Onderzoek naar 'gender en ontwikkeling' - Buitenlandse Zaken ...

diplomatie.belgium.be

Onderzoek naar 'gender en ontwikkeling' - Buitenlandse Zaken ...

Onderzoek naar

‘gender en ontwikkeling’

voor een passend

ontwikkelingsbeleid

Onder de redactie van Isabel Yépez del Castillo,

Sophie Charlier en Sophie Grenade


Commissie Vrouwen en Ontwikkeling

Onderzoek naar

‘gender en ontwikkeling’

voor een passend

ontwikkelingsbeleid

Onder de redactie van Isabel Yépez del Castillo,

Sophie Charlier en Sophie Grenade


De Commissie Vrouwen en Ontwikkeling is een adviescommissie voor gelijkheid tussen vrouwen en mannen

voor de Belgische minister van Ontwikkelingssamenwerking. Zij heeft de volgende opdrachten:

• advies verstrekken en vragen stellen aan de minister en de Directie-Generaal

Ontwikkelingssamenwerking over de uitwerking en de uitvoering van het beleid voor internationale

samenwerking, met betrekking tot de gevolgen voor gendergelijkheid, zowel in de partnerlanden als

ten aanzien van de verschillende spelers op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking;

• adviezen en aanbevelingen formuleren en verspreiden over onderwerpen in verband met

gendergelijkheid in de ontwikkelingssamenwerking;

• het denken en de initiatieven op dit gebied ondersteunen door de uitwisseling van informative, door

coördinatie, overleg of netwerkvorming;

• aan politieke voorspraak (advocacy) doen en zowel de beleidsmakers als de publieke opinie

sensibiliseren voor gendergelijkheid.

Dit document is het resultaat van twee jaar werk van de werkgroep ‘Genderonderzoek en

ontwikkeling’ van de Commissie Vrouwen en Ontwikkeling, waaraan volgende personen

hebben deelgenomen: Marielle Bruyninckx, Lisette Caubergs, Sophie Charlier, Elisabeth

Drory, Sophie Grenade, Catherine Gourbin, Nathalie Holvoet, France Kittel, Marcela de la

Peña, Jeanine Moninga, Albertine Tshibilondi onder voorzitterschap van Isabel Yépez del

Castillo

Document geproduceerd met de medewerking van Pascale Roquet en Hélène Ryckmans.

© Commissie Vrouwen en Ontwikkeling

December 2009

Wettelijk depot: 0218/2009/25

Spellingscontrole: Aline Heyerick

Vertaling: Vertaaldienst P&C5 (FOD BZ), Royal Translations Bvba

Lay-out en druk: CIACO

Commissie Vrouwen en Ontwikkeling

Karmelietenstraat 15

1000 Brussel

Tel.: + 32 (0) 2 501.44.43 of 32.61

Fax: + 32 (0) 2 501.45.44

E-mail : cvo-cfd@diplobel.fed.be

http://www.dgci.be/nl/cvo/


InleIdIng

Isabel Yépez del Castillo 1 en Sophie Grenade 2

Deze publicatie is de vrucht van twee jaren werk van de werkgroep ‘Genderonderzoek

en ontwikkeling’ van de Commissie Vrouwen en Ontwikkeling, een adviescommissie

inzake de gelijkheid tussen vrouwen en mannen die onder de Belgische Minister van

Ontwikkelingssamenwerking en de directie ontwikkelingssamenwerking ressorteert.

De werkgroep heeft tot doel een synergie tot stand te brengen omtrent de verschillende

onderzoeksvormen inzake gender en ontwikkeling, en wel tussen de universitaire

onderzoeksteams, de administratie van de Belgische ontwikkelingssamenwerking,

de ngo’s en de vrouwenverenigingen die zich in België over het thema ‘gender en

ontwikkeling’ buigen. Het is de bedoeling aan te tonen dat grondige studies op dit

gebied nodig zijn om de genoemde actoren in Noord en Zuid te ondersteunen.

Deze studies kunnen een beter inzicht geven in de relaties tussen vrouwen en

mannen in het Zuiden. Ze kunnen bovendien de aanzet geven tot het uitwerken

van nieuwe concepten en instrumenten die bijdragen tot een grotere zichtbaarheid

en sterkere integratie van de genderdimensie in de programma’s en maatregelen van

het ontwikkelingsbeleid. Hierbij worden de doelstellingen en de doelgerichtheid van

het ontwikkelingsbeleid onvermijdelijk telkens opnieuw in vraag gesteld. Onderzoek

inzake gender en ontwikkeling moet inderdaad bijdragen tot een positieve en

collectieve uitwisseling van ideeën waaruit nieuwe initiatieven ontstaan die leiden tot

de opbouw van een meer rechtvaardige en meer egalitaire wereld.

Met het oog op deze uitdagingen en doelstellingen organiseerde de WG

‘Genderonderzoek en ontwikkeling’ in 2007 en 2008 twee seminaries 3 met onderzoekers

uit verschillende kringen: uit vrouwenorganisaties, ngo’s, de administratie van de

ontwikkelingssamenwerking en uit universitaire kringen. De seminaries vonden plaats

in samenwerking met de thematische doctoraatsschool Ontwikkelingsstudies. Jonge

doctorandi en onderzoekers inzake genderproblematiek leverden een bijdrage tot de

gedachtewisseling. Door de brede inbreng van de onderzoekers bevat deze publicatie

1

Gewoon hoogleraar, Institut d’Etudes du Développement, Université catholique de Louvain.

2

Assistent en doctorandus, Institut des Sciences Humaines et Sociales, Université de Liège.

3

Een vond plaats op 1 juni 2007 in het Maison des Associations met als thema « Gender en

ontwikkeliing: onderzoek, vragen, mogelijkheden voor actie », het andere vond plaats op 6

november 2008 in de FOD Buitenlandse Zaken met als thema: « Onderzoek en bijbrengen

van nieuwe kennis. Een blik op gender en ontwikkeling ».

7


Inleiding

zeer rijke informatie en was het mogelijk daadwerkelijk verbanden te leggen tussen

studies/onderzoek en beleidsaanbevelingen. Onderzoekers en gasten uit Noord en

Zuid konden tijdens de seminaries hun kennis vervlechten.

Beide seminaries en deze publicatie geven een stand van zaken van het

genderonderzoek in het kader van ontwikkeling en schetsen de vooruitgang die

werd geboekt. Ze dragen bij tot een echte synergie tussen alle actoren doordat de

scheidingslijnen tussen onderzoeksthema’s en –gebieden worden weggehaald. Ze

moedigen aan tot een gedachtewisseling over de talrijke standpunten die soms een

belemmering kunnen vormen, … soms nieuwe kansen inhouden. Het gaat er tevens

om het belang van onderzoek te (her)bevestigen als onontbeerlijk instrument bij

het uitwerken van ontwikkelingsbeleid en ontwikkelingsprojecten en na te denken

over het effect dat van het onderzoek wordt verwacht op de opbouw van kennis, de

praktijk van de actoren en de ondersteuning van het beleid.

Deze publicatie bundelt een groot deel van de bijdragen tot de seminaries om de

verschillende invalshoeken zichtbaar te maken en bevat een weergave van de rijke en

diverse debatten. Er worden conclusies getrokken en aanbevelingen geformuleerd

voor de politieke wereld teneinde het onderzoek inzake gender en ontwikkeling te

ondersteunen. De bijdragen zijn onderverdeeld in vier delen en geven een actueel

beeld van de kennis die het verenigingsleven en de universiteiten in België over

gender en ontwikkeling hebben.

In het eerste deel wordt het onderzoek inzake gender en ontwikkeling vanuit drie

specifieke invalshoeken kennistheoretisch benaderd. Christine Verschuur geeft

eerst een kritische reflectie over de stand van het onderzoek in dit domein vanuit de

geschiedenis van de studies inzake gender en ontwikkeling. Ze stelt voor de koloniale

denkbeelden te ontmantelen die tot op heden een ruime invloed hadden op de

totstandkoming en de aspecten van het beeld van de vrouw en gender. Ze wijst met

klem op de noodzaak dit onderzoeksgebied open te trekken naar de reflectie over het

postkolonialisme. Ze roept op om op basis hiervan na te denken over de verbanden

tussen de onderdrukkingssystemen tussen de seksen, klassen en ‘rassen’ 4 en deze

kennis in te passen in de thematiek van gender en ontwikkeling. Het is zaak de

belangrijke inbreng te erkennen die de actoren uit het Zuiden leveren op theoretisch

gebied en door hun militante actie.

Patricia Ruiz Bravo gaat in op het onderzoek over gender en ontwikkeling in Latijns-

Amerika. In de situering toont ze de verbanden aan tussen de sociaal-politiekeeconomische

systemen van Latijns-Amerika en de gendersystemen die hiermee

gepaard gaan en ze oppert het idee om over de nieuwe thema’s en vooruitzichten

4

Zoals Jules Falquet stellen we voor het begrip ‘ ras’ tussen aanhalingtekens te zetten om

duidelijk te maken dat « il n’existe évidemment pas de ‘races biologiques’ dans l’humanité.

En revanche, le racisme, lui existe bel et bien » (Falquet, 2008 : 15).

8


Isabel Yépez del Castillo en Sophie Grenade

van de genderstudies in deze regio na te denken vertrekkende van de vragen over

gender en etniciteit (en de belangrijke problematiek van vrouwen in de inheemse

bewegingen), tewerkstelling en werk voor vrouwen en tenslotte vrouwelijke migratie

en ontwikkeling. Net als Christine Verschuur wijst Patricia Ruiz Bravo erop dat

het belangrijk is de verbanden te erkennen die er tussen de machtsverhoudingen

tussen de seksen, klassen en ‘rassen’ zijn en de genderdimensie te versterken in de

ontwikkelingssamenwerking en in de verschillende wetenschappelijke disciplines.

Marie-Lise Semblat sluit het eerste deel af met een tekst die ingaat op een bijzonder

soort onderzoek inzake gender en ontwikkeling, namelijk het actie-onderzoek, een

methode waarbij een theoretische benadering en een wijziging van de praktijken

samengaan en waaruit als het ware een genderpedagogiek is ontstaan. Ze illustreert

deze aan de hand van initiatieven die in Zuid en Noord werden ontwikkeld en die

geleid hebben tot het gemeenschappelijk opbouwen van kennis waarbij (vrouwelijke)

actoren (vrouwelijke) auteurs werden, hetgeen bevorderlijk is voor individueel en

collectief empowerment (Semblat, 2009).

Het tweede deel omvat zes bijdragen waarin het onderzoek wordt beschreven dat in

België wordt gevoerd ter ondersteuning van het ontwikkelingsbeleid. Het is de

bedoeling de verschillende opvattingen over de huidige benaderingen inzake gender

en ontwikkeling voor te stellen en aan te tonen dat de complementariteit van het

onderzoek van de verschillende actoren uit Zuid en Noord, uit het verenigingsleven,

in politieke of universitaire kringen van fundamenteel belang is. Het eerste thema is

de integratie van de genderdimensie in statistische indicatoren die worden gebruikt bij

de evaluatie van de ontwikkeling en het empowerment van vrouwen. Sophie Charlier

heeft vragen bij de relevantie van indicatoren voor empowerment die moeten dienen

voor een vergelijking van toch zeer uiteenlopende nationale en regionale situaties.

Ze levert kritiek op louter kwantitatieve indicatoren die het niet mogelijk maken

de veranderingen in de genderverhoudingen aan te geven. Ze stelt daarom voor

zich te baseren op de denkoefening van de partners in het Zuiden en samen meer

relevante indicatoren uit te werken. Marielle Bruyninckx stelt vervolgens voor na te

denken over de integratie van de genderdimensie in de statistische indicatoren voor

de evaluatie van de menselijke ontwikkeling. In haar tekst gaat ze verder in op de

debatten en kritieken die het objectieve meten van de ontwikkeling onvermijdelijk

uitlokt en op de verschillende manieren waarop tot op heden de genderdimensie

hierin werd geïntegreerd, met name door andere statistische indicatoren te hanteren

die eerder toegespitst zijn op de mens en niet langer uitsluitend op het winstbejag.

In dit verband stelt ze de index voor ontwikkeling en ongelijkheden tussen de seksen

in Afrika (IDISA) voor die een stap vooruit betekent in de manier waarop over

de situatie van vrouwen wordt gedacht. Deze twee teksten worden aangevuld met

een uiteenzetting van Patrick Vanderhulst over de ervaringen van ATOL, een ngo

die in haar werk op het terrein in Afrika de AURA-benadering voor empowerment

van de basisorganisaties ontwikkelt. Daarna volgen twee analytische teksten over

9


Inleiding

ontwikkelingshulp vanuit het genderperspectief. In haar bijdrage gaat Nathalie

Holvoet in op de vraag of de genderdimensie in het huidige ‘mainstream’ onderzoek

over ontwikkelingshulp aan bod komt of niet. Ze komt tot het besluit dat dit thema

zo goed als niet voorkomt. Bovendien zou het beleid zeer weinig gebaseerd zijn op

het onderzoek over gender en ontwikkelingshulp en ze sluit haar artikel af met enkele

suggesties voor een betere link tussen onderzoek en beleid. De daaropvolgende

analyse van Hélène Ryckmans vertrekt van de concrete ervaringen van de ngo ‘Le

Monde selon les femmes’ en geeft inzicht in de verbanden die op het stuk van gender

nodig zijn tussen onderzoek, beleidsbeslissingen en de acties van de ngo’s. Ze vraagt

zich af hoe coherent en relevant het ontwikkelingsbeleid vanuit een genderperspectief

is en ze stelt vast dat de integratie van de genderdimensie in deze sector door talrijke

hindernissen wordt bemoeilijkt. Deze kunnen worden weggewerkt op basis van het

onderzoek dat in het Zuiden wordt gevoerd en door meer rekening te houden met

de inbreng en de standpunten van de vrouwen in het Zuiden. Een laatste tekst over

vraagstukken op het stuk van gezondheid sluit dit stuk af. Catherine Gourbin licht

toe waarom de genderdimensie in het studiegebied over reproductieve gezondheid

moet worden opgenomen; ze gaat ook in op twee cruciale thema’s in Sub-Sahara-

Afrika (seksualiteit en reproductie). Op het einde van haar uiteenzetting stelt ze de

verschillende soorten programma’s voor alsook enkele onderzoeksthema’s die nog

maar zelden vanuit de invalshoek van de genderverhoudingen werden benaderd.

Het derde deel bevat vier teksten die ingaan op de vragen omtrent gender en

migraties. Isabel Yépez schetst het algemene opzet van het universitair onderzoek

over dit thema en licht enkele studies ter zake toe waarin heikele punten aan bod

komen zoals discriminatie op de arbeidsmarkt, opvattingen over de sluier of de

mondialisering van migraties waarbij transnationale banden tot stand komen tussen

het Noorden waar een deficit aan werkkrachten in de zorgsector (care) bestaat en het

Zuiden dat deze werkkrachten levert. Sophie Vause roept in haar artikel iedereen

op om na te denken over het onderscheid tussen de vervrouwelijking van de

migratie en de vervrouwelijking van het discours over migratie; ze herinnert eraan

dat er maar weinig onderzoek gebeurt naar de impact die migraties hebben op de

genderverhoudingen. Marcela de la Peña van Monde selon les Femmes beschrijft

de initiatieven die het verenigingsleven in Brussel ontwikkelt in het kader van het

actie-onderzoek. Francisco Padilla van de Franstalige Noord-Zuidkoepel CNCD

tenslotte benadert het thema vanuit de ‘civiele samenleving in Franstalig België’. Een

voorstelling van de mogelijke synergieën tussen het universitair onderzoek en het

onderzoek vanuit het verenigingsleven sluit dit derde deel af.

In het vierde deel worden zeven onderzoeken van jonge onderzoek(st)ers voorgesteld.

Dit overzicht toont aan dat er een nieuwe generatie onderzoekers opkomt die

weliswaar verschillende thema’s behandelen, maar onderling verbonden zijn door het

thema gender en ontwikkeling. Eerst is er een tekst van Catherine Laviolette waarin

10


Isabel Yépez del Castillo en Sophie Grenade

ze ingaat op de resultaten van een onderzoek over migrantenvrouwen die in Belgie in

het verenigingsleven actief zijn. In haar uiteenzetting over het engagement van deze

vrouwen behandelt ze een hele reeks sociologische thema’s die verband houden met

genderonderzoek. Vervolgens worden twee nog lopende doctoraatsonderzoeken

voorgesteld. De auteurs lichten de methodologie toe die ze in het kader van een

onderzoek inzake gender en ontwikkeling toegepassen. Sophie Grenade staat in haar

tekst stil bij de methodologie die werd gebruikt om de huidige sociologie van de

publieke ruimte in de DR Congo te bestuderen door middel van de mobilisatie voor

de vrouwenzaak. Pauline Berlage geeft toelichting bij haar onderzoek betreffende de

denkbeelden van lesbische en homoseksuele Latijns-Amerikaanse migranten over

Europa en ze stelt haar veldwerk in Santiago (Chili) voor. Vier ‘momentopnames’

vullen dit vierde deel aan. Er worden vier onderwerpen voorgesteld waarover

onderzoekers uit Zuid en Noord onderzoek voeren in het kader van het thema dat

hier centraal staat.

De bijdragen behandelen allemaal eigen onderzoeksonderwerpen, maar geven samen

een algeheel epistemologisch overzicht. Tevens stellen zij een kritische benadering

voor van het begrip ‘ontwikkeling’, eerst en vooral als concept voor actie en vervolgens

ook voor de beleidsmaatregelen inzake ontwikkelingssamenwerking. Volgens ons is

het van wezenlijk belang doorgedreven onderzoek te voeren op basis van diepgaand

veldonderzoek, idealiter in partnerschap met de actoren in het Zuiden, en hierbij

steeds onze standpunten en onze kritische inbreng in ontwikkelingsprogramma’s en

–beleidsmaatregelen in vraag te stellen. Dit vereist ontkokering en synergieën tussen

de onderzoeken van de verschillende actoren. En zoals Fenneke Rysoo op het einde

van de eerste dag van het seminarie beklemtoonde:

“Er zijn dus ook synergieën mogelijk waar men ze op het eerste gezicht niet verwacht.

Ik raad dus aan om na te denken over de vraag wie zijn we en waarom zijn we daar

waar we zijn? Waarom zijn we in de universiteiten, in het verenigingsleven, in de ngo’s,

in de internationale organisaties, in de samenwerking? En welke rol kunnen we daar

spelen? Ikzelf werk aan de universiteit, maar de meeste tijd werk ik met paradigma’s

van buiten de mainstream, die mijn collega’s niet noodzakelijkerwijs waarderen omdat

ze een ander idee van de academische wereld hebben. Ik ben eerder betrokken bij

actie-onderzoek met een dialogisch, kwalitatief en reflectief paradigma en veel

(helaas al te vaak als ideologisch omschreven) engagement. Als wetenschapster

ben ik strikt en houd ik me aan de vastgestelde regels van wetenschappelijkheid.

Dezelfde ambivalentie kennen jullie in andere organisaties vermoedelijk ook: ben je

geloofwaardig als je als lid van een ngo samenwerkt met academici? En als je in een

internationale organisatie werkt, moet je je dan aan het mandaat van de internationale

organisatie houden?”

11


Inleiding

En tot slot staat ze stil bij de vraag ‘Wat is onderzoek’? en zegt:

Onderzoek is het opbouwen van nieuwe kennis. Dan is het de vraag wat de

legitieme plaats is voor het opbouwen van die kennis. Vandaag ging het vaak over

‘afstand nemen’, ‘nadenken’, ‘dingen op een rijtje zetten’. […] Impliciet worden zo de

krijtlijnen uitgetekend van wat onderzoek is. En zo gesteld kan men eruit afleiden dat

onderzoek en actie elkaar nodig hebben. Het gaat om een gekruiste blik. Ik ben er

inderdaad van overtuigd dat de mensen op het terrein af en toe best eens wat afstand

nemen, nadenken over wat ze doen en hun ervaringen op een rijtje zetten. Aan de

andere kant doen onderzoekers er goed aan naar buiten te komen en op het terrein

de dialoog aan te gaan.”

We hopen dat deze publicatie een aanzet kan geven tot nieuwe onderzoeksinitiatieven

en uitwisselingen die bijdragen tot een grotere zichtbaarheid en een betere integratie

van de genderdimensie in de ontwikkelingsprogramma’s en het ontwikkelingsbeleid.

Bibliografie

Falquet, J. (2008), De gré ou de force. Les femmes dans la mondialisation, La Dispute, Paris.

Semblat, M.-L. (2009), « Gender, ontwikkeling en actieonderzoek » in Yépez, I.,

Charlier, S. & Grenade, S. (eds.), Onderzoek naar ‘gender en ontwikkeling’ voor een passend

ontwikkelingsbeleid, Commissie Vrouwen en Ontwikkeling, Brussel.

12


Deel I

OnDerzOek naar GenDer

en OntwIkkelInG: alGemene

benaDerInG


ToesTand van heT onderzoek naar

‘genre en onTwIkkelIng’

een nIeuwe kennIsgebIed erkennen en

heT kolonIale beeld neerhalen

Christine Verschuur 5

1. Kort overzicht van de geschiedenis van vrouwen,

ontwikkelingstudies en genre

De geschiedenis van vrouwen door de jaren heen en wereldwijd is rijk aan

gebeurtenissen maar de studie ervan was lang vertekend. Ze stelt namelijk het probleem

aan de orde van een norm, van een referentiepunt waartegenover de toestand van

vrouwen wordt beoordeeld. Andrée Michel waarschuwde onderzoekers bijna dertig

jaar geleden al, in een werkje over feminisme, over de androcentrische, etnocentrische,

statocentrische vertekening die erin bestaat de normen van de eigen klasse te nemen om

alles wat ervan verschilt te verhullen (Michel, 1979: 7), en tot slot de chronocentrische

vertekening, die erin bestaat een toestand uit het verleden te beoordelen tegenover

de normen van de hedendaagse maatschappij. Deze opmerkingen blijven actueel, en

het onderzoek over de vrouwen of de sociale genreverhoudingen is niet altijd a priori

vrij van normaliseringen en hiërarchische indelingen.

Flora Tristan, Frans-Peruviaanse, socialistische feministe van het einde van de XIX

eeuw, bracht de emancipatie van de vrouw al in verband met die van het proletariaat.

De vrouwen stonden aan de spits van de sociale bewegingen van de XIX eeuw, maar

zoals Edith Thomas opmerkte in een werk over de vrouwen in 1848, “gebruikt het

land vrouwen om vrijheden en rechten te verwerven, maar wil het hun creativiteit

in de sociale innovatie niet erkennen.” (Thomas,1948, geciteerd door Michel 1979:

64). “De burgerij nam het protest kwalijk van de contesterende vrouwen tegen de

economische onrechtvaardigheden waarvan ze de eerste slachtoffers waren”(ibid).

In Argentinië bijvoorbeeld publiceerden anarchisten in 1896 een feministische krant

“La Voz de la Mujer” die aanspraak maakte op het recht om zich te bevrijden van

autoriteit, niet alleen van bazen, maar ook van echtgenoten (La Voz de la Mujer,

1997).

5

Docent en medeverantwoordelijk aan de Pôle Genre et Développement, Institut de hautes

études internationales et du développement, Genève.

15


toestand van het onderzoek naar ‘genre en ontwikkeling’

In tal van landen en gebieden van de wereld kwam er strijd en opstand tegen de

ongelijkheden van uiteenlopende aard, in het bijzonder tussen mannen en vrouwen,

door vrouwen van verschillende sociale groepen – arbeidsters, burgers, aristocraten

– soms gesteund door mannen, op verschillende momenten van de geschiedenis,

maar deze bedenkingen en ervaringen werden niet naar behoren erkend. “In een

wereld waar macht een mannelijk begrip is, heeft de geschiedenis belangstelling

voor het verleden van boeren en werknemers (na zich bijna uitsluitend te hebben

geïnteresseerd voor dat van de machtigen), maar ze heeft dat van de vrouw tot

op heden verborgen gehouden” (Michel, 1979: 4-5).We zouden er kunnen aan

toevoegen dat de geschiedenis van verschillende vrouwen, werkneemsters, boerinnen,

autochtonen, intellectuelen in de landen van het Zuiden specifiek werd onderbelicht

en doordrongen door koloniale beelden.

Zo werden er vanaf de XIXe eeuw door diverse socialistische feministes en in

diverse landen ter wereld verbanden aangegeven tussen klassendiscriminatie en

discriminatie tussen mannen en vrouwen. Men kan ook stellen dat “het bewustzijn

van het nauwe onderliggende verband van onderdrukkingssystemen niet nieuw is in

de feministische gedachte” (Benelli e.a., 2006: 5).

Door de deelname van vrouwen aan antikoloniale en antiracistische bewegingen,

aan de debatten en de strijd van de beweging van niet-gebonden landen vanaf de

Top van Bandoeng in 1955, worden er verbanden gelegd tussen de koloniale en

neokoloniale onderdrukkingssystemen (Centrum-Rand), klassen-, racistische en

seksistische systemen.

1.1. Ontwikkelingsstudies en vrouwen

Het studiegebied van de ontwikkeling, na de dekolonisaties, heeft echter betrekking

op de man, zoals reeds in 1975 werd aangegeven door Jan Pronk, minister van

ontwikkelingsamenwerking van Nederland, op de eerste Conferentie van de Verenigde

Naties over de vrouwen in Mexico (Pronk, 2000) en onder druk van feministische

onderzoeksters van zijn land.

Sinds deze conferentie van de Verenigde Naties over de vrouwen in Mexico in

1975, of een dertig jaar geleden, werd een nieuw kennisgebied ‘vrouwen/genre

en ontwikkeling’ gevormd, verbonden met de feministische bewegingen en de

onderzoeken in universitaire kringen en in de samenwerkingsagentschappen voor de

vrouwen – vervolgens over de genreverhoudingen -. Maar dit kennisgebied stond een

tijd los van feministische studies in diverse regio’s ter wereld en van thema’s, gesteund

door de antikoloniale bestrijdingsbewegingen en door de sociale bewegingen die de

klassenonrechtvaardigheden bestrijden.

16


Christine Verschuur

De ongelijke verhoudingen tussen de landen van het Noorden en van het Zuiden

hebben een ongelijk gewicht gegeven aan de ontwikkelde praktijken over de

ongelijkheden tussen mannen en vrouwen in deze verschillende landen. De

vrouwenbeweging in het Westen, in de jaren 1960, heeft een aanzienlijk belang

gehad om de eerste richtingen te bepalen van de samenwerkingsprogramma’s op dit

gebied.

Deze beweging van de jaren 1960 had de vrouwelijke eigenheid bevestigd en het

recht van de vrouwen om weer meester te zijn over hun eigen lichaam. Deze militante

prioriteiten hadden studieonderwerpen bepaald, vooral gericht op het lichaam en de

functies ervan (seksualiteit, voortplanting, borstvoeding enz.).

Met de jaren 1970 en de opkomst van het begrip ‘gender’, geïntroduceerd door

historici en Amerikaanse sociale wetenschappenspecialisten in hun disciplines

(Oakley,1972), zijn de studies over de vrouw opengetrokken naar andere gebieden

dan die van het lichaam, de gezondheid en het gezin. Men bestudeert de aard van

de sociale verhoudingen tussen mannen en vrouwen en de machtsverhoudingen die

ze inhouden, men stelt zich de vraag over de oorsprong van de ondergeschiktheid

van vrouwen en over de oorzaken van hun onzichtbaarheid in de economische en

politieke gebieden.

In de Noorse en Angelsaksische landen worden de studies over de vrouw gekruist

met kritische analyses over ontwikkelingssamenwerking en ontwikkeling. Zo buigt

de Deense economist Ester Boserup zich vanaf 1970 in zijn werk “Women’s Role

in Economic Development” 6 , over het werk van Afrikaanse, Aziatische en Latijns-

Amerikaanse boeren en wijst hij op de negatieve gevolgen en de waardevermindering

van hun status, ingeleid door het kolonialisme en het beleid van modernisering.

Dit werk heeft in de wereld van ontwikkelingssamenwerking bijgedragen tot de

bewustwording van de onzichtbaarheid van de boeren in de derde wereld.

De vrouwenbewegingen van de landen van het Noorden hebben tijdens de jaren

1970 druk uitgeoefend op de Verenigde Naties om rekening te houden met de

vrouwen in het beleid en in de programma’s inzake ontwikkelingssamenwerking.

Het jaar 1975 wordt dan uitgeroepen tot het internationale jaar van de vrouw, en

zal het decennium van de Verenigde Naties over de vrouwen openen. Gedurende

dit decennium en in voorbereiding van diverse volgende grote internationale

conferenties hebben de agentschappen van de Verenigde Naties en van de bilaterale

ontwikkelingssamenwerking studies, evaluaties en onderzoeken gefinancierd. Die

hebben gegevens opgeleverd, informatie en input voor de denkpiste en de opmaak

van beleidsvormen, gericht op het rekenschap met vrouwen. Vroeger waren er bijna

6

Pas 13 jaar later vertaald (Boserup, 1983)

17


toestand van het onderzoek naar ‘genre en ontwikkeling’

geen gegevens, opgedeeld naar sekse, of evaluaties en enquêtes die ze in aanmerking

namen. Deze studies, met de gegevens ter ondersteuning, maakten een einde aan de

achteruitgang van de situatie van de vrouwen in deze landen.

Het belang van deze evaluaties is vooral dat ze aanzet hebben gegeven om de vrouwen

uit de onzichtbaarheid te halen, om nieuwe vragen te stellen, in het bijzonder over

de uitdagingen en de ontwikkelingsperspectieven en de sociale verhoudingen tussen

mannen en vrouwen. Zo had het UNDP in 1995 gesteld “human development, if not

engendred, is endangered” 7 (UNDP, 2005).

Universiteiten, in het bijzonder Angelsaksische en Noorse, hebben van hun kant

afdelingen opgericht die onderzoeken op dit gebied hebben aangemoedigd. Zo

is er langzamerhand een gegevensbestand opgebouwd dat een kennisgebied over

vrouwen/genre en ontwikkeling vertegenwoordigt.

Dit kennisgebied werd samen ontwikkeld met dat van studies over de ontwikkeling.

Hoewel de impasse waarin de ontwikkelingstheorieën zich bevinden algemeen wordt

aangenomen, wordt de bijdrage van feministes tot de kritische bedenking over de

ontwikkeling weinig of niet erkend. Nochtans zijn het, aldus Dagenais en Piché,

“zonder schijn van twijfel de feministes 8 [die de laatste dertig jaar,] de kritiek van

de theorieën en van de ontwikkelingsacties het verst hebben doorgedreven, […, in

het bijzonder door de sleutelrol van de sociale sekseverhoudingen aan te tonen]”

(Dagenais en Piché, 1994: 5).

1.2. Drie fasen in de oprichting van een nieuw kennisgebied

‘genre en ontwikkeling’

Er kunnen meerdere fase worden herkend in de oprichting van dit kennisgebied

‘genre en ontwikkeling’.

Een eerste fase die toestond het onzichtbare werk van de vrouw te erkennen,

die de verbinding heeft getoond tussen de reproductieve sfeer (waarin de

productieverhoudingen van het huiselijke type domineren) en de productieve

sfeer (waarin de kapitalistische productieverhoudingen overheersen), “essentiële

oorzaak van de onderontwikkeling en tegelijkertijd van de kapitalistische

productieverhoudingen.” (Meillassoux, 1975: 149).

7

“De menselijke ontwikkeling is in gevaar indien ze niet wordt opgenomen in het genreperspectief

”.

8

Onder wie men enkele mannelijke onderzoekers kan tellen – sommigen laten zich erop

profeministen te zijn.

18


Christine Verschuur

De waardevermindering van het werk van vrouwen houdt verband met de

geslachtsverdeling van het werk. De feministische antropologen (Mathieu, 1995)

hebben een nieuwe inhoud gegeven aan dit begrip, dat niet de complementariteit

van taken weergeeft maar de machtsverhouding van mannen over vrouwen. De

geslachtsverdeling van het werk is op die manier een analytisch begrip geworden

en niet alleen een beschrijvend hulpmiddel – dat toestaat de genreongelijkheden te

begrijpen.

Een tweede fase bestond uit het analyseren van de veranderingen met betrekking tot

de nieuwe internationale verdeling van het werk: studies behandelden de integratie

van vrouwen in de verplaatste productie-industrieën, de vervrouwelijking van het

proletariaat, de toenemende plaats van vrouwen in de informele economie in de

steden, de toename van vrouwenmigraties in de nieuwe internationale verdeling van

het werk. De bedenking over de verbanden tussen enerzijds de productie van goederen

en diensten en anderzijds de sociale reproductie wordt groter: het ene kan niet los

worden gekoppeld van het andere en het reproductieve werk maakt ook deel uit van

een nieuwe internationale verdeling.

De derde fase beoogt een verdieping van de vragen, gesteld door de vorige onderzoekers:

de veranderingen van de identiteiten en genreverhoudingen, op binnenlands, lokaal

of globaal niveau, in de context van mondialisering, de verhouding tussen deze

veranderingen en de deelname aan de publieke sfeer, de toegang tot de rechten

(Molyneux en Razavi, 2003). De afbraak van het koloniale beeld van ‘de vrouw van

het zuiden’ staat toe zich vragen te stellen over de opzet van het individu als meester

–man en vrouw- over zijn eigen leven (Rauber, 2003).

Tegenwoordig worden de verbanden toegelicht tussen de onderdrukkingsystemen

van sekse en klasse – zoals reeds gebeurde door de feministen van de XIXe eeuw - en

het systeem van racistische en neokoloniale uitbuiting.

Onderzoekers uit het Zuiden hebben een zeker koloniaal beeld van ‘de’ vrouw van

het Zuiden neergehaald, dat van een arme, machteloze (‘powerless’) vrouw, slachtoffer,

kwetsbare, niet-opgeleide, traditionele vrouw aan de haard enz. Ter vergelijking is het

beeld van de westerse vrouw neergehaald, namelijk dat van een opgeleide, moderne

vrouw die haar eigen lichaam en haar seksualiteit beheert, die de vrijheid zou hebben

om haar eigen beslissingen te nemen. Dit beeld van ‘de vrouw van de derde wereld’

die haar leven niet in handen zou hebben, maar dat gecreëerd is door westerse

feministes, wordt nu door sommigen gehekeld. Daaruit ontstaat soms een spanning

tussen feministes van verschillende werelden, waar men soms veronderstelt dat

vrouwen van het Zuiden, die allemaal onderdrukt zouden zijn en in één en dezelfde

categorie onder te brengen, alles te leren zouden hebben van de strijd van hun

‘collega’s’ uit het Noorden. Het gebrek aan zichtbaarheid, aan nadruk op strijd en

verzet, op individuele en gezamenlijke acties van verschillende vrouwen en mannen

19


toestand van het onderzoek naar ‘genre en ontwikkeling’

uit het Zuiden heeft bijgedragen tot de handhaving van dit koloniale beeld. Als er

acties of bedenkingen gerapporteerd of voorgesteld werden, was dat lang het werk

van onderzoeksters in het Noorden, die toegang hebben tot de productiemiddelen

en verspreiding van ideeën, wat werd ervaren als een vorm van onteigening van

koloniale aard.

Hoewel het bestaan van dit kennisgebied ‘genre en ontwikkeling’ niet meer wordt

ontkend, worden de theoretische en praktische bijdragen verre van erkend zoals het

hoort, gedeeltelijk wegens de verbinding ervan met het feminisme. Zoals Michelle

Perrot zegt, “het antifeminisme wordt versterkt door een kluwen van angsten. Angst

voor machtsverlies en voor een dreigende vrouwelijke macht die men wil bedwingen.”

(Perrot, 1999: 18). Maar de afwijzing van het begrip genre door sommigen is vooral

een afspiegeling van de weigering om de machtsmechanismen in vraag te stellen die

de ongelijkheden, zij het tussen mannen en vrouwen, klassen, ‘rassen’, kasten of

andere, veroorzaken en bestendigen.

Een van de belangrijkste te overwinnen hinderpalen is de “instrumentalisatie van

het genre”, (Roux, 2007), het feit zich te beperken tot een erkenning en duiding van

de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen zonder dit te koppelen aan andere

ongelijkheden en zonder niet te leiden tot acties voor verandering.

2. Koloniale geschiedenis en geschiedenis van de

gedachte over de vrouwen/genre.

De verschillen tussen Engelse of Noorse,

Franstalige en Spaanstalige invloedssferen.

De vorming van het kennisgebied ‘genre en ontwikkeling’ werd tot op heden eerder

gedomineerd door onderzoekers, gevestigd in de Westerse landen, ook al wordt

de productie van deze kennis vaak verrijkt door de studie van de praktijken en de

bedenkingen ontwikkeld door vrouwen- en feministische bewegingen in de landen

van het Zuiden.

Momenteel zorgen de bedenkingen over het postkolonialisme en een grotere erkenning

van de theoretische en praktische militante bijdragen in de verschillende landen van

het Zuiden voor een vordering in de bedenking over de nodige kruising tussen de

categorieën van genre, klasse en etniciteit. De manipulatie van de ‘vrouwenkwestie’

in neokoloniale ondernemingen (oorlog in Afghanistan, cf. lezing van Eric Fassin),

in het immigratiebeleid en het binnendringen van problemen van etnische uitsluiting

in het Noorden (crisis in de buitenwijken van Frankrijk en in Nederland, debatten

over het hoofddoek), hebben de belangstelling voor deze gemengde visie vergroot.

20


Christine Verschuur

Bepaalde landen van het Zuiden oefenen nu een grotere invloed uit – bepaalde meer

dan andere – in de vordering van de kritische bedenking in het gebied genre en

ontwikkeling. Zonder in te gaan op alle elementen die deze verschillen verklaren,

zijn er twee die volgens ons moeten worden vermeld. Om te beginnen, verschillende

koloniale gebeurtenissen en verschillende koloniale praktijken, die misschien sporen

hebben nagelaten, in het bijzonder in de dynamiek van de vrouwenbewegingen in

het Zuiden. Vervolgens, het feit dat de gedachtevorming over de vrouwen en genre

meer gemengd is in de Angelsaksische en Spaanstalige landen met de bedenking

over de Noord-Zuid verhoudingen (of centrum –rand), terwijl deze gedachte in

de Franstalige landen meer beperkt bleef tot een analyse van de toestand in het

Noorden (of metropool).

2.1. ‘Direct or indirect rule’ en vrouwenbewegingen

in het zuiden

Een van de toegepaste kolonisatiemodellen, in het bijzonder het model gevolgd door

de Britse kolonisatoren, was dat van de ‘indirect rule’ ( het indirecte bestuur). Er zijn

sinds die tijd relatiemodaliteiten tussen de Staat en de burgers tot stand gekomen,

waarbij “de koloniale overheid regeerde, enerzijds steunend op lokale tussenpersonen

(traditionele chefs, vertalers, administratieve tussenpersonen) om toezicht te houden

op de bevolkingsgroepen en anderzijds op privébedrijven (onder het stelsel van

handelsconcessies) om de rijkdommen te beheren. […] Tegenwoordig kent dit beeld

van de Staat/ressource (economisch maar ook politiek, sociaal en symbolisch) een

grotere zichtbaarheid door de verspreiding van de vrije meningsuiting, die legitimiteit

geeft aan vroeger verborgen praktijken, alsook door de administratieve verwording,

die meer mogelijkheden opent voor privatisering en door de economische, sociale en

politiek crisis die het continent kent.” (Hibou, 1998: 165-166)

Met de ontwikkeling van neoliberale beleidslijnen en de terugtrekking van de

staten, stelt men de ontwikkeling van de ‘burgermaatschappij’ vast die deze vorm

van staatsinterventie overneemt of op een bepaalde manier verlengt. Men zou zich

kunnen afvragen of er geen grotere dynamiek is van de ‘burgermaatschappij’ in

bepaalde landen, in het bijzonder in landen die vroeger geregeerd werden door de

‘indirect rule’, en of dit geen verband zou kunnen hebben met deze verschillende

kolonisatiemodaliteiten. Kritische analyses hadden daar de ruimte kunnen vinden

om zich autonoom te ontwikkelen.

In landen die onderhevig waren aan de ‘direct rule’, het directe bestuur, zoals in Franstalig

West-Afrika, wordt de kritische denkpiste over de verhouding tussen mannen en

vrouwen momenteel vaak ervaren als een weerslag van ideeën met betrekking tot

de politieke uitdagingen van Franse vrouwen op de Afrikaanse maatschappijen.

Bepaalde feministische eisen hebben zonder strijd, in de vroegere kolonies bereikt

21


toestand van het onderzoek naar ‘genre en ontwikkeling’

“[In Zwart Afrika] hebben de vrouwenbewegingen niet moeten strijden tegen de

mannen voor het politieke recht: in Frans West-Afrika bijvoorbeeld – aangezien de

onafhankelijkheid er was gekomen na de uitbreiding van het stemrecht voor de Franse

vrouwen - werd het stemrecht meteen universeel na 1956 […]” (Coquery-Vidrovitch,

2004). Dat heeft misschien bijgedragen tot het remmen van de mogelijkheden van

vrouwen om een eigen feministische bedenking te ontwikkelen in hun landen en tot

miskenning en verschillen met de vrouwenbewegingen van de vroegere metropool.

“Een interessante visie op de Fransen als vernieuwers werd in de jaren 1960 gesteund

door een Algerijnse journaliste, die over vrouwen in Algerije schreef op het einde

van de koloniale periode en in het begin van de onafhankelijkheid (M’Rabet, 1967).

Ze beweert dat de annexatie in 1830 van het huidige Algerije door de Fransen een

einde maakte aan een hervormingsbeweging die de toestand van vrouwen binnen

de traditionele Islamitische gemeenschap van Algerije ruimschoots had kunnen

verbeteren”(Katzenellebogen, 1999).

Het gebrek aan middelen om deze kwesties te bestuderen in de vroegere Franse

kolonies, voor of tijdens de kolonisatie, verhindert een betere kennis over de

vordering van de bedenking over de vrouwen en over de man/vrouw verhoudingen

tijdens deze periode.

2.2. bewustwording van een koloniaal beeld en erkenning

van vrouwen als meester over hun leven

In zijn artikel ‘vrouwen en racisme in de Europese kolonies’ toont Katzenellebogen

hoe vrouwen (van de kolonies en de metropool) en het koloniale beeld door de

kolonisatoren gebruikt werden als basis voor hun overheersing. Hij bevestigt dat

“racisme een essentieel instrument was van de Europese kolonisatie. De Europese

aanspraak op superioriteit - gedeeltelijk gebaseerd op de perceptie van de genrerollen

in de Europese maatschappijen en in de gekoloniseerde maatschappijen – was nodig

om de koloniale uitbuiting te rechtvaardigen” (ibid.).

In bepaalde gevallen hebben vrouwen uit de kolonies hun identiteit van exotische,

wellustige vrouwen geënsceneerd om voordelen te verkrijgen. “In West-Afrika

hadden de signares bindingen met agenten van handelsbedrijven; ze gaven hen de

mogelijkheid banden te smeden met de lokale gemeenschap. De signares profiteerden

ook van hun rol als tussenpersoon om zich te verrijken en om een aanzienlijke sociale

status te verwerven ook na het vertrek van de agent” (ibid.). Het beeld van vrouwen

die allemaal hetzelfde lot zouden delen of van vrouwen/slachtoffers is hier verre

van gepast.

22


Christine Verschuur

In India worden er veel kritische ideeën geuit op het vlak van vrouwen/

vrouwenbeweging/genre en het fenomeen dateert van lang vóór de dekolonisatie.

Indische vrouwenbewegingen komen momenteel in opstand tegen het feit dat

“‘Reproducing the formulaic image of the oppressed Indian woman regardless of class, education,

region, language, religion or caste, even when Indian women were creating their own social reformist

and women’s movement’ (Burton, 1992). And despite the real strides that Indian women have

made since independence, they are still routinely cast in Western scholarship and the media as

victims, as objects of state policy, or more generally as simply oppressed.

In examining the process by which a unitary image is produced, Chandra Mohanty argues that

orientalist power is exercised in discourse when the homogenised and monolithic representation of

the Third World woman is contrasted with Western feminism’s self-representation. The impact is

to rob Third World women of their historical and political agency, as Western feminists become the

true ‘subjects’ of this counter-history [while] third world women ... never rise above the debilitating

generality of their ‘object’ status”(Mohanty, 1988: 79).

In Latijns-Amerika werden er vanaf het einde van de XIXe eeuw tal van

vrouwenbewegingen gevormd in verschillende landen, zowel bij de burgerij en de

intellectuelen als bij de arbeidersklasse. In de XXe eeuw hebben de vrouwen van

organisaties in de marge van de populaire stedelijke beweging, in de boerenverenigingen,

die streden voor de rechten van de autochtonen, in de syndicaten, of de vrouwen

die streden tegen de militaire dictaturen en in de guerrillabewegingen tijdens de jaren

1970, veel bijgedragen tot de denkpiste over de genreverhoudingen. Ze behoorden

niet altijd tot de vrouwenbeweging, omschreven als feministisch en de internationale

feministische beweging in Latijns-Amerika erkent dat ze wordt doordrongen door

tal van stromingen. Maar wat deze spanningen ook zijn, het valt niet te ontkennen

dat er in dit werelddeel een jarenlange geschiedenis van vrouwenstrijd en een

theoretische productie bestaat die de bedenkingen van theoretici elders beïnvloeden.

De vrouwenbewegingen weerleggen er zo de bewering dat het begrip ‘genre’ (waar

het voor staat, niet de benaming ervan) een ingevoerd westers begrip is. Momenteel

zijn er debatten aan de gang over het feit dat dit begrip een subversieve strekking kan

handhaven, of het risico dat het als instrument wordt gebruikt om de analyses en de

bewegingen te depolitiseren (Femenias, 2002). Het feit dat dit begrip gebruikt wordt

door internationale ontwikkelingsagenten, maakt het voor sommigen verdacht.

Sommige toonvoorbeelden van socialistische of revolutionaire vrouwen en de talloze

sociale praktijken van vrouwen in sociale vrouwenbewegingen die de strijd aangaan

tegen sociale onrechtvaardigheden, of in de informele en populaire bewegingen,

onthullen beelden van gediscrimineerde of uitgebuite maar niet van ondergeschikte

en passieve vrouwen. De clichés van behoeftige vrouwen, slachtoffers, zonder actieen

denkvermogen, worden nu betwist.

23


toestand van het onderzoek naar ‘genre en ontwikkeling’

De koloniale beeld wordt echter verre van overal in vraag gesteld. Afhankelijk van

de gevallen ziet men al dan niet een aanpassing van de kritische denkpiste over

de ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen, een min of meer

uitgesproken afwijzing van een koloniaal of miserabel beeld van ‘de’ vrouw die haar

eigen leven niet in handen heeft, een min of meer bewuste afwijzing van ‘genre’ als

analysemiddel dat wordt gemengd met andere discriminerende categorieën. Er komt

een bewustwording van de manier waarop dit koloniale en/of racistische beeld ook

de studies van genre en de feministische bewegingen kruist. Die sluit ook aan bij een

proces van erkenning van de persoon als meester over zijn eigen leven.

2.3. kruising van de feministische en ‘derde wereld’ analyses

en engagementen

In de Noorse, Angelsaksische en Spaanstalige landen worden de analyses en de

academische en militante activiteiten over de ongelijkheden tussen vrouwen en

mannen en de ongelijke Noord/Zuid verhoudingen vaak wederzijds versterkt.

Elders, zoals in Frankrijk daarentegen, is het onderzoek en de feministische

strijdlust vooral gericht op de westerse landen. Ze leggen maar zelden en/of pas

recent het verband met de onderzoeken en kritische strijd over de ontwikkeling/

onderontwikkeling. Solidariteitgroepen van hun kant (steun aan FLN in Algerije,

antiapartheid beweging, solidariteitbewegingen tegen de dictaturen in Latijns-

Amerika, altermondialistische bewegingen enz.), lieten de kwestie van ongelijkheden

tussen vrouwen en mannen terzijde, net als de syndicaten en de politieke partijen.

De kwesties van genreongelijkheden werden als ‘bijkomstig’ beschouwd en zouden

de politieke bewegingen niet verdelen.

Terwijl hoogstaande theoretici zich in Frankrijk, net als in de Engelstalige landen,

deden gelden op het gebied van genrestudies, is dat veel minder het geval voor het

gebied van genre- en ontwikkelingstudies. Zo is de Franstalige wereld, tot een tiental

jaar geleden, enigszins achter gebleven op de beweging van de vorming van een

kennisgebied ‘genre en ontwikkeling’.

Een van de gevolgen van dit gebrek aan verband tussen genrestudies en studies

over de ontwikkeling in Frankrijk is dat er veel minder onderzoekers in genre

en ontwikkeling zijn voor de gebieden van de Franstalige invloedszones. Het

Angelsaksische systeem van denken, met zijn woorden, zijn referenties, zijn scholen,

zijn onderzoekernetwerken en zijn bevoorrechte gebieden overheerst, zonder

voldoende geïrrigeerd te kunnen worden door de andere denksystemen, andere

terreinen en andere intellectuele tradities.

24


Christine Verschuur

2.4. Drukkingsgroepen

De Angelsaksische en Noorse landen hebben een sterke cultuur van burgermobilisatie

en lobbying. Zo hebben tal van organisaties financiële ondersteuning kunnen

krijgen om het werk van sensibilisatie, informatie aan de bevolking en opvolging

van acties te steunen. Op die manier kan de druk worden gehandhaafd om te

waken over het rekenschap met de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen in

de samenwerkingsprogramma’s. In andere landen met minder lobbyingcapaciteiten

is de druk minder om middelen te krijgen voor de realisatie van programma’s

inzake sensibilisatie, toezicht, actie, onderwijs of onderzoek. Zo vergroot de kloof

tussen de Franstalige en Engelstalige of Noorse landen in de ontwikkeling van dit

kennisgebied.

2.5. academische en operationele onderzoeken

De debatten over het academische onderzoek, het toegepaste onderzoek,

het actieonderzoek en het operationele onderzoek tonen in bepaalde landen

(Frankrijk bijvoorbeeld) duidelijkere grenzen dan in andere landen. Onderzoekers

in de Franstalige landen (behalve nu in bepaalde Franstalige Afrikaanse landen)

zijn vaak terughoudender om een wetenschappelijke waarde toe te kennen aan

actieonderzoekprogramma’s bijvoorbeeld. Het feit dat diverse onderzoeksvormen

meer gevaloriseerd worden in bepaalde landen maakt er meer onderzoekmogelijkheden

mogelijk evenals een irrigatie van de theoretische bedenkingen door de praktijken

van sociale veranderingen.

In de mate dat de Franstalige landen minder de genreongelijkheden opnemen in de

samenwerkingsprogramma’s, ontbreken er bovendien onderzoeken over de realisatie

van deze (te weinig voorkomende) programma’s, alsook analyses van de situatie vóór

en na de realisatie van ontwikkelingsprojecten.

Dit kennisgebied heeft veel te danken aan de praktijken en onderzoeken van

feministische bewegingen en onderzoekers uit het Zuiden, maar de moeilijkheden om

steun te krijgen voor het onderzoek door feministische onderzoekers uit het Zuiden

en de moeilijkheden om deze kennis in het Noorden te verspreiden, bemoeilijken de

erkenning van deze bijdrage.

De ongelijkheid in de deelname aan de kennisproductie tussen onderzoekers en /of

feministes uit de landen van het Noorden en de landen van het Zuiden, tussen landen

van Angelsaksische of Latijnse invloedszones, is zo soms moeilijk te doorbreken.

25


toestand van het onderzoek naar ‘genre en ontwikkeling’

De per definitie kritische aard van het onderzoek over de ongelijkheden tussen

mannen en vrouwen, klassen en ras maakt het altijd moeilijk middelen te verkrijgen

voor deze onderzoeken.

3. De opkomende belangstelling voor onderzoek in

‘genre en ontwikkeling’ in de Franstalige landen en

de afbraak van het koloniale beeld van ‘de’ vrouw

van het Zuiden

Sinds de realisatie van de IVe conferentie van vrouwen in Beijing in 1995 hebben

de inspanningen om de belangstelling in de Franstalige landen voor de ongelijke

verhoudingen tussen mannen en vrouwen in de ontwikkeling enkele resultaten

opgeleverd. Er zijn posten opgericht in Franstalige universiteiten waardoor

enkele onderwijsrichtingen konden worden geïnstitutionaliseerd. De ingevoerde

onderwijsrichtingen motiveren studenten om onderzoek te verrichten, in het

bijzonder om doctoraatthesissen te maken. Er werden onderzoekprogramma’s

gefinancierd, waaronder actieonderzoekprogramma’s. Er zijn publicaties verschenen

over dit thema en die hebben de intellectuele uitwisselingen bevorderd tussen

Engelstalige en Noorse onderzoekers enerzijds, en Franstalige en Spaanstalige

onderzoekers anderzijds, ook al is dit nog op een embryonale manier. Het verlangen

is aanwezig om de intellectuele producties te mengen en de kritische bedenkingen

wederzijds te verrijken. Er zijn grotere onderzoeknetwerken opgericht. Men moet

erkennen dat de werkzaamheden werden voorbereid.

