Verslag - ONP

onprvp.fgov.be

Verslag - ONP

Verslagboek

Rijksdienst voor Pensioenen ~ www.rvp.fgov.be

Internationaal Colloquium


Inhoudsopgave

Voorwoord 1

Verwelkoming door Gabriel Perl 2

Eén pensioenstelsel voor alle

werknemers 2

Ingrijpende veranderingen zijn

noodzakelijk 2

Het Generatiepact 2

Debat over de betaalbaarheid van

de pensioenen 2

De RVP vernieuwt 3

Inleiding door Paul Windey 4

Een internationale aanpak 4

“De toekomstige betaalbaarheid van

de pensioenen” 4

De toekomst is haalbaar! 5

Het Generatiepact 5

Informeren is prioritair 7

Gelijkenissen en verschillen in Europa 7

Evaluatie van de Zweedse

pensioenhervorming door Ole

Settergren 10

Het hoe en waarom van de

Zweedse hervormingen 10

De werking van het Zweedse systeem 11

Informatie in een oranje omslag 13

De resultaten van de

Zweedse hervormingen 14

Enkele conclusies 16

De pensioenhervorming in Duitsland

door Jürgen Meierkord 18

Recente hervormingen in Duitsland 18

Uitgaven en inkomsten 18

De impact van de hervorming 19

Een nieuwe filosofie 20

Het Riester Pensioen 21

De boodschap verkopen 23

De pensioenhervorming in Frankrijk

door Guillaume Filhon 25

Pensioenstelsels op drie niveaus 25

Waarom repartitie? 25

Fragmentatie van de sociale

gesprekspartners 26

Broodnodige hervormingen 27

De hervorming Fillon 29

Het belang van communicatie 29

Wat denken de jonge actieven van het

pensioenstelsel? 30

Is kapitalisatie het wondermiddel? 32

Reacties op de uiteenzettingen 34

Reactie Philippe Pochet 34

Reactie Bea Cantillon 36

Reactie Jürgen Meierkord 38

Reactie Guillaume Filhon 38

Reactie Ole Settergren 39

Intro op het debat van de sociale

gesprekspartners door Michel Nollet40

Blijven de pensioenen betaalbaar? 40

Ingrijpende maatregelen 40

Uitbouw van de 2 de pijler 41

De RVP voert een proactief beleid 42

Debat sociale gesprekspartners 43

Thema’s 43

Debat 45

Politiek debat 52

Thema’s 52

Conclusies politiek debat 54

Conclusie 59


Voorwoord

Internationaal colloquium: De toekomstige betaalbaarheid van de pensioenen.

“De mogelijkheden zijn er, het komt er op aan ze te willen gebruiken.”

Als slotevenement van de viering ‘40

jaar werknemerspensioen, 20 jaar

Rijksdienst voor Pensioenen’ organiseerde

de RVP op woensdag 24 oktober 2007

een internationaal colloquium in de

Zuidertoren.

Met dit colloquium wilde de RVP

het debat over de betaalbaarheid

van de toekomstige pensioenen

aanzwengelen en bestendigen. Daartoe

werden diverse gerenommeerde

internationale sprekers uitgenodigd.

Zij gaven uitleg bij het hoe en het

waarom van de pensioenhervormingen

in hun thuisland. Vertegenwoordigers

van de representatieve organisaties

van werkgevers en werknemers en

personaliteiten uit de politiek konden

in nationale debatten hun visie op het

pensioenvraagstuk geven.

de wetenschappelijke analyses naar een

politieke oplossing verwijzen.

Samengevat: “De mogelijkheden zijn

er, het komt er op aan ze te willen

gebruiken.”

Ik wens u veel leesplezier met dit verslag!

Gabriel Perl,

Administrateur-generaal van de RVP

De titel van het colloquium verwijst

naar een uitspraak van wijlen professor

Herman Deleeck. Als kritisch waarnemer

van de sociale zekerheid en de

welvaartstaat publiceerde hij in april

2000 een studie over de betaalbaarheid

van de pensioenen. Hierin licht hij de

verschillende financieringsmogelijkheden

toe die het wettelijke pensioenstelsel

leefbaar kunnen houden. Hij acht

het ethisch niet verantwoord om

twijfel en onrust te zaaien over de

toekomstige betaalbaarheid van de

pensioenen en komt tot het besluit dat


Verwelkoming door Gabriel Perl

De levensverwachting stijgt fors, terwijl het geboortecijfer terugloopt. De uitkomst

is onvermijdelijk: de Belgische bevolking vergrijst. Hoewel er in het kader van het

Generatiepact al een pakket maatregelen genomen zijn om de pensioenen veilig te

stellen, is het maar de vraag of die volstaan om het tij te keren.

Eén pensioenstelsel voor alle

werknemers

Precies 40 jaar geleden, op dinsdag

24 oktober 1967, zette koning

Boudewijn zijn handtekening onder

het Koninklijk Besluit nr. 50 dat de

rust- en overlevingspensioenen

voor handarbeiders, hoofdarbeiders,

mijnwerkers en zeelieden in éénzelfde

regeling opnam. Vanaf dit moment kon

men in België voor het eerst spreken over

één pensioenstelsel voor alle werknemers,

hoewel er nog specifieke regelingen

bleven bestaan voor mijnwerkers en

zeelieden.

KB nr. 50 vormt nog steeds de basis

van het werknemerspensioen, ook al

onderging de pensioenwetgeving heel

wat wijzigingen in de afgelopen 40 jaar.

Ingrijpende veranderingen zijn

noodzakelijk

Vooral de laatste jaren tekent zich een

duidelijke trend af. De Belgische bevolking

vergrijst. Ook de levensverwachting stijgt

fors, terwijl het geboortecijfer terugloopt.

Steeds minder werkenden moeten meer

bijdragen voor een groeiende groep

gepensioneerden die langer van hun

pensioen genieten. Het besef leeft dat

ingrijpende veranderingen noodzakelijk

zijn om de pensioenen veilig te stellen.

De jongste grote pensioenhervorming

dateert uit 1996. Toen werd beslist om de

pensioenleeftijd van vrouwen geleidelijk

op te trekken: vanaf 1 januari 2009

bedraagt deze ook 65 jaar.

Het Generatiepact

Het Generatiepact van 2005 voorziet

eveneens in een pakket maatregelen die

de activiteitsgraad willen vergroten en

de sociale zekerheid moeten waarborgen

voor toekomstige generaties. Zo kan voor

wie langer werkt een pensioenbonus

bovenop het pensioenbedrag worden

opgebouwd. Onder het Generatiepact

worden de pensioenen en uitkeringen

welvaartsvast, waardoor in eerste

instantie de laagste pensioenen, de

pensioenen van de vrouwen en de

leeflonen zullen stijgen. Het Pact zette

bovendien een trendbreuk in, onder meer

door het brugpensioen te ontmoedigen.

Debat over de betaalbaarheid

van de pensioenen

De vraag is of deze maatregelen zullen

volstaan. Naar aanleiding van de

Werelddag van Verzet tegen Armoede

raakte bekend dat één op de zeven

Belgen in armoede leeft. Veel mensen

leven van een lage uitkering. Omdat veel

Belgen vroegtijdig met pensioen gaan,

blijft ook de activiteitsgraad laag. Met

dit colloquium wil de RVP het debat over

de betaalbaarheid van de pensioenen

aanzwengelen en bestendigen.


De RVP vernieuwt

Ik maak graag van deze gelegenheid

gebruik om ook de 20 ste verjaardag

van de Rijksdienst voor Pensioenen

in de kijker te plaatsen. In 1987

fusioneerde de Rijkskas voor rust- en

overlevingspensioenen en de Rijksdienst

voor werknemerspensioenen immers

tot de Rijksdienst voor Pensioenen. De

RVP groeide op korte tijd uit tot een

dynamische organisatie, jong van geest en

toekomstgericht! Het gloednieuwe logo

symboliseert deze visie.

Ik ben dan ook bijzonder gelukkig u - in

avant-première! - de promotiefilm van

de Rijksdienst voor Pensioenen aan te

kondigen, waarin onze medewerkers

de hoofdrol spelen. Een voor de hand

liggende keuze. Zij zijn immers de

motor onder de modernisering die onze

organisatie de laatste jaren doormaakte.

Curriculum vitae:

Gabriël Perl behaalde zijn doctoraat in

de rechten aan de ULB in 1968. Nadat hij

jarenlang ervaring had opgedaan op de

kabinetten van de achtereenvolgende

Ministers van Sociale Zaken, waar

hij zich vooral specialiseerde in

internationale zaken, werd hij in 1994

administrateur-generaal van de RVP.

De heer Perl combineert ook nog

het voorzitterschap van het College

van Administrateurs-generaal van de

Openbare Instellingen van Sociale

Zekerheid met het voorzitterschap van

het Verzekeringscomité van het RIZIV.

“Met dit

colloquium

wil de RVP het

debat over de

betaalbaarheid

van de

pensioenen

aanzwengelen en

bestendigen.”

Gabriel Perl en Albert De Bruyckere

tijdens de persconferentie naar

aanleiding van het Internationaal

Colloquium.

Verwelkoming door Gabriel Perl ~


Inleiding door Paul Windey

Bepaalde media laten doorschemeren dat er nog niets is gedaan en dat er

geen uitweg meer is. Maar als de politiek de wil heeft om keuzes te maken, is

de toekomst wel degelijk haalbaar! Ondertussen mogen we niet nalaten de

werknemers te informeren over hun toekomstige pensioenrechten.

Een internationale aanpak

In het eerste deel van dit colloquium

komen drie getuigenissen aan bod: uit

Zweden, Frankrijk en Duitsland, met

commentaar op deze bijdragen door

professor Bea Cantillon en Philippe

Pochet.

Het is niet toevallig dat gekozen werd

voor een internationale aanpak.

~ In de EU staan de hervorming en de

modernisering van de sociale zekerheid

al een tijdje op de agenda. Zij maken

zelfs deel uit van de Lissabon-Strategie.

~ Inzake pensioenen is deze activiteit

eerder beperkt: in 2006 werd voor het

eerst een ruime inventaris - een foto

- opgesteld van de pensioenstelsels

in de EU-landen, van de uitdagingen,

evoluties en beleidsmaatregelen die

elk van die landen uitwerken.

~ Het ‘Strategisch Rapport’ dat België

daartoe afleverde in 2005 (en dat

geactualiseerd werd in 2006) werd

besproken en gesteund door de sociale

gesprekspartners in de NAR. Het

rapport is een aanrader omdat het voor

het eerst een omvattend en begrijpelijk

overzicht geeft van deze problematiek!

Dit rapport vormde tegelijk een

belangrijke hoeksteen bij het opstellen

van het Generatiepact.

~

~

Europa zit dus al goed ingeworteld in

de praktijk van het sociaal overleg in

België! De Open Coördinatie Methode

inzake sociale bescherming (waaronder

pensioenen) is een strategie die alle

EU-landen verplicht om de vragen te

stellen en te beantwoorden, in een

gemeenschappelijke, vergelijkbare

methodologie zoals overeengekomen

op Europees vlak, en binnen het kader

van de Lissabon-doelstellingen.

Inzake pensioenen gaat dit om drie

vragen die als één onlosmakelijk geheel

moeten beschouwd worden:

­

­

­

Is ons pensioenstelsel financieel

houdbaar?

Zijn de uitkeringen toereikend?

Is ons stelsel voldoende aangepast

aan de hedendaagse noden

van individuen, gezinnen en

ondernemingen?

“De toekomstige betaalbaarheid

van de pensioenen”

De titel van dit colloquium heeft mij

een beetje doen twijfelen. Hij riskeerde

immers een negatieve boodschap te

bevatten en de ‘ongegronde’ berichten in

bepaalde media riskeren een verlammend,

beangstigend effect te creëren. Ze laten

doorschemeren dat er nog niets is gedaan

en dat we geen keuze meer hebben.

Moet de boodschap niet eerder zijn: er

moeten politieke keuzes worden gemaakt!


De toekomst is haalbaar!

We leven langer, we blijven langer

in goede gezondheid en in betere

omstandigheden dan veertig jaar

geleden. Is het dan niet net daarom

dat we meer plaats moeten maken

voor bijkomende verzekerings- en

solidariteitsmechanismen, tussen ,maar

ook binnenin de verschillende generaties?

Paul Windey

Het pensioenbeleid in de enge zin vormt

slechts één van de aspecten van de

problematiek. Talrijke andere problemen

werden aangesneden: het oprichten van

een zilverfonds, de vermindering van

de schuld, de alternatieve financiering

van de sociale zekerheid en de talrijke

maatregelen die in het Generatiepact

kaderen.

Het Generatiepact

De sociale gesprekspartners hebben

actief en loyaal meegewerkt aan de

uitvoering van deze maatregelen. Het

werk is echter nog niet af. Meer nog, de

maatregelen die al zijn uitgevoerd blijken

niet altijd te zijn doorgedrongen tot op

de werkvloer, ook niet tot op het niveau

van het individu. Hun werkelijke impact

op de loopbaanverlenging is nog niet echt

meetbaar.

jaar, de activering die eveneens de oudere

werklozen betreft, de beperking van het

systeem van brugpensioen, het activerend

beleid bij herstructureringen, de aandacht

voor de voortdurende vorming van

oudere werknemers, de pensioenbonus

voor degenen die langer werken, de

fiscale rem als men het pensioen in de

‘2 de pijler’ te vroeg opneemt…

Ziehier een reeks maatregelen

opgenomen in het Pact waarbij

de sociale gesprekspartners ook

betrokken zijn, teneinde het langer

werken aantrekkelijker te maken en de

leefbaarheid van het pensioensysteem te

garanderen.

De verlaging van de loonlasten voor

werknemers ouder dan vijftig, het beter

combineren van werk en gezin, in het

bijzonder door middel van tijdskrediet, de

verplichting van outplacement na vijftig

Inleiding door Paul Windey ~


In het verleden heeft de Nationale

Arbeidsraad zich al verschillende keren

gebogen over de pensioenhervormingen,

de verhoging van de minima, de

verlenging van de loopbaanvoorwaarden

voor vrouwen en het toegelaten werk van

gepensioneerden - een thema dat hen na

aan het hart ligt!

Ook buiten de NAR hebben sociale

gesprekspartners een belangrijke rol

gespeeld in het pensioendebat. Ik refereer

bijvoorbeeld aan het akkoord van 2001

inzake democratisering van de 2 de pijler,

waarbij tegelijk een rem gezet werd op

het opnemen van het 2 de pijler pensioen

voor de leeftijd van 60 jaar.

In dezelfde lijn is het akkoord dat de

sociale gesprekspartners in september

2006 hebben afgesloten inzake

welvaartsvastheid van de sociale

uitkeringen van cruciaal belang.

Naast de verhoging van de minima werd

vooral aandacht besteed aan de oudere

pensioenen die niet mee geëvolueerd

zijn met de welvaartstijgingen. Sommige

werden sinds 2005 met 6 % verhoogd

en een bijkomende 2 % werd in het

vooruitzicht gesteld voor 2008.

In hun gezamenlijk standpunt van

5 oktober jongstleden hebben de

sociale gesprekspartners aan de

regeringsonderhandelaars gevraagd om

de parameters en de procedure voor

de welvaartsaanpassing van de sociale

uitkeringen te behouden zoals voorzien in

de Generatiepact-wet.

Daarmee willen ze continuïteit en

stabiliteit in de sociale uitgaven

bewerkstelligen, zodat:

~ Er een evenwicht blijft bestaan tussen

de sociaal noodzakelijke uitgaven in de

verschillende sectoren van de sociale

zekerheid.

~ Er geen afbreuk gedaan wordt aan

de noodzakelijke initiatieven om de

concurrentiekracht van de economie

en de tewerkstelling te ondersteunen.

~ De kosten van de vergrijzing in de

toekomst ook gedragen zullen worden.

Daarom wensen zij ook dat een

toekomstige regering zich ook houdt

aan het voorziene tijdspad voor de

afbouw van de schuld, zoals voorzien in

het Stabiliteitspact.

In dit gezamenlijk standpunt vragen

de sociale gesprekspartners ook dat

de uitgaven in de gezondheidssector,

in afwachting van een beslissing

door een nieuwe regering, in 2008,

niet hoger zouden liggen dan wat de

Vergrijzingcommissie voorziet als haalbare

groeinorm, met name 2,8 %.

~ Inleiding door Paul Windey


Informeren is prioritair

Voor één aspect wil ik uw bijzondere

aandacht vragen: de werknemer

informeren over zijn toekomstige

pensioenrechten, niet in het minst omdat

dit een prioriteit geworden is van de RVP.

Binnenkort spreken de sociale

gesprekspartners zich - hopelijk - uit

in de NAR om dit initiatief verder te

ondersteunen.

Het is maar in de mate dat werknemers

kunnen beschikken over reële bedragen

van hun pensioenrechten in de toekomst,

dat zij een duidelijke en gefundeerde

keuze kunnen maken die hun hele verdere

actieve carrière en hun pensioen zal

beïnvloeden.

