02.06.2014 Views

ZAND IN BALANS - Provincie Groningen

ZAND IN BALANS - Provincie Groningen

ZAND IN BALANS - Provincie Groningen

SHOW MORE
SHOW LESS

Create successful ePaper yourself

Turn your PDF publications into a flip-book with our unique Google optimized e-Paper software.

Z A N D I N B A L A N S<br />

bouwstenen voor een evenwichtig ontgrondingenbeleid<br />

E E N<br />

A C T U A L I S E R I N G<br />

V A N<br />

H E T<br />

O N T G R O N D I N G E N B E L E I D<br />

I N D E P R O V I N C I E<br />

G R O N I N G E N<br />

vastgesteld door<br />

provinciale staten van <strong>Groningen</strong><br />

in hun vergadering van<br />

29 september 1998,<br />

nummer 39/1998.


<strong>IN</strong>HOUD<br />

1 Samenvatting en conclusies......................................................................................5<br />

2 Inleiding.......................................................................................................................7<br />

2.1 Aanleiding........................................................................................................7<br />

2.2 Uitgangspunt ...................................................................................................7<br />

2.3 Doel .................................................................................................................7<br />

2.4 Leeswijzer........................................................................................................7<br />

3 Ontwikkelingen op landelijk niveau .........................................................................9<br />

3.1 Algemeen .........................................................................................................9<br />

3.2 Structuurschema oppervlaktedelfstoffen......................................................9<br />

3.3 Herziening Ontgrondingenwet .....................................................................10<br />

3.4 Winning van beton- en metselzand..............................................................12<br />

4 Evaluatie huidig beleid.............................................................................................15<br />

4.1 Algemeen .......................................................................................................15<br />

4.2 Winning van beton- en metselzand .............................................................18<br />

4.3 Winning van ophoogzand.............................................................................19<br />

4.4 Winning van klei............................................................................................20<br />

4.5 Overige ontgrondingen.................................................................................21<br />

5 Nieuwe ontwikkelingen en de gevolgen ervan voor het provinciaal beleid .........23<br />

5.1 Zonering.........................................................................................................23<br />

5.2 Weergave geologische voorkomens in het P.O.P.......................................24<br />

5.3 Winning van beton- en metselzand..............................................................24<br />

5.4 Toepassing secundaire grondstoffen..........................................................25<br />

5.5 Projectgebonden winningen ........................................................................26<br />

5.6 Herziening Ontgrondingenwet .....................................................................27<br />

5.7 Herziening Ontgrondingenverordening <strong>Groningen</strong> 1989 ...........................27<br />

5.8 Provinciale bestemmingsheffing .................................................................27<br />

5.9 Delegatie ontgrondingstaken .......................................................................28<br />

5.10 Aanscherping vergunningsvoorwaarden diepe zandwinningen ...............29<br />

6 Handhaving en toezicht............................................................................................31<br />

7 Beleidswijzigingen ...................................................................................................33<br />

Bijlagen: ...........................................................................................................................35<br />

Stand van zaken regionale zandwinplaatsen<br />

1 Parkheem ..................................................................................................................36<br />

2 Borgmeren ................................................................................................................38<br />

3 Uiterburen .................................................................................................................40<br />

4 Heeresveld ................................................................................................................42<br />

5 Sellingerbeetse .........................................................................................................44<br />

Begrippenlijst...................................................................................................................47<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: <strong>IN</strong>HOUD 3<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: <strong>IN</strong>HOUD 4<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


1. Samenvatting en conclusies<br />

De winning van oppervlaktedelfstoffen, zoals zand, klei, grind en kalksteen, is onontbeerlijk<br />

voor de voortgang van onze economie en vooral voor de bouwnijverheid. Een groot deel<br />

van de in ons land gebruikte oppervlaktedelfstoffen wordt in Nederland en in het Nederlands<br />

deel van de Noordzee gewonnen. Voor een klein deel wordt in de behoefte voorzien door<br />

import.<br />

Het uitgangspunt van het rijksontgrondingenbeleid is dat iedere provincie zoveel mogelijk in<br />

de eigen behoefte aan oppervlaktedelfstoffen voorziet. Uiteraard afhankelijk van de<br />

geologische voorkomens in de betrokken provincie.<br />

In maart 1994 hebben provinciale staten hun uitgangspunten voor een integraal provinciaal<br />

ontgrondingenbeleid vastgelegd in de nota "Het ontgrondingenbeleid in de provincie<br />

<strong>Groningen</strong>".<br />

Een aantal ontwikkelingen maken een actualisering van het eerder geformuleerde beleid<br />

echter noodzakelijk. Deze ontwikkelingen hebben onder meer betrekking op:<br />

• de vaststelling door het rijk van het structuurschema oppervlaktedelfstoffen in 1996;<br />

• de herziene Ontgrondingenwet, die per 1 januari 1997 in werking is getreden, en<br />

• ontwikkelingen op provinciaal niveau, waarin thans sprake is van een meer integrale<br />

benadering van het ontgrondingenbeleid, waarbij de grondstoffen problematiek wordt<br />

bezien vanuit de samenhang met het milieubeleid, het sociaal economische-, het<br />

ruimtelijke ordenings- en het waterhuishoudkundig beleid. Bij provinciale<br />

beleidsbeslissingen dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met hun<br />

onderlinge relatie. Deze onderlinge relatie zal vóór 2001 als één plan voor de fysieke<br />

omgeving worden vastgesteld, als logische vervolgstap op weg naar integratie van<br />

beleid. Dit plan voor de fysieke omgeving, ook wel "provinciaal omgevingsplan" POP<br />

genoemd zal tot stand komen op basis van een integrale perspectievennota;<br />

• de voorgenomen decentralisatie van taken naar gemeenten, onder meer op het terrein<br />

van ontgrondingen;<br />

• enkele calamiteiten in de vorm van inbressingen, die zich de afgelopen periode bij een<br />

aantal zandwinplaatsen hebben voorgedaan, alsmede de genomen maatregelen ter<br />

beperking van de risico's ervan;<br />

• de ontwikkelingen rond de winning van beton- en metselzand in deze provincie;<br />

• de toenemende behoefte aan projectgebonden winningen en secundaire winningen;<br />

• het gebruik van secundaire grondstoffen;<br />

• intensivering van handhaving en toezicht bij ontgrondingen;<br />

• de problematiek rond het behoud van de karakteristieke oude Groninger dijken;<br />

• de herziening van de Ontgrondingenverordening <strong>Groningen</strong> 1989 en<br />

• de introductie van een provinciale bestemmingsheffing bij ontgrondingen.<br />

Opgemerkt moet worden, dat deze nota niet op zichzelf staat, maar aangemerkt moet<br />

worden als een aanvulling op het bestaande beleid, zoals dat in 1994 is geformuleerd.<br />

Het gaat hierbij om de volgende beleidswijzigingen:<br />

1. het opnemen van geologische voorkomens van hoogwaardige en/of schaarse<br />

oppervlaktedelfstoffen in de toelichting op het provinciaal omgevingsplan (POP) op<br />

grond van de met de Minister van Verkeer & Waterstaat gemaakte afspraken;<br />

2. als gevolg van nieuwe afspraken tussen rijk en provincies zal de taakstelling voor de<br />

periode 1999 - 2008 voor de provincie <strong>Groningen</strong> worden verhoogd van 3.000.000 ton tot<br />

3.500.000 ton;<br />

3. het stimuleren van mogelijke toepassingen van secundaire grondstoffen ter vervanging<br />

van primaire grondstoffen;<br />

4. het eventueel stellen van aanvullende voorwaarden aan een ontgrondingsvergunning op<br />

grond van de herziene Ontgrondingenwet, wanneer de noodzaak zich daartoe voordoet;<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: SAMENVATT<strong>IN</strong>G EN CONCLUSIES 5<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


5. de introductie van een provinciale bestemmingsheffing ter financiering van 50 % van de<br />

provinciale planningskosten en de kosten in verband met de informatieplicht aan de<br />

Minister van Verkeer en Waterstaat (een wetsvoorstel tot verruiming van de provinciale<br />

bestemmingsheffing ligt bij de Tweede Kamer);<br />

6. het opnemen in de verordening van een meldingsplicht voor een aantal ontgrondingen,<br />

waarvoor geen vergunning nodig is;<br />

7. het mogelijk maken van projectgebonden winningen van oppervlaktedelfstoffen, wanneer<br />

zich daartoe de noodzaak, c.q. mogelijkheid voordoet;<br />

8. het verbinden van aanvullende voorwaarden aan ontgrondingsvergunningen ten aanzien<br />

van onderzoek naar de stabiliteit van de oevers bij diepere zandwinningen vóór en tijdens<br />

de winning om het risico van calamiteiten in de vorm van inbressingen tot een minimum<br />

te beperken. Daartoe strekkende voorwaarden zijn noodzakelijk geworden op grond van<br />

een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;<br />

9. intensivering van de taken op het gebied van handhaving en toezicht, door middel van<br />

aanscherping van vergunningsvoorwaarden, bundeling van taken op het gebied van<br />

handhaving en toezicht en het in de vergunning voorschrijven van een betere zelfcontrole<br />

door de betrokken bedrijven.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: SAMENVATT<strong>IN</strong>G EN CONCLUSIES 6<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


2. Inleiding<br />

2.1 Aanleiding<br />

In maart 1994 hebben provinciale staten de nota "Het ontgrondingenbeleid in de provincie<br />

<strong>Groningen</strong>" vastgesteld. In genoemde nota zijn de uitgangspunten vastgelegd voor een<br />

integraal ontgrondingenbeleid tot omstreeks het jaar 2010.<br />

Diverse veranderingen in het rijksontgrondingenbeleid, zoals die zijn verwoord in het<br />

structuurschema oppervlaktedelfstoffen, een herziening Ontgrondingenwet, de ervaringen<br />

met de huidige nota en de delegatie van ontgrondingstaken naar de gemeenten maken een<br />

actualisering noodzakelijk en vormen daarmee de aanleiding voor deze nota.<br />

2.2 Uitgangspunt<br />

Het uitgangspunt bij deze nota is, dat in beginsel slechts de aanvullingen en wijzigingen<br />

ten opzichte van de nota "Het ontgrondingenbeleid in de provincie <strong>Groningen</strong>" uit 1994<br />

nader worden belicht. Deze nota vervangt na vaststelling door provinciale staten niet de<br />

nota uit 1994, maar vormt een aanvulling hierop. In hun onderlinge samenhang vormen<br />

beide nota's, na vaststelling, het toetsingskader voor het ontgrondingenbeleid in de<br />

provincie <strong>Groningen</strong>.<br />

2.3 Doel<br />

Voor alle bij een ontgronding betrokken partijen is een duidelijk beleidskader, waaraan<br />

aanvragen om een ontgrondingsvergunning worden getoetst, een eerste vereiste. Het<br />

scheppen van een dergelijk beleidskader vormt het doel voor deze actualisering.<br />

2.4 Leeswijzer<br />

In hoofdstuk 3 worden de ontwikkelingen op landelijk niveau beschreven.<br />

In hoofdstuk 4 volgt een evaluatie van het tot nu toe gevoerde provinciaal ontgrondingenbeleid,<br />

waarbij tevens de verschillende oppervlaktedelfstoffen die in <strong>Groningen</strong> worden<br />

gewonnen aan de orde komen.<br />

In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de verschillende nieuwe ontwikkelingen en de<br />

consequenties ervan voor het provinciaal beleid.<br />

Hoofdstuk 6 handelt over de handhaving en het toezicht bij ontgrondingen.<br />

In hoofdstuk 7 tenslotte wordt concreet aangegeven, op welke onderdelen het beleid ten<br />

opzichte van 1994 wordt aangepast.<br />

Een samenvatting van de voorstellen en conclusies is opgenomen in hoofdstuk 1.<br />