De verzwakking van de feministische beweging in de meeste landen beperkt echter

de verbanden tussen kennisproductie en actie, de belangrijkste ontwikkeling van dit

kennisgebied, en vooral de inbreng van de categorieën genre, klasse en etniciteit.

De vooruitgang van de denkpistes in bepaalde disciplines – geschiedenis, sociologie

– over het koloniale overwicht staat toe om weer aan te sluiten bij de feministische

gedachte van vóór de periode ‘vrouwen/ genre en ontwikkeling’, in het bijzonder

de periode waarin het verband tussen productiemechanismen van ongelijkheden

mannen/vrouwen en klasse werd benadrukt. De opname van de categorie analyse en

etniciteit – onder invloed van de antikoloniale en antiracistische bewegingen, zorgt

voor een nieuwe dynamiek.

3.1. Studiegebied momenteel in ontwikkeling

Momenteel worden er drie grote studiegebieden ontwikkeld op een niet-geïsoleerde

manier.

26


Christine Verschuur

a. De kwestie van migraties en care: de nieuwe internationale verdeling van

het productie- en reproductiewerk, gekoppeld aan de mondialisering,

de veroudering van de bevolking in de landen van het Noorden, de

massale integratie, in deze landen, van vrouwen op de arbeidsmarkt,

zorgen ervoor dat de migraties, en in het bijzonder de vervrouwelijking

van de migraties een grotere plaats innemen in de onderzoeken en in

de politieke debatten.

b.

c.

De kwesties in verband met de rechten en het burgerschap, de sociale

bewegingen en de machten, empowerment: de discussie over de rol van de

Staat in de sociale programma’s, over de burgermaatschappij, de plaats

van vrouwen en mannen in de diverse organisaties die tussenkomen

bij de terugtrekking van de staten, over de vorming van vrouwen en

mannen die meester zijn over hun eigen lot, over de ontwikkeling van

actiemogelijkheden, overheersen het debat over de politieke en sociale

veranderingen en de politieke beleidslijnen.

De koloniale kwestie: de meervoudige entiteiten, de bewustwording

van het voortbestaan van een koloniaal beeld, in het Noorden, in het

Zuiden en in de internationale relaties, vergroten de belangstelling

voor de kruising van verschillende categorieën van analyse, klasse, ‘ras’,

voor het begrip van de productie- en reproductiemechanismen van de

ongelijkheden van verschillende aard.

Men moet maar zien hoe de oorlog van Afghanistan bijvoorbeeld gelegitimeerd

werd door een verdedigingsplicht van de rechten van vrouwen om te beseffen dat de

vrouwen altijd gebruikt worden en dat een vermeende beschavingsuperioriteit altijd

aan het werk is in de internationale relaties en in het betoog van legitimatie.

4. Besluit

Het kennisgebied vrouwen/genre en ontwikkeling heeft burgerrecht verworven,

weliswaar na veel werk om de academie, de onderzoekers, de politici en de wereld

van ontwikkelingssamenwerking te overtuigen. De veelheid van onderzoeken,

publicaties en colloquia heeft aangetoond dat deze visie vernieuwing bracht voor de

hele problematiek van ontwikkeling. Voor bepaalde thema’s wordt genre beschouwd

als een onontkoombare benadering, maar het blijft soms beperkt tot gebieden waar

vrouwen een centrale rol hadden en/of hebben.

De grote moeilijkheid blijft nog genre te doen gelden als analysecategorie in

de overheersende paradigma’s in de economische wetenschappen, politieke

wetenschappen, maar ook in de antropologie en sociologie, op een interdisciplinaire

27


toestand van het onderzoek naar ‘genre en ontwikkeling’

manier. Deze disciplines hebben niet de theoretische bijdragen opgenomen, geleverd

door de feministische economie, de feministische antropologie en sociologie, die

bepaalde dogma’s in vraag stellen. Dat werk moet nog gebeuren.

5. Bibliografie

Bard, Ch. (1999), Un siècle d’anti-féminisme, Fayard, Paris.

Benelli, N., Delphy Ch., Falquet, J., Hamel Ch., Hertz E., Roux P. (2006), « Les

approches postcoloniales : apports pour un féminisme antiraciste », Nouvelles Questions

Féministes, Sexisme, racisme et postcolonialisme, éd. Antipodes, Lausanne, pp. 4-14.

Boserup, E. (1983), La femme face au développement économique, PUF, Paris.

Burton, A. (1992), « The white woman’s burden » in Chaudhuri & Strobel, Western

Women and Imperialism. Indiana University Press, Bloomington.

Coquery-Vidrovitch, C. (2004), « De la périodisation en histoire africaine – Peut-on

l’envisager ? À quoi sert-elle ? », Afrique et Histoire, n°2, pp. 31-65.

Dagenais, H. & Piché, D. (1994), « Conceptions et pratiques du développement :

contributions féministes et perspectives d’avenir », in Femmes, féminismes et développement,

L’institut canadien de recherches sur les femmes, Montréal.

Fassin, E. (2005), Conférence du 9/11/2005, Ecole Normale Supérieure.

Femenías, M.-L. (éd.) (2002), Perfiles del feminismo iberoamericano, Ed. Catalogos, Buenos

Aires.

Hibou, B (1998), « Retrait ou redéploiement de l’État ? », Critique internationale, n°1,

automne, pp. 151-168.

Katzenellenbogen, S. (1999), « Femmes et racisme dans les colonies européennes »,

Clio, n°9, Femmes du Maghreb, http://clio.revues.org/document290.html

Kergoat, D. (2001), « Division sexuelle du travail et rapports sociaux de sexe », in

Hirata (éd.), Dictionnaire critique du féminisme, PUF, reproduit dans Bisilliat J. & Verschuur

Ch. (éds.) (2001), Genre et économie, un premier éclairage, Cahiers Genre et Développement, n°

2, L’Harmattan, Genève – Paris.

La Voz de la Mujer (1997), Universidad de Quilmes, Buenos Aires.

Liddle, J. & Rai, S. (1998), « Feminism, Imperialism and Orientalism: the challenge of

the “Indian woman” », Women’s History Review, Vol. 7, n° 4, pp. 496-520.

28


Christine Verschuur

Mathieu, N.-C. (1985), L’arraisonnement des femmes, Essais en anthropologie des sexes, coll.

Cahiers de l’Homme n°24, éd. EHESS, Paris.

Meillassoux, C. (1975), Femmes, greniers et capitaux, Maspéro, Paris.

Michel, A. (1979), Le féminisme, Que Sais-Je, PUF, Paris.

Mohanty, C. (1988), « Under Western eyes: feminist scholarship and colonial

discourse », in Feminist Review, n°30, pp. 61-88.

Molyneux, M.et Razavi, S. (éds.) (2002), Gender Justice, Development and Rights, Oxford

University Press, Oxford.

M’Rabet, F. (1967), Les Algériennes, Maspéro, Cahiers libres 103, Paris.

Oakley, A. (1972), Gender and Society, Temple Smith, London.

Perrot, M. (1999), « Préface », in Bard Ch. Un siècle d’anti-féminisme, Fayard, Paris.

Pronk, J. (2000), « Femmes dans le développement : le chemin vers l’autonomie »,

in Bisilliat, J. & Verschuur Ch. (éds.), Le Genre, un outil nécessaire, Cahiers Genre et

Développement, n° 1, L’Harmattan, Genève – Paris, pp. 87-93.

Rauber, I. (2003), América Latina, Movimientos sociales y representación política, Ed. Ciencias

sociales, La Habana-México.

Roux, P., Gianettoni, L., Perrin, C., « L’instrumentalisation du genre: une nouvelle

forme de racisme et de sexisme », Nouvelles Questions Féministes, 26(2), pp. 92-108.

UNDP (1995), Human Development Report, Oxford University Press, Oxford.

Verschuur, Ch. (2007), « Mouvements de quartier, genre et droits : réinvention

culturelle du politique par les femmes », in Revue Internationale des Sciences Sociales,

UNESCO, Paris.

29


eTnIcITeIT, mIgraTIe en arbeId

nIeuwe onderwerpen In heT onderzoek

over gender en onTwIkkelIng

In laTIjns-amerIka 9

Patricia ruiz bravo l. 10

met de medewerking van Cynthia del Castillo

1. Inleiding

Ik wil in de eerste plaats mijn dank betuigen voor de uitnodiging om deel te nemen aan

dit seminarie en voor de gelegenheid om mijn ervaringen te delen met onderzoekers

uit andere regio’s en met professionals van overheidsinstellingen of privé-instellingen

uit de ontwikkelingssector. Ik geloof dat het mogelijk is om een interdisciplinaire en

interculturele dialoog aan te gaan die ons in staat stelt om alternatieven te bedenken

voor een meer menselijke, inclusieve en meervoudige ontwikkeling.

Daarom wil ik op de volgende pagina’s enkele van de belangrijkste thema’s aansnijden

die terug te vinden zijn in het onderzoek over gender en ontwikkeling in Latijns-

Amerika. De debatten zijn veel uitgebreider dan wat ik in deze presentatie kan

opnemen. Daarom heb ik voorrang gegeven aan bepaalde onderwerpen. Ik wijs er

echter wel op dat het niet de enige onderwerpen zijn en dat deze keuze een optie

uitdrukt die, hoop ik, uw belangstelling zal wekken en ons zal toelaten de toekomstige

richting van ons werk te bepalen. Ik ben van mening dat wij ons in Latijns-Amerika

in een tegenstrijdig en heterogeen veranderingsproces bevinden. Hoewel wij een

belangrijke vooruitgang zien betreffende de deelname van vrouwen aan bepaalde

belangrijke takken van de economie en de politiek, is de situatie in onze landen verre

van homogeen. De gendereisen vinden hun weg op verschillende fronten, maar de

inhoud van de eisen varieert naargelang de etnische en sociale afkomst. Seksisme

en genderdiscriminatie zitten nog steeds ingebakken in het systeem en alle Latijns-

Amerikaanse mannen en vrouwen krijgen daar in meerdere of mindere mate mee

te maken. In deze context zijn de theoretische uitdagingen enorm. Ze roepen een

9

Ik bedank Christine Benoît voor de vertaling van dit artikel.

10

Doctor in sociologie, hoogleraar aan de Katholieke Universiteit van Peru.

31


etniciteit, migratie en arbeid

eindeloze reeks vragen op en ze doen ons vele zaken opnieuw in vraag stellen. De

uitdaging waar wij voor staan, bestaat uit het begrijpen van de diversiteit en het

openstaan voor een dialoog waarin verschillen worden gerespecteerd.

De presentatie is onderverdeeld in drie delen. In het eerste deel stel ik de meest

karakteristieke sociaal-economische processen in Latijns-Amerika voor. Deze

‘context’ is zeer belangrijk omdat de analyse van het gendersysteem nauw verband

houdt met de sociaal-economische en politieke systemen en met de culturele registers

van de samenlevingen die wij bestuderen. De veranderingen op het niveau van de

genderidentiteiten en op het niveau van de genderrelaties begrijpen, betekent immers

dat de systemen waarbinnen deze identiteiten geproduceerd worden en waartegen

weerstanden ontwikkeld werden, aandachtig in het oog moeten worden gehouden.

Wij zijn ook van mening dat de structurele elementen weliswaar fundamenteel zijn

in de analyse, maar dat het eveneens noodzakelijk is om plaats te maken voor de

antwoorden die de spelers ontwikkelen in respons op de processen waarbinnen zij

evolueren. Dit veronderstelt dat aandacht besteed wordt aan (actieve en passieve)

weerstanden, evenals aan de (niet altijd zichtbare) ruimte voor agency (bemiddeling)

en autonomie die zich ontwikkelen. In het tweede deel stel ik de nieuwe onderwerpen

en perspectieven voor, die deel uitmaken van het debat. Ik som de belangrijkste op

en concentreer me – wegens tijdsgebrek – op de onderwerpen etniciteit, arbeid en

migratie. Ik sluit af met enkele voorstellen tot actie.

2. De Latijns-Amerikaanse context: globalisering,

neoliberalisme en democratie

Globalisering is het proces dat nationale systemen beïnvloedt en aanleiding geeft

tot wat men ‘transnationalisme’ noemt. Nationale grenzen worden steeds minder

belangrijk voor het kapitalisme, dat een stevige voet aan de grond krijgt en dat

zo de structuren en de relaties die het leven van miljoenen vrouwen en mannen

in de wereld beïnvloeden, wijzigt. Zoals elk verschijnsel kan ook de globalisering

beschouwd worden vanuit verschillende invalshoeken, die niet altijd in dezelfde

richting gaan. Ook al vertaalt het zich soms in nieuwe kansen, in andere gevallen

betekent het dat duizenden mensen, die ‘zich niet aanpassen’ aan deze nieuwe

wereldorde, opzij geschoven worden. Ondanks het pessimisme dat het laatste

decennium gekenmerkt heeft, als gevolg van het overheersende ‘eenheidsdenken’,

hebben zich toch kritische stemmen laten horen en het Wereld Sociaal Forum maakt

deel uit van deze utopie. De idee dat een andere wereld mogelijk is, heeft het mogelijk

gemaakt om heel wat versnipperde energie te bundelen en te laten renderen. Dit is

echter geen gemakkelijke taak omdat we te maken hebben met grote consortia en

machten die grotendeels verborgen, versluierd en corrupt zijn. Maar dit moet ons

32


Patricia ruiz bravo l.

niet ontmoedigen. Integendeel, het moet ons stimuleren om de veranderingen die

wij nastreven te realiseren. Dit maakt deel uit van de strijd waaraan we niet mogen

verzaken.

De economische situatie van verschillende Latijns-Amerikaanse landen vertoont

groei-indicatoren die schril afsteken tegen de aanhoudende armoede en behoeftigheid.

Dit komt omdat onze regio het trieste voorrecht geniet om de streek met de grootste

ongelijkheden ter wereld te zijn. De verhouding tussen de rijksten en de armsten kan

in sommige gevallen 1 op 20 bedragen en dat maakt van onze regio een tijdbom.

De formele democratieën zijn er, maar verschillende onder hen zijn broos en ze

verzekeren geen substantiële participatie van de burgers. In sommige landen werden

presidenten (v/m) van linkse signatuur verkozen, maar onderlinge allianties zijn

moeilijk omdat ze niet altijd op dezelfde golflengte zitten. Dat doet echter niets af

aan het feit dat wij ons in een economische conjunctuur bevinden die het, in principe,

zou toelaten om belangrijke veranderingen door te voeren op vlak van herverdeling

van inkomsten, armoedebestrijding en meer participatie van de burgers.

Het neoliberale beleid heeft belangrijke veranderingen in de economie en in de rol

van de staat teweeggebracht. Een aanzienlijke inkrimping van de overheidsdiensten

heeft gezorgd voor duizenden werklozen, die er niet in geslaagd zijn zich opnieuw

te integreren in de arbeidsmarkt. Parallel daarmee hebben de economieën zich

opengesteld voor de internationale markten, dankzij handelsakkoorden met de

Verenigde Staten, de Europese Unie, China en andere landen van het Zuiden. Op deze

manier heeft zich ook een economische herstructurering voorgedaan waarbinnen

- hoewel de export toeneemt en het BBP groeit - de arbeidsvoorwaarden van de

werknemers rampzalig zijn en het arbeidsrecht weinig gerespecteerd wordt.

In deze context ontstaan nieuwe groepen die sociale veranderingen eisen. Naast

het Wereld Sociaal Forum, dat wij eerder vermeldden, bestaan er inheemse

bewegingen die in het tijdperk van de globalisering de eerbiediging van hun rechten

als oorspronkelijke bevolking vragen, door de gebieden die ingepalmd en uitgebuit

dreigen te worden door mijnbouw-, oliewinning- en bosbouwbedrijven, op te eisen.

Deze bedrijven putten niet alleen de natuurlijke rijkdommen uit, ze fnuiken ook de

culturele ontwikkelingsmogelijkheden van uitgestrekte regio’s van ons continent.

Het is daarom noodzakelijk om het nieuwe discours en de nieuwe praktijken op vlak

van gender en ontwikkeling te analyseren. Op de volgende pagina’s zal ik trachten

aan te tonen hoe de veranderingen, die zich hebben voorgedaan, het leven van

vrouwen diepgaand beïnvloed hebben en hoe deze vrouwen concrete, actiegerichte

beslissingen genomen hebben, die wij moeten kennen en analyseren. De organisaties

van inheemse vrouwen manifesteren zich en dagen de hegemonie van de regionale

feministische bewegingen uit, precies op het moment dat duizenden vrouwen hun

33


etniciteit, migratie en arbeid

land verlaten op zoek naar een beter leven voor zichzelf en hun gezin. In het licht

van het voorgaande zal ik hier nu de onderwerpen ‘gender, etniciteit, arbeid en

migratie’ voorstellen.

3. Nieuwe onderwerpen en het genderperspectief

Het proces van de globalisering en van de veranderingen die zich binnen de Latijns-

Amerikaanse samenlevingen hebben voorgedaan, brengen nieuwe onderwerpen

aan in de debatten over gender en ontwikkeling. Een centraal onderwerp is dat

van de culturele diversiteit en de manier waarop men dit in rekening brengt in

wetenschappelijk onderzoek, in projectvoorstellen en in ontwikkelingsprojecten die

een genderperspectief bevatten. De eisen van ‘integratie van’ en ‘respect voor’ culturele

verschillen bestaan al langer in het Latijns-Amerikaanse feministisch gedachtegoed

en eisenpakket, maar het feit dat de organisaties van inheemse vrouwen het woord

nemen en van zich laten horen, niet alleen in de landen van Latijns-Amerika, maar

ook op regionale en continentale fora, is nieuw 11 . Deze bewegingen doen een eigen

oproep en ze zijn kritisch voor de vrouwenorganisaties en de academici, wat geleid

heeft tot een debat, dat recent op gang is gebracht. De elementen van het debat zijn

uiteenlopend en omvatten eisen voor erkenning, evenals kritieken op de Latijns-

Amerikaanse feministische bewegingen. Ten behoeve van deze presentatie hebben

wij voorrang gegeven aan bepaalde onderwerpen die op de agenda staan: gender en

etniciteit, vrouwelijke migratie en voorstellen tot actie.

3.1. Gender en etniciteit. De vrouwen van de inheemse

bewegingen.

De inheemse wetenschap erkennen als kennis en als basis voor het

beleid

Diverse studies hebben de aandacht gevestigd op het belang van het (er)kennen

van de waarde en de relevantie van inheemse kennis, die tot vandaag beschouwd

werd als onvolledig, zelfs irrationeel. Men vermeldt dat veel van deze kennis deel

uitmaakt van het cultuurpatrimonium, dat het voortbestaan van bevolkingen als

volk en cultuur mogelijk heeft gemaakt. Ondanks het feit dat men op het niveau

van het discours het belang van de erkenning van de culturele diversiteit vermeldt,

11

De Continentale Ontmoetingen van Inheemse Vrouwen, de Wereldvrouwenconferenties,

de Top van Inheemse Vrouwen van Noord- en Zuid-Amerika, het

Internationaal Forum van Inheemse Vrouwen, evenals het Wereld Sociaal Forum

zijn enkele van de fora die inheemse vrouwen opwaarderen en tijdens dewelke

inspanningen geleverd worden om de dialoog met het Westen aan te gaan.

34


Patricia ruiz bravo l.

hebben meerdere onderzoeksprogramma’s en ontwikkelingsprogramma’s toch geen

rekening gehouden met deze bevolkingsgroepen als valabele gesprekspartners,

omdat zij hun actieve en stemgerechtigde participatie vervangen hebben door een

passieve aanwezigheid.

In de documenten die ik herlezen heb worden de eisen voor erkenning van inheemse

kennis als valabele wetenschap, voorgesteld in een context waarin de dominerende

westerse wetenschap als de enige universeel geldige methode voor kennisverwerving,

bekritiseerd wordt. Men verwijst naar de bijdragen van postkoloniale studies

(Chakravarty, 2001) die een oproep lanceren om ‘Europa op te delen in provincies’,

omdat de idee van Europa en van rationele kennis als centrum en standaard waartegen

andere vormen van kennis afgewogen worden, noodzakelijk gerelativeerd moet

worden. Vanuit Latijns-Amerika vestigen verscheidene auteurs de aandacht op de

noodzaak om te breken met de gekolonialiseerde bril waardoor wij onszelf bekijken

als achtergesteld en waardoor we niet in staat zijn om verschillen op positieve manier

te erkennen. Quijano (2001) signaleert bijvoorbeeld “dat het tijd is om op te houden

iets te zijn, wat we niet zijn”. Hiertoe is het noodzakelijk om dat wat wij in ten bate

van een verwestering - die onze zelfwaardering aantast - ontkend hebben, in ere te

herstellen en te erkennen.

Onderzoeken die uitgevoerd werden in de basisscholen op het Peruaanse platteland

komen zo bijvoorbeeld tot het besluit dat één van de actuele problemen van het

onderwijs - en waardoor deels het vroegtijdig schoolverlaten en de geringe prestaties

van het onderwijs verklaard kunnen worden - de kloof is die er bestaat tussen de school

en de gemeenschap. Voor kinderen is de school een omgeving die hen geringschat,

die hun bekwaamheden niet erkent en hun potentieel loochent. Dit komt neer op

het plegen van symbolisch geweld, dat de toekomst van de kinderen beïnvloedt. Het

beeld dat de school van de kinderen heeft, is dat van de ‘onvermogende ander’ die

volgepropt moet worden met de inhoud van het leerprogramma dat een weerslag is

van de overheersende westerse cultuur, die niet alleen andere culturen niet erkent en

ontkent, maar ze bovendien geringschat en misprijst. Dit proces is gesystematiseerd:

het doet zich dagelijks voor in de klaslokalen, maar het manifesteert zich ook op de

speelplaats en in de verhoudingen tussen onderwijzers en ouders. Ouders worden

niet echt gezien als gesprekspartners, maar eerder als arbeiders voor de bouw van

scholen.

Op die manier, doordat ze deze kennis niet opneemt en geen dialoog met hen aangaat,

produceert de school geen betekenisvolle kennis waardoor ze de ontwikkeling

van significante onderwijs- en leerprocessen voor de studenten verhindert. Het

symbolische geweld komt aldus op verschillende niveaus tot uitdrukking:

• onderwaardering van de capaciteiten en de leermogelijkheden;

35


etniciteit, migratie en arbeid

• geringschatting van de plaatselijke culturen en kennis;

• aanvaarding door de inwoners van deze situatie van misprijzen;

• verlies van kansen voor de kinderen die aan deze dynamiek onderworpen zijn.

Maar het betreft niet alleen de kennis met betrekking tot onderwijs of gezondheid.

Zoals Huenchuan (s/d) aangeeft, betekent belangstelling hebben voor inheemse

kennis, belangstelling hebben voor een wereldvisie, voor een ‘manier-van-zijn’ in de

wereld: “De kennisstructuren vertegenwoordigen de werelden van mensen, de types

van processen die zij toepassen om tot besluiten te komen en beslissingen te nemen,

hoe zij hun situatie inschatten en welke soort gevoelens zij hebben” (Colby en Colby,

1986: 18). Wanneer hij verwijst naar inheemse kennis, waarschuwt de auteur ons voor

de onzichtbaarheid van vrouwelijke kennis en hij signaleert ons het belang hiervan,

niet alleen op vlak van kennisproductie, maar ook wat betreft de overdracht van het

‘geheel van kennis’ in verband met de verschillende levensdomeinen.

Zo is bijvoorbeeld een groot deel van de kennis over biodiversiteit en milieubehoud

in handen van de vrouwen, maar dit wordt niet erkend op conferenties over het

onderwerp. Deze conferenties bespreken de begrippen biodiversiteit en ecologische

diversiteit los van hun culturele en territoriale wortels. Huenchuan stelt dat het

onmogelijk is om na te denken over biodiversiteit als men, anderzijds bekeken, een

aanslag pleegt op de culturele diversiteit en men voorwendt gronden te onteigenen

op basis van culturele identiteit. Wij sluiten deze korte presentatie af door erop te

wijzen dat de eis voor de opname van inheemse kennis deel uitmaakt van een groter

project, dat vanuit Latijns-Amerikaanse en andere postkoloniale bevolkingsgroepen

een nieuwe visie op kennis en de ontwikkelingsprocessen opeist.

De debatten met het/de feminisme(n)

Een tweede onderwerp dat wij tijdens het herlezen van de literatuur geïdentificeerd

hebben, betreft de relatie tussen de bewegingen van inheemse vrouwen en het

regionale en Latijns-Amerikaanse feminisme.

De bibliografische herlezing toont de opkomende en groeiende aanwezigheid van

bewegingen van inheemse vrouwen, die gendergerelateerde eisen ontwikkelen

binnen de context van hun sociale en etnische eisen. De situatie verschilt van land

tot land, zowel voor wat betreft de relatie tussen de bewegingen van inheemse

vrouwen en de vrouwenbewegingen - m.i.v. de feministische beweging - als voor wat

betreft de specifieke eisen. De continentale ontmoetingen van inheemse vrouwen,

die plaatsvonden in Ecuador (Quito, 1994), Mexico (DF, 1997), Panama (2000) en

Peru (2003), getuigen van de vitaliteit van deze bewegingen en van de etnische en

gendereisen, waarrond zich actieplatforms georganiseerd hebben. Wij worden dus

36


Patricia ruiz bravo l.

geconfronteerd met een nieuw scenario, waarin deze groepen de hoofdrol spelen

en waarin - zoals wij hierna zullen zien - zowel de manier van standpuntbepaling

als de inhoud van de feministische eisen opnieuw in vraag gesteld worden. Deze

groepen maken aanspraak op een nieuw perspectief, waarmee inheemse vrouwen

de interpretatie- en actiekaders zouden definiëren. Wij vermelden enkele van de

voortgangen die wij geïdentificeerd hebben:

In het geval van het Zapatistisch Nationaal Bevrijdingsleger (EZNL) van Mexico

signaleert Hernández (s/d) dat: “De inheemse vrouwen begonnen in openbare

ruimten hun stem te verheffen, niet alleen om de eisen van hun metgezellen te

ondersteunen of om de belangen van hun gemeenschappen te vertegenwoordigen,

maar eerder om respect voor hun specifieke rechten als vrouw te eisen.” (EZLN: 3)

“[…] Ook al is de uitbouw van meer rechtvaardige relaties tussen mannen en vrouwen

een centraal thema geworden in de strijd van de georganiseerde inheemse vrouwen,

toch werd het concept feminisme niet opgeëist in hun politieke discours. Dit

concept wordt nog steeds geïdentificeerd met het liberaal stedelijk feminisme, dat

voor verscheidene onder hen separatistische connotaties bevat, die ver afstaan van

hun opvattingen over de noodzaak van een gezamenlijke strijd met hun inheemse

metgezellen” (ibid.).

Het citaat plaatst een waarschuwing, die in meerdere herlezen onderzoeken voorkomt,

op de voorgrond: het onderwerp van de opsplitsing tussen gender, klasse en etnie

in het debat. Ook al is deze situatie niet nieuw, ze lijkt ons vandaag complexer dan

in de jaren 1970, tijdens de eerste Wereldvrouwenconferentie (Mexico, 1975) 12 . In

tegenstelling tot de Verenigde Staten waar het zwarte en Latino vrouwen zijn die

de aandacht vestigen op het hegemonische karakter van het feminisme van blanke,

werkende vrouwen, was het in Latijns-Amerika een inheemse vrouw, Domitila

Chungara, de echtgenote van een Boliviaanse mijnwerker, die het onderwerp onder

de aandacht bracht, toen zij in haar antwoord aan de vertegenwoordigster van de

Mexicaanse delegatie, nadat ze gewezen had op de talrijke verschillen tussen hen,

opmerkte: “Mevrouw, vertel mij eens, leeft u in een situatie die vergelijkbaar is met de

mijne? Heb ik iets wat vergelijkbaar is met u? Over welke gelijkheid zullen wij praten

als u en ik niet op elkaar lijken, zo verschillend zijn? Wij kunnen op dit moment niet

gelijk zijn, zelfs niet als vrouwen, vindt u niet?” (Viezzer, 1978: 225 geciteerd door

Francke, 1990)

Niettegenstaande wat wij zopas zegden, hebben de betrekkingen tussen de

feministische beweging en de inheemse vrouwenbewegingen een broos evenwicht

in stand gehouden. Vanuit de feministische beweging van de middenklassen heeft

12

De Boliviaanse leider, Domitila Chungara, stelde tijdens dit evenement het probleem aan

de kaak van de relatie tussen genderdiscriminatie en andere vormen van uitsluiting, zoals

klasse en etnie.

37


etniciteit, migratie en arbeid

zich een discours van samenhang met de andere bewegingen ontwikkeld, maar in

de praktijk vinden deze dialogen niet altijd plaats. Wat nieuw is vandaag, is het feit

dat de bewegingen van inheemse vrouwen hun stem laten horen en publiekelijk de

hegemonie en vertegenwoordigingsfunctie van het feminisme van de middenklasse

in vraag stellen. In dit proces kunnen twee momenten of scenario’s onderscheiden

worden (die elkaar niet noodzakelijk volgen).

a.

b.

Inheemse vrouwen maken deel uit van de inheemse beweging en

ontwikkelen binnen deze organisatie eisen in verband met gender en/of

eisen gekoppeld aan hun behoeften als vrouw (bijvoorbeeld de vrouwelijke

comités of vrouwencomités).

Inheemse vrouwen maken deel uit van de inheemse beweging, maar richten

eigen autonome organisaties op, die de band met de inheemse beweging

behouden.

In beide gevallen zijn de gendereisen gekoppeld aan etnische eisen (grondgebied,

cultuur, taal) en het is deze koppeling die ze betekenis geeft. De banden met de

vrouwenbewegingen; in het bijzonder met het feminisme, zijn ver te zoeken en soms

zelfs kritiek.

In een studie over inheemse vrouwen uit Mexico, Guatemala, Nicaragua en El

Salvador wijst Palomo (2006) in zijn besluit op het bestaan van een opstandige

collectieve identiteit. Inheemse vrouwen maken deel uit van collectiviteiten en

formuleren gendergerelateerde eisen, die tot uitdrukking komen in nationale (m.i.v.

hun eigen gemeenschappen) en internationale fora. Het behoren tot een inheemse

groep en het werken binnen een organisatie zijn cruciale elementen geweest in dit

proces. Centrale elementen die naar voren gebracht worden, zijn de geringschatting

voor het lichaam van inheemse vrouwen en het seksuele geweld, die beide als morele

normen aanvaard worden. In het licht daarvan worden voorstellen uitgewerkt en

veranderingen geëist: “[Vrouwen zijn op zoek naar] een nieuw gedachtegoed en

nieuwe referenties met het oog op de constructie van een burgerschap als inheemse

vrouw dat verwijst naar de erkenning van diversiteit, verschil, verdraagzaamheid en

veelheid, zonder de grote culturele rijkdom die zij hebben te vergeten; bepaalde

gewoonten die zij willen behouden zoals kleding, taal, voedsel, feesten [...]. Vanuit

het oogpunt van de symboliek hebben de inheemse vrouwen veranderingen

voorgesteld die de herdefiniëring en reconstructie van de subjectiviteit impliceren.

Rechtssubjecten zijn, dit wil zeggen, de controle hebben over niet alleen hun leven,

maar ook over hun natuurlijke hulpbronnen; bovenal, bestaansrecht hebben, door

een waardig leven te leiden als mens en door controle te hebben over het eigen leven,

door over het recht te beschikken om voor zichzelf mens te zijn en niet alleen voor

anderen” (Palomo, 2006: 240).

38


Patricia ruiz bravo l.

In Latijns-Amerika worden we geconfronteerd met een collectief, een inheemse

vrouwenbeweging, met gendergerelateerde eisen die toenemen en steeds luider

weerklinken. Hun eisen gaan over hun rechten als inheemse bevolking die een

effectief burgerschap opeist. Deze groepen komen op internationale fora en

evenementen bijeen door middel van netwerken die actief zijn op transnationaal

niveau. De toegang tot het internet zorgt ervoor dat verschillende onder hen op de

hoogte zijn van en alert zijn voor wat zich in andere regio’s afspeelt.

“De discriminatie van inheemse vrouwen - zowel binnen hun eigen groep als in

de globale niet-inheemse gemeenschap - heeft geleid tot de opname van specifieke

elementen i.v.m. de erkenning van de rechten en behoeften van inheemse vrouwen

als rechtssubject in publieke agenda’s van regeringen, van de vrouwenbeweging en

van de nationale platformen van inheemse organisaties”. (ibid.: 241)

In dezelfde zin vermelden Carillo en Stoltz (2006) dat de vrouwen in Guatemala, voor

en na de oorlog van de jaren zeventig en tachtig, een belangrijke rol gespeeld hebben.

Dit heeft bijgedragen tot de creatie van “een nieuw, actiever en inclusief concept

van burgerschap en ook een meer pluralistisch en multi-etnisch natieconcept [...] Dit

vrouwelijke protagonisme heeft eveneens een significante kerngroep van vrouwen

doen ontstaan [...] die de kunst van het mobiliseren en organiseren uitstekend onder

de knie hebben [...] en die de overdracht van ervaringen combineren met ruimte voor

nieuwe vormen van organisatie”. (Carillo&Stoltz, 2006: 232)

In deze context zijn de betrekkingen met de Latijns-Amerikaanse feministische

bewegingen niet gemakkelijk. Palomo signaleert dat na de Verklaring van de

inheemse vrouwen in Peking 13 “de ontgoochelingen en de meningsverschillen van

de inheemse vrouwen met de halfbloeden zonneklaar waren en dat het wantrouwen

bleef voortduren omdat het Peking Actieplatform geen rekening heeft gehouden

met de specifieke eisen van inheemse vrouwen.” (Palomo, 2006: 246)

In dezelfde zin beweren Prieto en zijn medewerkers (2006) dat er verdeeldheid

heerst tussen de vrouwenbewegingen en de bewegingen van inheemse vrouwen.

Ze slagen er immers niet in om hun voorstellen en eisen te bundelen tot een

gezamenlijke doelstelling. De redenen die mogelijks aan de basis liggen van deze

kloof zijn onder andere: “de verschillende constructies van de genderverhoudingen,

racisme en discriminatie, evenals de spanningen tussen de beslissing om de nadruk

te leggen op communautaire relaties versus de keuze om de nadruk te leggen op

13

Dit evenement vond plaats in 1995 en het vertrekpunt ervan was de manifestatie van de

inheemse vrouwen, als volk en als sekse, met eisen omtrent hun specifieke karakter als oorspronkelijke

bevolking. Het gaat immers om het opeisen van hun rechten, zonder afstand te

doen van hun levenswijze, noch van hun inheemse visie op de wereld.

39


etniciteit, migratie en arbeid

individuele rechten van vrouwen. [...] Deze meningsverschillen ontstaan door de

bijzondere samenhang tussen gender, klasse en etnie, welke tot uitdrukking komt in

de begrippen respect, discriminatie en geweld” (Pietro, 2006: 141).

De inheemse vrouwen eisen in eerste instantie hun rechten als oorspronkelijke

bevolking op en willen gerechtigheid en gelijkheid tegenover de blanken en

halfbloeden. De ervaring van de vrouwen leert dat de discriminatie door andere

vrouwen (bazin van de hacienda, bazin van het huis of staatsambtenaar) zeer sterk

is. Niettemin organiseren de vrouwen zich en zij eisen gendergelijkheid, maar ze

houden zich ver van het feminisme dat (zoals al vermeld) geassocieerd wordt met wat

hen vreemd is. Dit neemt echter niet weg dat de onrechtvaardige en discriminerende

praktijken die zelfs binnen de organisatie en de gemeenschap plaatsvinden,

bekritiseerd worden; maar de klachten blijven binnenskamers. In deze zin is het

interessant de oprichting van CONMIE (Nationale Raad van inheemse vrouwen

van Ecuador) onder de loep te nemen. Deze werd opgericht in overeenstemming

met de directies van de vrouw van de Confederatie van de Inheemse Nationaliteiten van

Ecuador (CONAIE) 14 . De relaties met de feministische organisaties zijn evenwel

moeilijk omdat de vrouwenorganisaties zij aan zij moeten strijden met de inheemse

organisatie: “de agenda’s van de [inheemse] vrouwen houden een moeilijk evenwicht

in stand tussen hun belangen en die van het volk, een dynamiek die mede hun

onenigheid met de vrouwenbewegingen verklaart”. (p. 169)

In hun analyse van het proces in Guatemala vermelden Stolz en Chinchilla dat

de feministische bewegingen overgegaan zijn van een periode van elitarisme en

gerichtheid op zichzelf, naar een andere periode, een periode van dialoog met het

beleid en met andere maatschappelijke organisaties. Op die manier wil men komen

tot een evenwicht tussen ‘de autonomie en de maatschappelijke band’. Deze dialoog

is echter nog in opbouw.

Deze debatten zijn van cruciaal belang voor de denkbeelden die ondersteund worden

door de ontwikkelingsprojecten en voor de voorstellen voor de toekomst. De

organisaties van inheemse vrouwen eisen de integratie van de etnische en culturele

dimensie in de ontwikkelingsvoorstellen op, zowel op vlak van het discours als in

de praktijk. Dit impliceert dat interculturele dialogen gevoerd moeten worden die

de diversiteit eerbiedigen (wat kennis van beide partijen verondersteld). Dat houdt

14

CONMIE is de vrucht van een inspanning om een onafhankelijke ruimte te creëren voor

inheemse vrouwen die zich inzetten voor gendergelijkheid in de context van hun rechten als

inheemse gemeenschap. Deze Raad werd opgericht door de samenvoeging van 5 secretariaten

voor de vrouw en 5 gemengde organisaties. Eén van de stichtende leden van deze

Raad vermeldt dat men met de oprichting van CONMIE niet de bedoeling heeft om de

concurrentie aan te gaan met de CONAIE (Confederatie van de inheemse nationaliteiten

van Ecuador), die sinds 1980 bestaat, maar dat het gewoon de bedoeling is om de dagelijkse

praktijken die de integriteit van de inheemse vrouw aantasten, rechtstreekser aan te pakken.

40


Patricia ruiz bravo l.

echter erkenning, kennis en respect voor verschillen van andere identiteiten en

voor andere agenda’s in. Dit impliceert een praktisch compromis, maar ook een

erkenning van situaties, behoeften en belangen die niet alleen verschillend zijn, maar

soms tegengesteld aan behoeften en belangen die door ons, de ‘anderen’, ter sprake

worden gebracht.

In deze nieuwe context wordt het begrip gender, als sociaal-culturele en historische

constructie, openlijk opgeëist door de bevolkingsgroepen die uitgesloten zijn van

het heersende discours. Projecten zullen voortaan rekening moeten houden met de

specifieke sociaal-economische en culturele kenmerken van de bevolkingsgroepen

waarmee wij werken, zodat het mogelijk is nuttige informatie te verkrijgen over het

vigerende gendersysteem en over de manieren waarop dit in wisselwerking staat met

het dominerende systeem. Machtsverhoudingen tussen vrouwen maken deel uit van

het debat dat op gang is gekomen en dit debat mag niet ontweken worden. De strijd

is er ook één tegen de homogenisering en tegen het opleggen van een universele

bijdrage. Het is echter noodzakelijk om de tweedeling tussen cultureel universalisme

en cultureel relativisme te vermijden omdat, aldus Huenchuan, dat wat dankzij deze

bewegingen opnieuw in vraag kon worden gesteld, precies het idyllische beeld van de

inheemse culturen en de tweedeling traditie/moderniteit als analyse-element is:

“Tegenover de inheemse beweging hebben deze nieuwe stemmen de idyllische

perspectieven van de oorspronkelijke culturen van voor de Spaanse verovering

opnieuw in vraag gesteld, door de ongelijkheden te bespreken die de manvrouwverhoudingen

kenmerken. Tegelijkertijd raakt deze ‘in vraagstelling’ ook

de tweedeling tussen traditie en moderniteit die door het officieel ‘indigenisme’

gereproduceerd werd en die in zekere mate gedeeld wordt door de onafhankelijke

inheemse beweging en op grond waarvan er twee opties zijn: voortbestaan dankzij

de traditie of veranderen onder invloed van de moderniteit. De vrouwen eisen

tegelijkertijd het recht op culturele verschillen op én het recht om de tradities die

hen onderdrukken en uitsluiten, te veranderen. Zoals een inheemse vrouw zegde 15 :

We moeten ook denken aan wat wij moeten vernieuwen in onze gebruiken; de wet

moet alleen die zeden en gewoonten beschermen en bevorderen die de vrouwen, de

gemeenschappen en de organisaties goed vinden. Onze gebruiken mogen niemand

kwaad doen” ( Huenchuan: 4).

15

Herinneringen aan de ontmoeting De rechten van de vrouw in onze gebruiken en tradities, San

Cristóbal de las Casas, mei 1994.

41


etniciteit, migratie en arbeid

3.2. arbeid en werkgelegenheid voor vrouwen

Lange tijd werden het belang van arbeid en van een inkomen vermeld als een

belangrijke dimensie voor de mate autonomie en vrouwelijke emancipatie. Is dat

zo? Onder welke voorwaarden? Wij laten de meest recente veranderingen terzake

de revue passeren door middel van de analyse van de gevolgen die zij gehad hebben

voor de situatie van vrouwen en voor het gendersysteem.

Volgens de beschikbare informatie is de tewerkstellingsgraad van vrouwen gestegen

van 37,9% in 1990 tot 49,7% in 2002 (het percentage bij mannen is gedaald van

84,9% tot 81,0%). Toch is het werkloosheidscijfer bij vrouwen nog steeds hoog

(10,3% in 1990 en 12,8% in 2002) en hoger dan bij mannen (respectievelijk 7,6% en

9.7% in 1990 en 2002).

Volgens de ILO 16 zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen in bepaalde sectoren

toegenomen en in andere sectoren afgenomen. De participatie van de vrouw aan

de arbeidsmarkt is tijdens het laatste decennium gestegen: “als antwoord op de

toenemende noodzaak van gezinnen om meer dan één kostwinner te hebben om

te voorzien in de basisbehoeften en om hun levensomstandigheden te verbeteren

(Abramo & Valenzuela, 2006: 60). Deze evolutie en de vorm van inschakeling van

vrouwen op de arbeidsmarkt doen zich voor in een context van “globalisering, een

nieuwe arbeidsorganisatie en een productieve herstructurering die geleid heeft tot

de vermindering van de meer beschermde vormen van arbeid en tot een ernstige

toename van de werkloosheid in de regio, wat de groei van vrouwelijke arbeid echter

niet heeft afgeremd” (ibid.).

Wat de inkomsten betreft neigen de verschillen tussen mannen en vrouwen in enkele

sectoren tot vermindering (vrouwelijke bedrijfsleiders en directeurs van transnationale

bedrijven), terwijl ze in andere sectoren gelijk blijven of zelfs toenemen. Dit is het

geval voor de meeste vrouwen, die oververtegenwoordigd zijn in weinig betalende

banen met minder prestige en een lagere productiviteit, ook wanneer ze een

onderwijsniveau vergelijkbaar met dat van mannen, hebben. Volgens de cijfers die in

2002 door de UNDP werden voorgesteld zijn de vrouwelijke inkomsten goed voor

69% van de totale mannelijke inkomsten en voor 84% van de looninkomsten van

mannen (UNDP, 2002).

Eén verandering die het resultaat is van het moderniseringsproces, is de stijging

van het aantal vrouwen in niet-traditionele, betaalde arbeid in de landbouw. In het

merendeel van de gevallen gaat het om exportgerichte industriële landbouwbedrijven

met banden met transnationale ondernemingen. Dit is onder andere het geval voor

de teelt van asperges, mango’s, artisjokken en schildluizen in Peru, voor de fruitteelt

16

Internationale Arbeidsorganisatie (ILO).

42


Patricia ruiz bravo l.

in Chili en de bloemenkweek in Ecuador. Studies wijzen uit dat vrouwen enerzijds

gelukkig zijn omdat zij in tegenstelling met vroeger een baan en een inkomen

hebben, maar daar staat tegenover dat hun arbeidsomstandigheden rampzalig zijn en

dat ze gemiddeld minder betaald worden dan mannen, omdat ze taken toebedeeld

krijgen in functie van hun ‘geschiktheid als vrouw’. Valdivia (2005) verwijst naar

deze situatie wanneer hij vertelt dat vrouwen de taak krijgen om schildluizen van

de bladeren van struiken te plukken, omdat zij nauwkeuriger werken. Wat de

bloementeelt betreft, wijst Herrera (1999) er op dat het werk van de arbeidsters deel

uitmaakt van een familiale voortplantingsstrategie, die echter tegenstrijdige gevolgen

heeft voor de genderverhoudingen binnen het koppel. Hoewel vrouwen hun werk

niet als belangrijk beschouwen, behalve in termen van inkomsten en economische

steun voor het gezin, zorgt het feit dat een vrouw de belangrijkste kostwinner is

voor conflicten, omdat de familiale ordening die gewoonlijk steunt op de vader

als kostwinner gewijzigd is zonder dat zich parallelle wijzigingen voordoen in het

rollenpatroon voor het huishoudelijke werk.

Uit onderzoek blijkt dat aan de ‘genderkloof ’, sociale en etnische discriminatie

toegevoegd moet worden, die op deze manier de armoedecirkel reproduceren. Rangel

(2005) ontbloot en analyseert de ‘etnische/raciale klovenen de ‘genderkloof ’ in de

sectoren van het onderwijs en de arbeidsmarkt in vier Latijns-Amerikaanse landen.

Hij verdedigt de idee: “Zelfs al zijn de inheemse arbeidersklasse en de arbeidersklasse

van Afrikaanse oorsprong beter gekwalificeerd, toch blijven de discriminerende

mechanismen, die aanwezig zijn in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, de gelijke

verdeling van de sociale goederen verhinderen. Daarom is het noodzakelijk om een

gelijke kansenbeleid te promoten dat rekening houdt met deze twee dimensies (gender

en etnie/ras), om deze ‘kloven’ te dichten” (Rangel, 2005: 24). Een gelijkaardige

situatie wordt beschreven door Lowell (2006) voor São Paulo, waar Afro-Brazilianen

en vrouwen op de werkvloer met beperkingen geconfronteerd worden omwille

van de kleur van hun huid en hun geslacht. Huidskleur en geslacht hebben een

sleutelfunctie in de constructie van sociale en economische ongelijkheid in het

Brazilië van vandaag. De studie wijst ook uit dat: “De ongelijkheden volgens etnische

afkomst en geslacht geen overgangskenmerken van tijdelijke aard zijn zoals de eerste

theorieën over ontwikkeling voorspeld hebben. Dat brengt er ons toe te geloven dat

het Braziliaanse ontwikkelingsproces de etnische ongelijkheid en genderongelijkheid

nog kan doen toenemen, vooral onder die mensen die het hoogst op de sociale ladder

staan [...]. Als men de snijlijn tussen geslacht en ras op de werkvloer bestudeert, ziet

men hoe vrouwen en zwarten simultaan geïntegreerd worden in de economie, maar

uitgesloten worden door het proces van discriminatie.” (Lowell, 2006: 81)

43


etniciteit, migratie en arbeid

Vrouwelijke migratie en ontwikkeling: vooruitgang, kosten en

uitdagingen

De processen van internationale migratie vanuit Latijns-Amerika zijn niet nieuw.

Al sinds de jaren zestig zijn talrijke Latijns-Amerikanen op zoek naar een beter

leven immers uitgeweken naar de Verenigde Staten. Anderen zijn de dictaturen van

het zuiden ontvlucht en hebben zich gevestigd in verschillende landen in Latijns-

Amerika en in Europa. Een recent fenomeen, dat de aandacht trekt omwille van zijn

snelle groei, is de migratie van vrouwen naar Europese landen, vooral naar Spanje

en Italië. Kenmerkend voor deze migratie is het feit dat deze ‘nieuwe vrouwelijke

migranten’ zelf de beslissing nemen om te migreren en dat ze dit alleen doen en

niet zoals vroeger, als echtgenote of moeder. Deze verandering houdt verband

met veranderingen in de wereldeconomie, maar ook met de omstandigheden en de

kwaliteit van het leven van vrouwen en met hun gezinssituatie in hun herkomstland.

Het is daarom zeer belangrijk om dit proces, evenals de dynamiek en de gevolgen

van de migratie voor vrouwen, voor hun familie, voor de genderverhoudingen en

voor het sociale systeem als geheel vanuit een genderperspectief te analyseren. Zoals

Ramirez (2005) stelt: “Gender (...) als sociale constructie die de verhoudingen tussen

mannen en vrouwen organiseert, blijkt centraal te staan in de ‘migratie-ervaring’

omdat het hun vestiging in het gastland en de relaties die de migranten met hun land

van oorsprong onderhouden, anders vorm geeft.” (Ramirez, 2005: 3)

Een eerste kenmerkende eigenschap van deze vrouwelijke migratiegolf is dat het

gaat om vrouwen die zich inschakelen in de sector van de huishoudelijke arbeid en

van de zorg. De meeste onder hen worden in dienst genomen in privé-woningen,

als kinderoppas of bejaardenverzorgster en om verschillende huishoudelijke taken

uit te voeren. In het geval van Spanje wijzen de onderzoeken van Herrera uit dat de

vrouwen een proces doorlopen waarbij ze eerst inwonen bij het gezin, vervolgens

op zichzelf gaan wonen en ten slotte op eigen benen staan en een baan nemen in

een schoonmaakbedrijf. In het geval van Italië (Milaan) worden de door Tamagno

bestudeerde Peruviaanse vrouwen initieel bij gezinnen tewerkgesteld, maar hun

specialiteiten zijn gezondheidszorg, vooral voor oudere mensen.

Wij kunnen ons nu afvragen: wat betekent dit proces voor vrouwen? Een eerste

element houdt verband met het besluit om te migreren en met de hieraan verbonden

vereisten. In principe veronderstelt dit een zekere autonomie en de bekwaamheid

om zich staande te houden in een nieuwe en andere wereld. Het gaat om vrouwen

die zichzelf zien als rechtssubjecten op zoek naar een ander en beter leven voor

zichzelf en hun familie. Dat betekent dat ze zichzelf niet zien als ‘werkneemster of

ondergeschikte’, maar als verantwoordelijke en kostwinner die in staat is het hoofd

te bieden aan de uitdagingen in samenhang met het migratieproces. Hoewel velen

onder hen beschikken over netwerken die hen steunen, betreft het een moeilijk en

44


Patricia ruiz bravo l.

in meerdere gevallen hachelijk proces. 17 Het vereist een reeks stappen, gaande van

betalingen en handelingen die geld kosten, maar die vaak ook geduld vragen en

verdraagzaamheid tegenover spot en vernederingen, waarmee ze geconfronteerd

worden. Een werkhypothese voor de toekomst is de volgende: op welke manier

stellen de veranderingen in de situatie van vrouwen – meer onderwijs en meer

autonomie – hen in staat om deze beslissing te nemen? Met andere woorden: vormen

de verwezenlijkingen van vrouwen in hun strijd voor gelijkheid en erkenning de

basis voor de beslissing om op zoek te gaan naar nieuwe kansen? Ik denk aan de

vrouwen van de volksorganisaties, die vooruit willen en die in hun gemeenschap voor

gesloten deuren staan. Het zou gaan om vrouwen die lid waren van wijkorganisaties,

van gemeentelijke initiatieven of van ngo’s en die in migratie een strategie voor

persoonlijke vooruitgang zien, een kans die in hun gemeenschap van oorsprong,

niet bestaat.

Er zijn voor deze migratie meerdere redenen aan te geven. Vrouwen vermelden dat

de economische crisis en het gebrek aan werk en inkomsten hen ertoe aanzetten om

op zoek te gaan naar een betere toekomst voor hun familie en kinderen. Toch, zo

merkt Herrera op, zijn de factoren niet louter economisch: het gaat om een breed

gamma van toestanden die niet altijd expliciet zijn zoals familiale conflicten, huiselijk

geweld, etnische en seksuele discriminatie, zoeken naar sociale mobiliteit en nieuwe

kansen voor erkenning. Uit de onderzoeken blijkt eveneens dat migratie niet alleen

een zaak is van arme vrouwen. Een recent onderzoek van Málaga (Castro, 2007) over

de Peruvianen toont aan dat het gaat om de mensen uit de middenklasse/lagere klasse

die zich als handelaar van diverse aard ingeschakeld hebben op de lokale arbeidsmarkt

(restaurants, mechanische diensten, verkoop van ambachtelijke producten, enz.). In

Peru bestaat er een derde groep, migrantenvrouwen afkomstig uit de middenklasse,

echtgenotes van mannen die in de jaren 1990 werkloos geworden zijn als gevolg van

de bezuinigingen van de staat en de massale ontslagen bij overheidsbedrijven. Zij

zijn de echtgenotes van ‘professionals’ die naar de Verenigde Staten reizen om er

te werken als kinderoppas, ziekenverzorger, bejaardenverzorger of huishoudhulp.