Wat baten bonussen voor wie langer

werkt, ingewikkelde fiscale maatregelen

of informatie over de gevolgen van

vrijwillig niet-werken tijdens de loopbaan,

als de gevolgen ervan niet concreet en in

euro’s zichtbaar zijn voor de betrokken

werknemer?

Geconfronteerd worden met

een toekomstig bedrag van een

minimumpensioen van € 700 na een 30-

jarige of van € 1 000 voor een 45-jarige

loopbaan is geen eenvoudige uitdaging!

( Méér dan 450 000 gepensioneerden

bevinden zich in deze situatie.)

loopbanen wordt samenwerking

tussen alle betrokken instellingen nog

belangrijker.

Gelijkenissen en verschillen in

Europa

De uitdagingen waarmee de

pensioenstelsels in ons land af te

rekenen krijgen zijn ruim bekend. Dat

is ondermeer de verdienste van de RVP,

maar ook van de Studiecommissie voor

de Vergrijzing, van het Planbureau, van

de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid,

van alle ambtenaren die betrokken zijn bij

de Lissabon-strategie én van de sociale

gesprekspartners.

Hoe politieke partijen en sociale

gesprekspartners hierop reageren horen

we in het debat deze namiddag.

Dit geldt uiteraard voor de 1 ste pijler, maar

in de toekomst ook meer en meer voor

de pensioenrechten opgebouwd in de 2 de

pijler.

Met dit advies willen de sociale

gesprekspartners openlijk hun steun

uitspreken voor de weg die de RVP al

is opgegaan. Omwille van de steeds

vaker gemengde en gefragmenteerde

Inleiding door Paul Windey ~


Deze voormiddag horen we getuigenissen

uit Zweden, Frankrijk en Duitsland.

“De werknemer

informeren over

zijn toekomstige

pensioenrechten

is een prioriteit

geworden van de

RVP.”

Ik ben er zeker van dat we gelijkenissen

en verschillen vinden, inspiratie misschien

ook, maar vooral een gemeenschappelijke

bezorgdheid en wil om ons

pensioenstelsel:

~ Betaalbaar te houden.

~ Efficiënt te beheren en aan te passen

aan de nieuwe noden.

~ Toereikende uitkeringen te laten

uitbetalen.

Met oog voor solidariteit, tussen

en binnen generaties, en voor het

verzekeringsprincipe om de legitimiteit

ervan te verzekeren.

Curriculum vitae

Paul Windey studeerde politieke

wetenschappen, filosofie en rechten

aan de KU Leuven. Vanaf 1985 werd

hij ambtenaar bij het Ministerie van

Tewerkstelling en Arbeid en later in

1991 werd hij sociaal attaché bij de

permanente vertegenwoordiging van

België bij de Europese Unie. In die functie

was hij onder meer belast met het

leiden van de onderhandelingen en het

opvolgen en implementeren van Europese

richtlijnen inzake deeltijdse arbeid,

ouderschapsverlof, arbeidstijd, ... Sinds

januari 1998 is de heer Windey de nieuwe

voorzitter van de Nationale Arbeidsraad.

~ Inleiding door Paul Windey


“Samenwerking

tussen de

betrokken

instellingen wordt

steeds belangrijker.”


Evaluatie van de Zweedse pensioenhervorming

door Ole Settergren

De huidige situatie is onhoudbaar geworden. We moeten dus kiezen tussen het

optrekken van de pensioenleeftijd en het verlagen van het pensioenbedrag. Of is

er toch een middenweg? Het systeem moet flexibel genoeg zijn om zich aan de

economie aan te passen, want hoe meer je hervormt, hoe meer mensen zich zorgen

maken. Efficiënt communiceren is de boodschap.

“Het belangrijkste

doel van de

pensioenhervorming

was financiële

stabiliteit.”

Het wettelijk pensioen is belangrijk in

Zweden: 84 % van alle betalingen van

vorig jaar kwamen uit dat stelsel.

Maar aanvullende pensioenen zijn ook

belangrijk en hun belang zal toenemen

omdat het plafond laag is in het

Zweedse systeem. In het oude stelsel

was dat plafond geïndexeerd op basis

van de prijzen, en niet op basis van het

inkomen. Stom, maar zo werd het nu

eenmaal gedaan en om die reden zullen

aanvullende pensioenen toenemen. In

het nieuwe systeem is het gekoppeld

aan de inkomens, zodat de omvang van

het wettelijk systeem in de toekomst zal

stabiliseren.

Er zijn drie pijlers in het Zweedse systeem.

Het is verrassend hoe klein de 2 de en 3 de

pijlers zijn in Zweden, net zoals in vele

andere Europese landen.

Het stelsel dat een tijdje geleden werd

hervormd is natuurlijk het aan het

inkomen gekoppelde pensioen en er is

ook een toegevoegd gedeelte voor het

gegarandeerde pensioen.

We hebben 6,3 % van het BNP uitbetaald

onder de vorm van aan de inkomens

gekoppelde pensioenen van het wettelijke

stelsel en 0,8 % in het gegarandeerde

gedeelte.

Het hoe en waarom van de

Zweedse hervormingen

De hervorming van het Zweedse systeem

vond plaats om dezelfde redenen als in

alle landen.

Het belangrijkste doel was financiële

stabiliteit, of de financiële leefbaarheid

van het systeem. Maar ook de billijkheid

van het systeem kwam ter discussie.

Men vond het oneerlijk dat je dezelfde

prestatie kon krijgen als iemand anders,

alhoewel je veel meer betaald had in

bijdragen. Anderzijds kon je verschillende

pensioenuitkeringen krijgen, alhoewel

je eenzelfde bedrag aan bijdragen had

betaald.

Het nieuwe Zweedse stelsel is een

extreem stelsel, zeer vreemd op een

aantal punten. De reden daarvoor is

niet moeilijk te vinden: het is gericht op

financiële stabiliteit, en daarmee bedoel

ik dat het gegarandeerd is dat het zijn

uitkeringen kan betalen met een vaste

bijdrage.

De toenmalige politieke context is een

van de redenen voor die bijzonderheid en

dat extremisme in het Zweedse stelsel.

De politieke partijen moesten het eens

zijn over alles. Niet alle partijen die in het

Zweedse parlement vertegenwoordigd

waren, maar wel 5 van de 7, of 85 % van de

parlementariërs.

10


Een andere belangrijke doelstelling

was het systeem transparant te maken

voor elke verzekerde, opdat hij in staat

zou zijn te volgen wat er gebeurt in

het wettelijke pensioensysteem. Het

moet ook transparant zijn op een

ander niveau: op globaal niveau. De

regering, het parlement, journalisten

en pensioenspecialisten moeten de

financiële situatie van het stelsel van jaar

tot jaar kunnen volgen.

Daar het een sociaal verzekeringssysteem

is, was één doelstelling een minimum

pensioen voor iedereen garanderen.

Billijkheid tussen de generaties werd ook

veel besproken tijdens de hervorming.

Het politieke proces was lang en zeer

moeilijk en nam ongeveer tien jaar in

beslag, ondanks een eerste ontwerp in

1992. Het was zeer verrassend dat wat

na tien jaar onderhandelingen tussen de

politieke partijen uit de bus kwam, exact

hetzelfde was als wat in 1992 op papier

gezet werd. En naar Zweedse maatstaven

tenminste, is dat een uitzonderlijk

resultaat.

De werking van het Zweedse

systeem

Je zou kunnen zeggen dat het Zweedse

stelsel een versie is van het Duitse

stelsel, of een versie van het Franse

puntensysteem, en dat is grotendeels

waar.

Maar de presentatie en vele details zijn

zeer verschillend in het Zweedse systeem.

Het was de bedoeling twee verschillende

stelsels met vaste bijdrage op te zetten,

en ik zal me vooral concentreren op het

repartitiegedeelte van het nieuwe stelsel

dat werkt als een stelsel met een vaste

bijdrage.

Het gaat om twee versies van een

stelsel met een vaste bijdrage, zelfs het

kapitalisatiegedeelte.

Het grootste deel, het repartitiedeel,

functioneert essentieel zoals een

kapitalisatiesysteem. Om dit mogelijk

te maken was het nodig om het

invaliditeitsstelsel af te scheiden dat

geïntegreerd was in het oude stelsel

en dat in de meeste pensioenstelsels

geïntegreerd is. Het was ook nodig

het overlevingspensioen en het

gegarandeerde deel af te scheiden.

Ole Settergren

Evaluatie van de Zweedse pensioenhervorming door Ole Settergren ~ 11


Het wordt niet gefinancierd door

bijdragen maar door belastingen: 16 % van

het inkomen dat in aanmerking komt voor

het pensioen gaat naar het repartitiedeel,

2,5 % naar het kapitalisatiedeel.

De kapitalisatie is er enkel om puur

politieke redenen. In Zweden zijn de

conservatieven en de liberalen altijd

tegen het repartitiesysteem geweest.

Vooral omwille van ideologische redenen,

maar misschien ook omdat ze de

werking niet begrijpen. En daar ze een

kapitalisatiegedeelte wilden, is dat een

deel van het compromis.

Hoe werkt het?

het gebruik van het woord ‘sparen’, zeker

voor het repartitiegedeelte, daar het geld

niet gespaard wordt in de fiscale zin) maar

de bijdragen worden toegevoegd aan en

gecumuleerd op de individuele virtuele

rekening van elke verzekerde, en indien u

spaart bij de bank dan is er een rente en

krijgt u interest.

De interest in een repartitiestelsel is de

toename of verandering zoals u zegt. Het

kan negatief zijn in nominale zin, maar

normaal niet.

Maar het is de verandering in het

gemiddeld inkomen en er is een

overlevendenbonus. De saldo’s van de

rekeningen van diegenen die in de loop

van het jaar overlijden worden verdeeld

onder de overlevenden. De beheerskosten

van het stelsel worden ook afgetrokken.

Het is geen kapitalisatie, maar het lijkt

er min of meer op. Het doel van deze

oefening is de berekening van het

pensioen en hoe doen we dat?

Zeer eenvoudig in de zin dat het werkt

alsof het om een bankrekening ging.

Zowel het gedeelte repartitie als het

gedeelte kapitalisatie worden door de

belastingdienst tezelfdertijd overgeheveld

naar deze stelsels. En het is dezelfde

definitie van het inkomen dat in

aanmerking komt voor het pensioen.

Wel, u kunt een pensioen krijgen vanaf

61 jaar. Als u blijft werken draagt u bij

aan uw rekening, u kunt een pensioen

trekken en tezelfdertijd werken. U

kunt blijven werken tot uw tachtigste.

Wanneer u met pensioen gaat wordt

uw pensioen berekend op basis van de

levensverwachting op de leeftijd waarop u

met pensioen gaat, van de leeftijdsgroep

die dat jaar 65 wordt. Een interest wordt

toegevoegd, en het saldo van de rekening

wordt gedeeld door deze conversiefactor

of de jaarformule. Eenvoudig.

En indien u spaart bij een bank

(sommigen zouden protesteren tegen

12 ~ Evaluatie van de Zweedse pensioenhervorming door Ole Settergren


Informatie in een oranje omslag

Vóór ongeveer tien jaar begonnen we

individuele informatie te verdelen over de

situatie van elke verzekerde.

We deden dat in een oranje omslag, die

opgestuurd wordt aan elke persoon die

bijgedragen heeft.

Maar de projectie in deze omslag wordt

enkel opgestuurd vanaf uw 28ste en

de inhoud vertelt u gewoon wat u, uw

werkgever, en in sommige gevallen de

regering, bijgedragen hebben aan uw

pensioen.

En verder de waarde van de rekening, de

veranderingen, het geïndexeerde bedrag,

de interest, de overlevendenbonus, en de

administratiekosten.

Op het macroniveau informeren

we via een jaarverslag dat goed lijkt

op het jaarverslag van de modale

verzekeringsmaatschappij.

Alhoewel dit geen kapitalisatiesysteem

is, maar een repartitiesysteem, zetten we

min of meer alle passiva van het stelsel op

een rijtje.

En belangrijker: u kunt zien waarom

cijfers veranderen, hoeveel we uitbetaald

hebben in pensioenen natuurlijk, maar

ook de waarde van de indexering, hoeveel

de evolutie van de levensverwachting bij

het passief gevoegd heeft.

Evaluatie van de Zweedse pensioenhervorming door Ole Settergren ~ 13


Geboortejaar wordt 65 in ...

Conversiefactor

op 65

Het effect van de

levensverwachting

op het pensioenbedrag

De pensioenleeftijd

om te

vermijden dat er

effect is op het

pensioenbedrag

De levensverwachting

bij de “nieuwe”

pensioenleeftijd

1930 1995 14.8 0 % 65 jaar 17 jaar + 5 maand

1940 2005 15.6 -5 % 65 + 9 maand 18 jaar

1950 2015 16.5 -10 % 66 + 7 maand 18 jaar + 6 maand

1960 2025 17.1 -13 % 67 + 1 maand 18 jaar + 11 maand

1970 2035 17.6 -16 % 67 + 7 maand 19 jaar + 2 maand

1980 2045 18.0 -18 % 67 + 11 maand 19 jaar + 3 maand

1990 2055 18.3 -19 % 68 + 2 maand 19 jaar + 5 maand

Het belang van de evolutie van

de levensverwachting

De resultaten van de Zweedse

hervormingen

Ik denk dat 50 % van de financiële

stabiliteit van het Zweedse

pensioenstelsel, en daarmee bedoel

ik de mogelijkheid voor altijd dit

repartitiestelsel te financieren met

een vaste bijdrage, te danken is aan

de manier waarop we het pensioen

berekenen: door gebruik te maken van

de levensverwachting op 65 voor elke

leeftijdsgroep, die op basis van het

geboortejaar is samengesteld.

En dit was niet moeilijk om uit te leggen,

tenminste tijdens politieke debatten in

Zweden:

~ Voor wie geboren is in 1930 zou de

jaarformule 14,8 moeten bedragen.

~ Voor wie geboren is in 1990 is de

geprojecteerde jaarformule 18,3, wat

betekent dat hun pensioen 19 %

lager is.

Maar de intentie of de hoop is dat ze nog

drie jaar en twee maanden blijven werken.

Dan verdwijnt die vermindering en krijgen

ze hetzelfde vervangingspercentage als

diegenen die in 1930 geboren zijn.

En alhoewel ze met pensioen gaan op 68

+ 2 maanden zullen ze meer dan twee jaar

langer met pensioen zijn dan de mensen

die geboren werden in 1930, indien deze

projectie klopt.

We denken dat dit billijkheid tussen

generaties is. Je hoort niet elke maand

hetzelfde bedrag te krijgen als je verwacht

wordt langer te leven.

Sommigen zouden zeggen dat het

oneerlijk is dat wie geboren is in 1990

19 % minder krijgt. Ik zou antwoorden

dat het oneerlijk zou zijn als ze hetzelfde

maandbedrag kregen. Dat zou immers

betekenen dat de bijdrage met 19 % zou

moeten worden verhoogd. En in Zweden

was men van oordeel dat belastingen en

bijdragen het maximum bereikt hebben

dat de economie kan dragen.

Dit soort doortastendheid is één

onderdeel van het nieuwe stelsel, en is het

belangrijkst voor de financiële stabiliteit.

Maar dat betekent dat de pensioenleeftijd

moet opgetrokken worden, anders

moeten de pensioenen naar beneden.

Men zou kunnen zeggen dat de Zweedse

politici het debat over de pensioenleeftijd

ontweken hebben. Ze hebben een

technische bijsturing ingevoerd, en ze

zeggen dat je je pensioen kunt nemen

14 ~ Evaluatie van de Zweedse pensioenhervorming door Ole Settergren


wanneer je wilt, maar dat het pensioen

afhangt af van de leeftijd waarop je met

pensioen gaat. Ergens is dus de notie van

de wettelijke pensioenleeftijd afgeschaft.

De pensioenen zijn door de nieuwe

indexering hoger geïndexeerd, dus voor

de huidige gepensioneerden is deze

doortastende hervorming tot dusverre

goed geweest. Ze hebben hogere

pensioenen gekregen.

In Zweden gaat de levensverwachting

zoals in de meeste andere landen in

stijgende lijn de voorbije vijf jaar. Sinds

1998 is ze met bijna een jaar toegenomen.

“Tot dus ver kwam

deze hervorming

de huidige

gepensioneerden

ten goede: ze

hebben hogere

pensioenen

gekregen.”

Evaluatie van de Zweedse pensioenhervorming door Ole Settergren ~ 15


“Het is veel te

vroeg om te

zeggen dat het

nieuwe systeem

een succes is.

We zullen dat

dus zien bij

de volgende

verjaardag.”