Aan de stand van zaken bij de verschillende regionale zandwinplaatsen wordt tenslotte<br />

aandacht besteed in de bijlagen.<br />

Aan de bijlagen is tevens de begrippenlijst toegevoegd. De lijst is gebaseerd op de<br />

begrippenlijst uit het structuurschema oppervlaktedelfstoffen en is hier en daar aangevuld<br />

met enkele specifiek Groningse begrippen. Hoewel niet alle in het structuurschema<br />

gehanteerde begrippen in deze nota aan de orde komen, achten wij het voor een goede<br />

beeldvorming gewenst een zo volledig mogelijke lijst op te nemen.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: <strong>IN</strong>LEID<strong>IN</strong>G 7<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: <strong>IN</strong>LEID<strong>IN</strong>G 8<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


3. Ontwikkelingen op landelijk niveau<br />

3.1 Algemeen<br />

Voor activiteiten in de woning- en utiliteitsbouw en werken in de grond-, weg- en waterbouw<br />

is onder meer zand en klei nodig. Door te ontgronden worden deze oppervlaktedelfstoffen<br />

grotendeels uit de Nederlandse bodem gewonnen.<br />

Uitgangspunt van het landelijk ontgrondingenbeleid is dat iedere provincie zoveel mogelijk<br />

voorziet in de eigen behoefte aan oppervlaktedelfstoffen, uiteraard afhankelijk van de<br />

winbare voorkomens in de betrokken provincie.<br />

3.2 Structuurschema oppervlaktedelfstoffen<br />

In augustus 1996 heeft het parlement het structuurschema oppervlaktedelfstoffen (deel vier;<br />

de Planologische Kernbeslissing) vastgesteld. Het structuurschema oppervlaktedelfstoffen<br />

vindt zijn basis in artikel 7a van de Ontgrondingenwet. Ruimtelijk is het structuurschema een<br />

planologische kernbeslissing als bedoeld in artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke<br />

Ordening. In het structuurschema is het rijksbeleid voor de winning van<br />

oppervlaktedelfstoffen vastgelegd. In hun onderlinge samenhang komen in het<br />

structuurschema aan de orde:<br />

• de bouw voorzien van de grondstoffen zand, grind, klei, etc. en de import en export<br />

van deze grondstoffen;<br />

• het zuinig omgaan met bouwgrondstoffen en het bevorderen van het hergebruik;<br />

• de ruimtelijke aspecten van de winning van oppervlaktedelfstoffen.<br />

Uitgangspunt van het rijksbeleid is, dat het rijk een taak heeft op het gebied van de winning<br />

van oppervlaktedelfstoffen en de bevordering van de toepassing van oppervlaktedelfstoffenvervangende<br />

(secundaire) grondstoffen. De verantwoordelijkheid hiervoor op rijksniveau<br />

berust primair bij de minister van Verkeer en Waterstaat. In het Structuurschema oppervlaktedelfstoffen<br />

is dit als volgt verwoord:<br />

"Het beleid van de rijksoverheid m.b.t. de grondstoffenvoorziening voor de bouw<br />

heeft tot doel, om (op een maatschappelijk verantwoorde wijze) te voorzien in de<br />

behoefte van particulieren, bedrijven en overheid aan bouwgrondstoffen, door:<br />

• te bevorderen dat grondstoffen zo zuinig mogelijk worden gebruikt;<br />

• te bevorderen dat op een verantwoorde manier zo veel mogelijk secundaire grondstoffen<br />

worden ingezet;<br />

• te bevorderen dat meer vernieuwbare grondstoffen worden ingezet;<br />

• te zorgen voor het tijdig winbaar zijn van een voldoende aandeel oppervlaktedelfstoffen<br />

uit Nederlandse bodem in de totale bouwgrondstoffenvoorziening".<br />

Het kabinet heeft de mogelijkheden tot winning van oppervlaktedelfstoffen, zoals die blijken<br />

uit bestaand rijksbeleid (Vierde Nota R.O., Vierde Nota Extra, Structuurschema Groene<br />

Ruimte en het Natuurbeleidsplan), geïnterpreteerd in de vorm van een zonering. In<br />

genoemde nota's doet de rijksoverheid uitspraken over de ruimtelijke toelaatbaarheid van<br />

de winning van oppervlaktedelfstoffen en geeft daarmee richting aan het beleid van de<br />

provincies. Het kabinet verzoekt de provincies bij de situering van locaties voor de winning<br />

van oppervlaktedelfstoffen de op de PKB-kaart aangegeven zonering als richtinggevend<br />

kader te hanteren.<br />

In het structuurschema zijn drie zones onderscheiden, t.w.:<br />

zone 1: in beginsel is winning van oppervlaktedelfstoffen hier niet toegestaan, tenzij<br />

sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang. Op basis van<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN OP LANDELIJK NIVEAU 9<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


zone 2:<br />

zone 3:<br />

voorafgaand onderzoek zal dat moeten worden vastgesteld, waarbij tevens moet<br />

blijken dat niet op andere wijze of elders in de behoefte kan worden voorzien. In<br />

dat geval zal compensatie van de verloren gegane waarden moeten worden<br />

geboden. In zone 1 zijn o.a. opgenomen de landgebieden in de Ecologische<br />

Hoofdstructuur zoals vermeld in het structuurschema Groene Ruimte.<br />

Ontgrondingen, die zijn gericht op natuurontwikkeling zijn in deze zone wel<br />

toegestaan;<br />

In deze zone acht het kabinet de winning van oppervlaktedelfstoffen niet<br />

toegestaan tenzij aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Deze zone omvat<br />

o.a. de navolgende gebieden die in een aantal rijksnota's, zoals het<br />

Structuurschema Groene Ruimte en de Vierde Nota Extra zijn opgenomen en<br />

worden omschreven:<br />

− ecologische verbindingszones van de Ecologische Hoofdstructuur;<br />

− gebieden met de aanduiding behoud en herstel bestaande<br />

landschapskwaliteit met de daarin opgenomen waardevolle<br />

cultuurlandschappen;<br />

− de groene koersgebieden, voorzover betrekking hebbend op het land,<br />

inclusief de grote rivieren met die aanduiding;<br />

in beginsel winning toegestaan. Deze zone betreft in beginsel alle gebieden<br />

buiten de zones 1 en 2.<br />

De zones 2 en 3 samen wordt de zoekruimte genoemd. De zoekruimte is het gebied<br />

waarbinnen mogelijkheden voor nieuwe winningen van oppervlaktedelfstoffen gezocht<br />

kunnen worden.<br />

De zonering in drieën geldt uitsluitend voor ontgrondingen die zijn gericht op de winning van<br />

oppervlaktedelfstoffen. Ontgrondingen om andere redenen, b.v. voor de aanleg van werken,<br />

het onderhoud van wateren en voor natuurontwikkeling, blijven bij de zonering buiten<br />

beschouwing.<br />

De uitvoering van het structuurschema zal door middel van periodiek overleg tussen de<br />

Minister van Verkeer en Waterstaat en gedeputeerde staten van de verschillende provincies<br />

worden bewaakt op basis van stelselmatige gegevensuitwisseling.<br />

3.3 Herziening Ontgrondingenwet<br />

Op 1 januari 1997 is de herziene Ontgrondingenwet in werking getreden.<br />

De hoofddoelstellingen van de herziene wet zijn het voorzien in de behoefte aan:<br />

• een stelsel van planning en coördinatie ten behoeve van ontgrondingen die van belang<br />

zijn voor de winning van oppervlaktedelfstoffen in Nederland met het oog op de grondstoffenvoorziening<br />

voor de bouw;<br />

• doelmatige procedures met betrekking tot de verlening van de diverse vereiste vergunningen.<br />

Samengevat volgen hier de belangrijkste wijzigingen in de herziene Ontgrondingenwet:<br />

a. de wet introduceert een duidelijke planningsstructuur. De wet voorziet in planning op<br />

rijks- en provinciaal niveau. Op rijksniveau gebeurt dat via de opstelling van een<br />

structuurschema oppervlaktedelfstoffen (art. 7a). Het structuurschema is een<br />

planologische kernbeslissing in de zin van artikel 2a van de Wet op de Ruimtelijke<br />

Ordening (WRO). Ter toelichting op het structuurschema oppervlaktedelfstoffen wordt<br />

verwezen naar hetgeen hiervoor is opgemerkt in § 3.2.<br />

Op provinciaal niveau dient de planning plaats te vinden via doorwerking van het<br />

structuurschema in het streekplan. De provincie kan o.g.v. de artikelen 7c - 7g in het<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN OP LANDELIJK NIVEAU 10<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


streekplan winplaatsen vaststellen. Vaststelling van een winplaats is een (gemeente)<br />

bindend element in het streekplan. Het streekplan heeft op dat punt de precisie van een<br />

bestemmingsplan. In de Groningse situatie heeft de huidige aanduiding op de<br />

streekplankaart van de regionale zand- en kleiwingebieden het karakter van winzones.<br />

Een winzone is een minder gedetailleerd gebied waarbinnen in één of meer<br />

deelgebieden daarvan ontgrondingen kunnen worden toegestaan. Dit systeem blijkt in de<br />

praktijk goed te werken. Verdere detaillering door het opnemen van winplaatsen in het<br />

streekplan c.q. het Provinciaal Omgevingsplan, wordt vooralsnog niet nodig geacht.<br />

b. De wet introduceert een verplichte beleidscoördinatie tussen het ontgrondingen- en het<br />

ruimtelijke ordeningsspoor. In dit kader is bij het verlenen van een<br />

ontgrondingsvergunning tenminste een toezegging van planologische medewerking<br />

nodig van de betrokken gemeente vereist. De betrokken gemeente wordt na ontvangst<br />

van een aanvraag gevraagd of zij tot een zodanige medewerking bereid is.<br />

c. de wet kent een verplichte coördinatie door gedeputeerde staten bij<br />

vergunningverlening (wanneer de aanvrager van een ontgrondingsvergunning daarom<br />

verzoekt) van alle vergunningen, die op een ontgronding betrekking hebben. Hierbij kan<br />

bijvoorbeeld worden gedacht aan een vergunning op grond van de Wet milieubeheer of<br />

een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Doordat de<br />

verschillende procedures gelijk op lopen, kan een belangrijke tijdwinst worden geboekt,<br />

mede omdat in dat geval slechts sprake is van één beroepsgang bij de Afdeling<br />

bestuursrechtspraak van de Raad van State.<br />

d. De mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften aan ontgrondingsvergunningen is<br />

verruimd (art. 3). Zo kan thans als voorschrift worden opgenomen dat de vergunninghouder<br />

(gedeeltelijk) de kosten betaalt van de aanpassingsinrichting van de omgeving,<br />

het beheer van het ontgronde gebied, kunnen wintempobepalingen (art. 3, lid 3, onder g)<br />

en beperkingen ten aanzien van de bestemming van de gewonnen oppervlaktedelfstoffen<br />

(art. 3, lid 3, onder h) in de vergunning worden opgenomen. Waar nodig zal van deze<br />

verruiming gebruik worden gemaakt.<br />

e. De termijn van twaalf weken voor het indienen van een verzoek om schadevergoeding ,<br />

als bedoeld in artikel 28 van de wet, is vervallen. Op grond van de oude wet diende een<br />

verzoek om schadevergoeding te worden ingediend binnen twaalf weken na het<br />

onherroepelijk worden van de beschikking tot verlening, wijziging of intrekking van een<br />

ontgrondingsvergunning. Het risico dat de provincie met schadevergoedingen wordt<br />

geconfronteerd, neemt hierdoor toe, mede omdat de mogelijkheden voor verzekering<br />

hiertegen ontbreken.<br />

f. De wet introduceert een provinciale bestemmingsheffing op ontgrondingen (art. 21f).<br />