Wanneer hun visum na enkele maanden werken vervalt, keren ze terug naar hun

land, om enkele maanden later opnieuw te vertrekken. Op die manier verwerven

zij inkomsten, die hen in staat stellen een bepaalde status en levensstandaard aan te

houden, door werk te doen dat zij in hun eigen land niet zouden durven aannemen.

Het is dus belangrijk om inzicht te krijgen in dit complex proces, waarin de

verschillende gezichten van vrouwen tegenover elkaar worden geplaatst (echtgenote,

17

Een Peruviaanse migrantenvrouw die naar Italië ging, werd één keer teruggestuurd vanuit

Parijs en één keer teruggestuurd vanuit Madrid omdat haar documenten niet in orde waren.

Zij beproefde haar geluk nog tweemaal, maar tevergeefs. Zij heeft nu werk gevonden in

Chili, als huisbediende.

45


etniciteit, migratie en arbeid

moeder, werkneemster, vrouw); gezichten die zij in de loop van dit proces met elkaar

moeten verzoenen. Zoals Herrera vermeldt, is de migratie heterogeen, multi-etnisch

en raakt zij verschillende sociale klassen.

Ondanks het feit dat het werk in het buitenland afhankelijk is van iemands

persoonlijke netwerken en persoonlijke manier om zich uit de slag te trekken, wijst

onderzoek uit dat huishoudelijke werk het meest voorkomt (schoonmaken, zorgen

voor kinderen en ouderen). En het is precies dat onderwerp dat de aandacht trekt in

de ‘vrouwelijke’ analyse, omdat men kan vaststellen dat dit werk, dat nog steeds door

vrouwen wordt gedaan, geëxporteerd wordt naar landen waar de overheid zich meer

en meer terugtrekt uit de verlening van deze diensten. Vanuit de feministische analyse

wordt dit aangeduid als de privatisering van de sociale reproductie in de globalisering.

Herrera (2006) beschouwt dit soort arbeid als ‘wereldwijde zorgketens’ en ze vestigt

de aandacht op de gevolgen hiervan voor de sociale ongelijkheid: “Ecuadoriaanse

vrouwen verzegelen met hun integratie in deze wereldwijde zorgketens, sinds het

eind van de jaren tachtig, één van onze toegangsdeuren in de globaliserin; ze zijn

een spiegel voor de ernst van de sociale ongelijkheid op wereldniveau” (Herrera,

2006: 283). Op deze manier worden wij geconfronteerd met een vrouwelijke

migratiestroom die het proces van de globalisering van reproductief werk door

migrantenvrouwen, versnelt. Migrantenvrouwen worden betaalde huisarbeidsters

in samenlevingen waarin het proces van de verdeling van huishoudelijke taken

tussen mannen en vrouwen begonnen was zich te ontwikkelen. Men zou zich

moeten afvragen in welke mate dit een achteruitgang betekent voor de wijziging van

rollenpatronen, die in de Europese landen van start was gegaan.

Om deze reden wijst de auteur op het belang van het leggen van een verband tussen

de wereldwijde structurele processen en de migratieprocessen: “Het is noodzakelijk

om deze visies aan te vullen met een structureel argument, dat aantoont op welke

manier deze processen van feminisering van de migrerende arbeidskracht op

wereldwijd niveau samenhangen met de andere economische en sociale processen,

m.i.v. hun verband met het systeem van de genderrelaties. Op dit vlak vormen de

migratietrajecten van vrouwen die zich inschakelen in de wereldwijde zorgketen, een

uitstekend analyseveld om te kunnen zien hoe sociale ongelijkheden en ongelijke

machtsverhoudingen uit de plaats van herkomst zich vertalen in de transnationale

ruimte, welke hun eigenschappen zijn en hoe zij zich verankeren aan de wereldwijde

processen van sociale reproductie.” (ibid.: 284)

De vragen en de analyse die hieruit voortvloeien doen ons inzien dat er een ‘toevallige

samenloop’ bestaat tussen de flexibilisering van de arbeidsmarkt - een vrucht van de

globalisering - en de processen van vrouwelijke migratie voor de hoger beschreven

46


Patricia ruiz bravo l.

reproductie. In het geval van Spanje bijvoorbeeld, krijgt men voor dit soort werk

veel gemakkelijker een visum en een werkvergunning, terwijl men tegelijkertijd de

openbare zorgcentra voor kinderen en ouderen sluit.

Voor wat betreft de vrouwen en de veranderingen die zich op gezinsniveau hebben

voorgedaan, lopen de migratiemodellen uiteen: zelfs indien er in bepaalde situaties

een project van gezinshereniging is, is dit niet altijd het geval; in andere gevallen is

het dan weer de vrouw die de kostwinner wordt van een transnationaal gezin. De

relaties tussen haar en haar familie in het land van oorsprong zijn een onderwerp

dat zal moeten worden uitgediept, maar wij mogen zeggen dat deze relaties moeilijk

en hachelijk zijn. De beslissing om te migreren betekent een breuk met de familie,

met de echtgenoot en met de kinderen. Ook al vermelden de vrouwen economische

behoeften als de belangrijkste factor voor de migratie, het is een vaststaand feit dat de

migratie ook een verandering op vlak van de rollenpatronen vereist. De vrouw wordt

de kostwinner en moet het toezicht en het huishoudelijke werk overlaten aan haar

man, haar oudste kinderen of aan een lid van haar familie. Huwelijk en moederschap

betekenen grote veranderingen in een vrouwenleven en beïnvloeden vrouwen op

verscheidene manieren. De manier waarop huishoudens met deze processen omgaan

is nog een onderzoeksobject. Tijdens eerdere onderzoeken – toen de mannen

migreerden – heeft men vastgesteld dat de achtergebleven vrouwen gecontroleerd

werden door de familie en de gemeenschap, die hun seksuele gedrag en de manier

waarop zij het opgestuurde geld uitgaf, in het oog hielden.

Het bedrag en het gebruik van het opgestuurde geld zijn andere onderwerpen die

het voorwerp zijn van een debat. Volgens de beschikbare cijfers uit 2004 ‘bedroeg

het totaal van vreemde valuta dat in Latijns-Amerika en de Caraïben ontvangen

werd, 45.000 miljoen USD, een cijfer dat hoger ligt dan de directe buitenlandse

investeringen en hoger dan de officiële ontwikkelingshulp die alle landen van de

regio samen ontvangen (OMD, 2006: 31). Mexico, Brazilië en Colombia zijn de

landen die de meeste buitenlandse valuta ontvangen en de invloed van dit geld op

de armoedebestrijding wordt nog bestudeerd. We weten echter dat dankzij deze

vreemde valuta de extreme armoede in Mexico en in de Dominicaanse Republiek

met twee tot drie percent gedaald is. Wat het gebruik van vreemde valuta betreft,

wijzen verslagen per land erop dat 60% tot 84% bestemd is voor privé-verbruik en

om te voldoen aan de basisbehoeften.

Toch wordt de vrouwelijke migratie ook getroffen door exploitatie, seksuele slavernij

en slavernij op het werk. Eén van de grootste problemen in verband met migratie

is de mensenhandel. De Internationale Organisatie voor Migratie legt er zich op

toe om dit fenomeen te voorkomen en om mensen die dit misdrijf begaan te

straffen. Het probleem is echter complex, omdat deze personen profiteren van jonge

werkloze vrouwen die willen migreren, door hen een baan aan als dienster, hostess of

47


etniciteit, migratie en arbeid

dergelijke aan te bieden, maar in werkelijkheid komen deze vrouwen in de verdoken

prostitutie terecht. In het land van bestemming wordt de situatie vervolgens nog

moeilijker wegens het gebrek aan een netwerk, taalproblemen, aangegane leningen

en de illegaliteit waarin zij zich bevinden.

Er zijn verscheidene problemen en we hebben weinig tijd om er dieper op in te gaan.

Toch kunnen wij, op basis van de karakteristieken en de toegenomen aanwezigheid

van vrouwen in dit proces, bevestigen dat we te maken hebben met een wereldwijd

verschijnsel dat alle landen aangaat en dat bijgevolg gezamenlijke oplossingen vereist.

In dit proces vallen het tekort aan arbeidsplaatsen in de landen van Latijns-Amerika

en de gespecialiseerde vraag naar vrouwelijke zorgarbeid samen en als aan de nodige

voorwaarden voldaan wordt, kan dit voor beide partijen gunstig zijn. Dit betekent

echter dat de gastlanden een migratiebeleid moeten uitwerken dat strookt met deze

realiteit en dat ze afstand moeten nemen van de houding van schijnbare onwetendheid,

die de conflicten, de discriminatie en de schending van de mensenrechten alleen

maar verergert.

3.3. actievoorstellen

Ook al werd dit reeds herhaaldelijk gezegd, het is nodig te blijven wijzen op de

noodzaak om mechanismen voor dialoog tussen academici, onderzoekers,

medewerkers van ngo’s, overheidsambtenaren en vrouwenorganisaties op te zetten.

Deze gesprekken zouden de erkenning van de noodzaak om ‘gender, etnie en sociale

klasse’ in de analyse en in de uitwerking van ontwikkelingsvoorstellen op te nemen,

als uitgangspunt moeten nemen. Het betreft hier een onafgewerkte opdracht die

niet voldoende aandacht gekregen heeft, ondanks het discours over dit onderwerp.

De hiërarchieën van ‘gender, klasse en etnie’ zijn door ieder van ons in meerdere

gevallen verinnerlijkt en onzichtbaar gemaakt. In bepaalde omstandigheden zijn wij

meer racistisch of meer seksistisch dan we zelf geloven en beweren, waardoor we

de mogelijkheden van een ontmoeting die de verschillen respecteert, bemoeilijken.

Daarom kunnen zelfkritiek en erkenning van de problematiek de eerste stappen zijn

van een systematisch werk op lange termijn. Ik zal nu enkele conclusies voorstellen,

op basis waarvan ik enkele taken zal toelichten en voorstellen zal doen.

De uitdagingen van de theorie

De toenemende aanwezigheid van inheemse vrouwen in het openbare leven vereist

een debat en een conceptuele vernieuwing, waardoor wij uit het doodlopende

straatje van de dichotomieën ‘modern versus traditioneel’, ‘universeel versus

particulier’ en ‘rationeel versus emotioneel’, kunnen geraken. Deze dichotomieën

beletten ons immers om de complexiteit en de heterogeniteit van het proces dat aan

48


Patricia ruiz bravo l.

de gang is te begrijpen. De samenhang tussen ‘gender, klasse en etnie’ moet op een

zodanige manier getheoretiseerd worden dat de interculturaliteit - daadwerkelijk -

een ontwikkelingsbenadering en een ontwikkelingsstrategie kan zijn.

Deze theoretische constructie vereist een zienswijze die de analyse van wat zich in

onze regio’s van herkomst afspeelt, privilegieert door te trachten rekening te houden

met dit nieuwe gegeven en met wat kan worden begrepen als ‘constitutief deel’ van

de veranderingen die zich in Latijns-Amerika voltrekken, ook al doet dit zich voor

op lokaal niveau. Met andere woorden en vanuit praktisch oogpunt bekeken, dit

veronderstelt een uitgesproken steun voor onderzoeken die het mogelijk maken om

enerzijds, de kennis die als zodanig niet wordt erkend door de traditionele economie

te recupereren en te valoriseren en om anderzijds, nieuwe benaderingen te genereren

die ons in staat stellen de densiteit van het veranderingsproces dat momenteel aan

de gang is, te begrijpen.

Door de veranderingen die gepaard gaan met de globalisering, zijn er nieuwe

onderzoeksdomeinen ontstaan die het verdienen om in detail onderzocht te worden,

maar die nog niet op de voorgrond werden geplaatst. Dit houdt ook nieuwe

onderzoeksmethoden in, waarin verschillende disciplines, maar ook verschillende

ervaringen, samenkomen. In het geval van Latijns-Amerika is het noodzakelijk meer

en betere kennis te verwerven over de volgende aspecten:

De eisen van de inheemse vrouwen en hun voorstellen voor

verandering

Zoals we gezien hebben, zetten de vrouwenbewegingen in verschillende delen

van Latijns-Amerika hun vragen op de beleidsagenda, niet alleen als wezenlijk

vertegenwoordiger van de oorspronkelijke volkeren en culturen, maar ook als vrouw.

Het is nodig om meer te weten over hun analyses en voorstellen en om deze beter te

begrijpen. In dezelfde zin hebben wij behoefte aan meer informatie en analyse van de

relaties tussen deze bewegingen en de feministische groeperingen in de verschillende

landen en regio’s.

De vrouwelijke arbeid in de nieuwe exportgerichte

landbouwindustrieën

Het betreft hier een complex onderwerp, want ook al voelen vrouwen zich

beter omdat ze werk hebben, dit in tegenstelling tot hun mannelijke collega’s,

de arbeidsomstandigheden zijn in heel wat gevallen onmenselijk en komen

neer op uitbuiting. In dit verband moeten ook de veranderingen op vlak van de

genderidentiteiten en op vlak van de gezinnen onderzocht worden; nu dat vrouwen

een grotere economische rol spelen.

49


etniciteit, migratie en arbeid

De vrouwelijke arbeid in micro-ondernemingen en in kleine informele

familiebedrijven

In Latijns-Amerika is dit een sector met veel vrouwelijke arbeidskrachten, die

gekenmerkt wordt door ongelijke ontwikkeling. Er zijn gevallen waarin vrouwen

effectief aan het hoofd staan van de onderneming, de productie beheren en grote

winsten boeken. In andere gevallen betekent arbeid als zelfstandige, arbeid in zeer

moeilijke omstandigheden waarbij ook de kinderen op schoolleeftijd verplicht zijn

om mee te werken.

De migratiedynamiek

Ondanks de geboekte vooruitgang, rest er nog steeds veel werk. Wat zich voordoet

in de gezinnen die in hun land van herkomst blijven en hoe de rollen en functies

gereorganiseerd worden, zijn nog vraagtekens. Bovendien is het belangrijk om de

subjectieve dimensie en de moeilijkheden van migrantenvrouwen en van mensen die

in het land van oorsprong blijven, aan te snijden. Dit vereist een multidisciplinaire,

etnografische en interculturele benadering.

De zorgeconomie

Dit is een onderwerp dat hoog op de agenda staat omdat het een sterk groeiende

arbeidssector is die welzijn produceert, maar die niet alleen ook slecht betaalt, maar

ook onzichtbaar is.

Vreemde valuta, hun gebruik en hun bijdrage aan de nationale

economie

De beschikbare informatie is relatief omdat meerdere bedragen niet langs het

formele systeem passeren. Wat men echter wel weet is dat de vreemde valuta die

vrouwen opsturen, cruciaal zijn voor de overleving van het gezin. Wij hebben wat dit

betreft opnieuw behoefte aan de inbreng van onze ‘collega’s economen’, om inzicht

te krijgen in de economische betekenis van het opsturen van vreemde valuta.

Over het beleid

Steun geven aan de internationale organisaties die opkomen voor het respecteren van

het recht op werk en voor waardig werk. Het werk van de ILO in Latijns-Amerika is

zeer belangrijk. De waakzaamheid van de burgers ten opzichte van de exportgerichte

landbouwindustrieën bevorderen en de sociale observatoria voor de naleving van de

internationale akkoorden steunen.

50


Patricia ruiz bravo l.

Het migratiebeleid en de voordelen voor de migranten en

migrantenvrouwen

De eerbiediging van de mensenrechten en van de rechten van immigranten naleven

en hen toegang verschaffen tot sociale zekerheid, onderwijs en andere diensten zodat

hun inschakeling gunstig kan zijn voor henzelf en hun gezin.

Het is noodzakelijk om na te denken over een realistischer immigratiebeleid, dat

beter aansluit op de huidige realiteit. Vrouwelijke migratie neemt toe omdat, zoals wij

al hebben aangehaald, er een markt is die vrouwelijke werknemers vraagt. Laten wij

er alles aan doen opdat deze markt rechtvaardig zou zijn en beide partijen ten goede

zou komen. Een gepaste behandeling houdt in dat migranten in Europa met respect

worden behandeld en niet gediscrimineerd worden op grond van hun afkomst of

etnische kenmerken.

Ontwikkelingsprogramma’s met een intercultureel perspectief

Het is belangrijk dat de staat evenals de instellingen en de niet-gouvernementele

organisaties, programma’s voor empowerment van en steun aan inheemse vrouwen

uitwerken, vanuit een intercultureel perspectief dat zich bewust is van de verschillen

en dat de verschillende manieren van leren, ‘zijn’ en keuzes maken naar waarde weet

te schatten. Dit ontkent de mogelijke bijdragen van deze programma’s op vlak van

vorming, opleiding en op het gebied van specifieke projecten niet. Het is immers niet

de bedoeling om de andere culturen te ‘idealiseren’ of om de ogen te sluiten voor

bestaande machtsverhoudingen en machtsconflicten.

Wel integendeel, er moeten nieuwe vormen van ontmoeting en dialoog voorzien

worden die het mogelijk maakt om de bestaande ruimte voor bemiddeling (agency),

bestaande vormen van weerstand en de opbouw van nieuwe manieren van

samenleven, te identificeren.

4. Bibliografie

Abramo, L. (éd.) (2006), Trabajo decente y equidad de género en América Latina, Santiago:

OIT, Bureau International du Travail.

Carrillo, A. L. & Stoltz, N. (2006), « De ″Femina Sapiens″ a Kaqla: treinta años de

feminismo(s) en Guatemala », De lo privado a lo público. 30 años de lucha ciudadana de las

mujeres en América Latina, Mexico: Siglo XXI: UNIFEM: LASA.

Castro, J. (2007), Peruanos en Málaga, thèse présentée pour l’obtention du diplôme de

premier cycle en sociologie.

51


etniciteit, migratie en arbeid

Chakravarty, D. (2001), Provincializing Europe, Oxford University Press, Oxford.

Development in Practice (2006), Volume 16, Nº 3 & 4, OXFAM.

Hernández Castillo, A. (s/d), « Distintas maneras de ser mujer: ¿Ante la construcción

de un nuevo feminismo indígena? », Memoria Virtual. Revista actual de política y cultura,

Mexico: www.memoria.mx.

Herrera, G. (2005), Mujeres ecuatorianas en las cadenas globales del cuidado, FLACSO,

Facultad Latinoamericana de Ciencias Sociales, Ecuador www.flacso.org.

Herrera, G. (1999), « Venta de fuerza de trabajo femenina y reproducción campesina:

las trabajadoras de las flores en Tabacundo, Ecuador », Estrategia de seguridad alimentaria

en América Latina y África, CLACSO, Consejo Latinoamericano de Ciencias Sociales,

Buenos Aires, Argentina.

Huenchuan Navarro, S. , Saberes con rostro de mujer. Mujeres indígenas, conocimientos y

derechos, Centro Universitario de Ciencias Sociales y Humanidades, Universidad de

Guadalajara, México.www.publicaciones.cucsh.udg.mx.

Keating, M. (2004), Gender, development and trade, Oxfam, Londres.

Lebón, N. & Maier, E. (2006), De lo privado a lo público. 30 años de lucha ciudadana de las

mujeres en América Latina, México: Siglo XXI: UNIFEM: LASA.

Lovell, Peggy (2006), « Race, gender and work in Sao Paulo, Brazil, 1960-2000 », The

Journal of the Latin American Studies Association (LASA), University of Texas, Latin

American Research Review, vol. 41, n° 3.

Monroe Morante, J. (2004), Mujeres Campesinas Quechuas, Democracia e Interculturalidad.

La experiencia reciente del CADEP “José María Arguedas” en Chumbivilcas (Cusco) y

Cotabambas (Apurímac), Secretariado Rural Bolivia – Perú, Lima.

Nelson, D. (2006), « La agencia cultural de los cuerpos políticos lesionados: etnicidad

y género como apoyo protésico en la posguerra en Guatemala », in Sommer, D. (éd.).

Agencia Cultural en las Américas, Duke University Press, Durham & Londres.

Objectifs de développement du millénaire, (2006), Rapport latino-américain.

Pajuelo Teves, R. (2006), Participación política indígena en la sierra peruana, IEP, Fundación

Honrad Adenauer, Lima.

Palomo, N. (2006), « Las mujeres indígenas: surgimiento de una identidad colectiva

insurgente », in De lo privado a lo público. 30 años de lucha ciudadana de las mujeres en

América Latina, México: Siglo XXI: UNIFEM: LASA.

52


Patricia ruiz bravo l.

Peredo Beltrán, E. (2004), Una aproximación a la problemática de género y etnicidad en

América Latina, Serie Mujer y Desarrollo, CEPAL, Naciones Unidas, Santiago de

Chile.

Prieto, M., Cuminao, C., Flores, A., Maldonado, G., Pequeño, A. (2006), « Respeto,

discriminación y violencia: mujeres indígenas en Ecuador. 1990-2004. FLACSO-

Ecuador », in De lo privado a lo público. 30 años de lucha ciudadana de las mujeres en América

Latina, México: Siglo XXI: UNIFEM: LASA.

Proyecto MARENASS (Manejo de Recursos Naturales en la Sierra Sur). Testimonios

de dirigentes comunales mujeres peruanas: 1)…cuando los hilos comienzan a cantar…

Aurelia Sueldo Piñares. Comunidad Campesina de Choquecca. Tambobamba –

Apurímac/ 2) Recuperando el valor de la organización comunal. Eulogia Hurtado

Díaz. Presidenta de la Comunidad Campesina de Andarapa. Andahuaylas – Apurímac/

3) Si compartes saberes cosecharás alegrías. Isabel Pineda López. Comunidad de

Llañucancha, Abancay- Apurímac/ 4)…cuando el orden empieza por casa. René

Bravo Alzadora. Comunidad Campesina de Ocobamba Circa, Abancay- Apurímac/

5)…vamos a escuchar,…a conversar y a trabajar bonito…Jacinta Pacco Martínez de

Quispe. Comunidad Campesina de Huista. Cotabambas- Apurímac.

Quijano A. (2001), « Colonialidad del poder, cultura y conocimiento en América

Latina », in Perú contemporáneo 2, Red para el desarrollo de las Ciencias Sociales,

Lima.

Rangel, M. (2005), Género, etnicidad, pobreza y mercado de trabajo en Bolivia, Ecuador,

Guatemala y Perú, OIT.

Ramírez, C., García, M.; Míguez, J. (2005), Cruzando Fronteras: Remesas, género y

desarrollo, INSTRAW, Instituto Internacional de Investigaciones y Capacitación de

las Naciones Unidas para la Promoción de la Mujer, Santo Domingo.

Reuque Paillalef, R. I. (2002), «Una flor que renace: autobiografía de una dirigente

mapuche », in Fuentes para la Historia de la República. Volumen XX, Dirección de

Bibliotecas, Archivos y Museos, Chili.

Salazar, C. (2004), « Mujeres indígenas y cohesión nacional en Bolivia », in: Norma,

F. (ed), Jerarquías en Jaque: estudios de género en el área andina, Red para el Desarrollo de

las Ciencias Sociales en el Perú, CLACSO, Lima.

Un solo Continente, Un solo Espíritu (2004), MEMORIA IV Encuentro Continental

de Mujeres Indígenas de las Américas, Chirapaq, Centro de Culturas Indígenas del Perú,

Lima, www.chirapaq.org.pe.

53


etniciteit, migratie en arbeid

Valdeavellano Elías, E., Neira Riquelme, E. (2004), Foro Internacional: Salud Reproductiva

en la Amazonía: Perspectivs desde la Cultura, el Género y la Comunicación, Minga, Perú.

Valdivia, G. (2006), « Haz de cuenta que yo era hombre y mantenía a mi mujer:

Globalización, género y trabajo asalariado en una zona de agroexportación », in Ruiz

Bravo, P. & Rosales, J. L., Género y Metas del Milenio, PNUD, UNIFEM, UNFPA,

Lima.

Valenzuela, M. E.; Rangel, M. (éds.) (2004), Desigualdades entrecruzadas. Pobreza, género,

etnia y raza en América Latina, Oficina Regional de la OIT para América Latina y El

Caribe, Santiago de Chile.

UNDP (2002). Verslag over de menselijke ontwikkeling

Vargas Virginia (2006), « La construcción de nuevos paradigmas democráticos desde

lo global: el aporte de los feminismos », in Lebón, N. & Maier, E (2006), De lo privado

a lo publico/ From Private to Public: 30 anos de kucha ciudadana de las mujeres en America

Latina, Siglo XXI Ediciones, Mexico.

54


gender, onTwIkkelIng en acTIeonderzoek

marie-lise Semblat 18

Actieonderzoek had altijd al hevige voorstanders en tegenstanders. De voorstanders

zien het als een methode, een filosofie zelfs. Voor de tegenstanders heeft het geen

wetenschappelijke status omdat het aandeel van de sociale actoren per definitie

subjectief is.

Lewin, een Duitse psycholoog die in 1933 naar de VS emigreerde, wordt vaak erkend

als de grondlegger van het actieonderzoek dat tot doel heeft om concrete problemen

op te lossen. Tijdens WO II zocht men in de VS naar een manier om het menselijk

gedrag op doeltreffende wijze te veranderen om zo een antwoord te bieden aan

de groeiende en dringende sociale noden (huisvesting, eetgewoonten,…). Lewin

ontwikkelde een methode die niet alleen de individuen die lid zijn van een groep

maar ook de onderzoeker die permanent op het terrein aanwezig is, betrekt bij het

oplossen van problemen. Het prille actieonderzoek lokte heel wat controverse uit

door het tot dan toe overheersende objectivisme op de helling te zetten.

Het actieonderzoek zet het spanningsveld tussen de betrokkenheid van de actoren

en de vereiste om afstand te nemen om in een bespiegelende stap, een analyse en

verandering van de praktijk. Het opzet is om verbetering of zelfs verandering te

brengen in een situatie die niet voldoet aan de noden van diegenen die er mee leven,

een probleemsituatie die de betrokkenen zelf het best kunnen duiden, analyseren en

veranderen, indien ze de gepaste begeleiding krijgen.

Actieonderzoek vergt een intensieve tijdsinvestering en een grote beschikbaarheid.

Het leidt niet tot onmiddellijk zichtbare of meetbare resultaten maar het levert wel

duurzame resultaten op. Er gaat immers geen onderzoeker aan het werk die als

buitenstaander een studie over een onderwerp verricht maar een onderzoeker die de

sociale actoren begeleidt en met hen werkt.

Henri Desroche verwijst hierbij naar een Griekse uitdrukking, ontleend aan de

maieutiek (Desroche, 1990) van Socrates, die volgens hem toelaat om te vertrekken

van « de beleving, de actie, de ervaring van volwassenen, de diversiteit van de ervaring

en de werkervaring ». Op deze manier ontstaat « een transformatie van tijdens het

onderzoek verworven kennis in een wetenschappelijke waardevol project » (ibid.).

18

Directeur van Onderzoek, Université Paris III, Collège Coopératif de Paris, Réseau AS-

TER-International

55


Gender, ontwikkeling en actieonderzoek

Actieonderzoek staat voor onderzoek in, over, door en gericht op actie. Onderzoek in

actie gaat over het verband met de sociale actoren, hun acties, transacties en interacties

waarmee aan de slag wordt gegaan, gericht op het onderbouwen van hun ervaring met

een ‘rationele werking’. Het actieonderzoek wordt door de actoren zelf gedragen.

De deelname van de betrokken groepen is dan ook vereist. Actieonderzoek bevordert

de emancipatie van “de groep actoren die verantwoordelijkheid opneemt en zichzelf

organiseert…in verhouding tot institutionele, bureaucratisch opgelegde gebruiken

(Barbier, 1990); het is “een wetenschappelijk practicum” (ibid.), wat Barbier omschrijft

als: "een transformatieproces van de wereld door de geëngageerde mens, een wereld

waarvan hij ook deel uitmaakt." Barbier vergelijkt het met een Sartriaans project

vanuit de historische existentiële optiek van de onderzoeker.

1. Verandering door actieonderzoek

In samenwerking met het Collège coopératif de Paris heeft ASTER-International 19

door middel van actieonderzoek een module van vorming voor volwassenen kunnen

uitwerken, die de genderdimensie integreert (in Frankrijk, in Picardië en Bourgogne

én in Senegal). Verder werd ondersteunend werk geleverd voor een Vrouwenhuis in

Senegal, voor een participatieve terreindiagnose die de genderdimensie integreert (in

Marokko) en voor de ontwikkeling van aangepaste hulpmiddelen.

De methode van het actieonderzoek is het essentiële kenmerk van de opleidingen die

toegang geven tot het verkrijgen van het Certificat d’Initiative Locale 20 . Eerder dan een

onderwerpgerichte of kennisgerichte didactische pedagogie, is het een vorm van op

het individu gerichte maieutiek (Desroche, 1990), een actieve pedagogie waarbij de

opleiding rond het individu zelf is opgebouwd.

19

A.S.T.E.R, Actrices Sociales des Territoires Européens Ruraux, is een in 1993

opgerichte structuur, tegelijkertijd ook een vormingsinstelling en een Europees

netwerk dat vanaf 1999 op internationaal niveau werkt. Als sociaal experimenteel

centrum, observatorium van praktijken en als netwerk ontwikkelt ASTER zowel

een ‘pedagogie van de actie’ als een ‘pedagogie van het internationale ten dienste van lokale

ontwikkeling en met inpassing van de genderdimensie’. Het eerste pedagogisch model is

gericht op het grondgebied, de groep en het project. Het tweede model gaat uit

van de wederkerigheid, het delen van ervaringen en uitwisselen van praktijken, en

bevordert tegelijk de verweving van lokale partnerschappen en interterritoriale

samenwerkingsverbanden.

20

Het CIL is een attest van het Collège Coopératif de Paris dat erkenning geeft aan de

vaardigheden en de kennis van de lokale actoren om een ontwikkelingsproject te leiden; het

attest verleent toegang tot het academisch traject DHEPS (Diplôme des Hautes Etudes des

Pratiques Sociales), Master 1.

56


marie-lise Semblat

2. Van “actieve actoren tot handelende subjecten

(Semblat, 2002; 2003)

In de zone bocage de Thiérache in Picardië werd in het kader van de vorming

vrouwen als actor in de plattelandsontwikkeling vastgesteld dat dit ertoe geleid heeft dat

zij van louter actieve actoren (een vaak gehoord pleonasme) geëvolueerd zijn tot

handelende actoren of actief handelende subjecten 21 . Ze zijn dus zowel afnemers

als auteurs of producenten van kennis. Deze vrouwen hebben een groep gevormd

die later de vereniging Femmes et projets geworden is, een vereniging die vandaag in

dit plattelandsgebied uitgegroeid is tot een plaats waar vrouwen elkaar ontmoeten,

kennis delen en vorming krijgen. Ze werken er aan hun zichtbaarheid en aan de

erkenning van hun bijdrage aan de lokale ontwikkeling.

De vorming van actor in de plattelandsontwikkeling, die van 1999 tot 2001 in Picardië

liep, had als belangrijkste doelstellingen: het opstarten van een mobilisatieproces van

vrouwen, een sterkere profilering van vrouwen op het lokale domein en een grotere

deelname van vrouwen aan de besluitvorming in de lokale structuren, waar ze tot

dan toe slecht vertegenwoordigd waren 22 . Tegelijk was het ook de bedoeling om de

omgeving, vooral de institutionele partners, te sensibiliseren voor het belang van de

inbreng van vrouwen in de lokale ontwikkeling en voor het benutten van het vaak

onderschatte potentieel van vrouwen om in te spelen op zowel nieuwe sociale noden

als op de persoonlijke aspiraties van de vrijwilligsters. Tenslotte was het ook de

bedoeling om door middel van de vorming van bekwame, autonome, leidinggevende

personen komaf te maken met de gewoonte om telkens op het laatste moment in

te grijpen.

Het CIL gaf vrouwen, die de school niet afgemaakt hadden omdat de school te veraf

gelegen was of omdat ze hun studie en gezin moeilijk met elkaar konden verzoenen,

de kans om op basis van hun verworven kennis en vaardigheden te werken aan een

project, op de voorgrond te treden en erkenning te krijgen.

Een initiatief en een actieonderzoeksmethode betekenden een stimulans voor

het project, dat uitgaat van de leefwereld van deze vrouwen. Het project werd

geformaliseerd onder vorm van een monografie (Hermelin & Missotte, 1994), die

zich beroept op een inductieve observatiemethode en die nauwkeurigheid, stiptheid

en zin voor analyse vereist. De vrouwen hebben een wetenschappelijk pad gevolgd

dat hen boven hun omgeving heeft uitgetild en dat hen ook toegelaten heeft om er

zich vervolgens beter in te kunnen integreren. Ze zijn zich bewust geworden van

21

De hoofdlijn van empowerment illustreert hoe de verzelfstandiging van vrouwen toeneemt

naarmate zij gewoon aan een project deelnemen, dan wel het op gang trekken (zie bijlage).

22

Bevindingen van het landelijk sociaal centrum TAC-TIC, dat aan de basis ligt van het

initiatief.

57


Gender, ontwikkeling en actieonderzoek

het verband tussen kunnen schrijven en verschillende vormen van macht (religieuze,

politieke en rechterlijke macht...), evenals van de ongelijke geslachtsgebonden

machtsverhoudingen in samenhang met het feit dat vrouwen (en meer bepaald

plattelandsvrouwen) vaak aangewezen zijn op mondelinge communicatie (gaande

van een dagelijks gesprek tot vertelkunst) 23 .

Alle stagiaires konden hun idee uitwerken in een project, dat verband hield met de

opwaardering van het natuurlijk of historisch erfgoed en waarbij de valkuilen van het

activisme vermeden werden. Het instrument van het actieonderzoek stond hen toe

om voldoende afstand te bewaren en om formalistisch te werk te gaan; het is dankzij

deze methodologische benadering en dankzij de hulpmiddelen voor het maken

van een kritische analyse die hen aangereikt werden, dat ze hun aanpak een heel

andere wending konden geven. Door het actieonderzoek is hun zelfbeeld en hun

blik op hun leefomgeving veranderd en groeide het bewustzijn dat er verschillende

mogelijke bepalende factoren zijn en dat men niet rigoureus moet vasthouden aan

bepaalde gebruiken, waardoor ze meer efficiënt konden handelen.

Sinds haar oprichting in 2003 streeft de vereniging Femmes et projets naar de

opwaardering van het platteland, meer kennisverwerving over het platteland en

meer bekendheid geven aan het platteland waarbij ze tegelijkertijd de vrouwen de

nodige middelen wil verschaffen om zich te verenigen, zich te informeren en zich

te vormen. Het oorspronkelijke project was een inspiratiebron voor het formuleren

van nieuwe opleidingen, er werd een boek met de levensverhalen van verschillende

van deze vrouwen gepubliceerd (waardoor hun ervaringen meer reliëf krijgen) en

er werd een grensoverschrijdende uitwisseling met vrouwen uit het nabijgelegen

Wallonië opgezet.

De identificatie van vrouwen als ‘handelend subject’ heeft ons ertoe gebracht om

het bijgevoegde schema (Semblat, 2002) op te stellen, dat verschillende benamingen

voor vrouwen binnen de context van ontwikkeling herneemt en waarin ze ofwel

‘begunstigden’ zijn van de programma’s die ‘voor’ hen zijn opgezet ofwel ‘actoren

of ‘operatoren’ (term gebruikt door ASTER sinds de oprichting in 1993 om komaf

te maken met het pleonastische begrip ‘actieve actoren’) en tenslotte ‘handelend

subject’. Uit de as empowerment valt af te lezen hoe de verzelfstandiging van vrouwen

verbetert in evenredigheid met hun grotere betrokkenheid bij een project, naargelang

ze passief betrokken zijn bij een project, dan wel of het een project is dat ze zelf

opzetten.

23

Getuigenissen van de vrouwen waarover een van de drie afgevaardigden verslag uitbracht

in de stuurgroep.

58


3. Samenhang tussen een geïntegreerde

genderbenadering en specifieke maatregelen

marie-lise Semblat

Het project Passerelles, dat door ASTER-International in samenwerking met OFAD/

NAFOORE (Senegalese ngo, lid van ASTER, in Casamance) werd opgezet, hield

zowel rekening met de lokale realiteit als met de bestaande noden en het aanwezige

potentieel. Passerelles steunt op twee pijlers: de oprichting van een Vrouwenhuis en de

versterking van de capaciteit van de ontwikkelingsactoren (v/m) van lokale ngo’s. Deze

laatste zijn met elkaar verbonden via gemeenschappelijke actieonderzoeksgroepen

en de organisatie van publiek toegankelijke thematische fora en conferenties.

Passerelles combineert een geïntegreerde benadering van ‘gender en ontwikkeling’ met

een CIL opleidingstraject - waaraan 30 actoren (v/m) van lokale ngo’s deelnemen 24 -

en zorgt voor specifieke, aangepaste oplossingen voor de problemen van de vrouwen

uit de betrokken regio. Het actieonderzoek leidde zowel binnen de gemengde groep

die de opleiding volgde als onder de 25 contactpersonen van het Vrouwenhuis

(allen vrouwen) tot een aantal participatieve initiatieven. Het liet de beroepskrachten

van de ngo’s toe om hun professionele en gemeenschappelijke activiteiten op vlak

van gezondheid, onderwijs, opleiding en lokale ontwikkeling in vraag te stellen, te

analyseren en te wijzigen, waarbij de genderdimensie systematisch en transversaal

geïntegreerd werd.

Een evaluatie van het Vrouwenhuis 25 leverde de volgende bevindingen op: sterke

mobilisatie; grotere participatie; vrouwen werden gehoord en kregen het gevoel

erbij te horen; een betere sociale cohesie en een bewustwording van de strategische

belangen. Dit laatste kwam tot uiting op de Vrouwendag die op 8 maart 2007 werd

gehouden en die leidde tot een keerpunt met meer waardering van de contactpersonen

door de andere vrouwen; maar het bracht ook een feministische bewustwording op

gang. De activiteiten zijn niet langer alleen maar gericht op praktische noden; er is

nu ook ruimte voor reflectie over de positie en rechten van de vrouw. De workshop

over geweld op vrouwen waarbij de vrouwen sterk betrokken waren, is daarvan het

meest treffende voorbeeld. Het is een eerste opstap naar een ware empowerment van

vrouwen in de Kolda regio. « Wij kennen nu onze rechten en onze plichten, dankzij

het Vrouwenhuis. Onze mannen slaan ons niet meer. » Het Vrouwenhuis bevordert

ook de zelfstandigheid van vrouwen, het geeft hen een stem en een aandeel in de

24

Gevolgd door een DHEPS, Diplôme des Hautes Etudes des Pratiques Sociales, Master 1 van de

volwassenenvorming, voor 15 van hen.

25

Gerealiseerd door Miléna Zarev in het kader van haar stage Politieke Wetenschappen,

Bordeaux, 2007.

59


Gender, ontwikkeling en actieonderzoek

besluitvorming. In een van de betrokken dorpen legde een vrouw het als volgt uit:

« Vroeger was er maar één persoon die een stem had en die beslissingen kon nemen,

dat was de man. Maar dankzij het vormingswerk hebben we nu allemaal een stem. »

In het eerste evaluatieverslag besloot Tcherno Bâ 26 : "Door een project te ontwikkelen

op het niveau van het dorp waarbij rekening gehouden wordt met wat vrouwen,

jongeren en mannen bezig houdt, hebben alle betrokkenen zich collectief voor het

project geïnteresseerd en ingezet."

4. Mobilisatie, bewustwording en de organisatie van

een lokale diagnose in Marokko

Onder begeleiding van ASTER maakte RADEV, het Réseau d’Appui des Associations

de Développement 27 , een lokale en op participatie gebaseerde genderdiagnose (LPGD)

in Marokko, in een streek waar gezocht wordt naar economische alternatieven voor

de uitgeroeide cannabisteelt en op het moment dat het land in volle verandering

is, de wijziging van de Moudawana, het nieuwe familiewetboek; een belangrijke

juridische en democratische kwestie. Bij de LPGD waren meer dan 4.000 personen

in drie plattelandsgemeenten betrokken. Lokale verenigingen, leden van RADEV,

werkten er actief aan mee door de bevolking erbij te betrekken en op grote schaal

te consulteren, waardoor de mensen opnieuw vertrouwen kregen nadat eerdere

bevragingen zonder gevolg gebleven waren.

De diagnose werd gehanteerd als een democratisch instrument voor lokale

ontwikkeling, waarin drie complementaire benaderingen samenkomen: een

algemene strategische benadering, een participatieve actie en een transversale

integratie van de genderdimensie. De diagnose steunt op vijf basisbeginselen:

globaliteit, operationaliteit, participatie, projectdynamiek en tijdsverbondenheid.

De LPGD werd in zes stappen doorgevoerd: voorbereiding, oprichting van lokale

teams voor het stellen van de diagnose, gedecentraliseerde opleiding, sensibilisering,

informatie van de bevolking en, ten slotte, verkennende onderzoeken. In de laatste

fase werden ter afronding al deze zaken samengevoegd en geëvalueerd en werden

er lokale actieplannen opgesteld, waarin aandacht voor de genderdimensie was

26

Socioloog, doctor in de pedagogische wetenschappen, Dakar, 2005.

27

Dit netwerk werd opgericht op het niveau van de provincie Larache, door een aantal

verantwoordelijken en leden van verenigingen op basis van de nood aan solidariteit tussen

de verenigingen en van de nood aan professionalisering van de actie van de verenigingen.

RADEV heeft als doelstelling: rekening houden met de gelijkheid man-vrouw in de instellingen

en in de ontwikkelingsprogramma’s en -projecten, de deelname bevorderen, rekening houden

met de mensenrechten en buurtwerk.

60


marie-lise Semblat

opgenomen. In 2007 organiseerde RADEV onder leiding van ASTER-International

vijf vergaderingen van de algemene stuurgroep COPIL; werkten de lokale LPGDteams

meer dan 70 dagen op het terrein; werd een massa gegevens ingewonnen bij

de vrouwen en mannen van de betrokken dorpsgewesten; werd de bevolking steeds

meer gemobiliseerd; werd nagegaan welke ontwikkelingslijnen prioritair geïntegreerd

moesten worden in de lokale plannen voor duurzame ontwikkeling en kwam er een

actief partnerschap tussen RADEV en ASTER tot stand.

Met de steun van de Organisation Internationale de la Francophonie (OIF) organiseerden

RADEV en ASTER-International op 28 maart 2008 in Rabat een conferentie, Le

développement local dans une approche d’égalité femmes/hommes 28 , om bekendheid te geven

aan het opzet, de methode en de resultaten van de LPGD. Deze conferentie bood de

kans om aan te tonen dat het mits een passende omkadering en begeleiding mogelijk

is om de lokale bevolking te mobiliseren; tegelijkertijd was het voor RADEV ook een

gelegenheid om de genderdeskundigheid, de mobilisatiekracht en de capaciteit van de

organisatie m.b.t. de lokale ontwikkeling en de heropleving van het gebied, zichtbaar

te maken. De conferentie bood daarnaast ook gelegenheid om de Marokkaanse

overheid en politici ertoe aan te zetten om rekening te houden met de noden van

een gebied dat ze ‘cannabisvrij’ wilden maken, en meer bepaald, met de noden van

vrouwen op het platteland, met als doelstellingen: realisatie van een duurzame op

gelijkheid en gendergelijkheid gebaseerde ontwikkeling van het gebied; bijdragen aan

de realisatie van de Nationale Strategie voor een rechtvaardige en gelijke behandeling

van mannen en vrouwen; creëren van samenwerkingsverbanden met projecten en

realisaties die analoge doelstellingen en methodes hebben en steun verlenen aan de

verschillende participatieve diagnose-acties, die door Marokkaanse verenigingen of

overheidsinstellingen gevoerd werden.

Dertig personen (drie groepen van tien personen, per dorp) kwamen vanuit hun

dorpsgewest naar Rabat om de LPGD voor te stellen aan de overheid en aan de

internationale organisaties. De conferentie werd officieel geopend door de minister van

Sociale Ontwikkeling, Gezin en Solidariteit en bijgewoond door vertegenwoordigers

van de kabinetten van de eerste minister en van de minister van Arbeid, evenals door

vertegenwoordigers van ambassades, buitenlandse ontwikkelingsinstanties, ngo’s

en de mensenrechtenbeweging. Deze ontmoeting vormde een raakvlak tussen een

beleid van bovenaf en een beleid vanuit de basis, wat nodig is voor de effectieve

realisatie van lokale ontwikkeling. De opwaartse beweging laat een bevolking toe

om zich over haar problemen te buigen en om zelf haar problemen op te lossen,

om zelf haar moeilijkheden, noden, hulpmiddelen en potentieel te onderkennen.

De neerwaartse beweging gaat uit van de overheden, de lokale autoriteiten en de

internationale organisaties, die ieder op hun niveau initiatieven nemen om een

bevredigende oplossing te verschaffen voor lokale noden: "Lokale ontwikkeling is een

28

Lokale ontwikkeling vanuit het perspectief van de gelijkheid vrouw/man.

61


Gender, ontwikkeling en actieonderzoek

voortdurend proces waar zowel richtlijnen van de centrale instanties als initiatieven

uitgaande van de lokale gemeenschap en zowel specifieke sectorale benaderingen als

globale benaderingen elkaar kruisen en ontmoeten." (Houée, 1989).

De diagnose die op basis van het actieonderzoek gesteld werd, heeft geleid

tot een sterke mobilisatie en mondde uit in een aantal richtlijnen voor lokale

ontwikkelingsplannen, en meer bepaald, een project voor drie vrouwenhuizen in de

bij de diagnose betrokken gemeenten, die daarvoor in ieder geval al een lokaal ter

beschikking stellen.

5. Uitwerking van aangepaste instrumenten

Dankzij een op actieonderzoek gebaseerd initiatief kon vorm gegeven worden aan

een aantal sensibiliserings- en vormingsinstrumenten. Op grond van een Europees

actieonderzoek in het kader van het Vierde communautair actieprogramma gelijke

kansen voor mannen en vrouwen, dat van 1996 tot 1999 uitgevoerd werd door 15

structuren verspreid over acht Europese landen (Finland, Duitsland, België, Frankrijk,

Spanje, Portugal, Italië, Griekenland), werd een handleiding uitgebracht, Croisement des

pratiques de développement local rural et de l’approche de genre, die een collectieve toe-eigening

van de genderbenadering van lokale ontwikkeling beoogt. De handleiding laat toe

om programma’s en projecten in een bepaald gebied te toetsen aan twee soorten

categorieën, die hier gekruist worden in drie tabellen met een dubbele ingang: een

ingang ‘gender’ (rollen, hulpmiddelen, belangen) en een ingang ‘lokale ontwikkeling’

(zone, institutioneel kader, projectcyclus).

In het kader van ditzelfde programma werden samen met de partners reclameborden

gemaakt met de boodschap: "Un défi pour le monde rural, l’Egalité des chances entre les

femmes et les hommes." 29 Hierdoor kon de publieke opinie gesensibiliseerd worden voor

de genderbenadering en voor het economische en democratische belang ervan.

In 2008 resulteerde een actieonderzoek dat in samenwerking met twee

Werkgelegenheidshuizen in Picardië uitgevoerd werd in een tas en een brochure

Genre, territoires développement en Picardie, waarin instrumenten voor sensibilisering

en vorming inzake genderkwesties en ontwikkelingsvraagstukken in de Franstalige

landen, voorgesteld worden.

29

Gelijkheid voor vrouwen en mannen, een uitdaging voor het platteland.

62


marie-lise Semblat

6. Politiek streefdoel van genderpedagogie door

middel van actieonderzoek

Het feminisme en het actieonderzoek hebben een aantal raakpunten gemeen die

Ruth Rose van de UQAM in Montréal (Ruth, 1993) volgens de volgende richtlijnen

identificeert:

• de contestatie van gangbare theorieën en modellen, waartegenover de voorkeur

voor de ervaring, het onderkennen van problemen die door de groepen

zelf moeten opgelost worden en een algemene en holistische benadering als

alternatief geplaatst wordt;

• het beginsel dat mensen én actor én actor-onderwerp van het gevoerde

onderzoek en actiebeleid moeten zijn;

• een humanistische en op gelijkheid gebaseerde benadering.

Op grond van de initiatieven uit het Zuiden en het Noorden, die we voorgesteld

hebben, blijkt dat actieonderzoek bijdraagt tot mobilisatie, bewustwording en

organisatie. Het leidt tot de productie van collectieve kennis, maakt van mannelijke

en vrouwelijke afnemers van kennis, producenten van kennis en het bevordert op die

manier ‘empowerment’, op zowel individueel als collectief niveau.

In alle gevallen heeft het actieonderzoek bijgedragen tot de realisatie van een

daadwerkelijke genderpedagogie, die de maatschappelijke werkelijkheid anders bekijkt

en veranderingen teweegbrengt in de verhoudingen tussen mannen en vrouwen.

Door een pedagogische genderdimensie te verbinden aan een politieke doelstelling

kunnen niet alleen de gevolgen van de ongelijkheid verholpen worden, maar kunnen

ook de onderliggende oorzaken aangepakt worden en kunnen de systemen die

deze ongelijkheid voortbrengen in vraag worden gesteld. Actieonderzoek verleent

de genderdimensie een grotere maatschappijkritische draagkracht. Wie het begrip

gender hanteert is sociaalkritisch: "Onderzoekers (v/m), projectverantwoordelijken

(v/m) en basisorganisaties die samen het genderperspectief hanteren, maken deel uit

van een project van maatschappelijke verandering" (Verschuur & Reysoo, 2003).

63


Gender, ontwikkeling en actieonderzoek


actieonderzoek

Vormende actie

Initiatieven van

vrouwen

Programma’s voor

vrouwen

begunstigden

Reactie

actieve

vrouwelijke

actoren

Actie

Empowerment as (Semblat, 2002)

Vrouwelijke

operatoren

Project

Vrouwelijke

handelende

subjecten

Praktijk


64


marie-lise Semblat

7. Bibliografie

ASTER (2008), Genre, Territoires, développement. Een actieonderzoek in Picardië. Een

pedagogische folder en tas, een vormings- en begeleidingsaanbod, in samenwerking met

Adéquations, september.

ASTER/Collège Coopératif de Paris (2000), Croisement des pratiques de développement

local rural et de l’approche de genre, Franstalige en Engelstalige versies, 16 pagina’s.

Barbier, R. (1990), La recherche-action, Economica, Paris.

Desroche, H. (1990), Entreprendre d’apprendre. D’une autobiographie raisonnée aux projets

d’une recherche-action, Apprentissage 3, Editions ouvrières, Paris.

Hermelin, C. & Missotte, P. (1994), Vers la recherche-action en pratiques sociales. La

monographie, Collège coopératif, Paris.

Houée P. (1989), Les politiques de développement rural, INRA, Economica, Paris.

Ruth R. (1993), « La recherche-action est-elle de façon inhérente féministe ? » in

Descarries, D. & Corbeil, C. (éds.), Recherche-action et questionnements féministes, Cahiers

Réseau de recherches féministes, Université du Québec à Montréal, IREF, Montréal.

Semblat, M-L. (2002), « D’″actrices actives″ à actantes. Trajectoires et pratiques

collectives des femmes rurales », in Tremblay, M., Tremblay, P-A, Tremblay, S. (éds.),

Développement local, économie sociale et démocratie, Presses de l’Université du Québec,

Québec.

Semblat, M-L. (2003), « De la formation-action à la formation par la rechercheaction

; des femmes rurales devenues ″actantes″ », in Mesnier, P-M. & Missotte, P.

(éds.), La recherche-action. Une autre manière de chercher, se former, transformer, L’Harmattan,

Paris.

Verschuur, C. & Reysoo, F. (2003), « Introduction au n° 4 », Cahiers Genre et développement,

Genre, Pouvoirs et justice sociale, IUED-EFI & L’Harmattan, Genève & Paris.

65


Deel II

OnDerzOek naar GenDer en

OntwIkkelInG ter OnDerSteunInG

Van het OntwIkkelInGSbeleID


EmpowErmEnt IndIcaToren:

welke bIjdrage vanuIT heT onderzoek?

Sophie Charlier 30

1. Inleiding

Met dit document willen we ons beraden over de manier waarop we het

empowermentproces kunnen meten door passende indicatoren op te stellen.

Onderzoek is uiteraard een belangrijk onderdeel van dit proces. Het gaat er immers

om een methodologie uit te werken aan de hand waarvan empowermentindicatoren

kunnen worden vastgelegd die zijn afgestemd op de lokale realiteit. Onderzoek is

eveneens een hulpmiddel om na te gaan hoe we deze indicatoren moeten gebruiken

om de situaties in de verschillende landen met elkaar te vergelijken en de evolutie

ervan te volgen. Dit document dient eveneens om duidelijk te maken dat onderzoek

ook zijn beperkingen heeft.

2. Een empowermentindicator: om wat te doen?

Eerst moeten we ons afvragen wat dient te worden verstaan onder het begrip

indicator en empowermentindicator: wat is het nut ervan, wat willen wij meten en wat

willen we daarmee bereiken?