Enkele conclusies

Van de doelstellingen is de financiële

stabiliteit voor 100 % bereikt. Maar

natuurlijk blijft de zorg dat deze financiële

stabiliteit tot zeer lage pensioenen zal

leiden en dit politieke evenwicht bestaat

nog altijd. Maar in de politiek weet je

nooit wat zal gebeuren.

Transparantie is bereikt, maar wordt die

op prijs gesteld?

Min of meer zou ik zeggen.

Billijkheid tussen de generaties is ook

bereikt, zou ik zeggen. Maar er wordt niet

veel meer over gepraat, misschien omdat

die bereikt is. Maar het is ook een kwestie

van definitie.

Het garantieprobleem is ook opgelost,

maar dat was geen groot probleem.

Als u me vraagt wat het grote

succesverhaal van de Zweedse

pensioenhervorming is, dan antwoord ik

dat het politieke systeem, de politici en

de parlementariërs het probleem vroeg

identificeerden, het oplosten en precies

dat deden wat ze beloofd hadden. En dat

is het grote succes.

Curriculum vitae:

Van 2001 tot 2003 was Ole Settergren

als hoofdeconomist verbonden aan

de National Social Insurance Board

waar hij het onderzoek in verband

met de pensioenen coördineerde en

daarna was hij verantwoordelijk voor

het opmaken van het jaarverslag van

het Zweeds pensioenstelsel. Voor het

Zweeds ministerie voor Gezondheid

en Sociale Zaken maakte de heer

Settergren de wetgeving op in verband

met de indexering en het automatisch

evenwichtsmechanisme voor het nieuw

Zweeds pensioenstelsel. Sinds 2004

is hij directeur van het Departement

van Pensioenen bij het Sociaal Zweeds

Verzekeringsagentschap.

En is het systeem zelf een succes?

Het is veel te vroeg om dat te zeggen:

men hoort een pensioenstelsel pas na 40

jaar te evalueren. We zullen dat dus zien

bij de volgende verjaardag.

16 ~ Evaluatie van de Zweedse pensioenhervorming door Ole Settergren


De pensioenhervorming in Duitsland

door Jürgen Meierkord

De Duitse regering erkende officieel dat het oude wettelijke pensioenstelsel het

belangrijkste deel van de voorziening van de oude dag voor actieven is. Maar zullen

deze mensen in de toekomst enkel kunnen leven van het inkomen uit die 1 ste pijler?

Kunnen legale immigranten misschien een oplossing brengen?

“De

pensioenleeftijd

in Duitsland

wordt voor

mannen en

vrouwen

geleidelijk

opgetrokken tot

67 jaar.”

Recente hervormingen in

Duitsland

Ik zal zeer in het kort de recente

hervormingen in Duitsland voorstellen.

Duitsland heeft, net zoals andere

landen, iets gedaan om het toekomstige

pensioenstelsel leefbaar te maken. De

laatste beslissing van het parlement

bestond er in , de pensioenleeftijd voor

mannen en vrouwen geleidelijk op te

trekken tot 67 jaar (afgerond in 2029).

Wie het systeem met drie pijlers bekijkt,

ziet dat het niet veel verschilt van andere

Europese landen, zeker een beetje

verschillend van het Zweedse systeem,

maar niet zo verschillend van andere

stelsels, zoals in Frankrijk, Italië, Spanje en

België.

1 ste pijler

Het belangrijkste systeem, waar

ik vandaan kom: het wettelijke

pensioensysteem waar ongeveer

80 % van de actieven gedekt wordt. Dan

hebben we enkele kleinere systemen

voor ambtenaren, vrije beroepen en

voor enkele speciale beroepen (dokters,

advocaten en anderen).

2 de pijler

Aanvullende pensioensystemen, die in

Duitsland onder de arbeidswetgeving

vallen en niet onder de sociale wetgeving,

en afhangen van de conventionele

overeenkomsten tussen vakbonden,

werkgevers en personen.

3 de pijler

Nu zeer belangrijk, sinds de invoering van

de Riester Rente (het Riester pensioen),

een door de regering gesubsidieerd

vrijwillige beslissing van werknemers om

te investeren in de 3 de pijler, in private

voorziening.

Alle zijn mogelijke investeringen in

voorzieningen voor de oude dag.

Uitgaven en inkomsten van het

Duitse systeem

Enkele cijfers over de uitgaven en

inkomsten van het Duitse systeem.

De cijfers voor 2005: wel, de

inkomenssituatie, het bijdrageplafond,

zijn niet veel veranderd, maar de bijdrage

werd opgetrokken tot 19,5 % in 2007.

Alle andere cijfers zijn min of meer gelijk.

Het bijdrageplafond voor Oost-Duitsland

werd lichtjes verhoogd, maar dat is te

wijten aan het feit dat de lonen van de

werknemers in Oost-Duitsland niet echt

verhoogd werden, en bovendien werden

de pensioenen de voorbije vijf jaar niet

geïndexeerd.

Na vier jaren zonder indexering van

de pensioenen, hadden we dit jaar een

gematigde indexering van 0,57 %.

18


De cijfers voor de uitgaven en inkomsten

zijn ook voor 2005: ongeveer € 224,2

miljard inkomsten en € 228,2 miljard

uitgaven. Uitgaven in het wettelijke

pensioensysteem zijn er vooral voor

pensioenuitkeringen, overlevenden, rust

en invaliditeit.

We hebben ook vrij belangrijke

investeringen voor rehabilitatiediensten

en we betalen natuurlijk de helft van de

kosten van de ziekteverzekering van de

gepensioneerden.

De beheerskosten bedragen zo’n 1,4 % of

€ 3,7 miljard.

De impact van de hervorming

De geschiedenis van de hervorming in

Duitsland begint eigenlijk in 1992. De

grote pensioenhervorming waarbij we

het pensioenpunt invoerden was van in

het begin niet geloofwaardig omdat die

twee jaar na de hereniging van Duitsland

kwam. Daardoor kwamen alle cijfers

waarop de hervorming gebaseerd was

uit de oude federale republiek West-

Duitsland.

Na de hereniging moest alles

herberekend worden. In ’98 kwamen de

sociaaldemocraten weer aan de macht.

U herinnert zich zeker de fameuze studie

van onze kanselier Schröder over het

toekomstige systeem: Agenda 2010.

We erkenden dus, in het stelsel

voor rustpensioenen, het wettelijke

pensioenstelsel, dat we zo niet verder

konden gaan. Op de internationale

conferenties van de voorbije 20 jaar

prees elke Duitser het repartitiesysteem

en hield altijd vol dat de standaarden

van het wettelijke pensioensysteem

volstonden om een degelijk rustpensioen

toe te kennen. De dingen zijn radicaal

veranderd.

Ik zou het geen ommekeer noemen,

dat zou een beetje te radicaal zijn, maar

eerder een verandering in filosofie.

Jürgen Meierkord

De pensioenhervorming in Duitsland door Jürgen Meierkord ~ 19


Een nieuwe filosofie

De regering erkende dus officieel, en we

adviseren dat aan onze klanten, dat het

oude wettelijke pensioenstelsel natuurlijk

het belangrijkste deel van de voorziening

van de oude dag voor actieven is. Er is dus

geen verandering op dat gebied.

generaties die dit systeem garanderen: de

generatie van de actieven en de generatie

van de gepensioneerden.

Ze creëerden dus een model om dit op

twee manieren te doen:

~ Enerzijds de indexering van pensioenen

afvlakken door een leefbaarheidfactor

in te voeren, zodat het pensioenniveau

in de toekomst zal dalen met 10, 12,

13 %, en dit om de bijdrage zo laag

mogelijk te houden. We hebben een

soort bijdrageplafond in de wetgeving

ingevoerd en in 2030 zal die ongeveer

22 % bedragen.

~ Anderzijds, en dit is nu ten laste van

de jonge generatie: de pensioenleeftijd

optrekken van 65, nu de normale

leeftijd, tot 67. Dit begint in 2012 en zal

eindigen in 2029.

Anderzijds kan het geen compleet

voldoende rustpensioen garanderen. Er

moet dus een nieuwe manier zijn om de

gaten te vullen die in de toekomst in de

wettelijke pensioenen zullen vallen. En

die gaten kunnen enkel gevuld worden

door investeringen, in privésystemen, of

in aanvullende pensioensystemen.

Vervolgens erkenden we hoe we dat

moesten doen, hoe we het wettelijke

pensioenssysteem konden consolideren

voor de toekomst en hoe we tot een

stabiel systeem konden komen.

Na lange discussies met de sociale

gesprekspartners besliste de regering

dat het initiatief, de beleidslijnen, de last

van de oude dag in de toekomst op de

schouders zouden komen van de twee

Daar schuilt een andere gedachte

achter: in de huidige Duitse situatie van

de wettelijke pensioenstelsels maken

enkel werknemers en vrije beroepen in

de 1 ste pijler deel uit van de verzekering

en zelfstandigen niet, in tegenstelling

tot België. Slechts enkele zeer zwakke

groepen zelfstandigen maken deel uit van

het wettelijke pensioenstelsel (6,3 %), en

vervolgens enkele speciale groepen, zoals

landbouwers en de vrije beroepen.

Meer dan 78 % is niet gedekt, en dit

geeft natuurlijk een andere toekomstige

mogelijkheid, namelijk de dekking van

mensen met een economische actief

leven in Duitsland, omdat Duitsland

in vergelijking met andere Europese

lidstaten nogal geïsoleerd is op het gebied

van de dekking van de actieven.

We zijn zo ongeveer de laatsten, daar

20~ De pensioenhervorming in Duitsland door Jürgen Meierkord


we enkel een verzekering hebben voor

de werknemers, waar de meeste landen

op zijn minst de zelfstandigen hebben

opgenomen.

Hoe belangrijk zal dat zijn in de

toekomst?

Nadenken over het leeftijdsniveau

heeft ook te maken met verschillende

loopbanen. We hebben dit onderzocht,

en we hebben erkend, gewoon om een

voorbeeld te geven, dat mijn kinderen,

nu tussen 21 en 33, pensioendossiers

zullen hebben, die verschillen van die

van hun vaders, moeders, grootvaders

en grootmoeders. Deze statistisch

gezien fantastische dossiers met 45

ononderbroken werkjaren zullen dus niet

meer bestaan in de toekomst.

Hoe bepalen we de pensioenpunten?

We vergelijken gewoon elk jaar het

individuele inkomen van elke werknemer

met het gemiddelde inkomen van alle

verzekerde werknemers. Indien dat

inkomen gelijk is, dan geeft dat recht op

een maandelijks pensioen van ongeveer

€ 26. Indien het meer is, dan is het ‘1,n’

(één komma zoveel), maar indien het

minder bedraagt, is het ‘0,n’ (nul komma

zoveel). Aan het einde van uw loopbaan

tellen we gewoon de pensioenpunten op

en vermenigvuldigen we de som met de

huidige waarde.

Het Riester Pensioen

In de wetenschap dat deze cijfers radicaal

veranderden, introduceerden we in 2001

het bekende Riester pensioen. Het Riester

pensioen betekent een zeer gesubsidieerd

systeem, dus directe overheidssubsidies

voor de lage of gemiddelde lonen, tot

meer dan 80 %, voor investeringen in de

private pijlers. Het plafond dat we voor

deze investering ingevoerd hebben is

4 % van het bruto maandloon. Het

plafond bedraagt op dit ogenblik € 6 800

per maand.

En de tweede mogelijkheid is natuurlijk

dat geld via de werkgever investeren in

aanvullende pensioenplannen.

De tweede en laatste beslissing,

gebaseerd op een coalitie-overeenkomst

voor de nieuwe regering van 2005, u weet

wel die coalitie van sociaaldemocraten

en christendemocraten, is dat de

pensioenleeftijd zal opgetrokken worden

naar 67 vanaf 2012. We hebben ook

beslist de bijdrage van 19,5 % op 19,9 % te

brengen om een hogere cash reserve te

hebben en om in een positie te zijn waar

we niet elk jaar de bijdrage zeer lichtjes

moeten verhogen.

“Deze,

statistisch

gezien,

fantastische

dossiers met 45

ononderbroken

werkjaren zullen

dus niet meer

bestaan in de

toekomst.”

In de huidige situatie, en dit zijn

de cijfers van 2004, bedroeg het

standaard pensioen op basis van deze

veronderstellingen nog steeds

€ 1 146 wat overeenkomt met een netto

vervanging van ongeveer 70 %, of de

doelstelling van 1992. In de toekomst zal

dit cijfer veranderen.

De pensioenhervorming in Duitsland door Jürgen Meierkord ~ 21


Wat zal nu het effect zijn van

de recente hervorming van de

pensioenen?

~

~

Het eerste effect is dat we een

soort plafond hebben voor het

bijdragepercentage.

Het tweede effect is dat we

verwachten dat dit een weerslag

zal hebben op de ontwikkeling van

het netto niveau van het standaard

pensioen.

De laatste lijn is de huidige situatie

door de invoering van de nieuwe

pensioenleeftijd van 67 jaar voor mannen

en vrouwen, zodat in 2040 het netto

pensioen zal teruggebracht zijn van 70 tot

58,4 %.

En dat alles is gebaseerd op de

veronderstelling dat de actieve 45 jaar

gewerkt heeft op een standaard niveau.

90

85

80

76,9

70

70

64,5

60

58,4

1990 2000 2015 2030 2040

Prognose ’87 – laagste schatting

Prognose ’87 – hoogste schatting

Hervorming 1992 Hervorming 2002

Hervorming 2004

Invloed op het standaard

pensioenniveau

Deze lijnen geven de verschillende

pensioenhervormingen weer. De

eerste twee lijnen illustreren het

onderzoekswerk dat in de jaren tachtig

gedaan werd om de pensioenhervorming

van 1992 voor te bereiden.

Het meest interessante is de derde lijn,

die het standaard pensioenniveau van

70 % garandeert, de politieke doelstelling

van 1992.

En de groene en rode lijn onderaan

dit beeld vertegenwoordigen de twee

beleidslijnen die we ingevoerd hebben.

De eerste in 2002.

22 ~ De pensioenhervorming in Duitsland door Jürgen Meierkord


De andere kant van de medaille

is het effect op het percentage 40 %

van de bijdrage. In de middelste

lijn ziet u het bijdragepercentage 35 %

met de hervorming van ’92.

30 %

In 2030 zal die opgetrokken

zijn tot 26 % en meer. Door

25 %

ons gewoon te houden aan

de grote lijnen van de recente 20 %

hervorming kunnen we aan

15 %

een bijdrageplafond blijven van

ongeveer 22 %.

De eerste stap van de

hervorming, en dat was zonder

de pensioenleeftijd op te trekken, zou in

2030 een verhouding gegeven hebben

van 100 gepensioneerden voor 211

actieven. Door de nieuwe leeftijd van

67 in te voeren wordt dat 100 en 255,

gewoon een betere situatie dan vroeger.

De boodschap verkopen

Enkele woorden om te eindigen. Het

gaat hier om de grote lijnen van de

hervormingen, en om dit systeem in

te voeren moest het politiek verkocht

worden, en dat was even complex

als in Zweden, waar een nieuwe

pensioenhervorming ingevoerd werd.

We moesten het vertellen. In Zweden is

de omslag oranje, bij ons geel, en daarin

sturen we elk jaar informatie aan de

bevolking. We moesten aan die jonge

bevolking uitleggen dat ze in vergelijking

met hun ouders hogere bijdragen moeten

betalen, dat ze lagere pensioenen krijgen

en dat ze langer moeten werken.

Dergelijke beleidslijnen zijn natuurlijk

niet makkelijk te verkopen (zoals hogere

uitkeringen, een gelukkiger leven,

enzovoort). We geloven echter dat de

1990 1995 2000 2005 2010 2015 2020 2025 2030

Prognose ’87 – laagste schatting Prognose ’87 – hoogste schatting Hervorming 1992

Zonder hervorming ‘02 - ‘04

bevolking tenminste de boodschap

begrepen heeft dat deze maatregelen

noodzakelijk waren om het wettelijke

pensioensysteem, dat meer dan 100 jaar

overleefd heeft in Duitsland, leefbaar te

houden in de toekomst. Maar natuurlijk

moeten we op de arbeidsmarkt heel

veel doen om het voor 55-plussers echt

mogelijk te maken te werken, en opdat

alle sociale gesprekspartners, vakbonden,

werkgevers, de juiste maatregelen nemen

om deze mensen in staat te stellen te

werken.

In de pensioenadministratie kunnen we

enkel een aantal rehabilitatieplannen

opstellen voor de ouderen en

enkele initiatieven steunen voor

beroepsopleiding voor 55-plussers. De

regering heeft natuurlijk veel initiatieven

gelanceerd om de maatschappij, om

de werkgevers ervan te overtuigen

hoe belangrijk het is de zeer ervaren

Na hervorming ‘02 - ‘04

werknemers lang aan het werk te houden.

