mbo.

Figuur 15: Aandeel gediplomeerden dat doorstroomt van vbo en vmbo-kl/bl naar mbo-bol,

1996-2004

Figuur 15 laat zien dat het aandeel gediplomeerden van vbo dat doorstroomde naar een

bol-opleiding tussen 1998 en 2002 licht steeg van 53 tot 58%. Na de overgang naar

vmbo-kl/bl steeg het aandeel licht verder naar 61%, om het jaar erop weer te dalen naar

59%. De invoer van het vmbo leidt dus niet duidelijk tot een verandering van het aandeel

gediplomeerden dat doorstroomt naar mbo-bol. De resultaten van RUBS (Registratie van

uitstroom en bestemming schoolverlaters) laten soortgelijke cijfers zien voor het aandeel

gediplomeerden dat naar een bol-opleiding in het mbo doorstroomt.

In figuur 16 wordt ook voor gediplomeerden van mavo dan wel vmbo-tl/gl het aandeel

dat doorstroomt naar een bol-opleiding weergegeven.

Breed of smal opleiden?

33


Figuur 16: Aandeel gediplomeerden dat doorstroomt van mavo en vmbo-tl/gl naar mbobol,

1996-2004

Bovenstaande figuur laat zien dat de doorstroom van mavo-gediplomeerden naar bol

vanaf 1998 tot 2002 redelijk constant is. Na invoering van het vmbo daalt dit aandeel

van 71 tot 68% om in 2004 weer te stijgen tot 72%. De resultaten van RUBS laten soortgelijke

cijfers zien voor het aandeel gediplomeerden dat naar een bol-opleiding in het

mbo doorstroomt.

Doordat er met de invoering van het vmbo een verschuiving in de leerlingenstroom heeft

plaatsgevonden van mavo/tl/gl naar vbo/kl/bl, is het interessant om ook te bekijken wat

het effect op de totale doorstroom naar de bol is geweest. Figuur 17 laat dit zien.

34 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 17: Aandeel gediplomeerden dat doorstroomt van vbo/mavo en vmbo naar mbo-bol,

1996-2004

Uit de cijfers in figuur 17 lijkt naar voren te komen dat ondanks een lagere instroom in

het vmbo-tl ongeveer evenveel leerlingen naar de bol gaan. In 2004 steeg de doorstroom

naar de bol weer licht, nadat deze in 2003 gelijkgebleven was. De invoering van het

vmbo lijkt weinig effect te hebben gehad op de doorstroom van gediplomeerden naar de

bol.

Doorstroom mbo-bbl

Naast de bol bestaat er in het mbo ook de bbl. Hierin werken leerlingen vier dagen in de

week bij een bedrijf en gaan ze één dag in de week naar school. In figuur 18 wordt het

aandeel gediplomeerden van zowel vbo en vmbo-kl/bl als mavo en vmbo-tl/gl weergegeven,

dat doorstroomt naar de bbl. Hiervoor hebben we gebruikgemaakt van RUBS-data,

aangezien de onderwijsmatrix de doorstroom naar bbl niet goed waarneemt. We benadrukken

dat het moment van waarneming bij de RUBS-data ongeveer 1 jaar later is dan

bij de onderwijsmatrix. Men mag daarom deze percentages niet zomaar optellen bij die

uit de vorige paragraaf.

Breed of smal opleiden?

35


Figuur 18: Aandeel gediplomeerden dat doorstroomt van vbo, mavo en vmbo naar mbo-bbl,

1996-2004 (uit RUBS, 1 jaar later gemeten)

In figuur 18 is te zien dat het aandeel gediplomeerden uit het vbo dat naar de bbl doorstroomt,

tussen 1996 en 2000 redelijk constant bleef, tussen de 15 en de 18%. Daarna

volgt een uitschieter in 2001, een stijging van 9 procentpunt. Daarna daalt het aandeel in

de volgende jaren weer tot 16%. Met de overgang naar vmbo vindt er wel een daling

plaats, maar deze daling was één jaar eerder al ingezet. Het lijkt aannemelijker dat het

aandeel gediplomeerden dat naar de bbl gaat, samenhangt met de conjunctuur. Krapte

op de arbeidsmarkt leidt immers tot meer bbl-plekken bij bedrijven.

Een veel kleiner aandeel van de mavo-gediplomeerden stroomt door naar de bbl. Tussen

1996 en 2000 stijgt dit aandeel van 5,5 tot 10%. Vervolgens daalt het vanaf 2001 tot

2003 weer tot het oude niveau. Er lijkt geen effect te zijn van de invoering van het

vmbo. Wederom vond de daling al plaats voor de overgang naar het vmbo.

Figuur 19 geeft een beeld van de totale doorstroom naar de bbl.

36 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 19: Aandeel gediplomeerden dat doorstroomt van vbo/mavo en vmbo naar mbo-bbl,

1996-2004 (uit RUBS, 1 jaar later gemeten)

De figuur laat zien dat het totale aandeel gediplomeerden uit vbo en mavo dat doorstroomt

naar de bbl, is gedaald na de invoering van het vmbo.

Uitstroom arbeidsmarkt zonder vervolgonderwijs

In figuur 20 wordt het aandeel gediplomeerden dat zonder vervolgonderwijs uitstroomt

naar de arbeidsmarkt, weergegeven voor vbo en vmbo-kl/bl en voor mavo en vmbo-tl/

gl. Dit zijn gediplomeerden die werken of werkloos zijn, maar geen vervolgonderwijs

volgen.

Breed of smal opleiden?

37


Figuur 20: Aandeel gediplomeerden dat uitstroomt naar de arbeidsmarkt zonder

vervolgonderwijs, vbo, mavo en vmbo, 1996-2004 (uit RUBS, 1 jaar later gemeten)

Tussen 1996 en 2000 was er een relatief groot deel vbo-gediplomeerden dat naar de arbeidsmarkt

uitstroomde zonder vervolgonderwijs, tussen de 27 en de 30%. Tussen 2000

en 2001 daalt het aandeel sterk, met 10 procentpunt. Daarna stijgt het aandeel weer

licht in 2002, om na de invoering van het vmbo eerst gelijk te blijven en vervolgens te

dalen tot onder de 20%. Veranderd beleid om gediplomeerden aan een startkwalificatie

te helpen en dus vaker te laten doorstromen naar vervolgonderwijs, zou een oorzaak

kunnen zijn voor de sterke daling sinds 2000.

Bij mavo-gediplomeerden steeg de uitstroom naar de arbeidsmarkt aanvankelijk. Tussen

1996 en 2001 nam het aandeel geleidelijk toe van 10 tot 14%. Daarna daalde het aandeel

tot 8 à 9% in de laatste drie jaren. Van een effect van de invoering van het vmbo lijkt

geen sprake te zijn.

Figuur 21 geeft een beeld van de uitstroom naar de arbeidsmarkt voor de totale groep.

38 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 21: Aandeel gediplomeerden dat uitstroomt naar de arbeidsmarkt zonder

vervolgonderwijs, vbo/mavo en vmbo, 1996-2004 (uit RUBS, 1 jaar later gemeten)

De figuur laat zien dat het aandeel dat uitstroomt naar de arbeidsmarkt zonder een vervolgopleiding

te gaan volgen voor de totale groep gedaald is vanaf de invoering van het

vmbo. Deze daling zette zich echter al in de jaren voorafgaand aan de invoering in.

Oordeel aansluiting opleiding met vervolgopleiding

In figuur 22 wordt voor gediplomeerden van vbo, mavo en vmbo weergegeven welk deel

de aansluiting tussen de vbo/mavo/vmbo-opleiding en de vervolgopleiding in het mbo

(bol) goed of redelijk vindt.

Breed of smal opleiden?

39


Figuur 22: Aandeel gediplomeerden dat de aansluiting met de vervolgopleiding (mbo-bol)

voldoende of goed vindt, vbo, mavo en vmbo, 1996-2004 (uit RUBS, 1 jaar later gemeten)

Figuur 22 laat eerst een daling tussen 1996 en 1999 zien. Het aandeel gediplomeerden

van vbo dat de aansluiting met de vervolgopleiding goed of redelijk vindt, daalt van 76

tot 70%. Tussen 1999 en 2001 stijgt het aandeel juist sterk, tot 89%, waarna het tussen

2002 en 2004 redelijk stabiel blijft, tussen de 82 en 84%. Van een effect van de invoering

van het vmbo lijkt geen sprake te zijn. In het eerste jaar daalt de tevredenheid onder

gediplomeerden over de aansluiting, waarna dit aandeel in 2004 weer iets stijgt. Het

golfpatroon lijkt eerder conjunctureel van aard te zijn.

Het aandeel gediplomeerden dat de aansluiting tussen mavo en mbo-bol voldoende of

goed vindt, heeft een soortgelijk verloop als bij het vbo en het vmbo-kl/bl. Tussen 1997

en 1999 daalt het aandeel van 80 tot 72%, om vervolgens tot en met 2002 sterk te stijgen

tot 90%. Sinds de invoering van het vmbo is het aandeel gediplomeerden dat de aansluiting

voldoende of goed vindt, weer gedaald tot 82%. Het lijkt er dus op dat na de invoering

van het vmbo de aansluiting enigszins verslechterd is. Om een goed oordeel te

kunnen geven of dit een structureel of tijdelijk probleem is, hebben we echter meer

meetjaren nodig.

In figuur 23 wordt dezelfde grafiek als in figuur 22 weergegeven, maar dan voor de aansluiting

met een bbl-opleiding in het mbo.

40 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 23: Aandeel gediplomeerden dat de aansluiting met de vervolgopleiding (mbo-bbl)

voldoende of goed vindt, vbo, mavo en vmbo, 1996-2004 (uit RUBS, 1 jaar later gemeten)

Figuur 23 laat een iets grilliger verloop zien dan bij de aansluiting met de bol. Voor vbogediplomeerden

fluctueerde het aandeel dat de aansluiting redelijk tot goed vond tussen

de 78 en de 70%. Daarna steeg het aandeel vrij sterk van 70 naar 92%. Na de invoering

van het vmbo daalde het aandeel gediplomeerden dat de aansluiting met de vervolgopleiding

voldoende of goed vond weer tot 79%.

De gediplomeerden van mavo en vmbo-tl/gl zijn tussen 1997 en 2003 minder vaak tevreden

over de aansluiting met hun vervolgopleiding in de bbl dan gediplomeerden van vbo

en vmbo-kl/bl. Na een flinke daling in 1998, van 76 tot 62%, steeg het aandeel vervolgens

tot 2002 naar 87%. In het jaar van de overgang naar vmbo-gediplomeerden daalde

het aandeel dat de aansluiting voldoende of goed vond eerst tot 82%, om het volgende

jaar redelijk stabiel te blijven met 83%. De aansluiting is dus bij zowel vbo als mavo na

de overgang naar vmbo iets minder vaak als voldoende of goed beoordeeld, het verschil

is bij de aansluiting met bbl echter kleiner. Wederom geldt hier dat we meer meetjaren

nodig hebben om te beoordelen of dit structureel is of tijdelijk.

Figuur 24 geeft een beeld van de tevredenheid met de aansluiting voor alle groepen gezamenlijk.

Breed of smal opleiden?

41


Figuur 24: Aandeel gediplomeerden dat de aansluiting met de vervolgopleiding (bol of bbl)

voldoende of goed vindt, vbo/mavo en vmbo, 1996-2004 (uit RUBS, 1 jaar later gemeten)

Per saldo blijkt dat gediplomeerden van alle groepen samen iets minder vaak tevreden

zijn over de aansluiting sinds de invoering van het vmbo.

Ongediplomeerde uitstroom vervolgopleiding

In het kader van de schoolloopbaanpatronen van leerlingen zijn we ook geïnteresseerd

in de ongediplomeerde uitstroom van de vervolgopleiding van gediplomeerden uit vbo,

mavo en vmbo. In RUBS wordt gediplomeerden 1,5 jaar na het afronden van de opleiding

niet alleen gevraagd of men een vervolgopleiding is gaan volgen en zo ja welke, maar

ook of men deze opleiding nog steeds volgt.

Figuur 25 geeft voor gediplomeerden van vbo en vmbo-kl/bl, maar ook van mavo en

vmbo-tl/gl, het aandeel weer dat een bol-opleiding is gaan volgen en daar binnen 1,5

jaar voortijdig mee is gestopt.

42 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 25: Aandeel gediplomeerden van vbo/mavo/vmbo dat de vervolgopleiding in mbobol

voortijdig heeft verlaten (binnen 1,5 jaar), 1996-2004

Tussen de 12 en 14% van de vbo-gediplomeerden die aan een mbo-bol-opleiding begonnen

zijn, verliet tussen 1996 en 1999 voortijdig deze gekozen vervolgopleiding. In 2000

daalde dit aandeel sterk tot 9% om de twee volgende jaren weer tot boven het niveau

van 1999 te stijgen. Na de overgang naar vmbo daalde dit aandeel ongediplomeerde uitstromers

van bijna 15 tot bijna 10%. Hoewel het aandeel in 2004 weer steeg tot 12%, zou

dit een aanwijzing kunnen zijn dat gediplomeerden van het vmbo-kl/bl een betere aansluiting

ondervinden tussen het vmbo en de mbo-bol-opleiding.

Voor de mavo-gediplomeerden steeg het aandeel dat voortijdig uitstroomde tussen 1996

en 2001, ondanks twee jaren van daling, waarna het aandeel sterk daalde van 16 naar

11% in 2002. Na de overgang naar vmbo daalde dit aandeel nog iets verder, tot 9 à 10%.

Het grootste deel van de daling vond echter een jaar voor de overgang naar het vmbo al

plaats.

Figuur 26 geeft ook voor gediplomeerden van vbo, mavo en vmbo het aandeel dat binnen

anderhalf jaar ongediplomeerd uit de vervolgopleiding stroomde, maar nu voor een

vervolgopleiding in de bbl.

Breed of smal opleiden?

43


Figuur 26: Aandeel gediplomeerden van vbo/mavo/vmbo dat de vervolgopleiding in mbobbl

voortijdig heeft verlaten (binnen 1,5 jaar), 1996-2004

Bij de gediplomeerden die kozen voor bbl als vervolgopleiding zijn de schommelingen

veel groter. Dit heeft ook te maken met de kleinere aantallen in de data. Het aandeel van

de vbo-gediplomeerden daalt de eerste twee jaar sterk, om vervolgens weer een jaar te

stijgen. In mindere sterke mate herhaalt deze trend zich tussen 2000 en 2003. Van een

effect van de invoering van het vmbo lijkt voor deze gediplomeerden geen sprake te

zijn.

Bij de mavo-gediplomeerden is een erg onstabiel verloop te zien in de figuur. Na een flinke

daling in 1998 verdriedubbelt het aandeel in 1999 bijna, om in de drie jaar daarna

weer te dalen tot ongeveer het niveau van 1998. De overgang naar vmbo brengt aanvankelijk

een nieuwe stijging met zich mee, maar in 2004 is deze weer tenietgedaan. Ook

hier lijkt er van een duidelijk effect van de invoering geen sprake te zijn.

Figuur 27 geeft wederom een beeld van het percentage voortijdige schoolverlaters uit de

vervolgopleiding voor de totale groep.

44 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 27: Aandeel gediplomeerden van vbo/mavo en vmbo dat de vervolgopleiding in

mbo-bol of bbl voortijdig heeft verlaten (binnen 1,5 jaar), 1996-2004

De figuur laat zien dat een kleiner aandeel van de totale groep gediplomeerden die een

bol- of bbl-opleiding zijn gaan volgen, deze opleiding voortijdig heeft verlaten. Het is

echter onduidelijk of er een verband is met de invoering van het vmbo, aangezien de daling

al eerder inzette en het verloop al jaren fluctueerde.

Breed of smal opleiden?

45


5 Conclusies

De invoering van het vmbo heeft geleid tot een lichte verschuiving van de leerlingenstroom

van mavo en tl/gl naar vbo en bl/kl. In verhouding gaan er iets meer leerlingen

naar vmbo-bl en -kl, terwijl er minder leerlingen naar vmbo-tl en -gl gaan. De oorzaak

hiervan is waarschijnlijk dat een gemeenschappelijk eerste deel van de opleiding weliswaar

de flexibiliteit van het systeem vergroot, maar ook de kwaliteit van de voorbereiding

voor de laatste twee jaren minder goed maakt. Leerlingen die qua capaciteiten op

de grens tussen de leerwegen zitten, halen hierdoor niet meer het niveau dat nodig is

voor de hogere leerweg. Een deel van de leerlingen volgt binnen het vmbo de gl, een variant

die in de oude mavo-vbo-structuur niet bestond. Hierdoor is het praktische element

ook toegenomen bij de groep die we in deze studie beschouwden als het equivalent van

mavo. Tussentijdse opstroom van mavo naar havo kwam bijna niet voor, maar komt bij

leerlingen van jaar 4 sinds de invoering van het vmbo wel sporadisch voor. Er zijn minder

zittenblijvers bij zowel vbo als mavo, al is deze afname ingezet nog voor de invoering

van het vmbo. De tussentijdse afstroom van havo naar mavo is flink afgenomen

sinds de invoering van het vmbo. Het aandeel leerlingen dat ongediplomeerd uitstroomde

is eveneens afgenomen. Dit is echter niet eenduidig gebeurd voor de verschillende

leerjaren en voor leerlingen van vbo en mavo. Een andere oorzaak voor de daling dan de

invoering van het vmbo is dus mogelijk.

Net als bij de leerlingen vond er ook bij de gediplomeerden een verschuiving van mavo

naar vbo plaats na de invoering van het vmbo, dus meer gediplomeerden van vmbo-kl

en vmbo-bl en minder van vmbo-gl en vmbo-tl. Na de invoering van de profielen in de

tweede fase voor havo daalde het aandeel gediplomeerden van mavo dat doorstroomde

naar havo fors. Met de invoering van het vmbo steeg dit aandeel weer tot ongeveer het

oude niveau. Er zijn geen substantiële veranderingen waarneembaar in de aansluiting

met het mbo sinds de invoering van het vmbo. Het aandeel leerlingen dat doorstroomt

van mavo en vmbo-tl/gl of vbo en vmbo-bl/kl naar bol en bbl is nauwelijks veranderd,

en ook de tevredenheid met de aansluiting lijkt niet veranderd te zijn door de introductie

ven het vmbo.

46 Onderwijsraad, november 2007


Afkortingen

bbl

bbo

bl

bol

gl

hbo

kl

mbo

RUBS

tl

vbo

vmbo

beroepsbegeleidende leerweg

buiten bekostigd onderwijs

basisberoepsgerichte leerweg

beroepsopleidende leerweg

gemengde leerweg

hoger beroepsonderwijs

kaderberoepsgerichte leerweg

middelbaar beroepsonderwijs

Registratie van uitstroom en bestemming schoolverlaters

theoretische leerweg

voorbereidend beroepsonderwijs

voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

Breed of smal opleiden?

47


Figurenlijst

Tabel 1: Optimaal curriculum voor leerlingen met een laag en hoog niveau 14

Tabel 2: Optimaal curriculum voor leerlingen met een laag en hoog niveau met een 15

gemeenschappelijk deel van twee jaren

Tabel 3: Curriculum met zowel een gemeenschappelijk als een gescheiden 16

programma voor de eerste twee jaren

Tabel 4: De doorstroom van leerlingen in de gemengde leerweg, leerjaar 3 20

(percentages)

Figuur 1: Totaal aantal leerlingen in het vbo en het vmbo-kl/bl, leerjaar 3 en 4, 18

1996-2004

Figuur 2: Totaal aantal leerlingen in het mavo en het vmbo-tl/gl, leerjaar 3 en 4, 19

1996-2004

Figuur 3: Aandeel zittenblijvers per leerjaar, vbo en vmbo-kl/bl, 1996-2004 21

Figuur 4: Aandeel zittenblijvers per leerjaar, mavo en vmbo-tl/gl, 1996-2004 22

Figuur 5: Aandeel leerlingen dat ongediplomeerd uitstroomt, per leerjaar, vbo en 23

vmbo-kl/bl, 1998-2004

Figuur 6: Aandeel leerlingen dat ongediplomeerd uitstroomt, per leerjaar, mavo en 24

vmbo-tl/gl, 1998-2004

Figuur 7: Aandeel leerlingen dat bevorderd wordt naar leerjaar 4, vbo en vmbo-kl/bl, 25

1996-2004

Figuur 8: Aandeel leerlingen dat bevorderd wordt naar leerjaar 4, mavo en vmbo-tl/gl, 26

1996-2004

Figuur 9: Aandeel leerlingen dat tussentijds opstroomt van vbo of vmbo-kl/bl naar 27

mavo of vmbo-tl/gl, leerjaar 3, 1996-2004

Figuur 10: Aandeel leerlingen dat tussentijds opstroomt van mavo of vmbo-tl/gl naar 28

havo, per leerjaar, 1996-2004

Figuur 11: Aandeel leerlingen dat tussentijds afstroomt van mavo of vmbo-tl/gl naar 29

vbo of vmbo-kl/bl, leerjaar 3, 1996-2004

Figuur 12: Aandeel leerlingen van havo naar mavo of vmbo-tl/gl, leerjaar 3, 1996-2004 30

Figuur 13: Totaal aantal gediplomeerden 31

Figuur 14: Aandeel gediplomeerden dat doorstroomt van mavo en vmbo-tl/gl naar 32

havo, 1996-2004

Figuur 15: Aandeel gediplomeerden dat doorstroomt van vbo en vmbo-kl/bl naar 33

mbo-bol, 1996-2004

Figuur 16: Aandeel gediplomeerden dat doorstroomt van mavo en vmbo-tl/gl naar 34

mbo-bol, 1996-2004

Figuur 17: Aandeel gediplomeerden dat doorstroomt van vbo/mavo en vmbo naar 35

mbo-bol, 1996-2004

Figuur 18: Aandeel gediplomeerden dat doorstroomt van vbo, mavo en vmbo naar 36

mbo-bbl, 1996-2004 (uit RUBS, 1 jaar later gemeten)

48 Onderwijsraad, november 2007


Figuur 19: Aandeel gediplomeerden dat doorstroomt van vbo/mavo en vmbo naar 37

mbo-bbl, 1996-2004 (uit RUBS, 1 jaar later gemeten)

Figuur 20: Aandeel gediplomeerden dat uitstroomt naar de arbeidsmarkt zonder 38

vervolgonderwijs, vbo, mavo en vmbo, 1996-2004 (uit RUBS, 1 jaar later

gemeten)

Figuur 21: Aandeel gediplomeerden dat uitstroomt naar de arbeidsmarkt zonder 39

vervolgonderwijs, vbo/mavo en vmbo, 1996-2004 (uit RUBS, 1 jaar later

gemeten)

Figuur 22: Aandeel gediplomeerden dat de aansluiting met de vervolgopleiding 40

(mbo-bol) voldoende of goed vindt, vbo, mavo en vmbo, 1996-2004

(uit RUBS, 1 jaar later gemeten)

Figuur 23: Aandeel gediplomeerden dat de aansluiting met de vervolgopleiding 41

(mbo-bbl) voldoende of goed vindt, vbo, mavo en vmbo, 1996-2004

(uit RUBS, 1 jaar later gemeten)

Figuur 24: Aandeel gediplomeerden dat de aansluiting met de vervolgopleiding 42

(bol of bbl) voldoende of goed vindt, vbo/mavo en vmbo, 1996-2004

(uit RUBS, 1 jaar later gemeten)

Figuur 25: Aandeel gediplomeerden van vbo/mavo/vmbo dat de vervolgopleiding 43

in mbo-bol voortijdig heeft verlaten (binnen 1,5 jaar), 1996-2004

Figuur 26: Aandeel gediplomeerden van vbo/mavo/vmbo dat de vervolgopleiding 44

in mbo-bbl voortijdig heeft verlaten (binnen 1,5 jaar), 1996-2004

Figuur 27: Aandeel gediplomeerden van vbo/mavo en vmbo dat de vervolgopleiding 45

in mbo-bol of bbl voortijdig heeft verlaten (binnen 1,5 jaar), 1996-2004

Breed of smal opleiden?

49


50 Onderwijsraad, november 2007


Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

H. Korpershoek

H. Kuyper

M.P.C. van der Werf

(GION, Groningen)

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

51


1 Inleiding

De doelstelling van dit rapport is inzicht verkrijgen in de gevolgen van de huidige programmastructuur

in het voortgezet onderwijs om aan de hand daarvan na te gaan of

herziening van deze structuur nodig is. Met de huidige programmastructuur wordt gedoeld

op het vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) met de daarbij behorende

leerwegen en sectoren, en op de tweede fase in het havo en vwo met de daarbij

behorende profielen. Er wordt een vergelijking gemaakt met de vroegere programmastructuur

van het ‘oude’ vbo (voorbereidend beroepsonderwijs), en mavo, havo en vwo

met de daarbij behorende afdelingen respectievelijk vakkenpakketten. De Onderwijsraad

heeft de volgende onderzoeksvragen geformuleerd:

• (A) Welke gevolgen heeft de invoering van de leerwegen in het vmbo gehad

voor de doorstroming naar mbo, havo en vwo?

• (B) Hoe verhoudt de nieuwe leerlijn vmbo-mbo-hbo zich tot de oude route

mavo-havo-hbo?

• (C) Is de optimale verhouding ook een relevante vraag voor de onderbouw van

havo/vwo?

• (D) Hoe zou qua aanbod de meest eenvoudige structuur eruit kunnen/moeten

zien?

• (E) Welke gevolgen heeft de invoering van de profielen in havo/vwo gehad voor

de doorstroming naar vwo, mbo, hbo en wo?

• (F) Wat waren de consequenties van de profielen voor de scholenstructuur en

met name de aanwezigheid van vwo-toppen op brede scholengemeenschappen?

• (G) Verschillen de effecten van de profielen voor het havo van de effecten voor

het vwo?

De eerste vier vragen hebben betrekking op het vmbo, de laatste drie vragen op het

havo/vwo. De onderzoeksvragen A, B, E en G worden op basis van VOCL-databestanden

(Voortgezet Onderwijs Cohort Leerlingen, uit respectievelijk 1993 en 1999) beantwoord.

Het VOCL’93-cohort betreft de oude programmastructuur en het VOCL’99-cohort betreft

de programmastructuur in het vmbo en de tweede fase. Voor een uitgebreide beschrijving

van het VOCL’93-cohort verwijzen we naar Hustinx, Kuyper, Van der Werf & Zijsling

(2005). Voor de beschrijving van het VOCL’99-bestand verwijzen we naar Kuyper & Van

der Werf (2003), Kuyper & Van der Werf (2005) en Zijsling, Kuyper, Lubbers & Van der

Werf (2005).

De onderzoeksvragen C, D en F zijn op basis van de VOCL-gegevens niet te beantwoorden.

In de conclusies zullen we proberen op basis van de resultaten van de vergelijkende

analyses, aangevuld met resultaten van een beperkte literatuurstudie, tot een voorzichtig

antwoord op deze vragen te komen.

Tot slot enkele opmerkingen over de manier van rapporteren. In dit rapport wordt gesproken

over onvertraagde leerlingen, vertraagde leerlingen en doubleurs. Onvertraagde

52 Onderwijsraad, november 2007


leerlingen zijn leerlingen die zonder vertraging in respectievelijk vmbo-4, havo-5 of vwo-

6 (dus in een eindexamenjaar) terecht zijn gekomen. Vertraagde leerlingen zijn leerlingen

met maximaal één jaar vertraging. Dit zijn dus leerlingen die voor de eerste keer in het

examenjaar zitten. Doubleurs zijn de leerlingen die twee keer in het examenjaar zitten.

Hierbij ook een korte opmerking over het rapporteren van percentages. Door afrondingen

kan het voorkomen dat rij- en/of kolomtotalen niet precies optellen tot 100%. Daarnaast

worden afrondingen gebaseerd op twee cijfers achter de komma. Het is dus mogelijk

dat 14,5% in de tabel in de tekst wordt afgerond naar 14%.

In hoofdstuk 2 bespreken we de resultaten voor het vmbo en in hoofdstuk 3 de resultaten

voor het havo en vwo. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op alternatieve verklaringen

voor de gevonden resultaten aan de hand van achtergrond- en instroomkenmerken van

de leerlingen (hoofdstuk 5). Tot slot proberen we in het hoofdstuk 6 (conclusies en nabeschouwing)

antwoord te geven op de onderzoeksvragen.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

53


2 Breed of smal opleiden in het vmbo

Vraagstellingen A en B betreffen de programmastructuur in het vmbo. In paragraaf 2.1

wordt kort ingegaan op de vergelijkbaarheid van VOCL’93 en VOCL’99. Paragraaf 2.2 bespreekt

de examenresultaten van de leerlingen en in paragraaf 2.3 wordt de doorstroom

naar het vervolgonderwijs besproken. Paragraaf 2.4 geeft een overzicht van de doorstroom

van het eerste jaar van het mbo (middelbaar beroepsonderwijs) naar het tweede

jaar van het mbo en de doorstroom van vmbo via havo of mbo naar het hbo (hoger beroepsonderwijs).

In paragraaf 2.5 wordt ingegaan op de voorkeur voor de verschillende

sectoren (en profielen) in het vmbo en de verschillende sectoren in het mbo. Tot slot

geeft paragraaf 2.6 een samenvatting van de resultaten.

2.1 Vergelijkbaarheid VOCL’93 en VOCL’99

De vergelijking tussen de twee cohorten wordt door twee zaken bemoeilijkt. Het eerste

punt betreft de verschillen in programmastructuur. In dit rapport wordt daarom een indeling

in vmbo-laag en vmbo-hoog gehanteerd. In VOCL’93 vallen de niveaus Ivbo en

vbo (respectievelijk lager voorbereidend beroepsonderwijs en voorbereidend beroepsonderwijs)

onder vmbo-laag, en vbo/mavo en mavo onder vmbo-hoog. In VOCL’99 vallen

de leerwegen praktijkonderwijs, lwoo (leerwegondersteunend onderwijs), bl (basisberoepsgerichte

leerweg) en kl (kaderberoepsgerichte leerweg) onder vmbo-laag en vallen

de leerwegen gl (gemengde leerweg) en tl (theoretische leerweg) onder vmbo-hoog. De

leerwegen praktijkonderwijs en lwoo worden door betrekkelijk weinig leerlingen gevolgd.

Aangezien de gemengde leerweg vrijwel gelijk is aan de theoretische leerweg,

waarbij één theorievak wordt vervangen door een praktijkvak, is deze leerweg tot vmbohoog

gerekend. In VOCL’99 is van 99 onvertraagde en van 98 vertraagde vmbo-leerlingen

niet bekend welke leerweg zij volgen. Deze leerlingen zijn dus niet in te delen in

vmbo-laag of vmbo-hoog. Deze leerlingen worden in dit rapport daarom buiten beschouwing

gelaten. Tabel 1 geeft een overzicht van de aantallen leerlingen in de groepen. Dit

betreft zowel de onvertraagde als de vertraagde leerlingen.

Tabel 1: Leerlingen in vmbo-laag en vmbo-hoog in VOCL’93 en VOCL’99 (aantallen)

VOCL’93

VOCL’99

Onvertraagd Vertraagd Onvertraagd Vertraagd

Vmbo-laag

Vmbo-hoog

Onbekend

6.032

4.877

0

1.571

1.029

0

5.010

4.932

99

659

873

98

Totaal 10.909 2.600 10.041 1.630

54 Onderwijsraad, november 2007


Het tweede punt waardoor de vergelijking tussen de cohorten wordt bemoeilijkt betreft

de uitsplitsing naar sector. De uitsplitsing naar sector kent twee problemen. Ten eerste

hebben in VOCL’93 de leerlingen in het Ivbo en vbo een afdeling gekozen in plaats van

een sector. Om een goede vergelijking te kunnen maken hebben we de afdelingen omgezet

in vier sectoren, namelijk techniek, zorg & welzijn, economie en landbouw. Deze sectoren

zijn vergelijkbaar met de sectoren in VOCL’99. Ten tweede hebben in VOCL’93 de

leerlingen in het mavo ook geen afdelingen gekozen maar vakkenpakketten. Deze vakkenpakketten

kunnen nauwelijks met de sectoren in de theoretische en gemengde leerwegen

in het vmbo in VOCL’99 vergeleken worden, omdat in VOCL’93 nog geen sectorgebonden

praktijkvakken gegeven worden. De vakkenpakketten van deze leerlingen zijn echter wel

in te delen in de profielen zoals gedefinieerd voor het havo (zie hoofdstuk 3). De examenresultaten

voor deze leerlingen zullen dus worden uitgesplitst naar profiel en niet naar

sector. Uiteraard hebben deze keuzes gevolgen voor de analyses en daarom wordt hieronder

voor de volledigheid een overzicht gegeven van de beschikbare gegevens.

In VOCL’93 vallen in het vierde cohortjaar 6.032 onvertraagde leerlingen binnen vmbolaag.

Van 160 van de 6.032 onvertraagde leerlingen (2,7%) is geen sector bekend en 116

leerlingen (1,9%) vallen binnen aparte afdelingen. Deze leerlingen zijn samengenomen in

de categorie overig. De overige 5.756 leerlingen vallen binnen de sectoren techniek, zorg

& welzijn, economie en landbouw. In het vijfde cohortjaar vallen 1.571 vertraagde leerlingen

binnen vmbo-laag. Van deze leerlingen is van 81 leerlingen (5,2%) geen sector bekend

en 37 leerlingen (2,4%) vallen binnen aparte afdelingen. Wederom zijn deze leerlingen

samengenomen in de categorie overig. De overige 1.453 leerlingen vallen binnen de

vier genoemde sectoren.

In VOCL’93 zitten 4.877 onvertraagde leerlingen en 1.029 vertraagde leerlingen in het

examenjaar in vmbo-hoog. Van de onvertraagde leerlingen zijn 2.348 leerlingen niet in

te delen in profielen of vallen binnen de verschillende combinatieprofielen (48,1%). Zij

vallen binnen de categorie overig. De overige 2.529 onvertraagde leerlingen vallen binnen

de profielen natuur & techniek, het gecombineerde natuurprofiel (als equivalent voor

natuur & gezondheid), economie & maatschappij, en cultuur & maatschappij. Van de vertraagde

leerlingen zijn 567 van de 1.029 leerlingen niet in te delen in profielen of vallen

binnen de verschillende combinatieprofielen (55,1%). Zij vallen binnen de categorie overig.

De overige 462 vertraagde leerlingen vallen binnen bovenstaande profielen.

In VOCL’99 zitten 5.010 onvertraagde en 659 vertraagde leerlingen in het examenjaar in

vmbo-laag. Van 1.269 van de 5.010 onvertraagde leerlingen is niet bekend welke sector zij

volgen (25,3%). Deze leerlingen zijn ondergebracht bij de categorie overig. De overige

3.741 leerlingen vallen binnen de vier bovengenoemde sectoren. Van de vertraagde leerlingen

is van 582 van de 659 leerlingen geen sector bekend (88,3%). Ook zij vallen onder de

categorie overig. De overige 77 leerlingen vallen binnen de vier bovengenoemde sectoren.

In VOCL’99 zitten 4.932 onvertraagde leerlingen en 873 vertraagde leerlingen in vmbohoog.

Van 1.887 van de 5.010 onvertraagde leerlingen is niet bekend welke sector zij

volgen (37,7%). Deze leerlingen zijn ondergebracht bij de categorie overig. De overige

3.047 leerlingen vallen binnen de vier bovengenoemde sectoren. Van de vertraagde leerlingen

is van 753 van de 873 leerlingen geen sector bekend (86,3%). Ook zij vallen onder

de categorie overig. De overige 120 leerlingen vallen binnen de vier bovengenoemde sectoren.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

55


2.2 Examenresultaten

In deze paragraaf worden de examenresultaten van de vmbo-leerlingen besproken. Eerst

wordt onderscheid gemaakt tussen onvertraagde en vertraagde leerlingen en vmbo-laagen

vmbo-hoog-leerlingen. Vervolgens wordt een uitsplitsing naar sector (of profiel) gemaakt.

Examenresultaten totaal

Eerst kijken we naar de leerlingen in vmbo-laag. Tabel 2 geeft een overzicht van de examenresultaten

van deze leerlingen, uitgesplitst naar onvertraagde en vertraagde leerlingen.

Kolommen 2 en 4 betreffen de resultaten voor VOCL’93 en kolommen 3 en 5 betreffen

de resultaten voor VOCL’99.

Tabel 2: Examenresultaten vmbo-laag (percentages en totalen)

Onvertraagde leerlingen Vertraagde leerlingen

1996/1997 2002/2003 1997/1998 2003/2004

Geen examen gedaan 2,7 18,3 5,2 18,4

Geslaagd 90,4 77,8 87,2 76,3

Afgewezen 6,9 3,9 7,6 4,9

Staatsexamen 0,0 0,0 0,0 0,5

N 6.032 5.010 1.571 659

In VOCL’93 is 90% van de onvertraagde leerlingen in één keer geslaagd, in VOCL’99 is dat

78%. In VOCL’93 is 87% van de vertraagde leerlingen in één keer geslaagd, in VOCL’99 is

dat 76%. In VOCL’99 ligt het aantal leerlingen dat geen examen heeft gedaan veel hoger

dan in VOCL’93. Dit geldt voor zowel de onvertraagde als de vertraagde leerlingen. Dit

blijkt niet te verklaren door leerlingen die de leerweg praktijkonderwijs volgen (en dus

meestal geen examen afleggen), want deze leerlingen komen in het examenjaar nauwelijks

meer voor. Als we enkel kijken naar de leerlingen die examen hebben gedaan (geslaagd

versus afgewezen), is het percentage geslaagde leerlingen juist gestegen van 93%

naar 95% (onvertraagde leerlingen). Tabel 3 geeft een overzicht van de resultaten voor

vmbo-hoog.

Tabel 3: Examenresultaten vmbo-hoog (percentages en totalen)

Onvertraagde leerlingen

Vertraagde leerlingen

1996/1997 2002/2003 1997/1998 2003/2004

Geen examen gedaan 2,1 21,6 4,6 7,4

Geslaagd 94,4 77,3 87,8 84,3

Afgewezen 3,5 1,1 7,7 8,0

Staatsexamen 0,0 0,0 0,0 0,2

N 4.877 4.932 1.029 873

In VOCL’93 is 94% van de onvertraagde leerlingen in één keer geslaagd, in VOCL’99 is dat

77%. In VOCL’93 is 88% van de vertraagde leerlingen in één keer geslaagd, in VOCL’99 is

56 Onderwijsraad, november 2007


dat 84%. Ook bij de vmbo-hoog-leerlingen ligt in VOCL’99 het aantal onvertraagde leerlingen

dat geen examen heeft gedaan veel hoger dan in VOCL’93. Voor de vmbo-hoogleerlingen

geldt dit alleen voor de onvertraagde leerlingen. Bij de vertraagde leerlingen

is het verschil miniem. Als we wederom enkel kijken naar de leerlingen die examen hebben

gedaan (geslaagd versus afgewezen), is het percentage geslaagde leerlingen juist gestegen

van 96% naar 99% (onvertraagde leerlingen).

Vergelijken we de vmbo-laag-leerlingen met de vmbo-hoog-leerlingen, dan blijkt dat in

VOCL’93 het percentage geslaagden bij de onvertraagde vmbo-hoog-leerlingen hoger ligt

dan bij de onvertraagde vmbo-laag-leerlingen (94% versus 90%). Voor VOCL’99 is er geen

verschil (77% versus 78%). Het percentage geslaagden bij de vertraagde vmbo-hoog-leerlingen

ligt juist in VOCL’99 hoger dan bij de vertraagde vmbo-laag-leerlingen (84% versus

76%). Voor VOCL’93 is er geen verschil (88% versus 87%).

Behalve onvertraagde en vertraagde leerlingen is een aantal leerlingen in het examenjaar

gedoubleerd. In VOCL’93 doubleren 888 leerlingen in de vierde klas, in VOCL’99 367 leerlingen.

Het aantal doubleurs is dus behoorlijk afgenomen. In de meeste gevallen is er

sprake van doubleren binnen hetzelfde klastype, maar ook afstroom naar een lager niveau

komt regelmatig voor.

Examenresultaten uitgesplitst naar sector of profiel

Bij de uitsplitsing naar sector of profiel worden de onvertraagde en vertraagde leerlingen

in vmbo-laag en vmbo-hoog apart besproken vanwege de veelheid aan informatie in de

tabellen. We kijken eerst naar de onvertraagde leerlingen in vmbo-laag. Tabel 4 geeft een

overzicht van de examenresultaten van deze leerlingen, uitgesplitst naar sector.

Tabel 4: Examenresultaten onvertraagde vmbo-laag leerlingen, uitgesplitst naar sector

(percentages)

Techniek Zorg &

welzijn

Economie Landbouw

Overig

Geen examen gedaan

VOCL’93 0,0 0,0 0,0 0,0 58,0

VOCL’99 0,0 0,0 0,0 0,0 72,1

Geslaagd

VOCL’93 92,3 95,6 89,5 93,6 36,6

VOCL’99 95,4 96,3 95,2 97,8 24,9

Afgewezen

VOCL’93 7,7 4,4 10,5 6,4 5,4

VOCL’99 4,6 3,7 4,8 2,2 3,0

Het percentage geslaagden is in VOCL’93 het laagst bij de sector economie. In VOCL’99

zijn de verschillen tussen de sectoren minimaal. De percentages geslaagden liggen in

VOCL’99 iets hoger dan in VOCL’93. Dit geldt vooral voor de leerlingen binnen de sector

economie, gevolgd door de sector landbouw en de sector techniek. Voor de categorie

overig is het percentage geslaagden in VOCL’99 veel lager dan in VOCL’93. De meeste

leerlingen waarvan geen sector bekend is, hebben geen examen gedaan. Vervolgens kij-

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

57


ken we naar de onvertraagde vmbo-hoog-leerlingen. De leerlingen uit VOCL’93 zijn in tabel

5 uitgesplitst naar profiel. De leerlingen uit VOCL’99 zijn in tabel 6 uitgesplitst naar

sector.

Tabel 5: Examenresultaten onvertraagde vmbo-hoog-leerlingen VOCL’93, uitgesplitst naar

profiel (percentages en totalen)

N&t N&t/N&g E&m C&m Overig

Geen examen gedaan 0,0 0,0 0,0 0,0 4,3

Geslaagd 97,6 97,7 98,5 94,4 91,6

Afgewezen 2,4 2,3 1,5 5,6 4,0

N 628 1.021 331 549 2.348

Het percentage geslaagden varieerde van 92% tot 98%. Behalve bij de categorie overig

ligt het percentage geslaagden ook bij cultuur & maatschappij lager dan bij de andere

profielen (94% versus 98%).