Uitgaande van de definities die door de internationale instellingen worden voorgesteld,

behelst het begrip indicator: “een representatieve maatstaf voor een gegeven binnen

complexe systemen”. Het betreft dus een kwantitatief of kwalitatief gegeven dat uit

een groter geheel van statistische of andere gegevens wordt geselecteerd omdat het

voor een bepaalde problematiek een zekere betekenis heeft en representatief is. Net

zoals andere donoren heeft de Europese Unie (2001) het over “ de noodzaak om het

eens te worden over het gebruik van gemeenschappelijke resultaatindicatoren […]”

en over “het feit om meetbaarheid van indicatoren te beschouwen als een essentieel

selectiecriterium voor het bepalen van de keuze […] de indicator moet objectief

meetbaar zijn” (CE, 2001).

30

Doctor in ontwikkelingssamenwerking, gastdocent aan de Université catholique de Louvain

en werkzaam de bij Le Monde selon les Femmes.

69


empowerment indicatoren: welke bijdrage vanuit het onderzoek?

In het verlengde hiervan is het zo dat de theoretische basisopvattingen over

ontwikkeling, en derhalve de bijbehorende indicatoren, een evolutie hebben

doorgemaakt sinds er ook aandacht besteed wordt aan de menselijke ontwikkeling.

In het deel van zijn rapport met de titel “Lexicon van de armoede en de menselijke

ontwikkeling” verwerkt het UNDP in het begrip ontwikkeling ook welzijn. De kern

van het begrip menselijke ontwikkeling is het proces dat de uitbreiding behelst van

de mogelijkheden en het welzijn van de mens naar een hoger niveau tilt (PNUD,

1997: 15). Deze opvatting van ontwikkeling in termen van mogelijkheden en niet

langer in termen van materiële eigendom is een theroretische nieuwigheid vergeleken

bij de traditionele opvatting van ontwikkeling als synoniem voor economische groei,

uitgedrukt in BNP per inwoner (dollar/inwoner). Deze uitbreiding van het begrip

ontwikkeling kent een gestage evolutie, die wordt voortgestuwd door de talrijke debatten

rond het begrip ontwikkeling die ontstaan zijn uit zeer uiteenlopende stromingen.

In het kader van deze evolutie worden ontwikkelingsindexen geformuleerd die

verschillende dimensies meewegen. Het gaat daarbij niet alleen om de economische

dimensie maar ook om de sociale dimensie die wordt gemeten aan de hand van

de Index van de Menselijke Ontwikkeling (IMO) en de Index van de Menselijke

Armoede (IMA). De plaats van de vrouw in de maatschappij wordt gemeten aan

hand van de Genderspecifieke Index van de Menselijke Ontwikkeling (GIMO), de

Index van de Participatie van de Vrouw (IPV). De lijst met empowermentindicatoren die

de instellingen zodoende opstelden, had ten doel de evolutie van de situatie en van

de positie van de vrouw in één land of in meerdere landen onderling te vergelijken.

Onze studie beoogt geenszins een alomvattend overzicht te geven van het belang

van de indicatoren dan wel dieper in te gaan op de verschillende soorten indicatoren

die in de ontwikkelingssamenwerking worden gehanteerd (dit was tijdens het rondetafelgesprek

het voorwerp van andere beschouwingen). Het belang van de meest

objectieve en betrouwbare informatie om de evolutie en de resultaten van de acties

en beleidsmaatregelen op het gebied van ontwikkeling te meten, staat buiten kijf.

We stellen ons echter wel vragen bij de relevantie van empowermentindicatoren die

dienen om een onderlinge vergelijking te maken tussen landen waarvan de context

en de situatie zo verschillend zijn. In werkelijkheid is het zo dat het UNDP en de

instellingen (die gemeenschappelijke indicatoren hanteren om landen met elkaar te

vergelijken) willen nagaan of elkeen toegang heeft tot bepaalde goederen maar zich

niet de vraag stellen of de toegang tot bepaalde goederen ook is afgestemd op de

specifieke lokale noden. Een nadere kijk op de verzamelde indicatoren toont immers

duidelijk aan dat deze de verschillen binnen eenzelfde land niet weergeven en ook

niet meten of wel wordt tegemoetgekomen aan vooraf vastgelegde noden van de

bevolkingsgroepen. Zo worden kwantitatieve indicatoren ontwikkeld die ‘objectief

meetbaar zijn’, zoals: ‘het aantal vrouwen in het parlement’, ‘het aantal vrouwen die

in het bezit zijn van een diploma middelbaar of universitair onderwijs, enz.’ Deze

indicatoren zijn weliswaar relevant maar zeggen niets specifieks over de maatschappij

70


Sophie Charlier

waarin deze vrouwen leven. Sommige vrouwelijke auteurs, Naïla Kabeer en Sarah

Longwe als eersten, deden het als een illusie af dat planningsdeskundigen louter

technocratische oplossingen wilden uitwerken aan de hand van degelijke informatie

afkomstig van pseudo-neutrale of pseudo-functionele gegevens, meer bepaald die

met betrekking tot de taakverdeling tussen mannen en vrouwen.

Een ander punt van kritiek is de trend om voornamelijk met kwantitatieve indicatoren

te werken. Deze benadering van empowerment heeft weliswaar haar nut maar ze houdt

alleen rekening met een bepaalde categorie vrouwen. De toegang tot onderwijs voor

vrouwen, bijvoorbeeld, is een sociaal gegeven, met name omdat het duidt op een

zekere sociale reproductie. De verwijzing naar het aantal vrouwen met een diploma

middelbaar onderwijs om de toegang tot het onderwijs voor vrouwen te illustreren,

heeft tot gevolg dat het sociale aspect van het vraagstuk over het hoofd wordt gezien

en alleen het individu wordt meegewogen. Deze indicatoren zijn ontoereikend om

de tegenstrijdige belangen van actoren, het onderzoek naar wie de macht in handen

heeft, de symbolische referenties en de analyse van de diepere sociale structuren

in kaart te brengen. De gedefinieerde indicatoren beschouwen empowerment niet in

zijn verschillende dimensies voor alle vrouwen, noch als transformator van niet

alleen de man/vrouwverhoudingen, maar ook van de samenleving als een geheel.

Deze indicatoren laten vooral toe om empowerment te meten op individueel niveau,

maar niet als verandering van de genderverhoudingen in de samenleving. “ Op

deze manier, zelfs al kan dit een meer of minder veranderende richting ‘getrokken

worden, lijkt empowerment van vrouwen zoals dit sinds Peking aanbevolen wordt,

zich eerder te richten op individualistische strategieën van vrouwen en van de top

naar de basis in opdracht van de internationale instellingen, die in fine de controle

over deze dynamiek niet willen verliezen.” (Falquet, 2003).

Als tegengewicht voor deze al te kwantitatieve benadering werden een aantal

andere ininiatieven genomen: bijvoorbeeld, de Index voor de Ontwikkeling en

de Genderongelijkheid in Afrika (IDISA). De IDISA is een composietindex

die bestaat uit twee delen: de Index van de Positie van de Vrouw (IPV) die de

genderongelijkheden meet aan de hand van een aantal kwantitatieve indicatoren

(gezondheid, onderwijs, aanwezigheid van vrouwen in het parlement, enz) en het

Scorebord voor de Bevordering van de Vrouw (SBPMA). Deze index meet de

vooruitgang inzake de bevordering en de autonomie van vrouwen in Afrika, met

name welke beleidsmaatregelen werden genomen om de positie van de vrouw te

verbeteren. De IDSIA maakt een zekere kwalitatieve opvolging van de uitgevoerde

beleidsmaatregelen weliswaar mogelijk maar gaat uit van een comparatieve logica (lijst

indicatoren). Hij laat zich daarbij voornamelijk leiden door individuele gegevens.

71


empowerment indicatoren: welke bijdrage vanuit het onderzoek?

De kwantitatieve benadering is een aspect van het veranderingsproces maar het

begrip empowerment heeft een grotere reikwijdte: het zet de grondbeginselen van de

menselijke activiteit binnen het ontwikkelingsbeleid zelf op de helling (Kabeer, 2001).

Als men indicatoren wil definiëren die toelaten om de mate van empowerment van

vrouwen te meten, is het enerzijds nodig dat men zich vragen stelt over de evolutie

van de verzelfstandiging van vrouwen als individu, maar we moeten dit ook doen

in verband met veranderingen in de genderrelaties in de gegeven samenlevingen.

In een vorig werk (Charlier, 2006) hebben we aangetoond dat “[…] in Latijns-

Amerika het gebruik van de term empowerment (empoderamiento) niet alleen het

voorwerp is van theoretische discussies over een concept, maar dat deze ook verwijst

naar een betekenis die eraan gegeven wordt door (gewone) vrouwen van de lokale

gemeenschappen. De onderliggende betekenis en connotatie van empoderamiento

wijst erop dat de persoon verandert in een actieve kracht, een actor en een drijfkracht

voor verandering, die varieert naargelang de concrete situaties. Het gebruik van

empoderamiento van vrouwen berust op de idee dat men veranderingen wil uitlokken

zowel op politiek als sociaal en cultureel niveau, in het bijzonder in de denkbeeldige

sociale relaties van vrouwen aan de macht” (ibid.). Het komt er bijgevolg op aan het

proces te meten volgens hetwelk individuen en/of gemeenschappen het vermogen

en de voorwaarden verwerven om een dergelijke macht te grijpen en om zelf de

verandering in hun leven, in hun omgeving en in samenleving in het algemeen, te

beïnvloeden (actor zijn). Deze demarche houdt rekening met de specifieke gegevens

van de realiteit en met de evolutie van de veranderingen op individueel en collectief

niveau in de onderzochte samenleving.

We kunnen hieruit besluiten dat als een indicator ten doel heeft het proces van

machtsverwerving, van empowerment van vrouwen via verschillende acties en

sociale bewegingen op te volgen, een lijst met vooraf vastgelegde indicatoren

onbruikbaar is. Voor deze benadering moeten indicatoren uitgewerkt worden

uitgaande van de lokale werkelijkheid en de lokale actoren. Op deze manier zullen

we kwalitatieve indicatoren kunnen hebben zoals ‘vrouwen durven in het openbaar

het woord te nemen’. Zoals N. Kabeer (2001) stelt: “Empowermentindicatoren moeten

gewoon de richting van verandering aangeven eerder dan een nauwkeurige meting

verschaffen. […] geïsoleerde metingen die uit hun context gerukt worden, lenen zich

tot een veelheid van verschillende interpretaties. […] er bestaat geen uniek lineair

veranderingsmodel aan de hand waarvan een ‘oorzaak’ voor het gebrek aan invloed

van vrouwen geïdentificeerd en gewijzigd kan worden om zo het gewenste ‘effect’

te creëren.” (Kabeer, 2001) Het is op basis van deze metingen dat we vervolgens de

evolutie van de sekseverhoudingen in een gegeven samenleving kunnen interpreteren

en opvolgen om ze met die van andere samenlevingen te vergelijken. Zelfs als een

indicator gebaseerd moet zijn op erkende wetenschappelijk informatie of analyse,

dan blijft hij nog altijd een empirische interpretatie van de werkelijkheid. Meer nog,

72


Sophie Charlier

het opvolgen van indicatoren heeft alleen belang wanneer dit onderzoek van de

resultaten mogelijk maakt en wanneer dit leidt tot het bijsturen van het beleid of van

de sociale actie.

3. Een andere opbouw van empowermentindicatoren:

inbreng van het onderzoek

We zouden willen tonen hoe we op basis van een onderzoek, een dynamische

methodologie hebben kunnen uitwerken om empowermentindicatoren te definiëren in

samenwerking met de partners van het Zuiden. Wij zijn uitgegaan van de ervaring van

de werkgroep van de ‘Commissie Vrouwen en Ontwikkeling’ die een methodologische

handleiding voor de benadering van empowerment van vrouwen (2007), opgesteld heeft.

Het werk dat door deze groep verricht werd betekende een fundamentele stap in het

onderzoek m.b.t. het in rekening brengen van de concrete en specifieke situaties op

het terrein. Een methode die de vrouwen als uitgangspunt nam en die zou toelaten

om de inbreng van ontwikkelingsprogramma’s en ontwikkelingsprojecten te meten

door middel van een gesystematiseerde methodologie, om zo de gepaste indicatoren

voor de betrokken bevolkingsgroepen in kwestie uit te werken.

De parameters van deze aanpassing variëren volgens:

• de specifieke sociaalculturele kenmerken van de samenwerking

• de verschillende types actoren van de samenwerking:

o

o

o

ontwikkelingsactoren in hun gemeenschappen: individuen en hun

organisaties/verenigingen,

begeleidende organisaties: NGO’s, overheidsdiensten,

opleidingsinstellingen, studiebureaus,…

donoren: NGO’s, staten en multilaterale samenwerking, religieuze

instellingen,…. 31 (zie publicatie CFD)

Het belang van het onderzoek ligt in het feit dat het heeft toegelaten om veel meer

dan een instrument of een bijkomende checklist van indicatoren te verschaffen.

Het onderzoek maakt het namelijk immers mogelijk om afstand te nemen van

institutionele en politieke verplichtingen. Het laat ook toe om afstand te nemen van

de eis die om onmiddellijke en vooral vergelijkbare resultaten vraagt. Het staat toe

om een kritische analyse van de verschillende gebruikte instrumenten door te voeren

en om zó zowel het belang als de beperkingen ervan, aan te tonen.

31

Zie CVO, 2007.

73


empowerment indicatoren: welke bijdrage vanuit het onderzoek?

Meer nog, vanuit kennistheoretisch oogpunt lijken indicatoren die op basis van

methodologische instrumenten door instellingen - vooral auteurs (v/m) uit het

Noorden - ontwikkeld zijn, ons uiterst inadequaat. Het is belangrijk een methodologie

voor het uitwerken van empowermentindicatoren voor te stellen die verband houdt

met de realiteit en specificiteit van het terrein, welke vooral bestudeerd zijn door

auteurs (v/m) uit het Zuiden en door de betrokken actoren. Wij denken niet dat de

visie van het Zuiden noodzakelijkerwijze berust op betere informatie dan deze van

het Noorden of dat de vrouwelijke visie systematisch verfijnder is dan de mannelijke

(of omgekeerd!). Het betreft altijd de veelheid aan visies, die niet gereduceerd kan

worden tot die of die geografische of sociale classificatie. De bewegingen van het

Zuiden (en de feministen van het Zuiden) zullen een andere visie op het proces van

empowerment aanbrengen door de specifieke dimensies van hun samenleving te

onderstrepen zoals de culturele verankering en de impact van de kolonisatie op de

verhoudingen tussen mannen en vrouwen.

In het geval van de werkgroep van de ‘Commissie Vrouwen en Ontwikkeling’ hebben

wij op deze manier een methodologie kunnen uitwerken, die rekening houdt met de

sociaalculturele en tijdsgebonden specifieke eigenschappen en met de verschillende

verwachtingen van de actoren op het terrein. Het is waar dat de voorgestelde

methodologische handleiding tijd vergt om zich op basis van de verschillende

logica’s van actoren op het terrein, de realiteit van het terrein eigen te maken en de

uitdagingen en prioriteiten (op sociaal en politiek vlak) duidelijk naar voren te doen

komen. Wij zijn erin geslaagd om een methodologie voor te stellen die toelaat om

rekening te houden met de verwachtingen van de verschillende actoren en met de

eigen realiteiten en accenten, die ze in de opvolging van het veranderingsproces en in

de beoordeling van de resultaten van een interventie, zullen leggen.

Met andere woorden, er moeten indicatoren uitgewerkt worden voor elk niveau

van ontwikkeling en de medewerking van alle actoren is hierbij noodzakelijk. Dat is

dan ook de reden waarom een ‘kant-en-klare’ lijst van indicatoren zijn beperkingen

heeft.

4. De beperkingen van het onderzoek

Een van de beperkingen van het onderzoek is dat het moeilijk is om teams met neutrale

onderzoekers(-sters) samen te stellen. Ook moeten vragen worden gesteld bij de rol

van deze onderzoekers(-sters). Het is onzes inziens dan ook zaak de invalshoek van

de onderzoeker(-ster) te achterhalen alsook de wijze waarop het voorwerp van het

onderzoek wordt meegewogen. Deze vraag is het voorwerp van een belangrijk debat

in onderzoekerskringen; sommigen vinden dat men de rollen niet mag verwarren, dat

onderzoek analyse moet produceren en dat het beleid en/of civiele samenleving deze

gebruiken om de samenleving te verbeteren en te veranderen. In onderzoeken over

74


Sophie Charlier

ontwikkeling en vooral over empowerment, lijkt het ons belangrijk dat de onderzoeker

(v/m) zich niet beperkt tot het maken van een analyse, maar dat de resultaten van

haar/zijn onderzoek uitmonden in aanbevelingen voor de politieke actoren zodat ze

een bepaalde impact op de samenleving kunnen hebben. In Québec gaat Danielle

Lafontaine ervan uit dat “het is zinvol om zich vragen te stellen over de voorwaarden

waaronder een geëngageerd maar niettemin nauwkeurig en geconstrueerd onderzoek,

wordt uitgevoerd” ( Lafontaine, geciteerd door Semblat, 1997: 27). Vrouwenstudies

onderscheiden vaak drie categorieën onderzoeksters. Er zijn met name: de militante

onderzoekster die het militante aspect in haar onderzoek ruim aan bod laat komen,

de ‘disciplinair en technisch ingestelde’ vaktechnische onderzoekster die veel informatie

aanreikt maar zich beperkt tot een beschrijvende analyse uit vrees om persoonlijke

betrokkenheid te tonen en, tot slot, de intellectuele theoreticus die veeleer riskeert

‘geslachtsloze’ (Charlier, 2006: 15-16) onderzoeken te verrichten. De onderzoeker(-

ster) moet dus zelf uitmaken tot welke categorie ze behoort.

Een ander beperkend aspect van het onderzoek, in het bijzonder het feministisch

onderzoek (en bijgevolg ook onderzoeken naar het empowermentproces van vrouwen),

is de wetenschappelijke waarde. ‘Geëngageerd onderzoek’ ondervindt nog al te vaak

moeilijkheden om te worden erkend aan de hand van zogenoemde ‘wetenschappelijke’

criteria. Op het internationale colloquium ‘Ruptures, résistances et Utopie’(2002) over

Franstalig feministisch onderzoek hebben meerdere onderzoeksters zich gebogen

over de verbanden tussen ‘feministisch-militant’ onderzoek en politieke actie. Ze

hebben aangetoond dat de motor van onderzoek over de man/vrouwrelaties vaak

een politiek engagement is, in de ruime zin van het woord. Een engagement, dat

spijtig genoeg nog steeds te vaak kritiek en weerstand oproept ten aanzien van de

onderzoeksresultaten. Bij geëngageerd onderzoek is het dan ook zaak deze rollen niet

met elkaar te verwarren. De vrouwelijke actor is in haar dagelijkse realiteit de drijvende

kracht achter eventuele veranderingen. De onderzoekster, daarentegen, heeft als taak

ervaringen om te buigen in begrippen en er een systeem in te onderkennen om op

die manier inzicht te verschaffen in de praktijken van de vrouwelijke actoren. Marie-

Lise Semblat waarschuwt voor verwarring tussen twee categorieën: “[…] deze van de

onderzoeker en deze van de actor, de eerste verwijst naar de vereisten van de analyse,

de argumentatie en het bewijs, de tweede maakt deel uit van het axioma.” (Semblat,

1997: 27)

Volgens ons is het niet wenselijk om politiek engagement en/of overtuigingen van

het onderzoek te scheiden en om een ‘neutraal’ standpunt in een onderzoek in te

nemen. Daarom moet men in onderzoek de analyse van de gegevens heel nauwkeurig

en strikt uitvoeren om er ‘wetenschappelijke waarde’ aan te geven.

75


empowerment indicatoren: welke bijdrage vanuit het onderzoek?

Ten slotte, onderzoek vergt tijd wat soms in tegenstrijd is met de onmiddellijke

behoeften van de actoren op het terrein. Het is daarom belangrijk om een

onderzoek voor te stellen dat rechtstreeks verband houdt met de behoefte aan actie.

Het uitwerken van empowermentindicatoren in samenwerking met de betrokken

actoren kan in de context van de multilaterale of bilaterale samenwerking zeer

moeilijk haalbaar lijken. Op grond van het werk van de onderzoeksgroep hebben

we onze methodologie getest binnen de context van verschillende programma’s op

microniveau. We blijven ons werk voortzetten om onze methodologie te kunnen

afstemmen op de mesoniveaus en macroniveaus.

5. Bibliografie

III e internationaal colloquium over Franstalig feministisch onderzoek « Breuken,

weerstanden en utopie », « Ruptures, résistances et Utopie », Toulouse (Frankrijk), 17-22

september 2002

CE, DG développement (2001), Projet de lignes directrices pour la définition d’indicateurs de

développement, http://www.confedmali.gov.ml/procedures/Lignes%20directrices%20

indicateurs.pdf.

Charlier, S. (2006), L’économie solidaire au féminin : quel apport spécifique pour l’empoderamiento

des femmes ? Une étude de cas dans les Andes boliviennes. Thèse présentée en vue de

l’obtention du titre de docteure en Sciences sociales (environnement-développementpopulation),

Presses universitaires de Louvain/UCL.

CEA, NU (Commission Economique pour l’Afrique) (2004), Indice de Développement et

d’Inégalité entre les Sexes en Afrique : IDISA, http://www.uneca.org.

CVO (Commissie Vrouwen en Ontwikkeling) (2007), Empowerment van vrouwen.

Een methodologische handleiding, http://www.dgci.be/documents/nl/cvo/CFD_

empowerment_vrouwen.pdf

Falquet, J. (2003), «“Genre et développement” : une analyse critique des politiques

des institutions internationales depuis la Conférence de Pékin », in Reysoo, F. &

Verschuur, Chr. (textes réunis par), On m’appelle à régner. Mondialisation, pouvoir et rapport

de genre, IUED, UNESCO, DDC, pp. 59-87.

Kabeer, N. (2001), Resources, Agency, Achievements: Reflections on the Measurement of

Women’s Empowerment, in SIDA/Swedish International Development Cooperation

Agency, Discussing women’s Empowerment. Theory and Pratice, Sida studies n°3.

UNDP, Rapport over de menselijke ontwikkeling, 1997, pg.15.

76


Sophie Charlier

Semblat, M.-L. (1997), L’émergence d’un féminisme territorial en milieu rural. Les pratiques

de nouveaux groupes de femmes en Europe et au Canada francophone (De opkomst van

territoriaal feminisme in ruraal gebied. De praktijk van nieuwe vrouwengroepen in

Europa en in Franstalig Canada), thèse en géographie sociale, Université de Paris 8,

Institut d’Etudes Européennes.

77


InTegraTIe van gender

In de sTaTIsTIsche IndIcaToren

voor de beoordelIng van de menselIjke

onTwIkkelIng

marielle bruyninckx 32

1. Inleiding: het statistische alternatief, een andere

kijk op menselijke ontwikkeling

De objectieve meting van ontwikkeling staat al enkele jaren centraal in verschillende

theoretische beschouwingen en/of in meer concrete pogingen om dit te bereiken.

Om deze moeilijke onderneming tot een goed einde te brengen, gaven economen

lang de voorkeur aan de analyse van de ontwikkeling van het Bruto Nationaal

Product (BNP) 33 per inwoner. Het is trouwens op deze basis dat de classificatie van

de Wereldbank wordt opgemaakt, vanuit een sterke wil om de armoede te bestrijden

en de economische groei van de achtergestelde landen te bevorderen (Wereldbank,

2006).

Op het einde van de jaren 80 rees er echter kritiek vanuit de idee dat het betwistbaar

is om de beoordeling van de ontwikkeling op louter economische overwegingen

te steunen. Het is namelijk de menselijke persoon op zich die het echte doel van

ontwikkeling moet zijn, zodanig dat hij zich in fine kan ontwikkelen in een omgeving

die hem toelaat een correcte levensstandaard, een betere gezondheid en dus een

langere levensverwachting te hebben, evenals een betere toegang tot kennis. Om de

discussie terug te brengen tot deze ‘humanistische’ aandachtspunten werden er vanaf

het begin van de jaren 90 alternatieven naar voren geschoven die een andere visie

op de wereld voorstelden, niet alleen gericht op een verhoging van het economisch

kapitaal, maar veeleer op een verhoging van het menselijk welzijn. (Bruyninckx &

Berte, 2007).

32

Hoogleraar, Service de Développement humain et traitement des données, Université de

Mons-Hainaut.

33

Het BNP is de totale waarde van de eindproductie van goederen en van economische spelers

van een land tijdens een jaar, die zowel het Bruto Binnenlands Product als de inkomsten

afkomstig uit het buitenland omvat www.becompta.be.

79


Integratie van gender in de statistische indicatoren

Zo heeft het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) 34 op

basis van werken van de Indische econoom, Amartya Sen, een synthese-indicator

voorgesteld, waarbij zeker rekening kan worden gehouden met economische

gegevens, maar ook met elementen die betrekking hebben op sociale rechtvaardigheid

en welzijn: de menselijke ontwikkelingsindex (HDI of Human Development Index).

De HDI wordt nog steeds beschouwd als de eerste grote internationale alternatieve

indicator (Gadrey & Jany-Catrice, 2003) en ligt aan de basis van de opmaak van

het Wereldrapport Menselijke Ontwikkeling (Wereldbevolkingsrapport). Sinds een vijftiental

jaar probeert dit rapport een jaarlijkse stand van zaken op te maken over de toestand

van de menselijke ontwikkeling in de wereld en sinds 2005 onderzoekt het ook de

vooruitgang die geboekt werd op vlak van het behalen van de acht Millennium

Ontwikkelingsdoelstellingen (MOD), die de Lidstaten van de Verenigde Naties tegen

2015 willen realiseren (Verenigde Naties, 2005).

In 1990 verschijnt de Human Development Index (HDI) in het eerste Wereldrapport

Menselijke Ontwikkeling van het UNDP. Deze samengestelde index bevat indicatoren

met betrekking tot drie criteria of indicatoren: levensduur/gezondheid, onderwijs en

levensstandaard. De eerste wordt beoordeeld op basis van de levensverwachting bij

de geboorte, de tweede heeft betrekking op de alfabetiseringgraad van volwassenen

en op de bruto gecombineerde opleidingsgraad van lager, middelbare en hoger

onderwijs, terwijl het derde berekend wordt op basis van het Bruto Binnenlands

Product (BBP) 35 per inwoner, uitgedrukt in koopkrachtpariteit in dollars US 36

(UNDP, 2005).

De waarde van de HDI voor een land bepaalt de rangschikking van dat land

op een lijst, die elk jaar opnieuw geactualiseerd wordt . In 2006 waren in

het Wereldbevolkingsrapport 177 landen opgenomen, waarvan 63 een hoge

ontwikkelingsgraad, 83 een matige ontwikkelingsgraad en 32 een lage of geringe

ontwikkelingsgraad toegewezen kregen (UNDP, 2006). Ontoereikende levenskwaliteit

en menselijke ontwikkeling vormen bovendien één van de criteria waaraan een land

moet voldoen om ingeschreven te worden op een andere lijst: die van de Minst

34

Het UNDP (United Nations Development Programme) is het wereldwijde netwerk van

ontwikkeling van de Verenigde Naties. De doelstelling van dit programma is de overdracht

van kennis, expertise en ressources naar landen, om hen te helpen hun eigen oplossingen uit

te werken voor de ontwikkelingsuitdagingen waarop ze stuiten (UNDP, 2005).

35

Het BBP is een manier om de rijkdom van een land en de levensstandaard van de inwoners

te beoordelen. Het is de som van de toegevoegde waarden van alle productietakken. Hij

bestaat uit het binnenlands handelsproduct (verhandelde goederen en diensten) en het bruto

binnenlands niet-handelsproduct (gratis of quasi gratis diensten geleverd door openbare en

privé-instanties) www.becompta.be.

36

De KKP is het aantal eenheden van een buitenlandse munt nodig om dezelfde bedragen

goederen en diensten te kopen op een markt van een bepaald land als degene die gekocht

zouden kunnen worden met een dollar in de VS (UNDP, 2005).

80


marielle bruyninckx

Ontwikkelde Landen (MOL). Vandaag zijn er 50 landen met dit label (UNCTAD,

2004); zij vereisen dus alle internationale aandacht. Ze worden beschouwd als de

armste landen van de wereld; 3/4 van deze landen ligt in Afrika, die samen 700

miljoen inwoners vertegenwoordigen.

De menselijke armoede-index (HPI of Human Poverty Index) is een poging tot

antwoord op bepaalde kritieken, die op de Human Development Index geformuleerd

werden; hij legt zich toe op dezelfde drie fundamentele dimensies als de eerste

index, HDI, maar hij beoordeelt ook het niveau van menselijke ontwikkeling binnen

een land op basis van “waarneembare tekorten of gebreken” (UNDP, 2005: 354). De

geregistreerde kenmerken (waarschijnlijkheid om te sterven op vroegtijdige leeftijd,

moeilijke toegang tot de wereld van het schrift en de communicatie, percentage

kinderen met ondergewicht en onmogelijkheid om op regelmatige basis toegang

te hebben tot aangelegde waterpunten) geven informatie over de moeilijkheid om

aanspraak te kunnen maken op een behoorlijke levensstandaard (UNDP, 2005).

2. De integratie van gender in de beoordeling van

ontwikkeling: een noodzakelijke vooruitgang

Sinds 1975, toen de Verenigde Naties het Decennium van de Vrouw uitriepen en met

het houden van verschillende internationale conferenties over vrouwen op het niveau

van de Verenigde Naties - Mexico (1975), Nairobi (1985) en ook nog in Peking (1995)

- krijgt het vraagstuk van de rol van vrouwen in ontwikkeling een steeds belangrijkere

plaats toebedeeld in het internationale gedachtegoed. Toch blijft de betrokkenheid van

vrouwen, in het bijzonder op economisch vlak, ondergewaardeerd en onderbelicht in

de internationale statistieken. Al snel drong zich de noodzaak op om de impact van

de huishoudelijke taken, en ook nog, de impact van de arbeid in de informele sector

waarin ze vaak actief zijn, te kwantificeren. Deze metrologische 37 uitdaging is des te

meer gerechtvaardigd omdat het verband tussen de positie van de vrouw in een land

en het ontwikkelingsniveau van dat land, al vaak is aangetoond. Hoewel de invoering

van de HDI en HPI het mogelijk hadden gemaakt om een duidelijk meer ‘menselijke’

kijk op ontwikkeling te hebben, moest men nu proberen er de genderdimensie in

te integreren zodat de fundamentele impact van de activiteiten van vrouwen op

ontwikkeling, beter beoordeeld zouden kunnen worden.

37

Metrologie is de studie van de meting. Een metriek is een standaard voor meting. De

getalsmatige weergave van fenomenen door het proces van meting baseert zich op het bestaan

van expliciete of impliciete metriek, die de standaard is volgens dewelke het fenomeen

gemeten wordt (toevoeging van de redactie).

81


Integratie van gender in de statistische indicatoren

In vele landen in de wereld bevinden vrouwen zich vaak in een meer precaire situatie

dan mannen. De strijd voor de vermindering van ongelijkheden tussen mannen en

vrouwen situeert zich dus in het streven naar een grotere sociale rechtvaardigheid

en in het respect voor de universele mensenrechten, maar is ook te vinden in het

zoeken naar maatregelen die een multiplicatoreffect kunnen hebben op zowel het

welzijn van het gezin, als op het algemene niveau van menselijke ontwikkeling van

een land. Vrouwen en meisjes de mogelijkheid geven om toegang te hebben tot

onderwijs, om vaardigheden te ontwikkelen op vlak van gezondheid, om zich anders

te positioneren op de arbeidsmarkt, of ook nog, om deel te nemen aan het politieke

leven, zal hen toelaten om hun talenten ten volle te ontwikkelen in het belang van

de samenleving als geheel (DGOS, 2002). Het Wereldbevolkingsrapport van 1995

besluit trouwens in dat verband dat “de menselijke ontwikkeling op de helling kan

komen te staan als ze geen rekening houdt met de genderkwesties”. Sinds 1979, met

de aanvaarding van het CEDAW-verdrag 38 , dat onder het beschermheerschap van de

Verenigde Naties het juridische kader verschaft voor de gelijke rechten van mannen

en vrouwen, hebben verschillende internationale instellingen bijgedragen tot de

invoering van een genderdimensie in het beleid met behulp van aanbevelingen en

door de ontwikkeling van methodologische hulpmiddelen. Toch is het pas in 1995,

dankzij de ontwikkeling van ‘seksespecifieke’ statistieken, dat de genderproblematiek

werkelijk systematisch geïntegreerd wordt in het Ontwikkelingsprogramma van de

Verenigde Naties (UNDP, 1995).

De gender ontwikkelingsindex (GDI of Gender Development Index) wordt

voor het eerst geïntroduceerd in het Wereldbevolkingsrapport van 1995; deze heeft

als doel om de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen (gendergebonden

ongelijkheden) te vertalen in de drie basiscategorieën van de Human Development

Index. De berekening ervan steunt op het principe van afkeer voor ongelijkheid

via de invoering van een coëfficiënt die toelaat om strafpunten toe te kennen voor

verschillen in behandeling tussen mannen en vrouwen. De waarde van de GDI is

vaak lager of gelijk aan die van de HDI: hoe groter het verschil tussen de twee

indexen, hoe uitgesprokener de verschillen tussen mannen en vrouwen zijn (UNDP,

1995). Het verschil in HDI-GDI- rangschikking wordt ook gebruikt om de nadruk

te leggen op de genderongelijkheden in een land: een positief getal betekent een

relatief betere situatie van vrouwen ten opzichte van mannen; een negatief getal

drukt het tegengestelde uit.

Er werd ook een andere indicator, de Indicator van de Participatie van vrouwen (IPV),

gecreëerd. Deze is specifiek gericht op de mogelijkheden en kansen die vrouwen

krijgen op politiek en economisch gebied. In die zin is de IPF een positieve indicator.

Hij is samengesteld en wordt berekend op basis van verschillen tussen mannen en

38

Verdrag tot uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen.

82


marielle bruyninckx

vrouwen op drie niveaus: parlementaire vertegenwoordiging, deelname aan het

economisch leven en macht/controle over economische middelen. De eerste dimensie

wordt weergegeven door het percentage parlementaire zetels dat ingenomen wordt

door respectievelijk, mannen en vrouwen in het bepaald land. De tweede wordt

ingevuld door het percentage mannen en vrouwen die een representatiefunctie,

een directiefunctie, een functie in de beheerraad, een kaderfuncties of een (hoge)

technische functie bezetten. De derde ten slotte wordt geëvalueerd op basis van een

raming van het verschil in inkomen uit arbeid tussen mannen en vrouwen (UNDP,

2005).

Hoewel regeringen vandaag meer aandacht hebben voor de statistische gegevens

m.b.t. sekseverschillen en genderongelijkheden, vragen ze tegelijk preciezere

gegevens om uit te kunnen maken welke acties bij voorkeur ondernomen moeten

worden. Deze bewustwording blijkt nauw verband te houden met de besluiten van

de Wereldvrouwenconferentie van Peking in 1995, die ook een actieprogramma voor

meer macht voor vrouwen bevat. Deze vraag naar statistische hulpmiddelen,

bedoeld om prioritaire interventiedomeinen voor de strijd tegen de ongelijkheid

tussen mannen en vrouwen te identificeren, blijkt bijzonder belangrijk voor het

Afrikaanse continent, waarop zich 35 van de 50 Minst Ontwikkelde Landan situeren

(Bruyninckx & Berte, 2007). In antwoord op deze verwachting stelt de Economische

Commissie voor Afrika (ECA), een orgaan dat gegroeid is uit de Verenigde Naties,

de Index van de ontwikkeling en de ongelijkheden tussen de seksen in Afrika (IDISA) op

punt; het is de bedoeling om zo strategieën te ontwikkelen, die aangepast zijn aan de

Afrikaanse context en waarvoor de gegevens die op internationaal niveau verzameld

zijn vaak onvolledig zijn.

Deze index werd in 2004, op de tweede dag van het Forum voor de ontwikkeling

van Afrika (ADFIV), voorgesteld en goedgekeurd door de ministers en experts die

aanwezig waren op de Zevende Regionale Afrikaanse Conferentie over vrouwen

(Beijing +10). Hij werd in 12 Afrikaanse landen geëvalueerd: Zuid-Afrika, Benin,

Boerkina Faso, Kameroen, Ethiopië, Egypte, Ghana, Madagaskar, Mozambique,

Oeganda, Tanzania en Tunesië. De aanpassingen en ontwikkelingen van zijn

berekening gebeuren trouwens in functie van de besluiten van de tests die in deze

verschillende landen doorgevoerd werden.

De IDISA vormt een concreet verlengde van de verbintenissen die aangegaan werden

op de Wereldvrouwenconferentie van Peking in 1995 en door de ratificatie van het

Verdrag tot uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen. De index

beoogt namelijk een objectieve beoordeling te verschaffen van de vooruitgang van

het Afrikaanse continent inzake de status en maatschappelijke positie van vrouwen,

daar waar men zich tot dan toe hierover slechts een idee kon vormen door middel

van de periodieke regeringsverslagen. De creatie van de IDISA draagt ook vanuit het

83


Integratie van gender in de statistische indicatoren

perspectief van de gemeenschap bij tot ontwikkeling, door de bevordering van de

interdepartementale samenwerking binnen de ministeries te verzekeren en door de

competitie tussen de Afrikaanse staten aan te wakkeren, doordat landen met relatief

dezelfde basiskenmerken met elkaar geconfronteerd worden m.b.t. de vooruitgang

die ze geboekt hebben. De IDISA vormt een index die formeel ontworpen werd

voor Afrika: hij steunt op de Afrikaanse handvesten en documenten die een impact

hebben op de genderrelaties, alsook op de aard van de relaties tussen mannen en

vrouwen in Afrika. Hij bevordert tot slot het gebruik van nationale gegevens, om zo

de lacunes in de gegevens die op internationaal niveau verzameld werden in te vullen

(ECA, 2004). Het is de wens is van de ECA om het gebruik van de IDISA uit te

breiden naar alle Afrikaanse landen; hiertoe zouden in 2006-2007 26 nieuwe landen

betrokken moeten worden bij het project (Le Monde selon les femmes, 2006).

De IDISA bestaat uit twee delen: de Index van de Positie van de Vrouw (IPF) en het

Overzicht van de Bevordering van de Vrouw in Afrika (TBPFA). Deze twee luiken bevatten

elk drie rubrieken. De eerste verwijst naar sociale macht, aan de hand van indicatoren

die betrekking hebben op onderwijs en gezondheid. De tweede besteedt aandacht aan

economische macht door onder meer rekening te houden met het concept ‘budget/

tijd’, met als doel de onzichtbare bijdrage van vrouwen aan de actieve bevolking te

evalueren. De derde heeft betrekking op politieke macht, t.t.z., de mogelijkheid om

de resultaten te beïnvloeden en om hiertoe bij te dragen door middel van participatie

in de organisatie en deelname aan de onderhandelingen en aan de stemming in het

kader van zowel de formele als informele politieke macht. De TBPFA behandelt

ook een vierde rubriek die een kwantificering van de rechten van de vrouw beoogt,

een thema dat in de klassieke indexen van het UNDP ontbreekt. De combinatie

van de resultaten die behaald worden door een land voor de twee constituerende

indexen van de IDISA, maakt een vrij exhaustieve beoordeling mogelijk van de

situatie van een land op vlak van gelijkheid tussen de geslachten. Het laat ook toe

om de prioritaire sectoren te bepalen waarop men het toekomstige beleid zal moeten

richten (Bruyninckx & Berte, 2007).

Het grote verschil tussen de IPF en de TBPFA betreft de soort gegevens die

verzameld worden: de IPF geeft een kwantitatief overzicht van gegevens m.b.t.

bepaalde relevante criteria voor de Afrikaanse wereld en ligt dus in het verlengde van

het basisprincipe van klassieke indicatoren van het UNDP; de TBPFA houdt een

fundamentele vernieuwing in, met name, doordat hij kwalitatieve gegevens probeert

te ‘becijferen’ (CEA, 2004). Hij is met name gericht op domeinen waarvoor een

klassieke kwantificering moeilijk denkbaar is: de rechten van de vrouw op juridisch

vlak, maar ook op cultureel en religieus niveau; alsook relevante aspecten uit het

domein van de privé-sfeer zoals geweld op vrouwen.

84


marielle bruyninckx

Zowel rekening houden met kwantitatieve als met kwalitatieve gegevens in de

opbouw van een samengestelde index betekent een première voor de internationale

scène. Niettemin verdienen andere voordelen van de IDISA een vermelding:

de invoering van nieuwe types van gegevens zoals ‘budget/tijd’, maar ook zijn

gebruiksvriendelijkheid, of ook nog, de mogelijkheid om de meest recente gegevens

op te pikken dankzij de consultatie van ‘nationale’ gegevens. Toch zijn er bepaalde

lacunes waarover nagedacht zal moeten worden. Zo houdt de dimensie m.b.t.

het verschil tussen de positie van mannen en vrouwen in een land in deze index,

geen rekening met de algemene socio-economische situatie van dit land; het blijft

dus nodig om tegelijkertijd andere indexen zoals de HDI of de HPI, te gebruiken.

Bovendien blijven bepaalde gegevens, ondanks alle geleverde inspanningen,

moeilijk te verkrijgen. Tot slot zouden de rapporten nog vaak aanleiding geven tot

meningsverschillen tussen de betrokken partijen, wat de noodzaak bewijst om dieper

na te denken over de modaliteiten van het kader waarop ze aansluit. Een interessant

idee om de slechte verstandhoudingen te beperken zou bijvoorbeeld de verhoging

kunnen zijn van het aantal genoteerde categorieën voor bepaalde indicatoren die nog

te onduidelijk zijn (Le Monde selon les femmes, 2006).

3. Besluit

Sinds het begin van de jaren 90 zijn er zijn een zeker aantal stappen gezet om

een alternatief maatschappijmodel voor te stellen, een model dat niet uitsluitend

gericht is op winstbejag, maar eerder op de verhoging van het welzijn van de mens

als centrale, fundamentele en universele waarde (Bruyninckx & Berte, 2007). In dit

opzicht heeft de uitwerking van alternatieve statistische indicatoren toegelaten om

de mate van ontwikkeling te beschouwen volgens denkbeelden die veel meer gericht

zijn op de mens. Voortaan wordt de nadruk ook gelegd op “de groei van menselijke

capaciteiten, die de vrijheid weerspiegelt om de verschillende doelstellingen die

de mensen verkiezen, te verwezenlijken” (PNUD, 2002). Vanuit dit gezichtspunt

kreeg registratie van de verschillen tussen mannen en vrouwen bijzondere aandacht

en gaat ze voortaan voorbij aan de fase van de intenties, om zich te richten op de

middelen en acties die opgezet worden om op een efficiëntere manier rekening te

houden met gender in de ontwikkelings programma’s. Inderdaad, “Bijzonder relevant

in landen van het Zuiden waar sommige samenlevingen gekenmerkt worden door

grote ongelijkheden tussen vrouwen en mannen m.b.t. hun rechten en status in de

samenleving, draagt de genderbenadering bij tot het nastreven van democratische

beleidsdoelstellingen zoals de versterking van de capaciteiten en de rechten, die zich

in het hart bevinden van de actuele benaderingen van het ontwikkelingbeleid” (HCCI,

2005). Deze bewustwording vertaalt zich in Afrika op een bijzonder interessante

manier, via de creatie van de IDISA. Bijgevolg, zelfs al worden bepaalde lacunes in

zijn opbouw benadrukt, toch betekent deze index een inspirerende vooruitgang voor

85


Integratie van gender in de statistische indicatoren

het specifieke denken over de situatie van de vrouw, omdat IDISA onrechtstreeks

bijdraagt tot de menselijke ontwikkeling van Afrika omwille van de dynamiek die de

evolutie van de status van de vrouw in gang zet.

4. Bibliografie

Bruyninckx, M. & Berte, C. (2007), « Indicateurs statistiques alternatifs : comment

intégrer la part des femmes dans l’évaluation du Développement humain au Sud? »,

Cahiers marxistes, n°235, pp. 31-44.

CEA (Commission Economique pour l’Afrique) (2004), Indice de développement et des

inégalités entre les sexes en Afrique, Addis-Abeba.

CNUCED (2004), Rapport sur les pays les moins avancés 2004, Conférence des Nations

Unies sur le Commerce et le Développement, Nations Unies, New York et Genève.

DGOS (2002), Note stratégique égalité des droits et des chances entre les femmes et les hommes,

Service public fédéral affaires étrangères, commerce extérieur et coopération au

développement, Direction générale de la Coopération au Développement.

Gadrey, J. & Jany-Catrice, F. (2003), « Développement et progrès social : quels

indicateurs choisir ? », Alternatives économiques, n°211, 2003, pp. 70-74.

HCCI (2005), Le genre dans les Institutions internationales.

Le Monde selon les femmes (2006), Genres et indicateurs de développement, Actes du 8 mars

2006, Bruxelles, 2006.

Verenigde Naties (1996), Rapport de la quatrième conférence mondiale sur les femmes. Beijing,

4-15 octobre 1995, New York.

Verenigde Naties (2005), Les objectifs du Millénaire pour le développement. Rapport 2005,

New York.

UNDP (1995), Rapport mondial sur le développement humain 1995, Programme des

Nations Unies pour le Développement, New York.

UNDP (2002), Rapport arabe sur le développement humain 2002, Programme des Nations

Unies pour le Développement, New York.

UNDP (2005), Rapport mondial sur le développement humain 2005, Programme des

Nations Unies pour le Développement, New York.

UNDP (2006), Rapport mondial sur le développement humain 2006, Programme des

Nations Unies pour le Développement, New York.

86


marielle bruyninckx

Elektronische documenten

http://www.becompta.be

Wereldbank (2006), http://www.worldbank.org

87


gender, gegevensverzamelIng,

onTwIkkelIngsIndIcaToren en EmpowErmEnt

Patrick Vanderhulst 39

1. De ontwikkeling van de AURA TM methode

ATOL heeft een benadering ontwikkeld die afgestemd is op de versterking

(empowerment) van basisorganisaties. Deze benadering combineert een aantal

strategieën met aangepaste hulpmiddelen; ze bepaalt enerzijds, de domeinen waarop

de resultaten worden gemeten en anderzijds, de grote strategische lijnen die het

proces beïnvloeden.

De resultaten van een proces van empowerment kunnen vanuit verschillende

invalshoeken benaderd worden:

• het HEBBEN of de verhoging van materiële en economische capaciteiten,

evenals een betere toegang tot de productiemiddelen (toegang tot grond,

kredieten, opleidingen …);

• het KENNEN (en de knowhow), verbeterd door vormingen en opleidingen,

een betere beheersing van de middelen om in een discipline vooruitgang te

boeken;

• het versterkte KUNNEN of de verwerving van het recht om voor zichzelf

beslissingen te nemen ofwel om beslissingen die hiermee verband houden te

beïnvloeden;

• het WILLEN of de ontwikkeling van de wil (innerlijke macht) om te veranderen

en de overtuiging de drijvende kracht te kunnen zijn van een dergelijke

verandering.

39

ATOL

89


Gender, gegevensverzameling, ontwikkelingsindicatoren en empowerment

Deze zelfde vier aspecten van empowerment en het principe van de dynamiek, of het

proces eigen aan iedere organisatie, staan in de methodologische gids (CVO, 2007)

voor het bepalen van indicatoren van empowerment van de Commissie Vrouwen en

Ontwikkeling, waarvan Lisette Caubergs, lid van ATOL, medeauteur is.

De strategieën van het sociaal leren 40 kunnen in vijf processen gehergroepeerd worden;

ze worden in detail beschreven in de hierboven vermelde AURA 41 benadering:

• de ACTIE of het vermogen om zijn projecten goed te beheren: alles wat het

beheer van de programmacyclus betreft (en de nieuwe BGR versie: Beheer

Gericht op de Resultaten);

• het NADENKEN of het ‘afstand nemen van’, waardoor nagedacht kan worden

over gemaakte keuzes en over de kwaliteit van genomen beslissingen;

• de ONDERHANDELING of het vermogen om goed te kunnen onderhandelen

over samenwerkingsakkoorden en om deze goed uit te kunnen voeren.Men

bereikt namelijk niets duurzaams als men helemaal alleen te werk gaat. Gender

is daarvan een duidelijk bewijs;

• De COMMUNICATIE met de bedoeling om de dialoog en de transparantie te

verbeteren. Achterhouden van informatie vormt inderdaad een bron van macht,

maar het is een macht tegen en niet een macht met. Toch wordt informatie gezocht

vóór ze gegeven wordt. Goed informeren is ook iets wat men verschuldigd is;

• De EENDRACHT of groepsdynamiek, de kracht van ‘erbij te horen’, van de

identificatie met een groter geheel, van het uittreden uit het isolement. De groep

helpt elk lid om zich te ontplooien en ontleent daaraan ook zijn mobilisatiekracht.

Als tegengewicht voor de individualiserende trends en de Amerikaanse mythe

dat ieder individu kan ‘slagen’, moet een dosis collectivisme zorgen voor een

nieuw evenwicht. De reproductieve taken van vrouwen vormen het bewijs van

hun verenigings’cultuur’ (te beginnen bij het gezin).

40

Dit leerproces wordt ‘sociaal’ genoemd omdat het toestaat de capaciteit te bepalen om

enerzijds autonoom te handelen en anderzijds, om de andere betrokken spelers te beïnvloeden,

of het nu bondgenoten zijn of vijanden.

41

De AURA of AUto Renforcement Accompagné (Begeleide Zelfempowerment). Beschreven

in de handleiding van ATOL is beschikbaar op: http://www.atol.be/port/od/

aurapres.htm

90


Patrick Vanderhulst

2. De bijdrage van het onderzoek

Om deze vijf strategieën te bepalen heeft ATOL zich geïnspireerd op andere

onderzoeken zoals dat van Wildemeersch van de Katholieke Universiteit van Leuven

(KUL). In samenwerking met de partners van het actieonderzoek werd deze studie

echter verfijnd.

Naast de drie klassieke aspecten van empowerment: het hebben, het kennen en het kunnen,

hebben we ervoor gekozen om het willen toe te voegen; het willen, dat betrekking

heeft op het individuele niveau, op het niveau van het zelfvertrouwen en van de

strijd tegen de angst om zelf beslissingen te nemen en om verantwoordelijkheid

voor zijn daden op te nemen. De afwezigheid van willen is namelijk één van de meest

voorkomende hinderpalen voor empowerment van vrouwen, waarbij het gebrek aan

wil zich vertaalt in fatalisme.

Tot slot hebben we er een vijfde strategie aan toegevoegd (eendracht): het erbij horen

en de identificatie met zijn/haar vereniging verschaft iedereen de gelegenheid om in

alle veiligheid te veranderen en om zich als individu te ontplooien. De groep schenkt

zelfvertrouwen, en omgekeerd.

ATOL ontwikkelt nieuwe benaderingen via actieonderzoek. Hierdoor worden

principes en hulpmiddelen die door onderzoekers en ideologen ontworpen zijn,

enigszins opnieuw geschikt of (her)aangepast, voor en door de partners, individueel

en in groep of binnen het netwerk. Dit onderzoek houdt dus, zoals de naam het

aangeeft, rechtstreeks verband met de actie. Het benut de ervaringen van de partners,

vertaalt en verifieert de begrippen en theorieën en begeleidt een interne (her)vorming

ervan.

Op deze manier streeft ATOL naar de ontwikkeling van concepten en van

operationele benaderingen. Dit alles leidt tot een geheel van strategieën, die verrijkt

worden met aangepaste hulpmiddelen en methodes. De gebruikte theorieën moeten

nuttig zijn om het eigen handelen beter te begrijpen en te veranderen.

91


Gender, gegevensverzameling, ontwikkelingsindicatoren en empowerment

3. Integratie van de genderdimensie

In onze actieonderzoeken wordt de genderdimensie geïntegreerd. Deze houdt

namelijk rekening met specifieke eigenheden van veel vrouwen: analfabetisme 42

en isolement 43 (waardoor het blikveld beperkt blijft), bezorgdheid om of

behoedzaamheid t.a.v. ‘sociale gevolgen’, afwezigheid van ‘productierechten

(toegang tot productiemiddelen)… .

ATOL streeft in dit verband naar benaderingen die voldoen aan de vereisten van

gelijkheid en waarin vrouwen een belangrijke rol hebben. De beoogde oplossingen

streven naar het ontwikkelen van hun kunnen met, wat ook een verandering van de

genderrelaties met zich meebrengt, zonder dat dit als een machtsovername gezien of

ervaren wordt, maar eerder als een vorm van wederzijdse en positieve beïnvloeding.

4. Verschillen met het onderzoek

De verschillen met de onderzoekers zijn tamelijk fundamenteel. Leren van is voor

ATOL even belangrijk als leren aan. Het onderzoek maakt overdreven aanspraak

op het monopolie van kennis en bijgevolg, infantiliseert het de ‘doelgroep’. De

volwassene bouwt nieuwe kennis op, op basis van zijn waarnemingen. Als hij ervaart

dat hij als ‘onderzoeksobject’ behandeld wordt, dat hij geïnstrumentaliseerd wordt,

leert hij niets bij.