41,7 %

36,6 %

26,9 %

24,2 %

22,2 %

Invloed op het

bijdragepercentage

De pensioenhervorming in Duitsland door Jürgen Meierkord ~ 23


In de toekomst zullen al deze beleidslijnen

enkel werken indien de sociale

gesprekspartners in staat zijn deze cijfers

draaglijk te maken in het leven van de

echte werknemer.

Curriculum vitae:

Jürgen Meierkord begon zijn carrière in

1977 bij het Bundes Agentur für Arbeit

in Berlijn, en was vervolgens verbonden

aan de Bundesversicherungsanstalt

für Angestellte (1980-1990), de

Europese Commissie en de Deutsche

Rentenversicherung Bund. Zijn loopbaan

stond steeds in het licht van de

internationale betrekkingen. Vandaag is hij

hoofd van het departement Internationale

Samenwerking Sociale Zekerheid. Recent

nam de heer Meierkord, in het kader van

de uitbreiding van de Europese Unie, deel

aan tal van projecten (PHARE) in Oost-

Europa.

24~ De pensioenhervorming in Duitsland door Jürgen Meierkord


De pensioenhervorming in Frankrijk

door Guillaume Filhon

Kapitalisatie is geen wondermiddel, want dat systeem is – net zoals repartitie

– onderhevig aan demografische evoluties. Als er weinig actieven zijn om het

kapitaal van de gepensioneerden in spe over te kopen, zullen de marktprijzen – en

dus ook het pensioenniveau – dalen. Bieden intergenerationele billijkheid en een

goede informatieverstrekking soelaas?

Het Frans BBP bedraagt

ongeveer € 1 700 à 1 800 miljard

en de ouderdomsuitkeringen

vertegenwoordigen alles bij elkaar 12 %

van dit BBP, wat vrij veel is.

Het basisstelsel, dat gestuurd wordt

door de Caisse nationale d’assurance

vieillesse (Cnav, de nationale kas

voor ouderdomsverzekering),

vertegenwoordigt de helft van deze

uitkeringen. Zoëven hebben we een

uiteenzetting gehad over 3 pijlers van de

rustpensioenstelsels, wat vrij klassiek is.

In Frankrijk hebben we een 1 ste pijler die

zeer groot is en vervolgens een 3 de pijler

die gevormd is uit rustpensioenen van

bedrijven en individueel spaargeld.

Pensioenstelsel met drie pijlers

Deze 1 ste grote pijler wordt gevormd

door de repartitiestelsels waarvan een

gedeelte elk jaar het voorwerp is van een

financieringswet. In Frankrijk zijn er dus 3

niveaus.

Het eerste niveau, dat ongeveer hetzelfde

is voor iedereen, bestaat uit de stelsels

die noch tot de ambtenarenstelsels

noch tot de speciale stelsels behoren.

Dit basisstelsel waarborgt dus een

pensioenniveau dat niet zeer gul is.

Op het tweede niveau vinden we de

ambtenarenstelsels die gefinancierd

worden door de Staat. Het rustpensioen

bedraagt 75 % van de wedde van de

laatste zes maanden en het is dan ook

een guller stelsel.

Het derde en gulste niveau bestaat uit

de speciale regelingen voor bepaalde

sectoren, die in onze economie als

prioritair beschouwd worden. Sommige

van deze regelingen bestonden al in de

tijd van de renaissance, maar worden

vandaag de dag hervormd, wat op veel

protest stuit in Frankrijk.

Waarom repartitie?

Waarom heeft Frankrijk gekozen voor

repartitie? Om drie economische redenen

en een politieke reden.

Eerst en vooral steunen repartitiestelsels

voor hun financiering op de evolutie van

de werkelijke economie, die langzamer

en minder onzeker evolueert dan de

financiële economie. Vlak na de Tweede

Wereldoorlog koos de Franse wetgever

voor repartitie omdat het ramen van

inkomsten in dit stelsel veel eenvoudiger

is.

“Frankrijk koos

voor repartitie

omwille van

economische

en politieke

redenen.”

25


Guillaume Filhon

Een repartitiestelsel is bovendien

minder duur. Niet alle Fransen zullen

het met die stelling eens zijn, en zeker

niet de jongeren, maar nochtans

liggen de beheerskosten van de Franse

repartitiestelsels tussen 1 en 2 % en

bedragen ze slechts 1,13 % voor het

basisstelsel van de privé, wat zeer

weinig is. Het is tien maal minder dan de

beheerskosten die men terugvindt bij de

pensioenfondsen van dezelfde grootte in

bijvoorbeeld Amerika.

De derde economische reden is dat

repartitiestelsels zorgen voor het

zogenaamde fenomeen van automatische

stabilisatie. Dit wil zeggen dat de

werkelijke economie wel fluctueert, daar

de niveaus van de pensioenen en de

sociale uitkeringen gewaarborgd wordt

en de impact van deze fluctuaties op de

burgers getemperd blijkt, te meer daar

het sociaal beschermingsstelsel als een

schokbreker werkt.

De vierde en laatste reden is een puur

politieke reden: het repartitiestelsel

werd ook gekozen om een vorm van

nationale solidariteit tot uiting te brengen,

solidariteit tussen alle Fransen, solidariteit

tussen de actieve, betalende generaties

– als ik me zo mag uitdrukken – en de

huidige gepensioneerden.

Binnen de repartitiestelsels is het

basisstelsel het belangrijkst. Het is het

belangrijkste in termen van repartitie van

de bijdrageplichtigen, maar ook op het

niveau van de uitbetaalde pensioenen. Er

zijn meer bijdrageplichtigen en dus is het

aandeel van het basisstelsel ook groter als

het gaat om gestorte pensioenen.

Waarom? Omdat het basisstelsel

samengesteld is uit de privéwerknemers

en omdat deze laatsten in vergelijking

jonger zijn. Het basisstelsel zorgt

overigens voor minder hoge

pensioenniveaus dan sommige andere

stelsels. De optelsom van beide maakt dus

dat we elk jaar meer bijdragen hebben

en ook meer, doch in ietwat mindere

mate, pensioenen die uitbetaald moeten

worden.

Fragmentatie van de sociale

gesprekspartners

Het Franse pensioenstelsel heeft een

eigenschap die bijzonder gevoelig ligt,

namelijk de fragmentatie van de sociale

gesprekspartners. Ons pensioenstelsel

26 ~ De pensioenhervorming in Frankrijk door Guillaume Filhon


wordt gestuurd door de sociale

gesprekspartners, dat wil zeggen door

de vakbonden en de vertegenwoordigers

van het patronaat. Toch zijn de

vakbonden in Frankrijk niet echt

representatief, als men ze bijvoorbeeld

vergelijkt met de representativiteit van

de Zweedse vakbonden, vermits de

syndicaliseringsgraad in Frankrijk zeer

laag is. Hij bedraagt in het algemeen

7 %, doch hij is nog lager in de privésector,

waar hij 5 % bedraagt.

Dat is belangrijk omdat het een

onderhandelingscultuur met zich

meebrengt en soms zelfs een

confrontatiecultuur. De vakbonden zullen

dus eerder de neiging hebben zich verder

te bevestigen in een weigering dan in een

partnership, in tegenstelling tot wat we

vooral in Duitsland zien.

Waarom zijn zo weinig mensen

gesyndiceerd? Om twee redenen.

De eerste is historisch, de tweede is

gebonden aan ons juridisch stelsel.

De vakbonden worden in Frankrijk

geassocieerd met een bepaalde elitaire

arbeiderscultuur. Zij die bij een vakbond

aansloten waren, waren zij die vóór

de Revolutie georganiseerd waren in

corporaties en gilden, dat wil zeggen de

geschoolde arbeiders, de personen die

aanspraak maakten op een bepaalde

know-how, een bepaalde technische

competentie en die er fier op waren.

Deze elitaire arbeiderscultuur vindt

men terug in het revolutionaire van de

periode tussen de oorlogen in Frankrijk,

daar het gaat om een ietwat intellectueel

syndicalisme dat eerder streefde naar de

‘Grand Soir’ en de grote revolutie, dan

naar begeleiding en partnership.

Deze elitaire arbeiderscultuur wordt

versterkt door een tweede reden: onze

juridische organisatie. Als een vakbond

over een collectieve overeenkomst

onderhandelt, wordt deze laatste immers

verruimd met al de werknemers, zelfs

met hen die niet gesyndiceerd zijn.

Er is dus geen enkele noodzaak om

gesyndiceerd te zijn om van het resultaat

van de collectieve onderhandelingen

mee te genieten. Men ziet hier ook goed

het belang of liever de verleiding van

de Franse loontrekkenden of de Franse

werknemers om van het resultaat te

genieten zonder te hoeven deelnemen

aan de collectieve beweging, om

bijdragen te betalen of om het risico te

nemen te staken.

Die verschillende elementen brengen

dus eerder een confrontatiecultuur

met zich mee, waarbij men de regering

of de werkgeversbewegingen dikwijls

voorstellen ziet doen waartegen de

vakbonden zich verzetten.

Broodnodige hervormingen

En nochtans zijn de hervormingen

nodig. We zien dat aan de evolutie

van het saldo van het basisstelsel voor

privéwerknemers. Deze evolutie hangt af

van drie elementen: een economisch, een

demografisch en een politiek element.

Het saldo van de CNAV was lang zeer

deficitair, structureel deficitair, tot in

1993. Waarom? Omdat de economie op

een laag pitje stond met een gemiddeld

groeipercentage van iets minder dan 2 %

per jaar, omdat de mensen die toen met

pensioen gingen relatief talrijk waren en

omdat in 1980 president Mitterrand de

pensioenleeftijd teruggebracht had tot de

De pensioenhervorming in Frankrijk door Guillaume Filhon ~ 27


De socio-demografische evolutie

zet zich door

leeftijd van 60 jaar. Vanaf 1993 stelt men

vast dat de toestand lichtjes verbetert,

omwille van drie redenen.

Ten eerste is er de zogenaamde

parametrische hervorming ‘Balladur’,

vervolgens een verbetering van de

economische toestand vooral tijdens de

laatste jaren, vanaf 1999, en ten slotte

het feit dat de leeftijdsklassen die met

pensioen gingen weinig talrijk waren.

En nochtans stelt men vast dat het

saldo van de Cnav vanaf 2006 opnieuw

gaat dalen en zelfs negatief wordt in

2007, 2008, enzovoort. Een recente

mededeling van de ‘Conseil d’Orientation

des Retraites’ kondigde zelfs aan dat de

drempelwaarde nog lager zou zijn dan

voorzien.

En waarom? Eerst en vooral zou ons

stelsel opnieuw hervormd moeten

worden om de relatieve neergang van

onze economie en de vergrijzing op te

vangen.

In 1993 was de hervorming dus

parametrisch. Wat gebeurde er?

~ De activiteitsduur werd verlengd. Men

ging dus van 37,5 jaar naar 40 jaar

noodzakelijke bijdragen.

~ Het gemiddelde referentieloon dat

toeliet het pensioen te berekenen

werd verminderd. Men ging van de

10 beste jaren naar de 25 beste jaren

en dus vermindert het bedrag van het

rustpensioen.

~ De pensioenen werden niet meer

geïndexeerd volgens de evolutie van

de lonen maar volgens de evolutie

van de prijzen, die minder gunstig is.

De lonen die in aanmerking genomen

werden en de indexering ervan

volgens de prijzen brachten dus nog

eens een vermindering mee bij de

berekeningsmodaliteiten van het

pensioen.

In 1965 ziet men dat we vijf

bijdrageplichtigen hebben voor

één gepensioneerde. In 2040 ziet

men dat we onder de grens gaan

van één bijdrageplichtige voor één

gepensioneerde. Zelfs als het gemiddelde

loon van de bijdrageplichtige vooruit

is gegaan en dus een belangrijkere

bijdragedraagkracht naar voren brengt, is

het nodig om het stelsel te hervormen.

Om een pensioenstelsel te hervormen

5

zijn er slechts drie vectoren. Men kan

4,5

4

3,5

3

2,5

Bijdrageplichtigen / gepensioneerden

ten eerste de bijdragen te verhogen. Ten

tweede kunnen de arbeidsduur en de

bijdrageduur verhoogd worden en ten

derde kan men de pensioenen verlagen.

2

1,5

1

0,5

0

1960 1970 1980 1990 2000 2010 2020 2030

2040

Waaraan kunnen we ons verwachten?

Als men bijvoorbeeld het huidige

vervangingspercentage behoudt dat 0,78

bedraagt, heeft men twee opties: of men

verhoogt de bijdragetijd met bijna zes jaar,

of men verhoogt het bijdragepercentage

met meer dan 14 punten, bijna 15 punten

meer dan wat thans betaald wordt. De

28 ~ De pensioenhervorming in Frankrijk door Guillaume Filhon


situatie is in beide gevallen natuurlijk

onhoudbaar.

De hervorming Fillon

Met deze overwegingen in het

achterhoofd werden hervormingen

doorgevoerd, met name de hervorming

van 2003. Ik zou willen onderstrepen

dat de hervorming “Fillon” van 2003 de

beginselen overneemt van de “Conseil

d’Orientation des Retraites” die op zijn

beurt samengesteld werd door Lionel

Jospin. Hoewel Lionel Jospin een socialist

is en François Fillon een gaullist is, zien

we een bepaalde continuïteit bij het

nemen van beslissingen.

Wat men in de hervorming “Fillon”

vaststelt is dat men het pensioenrecht

wil verpersoonlijken om de verzekerde

toe te laten een keuze te maken tussen

de duur van de bijdragen en het bedrag

van het pensioen. Door de verzekerde

de mogelijkheid te geven zelf te kiezen,

wil men de startdatum van het pensioen

natuurlijk verschuiven doch zonder dat

expliciet te zeggen. De hervorming Fillon

neemt een bepaald aantal elementen

over die in feite nodig zijn voor het veilig

stellen van het repartitiestelsel.

Het eerste van deze elementen is

een betere coördinatie tussen de

ambtenarenstelsels en het basisstelsel

van de privéwerknemers. In 1993

had de hervorming enkel betrekking

op het algemeen basisstelsel voor

privéwerknemers. In 2003 heeft

ze voornamelijk betrekking op de

ambtenarenstelsels waarvoor de

bijdrageduur voortaan over dezelfde

duur verspreid wordt als die van het

basisstelsel.

Het belang van communicatie

Wij hebben onze informatieverstrekking

gepersonaliseerd, via een recht op

informatie dat lijkt op wat in Zweden is

ingevoerd. Onze enveloppe is blauw, en

niet oranje, dat is wat ons onderscheidt,

maar voor het overige hebben we ons

ruimschoots door het Zweeds systeem

laten leiden om aan de Fransen – door

hen een brief te zenden – uit te leggen

welke rechten ze opgebouwd hebben

en wat hun pensioenbedrag zal zijn na

een bepaalde leeftijd. We vertellen hen

hoeveel hun pensioen zal bedragen als

ze al dan niet stoppen met werken op die

bepaalde leeftijd.

De pensioenhervorming in Frankrijk door Guillaume Filhon ~ 29


“We moeten

meer informatie

verstrekken en

de criteria inzake

herwaardering

van de

pensioenen

bekijken.”

Daarnaast introduceert de hervorming

Fillon een oriëntatie naar kapitalisatie met

een stelsel dat aanspoort om kapitalisatie

minder zwaar te belasten, met

daarbovenop een herzieningsclausule.

Om de vier jaar komen de sociale

gesprekspartners samen om te kijken

waar we staan op het vlak van de tekorten

of op het vlak van de tegoeden en wat

men kan doen om deze tekorten weg te

werken. De eerstvolgende ontmoeting

heeft plaats in 2008.

Ondanks de hervorming Fillon blijven

we kampen met dezelfde demografische

moeilijkheden. Als we het actieve

bevolkingspercentage met de totale

bevolking vergelijken, blijkt Frankrijk

in slechte papieren te zitten; een

hervorming dringt zich op. Hoe moeten

we die hervorming aanpakken? We

moeten meer informatie verstrekken en

de criteria inzake herwaardering van de

pensioenen moeten opnieuw bekeken

worden.

Wat het reservefonds voor

gepensioneerden betreft, zijn we

vergelijkbaar, vermits ook wij een

pensioenfonds hebben zoals België.

Wij hebben het niet voldoende

gespijsd. Wat er ons toe brengt om

ons de vraag te stellen wat we met dit

reservepensioenfonds gaan doen. Gaat

men het nog meer spijzen of gaat men er

eerder een ouderdomsfonds van maken

in het kader van een eerstvolgende

hervorming? Wat we bovendien

willen bereiken, is het verlengen van

de activiteitsduur en inzonderheid

het verhogen van de activiteitsgraad,

waarbij we vooral moeten kijken naar de

tewerkstelling van ouderen.