Tabel 6: Examenresultaten onvertraagde vmbo-hoog-leerlingen VOCL’99, uitgesplitst naar

sector (percentages en totalen)

Techniek

Economie

Overig

Zorg &

welzijn

Landbouw

Geen examen gedaan 0,0 0,0 0,0 0,0 56,5

Geslaagd 98,9 99,2 99,2 98,8 42,0

Afgewezen 1,1 0,8 0,8 1,2 1,4

N 663 1.039 1.263 82 1.887

Bijna alle leerlingen zijn geslaagd. Het percentage geslaagden ligt in elke sector op 99%.

De meeste leerlingen waarvan geen sector bekend is, hebben geen examen gedaan.

Vervolgens kijken we naar de vertraagde leerlingen. Wederom geven we eerst een overzicht

van de leerlingen in vmbo-laag en vervolgens een overzicht van de leerlingen in

vmbo-hoog. Tabel 7 beschrijft de examenresultaten voor de vertraagde vmbo-laag-leerlingen.

58 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 7: Examenresultaten vertraagde vmbo-laag-leerlingen, uitgesplitst naar sector

(percentages)

Techniek Zorg &

welzijn

Economie Landbouw

Overig

Geen examen gedaan

VOCL’93 0,0 0,0 0,0 0,0 68,6

VOCL’99 0,0 5,0 4,5 0,0 20,4

Geslaagd

VOCL’93 91,3 93,2 90,2 100,0 31,4

VOCL’99 88,2 85,0 95,5 100,0 74,6

Afgewezen

VOCL’93 8,7 6,8 9,8 0,0 0,0

VOCL’99 11,8 10,0 0,0 0,0 4,5

Staatsexamen VOCL’99 0,0 0,0 0,0 0,0 0,5

In VOCL’93 hebben 41 vertraagde leerlingen gekozen voor de sector landbouw. In

VOCL’99 is dat slechts 1 vertraagde leerling. Deze leerlingen zijn allemaal geslaagd. Kijken

we naar de andere sectoren, dan zien we een aantal verschillen. In VOCL’93 is het

percentage geslaagden in de sector economie het laagst en in zorg & welzijn het hoogst

(respectievelijk 90% en 93%). In VOCL’99 is het percentage geslaagden in de sector economie

juist het hoogst (95%) en in zorg & welzijn het laagst (85%). Daarnaast zijn in

VOCL’99 meer leerlingen uit de categorie overig geslaagd dan in VOCL’93. In VOCL’93

doen de meeste van deze leerlingen geen examen. Tabel 8 beschrijft de examenresultaten

van de vertraagde vmbo-hoog-leerlingen uit VOCL’93, uitgesplitst naar profiel. Tabel

9 beschrijft de examenresultaten van de vertraagde vmbo-hoog-leerlingen uit VOCL’99,

uitgesplitst naar sector.

Tabel 8: Examenresultaten vmbo-hoog-leerlingen VOCL’93, uitgesplitst naar profiel

(percentages en totalen)

N&t N&t/N&g E&m C&m Overig

Geen examen gedaan 0,0 0,0 0,0 0,0 8,3

Geslaagd 88,3 88,3 97,6 90,9 85,2

Afgewezen 11,7 11,7 2,4 9,1 6,5

N 103 120 85 154 567

Het percentage geslaagden varieert van 85% tot 98%. De categorie overig heeft het laagste

percentage geslaagden (85%). De leerlingen die binnen het profiel economie & maatschappij

vallen, hebben het hoogste percentage geslaagden (98%).

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

59


Tabel 9: Examenresultaten vmbo-hoog-leerlingen VOCL’99, uitgesplitst naar sector

(percentages en totalen)

Techniek Zorg &

welzijn

Economie Landbouw

Overig

Geen examen gedaan 0,0 3,1 1,7 0,0 8,4

Geslaagd 96,6 78,1 79,7 0,0 84,5

Afgewezen 3,4 18,8 18,6 0,0 6,9

Staatsexamen 0,0 0,0 0,0 0,0 0,3

N 29 32 59 0 753

Van de meeste leerlingen is geen sector bekend. Vanwege de lage leerlingaantallen in de

overige kolommen kunnen uit deze resultaten geen zinvolle conclusies worden getrokken.

Doorstroom naar het vervolgonderwijs

In deze paragraaf wordt de doorstroom naar het vervolgonderwijs besproken. Eerst gaan

we in op de doorstroom van de gediplomeerde vmbo-leerlingen. Hierbij wordt eerst gekeken

naar de totale doorstroom en vervolgens naar de doorstroom uitgesplitst naar

sector (of profiel). Vervolgens gaan we in op de doorstroom van de ongediplomeerde

vmbo-leerlingen.

Doorstroom gediplomeerde vmbo-leerlingen totaal

Eerst bekijken we de doorstroom van de onvertraagde vmbo-leerlingen en vervolgens de

doorstroom van de vertraagde vmbo-leerlingen. In tabel 10 en verderop in de tekst worden

de twee laagste niveaus binnen het mbo als 1/2 aangeduid en de twee hoogste niveaus

als 3/4. Tabel 10 geeft een overzicht van de doorstroom van zowel de onvertraagde

vmbo-laag-leerlingen als de onvertraagde vmbo-hoog-leerlingen.

60 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 10: Doorstroom onvertraagde vmbo-leerlingen met diploma (percentages en totalen)

Vmbo-laag

Vmbo-hoog

VOCL’93 VOCL’99 VOCL’93 VOCL’99

Van vmbo naar:

Vertrokken 44,3 38,0 13,6 19,5

Mbo-techniek niveau 1/2 2,0 7,7 0,3 1,3

Mbo-techniek niveau 3/4 11,2 12,4 18,5 14,6

Mbo-economie niveau 1/2 3,7 6,6 0,6 1,2

Mbo-economie niveau 3/4 10,0 8,5 23,0 20,0

Mbo-zorg & welzijn niveau 1/2 0,0 0,3 0,0 0,1

Mbo-zorg & welzijn niveau 3/4 19,5 24,8 26,2 29,0

Mbo-landbouw niveau 1/2 0,1 0,6 0,1 0,1

Mbo-landbouw niveau 3/4 0,5 0,5 0,1 0,2

Vmbo (doubleurs) 8,6 0,3 0,7 0,3

Havo


Tabel 11: Doorstroom vertraagde vmbo-leerlingen met diploma (percentages en totalen)

Vmbo-laag

Vmbo-hoog

VOCL’93 VOCL’99 VOCL’93 VOCL’99

Van vmbo naar:

Vertrokken 64,9 17,9 29,8 14,4

Mbo-techniek niveau 1/2 1,3 15,7 0,0 2,7

Mbo-techniek niveau 3/4 10,7 8,7 14,2 11,7

Mbo-economie niveau 1/2 1,6 16,1 0,7 4,1

Mbo-economie niveau 3/4 9,5 14,3 27,4 29,9

Mbo-zorg & welzijn niveau 1/2 0,0 0,2 0,0 0,0

Mbo-zorg & welzijn niveau 3/4 10,4 23,5 20,9 26,6

Mbo-landbouw niveau 1/2 0,1 1,8 0,0 0,3

Mbo-landbouw niveau 3/4 0,4 0,4 0,0 0,3

Vmbo (doubleurs) 1,2 0,4 0,1 1,9

Havo 0,0 0,0 6,9 6,8

Vwo 0,0 0,0 0,0 0,0

Hbo 0,0 0,0 0,0 0,0

Vso 0,0 0,0 0,1 0,0

Onbekend 0,0 1,0 0,0 1,4

N 1.370 503 903 736

Bij de vertraagden is het percentage vertrokken vmbo-laag-leerlingen enorm gedaald

sinds VOCL’93. Dit geldt ook voor de vmbo-hoog-leerlingen, maar in veel mindere mate.

Wederom betreft het hier ‘cohortverlaters’ en niet per se ‘schoolverlaters’. Kijken we naar

de vmbo-laag-leerlingen, dan vallen de volgende zaken op. Het percentage leerlingen dat

mbo-techniek niveau 1/2 heeft gekozen is gestegen, evenals het percentage leerlingen

dat mbo-economie heeft gekozen (beide niveaus) en het percentage leerlingen dat mbozorg

& welzijn niveau 3/4 heeft gekozen. Deze stijgingen zijn uiteraard grotendeels toe

te schrijven aan het hoge percentage cohortverlaters in VOCL’93. De keuzes van de

vmbo-hoog-leerlingen verschillen nauwelijks tussen VOCL’93 en VOCL’99.

Doorstroom gediplomeerde vmbo-leerlingen uitgesplitst naar sector of profiel

Vervolgens splitsen we de doorstroom van de gediplomeerde vmbo-leerlingen uit naar

sector (of profiel). Voor VOCL’93 resulteert dat in 5.454 vmbo-laag-leerlingen en 4.604

vmbo-hoog-leerlingen. Voor VOCL’99 resulteert dat in 3.901 vmbo-laag-leerlingen en

3.812 vmbo-hoog-leerlingen (inclusief 2 leerlingen met 2 sectoren). Aangezien van heel

weinig vertraagde leerlingen een sector bekend is, bespreken we alleen de resultaten

voor de onvertraagde leerlingen. Als eerste kijken we naar de vmbo-laag-leerlingen.

Deze resultaten zijn voor VOCL’93 en VOCL’99 vergelijkbaar. Vanwege de grootte van de

volgende tabellen zijn deze opgenomen in de bijlagen van dit rapport.

Tabel 43 geeft een overzicht van de doorstroom van de onvertraagde vmbo-laag-leerlingen,

uitgesplitst naar sector. Alvorens te kijken naar de procentuele verschillen, dient opgemerkt

te worden dat de percentages uit het cohort vertrokken leerlingen hoog zijn en

daardoor een vertekening van de gegevens kunnen veroorzaken. Deze percentages variëren

van 26% tot 68%. In VOCL’93 liggen de percentages cohortverlaters met name hoog

62 Onderwijsraad, november 2007


in de vmbo-sector techniek en de categorie overig. In VOCL’99 geldt dit enkel voor de categorie

overig. Bovendien zijn de verschillen tussen VOCL’93 en VOCL’99 vrij groot. Vervolgens

kijken we naar de grijze blokken. Dit is de doorstroom vanuit een vmbo-sector

naar de corresponderende mbo-sector. De correspondentie voor de sector techniek (beide

niveaus) is voor VOCL’93 25% en voor VOCL’99 51%. Dit verschil is deels te verklaren

door het hoge percentage cohortverlaters in VOCL’93. Bovendien is 15% van de leerlingen

met een vmbo-sector techniek doorgestroomd naar ‘overige’ richtingen. Desondanks is

de correspondentie duidelijk gestegen; met name de keuze voor mbo-techniek niveau

1/2 is toegenomen. De correspondentie voor de sector economie is voor VOCL’93 55% en

voor VOCL’99 40% en is daarmee gedaald. Dit geldt echter alleen voor niveau 3/4. De

keuze voor niveau 1/2 is daarentegen licht gestegen. De correspondentie voor de sector

zorg & welzijn is voor VOCL’93 47% en voor VOCL’99 51%. Dit is slechts een klein verschil.

De correspondentie voor de sector landbouw is voor VOCL’93 16% en voor VOCL’99

24% en is dus licht gestegen. Dit geldt voornamelijk voor niveau 1/2. Het is opvallend dat

lang niet alle leerlingen kiezen voor de corresponderende mbo-sector. Dit is met name

het geval bij leerlingen met het vmbo-profiel landbouw en economie. Behalve de corresponderende

mbo-sector kiezen deze leerlingen relatief vaak voor de mbo-sector zorg &

welzijn. Bij de leerlingen met de vmbo-sector landbouw is de doorstroom naar de mbosector

zorg & welzijn zelfs groter dan de doorstroom naar de corresponderende sector.

Vervolgens kijken we naar de doorstroom van de vmbo-hoog-leerlingen uit VOCL’99, uitgesplitst

naar sectoren. Tabel 44 (zie bijlage) geeft een overzicht. Ook hier kijken we in hoeverre

de vmbo-sector correspondeert met de mbo-sector. De correspondentie voor de sector

techniek is 47%, voor de sector economie 39%, voor de sector zorg & welzijn 59% en

voor de sector landbouw 5%. Wederom is het zeer opvallend dat leerlingen met de vmbosector

landbouw voornamelijk kiezen voor de mbo-sector zorg & welzijn. Kijken we naar de

doorstroom naar het havo, dan zien we dat de leerlingen uit de categorie overig het vaakst

naar het havo doorstromen, gevolgd door de leerlingen met de vmbo-sectoren economie en

techniek. De doorstroom vanuit de sectoren zorg & welzijn en landbouw ligt wat lager.

Tot slot kijken we naar de doorstroom van de vmbo-hoog-leerlingen uit VOCL’93, uitgesplitst

naar profielen. Tabel 45 (zie bijlage) laat de resultaten zien. Eerst kijken we naar de

enigszins corresponderende profielen/sectoren techniek en economie. Van de leerlingen

die binnen het profiel natuur & techniek vallen, is 54% doorgestroomd naar mbo-techniek.

Van de leerlingen die binnen het profiel economie & maatschappij vallen, is slechts 27%

doorgestroomd naar mbo-economie. Daarnaast is 34% van deze leerlingen doorgestroomd

naar mbo-zorg & welzijn. Vervolgens kijken we naar de andere profielen. Van de

leerlingen die binnen het gecombineerde natuurprofiel vallen (natuur & gezondheid) is

bijna 37% doorgestroomd naar mbo-zorg & welzijn en is 21% doorgestroomd naar mbotechniek.

Van de leerlingen die binnen het profiel cultuur & maatschappij vallen is 41%

doorgestroomd naar mbo-economie en 27% naar mbo-zorg & welzijn. Kijken we naar de

doorstroom naar het havo, dan zien we dat relatief gezien meer leerlingen die binnen het

gecombineerde natuurprofiel vallen naar het havo doorstromen (21%). Dit geldt eveneens

voor de leerlingen die binnen de overige gecombineerde profielen vallen (19%). Bij de leerlingen

met de overige profielen ligt de doorstroom naar het havo op ongeveer 15%.

We gaan nog even dieper in op de doorstroom van gediplomeerde vmbo-hoog-leerlingen

naar het havo. In VOCL’93 zijn dit 775 leerlingen, in VOCL’99 515 leerlingen. Omdat lang

niet alle vmbo-hoog-leerlingen uit VOCL’93 ingedeeld kunnen worden in profielen, is de

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

63


aansluiting van het vmbo-profiel met het havo-profiel op basis van deze gegevens niet te

onderzoeken. Slechts van 1 leerling is een havo-profiel bekend. De overige 774 leerlingen

kunnen niet worden ingedeeld in profielen. De vmbo-hoog-leerlingen in VOCL’99 hebben

een sector gekozen. Deze sectoren zijn niet vergelijkbaar met de profielen in het havo,

maar bijvoorbeeld de sector economie zou aan moeten sluiten bij het profiel economie &

maatschappij. Tabel 12 geeft een overzicht van de resultaten voor VOCL’99. Leerlingen

die wel aan het havo begonnen zijn, maar gedurende het jaar vertrokken zijn of een andere

opleiding zijn gaan volgen, zijn ondergebracht bij de categorie overig. Eén leerling

uit VOCL’99 die is doorgestroomd naar het havo, volgt twee sectoren.

Tabel 12: Doorstroom gediplomeerde vmbo-hoog-leerlingen naar het havo, uitgesplitst

naar sector en profiel: VOCL’99 (percentages en totalen)

N&t N&g E&m C&m Overig N

Vmbo-techniek 9,2 2,3 2,3 1,1 85,1 87

Vmbo-economie 0,5 1,1 11,9 4,9 81,6 185

Vmbo-zorg & welzijn 0,0 5,0 5,9 11,9 77,2 101

Vmbo-landbouw 0,0 25,0 12,5 0,0 62,5 8

Overig 2,2 0,0 16,3 2,2 79,3 135

Totaal VOCL’99 2,3 2,1 10,3 4,9 80,4 515

Het zijn vooral leerlingen die binnen het vmbo-profiel economie vallen, die doorstromen

naar het havo. Het is heel opvallend dat 80% van de leerlingen die doorstroomde naar het

havo, al na 1 jaar niet meer op het havo zat. De aansluiting van het vmbo op het havo lijkt

erg problematisch te verlopen, al weten we van deze leerlingen niet zeker of het schoolverlaters

of enkel cohortverlaters betreft. De aansluiting op het profiel economie & maatschappij

verloopt het minst problematisch, maar ook daar lijkt de aansluiting zeer minimaal.

Doorstroom ongediplomeerde vmbo-leerlingen

We bespreken achtereenvolgens de doorstroom van ongediplomeerde vmbo-leerlingen

naar het mbo en de opstroom naar het havo en/of vwo. We kijken naar de opstroom ten

opzichte van het vorige klastype en we kijken naar de opstroom ten opzichte van het

basisschooladvies.

In VOCL’93 zijn in het tweede cohortjaar 6 leerlingen ongediplomeerd doorgestroomd

naar het mbo, in het derde cohortjaar 22 leerlingen, in het vierde cohortjaar 80 leerlingen

en in het vijfde cohortjaar 194 leerlingen. Tot slot zijn in het zesde cohortjaar 47

leerlingen ongediplomeerd naar het mbo doorgestroomd (in totaal 349 leerlingen). In

VOCL’99 zijn in het derde cohortjaar 7 leerlingen ongediplomeerd doorgestroomd naar

het mbo en in het vierde cohortjaar 126 leerlingen. In het vijfde cohortjaar waren dat 410

leerlingen en in het zesde cohortjaar 162 leerlingen (in totaal 705 leerlingen). De ongediplomeerde

doorstroom naar het mbo is dus duidelijk gestegen.

Vervolgens kijken we naar de opstroom van ongediplomeerde vmbo-leerlingen naar het

havo en/of vwo. In de kruistabellen wordt onderscheid gemaakt naar de oude klastypen. We

noemen enkel de klastypen waaruit leerlingen zijn opgestroomd, namelijk het Ivbo, het vbo,

het vbo/mavo en het mavo. In deze tabellen noemen we de leerlingenaantallen in plaats van

percentages. In tabel 13 is gekeken naar de opstroom van cohortjaar 1 naar cohortjaar 2.

64 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 13: Opstroom vmbo naar havo en/of vwo: cohortjaar 1 x cohortjaar 2 (aantallen)

Klastype 2 e jaar

Havo Havo/vwo Vwo Totaal

Klastype 1 e jaar

Lvbo ’93 0 0 0 0

Lvbo ’99 0 2 0 2

Vbo ’93 2 1 0 3

Vbo ’99 2 4 1 7

Vbo/mavo ’93 12 7 2 21

Vbo/mavo ’99 19 28 1 48

Mavo ’93 35 20 2 57

Mavo ’99 44 20 2 66

Totaal ’93 49 28 4 81

Totaal ’99 65 54 4 123

Alle opgestroomde leerlingen zaten in het tweede cohortjaar in de tweede klas. Tabel 14

beschrijft de opstroom van cohortjaar 2 naar cohortjaar 3.

Tabel 14: Opstroom vmbo naar havo en/of vwo: cohortjaar 2 x cohortjaar 3 (aantallen)

Klastype 3 e jaar

Havo Havo/vwo Vwo Totaal

Klastype 2 e jaar

Lvbo ’93 0 0 0 0

Lvbo ’99 1 0 0 1

Vbo ’93 0 1 0 1

Vbo ’99 1 0 0 1

Vbo/mavo ’93 12 1 12 25

Vbo/mavo ’99 34 3 4 41

Mavo ’93 15 0 0 15

Mavo ’99 28 1 3 32

Totaal ’93 27 2 12 41

Totaal ’99 64 4 7 75

Niet alle opgestroomde leerlingen zaten in het derde cohortjaar in de derde klas. In

VOCL’93 zijn dat de volgende leerlingen. 1 van de 12 naar het vwo opgestroomde vbo/

mavo-leerlingen is opgestroomd naar vwo-2 in plaats van vwo-3. Daarnaast zijn 4 van de

15 naar het havo opgestroomde mavo-leerlingen opgestroomd naar havo-2 in plaats van

havo-3. In VOCL’99 zijn dat 2 van de 3 naar het havo/vwo opgestroomde vbo/mavo-leerlingen

die zijn opgestroomd naar havo/vwo-2 in plaats van havo/vwo-3. Daarnaast is

1 van de 3 naar het vwo opgestroomde mavo-leerlingen opgestroomd naar vwo-2 in

plaats van vwo-3. Tabel 15 beschrijft de opstroom van cohortjaar 3 naar cohortjaar 4.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

65


Tabel 15: Opstroom vmbo naar havo en/of vwo: cohortjaar 3 x cohortjaar 4 (aantallen)

Klastype 4 e jaar

Havo Havo/vwo Vwo Totaal

Klastype 3 e jaar

Lvbo ’93 0 0 0 0

Lvbo ’99 0 0 0 0

Vbo ’93 0 1 0 1

Vbo ’99 0 0 0 0

Vbo/mavo ’93 0 0 0 0

Vbo/mavo ’99 1 0 0 1

Mavo ’93 17 0 0 17

Mavo ’99 0 0 0 0

Totaal ’93 17 1 0 18

Totaal ’99 1 0 0 1

Ook in het vierde cohortjaar zijn niet alle leerlingen uit VOCL’93 opgestroomd naar het

vierde jaar. De enige vbo-leerling is opgestroomd naar havo/vwo-3. Daarnaast zijn 3 van

de 17 mavo-leerlingen opgestroomd naar havo-3. In VOCL’99 is slechts 1 leerling opgestroomd.

Deze vbo/mavo-leerling stroomde op naar havo-4. In tabel 16 wordt de opstroom

van cohortjaar 4 naar cohortjaar 5 besproken.

Tabel 16: Opstroom vmbo naar havo en/of vwo: cohortjaar 4 x cohortjaar 5 (aantallen)

Klastype 5 e jaar

Havo Havo/vwo Vwo Totaal

Klastype 4 e jaar

Lvbo ’93 0 0 0 0

Lvbo ’99 0 0 0 0

Vbo ’93 0 0 0 0

Vbo ’99 0 0 0 0

Vbo/mavo ’93 0 0 0 0

Vbo/mavo ’99 1 0 0 1

Mavo ’93 33 0 0 33

Mavo ’99 4 0 0 4

Totaal ’93 33 0 0 33

Totaal ’99 5 0 0 5

Alle 33 leerlingen uit VOCL’93 en de 5 leerlingen uit VOCL’99 zijn in het vijfde cohortjaar

opgestroomd naar havo-4.

Samenvattend kunnen we stellen dat in beide cohorten de opstroom vanuit de eerste

klas vmbo naar de tweede klas havo of vwo 1,6% is. In VOCL’93 betreft de opstroom in

de overige leerjaren slechts enkele leerlingen. In VOCL’99 is de opstroom vanuit de tweede

klas van het vmbo naar de derde klas van het havo of vwo ongeveer 1%. Ook in

66 Onderwijsraad, november 2007


VOCL’99 is de overige opstroom verwaarloosbaar. Mogelijk biedt de huidige programmastructuur

(te) weinig mogelijkheden om opstroom naar het havo mogelijk te maken.

Tot slot kijken we naar de opstroom van ongediplomeerde vmbo-leerlingen ten opzichte

van het basisschooladvies. Hiervoor maken we gebruik van de onderwijspositie in het

vierde jaar. Tweejarig vertraagden worden buiten beschouwing gelaten (opstroom naar

havo-2). Van de leerlingen met een Ivbo- of Ivbo/vbo-advies is geen enkele leerling opgestroomd

naar het havo of vwo. Tabel 17 betreft dus alleen leerlingen met het advies vbo,

vbo/mavo en mavo. Het aantal leerlingen met het desbetreffende advies is tussen haakjes

opgenomen in kolom 1.

Tabel 17: Opstroom ongediplomeerde vmbo-leerlingen ten opzichte van advies (aantallen)

Havo Havo/vwo Vwo Totaal

3 e

klas

4 e

klas

3 e

klas

4 e

klas

3 e

klas

4 e

klas

Advies

Vbo ’93 (N=3.685) 0 6 1 0 0 0 7

Vbo ’99 (N=1.820) 1 0 0 0 0 1 2

Vbo/mavo ’93 (N=1.524) 1 15 1 0 0 1 18

Vbo/mavo ’99 (N=2.763) 23 101 0 0 0 8 132

Mavo ’93 (N=3.776) 29 335 1 0 3 48 416

Mavo ’99 (N=3.071) 44 269 0 0 0 36 349

Totaal ’93 (N=8.985) 30 356 3 0 3 49 442

Totaal ’99 (N=7.654) 68 370 0 0 0 45 483

Als we kijken naar de gegeven adviezen in VOCL’93 en VOCL’99, zien we dat in VOCL’99

veel meer vbo/mavo-adviezen worden gegeven en veel minder enkelvoudige vbo- en

mavo-adviezen. De totale opstroom ten opzichte van het advies naar havo en/of vwo in

VOCL’93 was 4,9%. In VOCL’99 is dat 6,3%. Slechts enkele leerlingen met het vbo-advies

zijn opgestroomd naar havo of vwo. In VOCL’93 zijn 15 leerlingen met het vbo/mavo-advies

opgestroomd naar havo-4. In VOCL’99 zijn dat maar liefst 101 leerlingen. Daarnaast

zijn in VOCL’99 ook nog 23 leerlingen met vbo/mavo-advies naar havo-3 opgestroomd.

De opstroom van leerlingen met een mavo-advies is vrij groot. In VOCL’93 zijn 335 leerlingen

met een mavo-advies opgestroomd naar havo-4 en in VOCL’99 269 leerlingen.

Daarnaast zijn respectievelijk 29 leerlingen en 44 leerlingen met een mavo-advies opgestroomd

naar havo-3. Tot slot zijn er in VOCL’93 48 leerlingen met een mavo-advies opgestroomd

naar vwo-4 en in VOCL’99 36 leerlingen. Samengevat kunnen we stellen dat

in VOCL’99 meer leerlingen met een vbo/mavo-advies naar het havo zijn opgestroomd

dan in VOCL’93 en dat juist minder leerlingen met een mavo-advies zijn doorgestroomd

naar het havo.

Doorstroom binnen mbo en via havo of mbo naar hbo

In deze paragraaf kijken we naar de doorstroom van het eerste jaar van het mbo naar

het tweede jaar van het mbo en daarna naar de doorstroom van vmbo via havo of mbo

naar het hbo.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

67


Eerst kijken we naar de doorstroom binnen het mbo. We hebben ervoor gekozen om alle

leerlingen die in het vijfde cohortjaar op het mbo zaten mee te nemen. Tabel 18 geeft

een overzicht van de doorstroom van het vijfde naar het zesde cohortjaar binnen het

mbo voor zowel VOCL’93 als VOCL’99.

Tabel 18: Doorstroom binnen mbo: cohortjaar 5 x cohortjaar 6 (percentages)

Zorg &

welzijn

Techniek

Economie

Landbouw

Vertrokken

Anders

Techniek ’93 (N=1.698) 83,7 2,7 1,0 0,4 11,8 0,4

Techniek ’99 (N=1.610) 76,5 12,7 1,9 0,3 7,6 1,0

Economie ’93 (N=1.965) 0,6 84,3 1,3 0,2 13,6 0,1

Economie ’99 (N=1.670) 3,7 84,3 3,2 0,4 7,4 1,1

Zorg & welzijn ’93

1,3 4,5 80,0 0,2 13,8 0,1

(N=2.204)

Zorg & welzijn ’99

2,0 6,9 81,5 0,6 8,3 0,7

(N=2.216)

Landbouw ’93 (N=275) 0,7 1,5 0,4 88,7 8,7 0,0

Landbouw ’99 (N=225) 1,8 1,3 2,7 91,1 2,2 0,9

Het aantal cohortverlaters is in VOCL’93 hoger dan in VOCL’99. Van de leerlingen die in

het vijfde cohortjaar in de sector techniek zitten, zit in VOCL’93 84% daar het volgende

jaar nog steeds. In VOCL’99 is dat percentage gedaald naar 76%. Daarentegen is in

VOCL’99 een aantal leerlingen doorgestroomd naar de sector economie (13%). In beide

cohorten is de doorstroom binnen de sector economie 84%. In VOCL’93 is de doorstroom

binnen de sector zorg & welzijn 80% en in VOCL’99 is dat 82%. Tot slot is de doorstroom

binnen de sector landbouw zeer licht gestegen van 89% naar 91%.

Vervolgens kijken we of het studiesucces afhankelijk is van de gekozen sector in het vmbo.

Studiesucces betekent dat de leerlingen in cohortjaar 5 en cohortjaar 6 dezelfde opleiding

(in het mbo) zijn blijven volgen. Aangezien slechts weinig leerlingen op het vmbo de sector

landbouw hebben gekozen, kunnen we van deze leerlingen alleen de doorstroom naar mbo

landbouw bekijken. Eerst kijken we naar mbo-techniek. De aansluiting tussen vmbo-techniek

en mbo-techniek is over het algemeen goed. Van deze leerlingen volgt 84,1% in beide cohortjaren

dezelfde opleiding. De aansluiting tussen vmbo-zorg & welzijn en vmbo-economie

en mbo-techniek verloopt een stuk minder succesvol. Respectievelijk 53,2% en 58,9% van

deze leerlingen volgt beide cohortjaren dezelfde opleiding. Vervolgens kijken we naar mboeconomie.

De aansluiting tussen vmbo-economie en mbo-economie is goed; voor 89,6% van

de leerlingen is de aansluiting succesvol. Ook vmbo-techniek en vmbo-zorg & welzijn sluiten

behoorlijk goed aan op mbo-economie; respectievelijk 74,4% en 77,6% van de leerlingen blijft

dezelfde opleiding volgen. Ook voor mbo-zorg & welzijn geldt dat de ‘logische’ vooropleiding

vmbo-zorg & welzijn de beste aansluiting geeft. Van deze leerlingen volgde 91,6% beide

cohortjaren dezelfde opleiding. De aansluiting tussen vmbo-techniek en mbo-zorg & welzijn

is echter vaak problematisch. Slechts 41,1% van de leerlingen bleef deze opleiding volgen.

Ook vmbo-economie sluit matig aan op mbo-zorg & welzijn; 65,7% zat beide cohortjaren op

dezelfde opleiding. Tot slot kijken we naar mbo-landbouw. De aansluiting tussen vmbolandbouw

en mbo-landbouw is goed; 94,8% volgde beide cohortjaren dezelfde opleiding.

68 Onderwijsraad, november 2007


Ook de andere vmbo-sectoren sluiten redelijk tot goed aan. Voor vmbo-techniek is het percentage

91,2%, voor vmbo-zorg & welzijn 87,9% en voor vmbo-economie 70,6%.

Uit bovenstaande kunnen we concluderen dat voor alle sectoren geldt dat de meest ‘logische’

vooropleiding de beste aansluiting op de mbo-sector is. Overigens is ook de aansluiting

tussen verschillende sectoren in het vmbo en mbo redelijk tot goed te noemen,

op drie uitzonderingen na. De aansluiting van vmbo-techniek op mbo-zorg & welzijn is

matig, evenals de aansluiting van vmbo-zorg & welzijn en vmbo-economie op mbotechniek.

Bovenstaande resultaten kunnen helaas niet vergeleken worden met VOCL’93,

aangezien van deze leerlingen profielen in plaats van sectoren bekend zijn.

Vervolgens kijken we naar de onvertraagde doorstroom van vmbo-leerlingen via het mbo

of havo naar het hbo. Dit betreft enkel de leerlingen met een vmbo-diploma. In VOCL’93

zijn 258 leerlingen van vbo/mavo via het havo doorgestroomd naar het hbo. Daarnaast

zijn 24 leerlingen via het mbo doorgestroomd naar het hbo en is 1 leerling via het vwo

doorgestroomd naar het wo. In VOCL’99 zijn 254 leerlingen van vmbo via het havo doorgestroomd

naar het hbo en is 1 leerling via het havo doorgestroomd naar het wo (wetenschappelijk

onderwijs). Daarnaast zijn 14 leerlingen via het mbo doorgestroomd naar het

hbo (en 2 naar het wo) en is 1 leerling via het vwo doorgestroomd naar het wo. De doorstroompercentages

zijn dus vergelijkbaar. De nieuwe leerlijn vmbo-mbo-hbo is vooralsnog

niet populairder geworden dan de oude mavo-havo-hbo-route. Hierbij dient te worden opgemerkt

dat dit pas echt goed geanalyseerd kan worden na minimaal acht cohortjaren.

Voorkeur voor sectoren en profielen

Om de voorkeur voor de sectoren in het vmbo goed te kunnen vergelijken, kijken we alleen

naar de onvertraagde leerlingen, aangezien het gaat om de eerste sectorkeuze die leerlingen

maken. Deze vergelijking is alleen mogelijk voor vmbo-laag-leerlingen, aangezien in VOCL’93

de vmbo-hoog-leerlingen niet binnen sectoren maar binnen profielen vallen. Voor de vmbohoog-leerlingen

is voor VOCL’99 de sectorkeuze opgenomen en voor VOCL’93 de profielen natuur

& techniek (min of meer vergelijkbaar met sector techniek) en economie & maatschappij

(min of meer vergelijkbaar met sector economie). Tabel 19 geeft een overzicht van de resultaten.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

69


Tabel 19: Voorkeur voor sectoren en profielen vmbo-leerlingen (percentages)

Sector Techniek Zorg &

welzijn

Economie Landbouw Overig

Vmbo-laag

VOCL’93 (N=6.032) 47 32 14 3 5

VOCL’99 (N=5.010) 27 28 17 2 25

Vmbo-hoog

VOCL’99 (N=4.932) 13 21 26 2 38

Profiel

Natuur &

techniek

Economie

& maatschappij

Overig

Vmb-hoog

VOCL’93 (N=4.877) 13 7 76

In VOCL’93 kiezen veel meer vmbo-laag-leerlingen de sector techniek dan in VOCL’99

(47% versus 27%). De verschillen bij de overige sectoren zijn niet zo groot. In VOCL’99 is

van veel meer vmbo-laag-leerlingen geen sector bekend (25% versus 5%), wat een deel

van de verschillen kan verklaren. De sector landbouw wordt in beide cohorten door zeer

weinig leerlingen gekozen (2 à 3%). Als we de voorkeur voor sectoren vergelijken tussen

vmbo-laag-leerlingen en vmbo-hoog-leerlingen in VOCL’99, dan zien we dat de vmbolaag-leerlingen

vaker kiezen voor de sector techniek (27% versus 13%) en de sector zorg

& welzijn (28% versus 21%) en minder vaak voor de sector economie (17% versus 26%)

dan de vmbo-hoog-leerlingen. Tot slot kijken we naar de voorkeur voor de profielen van

de vmbo-hoog-leerlingen uit VOCL’93 en vergelijken deze met de voorkeur voor sectoren

in VOCL’99. De keuze voor techniek is gelijk gebleven (13%) en de keuze voor economie

is gestegen (van 7% naar 26%). De voorkeur voor de andere profielen is niet vergelijkbaar

maar desondanks interessant. Van de vmbo-hoog-leerlingen uit VOCL’93 valt naast bovenstaande

profielen 21% binnen het gecombineerde natuurprofiel en 11% binnen het

profiel cultuur & maatschappij. De overige leerlingen vallen binnen combinaties van de

profielen (26%) of zijn niet in te delen in profielen (22%).

2.3 Samenvatting

In deze paragraaf geven we een uitgebreide samenvatting van de resultaten voor het

vmbo. In paragraaf 2.1 werd ingegaan op de vergelijkbaarheid van VOCL’93 en VOCL’99.

Vervolgens besprak paragraaf 2.2 de examenresultaten van de leerlingen en paragraaf

2.3 besprak de doorstroom naar het vervolgonderwijs. Paragraaf 2.4 gaf een overzicht

van de doorstroom van het eerste naar het tweede jaar van het mbo en de doorstroom

van vmbo via havo of mbo naar het hbo. Tot slot werd in paragraaf 2.5 ingegaan op de

voorkeur voor de verschillende sectoren en profielen.

Eerst vatten we de examenresultaten samen. De slaagpercentages liggen in VOCL’93 veel

hoger dan in VOCL’99. Dit kan grotendeels verklaard worden door het hoge percentage

leerlingen in VOCL’99 dat geen examen heeft gedaan. In grote lijnen geldt dit voor zowel

de onvertraagde als de vertraagde leerlingen en voor zowel de vmbo-laag-leerlingen als

70 Onderwijsraad, november 2007


de vmbo-hoog-leerlingen. Bij de onvertraagde vmbo-laag-leerlingen verschillen de slaagpercentages

niet veel per sector. In VOCL’93 is het slaagpercentage in de sector economie

iets lager dan in de andere sectoren. In VOCL’99 is het verschil tussen de sectoren

minimaal. Bij de onvertraagde vmbo-hoog-leerlingen liggen de slaagpercentages in

VOCL’93 in het profiel cultuur & maatschappij wat lager dan in de andere profielen. In

VOCL’99 zijn er nauwelijks verschillen tussen de sectoren. Ook bij de vertraagde vmbolaag-leerlingen

verschillen de slaagpercentages in VOCL’93 niet veel per sector. In

VOCL’99 is het percentage geslaagden in economie wat hoger. Bij de vertraagde vmbohoog-leerlingen

ligt het slaagpercentage in VOCL’93 in economie & maatschappij hoger

dan in de andere profielen. Helaas is van de meeste vertraagde vmbo-hoog-leerlingen uit

VOCL’99 geen sector bekend, waardoor zinvolle conclusies niet mogelijk zijn. Het aantal

doubleurs is tussen VOCL’93 en VOCL’99 gehalveerd.

De resultaten van de doorstroom van gediplomeerde vmbo-leerlingen kunnen we als

volgt samenvatten. Met name in VOCL’93 zijn er veel cohortverlaters. In VOCL’99 liggen

deze percentages veel lager. Daardoor is een vertekening van de gegevens mogelijk

(maar moeilijk vast te stellen). Bij de onvertraagde vmbo-laag-leerlingen valt het volgende

op. Het percentage leerlingen dat mbo-techniek niveau 1/2 heeft gekozen is gestegen.

Ook zien we een stijging voor mbo-zorg & welzijn niveau 3/4. Het percentage doubleurs

is behoorlijk afgenomen. Kijken we naar de onvertraagde vmbo-hoog-leerlingen,

dan zien we dat minder leerlingen hebben gekozen voor mbo-techniek niveau 3/4, economie

niveau 3/4 en dat minder leerlingen doorgestroomd zijn naar het havo. Daarentegen

hebben meer leerlingen gekozen voor mbo-zorg & welzijn niveau 3/4. Bij de vertraagde

vmbo-laag-leerlingen valt het volgende op. Het percentage leerlingen dat

mbo-techniek niveau 1/2 heeft gekozen is gestegen, evenals het percentage leerlingen

dat mbo-economie koos (beide niveaus) en het percentage leerlingen dat mbo-zorg &

welzijn niveau 3/4 koos. Deze stijgingen zijn uiteraard grotendeels toe te schrijven aan

het hoge percentage cohortverlaters in VOCL’93. De keuzes van de vertraagde vmbohoog-leerlingen

verschillen nauwelijks tussen VOCL’93 en VOCL’99.

Als we kijken naar de correspondentie tussen de vmbo-sector en de mbo-sector bij de

vmbo-laag-leerlingen, zien we het volgende. De correspondentie voor de sector techniek

(beide niveaus) is voor VOCL’93 25% en voor VOCL’99 51%. De correspondentie voor de

sector economie is voor VOCL’93 55% en voor VOCL’99 40%. De correspondentie voor de

sector zorg & welzijn is voor VOCL’93 47% en voor VOCL’99 51%. De correspondentie

voor de sector landbouw is voor VOCL’93 16% en voor VOCL’99 24%. Kortom: de correspondentie

voor de sectoren techniek, landbouw en zorg & welzijn is gestegen en de correspondentie

voor de sector economie is gedaald. Het is opvallend dat lang niet alle leerlingen

kiezen voor de corresponderende mbo-sector. Dit is met name het geval bij

leerlingen met het vmbo-profiel landbouw en economie. Behalve de corresponderende

mbo-sector kiezen deze leerlingen relatief vaak voor de mbo-sector zorg & welzijn. Bij de

leerlingen met de vmbo-sector landbouw is de doorstroom naar de mbo-sector zorg &

welzijn zelfs groter dan de doorstroom naar de corresponderende sector.

Vervolgens kijken we naar de vmbo-hoog-leerlingen uit VOCL’99. De correspondentie

voor de sector techniek is 47%, voor de sector economie 39%, voor de sector zorg & welzijn

59% en voor de sector landbouw 5%. Wederom is het zeer opvallend dat leerlingen

met de vmbo-sector landbouw voornamelijk kiezen voor de mbo-sector zorg & welzijn.

Kijken we naar de doorstroom naar het havo, dan zien we dat de leerlingen uit de cate-

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

71


gorie overig het vaakst naar het havo doorstromen, gevolgd door de leerlingen met de

vmbo-sectoren economie en techniek. De doorstroom vanuit de sectoren zorg & welzijn

en landbouw ligt wat lager.

De profielen van de leerlingen in vmbo-hoog uit VOCL’93 corresponderen nauwelijks met

de sectoren in het mbo. Een uitzondering daarop zijn de leerlingen die vallen binnen het

profiel natuur & techniek. Van deze leerlingen is 54% doorgestroomd naar mbo-techniek.

Van de leerlingen die binnen het profiel economie & maatschappij vielen, is slechts 27%

doorgestroomd naar mbo-economie. Daarnaast is 34% van deze leerlingen doorgestroomd

naar mbo zorg & welzijn. Van de leerlingen die binnen het gecombineerde natuurprofiel

vielen (natuur & gezondheid) is bijna 37% doorgestroomd naar mbo-zorg &

welzijn en is 21% doorgestroomd naar mbo-techniek. Van de leerlingen die binnen het

profiel cultuur & maatschappij vielen, is 41% doorgestroomd naar mbo-economie en 27%

naar mbo-zorg & welzijn. Kijken we naar de doorstroom naar het havo, dan zien we dat

relatief gezien veel leerlingen die binnen het gecombineerde natuurprofiel vielen naar

het havo doorstromen (21%). Dit geldt eveneens voor de leerlingen die binnen de overige

gecombineerde profielen vallen (19%). Bij de leerlingen met de overige profielen ligt de

doorstroom naar het havo op ongeveer 15%.