Een pedagogiek van empowerment (van bevrijding) moet ook samengaan met een

intern onderzoek 44 en met de toepassing ervan in de praktijk, in plaats van de andere

louter te gebruiken als onderzoeksobject.

ATOL hecht veel belang aan de wederkerigheid in het leerproces. Bescheidenheid en

respect voor de ander zijn in haar ogen essentiële waarden.

42

Analfabetisme: naast lezen, schrijven en rekenen is het ook een handicap om niet te (kunnen)

communiceren buiten de onderwerpen en de kring van het gezin. Het woord nemen in

het openbare debat wordt ‘cultureel’ vaak scheef bekeken.

43

Het isolement van vrouwen houdt verband met hun gebrek aan mobiliteit omdat ze

minder externe ontmoetingen en voorbeelden hebben die hen kunnen inspireren en hen

argumenten bezorgen voor innovatie.

44

In het boek Politiek en sociale verandering. Elementen voor de ideeën en de actie (De Leener et al.,

2005) wordt deze pijler ontwikkeld. Men moet de eigen gedachte en de kritische gedachte

veralgemenen. (p.167) De reflexiviteit (of hoe zichzelf tot onderwerp van het denken nemen)

wordt aangevuld met de vraagstelling (Ik denk dus ik ben, nvdr)

92


Patrick Vanderhulst

5. De uitdagingen voor het onderzoek

zijn:

• een grotere openheid om de unieke complexiteit van ieder ontwikkelingsproces

te ontdekken en te begrijpen, evenals een evenwaardig partnerschap om de

onderzoekscapaciteit en het leervermogen te ontwikkelen, inclusief deze van de

ngo’s en de lokale partners in het Zuiden;

• een meting van de impact van interventies zoals de BGR ons steeds meer

oplegt. Dit overstijgt echter het mandaat en de mogelijkheden van de ngo’s 45 .

Een Noord-Zuidsamenwerking tussen de onderzoekinstellingen, inclusief deze

van de staat, zou de bescheiden instrumenten voor ‘opvolging-evaluatie’ van

de interventies van ngo’s moeten aanvullen. Deze laatste moeten vooral de

resultaten maximaliseren, eerder dan het onderzoek;

• een beperking van de uniformiteit van het beleid en van de benaderingen. De

principes van ondersteuning impliceren een decentralisering van de macht om

het beleid te (her)bepalen. Ieder kader, elke context is uniek en kan andere

determinerende factoren hebben of een ander hiërarchisch verband tussen

factoren bevatten;

• de aanpassing van de ‘opvolging-evaluatie’ en van het actieonderzoek aan

de specifieke situatie van de betrokken actoren. Hiertoe moeten nieuwe,

onverwachte en zelfs onvoorziene elementen opgenomen kunnen worden in

het actieonderzoek en in de ‘opvolging-evaluatie’, aangezien men in complexe

contexten (die o.a. bepaald worden door veranderende krachtsverhoudingen)

met mensen werkt;

• het ‘onderzoek-leerproces’ vormt doorheen de spiraal van (her)vorming van

begrippen, proefneming, veralgemening en reflectie, de cyclus van het leren.

Als men deze spiraal niet volgt, blijft men vasthangen in een bepaalde logica

en beperkt men zich tot het verbeteren wat men al doet. Soms verandert

men zaken opdat alles hetzelfde zou blijven. Het discours verandert, maar de

genderverhoudingen evolueren nauwelijks.

45

De overheid (ontwikkelingssamenwerking) eist steeds meer dat de ngo zijn interventie verantwoordt

vanuit het perspectief van de verkregen resultaten. Deze impact is nochtans het

resultaat van een aantal factoren die de schaal van de ngo overstijgen: in welke mate draagt

de interventie hiertoe bij, in welke mate kunnen de ongrijpbare en kwalitatieve effecten in

aanmerking worden genomen?

93


Gender, gegevensverzameling, ontwikkelingsindicatoren en empowerment

6. Bibliografie

CVO (Commissie Vrouwen en Ontwikkeling) (2007), Empowerment van vrouwen.

Een methodologische handleiding, http://www.dgci.be/documents/nl/cvo/CFD_

empowerment_vrouwen.pdf

De Leener, Ph., Ndione, S.E., Mbaye, M., Raymond, C., Matthijs, Y. (2005), Changement

politique et social : Eléments pour la pensée et l’action, Enda Graf Sahel, Dakar.

94


hulpbeleId en onderzoek Inzake hulpbeleId

vanuIT een genderperspecTIef

nathalie holvoet 46

1. Inleiding

Het ontwikkelingsdenken en de praktijk zijn de laatste jaren grondig dooreen

geschud. Ons begrippenkader is aangevuld met termen als ‘eigenaarschap (countryownership)’,

participatie, resultaatsgerichtheid, harmonisatie en afstemming

(alignment), budgethulp, PRSPs, SWAPs, etc. De conferenties van Monterrey,

Rome, Marakkech en Parijs hebben de bakens inzake ontwikkelingssamenwerking

verplaatst 47 . De evoluties in hulpbenaderingen maken het voorwerp uit van tal van

studies.

In deze bijdrage bekijken we allereerst de zichtbaarheid van ‘gender’ binnen het

recente ‘mainstream’ hulponderzoek. De vaststelling dat dit onderzoek in grote

mate genderblind is, leidt logischerwijze tot de vraag of er überhaupt onderzoek

bestaat inzake hulpbeleid vanuit een genderinvalshoek dat een interessante bijdrage

zou kunnen leveren aan het huidige ‘mainstream’ hulponderzoek. Het bevestigende

antwoord wordt geïllustreerd in punt 3 waar een selectief overzicht wordt

gepresenteerd van ‘gendergevoelig’ hulponderzoek. De mate waarin het huidige

hulpbeleid beïnvloed of geïnspireerd lijkt te zijn door dit onderzoek wordt nader

bekeken in punt 4. In punt 5 tenslotte worden een aantal uitdagingen opgelijst voor

‘genderexperts’ die betrokken zijn bij ‘hulp’onderzoek en -beleid, en er worden enkele

suggesties aangebracht om de koppeling tussen onderzoek en beleid te verbeteren.

2. Gender in het recent ‘mainstream’ onderzoek

inzake hulpbeleid, –effectiviteit en efficiëntie

De beoordeling van de gendergevoeligheid van hulponderzoek is niet gebeurd

op basis van een exhaustieve lijst van literatuur binnen dit brede domein. Er

werd geopteerd om te focussen op onderzoek dat zich toespitst op de evolutie

46

Hoogleraar, Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -beheer, Universiteit Antwerpen.

47

Voor een overzicht van de belangrijkste conclusies van de verschillende conferenties zie

www.aidharmonisation.org.

95


hulpbeleid en onderzoek inzake hulpbeleid vanuit een genderperspectief

in de hulpmodaliteiten. Er bestaat ondertussen een uitgebreide literatuur die de

veranderingen inzake hulpmodaliteiten beschrijft, analyseert en probeert te verklaren.

Deze is vaak geïnspireerd door de institutionele (politieke) economie en analyseert

de evoluties, de effectiviteit en efficiëntie van hulpmodaliteiten en het gedrag van de

belangrijkste actoren aan de hand van ondermeer contracttheorie, principal-agent

en asymmetrische informatietheorieën (zie o.m. Adam and Gunning, 2002; Azam

and Laffont, 2003). In de analyse van het falen van hulpmodaliteiten als Structurele

Aanpassingsprogramma’s wijst men vb. op problemen van ‘eigenaarschap’

(‘ownership critique’) en ‘afdwingbaarheid’ (‘enforcement critique’), problemen die

nieuwere hulpmodaliteiten als budgethulp en instrumenten als PRSPs, SWAPs

expliciet proberen aan te pakken en die leiden tot meer nadruk op principes van

‘eigenaarschap’, ‘alignering’, ‘resultaatsgerichtheid’.

Recentelijk is er ook een toename van studies, surveys, evaluaties die de implementatie,

effectiviteit en de impact van de nieuwe hulpmodaliteiten of bepaalde kernprincipes

ervan onderzoeken. Dit onderzoek wordt in grote mate aangestuurd door bilaterale

en multilaterale donoren. Gekende voorbeelden van dergelijke studies zijn de Joint

Evaluation of Global Budget Support (zie IDD and Associates, 2006), de multidonor

evaluaties van de Common Development Framework (zie Worldbank,

2003; 2005), de OECD/DAC en Special Partnership with Africa (SPA) surveys on

Harmonisation and Alignment (zie OECD/DAC, 2005; SPA-6 Budget Support

Working Group, 2004; 2005), de Monitoring van de Paris Declaration (zie OECD/

DAC, 2007).

Een doorlichting van zowel de eerder theoretische literatuur als de meer

beleidsgestuurde studies geeft aan dat beide stromen van onderzoek in grote mate

genderblind zijn. Allereerst is het zo dat ‘gender’ als thema grotendeels onzichtbaar

blijft. Tekenend is vb. dat binnen de grootschalige Joint Evaluation of GBS geen

middelen voorzien waren voor de exploratie van ‘gender’ issues (zie OECD/DAC,

2006). Gezien ‘gender’ samen met andere cross-cutting issues slechts vermeld

wordt in één paragraaf van de Parijsverklaring 48 , is het weinig waarschijnlijk dat de

Opvolging van de Parijsverklaring zeer gendergevoelig zal worden.

Naast de afwezigheid van ‘gender’ als thema is het eveneens zo dat het bestaande

onderzoek inzake hulpbeleid met een genderinvalshoek bijzonder weinig wordt

aangehaald in het recente mainstream ‘hulp’onderzoek. Wie niet thuis is in de ‘gender

& hulp’-literatuur krijgt de indruk dat dergelijk onderzoek eigenlijk onbestaande is.

Een selectief overzicht van de bestaande literatuur in punt 3 bewijst het tegendeel.

48

‘Gender’ wordt vermeld in paragraaf 42 die betrekking heeft op de noodzaak aan harmonisatie-inspanningen

op het vlak van cross-cutting issues.

96


3. Onderzoek inzake gender & hulpbeleid: een

selectief overzicht

nathalie holvoet

In de voorbije jaren zijn er heel wat interessante studies verschenen binnen het domein

van gender & hulp/ontwikkelingsbeleid die zowel het ‘mainstream’ hulponderzoek

kunnen verrijken als het hulpbeleid, -effectiviteit en -efficiëntie kunnen verbeteren.

Hierna volgt een bondig overzicht van een selectie van deze literatuur.

3.1. Onderzoek over verschillende beleidsbenaderingen

tegenover gender/vrouwen & ontwikkeling

Een eerste interessante stroom van literatuur is deze betreffende de verschillende

benaderingen en ‘framing’ die doorheen de tijd werden aangenomen tegenover

de problematiek van vrouwen/gender en ontwikkeling. Auteurs zoals Jackson and

Pearson (eds)(1998), Moser (1993), Razavi and Miller (1995) beschrijven en analyseren

het ondertussen welgekende en nog steeds relevante onderscheid tussen de ‘Women

in Development (WID)’ en de ‘Gender and Development (GAD)’ benadering.

Kenmerkend voor WID is de instrumentele behandeling van het beleidsobjectief

‘gelijkheid tussen mannen en vrouwen’. De aandacht voor de achtergestelde positie

van vrouwen wordt m.a.w. grotendeels verantwoord op basis van andere finaliteiten,

zoals armoedebestrijding, economische groei en economische ontwikkeling. De idee

binnen de anti-armoede en efficiëntiebenadering (twee WID-deelbenaderingen)

was eigenlijk dat de tot dan toe bestaande vrouwelijke arbeidsreserve onvoldoende

werd aangesproken en dat integratie van vrouwen binnen het bestaande proces van

economische activiteiten zou leiden tot meer economische groei en een algemene

daling van de armoede. De inschakeling van vrouwen in het arbeidsproces zou

bovendien als bijproduct een daling van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen

genereren. Projecten en programma’s die vanuit deze optiek werden opgezet, poogden

vooral de toegang van vrouwen tot de bestaande productiefactoren zoals land,

arbeid, krediet te verhogen zodat een inschakeling in het arbeidsproces niet langer

verhinderd werd. De anti-armoede en efficiëntie-benadering kenden internationaal

veel succes en worden tot op heden, en zeker in de context van PRSPs (zie punt 4),

nog heel vaak toegepast.

Vanaf de jaren 1990 was er internationaal een belangrijke evolutie in de

conceptualisering van de problematiek ‘vrouwen/gender en ontwikkeling’. Er

verschenen meer kritische bijdragen over de effecten van WID-geïnspireerde

projecten en beleid. ‘Vrouwenprojecten’ bleken niet de verhoopte effecten te hebben

op de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Vrouwen kregen wel toegang tot

productiefactoren maar in de meeste gevallen geen controle. Als ze participeerden

aan marktarbeid ging dit bijna nooit gepaard met een daling in de tijd die ze

97


hulpbeleid en onderzoek inzake hulpbeleid vanuit een genderperspectief

besteedden aan huishoudelijke arbeid, waardoor vrouwen gewoon een dubbele

dagtaak kregen. Meer participatie aan economische activiteiten betekende ook niet

noodzakelijk controle over de opbrengsten van deze activiteiten of een grotere

inbreng in beslissingen binnen het huishouden. De idee dat meer economische groei

via integratie van vrouwen aan het arbeidsproces automatisch zou leiden naar meer

gelijkheid tussen mannen en vrouwen was duidelijk iets te simplistisch (zie ook 3.2).

Bovendien bleek arbeid in de praktijk ook niet zo’n homogene productiefactor te

zijn als verondersteld: prijsincentieven in de vorm van hogere lonen voor vrouwelijke

arbeid werkten vb. vaak niet om meer vrouwen naar de arbeidsmarkt te krijgen (zie

ook 3.3).

Er was duidelijk nood aan meer diepgaand onderzoek naar de achterliggende

oorzaken van de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen en vooral mede vanuit

‘feministische’ invalshoek werd het belang van ‘gender’ naar voor geschoven (zie ook

3.3). Gender verwijst naar de socio-culturele constructie die de rollen, noden, rechten

en verantwoordelijkheden die mannen en vrouwen in een maatschappij kunnen

opnemen, definieert en die op deze wijze menselijk gedrag en intermenselijke relaties

structureert. De ‘Gender and Development’(GAD)-benadering heeft aandacht voor

de impact van beleidsinterventies op ‘genderrelaties’ en ook voor de effecten van

bestaande genderrelaties op de effectiviteit en efficiëntie van beleidsinterventies. Men

wijst op het belang van het instituut ‘gender’ als mogelijke oorzaak voor armoede

en bijgevolg is het essentieel om bij ontwikkelingsinterventies steeds rekening te

houden met ‘gender’.

Het is duidelijk dat de GAD-benadering en de WID (anti-armoede & efficiëntie)-

benadering de relatie tussen armoede en M/Vgelijkheid op een verschillende

manier conceptualiseren, wat uiteindelijk ook leidt tot een andere beleidsopzet en

-maatregelen. Terwijl de WID-benadering ervan uitgaat dat armoedebestrijding leidt

tot M/Vgelijkheid en eigenlijk het bestaan van een institutie als ‘gender’ negeert,

plaatst de GAD-benadering het belang van het instituut ‘gender’ centraal. Bestaande

rigiditeiten in genderrelaties blokkeren economische groei en armoedebestrijding

en het zijn institutionele veranderingen aan genderrelaties, teweeggebracht door

ondermeer bottom-up collectieve actie en top-down beleid van gendermainstreaming 49 ,

die een proces van armoedebestrijding op gang kunnen brengen en versterken.

49

De term en het principe van ‘gendermainstreaming’ heeft vooral ingang gevonden

door de Conferentie van Beijing (1995). Het impliceert de integratie van de genderdimensie

doorheen alle sectoren, alle vormen en alle fasen van (ontwikkelings)

interventies.

98


nathalie holvoet

Tegenwoordig is het zo dat de meeste beleidsmakers (zowel op het vlak van

ontwikkelingssamenwerking als op andere beleidsdomeinen) wel een GAD-discours

gebruiken in hun beleidsverklaringen, zonder weliswaar echter de verschillende

beleidsinterventies conform deze benadering te ontwikkelen (zie hieromtrent ook

punt 4)

3.2. Onderzoek naar de relatie tussen economische groei

& ontwikkeling, menselijke ontwikkeling enerzijds en

gendergelijkheid en empowerment anderzijds

Zoals hierboven al aangestipt, is de relatie tussen economische groei, menselijke

ontwikkeling enerzijds en V/M gelijkheid het voorwerp van tal van studies. Er is

o.m. een brede stroom aan studies op micro-niveau die aantonen dat:

• onderwijs van moeders leidt tot een verhoging van het onderwijs- en

gezondheidsniveau van kinderen (zie o.m. King and Hill (eds), 1993)

• een grotere controle van vrouwen over landbouwinputs de landbouwoutput en

het inkomen gevoelig doet stijgen (zie o.m. Udry et al., 1995; Udry, 1996)

• meer inkomen in handen van vrouwen meestal een stijging van het welzijnsniveau

van alle gezinsleden impliceert (zie o.m. Haddad et al., 1997)

Het Wereldbankrapport “Engendering Development. Through Equality in Rights, Resources

and Voice” vat op een bevattelijke manier heel wat van het bestaande empirische

onderzoek samen. Het gaf tevens ook aanleiding tot het uitwerken van bijkomend

onderzoek op macro-niveau. Klasen (1999) heeft ondermeer aangetoond dat de

economische groei in Sub-Sahara Afrika (SSA), Zuid-Azië en Noord-Afrika over de

periode 1960-1992 jaarlijks respectievelijk 0.7%, 1.7% en 2.2% hoger zou geweest

zijn indien deze regio’s de seksekloof in onderwijsparticipatie op dezelfde wijze

hadden gedicht als Oost-Azië (zie verder ook Klasen, 2005, 2006).

Even relevant is het onderzoek naar de impact van economische groei en

ontwikkeling op gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Interessant is de vaststelling

dat er verschillende conclusies zijn naargelang de specifieke dimensies van ‘gelijkheid

tussen mannen en vrouwen’ die men onderzoekt. Terwijl economische groei en

ontwikkeling wel degelijk een positieve impact lijkt te hebben op de mate waarin

capaciteiten gelijk verdeeld worden tussen jongens en meisjes (levensverwachting,

onderwijs), blijkt deze vaststelling niet op te gaan voor opportuniteiten. Politieke

participatie van vrouwen en vrouw/maninkomensratio’s blijken inderdaad niet in de

eerste plaats beïnvloed te zijn door het niveau van economische ontwikkeling van

99


hulpbeleid en onderzoek inzake hulpbeleid vanuit een genderperspectief

een maatschappij. Meer gelijkheid op het vlak van opportuniteiten noodzaakt vooral

(institutionele) veranderingen aan dieperliggende ‘gender’ relaties alsook wettelijke

veranderingen (en bevestigt dus de GAD-benadering, zie 3.1).

3.3. Onderzoek naar effecten van genderblinde assumpties

voor het hulp & ontwikkelingsbeleid

Zoals hierboven reeds aangeduid, impliceert een GAD-benadering in de praktijk

dat de seksekloof (zeker inzake opportuniteiten) enkel kan gedicht worden via het

consequent toepassen van een genderbenadering doorheen de verschillende fasen

van een beleids/programma/projectcyclus: van probleemanalyse over de identificatie

van prioriteiten, implementatie en budgettering tot opvolging en evaluatie. Dit niet

doen, is om problemen vragen: ofwel werken beleidsmaatregelen niet of slechts

partieel, ofwel vergroten ze de bestaande kloof nog verder (zie o.m. Elson (ed),

1991; Kabeer, 1995; Palmer, 1995; Quisumbing and Mc Clafferty, 2006). Dit was

bijvoorbeeld één van de conclusies die naar voor werd gebracht in het kader van de

analyses naar het falen van Structurele Aanpassingsprogramma’s (SAPs).

Het is zeker niet de bedoeling om hier een grondige analyse te maken van Structurele

Aanpassingsprogramma’s, wel om één aspect van hun mislukking te belichten. Een

aantal feministische economen (zie o.m. Elson (ed), 1991) argumenteren dat SAPs

ten dele mislukt zijn omdat ze voor een groot stuk gebaseerd waren op genderblinde

assumpties. Arbeid werd bijvoorbeeld beschouwd als een homogene productiefactor

die gemakkelijk uitwisselbaar is tussen mannen en vrouwen. Om economische

groei te bewerkstelligen en tezelfdertijd op loonkosten te besparen, hebben SAPs

bijvoorbeeld gepoogd om mannelijke marktarbeid gedeeltelijk te vervangen door

vrouwelijke marktarbeid, waarbij men er dan automatisch van uitging dat deze

substitutie gepaard zou gaan met meer participatie van mannen aan huishoudelijke

(reproductieve) arbeid. Vrouwelijke arbeidskrachten werden gemotiveerd door een

lichte loonstijging (waarbij vrouwelijke lonen nog steeds lager lagen dan mannelijke).

In realiteit echter bleken vrouwen veel minder dan verwacht te reageren op deze

loonincentieven. Analyse naar de achterliggende oorzaken wees al vlug op het feit

dat allocatie van mannelijke en vrouwelijke arbeid over productieve en reproductieve

sfeer vaak veel meer bepaald wordt door onderliggende genderrelaties, het geheel

van normen en waarden die de grenzen vastleggen van wie wat kan en mag doen,

dan door economische factoren. Enkel in die gevallen waar gezinnen financieel

niet in staat waren om de bestaande ‘gender’ normen te volgen, was een stijgende

participatie van vrouwen aan de arbeidsmarkt merkbaar. Dit betekende echter niet

dat dit ook gepaard ging met een omgekeerde beweging van meer participatie van

mannen aan de zorgarbeid binnen het huishouden (reproductieve activiteiten). Waar

100


nathalie holvoet

SAPs de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen hebben verhoogd, hebben ze ineens

ook de dubbele dagtaak geïnstalleerd, waardoor de totale arbeidstijd (markt- en

zorgeconomie) van vrouwen gestegen is.

Een tweede genderblinde assumptie is de conceptualisering van het huishouden als

een éénheid. Bij het uitwerken van het beleid ging/gaat men er vaak van uit dat

het huishouden een soort van harmonieuze eenheid is, waar alle gezinsleden hun

inkomen samenbrengen en waar het huishoudelijke hoofd bij zijn/haar beslissingen

steeds rekening houdt met de behoeften van andere gezinsleden. Beleidsmakers die

het huishouden beschouwen als een eenheid zien het nut niet in van het richten

van beleidsmaatregelen op welbepaalde (vaak moeilijker bereikbare) individuen

binnen het huishouden. Dit impliceert dat informatiedoorstroming van en naar

individuen verloopt via het huishoudelijke hoofd, in de grote meerderheid van de

gevallen, een man. In de praktijk echter blijkt dat unitaire huishoudmodel vaak niet

te bestaan, en is het huishouden, net als de maatschappij, een plaats waar individuen

samenleven met vaak erg uiteenlopende voorkeuren, die niet noodzakelijkerwijze

hun (volledige) inkomen poolen, die elk verantwoordelijk zijn voor welbepaalde

beslissingen of die tot gezamenlijke beslissingen komen via onderhandeling. Wie de

grootste beslissingsmacht heeft, ziet in de uiteindelijke beslissingen het meest zijn/

haar voorkeuren weerspiegeld. In dergelijke gevallen alleen maar ‘het huishoudelijke

hoofd’ als aanspreekpunt nemen voor het volledige huishouden kan alleen maar

leiden tot een erg partieel en eenzijdig beeld over de welzijns-en welvaartsstatus en

de noden van verschillende leden van het huishouden en zorgt er anderzijds voor dat

heel wat informatie blijft hangen bij het huishoudelijk hoofd en nooit de werkelijke

doelgroep bereikt.

Tenslotte gaan genderblinde beleidsmakers (en onderzoekers) er ook vaak van

uit dat er een strikte scheiding bestaat tussen de markt- en de zorgeconomie. De

markteconomie is wat via het System of National Accounting (SNA) terecht

komt in het BNP, terwijl de zorgeconomie die productieve activiteiten 50 omvat die

binnen het huishouden plaatsvinden (zogenaamde ‘reproductieve arbeid’) en die

voor het overgrote deel niet opgenomen worden in het SNA en bijgevolg het BNP.

De ‘onzichtbaarheid’ van wat gebeurt in de zorgeconomie is vaak een, weliswaar

kortzichtige, oplossing voor beleidsmakers. Besparingen in de sociale sector zijn vb.

50

Het onderscheid tussen produktieve en niet-produktieve activiteiten/arbeid gebeurt theoretisch

op basis van het ‘derdepersoonscriterium’. Productieve arbeid zijn alle activiteiten die

door een andere persoon kunnen uitgevoerd worden met ‘eenzelfde’ resultaat (bv. afwassen

is een productieve activiteit, terwijl slapen en eten dit niet zijn). Het SNA omvat slechts

een deel van alle productieve activiteiten, nl. die activiteiten die (potentieel) via de markt

verlopen. In de praktijk worden heel wat huishoudelijke activiteiten uitgesloten (zoals o.m.

afwassen, strijken, kinderoppas, kleren wassen, etc.).

101


hulpbeleid en onderzoek inzake hulpbeleid vanuit een genderperspectief

vaak geen effectieve daling van uitgaven maar eerder een transfer van kosten naar

de ‘onzichtbare’ zorgeconomie binnen het huishouden (het is m.a.w. niet zo dat de

bevolking niet meer ziek wordt indien men publieke gezondheidscentra sluit, het

is gewoon zo dat de kost, vooral de tijd, voor ziekteverzorging verschuift naar het

huishouden). Wat gebeurt in de zorgeconomie heeft na verloop van tijd bovendien

een weerslag op de markteconomie. Arbeid is immers geen exogene productiefactor

(zoals simplistisch verondersteld in economische modellen) maar wordt geproduceerd

in de zorgeconomie. Een lagere kwaliteit van de zorgeconomie (door vb. een te sterke

druk op de zorgeconomie, een veronderstelling van oneindig uitrekbare elasticiteit

van vrouwelijke arbeid) leidt m.a.w. tot een lagere kwaliteit (productiviteit) van de

productiefactor ‘arbeid’, lagere economische groei en ontwikkeling.

3.4. Onderzoek inzake het instrumentarium om hulp/

ontwikkelingsbeleid en –praktijk gendergevoeliger te maken

Zoals hierboven aangetoond, is het integreren van een genderdimensie doorheen alle

domeinen en fasen van beleid noodzakelijk om te komen tot een effectief en efficiënt

beleid. Een meer toegepaste vorm van gender & hulponderzoek is het ontwerpen,

beschrijven en evalueren van benaderingen, methodologieën van horizontale en

verticale gendermainstreaming.

Een voorbeeld van dergelijk onderzoek is het studiewerk inzake genderanalysekaders.

Verschillende onderzoekers hebben doorheen de tijd kaders ontworpen die handig

kunnen zijn voor beleidsmakers en –uitvoerders om genderrelaties te analyseren en

factoren te identificeren die veranderingen aan genderrelaties kunnen blokkeren

of stimuleren. Een groot deel van deze genderanalysekaders (namelijk Harvard

Analytical Framework, Moser Framework, Longwe Women’s Empowerment

Framework, Gender Analysis Matrix (GAM) en de Social Relations Approach van

Kabeer) zijn verzameld en grondig besproken en geïllustreerd in March et al. (1999).

Het overgrote deel van deze kaders zijn vooral van toepassing op het micro-en

mesoniveau en in veel geringere mate op een macro-niveau. Een mogelijk instrument

dat wel kan gebruikt worden op het macroniveau is ondermeer de Country Gender

Assessment (GCA) van de Wereldbank (zie Bamberger et al., 2000).

Bijzonder relevant in de context van de nieuwe hulparchitectuur is het onderzoek

inzake gendergevoelig budgetteren (zie o.m. Budlender et al. (eds), 2002; Budlender

and Hewitt (2002); Holvoet, 2006b; Unifem (eds), 2002). Gendergevoelig budgetteren

impliceert het integreren van een genderdimensie doorheen de verschillende fasen van

de beleids-en budgettaire cyclus (en zowel in termen van inhoud als onderliggende

processen). Er is duidelijk een band tussen ‘gendergevoelig budgetterenen

verschillende van de onderliggende principes van de nieuwe hulpmodaliteiten. De

nadruk op resultaatsgerichtheid, die een confrontatie impliceert tussen financiële en

102


nathalie holvoet

reële sferen, is vb. gemeenschappelijk; alleen noodzaakt gendergevoelige budgetanalyse

een bijkomende desaggregatie van de gegevens volgens sekse en specifieke

aandacht voor het bereiken van de beleidsobjectieven inzake gendergelijkheid en

empowerment. Ook het meer inclusief maken van processen van beleidsopmaak,

implementatie en opvolging is een objectief van zowel gendergevoelig budgetteren

als de nieuwe hulpmodaliteiten; initiatieven van gendergevoelig budgetteren spitsen

dan vooral toe op de participatie van vrouwen en genderexpertise.

Er is niet alleen een interessante matching op het vlak van onderliggende basisprincipes.

Verschillende van de instrumenten beschreven in publicaties over gendergevoelig

budgetteren kunnen ingezet worden om verschillende fasen van PRSPs en SWAPs

meer gendergevoelig te maken. Concreet gaat het o.m. om volgende instrumenten:

• diagnose: gender-gedesaggregeerde identificatie van noden en behoeften

(gender-disaggregated beneficiary assessment)

• identificatie van prioriteiten en strategieën: gendertoets van het beleid (genderaware

policy appraisal)

• budgetteren: gendergevoelig Middellangetermijn Uitgavenkader (gender-aware

Medium Term Expenditure Framework)

• implementatie: Elson’s Budget Cycle Framework

• monitoring en evaluatie: gender-gedesaggregeerde incidentieanalyse van

overheidsuitgaven en -inkomsten (gender-desaggregated benefit incidence

analysis, gender-desaggregated tax incidence analysis), gender-gedesaggregeerde

analyse van de impact van budget op tijdsgebruik (gender-desaggregated analysis

time budget analysis), gender impactanalyse (gender impact assessment)

Het is evident dat in het noodzakelijke denkproces inzake het meer gendergevoelig

maken van nieuwe hulpmodaliteiten, het bestaande onderzoek rond gendergevoelig

budgetteren zeker suggesties kan aanreiken.

3.5. Onderzoek naar gendergevoeligheid van ontwikkelings-en

hulpbeleid met focus op studie van bilaterale en multilaterale

donoren

Om de gendergevoeligheid van het hulp/ontwikkelingsbeleid van donoren in kaart

te brengen, zou men idealiter de impact op het terrein van ontwikkelingsinterventies

op mannen, vrouwen en genderrelaties moeten kunnen ‘metenen analyseren. De

gegevens om dergelijke analyse te doen, zijn echter meestal niet voor handen. Het is

overigens wellicht ook niet echt de meest efficiënte manier om de gendergevoeligheid

103


hulpbeleid en onderzoek inzake hulpbeleid vanuit een genderperspectief

van hulp/ontwikkelingsbeleid te meten. Er is immers een lange ketting tussen

het discours en de finale impact op het terrein en het zou kortzichtig zijn te

veronderstellen dat je gendergevoeligheid kunt verwachten aan het uiteinde van

de ketting indien alle tussenliggende schakels van beleid en beheer geen rekening

houden met ‘gender’. De meeste studies (zie o.a. Goetz, 1992; Jahan, 1995; Hafner-

Burton & Pollak, 2002; Kardam, 1993; Moser, 1993; Painter for WIDE, 2004; Razavi

& Miller, 1995b; Razavi, 1997; Snyder et al, 1996) over gendergevoeligheid van hulp/

ontwikkelingsbeleid kiezen er inderdaad voor om zich allereerst toe te spitsen op

een analyse van de beleids- en beheersprocedures die geïnstalleerd worden om finaal

gendergevoelige impact op het terrein te bevorderen.

Een recente studie van NORAD (Aasen 2006) geeft een goed onderbouwd overzicht

van de gendergevoeligheid van een aantal donoren. De meta-evaluatie is gebaseerd

op acht evaluatierapporten gepubliceerd in de periode 2002-2006. Deze rapporten

hebben betrekking op 3 multilaterale (UNDP, ILO en de Wereldbank) en 4 bilaterale

donoren (Norad, Sida (2x), Dfid en de Europese Commissie). De conclusies van de

verschillende evaluatierapporten blijken onderling heel sterk overeen te stemmen

en bovendien zijn ze opvallend gelijklopend met de resultaten van een doorlichting

van de Belgische OS (zie Holvoet 2006a). Er is vb. bij de multilaterale en bilaterale

donoren waarvan sprake in de verschillende evaluatierapporten een gelijkaardig en

bijzonder hardnekkig fenomeen van ‘policy evaporation’ merkbaar. Er is m.a.w. meestal

een goed doordacht genderbeleid en er is een beleids- en beheersinstrumentarium

ontwikkeld, vooral wanneer het de integratie van ‘gender’ in projecten en programma’s

betreft. Overal echter is er sprake van een bijzonder moeizaam proces van

institutionalisering en operationalisering. Oorzaken die in de meta-evaluatie worden

aangehaald, zijn eveneens erg uniform. Er is sprake van onduidelijke mandaten en

verantwoordelijkheden voor de aanwezige genderexpertise. Het is m.a.w. voor het

management én de genderexperts zelf niet duidelijk of ze een ‘watchdog’ moeten

zijn, een ‘resource person’, een ‘trainer’, een ‘driver of change’ of al die verschillende rollen

moeten combineren. Het gebrekkige eigenaarschap over het genderbeleid, zowel aan

de top als aan de basis, en de afwezigheid van incentieven (de zogenaamde ‘carrots’ en

‘sticks’) voor personeelsleden resulteert in weinig daadwerkelijke inzet om gender te

integreren binnen de portefeuille. De middelen die ingezet worden om de objectieven

van gendergelijkheid en empowerment te bevorderen, dalen overigens, zowel in het

hoofdkantoor als op het terrein. Dat er wat misloopt met de effectieve toepassing

van het ontwikkelde instrumentarium riskeert bovendien onzichtbaar te blijven. Er

is immers heel weinig opvolging en evaluatie die de component gender integreert,

ook evaluaties die ‘gendergevoeligheid’ als specifiek thema vooropstellen, zijn eerder

uitzonderlijk en worden te weinig benut.

104


nathalie holvoet

Bijzonder interessant, maar tevens alarmerend, is de vaststelling dat om een volkomen

genderblindheid te vermijden in de context van de veranderende hulparchitectuur,

‘gender retrofitting’ haast nog de enige resterende optie lijkt te zijn. Het meer zichtbaar

maken van ‘gender’ binnen de ‘nieuwe’ hulpmodaliteiten en het zoeken naar een

‘optimale mix’ aan hulpinstrumenten vanuit het perspectief van de objectieven van

gendergelijkheid en empowerment wordt naar voor geschoven als één van de meest

dringende uitdagingen.

4. Feedback van bestaand ‘gender’ onderzoek

naar het actuele hulpbeleid in de praktijk: focus op

PRSPs

Naast een doorlichting van de gendergevoeligheid van het bestaand ‘mainstream’

hulponderzoek, is het eveneens belangrijk om na te gaan in welke mate het bestaande

gender & hulponderzoek (zie in 3) wordt opgenomen in de context van het huidige

veranderende hulpbeleid en de concrete implementatie op het terrein. Hierna

spitsen we de vraag meer concreet toe op PRSPs. We gaan allereerst kort in op

de opportuniteiten die de veranderende hulparchitectuur in principe biedt voor de

realisatie van meer gendergelijkheid.

In principe kan de overstap van soms geïsoleerde projecten naar ondersteuning van

het meer globale plaatje van sector- en nationaal armoedebeleid en programma’s de

integratie van transversale thema’s als gender, die op zich een meer allesomvattende

globale aanpak noodzaken, bevorderen. Indien men er uiteindelijk in slaagt om een

genderdimensie te integreren op het niveau van nationale armoedebestrijdingsbeleid/

programma’s en sectorieel beleid/programma’s dan impliceert dit een veel grotere

en meer duurzame impact op de gendergelijkheid en emancipatie dan de effecten

gecreëerd door kleinschalige projecten, hoe belangrijk die op zich ook kunnen zijn.

De evolutie naar nationale en sectorprogramma’s en vooral de intentie om meer

de eigen systemen en processen van het partnerland te gebruiken, betekent in

principe ook dat donoren meer belang hechten aan de kwaliteit van deze systemen/

processen. Eén van de basisprincipes (en procesconditionaliteit) die men vooropstelt

is het belang van ruime consultatie en participatie van actoren binnen en buiten

de overheid bij de opmaak, het beheer, opvolging en evaluatie van sectorbeleid/

programma’s en nationale armoedebestrijdingsbeleid/programma’s. Meer aandacht

voor de achterliggende processen en vooral voor de graad van inclusiviteit en

exclusiviteit kan er ook voor zorgen dat ook vrouwen meer kansen krijgen om te

participeren bij de beleidsopmaak, opvolging en evaluatie.

105


hulpbeleid en onderzoek inzake hulpbeleid vanuit een genderperspectief

Een ander belangrijk principe binnen het nieuwe hulpparadigma is

‘resultaatsgerichtheid’. Concreet betekent dit dat de focus verruimt van het niveau

van de inputs (financiële middelen) naar het niveau van de resultaten (‘outputs’,

‘outcomes’ en ‘impact’). Vanuit een genderperspectief kan deze evolutie nieuwe

kansen bieden voor effectieve implementatie van genderbeleid. Zoals blijkt uit

gender & hulponderzoek (zie 3.5) wordt het beleidsdomein van ‘gender’ heel

vaak gekenmerkt door ‘lipservice’ en ‘policy evaporation’ wat impliceert dat beleid

inzake gender vaak niet vertaald en geïmplementeerd wordt. Meer aandacht voor

‘targets’ en opvolging en evaluatie van specifieke genderbeleidsdoelstellingen is dan

ook zeker toe te juichen. Naast het potentiële positieve effect op de realisatie van

specifieke genderdoelstellingen (wat noodzaakt dat er ook daadwerkelijk targets voor

gendergelijkheid en empowerment worden gezet), zou een resultaatsgerichte aanpak

met meer aandacht voor resultaten, M&E en de terugkoppeling naar opeenvolgende

fasen van beleid en programma’s in principe een stimulans moeten betekenen

voor meer gendergevoeligheid. Zoals hierboven beschreven (zie 3.4) zijn er ook

benaderingen en methodes ontwikkeld om hulp meer gendergevoelig te maken die

heel nauw aansluiten bij de resultaatsgerichte aanpak. Concreet is het eigenlijk zo

dat de implementatie van gendergevoelig budgetteren veel makkelijker verloopt in

een systeem van resultaatsgericht management en budgetteren. Bovendien heeft

het onderzoek inzake de relatie tussen gendergelijkheid en empowerment enerzijds

en armoede, economische groei & ontwikkeling en menselijke ontwikkeling (zie

3.2) aangetoond dat gendergelijkheid onmiskenbaar bedraagt aan het bereiken van

resultaten op het vlak van de overige doelstellingen (die hoofddoelstellingen zijn

van PRSPs en sectorprogramma’s). Het onderzoek naar de impact van genderblinde

beleidsassumpties heeft de band tussen gendergevoeligheid en resultaatsgerichtheid

nog verder blootgelegd (zie 3.3). De conclusie op basis van het bestaande gender

& hulponderzoek is eigenlijk dat het vanuit een resultaatsgerichte aanpak logisch

en zelfs noodzakelijk is om de verschillende niveaus binnen een programmalogica

(namelijk de inputs, activiteiten, outputs, outcomes en impact) te differentiëren naar

relevante criteria (inclusief gender) die individuen in verschillende uitgangsposities

(gekenmerkt door verschillende beperkingen, opportuniteiten, behoeften) plaatsen

en die hun bedrag en reacties op beleidsincentieven bepaalt.

Vraag is uiteraard in welke mate deze inzichten ook daadwerkelijk een invloed hebben

op de effectieve graad van gendergevoeligheid van PRSPs. Onderstaand kader vat

de resultaten samen van onderzoek naar de effectieve graad van integratie van de

genderdimensie.

106


nathalie holvoet

Kader 1: Overzicht van de gendergevoeligheid van PRSPs

Gendergevoeligheid van de inhoud van PRSPs

• dalende tendens doorheen de verschillende fasen van de PRSP

• ‘capaciteiten’ scoren beter dan ‘opportuniteiten

• binnen het luik van de capaciteiten scoren de sectoren onderwijs &

gezondheidszorg beter dan transport & energie

• meer aandacht voor ‘praktische gendernoden (PGN)’ dan voor ‘strategische

gendernoden (SGN)’

• bestaande nationale gendernota’s weinig gebruikt

• bestaande genderdatabanken weinig gebruikt

• genderblinde beleidsassumpties (arbeid als homogene produktiefactor,

huishouden als éénheid, splitsing tussen markt-en zorgeconomie)

• heel vaak een WID-benadering (en meer bepaald een anti-armoedebenadering)

ipv. een GAD-benadering

Gendergevoeligheid van achterliggende PRSP-processen

• lage participatie van typische genderactoren zowel binnen als buiten de overheid

• typische genderactoren scoren vaak laag en hebben een geringe track-record in

macro-economische (en Public Finance Management) en politieke analyse

• vaak geen ‘sekse’representatieve bureaucratie en civiele maatschappij

• actoren die in ieder geval betrokken zijn bij PRSP processen hebben vaak zeer

geringe genderexpertise

Gendergevoeligheid van multilaterale & bilaterale donoren

• gender is zelden een issue in Joint Staff Assessments en Joint Staff Advisory

Notes

• gender is zelden een issue in de entry-points die donoren hanteren in het kader

van de nieuwe hulpmodaliteiten, met name: ex-ante diagnose, capaciteitsopbouw,

beleidsdialoog, monitoring & evaluatie

• weinig coördinatie tussen donoren

• weinig investering in de ontwikkeling van een aangepast beleids- en

beheersinstrumentarium en/of in het ‘herframen’ van het bestaande

instrumentarium

• weinig organisatorische veranderingen op het vlak van genderexpertise, zowel op

het vlak van het type als de locatie van genderexpertise

Bron: op basis van Bell (2003); Holvoet (2007); Kabeer (2003); Unifem (2006); Whitehead

(2002); Worldbank (2001b); Zuckerman and Garrett (2003).

107


hulpbeleid en onderzoek inzake hulpbeleid vanuit een genderperspectief

De globale conclusie lijkt te zijn dat er weinig effectieve integratie is van resultaten

van vroeger gender & hulponderzoek naar actueel beleid. Deze vaststelling lijkt

jammergenoeg niet enkel geldig te zijn voor wat betreft PRSPs maar is evenzeer

van toepassing op het beleid en de acties in het kader van de Millennium

Ontwikkelingsdoelstellingen. Deze conclusie is gebaseerd op ondermeer Gender

and Development (2005, vol. 13, no. 1), Kabeer (2003), UNDP (2003).

5. Conclusies, uitdagingen en een aantal suggesties

om de koppeling van onderzoek & beleid te

verbeteren

De conclusies inzake de gendergevoeligheid van het actuele ‘mainstream’

hulponderzoek en het effectieve beleid (en de implementatie) zijn duidelijk niet erg

hoopgevend. Het thema gender is niet aanwezig in het mainstream onderzoek en

het bestaande gender&hulp-onderzoek wordt nauwelijks geïntegreerd. Het beleid

tenslotte lijkt ook weinig inspiratie te zoeken in het gender&hulponderzoek dat

bestaat.

De actuele uitdagingen voor genderexperts actief in onderzoek en betrokken bij het

beleid zijn duidelijk velerlei. Een niet-exhaustieve lijst omvat o.m.

• gender op de ‘mainstream’ onderzoeks- en beleidsagenda plaatsen, via

ondermeer meer aandacht voor ‘strategic framing’ (gebruik van ‘mainstream’

terminologie)

• investeren in het (verder) ontwikkelen van een beleids & beheersinstrumentarium

om nieuwe hulpmodaliteiten meer gendergevoelig te maken en het ‘herframen

van het bestaande ‘project’ instrumentarium

• investeren in de gendergevoeligheid van de nieuwe entry-points voor donoren

(ex-ante assessment van beleid, capaciteitsopbouw, beleidsdialoog, M&E)

• uitvoeren/stimuleren van onderzoek naar de impact van nieuwe hulpinstrumenten

op gendergelijkheid en empowerment

• uitvoeren/stimuleren van onderzoek naar de impact van gender op de

implementatie en impact van nieuwe hulpinstrumenten

• onderzoek naar de ideale mix aan hulpinstrumenten vanuit de objectieven van

gendergelijkheid en empowerment

108


nathalie holvoet

Tenslotte is er meer aandacht noodzakelijk voor het verbeteren van de integratie

tussen onderzoek, zowel mainstream als gendergevoelig onderzoek, en beleid.

Mogelijke suggesties om de interactie te verhogen zijn o.m. (zie ook o.m. Carlsson

and Wohlgemuth (eds), 1999; Vanheukelom and Weytjens, 2007):

• het verhogen van de betrokkenheid van beleidsmakers bij de keuze van

onderzoeksonderwerpen (‘ownership’ van onderzoek verhogen) zonder evenwel

de onafhankelijkheid van onderzoekers in het gedrang te brengen

• incentieven voorzien om academici aan te zetten om te investeren in de

vertaalslag naar het beleid

• experimenteren met uitwisselingsexperimenten (academici die een tijdje gaan

meedraaien bij donoren; staf van donoren die anderzijds een tijdje binnen een

onderzoeksgroep geïntegreerd worden)

• stimuleren van fora waar academici en beleidsmakers kunnen discussiëren,

dialogeren

6. Bibliografie

Aasen, B. (2006), « Lessons from Evaluations of Women and Gender Equality in

Development Cooperaton », NORAD Synthesis Report 2006/1, NORAD, Oslo.

Adam, C. and Gunning, J.W. (2002), « Redesigning the aid contract: Donors’ Use of

Performance Indicators in Uganda », World Development, Vol. 30, No. 12, pp. 2045-

2056.

Azam, J.P. and. Laffont, J.J (2003), « Contracting for Aid », Journal of Development

Economics, vol. 70, pp. 25-58.

Bamberger, M., Blackden, M., Manoukian, V. & Fort, L. (2000), « Chapter 10 : Gender

+ Technical Notes », in PRSP Sourcebook, World Bank, Washington D.C.

Bell, E. (2003), « Gender and PRSPs: with experiences from Tanzania, Bolivia,

Vietnam en Mozambique », Bridge Development – Gender Report no. 67.

Budlender, D., Elson, D., Hewitt, G. and Mukhodpadhyay, T. (eds)(2002), Gender

Budgets Make Cents: Understanding gender responsive budgets, Commonwealth Secretariat,

London.

Budlender, D. and Hewitt, G. (eds)(2002), Gender Budgets Make More Cents: Country

Studies and Good Practice, Commonwealth Secretariat, London.

109


hulpbeleid en onderzoek inzake hulpbeleid vanuit een genderperspectief

Carlsson, J. and Wohlgemuth, L. (eds)(1999), Learning in Development Cooperation,

Almqvist & Wiksell International, Stockholm.

Elson, D. (ed)(1991), Male Bias in the Development Process, Manchester University Press,

Manchester.

Gender and Development (2005), vol. 13, no. 1 (special issue on gender & MDGs).

Goetz, A.M. (1992), « Gender and administration », IDS Bulletin, vol. 23, no. 4, pp.

1-10.

Haddad, L., Hoddinott, J.and Alderman, H. (eds)(1997), Intrahousehold Resource

Allocation in Developing Countries: Models, Methods, and Policy, The John Hopkins

University Press, Baltimore, Md. and London.

Hafner-Burton, E. and Pollack, M.A. (2002), « Mainstreaming gender in global

governance », European Journal of International Relations, vol. 8, no. 3, pp. 339-373

Holvoet, N. (2006a), « Gender-sensitiveness of Belgian aid discourse and practice at the

Turn of the Century », IOB Discussion Paper nr. 11, Instituut voor Ontwikkelingsbeleid

en –beheer, Antwerpen.

Holvoet, N. (2006b), Gender Budgeting: its usefulness in program-based approaches to aid:

Briefing Note, European Commission, EC Gender Help Desk, Brussels.

Holvoet, N. voor Commissie Vrouwen en Ontwikkeling (2007), Evoluties in het

Ontwikkelingsdenken en –beleid: nieuwe kansen voor gendergelijkheid?! PRSPs and SWAPs

vanuit een genderperspectief, Commissie Vrouw en Ontwikkeling, Brussel.

International Development Department and Associates (2006), Evaluation of general

budget support: synthesis report, IDD and Associates, Birmingham.

Jackson, C. and Pearson, R. (eds)(1998), Feminist Visions of Development. Gender Analysis

and Policy, Routledge, London.

Jahan, R. (1995), The Elusive Agenda: Mainstreaming Women in Development, Zed Books,

London.

Kabeer, N. (1995), Reversed realities: gender hierarchies in development thought, Verso,

London.

Kabeer, N. (2003), Gender Mainstreaming in Poverty Eradiction and the Millennium

Development Goals. A handbook for policy-makers and other stakeholders, Commonwealth

Secretariat, London.

110


nathalie holvoet

Kardam, N. (1993), « Development approaches and the role of policy advocacy: the

case of the World Bank », World Development, vol. 21, no. 11, pp. 1773-1786

King, E.M. and Hill A.M. (1993), Women’s Education in Developing Countries: Barriers,

Benefits and Policies, The John Hopkins University Press, Baltimore, M.D. and

London.

Klasen, S. (1999), Does Gender Inequality Reduce Growth and Development? Evidence from

Cross-country Regressions, background paper for Engendering Development, World Bank,

Washington, D.C.

Klasen, S. (2005), « Bridging the gender gap to promote economic and social

development », Journal of International Affairs, vol. 58, No. 2, pp. 245-256.

Klasen, S. (2006), « Gender Inequality and Pro-poor growth », in L. Menkhoff (ed),

Pro-Poor Growth, Duncker & Humboldt, Berlin.

March, C., Smyth, I. and Mukhopadhyay, M. (1999), A Guide to Gender-Analysis

Frameworks, Oxfam, Oxford.

Moser, C. (1999), Gender Planning and Development: theory, practice and training, Routledge,

London.

OECD/DAC (2005), Survey on Harmonisation and Alignment, OECD (DAC), Paris.

OECD/DAC (2006), Paris Declaration Commitments and Implicatons for Gender Equality

and Women’s Empowerment, OECD/DAC, Paris.

OECD/DAC (2007), 2006 Survey on Monitoring the Paris Declaration, OECD/DAC,

Paris.

Painter G. for WIDE (2004), Gender mainstreaming in development and trade policy and

practice: Learning from Austria, Belgium and the UK, WIDE, Brussels.

Palmer, I. (1995), « Public Finance from a Gender Perspective », World Development,

Vol. 23, n° 11, p. 1981-1986

Quisumbing, A. & Mc Clafferty, B. (2006), Using gender research in development,

International Food Policy Research Institute, Washington D.C.

Razavi, S. & Miller, C. (1995a), « From WID to GAD: conceptual shifts in the women

and development discourse », UNRISD Paper, UNRISD, Geneva.

Razavi, S. and Miller, C. (1995b), « Gender mainstreaming: a study of efforts by the

UNDP, the World Bank and the ILO to institutionalise gender issues », UNRISD

Occasional Papers No. 4, UNRISD, Geneva.

111


hulpbeleid en onderzoek inzake hulpbeleid vanuit een genderperspectief

Razavi, S. (1997), « Fitting gender into development institutions », World Development,

vol. 24, no. 7, pp. 1111-1125.

Snyder, M., Berry, F. and Mavima, P. (1996), « Gender policy in development

assistance: improving implementation results », World Development, vol. 24, no. 9, pp.

1481-1496.

SPA-6 Budget Support Working Group (2004), Survey of the Alignment of Budget Support

and Balance of Payments Support with National PRS Processes (Report by the BSWG cochairs).

SPA-6 Budget Support Working Group (2005), Survey of the Alignment of Budget Support

and Balance of Payments Support with National PRS Processes (Report by the BSWG cochairs).

Udry, C. (1996), « Gender, Agricultural Production, and the Theory of the

Household », Journal of Political Economy, vol. 104, no. 5, pp. 1010-1046.

Udry, C., Hoddinott, J., Alderman, H. and Haddad, L. (1995), « Gender Differentials

in Farm Productivity: Implications for Household Efficiency and Agricultural

Policy », Food Policy, vol. 20, no. 5, pp. 407-423.

UNDP (2003), Millennium Development Goals: National Reports. A look through a Gender

Lens, UNDP, New York.

UNIFEM (2002) (eds), Gender Budget Initiatives. Strategies, concepts and experiences,

UNIFEM, New York.

UNIFEM (2006), « Promoting gender equality in new aid modalities and

partnerships », UNIFEM Discussion Paper, UNIFEM, New York (March 2006).

Vanheukelom, J. (ECDPM) en Weytjens E. (GITP), Tussentijdse Evaluatie van het BOS,

Vlir, Brussel.