In 1984 zei men in Frankrijk vaak tegen

mensen van 55 of 60 jaar: ga met

pensioen of met brugpensioen en maak

plaats voor de jongeren. En nadien

heeft men gezegd: “neen, we moeten

daarmee stoppen, want dat kost te veel

geld”. Vanaf dan verminderde het aantal

bruggepensioneerden gestaag. Doch

ondertussen heeft men het brugpensioen

vervangen door een zogenaamde

‘vrijstelling van het zoeken naar een

beroepsactiviteit’ die betaald wordt

door de werkloosheidsuitkering. Vanaf

2004 doen zich vervolgens de eerste

vervroegde uitdiensttredingen voor als

gevolg van een langdurige loopbaan, dit

wil zeggen voor de personen die al op 14

jaar begonnen te werken.

We zien dus dat het aantal personen dat

in Frankrijk voor zijn 60 e op pensioen

vertrekt, of het nu in 1984 of in 2006

was, hetzelfde blijft. We moeten dus

een vraagteken plaatsen bij de bewering

dat ‘we niemand meer op brugpensioen

sturen en dat we geen brugpensioenen

meer moeten uitbetalen’.

Een nieuwe hervorming is dus nodig. Het

is echter ook nodig het repartitiestelsel

te verdedigen in een logica van bilijkheid

tussen generaties.

Wat denken de jonge actieven

van het pensioenstelsel?

Om af te sluiten zou ik er graag de

aandacht op willen vestigen dat de

toekomstige keuze eerst en vooral een

politieke keuze is. We hebben het gehad

over het belang van communicatie en

ik denk dat dat zeker het geval is voor

Frankrijk. Wij hebben onlangs een

opiniepeiling gedaan bij de verzekerden

onder de 55 jaar, zij dus met wie we

gewoonlijk niet spreken vermits we

pas in contact traden met hen die de

30 ~ De pensioenhervorming in Frankrijk door Guillaume Filhon


pensioenleeftijd naderden. En zij zijn

zeer tevreden over onze dienstverlening.

Wij hielden ons nochtans niet bezig met

zij die nog geen 55 jaar waren. Daarom

zijn we hen gaan opzoeken en hebben

we hen gevraagd: “Wat denkt u over het

pensioenstelsel?”

De verzekerden onder de 55 jaar menen

eerst en vooral dat de organisatie

ingewikkeld is. De organisatie van

de pensioenfondsen is wel degelijk

ingewikkeld en we moeten ze dus

vereenvoudigen, maar de ondervraagden

vinden ook dat een bepaald aantal dingen

verkeerd zijn:

~ Een meerderheid vindt immers dat

het pensioenstelsel volgens repartitie

slecht beheerd wordt en duur is. We

hebben gezien dat daar niets van aan is.

In Frankrijk bedragen de administratieve

beheerskosten immers

1,1 %, wat tien maal minder is dan wat een

gelijkwaardig groot pensioenfonds kost.

~ De geïnterviewden menen dat het

systeem fragiel is en in feite is het dat

ook bij een verslechterde demografische

toestand. Toch kozen de wetgevers na

de oorlog er juist voor om de repartitie

te gebruiken om de solidariteit te

waarborgen.

Men stelt dus niet enkel vast dat de

verzekerden van minder dan 55 jaar dat

alles beschouwen als ietwat negatieve

dingen. Hoe jonger ze zijn, dit wil zeggen

bij de 35- à 39-jarigen - hoe meer ze deze

mening bovendien toegedaan zijn.

Ik zou dus willen eindigen met citaat van

Donald Rumsfeld: “Er zijn zaken die ons

bekend zijn, maar er zijn ook zaken die

ons onbekend zijn. Dit wil zeggen dat

we weten dat er dingen zijn die we niet

kennen. Doch er zijn ook onbekenden,

De pensioenhervorming in Frankrijk door Guillaume Filhon ~ 31


zaken waarvan we niet weten dat we ze

niet kennen.” Dat is uiteindelijk wat ik

denk van onze pensioenstelsels die via

repartitie werken, en die technisch en

politiek uiterst gevoelig liggen.

Is kapitalisatie het

wondermiddel?

Men hoort vaak dat kapitalisatie een

oplossing is voor het probleem van

de vergrijzing. Maar dat is het niet.

Waarom? Nemen we het voorbeeld

van drie personen in eenzelfde kamer.

In het repartitiestelsel in 1960 heeft u

twee personen die bijdragen en één die

gepensioneerd is. Dat werkt goed. In 2050

heeft u twee gepensioneerden en één die

bijdraagt. Dat werkt minder goed.

Kapitalisatie werkt op dezelfde manier. U

neemt drie personen in dezelfde kamer.

In 1960 heeft u één persoon die met

pensioen gaat en twee personen die het

kapitaal dat de eerste persoon tijdens

zijn loopbaan heeft bijeengebracht,

willen kopen. Hij laat de prijzen natuurlijk

stijgen, waardoor hij kan vertrekken met

een goed pensioen, volgens de evolutie

van de marktprijzen. In 2050, heeft u er

twee die met pensioen willen gaan, en

is er slechts één die het kapitaal gaat

aanschaffen, waardoor de prijzen gaan

dalen. De marktprijzen dalen en dus zal

het pensioenniveau lager zijn.

De enige oplossing voor de kapitalisatie

is te externaliseren, dit wil zeggen elders

te gaan zoeken dan in die ruimte, elders

mensen te gaan zoeken die bereid

zouden zijn om het tegoed dat men

bijeengebracht heeft te kopen, dit wil

zeggen te gaan kijken in China of in India

of er arme jonge werknemers bereid

zouden zijn om hen van de vrucht van

hun arbeid te laten profiteren. Dat werkt

dus, maar met een logica die ietwat

aanmatigend is voor de buitenwereld.

Curriculum vitae:

Guillaume Filhon begon zijn carrière

bij de Caisse nationale d’assurance

vieillesse (Cnav, de nationale kas voor

ouderdomsverzekering) in 1999. Als

projectverantwoordelijke hielp hij bij

de ontwikkeling van een controleen

evaluatieprocedure voor de

coördinatienetwerken gerontologie.

Sinds 2006 is de heer Filhon als

kabinetsdirecteur belast met de

internationale relaties, relaties met de

media, communicatie en de organisatie

van de Raad van Bestuur.

32 ~ De pensioenhervorming in Frankrijk door Guillaume Filhon


“Men hoort vaak

dat kapitalisatie

een oplossing

is voor het

probleem van de

vergrijzing.”

33


Reacties op de uiteenzettingen

De uiteenzettingen van de internationale gastsprekers werden afgetoestst aan

de Belgische realiteit door een academisch panel, bestaande uit professor Bea

Cantillon van universiteit Antwerpen en de heer Philippe Pochet, directeur van het

Observatoire social européen. Vervolgens kregen de internationale experts nog even

het woord om te reageren op de feedback van de academici.

Reactie Philippe Pochet

“Hoe meer we

zeggen dat we

oplossingen

gaan vinden, hoe

meer de mensen

denken dat ze

problemen gaan

krijgen.”

We worden geconfronteerd met dezelfde

uitdagingen op het vlak van de vergrijzing

in de verschillende landen, maar de

weg die we volgen is verschillend, met

keuzes die gedeeltelijk worden beperkt

door een aantal variabelen (leeftijd,

bedrag van de pensioenen, preventieve

fondsen, enzovoort). Het zijn de keuzes

en de prioriteiten die verschillen bij de

aanpak van diezelfde uitdagingen. Elke

gemeenschap moet haar eigen keuzes

maken. Wat normaal is in Zweden

– enkel in die nationale context – is niet

noodzakelijkerwijs normaal in andere

landen: voorkeuren komen tot uiting.

Wat kunnen we leren van de anderen?

~ Op Europees vlak laat dit toe om de

gegevens te objectiveren in het licht

van een standaardisering.

~ De uitdaging is moeilijk omdat het

gaat om een succes of een mislukking

op lange termijn. Niemand weet of

de voorziene gevolgen zich zullen

laten voelen in 2040. We weten dus

niet of we lessen gaan trekken uit een

succes of uit een mislukking. Men kan

daarentegen lessen trekken uit de

onverwachte resultaten die werden

opgetekend, met name de risico’s die

verbonden zijn aan het beleid (beleid

van vertrouwen versus beleid van

wantrouwen).

Verschillende soorten hervormingen zijn

achtereenvolgens doorgevoerd:

~ Hervormingen op het vlak

van de billijkheid, waardoor

onrechtvaardigheden uit het verleden

rechtgezet konden worden.

~ Parametrische hervormingen

die inspelen op de verschillende

parameters (bijdragen,

vervangingspercentage, enzovoort)

met resultaten die verwacht worden

vanaf 2010-2020.

~ Structurele hervormingen, vooral in

de Bismarck-landen, waar ze worden

gekenmerkt door een toename van één

naar drie pijlers.

~ Een vierde soort hervormingen

manifesteert zich bijvoorbeeld

in Italië: het gaat om sociale

rechtvaardigheidshervormingen

waarbij het fenomeen van de arme

bejaarden aangepakt wordt.

Versterken de systemen met drie pijlers al

dan niet het repartitiestelsel? Er zijn twee

standpunten: sommigen zijn van mening

dat de versterking van de 2 de en de 3 de

pijler de 1 ste pijler zal versterken, terwijl

anderen denken dat de wijziging van de

krachtsverhouding het repartitiestelsel

dermate zal aantasten dat het zal leiden

tot een echte omslag.

Leeftijd impliceert verschillende

arbeidsperspectieven. Men moet een erg

34


ede kijk hebben op de uitdagingen:

hoe moet men de ondernemingen,

de levenscycli, de individuele keuzes

organiseren met betrekking tot de

collectieve druk?

Wat de migratiestromen betreft, is

het noodzakelijk om een oplossing te

vinden voor de talrijke personen uit de

Oostbloklanden die in het zwart werken.

Kan men de migratiestromen blijven

negeren terwijl het hier bijvoorbeeld

gaat om twee miljoen Polen? Het is een

fenomeen waar we rekening mee moeten

houden, ook al biedt migratie zelf geen

oplossing.

Wat de verdeling van de investeringen

op lange termijn betreft, stelt zich het

probleem hoe men het vertrouwen

op lange termijn kan winnen in een

samenleving die denkt op korte

termijn. We stellen een omgekeerde

oorzakelijkheid communicatie-informatie

vast: hoe meer we zeggen dat we

oplossingen gaan vinden, hoe meer de

mensen denken dat ze problemen gaan

krijgen.

Een punt werd niet behandeld: wanneer

houden we op met hervormen? Elke

hervorming lijkt uit te monden in een

nieuwe hervorming, zonder dat we

weten waar we naartoe willen, noch

welke de nagestreefde maatschappelijke

doelstellingen zijn.

Curriculum vitae:

Sinds 1992 is Philippe Pochet directeur

van het Observatoire social européen.

Naast politicoloog en lector aan de

Université catholique de Louvain is

hij eveneens medewerker aan het

Europees studiecentrum van de

Université Libre de Bruxelles. De

heer Pochet is mededirecteur van de

Groupe de recherche interdisciplinaire

Droit, Economie, Société (GRIDES).

Zijn expertisedomeinen zijn Europese

monetaire integratie, sociale

dialoog, sociale beleidsnormen en

tewerkstellingskwesties.

Philippe Pochet

Reacties op de uiteenzettingen ~ 35


Bea Cantillon

Reactie Bea Cantillon

We hebben in België al heel wat

hervormingen gehad. Als we kijken naar

de recente evoluties betreffende de

welvaart en het inkomen van ouderen

moeten we tot het besluit komen,

een enigszins alarmerend besluit, dat

de welvaartspositie van ouderen de

voorbije decennia reëel – in vergelijking

tot de actieven – achteruit is gegaan.

Als we de minimumpensioenen en de

vervangingsratio’s van onze wettelijke

pensioenen vergelijken met die in het

buitenland kunnen we niet bepaald fier

zijn.

Overal in Europa zien we dat de

armoedegraad bij ouderen lager ligt dan

die van de actieve bevolking, behalve

in één land: België. In België doet de

omgekeerde situatie zich voor. Het

verschil is bovendien significant.

In België hebben wij onvoldoende

zicht op het concrete functioneren

van het systeem. We hebben wel

zicht op de detailwerking, maar we

hebben onvoldoende zich op de manier

waarop het systeem op langere termijn

evolueert. Ik neem één voorbeeld van

de zelfstandigen: vijf jaar geleden was

het onmogelijk om in te schatten hoe de

uitgaven voor de zelfstandigenpensioenen

zouden evolueren in 30 jaar tijd.

Vandaag de dag roepen onze

ambtenarenpensioenen roepen nog altijd

heel wat vragen op. Nog een voorbeeld:

de afgeleide rechten. Er zijn heel wat

statistieken, maar ze worden onvoldoende

gebruikt om de werking en de evolutie

van het systeem transparanter te maken.

Er is een groot vermoeden –

sommigen zien het als een zekerheid

– dat we in de toekomst onmogelijk de

minimumpensioenen kunnen verhogen

boven de welvaart. We hebben dat in het

verleden ook nooit kunnen realiseren.

Waarom zouden we dan hopen dat we dat

in de toekomst wél zouden kunnen? En

hoe zit het met het voortbestaan van het

systeem?

Het ogenblik is dus gekomen om het

Belgische pragmatisme te verlaten. Het

systeem is onvoldoende flexibel om zich

aan te passen. Ik steun daarom ten volle

de oproep van administrateur-generaal

Perl om tot een Pensioenpact te komen.

We moeten dus in de eerste plaats

36 ~ Reacties op de uiteenzettingen


definiëren welk stelsel we nu eigenlijk

willen. Ik ben er zeker van dat dat stelsel

niet zo sterk zou verschillen van het

systeem met de drie pijlers dat we nu

kennen. De parameters zouden ook

ingevuld moeten worden: de bijdragen,

de uitkeringen, de pensioenleeftijd, de

belastingsvermindering om aanvullende

pensioenen aan te moedigen, de

welvaartsvastheid enzovoort. Maar is de

oproep van Gabriel Perl realistisch? De

hervorming die 20 jaar geleden in Zweden

doorgevoerd werd, heeft 10 jaar geduurd.

Hebben wij die tijd nog?

Het voordeel van de Zweedse hervorming

is dat men daar een heldere ‘format’ heeft

gecreëerd van berekeningswijze, rekening

houdend met alle parameters die ik zonet

vermeld heb. Deze parameters zorgen

ervoor dat men weet welke richting

het systeem uitgaat en waar men zal

eindigen. De Zweedse ‘format’ geeft

daarentegen wel een vals gevoel van

zekerheid omdat men enkel rekening

kan houden met factoren die men kent,

bijvoorbeeld de levensverwachting. Er

zijn heel wat veranderingen op til waar

we ons niet van bewust zijn. Als we 30

jaar geleden de toestroom van vrouwen

op de arbeidsmarkt bijvoorbeeld hadden

voorzien, zouden we misschien andere

keuzes gemaakt hebben.

Die parameters moeten

worden geobjectiveerd en de

voorspellingsmodellen moeten verfijnder

zijn dan die van het Planbureau. Ook de

ambtenarenpensioenen moeten worden

opgenomen in deze kaart. De modellen

moeten niet enkel gebaseerd zijn op

macro-economische parameters, maar

ook op de kleinere parameters in het

pensioenstelsel zelf.

Curriculum vitae:

Bea Cantillon studeerde politieke en

sociale wetenschappen aan de UFSIA

en de KU Leuven. Mevrouw Cantillon is

ondermeer directeur van het Centrum

voor Sociaal Beleid Herman Deleeck,

voorzitter van de Raad Wetenschappelijke

en Maatschappelijke Dienstverlening en

voorzitter van het Beheerscomité van

de Rijksdienst voor de Kinderbijslag voor

Werknemers. Haar onderzoeksdomeinen

zijn sociaal beleid, armoede, gender,

inkomensverdeling en sociale zekerheid.

Ik denk dat het Pact er zou moeten

komen, maar ik vrees dat we de tijd niet

zullen hebben in de huidige Belgische

context. Ik zou daarom een suggestie

willen doen aan de nieuwe regering:

negeer de ongebruikte gegevens niet en

stel een sociaal-economische kaart van

de pensioenen in België op, rekening

houdend met de huidige situatie en de

parameters die in de toekomst kunnen

wijzigen.

Reacties op de uiteenzettingen ~ 37


Reactie Jürgen Meierkord

Een voortdurende aanpassing is nodig.

Een systeem dat in de toekomst niet

gefinancierd kan worden heeft geen zin.

De situatie aanpakken houdt echter een

risico in voor de betrokken politici. Toch

zullen de hervormingen nooit ophouden.

Migratie is een belangrijk onderwerp.

In Duitsland en in Europa praat men

meer en meer over de blauwe kaart

voor migranten. Daarbij moeten wij

ons afvragen of zij ook in het legale

arbeidssysteem geïntegreerd moeten

worden. Van zodra ze er deel van

uitmaken dragen ze er veel toe bij.

We hebben behoefte aan een structurele

hervorming voor oudere mensen.