In artikel 21f, lid 1, van de wijziging van de Ontgrondingenwet is aangegeven dat de<br />

heffing tot doel heeft om ten hoogste 50% van de ten laste van de provincie komende<br />

kosten te bestrijden van werkzaamheden verband houdende met onderzoek en planning<br />

met betrekking tot ontgrondingen en van werkzaamheden, voortvloeiende uit de<br />

informatieplicht van de provincie aan de Minister (artikel 7b van de wet). De hoeveelheid<br />

te ontgronden oppervlaktedelfstoffen waarvoor vergunning wordt verleend vormt het<br />

uitgangspunt van de heffing. Op ontgrondingen, waarbij minder dan 10.000 m 3 specie<br />

vrijkomt, kan niet worden geheven. Ook in <strong>Groningen</strong> wordt een bestemmingsheffing<br />

geïntroduceerd. Voor de nadere regelgeving wordt verwezen naar de<br />

Heffingsverordening ontgrondingen 1998.<br />

g. In de herziene wet is de mogelijkheid van een meldingsplicht opgenomen voor<br />

ontgrondingen waarvoor geen vergunning nodig is (art. 7, lid 3). Door invoering van een<br />

meldingsplicht voor van vergunning vrijgestelde ontgrondingen kan de provincie inzicht<br />

krijgen in de hoeveelheid oppervlaktedelfstoffen die zonder vergunning op de markt<br />

wordt gebracht. In de gewijzigde ontgrondingenverordening wordt de meldingsplicht<br />

vastgelegd.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN OP LANDELIJK NIVEAU 11<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


h. Als de spoedige winning van oppervlaktedelfstoffen geboden is, kan de Minister van<br />

V&W een provincie een aanwijzing geven omtrent een verleende of nog te verlenen<br />

vergunning.<br />

i. De mogelijkheid tot onteigening in het belang van de winning van oppervlaktedelfstoffen<br />

wordt vergroot. De herziene wet maakt het mogelijk dat wordt onteigend als<br />

er een onherroepelijk vastgestelde winplaats is en als er een onherroepelijke ontgrondingsvergunning<br />

is.<br />

j. Het beroep tegen een verleende ontgrondingsvergunning heeft geen automatisch<br />

schorsende werking van de verleende vergunning meer tot gevolg. Slechts wanneer er<br />

een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, is het besluit geschorst totdat door de<br />

voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op dat verzoek is<br />

beslist. Het hangt van de beslissing op het verzoek af of de schorsing wordt opgeheven<br />

dan wel wordt voortgezet tot een nader door de voorzitter in zijn beslissing aan te geven<br />

tijdstip.<br />

3.4 Winning van beton- en metselzand<br />

Voor de winning van beton- en metselzand worden landelijk tussen rijkswaterstaat en de<br />

verschillende provincies afspraken gemaakt over het winbaar maken van voldoende betonen<br />

metselzand voor de bouw. Deze afspraken resulteren uiteindelijk in zgn. taakverdeling en<br />

taakstellingen. Het rijksbeleid gaat daarbij uit van het gegeven dat er sprake is van een<br />

zekere import, die niet beleidsmatig wordt beïnvloed. Voor het overige voorziet ons land in<br />

de eigen en export behoefte. Uitgangspunt hierbij is, dat iedere provincie zoveel mogelijk in<br />

de eigen behoefte aan beton- en metselzand voorziet. <strong>Provincie</strong>s die niet (volledig) in de<br />

eigen behoefte kunnen voorzien importeren beton- en metselzand (uit andere provincies of<br />

uit het buitenland).<br />

De Landelijke Commissie voor de Coördinatie van het Ontgrondingenbeleid (LCCO) initieert<br />

de afspraken en doet voorstellen voor een evenwichtige taakverdeling. De LCCO is een<br />

ambtelijke werkgroep, waarin naast vertegenwoordigers van alle provincies,<br />

vertegenwoordigers van Verkeer en Waterstaat zitting hebben.<br />

Gemiddeld wordt in Nederland 20 - 23 miljoen ton beton- en metselzand per jaar gebruikt.<br />

De landelijke taakstelling voor de huidige taakstellingsperiode 1989 - 1998 is vastgesteld<br />

op 210 miljoen ton.<br />

Voor <strong>Groningen</strong> bedraagt de taakstelling voor deze periode 3.000.000 ton beton- en<br />

metselzand (gemiddeld 300.000 ton per jaar). Het werkelijk verbruik van beton- en<br />

metselzand in deze provincie bedraagt ca. 460.000 ton per jaar. De provincie kan dus niet in<br />

de eigen behoefte voorzien.<br />

In het bestuurlijk overleg tussen de Minister van Verkeer en Waterstaat en de verschillende<br />

provincies in november 1997 is afgesproken de landelijke taakstelling voor de periode<br />

1999 - 2008 vast te stellen op 170 miljoen ton. Dit is 20 procent lager dan de geschatte<br />

behoefte aan beton- en metselzand. Deze verlaging van de taakstelling is voorgesteld om<br />

zo het gebruik van alternatieven (zoals secundaire grondstoffen) te stimuleren. Om deze<br />

reductie te bewerkstelligen zullen Verkeer en Waterstaat, de provincies en het bedrijfsleven<br />

gezamenlijk op korte termijn een implementatieplan opstellen.<br />

Ook als de resultaten tegenvallen blijft gelden dat rijk en provincies zullen zorgdragen voor<br />

een tijdig beschikbaar komen van voldoende beton- en metselzand voor de bouw.<br />

Deze beleidswijziging is door het IPO (Interprovinciaal Overleg) onder meer voorgesteld uit<br />

oogpunt van het zuinig omgaan met grondstoffen. Naast een verminderde winning van<br />

primaire grondstoffen heeft het IPO gepleit voor een heffing op grondstoffen.<br />

In bovengenoemd voorstel wordt de taakstelling voor <strong>Groningen</strong> verhoogd tot 3.500.000 ton.<br />

Achtergrond van de verhoging voor <strong>Groningen</strong> is het uitgangspunt van beleid, dat iedere<br />

provincie zoveel mogelijk in de eigen behoefte dient te voorzien. Op basis van de reeds<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN OP LANDELIJK NIVEAU 12<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


verleende en in voorbereiding zijnde vergunningen, in combinatie met de activiteiten bij de<br />

verschillende winplaatsen van beton- en metselzand in deze provincie, is een dergelijke<br />

hoeveelheid realiseerbaar. In hoofdstuk 5 komen we hierop terug.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN OP LANDELIJK NIVEAU 13<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN OP LANDELIJK NIVEAU 14<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


4. Evaluatie huidig beleid<br />

4.1 Algemeen<br />

In navolging van het rijksbeleid is het zeker stellen van de provinciale behoefte aan grondstoffen<br />

het primaire doel van het provinciaal ontgrondingenbeleid. Voor de voortgang van<br />

de bouwnijverheid dienen voldoende oppervlaktedelfstoffen voor winning beschikbaar te<br />

zijn.<br />

Daarnaast is het provinciaal beleid ten aanzien van natuur en landschap gericht op<br />

behoud, herstel en ontwikkeling van de karakteristieke natuur- en landschapswaarden.<br />

Behoud van karakteristieke waarden krijgt vorm door bestaande natuurgebieden en<br />

karakteristieke landschappelijke waarden te beschermen tegen aantasting door andere<br />

functies. Dit betekent, dat ontgrondingen, voor wat betreft locatie en herinrichting, op een<br />

zodanige wijze dienen plaats te vinden, dat de aantasting van het landschap zoveel mogelijk<br />

wordt beperkt en de natuurwaarden door ontgronding worden gehandhaafd, c.q. worden<br />

vergroot.<br />

Het is de taak van de provincie om via een actief vergunningenbeleid de winning van<br />

voldoende oppervlaktedelfstoffen mogelijk te maken.<br />

Bij enkele zandwinplaatsen hebben zich recentelijk enkele inbressingen voorgedaan. Het<br />

meest aansprekende voorbeeld hiervan vormt de inbressing in maart 1996 in de zuidoever<br />

van de regionale zandwinplaats Uiterburen in de gemeente Menterwolde. Daarbij zijn de<br />

kadastrale grenzen van de zandwinning ruimschoots overschreden. Door deze inbressing<br />

ontstond acuut gevaar voor een aardgastransportleiding. De inbressing is waarschijnlijk<br />

veroorzaakt door zettingsvloeiingen als gevolg van losgepakt zand in combinatie met te<br />

steile taluds (steiler dan op grond van de vergunning was toegestaan). Op zich zijn<br />

inbressingen inherent aan de wijze van winnen zoals die bij de verschillende winplaatsen<br />

wordt toegepast. De kans dat door inbressingen problemen ontstaan wordt echter groter<br />

naarmate de zandwinningen groter en dieper worden. Door aanscherping van<br />

vergunningsvoorwaarden en meer bodemonderzoek vooraf wordt getracht het risico van<br />

herhaling zoveel mogelijk te beperken.<br />

Aanscherping van de vergunningsvoorwaarden is mede noodzakelijk geworden naar<br />

aanleiding van een uitspraak van de Raad van State. Bij een in beroep betwiste<br />

ontgrondingsvergunning heeft de Raad van State geoordeeld, dat de provincie bij het<br />

verlenen van de gevraagde vergunning nader onderzoek had moeten (laten) verrichten naar<br />

met name de stabiliteit van de onderwatertaluds. Een dergelijk onderzoek zal bij de diepere<br />

zandwinningen structureel worden geëist, voordat met de feitelijke ontgrondingsactiviteiten<br />

wordt gestart.<br />

Het provinciaal ontgrondingenbeleid is gericht op de concentratie van de winning van<br />

oppervlaktedelfstoffen in een aantal als zodanig aangewezen regionale winplaatsen. Bij<br />

deze zgn. primaire winningen staat de winning van oppervlaktedelfstoffen centraal.<br />

Voor de winning van zand zijn vijf winplaatsen aangewezen. Het betreft hier de volgende<br />

locaties:<br />

- Parkheem (gemeente Grootegast)<br />

- Borgmeren (gemeente Slochteren)<br />

- Uiterburen (gemeente Menterwolde)<br />

- Heeresveld (gemeente Pekela)<br />

- Sellingerbeetse (gemeente Vlagtwedde)<br />

In alle vijf winplaatsen wordt ophoogzand gewonnen. In Uiterburen en Sellingerbeetse wordt<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: EVALUATIE HUIDIG BELEID 15<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


tevens beton- en metselzand gewonnen.<br />

Daarnaast wordt hoogwaardig industriezand gewonnen in de zandwinplaats Kruiselwerk, bij<br />

Alteveer in de gemeente Pekela.<br />

Ophoogzand komt verder vrij bij allerlei secundaire ontgrondingen (ontgrondingen waarbij<br />

zandwinning niet het primaire doel is), zoals de aanleg van vijverpartijen,<br />

natuurontwikkelingsprojecten, etc.<br />

Buiten de regionale winplaatsen biedt het provinciaal beleid ruimte voor zgn. secundaire<br />

ontgrondingen. Dit zijn ontgrondingen, waarbij de winning van oppervlaktedelfstoffen niet<br />

het primaire doel is, maar waarbij zand of klei vrijkomt bij de realisering van een na<br />

afweging met andere waarden en functies aanvaard project (werk-met-werk-maken). De<br />

meeste secundaire ontgrondingen worden gevormd door de aanleg van recreatieprojecten,<br />

natuurprojecten of waterpartijen, waarbij hoeveelheden zand of klei vrijkomen die elders<br />

weer kunnen worden gebruikt.<br />

Naar verwachting zullen de komende jaren aanzienlijke hoeveelheden zand beschikbaar<br />

komen bij de realisatie van allerlei natuurontwikkelingsprojecten. Realisatie van dergelijke<br />

projecten is echter sterk afhankelijk van de afzetmogelijkheden van de hierbij vrijkomende<br />

oppervlaktedelfstoffen (zand en klei). Het provinciaal beleid is erop gericht een spoedige<br />

realisatie van dergelijke projecten te stimuleren, door voor de zandbehoefte voor infrastructurele<br />

projecten zoveel mogelijk gebruik te maken van zand dat vrijkomt bij secundaire<br />

winningen (zoals natuurontwikkelingsprojecten). Dit beleid is een uitwerking van één van de<br />

doelstellingen van het rijksbeleid, zoals dat is verwoord in het structuur-schema oppervlaktedelfstoffen<br />

(het ontgrondingenbeleid moet bevorderen dat de grondstoffenvoorziening voor<br />

de bouw plaatsvindt met oppervlaktedelfstoffen die vrijkomen bij de uitvoering van werken).<br />