Whitehead, A. (2002), Failing women, sustaining poverty: gender in Poverty Reduction Strategy

Papers, Report for the UK Gender and Development Group.

World Bank (2001a), Engendering development: through equality in rights, resources and voice,

Oxford University Press, New York.

World Bank (2001b), Gender in the PRSPs: A Stocktaking, World Bank, Poverty

Reduction and Economic Management Network, Gender and Development Group,

Washington, D.C.

112


nathalie holvoet

World Bank (2003), Toward Country-led Development. A Multi-Partner Evaluation of the

Comprehensive Development Framework. Synthesis Report, World Bank, Washington, D.C.

World Bank (2005), Enabling Capacity to Achieve Results – 2005 Comprehensive Development

Framework (CDF) Progress Report, World Bank, Operations Policy and Country

Services, Washington, D.C.

Zuckerman, E. and Garrett, A. (2003), Do Poverty Reduction Strategy Papers address

gender? A Gender Audit of 2002 PRSPs, Gender Action, Washington, D.C.

113


gender en onTwIkkelIngsbeleId:

noden en Inbreng van ngo’s

hélène ryckmans 51

1. Inleiding

Met deze bijdrage zullen we trachten om de verbanden te bepalen tussen onderzoek,

beleidsbeslissingen en interventies van ngo’s; dit in het licht van de ervaringen

van Le Monde selon les femmes. We zullen de samenhang en de relevantie van het

Belgische hulpbeleid of ontwikkelingssamenwerkingsbeleid analyseren vanuit het

genderperspectief.

Le Monde selon les femmes is een Belgische ontwikkelingsngo, die opgericht werd in 1993.

Het is de enige ngo die specifiek werk verricht rond de kwestie van gendergelijkheid.

Om niet in naam van alle ontwikkelingsngo’s te spreken, zal ik mijn interventie

concentreren op de bijdrage, de verwachtingen en de ervaring van deze ngo. Niet

alle ngo’s hebben namelijk dezelfde opvatting over gender, als ze er al een hebben 52 .

Wij, Le Monde selon les femmes, ontwikkelen onze interventies in België rond twee

hoofdassen: gendertraining en lobbying bij de Belgische ontwikkelingssamenwerking

om rekening te houden met gender. De beoogde doelstellingen zijn: het bevorderen

van gelijkheid tussen vrouwen en mannen, het samenwerkingsbeleid meer

gevoelig maken voor deze kwestie, evenals de systematische integratie van het

genderperspectief door de verenigingen en de ngo’s (in hun projecten, hun educatief

werk over ontwikkeling, in hun politieke lobbyactiviteiten ).

In ons werk doen wij uiteraard beroep op bepaalde bijdragen uit de onderzoekswereld

en we hebben het gevoel dat deze laatste ons voor verschillende elementen iets kan

of zou kunnen bieden.

51

Werkzaam de bij ‘Le Monde selon les femmes’

52

Zie hierover: Drion & Choque, 1999; Gonzales Altea, 2005.

115


Gender en ontwikkelingsbeleid: noden en inbreng van nGO’s

2. Verbanden tussen onderzoek, politieke

besluitvorming en acties van NGO’s

Om onze argumenten voor het politieke pleidooi over gender in het hulpbeleid

te verfijnen en te staven willen wij of zouden wij ons graag willen baseren op

methodologische analyses en voorstellen vanuit uit het wetenschappelijk onderzoek

en op gegevens van de besluitvormers.

Het is immers verrijkend voor onze acties om over methodologische informatie en

dergelijke voorstellen te beschikken. Het is vooral noodzakelijk dat deze gekaderd

worden en dat ze in tijd en ruimte vergeleken worden. Bovendien hechten wij

bijzonder belang aan gekruiste visies en aan de creatie van collectieve kennis door

middel van de zuid/zuid/noord uitwisseling.

Het blijkt dat de ondersteuning voor het nemen van beslissingen m.b.t. het

ontwikkelingsbeleid voornamelijk uit de onderzoekswereld komt, terwijl de

deskundigheid en de inbreng van ngo’s weinig ingeschakeld worden. Wanneer ngo’s

actieonderzoeken voeren, worden ze hiervoor niet gesteund en ze moeten dit werk

met eigen middelen financieren!

3. Samenhang van het hulpbeleid

Twee vragen trekken onze aandacht voor wat betreft het hulpbeleid: wat is

de samenhang tussen de (soms vermelde) principes van seksegelijkheid en de

hulpprogramma’s, ontwikkelingsprojecten of het ontwikkelingsbeleid en wat is de

relevantie van het hulpbeleid vanuit genderperspectief?

Wij stellen grote verschillen vast tussen enerzijds, het conceptuele en het wettelijke

kader en anderzijds, de verschillende niveaus waarop de Belgische coöperatie zich

positioneert: Belgisch (met DGOS en BTC), Europees en internationaal.

De vraag die wij ons stellen is: op welke manier ondersteunt de ontwikkelingshulp

van Belgische overheid de activiteiten en de interventies van vrouwenverenigingen

die strijden voor gendergelijkheid. Waarom wordt er, ondanks het openlijk gevoerde

discours en de beleidsengagementen van de wet op de ontwikkelingssamenwerking

van 1999, slechts zelden rekening gehouden met thema’s die voor vrouwen

belangrijk zijn (bestrijden van geweld, toegang tot productiemiddelen, toegang tot

gezondheidszorg en politieke vertegenwoordiging)? Waarom vindt de transversale

aandacht voor gender zo moeizaam ingang in de beleidsnota’s die de richting van de

Belgische samenwerking met zijn partnerlanden bepalen?

116


hélène ryckmans

De vragen die wij als ngo stellen, gaan over twee aspecten: gender en de het macroeconomische

niveau.

Wat betreft het genderthema, hier buigen wij ons eerst over de relatie tussen gender

en vrouwen. Welke methodologieën en welke procedures zullen er gebruikt worden

om de empowerment van vrouwen te steunen? Schuilt in gendermainstreaming niet

het gevaar dat de aandacht voor gelijkheid v/m verdwijnt?

Wij stellen ons tevens vragen over de universaliteit van rechten versus culturele

eigenheden: de lokale verankering en de vaak vermelde contextualisering mogen

geen alibi worden om niet in te grijpen, wegens respect voor de cultuur of in naam

van ‘eigenaarschap’ (ownership) zoals dit werd opgenomen in de Verklaring van Parijs

over de doeltreffendheid van hulp. Dit argument, dat systematisch wordt aangehaald

wanneer men over gendergelijkheid spreekt, mag in geen geval leiden tot het

ontkennen van de universaliteit van de mensenrechten.

Tenslotte voelen wij ons aangesproken door het gebrek aan gendertraining van de

actoren van de ontwikkelingssamenwerking. Dit concept wordt slecht begrepen

- soms zelfs weggelachen - en de methodologie om het in hulpprojecten en

hulpprogramma’s te integreren is noch verworven, wordt noch georganiseerd.

Zo worden de ijkpunten van het DAC 53 , waarvan het gebruik wordt aanbevolen 54 om

in projecten de genderdimensie in rekening te brengen, niet systematisch gebruikt.

Welnu, deze indicatoren zouden gebruikt moeten worden en het gebruik ervan

zou verplicht moeten zijn (bijvoorbeeld vooraleer geld uit keren) en deze ijkpunten

zouden de genderscreening van alle samenwerkingsprojecten moeten ondersteunen.

Wat betreft de macro-economische context: macro-economische maatregelen

hebben vaak negatieve gevolgen voor vrouwen; bestaande genderongelijkheden worden

er dikwijls nog door versterkt. Zonder aandacht voor de levensomstandigheden en de

toegang tot productiemiddelen hebben de neoliberale budgettaire aanpassingen van

de Wereldhandelsorganisatie (WTO) nefaste gevolgen voor de plaats van vrouwen

in de samenleving. Bovendien, de financiering van het ontwikkelingsbeleid heeft

moeite om het voorziene groeipad van 0,7% van het BNP te volgen; de schuldenlast

drukt zwaar op de inspanningen van de landen met schulden en dit laat niet toe

om middelen vrij te maken om de ongelijkheden te verminderen. In het kader van

budgethulp of van SWAP (sectorale steun) is het nog moeilijker om rekening te

houden met de genderdimensie, omdat er geen operationeel plan bestaat van de

activiteiten die men samen met het partnerland kan concretiseren.

53

DAC: Development Assistance Committee; ontwikkelingsassistentie comité van de Organisatie

voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

54

Meerbepaald, door de Strategische nota over de gelijkheid van rechten en kansen tussen

vrouwen en mannen (DGOS, 2002)

117


Gender en ontwikkelingsbeleid: noden en inbreng van nGO’s

Men stelt dus zeer vaak vast dat de genderdimensie op macro-economisch niveau

nauwelijks geïntegreerd wordt door de actoren van de ontwikkelingssamenwerking.

Over gender en handel worden analyses gemaakt door onderzoekers uit verschillende

centra of netwerken zoals DAWN 55 , WIDE 56 , AWID 57 en IGTN 58 . Deze netwerken

hebben enerzijds een economisch alfabetiseringsprogramma 59 ontwikkeld, volgens

de principes en de methodologieën van de bewustmakende populaire opvoeding, die

vertrekt van de actie van ieder van ons in het dagelijkse leven, van de vaardigheden

die we beheersen en van ons vermogen om tussen te komen. Anderzijds zijn deze

netwerken betrokken in het kritisch nadenken over de doeltreffendheid van de

hulp.

4. Relevantie van het ontwikkelingsbeleid

Er is een enorm gebrek aan evaluaties en studies over de impact van het

ontwikkelingsbeleid op de leefomstandigheden van vrouwen en op de status

van vrouwen. De gegevens over de vooruitgang op het gebied van gelijkheid

tussen vrouwen en mannen zijn onvoldoende, ze zijn versnipperd en bovendien

ontoegankelijk.

Om de relevantie van hulpbeleid voor dit domein te bepalen, kunnen we ons uiteraard

baseren op de inbreng vanuit onderzoeken uitgevoerd door vrouwen uit het Zuiden,

die in ngo’s, universitaire onderzoekcentra of onafhankelijke instituten werken.

Wat de ontwikkelingsngo’s kunnen inbrengen, is de kennis van de ervaring van

het proces op microniveau én ze kunnen ook de samenhang en de verbanden

tussen micro- en macroniveaus aantonen. Een voorbeeld. De bijeenkomsten die

Le Monde selon les femmes ieder jaar organiseert binnen het Palabras netwerk hebben

herhaaldelijk aangetoond dat de armoede van vrouwen toeneemt, dat de structurele

aanpassingsprogramma’s (SAP) en de algemene handelsakkoorden (GATS) een

negatieve impact hebben, waardoor de levensomstandigheden verslechteren.

Le Monde selon les femmes wil ook de stem en het standpunt van vrouwen uit het

Zuiden doorgeven en laten horen via het magazine Palabras, dat het verhaal van

vrouwengroepen uit het Noorden en het Zuiden publiceert of andere documenten

met door hen gevoerde pleidooien en geformuleerde aanbevelingen. Dit pleidooi

wordt collectief gedragen in verschillende instanties zoals de Commissie Vrouwen

en Ontwikkeling (CVO)!

55

Development Alternatives for Women in a new Era

56

Women in Developement Europe

57

Association for Women Rights in Developement

58

International Gender and Trade network

59

Zie Williams, 2000; Woestman, 1998 en de video van Suzanne Strobl & Marina Galimberti,

Chips, Banana & Basmati, WIDE (Rapsode Productions).

118


hélène ryckmans

5. Relaties tussen onderzoek, actie en

besluitvorming in de samenwerking

Er bestaan veel relaties tussen deze actoren

Ontwikkelingsactoren





Onderzoekers

(v/m)


Besluitvormers

van de Samenwerking

Hoe spelen deze drie polen van actoren op elkaar in met betrekking tot het hulp- en

samenwerkingsbeleid? We moeten hierbij vermelden dat deze drie type actoren niet

zo ver van elkaar staan (er bestaan natuurlijk ontvankelijkheden, overlappingen) en

dat ze, binnen de eigen kring, niet homogeen zijn.

We kunnen ons vragen stellen over de inhoud van deze drie polen en over de manier

waarop ze zich positioneren en we kunnen ons afvragen hoe in België de collectieve

politieke interpellatie verloopt?

We kunnen ons bijvoorbeeld afvragen of het onderzoek aan de universiteit

goed verloopt en welk soort onderzoek men er voert; zeker wanneer we zien dat

universiteiten ‘geprivatiseerd’ worden, dat er almaar hogere ‘rendements’ eisen

worden gesteld en dat docenten onder druk worden gezet, waardoor ze minder tijd

krijgen voor onderzoek. Is het niet zo dat universiteiten steeds vaker functioneren

dankzij ‘bestellingen’, dat ze optreden als studiebureaus? Wordt de kritische functie

van onderzoekers misschien correct uitgedrukt via het meest zichtbare kanaal: in

de pers, in vorm van oproepen, manifesten, publieke spreekgestoelten of ‘cartes

blanches’?

We kunnen deze driehoeksverhouding zonder twijfel nog uitbreiden door de

actoren te onderscheiden naargelang hun manier van interventie. Zo lijkt het mij

nuttig om meer zichtbaarheid te geven aan de actieonderzoeken van de ngo's over

gendergelijkheid of om de ontwikkelingsactoren (ngo’s en overheid) te ondersteunen

bij het kapitaliseren van hun interventies, tijdens de opvolging en evaluatie van hun

projecten. Het zou ook aangewezen zijn dat de onderzoekers meer onderzoeken

zouden voeren die verband houden met het belang van gendergelijkheid. Hiertoe

moet de ontwikkeling van feministische studies en van feministisch onderzoek nog

gestimuleerd worden.


119


Gender en ontwikkelingsbeleid: noden en inbreng van nGO’s

Zijn er tussen deze drie type actoren convergenties geweest op het domein van het

samenwerkingsbeleid en op welke momenten ?

In de sociale fora hebben de ontwikkelingsactoren en de onderzoekers zich verenigd,

maar de band met de besluitvormers ontbreekt, vermits het erom ging een alternatief

voor het dominante discours te ontwikkelen. Politici, die er soms aanwezig waren,

werden geïnterpelleerd over de coherentie van hun keuzes.

In de Wereldvrouwenmars en in de vrouwenparlementen die de Mars in België heeft

doen ontstaan, voegen de actoren zich bij de besluitvormers, maar de onderzoekers

(v/m) zijn afwezig in het halfrond!

En als er dan convergenties bestaan, zijn die dan sterk genoeg om de uitdagingen

aan te gaan?

Deze zijn dubbel:

• de beschikbaarheid van informatie verzekeren. Op het gebied van gender is de

productie en het toegankelijk maken van gegevens opgesplitst naar geslacht en

van situationele statistieken, die nuttig zijn voor het sociaal beleid en voor het

hulpbeleid, één van de meest dringende punten voor België (en ook voor de

Belgische samenwerking);

• de uitdagingen aangaan die gesteld worden door de armoede (methodologische

en conceptuele aspecten, politieke uitdagingen en de praktijken van vrouwen)

en door het gendergebonden geweld, door ze onder de aandacht te brengen

en door er welbepaalde middelen aan te besteden (bijvoorbeeld 50 % van de

verwachte bijkomende middelen voor het ontwikkelingsbeleid). Zelfs als de

interventies en de strategieën kunnen variëren en zelfs als ze recht tegenover

elkaar staan, dan nog moeten er dringend antwoorden worden gegeven, zowel

in het Zuiden als in het Noorden.

6. Bibliografie

DGOS (2002), Strategische nota over de gelijkheid van rechten en kansen tussen vrouwen en

mannen, Brussel.

Drion, C. & Poupette, C. (1999), Le genre dans les ONG, Le Monde selon les femmes,

Bruxelles.

Gonzales Altea, S. (2005), L’approche genre dans les ONG, Résultats d’enquêtes et

recommandations, Le Monde selon les femmes, Coll. Analyse et plaidoyer, n°52,

Bruxelles.

120


hélène ryckmans

Williams, M., (2000) Les femmes et le marché : manuel d’alphabétisation économique, WIDE,

Bruxelles.

Woestman, L. (1998), The Mystery of Market Worship, WIDE Economic Reader,

Bruxelles.

121


gender en reproducTIeve gezondheId

Catherine Gourbin 60

De reproductieve gezondheid, die ruim bekendheid kreeg door de

Wereldbevolkingsconferentie van Cairo, heeft zowel betrekking op mannen als op

vrouwen en bestrijkt een breed onderzoeksveld, gaande van seksuele verminking

bij vrouwen, seksualiteit bij adolescenten, contraceptie en abortus tot kankers die

te maken hebben met het voortplantingsstelsel. Moedersterfte en sterfte bij jonge

kinderen, prevalentie van hiv en risicogedrag maken ook deel uit van de Millennium

Ontwikkelingsdoelstellingen.

De genderproblematiek, die nu transversaal aan bod komt in de programma's van

overheidsinstellingen en van zowel nationale als internationale ngo's, wijst erop dat

de rollen die in een samenleving toegekend worden aan vrouwen en mannen, leiden

tot een hiërarchiesering van de positie van mannen en vrouwen en tot ongelijke

macht, meestal in het voordeel van de man (Labourié-Racapie & Locoh, 1999).

Werken aan de verbanden tussen reproductieve gezondheid en gender impliceert

dus dat er rekening moet gehouden worden met de normen- en waardesystemen op

vlak van seksualiteit en voortplanting, normen die sterk verschillen van samenleving

tot samenleving.

In een eerste punt gaan we nader in op de redenen waarom de genderbenadering

geïntegreerd moet worden op vlak van reproductieve gezondheid. In de twee

volgende delen zullen twee thema’s ontwikkeld worden m.b.t. .de seksualiteit en de

voortplanting, die cruciaal blijven binnen deze problematiek; hierbij zal extra aandacht

geschonken worden aan Sub-Sahara Afrika. Het vierde deel beschrijft in het kort de

soorten programma’s die opgezet worden en in een laatste punt wordt ingegaan op

enkele hoofdlijnen op vlak van de analyse van reproductieve gezondheid en vanuit

het perspectief van de genderrelaties, die nog maar weinig aan bod kwamen of die

nog uitgediept moeten worden.

60

Instituut voor Demografie, Katholieke Universiteit van Leuven.

123


Gender en reproductieve gezondheid

1. De reproductieve gezondheid

1.1. een vrouwgerichte aanpak

Het is in het kielzog van de Wereldbevolkingsconferentie van Cairo van 1994, waar

de ngo’s en feministische groepen een belangrijke rol gespeeld hebben - zowel in de

voorbereiding van de conferentie als tijdens de conferentie zelf - dat het concept van

reproductieve gezondheid zich verspreidde en populair werd. De definitie die in het

verslag van de Conferentie werd opgetekend, luidt als volgt:

"Reproductieve gezondheid 61 is een staat van volledig fysiek, mentaal en sociaal

welzijn en niet louter de afwezigheid van ziekte of lichamelijk ongemak ten aanzien

van alle zaken die verband houden met het voortplantingssysteem, zijn functies en

de daarmee verband houdende processen. Reproductieve gezondheid impliceert

dat mensen een bevredigend en veilig seksleven kunnen hebben, dat zij over de

mogelijkheid tot voortplanting beschikken en over de vrijheid om te beslissen of,

wanneer en hoe vaak zij dat willen doen. Impliciet bevat deze laatste bepaling het

recht van mannen en vrouwen op informatie over en toegang tot veilige, werkzame,

betaalbare en aanvaardbare methoden van gezinsplanning van hun keuze en tot

andere methoden van vruchtbaarheidscontrole van die zij verkiezen en die niet

indruisen tegen de wet; evenals het recht op toegang tot passende gezondheidszorg

die vrouwen een veilige zwangerschap en geboorte mogelijke maakt en die het koppel

de beste garanties geeft op het krijgen van een gezond kind. Hiertoe behoort ook

seksuele gezondheid die een hogere levenskwaliteit en betere persoonlijke relaties tot

doel heeft; wat ruimer is dan advies en zorgverstrekking op vlak van reproductie en

seksueel overdraagbare ziekten."

Het aldus gedefinieerde concept is ruimer dan het begrip gezinsplanning dat in

vroegere conferenties aan bod kwam en biedt het voordeel dat het aanzet om

programma’s gericht op vrouwen van alle leeftijden op te zetten (en niet alleen

gericht op vrouwen op vruchtbare leeftijd), om rekening te houden met mannen

en meer bepaald met de dimensie van het koppel; het zet ook aan om seksuele

gezondheid los te koppelen van reproductieve gezondheid, wat tot dusver en

doorgaans als enige aan bod kwam in de programma's.

De conferentie van Cairo onderstreept ook dat indien men gelijkheid tussen

mannen en vrouwen wil bereiken, men een dialoog op basis van gelijkheid

tussen mannen en vrouwen mogelijk moet maken; en dit op verschillende

domeinen, inclusief de seksuele en reproductieve gezondheid. De conferentie

stelt dat dit ook een betere toegang van vrouwen tot hulpmiddelen impliceert.

61

Vrij vertaald.

124


Catherine Gourbin

De programma's zullen daarom gefocust blijven op vrouwen en trachten om

hun capaciteit om beslissingen te nemen en om hun seksuele en reproductieve

rechten te doen gelden, te versterken. Jammer genoeg hebben de programma's er

wel voor gezorgd dat vrouwen zich bewust geworden zijn van hun onbevredigde

behoeften op vlak van gezinsplanning of van hun ondergeschikte positie in dit

besluitvormingproces, maar ze hebben hen niet vaak toegelaten om een gesprek

hierover met hun echtgenoot als haalbaar te zien en om deze toestand dus aan

de kaak te durven stellen.

1.2. …waar mannen op het toneel beginnen te verschijnen

De aandacht voor mannen houdt verband met de vaststelling dat ondanks de vele

programma's voor gezinsplanning, die vanaf de jaren 1960 in de landen van het

Zuiden ingevoerd werden, de vruchtbaarheidsniveaus slechts langzaam dalen en het

gebruik van moderne contraceptiemethoden laag blijft in Afrika 62 ; ook bij gehuwde

vrouwen die het aantal geboorten willen stopzetten of spreiden. De fundamentele

kritiek op deze programma’s is dat de aanpak, zowel de acties als de onderzoeken, te

veel op vrouwen gericht is. Een van de geïdentificeerde obstakels voor het gebruik

van contraceptiva is de waarde die zowel door vrouwen als mannen aan een hoge

vruchtbaarheid wordt toegekend. Bovendien, zelfs al weet de vrouw de argumenten

voor geboortespreiding, die de gezondheid van moeder en kind bevordert, naar

waarde te schatten, het gebruik van voorbehoedsmiddelen of het hebben van

seksuele betrekkingen is niet alleen haar beslissing. In een context waarin de vrouw

over weinig vrijheid beschikt om nieuwe methoden van vruchtbaarheidscontrole

in te voeren, is de rol van de man m.b.t. deze sociaal-culturele aangelegenheid

van doorslaggevend belang. Het bleek dus essentieel om seksueel en reproductief

gedrag te bestuderen in het kader van de genderverhoudingen. Bovendien heeft de

opkomst van hiv en de latere in bepaalde regio’s zelfs epidemische uitbreiding ervan,

de vraag naar de verantwoordelijkheid van mannen m.b.t. seksuele en reproductieve

gezondheid en naar de noodzaak om hen bij dit beleid en deze programma’s te

betrekken, nog scherper gesteld.

1.3. … een probleem van gegevens ?

Aangezien de studie van attitudes en gedragingen lange tijd op vrouwen gericht

was, vormden zij de doelgroep voor het verzamelen van kwantitatieve en

kwalitatieve gegevens. Wanneer we terugkijken op kwantitatieve peilingen zoals de

Demografische en Gezondheidspeilingen 63 (DGP), zien we dat pas vanaf de jaren

62

Tussen 5 en 25 %, behalve in zuidelijk Afrika

63

Representatieve peilingen op nationaal niveau die sinds het einde van de jaren 1980 in alle

landen van Afrika, Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië gerealiseerd werden. Volgende thema’s

125


Gender en reproductieve gezondheid

1990 ook vragenlijsten bedoeld voor mannen verschijnen, waarin hen gevraagd werd

naar hun seksueel gedrag en naar hun voorkeuren op vlak van vruchtbaarheid, hun

attitudes tegenover voorbehoedsmiddelen en hun gebruik van contraceptiva. Hoewel

de daaropvolgende golven van dit soort peilingen voortaan vaker een vragenlijst

voor mannen bevatten, blijft het aantal peilingen bij mannen ruim onder het aantal

peilingen bij vrouwen. We stellen trouwens vast dat deze peilingen uitgevoerd worden

bij ongehuwden of bij gehuwde mannen en vrouwen, maar bij deze laatste gaat het

niet noodzakelijk om het koppel.

De kwalitatieve peilingen, waarin de voor de vruchtbaarheid bepalende factoren

op een duidelijker manier aan het licht komen, hebben de doorslaggevende rol

van mannen m.b.t. seksuele en reproductieve gezondheid meer in de verf gezet.

Culturele barrières zoals de opvatting dat reproductie en seksualiteit behoren tot

het domein van de vrouw en tot de privé-sfeer, evenals de vermeende weerstand of

onverschilligheid van mannen t.a.v. programma’s voor reproductieve gezondheid,

hebben de integratie van mannen in dergelijke studies en programma’s afgeremd.

Wij zullen vervolgens de twee deelgebieden van de reproductieve gezondheid

behandelen: de gezinsplanning en seksueel risicogedrag, waarin de genderrelaties

zich profileren als fundamenteel verklarende factoren.

2. Gezinsplanning

De reeds lang bestaande belangstelling van donoren en van instellingen voor

de uitvoering van gezinsplanningsprogramma’s hoeft geen betoog meer. Het

geringe gebruik van moderne voorbehoedsmiddelen in Sub-Sahara Afrika (met

uitzondering van zuidelijk Afrika) blijft een discussiepunt. Er werden hiervoor

verschillende verklarende factoren naar voren geschoven: de waarden in verband

met de vruchtbaarheid, de hoge kindersterftegraad, de moeilijke toegang tot

gezondheidsstructuren (geografisch of financieel), de kwaliteit van de aangeboden

diensten (inclusief het kleine aantal vrouwen in de zorgsector) en de bijwerkingen

van hormonale methoden. Tot in de jaren 1990 werden mannen niet betrokken bij

de programma’s voor gezinsplanning en bij de discussies tussen mannen en vrouwen

over vruchtbaarheid (aantal gewenste kinderen, geboortespreiding). Vruchtbaarheid

was - zo leek het - een zaak van vrouwen, die de verantwoordelijkheid hiervoor op

zich alleen namen. Door meer rekening te houden met de context en met de status

van de vrouw in samenlevingen met een hoge vruchtbaarheidsgraad, werd deze al

te vaak simplistische benadering in vraag gesteld. In samenlevingen waar vrouwen

weinig macht hebben in het publieke domein is hun beslissingsmacht ook in de

komen hierin aan bod: vruchtbaarheid, kennis en gebruiken van contraceptiva, kennis over

hiv en seksueel gedrag, kindersterfte. In bepaalde landen werden deze peilingen met regelmatige

tussenpozen georganiseerd. Voor meer info: http://www.measuredhs.com.

126


Catherine Gourbin

privé-sfeer beperkt en vormt de machtsongelijkheid tussen mannen en vrouwen

een belangrijk obstakel voor de toegang tot contraceptie, omdat geboortebeperking

ingaat tegen de sociaal aanvaarde normen en ... tegen de mening van de partner.

De tabellen 1 en 2 geven de resultaten weer van de peilingen, die vanaf 2000, in

verschillende landen van Sub-Sahara Afrika uitgevoerd werden. Aan de hand van

de gegevens over het aantal kinderen dat mannen en vrouwen met een vaste relatie

wensen, kan men de sociale vruchtbaarheidsnormen benaderen en eventuele

verschillen tussen mannen en vrouwen op dit vlak evalueren (tabel 1).

Tabel 1. Ideaal gemiddeld aantal kinderen volgens vrouwen en mannen die op het ogenblik

van de peiling een vaste relatie hadden. Demografische en Gezondheidspeilingen, decennium

2000, Sub-Sahara Afrika

Verschil

Vrouwen Mannen Man-Vrouw

Benin 2001 5,2 7,5 2,3

Burkina Faso 2003 5,8 7 1,2

Congo (Brazzaville) 2005 5,4 5,9 0,5

Ethiopië 2005 5,1 6,4 1,3

Gabon 2000 5,4 6,8 1,4

Ghana 2003 4,8 5,4 0,6

Guinee 2005 5,9 8,8 2,9

Kenia 2003 4,3 4,8 0,5

Lesotho 2004 3,5 4,1 0,6

Madagaskar 2003/2004 5,1 5,7 0,6

Malawi 2004 4,3 4,3 0

Mali 2001 6,5 8,5 2

Mauritanië 2000/01 6,8 8,7 1,9

Namibië 2000 4 4,9 0,9

Nigeria 2003 7,3 10,6 3,3

Oeganda 2000/01 5,6 6,2 0,6

Rwanda 2005 4,5 4,2 -0,3

Tanzania 2004 5,4 5,9 0,5

Tsjaad 2004 9,2 13,7 4,5

Zambia 2001/02 5,7 6,6 0,9

Bron: Demografische en Gezondheidspeilingen

In alle landen waar een peiling plaatsvond, met uitzondering van Malawi en Rwanda,

hebben mannen met een vaste relatie een grotere kinderwens dan vrouwen met

een vaste relatie (Saelm, 2004: 24); de verschillen schommelen tussen 0,5 en 4,5

127


Gender en reproductieve gezondheid

meer gewenste kinderen (Tsjaad). Het is trouwens in landen waar de polygynie

(veelwijverij) veel voorkomt (Benin, Burkina Faso, Guinee, Mali, Mauritanië, Nigeria,

Tsjaad) dat het verschil tussen mannen en vrouwen het grootst is. Het valt op dat

het enige land waar vrouwen meer kinderen wensen dan mannen, Rwanda, het land

is waar de grondwet sinds 2003 de gelijkheid van rechten van mannen en vrouwen

vastlegt en waar minstens 30% van de plaatsen in de besluitvormingsorganen

voorbehouden zijn voor vrouwen. Zelfs al leiden dergelijke maatregelen niet altijd

tot een plotse mentaliteitswijziging, ze laten toe om een evolutie die op termijn een

grotere maatschappelijke betrokkenheid van vrouwen bevordert, te voorspellen.

Wanneer het koppel de gezinsplanning bespreekt, bestaat er ook meer kans dat

contraceptieve middelen gebruikt worden(Kimuna & Adamchak, 2001). Tabel 2 geeft

het aandeel gehuwde vrouwen en mannen weer die verklaarden dat ze dit onderwerp

tijdens het jaar voorafgaand aan de peiling, al dan niet, besproken hadden. In 13 van

de 24 onderzochte landen van Sub-Sahara Afrika verklaart meer dan de helft van de

gehuwde vrouwen dat zij niet met hun man over gezinsplanning gesproken hebben;

en in 10 van de 11 landen waarvoor we over gegevens van mannen beschikken,

verklaart meer dan 1/3 van de mannen dat zij niet over gezinsplanning gepraat

hebben met hun vrouwen. In landen waar polygynie vaak voorkomt liggen deze

verhoudingen bijzonder hoog. Dit soort huwelijk verklaart zonder twijfel ook de

grote verschillen tussen de verklaringen van mannen en vrouwen, aangezien een

ondervraagde man met meerdere vrouwen getrouwd kan zijn en hij dit onderwerp

misschien maar met één van zijn vrouwen besproken heeft, daar waar een vrouw

maar één man kan hebben.

128


Tabel 2. Communicatie over gezinsplanning binnen het koppel.

Demografische en Gezondheidspeilingen, decennium 2000, Sub-Sahara Afrika

Catherine Gourbin

Benin 2001 60,7 21,2 17,8 0,2 47,6 24,8 27,2 0,4

Burkina Faso 2003 63,7 20,1 15,6 0,6 54,6 18,6 26,3 0,6

Kameroen 2004 50,2 29,2 19,8 0,8 - - - -

Congo (Brazzaville) 2005 100,0 - - - - - - -

Eritrea 2002 73,0 15,3 11,6 0,1 - - - -

Ethiopië 2000 66,0 18,6 15,3 0,1 - - - -

Gabon 2000 36,6 29,0 32 2,3 35,4 29,8 34,3 0,4

Ghana 2003 41,3 37,4 20,6 0,7 - - - -

Guinee 2005 81,7 10,3 7,5 0,5 - - - -

Kenia 2003 35,3 37,2 27,2 0,3 - - - -

Lesotho 2004 29,8 31,3 38,1 0,8 - - - -

Madagaskar 2003/2004 35,8 38,6 25,4 0,2 37,0 30,8 31,4 0,8

Malawi 2000 28,2 36,9 34,8 0,1 21,6 34,6 42,8 0,9

Mali 2001 64,3 17,0 17,9 0,8 64,0 13,5 21,5 1,0

Mauretanië 2000/2001 64,9 17,1 16,7 1,3 55,3 15,6 27,6 1,6

Mozambique 2003 56,9 37,5 5,3 0,3 - - - -

Namibië 2000 31,5 34,3 33,6 0,6 33,1 35,2 31 0,8

Nigeria 2003 64,7 23,2 11,9 0,3 - - - -

Oeganda 2000/2001 42,7 35,3 21,7 0,4 40,2 34,7 24,8 0,3

Rwanda 2005 29,6 26,4 41,3 2,6 - - - -

Senegal 2005 58,3 22,6 18,0 1,1 - - - -

Tanzania 2004 34,5 28,1 36,4 0,9 - - - -

Tsjaad 2004 65,9 18,7 14,2 1,2 45,8 14,8 38,7 0,7

Zambia 2001/2002 29,4 37,5 32,9 0,2 28,8 22,1 49,2 -

Bron: Demografische en Gezondheidspeilingen.

Het blijkt dus, dat de kinderwens van mannen neigt naar een groter aantal kinderen

dan de kinderwens van vrouwen en dat het zowel voor mannen als voor vrouwen

moeilijk lijkt om over gezinsplanning te praten. Welnu, in het heersende systeem

van de genderrelaties, dat in veel samenlevingen werkzaam is, spelen mannen

op verschillende domeinen een essentiële en vaak doorslaggevende rol in de

besluitvorming, inclusief het domein van de voortplanting, het zorgen voor een

nageslacht.

3. Seksueel risicogedrag

De definitie van reproductieve gezondheid, die seksualiteit en reproductie duidelijk

van elkaar onderscheidt en de opkomst van aids hebben geleid tot een groot aantal

studies over seksueel risicogedrag. Deze onderzoeken hebben toegelaten om

duidelijk te stellen dat het de maatschappelijke normen zijn die bepalen binnen

welk type relaties seksuele betrekkingen toegelaten zijn. Zij bepalen dus in grote

129


Gender en reproductieve gezondheid

mate het seksuele gedrag van mannen en vrouwen. Deze normen variëren in de

tijd en in de ruimte, maar in het algemeen zijn deze normen restrictiever voor

vrouwen dan voor mannen. Bovendien geven de machtsongelijkheden tussen

vrouwen en mannen, vrouwen weinig of geen mogelijkheid om te onderhandelen

over risicovrije seksuele betrekkingen. Dit gebrek aan controle over hun seksualiteit

maakt vrouwen kwetsbaarder voor seksueel risicogedrag en seksueel geweld, die

beiden vaker blijken voor te komen in een culturele context waarin mannelijkheid

en dominantie samengaan. De gevolgen ervan uiten zich in termen van seksueel

overdraagbare aandoeningen 64 - met inbegrip van hiv - of in termen van ongewenste

zwangerschappen, die tot ingeleide abortussen kunnen leiden.

Deze gevolgen mogen dan al op grote schaal aan de kaak gesteld zijn, de vraag blijft

in welke mate het beleid en de programma’s hiermee rekening houden?

3.1. hIV/aIFS

Normen die restrictiever zijn voor het seksuele gedrag van vrouwen dan voor

het seksuele gedrag van mannen verminderen ook hun toegang tot informatie

en hun eventueel gebruik van preventiemethoden. Dit gebrek aan informatie in

combinatie met financiële afhankelijkheid, waaraan vaak nog eens een vrij aanzienlijk

leeftijdsverschil tussen echtgenoten/partners moet toegevoegd worden, beperkt

de onderhandelingsmacht van vrouwen en stelt hen bloot aan besmetting met een

seksueel overdraagbare aandoeningen. Zelfs in de context van het huwelijk of van

een stabiele relatie hebben de vrouwen weinig controle over hun seksualiteit en

bijna geen onderhandelingsmogelijkheid over het gebruik van condooms. Een vraag

om bescherming binnen de seksuele relatie kan een man ertoe aanzetten om zijn

vrouw te verdenken van ontrouw, aangezien het condoom nog altijd geassocieerd

wordt met toevallige seksuele betrekkingen of met ‘seksueel zwerven’. Talrijke

onderzoeken op dit domein hebben de kwetsbaarheid van vrouwen vastgesteld, maar

deze kwetsbaarheid vertaalt zich in zeer heterogene toestanden, die zowel betrekking

hebben op (erkende) lichamelijke kwetsbaarheid als op sociale kwetsbaarheid. Deze

kwetsbaarheid verschilt ook naargelang de vrouw seronegatief is, dan wel besmet is

met het Hiv-virus.

Wanneer de vrouw besmet is met het hiv-virus, moeten er andere vormen van

onderhandelen overwogen worden: zal de vrouw haar man durven inlichten over

haar seropositiviteit? Bestaat er niet het risico dat in maatschappijen waar de idealen

64

In bepaalde culturen worden seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s) ‘vrouwenziekten

genoemd, omdat de vrouw verantwoordelijk wordt geacht voor de verspreiding van die

aandoeningen. Hierbij wordt geen rekening gehouden met het feit dat een hoge prevalentie

van soa bij vrouwen, een indicator is van een bepaalde prevalentie bij de mannelijke populatie.

130


Catherine Gourbin

fundamenteel mannelijk blijven, de ‘verantwoordelijkheid’ voor deze besmetting bij

de vrouw gelegd zal worden en dat dit bij haar partner een reactie van verwerping

zal uitlokken? De moeilijkheid of de onmogelijkheid om te communiceren over

haar serologische toestand zal de vrouw beletten om te spreken over bescherming

binnen de seksuele relatie of over haar wens om geen kinderen te hebben. Hoe kan

men t.a.v. de echtgenoot en de omgeving onderhandelen over het niet geven van

borstvoeding aan het kind, zoals aanbevolen door de programma’s voor de preventie

van de overdracht van het hiv-virus van moeder op kind, in een maatschappij waar

borstvoeding de norm is?

3.2. Ingeleide abortus

Of het nu wetgevingen, abortusmethoden of sociaal-economische profielen van

vrouwen die hun zwangerschap onderbreken betreft, er bestaat een belangrijke de

heterogeniteit, over welke regio ter wereld het ook gaat. Toch kan men een zekere

constante ontwaren, ingeleide abortus blijft overduidelijk een vrouwenzaak: het zijn

vrouwen die zwanger zijn, die abortus plegen en die de gevolgen daarvan dragen. Er

bestaan maar weinig studies die dit fenomeen analyseren vanuit het perspectief van

de man en de gegevens over abortus zijn nog ontoereikend, wegens het onwettige

karakter van de ingreep (in Afrika) (Guillaume & Molmy, 2004) of wegens het feit

dat deze praktijk talrijke religieuze/ideologische debatten uitlokt (Zuid-Amerika)

(Guillaume & Lerner, 2006). Uit de gerealiseerde onderzoeken blijkt dat, in het

beste geval, minder dan 50 % van de mannen betrokken zijn bij de beslissing

om abortus te plegen. In situaties waar vrijwillige zwangerschapsonderbreking

ernstig bestraft wordt, beperken de programma’s zich vaak tot het opzetten van

postabortus zorgverstrekking, zonder mannen aan te moedigen om hun deel van de

verantwoordelijkheid m.b.t. ongewenste zwangerschappen op te nemen. Overigens,

de programma’s die ervoor pleiten om abortus uit het strafrecht te halen blijven

schaars en worden vaak bekritiseerd door donoren of lokale politieke of religieuze

instanties. Nochtans, indien mannen de gevolgen van een abortus zouden moeten

ondergaan, zouden de wetten dan ook zo beperkend zijn?

4. Onderzoek en actieprogramma’s

De bewustwording van de belangrijke rol van mannen heeft geleid tot de opkomst

van nieuwe onderzoeken: onderzoeken die mannen bevragen over zowel hun

houding als hun gedrag in relatie tot gezinsplanning en onderzoeken op het vlak van

communicatie met het mannelijke publiek, vooral jonge ongehuwde mannen. De vraag

naar het belang van participatie van mannen aan programma’s voor reproductieve

gezondheid mag dan al niet meer ter discussie staan, de uitdaging stelt zich in termen

van methoden en van het identificeren van stimulansen voor de participatie van

131


Gender en reproductieve gezondheid

mannen. Hoe kan men het sociale en gedragsgerelateerde veranderingsproces,

dat noodzakelijk is opdat de verantwoordelijkheid m.b.t. beslissingen op vlak

van reproductieve gezondheid gelijkelijk verdeeld zou zijn onder vrouwen en

mannen, opstarten, verruimen en instandhouden? Informatieprogramma’s en

communicatieprogramma’s zijn sleutelelementen geworden om de participatie van

mannen te bevorderen. Zeer schematisch bekeken, situeren deze programma’s zich

op twee niveaus:

• een eerste groep programma’s behandelt de specifieke behoeften van mannen

op vlak van reproductieve gezondheid;

• een tweede type programma’s richt zich op de communicatie binnen het

koppel. Het feit dat koppels aangemoedigd worden om te praten over gedrag

en beslissingen die te maken hebben met de voortplanting, kan bevorderend

zijn voor meer evenwichtige praktijken tussen mannen en vrouwen en kan

er bijvoorbeeld toe bijdragen dat vrouwen of mannen geen foute percepties

hebben van de meningen van hun partners over gezinsplanning. Immers, in

de meeste landen waar een Demografische en Gezondheidspeiling bij mannen

werd afgenomen, lag het percentage gehuwde mannen dat zegde in te stemmen

met gezinsplanning hoger dan het percentage gehuwde vrouwen dat aangaf

dat hun man er afwijzend tegenover stond. Het zou natuurlijk kunnen dat de

mannen dit antwoord geven omdat ze een sociaal wenselijk antwoord willen

geven en omdat ze niet de indruk willen geven dat ze traditioneel zijn. Toch is

het een feit dat deze foute percepties vooral aanwezig zijn in Sub-Sahara Afrika

(Salem, 2004) én dat de manier waarop een vrouw de mening van haar man

percipieert, haar contraceptief gedrag zal beïnvloeden (Salway, 1994).

Uit de ervaring van de programma’s die doorgevoerd werden op het terrein is

duidelijk gebleken dat het belangrijk is om mannen te bereiken op de plaatsen waar

ze samenkomen zoals sportevenementen, sociale bewegingen of de werkplek. Als

mannen zich goed voelen op een plaats, zijn ze ontvankelijker voor nieuwe informatie

en zullen ze meer geneigd om zelf vragen te stellen, die uitdrukking geven aan hun

zorgen op vlak van reproductieve gezondheid. Hierbij wordt klassiek verwezen naar

IOC-projecten (informatie-onderwijs-communicatie projecten) die georganiseerd

worden op de werkplek of tijdens sportevenementen, zoals voetbalmatchen (Diallo,

2006: 36). In het zuiden van India heeft een project geprobeerd om meer dan 250.000

barbier-kappers op te leiden op vlak van communicatie over gezondheid, zodat zij

hun klanten tips over reproductieve gezondheid kunnen geven (Drennan, 1998: 35).

Tenslotte werden er ook projecten opgezet die specifiek gericht zijn op risicogroepen

zoals vrachtwagenchauffeurs, om in te spelen op hun specifieke behoeften en op de

specifieke risico’s die zij lopen 65 .

65

Coopération canadienne : projet de « Prévention des IST/VIH/SIDA auprès des camion-

132


Catherine Gourbin

Maar deze integratie impliceert niet automatisch een gedeelde verantwoordelijkheid

tussen mannen en vrouwen: het risico bestaat dat door de aandacht te richten op de

rol van de man, zonder het te willen, de stereotypen over besluitvorming als ‘een

zaak van mannen’ versterkt worden; en dat dus op deze manier de passiviteit van

vrouwen benadrukt wordt (Sciortino, 1998).

Ook programma’s waarvan de boodschappen gericht zijn op vrouwen kunnen

bepaalde problemen met zich meebrengen. Een voorbeeld. In Oeganda werden in

het kader van een campagne tegen hiv, die op vrouwen gericht was, slogans gebruikt

zoals ik ben tevreden, ik zeg ‘neen’ aan aids en jonge meisjes moeten leren ‘neen’ te zeggen tegen

mannen; deze slogans suggereren dat de mogelijkheid om seks te weigeren enkel van

hun eigen wil afhangt, terwijl het voor vrouwen vaak moeilijk is om zich te verzetten

tegen druk van seksuele aard waaraan ze onderworpen worden (Obbo, 1995).

Binnen de context van de genderverhoudingen is het van fundamenteel belang dat

boodschappen m.b.t. seksueel gedrag zich zowel tot mannen als tot vrouwen richten,

opdat de ondergeschikte positie waarin vrouwen zich in sommige samenlevingen

bevinden, niet verhuld zou worden(Vidal & Desgrées du Loû, 2001).

5. Nauwelijks ontgonnen paden

5.1. De doelgroep

De grote peilingen over Demografie en Gezondheid betrekken nu ook mannen bij

hun bevraging, maar het betreft zelden de partners van vrouwen. De aandacht voor

het koppel (wettig/onwettig; vaste/onzekere relatie) is maar een miniem onderdeel

van de onderzoeken. Zwangerschap (en contraceptie) wordt meestal bestudeerd

vanuit het perspectief van de vrouw en niet vanuit het perspectief van het koppel. De

analyse van de manier waarop de vrouw omgaat met haar zwangerschapsverlangen

of met haar zwangerschap moet rekening houden met de interactie binnen het

koppel. Komen de belangen van de twee partners overeen of niet? In geval van

uiteenlopende belangen kan een zwangerschap uitmonden in een ingeleide abortus,

die een belangrijk probleem voor de volksgezondheid blijft.

neurs, des populations riveraines et des communautés d’origine et d’accueil de l’axe routier

Douala Ngaoundéré, Cameroun » http://www.acdi-cida.gc.ca/cpb/zonejeun.nsf/Fr/STE-

10685634-W4W (Pagina bezocht op 30/07/2007). Family Health International, The India-

Nepal Parnership: Building Cross-Border Collaboration in Areas of Affinity, The Bhoruka

AIDS Prevention (BAP) Project http://www.fhi.org/en/HIVAIDS/pub/Archive/articles/

AIDScaptions/volume3no2/IndiaNepalPartneship.htm (Pagina bezocht op 30/07/2007)

133


Gender en reproductieve gezondheid

5.2. De thema’s

Wat betreft de metingen kan vastgesteld worden dat er actueel weinig nagedacht wordt

over het verbeteren van de dataverzameling over gevoelige of taboe onderwerpen

zoals seksueel geweld, ingeleide abortus (vooral in een context waar vrijwillige

zwangerschapsonderbreking onwettelijk is) of over indicatoren die de onvoldane

behoeften op vlak van gezinsplanning meten. In dezelfde zin, blijft het onderzoek

naar contraceptieve methoden voor mannen bescheiden. Dit laatste type onderzoek

lokt tegenstrijdige reacties uit: enerzijds zouden deze methoden mannen kunnen

responsabiliseren voor wat betreft de vruchtbaarheidscontrole, anderzijds zouden ze

kunnen leiden tot het versterken van de mannelijke dominantie, zoals eerder al werd

aangegeven.

Wat de verzameling van kwantitatieve gegevens betreft: de informatie over de

communicatie tussen partners blijft beperkt en ze focust op een welbepaald moment

in de tijd. Er bestaat geen informatie over de manier waarop de dialoog tot stand

komt en voortgezet wordt, noch over de manier waarop omgegaan wordt met het

risico op hivbesmetting binnen de relatie van het koppel, bijvoorbeeld. Het is dus

uiterst belangrijk om de kwalitatieve benaderingen te versterken, niet alleen om

de dynamiek van de communicatie tussen partners en tussen naaste verwanten

onderling te begrijpen, maar evenzeer om inzicht te verwerven in de obstakels die

mannen en vrouwen beletten om over seksuele en reproductieve problemen te

praten: traditionele mannelijke dominantie, vrees om ontrouw te lijken, angst dat de

man zich tot andere vrouwen zou wenden.

Om het even welk fenomeen bestudeerd wordt, we kunnen enkel vaststellen dat

de meerderheid van de onderzoeken zich beperkt tot het verklaren van individuele

determinanten op een bepaald moment in de tijd. Welnu, om de onverwachte

aspecten van de verschillende evenementen die samen de reproductieve gezondheid

uitmaken beter te kunnen analyseren, zou men extra aandacht moeten besteden aan

de biografische trajecten van ontluikende seksualiteit, huwbaarheid, vruchtbaarheid

en contraceptie, maar de gegevensbronnen op dit domein blijven ontoereikend.

Om deze meer omvattende aanpak te volgen, zouden andere elementen aandacht

moeten krijgen en bestudeerd moeten worden zoals:

• het onderzoek naar de sociale netwerken en vriendschapsrelaties die ontstaan

tussen individuen;

• het effect van plaatsen, omgevingsfactoren en culturele contexten die individuen

in risicovolle constellaties kunnen doen belanden: patriarchale systemen,

juridische systemen (geen of niet nageleefde wetgeving);

134


Catherine Gourbin

• de graad van autonomie tegenover de omgeving.

5.3. De programma’s

Normen en waarden over de rollen van vrouwen en mannen zijn diep verankerd

in de samenleving en gedragsveranderingen zijn doelstellingen op de lange termijn;

deze vereisen dus programma’s die over een lange periode lopen. Maar donoren

financieren zeer vaak programma’s met een beperkt tijdsbestek, die geen fundamentele

veranderingen (veranderingen in de diepte) toelaten. De eis om resultaten te boeken,

maakt dat de acties die ondernomen worden zich richten op veranderingen in het

discours, maar niet in de praktijk (denken, handelen).

Overigens, bovenop het belang van het betrekken van mannen bij de programma’s,

moet ook het belang onderstreept worden van een bewustwording op nationaal

niveau (politieke en religieuze leiders, leiders op niveau van de gemeenschappen) van

de genderverhoudingen, die spelen in het omgaan met seksualiteit en vruchtbaarheid.

De genderdimensie van reproductieve gezondheid zou vanaf de lagere school

onderwezen moeten worden en gedurende het hele schooltraject aan bod moeten

komen, met een bijzondere aandacht voor de voorstellingen en de stereotypen van

mannen en vrouwen in de schoolboeken.

6. Bibliografie

Diallo, T. (2006), Guinea PRISM II Project: Quarterly Report, January-March 2006,

USAID-Guinée and Management Sciences for Health, Cambridge.

Drennan, M. (1998), « Santé de la reproduction : la participation des hommes vue

sous un nouvel angle », Population Reports, série J, n°46, Baltimore, Johns Hopkins

University, School of Public Health, Population Information Program.

Guillaume, A. & Molmy, W. (in samenwerking met) (2004), L’avortement en Afrique/

Abortion in Africa, Centre Population et Développement, Paris.

Guillaume, A. & Lerner, S. (2006), L’avortement en Amérique Latine et dans les Caraïbes /

El aborto en América Latina y El Caribe, Centre Population et Développement, Paris.

Kimuna, S.R. & Adamchak, D.J. (2001), « Gender relations: Husband-wife fertility

and family planning decisions in Kenya », Journal of Biosocial Science, vol. 33, n°1, pp.

13-23.

Labourié-Racapie, A. & Locoh, T. (1999), « Genre et démographie : nouvelles

problématiques ou effet de mode », Théories, paradigmes et courants explicatifs en

démographie, Bruylant-Academia et L’Harmattan, Louvain-la-Neuve.

135


Gender en reproductieve gezondheid

Obbo, C. (1995), « Gender, age and class: discourses on HIV transmission and control

in Uganda », Culture and sexual risk. Anthropological perspectives on AIDS, Gordon and

Breach, New-York, Amsterdam.

Salem, R. (2004), « Enquêtes auprès des hommes : Nouvelles révélations », Population

Reports, Série M, n°18, Johns Hopkins, Bloomberg School of Public Health, The

INFO Project.

Salway, S. (1994), « How attitudes toward family planning and discussion between

wives and husbands affect contraceptive use in Ghana », International Family Planning

Perspectives, vol. 20, n°2, pp. 44-74.

Sciortino R. (1998), « The challenge of addressing gender in reproductive health

programmes: examples from Indonesia », Reproductive Health Matters, vol. 6, n°11,

pp. 33-44.

Vidal, L. & Desgrées du Loû, A. (2001), « Sida et situations sociales des femmes

en Afrique : des notions aux méthodes de recherche », Cahiers d’études et de recherche

francophones/Santé, vol. 11, n°4, pp. 265-272.