Duitsland is altijd trots geweest op het

feit dat weinig oude mensen onder de

armoedegrens leefden. Het percentage

armen is hetzelfde in alle leeftijdsgroepen,

wat niet het geval is in het Verenigd

Koninkrijk, waar een verschil bestaat van

30 tot 40 % tussen de 60-plussers en

de 70-plussers. De vraag die we ons nu

moeten stellen: zullen deze mensen in

de toekomst enkel kunnen leven van het

inkomen uit de 1 ste pijler?

Reactie Guillaume Filhon

Hervormingen zullen altijd noodzakelijk

zijn om de evoluties van de maatschappij

te volgen.

De vraag van de intergenerationele

billijkheid stelt zich. Laat me het

voorbeeld van mijn vader nemen;

hij werkte van 15 tot 65 jaar, met een

levensverwachting van 75 jaar. Hij moest

vier jaar werken om een wagen te kopen.

Ik begon op 27 jaar te werken en mijn

levensverwachting bedraagt 90 jaar. Ik kon

mij een wagen kopen na één jaar werken.

Is het rechtvaardig dat ik vroeg stop met

werken? Dat is ook intergenerationele

billijkheid.

De informatie heeft een boomerangeffect.

In Frankrijk kon men een massale

oppensioenstelling vaststellen, uit

vrees voor de hervorming in 2008. De

kwaliteit van de verstrekte informatie

was daarvan de oorzaak. De coördinatie

van de pensioenstelsels heeft niet enkel

positieve gevolgen vergeleken met het

repartitiestelsel. Inzake informatie is de

geloofwaardigheid van de verzender zeer

belangrijk. Men dient de informatiebron

geloofwaardig te maken om het

vertrouwen te winnen.

38 ~ Reacties op de uiteenzettingen


Reactie Ole Settergren

Er zijn drie opties:

~ De bijdragen optrekken, die al hoog

zijn.

~ De pensioenen verlagen.

~ De pensioenleeftijd verhogen.

De vakbonden en de politieke partijen

weigeren één van deze opties te kiezen.

Die situatie is niet leefbaar. Ik hoor

dikwijls de tegenwerping dat er geen jobs

zijn voor oudere mensen. Maar ik ben

van oordeel dat we de pensioenleeftijd

moeten veranderen, en dan zien wat er

gebeurt.

Idealiter zou het systeem niet moeten

wijzigen. De regels moeten niet

veranderen, maar ze hebben een interne

flexibiliteit nodig.

Tot nu toe heeft de communicatie de

bevolking vooral ongerust gemaakt

(vandaar een onverwachte verhoging

van het sparen) maar op het einde zal ze

effectief zijn. Eén voorbeeld: de wettelijke

pensioenen zullen afhangen van de

economische ontwikkeling in Zweden.

Deze boodschap is op zeer efficiënte

manier verspreid.

Gedurende het hervormingsproces van de

Zweedse pensioenen werden de sociale

gesprekspartners verrassend min of meer

uitgesloten. De verantwoordelijke politici

dachten dat ze nooit tot een consensus

zouden komen en hielden daarom de

sociale gesprekspartners min of meer

buiten. Vakbonden noch werkgevers

klaagden er echt over dat ze buiten de

besprekingen gehouden werden.

Reacties op de uiteenzettingen ~ 39


Intro op het debat van de sociale

gesprekspartners door Michel Nollet

De bevolking van West-Europa veroudert in een snel tempo. Bij een constante

evolutie zal het aantal 65-jarigen (en ouder) de actieve bevolking evenaren in 2050.

Zullen onze achterkleinkinderen nog kunnen rekenen op een pensioen zoals wij het

kennen? We zullen onze pensioensystemen moeten aanpassen aan de evolutie van

de behoeften.

De bevolking van West-Europa veroudert.

En België ontsnapt niet aan die regel:

vandaag is ongeveer één persoon op

zes 65 jaar of meer. In 2020 zal de grens

van één op vijf bereikt zijn en in 2050

(als de evolutie natuurlijk constant blijft)

zouden de 65-jarigen en meer de actieve

bevolking moeten evenaren.

Enkele cijfers in verband met de

wekelijkheid van de gepensioneerden, in

het bijzonder van de privé in België.

Op 1 januari 2005, op een totaal van

zowat 1 920 000 gepensioneerden,

alle regelingen samen, bedroeg het

gemiddeld maandbedrag van het

pensioen voor vrouwen € 806 en dat

voor mannen € 1 077. Het bedrag van

het volledig minimumpensioen voor een

alleenstaande bedraagt thans (afgerond)

€ 900 voor een rustpensioen van een

alleenstaande werknemer en € 1126 voor

een gezin.

Blijven de pensioenen

betaalbaar?

Als we aan onze achterkleinkinderen

denken, is dit een beangstigende vraag:

zullen we in de toekomst de pensioenen

verder kunnen betalen? De Europese top

van Laken heeft de gemeenschappelijke

doelstellingen voor de lidstaten

vastgelegd die op drie gebieden

gegroepeerd kunnen worden:

~ Zorgen voor het vermogen van

de pensioenstelsels om de sociale

doelstellingen te bereiken.

~ De financiële leefbaarheid bewaren van

de pensioenstelsels.

~ De pensioenstelsels toelaten rekening

te houden met de veranderde

behoeften van de maatschappij.

Ingrijpende maatregelen

Om deze doelstellingen te bereiken

hebben we in België tien jaar geleden

een diepe herstructurering tot stand

gebracht in de pensionstelsels van de

privésector. De loopbaan van de vrouwen

werd geleidelijk in overeenstemming

gebracht met die van de mannen, dit

wil zeggen 45 loopbaanjaren, en om

de - voor de vergrijzing aanvaardbare

- financiering voor te bereiden, heeft men

het Zilverfonds opgericht.

En om deze uitdaging het hoofd te

bieden, hebben de Belgische regeringen

sinds het begin van de jaren 1990 een

begrotingsstrategie ingevoerd inzake

vergrijzing. Ze bestaat in een drastische

vermindering van de overheidsschuld tot

60 % van het BBP in België van nu tot

2030. Daaruit zou er een vermindering

moeten voortvloeien van de intrestlast die

hoger zou moeten zijn dan de toename

van de pensioenkosten die ten laste van

de overheid vallen.

40


De debatten deze namiddag, met sociale

gesprekspartners enerzijds en politici

anderzijds, zullen misschien licht werpen

op dit onderwerp. En natuurlijk, te midden

van onze zorgen kan ik niet aan een

andere werkelijkheid ontsnappen. Ik heb

het over de structurele stijging van de

economische activiteitsgraad van onze

maatschappij zoals voorgeschreven door

de Europese Unie.

In België wordt het wettelijk

pensioenstelsel beschouwd als de

fundamentele waarborg dat iedereen

toegang heeft tot een redelijk pensioen.

Het is dus nodig om vooreerst over een

stevig pensioen 1 ste pijler te beschikken

waarbij de gepensioneerden de

pensioenrechten verwerven in functie

van de inkomsten die ze tijdens hun

loopbanen ontvingen.

Gelijklopend met het wettelijk pensioen

bestaat er ook een bijstandsstelsel

genaamd ‘inkomensgarantie voor

ouderen’, de igo. Het risicopercentage

van armoede bij bejaarden van meer dan

60 jaar is duidelijk hoger vergeleken met

de andere categorieën van de bevolking.

Om dat probleem aan te pakken werden

de wettelijke en minimumpensioenen

en het basisbedrag van de igo

waarschijnlijk onvoldoende verhoogd,

doch tijdens de voorbije periode hebben

de minimumpensioenen en de igo de

evolutie van het welzijn gevolgd. Ook in

de regeling voor zelfstandigen kon tijdens

de laatste drie jaren een inhaalbeweging

vastgesteld worden.

Uitbouw van de 2 de pijler

Daarenboven, heeft de wet inzake de

aanvullende pensioenen in 2003 een

grote hervorming op pensioenvlak

teweeggebracht. Deze nieuwe wet beoogt

dat de 2 de pijler ontwikkeld wordt om

een aanvullende sociale bescherming

te bieden die toelaat het levensniveau

beter te beschermen bij het op pensioen

gaan. Omdat via de sectorale pensioenen

alle werknemersstatuten bereikt

kunnen worden, heeft de wet ook een

democratisering tot gevolg; gans de

bevolking zal er op termijn van kunnen

genieten. Voor sommige categorieën

werknemers is de termijn echter vrij ver

af.

We moeten de pensioensystemen

aanpassen aan de evolutie van de

behoeften. Het Belgische pensioenstelsel

werd gemoderniseerd om rekening

te kunnen houden met de individuele

en maatschappelijke behoeften zoals

bijvoorbeeld de vraag naar meer

flexibiliteit, meer mobiliteit en een

Michel Nollet

Intro op het debat van de sociale gesprekspartners door Michel Nollet ~ 41


hogere deelname van vrouwen aan de

arbeidsmarkt.

De complexiteit van het Belgische

pensioenstelsel maakt dat de openheid

in het algemeen en de verspreiding van

informatie naar de gepensioneerde in het

bijzonder sterk verbeterd kunnen worden,

wat vooral het geval is bij gemengde

loopbanen.

Daarom dienen zowel de overheid als de

organen belast met de uitvoering van de

pensioenwetgeving hiervoor bijkomende

investeringen te doen. Het recht op

verspreiden van meer informatie en het

beter communiceren zullen dan ook een

belangrijk voorwerp uitmaken van de

volgende beheersovereenkomst voor

2009 – 2011 waarover de RVP binnenkort

zal onderhandelen.

De RVP voert een proactief

beleid

Nochtans heeft de RVP reeds sinds

verschillende jaren een proactief beleid

gevoerd op dit gebied. Een concreet

voorbeeld dat al gerealiseerd is: sinds

2004 gebeurt het onderzoek van de

pensioenrechten van alle werknemers die

de pensioenleeftijd bereiken automatisch.

Sinds 2005 bestaat er bij de RVP een

gratis groen telefoonnummer dat een

enorm succes kent. Sinds 2006 worden

systematische loopbaanoverzichten en

een schatting van de pensioenrechten

van alle werknemers van 55 jaar oud

opgestuurd.

De RVP is vandaag meer dan ooit een

centraal referentiepunt op het vlak

van pensioenen. Hij geniet hierbij van

een grote know-how en geavanceerde

informaticaparken en dit in een

vernieuwde werkomgeving.

Als voorzitter van het Beheerscomité van

de RVP zou ik graag alle personeelsleden

van de Rijksdienst willen feliciteren en

hen willen bedanken voor hun werk, hun

motivatie en de grote expertise waarvan

zij dagelijks blijk geven. Als het personeel

gemotiveerd is, wijst dat er natuurlijk op

dat de directie ook gemotiveerd is. Ik zou

ook nog graag even de aandacht vestigen

op het belang van de consensus die in

België al sinds 1944 bestaat tussen de

verschillende sociale gesprekspartners.

Die consensus zal niet aan belang

inboeten in de toekomst.

Curriculum vitae:

Op 2 februari 1969 begon Michel Nollet

zijn syndicale carrière. Hij bekleedde

belangrijke functies op regionaal en

nationaal niveau voordat hij in 1995 aan

het roer kwam van de FGTB (ABVV). Hij

was ook lid van de Centrale Raad voor het

Bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad.

Op dit ogenblik is de heer Nollet

voorzitter van het Beheerscomité van de

RVP en vice-voorzitter van het Koninklijk

Instituut der Eliten van de Arbeid.

De website www.kenuwpensioen.be

werd gelanceerd, waarmee werknemers,

zelfstandigen of ambtenaren, ongeacht

hun leeftijd, een simulatie kunnen

maken van het toekomstige pensioen.

42 ~ Intro op het debat van de sociale gesprekspartners door Michel Nollet


Debat sociale gesprekspartners

Het eerste debat ging tussen de sociale gesprekspartners en peilde naar de sociale

prioriteiten en de middelen om het wettelijke pensioen op een aanvaardbaar niveau

te handhaven.

De deelnemers aan het debat waren:

~ Anne Vanderstappen (Adviseur Sociale

Zaken, Studiedienst UNIZO)

~ Sabine Slegers (Nationaal Secretaris,

ACLVB)

~ Daniel Van Daele (Federaal Secretaris,

ABVV)

~ Pieter Timmermans (Directeurgeneraal,

VBO)

~ Marcel Savoye (Nationaal Secretaris,

ACV)

Thema’s

Gewaarborgd minimumpensioen en

welvaartvastheid

Een werknemer heeft na 45 jaar werken

recht op een maandbedrag van € 901 voor

een alleenstaande en € 1 126 voor een

gezin.

Uit recent verschenen studies van de FOD

Economie blijkt dat de armoedegrens

voor alleenstaanden en gezinnen op

respectievelijk € 822 en € 1 762 per

maand moet worden geraamd. Onder

meer alleenstaanden, vrouwen en 65-

plussers zijn oververtegenwoordigd in de

risicopopulatie.

Bovendien staat vast dat bij gebrek aan

een degelijke welvaartskoppeling al

maar meer gepensioneerden na een tijd

in het vangnet van het gewaarborgde

minimumpensioen terechtkomen en het

risico lopen om onder de armoedegrens

duiken.

De vraag rijst of dergelijke

pensioenbedragen volstaan om in

een redelijk levensonderhoud te

voorzien en de gepensioneerde de

mogelijkheid bieden om verder actief in

de samenleving te participeren (cultuur,

mobiliteit, …).

Hoe willen de sociale partners aan de

vraag naar een billijk en voldoende hoog

pensioenbedrag tegemoet komen?

Volstaan de huidige mechanismen om

de erosie van het pensioen tegen te

gaan? Welke financiële middelen kunnen

hiervoor worden vrijgemaakt?

43


Solidariteit versus verzekering

Het pensioenstelsel balanceert op een

wankel evenwicht tussen het solidariteiten

het verzekeringsprincipe.

Sommigen stellen dat een maximale

solidariteit in het pensioenstelsel moet

worden ingebouwd onder de vorm

van goed onderbouwde minima, het in

aanmerking nemen van gelijkgestelde

tijdvakken, het verzekeren van afgeleide

rechten, en dergelijke.

Anderen, echter, stellen het uithollen van

het verzekeringsprincipe de legitimiteit

van het stelsel zelf aantast en pleiten

onder meer voor een betere return on

investments. Zo niet dreigt het stelsel af

te glijden naar een veralgemeend (laag)

basispensioen.

Waarop moet, in functie van de

toekomstige financiering van de

pensioenen, de klemtoon worden gelegd?

Kan de invoering van een veralgemeend

basispensioen een oplossing bieden en

hoe hoog moet dit pensioen zijn?

De kosten van de vergrijzing

De sociale zekerheidsuitgaven

zullen in de toekomst het snelst

stijgen in de pensioensector en in de

gezondheidszorgen. De oudste groep

van gepensioneerden heeft de meeste

nood aan een welvaartsvast pensioen,

maar doet ook het meeste beroep op

gezondheidszorgen.

In de ziekteverzekering worden

groeinormen vastgelegd. Zij moeten

voorkomen dat vooraf vastgestelde

budgettaire enveloppen worden

overschreden. Boudweg zou men kunnen

stellen dat ‘hoe hoger de norm voor de

ziekteverzekering ligt, hoe kleiner de

budgettaire ruimte voor de verhoging van

de pensioenen wordt’.

Kunnen die twee aan elkaar tegenstrijdige

en stijgende behoeften in het kader

van de globale financiering met elkaar

worden verzoend of moeten andere

financieringsmechanismen worden

aangeboord?

Aan welke financieringsbehoefte moet de

voorkeur worden gegeven?

Welke financieringsmechanismen moeten

hiervoor worden aangewend?

De middelen

Binnen de Europese Unie werden in

verschillende landen hervormingen

doorgevoerd. Bij die hervormingen

werden tal van maatregelen genomen

die erop zijn gericht om de toekomstige

financiering van de pensioenen te

vrijwaren.

In verschillende landen werd de wettelijke

pensioenleeftijd verhoogd of de toegang

tot het vervroegde pensioen ontmoedigd.

Andere landen, waaronder België, nemen

ook initiatieven om in het kader van

de norm van Lissabon de werkelijke

pensioenleeftijd op te trekken.

In sommige landen werd het

pensioenstelsel volledig herdacht

en overgegaan tot een gemengde

financiering en opbouw van

pensioenrechten.

In deze slotronde wordt gepeild naar de

discussieruimte die tussen de sociale

partners bestaat.

44 ~ Debat van de sociale gesprekspartners


Debat

Moderator: “Mijnheer Nollet heeft gezegd

dat een alleenstaande maandelijks € 900

krijgt na 45 jaar loopbaan en een gezin

€ 1 126. Volstaat dat voor een redelijke

levenskwaliteit?”

Daniel Van Daele: “Men mag niet

vergeten dat een gemiddelde loopbaan

24 jaren telt bij vrouwen, en 35 bij

mannen. Dat betekent dat veel mensen

een pensioen krijgen dat nog lager is dan

het gemiddeld bedrag na een normale

loopbaan (45 jaar bij mannen).”