Uit nadere analyse van deze gegevens blijkt dat 80% van de leerlingen die doorstroomt

naar het havo, na een jaar al niet meer op het havo zit. De aansluiting van het vmbo op

het havo lijkt erg problematisch te verlopen, al weten we van deze leerlingen niet zeker

of het schoolverlaters of enkel cohortverlaters betreft.

Vervolgens vatten we de ongediplomeerde doorstroom van vmbo-leerlingen samen. In

totaal zijn er in VOCL’93 349 ongediplomeerd doorgestroomd naar het mbo. In VOCL’99

zijn dat er 705. De ongediplomeerde doorstroom naar het mbo is dus toegenomen. Als

we in de lagere leerjaren kijken naar de doorstroom van (ongediplomeerde) vmbo-leerlingen

naar het havo (en eventueel vwo), kunnen we het volgende concluderen. In beide cohorten

is de opstroom vanuit de eerste klas vmbo naar de tweede klas havo of vwo

1,6%. In VOCL’93 betreft de opstroom in de overige leerjaren slechts enkele leerlingen. In

VOCL’99 was de opstroom vanuit de tweede klas van het vmbo naar de derde klas van

het havo of vwo ongeveer 1%. Ook in VOCL’99 is de overige opstroom verwaarloosbaar.

Mogelijk biedt de huidige programmastructuur (te) weinig mogelijkheden om opstroom

naar het havo mogelijk te maken. Als we kijken naar de gegeven adviezen in VOCL’93 en

VOCL’99, zien we dat in VOCL’99 veel meer vbo/mavo-adviezen waren gegeven en veel

minder enkelvoudige vbo- en mavo-adviezen. De totale opstroom ten opzichte van het

advies naar havo en/of vwo in VOCL’93 was 4,9%. In VOCL’99 is dat 6,3%. Slechts enkele

leerlingen met een vbo-advies zijn opgestroomd naar havo of vwo. Daarnaast kunnen we

stellen dat in VOCL’99 meer leerlingen met een vbo/mavo-advies naar het havo zijn opgestroomd

dan in VOCL’93 en dat juist minder leerlingen met een mavo-advies zijn doorgestroomd

naar het havo.

Kijken we naar de doorstroom binnen het mbo, dan kunnen we het volgende concluderen.

Het aantal cohortverlaters in het mbo is in VOCL’93 hoger dan in VOCL’99. Van de

leerlingen die in het vijfde cohortjaar in de sector techniek zaten, zat in VOCL’93 84%

daar het volgende jaar nog steeds. In VOCL’99 is dat percentage gedaald naar 76%. Daarentegen

is in VOCL’99 een aantal leerlingen doorgestroomd naar de sector economie

(13%). In beide cohorten is de doorstroom binnen de sector economie 84%. In VOCL’93

72 Onderwijsraad, november 2007


was de doorstroom binnen de sector zorg & welzijn 80% en in VOCL’99 is dat 82%. Tot

slot is de doorstroom binnen de sector landbouw eveneens zeer licht gestegen van 89%

naar 91%.

Kijken we naar het studiesucces in het mbo, dan kunnen we concluderen dat voor alle

sectoren geldt dat de meest ‘logische’ vooropleiding de beste aansluiting op de mbosector

is. Ook de aansluiting tussen verschillende sectoren in het vmbo en mbo is redelijk

tot goed te noemen, op drie uitzonderingen na. De aansluiting van vmbo-techniek op

mbo-zorg & welzijn is matig, evenals de aansluiting tussen vmbo-zorg & welzijn en

vmbo-economie op mbo-techniek.

Over de doorstroom naar het hbo kunnen we het volgende zeggen. In VOCL’93 waren

283 vmbo-leerlingen onvertraagd doorgestroomd naar het hbo. In VOCL’99 zijn dat 273

leerlingen. Vooralsnog verloopt de onvertraagde doorstroom van het vmbo naar het hbo

voornamelijk via het havo. De invoering van het vmbo heeft nog geen veranderingen te

weeg gebracht. De onvertraagde doorstroom via het mbo blijft miniem.

Tot slot vatten we de resultaten van de voorkeuren voor sectoren en profielen samen. In

VOCL’93 kozen veel meer vmbo-laag-leerlingen de sector techniek dan in VOCL’99 (47%

versus 27%). De verschillen bij de overige sectoren zijn niet zo groot. In VOCL’99 is van

veel meer vmbo-laag-leerlingen geen sector bekend (25% versus 5%), wat een deel van de

verschillen kan verklaren. De sector landbouw wordt in beide cohorten door zeer weinig

leerlingen gekozen (2 à 3%). Als we de voorkeur voor sectoren vergelijken tussen vmbolaag-leerlingen

en vmbo-hoog-leerlingen in VOCL’99, dan zien we dat de vmbo-laag-leerlingen

vaker kiezen voor de sector techniek (27% versus 13%) en de sector zorg & welzijn

(28% versus 21%) en minder vaak voor de sector economie (17% versus 26%) dan de

vmbo-hoog-leerlingen. Tot slot kijken we naar de voorkeur voor de profielen van de

vmbo-hoog-leerlingen uit VOCL’93 en vergelijken deze met de voorkeur voor sectoren in

VOCL’99. De keuze voor techniek is gelijkgebleven (13%) en de keuze voor economie is

gestegen (van 7% naar 26%). De voorkeur voor de andere profielen is niet vergelijkbaar

maar desondanks interessant. Van de vmbo-hoog-leerlingen uit VOCL’93 valt naast bovenstaande

profielen 21% binnen het gecombineerde natuurprofiel en 11% binnen het

profiel cultuur & maatschappij. De overige leerlingen vallen binnen combinaties van de

profielen (26%) of zijn niet in te delen in profielen (22%).

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

73


3 Breed of smal opleiden in het havo en vwo

Vraagstellingen E en G betreffen de programmastructuur in havo en vwo. In paragraaf 3.1

wordt kort ingegaan op de vergelijkbaarheid van VOCL’93 en VOCL’99. Paragraaf 3.2 bespreekt

de examenresultaten van de havo-leerlingen en paragraaf 3.3 de doorstroom van de

havo-leerlingen. Paragraaf 3.4 bespreekt de examenresultaten van de vwo-leerlingen en paragraaf

3.5 de doorstroom van deze leerlingen. In paragraaf 3.6 wordt ingegaan op de voorkeur

voor de profielen en tot slot geeft paragraaf 3.7 een samenvatting van de resultaten.

3.1 Vergelijkbaarheid VOCL’93 en VOCL’99

De vergelijking tussen de twee cohorten wordt, net als bij de vmbo-leerlingen, door twee

zaken bemoeilijkt. Het eerste punt betreft wederom de verschillen in programmastructuur.

De leerlingen uit het VOCL’93-cohort hoeven nog geen profielen te kiezen. Om toch

een vergelijking met de leerlingen uit VOCL’99 te kunnen maken, zijn de leerlingen op basis

van hun examenvakken ingedeeld in profielen. De toedeling van examenvakken aan

de profielen is gebaseerd op de door het ministerie van OCW (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap)

gedefinieerde doorstroomprofielen (1995). Deze profielen komen overeen met

de profielen uit VOCL’99. In Kuyper en Guldemond (1996) wordt uitgebreid ingegaan op

deze toedeling. Bij deze toedeling dient het volgende in acht te worden genomen. Door

de definiëring van de profielen vallen alle leerlingen die naast wiskunde B, natuurkunde

en scheikunde ook biologie hebben, binnen het brede natuurprofiel (natuur & techniek en

natuur & gezondheid) in plaats van alleen binnen het profiel natuur & gezondheid. Voor

VOCL’93 zal het brede natuurprofiel dus als equivalent voor het profiel natuur & gezondheid

in VOCL’99 optreden. Een bijkomend probleem bij de profielindeling is dat niet alle

leerlingen uit het VOCL’93-cohort ingedeeld kunnen worden. Daarnaast valt een aantal

leerlingen binnen aparte combinaties, bijvoorbeeld combinaties van natuur & techniek

met cultuur & maatschappij of bijvoorbeeld combinaties van drie of vier profielen. Bij de

examenresultaten en de doorstroomgegevens zijn de leerlingen die niet in te delen zijn in

de profielen ondergebracht bij de categorie overig, evenals de leerlingen die binnen de diverse

combinatieprofielen vallen. Leerlingen met het gecombineerde natuurprofiel worden

wel als aparte categorie behandeld (zie boven). De categorie overig bevat voor de leerlingen

uit VOCL’93 veel leerlingen met het gecombineerde maatschappijprofiel vanwege de

toedeling op basis van de examenvakken, terwijl in VOCL’99 maar weinig leerlingen dit

combinatieprofiel hebben gekozen. Een vergelijking is voor deze categorie dus moeilijk.

Bovenstaande keuzes resulteren in de volgende beschikbare leerlinggegevens.

Voor het cohort VOCL’93 zijn 556 van de 1.854 onvertraagde havo-leerlingen niet in te delen

in de profielen en vallen 68 leerlingen binnen aparte combinaties (samen 34%). Voor

het cohort VOCL’99 is van 38 van de 2.722 onvertraagde havo-leerlingen niet bekend welk

profiel zij volgen (1%). Voor het cohort VOCL’93 zijn 597 van de 1.855 vertraagde havoleerlingen

niet in te delen in de profielen en vallen 120 leerlingen binnen aparte combina-

74 Onderwijsraad, november 2007


ties (samen 39%). Voor het cohort VOCL’99 is van 14 van de 1.867 vertraagde havo-leerlingen

niet bekend welk profiel zij volgen en volgt 1 leerling het gecombineerde profiel

natuur & techniek en economie & maatschappij (samen 1%). Voor het cohort VOCL’93 zijn

430 van de 1.971 onvertraagde vwo-leerlingen niet in te delen in de profielen en vallen

150 leerlingen binnen aparte combinaties (samen 29%). Voor het cohort VOCL’99 is van 9

van de 2.794 onvertraagde vwo-leerlingen niet bekend welk profiel zij volgen (


In VOCL’93 is 80% van de onvertraagde havo-leerlingen in één keer geslaagd, in VOCL’99

is dat 87%. In VOCL’93 is 82% van de vertraagde havo-leerlingen in één keer geslaagd, in

VOCL’99 is dat 80%.

Aangezien op het havo vrij veel leerlingen zijn blijven zitten, gaan we wat dieper in op

deze doubleurs. In VOCL’93 doubleerden 296 leerlingen in havo-5, in VOCL’99 219 leerlingen.

Tabel 21 laat de examenresultaten voor beide examenjaren van de doubleurs zien.

Tabel 21: Examenresultaten doubleurs havo-5 (percentages en totalen)

1 e keer havo-5 2 e keer havo-5

1997/1998 2003/2004 1998/1999 2004/2005

Geen examen gedaan 18,9 12,3 6,4 38,4

Geslaagd 0,3 31,1 83,4 54,8

Afgewezen 80,7 56,2 10,1 6,8

Staatsexamen 0,0 0,5 0,0 0,0

N 296 219 296 219

In VOCL’93 is 81% van de doubleurs afgewezen bij het examen wanneer zij voor de eerste

keer in havo-5 zitten. In VOCL’99 is dat nog maar 56%, terwijl 31% van de doubleurs

geslaagd is. Blijkbaar hebben deze leerlingen bepaalde vakken en cijfers nodig om naar

de gewenste vervolgopleiding door te kunnen stromen en zijn ze daarom een jaar extra

in havo-5 gebleven. In VOCL’93 hebben meer leerlingen bij de eerste keer in havo-5 geen

examen gedaan dan in VOCL’99 (19% versus 12%). Bij de tweede keer havo-5 is in

VOCL’93 83% van de leerlingen geslaagd voor het examen. In VOCL’99 is dat maar 55%.

Het hoge percentage leerlingen uit cohort VOCL’99 dat bij de tweede keer havo-5 geen

examen doet, kan verklaard worden uit het feit dat deze leerlingen bij de eerste keer in

havo-5 al geslaagd zijn.

Uit nadere analyses blijkt dat in zowel VOCL’93 als VOCL’99 alle leerlingen die bij de eerste

keer havo-5 geslaagd zijn, niet nog een keer examen hebben gedaan. Van de leerlingen

uit cohort VOCL’93 die bij de eerste keer havo-5 worden afgewezen, is 87% bij de

tweede keer havo-5 geslaagd. Van de leerlingen uit cohort VOCL’99 is dat 82%. Van de

leerlingen die bij de eerste keer havo-5 geen examen doen, zijn respectievelijk 71%

(VOCL’93) en 70% (VOCL’99) bij de tweede keer examen geslaagd.

Examenresultaten uitgesplitst naar profiel

Eerst kijken we naar de onvertraagde havo-leerlingen. Alle leerlingen zijn in deze berekeningen

meegenomen, dus voor VOCL’93 zijn dat 1.854 onvertraagde havo-leerlingen en

voor VOCL’99 zijn dat 2.722 onvertraagde havo-leerlingen. Tabel 22 geeft een overzicht.

76 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 22: Examenresultaten onvertraagde havo-leerlingen, uitgesplitst naar profiel

(percentages)

N&t N&g E&m C&m N&t/

N&g

Overig

Geslaagd

VOCL’93 89,9 85,6 81,6 87,4 74,1

VOCL’99 87,2 87,5 88,0 87,6 96,7 4,9

Afgewezen

VOCL’93 10,1 14,4 18,4 12,6 25,9

VOCL’99 6,4 7,5 6,8 4,8 3,3 51,2

Staatsexamen VOCL’99 0,0 0,0 0,2 0,1 0,0 2,4

Geen examen gedaan

VOCL’99 6,4 5,0 5,0 7,5 0,0 34,1

In VOCL’93 varieert het percentage geslaagden van 74 tot 90%. Het hoogste percentage geslaagden

ligt bij de leerlingen die binnen het profiel natuur & techniek vallen (90%) en het

laagste percentage geslaagden bij de leerlingen uit de categorie overig (74%). Ook bij de

leerlingen die binnen het profiel cultuur & maatschappij vallen is het percentage geslaagden

relatief laag (82%). In VOCL’99 varieert het percentage geslaagden van 5% (overig) tot

97% (natuur & techniek en natuur & gezondheid). In de categorie overig bevinden zich

slechts 41 leerlingen, waarvan 38 leerlingen uit het cohort vertrokken zijn. Ook het gecombineerde

natuurprofiel is door te weinig leerlingen gekozen om zinvolle conclusies aan

te verbinden. In VOCL’99 volgen slechts 30 leerlingen het gecombineerde natuurprofiel. Als

we kijken naar de enkele profielen, is het opvallend dat het percentage geslaagden bij het

profiel cultuur & maatschappij in VOCL’93 lager ligt dan in VOCL’99 (82% versus 88%).

Vervolgens kijken we naar de vertraagde havo-leerlingen. Wederom zijn alle leerlingen in

deze berekeningen meegenomen, dus voor VOCL’93 zijn dat 1.855 vertraagde havo-leerlingen

en voor VOCL’99 zijn dat 1.867 vertraagde havo-leerlingen. Tabel 23 geeft een overzicht.

Tabel 23: Examenresultaten vertraagde havo-leerlingen, uitgesplitst naar profiel

(percentages)

N&t N&g E&m C&m N&t/

N&g

Overig

Geslaagd

VOCL’93 94,4 84,4 81,9 89,4 76,5

VOCL’99 81,2 81,5 78,6 81,7 90,3 28,6

Afgewezen

VOCL’93 5,6 15,6 18,1 10,6 23,5

VOCL’99 13,0 12,5 11,4 9,6 6,5 4,8

Staatsexamen VOCL’99 0,0 0,0 0,0 0,2 0,0 0,0

Geen examen gedaan

VOCL’99 5,8 6,0 10,0 8,5 3,2 66,7

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

77


In VOCL’93 varieert het percentage geslaagden van 76 tot 94%. Wederom ligt het hoogste percentage

geslaagden bij de leerlingen die binnen het profiel natuur & techniek vallen (94%).

Het laagste percentage geslaagden ligt bij de leerlingen die binnen de categorie overig vallen

(76%) en bij de leerlingen die binnen het profiel cultuur & maatschappij vallen (82%). In

VOCL’99 varieert het percentage geslaagden van 29% (overig) tot 90% (natuur & techniek en

natuur & gezondheid). Ook hierbij dient rekening te worden gehouden met de lage leerlingenaantallen

bij de combinatieprofielen. In de categorie overig bevinden zich 21 leerlingen, waarvan

14 leerlingen uit het cohort vertrokken zijn. Ook bij de vertraagde havo-leerlingen is het

gecombineerde natuurprofiel door te weinig leerlingen gekozen om zinvolle conclusies aan te

verbinden. In VOCL’99 volgen 31 leerlingen het gecombineerde natuurprofiel. Als we kijken

naar de enkele profielen, is het opvallend dat het slagingspercentage bij het profiel natuur &

techniek in VOCL’93 veel hoger ligt dan in VOCL’99. Dit geldt in iets mindere mate ook voor

het profiel economie & maatschappij. Voor het profiel natuur & techniek ligt het percentage

geslaagden in VOCL’93 op 94% en in VOCL’99 op 81%. Voor het profiel economie & maatschappij

ligt het percentage geslaagden in VOCL’93 op 84% en in VOCL’99 op 79%.

3.3 Doorstroom havo

Net als bij de examenresultaten bespreken we eerst de totale doorstroom en vervolgens

de doorstroom uitgesplitst naar profiel. Daarna bespreken we de doorstroom van het

eerste jaar van de vervolgopleiding naar het tweede jaar van de vervolgopleiding, zowel

de totale doorstroom als de doorstroom uitgesplitst naar profiel. Bij deze beschrijvingen

dient opgemerkt te worden dat bij de doorstroomgegevens ook alle leerlingen zijn meegenomen

die gezakt zijn of die geen examen hebben gedaan. Dit betekent dat bij de

doorstroomgegevens alle leerlingen bij de berekeningen zijn meegenomen.

Doorstroom totaal

We kijken eerst naar de doorstroom van de onvertraagde havo-leerlingen. Tabel 24 geeft

een overzicht van de resultaten.

Tabel 24: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen: 1998/1999 en 2004/2005

(percentages)

Vertrokken

Mbo Hbo Vwo Havo Onbekend

Geslaagd

VOCL’93 (N=1.489) 14,0 13,5 56,1 16,4 0,1 0,0

VOCL’99 (N=2.359) 7,8 4,6 79,1 5,4 3,0


In VOCL’99 is de doorstroom van geslaagde leerlingen naar het hbo veel groter dan in

VOCL’93. In VOCL’93 stroomt 56% van deze leerlingen door naar het hbo, in VOCL’99

maar liefst 80%. In VOCL’93 stromen veel meer leerlingen door naar het vwo (16%) en het

mbo (13%). In VOCL’99 is dat voor beide 5%. Afgewezen leerlingen blijven in beide cohorten

ongeveer even vaak zitten (rond de 85%). In VOCL’99 is 9% van de afgewezen leerlingen

doorgestroomd naar het mbo. In VOCL’93 ligt dit percentage lager (3%), maar dit kan

enigszins vertekend zijn door het hogere percentage leerlingen waarvan niet duidelijk is

of zij in het onderwijs zijn teruggekeerd. Van de leerlingen uit cohort VOCL’93 die geen

examen hebben gedaan is 62% blijven zitten. In VOCL’99 is dat slechts 16%. De meeste

leerlingen uit cohort VOCL’99 die geen examen hebben gedaan, zijn toch doorgestroomd

naar het hbo (58%), het vwo (10%) of het mbo (10%). In VOCL’93 was dat slechts 9% (hbo),

3% (vwo) en 6% (mbo). Wederom kan hier vertekening zijn opgetreden door het hogere

percentage vertrokken leerlingen, maar het percentage zittenblijvers blijft ook na eventuele

correcties veel hoger dan in VOCL’99. Vervolgens kijken we naar de doorstroom

van de vertraagde havo-leerlingen. Tabel 25 geeft een overzicht van de resultaten.

Tabel 25: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen: 1999/2000 en 2005/2006 (percentages)

Vertrokken

Mbo Hbo Wo Vwo Havo Onbekend

Geslaagd

VOCL’93 (N=1.512) 26,1 10,6 60,1 0,0 3,0 0,2 0,0

VOCL’99 (N=1.492) 15,8 3,6 77,0 0,0 2,7 0,2 0,7

Afgewezen

VOCL’93 (N=255) 34,1 18,0 2,4 0,0 0,4 45,1 0,0

VOCL’99 (N=204) 27,9 6,4 1,5 0,0 0,0 62,7 1,5

Geen examen gedaan

VOCL’93 (N=88) 37,5 5,7 30,7 0,0 10,2 15,9 0,0

VOCL’99 (N=170) 26,5 4,7 51,2 1,2 2,9 13,5 0,0

Ook bij de vertraagde havo-leerlingen is in VOCL’99 de doorstroom van geslaagde leerlingen

naar het hbo veel groter dan in VOCL’93. In VOCL’93 stroomt 60% van deze leerlingen

door naar het hbo, in VOCL’99 77%. In VOCL’93 stromen meer leerlingen door naar

het mbo (11%). In VOCL’99 is dat 4%. Ook bij de geslaagde vertraagde havo-leerlingen

zien we hogere percentages cohortverlaters, dus ook hier is vertekening niet uitgesloten.

In tegenstelling tot de niet-vertraagde leerlingen blijven vertraagde afgewezen leerlingen

in VOCL’99 vaker zitten dan in VOCL’93. In VOCL’99 is 63% van deze leerlingen blijven zitten,

in VOCL’93 is dat 45%. In VOCL’93 zijn meer afgewezen leerlingen doorgestroomd

naar het mbo (18%) dan in VOCL’99 (6%). Van de vertraagde leerlingen die geen examen

hebben gedaan is de doorstroom zeer divers. Van de leerlingen uit cohort VOCL’93 die

geen examen hebben gedaan is 31% toch naar het hbo doorgestroomd, is 16% blijven zitten,

is 10% naar het vwo gegaan en is 6% doorgestroomd naar het mbo. De meeste leerlingen

uit cohort VOCL’99 die geen examen hebben gedaan zijn toch doorgestroomd

naar het hbo (51%) of zijn blijven zitten (14%). De doorstroom naar het vwo is slechts 3%,

de doorstroom naar het mbo 5%.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

79


Doorstroom uitgesplitst naar profielen

Vanwege de grote hoeveelheid zijn de tabellen opgenomen in de bijlagen. De resultaten

voor VOCL’93 en VOCL’99 zijn opgenomen in aparte tabellen, maar zijn direct onder elkaar

geplaatst, zodat ze goed vergeleken kunnen worden. We analyseren eerst de onvertraagde

havo-leerlingen (tabellen 46 tot en met 51).

Eerst kijken we naar de totale doorstroom (tabellen 46 en 47). De doorstroom van het

havo naar het hbo is enorm gestegen. Vanuit cohort VOCL’99 is maar liefst 72% van de

leerlingen doorgestroomd naar het hbo, terwijl dat vanuit cohort VOCL’93 45% is. De

doorstroom naar het vwo en het mbo is juist afgenomen, evenals het aantal zittenblijvers.

De doorstroom naar het vwo is gedaald van 13% naar 5%. De doorstroom naar het

vwo komt bij beide cohorten vooral voort uit de natuurprofielen en veel minder uit de

maatschappijprofielen. De doorstroom naar het mbo is tussen de cohorten gedaald van

12 naar 5% en is bij beide cohorten vooral toe te schrijven aan de leerlingen met het profiel

cultuur & maatschappij. In VOCL’93 is 16% van de leerlingen blijven zitten. Dit zijn

met name leerlingen die vallen binnen de categorie overig en de maatschappijprofielen.

In VOCL’99 is 9% van de leerlingen blijven zitten. Dit zijn ook met name leerlingen uit de

categorie overig. Leerlingen met het profiel cultuur & maatschappij blijven juist iets minder

vaak zitten dan leerlingen uit de andere profielen.

Vervolgens kijken we naar de leerlingen die naar het mbo zijn doorgestroomd (tabellen

48 en 49). Voor VOCL’93 geldt dat de meeste leerlingen die doorgestroomd zijn naar het

mbo gekozen hebben voor mbo-economie (52%). Daarnaast heeft 25% gekozen voor

mbo-techniek, 18% voor mbo-zorg & welzijn en 4% voor mbo-landbouw. Bij de leerlingen

uit VOCL’99 is mbo-economie eveneens populair (35%), maar wordt mbo-zorg & welzijn

bijna even vaak gekozen (32%). Dit is vooral toe te schrijven aan de leerlingen met het

profiel cultuur & maatschappij. In VOCL’93 kiezen deze leerlingen massaal voor mboeconomie

(77%) terwijl in VOCL’99 deze leerlingen zich verspreidden over mbo-zorg &

welzijn (39%), mbo-economie (32%) en mbo-techniek (23%). In VOCL’99 worden mbotechniek

en mbo-landbouw ongeveer even vaak gekozen als door de leerlingen uit

VOCL’93 (respectievelijk 26% en 6%). De doorstroom vanuit de profielen naar de verschillende

sectoren ligt over het algemeen in de verwachte richting, maar is door de

lage leerlingenaantallen slechts een indicatie voor de doorstroom.

Tot slot kijken we naar de leerlingen die zijn doorgestroomd naar het hbo (tabellen 50 en

51). Zowel in VOCL’93 als VOCL’99 is van de hbo-richtingen het heo (hoger economisch

onderwijs) het populairst. In VOCL’93 kiest 32% van de leerlingen voor deze richting en

in VOCL’99 35%. Kijken we naar de doorstroom vanuit de profielen dan zien we het volgende.

Vanuit het profiel natuur & techniek stromen in VOCL’99 meer leerlingen door

naar het hto (hoger technisch onderwijs) dan in VOCL’93 (75 versus 64%). In VOCL’93 is

de doorstroom vanuit het gecombineerde natuurprofiel zeer divers. Van deze leerlingen

stroomt 40% door naar het hto en 25% naar het hgzo (hoger gezondheidszorg onderwijs).

In VOCL’99 is de doorstroom vanuit het profiel natuur & gezondheid enigszins veranderd.

Het hto is gekozen door 29%, het hgzo door 28% en bovendien heeft 17% van de

leerlingen gekozen voor het hpo (hoger pedagogisch onderwijs; in VOCL’93 was dat 7%).

Vanuit het profiel economie & maatschappij stromen in VOCL’99 meer leerlingen door

naar het heo (62 versus 46%) dan in VOCL’93. De doorstroom vanuit dat profiel naar het

hpo is afgenomen van 24 naar 15%. Tot slot is de doorstroom van de leerlingen met het

profiel cultuur & maatschappij ook veranderd. In VOCL’93 kiest 58% van deze leerlingen

80 Onderwijsraad, november 2007


voor het heo en 20% voor het hpo. In VOCL’99 is de keuze voor het heo afgenomen naar

29%, is de keuze voor het hpo gestegen naar 31% en heeft bovendien 23% van deze leerlingen

gekozen voor het hsao (hoger sociaal-agogisch onderwijs; in VOCL’93 is dat 12%).

Vervolgens kijken we naar de vertraagde havo-leerlingen (tabellen 52 t/m 57). Wederom

kijken we eerst naar de totale doorstroom (tabellen 52 en 53). De doorstroom van het

havo naar het hbo is tussen de twee cohorten gestegen van 51 naar 66%. De doorstroom

naar het vwo is in beide cohorten laag (2 à 3%). Het aantal leerlingen dat voor de tweede

keer is blijven zitten, is eveneens voor beide cohorten ongeveer gelijk (7 à 8%). De doorstroom

naar het mbo is gedaald van 11% in VOCL’93 naar 4% in VOCL’99. In VOCL’93 was

de doorstroom naar het mbo vooral toe te schrijven aan de leerlingen met maatschappijprofielen.

In VOCL’99 geldt dat in mindere mate; behalve voor de leerlingen met het profiel

natuur & techniek is er nauwelijks verschil tussen de profielen.

Vervolgens kijken we naar de mbo-richtingen (tabellen 54 en 55). Voor VOCL’93 geldt dat

de meeste leerlingen die doorgestroomd zijn naar het mbo, gekozen hebben voor mboeconomie

(46%). Daarnaast heeft 30% gekozen voor mbo-techniek, 20% voor mbo-zorg &

welzijn en 4% voor mbo-landbouw. Bij de leerlingen uit VOCL’99 is mbo-economie eveneens

populair (31%), maar wordt mbo-zorg & welzijn bijna even vaak gekozen (30%). Dit

is vooral toe te schrijven aan de leerlingen met het profiel cultuur & maatschappij. In

VOCL’93 kiezen deze leerlingen vooral voor mbo-economie (65%) en minder voor mbozorg

& welzijn (22%), terwijl in VOCL’99 50% van deze leerlingen kiest voor mbo-zorg &

welzijn en nog maar 27% voor mbo-economie. In VOCL’99 wordt mbo-techniek ongeveer

even vaak gekozen als in VOCL’93 (respectievelijk 30 en 27%) en wordt mbo-landbouw in

VOCL’99 juist vaker gekozen (respectievelijk 4 en 12%). Ook bij de vertraagde havo-leerlingen

ligt de doorstroom vanuit de profielen naar de verschillende sectoren over het algemeen

in de verwachte richting, maar zijn wederom de leerlingenaantallen te laag om

harde uitspraken te kunnen doen.

Kijken we naar de richtingen in het hbo (tabellen 56 en 57), dan zien we dat zowel in

VOCL’93 als in VOCL’99 het heo het populairst is. In VOCL’93 kiest 36% van de leerlingen

voor deze richting en in VOCL’99 41%. Vanuit het profiel natuur & techniek stromen in

VOCL’99 meer leerlingen door naar het hto dan in VOCL’93 (75 versus 68%). De doorstroom

vanuit dit profiel naar het heo is gedaald van 21 naar 15%. In VOCL’93 is de doorstroom

vanuit het gecombineerde natuurprofiel als volgt. Van deze leerlingen heeft 41%

gekozen voor het hto en 23% voor het hgzo. In VOCL’99 is de doorstroom vanuit het profiel

natuur & gezondheid vergelijkbaar. Het hto is gekozen door 35% en het hgzo door

23%. Vanuit het profiel economie & maatschappij stromen in VOCL’99 meer leerlingen

door naar het heo (69% versus 57%) dan in VOCL’93. Tot slot kijken we naar de doorstroom

vanuit het profiel cultuur & maatschappij. In VOCL’93 kiest 50% van deze leerlingen

voor het heo en 20% voor het hpo. In VOCL’99 is de keuze voor het heo afgenomen

naar 29%, is de keuze voor het hpo gestegen naar eveneens 29% en heeft bovendien 25%

van deze leerlingen gekozen voor het hsao (in VOCL’93 is dat 14%).

Doorstroom binnen vervolgopleiding totaal

In dit gedeelte kijken we naar de doorstroom binnen de vervolgopleiding, dat wil zeggen

van het eerste naar het tweede jaar van de vervolgopleiding. De tabellen zijn opgenomen

in de bijlagen (tabellen 58 en 59). In deze tabellen zijn wederom alle leerlingen meegenomen,

dus ook de leerlingen die niet geslaagd zijn of die geen examen hadden gedaan.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

81


Van de leerlingen uit het VOCL’99-cohort die na het examen naar het mbo zijn gegaan,

zit 63% nog steeds op het mbo. In VOCL’93 is dat nog 79%. Daarnaast is zowel in

VOCL’93 als VOCL’99 13% na het eerste jaar van het mbo doorgestroomd naar het hbo.

Van de leerlingen die na het examen naar het hbo zijn gegaan, zitten bijna allen nog

steeds op het hbo. In VOCL’93 geldt dat voor 88% en in VOCL’99 voor 86%. De afstroom

naar het mbo is in beide cohorten laag (respectievelijk 2 en 3%), evenals de opstroom

naar het wo (respectievelijk 1 en 2%). Van de leerlingen die na het examen naar het vwo

zijn gegaan, zit van cohort VOCL’93 72% daar nog steeds en van cohort VOCL’99 75%.

Daarnaast is van VOCL’93 16% alsnog naar het hbo gegaan en van VOCL’99 12%. In

VOCL’93 is 2% van de leerlingen die na het examen naar het vwo zijn gegaan, afgestroomd

naar het mbo. In VOCL’99 is dat voor geen enkele leerling het geval. In VOCL’93

is 54% van de leerlingen die na het examen wederom in havo 5 zaten, doorgestroomd

naar het hbo en 16% naar het mbo. In VOCL’99 is dat respectievelijk 70 en 6%.

Doorstroom binnen vervolgopleiding uitgesplitst naar profiel

Tot slot kijken we naar de doorstroom binnen de vervolgopleiding, uitgesplitst naar profiel.

De tabellen zijn opgenomen in de bijlagen (tabellen 60 t/m 63). In deze tabellen zijn

alleen de leerlingen opgenomen met een enkel profiel, omdat het gaat om de aansluiting

van de profielen met de opleidingen in het vervolgonderwijs. Een hoog percentage leerlingen

dat in het tweede jaar nog dezelfde opleiding volgt, interpreteren we als een goede

aansluiting. Voor elk profiel zijn alleen die vervolgopleidingen opgenomen die door

minimaal tien leerlingen zijn gekozen. Hierbij dient opgemerkt te worden dat ook tien

leerlingen te weinig is om zinvolle conclusies aan te verbinden. De leerlingen die havo

hebben gekozen zijn niet meegenomen, aangezien bij die opleiding geen sprake is van

een overgang naar een tweede jaar. In de tweede kolom staat het percentage leerlingen

dat in het tweede jaar nog steeds op dezelfde opleiding zit.

Uit tabel 60 blijkt dat de aansluiting van het profiel natuur & techniek op het hto sinds

VOCL’93 iets minder is geworden. In VOCL’93 blijft 90% deze opleiding volgen, in

VOCL’99 83%. Uit tabel 61 blijkt dat dit ook geldt voor de aansluiting van het profiel natuur

& gezondheid (VOCL’93: gecombineerd natuurprofiel) op het hto. In VOCL’93 blijkt

84% deze opleiding volgen, in VOCL’99 76%. De aansluiting van het profiel natuur & gezondheid

op het hao is ook afgenomen. Het percentage leerlingen dat het hao is blijven

volgen, is afgenomen van 85 naar 75%. Kijken we naar tabel 62, dan blijkt dat de aansluiting

van het profiel economie & maatschappij op het hsao is afgenomen. Het percentage

leerlingen dat het hsao is blijven volgen, is afgenomen van 80 naar 62%. Hetzelfde geldt

voor het hpo. Het percentage leerlingen is afgenomen van 100 naar 73%. Tot slot blijkt

uit tabel 63 dat de aansluiting van het profiel cultuur & maatschappij op de sector mboeconomie

is afgenomen. Het percentage leerlingen dat in dezelfde sector is gebleven is

afgenomen van 77 naar 61%. Hetzelfde geldt voor het hgzo (van 100 naar 71%), het heo

(van 87 naar 73%) en het hsao (van 87 naar 69%).

Bij de interpretatie van deze gegevens moet uitdrukkelijk rekening worden gehouden

met de soms lage leerlingenaantallen bij bepaalde studierichtingen. Desondanks is het

opvallend dat de aansluiting bij de meeste studierichtingen is afgenomen sinds VOCL’93.

Een mogelijke verklaring hiervoor kan zijn dat steeds meer studenten pas tijdens het eerste

jaar van de vervolgopleiding erachter komen wat ze interessant vinden en wat ze willen

worden (of wat in ieder geval niet).

82 Onderwijsraad, november 2007


Eveneens aan de hand van de tabellen 60 tot en met 63 kijken we of het studiesucces afhankelijk

is van het gekozen profiel op het havo. Studiesucces betekent in dit geval dat

de leerling in cohortjaar 6 en 7 dezelfde opleiding is blijven volgen. De aansluiting tussen

het havo en het hto verloopt voor de leerlingen met het profiel natuur & techniek het

meest succesvol. Van deze leerlingen volgde 83,1% beide cohortjaren dezelfde opleiding.

De aansluiting voor de leerlingen met het profiel natuur & gezondheid is iets minder

(76,4%), daarna komen economie & maatschappij (71,1%) en cultuur & maatschappij

(66,7%). De aansluiting tussen het havo en het heo verloopt voor de leerlingen met economie

& maatschappij het meest succesvol: 79,7% volgt in beide cohortjaren dezelfde

opleiding. Ook de aansluitingen van natuur & techniek en cultuur & maatschappij zijn vrij

goed (respectievelijk 74,2 en 73,2%). De aansluiting van natuur & gezondheid is wat minder

(63,6%). De aansluiting met het hpo is voor de leerlingen met natuur & gezondheid

en cultuur & maatschappij het beste (respectievelijk 83,7 en 81,0%). Voor economie &

maatschappij ligt het percentage op 73,5 en voor natuur & techniek slechts op 45,5. Natuur

& gezondheid sluit het beste aan op het hgzo; 81,4% volgt gedurende beide cohortjaren

dezelfde opleiding. Voor economie & maatschappij geldt dat voor 73,5% en voor

cultuur & maatschappij voor 71,2%. Natuur & gezondheid en cultuur & maatschappij sluiten

het beste aan op het hsao (respectievelijk 70,0 en 69,0% van de leerlingen volgt nog

dezelfde opleiding). Het percentage ligt voor economie & maatschappij op 61,5. De aansluiting

tussen het havo en het hao is voor beide natuurprofielen gelijk (75,0%). Cultuur &

maatschappij sluit het beste aan bij het hko (hoger kunstonderwijs); 73,0% volgt in beide

cohortjaren dezelfde opleiding. Voor de leerlingen met het profiel economie & maatschappij

geldt dat voor slechts 53,8%.

Uit het bovenstaande kunnen we concluderen dat het studiesucces voor een gedeelte afhankelijk

is van het gevolgde profiel in het havo. De beste aansluitingen vinden we bij

natuur & techniek op het hto, bij natuur & gezondheid op het hpo en hgzo, bij economie

& maatschappij op het heo en bij cultuur & maatschappij op het hpo. Vergelijken we deze

resultaten echter met VOCL’93, dan zien we dat de aansluiting op de vervolgopleidingen

van ‘logische’ profielen niet verbeterd is en zien we bovendien dat de aansluiting van

minder ‘logische’ profielen verslechterd is. Een voorbeeld hiervan is de aansluiting tussen

economie & maatschappij en het heo. Deze aansluiting is nagenoeg gelijkgebleven (3%

lager), maar de aansluiting van bijvoorbeeld natuur & gezondheid en cultuur & maatschappij

op het heo is behoorlijk afgenomen (zo’n 13% lager).

De aansluiting van de profielen op het vwo is met name in VOCL’93 opvallend. Van de

leerlingen met het profiel natuur & gezondheid is 83% op het vwo gebleven, van de leerlingen

met het profiel natuur & techniek 82%, van de leerlingen met het profiel economie

& maatschappij 63% en van de leerlingen met het profiel cultuur & maatschappij 58%. In

VOCL’93 sluiten de natuurprofielen dus beter aan op het vwo dan de maatschappijprofielen.

In VOCL’99 is dit patroon niet terug te vinden, alhoewel de leerlingen met het profiel

natuur & gezondheid er ver bovenuit springen. Van de leerlingen met het profiel natuur

& gezondheid is maar liefst 93% op het vwo gebleven. Waarschijnlijk zijn dit leerlingen

die uiteindelijk medicijnen willen gaan studeren. Van de leerlingen met het profiel natuur

& techniek is 75% op het vwo gebleven, van de leerlingen met het profiel economie &

maatschappij 70% en van de leerlingen met het profiel cultuur & maatschappij 72%.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

83


3.4 Examenresultaten vwo

We hebben enkel gegevens van de onvertraagde vwo-leerlingen. Van de vertraagde vwoleerlingen

zijn voor VOCL’99 nog geen examenresultaten bekend. In VOCL’93 bedraagt

het aantal vertraagde vwo-leerlingen 777 en in VOCL’99 547. We gaan eerst in op de examenresultaten

van alle leerlingen en vervolgens maken we een uitsplitsing naar profiel.

Examenresultaten totaal

Tabel 26 geeft een overzicht van de examenresultaten van de onvertraagde vwo-leerlingen.

Tabel 26: Examenresultaten onvertraagde vwo-leerlingen (percentages en totalen)

Onvertraagde leerlingen

1998/1999 2004/2005

Geen examen gedaan 3,9 3,5

Geslaagd 85,4 92,1

Afgewezen 10,7 4,3

Staatsexamen 0,0


Tabel 28: Examenresultaten onvertraagde vwo-leerlingen, uitgesplitst naar profielen

(percentages)

N&t N&g E&m C&m N&t/ Overig

N&g

Geslaagd

VOCL’93 96,3 79,0 92,1 91,2 80,9

VOCL’99 93,6 91,0 92,9 92,1 94,1 72,7

Afgewezen

VOCL’93 3,7 21,0 7,9 8,8 10,8

VOCL’99 4,3 5,7 3,8 3,7 3,9 0,0

Geen examen gedaan

VOCL’93 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 8,4

VOCL’99 2,0 3,4 3,3 4,0 2,0 27,3

Staatsexamen

VOCL’99

0,0 0,0 0,0 0,2 0,0 0,0

In VOCL’93 varieert het percentage geslaagden van 79 tot 96%. Het hoogste percentage

geslaagden ligt bij de leerlingen binnen het profiel natuur & techniek (96%) en het laagste

percentage geslaagden ligt bij de leerlingen binnen het profiel economie & maatschappij

(79%) en bij de leerlingen binnen de categorie overig. In VOCL’99 varieert het percentage

geslaagden van 73 (overig) tot 94% (natuur & techniek en de combinatie natuur & techniek

en natuur & gezondheid). In VOCL’99 volgen 102 leerlingen het gecombineerde natuurprofiel.

Als we kijken naar de enkele profielen, is het opvallend dat het percentage

geslaagden bij het profiel economie & maatschappij in VOCL’93 veel lager ligt dan in

VOCL’99 (79 versus 93%).

Doorstroom vwo

In deze paragraaf beschrijven we de doorstroom van de onvertraagde vwo-leerlingen

naar het vervolgonderwijs. Eerst kijken we naar de totale doorstroom en vervolgens naar

de doorstroom uitgesplitst naar profiel.