Waar mogelijk zullen wij initiatieven in die richting stimuleren. Eén en ander betekent een<br />

welkome besparing op de voorraden in de regionale winplaatsen, hetgeen leidt tot een<br />

zekere temporisering van de huidige centrale zandwinningen. Een dergelijk beleid past in<br />

het (rijks- en provinciaal) beleid van het zuinig omgaan met primaire grondstoffen.<br />

Daarnaast kunnen diverse werkzaamheden in de landbouw onder de term secundaire<br />

ontgrondingen worden gerangschikt. Te denken valt hierbij aan ontgrondingen in het kader<br />

van verkavelingswerken in ruilverkavelingen, egalisatiewerkzaamheden, etc.<br />

Uit oogpunt van het zuinig omgaan met primaire grondstoffen is het provinciaal beleid<br />

daarnaast gericht op het bevorderen van gebruik van secundaire grondstoffen.<br />

Bovendien mag geen hoogwaardiger kwaliteit grondstof worden gebruikt dan voor het werk<br />

noodzakelijk is. Beton- en metselzand mag daarom in beginsel niet voor ophoogdoeleinden<br />

worden gebruikt. Aan te verlenen vergunningen worden voorwaarden verbonden die<br />

het gebruik van beton- en metselzand voor laagwaardiger doeleinden tegengaan.<br />

Klei ten behoeve van de grofkeramische industrie kan worden gewonnen in vier regionale<br />

kleiwinplaatsen, t.w. de gebieden:<br />

− Winsum - Middelstum;<br />

− Appingedam - Delfzijl;<br />

− Scheemda - Nieuwolda en<br />

− Winschoten - Nieuweschans.<br />

Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, kan er ook klei vrijkomen bij secundaire<br />

ontgrondingen. Het gaat hier vooral om de aanleg van natuurterreinen. Deze klei wordt<br />

doorgaans gebruikt voor landbouwkundige verbeteringen of voor herstel en/of verzwaring<br />

van waterkerende dijken.<br />

De regionale zand- en kleiwinplaatsen zijn aangegeven op de overzichtskaart op de<br />

volgende pagina.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: EVALUATIE HUIDIG BELEID 16<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: EVALUATIE HUIDIG BELEID 17<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


4.2 Winning van beton- en metselzand<br />

Beton- en metselzand wordt voor het grootste deel gebruikt in de betonwarenindustrie en de<br />

betonmortelcentrales. Het overige deel vindt zijn toepassing in metselspecie. Uit onderzoek<br />

van Rijkswaterstaat blijkt, dat het binnenlands verbruik aan beton- en metselzand op ruim<br />

21 miljoen ton per jaar ligt. Het grootste deel hiervan komt beschikbaar door winning uit de<br />

Nederlandse bodem. Voor een deel wordt in de behoefte voorzien door import. Tenslotte<br />

wordt voor een bescheiden deel (< 1 %) in de behoefte aan beton- en metselzand voorzien<br />

door gebruik te maken van secundaire grondstoffen.<br />

Het gebruik van beton- en metselzand bedraagt in <strong>Groningen</strong> ca. 460.000 ton per jaar. Dit is<br />

2,2 % van het totale verbruik in Nederland. Op grond van de landelijk overeengekomen<br />

taakverdeling dient de provincie door een actief vergunningenbeleid de winning van<br />

gemiddeld 300.000 ton per jaar mogelijk te maken. Daarmee kan voor een deel in de eigen<br />

behoefte worden voorzien. Het tekort wordt ingevoerd vanuit andere provincies.<br />

In de periode 1987 - 1996 is gemiddeld iets minder dan 300.000 ton per jaar in deze<br />

provincie gewonnen.<br />

Beton- en metselzand komt in deze provincie op winbare diepte slechts op enkele plaatsen<br />

voor. Winning heeft in de afgelopen planperiode plaatsgevonden vanuit de regionale zandwinplaatsen<br />

Uiterburen in de gemeente Menterwolde en Sellingerbeetse in de gemeente<br />

Vlagtwedde.<br />

Sinds enkele jaren wordt daarnaast vanuit de winplaats Kruiselwerk, bij Alteveer in de<br />

gemeente Pekela, voor een deel in de Groningse behoefte aan beton- en metselzand<br />

voorzien.<br />

Gewonnen beton- en metselzand in <strong>Groningen</strong><br />

500<br />

hoeveelheid (x 1000 ton)<br />

400<br />

300<br />

200<br />

100<br />

0<br />

1988<br />

1989<br />

1990<br />

1991<br />

1992<br />

1993<br />

1994<br />

1995<br />

1996<br />

1997<br />

1998<br />

1999<br />

jaar<br />

gewonnen<br />

taakstelling<br />

Zoals blijkt uit bovenstaande grafiek is er de laatste jaren sprake van een stijgende tendens<br />

in de productie van beton- en metselzand. Vanaf 1995 heeft de werkelijke productie de<br />

provinciale taakstelling van gemiddeld 300.000 ton per jaar overschreden. Op basis van de<br />

ontwikkelingen bij een aantal winplaatsen van beton- en metselzand lijkt de verwachting<br />

gerechtvaardigd dat deze tendens zich zal voortzetten. Daarmee zal de provincie in<br />

toenemende mate in de eigen behoefte aan beton- en metselzand kunnen voorzien. In dat<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: EVALUATIE HUIDIG BELEID 18<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


kader kan worden opgemerkt, dat de provinciale taakstelling voor de komende periode 1999<br />

- 2008 naar verwachting zal worden vastgesteld op 3.500.000 miljoen ton. In § 5.3 wordt<br />

hierop nader ingegaan.<br />

Door de hoge investeringskosten bij de winning van beton- en metselzand worden aan de<br />

betrokken bedrijven in het algemeen wat langer lopende vergunningen verleend (tenminste<br />

15 jaar). Dit om de bedrijven de zekerheid te bieden, de hoge investeringskosten over een<br />

langere periode af te schrijven.<br />

Ten aanzien van Kruiselwerk kan worden opgemerkt, dat tot het jaar 2015 vergunning is<br />

verleend voor winning. Dit in verband met de aanwezigheid van kwalitatief hoogwaardig<br />

industriezand.<br />

4.3 Winning van ophoogzand<br />

In onderstaande grafiek wordt een overzicht gegeven van de in deze provincie gewonnen<br />

hoeveelheden ophoogzand vanaf 1987, waarbij een onderscheid is gemaakt tussen zand uit<br />

de regionale winplaatsen en zand dat vrijkomt bij secundaire winningen.<br />

Gewonnen ophoogzand in <strong>Groningen</strong><br />

2.000<br />

hoeveelheid (x 1000 m3)<br />

1.500<br />

1.000<br />

500<br />

0<br />

1988<br />

1989<br />

1990<br />

1991<br />

1992<br />

1993<br />

1994<br />

1995<br />

1996<br />

1997<br />

jaar<br />

reg. winplaatsen overige prim. winningen secund. winningen<br />

Zoals reeds eerder opgemerkt doen zich in zijn algemeenheid bij de winning van<br />

ophoogzand in de provincie <strong>Groningen</strong> geen problemen voor. Op veel plaatsen in deze<br />

provincie is op winbare diepte voldoende ophoogzand voorhanden. De centrale winplaatsen<br />

kunnen naar verwachting ook de komende jaren in de reguliere zandbehoefte via de<br />

"normale winkelverkoop" voorzien.<br />

Iets anders ligt het wanneer zich binnen de tijdshorizon van deze nota (ca. tien jaar) grote<br />

infrastructurele werken aandienen, waarvoor aanzienlijke hoeveelheden zand nodig zijn.<br />

Wanneer het voor dergelijke werken benodigde zand uit de voorraden van de huidige<br />

regionale zandwinplaatsen komt, betekent dit een snellere uitputting. Daarbij moet worden<br />

geconstateerd, dat wij het gewenst achten aanvullend beleid te ontwikkelen voor de<br />

zandvoorziening voor grote infrastructurele projecten. In de praktijk blijkt namelijk, dat voor<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: EVALUATIE HUIDIG BELEID 19<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


dergelijke, veelal overheidsprojecten behoefte bestaat aan zandwinning in de onmiddellijke<br />

omgeving van het werk (projectgebonden winningen). Ons beleid is er daarom op gericht<br />

voor de zandvoorziening voor grote projecten gebruik te maken van secundaire, dan wel<br />

projectgebonden winningen. Bovendien zullen de mogelijkheden voor secundaire<br />

grondstoffen optimaal moeten worden benut.<br />

Het huidige beleid ten aanzien van zgn. "werk-met-werk-maken-projecten" blijkt soms tot<br />

onduidelijkheid te leiden over het primaire doel van dergelijke projecten. In § 5.5 komen we<br />

hierop terug.<br />

4.4 Winning van klei<br />

<strong>Groningen</strong> kent een rijke historie op het gebied van de fabricage van bakstenen. Het<br />

hoogtepunt van de Groninger baksteenfabricage werd bereikt aan het eind van de<br />

negentiende eeuw. De provincie was in die periode meer dan zestig steenfabrieken rijk.<br />

Van de vroeger in grote getale aanwezige steenfabrieken resteren er nog twee, n.l.<br />

Steenindustrie Strating BV in Oude Pekela en Steenfabriek Hijlkema BV in Delfzijl.<br />

Kleiwinning in <strong>Groningen</strong><br />

t.b.v. de grofkeramische industrie<br />

70<br />

60<br />

hoeveelheid (x 1.000 m3)<br />

50<br />

40<br />

30<br />

20<br />

10<br />

0<br />

1988<br />

1989<br />

1990<br />

1991<br />

1992<br />

1993<br />

1994<br />

1995<br />

1996<br />

1997<br />

jaar<br />

Zoals blijkt uit bovenstaande grafiek is de laatste jaren gemiddeld ca. 40.000 m 3 klei ten<br />

behoeve van de grofkeramische industrie gewonnen.<br />

Voor kleiwinning voor de baksteenindustrie zijn vier als zodanig aangewezen regionale<br />

kleiwingebieden beschikbaar. Het betreft hier de volgende gebieden:<br />

• Kleiwingebied Winsum-Middelstum<br />

In het kleiwingebied Winsum - Middelstum is de afgelopen jaren klei gewonnen door<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: EVALUATIE HUIDIG BELEID 20<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


Steenindustrie Strating in Oude Pekela. De mogelijkheden voor winning waren<br />

doorgaans afhankelijk van de aanwezige natuur- en landschapswaarden (de<br />

aanwezigheid van wierden of ander natuurlijk reliëf, waardevolle verkavelingspatronen,<br />

kreeksystemen en waardevolle vegetaties en weidevogelgebieden). Ook de komende<br />

jaren is naar verwachting ruim voldoende tichelaarde voor kleiwinning beschikbaar. Wel<br />

brengt de zonering (zie ook § 3.2), zoals die in het Structuurschema<br />

oppervlaktedelfstoffen is vastgesteld, enkele beperkingen met zich mee ten aanzien van<br />

de mogelijkheden voor kleiwinning in dit gebied. In § 5.1 komen we hierop terug.<br />

• Kleiwingebied Appingedam-Delfzijl<br />

In het kleiwingebied Appingedam-Delfzijl wordt sinds jaar en dag klei gewonnen door<br />

Steenfabriek Hijlkema te Delfzijl. De mogelijkheden voor kleiwinning in dit gebied werden<br />

weliswaar enigszins beperkt door de aanwezigheid van cultuurhistorisch,<br />

geomorfologisch of ecologisch waardevolle gebieden, maar dit heeft overigens niet tot al<br />

te grote problemen geleid.<br />

Ook in delen van dit gebied brengt de zonering van het Structuurschema<br />

Oppervlaktedelfstoffen (zie § 3.2) beperkingen met zich mee voor toekomstige<br />

kleiwinning. In § 5.1 komen we hierop terug.<br />

• Kleiwingebied Scheemda-Nieuwolda<br />

In dit gebied wordt thans geen klei gewonnen. In het verleden zijn hier reeds grote gebieden<br />

afgeticheld. Er is echter nog circa 1200 hectare voor kleiwinning beschikbaar.<br />