136


Deel III

OnDerzOek naar GenDer en

OntwIkkelInG In het kaDer Van De

mIGratIe naar belGIë


onderzoeken over ‘gender en mIgraTIe’ In

unIversITaIre mIddens

Isabel Yépez Del Castillo 66

We stellen hieronder een aantal studies voor die gerealiseerd worden door teams van

onderzoekers (v/m) die aan Belgische, vooral Franstalige, universiteiten werken rond

het thema ‘gender en migratie’ 67 .

1. Migratie heeft ook een vrouwelijk gezicht

Migrantenvrouw, vrouw met een migratieachtergrond, vrouw van buitenlandse

afkomst, allochtone vrouw … het zijn verschillende manieren om de vrouwelijke

immigranten in België te benoemen, maar net zoals in andere landen van de wereld

werd migratie lang bestudeerd alsof het een louter mannelijk fenomeen betrof.

De geïmmigreerde vrouwen waren lange tijd onzichtbaar in onderzoeken over

immigratie, ze bleven in de schaduw.

Welke zijn de oorzaken van de onzichtbaarheid van geïmmigreerde vrouwen?

Hiervoor worden twee redenen naar voor geschoven: de ene houdt verband met

gegevensverzameling en de andere met bestaande voorstellingen in de samenleving.

In België bijvoorbeeld, zegt ons Krezelo (2006), stelt het federaal agentschap voor de

opvang van asielzoekers (FEDASIL) dossiers op per gezin; de statistische gegevens die

jaarlijks door deze instelling opgemaakt worden, geven cijfers over het aantal dossiers

en niet over het aantal personen van een gezin. Op deze manier blijft de aanwezigheid

van vrouwen in de migratiestroom ondergewaardeerd, in dit geval, door de manier

waarop de asielaanvragen administratief ingedeeld worden. Een interessant gegeven:

gegevensanalyse van FEDASIL van de laatste jaren toont aan dat het ‘gezinsmodel’

daalt. In 2004 vertegenwoordigden gezinnen 45% van de instroom en alleenstaande

66

Gewoon hoogleraar, Institut d’Etudes du Développement, Université catholique de Louvain.

67

Wie geïnteresseerd is om meer te weten over de stand van zaken van de kennis betreffende

de immigratie in Franstalig België, kunnen we twee voortreffelijke en relatief recente werken

aanraden: Marco Martinello e.a. (2007) en Kadher e.a. (2006).

139


Onderzoeken over ‘Gender en migratie’ in universitaire middens

personen 55%. Van de 55% alleenstaanden zijn 10% alleenstaande vrouwen en 4%

niet begeleide minderjarigen; de alleenstaande mannen vertegenwoordigen 41%

(ibid.: 142)

De cijfers tonen aan dat vrouwen eigenlijk nooit ‘afwezig’ waren binnen de

bevolkingsgroep van immigranten. Het proces van ‘vervrouwelijking van de migratie’

dat sinds 1990 wordt vastgesteld, verwijst zowel naar een kwantitatieve wijziging van

het aantal vrouwen versus het aantal mannen als naar een kwalitatieve verandering:

vrouwen emigreren op zoek naar werk, steeds meer autonoom, vaak als pioniers van

‘ketens’ van migratie, als ‘gezinshoofd’.

2. De contouren van de buitenlandse vrouwelijke

migratie in België

Sommige onderzoeksters hebben een pioniersrol gespeeld in het bestuderen van de

vrouwelijke migratie in Franstalig België. Anne Morelli (1992; 1993; 2001) heeft gezorgd

voor de noodzakelijke historische dimensie in de analyse van migratietrajecten en van

de migratiedynamiek (1992; 2000; 2001). Nouria Ouali (1998; 2001; 2003b,…) heeft,

op haar beurt, gewerkt rond verschillende aspecten in verband met: de arbeidsmarkt,

de rechten van immigranten, de verbanden tussen onderwijsbeleid, vormingsbeleid en

migratie, de beeldvorming over migrantenvrouwen in de media; in deze onderzoeken

wordt bijzondere aandacht besteed aan de Marokkaanse migratie in België. We zouden

willen verwijzen naar een van haar recente werken, waarin ze een overzicht geeft

van de kennis betreffende migrantenvrouwen op de Belgische arbeidsmarkt (Ouali,

2006). Ouali stelt vast dat, net zoals in andere Europese landen, migrantenvrouwen

afwezig zijn in de sociologische studies over immigratie. De onzichtbaarheid van

vrouwen in het wetenschappelijk onderzoek wijst, aldus deze onderzoekster, op een

dubbele ongelijkheid: ongelijkheid in de sociale sekseverhoudingen en ongelijkheid

in de etnische verhoudingen. Maar opgelet, de noodzaak om de aanwezigheid van

vrouwen in de migratieprocessen zichtbaar te maken, mag ons niet verhinderen om

de relevantie van een genderperspectief “waarvan de kracht ligt in de erkenning van

het geseksualiseerde karakter van de sociale verhoudingen en in het ontkrachten van

de mythe van ‘universeel’ wetenschappelijk onderzoek over migratie”, te bevestigen;

dit analyseperspectief laat ook toe om “de verschillende processen van dominantie

die op de immigranten wegen te deconstrueren en om de drie dimensies van hun

onderdrukking ‘gender, ras en klasse’ samen te brengen in het wetenschappelijk

onderzoek.” (Ouali, 2006: 248).

140


Isabel Yépez Del Castillo

Ilke Adam (2006), onderzoekster bij GERME (ULB), onthult op basis van een

collectief onderzoek over mensen zonder papieren in België 68 , dat de vrouwen

die zich in een administratief onregelmatige verblijfsituatie bevonden en die

geïnterviewd werden in het kader van deze studie; vrij gediversifieerde sociologische

profielen vertonen, zowel wat betreft hun burgerlijke staat als wat betreft kinderen,

studies en beroepservaring. Ondanks deze verschillen verblijven ze hier allemaal

illegaal en delen ze een precaire situatie. Hun situatie van illegaliteit bepaalt op zeer

dwingende wijze hun toegang tot bestaansmiddelen, gezien hun uitsluiting van

de arbeidsmarkt en van sociale uitkeringen. In deze context betekent ‘zwartwerk

onder illegale omstandigheden’ de enige manier waarop mensen zonder papieren

een inkomen kunnen verwerven, maar, aldus Adam, het verschaft deze migranten/

migrantenvrouwen ook “hun dagelijkse routine, hun verplichtingen, hun rol van

maatschappelijk aangepaste en waardige mensen, die het immigranten zonder

juridische identiteit mogelijk maakt te leven en voor anderen de schijn van een

normaal leven op te houden” (ibid.: 57). De meeste vrouwen met wie in het kader van

dit onderzoek gesproken werd, verlenen diensten aan particulieren: huishoudelijk

werk, kinderopvang, ziekenzorg of bejaardenzorg. Een kleine groep overleeft door

(betaalde) diensten te verlenen aan hun eigen gemeenschap: verkoop van gerechten

uit hun land, haarkappen, hulp in ‘etnische’ winkels. Lange werkdagen, lonen onder

het wettelijke minimumbarema en precaire werkomstandigheden zijn legio ….

Een andere studie, over de discriminatie van buitenlanders en van personen van

buitenlandse herkomst op de arbeidsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest,

gerealiseerd door twee universitaire teams 69 (ULB en KUL, 2005), bevestigt dat in alle

geanalyseerde cases gendergebonden elementen in de inschakelingtrajecten aanwezig

waren. (p. 49). Alle geïnterviewde vrouwen maken melding van de moeilijkheid

om gezinsverantwoordelijkheden en integratie op de arbeidsmarkt te combineren.

Men stelt ook vast dat de vrouwen in specifieke segmenten van de arbeidsmarkt

geconcentreerd zijn: gezondheid, huishoudelijk werk, de verenigingen, de banken

…, typisch ‘vrouwelijke’ activiteiten. Mannen zijn op hun beurt meer aanwezig in de

privé-bewaking, de industrie, verzekeringen en telecommunicatie, wat de horizontale

segregatie van vrouwen op de arbeidsmarkt bevestigt.

68

Gerealiseerd door twee universitaire teams (GERME-ULB en CEDEM-ULG) en de

vereniging Steunpunt Mensen zonder Papieren. In het kader van dit onderzoek werden 130 personen

zonder papieren geïnterviewd. De gesprekken gebeurden in 8 steden van België: Luik,

Brussel, Antwerpen, Charleroi, Gent, Verviers, Turnhout en St.-Niklaas. Het onderzoek is

gepubliceerd in het werk Histoires sans papiers (verhalen van mensen zonder papieren), Adam

e.a.. 2002.

69

Afdeling Sociologie van de Katholieke Universiteit van Leuven en het Centrum voor Sociologie

van Arbeid, Tewerkstelling en Opleiding van de ULB.

141


Onderzoeken over ‘Gender en migratie’ in universitaire middens

Nadia Ben (2000; 2004; 2006) bestudeerde de discriminatie van gesluierde

moslimvrouwen van Marokkaanse herkomst op de arbeidsmarkt, op basis van een

empirische en kwalitatieve benadering 70 . De resultaten van deze enquête tonen

aan dat een hogere opleiding de uitsluiting van gesluierde vrouwen in de Belgische

maatschappij niet verhindert. Deze onderzoekster heeft ook werk verricht over de

situatie van vrouwen van Turkse en Afrikaanse herkomst in Brussel.

Huishoudelijk werk, dat vooral een vrouwenaangelegenheid is, kwam in verschillende

analyses aan bod; we vermelden o.a. de voorbereidende studie over internationaal

huishoudpersoneel, die in 2003 door de Koning Boudewijn Stichting gerealiseerd

werd en Amandine Bach (2008) die in haar doctoraatsthesis het huishoudelijke werk,

uitgevoerd door Colombiaanse en Filippijnse migranten en migrantenvrouwen in

België, bestudeert.

Bepaalde nationaliteiten komen meer aan bod in het onderzoek. Dit geldt voor

Marokko, een regio vanwaar de migratie al meer dan veertig jaar aan de gang is.

Het werk gecoördineerd door N. Ouali (2004a), Trajectoires et dynamiques migratoires de

l’immigration marocaine de Belgique, maakt duidelijk “hoe het gezicht van deze migratie

grondig gewijzigd is. In het begin werd deze immigratie gekenmerkt door een

voorlopige, tijdelijke vestiging om professionele redenen van jonge, alleenstaande

mannen in de kracht van hun leven, later is ze uitgegroeid tot een definitieve vestiging

van gezinnen. De echtgenotes hebben bijgedragen aan de demografische groei van

het land door de geboorte van talrijke kinderen en de afstammelingen hebben min

of meer getracht om hun plaats in het gastland in te nemen” (Ouali, 2004a).

Wat de Marokkaanse vrouwen betreft, familiale, religieuze, culturele en juridische

aspecten en de integratie op de arbeidsmarkt werden vanuit verschillende disciplines

bestudeerd. Bij wijze van voorbeeld vermelden we twee werken: Femmes marocaines et

conflits familiaux en immigration: quelles solutions juridiques appropriées? van J-Y Carlier en

Marie-Claire Foblets en Féminité, islamité. Récits des femmes issues de l’immigration marocaine

à Bruxelles van Fabienne Brion (2001). In een artikel dat verschenen is in een recent

werk( Khader et al., 2006), stelt F. Brion de democratie in vraag vanuit het perspectief

van de islam; en “ze wordt meer bepaald in vraag gesteld vanuit het perspectief van

de islamitische hoofddoek”.

De integratie van Turkse (Bayar, 1992), Latijns-Amerikaanse (Van Broeck, 1995)

en Congolese vrouwen op de arbeidsmarkt werd eveneens in verschillende studies

behandeld.

70

Zie onder andere: Multiculturalisme et modes de citoyenneté en Belgique, project gefinancierd door

het Brusselse Gewest, zie eindverslag (Ben & Rea, 2000).

142


Isabel Yépez Del Castillo

Nadia Ben (2006) heeft onderzoek gedaan naar van de manier waarop Marokkaanse,

Turkse en Congolese migrantenvrouwen bijdragen tot het Belgische verenigingsleven

en het politieke leven. Migrantenvrouwen bevinden zich op het kruispunt van

een complex netwerk van relaties: raciale of etnische relaties, genderrelaties

en klassenrelaties. Vanuit een feministische benadering, die door de auteur als

multicultureel wordt gekenmerkt, komt ze tot verschillende vaststellingen: het gaat

over vrouwen met uiterst verschillende profielen (profielen die verband houden met

de verschillende soorten van migratie, de leeftijd, de evolutie van de generaties, het

opleidingniveau …); het gezin blijkt een bevoorrechte en eerste plaats van socialisatie

en aanzet tot betrokkenheid bij het openbare leven; het aangaan van sociale relaties

in familieverband is gebaseerd op de verschillende en gendergebonden statuten

en rollen; de participatie van vrouwen van buitenlandse oorsprong aan het beheer

van de buurt begint vaak in het verenigingsleven; de balans van de deelname van

vrouwen van buitenlandse oorsprong aan het openbare leven is eerder matig en

dit om twee redenen: ze hebben slechts een beperkte invloed en ze zijn niet talrijk

genoeg om verkozen te raken. Desondanks draagt de promotie van enkele vrouwen

van buitenlandse herkomst bij “tot het opstellen van modeltrajecten en het smeedt

nieuwe modellen voor andere vrouwen van buitenlandse oorsprong” (Ben, 2006:

158).

3. Het ‘anderszijn’ van de ander begrijpen

Twee universitaire onderzoeken, het ene over het oordeel van de Belgen over de

hoofddoek en het andere over de mening van middelbare scholieren uit Brussel

over het gedwongen huwelijk 71 , bieden ons een concrete toegangspoort tot de

interculturaliteit en de kijk op de ander.

De eerste studie, die uitgevoerd werd van 2005 tot 2006, wou peilen naar de attitude

van autochtone Belgen tegenover de hoofddoek 72 en in het geval van een negatieve

perceptie duiden waar deze vijandigheid vandaan kwam: gaat het om het afwijzen

van de ander of betreft het, integendeel, een bezorgdheid om de autonomie van

de personen die hem dragen, te bevorderen? In de loop van het onderzoek werden

313 personen, die representatief waren voor de Belgische samenleving in Franstalig

België, ondervraagd. Op het eind van het onderzoek besluiten de auteurs “dat er

meerdere causale richtingen tussen racisme en hoofddoek mogelijk zijn. Hoewel

racisme redelijkerwijs de vijandigheid tegenover de hoofddoek voor een groot deel

71

Onderzoek gerealiseerd door de UCL op vraag van de Directie voor de Gelijkheid van

Kansen van de Franse Gemeenschap. Deze opdracht volgde na de melding van gevallen van

jonge gehuwde meisjes die hun studieprogramma opgaven, blijkbaar zonder hun goedkeuring

(Faites gestes, okt-dec 2004 ).

72

Onderzoek gerealiseerd door het Centrum voor godsdienstpsychologie van de UCL (Faculteit

Psychologie en onderwijswetenschappen), http://www.uclouvain.be/en-psyreli.

143


Onderzoeken over ‘Gender en migratie’ in universitaire middens

kan verklaren, is het ook niet uitgesloten dat de overmatige aanwezigheid van de

hoofddoek in het straatbeeld het onderliggende racisme voedt. Voor de zogenaamde

gastmaatschappij betekent dit dat het noodzakelijk is om ononderbroken werk te

maken van het racisme dat in haar midden broedt en dat de vraag gesteld moet worden

naar de ware, onderliggende redenen die zich vaak verschuilen achter de bezorgdheid

om de vrijheid van de anderen te verdedigen. Voor de moslimgemeenschap stelt

zich de vraag naar een ethische, spirituele en pragmatische reflectie over de vraag of

de noodzaak om een godsdienstig gebruik te respecteren, ook deels rekening moet

houden met de visie van de ander, een in dit geval op zijn minst argwanende kijk”.

Het tweede onderzoek, Mariage choisi, mariage subi: quels enjeux pour les jeunes? 73 , werd

van december 2003 tot juni 2004 uitgevoerd bij een steekproef van 1200 leerlingen

van het hoger middelbaar onderwijs (waaronder 600 jongeren afkomstig uit

onderwijsinstellingen die in aanmerking komen voor positieve discriminatie). Eén

van de besluiten van de studie is dat gedwongen huwelijken nog steeds voorkomen

onder bepaalde lagen van de bevolking, vooral in gezinnen met een moslimcultuur.

Toch “moet het stereotype beeld van het jonge Maghrebijnse meisje dat naar het land

van oorsprong teruggestuurd wordt, bijgesteld worden: enerzijds, komen gedwongen

huwelijken namelijk niet alleen voor bij personen uit Noord-Afrika, Europa of het

Midden Oosten. Nagenoeg een meerderheid van de getuigenissen betreft jongeren

afkomstig uit katholieke geloofsgemeenschappen. Men kan ook gevallen aanhalen

waar de jongens het slachtoffer zijn van deze praktijk, ook al blijft dit een minderheid

van de gevallen. Anderzijds, vinden sommige van deze huwelijken plaats in België en

niet uitsluitend in het land van oorsprong”.

4. Een ‘wereldwijd zorgnetwerk’ verbindt de

samenlevingen van het Noorden en het Zuiden

In de loop van het laatste decennium werden tal van studies gewijd aan de kwestie

van gender en de mondialisering van de migratie, vooral vanuit de invalshoek van

sociale reproductiearbeid door vrouwen en het internationale karakter hiervan. Het

concept ‘wereldwijd zorgnetwerk’ wordt gebruikt om de transnationale (ver)banden te

verklaren tussen de maatschappijen van het Noorden die geconfronteerd worden

met een tekort op vlak van care (zorg) en de maatschappijen van het Zuiden die

handenarbeid exporteren.

De ‘wereldwijde zorgnetwerken’ worden gedefinieerd als een “reeks persoonlijke

banden tussen individuen over de hele wereld, gebaseerd op het uitvoeren van

al dan niet betaalde zorgtaken” (Hoschschild, 2000: 131). Wij onthouden de

definitie van zorg die Fiona Williams (2003) voorstelt; zij definieert zorg (care) als

73

Gekozen huwelijk, geleden huwelijk: wat staat er op het spel voor jongeren?

144


Isabel Yépez Del Castillo

“processen van sociale reproductie die betrekking hebben op het voldoen aan de

behoeften van kinderen, van bepaalde bejaarde of gehandicapte personen, evenals

van personen met mentale problemen of met een geestesziekte”. In een recent

artikel vraagt C. Verschuur (2008) zich af of - gezien de crisis in de zorgverlening

en de aandacht voor anderen, in het bijzonder het stijgend aantal bejaarde en

afhankelijke personen in de ontwikkelde landen - de migranten de omvang van

de zorgvraag en de gevolgen van ‘care drain’ 74 zullen kunnen dekken. Care drain wil

zeggen de zorg (care) die aan het Zuiden onttrokken wordt om de behoeften in het

Noorden te dekken.

In een van de weinige Belgische onderzoeken, waarin de sociale verhoudingen van

sekse, gender en de welvaartstaat met elkaar in verband worden gebracht binnen

de context van een meervoudige economie, spreekt Florence Degavre (2008) over

het begrip ‘defamiliarisering’; dat gegrond is in de noodzaak voor vrouwen om toe te

treden tot de arbeidsmarkt en om niet economisch afhankelijk te zijn van echtelijke

banden. Dit proces van ‘defamiliarisering’ kan zowel in gang gezet worden door

Europese vrouwen als door vrouwen van buitenlandse oorsprong, die migreren om

zich in het Noorden in te schakelen in de zorg (care). “Het is zo dat tal van werken de

migratie in de context van care voorstellen als een vrouwelijke strategie die kan leiden

tot emancipatie tegenover de familiale relaties, aldus Degavre. In deze betekenis

gaat de migratie wel degelijk gepaard met de dimensie van ‘defamiliarisering’: in het

Noorden hangt ze samen met de (ontoereikende) ‘defamiliarisering’ in de context

van de welvaartstaat: omdat noch het overheidsbeleid, noch de diensten van de

verenigingen, noch de familie hen een oplossing bieden, doen gezinnen steeds meer

een beroep op migrantenvrouwen om kinderen of personen die hun zelfstandigheid

verliezen, te verzorgen. In het Zuiden wordt de ‘defamiliarisering’ doorgaans weinig

gesteund door de staten en heeft ze een meer individueel karakter in de vorm van een

persoonlijk migratieproject van vrouwen” (Degavre, 2008: 282).

5. Internationale migratie, veranderingen en

ontwikkelingen

Het belang om de aanwezigheid van vrouwen in het migratieproces zichtbaar te maken

mag ons de pertinentie van een genderbenadering in termen van relaties, niet doen

vergeten; omdat het een benadering is die toelaat om de sociale verhoudingen, sekse

en ras, te verbinden vanuit een perspectief van duurzame ontwikkeling.

We hebben kunnen vaststellen dat onderzoeken m.b.t. een meer rechtvaardige en

duurzame ontwikkeling tussen het Noorden en het Zuiden die rekening houden met

de man-vrouwrelaties, eerder zeldzaam zijn.

74

Het onttrekken van zorg.

145


Onderzoeken over ‘Gender en migratie’ in universitaire middens

Wij stellen volgend geheel van toekomstige onderzoeksvragen voor:

• Welke invloed hebben de migratieprocessen voor de relaties tussen mannen en

vrouwen? Draagt de migratie bij tot een ‘emancipatie van migrantenvrouwen

of juist integendeel, tot de instandhouding van een positie van ondergeschikte?

• Hoe kan men migratie en ontwikkeling verbinden? Wat is de financiële bijdrage

van de werkende migrantenvrouwen aan hun landen van herkomst? Welk

gebruik wordt ervan gemaakt, afhankelijk van of ze door mannen dan wel door

vrouwen worden opgestuurd? In welke richting stuwen deze zendingen (geld)

de ontwikkeling in het Zuiden?

• Op welke manier leiden de veranderingen in de verdeling van de arbeid tot de

mobilisatie van migratiearbeid, vooral in het domein van de zorg?

Deze voorstelling van onderzoeken over ‘gender en migratie’ - een voorstelling die niet

exhaustief maar louter illustratief is - laat ons toe om de diversiteit van de profielen

van migrantenvrouwen, de dynamiek van hun traject, hun ongunstige positie op de

arbeidsmarkt en hun vitaal verenigingsleven, vast te stellen; wat contrasteert met het

veel voorkomende stereotype beeld van onderworpen vrouwen, die geen initiatief

nemen. Het artikel van Marcella De La Peña zal ons toelaten om de thema’s die

door het verenigingsleven over migratie, gender en ontwikkeling behandeld werden,

verder te zetten en te integreren in ons onderzoek.

6. Bibliografie

Adam, I., Ben Mohamed, N., Kagné, B., Martiniello, M., Rea, A., (2002), Histoires

sans-papiers, Vista, Bruxelles.

Adam, I. (2006), « Les sans-papières et leur combat de survie en Belgique », in

Université des Femmes & Colfen, Vivre clandestines, Agir Féministes, Bruxelles.

Bayar, A. (1992), « Un ghetto du travail. Les nettoyeuses turques à Bruxelles », Cahiers

de la Fonderie, Revue d’histoire sociale et industrielle de la région bruxelloise, n° 12,

juin, pp. 59-64.

Bayar, L. & Ertorun L. (1992), « L’immigration turque : aspects économiques », in

Morelli A., (éd.), Histoire de l’immigration en Belgique, Bruxelles.

Ben, N & Rea, A. (2000), « Politique Multiculturelle et modes de citoyenneté à

Bruxelles », Rapport final (Partie 2), Germe-ULB.

146


Isabel Yépez Del Castillo

Ben, N. (2004), « Les femmes musulmanes voilées d’origine marocaine sur le marché

de l’emploi » in Brion, F. (éd.) Féminité, islamité, minorité. Questions à propos du hijâb

Academia-Bruylant, Louvain-la-Neuve, pp. 49-61.

Ben, N. (2006), Femmes d’origine étrangère dans l’espace public. Dirigeantes d’associations et

élues politiques à Bruxelles, Academia-Bruylant, Louvain-la-Neuve.

Brion, F. (2006), « Du demos au laos ? Penser autrement les relations entre genre,

religion et discrimination » in Khader & al. Penser l’immigration autrement, Academia-

Bruylant, Louvain-la-Neuve, pp 366-386.

Brion, F. (2001), « Féminité, islamité, minorité. Récits de femmes issues de

l’immigration marocaine à Bruxelles », Sophia, Etudes féministes - Vrouwenstudies, 27/3,

pp. 48-50.

Degavre, F. (2008), « Les contours du care. Réflexions pour une conceptualisation

du care aux personnes âgées dépendantes à partir d’une étude de cas à Bruxelles » in

Yépez, I. & Herrera, G, Nouvelles migrations latino-américaines en Europa. Bilans et défis,

Publications Université de Barcelone, Presses Universitaires de Louvain, pp. 267-

286.

Folbles, M-C (éd.) (1998), Féminité, islamité. Récits des femmes issues de l’immigration

marocaine à Bruxelles, SSTC, Bruxelles.

Hochschild, A-R (2000), « Global care chains and emotional surplus value », in

Hutton W. and Giddens A. (éds.), On the Edge: Living with Global Capitalism, Jonathan

Cape, London.

Khader, B., Martinello, M., Rea, A., (éds.) (2006), Penser l’immigration et l’intégration

autrement, Academia-Bruylant, Louvain-la-Neuve.

Krzeslo, M. (2006), « Les nouvelles figures de la migration internationale : les

femmes en première ligne », in Université des Femmes & Colfen, Vivre clandestines,

Agir Féministes, Bruxelles, pp. 139-150.

Martiniello, M., Rea, A., Dassetto, F. (2006), Immigration et intégration en Belgique

francophone. Etat des savoirs, Academia Bruylant, Louvain-La-Neuve.

Morelli, A. (1992), Histoire des étrangers et de l’immigration en Belgique de la préhistoire à nos

jours, éditions EVO et CBAI, Bruxelles.

Morelli, A. (1993), « La femme immigrée et la grande ville. L’exemple de Bruxelles

aujourd’hui » in Gubin, E. & Nadrin, J-P (sous la direction de), La ville et les femmes en

Belgique, Facultés universitaires Saint-Louis, Bruxelles.

147


Onderzoeken over ‘Gender en migratie’ in universitaire middens

Morelli, A. (2001), « Les servantes étrangères en Belgique comme miroir des diverses

vagues migratoires », Sextant 15/16, pp. 149-164.

Ouali, N. (1998), « Les femmes migrantes dans la recherche francophone invisibilité

et stigmatisation », Women’s Studies, Bilan et perspective de la recherche et l’enseignement en

Belgique, Sophia, Bruxelles, septembre, pp. 96-102.

Ouali, N. (2001), « Femmes immigrées : les oubliées des politiques d’emploi et

d’égalité des chances », in Vogel-Polsky, E., Beauchesne, M.-N. (Coord.) Les politiques

sociales ont-elles un sexe ?, Labor, Bruxelles, pp. 47-59.

Ouali, N. (2003a), « Les Marocaines en Europe diversification des profils migratoires »,

Hommes et Migrations, pp. 71-82.

Ouali, N. (2003b), « Mondialisation et migrations féminines internationales l’esclavage

au cœur de la modernité », in Hersent, M., Zaidman, C. (éds.), Genre, travail et migrations

en Europe, Cahiers du CEDREF 10, décembre, pp. 101-113.

Ouali, N. (2004a), Trajectoires et dynamiques migratoires de l’immigration marocaine de Belgique,

Academia Bruylant, Collection Carrefours, Louvain-la-Neuve.

Ouali, N. (2004b), « Études sur les migrations : l’intérêt d’une approche en termes

de genre », Sophia, n°39, Bruxelles, septembre 2004, dossier Genre et Migration, pp.

38-40.

Ouali, N. (2006), Immigration et intégration en Belgique francophone. Etat des savoirs,

Academia Bruylant, Louvain-la-Neuve.

Sayad, A. (1991), « L’immigration ou les paradoxes de l’altérité », De Boeck-Wesmael,

Bruxelles.

Timmerman, C. (1994), « Jeunes filles de Turquie. Vie familiale et instruction

scolaire », in Bensalah, N. Famille turques et maghrébines d’aujourd’hui évolution des espaces

d’origine et d’immigration, Maison neuve et Larose-Academia, Paris-Louvain-la-Neuve,

pp.175-187.

Van Broeck, A. (1995), « Les immigrés latino-américains sans documents », in

Leman, J., Sans document. Les immigrés de l’ombre. Latinos-Américains, Polonais et Nigérians

clandestins, De Boeck Université, Bruxelles.

Verschuur, C. (2008), « Inmigrantes y nueva división internacional del trabajo » in

Yépez I. & Herrera, G., Nuevas migraciones latinoamericanas a Europa. Balances y desafíos,

FLACSO-OBREAL-UCL-UB, Quito.

148


Isabel Yépez Del Castillo

Williams, F. (2003), « Rethinking care in social policy », Paper Finnish Social Policy

Association, University of Joensuu.

Yépez, I. & Bach, A. (2005), « L’envoi de fonds et la féminisation des migrations

internationales : quels changements dans les rapports de genre », in Genre, nouvelle

division internationale du travail et migrations, Cahiers Genre et Développement, pp. 247-

256.

149


genre en InTernaTIonale

zuId/noord mIgraTIes

pIsTes voor ToekomsTIge onderzoeken

Sophie Vause 75

"Vandaag de dag vertegenwoordigen vrouwen bijna de helft van de internationale

migranten in de hele wereld, dat betekent circa 95 miljoen mensen" (FNUAP,

2006). Deze vaststelling wordt steeds meer herhaald, zowel in de media als door

de internationale instellingen of in wetenschappelijke kringen. Maar wie zijn deze

vrouwen, waar komen ze vandaan? Verschil de mobiliteit van vrouwen van die

van mannen? Deze bijdrage wil enkele antwoorden schetsen op deze vragen via

de belangrijkste verworvenheden van de bestaande litteratuur met de bedoeling

relevante onderzoekpistes voor te stellen en de kennis op dit gebied te verdiepen.

1. Men moet een onderscheid maken tussen

de vervrouwelijking van de migraties en de

vervrouwelijking van het betoog over de migraties

In de wetenschappelijke onderzoeken en in de politieke debatten is het begrip

‘vervrouwelijking’ van migraties nog maar twintig jaar oud. Vrouwenmigraties zijn

nochtans niet recent: de rapporten van de Afdeling bevolking van de Verenigde Naties

spreken sinds het einde van de jaren 1990 over een vrouwelijke aanwezigheid in de

verplaatsingen van buitenlandse bevolkingsgroepen sinds bijna een halve eeuw. De

Verenigde Naties ramen inderdaad dat het aandeel vrouwen van alle internationale

migranten in 1960 al bijna 47% bedroeg en veertig jaar later ongeveer 49% bereikte

(cf. figuur) (United Nations, 2006).

75

Doctorandus (Kandidate NFWO), Institut de démographie, Université catholique de

Louvain.

151


Genre en internationale zuid/noord migraties

meestal rond de

Figuur: Vergelijking van de vrouwelijke aandelen (♀/♂) in de migrante

Figuur: regio‘s Vergelijking in 1960 van de en vrouwelijke 2000 (bron: aandelen World (♀/♂) Migration in de migrantenlijsten Prospects, naar grote United Nati

regio‘s in 1960 en 2000 (bron: World Migration Prospects, United Nations, 2006)

Een onderscheid t

Vervrouwelijking

‘vervrouwelijking

Europe

1,1

‘vervrouwelijking

ALatine

Amérique Nd de migraties maa

1,0

Océanie Asie E/S-E

mogelijk om ui

Caraïbes

tegenstelling te v

0,9

MOrient

begrip verwijst na

toename van het

Afrique Sub

de migranten, terw

0,8

aanstuurt op

Asie Sd

beeldvorming v

0,7

Afrique Nd

protagonisten van

Vermannelijking

over vrouwen en

0,7 0,8 0,9 1,0 1,1 zonder altijd duide

1960

te maken.

Een a) onderscheid Vanuit tussen een kwantitatief het fenomeen standpunt ‘vervrouwelijking (dus van de de vervrouwelijking migraties’ en van

‘vervrouwelijking ramingen van het aantallen betoog’ over tot de diverse migraties vaststellingen maakt het ongetwijfeld (cf. onderstaande mogelijk figuu

om uit vormen deze schijnbare geen tegenstelling nieuw fenomeen, te verklaren. het Het aandeel eerste begrip van verwijst vrouwen naar een bij de migra

aanzienlijke toename van het aandeel vrouwen bij de migranten, terwijl het tweede

ontwikkelde landen dan in alle minder ontwikkelde landen 76 en de ontwik

eerder aanstuurt op een geleidelijke beeldvorming van vrouwen als protagonisten

van migraties. Litteratuur over vrouwen en hun migraties draait meestal rond deze

twee begrippen Doctorandus zonder (Kandidate altijd duidelijk NFWO), het onderscheid Institut démographie, te maken. Université catholique de L

76 In 2000 vertegenwoordigden de vrouwen 46% van de internationale migranten woona

a) Vanuit een kwantitatief standpunt (dus de vervrouwelijking van migraties) leiden

ontwikkelde regio’s. De verhouding bedraagt 51% voor de ontwikkelde landen.

de ramingen van aantallen tot diverse vaststellingen (cf. onderstaande figuur):

vrouwenmigraties vormen geen nieuw fenomeen, het aandeel van vrouwen bij

de migranten is groter in de ontwikkelde landen dan in alle minder ontwikkelde

landen 76 en de ontwikkelde landen kennen een aanzienlijke vervrouwelijking van

hun aantallen, terwijl de ontwikkelingslanden contrasterende trends meemaken.

Hoewel deze ramingen zeker kunnen wijzen op het belang van de vrouwenmigraties,

dragen ze bij tot het verhullen van twee essentiële elementen van de Zuid/Noord

vrouwenmigraties. Enerzijds hebben ze de neiging het regionale karakter van de

vrouwenmigratiestromen te verhullen. Men weet namelijk dat de vrouwelijke dimensie

2000

76

In 2000 vertegenwoordigden de vrouwen 46% van de internationale migranten woonachtig

in de minder ontwikkelde regio’s. De verhouding bedraagt 51% voor de ontwikkelde

landen.

152

inderdaad dat het aandeel vrouwen van alle internationale migranten in

bedroeg en veertig jaar later ongeveer 49% bereikte (cf. figuur) (United N


Sophie Vause

van internationale migraties specifiek is voor bepaalde stromen, zoals die van de

Zuidoost Aziatische regio’s (Filippijnen) en de Latijns-Amerikaanse (Dominicaanse

Republiek). Anderzijds is er een belangrijk fenomeen van intraregionale migratie dat

voor een groot deel de Zuid/Noord vrouwenmigratiestromen verhult. Die laatste,

hoewel kwantitatief minder belangrijk, worden gekenmerkt door migrantenprofielen

waarop nog te weinig onderzoekers hebben gewerkt.

b) Vanuit een meer kwalitatief standpunt (dus eerder op het vlak van de

vervrouwelijking van het betoog) lijkt het dat de onderzoekers pas heel laat aandacht

hebben gegeven voor vrouwenmigraties. In de hedendaagse litteratuur kunnen vier

grote periodes worden onderscheiden binnen de evolutie van de wetenschappelijke

interesse voor de vrouwenmigraties (Oso Casas, 2004). Tot de jaren 1970 zien we bij

de studies over vrouwenmigraties bijna geen studies over internationale mobiliteit.

Deze geringe zichtbaarheid van migranten vertolkt hun onbeduidendheid als

erkende sociale spelers, maar geeft geenszins de realiteit weer. In de jaren 1973-

1974 wanneer er restrictieve migratiebeleidslijnen ingevoerd worden in de westerse

landen en de praktijk van gezinshereniging zich veralgemeent, wint de studie van

vrouwenmigraties enig terrein op wetenschappelijk vlak. Deze migrantenvrouwen

blijven echter ingesloten in een passieve rol, en hun migratie wordt vooral gezien als

een begeleiding van hun vader of hun echtgenoot. Men moet wachten tot de jaren

1980 om een echte conceptualisatie van de figuur van de vrouw te zien opkomen als

protagonist van haar migratie, bekleed met een specifieke economische en sociale

rol. Sinds de jaren 1990 wordt de plaats van vrouwenmigranten echt erkend, en

wordt ze zichtbaar via de overvloed van onderzoeken over vrouwen en migraties.

Hoewel deze uitbreiding van het concept effectief samenvalt met de stijging van

vrouwenmigrantenstromen, alsook met een geleidelijke beschikbaarheid van

migrantenstatistieken, opgedeeld per geslacht, blijft het zo dat de wetenschappelijke

onderzoeken zich te weinig buigen over de kwestie van genre in de migratiestudies.

2. Een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve

benaderingen onontbeerlijk om het problematiek

‘genre en migraties’ te bestuderen

Hoewel de migratiefenomenen tegenwoordig in verschillende toepassingsgebieden

optreden als een onontkoombaar studieobject, krijgen de modaliteiten van de analyse

verscheidene vormen naargelang die benaderd wordt door geografen, politicologen,

sociologen of demografen. De onderzoeken verschillen dus zowel naargelang

het weerhouden standpunt (thema en analyseniveau) als de aard van de gegevens

(kwalitatieve of kwantitatieve), zij zijn ook afhankelijk van de gebruikte methodes

(cartografie, levensverhalen, vragenlijsten) en van de theorieën die eruit voortvloeien.

Terwijl de enen zich interesseren aan de impact van de bevolkingverplaatsingen op de

153


Genre en internationale zuid/noord migraties

herschikking van de geografische ruimtes, leggen anderen de nadruk op de politieke

gevolgen van deze verplaatsingen. Verdere onderzoeksthema zijn ook de percepties

van de migratie of de sociaaldemografische kenmerken van de migranten. Een

multidisciplinaire benadering en, meer specifiek, de combinatie van demografische

en sociologische benaderingen, maakt het ongetwijfeld mogelijk een beter begrip te

krijgen van de mechanismen die de individuen toepassen bij hun keuze om in het

buitenland te gaan wonen of in het land te blijven. Het is ook van groot belang om

er grote trends uit te kunnen halen om de evoluties die de bevolkingsverplaatsingen

kennen naar voren te brengen, wat de demograaf gewoonlijk doet. Maar naast de

statistische representativiteit van deze evoluties is het belangrijk trajecten te duiden

die meer in de marge liggen, ofwel omdat ze weinig gebruikelijk zijn, ofwel omdat ze

van nature niet in de officiële statistieken verschijnen (clandestiene migraties). Het

samenbrengen van kwalitatieve en kwantitatieve methodes zijn hiervoor een nodige

stap voor de vordering van het onderzoek. Bovendien zijn beide benaderingen van

belang bij het bestuderen van de migratiefenomenen vanuit het standpunt van genre.

Enerzijds kan men zich de vraag stellen of de migratietrajecten ‘genregebonden

zijn. Volgen vrouwen en mannen dezelfde migratiestrategieën, of migreren ze

om dezelfde redenen? Dat zijn vragen waaraan de demografie zich kan wijden.

Anderzijds betekent het bestuderen van migratiefenomenen vanuit het standpunt

van genreproblematiek dat de sociale en culturele normen in vraag worden gesteld,

zowel van de herkomstmaatschappijen als van de bestemmingmaatschappijen. Nu,

de onderlinge samenhang tussen migratiedynamiek en culturele waarden wordt

het meest begrepen via kwalitatieve studies alsook via een grondige kennis van de

maatschappijen in kwestie.

3. Empirische en theoretische onderzoeken

zijn complementair

De litteratuur over de internationale migraties onderstreept al enkele tientallen

jaren het belang van vrouwenmobiliteit en de rol van genreverhoudingen in de

migratieprocessen. Naast deze overvloed van empirische onderzoeken lijkt het zo

dat de theoretische litteratuur nog moeite heeft om deze elementen te integreren in

de verklarende en interpretatieve schema’s. Deze stap is nochtans heel belangrijk,

temeer omdat de geringe zichtbaarheid van de vrouwenmigratie volgens sommigen

in de eerste plaats zou worden verklaard door het bestaan van een theoretische

lacune op dat vlak (Boyd and Grieco, 2003; Oso Casas, 2004). De bewustwording

van het gebrek aan aandacht voor dit studieobject heeft geleid tot de ontwikkeling

van empirische -en niet van theoretische onderzoeken-, die ons inlichten over de

aanwezigheid van vrouwen in de internationale migratiestromen alsook over de

verscheidenheid van hun migratie-ervaringen. Op het vlak van theoretische kennis

is de balans echter sterk verschillend: men ziet zowel een verlangen om genre op te

154


Sophie Vause

nemen in de theorieën, en tezelfdertijd een onvermogen om de bestaande theorieën

opnieuw te onderzoeken om erin te slagen (Chant and Radcliffe, 1992). De klassieke

theorieën (neoklassieke economie, wereldsysteem, gesegmenteerde arbeidsmarkt)

hebben nauwelijks belangstelling getoond voor genre. Enerzijds richten ze zich

op de productierelaties en negeren ze de domeinen die het migratiegedrag van

mannen en vrouwen mogelijk anders structureren. Anderzijds nemen ze genre op

door gewoon de variabele ‘geslacht’ op te nemen in een bestaand analysekader,

zonder een centrale verklarende waarde te geven aan de sociale geslachtsrelaties.

De aanhangers van meer recente benaderingen zoals die van de nieuwe economie

van migraties of van de benadering in termen van migratienetwerken proberen op

hun beurt de sociale aspecten van de migratie te betrekken in de verklaring. Alle

theorieën maken te vaak een onderscheid tussen het economische – overheersend in

de verklaring van het migratiefenomeen en vaak gekoppeld aan het mannelijke - en

het sociale en culturele- beschouwd als deel van het vrouwelijke (Kofman, 2004).

Hoewel empirische onderzoeken vaak beschouwd worden als te beschrijvend en

daardoor met weinig ruimte voor een fijn begrip van de mechanismen van kracht,

worden de zuiver theoretische benaderingen, die van nature meer analytisch zijn,

vaak losgekoppeld van de realiteit van het terrein.

4. Men moet de kwestie van genre en migraties

zowel zien in een macro- als in een microperspectief

De theoretische perspectieven op het vlak van migratie maken klassiek een

onderscheid tussen macro en micro-economische factoren. Meer recent proberen

onderzoekers de dualiteit tussen beide polen te overschrijden. In deze nieuwe

benaderingen wordt de focus verplaatst naar een tussenliggend analyseniveau: het

gezin of het netwerk (Goss and Lindquist, 1995). Sommige onderzoekers zien er

de mogelijkheid in om de genredimensie op de voorgrond te plaatsen: aangezien

de sociale aspecten betrokken worden bij de verklaring, vinden zij dat de vrouwen

rechtstreeks betrokken zijn (Pedraza, 1991; Hagan, 1998). Deze vaststelling wordt

echter niet door alle onderzoekers aanvaard, want volgens deze laatste hebben deze

tussenliggende categorieën de neiging de genrerelaties te verhullen en houden ze te

simplistische conceptualisatie in stand (Grieco and Boyd, 2003; Kofman, 2004; Oso

Casas, 2004). Deze nieuwe benaderingen beshouwen het gezin als een homogene

eenheid waarin de ‘gemeenschappelijke belangen’ centraal staan, wat zelden het geval

is. In dit perspectief is het niet mogelijk rekening te houden met hiërarchische en soms

ongelijke relaties tussen de leden van een gezin – wat Sen de ‘conflictsamenwerking’

noemt. Volgens de auteur neemt de beslissing binnen de gezinscel meestal de vorm

van een “streven naar samenwerking, tot de onderhandelde beslissing, en meestal

impliciet, van bestaande verschillen” (Sen, 2003). Sen benadrukt echter dat de

impliciete regels waaraan de gezinsleden zich houden in de belangenconflicten,

155


Genre en internationale zuid/noord migraties

niet noodzakelijk beantwoorden aan een egalitair gebod. Het is dus mogelijk dat de

genomen beslissingen de ongelijkheden tussen de gezinsleden versterken en meer

specifiek tussen mannen en vrouwen. De feministische kritiek in dat verband toont

aan dat het concept van gezinsstrategie de houdingen binnen het gezin vertekent,

de interne stratificatie van het gezin in termen van genre en generatie verhult, en

de acties onderdrukt van de minst gemachtigde vanuit een economisch standpunt –

meestal de vrouwen en de kinderen (Wolf, 1990). Deze kritieken zijn vooral relevant

in de context van de landen van het Zuiden, aangezien de patriarchale aard van

de relaties die de gezinnen structureren. In dat kader worden de veronderstelde

‘gemeenschappelijke’ belangen vertegenwoordigd door het (vaak mannelijke)

gezinshoofd, wiens autoriteit erkend wordt door alle gezinsleden, wat deze laatste

weinig ruimte laat. Tot slot volstaat het niet zich louter bewust te zijn van de ongelijke

relaties binnen het gezin, maar men moet erin slagen te begrijpen hoe mannen en

vrouwen zowel worden bewerkt door deze machtsverhoudingen binnen het gezin

als door de sociaal-culturele normen in termen van genre. Men moet ook analyseren

hoe deze op hun beurt de gezinsbeslissingen – met name de migratiebeslissingen

beïnvloeden (Chant and Radcliffe, 1992).

5. De kwestie van migratie wordt steeds meer

benaderd vanuit het standpunt van genre in plaats

van vrouwen

Sinds een vijftiental jaren stellen onderzoekers de verschillende benaderingen die tot

dan de boventoon voerden, in vraag. Enerzijds stelt men zich vragen over de aard van

de studies waarin vrouwen gewoonweg worden genegeerd en waarin de man legitiem

genoeg wordt beschouwd om alle migranten te vertegenwoordigen; en anderzijds

verwijt men het feit dat vrouwen gezocht worden dáár waar ze verondersteld worden

te zijn, dat wil zeggen binnen de familiekring. Sinds enkele jaren zet een toenemend

aantal onderzoekers zich tegen de te grote focus op vrouwen, ze benadrukken

daarbij dat dit het belang van de sociale machtsverhoudingen tussen man en

vrouw kan verhullen. Men wil dus het begrip genre – als sociale constructie van de

geslachtsverhoudingen – centraal stellen in de onderzoeken.

In dat kader zou de genre niet meer beschouwd moeten worden als een

individueel attribuut, maar eerder als een weergave van de sociale context waarin

de migratieprocessen passen. Met andere woorden, het volstaat niet meer een

steekproef van vrouwen op te nemen in de enquêtes of het begrip genre toe te

voegen aan de al bestaande, verklarende modellen, maar wel om onderliggende

theoretische veronderstellingen in vraag te stellen, en zich af te vragen in welke mate

ze dergelijke begrippen integreren. Volgens sommigen heeft men er alle baat bij zich

156


Sophie Vause

op deze weg te begeven, omdat deze niet alleen zal leiden tot een beter begrip van de

sociale rollen van mannen en vrouwen, maar fundamenteler zal toestaan onze kennis

over het migratiegedrag te verfijnen (Riley, 1999).

6. Genre krijgt de voorkeur boven geslacht,

maar men moet erop toezien dit sociaal bijkomstige

begrip niet te ‘naturaliseren

De studie van de veranderingen van genrerelaties vanuit de hoek van de internationale

migraties impliceert verschillende sociale en culturele ruimtes die men moet

aaneenschakelen. Het begrip genre op zichzelf dekt niet dezelfde realiteit in het

Noorden en in het Zuiden – aangezien het wordt erkend dat het tot een sociale

constructie behoort. Het transnationale kader van de migratiestudies impliceert dat

men dit begrip constant opnieuw in vraag moet stellen tegenover de diversiteit van

de sociale en culturele realiteiten. De uitdaging in dit domein is des te belangrijk

omdat de empirische kennis over dit onderwerp nog fragmentarisch en verspreid

is in verschillende, vaak afgezonderde disciplinaire takken. Het lijkt steeds meer

fundamenteel om bepaalde analysekaders uit verschillende disciplinaire takken te

halen en de onderzoeken in die zin op te drijven.

7. De geslachtsspecifieke oorzaken van

migraties zijn relatief goed gedocumenteerd,

terwijl de impact van de migraties op de

genrerelaties niet zo bekend is

De studie van de onderlinge relaties tussen genre en migraties blijkt complex en tal

van elementen zijn nog weinig gekend. Hoewel de geslachtspecifieke determinanten

van de migratie meestal goed gedocumenteerd zijn, blijft de impact van de migraties

op de genrerelaties een domein dat nog weinig bestudeerd is. Tal van onderzoeken

hebben zich al gebogen over de geslachtspecifieke determinanten van migraties,

door de verschillen tussen mannen en vrouwen te actualiseren. Vrouwelijke

migranten sturen bijvoorbeeld doorgaands meer geld dan de mannen, ze vormen

een meer kneedbare en goedkopere arbeidskracht dan mannen enz. (Parrenas, 2000;

Pellegrino, 2004; Garcia and Paiewonsky, 2006). Daarnaast leidt de mobiliteit van

de individuen tot een herschikking van de sociale relaties tussen man en vrouw.

Vrouwenmigraties leveren meestal een dubbel proces van sociale opklimming en

sociale achteruitgang van vrouwen. Mannenmigraties kunnen voor hun part ook

de genrerelaties veranderen binnen het gezin dat transnationaal is geworden, door

de sociale ongelijkheden tussen man en vrouwte versterken of te verminderen,

157


Genre en internationale zuid/noord migraties

maar deze elementen zijn nog te weinig gedocumenteerd. Tal van auteurs erkennen

namelijk dat het moeilijk is het effect van migraties af te zonderen van de andere

dynamica die de sociale verandering teweegbrengen (Tienda and Booth, 1991; Lim,

1995; Boyd and Grieco, 2003). Tot slot zijn de onderzoeken over genre en migraties

tot op heden vooral gericht op de migraties van vrouwen, afkomstig uit de Aziatische

en Latijns-Amerikaanse contineten. Deze focus komt ongetwijfeld overeen met een

effectieve concentratie van vrouwenstromen in deze nationaliteiten en het gebrek aan

studies over de stromen uit Sub-Sahara Afrika bijvoorbeeld, vertolkt ongetwijfeld een

geringere neiging om te migreren vanwege de vrouwen. Door de kwestie te benaderen

vanuit het standpunt van de impact van de migraties op de genrerelaties in plaats van

op de determinanten van vrouwenmigraties, is het aldus mogelijk meer plaats toe

te kennen aan de Afrikaanse toestanden. Specifiek blijven de studies gericht op het

fenomeen van vrouwen ‘die in het land zijn gebleven’ nog zeer zeldzaam, terwijl ze

zouden toestaan de kennis op het vlak van genre en migraties te verdiepen.

8. Bibliografie

Boyd, M. and Grieco, E. (2003), « Women and Migration: Incorporating Gender

into International Migration Theory », Migration Information Source, http://www.

migrationinformation.org/Feature/display.cfm?id=106.

Chant, S. and Radcliffe, S. (1992), « Migration and Development: The Importance

of Gender », in Chant, S. (éd.), Gender and Migration in Developing Countries, Belhaven

Press, London & New York, pp. 1-29.

FNUAP (2006), Etat de la population mondiale 2006. Les femmes et la migration internationale,

Fonds des Nations Unies pour la population.

Garcia, M. and Paiewonsky, D. (2006), Gender, remittances and development: The case of

women migrants from Vicente Noble, Dominican Republic, INSTRAW.

Goss, J. and Lindquist, B. (1995), « Conceptualizing International Labor Migration:

A Structuration Perspective », International Migration Review 29(2), pp. 317-351.

Hagan, J. M. (1998), « Social Networks, Gender, and Immigrant Incorporation:

Ressources and Constraints », American Sociological Review 63(1), pp. 57-67.

Kofman, E. (2004), « Gendered Global Migrations. Diversity and Stratification »,

International Feminist Journal of Politics 6(4), pp. 643-665.

Lim, L. (1995), The Status of Women and International Migration. United Nations

Department for Economic and Social Information and Policy Analysis, Population

Division.

158


Sophie Vause

Oso Casas, L. (2004), « Femmes, actrices des mouvements migratoires », in Femmes

en mouvement, Genre, migrations et nouvelle division internationale du travail, edited by IUED,

pp. 165-193, Unesco, Genève.

Parrenas, R. S. (2000), « Migrant Filipina Domestic Workers and the International

Division of Reproductive Labor », Gender and Society, 14(4), pp.560-581.

Pedraza, S. (1991), « Women and Migration: The Social Consequence of Gender »,

Annual Review of Sociology, 17(1), pp. 303-325.

Pellegrino, A. (2004), Migration from Latin America to Europe: Trends and Policy Challenges,

International Organisation for Migration.

Riley, N. (1999), « Challenging Demography: Contributions from Feminist Theory »,

Sociological Forum, 14(3), pp. 369-397.

Sen, A. (2003), Un nouveau modèle économique. Développement, justice, liberté, Odile Jacob,

Paris.

Tienda, M. and Booth, K. (1991), « Gender, Migration and Social Change »,

International Sociology, 6(1), pp. 41-72.

United Nations (2006), Trends in Total Migrant Stock: The 2005 Revision, Population

Division.