Doorstroom totaal

Tabel 29 geeft een overzicht van de totale doorstroom van de onvertraagde vwo-leerlingen

naar het vervolgonderwijs.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

85


Tabel 29: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen: 1999/2000 en 2005/2006 (percentages

en totalen)

Vertrokken

Mbo Hbo Wo Vwo Havo Onbekend

Geslaagd

VOCL’93 (N=1.683) 21,3 0,2 21,1 57,2 0,2 0,0 0,0

VOCL’99 (N=2.573) 14,9 0,1 14,4 70,3 0,2 0,0 0,1

Afgewezen

VOCL’93 (N=211) 22,7 0,0 0,0 1,4 73,9 1,9 0,0

VOCL’99 (N=121) 23,1 0,0 0,8 1,7 73,6 0,8 0,0

Geen examen gedaan

VOCL’93 (N=77) 26,0 1,3 3,9 23,4 45,5 0,0 0,0

VOCL’99 (N=99) 21,2 0,0 12,1 50,5 16,2 0,0 0,0

In VOCL’99 is de doorstroom van geslaagde leerlingen naar het wo groter dan in

VOCL’93. In VOCL’93 stroomt 57% van deze leerlingen door naar het wo, in VOCL’99 70%.

In VOCL’93 stromen meer leerlingen door naar het hbo (21%) dan in VOCL’99 (14%). Afgewezen

leerlingen blijven in beide cohorten even vaak zitten (74%). Van de leerlingen uit

cohort VOCL’93 die geen examen hebben gedaan, is 45% blijven zitten. In VOCL’99 is dat

slechts 16%. De meeste leerlingen uit cohort VOCL’99 die geen examen hebben gedaan,

stromen toch door naar het wo (51%) of het hbo (12%). In VOCL’93 is dat 23% (wo) en 4%

(hbo).

Doorstroom uitgesplitst naar profielen

Wederom kijken we enkel naar de onvertraagde vwo-leerlingen. De tabellen zijn opgenomen

in de bijlagen (tabellen 64 tot en met 69).

Eerst kijken we naar de totale doorstroom (tabellen 64 en 65). De doorstroom van het

vwo naar het wo is gestegen. Vanuit cohort VOCL’99 is 67% van de leerlingen doorgestroomd

naar het wo, terwijl vanuit cohort VOCL’93 dat 50% is. Dit is met name toe te

schrijven aan de leerlingen met de profielen natuur & techniek en economie & maatschappij.

In VOCL’93 kiest 64% van de leerlingen binnen het profiel natuur & techniek

voor een wo-opleiding, terwijl dat in VOCL’99 79% is. In VOCL’93 kiest slechts 37% van de

leerlingen binnen het profiel economie & maatschappij een wo-opleiding, terwijl dat in

VOCL’99 68% is. De doorstroom naar het hbo is iets afgenomen, evenals het aantal zittenblijvers.

De doorstroom naar het hbo is tussen de cohorten gedaald van 18 naar 14%.

In VOCL’93 zijn het voornamelijk leerlingen binnen het profiel economie & maatschappij

die naar het hbo zijn gegaan (28%). Vanuit de andere profielen kiest tussen de 12 en 16%

van de leerlingen voor een hbo-opleiding. In VOCL’99 zien we juist lage percentages bij

de leerlingen met de profielen natuur & techniek (6%), natuur & gezondheid (10%) en economie

& maatschappij (16%) en een iets hoger percentage bij de leerlingen met het profiel

cultuur & maatschappij (22%). In VOCL’93 is 10% van de leerlingen blijven zitten. Dit

zijn met name leerlingen binnen de categorie economie & maatschappij (16%). In VOCL’99

is 4% van de leerlingen blijven zitten. Maar heel weinig leerlingen hebben gekozen voor

een mbo-opleiding (tabellen 66 en 67).

86 Onderwijsraad, november 2007


Vervolgens kijken we naar de hbo-richtingen (tabellen 68 en 69). Zowel in VOCL’93 als

VOCL’99 is van de hbo-richtingen het heo het populairst. In VOCL’93 kiest 44% van de

leerlingen voor deze richting en in VOCL’99 37%. De populariteit van het hto is iets afgenomen

ten opzichte van VOCL’93. De richtingen hgzo, hko en hpo zijn juist wat vaker gekozen.

Kijken we naar de doorstroom vanuit de profielen, dan zien we het volgende.

Vanuit het profiel natuur & techniek stromen in VOCL’99 minder leerlingen door naar het

hto dan in VOCL’93 (48 versus 58%). Daarnaast stroomt in VOCL’93 29% van deze leerlingen

door naar het heo, terwijl in VOCL’99 dat nog maar 4% is. De doorstroom naar het

hko is in VOCL’99 daarentegen groter geworden, namelijk van 10% in VOCL’93 naar 21%

in VOCL’99. Van de leerlingen uit VOCL’93 met het gecombineerde natuurprofiel stroomt

33% door naar het hgzo en 31% naar het hto. In VOCL’99 is de doorstroom vanuit het profiel

natuur & gezondheid naar het hgzo gestegen tot 38% en is de doorstroom naar het

hto gedaald naar 14%. De richtingen heo en hpo zijn in populariteit toegenomen (heo

van 6% naar 15% en hpo van 6% naar 19%). Vanuit het profiel economie & maatschappij

stromen de meeste leerlingen door naar het heo. In VOCL’93 is dat 57%, in VOCL’99 61%.

De doorstroom naar het hto is afgenomen van 11 naar 3% en de doorstroom naar het

hko is toegenomen van 0 naar 5%. Tot slot is de doorstroom van de leerlingen met het

profiel cultuur & maatschappij moeilijk te vergelijken, aangezien in VOCL’93 slechts twintig

van deze leerlingen een hbo-opleiding kiezen. De meeste van deze leerlingen kiezen

voor het hsao (35%), het hgzo (25%) of het hpo (20%). In VOCL’99 kiest 30% van de leerlingen

met het profiel cultuur & maatschappij voor het heo (VOCL’93: 10%), 20% voor het

hsao, eveneens 20% voor het hpo en 17% voor het hgzo.

Tot slot kijken we naar de wo-richtingen (tabellen 70 en 71). In VOCL’93 worden de worichtingen

technische wetenschappen, sociale wetenschappen, economische wetenschappen,

rechtsgeleerdheid en letteren door meer dan 10% van de leerlingen gekozen. De

wo-richting technische wetenschappen is het populairst (20%). In VOCL’99 worden de worichtingen

economische wetenschappen, sociale wetenschappen, technische wetenschappen,

letteren en geneeskunde door meer dan 10% van de leerlingen gekozen. In VOCL’99

is de richting economische wetenschappen het populairst (21%). De populariteit van de

technische wetenschappen en rechtsgeleerdheid is dus afgenomen en de populariteit van

geneeskunde en economische wetenschappen is toegenomen. Kijken we naar de doorstroom

vanuit de profielen, dan zien we het volgende. Vanuit het profiel natuur & techniek

stromen in VOCL’99 meer leerlingen door naar technische wetenschappen dan in

VOCL’93 (60 versus 44%). Daar staat tegenover dat deze leerlingen veel minder vaak hebben

gekozen voor economische wetenschappen (6 versus 20%). Van de leerlingen uit

VOCL’93 met het gecombineerde natuurprofiel heeft 26% gekozen voor technische wetenschappen,

21% voor geneeskunde en 17% voor wiskunde/natuurkunde. In VOCL’99 heeft

40% van de leerlingen met het profiel natuur & gezondheid gekozen voor geneeskunde

en 16% voor sociale wetenschappen (VOCL’93: 10%). Het percentage leerlingen dat technische

wetenschappen heeft gekozen is afgenomen tot 9% en het percentage leerlingen dat

wiskunde/natuurkunde heeft gekozen is afgenomen tot 8%. Van de leerlingen met het

profiel economie & maatschappij kiezen de meeste leerlingen voor economische wetenschappen.

In VOCL’93 is dat 35%, in VOCL’99 49%. Daarnaast worden in VOCL’93 de richtingen

sociale wetenschappen, rechtsgeleerdheid en letteren door respectievelijk 20, 17

en 15% gekozen. In VOCL’99 is dat respectievelijk 21, 11 en 16% van de leerlingen. Een

opvallend gegeven is dat in VOCL’93 9% van de leerlingen binnen het profiel economie &

maatschappij kiest voor technische wetenschappen, terwijl in VOCL’99 minder dan 0,5%

van de leerlingen met dit profiel deze richting kiest. Tot slot kijken we naar de leerlingen

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

87


met het profiel cultuur & maatschappij. In VOCL’93 kiezen de leerlingen binnen dit profiel

voornamelijk voor sociale wetenschappen (44%), rechtsgeleerdheid (26%) en letteren

(23%). In VOCL’99 is dat respectievelijk 43, 10 en 37%. Bij de leerlingen met het profiel

cultuur & maatschappij is de richting letteren dus in populariteit toegenomen ten koste

van de richting rechtsgeleerdheid.

3.5 Voorkeur voor profielen

Om de voorkeur voor de profielen goed te kunnen vergelijken, kijken we alleen naar de

onvertraagde leerlingen, aangezien het gaat om de eerste profielkeuze die leerlingen maken.

In tabel 30 zijn alleen die leerlingen meegenomen die binnen de enkele profielen

vallen of die binnen het gecombineerde natuurprofiel of het gecombineerde maatschappijprofiel

vallen.

Tabel 30: Voorkeur voor profielen (percentages)

N&t N&g E&m C&m N&t/

N&g

E&m/

C&m

VOCL’93 havo

(N=1.230)

VOCL’93 vwo

(N=1.391)

VOCL’99 havo

(N=2.684)

VOCL’99 vwo

(N=2.785)

16 0 16 35 18 15

18 0 19 9 29 24

12 13 39 35 1


3.6 Samenvatting

In paragraaf 3.1 is ingegaan op de vergelijkbaarheid van VOCL’93 en VOCL’99. Paragraaf

3.2 besprak de examenresultaten van de havo-leerlingen en paragraaf 3.3 de doorstroom

van de havo-leerlingen. Paragraaf 3.4 besprak de examenresultaten van de vwo-leerlingen

en paragraaf 3.5 de doorstroom van deze leerlingen. Tot slot werd in paragraaf 3.6

ingegaan op de voorkeur voor de profielen.

Eerst werden de slaagpercentages van de havo-leerlingen besproken. Het percentage onvertraagde

geslaagde havo-leerlingen is gestegen ten opzichte van VOCL’93. Voor de vertraagde

havo-leerlingen is dit niet het geval, daar is het percentage licht gedaald. Splitsen

we deze gegevens uit naar de verschillende profielen, dan blijkt dat het percentage

geslaagden bij het profiel cultuur & maatschappij in VOCL’99 hoger ligt dan in VOCL’93.

Voor de profielen natuur & techniek en economie & maatschappij geldt het omgekeerde.

Vervolgens gingen we in op de doorstroom naar het vervolgonderwijs. De doorstroom

van het havo naar het hbo is groter geworden, zowel bij de onvertraagde als de vertraagde

havo-leerlingen. De doorstroom van het havo naar het vwo (alleen bij de onvertraagde

leerlingen) en het mbo (zowel de onvertraagde als de vertraagde leerlingen) is

afgenomen. Bovendien zijn in VOCL’99 minder leerlingen in het examenjaar gedoubleerd

dan in VOCL’93. De leerlingen die doorstromen naar het mbo kiezen in VOCL’93 vooral

voor mbo-economie. In VOCL’99 wordt naast mbo-economie ook mbo-zorg & welzijn veel

gekozen. De doorstroom vanuit de profielen naar de verschillende sectoren ligt over het

algemeen in de te verwachten richting. De leerlingen die doorstromen naar het hbo kiezen

in beide cohorten het vaakst voor de richting heo. Dit geldt zowel voor de onvertraagde

als voor de vertraagde leerlingen. Splitsen we de gegevens uit naar de verschillende

profielen, dan blijkt het volgende. Leerlingen met het profiel natuur & techniek

stromen grotendeels door naar het hto. Bovendien is deze doorstroom sinds VOCL’93

toegenomen. Leerlingen met het profiel natuur & gezondheid (of het gecombineerde natuurprofiel)

kiezen in VOCL’93 vooral voor het hto en het hgzo en in VOCL’99 daarnaast

ook het hpo (alleen onvertraagde leerlingen). Leerlingen met het profiel economie &

maatschappij kiezen vooral voor het heo. Ook deze doorstroom is sinds VOCL’93 toegenomen.

Doorstroom van economie & maatschappij naar het hpo is afgenomen. Tot slot

kijken we naar de leerlingen met het profiel cultuur & maatschappij. In VOCL’93 kiezen

deze leerlingen vooral het heo en in iets mindere mate het hpo. In VOCL’99 is de populariteit

van het heo iets afgenomen en is daarnaast vaak gekozen voor het hpo en het

hsao.

Bij de havo-leerlingen hebben we ook gekeken naar de doorstroom van het eerste naar

het tweede jaar van de vervolgopleiding. In VOCL’99 is het percentage leerlingen dat in

beide jaren op het mbo zit behoorlijk afgenomen. In VOCL’93 blijft 79% op het mbo, in

VOCL’99 slechts 63%. Steeds meer leerlingen wisselen na of tijdens het eerste mbo-jaar

van studie of vertrekken uit het onderwijs. In beide cohorten stromen evenveel leerlingen

vanuit het mbo door naar het hbo (13%). Ook het percentage leerlingen dat in beide

jaren op het hbo zit, is nagenoeg gelijkgebleven. In VOCL’93 is dat 88%, in VOCL’99 86%.

De afstroom vanaf het hbo naar het mbo en de opstroom van het hbo naar het wo is

laag (minder dan 3%). Bijna driekwart van de leerlingen die doorgestroomd zijn naar het

vwo, is daar gebleven. Dit geldt voor zowel VOCL’93 (72%) als VOCL’99 (75%). Tot slot is

de doorstroom van havo-leerlingen die naar het vwo zijn gegaan en vervolgens afge-

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

89


stroomd zijn naar het hbo, afgenomen van 16 naar 12%. Splitsen we de gegevens uit

naar de profielen, dan zien we het volgende. De aansluiting bij de meeste studierichtingen

is afgenomen. Een mogelijke verklaring hiervoor kan zijn dat steeds meer studenten

pas tijdens het eerste jaar van de vervolgopleiding erachter komen wat ze interessant

vinden en wat ze willen worden (of wat in ieder geval niet). Bovendien is het aantal studies

toegenomen, waardoor het keuzeproces wordt bemoeilijkt. Uit de resultaten blijkt

dat het studiesucces voor een gedeelte afhankelijk is van het gevolgde profiel in het

havo. De beste aansluitingen vinden we bij natuur & techniek op het hto, bij natuur &

gezondheid op het hpo en hgzo, bij economie & maatschappij op het heo en bij cultuur

& maatschappij op het hpo. Vergelijken we deze resultaten echter met VOCL’93, dan zien

we dat de aansluiting op de vervolgopleidingen van ‘logische’ profielen niet verbeterd is

en zien we bovendien dat de aansluiting van minder ‘logische’ profielen verslechterd is.

Een voorbeeld hiervan is de aansluiting tussen economie & maatschappij en het heo.

Deze aansluiting is nagenoeg gelijkgebleven (3% lager), maar de aansluiting van bijvoorbeeld

natuur & gezondheid en cultuur & maatschappij op het heo is behoorlijk afgenomen

(zo’n 13% lager). Een eveneens opvallend resultaat van de analyses is de aansluiting

van het havo op het vwo. In VOCL’93 sluiten de natuurprofielen beter aan op het vwo

dan de maatschappijprofielen. In VOCL’99 echter is dit patroon niet terug te vinden.

Vervolgens bespraken we de resultaten voor de vwo-leerlingen. Het percentage onvertraagde

geslaagde vwo-leerlingen is gestegen ten opzichte van VOCL’93. Splitsen we

deze gegevens uit naar de verschillende profielen, dan blijkt dat het percentage geslaagden

bij het profiel economie & maatschappij in VOCL’99 hoger ligt dan in VOCL’93.

De doorstroom van het vwo naar het wo is toegenomen sinds VOCL’93. De doorstroom

naar het hbo is afgenomen. Van de hbo-richtingen is het heo het populairst, maar deze

populariteit is wel iets afgenomen. Daarnaast wordt in VOCL’99 iets minder vaak gekozen

voor het hto en juist wat vaker voor het hgzo, het hko en het hpo. Splitsen we de gegevens

uit naar de verschillende profielen, dan zien we het volgende. Leerlingen met het

profiel natuur & techniek kiezen vooral voor het hto. Daarentegen wordt in VOCL’99 deze

richting wel iets minder vaak gekozen (evenals de richting heo) en wordt juist wat vaker

gekozen voor het hko. Leerlingen met het profiel natuur & gezondheid (of het gecombineerde

natuurprofiel) kiezen vooral voor het hto en het hgzo. In VOCL’99 wordt iets minder

vaak gekozen voor het hto en vaker voor het hgzo, het heo en het hpo. De leerlingen

met het profiel economie & maatschappij kiezen vooral het heo als vervolgopleiding.

Daarnaast is in VOCL’99 de populariteit van het hto iets afgenomen en de populariteit

van het hko toegenomen. Tot slot kunnen we voor de leerlingen met het profiel cultuur &

maatschappij geen goede vergelijking maken, aangezien in VOCL’93 te weinig van deze

leerlingen een hbo-opleiding heeft gekozen.

Vervolgens keken we naar de doorstroom van het vwo naar het wo. In VOCL’93 kiest

meer dan 10% voor de volgende wo-richtingen: technische wetenschappen, sociale wetenschappen,

economische wetenschappen, rechtsgeleerdheid en letteren. In VOCL’99

zijn dat de volgende wo-richtingen: economische wetenschappen, sociale wetenschappen,

technische wetenschappen, letteren en geneeskunde. De populariteit van de technische

wetenschappen en rechtsgeleerdheid is dus afgenomen en de populariteit van geneeskunde

en economische wetenschappen is toegenomen. In VOCL’93 zijn de technische

wetenschappen het populairst; 20% van de leerlingen kiest deze richting. In VOCL’99 zijn

de economische wetenschappen het populairst. Deze richting is gekozen door 21% van

90 Onderwijsraad, november 2007


de leerlingen. Uit de uitsplitsing naar profielen bleek het volgende. Leerlingen met het

profiel natuur & techniek kiezen vooral voor de technische wetenschappen. Deze doorstroom

is sinds VOCL’93 gestegen. Steeds minder van deze leerlingen kiezen voor de

economische wetenschappen. Van de leerlingen uit VOCL’93 met het profiel natuur &

gezondheid (of het gecombineerde natuurprofiel) stromen veel leerlingen door naar de

technische wetenschappen, geneeskunde en wiskunde/natuurkunde. In VOCL’99 stromen

deze leerlingen juist door naar geneeskunde en de sociale wetenschappen. De populariteit

van de technische wetenschappen en wiskunde/natuurkunde is bij deze leerlingen afgenomen.

Leerlingen met economie & maatschappij kiezen steeds vaker voor de economische

wetenschappen, maar ook voor sociale wetenschappen, rechtsgeleerdheid en

letteren. Een opvallend verschil is dat in VOCL’93 9% van deze leerlingen de technische

wetenschappen kiest, terwijl in VOCL’99 nog geen 1% van de leerlingen dat doet. Tot slot

kijken we naar de leerlingen met het profiel cultuur & maatschappij. Deze leerlingen kiezen

vooral voor de richtingen sociale wetenschappen, rechtsgeleerdheid en letteren. In

VOCL’99 wordt wat vaker gekozen voor letteren en wat minder vaak voor rechtsgeleerdheid.

Tot slot gingen we in op de voorkeuren voor de profielen in respectievelijk havo en vwo.

Vanwege de toewijzing aan profielen in VOCL’93 is in dat cohort de vergelijking enigszins

vertekend. In VOCL’93 valt 66% van de havo-leerlingen binnen de maatschappijprofielen

en 34% binnen de natuurprofielen. Voor de vwo-leerlingen liggen deze percentages

op respectievelijk 52 en 47%. In VOCL’99 is het verschil tussen havo- en vwo-leerlingen

nog veel groter geworden. Van de havo-leerlingen heeft 74% gekozen voor een maatschappijprofiel

en slechts 26% voor een natuurprofiel. Bij de vwo-leerlingen liggen de

percentages op respectievelijk 54% en 46%. In VOCL’99 kiezen vwo-leerlingen vaker dan

havo-leerlingen het profiel natuur & gezondheid en minder vaak economie & maatschappij

en cultuur & maatschappij.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

91


4 Alternatieve verklaringen

In dit hoofdstuk bespreken we eventuele alternatieve verklaringen voor de gevonden verschillen

tussen de cohorten. We gaan in op de relaties tussen achtergrond- en instroomkenmerken

en beroepsperspectieven enerzijds en de keuzen voor de profielen/sectoren

en vervolgopleidingen anderzijds. De beroepsperspectieven zijn alleen bekend voor de

havo- en vwo-leerlingen. De achtergrond- en instroomkenmerken en beroepsperspectieven

zijn niet van alle leerlingen bekend. Bij deze analyses dient daarom rekening te worden

gehouden met een groter aantal ‘missing cases’ dan in de vorige hoofdstukken. In

paragraaf 4.1 bespreken we de achtergrond- en instroomkenmerken van de vmbo-leerlingen

in VOCL’93 en VOCL’99. Vervolgens worden in paragraaf 4.2 de relaties besproken

tussen deze kenmerken en de gevonden resultaten in hoofdstuk 1. In paragraaf 4.3 bespreken

we de kenmerken van de havo- en vwo-leerlingen in beide cohorten, en in paragraaf

4.4 de relaties tussen deze kenmerken en de gevonden resultaten in hoofdstuk 3.

Tot slot geven we in paragraaf 4.5 een korte samenvatting.

4.1 Achtergrond- en instroomkenmerken vmbo

Tabel 31 geeft een overzicht van de achtergrondgegevens van de vmbo-leerlingen in

VOCL’93 en VOCL’99. Het betreft het percentage jongens, het opleidingsniveau van de

ouders, het advies van de basisschool, het percentage allochtonen en de gemiddelde

scores op de entreetoetsen.

Tabel 31: Achtergrond- en instroomkenmerken vmbo (percentages)

VOCL’93

VOCL’99

Vertraagd

Onvertraagd

Onvertraagd

Vertraagd

Sekse (% jongens) 52,5 61,0 50,7 56,4

Opleidingsniveau ouders 3,7 3,6 3,8 3,8

Advies van basisschool 4,1 4,1 4,5 4,8

Etniciteit (% allochtonen) 6,1 7,0 17,3 26,1

Entreetoetsen

Entreetoets rekenen 9,7 9,1 10,2 10,4

Entreetoets taal 10,5 10,0 10,8 10,9

Entreetoets informatieverwerking

10,7 10,1 10,0 9,7

Eerst kijken we naar het percentage jongens. Bij de onvertraagde leerlingen zitten ongeveer

evenveel jongens als meisjes. Bij de vertraagde leerlingen zijn de jongens enigszins

oververtegenwoordigd. Dit geldt voor beide cohorten. Het opleidingsniveau van de ou-

92 Onderwijsraad, november 2007


ders van de vmbo-leerlingen is tussen de cohorten iets gestegen. Het advies van de basisschool

is daarentegen behoorlijk gestegen. De vmbo-leerlingen hadden in VOCL’99

dus gemiddeld een hoger advies gekregen dan de vmbo-leerlingen in VOCL’93. Uit nadere

analyses blijkt dit alleen te gelden voor de lagere klastypen (tot en met vbo/mavo).

Leerlingen binnen het klastype mavo hebben juist een hoger advies gekregen dan in

VOCL’93. Het percentage allochtonen is behoorlijk gestegen. Dit geldt zowel voor de onvertraagde

als voor de vertraagde leerlingen, maar de stijging is bij de vertraagde leerlingen

het grootst. Tot slot kijken we naar de gemiddelde scores op de entreetoetsen.

Tussen VOCL’93 en VOCL’99 zijn de scores op de entreetoetsen rekenen en taal gestegen

en is de score op de entreetoets informatieverwerking gedaald. Dit betekent dat het algemene

instroomniveau van de leerlingen wat betreft rekenen en taal licht is gestegen

en wat betreft informatieverwerking licht is gedaald. In VOCL’93 hebben de onvertraagde

leerlingen hogere gemiddelden op de entreetoetsen dan de vertraagde leerlingen. In

VOCL’99 geldt dat alleen voor de entreetoets informatieverwerking. Het is opvallend dat

in VOCL’99 de vertraagde leerlingen hogere gemiddelden hebben op de entreetoetsen rekenen

en taal.

4.2 Relaties met resultaten vmbo

In de beschrijving gaan we enkel in op de achtergrondvariabelen waarvoor verschillen

zijn gevonden tussen de cohorten. Voor de vmbo-leerlingen betreft dat het opleidingsniveau

van de ouders, het advies van de basisschool, het percentage allochtonen, en de

scores op de entreetoetsen. We kijken eerst naar de sectorkeuze en vervolgens naar de

keuze voor het vervolgonderwijs.

Sectorkeuze

De sectorkeuze is alleen bekend van de onvertraagde vmbo-leerlingen. Daarnaast is enkel

een vergelijking mogelijk van de vmbo-laag-leerlingen, aangezien de vmbo-hoogleerlingen

in VOCL’93 niet binnen sectoren maar binnen profielen vallen. Een vergelijking

voor de vmbo-hoog-leerlingen met VOCL’99 is daardoor niet mogelijk. Bij onderstaande

beschrijvingen worden alleen de leerlingen meegenomen waarvan de sector bekend is,

zodat de percentages tussen VOCL’93 en VOCL’99 goed vergeleken kunnen worden. We

kijken eerst naar het opleidingsniveau van de ouders. We kijken dus naar de onvertraagde

vmbo-laag-leerlingen uit VOCL’93 en VOCL’99. Tabel 32 geeft de resultaten.

Tabel 32 Opleidingsniveau van de ouders per sector vmbo (percentages)

Techniek Zorg &

welzijn

Economie Landbouw

Totaal

Opl. niv. ouders ’93

(N=4.550)

Opl. niv. ouders ’99

(N=3.180)

3,5 3,3 3,4 3,7 3,4

3,6 3,5 3,5 3,5 3,5

Het opleidingsniveau van de ouders ligt in VOCL’99 iets hoger dan in VOCL’93. Het opleidingsniveau

van de ouders is gestegen bij de sectoren techniek, zorg & welzijn en economie.

Bij de (zeer kleine) sector landbouw is het opleidingsniveau van de ouders ge-

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

93


daald. De verschuiving in de sectorkeuze is dus niet toe te schrijven aan het gestegen

opleidingsniveau van de ouders. Vervolgens kijken we naar het advies dat de leerlingen

krijgen aan het eind van de basisschool (tabel 33).

Tabel 33: Basisschooladvies per sector vmbo (percentages)

Techniek Zorg &

welzijn

Economie

Landbouw

Totaal

Advies ’93 (N=5.445) 3,0 3,0 3,6 3,3 3,1

Advies ’99 (N=2.885) 3,5 3,7 3,8 3,5 3,6

Het gemiddelde advies is in VOCL’99 veel hoger dan in VOCL’93. De stijging van het gemiddelde

advies doet zich bij alle sectoren voor, maar met name bij de sectoren zorg &

welzijn en techniek. De verschuiving in de sectorkeuze is dus ook niet te verklaren door

het gestegen gemiddelde advies van de leerlingen. Vervolgens kijken we naar het percentage

allochtone leerlingen in beide cohorten. De percentages in tabel 34 zijn afgerond

op hele getallen.

Tabel 34: Etniciteit per sector vmbo (percentages)

Techniek Zorg &

welzijn

Economie

Landbouw

Autochtoon ’93 (N=5.299) 50 33 14 3

Autochtoon ’99 (N=3.040) 39 39 19 3

Allochtoon ’93 (N=442) 35 36 29


Tabel 35: Entreetoetsscores per sector vmbo (percentages)

Techniek Zorg &

welzijn

Economie

Landbouw

Taal ’93 (N=5.433) 8,8 9,1 9,7 9,8

Taal ’99 (N=3.487) 8,9 9,9 9,5 9,5

Rekenen ’93 (N=5.427) 8,7 6,8 8,4 9,4

Rekenen ’99 (N=3.476) 9,3 7,9 8,8 8,3

Informatieverwerking ’93

(N=5.434)

Informatieverwerking ’99

(N=3.388)

9,6 8,6 9,6 10,1

8,8 8,5 8,6 8,5

In VOCL’99 is de gemiddelde score op de entreetoetsen taal en rekenen gestegen ten opzichte

van VOCL’93. De gemiddelde score op de entreetoets informatieverwerking is gedaald.

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de stijging van de gemiddelde score bij taal en

rekenen voor zowel de sector techniek, de sector zorg & welzijn als de sector economie

geldt, maar niet voor de sector landbouw. Dit is echter een vrij kleine sector. De daling

van de gemiddelde score bij informatieverwerking geldt voor alle sectoren. De verschuivingen

in de populariteit van de sectoren is dus niet toe te schrijven aan het hogere instroomniveau

van de leerlingen wat betreft taal en rekenen of het lagere instroomniveau

wat betreft informatieverwerking.

Concluderend kunnen we stellen dat enkel de toegenomen populariteit van de sector

economie deels is toe te schrijven aan het hogere percentage allochtone leerlingen in

VOCL’99. Voor de overige verschuivingen (in het bijzonder de afnemende populariteit

van de sector techniek) is geen alternatieve verklaring gevonden.

Keuze vervolgopleidingen

Vervolgens gaan we in op alternatieve verklaringen voor de verschuivingen in de vervolgopleidingen.

Om een goede vergelijking te kunnen maken (met genoeg leerlingen in

alle cellen) kijken we enkel naar de geslaagde onvertraagde vmbo-leerlingen. Uit de beschrijving

van de doorstroom van vmbo-leerlingen naar het mbo bleek dat steeds meer

vmbo-laag-leerlingen voor mbo-techniek en mbo-zorg & welzijn kiezen. Daarentegen zijn

er in VOCL’99 minder vertrokken leerlingen en meer doubleurs. Kijken we naar de vmbohoog-leerlingen,

dan blijken steeds meer leerlingen te kiezen voor mbo-zorg & welzijn.

Daarnaast is het aantal vertrokken vmbo-hoog-leerlingen gestegen. Steeds minder vmbohoog-leerlingen

kiezen mbo-techniek, mbo-economie of het havo. Bij het zoeken naar alternatieve

verklaringen voor de sectorkeuze in het vmbo bleek alleen het hogere percentage

allochtone leerlingen in VOCL’99 bij te dragen aan de verschuivingen in de

sectorkeuze. Of dit hogere percentage ook invloed heeft op de vervolgopleidingen,

wordt hieronder besproken. Het is aannemelijk dat andere achtergrondfactoren en instroomkenmerken

niet hebben bijgedragen aan de verschuivingen, aangezien dat effect

dan zeer waarschijnlijk ook bij de sectorkeuze in het vmbo duidelijk was geworden. Aanvullend

dient opgemerkt te worden dat geen uitsplitsing naar vmbo-sector is gemaakt en

wel om twee redenen. Ten eerste wordt er tussen het vmbo en het mbo nog vrij veel van

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

95


sector gewisseld. Uitsplitsing zou dan erg veel leerlingen buitensluiten. Ten tweede is

voor VOCL’93 geen sectorindeling maar een profielindeling gehanteerd, wat de uitsplitsing

naar corresponderende sector bemoeilijkt. Tabel 36 geeft een overzicht van de keuzepercentages.

De percentages zijn afgerond op hele getallen.

Tabel 36: Keuzepercentages vervolgonderwijs, uitgesplitst naar etniciteit (percentages en

totalen)

Vmbo-laag

Vmbo-hoog

Autochtoon Allochtoon Autochtoon Allochtoon

Vertrokken ’93 45 40 13 18

Vertrokken ’99 36 48 18 25

Mbo-techniek ’93 13 11 19 10

Mbo-techniek ’99 22 12 17 12

Mbo-economie ’93 13 27 23 39

Mbo-economie ’99 13 23 21 25

Mbo-zorg & welzijn ’93 18 16 23 18

Mbo-zorg & welzijn ’99 25 15 28 19

Mbo-landbouw ’93 2 0 3 1

Mbo-landbouw ’99 3 2 3 1

Havo ’93


Uit het bovenstaande kunnen we concluderen dat het hogere percentage allochtone leerlingen

in VOCL’99 enkel een gedeeltelijke verklaring kan vormen voor de afgenomen

populariteit van mbo economie bij de vmbo-hoog-leerlingen. Voor de overige verschuivingen

in de keuzes voor het vervolgonderwijs is op grond van deze gegevens geen alternatieve

verklaring te vinden.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

97


5 Achtergrond- en instroomkenmerken havo en vwo

Tabel 37 geeft een overzicht van de achtergrondgegevens van VOCL’93 en VOCL’99. Het

betreft het percentage jongens, het opleidingsniveau van de ouders, het advies van de

basisschool, het percentage allochtonen, de gemiddelde scores op de entreetoetsen en

de gemiddelden op de zes beroepenschalen. De resultaten op de beroepenschalen zijn

verzameld met behulp van vragenlijsten die in het vijfde cohortjaar zijn afgenomen.

Voor meer informatie over deze vragenlijsten verwijzen we naar Kuyper, Van der Werf &

Lubbers (1999) en Korpershoek, Kuyper & Van der Werf (2006). Deze gegevens zijn dus

alleen bekend van de leerlingen die deze vragenlijst hebben ingevuld en ook alleen van

de onvertraagde leerlingen. Voor het cohort VOCL’93 resulteert dit in gegevens van bijna

1.300 havo-leerlingen en ruim 1.600 vwo-leerlingen. Voor het cohort VOCL’99 resulteert

dit in gegevens van bijna 1.700 havo-leerlingen en bijna 2.300 vwo-leerlingen.

Tabel 37: Achtergrond- en instroomkenmerken havo en vwo (percentages)

VOCL’93

VOCL’99

Havo Vwo Havo Vwo

Onvertraagd

Vertraagd

Onvertraagd

Onvertraagd

Vertraagd

Onvertraagd

Sekse (% jongens)

41,1 47,3 44,6 45,1 49,3 45,3

Opleidingsniveau

4,3 4,2 4,8 4,4 4,3 4,8

ouders

Advies van basisschool

6,9 6,6 8,1 6,9 6,6 8,0

Etniciteit (% allochtonen)

2,7 2,5 2,1 14,4 19,8 14,9

Entreetoetsen

Entreetoets rekenen

14,5 13,9 16,8 14,5 14,1 16,6

Entreetoets taal 14,5 14,1 16,4 14,3 13,9 16,1

Entreetoets in-

14,7 14,2 16,7 13,9 13,2 15,9

formatieverwer-

king

Beroepenschalen

Sociaal 3,1 3,0 2,9 2,8

Exact 2,3 2,2 2,1 2,1

Artistiek 1,8 1,9 1,7 1,7

Status 2,4 2,5 2,4 2,5

Glamour 2,3 2,5 2,0 2,0

Buiten 1,5 1,5 1,5 1,6

98 Onderwijsraad, november 2007


Een viertal zaken valt op. Het eerste en grootste verschil tussen VOCL’93 en VOCL’99 betreft

het percentage allochtone leerlingen. In VOCL’93 ligt het percentage allochtonen op

2 à 3%, terwijl in VOCL’99 het percentage varieert van 14 tot 20%. Het tweede verschil

betreft het percentage jongens. Het percentage jongens is met name in het havo toegenomen.

Desondanks valt op dat in het havo en vwo, in het bijzonder bij de onvertraagde

leerlingen, jongens nog steeds in de minderheid zijn ten opzichte van meisjes. Dit verschil

kan deels verklaard worden door het hogere percentage jongens onder voortijdige

schoolverlaters (of in ieder geval cohortverlaters) en het hogere percentage jongens dat

in het voortgezet onderwijs blijft zitten. Het derde verschil betreft de resultaten op de

entreetoetsen. Over het algemeen zijn de scores op de entreetoetsen gedaald sinds

VOCL’93. Dit betekent dat het algemene instroomniveau van de leerlingen in havo en

vwo licht gedaald is. Het vierde verschil betreft de interesses van de leerlingen, geanalyseerd

aan de hand van de beroepenschalen. De gemiddelden op de beroepenschalen sociaal,

exact, artistiek en glamour zijn voor zowel havo- als vwo-leerlingen gedaald sinds

VOCL’93. De interesse voor beroepen met deze kenmerken is dus afgenomen. Een duidelijke

verklaring voor deze daling is op basis van deze gegevens niet te geven. Wellicht

zijn de toekomstperspectieven van de leerlingen in VOCL’99 minder eenduidig dan van

de leerlingen in VOCL’93. Tot slot treden er geen grote verschillen op tussen de cohorten

wat betreft het opleidingsniveau van de ouders en het advies van de basisschool.

5.1 Relaties met resultaten havo en vwo

We gaan eerst in op de relatie van de achtergrond- en instroomkenmerken met de profielkeuze

en vervolgens op de relatie van deze kenmerken met de keuze voor het vervolgonderwijs.

Wederom gaan we in de beschrijving enkel in op de achtergrondvariabelen

waarvoor relatief grote verschillen zijn gevonden tussen de cohorten. Voor de havo/

vwo-leerlingen betreft dat het percentage allochtonen, de scores op de entreetoetsen en

de beroepsperspectieven.

Profielkeuze

Vanwege de toewijzing van leerlingen aan profielen in VOCL’93 is het aantal leerlingen

dat vergeleken kan worden met VOCL’99 vrij laag. De gegevens dienen daarom met enige

voorzichtigheid behandeld te worden. Om een zo duidelijk mogelijk beeld te geven

van de verschuivingen, zijn alleen de enkelvoudige profielen beschreven. De percentages

in deze tabel wijken daarom behoorlijk af van die in de tabellen bij de voorkeur voor de

profielen. Voor VOCL’93 treedt het gecombineerde natuurprofiel op als equivalent voor

het profiel natuur & gezondheid. Voor de havo-leerlingen kijken we naar de gestegen

keuze voor de maatschappijprofielen (van twee derde naar driekwart van de leerlingen).

Deze stijging geldt met name voor het profiel economie & maatschappij. De profielkeuze

van de vwo-leerlingen is nauwelijks veranderd sinds VOCL’93. Voor de volledigheid zijn

de percentages voor het vwo wel opgenomen in de tabellen, maar deze resultaten worden

verder niet besproken. We kijken naar het percentage allochtonen, de scores op de

entreetoetsen en de scores op de beroepenschalen. Eerst kijken we naar het percentage

allochtone leerlingen. De percentages in tabel 38 zijn afgerond op hele getallen.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

99


Tabel 38: Etniciteit per profiel havo en vwo (percentages)

N&t N&g E&m C&m

Havo

Autochtoon’93 (N=1.010) 19 21 19 41

Autochtoon’99 (N=2.263) 12 14 38 36

Allochtoon’93 (N=32) 9 22 19 50

Allochtoon’99 (N=371) 12 10 44 34

Vwo

Autochtoon’93 (N=970) 18 39 13 30

Autochtoon’99 (N=2.254) 15 29 34 22

Allochtoon’93 (N=18) 11 28 11 50

Allochtoon’99 (N=397) 14 28 35 23

In VOCL’99 is het percentage allochtone leerlingen veel hoger dan in VOCL’93. In VOCL’93

kunnen slechts 32 allochtone havo-leerlingen worden ingedeeld in profielen, dus vergelijking

is voor die leerlingen niet goed mogelijk. Uit de tabel blijkt dat de verschillen in keuze

tussen autochtone en allochtone havo-leerlingen niet zo groot zijn als bij de vmbo-leerlingen.

De toegenomen populariteit van de sector economie is niet of nauwelijks toe te

schrijven aan het hogere percentage allochtone leerlingen in VOCL’99. De daling van de

populariteit van de natuurprofielen geldt eveneens zowel voor de autochtone als voor de

allochtone havo-leerlingen.

Vervolgens kijken we naar de gemiddelde scores op de entreetoetsen (tabel 39).

100 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 39: Entreetoetsscores per profiel havo en vwo (percentages)

N&t N&g E&m C&m

Havo

Taal ’93 (N=999) 14,6 14,3 14,1 14,5

Taal ’99 (N=2.539) 13,8 14,4 14,1 14,6

Rekenen ’93 (N=999) 16,0 15,2 14,6 14,1

Rekenen ’99 (N=2.538) 16,1 14,8 14,6 13,7

Informatieverwerking ’93

(N=1.000)

Informatieverwerking ’99

(N=2.520)

15,5 15,3 15,0 14,3

14,5 14,1 14,1 13,9

Vwo

Taal ’93 (N=958) 16,5 16,4 16,0 16,4

Taal ’99 (N=2.534) 15,9 16,2 15,7 16,5

Rekenen ’93 (N=958) 17,7 17,3 16,5 16,1

Rekenen ’99 (N=2.529) 17,6 16,7 16,5 15,6

Informatieverwerking ’93 (N=958) 17,3 16,9 16,7 16,4

Informatieverwerking ’99

16,6 16,0 15,6 15,8

(N=2.513)

In VOCL’99 zijn de gemiddelde scores op de entreetoetsen in het havo lager dan in

VOCL’93. Splitsen we de gegevens echter uit naar de vier profielen, dan zien we een aantal

verschillen. Eerst kijken we naar de entreetoets taal. De daling van het gemiddelde is

enkel toe te schrijven aan de leerlingen met het profiel natuur & techniek. Bij de overige

profielen zijn de gemiddelden in beide cohorten nagenoeg gelijk. Voor de entreetoets rekenen

zien we een lichte daling van het gemiddelde bij de leerlingen met de profielen

natuur & gezondheid en cultuur & maatschappij. Bij de overige profielen zijn de gemiddelden

weer nagenoeg gelijk. Deze verschillen zijn echter vrij klein. Voor de entreetoets

informatieverwerking is de daling van het gemiddelde bij alle profielen zichtbaar. Samengevat

kunnen we stellen dat de dalende populariteit van het profiel natuur & techniek

dus voor een klein deel toe te schrijven is aan het lagere instroomniveau van de leerlingen

wat betreft taal. De toegenomen populariteit van het profiel economie & maatschappij

kan niet door de gemiddeld lagere scores op de entreetoetsen verklaard worden.

Tot slot kijken we naar de beroepenschalen. In VOCL’99 scoren de havo-leerlingen gemiddeld

lager op de beroepenschalen exact, glamour, artistiek en sociaal dan in VOCL’93.

Voor de volledigheid zijn ook de beroepenschalen status en buiten in de tabel opgenomen.