• Kleiwingebied Winschoten-Nieuweschans<br />

In het kleiwingebied Winschoten - Nieuweschans wordt klei gewonnen door Steenindustrie<br />

Strating. Een aanzienlijk deel van het gebied is slecht bereikbaar en dient voor<br />

kleiwinning aan de bestaande detailontwatering te worden aangepast.<br />

De huidige zeeboezemklei in dit wingebied is ruim voldoende voor een zeer lange termijn.<br />

De voorraden in de regionale kleiwingebieden zijn, mits de gronden door de steenfabrikanten<br />

voor kleiwinning kunnen worden verworven, voldoende voor kleiwinning tot ver in de<br />

volgende eeuw.<br />

4.5 Overige ontgrondingen<br />

Ten aanzien van de overige ontgrondingen kan worden opgemerkt, dat in de hier bedoelde<br />

ontgrondingen het volgende onderscheid kan worden gemaakt:<br />

• egalisaties<br />

Deze hebben voor het grootste deel betrekking op kavelverbeterings- en<br />

kavelaanvaardingswerken in landinrichtingsverband. Geconstateerd moet worden, dat het<br />

hier doorgaans om werkzaamheden gaat, waarvoor een belangenafweging op lokaal<br />

niveau het meest voor de hand ligt. Vaak is voor dergelijke werkzaamheden, m.n. in<br />

gebieden, waarin sprake is van belangen van natuur of landschap, naast een<br />

ontgrondingsvergunning ook een aanlegvergunning van burgemeester en wethouders<br />

van de betrokken gemeente noodzakelijk. Wij zijn voornemens om de<br />

vergunningverlenende bevoegdheid overeenkomstig de met het VNG gesloten<br />

bestuursovereenkomst voor dergelijke ontgrondingen (tot 10.000 m 3 ) te delegeren aan<br />

gemeenten. Een uitzondering wordt gemaakt ten aanzien van de oude Groninger dijken.<br />

• dijken<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: EVALUATIE HUIDIG BELEID 21<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


Het behoud van de karakteristieke oude dijken in deze provincie valt ook onder het<br />

regiem van de Ontgrondingenwet en de daarop gebaseerde Ontgrondingenverordening<br />

<strong>Groningen</strong> 1989. Deze dijken, die vaak al lang geen waterkerende functie meer hebben,<br />

hebben veelal een grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. Het beleid ter<br />

bescherming van de niet-waterkerende dijken is geformuleerd in de nota's "Oude<br />

Groninger dijken", deel I (1984) en deel II (1992). In het eerste deel van de nota zijn die<br />

dijken behandeld die op dat moment al jarenlang geen waterkerende functie meer<br />

hadden. In deel II zijn de voormalige slaperdijken behandeld, die hun waterkerende<br />

functie hebben verloren nadat de zeedijk op deltahoogte is gebracht.<br />

De Ontgrondingenwet, de verordening en beide genoemde nota's bieden in beginsel een<br />

goed juridisch en beleidsmatig kader, gericht op bescherming van dijken. Desondanks<br />

komt het voor dat waardevolle dijken worden aangepast, zonder dat daarvoor de<br />

noodzakelijke vergunning is aangevraagd, c.q. is verleend. De overtredingen variëren van<br />

het (al of niet geheel) afgraven van dijken tot het verlagen van de kruin in combinatie met<br />

het verflauwen van het talud. Het doel van de ingrepen is enerzijds het vergroten van het<br />

landbouwareaal van de betrokken agrariër, anderzijds het verbeteren van de veiligheid en<br />

de bewerkbaarheid van de onderhavige dijk. Genoemde werkzaamheden betekenen<br />

doorgaans een ernstige aantasting van het landschap ter plaatse.<br />

Bij illegale dijkafgravingen dient de dijk in de oude toestand te worden hersteld.<br />

Bovendien wordt in overleg met de politie altijd proces-verbaal opgemaakt.<br />

Uit oogpunt van uniformiteit van beleid is in overleg met de betrokken gemeenten<br />

afgesproken, de taken ten aanzien van de oude Groninger dijken buiten de strekking van<br />

de bestuursovereenkomst te houden en dus niet te delegeren. Voor de dijken blijft de<br />

provincie derhalve het bevoegd gezag.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: EVALUATIE HUIDIG BELEID 22<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


5 Nieuwe ontwikkelingen en de gevolgen ervan voor het<br />

provinciaal beleid<br />

Inleiding<br />

Allerlei ontwikkelingen, onder meer aangepast rijksbeleid zoals omschreven in hoofdstuk 3,<br />

zullen op een aantal punten doorwerken in het provinciaal ontgrondingenbeleid. De<br />

volgende onderdelen kunnen hierin worden onderscheiden:<br />

5.1 Zonering<br />

Ten gevolge van de vaststelling van het structuurschema oppervlaktedelfstoffen zal bij het<br />

zoeken naar nieuwe primaire zandwinlocaties in de eerste plaats rekening moeten worden<br />

gehouden met de zonering, zoals die door het parlement is vastgesteld.<br />

Voor (mogelijkheden tot de uitbreiding van) de bestaande winplaatsen in <strong>Groningen</strong> heeft<br />

de zonering ook gevolgen. Het gaat met name om de regionale zandwinplaatsen in Opende<br />

en Harkstede, alsmede de kleiwingebieden Winsum-Middelstum en Appingedam-Delfzijl.<br />

Bij de zonering valt de regionale zandwinplaats Parkheem in zone 2. Dat houdt in dat de<br />

winning van oppervlaktedelfstoffen hier slechts onder voorwaarden is toegestaan. Door het<br />

kleinschalig karakter van het gebied waarin de winplaats is gelegen, maakt dit deel uit van<br />

het Nationaal Landschapspatroon. Het beleid is uit dien hoofde gericht op de duurzame<br />

instandhouding en verdere ontwikkeling van een selectie van die patronen en elementen die<br />

op nationale schaal bepalend zijn voor de identiteit van het landschap. Het<br />

landschapspatroon moet nog nader worden uitgewerkt. Daarbij zal duidelijkheid moeten<br />

ontstaan omtrent de mogelijkheden van zandwinning en een eventuele nieuwe locatie in<br />

deze zone. De voorziene uitbreiding in westelijke richting past binnen het huidige beleid en<br />

kan doorgang vinden.<br />

De regionale zandwinplaats Borgmeren valt in zone 1. Hierbinnen acht het kabinet winning<br />

van oppervlaktedelfstoffen in beginsel niet aanvaardbaar. De zonering voor het gebied van<br />

deze zandwinning is gebaseerd op de begrenzing van de ecologische hoofdstructuur, zoals<br />

aangegeven in het Natuurbeleidsplan. Bij de provinciale uitwerking hiervan is inmiddels<br />

duidelijk dat de winplaats Borgmeren buiten de ecologische hoofdstructuur valt.<br />

Een deel van het kleiwingebied Winsum - Middelstum valt binnen de grenzen van de<br />

ecologische hoofdstructuur (beheersgebied). In het Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen<br />

is dit deel (Winsumermeeden) aangegeven als zone 1. Ontgrondingen met uitsluitend het<br />

doel de winning van oppervlaktedelfstoffen zijn in de gebieden met de aanduiding zone 1 in<br />

beginsel niet mogelijk. Kleiwinning in zone 1 is uitsluitend mogelijk, als uit onderzoek is<br />

gebleken dat niet op een andere wijze in de behoefte aan oppervlaktedelfstoffen kan<br />

worden voorzien. Voor het kleiwingebied Winsum-Middelstum geldt overigens, dat grote<br />

delen van dit gebied liggen in zone 3 gebieden. Doordat kleiwinning in zone 3 in beginsel is<br />

toegestaan verwachten wij door de vastgestelde zonering geen of nauwelijks hinder te<br />

ondervinden bij het zoeken naar voldoende kleiwinningsmogelijkheden.<br />

Ook in het kleiwingebied Appingedam-Delfzijl kunnen door de situering binnen de<br />

grenzen van de ecologische hoofdstructuur (zone 1) veel terreinen door het sluiten van<br />

beheersovereenkomsten van kleiwinning worden uitgesloten. In grote delen van dit gebied<br />

geldt, dat kleiwinning uitsluitend mogelijk is, als uit onderzoek is gebleken dat niet op een<br />

andere wijze in de behoefte aan oppervlaktedelfstoffen kan worden voorzien. Mocht<br />

kleiwinning buiten zone 1 onverhoopt niet mogelijk zijn en wordt op grond daarvan<br />

vergunning gevraagd voor percelen binnen deze zone, dan is het uitgangspunt, dat de<br />

huidige natuur- en landschapswaarden tenminste worden gehandhaafd en zo mogelijk<br />

verder worden ontwikkeld. Door het aan de vergunning verbinden van daarop toegespitste<br />

voorschriften kan hier in belangrijke mate in worden voorzien. De volgende aspecten zullen<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: NIEUWE ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN EN HUN GEVOLGEN 23<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


in voorkomende gevallen in elk geval in de belangenafweging worden betrokken:<br />

− de eventuele aanwezigheid van natuur- en landschapswaarden;<br />

− het handhaven van het bestaande waterpeil (ook na afticheling);<br />

− nadere afspraken ten aanzien van percelen waarvoor beheersovereenkomsten zijn<br />

afgesloten;<br />

− uitvoering van de werkzaamheden buiten het broedseizoen.<br />

Met inachtneming van deze randvoorwaarden achten wij kleiwinning ten behoeve van de<br />

grofkeramische industrie ook in dit gebied op voorhand niet onmogelijk. In voorkomende<br />

gevallen zullen wij hieromtrent overigens in overleg treden met de Directie Noord van het<br />

Ministerie van LNV, voordat een vergunning voor kleiwinning eventueel zal worden verleend.<br />

Voor de overige regionale zand- en kleiwinplaatsen heeft de zonering geen consequenties.<br />

Deze kunnen worden voortgezet. Wel zal bij het zoeken naar eventuele nieuwe locaties voor<br />

de winning van ophoogzand met de zonering rekening moeten worden gehouden, maar ook<br />

buiten de zone 1 en 2 gebieden bevindt zich in voldoende mate ophoogzand. Bovendien<br />

zullen de komende jaren naar verwachting ook bij secundaire ontgrondingen aanzienlijke<br />

hoeveelheden zand vrijkomen, die voor een deel in de behoefte kunnen voorzien.<br />

5.2 Weergave geologische voorkomens in het Provinciaal Omgevingsplan (POP)<br />

Tijdens het bestuurlijk overleg in mei 1986 tussen de minister van Verkeer en Waterstaat en<br />

de provinciale besturen over het voorontwerp van de nota Gegrond Ontgronden (de<br />

voorloper van het structuurschema oppervlaktedelfstoffen) is door de provincies in principe<br />

toegezegd in de toelichting op streekplannen gegevens op te nemen over eventuele<br />

geologische voorkomens van hoogwaardige en/of schaarse oppervlaktedelfstoffen. Tijdens<br />

het bestuurlijk overleg met de provincies over de ontwerp-PKB structuurschema<br />

oppervlaktedelfstoffen is deze afspraak herbevestigd en iets aangescherpt. Afgesproken is,<br />

dat de provincies bij de ruimtelijke planning in streekplankader rekening zullen houden met<br />

de geologische voorkomens van hoogwaardige schaarse oppervlaktedelfstoffen (voor<br />

<strong>Groningen</strong> betreft het hier de oppervlaktedelfstoffen beton- en metselzand en klei t.b.v. de<br />

grofkeramische industrie) binnen de in genoemd structuurschema aangegeven zoekruimte<br />

(zone 2 en 3). Hierbij is opgemerkt dat het gewenst is in de toelichting bij streekplannen<br />

daaromtrent gegevens, waaronder kaartmateriaal op te nemen. Tevens zal daarbij de<br />

hierboven beschreven zonering voor zover nodig in het POP worden opgenomen.<br />