Wolf, D. (1990), « Daughters, Decisions and Domination: An Empirical and

Conceptual Critique of Household Strategies », Development and Change, 21, pp. 43-

74.

159


mIgranTenvrouwen en onderzoek

In heT verenIgIngsleven

marcela de la Peña Valdivia 77

In de loop der jaren is er een evolutie geweest van onzichtbaarheid naar zichtbaarheid

van migrantenvrouwen, maar ze worden meestal in een passieve rol gezien: vrouwen

die mannelijke migranten vergezellen. Pas sinds kort is er een nieuw perspectief op

migrantenvrouwen ontstaan: ze worden nu ook gezien als economische en sociale

actoren van ontwikkeling.

In dit proces zijn er sleutelelementen aanwezig zoals:

• de toenemende vervrouwelijking van de migratie en tegelijkertijd, de geringe

zichtbaarheid van migrantenvrouwen (bijna geen statistische gegevens, gebrek

aan aandacht en waardering voor de economische rol van migrantenvrouwen);

• de mondialisering van huishoudelijke taken (zorg voor kinderen, zieken en

ouderen), uitgevoerd door soms hoog gekwalificeerde migrantenvrouwen, die

leiden tot statusveranderingen;

• het transnationale karakter van de ervaringen van migrantenvrouwen, met

transnationale families en het behoud en de overdracht van culturen;

• de sleutelrol van migrantenvrouwenverenigingen, die hun deelname aan het

maatschappelijke leven in de ‘gast’samenlevingen organiseren en die input

leveren voor beschouwingen over de relaties tussen etnie, migratie, racisme.

Het feit dat migrantenvrouwen via hun deelname aan actieonderzoeken het woord te

nemen, betekent een stap in het feministische gedachtegoed over culturele diversiteit

en racisme. In een studie over migrantenvrouwen en hun rol en aanwezigheid in de

privé-sfeer en het publieke domein merken Patrick Govers en Marcela De la Peña

(2005) op dat alle verenigingen die ze ontmoet hebben alfabetiseringscursussen en

Franse lessen aanbieden, die ze bestempelen als essentieel voor de toegang tot en

gebruik van de openbare ruimte: « Precies hier spelen de vrouwenverenigingen in de

wijken een centrale rol. Hun functie van plaats voor onthaal en voor onderricht is

voor migrantenvrouwen een belangrijk element in de zoektocht naar hun identiteit

77

Werkzaam de bij Le Monde selon les femmes.

161


migrantenvrouwen en onderzoek in het verenigingsleven

en een belangrijk element voor de uitwerking van strategieën, waardoor ze zich

aan het openbare leven kunnen aanpassen en zich ‘integreren’ in de Belgische

samenleving. »

1. Actieonderzoeken

De methode die we in deze beschouwing ontplooien gaat uit van eerder kwalitatieve

actieonderzoeken over migrantenvrouwen die uitgevoerd werden door de sector

van het verenigingsleven. Deze interculturele onderzoeken worden gevoerd door

actoren (m/v) die zich inzetten voor de autonomie en verzelfstandiging van vrouwen

en voor de versterking van hun strategieën hiertoe; zodoende « is het voor deze

kwalitatieve onderzoeken over interculturele vraagstukken en relaties karakteristiek

om kernvragen te identificeren, die toelaten om de schijnbare paradox van

geëngageerd wetenschappelijk onderzoek bewust te aanvaarden en uiteindelijk, om

de onderzoekspositie te verduidelijken » (Vatz Laaroussi, 2007: 2).

Vanuit het perspectief van participatief onderzoek stelt men het traditioneel

universitair onderzoeksmodel, waarbij « onderzoeksspecialisten in functie van

theoretisch interessante vragen of in functie van vroegere onderzoeken een

onderzoekshypothese formuleerden, de behoeften aan gegevens identificeerden

en vervolgens aan hun onderzoekswerk begonnen » (Rose, 2001: 30), in vraag.

Integendeel, de participatieve benadering moedigt de deelnemers (actoren van

ontwikkeling) aan om de kwesties die zij belangrijk vinden, te definiëren.

1.1. De nieuwe actoren

Jongeren en vrouwen zijn de ‘nieuwkomers’ in het verenigingsleven van migranten,

waar lange tijd enkel mannen te zien waren en waar de meerderheid van leden en

leiders mannen zijn; de migrantenverenigingen werden pas aan het einde van de jaren

1980 opgericht.

De verenigingen bieden jongeren en vrouwen autonomie ten aanzien van hun

ouders/hun man en/of huwelijkspartner en in relatie tot hun gemeenschap. Hun

verenigingen sluiten meer aan bij de realiteit van een wijk dan bij een nationaliteit; en

meer bij het dagelijkse leven dan bij militantisme.

Jongeren van de tweede en de derde generatie weigeren het etiket van

migrantenvereniging omdat ze hun Belgische identiteit opeisen.

Eén van de eerste vrouwenverenigingen is La voix des femmes, een organisatie

die in 1987 opgericht werd door Turkse en Marokkaanse jonge vrouwen van de

zogenaamde ‘tweede generatie’. Ze wilden hun stem laten horen en ze zagen in

162


marcela de la Peña Valdivia

dat het belangrijk was om hiertoe bevoorrechte plaatsen, uitsluitend toegankelijk

voor vrouwen, te creëren. Deze vereniging, die ijvert voor het versterken van de

actiekracht van vrouwen (en van jonge meisjes) én voor hun actieve deelname aan het

maatschappelijk leven, wil door middel van sensibilisering en analyse bijdragen tot

een beter begrip van de sociale realiteit zoals die door haar publiek ervaren wordt.

1.2. hun motivaties

We kunnen vaststellen dat de meeste migrantenvrouwen zich verenigd hebben en

gemotiveerd zijn:

• om een antwoord te geven op het gebrek aan onthaalbeleid voor vrouwen, maar

ook om het geweld waarvan ze het slachtoffer zijn aan de kaak te stellen;

• om samen met en in de gemeenschap basiswerk te verrichten;

• omdat ze de gemeenschap van hun land van herkomst willen steunen;

• omdat de meerderheid betrokken is in de culturele sector van permanente

educatie, onderwijs en professionele inschakeling;

• omdat hun werk bijna uitsluitend vrijwilligerswerk is en ze veel problemen

hebben om erkend te worden door de Belgische overheid;

• omdat hun activiteiten en engagement in het verenigingsleven een toegangspoort

zijn tot emancipatie, het openbare leven en kennis van hun rechten.

Voor vrouwen vormen deze verenigingen de toegangspoort tot emancipatie, het

openbare leven en kennis van hun rechten. Volgens U. Manço zijn vele van deze

verenigingen ontstaan op initiatief van Belgische vrouwenverenigingen, die ze daarna

overgedragen hebben aan de migrantenvrouwen.

Daar staat echter naast dat vrouwen die enkel uit economische overwegingen migreren

om hun gezin in het thuisland te steunen, zich weinig in een vereniging groeperen

omdat ze enkel aan hun terugkeer denken. Ten slotte heeft een groot aantal vrouwen

ook geen wettige verblijfsdocumenten en de vrees die deze illegale situatie met zich

meebrengt, vormt een hinderpaal om de stap naar een vereniging te zetten.

2. Gemeenschappelijke punten van

actieonderzoeken

Bij de studies en onderzoeken die we opnieuw bekeken hebben, zijn bepaalde

kenmerken transversaal:

163


migrantenvrouwen en onderzoek in het verenigingsleven

• de benadering wordt, ten eerste, omschreven als feministisch, in die zin dat

er belang wordt gehecht aan het creëren van collectieve macht en sociale

verandering;

• in de meeste gevallen is het genderperspectief aanwezig als een instrument voor

analyse en actie;

• de actieve subjecten of onderzoeksverantwoordelijken hebben universitaire

studies gevolgd en zijn actief in het verenigingsleven;

• deze onderzoeken steunen op de deelname van multiculturele teams, verschillende

onderzoeksmethodes (kwalitatieve en kwantitatieve 78 : enquêtes, gesprekken,

focus groepen …), bijeenkomsten voor het bekendmaken van de resultaten

en workshops om alternatieven te bespreken en om beleidsverantwoordelijken

(m/v) te interpelleren;

• door na te denken over de praktijk kan men theoretische benaderingen

herdefiniëren en bestaande gebruiken/gewoonten heroriënteren; dit in een

systeem waarbij beiden elkaar wederzijds voeden en beïnvloeden;

• Door actiemogelijkheden te creëren voor de uitwerking van thematische eisen

en voor de verdediging van voorstellen voor het migrantenbeleid;

• in deze context beogen de kwalitatieve methoden te begrijpen hoe de subjecten

hun sociale situatie construeren en interpreteren, hoe ze gevormd worden

door vroegere ervaringen en eerder verworven kennis en hoe dit hun houding

en gedrag in huidige en toekomstige interacties beïnvloedt. « De kwalitatieve

benadering onderzoekt eerder het proces dan het resultaat. » (Guilbert, 2007:

17)

Participatief actieonderzoek vereist dat de onderzoekers niet enkel vertrouwen op

hun expertise. « Meer nog, door de deelname van de subjecten (onderzoekspopulatie)

aan het concept en de realisatie van een project verhoogt de nauwkeurigheid,

waardoor een bijkomende garantie wordt verkregen op minstens twee punten: 1°dat

in het onderzoek de in de ogen van de subjecten belangrijkste vragen opgenomen

zijn en 2°dat de onderzoeksmiddelen niet vervreemdend zullen zijn voor de

personen over wie het onderzoek gaat omdat de gestelde vragen van die aard zijn

dat ze de subjecten daadwerkelijk toelaten om hun ervaringen mee te delen aan de

specialisten. » (Menzetti, 1997 in Rose, 2001: 31)

78

Vandaag worden de kwalitatieve methodes veel meer aanvaard dan in de periode

van de jaren vijftig tot de jaren zeventig, het zogenaamde tijdperk van de ‘kwantitatieve

revolutie’ in vele takken van de sociale wetenschappen.

164


3. De transversaliteit van migrantenvrouwen

in ontwikkeling

marcela de la Peña Valdivia

Verenigingen van migrantenvrouwen hebben verschillende doelstellingen en

praktijken en ze komen uit verschillende culturen. Een gemeenschappelijk moment

voor reflectie en creatie bevordert de wederzijdse erkenning van expertise en kennis

van zaken en maakt het mogelijk om relaties aan te gaan. Op deze manier hebben

migrantenvrouwen toegang tot nieuwe kennis, nieuwe denkwijzen; ze hebben het

gevoel dat ze recht van spreken hebben en het nodige gezag om te ageren. Doorheen

onze acties hebben wij de bewustwording van een nieuwe collectieve en solidaire

identiteit als resultaat kunnen vaststellen.

In het bijzondere geval van Le Monde selon les femmes zijn er doelstellingen bepaald

om:

• de rol van migrantenvrouwen in de ontwikkeling van de samenleving in het

gastland en in hun eigen land zichtbaar te maken. De ngo streeft er dus naar

om ruimte te creëren en bruggen te bouwen voor de creatie van netwerken die

toelaten om de bijdrage van migrantenvrouwen naar waarde te schatten.

• verenigingen van migrantenvrouwen te steunen m.b.t. het verwerven van

autonomie, de versterking van hun capaciteiten en van hun burgerschap.

Hiertoe worden er verschillende middelen ingezet zoals een connectie met het

‘Belgisch Platform voor Bevolking en Ontwikkeling’, de creatie van gekruiste

(multiculturele) pedagogische instrumenten, lobbywerk. Ook actieonderzoek,

met spin-offs op verschillende niveaus, lijkt een bevoorrecht middel om samen te

werken.

Deze onderzoeken zijn gemaakt in samenwerking met multiculturele teams. Wij

hebben volgende zaken georganiseerd: bijeenkomsten waarin het onderzoek ter

bespreking voorgelegd werd aan de deelnemers, ateliers voor het bespreken van

alternatieven en voor de interpellatie van politici met als doel om actiemogelijkheden

te identificeren voor het uitwerken en het verdedigen van voorstellen voor het

migrantenbeleid. Wij vermelden hierbij:

165


migrantenvrouwen en onderzoek in het verenigingsleven

3.1. migrantenvrouwen en werkgelegenheid

« L’intégration des femmes migrantes dans le marché de l’emploi en

Belgique » (2001) 79

Wat deze kwestie betreft, uit de analyse van de situatie blijkt dat de toegang van

migrantenvrouwen tot de arbeidsmarkt nog steeds beperkt is.

Er bevinden zich vele obstakels op hun parcours van vorming en sociaalprofessionele

inschakeling. De toegang tot bepaalde arbeidssectoren en tot loopbaanpromotie

verloopt vaak heel moeilijk, net zoals hun toegang tot voltijdse contracten van

onbepaalde duur. Ze hebben de meest onzekere, laagst geschoolde en slechts betaalde

banen en ze voeren ondergeschikte taken uit.

Migrantenvrouwen worden vaak verbannen naar ‘typische vrouwenberoepen

(ziekenhuizen, hotels, restaurants, huishouding, schoonmaak, naaien …) met louter

uitvoerende taken, omdat men ervan uitgaat dat ze niet beschikken over voldoende

technische vaardigheden op andere domeinen. Deze oververtegenwoordiging betekent

een ongebruikt potentieel en draagt bij tot de marginalisatie van migrantenvrouwen.

Ze zijn wel degelijk actoren van ontwikkeling, maar hun economische inbreng in het

gastland wordt niet naar waarde geschat.

In deze benadering moesten we de verschillende barrières beschrijven waarmee

migrantenvrouwen geconfronteerd worden om een stabiele baan te vinden; een

belangrijke factor voor de sociale integratie die uitgaat van een betaalde baan

voorzien van sociale zekerheid, juridische autonomie en onafhankelijkheid van de

familiale steun. Het kan niet anders dan dat we ons aangesproken voelen door de

initiatieven en maatregelen die genomen werden om discriminatie m.b.t. toegang

tot tewerkstelling voor migranten te bestrijden. Deze initiatieven beogen een betere

toegang tot de arbeidsmarkt en betere tewerkstelbaarheid van kwetsbare groepen, met

name, diegenen die met enorme hinderpalen worden geconfronteerd om een baan te

vinden, een baan te behouden of om een andere baan te vinden.

79

De integratie van migrantenvrouwen op de Belgische arbeidsmarkt.

166


marcela de la Peña Valdivia

3.2. migrantenvrouwen en seksuele en reproductieve

rechten

« L’accès aux droits de santé reproductive et sexuelle des femmes

migrantes en Belgique » (2002) 80

Dit onderzoek werd uitgevoerd in samenwerking met 11 verenigingen van

migrantenvrouwen met als doel:

• verenigingen van migrantenvrouwen te sensibiliseren voor de toegang tot het

recht op reproductieve en seksuele gezondheid;

• samen met deze verenigingen aanbevelingen uit te werken over de rechten van

migrantenvrouwen en hun toegang tot reproductieve en seksuele gezondheid;

• het benutten van de verschillende benaderingen van migrantenvrouwenverenigingen

om het culturele aandeel op te sporen en deze aanwenden in het

werk van de verenigingen die zich bezighouden met reproductieve en seksuele

gezondheid in de landen van het Zuiden.

3.3. migrantenvrouwen en ontwikkeling

« Le rôle des femmes migrantes dans les ONG et le développement »

(2002) 81

Deze benadering werd opgesteld vanuit de volgende vragen: welk type projecten

worden er in het thuisland gesteund? Welke verbanden zijn er tussen het

verenigingsleven van migrantenvrouwen en ontwikkeling hier en ginder? Welke rol en

kennis moeten er worden beoordeeld? Migrantenvrouwen die in deze verenigingen

georganiseerd zijn, ondernemen ontwikkelingsacties door middel van voorlichtend

en onderwijzend werk, dat bijdraagt tot een reële sociaaleconomische integratie van

migrantenvrouwen. Het is in deze verenigingen dat migranten en hun gezin worden

onthaald, dat ze de gastsamenleving leren kennen, dat ze uit hun isolement en hun

ontworteling treden en dat ze soms oplossingen vinden voor hun bestaansonzekerheid,

dat ze voorgelicht worden en dat ze elkaar uiteindelijk ontmoeten.

80

Toegang tot het recht inzake reproductieve en seksuele gezondheid van migrantenvrouwen

in België.

81

De rol van migrantenvrouwen in ontwikkelingsngo’s.

167


migrantenvrouwen en onderzoek in het verenigingsleven

Hun activiteiten beogen de bevordering van elke reflectie, elke actie en iedere

interventie die de verbetering van verschillende aspecten van de opvoeding tot doel

heeft. Ze streven er ook naar om acties te voeren die de culturele identiteit, de dialoog

en de constructieve uitwisselingen tussen gemeenschappen respecteren.

Voor deze verenigingen moet het nieuwe type partnerschap gebaseerd zijn op een

echte samenwerking. Dit partnerschap mag niet gelijkgesteld worden met hulp, maar

moet beschouwd worden als een soort van synergie tussen ngo’s uit het Noorden, de

migrantenvrouwenverenigingen en de organisaties uit het Zuiden.

Het Noorden zou niet tegelijk de verstrekker van kredieten en de enige begunstigde

van het monopolie van het sturen van experts van het Noorden naar het Zuiden

mogen zijn.

Om een dergelijke ontwikkelingssamenwerking te laten slagen, moeten de ngo’s

van het Noorden vertrouwen hebben in de burgers uit het Zuiden die zich in het

Noorden bevinden.

Des associations et des femmes : quels enjeux, quels défis pour les

femmes migrantes ? Une initiative du Centre du Libre Examen en

partenariat avec Le Monde selon les femmes et La ligue des Familles

(2006) 82

Door middel van de deelname van 20 vertegenwoordigers van verenigingen en de

realisatie van meer dan 100 enquêtes heeft deze studie de vrouwenbewegingen bevraagd

naar zaken zoals: is de organisatie vrouwelijk of feministisch? Hoe wordt rekening

gehouden met de kwestie van gemengdheid m/v en van seksuele betrekkingen? Wat

is de rol van de vereniging in de democratie? Welke deelname aan het maatschappelijk

leven bestaat er? Welke is de verhouding tussen migratie en ontwikkeling? Welke

rol speelt de beweging in de ontplooiing, emancipatie, maatschappelijke en sociale

participatie van vrouwen? Hoe beschouwen de verenigingen de strategieën die door

de overheid zijn ingesteld? Hebben ze het gevoel dat ze elkaar hetzelfde territorium

betwisten? Aan welke verplichtingen zijn ze onderworpen? Welke synergieën en

samenwerkingen werden er met andere vrouwenverenigingen ingevoerd? Integreert

de feministische beweging de problematiek van migrantenvrouwen in haar strijd?

Welke overeenkomst is er tussen de doelstellingen en de activiteiten? Zijn de

doelstellingen van de vereniging allengs geëvolueerd? Maken de georganiseerde

82

Verenigingen en vrouwen: welke inzet, welke uitdagingen voor migrantenvrouwen? Een

initiatief van Le Centre du Libre Examen in samenwerking met Le Monde selon les Femmes

en La Ligue des Familles.

168


marcela de la Peña Valdivia

activiteiten het mogelijk om de doelstellingen te bereiken? Heeft de vereniging haar

strategie aangepast in functie van de behaalde resultaten? Welke strategieën zetten

verenigingen in om de culturele diversiteit te beheren? Hoe zien ze de toekomst?

3.4. migrantenvrouwen en inschakeling

Het exploiteren van een instrument dat collectief en met inspraak gecreëerd is,

heeft de kennis van iedereen versterkt. Deze onderzoeken hebben ook toegelaten

dat verschillende instellingen, die de reflectie of nieuwe partnerschappen om een

stap verder te kunnen gaan willen bevorderen, hun stem konden laten horen. De

brochure die samen met meer dan 12 verenigingen uitgegeven is, was een antwoord

op de bekommernis om de verenigingen van migrantenvrouwen te steunen en te

versterken, om hun ervaringen te benutten en om de samenleving te sensibiliseren

voor de culturele diversiteit via een genderbenadering.

« Je suis une femme caméléon » (2003) 83

Deze uitgave is het product van een actieonderzoek van 6 maanden dat geleid heeft

tot een brochure over de lectuur van migrantenvrouwen over problemen van inschakeling

in de Belgische samenleving en hun visie op multicultuur.

3.5. migrantenvrouwen, mondialisering en genderrollen

« Femmes migrantes de secteurs populaires, entre le privé et le

public, Le Monde selon les femmes en partenariat avec La ligue des

Familles » 84 (2005)

Dit actieonderzoek werd ontwikkeld in het kader van het project Ecoute, partage et

échange (Luisteren, delen en uitwisselen) over de ervaringen van migrantenvrouwen

binnen het gezin en hun integratie in de ‘gast’samenleving 85 . Het onderzoek legt

de nadruk op het dagelijks leven van migrantenvrouwen in verschillende wijken in

Brussel, Luik, Barcelona en Lissabon. Het totale proces van het actieonderzoek heeft

twee jaar geduurd en het werd simultaan uitgevoerd in België (Ligue des Familles

83

Ik ben een kameleonvrouw.

84

Migrantenvrouwen uit populaire sectoren, tussen privé en overheid, Le Monde selon les

femmes in partnerschap met La Ligue des Familles.

85

De Grundtvig 2 projecten hangen af van de cel Socrates Onderwijs en cultuur van de Europese

Unie. Ze worden in elk land beheerd door een overeenkomstig nationaal agentschap.

Zie website www.cfwb.be/socrates

169


migrantenvrouwen en onderzoek in het verenigingsleven

in partnerschap met Le Monde selon les femmes), Spanje (Vereniging Gezondheid

en Gezin www.saludyfamilia.es, Barcelona) en Portugal (Graal, www.graal.org.pt,

feministische beweging Lissabon).

Wat is de impact van migratie op het dagelijkse leven van migrantenvrouwen, en

meer bepaald, versterkt de globalisering van de migratiestromen de aanwezigheid

van migrantenvrouwen in de openbare ruimte of leidt ze eerder tot een toegenomen

privatisering van hun ervaringen? Het onderzoek geeft een beeld van het dagelijkse

leven van migrantenvrouwen in de wijken van Brussel en Luik. Tijdens de

groepsgesprekken, vier in totaal, is er gesproken over drie grote thema’s: de openbare

ruimte, opvoeding en genderrollen en de percepties van migrantenvrouwen van de

gevolgen van migratie op hun status en rechtspositie. Dit actieonderzoek beroept

zich op een feministische benadering van de sociale werkelijkheid. 86 Het onderzoek

is opgebouwd op basis van een kritisch feministische analyse van migratie (gebrek

aan zichtbaarheid van de migratie van vrouwen, genderstereotypen m.b.t. de

rollen van migrantenvrouwen, globalisering van de huishoudelijke taken, de ‘zorg’

…) en het wil een socialisatie-instrument zijn voor wat betreft de ervaringen van

migrantenvrouwen.

3.6. migrantenvrouwen en alfabetisering als middel

tot emancipatie

« De la migration à la citoyenneté : réflexions à partir des vécus de

femmes migrantes en alphabétisation, coordonné par Le Centre du

libre examen, en partenariat avec Femmes prévoyantes socialistes,

Le Cactus et Le Monde selon les femmes » (2006) 87

Permanente educatie betekent voor vele vrouwen die op bepaalde sociale domeinen

gestigmatiseerd, gemarginaliseerd en uitgesloten zijn, een tweede kans. Tijdens

rondetafelgesprekken en activiteiten met vrouwen die een alfabetiseringscursus volgen,

hebben wij vastgesteld dat deze lessen voor hen de eerste stap zijn naar gelijkheid

met hun man of dat ze minstens proberen om alleszins de kenniskloof tussen de

86

De resultaten van het actieonderzoek zijn voorgesteld tijdens het colloquium Savoirs de

genre : quel genre de savoir ? dat door Sophia (netwerk voor de coördinatie van feministische

studies) georganiseerd werd op 20 en 21 oktober 2005 en ze zijn gepubliceerd in het verslag

van het colloquium. Ze werden ook bekend gemaakt tijdens het derde internationale interdisciplinair

congres Gendering, citizenship and globalization georganiseerd door de Universiteit

van Huelva (9-11 mei 2005), Spanje.

87

Van migratie naar burgerschap: beschouwingen uitgaande van de ervaringen van vrouwen

in het alfabetiseringsproces, gecoördineerd door Le Centre du libre examen in samenwerking

met Femmes prévoyantes socialistes, Le Cactus en Le Monde selon les femmes

170


marcela de la Peña Valdivia

leerlingen en hun echtgenoot te verkleinen opdat deze niet meer afhankelijk zouden

zijn van de kennis van hun man. Alfabetisering biedt aan alle burgers –mannen én

vrouwen- een opening naar de wereld, een mogelijkheid om de kritische geest aan te

scherpen en hem bij te vijlen en te polijsten in relatie tot deze van anderen. Het opent

voor hen een wereld van kennis, beschouwingen, in vraagstelling van meegekregen

ideeën over emancipatie en ontplooiing.

Migrantenvrouwen zijn vaak sociaal en intellectueel geïsoleerd. Deelname aan

alfabetiserings- en vormingsprogramma’s betekenen voor hen een ware verademing

en verschaffen hen tevens de gelegenheid om zich aan te sluiten bij een project van

emancipatie, culturele waardering en burgerlijke verantwoordelijkheid. Het is echter

belangrijk dat deze vrouwen ook de mogelijkheid krijgen om deel te nemen aan

de interculturele dialoog. Hiertoe moet het debat ook met hen gevoerd worden en

moeten ze de kans krijgen om over hun ervaringen, hun angsten, hun moeilijkheden,

hun verlangens te spreken. Verdeeld tussen traditie en moderniteit proberen ze

nieuwe wegen te zien en te bedenken die, goedschiks of kwaadschiks, voor hen de

deuren naar een volwaardig burgerschap zullen openen.

3.7. burgerschap

« Brux-elles, voix nouvelles. Atelier de participation citoyenne,

Vidéo-témoignage. Réalisé en partenariat avec des membres de la

Coordination bruxelloise de la Marche Mondiale des Femmes, Le

Monde selon les femmes et le GSARA » 88 (2006)

Deze DVD film van 30 minuten werd gerealiseerd in voorbereiding van het

regionale Vrouwenparlement in 2007; een tiental migrantenvrouwen uit verschillende

verenigingen getuigen hierin over hun perspectieven en over hun plaats in het

publieke domein. Deze film opent het debat over burgerparticipatie en geeft tevens

een levendig beeld van mobiliserende momenten van vrouwen in de openbare ruimte.

Het vormende actieonderzoek, dat gedurende 4 maanden werd uitgevoerd, had als

doel om de mogelijkheden van migrantenvrouwen tot maatschappelijke actie en tot

interpellatie van het beleid, te versterken. Er werden meer dan 10 rondetafelgesprekken

en uitstappen ter verkenning van de openbare ruimte georganiseerd. De teksten en

de gesprekken werden verwerkt in de inhoudelijke tekst van de DVD.

88

Brusselse vrouwen, nieuwe stemmen. Atelier over de deelname aan het maatschappelijk

leven, videogetuigenis. Gerealiseerd in partnerschap met de leden van Brusselse Coördinatie

van de Wereldvrouwenmars, Le Monde selon les femmes en GSARA.

171


migrantenvrouwen en onderzoek in het verenigingsleven

3.8. zichtbaarheid van migrantenvrouwen

Het is aangewezen om dit overzicht van studies en onderzoeken die binnen de sector

van de verenigingen verricht werden, aan te vullen met deze drie instrumenten voor

reflectie en actie voor het politieke lobbywerk van vrouwen:

In 2004 – 2005 heeft een bijzondere commissie 89 een onderzoek gevoerd over de

huidige toestand van interculturaliteit in België. De commissie heeft haar analyse

gebundeld rond vier pijlers: gelijkheid tussen mannen en vrouwen, het belang van het

burgerschap, de werking van de overheidsdiensten en het samenleven of cohabitatie

van verschillende religieuze of ideologische opinies.

Dit zijn de aanbevelingen over de genderkwesties:

• het is belangrijk dat migrantenvrouwen het woord nemen om hun plaats als

volwaardige burgers in te kunnen nemen;

• er moet rekening gehouden worden met het feit dat beleidsmaatregelen een

verschillende impact hebben op mannen en vrouwen;

• de instrumenten die ontwikkeld werden voor de bevordering van de gelijkheid

voor vrouwen moeten daadwerkelijk worden gebruikt (en eerst gekend zijn);

• de verschillende rapporten en onderzoeken die men sinds 1989-1990 over de

migratie van vrouwen heeft uitgewerkt, zouden gebruikt moeten worden.

Dit rapport toont ook aan dat het huidige migratiebeleid niet aangepast is aan de

situatie van migrantenvrouwen; dit geldt bijvoorbeeld voor het beleid voor gelijke

arbeidskansen en het beleid voor de bestrijding van geweld en armoede.

3.9. huwelijk en migratie

Van december 2003 tot juni 2004 heeft de UCL hierover een onderzoek gevoerd, in

opdracht van de minister-president van de regering van de Franstalige Gemeenschap

belast met Gelijkheid van Kansen en van de Directie van de Gelijkheid van Kansen van

het ministerie van de Franse Gemeenschap. Deze studie werd gerealiseerd nadat was

vastgesteld dat veel jonge meisjes hun studies afbraken omdat ze blijkbaar tegen hun

wil uitgehuwelijkt waren. Het onderzoek werd doorgevoerd bij bijna 1200 leerlingen,

uit de leeftijdscategorie van 15 tot 18 jaar, waaronder 600 jongeren afkomstig

uit onderwijsinstellingen die in aanmerking komen voor positieve discriminatie.

62% van de ondervraagde jongeren had liever eerst samengewoond vooraleer te

89

Het initiatief werd oorspronkelijk genomen door Laurette Onkelinx en voortgezet werd

door de huidige Minister voor Gelijke Kansen, Christian Dupont.

172


marcela de la Peña Valdivia

huwen. 95% stelde dat liefde een voorwaarde is voor een geslaagd huwelijk. Bij de

meerderheid van de jongeren die godsdienstlessen islam volgen (82%) (Direction de

l’égalité des chances, 2005) zouden de ouders invloed hebben op de keuze van de

huwelijkspartner.

3.10. beschouwingen over onzichtbaarheid

Er zijn twee uitgaven die streven naar sensibilisering m.b.t. de onzichtbaarheid

van migrantenvrouwen en die geschreven werden naar aanleiding van de week

Migrantenvrouwen in Europa (29 mei - 2 juni 2006), georganiseerd door Le Monde

selon les femmes, La Ligue des Familles en l’Espace Couleurs Femmes:

90

• Femmes migrantes aux reflets multiples (2006), een catalogus van collectieve artistieke

creaties en sensibiliseringsinstrumenten m.b.t. vrouwen en migratie

91

• Femmes migrantes: de l’invisibilité à la reconnaissance? (2007)

4. Vaststellingen

De in dit artikel opgenomen onderzoeken hebben bepaalde kenmerken

gemeenschappelijk:

• ze zijn eerder actiegericht; ze dragen bij tot de collectieve kennis, maar

het is de bedoeling om sociale verandering te bewerkstelligen. Ze worden

gekenmerkt door een onderliggende constructieve kritiek op het traditioneel

(wetenschappelijk) onderzoek. De onderzoeksters hebben zich gepositioneerd

als participerende actoren in het proces van versterking van de capaciteiten van

de personen waarover het onderzoek gaat;

• ze streven naar de versterking van vrouwenorganisaties, door hen te betrekken

bij participatieve processen met aanvullende vormende activiteiten;

• ze stellen hun resultaten voor onder vorm van pedagogische en sensibiliserende

instrumenten; waarbij ze verscheidenheid aanbrengen in het nut van het product

(document) van het onderzoek.

• ze maken migrantenvrouwen zichtbaar als actoren van verandering door hen het

woord te geven, zodat ze de argumentatie van hun eisen kunnen ontwikkelen; en

tegelijkertijd, door hen de erkenning te geven die ze nodig hebben om zichtbaar

te zijn;

90

De vele facetten van migrantenvrouwen.

91

Migrantenvrouwen: van onzichtbaarheid naar erkenning?

173


migrantenvrouwen en onderzoek in het verenigingsleven

• de ngo’s fungeren als tussenschakel tussen de onderzoeken van de verenigingen

en die van de universiteiten, door op te merken dat hun theoretische beschouwing

niet altijd verband houdt met het terrein;

• onderwerpen die transversaal bestudeerd worden zijn: onzichtbaarheid, religie,

tradities, het statuut van migrantenvrouwen, burgerschap.

Wij stellen vast dat er tussen het universitair onderzoek en de sector van de

verenigingen gemeenschappelijke thema’s bestaan ... maar in verschillende tijden en

met verschillende vereisten. Ondanks de behoefte aan samenwerking en het streven

naar synergieën tussen deze twee sectoren is er tot op heden weinig werk in die zin

verricht.

5. Mogelijke of te overwegen synergieën tussen

universitair onderzoek en onderzoek door het

verenigingsleven

Tussen deze verschillende actoren

• Banden creëren aan de hand van concrete acties zoals de ondersteuning van

actieonderzoeken of gezamenlijke actieonderzoeken, met duidelijk omschreven

doelstellingen, gekaderd in strategieën gericht op besluitvormers.

• De uitwisseling van deskundigheid tussen de actoren bevorderen, uitgaande

van de bijzondere ervaring van elke betrokkene en waarbij de ervaringen en

de beschouwingen van elke actor op voet van gelijkheid benut en beoordeeld

worden.

• De bevordering van synergieën tussen de verschillende actoren, meer bepaald

met betrekking tot de integratie van het genderperspectief, één van de

sleutelfactoren voor de analyse van migratieprocessen.

• De integratie van het genderperspectief in de verschillende instellingen die in

België rond migratiethema’s werken, bevorderen.

• Het overleg tussen de verschillende actoren bevorderen met betrekking tot het

lobbywerk ten aanzien van politieke besluitvormers.

174


marcela de la Peña Valdivia

Tussen de thema’s en de onderzoeksresultaten

• Het voeren van solidaire acties. De verenigingen worden uitgenodigd om

netwerken van solidariteit tussen vrouwen te creëren, waarbij ze zowel een

paternalistische houding als communautaire kloven moeten vermijden. De

verworvenheden van de Europese vrouwenbewegingen zouden een hefboom

kunnen zijn voor de erkenning van de rechten en de emancipatie van

migrantenvrouwen.

• Het herbevestigen van de strategische belangen van migrantenvrouwen en

van hun rol in ontwikkeling aan de hand van studies, die hun inbreng (in hun

hoedanigheid van actoren van ontwikkeling) in hun land van herkomst en van

bestemming aantonen.

• Zich concentreren op onderzoeksthema’s die toelaten dat men ten volle kan

profiteren van de complementariteit van de visies en van de deskundigheid,

door te streven naar interdisciplinaire analyses, die toelaten om de complexiteit

van het migratiefenomeen beter te begrijpen.

• Een methodologie ontwikkelen die de factoren etniciteit, gender en sociale

herkomst van migranten(vrouwen) kruist, om zo de verschillende vormen van

uitsluiting en sociale differentiatie te identificeren.

Met betrekking tot besluitvorming

• Overleggen over de onderzoeksonderwerpen en het lobbywerk zodat solide

argumenten, die de onderhandelingen met de overheid kunnen onderbouwen,

ontwikkeld worden.

• De deelname aan en uitwisseling van vaardigheden en beschouwingen tussen

ngo’s en universiteiten bevorderen binnen organisaties zoals het Platform

Migratie en Ontwikkeling en de Commissie Vrouwen en Ontwikkeling, evenals

de dialoog met de universiteiten bevorderen (samenwerking en gender en

ontwikkeling).

6. Bibliografie

Centre Libre examen, Le Monde selon les femmes, La ligue des familles (2006), Des

associations et des femmes…Quels enjeux, quels défis ?, Bruxelles.

De la Peña, M. & Govers, P. (2006), Femmes migrantes : du privé au public?, Akten van de

tweede zomeruniversiteit « Femmes et mobilité », Augustus 2005, Luik.

175


migrantenvrouwen en onderzoek in het verenigingsleven

Direction de l’égalité des chances (2005), Jeunes et mariages : un regard multiculturel.

Mariage choisi, mariage subi : quels enjeux pour les jeunes ?, Verslag van het colloquium van

21 januari 2005.

Guilbert, L. (2007), « Ethnologie collaborative : Élaboration et analyse d’espaces

de médiation en contexte de migration », in Martineau, S. et Salmador L., Approches

qualitatives et recherche interculturelle : Bien comprendre pour mieux intervenir, Revue

électronique de méthodologie, coll. Hors série « Les actes », n° 4, pp. 14-35.

Rose, D. (2001), Retour sur les méthodologies de recherche féministes, werkdocument,

Condition féminine Canada, Direction de la recherche,

http://dsp-psd.tpsgc.gc.ca/Collection/SW21-142-2001F.pdf

Vatz Laaroussi, M. (2007), « La recherche qualitative interculturelle : une recherche

engagée ? in Martineau, S. & Salmador L., Approches qualitatives et recherche interculturelle :

Bien comprendre pour mieux intervenir, Revue électronique de méthodologie, coll. Hors

série « Les actes », n° 4, pp. 2-13.

7. Aanvullende Bibliografie

Catarino, C. & Morokvasic, M. (2005), « Femmes, genre, migration et mobilités »,

Revue Européenne des Migrations Internationales, Volume 21, Numéro 1, pp. 7-27.

Guenif Souilamas, N. (2005), « Femmes, immigration, ségrégation », in Maruani, M.

(éd.), Femmes, genre et sociétés. L’état des savoirs, Paris, Editions La découverte.

Hochschild Arlie, R., « Sud/Nord : les migrations féminines. Le nouvel or du monde

: la mondialisation de l’amour maternel », Sciences humaines, n°161, juin, pp. 18-26.

Nalewajko, M., Polish immigrants in Spain: between temporary and permanent, Polish

Academy of Sciences, Warsaw University.

Potot, S. (2003), La mixité sexuelle : une spécificité des réseaux migrants européens ?,

Laboratoire Méditerranéen de Sociologie (LAMES), Maison Méditerranéenne des

Sciences de l’Homme, Aix-en-Provence.

Rea, A. (2004), Les nouvelles migrations de l’Europe de l’Est : les délocalisations de l’intérieur,

Université Libre de Bruxelles, GERME, Bruxelles.

176


mIgraTIe en onTwIkkelIng:

enkele bedenkIngen op basIs van de sTand

van heT gedachTegoed van heT belgIsche,

fransTalIge maaTschappelIjk mIddenveld

Francisco Padilla 92

CNCD-11.11.11 heeft als koepel van de Franstalige organisaties van het Belgische

maatschappelijk middenveld, die actief zijn op vlak van de internationale solidariteit,

van zijn leden het mandaat gekregen om vanaf de tweede helft van het jaar 2007

opnieuw een platform over ‘migratie en ontwikkeling’ op te richten. De bedoeling

van dit mandaat is de voorbereiding van politieke standpunten ten behoeve van de

Belgische en Europese overheden. De opdracht volgt uit de vaststelling van de leden

van CNCD-11.11.11 dat het ontwikkelingsbeleid steeds vaker ondergeschikt gemaakt

wordt aan de bestaande beleidsrichtlijnen van het migratie- en veiligheidsbeleid

binnen de Europese Unie.

Het beleid voor het beheersen van migratiestromen, dat op Europees niveau

werd uitgewerkt, berust op een selectief systeem van economische inclusie en

juridische uitsluiting. Rechten worden hiërarchisch ingedeeld en gedelokaliseerd

vanuit een opportunistische berekening, die de kosten voor de veranderingen van

onze economieën externaliseert en voor de 5 miljoen immigranten die zonder

administratief statuut in Europa verblijven (In België een honderdduizendtal,

volgens onbetrouwbare ramingen) clandestiniteit en repressie als enig publiek

antwoord voorziet. Het is in naam van deze geldende beleidsmaatregel dat het

ontwikkelingssamenwerkingsbeleid actueel geïnstrumentaliseerd wordt.

De Belgische overheden stellen de strijd tegen de clandestiene immigratie voor als

een noodzaak die zichzelf opdringt, gezien de bedreiging die deze migranten vormen

voor de sociale orde... Ze reppen met geen woord over het feit dat immigranten

zonder administratief statuut in hun land van herkomst voor een ware verplaatsing

van de arbeidskrachten zorgen, noch over hun flexibiliteit die, de bedrijven en

ruimer de samenleving als geheel, toelaat om enorme besparingen te realiseren: geen

sociale lasten, miserabele lonen, nauwelijks sociale rechten en nauwelijks toegang

92

CNCD-11.11.11

177


migratie en ontwikkeling: ...

tot openbare dienstverlening. Zolang migranten en migrantenvrouwen onzichtbaar

blijven, kunnen we ermee leven. Wanneer ze een gezicht krijgen, zijn ze een

bedreiging.

De Belgische overheden hebben op die bedreiging twee complementaire antwoorden

geformuleerd. Zoals blijkt uit de conferentie die in maart 2006 door de Belgische

minister voor Ontwikkelingssamenwerking georganiseerd werd, moet het

administratieve en politionele antwoord plaats maken voor een gelede strategie van

migratiebeleid en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. Deze geleding beoogt om het

succes van het ontwikkelingsbeleid van de partnerlanden te meten aan de hand van

hun capaciteit om ongewenst geachte migratiestromen naar Europa in te dijken.

De ideologische rechtvaardiging van deze strategie berust op het automatische en

functionele verband dat zou bestaan tussen economische ontwikkeling en indijking

van de migratiestromen. Toch doorstaat deze premisse, die door het gezond verstand

stevig onderbouwd lijkt, de analyse niet. Iedere ontwikkeling veroorzaakt diepgaande

sociaal-economische en culturele onevenwichten. In landelijke gebieden zorgt de

verandering van de maatschappelijke verhoudingen voor een exodus en voedt ze

de migratiestromen. Het is pas in een tweede fase, veel later, dat de gecombineerde

effecten van de demografische verandering en de stijgende landbouwproductie zich

laten voelen, dat de emigratie uitdooft en dat de migratiestromen zich kunnen omkeren.

In afwachting daarvan heeft de economische integratie van landen met een laag of

gemiddeld inkomen in de wereldmarkten, gezorgd voor - en zorgt ze nog altijd voor

- omwentelingen, waarvan de kostprijs buiten alle proportie weegt op de verarmde

bevolkingsgroepen, die hierdoor de migratiebewegingen zullen blijven uitlokken en

aanscherpen. Door de ondertekening van economische partnerschapsovereenkomsten

en van samenwerkingsovereenkomsten te onderwerpen aan de voorwaarde dat de

partnerlanden hun door de EU uitgewezen onderdanen weer moeten opnemen,

wordt het duidelijk dat, onder het mom van deze ideologische rechtvaardiging, het

veeleer de ondergeschiktheid van het ontwikkelingsbeleid aan het opportunistische

beleid van delokalisatie van de rechten is, dat hier zijn volle gewicht laat gelden.

Vanuit deze globale vaststelling blijkt het absoluut noodzakelijk om een aantal

theoretische tools uit te werken om een antwoord te formuleren op de dubbele

noodzaak van enerzijds, de ontmaskering van de ideologische premissen waarop een

dergelijke instrumentalisering berust en anderzijds, de creatie van mogelijkheden

voor de ontwikkeling van alternatieven:

• de cijfers die geciteerd worden over het aantal mensen in België zonder

administratief statuut, berusten op geen enkele ernstige theoretische grondslag.

De overheid geeft toe dat het een verouderde en waarschijnlijk overschatte,

statistische extrapolatie betreft. Volgens ons is het noodzakelijk om hierover

een serieuze studie te maken. Dit is een manier om ermee te starten om

178


Francisco Padilla

een deel van de bevolking uit de onzichtbaarheid te halen: hoeveel mensen

zonder administratief statuut wonen er in België? Welke zijn de niches en de

arbeidssectoren?

• zoals het Madrileens feministisch collectief Precarias a la Deriva 93 het goed heeft

aangetoond: rekening houdend met de actuele kenmerken van de internationale

arbeidsdeling, verloopt een groot deel van de huidige migratiestromen via

transnationale kanalen van precaire vrouwenarbeid. Daar waar vrouwen uit

rijke landen en met een gemiddeld hoog inkomen massaal toegetreden zijn tot

de arbeidsmarkt, worden ze in de algemene zorgeconomie (care) steeds vaker

vervangen door vrouwen uit het zuiden, die op hun beurt in hun land van

oorsprong vervangen worden door vrouwen uit de familie (moeders, dochters,

zusters). Wat kunnen wij in verband hiermee over België zeggen? Hoeveel

geïmmigreerde vrouwen werken in de zorgsector, m.i.v. het domein van de

seksgerelateerde arbeid? Wat is hun juridisch en economisch statuut? Wat is

hun organisatieniveau? Welke banden hebben ze met hun regio van herkomst?

Enzovoort;

• in de eerste helft van 2006 heeft een Catalaanse bank, La Caixa, een economische

studie vrijgegeven waaruit blijkt dat zonder de migratiestromen het BBP in

Spanje 10 tot 12% lager zou liggen, terwijl Spanje nu de meest dynamische

economie van de EU geworden is. Heel wat elementen lijken erop te wijzen dat

zich in vele andere landen van de EU gelijkaardige tendensen voordoen. Hoe zit

het met de Belgische situatie?

Al deze vragen - die evenveel theoretische werkterreinen inhouden - maken deel

uit van een meer omvangrijke inventaris van ontwikkelingen, die zouden kunnen

bijdragen aan het antwoord op de hierboven vermeldde dubbele uitdaging. Het komt

er nu op aan de gezamenlijke wil te vinden om deze theoretische werkterreinen aan

te boren.

93

Zie website van het collectief op het adres: www.sindominio.net/karakola/precarias.html

179


Deel IV

OnDerzOek naar GenDer en

OntwIkkelInG DOOr jOnGe

OnDerzOek(St)erS. nIeuwe

PerSPeCtIeVen?


hoe kan een onderzoek op heT kruIspunT

van gender en onTwIkkelIng

nIeuwe kennIs opleveren?

levensverhalen van marokkaanse

mIgranTenvrouwen dIe acTIef zIjn In een

brusselse verenIgIng

Catherine laviolette 94

Deze tekst is gebaseerd op een lopend onderzoek dat het proces van identiteitsvorming

bestudeert bij vrouwen van Marokkaanse afkomst, die aangesloten zijn bij Arabesque 95

in Brussel. Deze organisatie is een fysieke en sociale ruimte voor permanente

educatie en voor actief engagement. Ze omvat evenveel logica's en taalgebruiken

als vrouwen die binnen de organisatie actief zijn. De levenslopen zijn dus evenveel

heuristische wegen om de identiteitsvorming te begrijpen, een ware intersectie van

de vier domeinen die bepalend zijn voor deze vrouwen: het moederschap, het leven

als koppel, betaalde arbeid en sociaal engagement. Eerst zullen wij het onderzoek

en de terreinobservaties presenteren, evenals de elementen van verandering die het

onderzoek teweeggebracht heeft in de reflectie van de vrouwen over zichzelf en bij

het vrijwilligersteam van de organisatie.

1. De levensverhalen of de interpretatie

van het woord

Het onderzoek wil begrijpen hoe vrouwen van Marokkaanse afkomst, die zich vrijwillig

geëngageerd hebben bij Arabesque, zichzelf zien in het dagelijkse leven. Hoe zij zich

groeperen vanuit hun verschillende rollen en zoals Kaufmann het benadrukt, "tussen

hun individuele innerlijkheid en de sociale uiterlijkheden die zij tegenkomen?” (Kaufmann,

94

Doctorandus, Institut d’Etudes du Développement, Université Catholique de Louvain.

95

Arabesque is een ontmoetingsplaats voor vrouwen van verschillende afkomst die samenkomen

voor vorming over kwesties die hun dagelijkse leven beïnvloeden. In functie van

de behoeften van de vrouwen en de doelstellingen van de permanente educatie worden

verschillende activiteiten opgezet.

183


hoe kan een onderzoek op het kruispunt van gender en ontwikkeling nieuwe kennis opleveren?

2004: 73). Wij denken dat vrouwen een strategie van beheer van tegenstellingen en

herschikking van verschillende identiteitsbepalende elementen hanteren om met de

veranderingen van hun maatschappelijke en culturele omgeving om te gaan.

1.1. een onderzoek: de middelen

Om het terreinonderzoek te realiseren werden er verschillende methoden gebruikt:

het verzamelen van een tiental levensverhalen, de participerende observaties over een

periode van vier jaar, het bijhouden van dagboekaantekeningen en het volgen van een

vrouwenpraatgroep over het thema: ‘moederschap en activisme’. De investering als

vrijwilliger voor de cursussen Frans en conversatie zijn een belangrijke ingang geweest

voor het empirisch onderzoek, maar het is zonder enige twijfel de status van moeder

van een groot gezin geweest, die het de onderzoekster mogelijk heeft gemaakt om

een vertrouwensklimaat te creëren waarin de vrouwen van Arabesque verhalen van

hoge kwaliteit prijsgegeven hebben.

Ons onderzoek sluit aan bij de kwalitatieve methode en, meer specifiek, vanuit het

etnisch-sociologisch perspectief zoals dit voorgesteld werd door Daniel Bertaux (2001). In

dit geval van de migrantenvrouwen gaat het er dus om hun persoonlijke ervaringen

en hun sociale gewoonten te ontdekken in de specifieke context van een vereniging.

Het levensverhaal in ‘etnisch-sociologisch perspectief ’ is de methodologische keuze

die in dit onderzoek centraal staat. Op ons verzoek vertelt de vrouw ons aan de hand

van haar verhaal haar ervaringen op een welbepaald moment in haar leven. In feite

betreft het zowel een objectieve als een subjectieve beschrijving van de reëel beleefde

geschiedenis.

Deze benadering laat toe om niet enkel te onderzoeken wat een persoon (of een

groep) zich voorstelt of waaraan hij zijn waarde ontleent, maar maakt dit eerder

tot een sociaal onderwerp of zoals Bertaux benadrukt “een specifiek fragment van

de sociaalhistorische werkelijkheid” (ibid.). De levensverhalen neigen er toe om

ons aldus heuristische elementen te verschaffen die het mogelijk maken om hun

unieke en collectieve identiteitsvorming te begrijpen. De participerende observatie

die over een periode van vier jaar plaatsvond (van juni 2003 tot februari 2008),

leverde dagboekaantekeningen op. Ten slotte, de gegevens die tijdens de wekelijkse

vrouwenpraatgroepen verzameld werden, zijn de ongepubliceerde uitspraken van

vrouwen die in deze groep nagedacht hebben over het thema ‘moederschap en

activisme’.

184


Catherine laviolette

1.2. kenmerken van de onderzoeksgroep

We zijn uitgegaan van onze algemene belangstelling voor geëngageerde moeders met

een Arabisch-islamitische achtergrond, die naar Brussel immigreerden. De twaalf

verhalen waarop wij ons momenteel baseren werden verkregen van vrouwen van

Marokkaanse afkomst tussen de 35 en 50 jaar, die minstens twintig jaar in België

leven. Alle vrouwen hebben meerdere kinderen, hebben gewerkt of werken en

zetten zich vrijwillig in voor Arabesque.

1.3. Procedure voor de analyse van de gegevens

Voor de analyse van de gegevens zijn we vertrokken van een beschrijvend niveau en

naar een steeds meer verklarend en theoretisch niveau gegaan.

Na een getrouwe transcriptie van de verhalen werden hieruit de grote thema’s

gedestilleerd, gestructureerd en uitgewerkt zoals bij een ‘mind mapping boom’.

De grote takken vertegenwoordigen de grote levensdomeinen (de kinderjaren,

het gevolgde onderwijs, de herkomst van de familie…) of de belangrijkste

levensgebeurtenissen (het overlijden van een ouder, het huwelijk, de migratie…); de

kleinere takken symboliseren subthema’s die binnen elke categorie gehergroepeerd

kunnen worden (zoals de genderverhoudingen binnen het koppel, op het werk…).

Deze codering van het verhaal laat ons toe om onze analyse verder uit te werken en

in twee delen te splitsen: het eerste deel is het chronologische traject van de levenslijn

of de historisch, empirische werkelijkheid; het tweede deel stelt de symbolische en

semantische realiteit voor. Het is wat de vrouw ‘achteraf ’ weet en denkt over haar

biografisch parcours; het is, zoals Bertaux benadrukt, de subjectieve optelling van al haar

tot op heden beleefde ervaringen (ibid.). Deze evolueert voortdurend en stelt het

geheel van het mentale materiaal voor dat de basis vormt waarop de persoon zijn

verhaal (geheugen, introspectie, …) probeert te produceren.

Een van de belangrijkste zaken van de analyse is het opsporen van wat er werd

gezegd en de terugvoering hiervan op een sociaal mechanisme zoals indexen; en om

zich vragen te stellen over hun referenties in de sociaalhistorische wereld wat in feite

wil zeggen, over hun sociologische betekenis.

185


hoe kan een onderzoek op het kruispunt van gender en ontwikkeling nieuwe kennis opleveren?

2. Probleemstelling en theoretische aspecten

2.1. De identiteitsvorming va