Tabel 40 geeft de resultaten voor de havo-leerlingen.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

101


Tabel 40: Gemiddelden op de beroepenschalen per profiel: havo (percentages)

N&t N&g E&m C&m

Exact ’93 (N=735) 3,0 2,5 2,1 2,2

Exact ’99 (N=1.144) 2,9 2,2 1,9 1,8

Glamour ’93 (N=735) 2,4 2,1 2,3 2,5

Glamour ’99 (N=1.142) 1,9 1,7 2,2 1,9

Artistiek ’93 (N=735) 1,8 1,7 1,9 1,8

Artistiek ’99 (N=1.141) 1,6 1,6 1,7 1,9

Sociaal ’93 (N=732) 2,9 3,1 3,1 3,1

Sociaal ’99 (N=1.132) 2,6 2,9 2,8 3,1

Status ’93 (N=730) 2,6 2,4 2,4 2,5

Status ’99 (N=1.125) 2,5 2,2 2,5 2,3

Buiten ’93 (N=735) 1,5 1,7 1,4 1,5

Buiten ’99 (N=1.146) 1,5 1,7 1,5 1,5

De lagere gemiddelden op de beroepenschalen exact en glamour gelden in meer of mindere

mate voor alle profielen. Het lagere gemiddelde op de schaal artistiek geldt niet

voor de leerlingen met het profiel cultuur & maatschappij. Het gemiddelde is zelfs licht

gestegen. Ook het lagere gemiddelde op de schaal sociaal geldt niet voor deze leerlingen;

het gemiddelde blijft bij deze leerlingen gelijk. Op een enkel klein verschil na kunnen

we stellen dat de gestegen populariteit voor het profiel economie & maatschappij en

de gedaalde populariteit voor de natuurprofielen niet toe te schrijven zijn aan de lagere

gemiddelden op de bovenstaande beroepenschalen. Tabel 41 geeft de resultaten voor de

vwo-leerlingen. Op deze verschillen wordt niet nader ingegaan.

102 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 41: Gemiddelden op de beroepenschalen per profiel: vwo (percentages)

N&t N&g E&m C&m

Exact ’93 (N=731) 2,8 2,5 2,2 1,9

Exact ’99 (N=1.425) 2,7 3,0 2,7 2,9

Glamour ’93 (N=730) 2,6 2,1 2,5 2,5

Glamour ’99 (N=1.427) 2,9 2,1 1,9 1,6

Artistiek ’93 (N=728) 1,8 1,7 1,8 1,9

Artistiek ’99 (N=1.426) 1,7 1,6 1,7 2,0

Sociaal ’93 (N=732) 3,0 3,2 3,0 3,0

Sociaal ’99 (N=1.426) 2,5 2,3 2,7 2,3

Status ’93 (N=731) 2,6 2,5 2,6 2,4

Status ’99 (N=1.437) 2,0 1,7 2,3 2,1

Buiten ’93 (N=731) 1,5 1,6 1,5 1,5

Buiten ’99 (N=1.430) 1,6 1,6 1,5 1,5

Concluderend kunnen we stellen dat de dalende populariteit van het profiel natuur &

techniek bij havo-leerlingen voor een klein deel toe te schrijven is aan het lagere instroomniveau

van de leerlingen wat betreft taal. De lagere gemiddelden op de entreetoetsen

rekenen en informatieverwerking en de lagere gemiddelden op de beroepenschalen

vormen geen alternatieve verklaringen voor de gevonden verschuivingen in

profielkeuze. Het effect van het hogere percentage allochtonen in VOCL’99 is onduidelijk.

Keuze vervolgopleidingen

In dit gedeelte gaan we in op alternatieve verklaringen voor de verschuivingen in de vervolgopleidingen

bij de havo- en vwo-leerlingen. Uit de beschrijving van de doorstroom

van havo- en vwo-leerlingen bleek het volgende. De doorstroom van het havo naar het

hbo is toegenomen en de doorstroom naar het vwo en het mbo is afgenomen. Daarnaast

zijn er in VOCL’99 minder leerlingen in het examenjaar gedoubleerd dan in VOCL’93. De

doorstroom van het vwo naar het wo is toegenomen sinds VOCL’93 en de doorstroom

naar het hbo is afgenomen. Bij het zoeken naar alternatieve verklaringen voor de profielkeuze

in het havo en vwo bleek het effect van het hogere percentage allochtone leerlingen

in VOCL’99 niet duidelijk. Of dit hogere percentage invloed heeft op de keuze voor

de vervolgopleiding wordt hieronder besproken. Aangezien het hbo en wo zeer veel verschillende

richtingen kennen, wordt enkel ingegaan op het soort vervolgopleiding, dus

mbo, hbo of wo. Het is aannemelijk dat de andere achtergrondfactoren en instroomkenmerken

niet hebben bijgedragen aan de verschuivingen, aangezien deze effecten dan

ook bij de profielkeuze duidelijk waren geworden. Een uitzondering betreft de gemiddelde

score op de entreetoets taal. Het verschil in gemiddelden dat bij de uitsplitsing naar

profielen naar voren kwam, is echter klein en heeft vermoedelijk geen invloed op de keuze

voor het vervolgonderwijs. Aanvullend dient opgemerkt te worden dat geen uitsplitsing

naar profielen is gemaakt, omdat in VOCL’93 veel leerlingen niet in een profiel inge-

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

103


deeld konden worden. We kijken weer naar de onvertraagde leerlingen. Tabel 42 geeft

een overzicht van de keuzepercentages. De percentages zijn afgerond op hele getallen.

Tabel 42: Keuzepercentages vervolgonderwijs, uitgesplitst naar etniciteit (percentages en

totalen)

Havo

Vwo

Autochtoon Allochtoon Autochtoon Allochtoon

Vertrokken ’93 14 18 21 36

Vertrokken ’99 7 7 15 21

Mbo ’93 12 6


5.2 Samenvatting

In dit hoofdstuk hebben we gezocht naar alternatieve verklaringen voor de gevonden

verschillen tussen de cohorten. We zijn ingegaan op de relaties tussen achtergrond- en

instroomkenmerken en beroepsperspectieven enerzijds en de keuzen voor de profielen/

sectoren en vervolgopleidingen anderzijds. Aangezien niet van alle leerlingen de achtergrond-

en instroomkenmerken bekend zijn, dient rekening te worden gehouden met missing

cases. In paragraaf 4.1 bespraken we de achtergrond- en instroomkenmerken van de

vmbo-leerlingen. Vervolgens werden in paragraaf 4.2 de relaties besproken tussen deze

kenmerken en de gevonden resultaten in hoofdstuk 2. In paragraaf 4.3 bespraken we de

kenmerken van de havo- en vwo-leerlingen en in paragraaf 4.4 de relaties tussen deze

kenmerken en de gevonden resultaten in hoofdstuk 3.

Eerst hebben we gekeken naar de achtergrond- en instroomkenmerken van de vmboleerlingen.

Het opleidingsniveau van de ouders van de vmbo-leerlingen is tussen de cohorten

iets gestegen. Het advies van de basisschool is daarentegen behoorlijk gestegen.

De vmbo-leerlingen hadden in VOCL’99 dus gemiddeld een hoger advies gekregen dan

de vmbo-leerlingen in VOCL’93. Het percentage allochtonen is ook behoorlijk gestegen.

Tussen VOCL’93 en VOCL’99 zijn de scores op de entreetoetsen rekenen en taal gestegen

en is de score op de entreetoets informatieverwerking gedaald. Dit betekent dat het algemene

instroomniveau van de leerlingen wat betreft rekenen en taal licht is gestegen

en wat betreft informatieverwerking licht is gedaald.

Vervolgens hebben we gekeken of er een relatie bestaat tussen de achtergrond- en instroomkenmerken

en de gevonden resultaten in de eerdere hoofdstukken. Dit resulteerde

in de volgende conclusies. De toegenomen populariteit van de sector economie in het

vmbo is deels toe te schrijven aan het hogere percentage allochtone vmbo-laag-leerlingen

in VOCL’99. Voor de overige verschuivingen (in het bijzonder de afnemende populariteit

voor de sector techniek) is geen alternatieve verklaring gevonden. De afgenomen

populariteit van de sector economie in het mbo bij de vmbo-hoog-leerlingen is slechts

gedeeltelijk toe te schrijven aan het hogere percentage allochtone leerlingen. Voor de

overige verschuivingen in de keuzes voor het vervolgonderwijs is op grond van deze gegevens

geen alternatieve verklaring te vinden.

De resultaten voor de havo- en vwo-leerlingen zijn als volgt. Het eerste en grootste verschil

tussen VOCL’93 en VOCL’99 betreft het percentage allochtone leerlingen. In VOCL’93

ligt het percentage allochtonen op 2 à 3%, terwijl in VOCL’99 het percentage varieert van

14 tot 20%. Het tweede verschil betreft het percentage jongens. In VOCL’99 is het percentage

jongens in het havo wel gestegen ten opzichte van VOCL’93, maar zijn jongens nog

steeds ondervertegenwoordigd. Het derde verschil betreft de resultaten op de entreetoetsen.

Over het algemeen zijn de scores op de entreetoetsen gedaald sinds VOCL’93.

Dit betekent dat het algemene instroomniveau van de leerlingen in havo en vwo licht gedaald

is. Het vierde verschil betreft de interesses van de leerlingen, geanalyseerd aan de

hand van de beroepenschalen. De gemiddelden op de beroepenschalen sociaal, exact, artistiek

en glamour zijn voor zowel havo-als vwo-leerlingen gedaald sinds VOCL’93. De interesse

voor beroepen met deze kenmerken is dus afgenomen.

Ook voor de havo- en vwo-leerlingen hebben we gekeken naar de relaties tussen de achtergrond-

en instroomkenmerken en de keuze voor de profielen en het vervolgonderwijs.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

105


Samenvattend kunnen we stellen dat de dalende populariteit van het profiel natuur &

techniek bij havo-leerlingen voor een klein deel toe te schrijven is aan het lagere instroomniveau

van de leerlingen wat betreft taal. De lagere gemiddelden op de entreetoetsen

rekenen en informatieverwerking en de lagere gemiddelden op de beroepenschalen

vormen geen alternatieve verklaringen voor de gevonden verschuivingen in

profielkeuze. Het effect van het hogere percentage allochtonen in VOCL’99 is onduidelijk.

Verder kunnen we stellen dat het hogere percentage allochtone leerlingen in VOCL’99

geen alternatieve verklaring kan vormen voor de toegenomen populariteit van het hbo

bij havo-leerlingen en de toegenomen populariteit van het wo bij vwo-leerlingen.

106 Onderwijsraad, november 2007


6 Conclusies

In dit laatste hoofdstuk proberen we een antwoord te geven op de onderzoeksvragen die

op basis van de VOCL-gegevens kunnen worden beantwoord. De onderzoeksvragen worden

één voor één behandeld.

Onderzoeksvraag A

Welke gevolgen heeft de invoering van de leerwegen in het vmbo gehad voor de doorstroming

naar mbo, havo en vwo?

Doorstroom naar het mbo

De populariteit van de sector economie in het vmbo is toegenomen, met name bij de

vmbo-hoog-leerlingen. Deze toename is deels toe te schrijven aan het hogere percentage

allochtone vmbo-laag-leerlingen in VOCL’99. Voor de overige verschuivingen (in het bijzonder

de afnemende populariteit voor de sector techniek) is geen alternatieve verklaring

gevonden op basis van de achtergrond- en instroomkenmerken van de leerlingen.

De sector landbouw wordt in beide cohorten nauwelijks gekozen. Lang niet alle vmboleerlingen

kiezen voor een met hun vmbo-sector corresponderende mbo-sector. Dit is

met name het geval bij leerlingen met het vmbo-profiel landbouw en economie. Behalve

de corresponderende mbo-sector kiezen deze leerlingen relatief vaak voor de mbo-sector

zorg & welzijn. Bij de leerlingen met de vmbo-sector landbouw is de doorstroom naar

de mbo-sector zorg & welzijn zelfs groter dan de doorstroom naar de corresponderende

sector. Verreweg de meeste leerlingen die in het eerste jaar van het mbo een bepaalde

sector gekozen hebben, volgen ook het tweede jaar diezelfde sector (rond de 80%). Voor

het studiesucces in het mbo geldt voor alle sectoren dat de meest ‘logische’ vooropleiding

de beste aansluiting op de mbo-sector is. Tot slot is de ongediplomeerde doorstroom

naar het mbo toegenomen.

Hieruit kunnen we concluderen dat de spreiding van de leerlingen over de sectoren in

zowel het vmbo als het mbo zeer ongelijk is. In het vmbo is vooral de sector economie

populair, terwijl de sector landbouw nauwelijks gekozen wordt. Bovendien kiezen lang

niet alle leerlingen een corresponderende mbo-sector.

Doorstroom naar het havo en vwo

In VOCL’99 zit zo’n 80% van de gediplomeerde vmbo-leerlingen die doorgestroomd zijn

naar het havo, na een jaar al niet meer op het havo. De aansluiting van het vmbo op het

havo lijkt erg problematisch te verlopen, al weten we van deze leerlingen niet zeker of

het schoolverlaters of enkel cohortverlaters betreft. Nader onderzoek naar de aansluiting

tussen het vmbo (gediplomeerd) en het havo is wenselijk. De ongediplomeerde opstroom

vanuit de eerste klas vmbo naar de tweede klas havo of vwo is in beide cohorten 1,6%.

In VOCL’93 betreft de opstroom in de overige leerjaren slechts enkele leerlingen. In

VOCL’99 is de opstroom vanuit de tweede klas van het vmbo naar de derde klas van het

havo of vwo ongeveer 1%. Ook in VOCL’99 is de overige opstroom verwaarloosbaar.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

107


Mogelijk biedt de huidige programmastructuur (te) weinig mogelijkheden om opstroom

naar het havo mogelijk te maken.

Hieruit kunnen we concluderen dat vroegtijdige opstroom naar het havo/vwo een betere

route lijkt dan opstroom na het vmbo-diploma. De overgang van het vmbo naar het havo

zorgt voor nogal wat problemen en werkt vroegtijdige uitval in de hand. De aansluiting

van het vmbo op het havo is duidelijk verslechterd.

Onderzoeksvraag B

Hoe verhoudt de nieuwe leerlijn vmbo-mbo-hbo zich tot de oude route mavo-havo-hbo?

De nieuwe leerlijn vmbo-mbo-hbo heeft vooralsnog de oude route mavo-havo-hbo niet

vervangen. De onvertraagde doorstroom van het vmbo via het havo naar het hbo verloopt

problematisch, gezien het feit dat slechts weinig leerlingen doorstromen naar het

havo en daar bovendien vaak voortijdig uitvallen. De invoering van het vmbo heeft daarin

vooralsnog geen veranderingen teweeggebracht. De vraag naar de doorstroom vanuit

het vmbo via het mbo naar het hbo kan momenteel nog niet beantwoord worden, omdat

deze leerlijn minimaal acht cohortjaren in beslag neemt.

Onderzoeksvraag E

Welke gevolgen heeft de invoering van de profielen in havo/vwo gehad voor de doorstroming

naar vwo, mbo, hbo en wo?

Doorstroom havo-leerlingen naar vwo

De doorstroom naar het vwo is afgenomen (alleen bij de onvertraagde leerlingen). In beide

cohorten is bijna driekwart van de leerlingen die doorgestroomd zijn naar het vwo,

daar gebleven. Een deel van de overige leerlingen is alsnog overgestapt naar het hbo.

Een opvallend resultaat is dat in VOCL’93 de natuurprofielen beter aansluiten op het vwo

dan de maatschappijprofielen. In VOCL’99 echter is dit patroon niet terug te vinden.

Doorstroom havo-leerlingen naar het mbo

De doorstroom van het havo naar het mbo is afgenomen. De leerlingen die doorstromen

naar het mbo kiezen in VOCL’93 vooral voor mbo-economie. In VOCL’99 wordt naast

mbo-economie ook mbo-zorg & welzijn veel gekozen. De doorstroom vanuit de profielen

naar de verschillende sectoren ligt over het algemeen in de te verwachten richting. Bij de

havo-leerlingen hebben we ook gekeken naar de doorstroom van het eerste naar het

tweede jaar van de vervolgopleiding. Steeds meer havo-leerlingen wisselen na of tijdens

het eerste mbo-jaar van studie of vertrekken uit het onderwijs. In beide cohorten stromen

evenveel leerlingen vanuit het mbo door naar het hbo (ruim 10%).

Doorstroom havo-leerlingen naar het hbo en wo

De doorstroom van het havo naar het hbo is groter geworden. De leerlingen die doorstromen

naar het hbo kiezen in beide cohorten het vaakst voor de richting heo. Ook het

percentage leerlingen dat zowel in het eerste als het tweede jaar op het hbo zit, is nagenoeg

gelijkgebleven (bijna 90%). Het studiesucces blijkt voor een gedeelte afhankelijk

van het gevolgde profiel in het havo. Uit een vergelijking met VOCL’93 blijkt dat de aansluiting

op de vervolgopleidingen van ‘logische’ profielen niet verbeterd is en zien we

bovendien dat de aansluiting van minder ‘logische’ profielen verslechterd is. De afstroom

vanaf het hbo naar het mbo en de opstroom van het hbo naar het wo is laag (


aansluiting tussen de profielen en de richting in het hbo is bij de meeste studierichtingen

afgenomen.

Doorstroom vwo-leerlingen naar het hbo

De doorstroom naar het hbo is afgenomen. Net als bij de havo-leerlingen is van de hborichtingen

het heo het populairst.

Doorstroom vwo-leerlingen naar het wo

De doorstroom van het vwo naar het wo is toegenomen sinds VOCL’93. De populariteit

van de technische wetenschappen en rechtsgeleerdheid is afgenomen en de populariteit

van geneeskunde en economische wetenschappen is toegenomen. De aansluiting tussen

de profielen en de richting in het wo is bij de meeste studierichtingen afgenomen. Een

uitzondering hierop zijn de technische wetenschappen, die meer dan voorheen worden

gekozen door de leerlingen met het profiel natuur & techniek, die voorheen ook vaak kozen

voor economische wetenschappen. Daar staat tegenover dat de leerlingen met het

profiel natuur & gezondheid minder vaak dan voorheen kiezen voor de technische wetenschappen,

en ook voor wis- en natuurkunde.

Onderzoeksvraag G

Verschillen de effecten van de profielen voor het havo van de effecten voor het vwo?

Zoals bij het antwoord op onderzoeksvraag E al bleek, verschillen de effecten van de

profielen voor het havo enigszins van de effecten voor het vwo. Bij de havo-leerlingen is

de populariteit van de maatschappijprofielen enorm gestegen. In VOCL’93 viel twee derde

van de leerlingen binnen de maatschappijprofielen; in VOCL’99 heeft maar liefst driekwart

van de leerlingen een maatschappijprofiel gekozen. Met name het profiel economie

& maatschappij is zeer populair. Aan de andere kant geldt dat, in tegenstelling tot de

havo-leerlingen, de vwo-leerlingen redelijk eerlijk verdeeld zijn over de maatschappij- en

natuurprofielen. In VOCL’99 kiezen vwo-leerlingen vaker dan havo-leerlingen het profiel

natuur & gezondheid en minder vaak economie & maatschappij en cultuur & maatschappij.

In tegenstelling tot de profielkeuzen is het effect op de keuze voor het soort vervolgonderwijs

(hbo, wo) voor havo en vwo gelijk. Havo-leerlingen kiezen steeds vaker voor

het hbo en vwo-leerlingen steeds vaker voor het wo.

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

109


7 Nabeschouwing

Uit de resultaten tot dusver blijkt een aantal duidelijke trends. In de eerste plaats zien we

dat de doorstroom vanuit het vmbo naar het havo nog steeds problematisch is. Steeds

meer leerlingen stromen vanuit het vmbo door naar het mbo. Binnen het vmbo is de sector

economie het meest populair, binnen het mbo worden de richtingen economie en

zorg & welzijn het vaakst gekozen. Daarbij zien we dat de keuze van de richting lang

niet altijd aansluit bij de sector die in het vmbo is gevolgd. Bovendien wordt na het eerste

jaar in het mbo vaak van richting veranderd of is sprake van voortijdige uitval. Desondanks

lijken leerlingen na het vmbo een redelijk goede keuze wat betreft sector te

kunnen maken, aangezien het overgrote deel van de leerlingen binnen het mbo dezelfde

sector blijft volgen. Dit leidt tot de vraag of het onderwijsaanbod in het vmbo wellicht –

na de basisvorming – toch te specifiek is. Verbreding van het aanbod met het vak economie

in alle vmbo-sectoren zou wenselijk zijn. Hierdoor wordt wellicht ook de doorstroom

vanuit het vmbo naar het havo vergemakkelijkt. Daarnaast blijkt ook dat de meeste leerlingen

die in het vmbo de sector landbouw hebben gedaan, in het mbo kiezen voor de

sector zorg & welzijn. Wellicht moet de sector landbouw onderdeel worden van de sector

zorg & welzijn. De tweede trend die we zien is dat door de invoering van de profielen de

doorstroom van het havo naar het vwo ongebruikelijker is geworden. Leerlingen die hier

wel voor kiezen, maken het vwo meestal wel af. Dus de doorstroom is niet moeilijker geworden.

Ook zien we dat door de invoering van de profielen de doorstroom naar het

mbo is afgenomen. Veel leerlingen die deze route volgen, ronden de mbo-opleiding niet

af. Hier staat tegenover dat sinds de invoering van de profielen de ‘koninklijke weg’ van

havo naar hbo steeds vaker gekozen wordt. Hetzelfde geldt voor de doorstroom van

vwo naar wo. Deze trend komt overeen met de algemene beleidswensen. Echter de aansluiting

tussen de profielen en de richting in het hbo en wo is bij de meeste studierichtingen

afgenomen. Het lijkt erop dat steeds meer leerlingen kiezen voor een profiel dat zo

veel mogelijk opties biedt voor toelating tot vervolgstudies, en dan met name voor studies

die een gunstig carrièreperspectief hebben. In het havo wordt het vaakst gekozen

voor de maatschappijprofielen, en in het wo voor de profielen natuur & gezondheid en

economie & maatschappij. Deze profielen geven toegang tot vrijwel alle studierichtingen,

en bovendien tot de meest perspectiefrijke. Dit leidt er vervolgens toe dat de feitelijke

keuze van de vervolgstudie zeer breed gespreid is. De uitzondering hierop zijn de vwoleerlingen

met een profiel natuur & techniek, die meer dan voorheen kiezen voor een

technische studie in het wo. Na het eerste studiejaar veranderen bovendien veel studenten

weer van richting. Een mogelijke verklaring hiervoor kan zijn dat steeds meer studenten

pas tijdens het eerste jaar van de vervolgopleiding erachter komen wat ze interessant

vinden en wat ze willen worden (of wat in ieder geval niet). Net als bij het vmbo

leidt dit alles tot de vraag of ook het onderwijsaanbod in het havo en vwo niet te specifiek

is. De voorstellen van de profielcommissies voor twee brede profielen – een natuurprofiel

en een maatschappijprofiel – sluiten uitstekend bij deze bevindingen aan. Het zou

echter wenselijk zijn om in ieder geval het vak economie verplicht op te nemen in deze

beide brede profielen.

110 Onderwijsraad, november 2007


Afkortingen

bl

CBS

gl

hbo

heo

hgzo

hko

hpo

hsao

hto

kl

lvbo

lwoo

mbo

OCW

tl

vbo

vmbo

VOCL

wo

basisberoepsgerichte leerweg

Centraal Bureau voor de Statistiek

gemengde leerweg

hoger beroepsonderwijs

hoger economisch onderwijs

hoger gezondheidszorg onderwijs

hoger kunstonderwijs

hoger pedagogisch onderwijs

hoger sociaal-agogisch onderwijs

hoger technisch onderwijs

kaderberoepsgerichte leerweg

lager voorbereidend beroepsonderwijs

leerwegondersteunend onderwijs

middelbaar beroepsonderwijs

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

theoretische leerweg

voorbereidend beroepsonderwijs

voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

Voortgezet Onderwijs Cohort Leerlingen

wetenschappelijk onderwijs

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

111


Figurenlijst

Tabel 1: Leerlingen in vmbo-laag en vmbo-hoog in VOCL’93 en VOCL’99 (aantallen) 54

Tabel 2: Examenresultaten vmbo-laag (percentages en totalen) 56

Tabel 3: Examenresultaten vmbo-hoog (percentages en totalen) 56

Tabel 4: Examenresultaten onvertraagde vmbo-laag-leerlingen, uitgesplitst naar sector 57

(percentages)

Tabel 5: Examenresultaten onvertraagde vmbo-hoog-leerlingen VOCL’93, uitgesplitst naar 58

profiel (percentages en totalen)

Tabel 6: Examenresultaten onvertraagde vmbo-hoog-leerlingen VOCL’99, uitgesplitst naar 58

sector (percentages en totalen)

Tabel 7: Examenresultaten vertraagde vmbo-laag-leerlingen, uitgesplitst naar sector (percentages) 59

Tabel 8: Examenresultaten vmbo-hoog-leerlingen VOCL’93, uitgesplitst naar profiel (percentages59

en totalen)

Tabel 9: Examenresultaten vmbo-hoog-leerlingen VOCL’99, uitgesplitst naar sector (percentages60

en totalen)

Tabel 10: Doorstroom onvertraagde vmbo-leerlingen met diploma (percentages en totalen) 61

Tabel 11: Doorstroom vertraagde vmbo-leerlingen met diploma (percentages en totalen) 62

Tabel 12: Doorstroom gediplomeerde vmbo-hoog-leerlingen naar het havo, uitgesplitst 64

naar sector en profiel: VOCL’99 (percentages en totalen)

Tabel 13: Opstroom vmbo naar havo en/of vwo: cohortjaar 1 x cohortjaar 2 (aantallen) 65

Tabel 14: Opstroom vmbo naar havo en/of vwo: cohortjaar 2 x cohortjaar 3 (aantallen) 65

Tabel 15: Opstroom vmbo naar havo en/of vwo: cohortjaar 3 x cohortjaar 4 (aantallen) 66

Tabel 16: Opstroom vmbo naar havo en/of vwo: cohortjaar 4 x cohortjaar 5 (aantallen) 67

Tabel 17: Opstroom ongediplomeerde vmbo-leerlingen ten opzichte van advies (aantallen) 67

Tabel 18: Doorstroom binnen mbo: cohortjaar 5 x cohortjaar 6 (percentages) 68

Tabel 19: Voorkeur voor sectoren en profielen vmbo-leerlingen (percentages) 70

Tabel 20: Examenresultaten havo (percentages en totalen) 75

Tabel 21: Examenresultaten doubleurs havo-5 (percentages en totalen) 76

Tabel 22: Examenresultaten onvertraagde havo-leerlingen, uitgesplitst naar profiel (percentages) 77

Tabel 23: Examenresultaten vertraagde havo-leerlingen, uitgesplitst naar profiel (percentages) 77

Tabel 24: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen: 1998/1999 en 2004/2005 (percentages) 78

Tabel 25: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen: 1999/2000 en 2005/2006 (percentages) 79

Tabel 26: Examenresultaten onvertraagde vwo-leerlingen (percentages en totalen) 84

Tabel 27: Examenresultaten doubleurs vwo-6 (percentages en totalen) 84

Tabel 28: Examenresultaten onvertraagde vwo-leerlingen, uitgesplitst naar profielen (percentages)85

Tabel 29: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen: 1999/2000 en 2005/2006 (percentages 86

en totalen)

Tabel 30: Voorkeur voor profielen (percentages) 88

Tabel 31: Achtergrond- en instroomkenmerken vmbo (percentages) 92

Tabel 32: Opleidingsniveau van de ouders per sector vmbo (percentages) 93

Tabel 33: Basisschooladvies per sector vmbo (percentages) 94

Tabel 34: Etniciteit per sector vmbo (percentages) 94

112 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 35: Entreetoetsscores per sector vmbo (percentages) 95

Tabel 36: Keuzepercentages vervolgonderwijs, uitgesplitst naar etniciteit (percentages en totalen) 96

Tabel 37: Achtergrond- en instroomkenmerken havo en vwo (percentages) 98

Tabel 38: Etniciteit per profiel havo en vwo (percentages) 100

Tabel 39: Entreetoetsscores per profiel havo en vwo (percentages) 101

Tabel 40: Gemiddelden op de beroepenschalen per profiel: havo (percentages) 102

Tabel 41: Gemiddelden op de beroepenschalen per profiel: vwo (percentages) 103

Tabel 42: Keuzepercentages vervolgonderwijs, uitgesplitst naar etniciteit (percentages en totalen) 104

Tabel 43: Doorstroom onvertraagde vmbo-laag-leerlingen met diploma, uitgesplitst naar B.1-116

sector (percentages en totalen)

Tabel 44: Doorstroom onvertraagde vmbo-hoog-leerlingen VOCL’99 met diploma, uitgesplitst B.1-116

naar sector (percentages en totalen)

Tabel 45: Doorstroom onvertraagde vmbo-hoog-leerlingen VOCL’93 met diploma, uitgesplitst B.1-117

naar profiel (percentages en totalen)

Tabel 46: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen VOCL’93 totaal (percentages en totalen) B.1-118

Tabel 47: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen VOCL’99 totaal (percentages en totalen) B.1-118

Tabel 48: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen VOCL’93 mbo (percentages en totalen) B.1-118

Tabel 49: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen VOCL’99 mbo (percentages en totalen) B.1-118

Tabel 50: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen VOCL’93 hbo (percentages en totalen) B.1-119

Tabel 51: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen VOCL’99 hbo (percentages en totalen) B.1-119

Tabel 52: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen VOCL’93 totaal (percentages en totalen) B.1-119

Tabel 53: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen VOCL’99 totaal (percentages en totalen) B.1-120

Tabel 54: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen VOCL’93 mbo (percentages en totalen) B.1-120

Tabel 55: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen VOCL’99 mbo (percentages en totalen) B.1-120

Tabel 56: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen VOCL’93 hbo (percentages en totalen) B.1-120

Tabel 57: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen VOCL’99 hbo (percentages en totalen) B.1-121

Tabel 58: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen binnen vervolgopleiding VOCL’93 B.1-121

(percentages en totalen)

Tabel 59: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen binnen vervolgopleiding VOCL’99 B.1-121

(percentages en totalen)

Tabel 60: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen met profiel natuur & techniek binnen B.1-122

vervolgopleiding (percentages en totalen)

Tabel 61: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen met profiel natuur & techniek en natuur B.1-122

& gezondheid (VOCL’93) en natuur & gezondheid (VOCL’99) binnen vervolgopleiding

(percentages en totalen)

Tabel 62: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen met profiel economie & maatschappij B.1-122

binnen vervolgopleiding (percentages en totalen)

Tabel 63: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen met profiel cultuur & maatschappij B.1-123

binnen vervolgopleiding (percentages en totalen)

Tabel 64: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’93 totaal (percentages en totalen) B.1-123

Tabel 65: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’99 totaal (percentages en totalen) B.1-123

Tabel 66: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’93 mbo (percentages en totalen) B.1-124

Tabel 67: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’99 mbo (percentages en totalen) B.1-124

Tabel 68: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’93 hbo (percentages en totalen) B.1-124

Tabel 69: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’99 hbo (percentages en totalen) B.1-125

Tabel 70: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’93 wo (percentages en totalen) B.1-125

Tabel 71: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’99 wo (percentages en totalen) B.1-125

Breed of smal opleiden in het voortgezet onderwijs

113


Literatuur

Hustinx, P.W.J., Kuyper, H., Werf, M.P.C. van der & Zijsling, D.H. (2005). Beschrijving leerlingbestanden

VOCL’93. Groningen: GION.

Korpershoek, H., Kuyper, H. & Werf, M.P.C. van der (2006). Havo-5 en vwo-5 en de tweede fase; de

bovenbouwstudie van VOCL’99. Groningen: GION.

Kuyper, H. & Guldemond, H. (1996). Vakkenpakketkeuze en toekomstperspectief van VOCL’89 leerlingen

in havo-5 en vwo-5. Groningen, GION.

Kuyper, H. & Werf, M.P.C. van der (2003). VOCL’99: de resultaten in het eerste leerjaar. Groningen:

GION.

Kuyper, H. & Werf, M.P.C. van der (2005). VOCL’99-3: Prestaties en opvattingen van leerlingen in de

derde klas van het voortgezet onderwijs. Groningen: GION.

Kuyper, H., Werf, M.P.C. van der & Lubbers, M.J. (1999). Tussen basisvorming en studiehuis.

Groningen: GION.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen (1995). Beleidsreactie op ‘De Tweede Fase vernieuwt’:

tweede advies van de Stuurgroep Profiel Tweede Fase. Den Haag: SDU.

Zijsling, D.H., Kuyper, H., Lubbers, M.J. & Werf, M.P.C. van der (2005). VOCL’99-3 Technisch rapport.

Groningen: GION.

114 Onderwijsraad, november 2007


Bijlage 1


Tabellen

Bijlage B.1-115


Tabel 43: Doorstroom onvertraagde vmbo-laag-leerlingen met diploma, uitgesplitst naar sector (percentages en totalen)

Mbo-techniek Mbo-economie Mbozorg&welzijn

Mbolandbouw

Havo Vertrokken

Overig

N

1/2 3/4 1/2 3/4 1/2 3/4 1/2 3/4

Techniek ‘93 3,7 20,9 1,3 2,9 0,0 2,3 0,0


Tabel 45: Doorstroom onvertraagde vmbo-hoog-leerlingen VOCL’93 met diploma, uitgesplitst naar profiel (percentages en totalen)

Mbo-techniek Mbo-economie Mbozorg&welzijn

Mbo-landbouw Havo Vertrokken

Overig

N

1/2 3/4 1/2 3/4 1/2 3/4 1/2 3/4

Geen profiel 0,2 4,3 0,6 21,3 0,0 42,5 0,0 0,2 12,6 17,2 1,0 926

Natuur & techniek 0,3 54,0 0,2 7,0 0,0 10,3 0,0 0,0 14,5 12,4 1,3 613

Natuur & gezondheid 0,2 20,8 0,3 6,8 0,0 36,5 0,2 0,2 20,7 13,8 0,4 998

Economie & maatschappij

0,0 6,1 2,5 24,8 0,0 34,4 0,0 0,3 15,0 16,3 0,6 326

Cultuur & maatschappij

0,2 3,3 0,8 40,5 0,0 27,0 0,0 0,2 14,9 12,2 1,0 518

Combinaties 0,5 19,4 0,5 37,6 0,0 11,0 0,1 0,0 19,3 11,2 0,5 1.225

Bijlage B.1-117


Tabel 46: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen VOCL’93 totaal (percentages en

totalen)

N&t N&t/

N&g

E&m C&m Overig Totaal

Vertrokken 8,6 12,1 11,9 13,1 16,2 13,7

Havo 9,1 11,2 13,4 15,4 19,9 16,0

Vwo 24,7 18,8 13,9 10,5 10,4 13,3

Mbo 8,6 9,0 8,8 16,1 11,2 11,5

Hbo 49,0 48,9 52,1 45,0 42,3 45,5

N 198 223 194 429 810 1.854

Tabel 47: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen VOCL’99 totaal (percentages en

totalen)

N&t N&g E&m C&m Overig Totaal

Vertrokken 2,6 7,5 6,5 10,0 8,5 7,4

Havo 9,3 10,6 9,6 6,5 39,4 9,4

Vwo 10,2 7,8 5,4 3,1 5,6 5,5

Mbo 2,2 5,6 4,0 7,5 4,2 5,2

Hbo 75,4 68,6 74,5 72,9 42,3 72,4

Onbekend 0,3 0,0 0,0 0,0 0,0


Tabel 50: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen VOCL’93 hbo (percentages en totalen)

N&t N&t/

N&g

E&m C&m Overig Totaal

Hbo-hto 63,9 40,4 6,9 3,1 7,6 17,2

Hbo-hao 4,1 11,9 1,0 0,5 2,6 3,3

Hbo-hgzo 5,2 24,8 4,0 5,2 13,7 11,0

Hbo-heo 16,5 11,0 45,5 58,0 24,2 31,9

Hbo-hsao 2,1 3,7 14,9 11,9 15,5 11,5

Hbo-hko 2,1 0,9 4,0 1,0 3,8 2,6

Hbo-hpo 6,2 7,3 23,8 20,2 32,7 22,4

N 97 109 101 193 343 843

Tabel 51: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen VOCL’99 hbo (percentages en totalen)

N&t N&g E&m C&m Overig Totaal

Hbo-hto 75,4 29,1 4,9 2,2 60,0 16,3

Hbo-hao 5,1 6,5 0,9 0,1 0,0 1,8

Hbo-hgzo 0,4 28,3 4,4 9,6 3,3 8,7

Hbo-heo 13,1 8,9 61,7 28,9 6,7 37,0

Hbo-hsao 0,8 8,1 11,8 23,0 10,0 13,9

Hbo-hko 0,4 1,6 1,7 5,4 6,7 2,9

Hbo-hpo 4,7 17,4 14,6 30,8 13,3 19,4

N 236 247 773 686 30 1.972

Tabel 52: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen VOCL’93 totaal (percentages en totalen)

N&t N&t/

N&g

E&m C&m Overig Totaal

Vertrokken 23,1 25,9 30,2 22,9 30,3 27,8

Havo 3,8 6,0 6,2 8,6 7,6 7,1

Vwo 3,1 4,6 1,3 2,6 3,2 3,0

Mbo 8,8 10,2 12,0 14,0 10,9 11,4

Hbo 61,3 53,2 50,2 51,9 48,0 50,7

N 160 216 225 349 905 1.855

Bijlage B.1-119


Tabel 53: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen VOCL’99 totaal (percentages en totalen)

N&t N&g E&m C&m Overig Totaal

Vertrokken 16,9 17,4 16,2 20,4 25,0 18,1

Havo 7,1 6,8 9,8 7,0 13,5 8,2

Vwo 1,9 4,6 1,6 1,9 9,6 2,4

Mbo 1,9 4,6 4,0 4,1 3,8 4,0

Hbo 72,1 65,5 68,0 65,1 48,1 66,4

Wo 0,0 0,0 0,1 0,2 0,0 0,1

Onbekend 0,0 1,1 0,3 1,4 0,0 0,7

N 154 281 747 633 52 1.867

Tabel 54: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen VOCL’93 mbo (percentages en totalen)

N&t N&t/

N&g

E&m C&m Overig Totaal

Mbo-techniek 78,6 50,0 40,7 12,2 24,2 29,9

Mbo-economie 7,1 18,2 48,1 65,3 47,5 46,0

Mbo-zorg & welzijn 7,1 22,7 7,4 22,4 24,2 20,4

Mbo-landbouw 7,1 9,1 3,7 0,0 4,0 3,8

N 14 22 27 49 99 211

Tabel 55: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen VOCL’99 mbo (percentages en totalen)

N&t N&g E&m C&m Overig Totaal

Mbo-techniek 100,0 30,8 26,7 15,4 50,0 27,0

Mbo-economie 0,0 15,4 46,7 26,9 0,0 31,1

Mbo-zorg & welzijn 0,0 23,1 16,7 50,0 50,0 29,7

Mbo-landbouw 0,0 30,8 10,0 7,7 0,0 12,2

N 3 13 30 26 2 74

Tabel 56: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen VOCL’93 hbo (percentages en totalen)

Nt N&t/

N&g

E&m C&m Overig Totaal

Hbo-hto 68,4 40,9 8,0 5,0 8,8 18,1

Hbo-hao 2,0 8,7 0,0 1,7 1,6 2,3

Hbo-hgzo 0,0 22,6 7,1 7,2 10,8 10,0

Hbo-heo 21,4 10,4 56,6 50,3 34,1 35,7

Hbo-hsao 0,0 5,2 10,6 13,8 14,5 11,3

Hbo-hko 1,0 0,0 1,8 2,2 2,5 1,9

Hbo-hpo 7,1 12,2 15,9 19,9 27,6 20,7

N 98 115 113 181 434 941

B.1-120 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 57: Doorstroom vertraagde havo-leerlingen VOCL’99 hbo (percentages en totalen)

N&t N&g E&m C&m Overig Totaal

Hbo-hto 74,8 35,3 6,1 2,4 44,0 16,1

Hbo-hao 0,9 2,7 0,8 0,5 0,0 1,0

Hbo-hgzo 2,7 23,4 3,3 8,7 16,0 8,3

Hbo-heo 15,3 9,2 68,9 29,1 20,0 41,0

Hbo-hsao 1,8 13,0 9,6 25,2 8,0 14,6

Hbo-hko 0,9 2,7 1,0 4,6 0,0 2,4

Hbo-hpo 3,6 13,6 10,2 29,4 12,0 16,5

N 111 184 508 412 25 1.240

Tabel 58: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen binnen vervolgopleiding VOCL’93

(percentages en totalen)

1999/2000

Mbo Hbo Wo Vwo Havo N

(1.854)

1998/1999

Vertrokken 100,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 254

Mbo 7,9 79,0 13,1 0,0 0,0 0,0 214

Hbo 9,1 2,1 87,7 1,1 0,0 0,0 843

Vwo 9,3 2,4 15,8 0,4 71,7 0,4 247

Havo 27,4 16,2 54,1 0,0 2,0 0,3 296

Tabel 59: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen binnen vervolgopleiding VOCL’99

(percentages en totalen)

2005/2006

Vertrokken

Vertrokken

Mbo Hbo Wo Vwo Havo Onbekend

N

(2.722)

2004/2005

Vertrokken 47,5 4,5 44,6 2,5 0,0 0,5 0,5 202

Mbo 14,8 62,7 12,7 0,0 0,0 0,7 9,2 142

Hbo 8,5 2,9 85,9 2,0 0,2 0,2 0,4 1.972

Vwo 6,0 0,0 12,1 6,0 75,2 0,0 0,7 149

Havo 17,6 5,9 70,3 0,8 2,3 2,7 0,4 256

Onbekend 0,0 100,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 1

Bijlage B.1-121


Tabel 60: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen met profiel natuur & techniek binnen

vervolgopleiding (percentages en totalen)

VOCL’93

VOCL’99

N % N %

Vervolgopleiding

Mbo-techniek 10 70,0

Hbo-hto 62 90,3 148 83,1

Hbo-hao 12 75,0

Hbo-heo 16 87,5 31 74,2

Hbo-hpo 11 45,5

Vwo 49 81,6 32 75,0

Tabel 61: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen met profiel natuur & techniek en

natuur & gezondheid (VOCL’93) en natuur & gezondheid (VOCL’99) binnen vervolgopleiding

(percentages en totalen)

VOCL’93

VOCL’99

N % N %

Vervolgopleiding

Hbo-hto 44 84,1 72 76,4

Hbo-hao 13 84,6 16 75,0

Hbo-hgzo 27 85,2 70 81,4

Hbo-heo 12 66,7 22 63,6

Hbo-hsao 20 70,0

Hbo-hpo 43 83,7

Vwo 42 83,3 28 92,9

Tabel 62: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen met profiel economie & maatschappij

binnen vervolgopleiding (percentages en totalen)