Bij keuzes in de ruimtelijke<br />

planning kan aldus de aanwezigheid<br />

in de bodem van deze<br />

oppervlaktedelfstoffen meewegen<br />

bij de uiteindelijke besluitvorming<br />

over het ruimtegebruik. Bij de<br />

komende streekplanherziening,<br />

c.q. plan voor de fysieke omgeving,<br />

zal invulling moeten<br />

worden gegeven aan deze<br />

afspraak.<br />

Ontwikkelingen op provinciaal niveau, waarin thans sprake is van een<br />

meer integrale benadering van het ontgrondingenbeleid, waarbij de<br />

grondstoffen problematiek wordt bezien vanuit de samenhang met het<br />

milieubeleid, het sociaal economische-, het ruimtelijke ordenings- en<br />

het waterhuishoudkundig beleid. Bij provinciale beleidsbeslissingen dient<br />

zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met hun onderlinge<br />

relatie. Deze onderlinge relatie zal vóór 2001 als één plan voor de<br />

fysieke omgeving worden vastgesteld, als logische vervolgstap op weg<br />

naar integratie van beleid. Dit plan voor de fysieke omgeving, ook wel<br />

"provinciaal omgevingsplan" of POP genoemd zal tot stand komen op<br />

basis van een integrale perspectievennota.<br />

5.3 Winning van beton- en metselzand<br />

Zoals reeds eerder is opgemerkt, is in het bestuurlijk overleg tussen de Minister van Verkeer<br />

en Waterstaat en de verschillende provincies in november 1997 is afgesproken de landelijke<br />

taakstelling voor de periode 1999 - 2008 vast te stellen op 170 miljoen ton. Dit is 20<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: NIEUWE ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN EN HUN GEVOLGEN 24<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


procent lager dan de geschatte behoefte aan beton- en metselzand.<br />

Deze verlaging van de taakstelling is voorgesteld om zo het gebruik van alternatieven (zoals<br />

secundaire grondstoffen) te stimuleren. Om deze reductie te bewerkstelligen zullen Verkeer<br />

en Waterstaat, de provincies en het bedrijfsleven gezamenlijk op korte termijn een<br />

implementatieplan opstellen.<br />

Ook als de resultaten tegenvallen blijft gelden dat rijk en provincies zullen zorgdragen voor<br />

een tijdig beschikbaar komen van voldoende beton- en metselzand voor de bouw.<br />

Deze beleidswijziging is door het IPO (Interprovinciaal Overleg) onder meer voorgesteld uit<br />

oogpunt van het zuinig omgaan met grondstoffen. Naast een verminderde winning van<br />

primaire grondstoffen heeft het IPO gepleit voor een heffing op grondstoffen.<br />

Ten aanzien van de winning van beton- en metselzand in deze provincie kan worden<br />

opgemerkt, dat voor de taakstellingsperiode 1999 - 2008 met het oog op de verwachte<br />

stijging van de productie in deze provincie in IPO-verband is voorgesteld de taakstelling<br />

voor <strong>Groningen</strong> te verhogen van 3,0 tot 3,5 miljoen ton. Een dergelijke taakstelling lijkt<br />

gerechtvaardigd, mede gelet op het landelijk uitgangspunt dat iedere provincie in principe in<br />

de eigen behoefte (voor <strong>Groningen</strong> ca. 4,6 miljoen ton) dient te voorzien.<br />

Realisatie van deze verhoogde taakstelling zal naar verwachting kunnen plaatsvinden,<br />

doordat:<br />

a) De productie van beton- en metselzand in de regionale zandwinplaats Uiterburen op<br />

korte termijn zal worden hervat. De daar aanwezige scheidingsinstallatie is in 1992<br />

ontmanteld, waardoor de productie van beton- en metselzand ter plekke volledig stil<br />

kwam te liggen. Binnenkort zal de winning van beton- en metselzand in Uiterburen door<br />

de plaatsing van een nieuwe installatie worden hervat.<br />

b) In Sellingerbeetse plannen worden ontwikkeld om één van de beide scheidingsinstallaties<br />

daar te vervangen. Verwacht wordt dat vervanging in 1998 wordt gerealiseerd.<br />

c) De winning in Kruiselwerk op basis van de verleende vergunning naar verwachting ook<br />

de komende jaren voor een deel in de Groningse behoefte zal kunnen voorzien. De<br />

kwaliteit van het in Kruiselwerk voorkomende bodemmateriaal is van dien aard, dat in de<br />

vergunning voor deze winning is voorgeschreven, dat hoogwaardig materiaal niet mag<br />

worden verkocht voor doeleinden, waarvoor ook laagwaardiger grondstoffen kunnen<br />

worden gebruikt. Op grond hiervan heeft de exploitant een nieuwe scheidingsinstallatie<br />

aangeschaft, die medio 1998 is geïnstalleerd. Ook bij de andere winplaatsen van betonen<br />

metselzand zijn, c.q. worden in de loop van 1998 nieuwe scheidingsinstallaties<br />

geplaatst. Daarom verwachten wij dat <strong>Groningen</strong>, overeenkomstig de in IPO-verband<br />

overeengekomen uitgangspunten, de komende jaren ruimschoots in de eigen behoefte<br />

kan voorzien. Een verdere uitbreiding van Kruiselwerk ligt daarom op korte termijn niet<br />

voor de hand. Ook de komende eeuw zal er op grond van de huidige inzichten behoefte<br />

zijn aan beton- en metselzand. Daarom dient er met name met deze schaarse<br />

oppervlaktedelfstoffen zuinig te worden omgegaan. Wij willen ons op dit moment dan ook<br />

nog niet vastleggen ten aanzien van de eventuele verdere ontwikkelingen bij de<br />

zandwinning Kruiselwerk, maar zullen ons hierover beraden op het moment dat dit aan<br />

de orde is. De status van regionale winplaats voor de Kruiselwerk is op grond hiervan op<br />

dit moment niet aan de orde. Dat neemt overigens niet weg, dat de uiteindelijke<br />

begrenzing van de zandwinning thans reeds in het bestemmingsplan kan worden<br />

vastgelegd.<br />

5.4 Toepassing secundaire grondstoffen<br />

Eén van de uitgangspunten van het rijksbeleid, zoals die in het structuurschema<br />

oppervlaktedelfstoffen zijn verwoord, is het zuinig omgaan met primaire grondstoffen en te<br />

bevorderen dat op een verantwoorde manier zo veel mogelijk secundaire grondstoffen<br />

worden ingezet.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: NIEUWE ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN EN HUN GEVOLGEN 25<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


In dat kader wordt verwezen naar de afspraak tussen de ministers van V&W en VROM en<br />

de provincies om jaarlijks een toenemend percentage secundaire grondstoffen te zullen<br />

inzetten in de eigen werken. Onderdeel van deze afspraken is dat ter evaluatie daarvan<br />

jaarlijks gegevens hierover zullen worden verzameld.<br />

Vanuit de bouwgrondstoffenproblematiek wordt er gestreefd naar een verdere integratie van<br />

het provinciaal ontgrondingenbeleid in andere beleidsgebieden. Zo zal het milieubeleid van<br />

de provincie nadrukkelijker dan tot dusver, worden gericht op preventie en hergebruik van<br />

grondstoffen. (Milieubeleidsplan 1995-1998). Het beleid van de provincie is er op gericht om<br />

hergebruik en nuttige toepassing van deze (afval)stoffen zo veel mogelijk te<br />

stimuleren.(Werken met secundaire grondstoffen II, oktober 1997).<br />

Dit kan consequenties hebben voor winning en gebruik van oppervlaktedelfstoffen. Te<br />

denken valt b.v. aan stimulering van gebruik van zeefzand voor toepassingen in bepaalde<br />

soorten beton, om op deze wijze voortijdige uitputting van beschikbare voorraden<br />

industriezand te voorkomen.<br />

In de nota "Werken met secundaire Grondstoffen II" wordt het provinciaal beleid voor een<br />

milieuhygiënische verantwoorde toepassing van secundaire grondstoffen in werken<br />

beschreven.<br />

Ook zal door middel van terughoudendheid bij het verlenen van ontgrondingsvergunningen<br />

voor het winnen van industriezand worden getracht het gebruik van secundaire grondstoffen<br />

te bevorderen<br />

Een soortgelijke situatie doet zich voor op de markt van ophoogzand. Door gering of<br />

negatief prijsverschil is de toepassing van gereinigde grond en categorie 1 en 2 grond (licht<br />

verontreinigde grond) als ophoogzand zeer gering.<br />

Bezien wordt op welke wijze verder invulling kan worden gegeven aan het bevorderen van<br />

het gebruik van secundaire grondstoffen.<br />

5.5 Projectgebonden winningen<br />

Zoals omschreven in § 4.3 bestaat er, naast secundaire winningen of werk-met-werkmaken-projecten,<br />

behoefte aan winningen, waarbij het primaire doel is het voorzien in de<br />

zandbehoefte voor plaatselijk werk. Het gaat hier doorgaans om grote infrastructurele<br />

projecten. Wij willen evenals dat in de naburige provincies Friesland en Drenthe het geval is,<br />

ruimte bieden voor dergelijke zgn. projectgebonden winningen. Onze motieven hiervoor zijn:<br />

• door speciewinning in de onmiddellijke omgeving van het werk zal er sprake zijn van een<br />

aanzienlijk lagere belasting van het milieu. (minder autoverkeer);<br />

• logistieke aspecten, zoals de mogelijkheid om het zand rechtstreeks in het werk te<br />

spuiten;<br />

• economische aspecten;<br />

• minder overlast door aan- en afrijdende vrachtauto's;<br />

• lagere belasting van het wegennet i.v.m. kortere transportafstanden;<br />

• het voorkomen van voortijdige uitputting van de voorraden in de regionale<br />

winplaatsen.<br />

De regionale winplaatsen blijven de normale "winkelverkoop" voor hun rekening nemen.<br />

Voorwaarde voor de introductie van dergelijke projectgebonden winningen is, dat er met de<br />

nodige terughoudendheid van deze mogelijkheid gebruik wordt gemaakt. Verder moet er<br />

sprake zijn van een planologisch goed ingepaste nabestemming van een dergelijke winning.<br />

Om allerlei niet gewenste kleinschalige projecten te voorkomen, wordt er voor<br />

projectgebonden winningen bovendien een ondergrens gehanteerd van 250.000 m 3 .<br />

5.6 Herziening Ontgrondingenwet<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: NIEUWE ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN EN HUN GEVOLGEN 26<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


De herziening van de Ontgrondingenwet heeft tot gevolg dat ook de provinciale verordening<br />

op een aantal punten moet worden gewijzigd. De wijzigingen hebben met name betrekking<br />

op de volgende aspecten:<br />

a. De wet introduceert de mogelijkheid voor de invoering van een provinciale bestemmingsheffing<br />

op ontgrondingen (art. 21f). In artikel 21f, lid 1, van de wijziging van de<br />

Ontgrondingenwet is aangegeven dat de heffing tot doel heeft om ten hoogste 50% van<br />

de ten laste van de provincie komende kosten te bestrijden van werkzaamheden verband<br />

houdende met onderzoek en planning met betrekking tot ontgrondingen en van<br />

werkzaamheden, voortvloeiende uit de informatieplicht van de provincie aan de Minister<br />

(artikel 7b van de wet). De hoeveelheid te ontgronden oppervlaktedelfstoffen waarvoor<br />

vergunning wordt verleend vormt het uitgangspunt van de heffing. Op ontgrondingen,<br />

waarbij minder dan 10.000 m 3 specie vrijkomt, kan niet worden geheven. Ook in<br />