“De hervorming van ’97 is niet volledig

afgerond. Er zijn nog problemen in

verband met de arbeid van vrouwen, en

de inhoud van de loopbanen. Er moet

ook verder gewerkt worden aan een

welzijnskoppeling, een aanpassing van

de pensioenen aan de levensduurte.

Dit om te vermijden dat ze onder de

armoedegrens vallen, waaronder al 27 %

van de gepensioneerden leven.”

Sabine Slegers: “Dikwijls zien we op

televisie en in reclamespots actieve

zestig-plussers. In de raad voor

uitbetalingen zien we een heel ander

beeld. Wat we daar zien is mensonwaardig

en een fatsoenlijke maatschappij

onwaardig. Bij elke hervorming moet de

sociale rechtvaardigheid voorop staan.”

Marcel Savoye: “Hoewel men denkt dat

een pensioen gelijk is aan 60 % van het

salaris, bedraagt het dikwijls niet meer

dan 33 à 34 %. Dat legt de mensen een

heel andere levenswijze op. We bevinden

ons niet meer in een pensioensysteem

waar gepensioneerden oordeelden dat

ze nog enkele jaren te leven hadden,

en dat thuis blijven voldoende was.

Moderne gepensioneerden zijn actiever

en hebben andere noden. Een koppeling

aan het welzijn is nodig om het pensioen

gunstig te laten evolueren. Dat betekent

wel dat een inhaalbeweging nodig is

voor de oudere pensioenen. Zijn daar de

financiële middelen voor? Ik denk dat

die er zijn. Het probleem bestaat er in de

politieke moed te hebben om die toe te

kennen.”

Moderator: “Ons pensioensysteem weifelt

tussen het verzekeringssysteem en het

solidariteitsprincipe. Blijft dat haalbaar?”

Pieter Timmermans: “Voor de

vakbonden is er blijkbaar maar één

weg: de pensioenen optrekken. Ik kan

dat niet onderschrijven. Het beeld is

veel genuanceerder dan dat. Je moet

bijvoorbeeld ook een onderscheid

maken tussen inkomen en maandelijkse

pensioenontvangsten. Ook het vermogen

moet in rekening gebracht worden: het

pensioensparen is ruim verspreid, en het

gezamenlijke vermogen van de Belgen

bedraagt zo’n € 550 miljard, dat is het

dubbel van het BNP.

“Moeten we blijven schipperen tussen

het verzekeringsprincipe en het

solidariteitsprincipe?”

“Ik denk aan een combinatie van drie

pensioenen:

~ Een wettelijk pensioen dat voor

iedereen toegankelijk is, waar

misschien enkele aanpassingen nodig

zijn.

~ Alle sociale partners samen met de

regering hebben al in 2001 gezegd dat

de eerste pijler niet meer zou volstaan

en dat de tweede pijler uitgebouwd

Debat van de sociale gesprekspartners ~ 45


moet worden. De voorbije 10 tot 15

jaar is de dekkingsgraad trouwens

opgelopen van 10 tot 15 % van de

werknemers tot 50 à 60 %. Dat moet

zo verder gaan.

~ De burger mag ook zijn eigen

verantwoordelijkheid opnemen, en

zelf zorgen voor een appeltje voor de

dorst. Ook het eigen huis is een stukje

pensioenvorming.”

“We moeten naar een combinatie van die

drie pijlers gaan.”

Moderator: “De kosten van de pensioenen

en de vergrijzing zullen blijven stijgen.

Waar is de situatie, zijn er normen?”

Anne Vanderstappen: “De

vergrijzingcommissie heeft een aantal

hypotheses naar voren geschoven en

die zijn belangrijk voor de toekomst. We

kunnen voor de gezondheidszorg niet

meer uitgeven dan wat we economisch

kunnen betalen. Ouder worden betekent

niet noodzakelijk dat alles duurder moet

worden. Ik denk dat we gezonder ouder

zullen worden. Binnen het generatiepact

hebben we goede afspraken om elke 2

jaar een advies uit te brengen over de

welvaartvastheid van onder andere de

pensioenen, maar dat moeten gebeuren

binnen de budgettaire krijtlijnen. De

vergrijzingcommissie heeft parameters

opgesteld die gebruikt worden om

het budget te bepalen. Dat kan dan

op verschillende manieren gebruikt

worden, om bv. de minimum pensioenen

te verhogen, wat we de voorbije jaren

gedaan hebben.”

Moderator: “In sommige landen van de

Europese Unie, zijn er hervormingen

geweest om de pensioenen in de

komende jaren te vrijwaren. Laten we het

eerst over de pensioenleeftijd hebben.

De pensioenleeftijd, iedereen praat er

over, maar over welke hebben we het, de

werkelijke of de wettelijke?”

Sabine Slegers: “Eigenlijk zijn we de

pensioenleeftijd al aan het optrekken,

voor de vrouwen onder andere. De

werkelijke leeftijd optrekken is nog niet

aan de orde. De feitelijke leeftijd is de

leeftijd waarop mensen effectief stoppen

met werken. En dat is niet altijd een eigen

keuze. Herstructureringen en collectieve

ontslagen hebben veel mensen naar het

vervroegd pensioen geduwd. We zijn

bereid mee te gaan in de discussie dat

mensen langer zullen moeten werken,

maar dan moeten we er ook over

nadenken wat we gaan doen om ervoor te

zorgen dat mensen nog kunnen werken

na 50.”

Daniel Van Daele: “Voor de

pensioenleeftijd moet rekening

gehouden worden met het soort werk

en de werkomstandigheden. Ik herinner

er ook aan dat de pensioenleeftijd

facultatief is, men gaat met pensioen

of niet. Voor men gaat praten over het

optrekken van de pensioenleeftijd,

kan men beter de toepassing van het

generatiepact afwachten. We hebben de

pensioenleeftijd al op 65 gebracht voor de

vrouwen. Tenslotte gaat het om 45sten.”

“Een organisatie heeft ons op de 24 e

plaats (op 25) geklasseerd in Europa

als het er om gaat het pensioen te

beschouwen als een vervangingsinkomen.

Men moet dus het huis en het

patrimonium daarmee niet gaan

vermengen.”

46 ~ Debat van de sociale gesprekspartners


Marcel Savoye: “De wettelijke

pensioenleeftijd optrekken is zinloos, het

zou slechts om 15 % van die leeftijdsgroep

gaan, daar 85 % niet meer werkt. In

werkelijkheid moet men proberen de

leeftijd op te trekken waarop de mensen

effectief met pensioen gaan, indien de

omstandigheden het toelaten. Ik stel vast

dat de gepensioneerden zeer actief blijven

en weinig tijd hebben. Sommigen zeggen

zelfs dat ze best hadden willen verder

werken, anderen zeggen dat ze dat niet

gedaan zouden hebben. Men moet dus

aanmoedigen, maar niet verplichten.”

Anne Vanderstappen: “Ik ben het

eens met mijnheer Perl, een nieuw

generatiepact, zonder taboes, is nodig.

Ook de leeftijd niet, hoewel ik denk dat

de loopbaan belangrijker is dan de leeftijd.

We komen laat op de arbeidsmarkt en

we moeten weten dat we geen goed

pensioen kunnen opbouwen met slechts

30 of 35 jaar carrière. Van mij mag de

leeftijd opgetrokken worden, dat is in het

buitenland al gebeurd.”

Pieter Timmermans: “Ons pensioenstelsel

is gebaseerd op de gepresteerde

loopbaan. Deze is de voorbije decennia

fundamenteel veranderd. 30 à 40 jaar

geleden trad men tot de arbeidsmarkt

toe vanaf 16 à17 jaar en bleef men er tot

64 jaar, en was de levensverwachting

gemiddeld 75 jaar. Nu studeert men

gemiddeld tot 19 à 20 jaar, en verlaat

men de arbeidsmarkt bij voorkeur op 57

à 58 jaar. Dat proberen we op te schuiven

naar 60 à 61 jaar. De levensverwachting

is gestegen van 75 naar 85, en zal verder

evolueren. Scherp gesteld is de periode

waarin men bijdraagt bijna even lang als

de periode waarin men ontvangt. Dit is

onhoudbaar en onbetaalbaar.

Anne De Baetselier,

Moderator

Debat van de sociale gesprekspartners ~ 47


Zoals je in het buitenland ziet zijn er twee

opties: de pensioenleeftijd verhogen, of

op een andere manier rekening houden

met de levensverwachting . 75 jaar naar

85 jaar, dat is 10 jaar meer te financieren.

Laten we daar eens rustig over nadenken.”

Moderator: “Moet men de gelijkgestelde

perioden geleidelijk afbouwen?”

Pieter Timmermans: “De gelijkgestelde

perioden moeten niet afgeschaft worden

want het is het element van solidariteit

tussen zij die werken en zij die niet

hebben kunnen werken. Maar wanneer

men vaststelt dat een derde van de

rechten gebaseerd zijn op gelijkgestelde

perioden, dan moet men de moed hebben

te bestuderen wat onder de gelijkgestelde

perioden valt.”

“Er moet misschien een responsabilisering

komen voor de perioden van inactiviteit

waarover men zelf beslist. Moeten

pensioenrechten opgebouwd worden

voor een tijdskrediet dat gebruikt wordt

voor een reis rond de wereld? Zonder

enige bijdrage?”

Sabine Slegers: “Bij de discussies

over de pensioenen mogen er geen

taboes zijn, ook niet wat betreft de

geassimileerde perioden, al worden die

niet altijd gebruikt voor wereldreizen. Ik

vrees wel dat op termijn ook de andere

geassimileerde perioden in vraag gesteld

zullen worden, zoals ziekte en invaliditeit.

Vaak moeten mensen hun loopbaan

onderbreken om andere redenen.

Daarover moet op een rechtvaardige

manier gepraat worden.”

Marcel Savoye: “Er moet gepraat worden

zonder taboes, maar de gelijkgestelde

perioden minder belangrijk maken zou

betekenen dat de pensioenen aangetast

worden. Dat zou ook minder aanvullend

pensioen betekenen voor deze periode,

dus nog minder pensioen.”

“Wanneer we een periode van

werkloosheid, ziekte, et cetera

gelijkstellen, dan gaat het niet om

een keuze van de werknemers. Er

moet ook gepraat worden over de

verantwoordelijkheid van de sociale

actoren die de mensen in een dergelijke

situatie brengen.”

Daniel Van Daele: “Het is duidelijk dat

we het loonplafond waarop de prestaties

berekend worden regelmatig moeten

herzien, indien we deze vorm van

solidariteit willen behouden. Voor de

perioden van solidariteit wijs ik op twee

belangrijke elementen.”

~ Het pensioensysteem vermijdt ook de

armoede van de 1 900 000 burgers. Daar

iets aan wijzigen zal dus een grote impact

hebben.

~ Het is nodig te vermelden dat de

gelijkgestelde periodes 50 % bedragen

voor een alleenstaande werkneemster, en

niet 35 %.

“De gelijkgestelde perioden maken deel

uit van de consensus die we in 1997

bereikt hebben. De pensioenleeftijd op 65

brengen was toen de compensatie voor

het behoud van en de versterking van de

gelikgestelde perioden, om een voldoende

inkomen te bieden om na het pensioen

waardig te kunnen leven.”

Moderator: “En de flexibele perioden?”

Sabine Slegers: “Men kan voor

flexibiliteit kiezen, bijvoorbeeld flexibele

uitstapmogelijkheden waar mensen

48 ~ Debat van de sociale gesprekspartners


kunnen terugvallen naar 4/5, en jongere

mensen opgeleid kunnen worden. Op

dat vlak is veel bespreekbaar, en ik denk

dat alles moet worden gedaan, om

ervoor te zorgen dat mensen lang op de

arbeidsmarkt blijven.

Voor de pensioenbonus waren wij

vragende partij. De vorige regering heeft

dat ingevoerd, maar het is nog te vroeg

voor een evaluatie. Een bonus kan nuttig

zijn maar dan moeten de mensen wel

goed ingelicht worden. De uitkering komt

bovenop het pensioen, als men langer

werkt dan 62 jaar, of na meer dan 44 jaar

activiteit. Het is dus wel een positieve

maatregel.”

Moderator: “Het Bismarckstelsel

(repartitie) of het Bevernagestelsel

(kapitalisatie)? Welk stelsel kiezen we?”

Pieter Timmermans: “In België hebben

we beide gekozen. De eerste pijler is

Bismarck. En de sociale partners hebben

in 2001 een verklaring getekend waarin

gezegd wordt dat we een sterke eerste

pijler nodig hebben. Tezelfdertijd moet de

tweede pijler verder ontwikkeld worden.

Het gaat niet om een keuze tussen de

twee. Beide moeten uitgebouwd worden

om ieder een goed levensniveau te

garanderen. Op sectorieel niveau hebben

meer en meer mensen er toegang toe.

Voordien hadden 15 % van de werknemers

toegang tot een groepsverzekering,

vandaag tussen 50 en 60 %. Dat moet nog

verder uitgebouwd worden.”

Marcel Savoye: “Het gaat inderdaad

om een akkoord tussen de sociale

partners om de 2 de pijler te promoten,

van zodra die democratisch ingevoerd

werd, dit betekent toegankelijk voor

elke werknemer, onder toezicht van de

sociale partners. Maar zelfs een positieve

evolutie behelst enkel de toekomstige

gepensioneerden. Wie al gepensioneerd

is, is er niet bij betrokken, of niet op

dezelfde manier.

Als vakbond wensen we die uit te breiden

tot alle sectoren, wat toch enige tijd zal

vragen, misschien zelfs jaren.”

Daniel Van Daele: “Ik denk dat men

vergeet dat de middelen er zijn,

bijvoorbeeld bij de banken. Ik denk dat

de vruchten van de groei rechtvaardig

moeten worden verdeeld tussen kapitaal

en werknemers. Dat is al een bron van

financiering. Men vergeet ook dat de

werknemers meer verdienen dan 40 jaar

geleden. Dat betekent dat de bijdragen

ook stijgen. Volstaat dat? Dat is een

andere discussie. Ik heb een andere

financieringsmogelijkheid aangeduid, en

er is ook nog het Zilverfonds.

We hebben een akkoord getekend dat ook

een uitbouw van de 2 de pijler voorziet.

Maar op dit ogenblik hebben volledige

sectoren nog geen toegang tot deze

2 de pijler. De hele non profit sector, de

hospitalen. We moeten dus oplossingen

vinden, en een sterke eerste pijler verder

uitbouwen, ook om te vechten tegen

armoede als solidariteit.”

Moderator: “Moet een vierde pijler

ingevoerd worden?”

Pieter Timmermans: “Als overheid heb je

twee opties:

~ Eerste benadering: we bouwen

een pensioen op basis van repartitie

waartoe iedereen moet bijdragen, zodat

we iedereen een pensioen kunnen

Debat van de sociale gesprekspartners ~ 49


garanderen waarmee hij of zij zijn

levensniveau tot aan zijn dood kan

volhouden. Wat we hebben opgebouwd

tijdens onze loopbaan geven we door,

als erfenis en telt dus niet mee voor

het pensioen. Om een voldoende hoog

pensioen te kunnen garanderen, zullen

we met ons allen de fiscale druk die al

zeer hoog is nog wat moeten verhogen,

om dat in de toekomst betaalbaar te

kunnen houden.

~ Tweede: een zo goed mogelijk

gefinancierde 1 ste pijler op basis van

repartitie opzetten, en daarnaast

een 2 de en 3 de pijler. Daarbij is de

tweede pijler een bedrijfssectorale

verantwoordelijkheid, en de derde een

individuele verantwoordelijkheid. In dat

systeem spaart iedereen en zet zo een

appeltje voor de dorst opzij.

“En uit studies blijkt dat toch 75 tot 80 %

van de mensen een eigen huis bezitten.

Dat mogen we niet onderschatten. Aan

de andere kant zien we dat het vermogen

van alle Belgen samen door Eurostat

geschat wordt op 550 miljard. Dat is 2

maal het BNP.”

“Ik ga voor de tweede benadering

omdat we anders terecht komen

in een onmogelijke financiële en

begrotingssituatie. Ook omdat geen

enkele taxatievoet in België nu al niet

in de top drie van Europa staat, en dus

niet meer verder kan verhoogd worden.”

Bovendien is kapitaal mobiel en dus

moeilijk te belasten. Het onroerend

kapitaal belasten ligt dan weer heel

gevoelig.”

Daniel Van Daele: “Ten eerste: we zijn één

van de weinige landen in de wereld waar

kapitaal niet belast wordt. Dat bestaat in

Frankrijk en zelfs in de Verenigde Staten.”

“Ten tweede: er is een vrij groot verschil

tussen de gemiddelde aanslagvoet en de

effectief betaalde. We praten dan zelfs

niet over de notionele interest.”

Moderator: “Veralgemeend

basispensioen?”

Marcel Savoye: “De vakbonden zouden

het eens kunnen zijn met een vrij hoog

basispensioen.”