VOCL’93

VOCL’99

N % N %

Vervolgopleiding

Mbo-techniek 11 36,4

Mbo-economie 20 50,0

Hbo-hto 38 71,1

Hbo-hgzo 34 73,5

Hbo-heo 46 82,6 477 79,7

Hbo-hsao 15 80,0 91 61,5

Hbo-hko 13 53,8

Hbo-hpo 24 100,0 113 73,5

Vwo 27 63,0 56 69,6

B.1-122 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 63: Doorstroom onvertraagde havo-leerlingen met profiel cultuur & maatschappij

binnen vervolgopleiding (percentages en totalen)

VOCL’93

VOCL’99

N % N %

Vervolgopleiding

Mbo-techniek 16 68,8

Mbo-economie 53 77,4 23 60,9

Mbo-zorg & welzijn 28 64,3

Hbo-hto 15 66,7

Hbo-hgzo 10 100,0 66 71,2

Hbo-heo 112 86,6 198 73,2

Hbo-hsao 23 87,0 158 69,0

Hbo-hko 37 73,0

Hbo-hpo 39 79,5 211 81,0

Vwo 45 57,8 29 72,4

Tabel 64: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’93 totaal (percentages en totalen)

N&t N&t/

N&g

E&m C&m Overig Totaal

Vertrokken 20,5 18,1 18,5 26,0 23,8 21,6

Havo 0,0 0,0 0,0 0,8 0,3 0,2

Vwo 2,9 7,8 15,9 4,7 11,5 9,8

Mbo 0,0 0,0 0,7 0,8 0,2 0,3

Hbo 12,7 11,7 27,7 15,7 20,0 18,2

Wo 63,9 62,3 37,3 52,0 44,1 49,9

N 244 409 271 127 920 1.971

Tabel 65: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’99 totaal (percentages en totalen)

N&t N&g E&m C&m Overig Totaal

Vertrokken 11,3 16,2 13,2 20,8 15,6 15,5

Havo 0,0 0,0 0,0 0,2 0,0


Tabel 66: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’93 mbo (percentages en totalen)

N&t N&t/

N&g

E&m C&m Overig Totaal

Mbo-techniek 0,0 0,0 0,0 100,0 50,0 40,0

Mbo-economie 0,0 0,0 100,0 0,0 50,0 60,0

Mbo-zorg & welzijn 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

Mbo-landbouw 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

N 0 0 2 1 2 5

Tabel 67: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’99 mbo (percentages en totalen)

N&t N&g E&m C&m Overig Totaal

Mbo-techniek 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

Mbo-economie 0,0 0,0 0,0 50,0 100,0 66,7

Mbo-zorg & welzijn 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0 0,0

Mbo-landbouw 0,0 0,0 0,0 50,0 0,0 33,3

N 0 0 0 2 1 3

Tabel 68: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’93 hbo (percentages en totalen)

N&t N&t/

N&g

E&m C&m Overig Totaal

Hbo-hto 48,4 31,3 10,7 0,0 9,2 15,4

Hbo-hao 3,2 6,3 0,0 0,0 3,3 2,8

Hbo-hgzo 3,2 33,3 10,7 25,0 8,7 12,8

Hbo-heo 29,0 6,3 57,3 10,0 54,9 44,1

Hbo-hsao 0,0 10,4 8,0 35,0 8,2 9,2

Hbo-hko 9,7 6,3 0,0 10,0 4,3 4,5

Hbo-hpo 6,5 6,3 13,3 20,0 11,4 11,2

N 31 48 75 20 184 358

Tabel 69: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’99 hbo (percentages en totalen)

N&t N&g E&m C&m Overig Totaal

Hbo-hto 58,3 13,5 2,8 2,3 25,0 8,9

Hbo-hao 0,0 2,7 0,0 0,0 8,3 0,8

Hbo-hgzo 8,3 37,8 7,7 16,7 8,3 16,7

Hbo-heo 4,2 14,9 61,3 29,5 25,0 36,7

Hbo-hsao 4,2 2,7 7,7 19,7 0,0 10,4

Hbo-hko 20,8 9,5 4,9 12,1 8,3 9,4

Hbo-hpo 4,2 18,9 15,5 19,7 25,0 17,2

N 24 74 142 132 12 384

B.1-124 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 70: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’93 wo (percentages en totalen)

N&t N&t/

N&g

E&m C&m Overig Totaal

Wo

Godgeleerdheid 0,0 0,0 0,0 3,0 0,7 0,5

Letteren 5,1 3,1 14,9 22,7 15,5 11,1

Wijsbegeerte 0,0 0,0 0,0 0,0 0,2 0,1

Geneeskunde 5,8 20,8 0,0 1,5 4,4 8,2

Tandheelkunde 0,0 1,6 0,0 0,0 0,0 0,4

Diergeneeskunde 0,0 1,6 0,0 0,0 0,2 0,5

Wiskunde/natuurkunde 12,8 16,9 3,0 0,0 4,4 8,5

Technische wetenschappen 44,2 26,3 8,9 0,0 13,3 20,2

Landbouw 1,3 5,9 1,0 1,5 17,2 2,6

Rechtsgeleerdheid 5,8 5,9 16,8 25,8 17,7 13,2

Economische wetenschappen 19,9 7,1 34,7 1,5 19,2 16,6

Sociale wetenschappen 5,1 10,2 19,8 43,9 20,0 16,7

Ruimtelijke wetenschappen 0,0 0,0 1,0 0,0 0,5 0,3

Bestuurskunde 0,0 0,0 0,0 0,0 1,5 0,6

Bewegingswetenschappen 0,0 0,8 0,0 0,0 0,5 0,4

N 156 255 101 66 406 984

Tabel 71: Doorstroom onvertraagde vwo-leerlingen VOCL’99 wo (percentages en totalen)

N&t N&g E&m C&m Overig Totaal

Wo

Godgeleerdheid 0,0 0,4 0,0 1,0 0,0 0,3

Letteren 2,6 4,7 15,8 37,5 10,4 13,9

Wijsbegeerte 0,0 0,2 0,2 0,6 0,0 0,2

Geneeskunde 9,1 39,6 0,2 0,0 14,6 13,6

Tandheelkunde 0,0 1,1 0,0 0,0 0,0 0,3

Diergeneeskunde 0,0 3,8 0,0 0,0 1,0 1,1

Wiskunde/natuurkunde 15,6 8,3 1,0 0,3 11,5 5,9

Technische wetenschappen 60,1 9,0 0,5 0,0 32,3 14,3

Landbouw 2,3 3,4 0,8 0,0 2,1 1,7

Rechtsgeleerdheid 0,6 2,8 10,5 9,5 2,1 6,1

Economische wetenschappen 6,5 6,4 48,6 7,0 11,5 20,6

Sociale wetenschappen 1,3 16,3 20,5 42,9 9,4 19,3

Ruimtelijke wetenschappen 0,6 0,9 0,2 0,3 0,0 0,5

Bestuurskunde 1,0 0,8 1,6 1,0 4,2 1,3

Bewegingswetenschappen 0,3 2,3 0,2 0,0 1,0 0,8

N 308 533 609 315 96 1.861

Bijlage B.1-125


126 Onderwijsraad, november 2007


Effecten van de invoering van vier profielen






A. van Langen

met medewerking van

B. Kurver

H. Vierke

(ITS Nijmegen)

Effecten van de invoering van vier profielen

127


1 Inleiding

1.1 Achtergrond

Aan het eind van de vorige eeuw is de structuur van de bovenbouw van havo en vwo ingrijpend

gewijzigd. Deze wijzigingen vloeiden voort uit de Wet op de profielen die in 1997 tot

stand kwam. De voorheen bijna geheel vrije pakketkeuze maakte plaats voor een verplichte

keuze van één uit vier profielen die elk een specifieke vakkencombinatie omvatten, te weten

cultuur & maatschappij (c&m), economie & maatschappij (e&m), natuur & gezondheid

(n&g) en natuur & techniek (n&t). Naast de vakken uit het gekozen profiel volgden alle leerlingen

een gemeenschappelijk aantal vakken en was er sprake van een beperkt vrij keuzedeel.

Binnen de vakken moest voortaan een groter accent gelegd worden op het verwerven

van vaardigheden. Tegelijk werd de scholen de mogelijkheid geboden het onderwijs op een

zodanige manier in te richten, dat er meer ruimte zou komen voor zelfstandig leren (het zogenoemde

studiehuis). Achtergrond van deze structuurwijziging was een beoogde kwaliteitsverbetering

van het onderwijs in wat sindsdien de tweede fase is gaan heten. Blijkens

de considerans bij de nieuwe wet werden hiermee de volgende doelstellingen nagestreefd:

• betere aansluiting van havo en vwo op het hoger onderwijs;

• modernisering van het onderwijsprogramma in de bovenbouw havo/vwo; en

• scheppen van meer ruimte voor scholen in de keuze van werkvormen in het kader

van het vergroten van de autonomie voor scholen.

De profielen zijn in het schooljaar 1998-1999 bij 125 scholen voor havo en vwo ingevoerd;

het schooljaar daarna volgden de overige 365. De eerste uitstroom van zogenoemde

‘nieuwestijlers’ vond dus plaats in 1999-2000 uit het havo, in 2000-2001 uit het vwo;

het merendeel van de examenkandidaten deed in deze jaren echter nog een eindexamen

oude stijl. Pas het jaar erna was er sprake van een volledige uitstroom van nieuwestijlers.

Ofschoon de profielstructuur als zodanig positief werd ontvangen, werden er van meet

af aan kritische geluiden gehoord bij zowel schoolleiders, docenten als leerlingen. De samenhang

tussen de eindtermen van de in een profiel opgenomen (deel)vakken was ontoereikend

en het programma werd ervaren als versnipperd en overladen. Om aan de gesignaleerde

knelpunten tegemoet te komen, werd in de beginjaren direct een aantal

verlichtingsmaatregelen doorgevoerd. Per augustus 2007 zullen verdere veranderingen

worden gerealiseerd, conform een herziening van de Wet op de profielen waarmee het

parlement in april 2006 heeft ingestemd. De nieuwe aanpassingen beogen de studeerbaarheid,

werkbaarheid en organiseerbaarheid van de profielen verder te vergroten en

meer ruimte te bieden voor eigen keuzen, verdieping en variatie. De vier profielen blijven

gehandhaafd, maar zij worden gedeeltelijk wel anders ingevuld in een poging de samenhang

tussen de verschillende profielvakken te vergroten. Andere belangrijke wijzi-

Profielcommissies, 2005.

128 Onderwijsraad, november 2007


gingen betreffen de vergroting van de keuzevrijheid voor scholen en docenten in relatie

tot het vakkenaanbod, het rooster en de examinering.

Deels onafhankelijk van de discussie over de profielen op de kortere termijn die heeft geleid

tot de herzieningen per 2007, is er ook een andere maatschappelijke discussie over

het havo- en vwo-programma gaande. Deze discussie is van fundamentelere aard en

heeft betrekking op de vraag in hoeverre het secundair onderwijs in Nederland jongeren

goed voorbereidt op een toekomst waarin ontwikkelingen als globalisering en digitalisering

een steeds grotere rol gaan spelen. Volgens de Onderwijsraad (2006) zijn er twee

voorwaarden waaraan zo’n secundair onderwijsstelsel zou moeten voldoen: enerzijds

alle deelnemers voldoende toerusten voor het betreden van de arbeidsmarkt en de samenleving

of voor het maken van een duidelijke keuze voor vervolgonderwijs, anderzijds

het bieden van de nodige variëteit om tegemoet te komen aan verschillen tussen leerlingen

in niveau en talent. In de praktijk bestaat er altijd een zeker spanningsveld tussen

deze twee voorwaarden, dat kan worden samengevat als het zoeken naar de optimale

verhouding tussen algemeen en breed versus specifiek en smal opleiden. Een brede opleiding

heeft als voordeel dat leerlingen veel opties open houden en niet te vroeg in een

bepaalde richting worden gestuurd; aan de andere kant zou een brede opleiding te

zwaar kunnen worden voor bepaalde leerlingen, waardoor zij afhaken en op een lager

niveau eindigen dan bij een eerdere specialisatie het geval zou zijn.

Toegespitst op het havo- en vwo-programma is de kernvraag in dit verband of deze twee

schooltypen en de huidige vier profielen daarbinnen de beste balans vormen tussen een

goede, specifieke voorbereiding op aansluitend hoger onderwijs enerzijds en voldoende

variatie in niveau en richting conform de verschillende talenten van leerlingen anderzijds.

Ten opzichte van de periode voor 1997 lijkt er zeker sprake van een verbetering in

de aansluiting met hoger onderwijs. Door de invoering van de profielen is de samenhang

in het vakkenpakket immers verbeterd en worden de leerlingen bovendien gedwongen

zich eerder dan vroeger te oriënteren op studie en beroep. Tegelijkertijd worden er ook

zwakke kanten gesignaleerd. Zo blijkt dat de profielkeuzes zeer sterk seksebepaald zijn

(tabel 1). Het n&t-profiel wordt nauwelijks benut door de meisjes; het c&m-profiel wordt

– vooral op het vwo – weinig benut door de jongens.

Tabel 1: Verdeling van examenkandidaten in havo en vwo over de profielen naar sekse,

schooljaar 2003/2004 (percentages en totalen)

Havo

Vwo

Meisjes Jongens Meisjes Jongens

C&m 53 11 32 6

E&m 29 50 29 40

N&g 16 16 34 24

N&t 1 20 3 24

Combinatieprofiel 1 3 2 5

N 21.245 18.169 15.348 12.793

Bron: Centrale Financiën Instellingen, 2005

Effecten van de invoering van vier profielen

129


In het recent uitgebrachte ontwerp-advies van de Profielcommissies (2006) wordt eveneens

gewezen op de nadelen van de profielopzet in relatie tot het streven naar de optimale

verhouding tussen breed en smal opleiden. De commissies pleiten voor meer flexibilisering

en verbreding door de vier profielen terug te brengen naar twee en daarbinnen

het aantal richtingen te vergroten. Ook wordt voorgesteld havo en vwo op te delen in

een funderende, een oriënterende en een specialiserende fase, inclusief experimenten

met een verlengde oriëntatie tot aan het eindexamen.

Bij het streven naar de optimale verhouding tussen breed en smal opleiden spelen overigens

ook praktische restricties een rol. Hoe meer verschillende leertrajecten worden ontwikkeld

om maximaal recht te doen aan de talenten van de leerlingen, des te lastiger het

– met name voor kleinere scholen – wordt om deze allemaal aan te bieden. Het vaststellen

van de optimale verhouding heeft dus ook betrekking op de organisatorische uitvoerbaarheid

voor scholen.

1.2 Onderzoeksvragen en opzet

Binnen de programmalijn ‘markt, staat en maatschappij: de kenniseconomie’ laat de Onderwijsraad

een verkenning uitvoeren naar het vraagstuk breed of smal opleiden. Binnen

dat kader staan in de onderhavige studie de effecten van de invoering van vier profielen

in havo en vwo centraal. Met name wordt een antwoord gezocht op de vraag hoe sinds

deze invoering de doorstroming naar het hoger onderwijs is verlopen, of daaruit valt af

te leiden dat het niveau veranderd is en dat het aantal profielen zou moeten worden gewijzigd

(of beperkt), en of in het voorgaande nog verschillen zichtbaar zijn tussen havo

en vwo. Daarnaast wordt nagegaan of de invoering van de vier profielen mogelijk tot organisatorische

problemen bij (kleine) scholen heeft geleid, zoals in de voorgaande paragraaf

is toegelicht. In dat geval zouden scholen geneigd kunnen zijn een schooltype af te

stoten; bij brede scholengemeenschappen zou het dan vermoedelijk vooral gaan om de

vwo-afdeling.

De onderzoeksvragen zijn als volgt geformuleerd.

• (1) Welke gevolgen heeft de invoering van de profielen in havo/vwo gehad voor

de doorstroming naar vwo, mbo (middelbaar beroepsonderwijs), hbo (hoger beroepsonderwijs)

en wo (wetenschappelijk onderwijs)?

• (2) Verschillen de effecten van de profielen voor het havo van de effecten voor

het vwo?

• (3) Wat waren de consequenties van de profielen voor de scholenstructuur en

met name de aanwezigheid van vwo-toppen op brede scholengemeenschappen?

Ter beantwoording van de eerste en tweede onderzoeksvraag is een inventarisatie gemaakt

van de beschikbare doorstroomcijfers in bestaande publicaties en databanken.

Daarnaast zijn meerdere onderzoeksrapporten inzake de gevolgen van de invoering van

de tweede fase en de vier profielen voor (leerlingen in) havo en vwo, inclusief de gevolgen

voor de doorstroming naar het hoger onderwijs, bestudeerd. In aanvulling op de literatuurstudie

zijn secundaire analyses op de ERR-bestanden (Examen Resultaten Register)

van 1998 tot en met 2005 uitgevoerd. Het draait in deze analyses om de

leerlingenaantallen en eindexamengegevens (slaagpercentages, eindexamencijfers) voor

en na de invoering van de tweede fase in havo en vwo. De vergelijkingen zijn voor havo

130 Onderwijsraad, november 2007


en vwo afzonderlijk uitgevoerd, zodat eventuele verschillen in de effecten zichtbaar worden.

Voor de beantwoording van onderzoeksvraag 3 naar de consequenties van de profielen

voor de scholenstructuur zijn analyses op de ILT-bestanden (Integrale Leerling Tellingen)

uitgevoerd. Voor de jaren 1998-2005 is nagegaan welke onderwijstypen per school worden

aangeboden, of zich hierin na de invoering van de profielen veranderingen hebben

voorgedaan en of het aantal scholen dat respectievelijk havo en vwo aanbiedt is afgenomen.

1.3 Leeswijzer

In de twee hoofdstukken hierna worden de resultaten van de literatuurstudie en de inventarisatie

van bestaande databanken beschreven. Hoofdstuk 2 heeft betrekking op de

kwantitatieve effecten van de invoering van de profielen op rendement en doorstroom in

en vanuit het voortgezet en hoger onderwijs. De cijfers in dit hoofdstuk hebben steeds

betrekking op de totale landelijke populatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 aan de

hand van een drietal thema’s verslag gedaan van diverse elders uitgevoerde onderzoeken

naar de effecten van de profielen: de keuze voor bèta in vo (voortgezet onderwijs)

en ho (hoger onderwijs); de aansluiting vo-ho volgens studenten en opleiders; en de herkenbaarheid

van de profielen en schooltypen.

In de twee hoofdstukken daarna worden de resultaten van de eigen analyses gepresenteerd.

Hoofdstuk 4 doet verslag van de analyses van de ERR-bestanden op zoek naar mogelijke

verschillen in eindexamenresultaten ten gevolge van de invoering van de profielen.

Hoofdstuk 5 beschrijft de opbrengst van de analyses op de ILT-bestanden en geeft

daarmee antwoord op de vraag naar mogelijke organisatorische effecten bij scholen van

de invoering van de profielen.

Ten slotte bevat hoofdstuk 6 een samenvatting van het rapport, inclusief de conclusies.

Effecten van de invoering van vier profielen

131


2 Kwantitatieve effecten: populatiecijfers over rendement

en doorstroom in en vanuit havo en vwo

2.1 Inleiding

Dit hoofdstuk bevat een overzicht van de kwantitatieve gevolgen van de invoering van

de profielen in havo en vwo, zoals geregistreerd in landelijke rapportages en databanken.

Het gaat in dit hoofdstuk uitsluitend om cijfers betreffende de totale populatie van

havo en vwo, inclusief de doorstroming vanuit deze schooltypen naar het hoger onderwijs.

Relatief veel gegevens zijn afkomstig uit de Evaluatie Tweede Fase (voortaan te noemen

ETF), waarin onder andere is onderzocht in welke mate de doelstelling van een verbeterde

aansluiting van havo en vwo op het hoger onderwijs van de tweede fase is bereikt.

Aanvullend hierop zijn resultaten uit andere rapportages opgenomen; deels hebben deze

aanvullingen betrekking op het actualiseren van de populatiecijfers. De cijfers voor havo

en vwo worden in dit hoofdstuk steeds afzonderlijk gepresenteerd, conform de onderzoeksvraag

naar mogelijke verschillen tussen beide schooltypen die daarover door de

Onderwijsraad is gesteld.

2.2 Intern rendement

Uit meerdere cijfers komt naar voren dat het intern rendement van het havo en vwo

sinds de invoering van de tweede fase is verbeterd; zowel qua deelname, slaagpercentage

als percentage zittenblijvers.

Volgens de ETF steeg tussen 1998 en 2004 de relatieve deelname aan havo en vwo – berekend

als het aandeel leerlingen in leerjaar 3 en 4 van havo en vwo ten opzichte van

het totaal aantal leerlingen in deze leerjaren in de landelijke populatie – van 41% in 1998-

99 naar 42% in 2002-2003. Recentere cijfers laten zien dat deze trend doorzet naar ruim

43% derde- en vierdeklassers in havo en vwo in 2004-2005.

Een uitsplitsing van deze cijfers naar schooltype en sekse met behulp van CBS-Statline

geeft het volgende beeld: het aandeel vwo-leerlingen in leerjaar 3 en 4 (exclusief leerlingen

in een gemeenschappelijk leerjaar 3 havo-vwo) ten opzichte van het totale aantal

leerlingen in deze leerjaren groeide tussen 1998-1999 en 2005-2006 van 17 naar 19%;

het aandeel havo-leerlingen (eveneens exclusief leerlingen in het gemeenschappelijk leerjaar)

lag in beide peiljaren op 22%. De toegenomen deelname aan havo en vwo gezamen-

Tweede Fase Adviespunt, 2005a.

Centraal Bureau voor de Statistiek, 2005.

132 Onderwijsraad, november 2007


lijk komt dus eigenlijk voor rekening van het vwo. De sekseratio binnen de leerlingenpopulatie

van 3 en 4 vwo is sinds 1998 niet gewijzigd (53% meisjes); in 3 en 4 havo is

deze licht gewijzigd (het aandeel jongens nam toe van ruim 48 naar bijna 50%).

Tevens steeg het slaagpercentage in het havo van 83% in 1998 naar 92% in 2004 en in

het vwo van 88% in 1998 naar 94% in 2004. Per examenjaar verschillen de slaagpercentages

van jongens en meisjes nauwelijks. Vanaf de invoering van de tweede fase zijn ook

de jaarlijkse slaagpercentages per profiel bekend; deze zijn in beperkte mate wel verschillend,

maar deze verschillen zijn niet significant. Het percentage zittenblijvers daalde

gestaag: in 4 en 5 havo van 15% in 1998 naar 11% in 2004 en in 4, 5 en 6 vwo van

10% in 1998 naar 7% in 2004.

Samengevat gaan er sinds 1998 meer leerlingen naar havo en vwo en halen zij daar in

kortere tijd een diploma. Havo en vwo lijken dus eerder makkelijker dan moeilijker geworden

sinds de invoering van de profielen. Het is echter mogelijk dat leerlingen binnen

havo en vwo een ander (lichter) vakkenpakket zijn gaan kiezen ten gevolge van een verhoogde

moeilijkheidsgraad of een grotere algehele studielast sinds de invoering van de

profielen. Wijzigingen in het vakkenpakket zijn echter lastig na te gaan, doordat er bij de

invoering van de tweede fase veel veranderd is in onderwijsaanbod en verplichtingen bij

de vakkenkeuze. Volgens de auteurs van de ETF (p. 49-50) heeft de invoering van de profielen

niet geleid tot een afname van de keuze voor bèta. Deze conclusie is gebaseerd op

het percentage van het aantal leerlingen met een natuurprofiel (n&g of n&t), aangevuld

met de leerlingen uit andere profielen die (door hun aanvullende vakkenkeuze in het

vrije deel) toelating hebben tot een bèta-opleiding.

Sinds de invoering van de tweede fase is het deelnemerspercentage per profiel overigens

zeer stabiel voor zowel jongens als meisjes.

2.3 De doorstroom vanuit mavo/vmbo-tl naar havo

Ondanks het toegenomen deelnemerspercentage in havo en vwo tezamen, werd in de

ETF ook een structurele terugval gesignaleerd in de doorstroom vanuit mavo c.q. vmbotl

(theoretische leerweg van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) naar havo:

terwijl in 1995 en 1996 circa 16% van de mavo-gediplomeerden doorstroomde naar het

havo, was dit percentage in 2002 gezakt naar ruim 9%. 10 Logischerwijs werd deze terugval

geweten aan de invoering van de tweede fase, die het voor mavo-/vmbo-tl-gediplomeerden

lastiger maakte om door te stromen als hun vakkenpakket niet aansloot op de

profielen. Dat leek eens te meer aan de orde doordat bij de overgang van mavo naar

vmbo-tl ook nog aangescherpte regels werden ingevoerd voor de doorstroom naar havo.

De vmbo-tl-gediplomeerde moest in ieder geval examen hebben gedaan in wiskunde en

Frans of Duits; voor doorstroom naar het n&t-profiel kwam daar ook nog het vak nask 1

(natuur- en scheikunde) bij, voor doorstroom naar het n&g-profiel nask 1 of biologie.


Bron: ETF.


Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, 2003, 2006. De doubleercijfers van OCW zijn recenter dan die van de

ETF; de ETF-cijfers geven echter hetzelfde beeld.


In diverse onderzoeken wordt deze conclusie te grof bevonden; in hoofdstuk 3 wordt daarvan verslag gedaan.

Bron: ETF; zie ook tabel 1.

10 Afgezien van een incidentele verhoogde doorstroom in 1998, die werd veroorzaakt doordat een relatief grote groep mavo-leerlingen

nog snel voor de invoering van de tweede fase naar het havo doorstroomde.

Effecten van de invoering van vier profielen

133


Echter, uit de meest recente kerncijfers blijkt dat de doorstroom van vmbo-tl naar havo

inmiddels weer aan het stijgen is: van 13% in 2003 naar 15% in 2004. 11 Blijkbaar wordt in

vmbo-tl tegenwoordig beter geanticipeerd op een mogelijke doorstroom naar het havo

dan in de beginjaren van de tweede fase. De effecten van de invoering van de profielen

in het havo blijken in dit opzicht – mate van doorstroom vanuit vmbo-tl – dus tijdelijk

van aard. De aangescherpte doorstroomregels zijn inmiddels ook weer afgeschaft, omdat

uit de praktijk bleek dat ook mavo-/vmbo-tl-gediplomeerden zonder de vereiste vakken

in het pakket de overstap met succes konden maken, met behulp van een bijspijkerprogramma.

12

Onbekend is overigens hoe het de doorstromers vanuit vmbo-tl in het havo vergaat en of

er sprake is van relatief veel uitval of vertraging in deze groep.

2.4 De doorstroom vanuit havo en vwo naar mbo, hbo en vwo

Aan de doorstroombestemming van gediplomeerde havo- en vwo-leerlingen is zowel in

de ETF 13 als in de OCW-kerncijfers 14 aandacht besteed, maar de cijfers in beide publicaties

komen niet geheel overeen; waarschijnlijk door het al dan niet betrekken in de cijfers

van de leerlingen die hun doorstroom een of twee jaar uitstellen. De trend is echter in

beide publicaties wel gelijk: de zogenoemde ‘koninklijke weg’ – oftewel de doorstroming

van havo naar hbo en van vwo naar wo – wordt sinds 1998 steeds vaker ingeslagen. Afgaande

op de ETF-cijfers is het percentage havo-gediplomeerden dat doorstroomt naar

hbo tussen 1998 en 2004 gegroeid van 64 naar 77%, terwijl het percentage dat doorstroomt

naar bol (beroepsopleidende leerwegen) is gezakt van 12 naar 5%. Het percentage

vwo-gediplomeerden dat doorstroomt naar het wo is toegenomen van 61 naar 70%,

terwijl het percentage dat doorstroomt naar het hbo is gedaald van 24 naar 15%.

Deze toename geldt in vrijwel gelijke mate voor jongens als voor meisjes. Echter, op het

vwo volgden in 1998 minder meisjes (56%) dan jongens (66%) de koninklijke weg. In

2004 bestond dit sekseverschil dus nog steeds: 66% van de meisjes stroomde door naar

het wo tegen 74% van de jongens. Vwo-meisjes stroomden vooral vaker dan jongens

door naar het hbo; in 2004 ging het om 18 versus 12%. Op het havo zijn de sekseverschillen

in al dan niet rechtstreekse doorstroom gedurende de hele periode verwaarloosbaar.

Overigens blijken niet-westerse allochtonen recentelijk nog vaker de koninklijke weg te

kiezen dan autochtonen: in 2003 stroomde 84% van de niet-westerse allochtone havogediplomeerden

door naar een hbo-opleiding en 80% van de niet-westerse allochtone

vwo-gediplomeerden naar een wo-opleiding. 15

Sinds de invoering van de tweede fase zijn de doorstroomcijfers ook per profiel zichtbaar.

16 Daaruit blijkt dat er sprake is van verschillen, die voor 2004 zijn weergegeven in

tabel 2.

11 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, 2006.

12 Staatsblad, 2003, nr. 106.

13 Centrale Financiën Instellingen, 2005, p. 12.

14 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, 2006, p. 79.

15 Gijsberts & Hartgers, 2005.

16 Centrale Financiën Instellingen, in ETF.

134 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 2: Doorstroom vanuit de profielen naar niveaus van vervolgonderwijs, havo- en

vwo-gediplomeerden 2004 (percentages)

Doorstroom vanuit havo naar Doorstroom vanuit vwo naar

Hbo Bol Vwo Onbekend

Wo Hbo Onbekend

N&t 83 3 5 9 80 10 11

N&g 77 5 6 13 72 13 15

E&m 80 4 3 13 69 17 14

C&m 74 6 3 17 59 22 19

Combi 77 4 9 11 83 5 12

Bron: ETF

Op het havo waren in 2004 de doorstroomverschillen per profiel relatief beperkt: van

74% voor leerlingen met een c&m-profiel tot 83% voor leerlingen met een n&t-profiel; de

overige profielen lagen hier tussenin. Sinds 2000 is de doorstroom naar het hbo in alle

vier de profielen met 3 tot 5% toegenomen.

Op het vwo waren de doorstroomverschillen per profiel in 2004 veel groter. Leerlingen

met een combi-profiel (vaak een combinatie van n&t en n&g) stroomden voor 83% door

naar het wo en ook de leerlingen met een n&t-profiel zaten met 80% hoog, terwijl de

leerlingen met een c&m-profiel slechts voor 59% doorstroomden naar het wo. 17 Sinds

2001 is de doorstroom naar het wo overigens wel het sterkst toegenomen bij de vwoleerlingen

met een c&m-profiel, namelijk 6% tegen 1 tot 3% bij de andere profielen. De

leerlingen met een c&m-profiel die in 2004 niet de koninklijke weg namen, stroomden relatief

vaak door naar het hbo. Maar ook het aandeel leerlingen met een onbekende bestemming

was hier groter dan bij de andere profielen.

Het lijkt erop dat havo-, maar vooral vwo-leerlingen met een c&m-profiel minder schools

georiënteerd zijn dan hun klasgenoten in de overige profielen; wellicht wijken zij ook in

andere opzichten wat af van de rest. Daarover is echter geen informatie bekend.

2.5 De aansluiting tussen vakkenpakketten en sectoren

In het algemeen blijkt de belangstelling voor de diverse sectoren van het hoger onderwijs

tussen 1998 en 2004 aanzienlijk te zijn veranderd. 18 In deze periode groeide de relatieve

instroom van de havo-abituriënten in de hbo-sector economie, vooral ten koste van

de sectoren onderwijs en techniek, al lijkt de belangstelling van havo-jongens voor deze

laatste sector de laatste tijd weer iets te stijgen. 19 In het wo nam de relatieve instroom

van vwo-abituriënten in de sector gezondheidszorg fors toe en in mindere mate groeide

ook de belangstelling voor de sector gedrag & maatschappij. Deze groei ging vooral ten

koste van de wo-sectoren techniek, natuur en economie. De vwo-leerlingen die doorstroomden

naar hbo vertoonden een vergelijkbare verschuiving van belangstelling.

17 Dit zijn overigens voornamelijk meisjes (zie tabel 1); vermoedelijk staat deze bevinding dus in verband met de eerder gesignaleerde

lagere doorstroom van vwo-meisjes naar het wo.

18 ETF.

19 Researchcentrum vooor Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2006.

Effecten van de invoering van vier profielen

135


Jongens en meisjes maakten in het algemeen sterk verschillende studiekeuzes 20 en ook

de voornoemde trends spelen soms sterker bij de ene dan de andere sekse; ze gaan echter

wel steeds dezelfde richting uit. 21

Verschuivingen in de belangstelling voor sectoren in het hoger onderwijs zijn echter niet

per definitie een effect van de invoering van de profielen. Ook vóór 1998 waren geregeld

instroomverschuivingen waar te nemen, ten gevolge van arbeidsmarkt- of andere maatschappelijke

ontwikkelingen, veranderingen in het studie-aanbod of in het imago van

sectoren en beroepen, enzovoort. Daarom is in de ETF ook de directe aansluiting tussen

profielen en sectoren onderzocht, aan de hand van de geregistreerde sectorkeuzen van

havo- en vwo-abituriënten per profiel. De cijfers van 2004 zijn weergegeven in tabel 3.

Het gaat in deze tabel alleen om de doorstromers van havo naar hbo en van vwo naar

wo; de (kleinere) groep vwo’ers die doorstroomden naar hbo is hier weggelaten, maar

wel terug te vinden in de ETF. De leerlingen met een combinatieprofiel zijn eveneens buiten

de tabel gehouden, omdat bij de ETF-cijfers (afkomstig van CFI, Centrale Financiën

Instellingen) onbekend is om welke combinatie van profielen het gaat. Daardoor is ook

onduidelijk of de sector hierbij aansluit. Onderzoek van Warps (2003) wijst echter uit dat

de vwo-leerlingen met een combinatieprofiel n&t en n&g (het meest voorkomende combi-profiel)

in 2002 voor 100% doorstroomden naar de (profielgerelateerde) sectoren natuur,

techniek en gezondheid.

Tabel 3: Doorstroom van havo naar sector hbo en van vwo naar sector wo, per profiel in

2004 (percentages)

Havo – Hbo

Vwo – Wo

N&t N&g E&m C&m N&t N&g E&m C&m

Economie 8 8 67 32 8 5 38 1

Gezondheidszorg

2 31 5 10 4 45 1 2

Gedrag & mij 1 8 9 22 3 12 24 40

Landbouw 2 7 1 0 2 3 1 0

Techniek 82 30 5 2 62 11 0 0

Taal & cultuur 1 1 0 3 2 4 12 36

Onderwijs 4 15 12 31

Natuur & milieu

17 15 1 0

Recht 1 4 22 20

Bron: CFI, in ETF

Op grond van de cijfers uit 2004 zoals weergegeven in tabel 3, wordt in de ETF de conclusie

getrokken dat de meeste havo- en vwo-leerlingen sterk profielgerelateerd kiezen,

met uitzondering van de havo-leerlingen – veelal meisjes – met een c&m-profiel. De rede-

20 Zie ook Van Langen & Driessen, 2006.

21 In de ETF wordt op grond van deze instroomcijfers geconcludeerd dat de belangstelling voor bèta in het wo – ondanks berichten

daarover in de media – niet is afgenomen tussen 1998 en 2004. Over het geheel bezien is dat correct, aangezien onder

bèta de sectoren techniek, landbouw, natuur en gezondheid worden verstaan. Tegelijkertijd verhult deze conclusie de afname

van de relatieve belangstelling voor de ‘harde’ bètasectoren techniek en natuur afzonderlijk. Een vergelijkbare benadering

werd in de ETF ook gekozen ten aanzien van de bètakeuze in het voortgezet onderwijs (zie paragraaf 2.2). In hoofdstuk 3 gaan

we hier nader op in aan de hand van enkele onderzoeken.

136 Onderwijsraad, november 2007


nering die hieraan ten grondslag ligt, roept overigens wel vragen op: kan men bijvoorbeeld

stellen dat de sector economie niet aansluit bij een c&m-profiel, wanneer een groot

aantal studies binnen deze sector voor leerlingen met dit profiel zonder aanvullende eisen

toegankelijk is? Om die reden zou het wellicht beter zijn te spreken van aansluiting

tussen profiel en sector als er directe doorstroomrechten zijn, hetgeen overigens ook bepaald

wordt door de aanvullende vakkenkeuze in het vrije deel. 22

Tevens is in de ETF nagegaan uit welke profielen de instromende studenten per sector in

het hoger onderwijs afkomstig zijn. Daarbij blijkt dat in de hbo-sector gezondheidszorg

tussen 2000 en 2004 jaarlijks circa 50% van de studenten een maatschappijprofiel heeft.

De instroom van de studenten in de andere sectoren, ook in het wo, heeft – in wisselende

mate overigens – een minder heterogene herkomst. Het zou interessant zijn de profielen

van de huidige instromers te vergelijken met de vakkenpakketten van de vroegere

studenten per sector; deze informatie is echter niet direct voorhanden.

De uiteindelijke conclusie in de ETF ten aanzien van de aansluiting tussen profielen en

sectoren is, dat de keuzes voor sectoren niet beïnvloed lijken door de invoering van de

tweede fase en dat tussen de profiel- en sectorkeuze in het vwo een sterkere relatie ligt

dan in het hbo.

2.6 Studievoortgang

In het eerste jaar van de studie in het hoger onderwijs dienen studenten ten minste de

helft van de benodigde studiepunten te behalen om het recht te behouden op een studiebeurs

(de ‘prestatienorm’). In de ETF is nagegaan welk percentage van de studenten in

de studiejaren tussen 1998 en 2003 deze prestatienorm behaalde. De bedoeling is daarmee

na te gaan of de studieresultaten van de nieuwestijlstudenten zijn veranderd ten opzichte

van de ‘oudestijlers’. Overigens is deze vergelijking van studieresultaten betrekkelijk,

aangezien de opleidingsprogramma’s ook zijn aangepast aan de profielinstromers. 23

Bovendien zijn de opleidingen in dezelfde periode ook bezig geweest met de invoering

van vernieuwingen zoals de bama-structuur (bachelor-master) en het competentiegericht

leren, die ook van invloed kunnen zijn op de studieresultaten.

Uit de ETF-cijfers blijkt dat voor alle groepen studenten, dus zowel havo-abituriënten in

het hbo als vwo-abituriënten in het hbo en het wo, het percentage dat de prestatienorm

behaalde met ongeveer 5% is gedaald in genoemde periode. Tweedefasestudenten hebben

dus iets meer problemen met het behalen van deze norm dan studenten met een vodiploma

oude stijl. De dalende trend was echter al ingezet voordat de eerste leerlingen

uit de tweede fase in het hoger onderwijs instroomden. De daling lijkt dus niet direct te

worden veroorzaakt door die tweede fase, maar deze heeft de trend ook niet weten te

keren.

Een tweede indicator van studievoortgang is het studievervolg na het eerste studiejaar.

Leerlingen kunnen doorgaan met de gestarte studie, switchen naar een andere studie

binnen of buiten dezelfde sector of helemaal stoppen met studeren. Uit de ETF-gegevens

over de periode 1998-2003 – die overigens naar eigen zeggen niet geheel betrouwbaar

22 Inspectie van het Onderwijs, 2003.

23 Veugelers, De Jong & Schellings, 2004.

Effecten van de invoering van vier profielen

137


zijn doordat de invoering van de bama-structuur enige vervuiling in de statistieken heeft

veroorzaakt – blijken in het algemeen slechts kleine verschillen tussen de jaren. Het percentage

instromers (zowel vanuit havo naar hbo als vanuit vwo naar hbo en wo) dat na

het eerste jaar doorgaat met dezelfde studie daalde in genoemde periode licht 24 , maar de

uitvallers switchten vaker dan vroeger naar een andere studie, zodat het percentage definitieve

studiestakers gelijkbleef of zelfs – bij de doorstromers van havo naar hbo – iets

daalde. Ook de meest recente cijfers van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek,

2005) laten zien dat de ongediplomeerde uitval na het eerste jaar uit het hbo en wo van

cohort 2002 lager is dan van eerdere jaren. In deze cijfers is echter geen onderscheid gemaakt

naar vooropleiding, dus ook ‘oudestijlers’ en mbo-gediplomeerden zijn hierin

meegeteld.

Beide indicatoren van studievoortgang zijn in de ETF ook zo veel mogelijk naar profielen

onderscheiden. De studenten met een n&g-profiel behalen het vaakst de prestatienorm,

degenen met een e&m-profiel het minst vaak; in het wo bedroeg dit verschil in 2003 bijna

10% (82 versus 73%). Parallel hieraan gaan de leerlingen met een e&m-profiel volgens

de ETF het minst vaak door met dezelfde studie en de leerlingen met een n&g-profiel het

vaakst. Dat geldt zowel voor de havo’ers in het hbo (in 2003 66% e&m’ers versus 73%

n&g’ers) als voor de vwo’ers in het wo (in 2003 74% e&m’ers versus 80% n&g’ers; ook

80% van de n&t’ers zette de studie voort). Voor de vwo’ers in het hbo ligt het echter precies

omgekeerd: 82% van de e&m’ers en 77% van de n&g’ers gingen in 2003 na het eerste

jaar door met dezelfde studie. 25

Deze verschillen in studievoortgang naar profiel hangen overigens waarschijnlijk ook samen

met de studiekeuze van de desbetreffende leerlingen. Populatiecijfers over studievoortgang

binnen sectoren naar profiel zijn echter helaas niet voorhanden.

2.7 Conclusies

Dit hoofdstuk bevat een overzicht van de kwantitatieve effecten van de invoering van de

profielen in havo en vwo. Aan de hand van de beschikbare populatiegegevens is een

beeld geschetst van het intern en extern rendement van de beide schooltypen en de

doorstroom naar het hoger onderwijs sinds 1998. De achterliggende vragen, zoals geformuleerd

door de Onderwijsraad bij de aanbesteding van het onderhavige onderzoek,

hebben betrekking op mogelijke veranderingen in het niveau van havo en vwo en op de

doorstroming en aansluiting van vo naar ho. Samengevat is het kwantitatieve beeld als

volgt.

• Sinds 1998 gaan er meer leerlingen naar het havo en vooral naar het vwo en zij

behalen in kortere tijd een diploma. Dat wijst er niet op dat deze schooltypen

moeilijker zijn geworden sinds de invoering van de tweede fase; een vrees die

door de Onderwijsraad was uitgesproken. Het keuzepercentage voor de twee

natuurprofielen tezamen wijst niet op een afname van de keuze voor bèta.