<strong>Groningen</strong> wordt een bestemmingsheffing geïntroduceerd. Voor de nadere regelgeving<br />

wordt verwezen naar de Heffingsverordening ontgrondingen 1998.<br />

b. In de herziene wet is de mogelijkheid van een meldingsplicht opgenomen voor<br />

ontgrondingen waarvoor geen vergunning nodig is (art. 7, lid 3). Door invoering van een<br />

meldingsplicht voor van vergunning vrijgestelde ontgrondingen kan de provincie inzicht<br />

krijgen in de hoeveelheid oppervlaktedelfstoffen die zonder vergunning op de markt<br />

wordt gebracht. In de gewijzigde ontgrondingenverordening wordt de meldingsplicht<br />

vastgelegd.<br />

5.7 Herziening Ontgrondingenverordening <strong>Groningen</strong> 1989<br />

Een herziening van de provinciale ontgrondingenverordening is door de geschetste<br />

ontwikkelingen noodzakelijk. Op initiatief van de provinciale leden van de Landelijke Commissie<br />

voor de Coördinatie van het Ontgrondingenbeleid (LCCO) is er een werkgroep<br />

ingesteld die een model-ontgrondingenverordening heeft gemaakt, gebaseerd op die<br />

herziene Ontgrondingenwet.<br />

De gezamenlijke provincies hebben uitgesproken dat een ieder hetzelfde doel zal nastreven<br />

met deze verordening en dat derhalve het verschil in uitwerking niet mag leiden tot wezenlijke<br />

verschillen in benadering van de ontgrondingen tussen de provincies.<br />

5.8 Provinciale bestemmingsheffing<br />

Op grond van artikel 21f, lid 1 van de Ontgrondingenwet krijgen de provincies de<br />

bevoegdheid om bij wijze van provinciale belasting een heffing in te stellen ter bestrijding<br />

van ten hoogste vijftig procent van:<br />

• de ten laste van de provincie komende kosten van werkzaamheden in verband met<br />

onderzoek en planning met betrekking tot ontgrondingen en<br />

• van werkzaamheden, voortvloeiende uit de toepassing van artikel 7b van de wet<br />

(informatieplicht aan de Minister).<br />

De hier bedoelde kosten bedragen in <strong>Groningen</strong> ca. ƒ 100.000,- per jaar. De helft van deze<br />

kosten kan via de bestemmingsheffing op de vergunninghouders worden verhaald.<br />

Als grondslag voor de heffing geldt de hoeveelheid stoffen ten aanzien waarvan vergunning<br />

of machtiging is verleend. Geen heffing wordt geheven ten aanzien van hoeveelheden van<br />

minder dan 10 000 m 3 vaste stoffen, gemeten in profiel van ontgraving.<br />

Over de jaren 1989 t/m 1995 is gemiddeld ca. 2,4 miljoen ton (= 1,4 miljoen vaste m 3 )<br />

oppervlaktedelfstoffen gewonnen.<br />

Per vaste m 3 zal dus gemiddeld 3,6 cent (ƒ 50.000,-/1.400.000 m 3 ) worden doorbelast.<br />

Nadere regels ten aanzien van de bestemmingsheffing zijn gegeven in de<br />

Heffingsverordening ontgrondingen 1998.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: NIEUWE ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN EN HUN GEVOLGEN 27<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


De Raad van State heeft inmiddels positief geadviseerd over een wetsvoorstel tot<br />

verruiming van deze provinciale heffingsmogelijkheid. Kern van het voorstel is dat via de<br />

heffing ook de provinciale kosten voor schadevergoedingen op dit gebied en, tot op zekere<br />

hoogte, kosten voor compenserende maatregelen kunnen worden gedekt.<br />

Bij compenserende maatregelen moet worden gedacht aan het volgende. In sommige<br />

gevallen worden gebieden relatief zwaar getroffen door, voor de<br />

bouwgrondstoffenvoorziening, noodzakelijke ontgrondingen. In deze situatie kan het redelijk<br />

zijn dat de betreffende regio compensatie ontvangt, b.v. in de vorm van een fietspad, dat<br />

anders niet zou zijn aangelegd, een sportterrein, de aanleg van een vervangende weg voor<br />

transport van de oppervlaktedelfstoffen, extra beplanting, etc. De heffing t.b.v.<br />

compenserende maatregelen is gemaximeerd tot ƒ 0,25 per m 3 (ca. ƒ 0,15 per ton)<br />

oppervlaktedelfstof.<br />

Het bedrag dat geheven kan worden voor schadevergoedingen is niet gelimiteerd. De<br />

overwegingen om geen wettelijke limiet te stellen aan het tarief m.b.t. de<br />

schadevergoedingsheffing zijn blijkens de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel de<br />

volgende. Anders dan bij de compensatieheffing gaat het bij uitkeringen om de<br />

heffingsopbrengst niet om uitkeringen met een vrijwillig karakter, maar van een juridische<br />

verplichting. Maximeren van het tarief van de schadever-goedingsheffing zou leiden tot een<br />

gewrongen constructie. Een bepaalde schadevergoeding dient te worden gefinancierd uit de<br />

opbrengst van de heffing en niet uit het <strong>Provincie</strong>fonds, wanneer het<br />

schadevergoedingsfonds onverhoopt ontoereikend zou zijn. Voorts zal het naar verwachting<br />

bij de schadevergoedingsheffing om beperkte bedragen (enkele centen) gaan.<br />

5.9 Delegatie ontgrondingstaken<br />

Op provinciaal niveau wordt in de tweede helft van 1998 de vergunningverlenende<br />

bevoegdheid voor met name de kleinere ontgrondingen aan de gemeenten gedelegeerd.<br />

Bij de delegatie van ontgrondingstaken naar gemeenten is er nadrukkelijk een grens<br />

getrokken bij een te winnen hoeveelheid specie van 10.000 m 3 . De reden hiervan is, dat<br />

ontgrondingen waarbij grotere hoeveelheden oppervlaktedelfstoffen vrijkomen, invloed<br />

kunnen hebben op de grondstoffenmarkt. Het behoort tot de taak en de bevoegdheid van<br />

de provincie hierin door een actief vergunningenbeleid regulerend op te treden. De<br />

vergunningverlenende bevoegdheid voor de grotere ontgrondingen blijft op grond daarvan<br />

bij de provincie.<br />

Onder kleinere ontgrondingen wordt in dit verband verstaan die ontgrondingen, waarvoor<br />

door hun aard en omstandigheden een belangenafweging op gemeentelijk niveau het meest<br />

voor de hand ligt.<br />

Primair moet hierbij worden gedacht aan allerlei werkzaamheden die plaatsvinden in het<br />

kader van de verbetering van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven, zoals<br />

egalisatiewerkzaamheden (al of niet in ruilverkavelingsverband). Ook ontgrondingen waarbij<br />

slechts in beperkte mate oppervlaktedelfstoffen vrijkomen vallen onder de strekking van de<br />

bestuursovereenkomst, die op grond van de kerntakennota, tussen de provincie <strong>Groningen</strong><br />

en de afdeling <strong>Groningen</strong> van de VNG is gesloten.<br />

Veelal is er voor de uitvoering van dergelijke, relatief kleinere ontgrondingen naast een<br />

ontgrondingsvergunning ook een aanlegvergunning in het kader van de Wet op de<br />

Ruimtelijke Ordening van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente<br />

noodzakelijk. Om een dubbele belangenafweging (dus zowel in het kader van de<br />

Ontgrondingenwet als van de WRO) na delegatie zoveel mogelijk te voorkomen, zal via een<br />

verruiming van de vrijstellingsbepalingen in de herziene ontgrondingenverordening een<br />

belangrijk deel van deze kleinere ontgrondingen worden vrijgesteld van het vergunningvereiste.<br />

Het gaat hier met name om die gevallen, waarvoor in planologisch kader al een goede<br />

belangenafweging van de betrokken ontgronding heeft plaatsgevonden, c.q. zal plaats-<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: NIEUWE ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN EN HUN GEVOLGEN 28<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


vinden. Wanneer een dergelijke belangenafweging niet heeft plaatsgevonden, noch binnen<br />

afzienbare tijd zal plaatsvinden, blijft een ontgrondingsvergunning (ook voor kleinschalige<br />

egalisatiewerkzaamheden) noodzakelijk. Een dergelijke vergunning zal dan bij de betrokken<br />

gemeente moeten worden aangevraagd.<br />

In het ontwerp-delegatiebesluit is ten aanzien van ontgrondingen het volgende bepaald:<br />

"Artikel 3<br />

Gedeputeerde staten dragen aan burgemeester en wethouders van de gemeenten in de<br />

provincie <strong>Groningen</strong> over de bevoegdheid om te beslissen op aanvragen om vergunning,<br />

bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Ontgrondingenwet, en te beslissen over het verlenen<br />

van machtiging, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van die wet, voor een ontgronding,<br />

voorzover met deze ontgronding<br />

a. niet primair de winning van oppervlaktedelfstoffen wordt beoogd (secundaire ontgrondingen)<br />

èn<br />

b. minder dan 10.000 m 3 specie vrijkomt."<br />

De vergunningverlenende bevoegdheid voor ontgrondingen waarbij grotere hoeveelheden<br />

oppervlaktedelfstoffen vrijkomen, blijft bij gedeputeerde staten, aangezien dergelijke<br />

ontgrondingen invloed kunnen hebben op de grondstoffenmarkt.<br />

Ten aanzien van de karakteristieke oude Groninger dijken kan worden opgemerkt, dat uit<br />

oogpunt van uniformiteit van beleid in overleg met de betrokken gemeenten is afgesproken,<br />

de taken ten aanzien van deze dijken buiten de strekking van de bestuursovereenkomst te<br />

houden en dus niet te delegeren. Voor de dijken blijft de provincie derhalve het bevoegd<br />

gezag.<br />

5.10 Aanscherping vergunningsvoorwaarden bij diepe zandwinningen<br />

Door middel van aanscherping van vergunningsvoorwaarden, meer onderzoek vooraf en<br />

meer zelfcontrole van de betrokken bedrijven wordt een betere handhaafbaarheid verwacht.<br />

Het risico van calamiteiten zal daarmee naar verwachting worden beperkt.<br />

Aanscherping van de vergunningsvoorwaarden is mede noodzakelijk geworden naar<br />

aanleiding van een uitspraak van de Raad van State. Bij een in beroep betwiste<br />

ontgrondingsvergunning heeft de Raad van State geoordeeld, dat de provincie bij het<br />

verlenen van de gevraagde vergunning nader onderzoek had moeten (laten) verrichten naar<br />

met name de stabiliteit van de onderwatertaluds. Een dergelijk onderzoek zal bij de diepere<br />

zandwinningen structureel worden geëist, voordat met de feitelijke ontgrondingsactiviteiten<br />

wordt gestart.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: NIEUWE ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN EN HUN GEVOLGEN 29<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: NIEUWE ONTWIKKEL<strong>IN</strong>GEN EN HUN GEVOLGEN 30<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


6. Handhaving en toezicht<br />

6.1 Evaluatie<br />

Er is een organisatorische scheiding aangebracht tussen de taken vergunningverlening<br />

enerzijds en handhaving en toezicht anderzijds..<br />

Voor de praktische uitvoering is daarbij aangesloten bij het bestaande netwerk<br />

toezichthouders milieu en politie/O.M.<br />

De laatste jaren hebben zich bij ontgrondingen enkele calamiteiten voorgedaan, zoals:<br />

• een inbressing in maart 1996 bij de regionale zandwinplaats Uiterburen en enkele minder<br />

ernstige inbressingen bij een aantal andere winplaatsen;<br />

• enkele illegale dijkafgravingen in Noord <strong>Groningen</strong>.<br />

Deze calamiteiten zijn mede aanleiding geweest handhaving en toezicht aan te scherpen.<br />

Dit verscherpte toezicht is onder meer gerealiseerd door de volgende maatregelen:<br />

• via reguliere milieuvluchten ook aandacht te besteden aan (illegale) ontgrondingen;<br />