Anne Vanderstappen: “De facto evolueren

we al een hele tijd naar het basispensioen.

Binnen 10 jaar zitten we misschien al in

die situatie. Ik heb wel twijfels over de

legitimiteit van een dergelijk systeem.

Mensen vinden nu al dat ze weinig krijgen

in verhouding tot wat ze bijgedragen

hebben. Ze verwachten een zekere

return on investment. Voor een volgend

pensioenpact kan over dergelijke dingen

gepraat worden, bijvoorbeeld over het

verschil tussen het gewone pensioen en

dat basispensioen.

Pieter Timmermans: “De meeste

mensen zouden het basispensioen

niet beschouwen als iets waar ze bij

betrokken zijn. Dat evenwicht tussen

verzekering en solidariteit vind ik heel

belangrijk. Beperking van uitkeringen

en onbeperktheid van bijdrage, dat

gaat wegen op een bepaald moment.

En als mensen gaan vergelijken wat ze

bijgedragen kijgen, en wat ze uitgekeerd

hebben, dan ondermijn je de basis van

de solidariteit. Repartitie wil nu eenmaal

zeggen dat je draagvlak zo groot mogelijk

moet zijn, en zo stevig mogelijk.”

Moderator: “Conclusies?”

50 ~ Debat van de sociale gesprekspartners


Sabine Slegers: “We kunnen met de

sociale gesprekspartners en de politici

naar een zeer grondig debat gaan

zonder te vergeten dat we al heel wat

hervormingen achter de rug hebben.

Misschien kunnen we die eerst verteren

en dan eens kijken.”

“Voor de eerste pijler zijn er nog

mogelijkheden. We zijn bereid na te

denken over langer werken. Met de

alternatieven op het vlak van financiering

kan men al een eind mee weg, indien

ieder zijn verantwoordelijkheid opneemt.

De tweede pijler is inderdaad een stuk

kapitalisatie, laten we die democratiseren.

Men moet de mensen wel de redenen

daarvoor goed en correct uitleggen. Bij

de jonge mensen is de koopkracht al

lager, en dan nog sparen voor later, dat

moet goed uitgelegd worden. Laat ons

dus rustig verder gaan met die eerste en

tweede pijler.”

maturiteit in het beheer bewezen. We

nemen voor 70 % deel aan de Sociale

zekerheid, en ook daar hebben we ons

kunnen bewezen. Politieke inmenging kan

dit evenwicht dat we gevonden hebben

in gevaar brengen. Hervormen om te

hervormen of verder hervormen kan

angst veroorzaken, en dat is niet goed

voor de democratie. Het is belangrijk

de mensen niet bang te maken, hen te

zeggen dat de pensioenen in de toekomst

betaalbaar zijn.

Het studiecomité over de veroudering

heeft gezegd dat een verhoging van

3,5 of 3,8 % nodig was. Ik heb al gezegd

dat er andere formules zijn om dat te

financieren. Vertrouwen hebben en angst

vermijden, dat is het belangrijkste.”

Moderator: “Welke boodschap willen we

overbrengen, mijnheer Van Daele?”

Daniel Van Daele: “Men moet vertrouwen

hebben in de sociale partners. Het is

onze materie, en we hebben een zekere

Debat van de sociale gesprekspartners ~ 51


Politiek debat

Kunnen de vertegenwoordigers van de verschillende politieke partijen een

consensus bereiken over de middelen die moeten worden ingezet voor de vrijwaring

van de toekomstige pensioenen?

De deelnemers aan het debat waren:

~ Georges Gilkinet

(Volksvertegenwoordiger, Ecolo)

~ Geert Lambert (Senator, Spirit)

~ Luc Goutry (Volksvertegenwoordiger,

CD&V)

~ Bruno Tobback (Minister van

Leefmilieu en Pensioenen, SPa)

~ Florence Reuter

(Volksvertegenwoordiger, MR)

~ Wouter De Vriendt

(Volksvertegenwoordiger, Groen!)

~ Benoît Drèze (Schepen van de sociale

diensten, familie en gezondheid van de

stad Luik, cdH)

~ Maggie De Block

(Volksvertegenwoordiger, Open VLD)

~ Laurette Onkelinx (Minister van

Justitie, PS)

Thema’s

België: het referentiemodel?

Op het einde van de jaren ‘80

behoorde België bij de top 5 van 15

onderzochte landen op het gebied van

pensioenverzekering en een gering

risico op armoede. Recente studies

rangschikken België bij de laatste vijf.

De FOD Economie stelt in zijn rapport,

naar aanleiding van de werelddag voor

armoedebestrijding dat vandaag één

op zeven Belgen arm is en dat vooral

alleenstaanden, vrouwen en 65-plussers

oververtegenwoordigd zijn in de

risicopopulatie.

Het geroemde Belgische sociale

zekerheidmodel geldt niet meer

als referentie. In deze vragenronde

wordt gepeild naar de oorzaken en de

mogelijkheden om hieraan te verhelpen.

Green cards voor de sociale

zekerheid?

Iedereen is het er over eens dat

een gezonde pensioenrekening

wordt gedragen door een continue

economische groei en de afbouw van de

begrotingsschuld.

Iedereen weet bovendien dat de

vergrijzing en de ontgroening van de

samenleving op middellange termijn

tot een gebrek aan instroom op de

arbeidsmarkt zullen leiden. In een

repartitiestelsel is juist die instroom

een basispijler in de financiering van de

sociale zekerheid.

Moet, bij gebrek aan instroom op de

arbeidsmarkt, beroep worden gedaan op

het zogenaamde ‘migratoire saldo’? In

welke mate en onder welke voorwaarden?

Solidariteit tussen de

gepensioneerden

De solidariteit speelt op verschillende

terreinen. In de pensioenberekening.

Tussen actieve en niet actieve bevolking.

Ondertussen kan men niet onder de

vaststelling onderuit dat de nieuwe

generatie van gepensioneerden

steeds meer vermogend zijn. De

intergenerationele solidariteit staat steeds

meer onder druk.

52


Door de verlenging van de

levensverwachting gaat de

vermogensoverdracht bovendien

steeds meer van de vierde naar de

derde leeftijd, onder gepensioneerden

dus. Dit vermogen wordt conservatief,

als appeltje voor de dorst beheerd, en

niet als risicokapitaal in de economie

geïnjecteerd.

Nu bestaat enkel de

solidariteitsinhouding, die betrekking

heeft op de pensioenen en kapitalen

opgebouwd in de 1 ste en 2 de pijler.

Kan de solidariteit worden versterkt

door een verhoging van de bijdrage of

een uitbreiding van de aanslagbasis

(vermogen en 3 de pijler)? Moet de

overheid overdracht van vermogen van

de niet actieve naar de actieve bevolking

via een omkering van de solidariteit niet

aanmoedigen?

Consensus

Zonder akkoord op lange termijn en

de wil om de gemaakte afspraken

gemeenschappelijk op te volgen en

bij te sturen, worden de pensioenen

overgeleverd aan punctuele en selectieve

maatregelen. De ondoorzichtigheid van

het stelsel neemt toe, het vertrouwen in

het stelsel, echter, neemt af.

Zijn de meningsverschillen tussen de

politieke partijen overbrugbaar?

Moet de consensus niet tot stand worden

gebracht vooraleer de vergrijzing voor het

volle pond het maatschappelijke debat

gaat bepalen?

De toekomst van de pensioenen kan

slechts zeker worden gesteld wanneer

hierover een consensus met het

middenveld bestaat. Voorbeelden in het

buitenland (de Scandinavische landen,

Duitsland met de Agenda 2010) leren dat

hiervoor akkoorden over de partijgrenzen

heen, tussen meerderheid en oppositie,

noodzakelijk zijn.

In het verleden zijn pogingen in die

richting, zoals het Sociaal Pact in 1994 en

het Generatiepact mislukt.

Politiek debat ~ 53


Conclusies politiek debat

“Het is vijf voor twaalf. Er moet dus

ingegrepen worden. Wat zijn de sterke

punten die we bij een consensus over

de pensioenen zeker niet uit het oog

mogen verliezen? Hoe kunnen we ons

pensioenstelsel levend houden?”

Met deze vraag sloot moderator Anne De

Baetzelier het politieke debat af. Dit zijn

de conclusies die de deelnemers uit het

debat hebben getrokken.

Benoît Drèze: “We mogen het probleem

van de breuk tussen de gemeenschappen

en het belang om de ‘eenheid 1’

(federale macht en sociale zekerheid) te

versterken niet uit het oog verliezen. De

regionaliseringen waarover men spreekt

(van de vennootschapsbelasting, van de

werkgelegenheid, enzovoort) zijn een

verzwakkende factor omdat ze leiden

tot een aanzienlijke vermindering van de

kritische massa van deze ‘eenheid 1’.”

Luc Goutry: “Er is meer onder controle

dan we zouden denken. Ik weiger mee te

doen aan het doemdenken. Een goede,

stevige 1 ste pijler gevoed door structurele

begrotingsoverschotten is noodzakelijk.”

Georges Gilkinet: “De federale dimensie

van de sociale zekerheid is belangrijk. Men

moet de lasten op arbeid verminderen en

de bijdragen verhogen op de financiële en

onroerende waarden. Een consensus van

deze orde zou een versnippering kunnen

vermijden.”

Wouter De Vriendt: “Een toekomstig,

goed functionerend pensioenstelsel

zal best gebaseerd zijn op een zo groot

mogelijke consensus. Het Generatiepact

is grotendeels ‘mislukt’ omdat er geen

goede consensus bestond tussen de

generaties en omdat niet alle sociale

gesprekspartners volledig mee waren. Het

Zweedse voorbeeld, waarbij de sociale

gesprekspartners niet betrokken waren

bij de onderhandelingen, is ondenkbaar in

België.“

“De 2 de en 3 de pijler zijn niet voor iedereen

toegankelijk. Kapitalisatie brengt ook

risico’s met zich mee: als de beurzen het

niet goed doen, hoe gaan de mensen dan

reageren?”

Florence Reuter: “We moeten ervoor

zorgen dat het systeem van de sociale

zekerheid volgende elementen

verenigt: een 1 ste pijler die solidariteit

en verantwoordelijkheid combineert,

stimulansen voor de 2 de pijler en de

vrijheid om bij te dragen in een 3 de

pijler. We hebben het hier niet over

een ontmanteling van het systeem van

de sociale zekerheid, maar over een

versteviging van het systeem.“

Maggie De Block: ”Voor de 1 ste pijler

moeten er de nodige budgettaire

middelen vrijgemaakt worden. De burger

moet beter geïnformeerd worden over

de impact van de keuzes tijdens zijn

54 ~ Politiek debat


loopbaan op zijn pensioen. Er moet een

transparante link bestaan tussen de

lengte (en intensiteit) van de loopbaan

en de hoogte van het pensioenbedrag. Er

moet solidariteit zijn, maar in beperkte

mate.“

“Transparante berekeningsmethodes

zijn dus noodzakelijk, ook voor

mensen die in meerdere stelsels

gewerkt hebben, wat steeds vaker

voorkomt. Meer transparantie en meer

overgangsmogelijkheden zijn dus

wenselijk. Voor de 2 de pijler moeten

er positieve incentives blijven worden

gegeven. We moeten er meer mensen aan

laten deelnemen en we moeten blijven

sleutelen aan de bedragen die ingezet

worden. De 2 de pijler moet dus verder

uitgebouwd worden.

Laurette Onkelinx: “Enerzijds, als de vraag

is “Is het met betrekking tot de toekomst

van de pensioenen de moeite waard

om een nationale unie meerderheid/

oppositie te vormen in samenwerking

met de sociale gesprekspartners?”, dan

is het antwoord ja. Anderzijds is er een

consensus nodig over de versteviging van

de 1 ste pijler.”

“De € 600 000 000 als fiscale

stimulansen voor de 3 de pijler zouden een

verhoging van 2 % vertegenwoordigen

in vergelijking met de € 28 000 000

000 van het pensioenbudget. De laagste

pensioenen moeten prioriteit krijgen,

maar we moeten iedereen betrekken in

de 1 ste pijler. De PS vraagt een verhoging

van 12 % van de pensioenen. Er moet

eveneens een debat komen over de lonen

om het arbeidsniveau te verhogen.”

Geert Lambert: “We moeten geen angst,

maar wel bewustzijn creëren: langer

studeren en toch vroeger stoppen met

werken, dat is niet evident. We moeten

inderdaad zoveel mogelijk streven naar

een consensus, als we daartoe kunnen

komen, maar we zullen een pakket

maatregelen moeten nemen, ook aan

inkomstenzijde.”

“Er moet ook nagedacht worden over

de bijzondere discrepantie tussen

ambtenarenpensioenen en de overige

pensioenen. Ter compensatie moet

er natuurlijk ook gedacht worden

aan een 2 de pijler voor ambtenaren.

Een gedeeltelijke overgang naar het

kapitalisatiestelsel is misschien wenselijk

en we mogen ons zeker niet blindstaren

op de gevolgen van een eventuele

beurscrash.”

Bruno Tobback: “In vergelijking met de

debatten die we drie of vier jaar geleden

gevoerd hebben, zijn we toch al een heel

eind verder. In een rijk land als België

is er in principe geld genoeg om een

valabel pensioensysteem te organiseren

dat tegemoet komt aan de noden van

iedereen.”

“Voor een hele hoop mensen is dat spijtig

genoeg geen realiteit meer, ondanks het

feit dat we steeds meer geld besteden

aan de sociale zekerheid. Er is dus

iets mis met de manier waarop we de

middelen van onze sociale zekerheid,

en van onze overheid in het algemeen,

besteden. Het is misschien interessant

om het pensioendebat eens uit een ander

invalspunt te bestuderen.”

Politiek debat ~ 55


“Het gaat niet om hét pensioen van dé

mensen. Er zijn eigenlijk drie generaties

van problemen:

~ De problemen van de huidige

gepensioneerden, de armoede van

bepaalde gepensioneerden.

~ De problemen van de komende

generatie gepensioneerden; zij geven

nu heel veel geld aan gepensioneerden

die eigenlijk nog perfect in staat

zijn om te werken. Daardoor gaat

het uitkeringsgeld niet altijd naar

de mensen die niet meer kunnen

werken. Er is dus een foute allocatie

van middelen als het gaat over het

oplossen van armoede.

~ De problemen van de generatie die

nu op de arbeidsmarkt komt of er net

op gekomen zijn: zij zullen in een heel

andere wereld op pensioen gaan.

Er is misschien niet één systeem dat

perfect werkt voor de drie generaties.

Misschien moet je je middelen ook op een

andere manier gaan spreiden voor deze

drie generaties. Hoe creëer je daarvoor

een maatschappelijke consensus?”

56 ~ Politiek debat


Conclusie

Dit Internationaal Colloquium, waarover

hierboven verslag werd uitgebracht,

werd georganiseerd om het debat

over de toekomst van het Belgische

pensioenstelsel weer op gang te

brengen én gaande te houden. Rekening

houdende met de demografische evolutie

waarmee West-Europa momenteel wordt

geconfronteerd, kan men zich inderdaad

de vraag stellen of het huidige stelsel

dient te worden behouden.

Andere Europese landen hebben kort

op de bal gespeeld en hebben hun

pensioenstelsel al hervormd. Drie

Europese gesprekspartners waren hier

trouwens vandaag aanwezig om hun

ervaringen op dit vlak met ons te delen.

Of het nu gaat om Zweden, Duitsland

of Frankrijk, het probleem ligt even

gevoelig. Maar de oplossingen die uit de

bus kwamen, zijn daarentegen talrijk en

hangen nauw samen met de nationale

context.

In dit verband bevestigt de Rijksdienst

voor Pensioenen nogmaals dat hij al zijn

deskundigheid en al zijn ervaring op

dit vlak ten dienste wil stellen van de

Belgische samenleving om een modern

pensioenstelsel op poten te zetten dat

optimaal inspeelt op de demografische,

economische en maatschappelijke

evoluties, met als leidmotief: het welzijn

van de burger.

Tenslotte zou ik, in naam van de RVP, alle

deelnemers aan dit Colloquium willen

bedanken. Dankzij de talrijke sprekers én

de kwaliteit van hun uiteenzettingen werd

dit Colloquium een groot succes.

Met hartelijke groeten,

Gabriel PERL

Vermits België in hetzelfde schuitje zit,

moeten we alleen nog die verschillende

formules aanpassen aan onze eigen

situatie. In het tweede deel van het

Colloquium hebben de actoren van deze

wijziging, namelijk de politieke partijen

en de sociale gesprekpartners, trouwens

de gelegenheid gekregen om hun

standpunten op dat gebied met elkaar te

delen. Men kan alleen maar vaststellen

dat het bereiken van een consensus geen

onrealistische doelstelling is.

59


V.U. Gabriel Perl ~ Administrateur-generaal ~ Zuidertoren ~ 1060 Brussel

More magazines by this user
Similar magazines