24 Volgens het schoolverlatersonderzoek RUBS gaat juist een iets hoger percentage havo- en vwo-gediplomeerden nieuwe stijl

dan oude stijl na het eerste jaar door met dezelfde studie (De Vries & Van der Velden, 2005). Het gesignaleerde verschil kan

vermoedelijk als volgt worden verklaard: de RUBS-cijfers betreffen een steekproef, zijn recenter van aard en verzameld bij de

studenten zelf.

25 Ook hier verschillen de conclusies van ETF en RUBS. Volgens laatstgenoemd onderzoek zetten de vwo’ers met een n&t-profiel

het vaakst dezelfde studie voort, zowel in hbo als in wo.

138 Onderwijsraad, november 2007


• De invoering van de profielen heeft tijdelijk geleid tot een lagere doorstroom

vanuit het vmbo naar het havo dan voorheen; inmiddels lijkt er sprake van herstel

van deze doorstroom.

• Sinds de invoering van de profielen is de rechtstreekse doorstroom van havoleerlingen

naar het hbo en van vwo-leerlingen naar het wo gegroeid; het extern

rendement is dus over het geheel genomen verbeterd. Dat geldt echter niet vanuit

elk profiel in gelijke mate. Vooral leerlingen met een c&m-profiel – voor het

overgrote deel van het vrouwelijk geslacht – maken relatief weinig gebruik van

de ‘koninklijke weg’; op het vwo is hun doorstroom naar het wo in 2004 vergelijkbaar

met die van de vwo-leerlingen in 1998 in het algemeen (59%).

• Volgens het Tweede Fase Adviespunt (2005a) is de keuze voor sectoren niet beïnvloed

door de invoering van de profielen. Er is echter wel sprake van verschuivingen

in de instroom sinds 1998 – onder andere is de belangstelling voor

de technieksector afgenomen – al is dat niet per definitie een gevolg van de

profielen.

• Veel, maar zeker niet alle leerlingen kiezen een studiesector die gerelateerd is

aan hun profiel. Havo-leerlingen met een c&m-profiel kiezen het minst vaak profielgerelateerd.

Omgekeerd blijkt in de meeste studiesectoren sprake van een

‘tamelijk homogene’ profielherkomst van de instromers, ofschoon in de hbosector

gezondheidszorg de helft van de studenten een maatschappijprofiel had.

• De studievoortgang van leerlingen die zijn doorgestroomd van havo naar hbo

en van vwo naar hbo en wo is niet spectaculair veranderd sinds of door de invoering

van de profielen. De studievoortgangcijfers verschillen overigens nogal

tussen de profielen. Het ontbreekt helaas aan cijfers waarbij de studievoortgang

binnen sectoren kan worden gerelateerd aan het profiel.

Bovenstaande bevindingen wijzen erop dat de invoering van de vier profielen in veel opzichten

tot verbetering heeft geleid; met name als het gaat om intern en extern rendement.

Er zijn echter ook twijfels. De vier profielen moeten eraan bijdragen dat leerlingen

een duidelijke keuze voor vervolgonderwijs kunnen maken (zie hoofdstuk 1). Dat blijkt

voor een aantal leerlingen, in het bijzonder voor degenen met een c&m-profiel, niet altijd

eenvoudig; zowel in termen van sector als van niveau. Ook de afnemende instroom in de

harde bètastudies baart zorgen. In het volgende hoofdstuk wordt hierop nader ingegaan.

Effecten van de invoering van vier profielen

139


3 Onderzoeksreview naar effecten van de profielen

3.1 Inleiding

Er zijn in de afgelopen jaren diverse onderzoeken uitgevoerd in en naar de tweede fase,

die direct of indirect relevant zijn voor de onderhavige studie en daarmee een aanvulling

vormen op de populatiecijfers uit het voorgaande hoofdstuk. Zij zijn onder te verdelen in

een drietal thema’s die overigens soms wel enige overlap kennen: de keuze voor bèta in

vo en ho; de aansluiting vo-ho volgens studenten en opleiders; en de herkenbaarheid

van profielen en schooltypen. In dit hoofdstuk vatten we de belangrijkste bevindingen

van deze onderzoeken samen.

3.2 De keuze voor bèta in vo en ho

Het overheidsstreven – in navolging van de Lissabon-doelstellingen van de EU (Europese

Unie) – om enerzijds de deelname aan bètastudies te bevorderen en anderzijds de tekorten

aan hoger opgeleid bètapersoneel op de arbeidsmarkt te verminderen, heeft de laatste

jaren geleid tot grote onderzoeksaandacht voor de ontwikkelingen in de bètakeuze in

vo en ho. In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten hiervan samengevat.

Daarbij is vooral geput uit onderzoekspublicaties van het ROA (Researchcentrum voor

Onderwijs en Arbeidsmarkt, 2005, 2006), van Van Langen (2005) en van Van Langen en

Vierke (in voorbereiding).

Voortgezet onderwijs

In het voorgaande hoofdstuk bleek dat volgens de auteurs van de ETF de invoering van

de profielen niet heeft geleid tot een afname van de keuze voor bèta in het havo en het

vwo. Deze conclusie was gebaseerd op het percentage leerlingen met een natuurprofiel,

dat wil zeggen n&g of n&t. Het ROA (2005) nuanceert deze stelling echter, door onderscheid

te maken tussen de twee natuurprofielen afzonderlijk. 26 In deze ROA-studie zijn de

‘oude’ vakkenpakketten van een grote groep havo- en vwo-leerlingen uit de zogenoemde

VO-monitor, die examen hebben gedaan in 1996-1997, vertaald naar de vier huidige profielen.

Vervolgens is de verdeling van deze leerlingen over de profielen vergeleken met

de verdeling van een tweede groep leerlingen uit de VO-monitor, die examen hebben gedaan

in 2001-2002. Op deze manier kon een vergelijking worden gemaakt tussen de percentages

leerlingen per (virtueel) profiel voor en na de invoering van de tweede fase.

Daaruit bleek dat er vooral binnen het vwo aanzienlijke verschuivingen zijn opgetreden.

In het bijzonder is het percentage leerlingen dat voor een n&t-profiel kiest fors afgenomen,

ten gunste van het n&g-profiel. De afname bleek zich nog veel sterker bij meisjes

dan bij jongens te hebben voorgedaan.

26 Over een eerdere variant van deze poging is al in 1999 gepubliceerd (Van der Velden & Wolbers, 1999).

140 Onderwijsraad, november 2007


De wijze waarop in de ROA-studie de oude pakketten zijn vertaald in de profielen, krijgt

nogal wat kritiek. 27 De bovenstaande conclusie sluit echter wel aan bij Van Langen (2005)

en Van Langen & Vierke (in voorbereiding), die aan de hand van analyses op een omvangrijk

bestand van havo- en vwo-leerlingen constateerden dat de invoering van twee

natuurprofielen een vermindering van de keuze voor exacte vakken van (met name)

meisjes in de hand heeft gewerkt. Zij zijn namelijk sterk geneigd om voor het lichtere

exacte profiel n&g te kiezen, ook als hun prestaties in de exacte vakken een n&t-profielkeuze

zouden rechtvaardigen.

Hoger onderwijs

In hoofdstuk 2 van dit rapport is tevens melding gemaakt van een afnemende belangstelling

voor de bètatechnische studies, al wordt deze in de ETF niet goed zichtbaar

doordat de instroom in zachte en die in harde bètastudies samen zijn genomen. In dat

verband is het relevant dat in de eerder genoemde ROA-studie (2005) ook is vastgesteld

dat de keuze voor een technische studie tegenwoordig sterker wordt beïnvloed door het

gevolgde vakkenpakket (c.q. het profiel) dan voor de invoering van de tweede fase: leerlingen

met een n&t-profiel kiezen nu meer voor een technische studie dan voorheen,

leerlingen met een n&g-profiel kiezen juist minder voor een technische studie dan voorheen

(zie ook tabel 3). Dat geldt voor zowel havo als vwo, maar omdat vooral in het vwo

minder leerlingen (meisjes) een n&t-profiel en meer leerlingen een n&g-profiel kiezen dan

voorheen, verklaart dit volgens het ROA mede de afgenomen belangstelling van vwoleerlingen

(meisjes) voor bètatechnische studies.

Het voorgaande onderstreept dat de twee natuurprofielen niet over één kam kunnen

worden geschoren. Aanvankelijk was het zelfs de bedoeling dat alleen het n&t-profiel

rechtstreeks zou voorbereiden op een bètatechnische studie. Onder invloed van de tekorten

in het onderwijs en op de arbeidsmarkt is dit bijgesteld; inmiddels krijgen ook

studenten met het n&g-profiel rechtstreeks toegang tot de meeste bètastudies. 28 De

vraag is echter of de aansluiting vo-ho voor deze laatste groep wel zo goed verloopt,

aangezien zij de exacte vakken in principe op een lager niveau (deelvakken) hebben afgesloten

dan studenten met een n&t-profiel. 29 Zoals reeds gemeld in hoofdstuk 2, zijn er

geen populatiegegevens beschikbaar over de studievoortgang van studenten binnen sectoren

naar profiel. Echter, door lokale instellingen is er wel het een en ander onderzocht.

Daarbij kwam meermalen naar voren dat studenten in de bètatechnische sectoren met

een n&g-profiel minder presteren en meer uitvallen dan studenten met een n&t-profiel. 30

Overigens wordt hierboven ook een ander punt impliciet aangestipt: het feit dat de

instellingen voor hoger onderwijs vaker instroomeisen stellen voor de bètatechnische

studies dan voor de overige studies. Zoals ook in het recente ontwerp-advies van de

Profielcommissies (2006) wordt gesteld, betekent dat in feite dat de vier profielen geen

gelijkwaardige uitstroomrichtingen zijn; voor de bètastudierichtingen dient de tweede

fase om een kennisbasis te creëren, voor de alfa- en gammarichtingen gaat het veeleer

om algemene vorming. In de volgende paragrafen zal dat verschil overigens ook zichtbaar

worden in de typische aansluitingsproblemen van studenten in de bètatechnische

sectoren.

27 Centrale Financiën Instellingen, p. 50.

28 Overigens blijkt dat van de gediplomeerden met een n&g-profiel ruim 20% inderdaad een harde bètastudie kiest, terwijl dat

voor ongeveer twee derde van alle gediplomeerden met een n&t-profiel geldt (Inspectie van het Onderwijs, 2005).

29 Van Langen, 2005.

30 Veugelers, de Jong & Schellings, 2004; zie ook de volgende paragraaf.

Effecten van de invoering van vier profielen

141


3.3 Aansluiting vo-ho volgens studenten en opleiders

Er is in de afgelopen jaren herhaaldelijk onderzoek gedaan onder havo- en vwo-abituriënten

en hun opleiders naar hun ervaringen met de tweede fase. Vooral is daarbij het

oordeel over de aansluiting tussen vo en ho onderzocht, aangezien een verbeterde aansluiting

een expliciet geformuleerd doel van de onderwijsvernieuwing was. 31 Deze paragraaf

geeft een overzicht van de onderzoeksresultaten, aan de hand van de instroommonitoren

voor hbo en wo van het onderwijsadviesbureau IOWO (Warps & Kerstens, 2005),

de ROA-schoolverlatersstudie van De Vries & Van der Velden (2005) en het onderzoek onder

opleiders in het hoger onderwijs door het Tweede Fase Adviespunt (2005b).

Oordeel studenten

Op basis van het schoolverlatersonderzoek constateren De Vries & Van der Velden (2005)

dat havo- en vwo-gediplomeerden uit de tweede fase aanzienlijk positiever oordelen

over de aansluiting vo-ho dan de ‘oudestijlers’. Vooral bij de havo’ers is het verschil

groot: vóór de tweede fase beoordeelt 24% van de havo’ers de aansluiting met het hbo

als goed, daarna stijgt het naar 38%. Dat is en blijft echter wel een lager percentage dan

bij de andere groepen: 54% van de vwo’ers nieuwe stijl die doorstromen naar het hbo beoordeelt

de aansluiting als goed en 44% van de vwo’ers nieuwe stijl die doorstromen

naar wo beoordeelt de aansluiting als goed. Onder de ‘nieuwestijlers’ is de tevredenheid

groot voor leerlingen uit alle profielen, maar er zijn ook wel verschillen. Multivariate analyses

wijzen echter uit dat deze verschillen samenhangen met andere factoren zoals sekse

en de hoogte van het eindexamencijfer.

Uit de jaarlijkse grootschalige metingen bij eerstejaars wo-studenten die rechtstreeks afkomstig

zijn uit het vwo blijkt eveneens, dat de vwo’ers uit de tweede fase tevredener

zijn over de aansluiting op het wo met betrekking tot de meeste vaardigheden dan de

‘oudestijlers’. 32 Alleen wanneer het gaat om de aansluiting van de vakinhoud geldt het

omgekeerde. Op grond van de resultaten van multivariate analyses kan vervolgens worden

geconcludeerd dat deze verschillen ook daadwerkelijk samenhangen met de oude

versus nieuwe stijl vwo, en niet verklaard kunnen worden uit andere factoren. De onvrede

onder de vwo’ers nieuwe stijl over de vakinhoudelijke aansluiting in het wo was in de

eerste jaren vooral in de sectoren natuur en techniek alarmerend hoog, en is met name

in de laatstgenoemde sector nog steeds een probleem. Tevens is onderzocht wat het

oordeel van de vwo’ers is over de aansluiting van specifieke vwo-vakken in het wo. Daarbij

blijkt dat de onvrede het grootst is ten aanzien van de vwo-vakken Engels en wiskunde.

De onvrede over Engels geldt in vrijwel alle sectoren en onder alle studenten van alle

profielen. De onvrede over wiskunde is het grootst in de sectoren techniek (liefst 41%

van de respondenten daar is ontevreden), economie, gedrag & maatschappij en natuur,

en het grootst onder de studenten met een n&t-profiel of een combinatie n&t en n&g.

De sinds 2003-2004 eveneens jaarlijks uitgevoerde Instroommonitor van het IOWO in het

hbo geldt alle instromers; dus zowel havo- en vwo-leerlingen oude en nieuwe stijl als

mbo-leerlingen. 33 Uit de monitor blijkt dat de hbo’ers over het algemeen niet bijster

31 De aansluiting tussen vo en ho wordt in sommige van de genoemde rapportages heel ruim opgevat (bijvoorbeeld beoordeling

van de profiel- en studiekeuzebegeleiding en van de begeleiding in het eerste studiejaar). In dit hoofdstuk is een beperktere

benadering gekozen, waarbij het zwaartepunt ligt bij het oordeel over de (on)toereikendheid van de opgedane kennis en vaardigheden

in het vo.

32 Warps & Kerstens, 2005.

33 Warps & Kerstens, 2005.

142 Onderwijsraad, november 2007


tevreden zijn over de aansluiting met betrekking tot diverse vaardigheden, al zijn de

vwo-gediplomeerden onder hen meer tevreden dan havo- en mbo-gediplomeerden en

geldt de onvrede sterker voor zaken als reflecteren en het bijhouden van een portfolio

dan voor zelfstandig werken en ict-vaardigheden (informatie- en communicatietechnologie).

Voor de havo-gediplomeerden nieuwe stijl onder de hbo-eerstejaars geldt dat tevredenheid

over de aansluiting in het algemeen nauwelijks samenhangt met hun profiel,

maar binnen sectoren is dat wel het geval. In de sector gezondheid vinden degenen met

een maatschappijprofiel – een omvangrijke groep, zie ook hoofdstuk 2 – de vakinhoudelijke

aansluiting bijvoorbeeld onder de maat. In de sector techniek is iedereen tamelijk

ontevreden over de vakinhoudelijke aansluiting, maar de havo-gediplomeerden met een

n&t-profiel zijn minder ontevreden dan de anderen. Vergelijkbaar met de situatie in het

wo zijn ook in het hbo de eerstejaars het minst tevreden over de aansluiting wat betreft

de vakken wiskunde en Engels. Studenten in de sector techniek (31%) en havo-gediplomeerden

met een n&t-profiel (26%) zijn het vaakst ontevreden over de wiskunde-aansluiting.

Oordeel opleiders

Het Tweede Fase Adviespunt (2005b) heeft onderzocht wat de mening van de opleiders

in het hoger onderwijs is over de kennis, inzichten, vaardigheden en tekortkomingen van

de ‘nieuwestijlers’ in vergelijking tot de ‘oudestijlers’. Uit het onderzoek blijkt dat de opleiders

tamelijk negatief oordelen over de vakinhoudelijke kennis en vaardigheden van

de studenten uit de tweede fase in vergelijking tot hun voorgangers. Zowel in het hbo

als in het wo is het oordeel over het kennisniveau het meest somber in de sector techniek.

Over de algemene vaardigheden is men doorgaans positiever; in het bijzonder inzake

aspecten als computer- en communicatieve vaardigheden. Over taal- en rekenvaardigheden,

nauwkeurigheid en analytische vaardigheden is men echter weer minder

positief. Opvallend is dat vooral de opleiders in de bètasectoren (techniek, natuur en

landbouw) zeer ontevreden zijn over de rekenvaardigheid van de ‘nieuwestijlers’. Nader

onderzoek wees overigens uit dat deze onvrede deels betrekking heeft op basisvaardigheden

die tot het programma van de onderbouw van havo en vwo behoren. 34

Ook hebben de opleiders een inschatting gegeven van het aandeel eerstejaarsstudenten

dat onvoldoende bagage heeft om de opleiding binnen een redelijke termijn met succes

te voltooien. In dit opzicht blijken er forse verschillen per sector te bestaan. In het hbo

verwachten vooral de opleiders in de sectoren economie en techniek veel problemen; het

gaat dan vooral om de studenten met een c&m- respectievelijk een n&g-profiel. In het wo

is het pessimisme vooral hoog in de sectoren taal & cultuur, techniek (vooral voor studenten

met een n&g-profiel) en recht.

3.4 Herkenbaarheid van profielen en schooltypen

Het derde thema in dit hoofdstuk betreft de herkenbaarheid van de vier profielen en de

twee schooltypen uit de tweede fase. Voor een overzicht van de onderzoeksbevindingen

op dit terrein is opnieuw geput uit de ETF (Tweede Fase Adviespunt, 2005a) en daarnaast

uit rapporten van de Inspectie van het Onderwijs (2003) en van Veugelers, De Jong &

Schellings (2004).

34 Daarnaast is er naar aanleiding van een Cito-onderzoek recentelijk ook commotie ontstaan over de lage rekenvaardigheden

van instromende pabo-studenten, deels overigens afkomstig uit het mbo (Straetmans & Eggen, 2005).

Effecten van de invoering van vier profielen

143


Profielen

Veugelers, De Jong & Schellings (2004) geven een samenvatting van een reeks onderzoeken

naar de overwegingen van havo- en vwo-leerlingen bij de profielkeuze. Daaruit blijkt

dat vooral leerlingen met een c&m-profiel weinig op de hoogte zijn van hun carrière- en

baanmogelijkheden. Leerlingen met een natuurprofiel weten over het algemeen het beste

wat hun verdere studie- en beroepsmogelijkheden zijn; leerlingen met een n&t-profiel

vinden de profielkeuze het gemakkelijkst te maken. Voorts blijken de leerlingen redelijk

tevreden over de breedte van de opleidingen, ook al gaat dat ten koste van hun verdieping.

Wel klagen leerlingen in alle profielen over het gebrek aan samenhang in de onderwijsprogramma’s

van de verschillende profielvakken.

De Onderwijsinspectie (2003) maakte eveneens gewag van onvrede over het gebrek aan

afstemming en samenhang binnen de profielen. Die vaststelling heeft indertijd geleid tot

de instelling van profielcommissies, die inmiddels al het nodige werk hebben verricht

(2005, 2006). Tegelijkertijd stelde de Inspectie ook vast dat de profielen in het algemeen

hebben geresulteerd in een tijdiger bewustwording van leerlingen van hun aanleg en

mogelijkheden. 35 Ook het Tweede Fase Adviespunt (2005a) kwam in de ETF tot soortgelijke

conclusies; deels refererend aan het Inspectierapport van 2003, deels op basis van

eigen onderzoek onder scholen. Aanvullend presenteerde het Adviespunt ook onderzoeksresultaten

over de herkenbaarheid van de profielen bij de opleiders in het hoger

onderwijs. Met name blijken bij deze groep problemen te bestaan in relatie tot de natuurprofielen.

De opleiders in het hoger onderwijs beoordeelden de instromers met een

natuurprofiel als veel gedifferentieerder wat betreft het gevolgde programma dan tevoren

was verwacht. Als gevolg daarvan moest de instroomnorm worden verlaagd, terwijl

een ander deel van de instromers daarmee eigenlijk een te hoog beginniveau bezat.

Schooltypen

In het voornoemde Inspectierapport (2003) is tevens aandacht besteed aan het streven

naar een sterkere eigen identiteit van het havo naast het vwo. De bedoeling was namelijk

aanvankelijk om in het havo meer accent te leggen op praktische toepasbaarheid,

minder complexe leerinhoud en het aanwenden van productieve vaardigheden in minder

complexe en meer voorgestructureerde situaties. De Inspectie constateerde in 2003 dat

dit plan feitelijk is mislukt. In de praktijk blijkt het verschil tussen beide schooltypen

voor de meeste vakken vooral te definiëren als een niveauverschil. Daarnaast geven

scholen aan dat havo- en vwo-leerlingen vrijwel gelijk worden benaderd, ofschoon over

het algemeen op het havo een strakker pedagogisch-didactische regime wordt gevoerd,

de leerstof in kleinere porties wordt gepresenteerd en vaker cijfers worden gegeven om

de motivatie te verhogen.

35 Niettemin constateerde Van Langen (2005) dat de keuze voor een natuurprofiel ook nog steeds significant wordt beïnvloed

door ascriptieve kenmerken als sociaal milieu en sekse.

144 Onderwijsraad, november 2007


3.5 Conclusies

In het voorgaande hoofdstuk werd geconstateerd dat de tweede fase in veel opzichten

een verbetering is gebleken. Ook uit de literatuurstudie die in dit hoofdstuk is beschreven,

komt een aantal positieve effecten naar voren, die vooral twee aspecten betreffen:

enerzijds een gunstig oordeel van studenten en opleiders over de algemene aansluiting

vo-ho en over de beheersing van algemene vaardigheden sinds de invoering van de

tweede fase, anderzijds een tijdiger bewustwording van havo- en vwo-leerlingen van hun

aanleg en mogelijkheden ten aanzien van vervolgonderwijs.

Tegelijkertijd komen in dit hoofdstuk ook enkele minder positieve effecten naar voren.

De belangrijkste daarvan is dat de ontwikkeling van twee natuurprofielen heeft geleid

tot aanzienlijke problemen in de herkenbaarheid en in de aansluiting met hoger onderwijs;

deels overigens veroorzaakt doordat het n&g-profiel eerst niet en later wel toegang

verschafte tot de bètatechnische studies. Mede gezien het feit dat het prestatieniveau

van leerlingen met een n&g-profiel in vergelijking tot dat van leerlingen met een n&tprofiel

in leerjaar 3 van havo en vwo nog veel overlap vertoont, was er iets voor te zeggen

geweest slechts één natuurprofiel te ontwikkelen.

Andere minder gunstige effecten zijn:

• ook bij studenten met een maatschappijprofiel en hun opleiders is hier en daar

sprake van onvrede over de vakinhoudelijke kennis en vaardigheden bij de

overgang naar hoger onderwijs;

het onderwijsinhoudelijke gebrek aan eigen identiteit van het havo, dat weliswaar

blijkbaar niet heeft geleid tot directe verlaging van het intern en extern

rendement (zie hoofdstuk 2), maar mogelijkerwijs wel de grotere onvrede van

havisten in vergelijking tot vwo’ers over de aansluiting met het ho verklaart;

• de verschillende functies die de maatschappijprofielen (algemene vorming) versus

de natuurprofielen (kennisbasis) voor het hoger onderwijs blijken te hebben

(zoals af te leiden uit de instroomeisen), hetgeen erop neerkomt dat de profielen

in het hoger onderwijs niet dezelfde waarde hebben; en

• de opnieuw gesignaleerde twijfels – zie ook hoofdstuk 2 – over de herkenbaarheid

en aansluiting met het hoger onderwijs van het c&m-profiel.

Overigens valt in het voorafgaande ook een seksespecifieke component te ontdekken,

die wellicht meer aandacht verdient; zowel de gesignaleerde problemen rondom de natuurprofielen

als rond het c&m-profiel lijken de meisjes in havo en vwo sterker te (be)-

treffen dan de jongens.

Effecten van de invoering van vier profielen

145


4 Effecten op de eindexamenresultaten

4.1 Inleiding

Ten behoeve van het onderhavige onderzoek zijn secundaire analyses uitgevoerd op de

ERR-bestanden, die de jaarlijkse examenresultaten bevatten van de gehele populatie van

eindexamenkandidaten in havo en vwo in Nederland. Met de analyses is antwoord gezocht

op de vraag of er op grond van deze examenresultaten aanwijzingen zijn dat het

niveau van het havo en vwo veranderd is onder invloed van de invoering van de profielen.

In hoofdstuk 2 is al gebleken dat sinds 1998 meer leerlingen naar havo en vwo gaan en

daar in kortere tijd een diploma behalen dan voorheen. Dat wijst niet op een verhoogde

moeilijkheidsgraad van deze schooltypen. In dit hoofdstuk gaan we niettemin, met behulp

van de ERR-bestanden, twee zaken na die toch op een zekere niveauverandering

zouden kunnen duiden: ontwikkelingen in de deelname aan vakken (inclusief deelname

aan bepaalde vakkencombinaties) en ontwikkelingen in de examencijfers. In de twee volgende

paragrafen worden de resultaten hiervan gepresenteerd. Vooraf tekenen we aan

dat in dit hoofdstuk alleen examengegevens van geslaagde leerlingen zijn opgenomen.

Dat maakt de vergelijking tussen oude- en nieuwestijlers immers het meest zuiver; al

deze leerlingen hebben voldaan aan het gevraagde minimumniveau voor havo en vwo en

kunnen instromen in het hoger onderwijs.

4.2 Ontwikkelingen in deelname

4.2.1 Deelname per vak

Tabellen 4 en 5 bevatten de percentages (geslaagde) leerlingen, naar sekse en totaal, die

in 1998 (schooljaar 1997-1998) en in 2005 (schooljaar 2004-2005) eindexamen hebben

gedaan in een aantal kernvakken in respectievelijk havo en vwo. In het eerste jaar deden

alle leerlingen nog een eindexamen oude stijl, in het laatste jaar is de tweede fase al

weer geruime tijd van kracht. De tussenliggende jaren zijn uit de tabel weggelaten, omdat

er geen sprake is van grote verschillen (dat wil zeggen de keuzepercentages van de

oudestijlers van na 1998 zijn vergelijkbaar met die van 1998; de keuzepercentages van

de nieuwestijlers van vóór 2005 zijn vergelijkbaar met die van 2005). In de tabellen is

voor het examenjaar 2005 soms onderscheid gemaakt naar deelname aan het deelvak

(bijvoorbeeld Frans 1) en deelname aan het hele vak (Frans 1,2); voor 1998 zijn per definitie

alle vakken hele vakken en is de aanduiding ‘1,2’ dus eigenlijk overbodig. Of de

leerlingen eindexamen hebben gedaan in een vak, is uit de ERR-bestanden afgeleid uit

het feit dat zij een diplomacijfer voor het desbetreffende vak hebben.

146 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 4: Deelnemers per vak op het havo in 1998 en 2005, naar sekse en totaal

(percentages en totalen van hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten)

1998 2005

Jongens Meisjes Totaal Jongens Meisjes Totaal

Nederlands 100 100 100 100 100 100

Engels 97,6 97,2 97,4 100 100 100

Frans 1 19,9 16,4 18,0

Frans 1,2 11,4 33,8 23,7 6,8 29,4 18,9

Duits 1 63,3 30,2 45,5

Duits 1,2 29,5 42,9 36,9 13,5 34,8 24,9

Geschiedenis 27,2 34,8 31,4 62,4 81,5 72,7

Aardrijkskunde 25,8 31,7 29,1 55,4 41,7 48,0

Wiskunde A 1 10,5 47,7 30,5

Wiskunde A 1,2 54,8 65,5 60,7 49,8 32,7 40,7

Wiskunde B 1 16,1 16,8 16,5

Wiskunde B 1,2 41,6 14,7 26,8 23,7 2,9 12,5

Natuurkunde 1 15,3 16,5 15,9

Natuurkunde 1,2 46,1 13,7 28,3 23,6 2,3 12,2

Scheikunde 33,5 23,2 27,8 38,5 18,9 28,0

Biologie 30,0 48,4 40,2 30,3 44,2 37,7

Economie 1 23,1 56,4 41,0

Economie 1,2 57,9 45,8 51,3 51,8 31,0 40,6

N 15.744 19.263 35.007 17.369 20.122 37.491

Bron: ERR, IB-groep (februari 2007)

Tabel 4 demonstreert duidelijk hoe onder invloed van de tweede fase de vakkendeelname

op het havo fors is veranderd. Ten eerste is door de invoering van deelvakken de

deelname aan de hele vakken afgenomen tussen 1998 en 2005. 36 Dat geldt voor alle hele

vakken waarvoor ook deelvakken zijn ingevoerd, maar de afname is relatief sterker voor

de exacte vakken dan voor de moderne vreemde talen en economie. Bovendien heeft de

invoering van deelvakken bij de moderne vreemde talen en economie geleid tot een veel

groter percentage leerlingen dat überhaupt in aanraking komt met deze vakken (dat wil

zeggen deelname aan deelvak plus hele vak in 2005 is groter dan deelname aan vak in

1998). Bij wiskunde B en natuurkunde is dat echter veel minder het geval: het percentage

deelnemers aan deze vakken was in 1998 ongeveer gelijk aan dat van 2005 voor deelvak

en hele vak tezamen. Verder blijkt dat de deelname van de meisjes veel sterker is verschoven

van exact heel vak naar exact deelvak dan bij de jongens. Ten slotte valt in tabel

4 de sterke toename van het deelnamepercentage voor aardrijkskunde en vooral

voor geschiedenis op; voornamelijk een gevolg van de verplichtingen in de maatschappijprofielen

(in e&m: geschiedenis en aardrijkskunde; in c&m: geschiedenis).

In grote lijnen zijn de trends voor het vwo ongeveer gelijk aan wat hiervoor is gesignaleerd

met betrekking tot het havo, zoals tabel 5 laat zien. Afwijkend is dat in de tweede

fase op het vwo, anders dan op het havo, ook een deelvak scheikunde is ingevoerd. Bij

36 De inhoud van de hele vakken is bij de invoering van de tweede fase overigens niet altijd gelijk gebleven, waardoor deze vergelijking

enigszins mank gaat. Zie ook paragraaf 4.3.

Effecten van de invoering van vier profielen

147


dit vak treden nu ongeveer dezelfde verschuivingen op als voor wiskunde B en natuurkunde,

en ook de sekseverschillen zijn vergelijkbaar. Dat geldt veel minder voor biologie,

dat op het vwo eveneens een deelvak-variant kent, maar waar het deelnamepercentage

aan het hele vak slechts licht is gedaald.

Tabel 5: Deelnemers per vak op het vwo in 1998 en 2005, naar sekse en totaal (percentages

en totalen van hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten)

1998 2005

Jongens Meisjes Totaal Jongens Meisjes Totaal

Nederlands 100 100 100 100 100 100

Engels 98,8 98,6 98,7 100 100 100

Frans 1 91,0 63,5 76,2

Frans 1,2 19,1 48,1 33,9 8,7 36,8 23,9

Duits 1 89,8 68,4 78,2

Duits 1,2 35,7 50,1 43,0 10,0 31,9 21,8

Geschiedenis 43,0 51,0 47,1 49,3 63,6 57,0

Aardrijkskunde 31,9 35,8 33,9 45,2 40,7 42,7

Wiskunde A 1 5,2 26,8 16,8

Wiskunde A 1,2 63,3 68,2 65,8 38,5 33,1 35,6

Wiskunde B 1 23,7 32,5 28,4

Wiskunde B 1,2 56,2 29,4 42,5 33,1 7,9 19,5

Natuurkunde 1 22,8 32,6 28,1

Natuurkunde 1,2 62,0 33,2 47,3 32,1 6,2 18,1

Scheikunde 1 19,7 28,5 24,5

Scheikunde 1,2 47,1 34,6 40,7 34,1 10,3 21,2

Biologie 1 14,8 21,3 18,3

Biologie 1,2 36,6 47,7 42,3 35,4 39,8 37,8

Economie 1 19,4 18,8 19,1

Economie 1,2 58,8 45,8 52,2 44,3 31,0 37,1

N 13.387 14.072 27.459 13.304 15.554 28.858

Bron: ERR, IB-groep (februari 2007)

4.2.2 Deelname aan combinaties van vakken

In deze paragraaf wordt getracht om, naast de deelname per vak, ook de deelname aan

bepaalde combinaties van vakken te analyseren. Als eerste worden de ontwikkelingen in

de bètadeelname onder de loep genomen. In hoofdstuk 3 is reeds de discussie aangeroerd

over de al dan niet afgenomen belangstelling voor bèta sinds de invoering van de

profielen. De auteurs van de ETF (2005) stellen dat de bètakeuze in havo en vwo nauwelijks

is afgenomen, doordat na de invoering van de tweede fase het percentage leerlingen

met een natuurprofiel ongeveer gelijk was aan het percentage oudestijlers met exacte

vakken in het pakket. Het ROA (2005) heeft echter aangetoond dat het percentage leerlingen

met een n&t-profiel wel sterk is afgenomen, ten gunste van het n&g-profiel. De wijze

waarop in de ROA-studie de oude vakkenpakketten werden ingedeeld in profielen kreeg

echter nogal wat kritiek, met name door de rol die het vak biologie hierbij speelde.

148 Onderwijsraad, november 2007


In tabel 6 is een andere manier gehanteerd om de bètakeuze voor en na de invoering

van de tweede fase te vergelijken. In deze tabel is voor 1998 en 2005 het percentage

leerlingen weergegeven dat het zwaarste bètapakket heeft gekozen en daarmee de maximale

voorbereiding voor een bètatechnische studie heeft gevolgd. 37 In 1998 kwam dit

neer op de keuze voor een vakkenpakket waarin zowel natuurkunde, scheikunde als wiskunde

B zijn opgenomen; in 2005 is het n&t-profiel het zwaarste bètapakket. In de tabel

zijn uiteraard ook de leerlingen opgenomen met een combinatie n&t en n&g in 2005.

Tabel 6: Leerlingen met een maximaal bètapakket in 1998 en 2005, naar sekse en totaal

(percentages van hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten)

1998: pakket met 3 exacte vakken 2005: n&t-profiel

Jongens Meisjes Totaal Jongens Meisjes Totaal

Havo 23,1 7,0 14,2 22,3 1,9 11,4

Vwo 37,4 18,6 27,8 29,2 5,1 16,2

Bron: ERR, IB-groep (februari 2007)

(Voor N (100%): zie tabel 4 en 5)

Als op deze manier naar de bètakeuze wordt gekeken, is de afname van de bètabelangstelling

door de invoering van de tweede fase wel degelijk aanzienlijk; vooral onder

meisjes en relatief sterker op het vwo dan op het havo, hetgeen overeenkomt met de bevindingen

van het ROA (2005).

Vervolgens is door ons toch weer een poging ondernomen om de vakkenpakketten van

de oudestijlers in te delen in de vier profielen, om zo een vergelijking te kunnen trekken

tussen de profielverhoudingen voor en na de invoering van de tweede fase. Deze poging

presenteren we hier met de nodige voorzichtigheid. Het staat inmiddels wel vast dat het

vertalen van de oude vakkenpakketten naar de huidige profielen altijd op problemen en

bezwaren zal stuiten. 38 Enerzijds komt dat door de grote veranderingen in vakinhouden

en in het aantal verplichte vakken en door de invoering van deelvakken na 1998. Anderzijds

heeft de grote vrijheid in vakkenkeuze vóór 1998 geleid tot honderden pakketvarianten

die soms zeer onlogische combinaties van vakken betreffen. Het is erg lastig deze

terug te vertalen naar de vier profielen. Besloten is om dit keer niet te proberen de vakkenpakketten

op inhoudelijke gronden in te delen, maar met het gebruik van statistische

discriminant-analyse een neutralere benadering te kiezen.

Startpunt voor onze werkwijze zijn de ERR-gegevens van het examenjaar 2003. Van de

eindexamenkandidaten (nieuwe stijl) in dat jaar zijn zowel hun profielkeuze als hun afzonderlijke

eindexamenvakken bekend. In het bestand zijn nieuwe variabelen voor alle

kernvakken 39 aangemaakt, waarop voor alle leerlingen een score van 0 (niet in pakket) of

1 (wel in pakket) is toegekend. Vervolgens is met behulp van een discriminantanalyse

voor havo en vwo afzonderlijk nagegaan op grond van welke van deze dichotome variabelen

de vier profielgroepen het best onderscheiden kunnen worden. Het resultaat bestaat

uit een discriminantfunctie voor elk profiel, opgebouwd uit een constante en een

coëfficiënt per dichotome variabele (zie ook bijlage 1 van dit rapport). De discriminant-

37 Van Langen, 2005.

38 Tweede Fase Adviespunt, 2005; Profielcommissies, 2006.

39 Uitsluitend de hele vakken die ook voorkomen in tabel 4 en 5.

Effecten van de invoering van vier profielen

149


functies zijn zodanig geconstrueerd dat zo vaak mogelijk correct voorspeld wordt tot

welke profielgroep een leerling behoort, gegeven de vakken in zijn of haar pakket. De

leerling wordt ingedeeld in het profiel waarvan de waarde van de functie het grootst is

van alle vier berekende functies. De classificatieresultaten van deze discriminantanalyse

voor de ERR-gegevens van 2003 zijn behoorlijk hoog: op het havo wordt 87% van alle

profielen correct voorspeld, op het vwo 90%. Vervolgens zijn met dezelfde discriminantfuncties

ook de profielen uit het examenjaar 2005 voorspeld en ook hier is sprake van

een hoge fit: 89% op het havo, 90% op het vwo. De discriminantanalyse lijkt dus robuust

te zijn en derhalve zijn de functies vervolgens ook toegepast op de vakkenpakketten van

1998. Het resultaat is weergegeven in tabel 7. In deze tabel zijn overigens de leerlingen

uit 2005 met een combinatie van c&m en e&m ingedeeld bij het e&m-profiel; de leerlingen

met een combinatie van n&g en n&t bij het n&t-profiel. We merken op dat onze vertaling

van vakkenpakketten in 1998 naar profielen tot een verdeling leidt die maar weinig

overeenkomst vertoont met die van het ROA uit 2005.

Uitgaande van tabel 7 zijn de profielverhoudingen tussen 1998 en 2005 behoorlijk verschoven.

Op het havo is het totale percentage leerlingen met een e&m-profiel fors toegenomen,

ten koste van alle overige profielen, maar het sterkst van n&t. De verschuivingen

zijn echter voor jongens en meisjes niet gelijk. Bij de meisjes op het havo is de deelname

aan de profielen e&m en n&g ongeveer gelijkgebleven, aan c&m toegenomen en aan n&t

afgenomen. Bij de jongens op het havo is de deelname aan n&g ongeveer gelijkgebleven,

maar aan e&m enorm toegenomen ten koste van c&m en n&t.

Tabel 7: Leerlingen verdeeld over de vier profielen in 1998 (o.b.v. discriminantfuncties) en

in 2005 (feitelijke profielkeuzes), naar sekse en totaal (percentages van hele populatie van

geslaagde eindexamenkandidaten)

1998 2005

Jongens Meisjes Totaal Jongens Meisjes Totaal

Havo

C&m 30,7 44,0 38,0 11,8 52,8 33,8

E&m 18,9 27,2 23,5 49,9 28,4 38,4

N&g 17,0 18,7 18,0 16,0 16,9 16,5

N&t 33,3 10,1 20,5 22,3 1,9 11,4

N 15.744 19.263 35.007 17.369 20.122 37.491

Vwo

C&m 31,2 41,7 36,6 6,0 32,4 20,2

E&m 21,0 23,1 22,0 40,4 29,0 34,3

N&g 6,8 8,3 7,6 24,4 33,5 29,3

N&t 41,0 26,9 33,8 29,2 5,1 16,2

N 13.387 14.072 27.459 13.304 15.554 28.858

Bron: ERR, IB-groep (februari 2007)

150 Onderwijsraad, november 2007


Op het vwo is zowel de deelname aan e&m als die aan n&g sterk gegroeid, ten koste van

c&m en n&t. Ook hier verschillen de verschuivingen voor jongens en meisjes fors. Vooral

de deelname van de meisjes aan n&g is toegenomen, ten koste van n&t. In veel mindere

mate is ook hun deelname aan e&m toegenomen, ten koste van c&m. Bij de jongens is de

deelname aan zowel n&g als e&m flink toegenomen, vooral ten koste van c&m en wat

minder van n&t.

Voor zowel havo als vwo lijkt op basis van tabel 7 de stelling op te gaan dat de sekseverschillen

in profielkeuze groter zijn geworden sinds de invoering van de tweede fase.

De tabellen daarvoor lieten deze conclusie overigens eveneens toe.

4.3 Ontwikkelingen in examenresultaten

4.3.1 Examenresultaten per vak

Voorafgaand aan de presentatie van de examenresultaten moet opnieuw een kanttekening

worden gemaakt. Het vergelijken van deze resultaten van vóór en van na de invoering

van de profielen is om diverse redenen een hachelijke zaak. Eén daarvan is dat de inhoud

van veel vakken aanzienlijk is veranderd bij de invoering van de tweede fase. 40 Daarnaast

is het de vraag of de centrale examens niet zodanig worden gescoord dat jaarlijks ongeveer

dezelfde cijferverdeling ontstaat. In dat geval zullen de scores van jaar tot jaar weinig

afwijken, maar betekent dat niet dat er geen sprake is van niveauverschillen.

Tabel 8: Gemiddeld CE-cijfer (1-100) per vak op het havo in 1998 en 2005, naar sekse en

totaal: hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten

1998 2005

Jongens Meisjes Totaal Jongens Meisjes Totaal

Nederlands 62 64 63 60 63 62

Engels 69 66 67 65 61 63

Frans 1,2 68 65 65 62 61 62

Duits 1,2 65 62 63 62 62 62

Geschiedenis 65 64 64 63 63 63

Aardrijkskunde 64 60 62 64 60 62

Wiskunde A 1,2 70 68 69 65 65 65

Wiskunde B 1,2 64 59 62 66 66 66

Natuurkunde 1,2 65 62 65 66 64 65

Scheikunde 66 62 64 64 64 64

Biologie 66 63 64 66 63 64

Economie 1,2 61 57 59 65 62 64

Bron: ERR, IB-groep (februari 2007)

40 Zie voor een helder overzicht: Profielcommissies, 2005, bijlage 6.

Effecten van de invoering van vier profielen

151


Met bovenstaande bezwaren als belangrijk voorbehoud, zijn in tabel 8 niettemin de gemiddelde

cijfers voor het CE (centraal examen) 41 per (heel) vak op het havo gepresenteerd

voor 1998 en 2005. In de tabel zijn kleinere en grotere verschillen tussen beide

peiljaren te zien. De grootste afwijkingen doen zich voor bij wiskunde B en economie

(+4) en bij Engels en wiskunde A (-4). Dat brengt in herinnering dat de onvrede onder de

hbo-studenten nieuwe stijl ten aanzien van de vakken wiskunde en Engels het grootst

was (hoofdstuk 3). Echter, de onvrede bij wiskunde gold in versterkte mate voor de studenten

met een n&t-profiel, die wiskunde B gevolgd hebben.

Binnen de groep havo-meisjes valt op dat hun gemiddelde CE-score voor wiskunde B

liefst 7 punten is gestegen tussen 1998 en 2005. Uit de vorige paragraaf weten we dat

slechts een beperkt aandeel meisjes in 2005 deelnam aan dit vak. Hun hogere CE-score

doet vermoeden dat dit een select gezelschap is, hoewel tegelijkertijd de vraag rijst

waarom dat dan niet ook zichtbaar is bij natuur- en scheikunde.

Tabel 9: Gemiddeld CE-cijfer (1-100) per vak op het vwo in 1998 en 2005, naar sekse en

totaal: hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten

1998 2005

jongens Meisjes Totaal jongens Meisjes Totaal

Nederlands 66 70 68 63 65 64

Engels 66 64 65 68 66 67

Frans 1,2 65 65 65 68 66 66

Duits 1,2 65 64 64 67 65 65

Geschiedenis 67 67 67 65 64 65

Aardrijkskunde 67 64 65 63 62 62

Wiskunde A 1,2 69 62 65 64 64 64

Wiskunde B 1,2 67 66 67 66 68 66

Natuurkunde 1,2 66 63 65 71 68 70

Scheikunde 1,2 72 68 70 69 67 68

Biologie 1,2 67 64 66 68 66 67

Economie 1,2 67 62 65 65 62 63

Bron: ERR, IB-groep (februari 2007)

Ook op het vwo (tabel 9 ) zijn enkele afwijkingen tussen beide examenjaren zichtbaar.

Het grootst is het verschil bij Nederlands (-4) en bij natuurkunde (+5). Over het algemeen

zijn de trends voor jongens en meisjes op het vwo gelijk. Ofschoon ook onder de

vwo’ers nieuwe stijl de onvrede over de aansluiting vo-ho het grootst was ten aanzien

van de vakken wiskunde en Engels, is dat niet duidelijk terug te zien in de tabel.

4.3.2 Examenresultaten naar vakkencombinaties

Volledigheidshalve worden in deze laatste paragraaf ook enkele examenresultaten gedemonstreerd

van de leerlingen die in 1998 en 2005 deelnamen aan bepaalde combinaties

van vakken, zoals die in de tabellen 6 en 7 (paragraaf 4.2.2) zijn weergegeven.

41 De ERR-bestanden bevatten ook de cijfers die zijn behaald bij de schoolonderzoeken, maar deze zijn vermoedelijk (nog) minder

goed te vergelijken over de jaren heen. Overigens is steeds gerekend met het hoogste CE-cijfer dat een leerling voor het desbetreffende

vak heeft gehaald. De meeste leerlingen hebben maar één CE-cijfer per vak, behaald bij de eerste kans om examen

te doen. Enkele leerlingen hebben echter ook een tweede CE afgelegd.

152 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 10: Gemiddeld CE-cijfer (1-100) voor de drie exacte vakken van de leerlingen op havo en

vwo met het maximale bètapakket in 1998 en 2005, naar sekse en totaal: hele populatie van

eindexamenkandidaten

1998: pakket met 3 exacte

2005: n&t-profiel

vakken

Jongens Meisjes Totaal Jongens Meisjes Totaal

Havo

Wiskunde B 1,2 65 61 64 66 67 67

Natuurkunde 1,2 69 65 68 66 64 66

Scheikunde 1,2 68 67 68 65 66 65

Vwo

Wiskunde B 1,2 69 68 69 66 69 67

Natuurkunde 1,2 70 67 69 71 69 71

Scheikunde 1,2 74 73 74 69 70 69

Bron: ERR, IB-groep (februari 2007)

In tabel 10 zijn om te beginnen de gemiddelde examencijfers op de drie exacte vakken

weergegeven van de leerlingen met een zogenoemd maximaal bètapakket in beide jaren.

We zien dat de cijfers in 2005 soms hoger, soms lager uitpakken dan in 1998; een duidelijke

trend levert dat dus niet op. Ook in deze tabel valt overigens wel het veel hogere

cijfer in 2005 van de havo-meisjes voor wiskunde B op. Daarnaast scoren de vwo-jongens

in dat jaar juist beduidend lager bij scheikunde dan in 1998.

In tabel 11 zijn de gemiddelde CE-cijfers voor Nederlands en Engels weergegeven van de

leerlingen per profiel. Deze profielindeling is, wat 1998 betreft, opnieuw gebaseerd op

de eerder gepresenteerde discriminantanalyse. Het vak Nederlands was in beide examenjaren

verplicht; dat gold in 2005 ook voor Engels, maar in 1998 nam eveneens vrijwel iedereen

deel aan dit vak. In de tabel zijn hier en daar wel afwijkingen tussen beide jaren

zichtbaar, maar deze zijn niet sterk verschillend per profiel en geven dus ongeveer hetzelfde

beeld als de tabellen 9 en 10.

Effecten van de invoering van vier profielen

153


Tabel 11: Gemiddeld CE-cijfer (1-100) voor Nederlands en Engels per profiel op het havo en

vwo in 1998 (o.b.v. discriminantfuncties) en 2005 (feitelijke profielkeuzes), naar sekse en

totaal: hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten

1998 2005

Jongens Meisjes Totaal Jongens Meisjes Totaal

Nl Eng Nl Eng Nl Eng Nl Eng Nl Eng Nl Eng

Havo

C&m 63 70 64 66 64 68 61 68 63 62 63 63

E&m 63 70 64 66 64 67 61 65 63 61 62 64

N&g 61 68 64 64 63 65 59 65 62 59 61 62

N&t 61 68 63 64 62 67 59 65 63 61 60 65

Vwo

C&m 66 66 70 64 68 65 63 70 65 67 64 67

E&m 66 65 69 63 67 64 62 66 64 64 63 65

N&g 68 70 72 67 70 68 63 67 65 66 64 66

N&t 66 65 70 62 68 64 63 70 66 69 64 69

Bron: ERR, IB-groep (februari 2007)

Ten slotte zijn in tabel 11 per profiel de gemiddelde examencijfers voor twee profielvakken

weergegeven. Alleen voor de vwo-leerlingen met een n&g-profiel is slechts één profielvak

(biologie) opgenomen, omdat de andere profielvakken in dit profiel (wiskunde B

en scheikunde) slechts als deelvak verplicht zijn en dus niet vergelijkbaar tussen 1998 en

2005. Uiteraard zijn de gemiddelden alleen berekend op basis van de cijfers van de leerlingen

die eindexamen in de desbetreffende hele vakken hebben gedaan.

154 Onderwijsraad, november 2007


Tabel 12: Gemiddeld CE-cijfer (1-100) voor twee profielvakken per profiel op het havo en

vwo in 1998 (o.b.v. discriminantfuncties) en 2005 (feitelijke profielkeuzes), naar sekse en

totaal: hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten

1998 2005

Jongens Meisjes Totaal Jongens Meisjes Totaal

Havo

C&m: Frans 67 65 65 62 61 61

C&m: Duits 64 61 62 62 62 62

E&m: economie 60 56 58 65 62 64

E&m: wiskunde A 67 65 66 65 65 65

N&g: biologie 67 64 66 67 66 66

N&g: scheikunde 67 63 65 63 64 64

N&t: natuurkunde 66 61 65 66 64 66

N&t: wiskunde B 65 61 64 66 67 67

Vwo

C&m: Frans 64 64 64 67 65 65

C&m: Duits 64 64 64 66 64 65

E&m: economie 65 60 63 64 62 63

E&m: wiskunde A 62 58 60 64 64 64

N&g: biologie 70 68 69 67 67 67

N&g: --

N&t: natuurkunde 69 64 67 71 69 71

N&t: wiskunde B 70 68 69 66 69 67

Bron: ERR, IB-groep (februari 2007)

Ook deze tabel levert niet veel meer op dan de algemenere tabellen (8 en 9). De algemene

trends in de examenresultaten per vak gelden ook binnen specifieke groepen leerlingen

met een ongeveer vergelijkbaar pakket.

4.4 Conclusies

In dit hoofdstuk zijn de resultaten gepresenteerd van de secundaire analyses die zijn uitgevoerd

op de bestanden van het ERR. Achtereenvolgens is onderzocht welke ontwikkelingen

er zijn opgetreden tussen 1998 en 2005 in termen van deelname aan vakken en

vakkencombinaties en in termen van gemiddelde cijfers voor het CE per vak. Beide typen

veranderingen zouden erop kunnen duiden dat er, ondanks de in hoofdstuk 2 geconstateerde

verhoging van het algemeen rendement van havo en vwo sinds de tweede fase,

toch sprake is van zekere niveauverschillen.

In paragraaf 4.2 is geconstateerd dat er inderdaad belangrijke verschuivingen zijn opgetreden

in de deelnamepercentages bij bepaalde vakken, zowel op het havo als het vwo.

Ten eerste is de deelname aan de vakken geschiedenis en aardrijkskunde sterk toegenomen

als gevolg van de verplichtingen ten aanzien van deze vakken in de maatschappijprofielen.

Verder kunnen we over het algemeen stellen dat de invoering van deelvakken

naast hele vakken heeft geleid tot een lager percentage leerlingen dat de hele vakken

Effecten van de invoering van vier profielen

155


volgt. Voor de moderne vreemde talen en economie gaat dit gepaard met een hoger percentage

deelnemers aan het vak overall; de deelname aan het deelvak plus het hele vak

is in de tweede fase hoger dan aan het (hele) vak in 1998. Dat geldt veel minder voor de

exacte vakken: de deelname aan het deelvak plus het hele vak is ongeveer gelijk of

slechts iets hoger dan de deelname aan het (hele) vak in 1998. Vooral meer meisjes zijn

in de tweede fase gaan kiezen voor het exacte deelvak in plaats van het exacte hele vak.

Als we zouden aannemen dat de inhoud van de hele vakken in 1998 en 2005 ongeveer

gelijk is (wat niet altijd het geval is, zie paragraaf 4.3), is hiermee bij de exacte vakken

sprake van een zekere vorm van niveauverlaging: de deelnemersgroep is in beide jaren

ongeveer gelijk, maar in 2005 heeft een deel van deze deelnemers (waaronder relatief

veel meisjes) niet langer het volledige curriculum gevolgd. Voor de moderne vreemde talen

en economie geldt dat minder: het aandeel dat het hele curriculum volgt is geslonken,

maar dit wordt gecompenseerd door een groter totaal aandeel deelnemers.

In paragraaf 4.2.1 is ook gedemonstreerd dat het aantal leerlingen met het maximaal

mogelijke bètapakket en dus de maximale voorbereiding op een bètatechnische studie,

is afgenomen tussen 1998 en 2005; vooral onder meisjes en in het vwo. Ten slotte is in

deze paragraaf een nieuwe poging ondernomen om de oude vakkenpakketten van 1998

te vertalen naar de huidige profielen. Voor wat deze poging waard is, laat het resultaat

zien dat er grote verschuivingen in de profielverhoudingen zijn opgetreden onder invloed

van de tweede fase.

Uit alle tabellen van paragraaf 4.2 is één conclusie onontkoombaar: de sekseverschillen

in deelname aan vakken en combinaties van vakken zijn sinds de invoering van de profielen

beduidend groter geworden.

In paragraaf 4.3 is vervolgens gezocht naar niveauverschuivingen in termen van examencijfers.

Over het algemeen leverde deze exercitie niet veel op. Vooraf waren er al

twijfels over de vergelijkbaarheid van de cijfers, en in de tabellen werd dat eigenlijk alleen

maar bevestigd. Zo bleek de eerder gerapporteerde onvrede onder nieuwestijlers

over de vakken wiskunde en Engels niet te hebben geleid tot lagere examencijfers voor

deze vakken. Meer in het algemeen bleken de examencijfers tussen 1998 en 2005 soms

wel af te wijken, maar konden geen duidelijke positieve of negatieve trends worden vastgesteld.

Op basis van de analyseresultaten kan kortom niet afdoende worden vastgesteld

of de tweede fase heeft geleid tot een niveauverandering in de zin van hogere of lagere

prestaties per vak.

156 Onderwijsraad, november 2007


5 Effecten op de scholenstructuur

5.1 Inleiding

Zoals in hoofdstuk 1 reeds kort is aangegeven, spelen bij het zoeken naar de optimale

verhouding tussen breed en smal opleiden – het achterliggende thema in dit rapport –

praktische restricties ook een rol. In het algemeen kan worden aangenomen dat hoe

meer verschillende leertrajecten worden ontwikkeld om maximale aansluiting te bieden

aan de talenten van de leerlingen, des te lastiger het – met name voor kleinere scholen –

wordt om deze allemaal aan te bieden. Vertaald naar de praktijk van havo en vwo leverde

deze gedachtegang de vraag op of de invoering van de vier profielen mogelijk tot organisatorische

problemen bij (kleine) scholen heeft geleid, met als gevolg dat zij een of

meer schooltypen hebben afgestoten. Volgens de redenering van de Onderwijsraad, zoals

geformuleerd bij de aanbesteding van het onderhavige onderzoek, zou het dan vermoedelijk

vooral gaan om de vwo-afdelingen van bredere scholengemeenschappen.

De vraag naar de consequenties van de profielen voor de scholenstructuur, met name voor

de aanwezigheid van vwo-toppen op brede scholengemeenschappen, wordt in dit hoofdstuk

beantwoord. Dat gebeurt aan de hand van analyses op de ILT-bestanden over de jaren

1998-2005.

5.2 Resultaten analyses

In eerste instantie is een simpele analyse-aanpak gekozen. De ILT-bestanden geven per

schooljaar de onderwijspositie van alle leerlingen in het secundair onderwijs in Nederland

weer, aan de hand van indicatoren zoals het administratienummer (brinnummer)

van de school, het leerjaar en het schooltype. Ten behoeve van de onderhavige studie

zijn de ILT-gegevens van schooljaar 1998-1999 en van schooljaar 2004-2005 naar schoolniveau

geaggregeerd. 42 Vervolgens is voor elke school vastgesteld in welke schooltypen

de leerlingen uit leerjaar 4 zich bevonden. Op die manier wordt duidelijk welke schooltypen

een school in beide schooljaren allemaal onder zijn dak had. Door de gegevens

van deze twee jaren in een kruistabel op te nemen, wordt zichtbaar op hoeveel scholen

er tussen 1998 en 2005 schooltypen zijn toegevoegd of afgestoten.

Drie kanttekeningen dienen bij deze werkwijze te worden gemaakt, die een voorbehoud

ten aanzien van de resultaten noodzakelijk maken. Ten eerste is het denkbaar dat op een

(kleine) school in een van de twee vergeleken schooljaren geen enkele leerling in leerjaar

4 van een bepaald schooltype zat, terwijl de school dat schooltype in principe wel aan-

42 In het eerstgenoemde schooljaar werd de tweede fase, inclusief de vier profielen, voor het eerst ingevoerd bij een deel van de

scholen; de rest volgde een jaar later.

Effecten van de invoering van vier profielen

157


ood. Door de gekozen werkwijze wordt in dat geval ten onrechte geconcludeerd dat de

school dit type in het geheel niet aanbood. Een tweede kwestie is dat in onze werkwijze

het analyseniveau de hele school (c.q. het brinnummer) is en dus niet eventuele vestigingen

daarbinnen. Als op de ene vestiging van een bepaalde school de vwo-afdeling werd

afgestoten terwijl de andere vestiging van dezelfde school wel vwo bleef aanbieden, is

genoemde afstoting in onze werkwijze helaas niet zichtbaar. Een laatste kanttekening

luidt dat het wellicht beter ware geweest om gegevens over de aangeboden schooltypen

van twee of drie schooljaren vóór 1998 bij de analyses te betrekken. Scholen zagen de

invoering van de profielen immers al langer aankomen en hebben de afstoting van

schooltypen dus wellicht al voor 1998 in gang gezet. Er zijn op dit moment echter geen

eerdere ILT-bestanden voorhanden.

Het resultaat van de analyses is zichtbaar in tabel 13. Omdat het in deze studie uitsluitend

gaat om havo en vwo, zijn in de tabel alle overige schooltypen samengevoegd, te weten

vmbo en proo inclusief alle leerwegen daarbinnen. Om de tabel toegankelijker te maken,

zijn alle cellen op de diagonaal grijs gemaakt. Daaruit is af te leiden dat de meeste scholen

hun aanbod niet hebben gewijzigd tussen 1998 en 2005: van de 656 scholen voor voortgezet

onderwijs die in 1998 bestonden, bieden er 529 (81%) nog dezelfde schooltypen aan in

2005. Daarnaast zijn er 92 scholen (brinnummers) sinds 1998 uit de ILT-bestanden verdwenen;

verreweg de meeste van hen (62) waren vmbo-scholen zonder avo (algemeen vormen

onderwijs). Bij dergelijke ‘verdwenen’ scholen is geen sprake van afstoting van vwo-toppen;

het gaat om complete opheffingen – die overigens wel het gevolg kunnen zijn van organisatorische

problemen – of om fusies met andere scholen waarbij een nieuw brinnummer

is aangenomen. Uit de gegevens van 2005 blijkt dat tegenover de 92 ‘verdwenen’

scholen 85 nieuwe scholen staan; 76 daarvan zijn ook weer vmbo-scholen zonder avo.

Tabel 13: Aanwezige schooltypen in scholen voor voortgezet onderwijs (naar brinnr) in

1998 en 2005

2005

0 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 Totaal

1998

0 0 76 0 3 4 0 1 1 0 0 0 85

1 62 107 0 3 3 0 0 0 0 0 0 175

2 0 0 4 1 0 0 0 0 0 0 0 5

3 9 0 0 127 21 0 0 0 0 0 0 157

4 18 1 0 2 216 0 0 1 0 0 0 238

5 1 0 0 0 0 2 0 0 0 0 0 3

6 0 0 0 0 0 0 8 0 0 0 0 8

7 2 0 0 0 2 0 0 26 0 0 0 30

8 0 0 0 0 0 0 0 1 0 0 0 1

9 0 0 0 0 0 0 0 0 0 3 0 3

10 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 36 36

Totaal 92 184 4 136 246 2 9 29 0 3 36 741

0= nog niet/niet meer aanwezig = havo/atheneum

1= (pro) vmbo zonder avo = havo/atheneum/gymnasium

2= (pro) vmbo/havo 8= atheneum/gymnasium

3= (pro) vmbo/havo/atheneum 9= atheneum categoriaal

4= (pro) vmbo/havo/atheneum/gymnasium 0= gymnasium categoriaal

5= havo categoriaal

158 Onderwijsraad, november 2007


Van de resterende 35 scholen uit 1998 – niet verdwenen, maar ook niet hetzelfde aanbod

– hebben er 31 hun aanbod uitgebreid; in 21 gevallen gaat het om brede scholengemeenschappen

(vmbo/havo/atheneum) waaraan een gymnasium-afdeling is toegevoegd. Deze

31 scholen zijn in de tabel onderstreept en gecursiveerd.

Bij slechts vier scholen zijn er dus schooltypen uit het aanbod verdwenen. Zij zijn in de

tabel vetgedrukt. Het gaat om vier zeer brede scholengemeenschappen met zowel vmbo,

havo, atheneum als gymnasium. Op één van deze vier scholen is het hele avo-deel verdwenen,

op twee scholen is de gymnasium-afdeling weggevallen en één school biedt niet

langer een vmbo-deel. De eerstgenoemde drie behoren dus mogelijkerwijs tot de risicogroep

die de Onderwijsraad heeft aangewezen; het is echter ook mogelijk dat hier de situatie

uit de eerder gemaakte kanttekening (in 2005 toevallig geen leerlingen in dat

schooltype in leerjaar 4) aan de orde is. Hoe dan ook gaat het om zulke kleine aantallen,

dat het niet zinvol lijkt deze analyses verder te vervolgen. 43

Wel is naar aanleiding van bovenstaande resultaten contact gezocht met het Tweede Fase

Adviespunt in Den Haag, waar men over het algemeen zeer goed op de hoogte is van de

praktijk en problemen van havo- en vwo-scholen sinds de invoering van de tweede fase. Op

onze vraag naar het vóórkomen van sluiting van afdelingen vanwege de verplichting om vier

profielen aan te bieden, luidde het antwoord van het Adviespunt: ‘Wij hebben nog nooit gehoord

dat een school een afdeling afstoot om deze reden. Het eigenaardige verschijnsel doet

zich zelfs voor dat op de relatief kleine scholen een relatief ruim keuzeaanbod binnen de

profielen bestaat. Gechargeerd: hoe kleiner de school, des te meer de leerling kan kiezen.

Ongetwijfeld omdat de kleine school hiermee hoopt een grotere school te worden. De grote

school kan zich veroorloven een wat soberder aanbod te doen. Wat relatief kleine scholen

wel doen, is klassen combineren (bij voorbeeld klas 4 en 5 havo bij elkaar voor een of meer

vakken; alle leerlingen havo en vwo bij elkaar in één klas voor een of meer vakken). Een

school met verschillende vestigingen voor dezelfde afdeling of afdelingen kan er ook voor

kiezen op de ene vestiging een deel van de profielen aan te bieden en op de andere vestiging

de overige. Wij hebben scholen daar vaak over gehoord, maar in de praktijk komt het

tot op heden niet of nauwelijks voor. Het is ook alleen toegestaan als er ook daadwerkelijk

door de leerlingen na klas 3 kan worden gekozen voor alle profielen. Dus niet alleen theoretisch.

De vestigingen moeten dus in afstand dicht bij elkaar staan. Daarmee vervalt voor een

groot deel het voordeel van het verdelen van de profielen over je vestigingen.’

5.3 Conclusie

In dit hoofdstuk is antwoord gezocht op de vraag van de Onderwijsraad naar de consequenties

van de vier profielen voor de scholenstructuur, met name voor de aanwezigheid

van vwo-toppen op brede scholengemeenschappen. Met behulp van de ILT-bestanden is

nagegaan of en in welke mate scholen tussen 1998 en 2005 havo- en/of vwo-afdelingen

lijken te hebben afgestoten. Enig voorbehoud ten aanzien van de analyseresultaten moet

overigens worden gemaakt in verband met bepaalde kenmerken van de beschikbare databestanden.

Niettemin lijkt de conclusie in dit hoofdstuk toch overduidelijk te moeten

zijn dat het afstoten van afdelingen in het algemeen, en van vwo-toppen in brede scholengemeenschappen

in het bijzonder, sinds (c.q. ten gevolge van) de invoering van de

profielen vrijwel niet is voorgekomen.

43 Aanvankelijk was het de bedoeling de scholen met afgestoten afdelingen nader te classificeren, bij voorbeeld naar jaar van

afstoting, provincie, urbanisatiegraad, denominatie en schoolgrootte.

Effecten van de invoering van vier profielen

159


6 Samenvatting rapport

Aanleiding

In dit rapport wordt verslag uitgebracht van een onderzoek voor de Onderwijsraad naar

de effecten van de invoering van vier profielen in havo en vwo. Met name is een antwoord

gezocht op de vraag hoe sinds deze invoering de doorstroming naar het hoger

onderwijs is verlopen, of het niveau veranderd lijkt te zijn, of het aantal profielen zou

moeten worden gewijzigd en of in voornoemde opzichten nog verschillen zichtbaar zijn

tussen havo en vwo. Tevens is nagegaan of de invoering van de vier profielen mogelijk

tot organisatorische problemen bij (kleine) scholen heeft geleid, die om die reden wellicht

bepaalde schooltypen hebben afgestoten.

Opzet

Ten behoeve van het onderzoek is een inventarisatie gemaakt van de beschikbare doorstroomcijfers

in bestaande publicaties en databanken. Daarnaast zijn meerdere onderzoeksrapporten

inzake de gevolgen van de invoering van de tweede fase en de vier profielen,

inclusief de gevolgen voor de doorstroming naar het hoger onderwijs, bestudeerd.

In aanvulling op deze literatuurstudie zijn secundaire analyses op de ERR-bestanden en

de ILT-bestanden uitgevoerd. Hierna vatten we de onderzoeksbevindingen samen.

Resultaten

1. Kwantitatieve gegevens

Aan de hand van de beschikbare populatiegegevens is in hoofdstuk 2 een beeld geschetst

van het intern en extern rendement van de beide schooltypen en de doorstroom

naar het hoger onderwijs sinds 1998. Samengevat is dit als volgt.

• Sinds 1998 gaan er meer leerlingen naar havo en vooral naar vwo en behalen zij

in kortere tijd een diploma. Dat wijst er niet op dat deze schooltypen moeilijker

zijn geworden sinds de invoering van de tweede fase. Het keuzepercentage

voor de twee natuurprofielen tezamen wijst niet op een afname van de keuze

voor bèta.

• De invoering van de profielen heeft tijdelijk geleid tot een lagere doorstroom

vanuit het vmbo naar het havo dan voorheen; inmiddels lijkt er sprake van herstel

van deze doorstroom.

• Sinds de invoering van de profielen is de rechtstreekse doorstroom van havoleerlingen

naar het hbo en van vwo-leerlingen naar het wo gegroeid; het extern

rendement is dus over het geheel genomen verbeterd. Dat geldt echter niet vanuit

elk profiel in gelijke mate. Vooral leerlingen met een c&m-profiel – voor het

overgrote deel van het vrouwelijk geslacht – maken relatief weinig gebruik van

de ‘koninklijke weg’; op het vwo is hun doorstroom naar het wo in 2004 vergelijkbaar

met die van de vwo-leerlingen in 1998 in het algemeen (59%).

• Er is sprake van verschuivingen in de instroom naar sectoren van het hoger onderwijs

sinds 1998. Onder andere is de belangstelling voor de technieksector afgenomen.

Dit is echter niet per definitie een gevolg van de profielen.

160 Onderwijsraad, november 2007


• Veel, maar zeker niet alle leerlingen kiezen een studiesector die gerelateerd is

aan hun profiel. Havo-leerlingen met een c&m-profiel kiezen het minst vaak profielgerelateerd.

Omgekeerd blijkt in de meeste studiesectoren sprake van een

‘tamelijk homogene’ profielherkomst van de instromers, ofschoon in de hbosector

gezondheidszorg de helft van de studenten een maatschappijprofiel had.

• De studievoortgang van leerlingen die zijn doorgestroomd van havo naar hbo

en van vwo naar hbo en wo is niet spectaculair veranderd sinds of door de invoering

van de profielen.

2. Overige onderzoeksliteratuur

Uit de literatuurstudie over de effecten van de tweede fase die in hoofdstuk 3 is beschreven,

komen diverse positieve bevindingen naar voren die vooral twee aspecten betreffen:

enerzijds een gunstig oordeel van studenten en opleiders over de algemene aansluiting

tussen voortgezet en hoger onderwijs en over de beheersing van algemene vaardigheden

sinds de invoering van de tweede fase, anderzijds een tijdiger bewustwording van

havo- en vwo-leerlingen van hun aanleg en mogelijkheden ten aanzien van vervolgonderwijs.

Ook enkele minder positieve effecten zijn echter gesignaleerd. De belangrijkste daarvan

is dat de ontwikkeling van twee natuurprofielen heeft geleid tot aanzienlijke problemen

in de herkenbaarheid en in de aansluiting met hoger onderwijs; deels overigens veroorzaakt

doordat het n&g-profiel eerst niet en later wel toegang verschafte tot de bètatechnische

studies.

Andere minder gunstige effecten zijn:

• ook bij studenten met een maatschappijprofiel en hun opleiders is hier en daar

sprake van onvrede over de vakinhoudelijke kennis en vaardigheden bij de

overgang naar hoger onderwijs;

het onderwijsinhoudelijke gebrek aan eigen identiteit van het havo, dat mogelijkerwijs

de grotere onvrede van havisten in vergelijking tot vwo’ers over de aansluiting

met het ho verklaart;

• de verschillende functies die de maatschappijprofielen (algemene vorming) versus

de natuurprofielen (kennisbasis) voor het hoger onderwijs blijken te hebben

(zoals af te leiden uit de instroomeisen), hetgeen erop neerkomt dat de profielen

in het hoger onderwijs niet dezelfde waarde hebben;

• de opnieuw gesignaleerde twijfels – vergelijkbaar met die in hoofdstuk 2 – over

de herkenbaarheid en aansluiting met het hoger onderwijs van het c&m-profiel.

Overigens lijken zowel de gesignaleerde problemen rondom de natuurprofielen als rond

het c&m-profiel de meisjes in havo en vwo sterker te (be)treffen dan de jongens.

3. Analyse van examenresultaten

In hoofdstuk 4 is met behulp van secundaire analyses op de bestanden van het ERR onderzocht

welke ontwikkelingen er zijn opgetreden tussen 1998 en 2005; zowel in termen

van deelname aan vakken en vakkencombinaties als in termen van gemiddelde cijfers

voor het centraal examen per vak. Beide typen veranderingen zouden erop kunnen duiden

dat er, ondanks de geconstateerde verhoging van het algemeen rendement van havo

en vwo sinds de tweede fase, toch sprake is van zekere niveauverschillen.

Effecten van de invoering van vier profielen

161


Er blijken inderdaad belangrijke verschuivingen te zijn opgetreden in de deelnamepercentages

bij bepaalde vakken, zowel op het havo als op het vwo.

• De invoering van deelvakken naast hele vakken heeft geleid tot een lager percentage

leerlingen dat de hele vakken volgt. Als we gemakshalve zouden aannemen

dat de inhoud van de hele vakken in 1998 en 2005 ongeveer gelijk is,

kan dit bij de exacte vakken worden beschouwd als een vorm van niveauverlaging:

de deelnemersgroep is in beide jaren ongeveer gelijk, maar in 2005 heeft

een deel van deze deelnemers (waaronder relatief veel meisjes) niet langer het

volledige curriculum gevolgd (maar slechts het deelvak). Voor de moderne

vreemde talen en economie geldt dat minder: het aandeel dat het hele curriculum

volgt is wel geslonken, maar dit wordt gecompenseerd door een groter totaal

aandeel deelnemers (deelvak plus hele vak).

• Het aantal leerlingen met het maximaal mogelijke bètapakket en dus de maximale

voorbereiding op een bètatechnische studie, is flink geslonken tussen

1998 en 2005; vooral onder meisjes en in het vwo.

• Uit een poging om op basis van discriminantanalyses de oude vakkenpakketten

van 1998 te vertalen in de huidige profielen, valt af te leiden dat er in het algemeen

grote verschuivingen in de profielverhoudingen zijn opgetreden onder invloed

van de tweede fase.

• De sekseverschillen in deelname aan vakken en combinaties van vakken zijn

sinds de invoering van de profielen beduidend groter geworden.

De secundaire analyses van de ERR-bestanden die gericht waren op mogelijke niveauverschuivingen

in termen van examencijfers, leverden weinig op. Vooraf waren er al twijfels

over de vergelijkbaarheid van de cijfers, en in de tabellen werd dat eigenlijk alleen maar

bevestigd. Op basis van de resultaten kan niet afdoende worden vastgesteld of de tweede

fase heeft geleid tot een niveauverandering in termen van gemiddelde prestaties per

vak.

4. Analyse van ILT-bestanden

In hoofdstuk 5 is onderzocht wat de consequenties van de vier profielen waren voor de

scholenstructuur, met name voor de aanwezigheid van vwo-toppen op brede scholengemeenschappen.

Met behulp van de ILT-bestanden is nagegaan of en in welke mate

scholen tussen 1998 en 2005 havo- en/of vwo-afdelingen lijken te hebben afgestoten.

Enig voorbehoud ten aanzien van de analyseresultaten moet worden gemaakt in verband

met bepaalde kenmerken van de beschikbare databestanden. Niettemin lijkt de conclusie

overduidelijk te moeten zijn dat het afstoten van afdelingen in het algemeen, en van

vwo-toppen in brede scholengemeenschappen in het bijzonder, sinds (c.q. ten gevolge

van) de invoering van de profielen vrijwel niet is voorgekomen.

162 Onderwijsraad, november 2007


Afkortingen

bama

bol

CBS

CE

CFI

c&m

ERR

ETF

e&m

hbo

ho

ict

ILT

mbo

nask

n&g

n&t

ROA

tl

vmbo

vo

wo

bachelor-master

beroepsopleidende leerweg

Centraal Bureau voor de Statistiek

Centraal Examen

Centrale Financiën Instellingen

cultuur en maatschappij

Examen Resultaten Register

Evaluatie Tweede Fase

economie en maatschappij

hoger beroepsonderwijs

hoger onderwijs

informatie- en communicatietechnologie

Integrale Leerling Tellingen

middelbaar beroepsonderwijs

natuur- en scheikunde

natuur en gezondheid

natuur en techniek

Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt

theoretische leerweg

voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs

voortgezet onderwijs

wetenschappelijk onderwijs

Effecten van de invoering van vier profielen

163


Figurenlijst

Tabel 1: Verdeling van examenkandidaten in havo en vwo over de profielen naar sekse, 129

schooljaar 2003/2004 (percentages en totalen)

Tabel 2: Doorstroom vanuit de profielen naar niveaus van vervolgonderwijs, havo- en 135

vwo-gediplomeerden 2004 (percentages)

Tabel 3: Doorstroom van havo naar sector hbo en van vwo naar sector wo, per profiel 136

in 2004 (percentages)

Tabel 4: Deelnemers per vak op het havo in 1998 en 2005, naar sekse en totaal (percen- 147

tages en totalen van hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten)

Tabel 5: Deelnemers per vak op het vwo in 1998 en 2005, naar sekse en totaal (percen- 148

tages en totalen van hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten)

Tabel 6 Leerlingen met een maximaal bètapakket in 1998 en 2005, naar sekse en totaal 149

(percentages van hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten)

Tabel 7: Leerlingen verdeeld over de vier profielen in 1998 (o.b.v. discriminantfuncties) 150

en in 2005 (feitelijke profielkeuzes), naar sekse en totaal (percentages van hele

populatie van geslaagde eindexamenkandidaten)

Tabel 8: Gemiddeld CE-cijfer (1-100) per vak op het havo in 1998 en 2005, naar sekse en 151

totaal: hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten

Tabel 9: Gemiddeld CE-cijfer (1-100) per vak op het vwo in 1998 en 2005, naar sekse en 152

totaal: hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten

Tabel 10: Gemiddeld CE-cijfer (1-100) voor de drie exacte vakken van de leerlingen op 153

havo en vwo met het maximale bètapakket in 1998 en 2005, naar sekse en

totaal: hele populatie van eindexamenkandidaten

Tabel 11: Gemiddeld CE-cijfer (1-100) voor Nederlands en Engels per profiel op het havo 154

en vwo in 1998 (o.b.v. discriminantfuncties) en 2005 (feitelijke profielkeuzes),

naar sekse en totaal: hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten

Tabel 12: Gemiddeld CE-cijfer (1-100) voor twee profielvakken per profiel op het havo en 155

vwo in 1998 (o.b.v. discriminantfuncties) en 2005 (feitelijke profielkeuzes), naar

sekse en totaal: hele populatie van geslaagde eindexamenkandidaten

Tabel 13: Aanwezige schooltypen in scholen voor voortgezet onderwijs (naar brinnr) in 158

1998 en 2005

Tabel 14: Resultaten discriminant-analyse op ERR-data 2003 voor havo B.1-168

Tabel 15: Resultaten discriminant-analyse op ERR-data 2003 voor vwo B.1-168

164 Onderwijsraad, november 2007


Literatuur

Centraal Bureau voor de Statistiek (2005). Jaarboek onderwijs in cijfers 2006. Heerlen/Voorburg:

CBS.

Centrale Financiën Instellingen (2005). Evaluatie Tweede Fase. Tabellenboek. Zoetermeer: CFI.

Hogeschool van Amsterdam Instroommanagement (2003). Havoprofielen vergeleken. Amsterdam:

Hogeschool van Amsterdam.

Inspectie van het Onderwijs (2003). Tweede fase vierde jaar. Een overzicht van de stand van

zaken vier jaar na de invoering van de tweede fase havo/vwo. Utrecht: Inspectie van het

Onderwijs.

Langen, A. van & Driessen, G. (2006). Sekseverschillen in onderwijsloopbanen. Een internationaal

comparatieve trendstudie. Nijmegen: ITS.

Nijmegen: ITS.

Langen, A. van (2005). Unequal participation in mathematics and science education. Antwerpen/

Apeldoorn: Garant-Uitgevers.

Langen, A. van & Vierke, H. (in voorbereiding). Het onderbenutte bètatalent van VWO-leerlingen.

Nijmegen: ITS.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (2003). Onderwijs, Cultuur en

Wetenschappen in kerncijfers: 2003. Den Haag: SDU.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2006). Kerncijfers 2001-2005. Onderwijs, cultuur

en wetenschap. Den Haag: SDU.

Onderwijsraad (2006). Werkprogramma 2007. Den Haag: Onderwijsraad.

Profielcommissies (2005). Kortetermijnadvies Profielcommissies Natuur en Techniek/Natuur en

Gezondheid Economie en Maatschappij/Cultuur en Maatschappij. Enschede: SLO.

Profielcommissies (2006). Bruggen tussen Natuur en Maatschappij. Ontwerpadvies. Enschede:

SLO.

Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (2005). Schoolverlaters tussen onderwijs en

arbeidsmarkt 2004. Maastricht: ROA.

Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (2006). Schoolverlaters tussen onderwijs en

arbeidsmarkt 2005. Maastricht: ROA.

Straetmans, G. & Eggen, T. (2005). Afrekenen op rekenen: over de rekenvaardigheid van pabo-studenten

en de toetsing daarvan. Tijdschrift voor Hoger Onderwijs, 23(3), 123-139.

Tweede Fase Adviespunt (2005a). Zeven jaar Tweede Fase, een balans. Den Haag: Tweede Fase

Adviespunt.

Tweede Fase Adviespunt (2005b). Met een Tweede Fase-diploma naar het hoger onderwijs.

Deelonderzoek: Ervaringen en opvattingen van opleiders in het hoger onderwijs. Den Haag:

Tweede Fase Adviespunt.

Universiteit Twente (2003). Vergelijking van de studieresultaten na het eerste trimester van studiejaar

2002-2003 tussen groepen. Enschede: Dienst ITBE.

Velden, R. van der & Wolbers, M. (1999). Vakkenpakketkeuze en de aansluiting tussen het voortgezet

en hoger onderwijs. Tijdschrift voor Onderwijsresearch, 23(4), 299-315.

Veugelers, W., Jong, U. de & Schellings, G. (2004). Studie naar het onderzoek van de tweede fase

havo/vwo. De jaren 2002 en 2003. Amsterdam: Instituut voor de Lerarenopleiding, UVA.

Vries, R. de & Velden, R. van der (2005). Brug of kloof? De ervaringen van HAVO- en VWO-school-

Effecten van de invoering van vier profielen

165


verlaters over de aansluiting tussen VO en HO vóór en ná de invoering tweede fase VO.

Maastricht: ROA.

Warps, J. (2003). Gevolgen van de vernieuwing van de tweede fase vwo voor de aansluiting met de

universiteit. Studentoordelen over de aansluiting vwo-wo in de studiejaren 2000-2001 t/m

2002-2003. Nijmegen: IOWO.

Warps, J. & Kerstens, J. (2005). Eerstejaars hbo- en wo-studenten beoordelen de aansluiting met

hun vooropleiding. Resultaten van de Instroommonitor t/m studiejaar 2003-2004. Nijmegen:

IOWO.

166 Onderwijsraad, november 2007


Bijlage 1

Resultaten discriminant-analyse hoofdstuk 4

Bijlage B.1-167


Tabel 14: Resultaten discriminant-analyse op ERR-data 2003 voor havo

C&m E&m N&g N&t

in_wiskundeA 17,075 16,256 7,607 7,793

in_wiskundeB 10,865 11,837 9,213 8,859

in_natuurkunde -1,796 -0,651 10,464 9,307

in_biologie 2,669 2,472 6,088 0,035

in_scheikunde -11,035 -9,603 6,852 4,331

in_nederlands 15,931 15,081 11,016 10,751

in_aardrijkskunde -2,646 6,146 2,965 1,138

in_duits 3,496 2,461 2,294 1,071

in_geschiedenis 13,737 12,318 0,589 -0,880

in_engels 20,482 19,863 17,332 17,469

in_economie 4,746 5,009 1,819 2,012

in_frans 3,822 2,280 2,654 1,043

Constante -38,859 -39,640 -32,550 -24,208

Bron: ERR, IB-groep (februari 2007)

Tabel 15: Resultaten discriminant-analyse op ERR-data 2003 voor vwo

C&m E&m N&g N&t

in_wiskundeA 21,406 20,690 5,838 6,162

in_wiskundeB 10,696 11,916 4,331 4,405

in_natuurkunde -0,274 1,130 13,694 13,094

in_biologie 1,112 1,246 3,687 -0,116

in_scheikunde -29,370 -28,061 21,070 20,713

in_nederlands 61,139 61,752 77,972 79,257

in_aardrijkskunde -0,107 9,631 2,047 1,512

in_geschiedenis 9,713 8,042 5,465 4,900

in_engels 31,718 26,534 -7,886 -9,710

in_economie -1,168 3,620 0,730 0,841

in_frans -5,003 -2,644 -3,290 -4,418

Constante -59,607 -64,888 -58,666 -53,028

Bron: ERR, IB-groep (februari 2007)

B.1-168 Onderwijsraad, november 2007

More magazines by this user
Similar magazines