• 2 toezichthouders, naast hun toezichthoudende taken op het gebied van<br />

milieuhandhaving, speciaal met ontgrondingen te belasten. (één toezichthouder voor<br />

regulier toezicht en een toezichthouder voor illegale activiteiten);<br />

• efficiëntere inzet van het instrument "bestuursdwang " bij overtreding van de<br />

vergunningsvoorwaarden of bij illegale activiteiten. Dit om te tonen dat het de provincie<br />

ernst is op dit punt;<br />

• de instelling van een consignatiedienst, zodat op dit moment voor noodgevallen een<br />

bereikbaarheid van 24 uur 7 dagen in de week is bereikt;<br />

• introductie van meer zelfcontrole in de vergunningsvoorwaarden.<br />

Door middel van aanscherping<br />

van vergunningsvoorwaarden<br />

wordt een betere<br />

handhaafbaarheid verwacht.<br />

Doordat voor de meeste<br />

regionale zandwinplaatsen een<br />

nieuwe vergunningaanvraag in<br />

behandeling, dan wel in<br />

voorbereiding is, worden de<br />

aangescherpte voorwaarden in<br />

deze nieuw te verlenen<br />

vergunningen geïntegreerd.<br />

Aanscherping van vergunningsvoorwaarden is mede<br />

noodzakelijk geworden door een uitspraak van de Raad van<br />

State. Gedeputeerde staten hadden in het onderhavige geval<br />

vergunning verleend voor uitbreiding van de zandwinplaats<br />

Uiterburen. De vergunningsvoorwaarden waren gebaseerd op<br />

eerder voor genoemde zandwinning verleende vergunningen en<br />

de opgedane ervaringen daarbij. Een dergelijke benadering<br />

werd overigens ook bij andere provincies vrij algemeen<br />

gehanteerd. De Raad van State heeft echter geoordeeld, dat de<br />

provincie bij het verlenen van de gevraagde<br />

ontgrondingsvergunning nader onderzoek had moeten (laten)<br />

verrichten naar met name de stabiliteit van de onderwatertaluds.<br />

6.2 Nieuwe ontwikkelingen<br />

Genoemde intensivering van toezicht en een betere handhaafbaarheid van<br />

vergunningsvoorwaarden zal worden geëffectueerd door stabiliteitsberekeningen voor te<br />

schrijven en door het eisen van een betere zelfcontrole door de betrokken bedrijven tijdens<br />

de winningen. Deze zelfcontrole zal o.a. worden gerealiseerd door van de zandwinners via<br />

vergunningsvoorwaarden te eisen dat via automatische vastlegging van gegevens tijdens de<br />

winning, de mogelijkheid wordt geboden controle (ook achteraf) op de werkzaamheden uit<br />

te oefenen. Door de wijze van werken gedetailleerder op te nemen in de door GS goed te<br />

keuren werkplannen, kan meer grip worden gekregen op winmethodes en te nemen<br />

voorzorgsmaatregelen om met name onverwachte inbressingen te voorkomen.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: HANDHAV<strong>IN</strong>G EN TOEZICHT 31<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


Over illegale ontgrondingen, zoals dijkafgravingen, waarvoor op basis van het daarvoor in<br />

de nota's oude Groninger dijken vastgelegde beleid geen vergunning zal worden verleend,<br />

kan worden gemeld, dat via bestuursdwang is en zal worden ingezet op herstel in<br />

oorspronkelijke staat. Zo nodig zal ook verzocht worden strafrechtelijk op te treden.<br />

Verder zal onverminderd intensief worden toegezien op handhaving van het provinciaal<br />

beleid aangaande de bescherming van de oude Groninger dijken.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: HANDHAV<strong>IN</strong>G EN TOEZICHT 32<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


7. Beleidswijzigingen<br />

Hieronder volgen de concrete beleidswijzigingen, zoals ze volgen uit de aanpassing van het<br />

rijksbeleid (structuurschema oppervlaktedelfstoffen), de herziening van de<br />

Ontgrondingenwet en ontwikkelingen op provinciaal niveau.<br />

1. Opname in het Provinciaal Omgevingsplan (POP) van geologische voorkomens van<br />

hoogwaardige en/of schaarse oppervlaktedelfstoffen<br />

Overeenkomstig de afspraken die hierover tussen de minister van Verkeer en Waterstaat<br />

en de provinciale besturen zijn gemaakt, zullen de geologische voorkomens van<br />

hoogwaardige en/of schaarse oppervlaktedelfstoffen in het komende Provinciaal<br />

Omgevingsplan (POP) worden opgenomen. Het betreft hier met name de<br />

oppervlaktedelfstoffen industriezand en klei t.b.v. de grofkeramische industrie. In verband<br />

met de geologische voorkomens van hoogwaardig industriezand in de hier bedoelde<br />

gebieden is het gewenst deze gebieden planologisch te reserveren voor toekomstige<br />

winning. Dit wil zeggen dat geen onomkeerbare ingrepen in het landschap zullen worden<br />

toegestaan, die toekomstige zandwinning onmogelijk maken.<br />

2. Het stimuleren van de toepassing van secundaire grondstoffen<br />

Uit oogpunt van het zuinig omgaan met primaire grondstoffen is het gewenst om de<br />

mogelijkheden voor hergebruik optimaal te benutten. Bezien wordt op welke wijze verder<br />

invulling kan worden gegeven aan het bevorderen van het gebruik van secundaire<br />

grondstoffen.<br />

3. Gebruik maken van de mogelijkheid voor het verbinden van aanvullende<br />

voorwaarden aan een ontgrondingsvergunning<br />

In de vergunning kan op basis van de herziene Ontgrondingenwet thans als voorwaarde<br />

worden opgenomen dat de vergunninghouder (gedeeltelijk) de kosten betaalt van de<br />

aanpassingsinrichting van de omgeving en het beheer ervan, de kosten van beheer van<br />

het ontgronde gebied, kunnen wintempobepalingen in de vergunning worden opgenomen<br />

en kunnen beperkingen ten aanzien van de bestemming van de gewonnen oppervlaktedelfstoffen<br />

worden voorgeschreven. In incidentele gevallen kan het nodig zijn om<br />

aan een ontgrondingsvergunning voorwaarden te verbinden, die tegengaan dat<br />

hoogwaardige oppervlaktedelfstoffen voor laagwaardige doelen worden gebruikt. Met<br />

name wordt hier gedacht aan het gebruik van beton- en metselzand voor doeleinden,<br />

waarvoor ook fijner materiaal kan worden gebruikt. Echter ook ten aanzien van klei, die<br />

geschikt is voor de grofkeramische industrie zullen daartoe strekkende voorwaarden aan<br />

een vergunning worden verbonden.<br />

4. Introductie van een provinciale bestemmingsheffing<br />

Voorgesteld wordt, ook in <strong>Groningen</strong> een provinciale bestemmingsheffing te introduceren.<br />

Ten behoeve van de invoering van de heffing is een ontwerp-heffingsverordening in voorbereiding.<br />

In <strong>Groningen</strong> zal de landelijke gedragslijn worden gevolgd en zal gebruik<br />

worden gemaakt van de in artikel 21f van de wet geboden mogelijkheid om een provinciale<br />

bestemmingsheffing in te voeren. De invoering van een provinciale bestemmingsheffing<br />

zal tot een kostenverhoging van enkele centen per kubieke meter oppervlaktedelfstoffen<br />

leiden.<br />

5. Het opnemen in de verordening van een meldingsplicht voor een aantal<br />

ontgrondingen, waarvoor geen vergunning nodig is.<br />

Uit oogpunt van een goed grondstoffenbeleid is het noodzakelijk om op provinciaal niveau<br />

zicht te houden op de stromen oppervlaktedelfstoffen die op de markt komen. Daarom zal<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BELEIDSWIJZIG<strong>IN</strong>GEN 33<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


voor een aantal voorgenomen ontgrondingen, waarvoor geen vergunning nodig is, een<br />

meldingsplicht in de verordening worden opgenomen. Deze melding dient voorafgaand<br />

aan de feitelijke ontgronding te worden gedaan. Op deze wijze kunnen ook de teken met<br />

betrekking tot handhaving en toezicht op niet-vergunningplichtige ontgrondingen<br />

adequaat worden uitgevoerd.<br />

6. Projectgebonden winningen.<br />

Wij achten het gewenst, dat in incidentele gevallen het zand voor grote projecten wordt<br />

gewonnen uit voor dat doel te ontwikkelen winplaatsen. Voorwaarde voor een dergelijke<br />

beleidswijziging is dat er sprake moet zijn van een residu, dat een meerwaarde oplevert<br />

voor de omgeving. Een goede planologische afweging van een dergelijk project op<br />

bestemmingsplanniveau is daarom noodzakelijk.<br />

Een dergelijk beleid sluit aan bij het rijksbeleid ten aanzien van het zuinig omgaan met de<br />

voorraden in de primaire winningen. Tevens wordt hierdoor aansluiting gezocht bij het<br />

ontgrondingenbeleid, zoals dat in de naburige provincies Friesland en Drenthe wordt<br />

gehanteerd.<br />

7. Stabiliteitsberekening, diepte- en plaatsbepalingsmetingen<br />

Om een betere waarborg tegen inbressingen te garanderen, zal voor vergunning-verlening<br />

een stabiliteitsberekening voor een veilige aanname van het te handhaven talud worden<br />

geëist. In deze berekening dient een veiligheidsmarge van 1,3 te zijn ingebouwd. Tevens<br />

zal tijdens de zuigwerkzaamheden via automatische vastlegging van diepte en<br />

plaatsgegevens mogelijkheid moeten worden geboden voor goede controle, zowel tijdens<br />

de werkzaamheden als achteraf. Realisatie zal via vergunningsvoorwaarden worden<br />

opgelegd. Aanscherping van de vergunningsvoorwaarden is mede noodzakelijk<br />

geworden naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State. Bij een in beroep<br />

betwiste ontgrondingsvergunning heeft de Raad van State geoordeeld, dat de provincie<br />

bij het verlenen van de gevraagde vergunning nader onderzoek had moeten (laten)<br />

verrichten naar met name de stabiliteit van de onderwatertaluds. Een dergelijk onderzoek<br />

zal bij de diepere zandwinningen structureel worden geëist, voordat met de feitelijke<br />

ontgrondingsactiviteiten wordt gestart.<br />

8. Intensivering handhaving en toezicht<br />

Tenslotte wordt door middel van aanscherping van vergunningsvoorwaarden naar een<br />

betere handhaafbaarheid gestreefd. Bovendien wordt door een bundeling van taken op<br />

het gebied van handhaving en toezicht niet alleen intensiever gecontroleerd, maar kan de<br />

beschikbare menskracht nog efficiënter worden ingezet. Tevens zal in de vergunningen<br />

van de betrokken bedrijven een betere zelfcontrole worden voorgeschreven.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BELEIDSWIJZIG<strong>IN</strong>GEN 34<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


BIJLAGEN<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 35<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


Bijlage 1: Regionale zandwinplaats Parkheem te Opende<br />

Grondstof<br />

Ophoogzand<br />

Jaarlijkse afzet 185.000 m 3<br />

Eindbestemming<br />

Natuur, oever- en<br />

strandrecreatie.<br />

Verblijfsrecreatie<br />

Maatregel<br />

Uitbreiding west,<br />

daarna verdieping<br />

of nieuwe locatie<br />

Een nieuwe vergunning voor uitbreiding en verdieping van een deel van de huidige zandwinning<br />

is in de loop van 1998 verleend. Het gaat hier om de laatst mogelijke uitbreiding binnen<br />

deze regionale zandwinplaats. Op basis van de zandafzet van de laatste jaren is deze<br />

regionale winplaats over ca. 8 jaren uitgeput. Op korte termijn zal daarom een onderzoek<br />

moeten worden gestart of deze winplaats in de nabijheid (aansluitend) kan worden<br />

uitgebreid, of dat er moet worden gezocht naar een volledig nieuwe locatie.<br />

De gemeente heeft voor de zandwinning en aansluitende gronden een ontwerpbestemmingsplan<br />

opgesteld. Het bestemmingsplan zal de basis vormen voor de beoordeling<br />

van bovengenoemde vergunningaanvraag en de herinrichting van het terrein. De ontwerpvergunning<br />

zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 1998 ter inzage worden gelegd.<br />

Voor de (zandwin-)inrichting hebben gedeputeerde staten een milieuvergunning verleend.<br />

Bij de zonering zoals die wordt aangeduid in het Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen,<br />

deel 1 - Ontwerp pkb, (zie 1.2, bladzijde 2), valt Parkheem in zone 2. Dat houdt in dat de<br />

winning van oppervlaktedelfstoffen hier slechts onder voorwaarden is toegestaan. Door het<br />

kleinschalig karakter van het gebied waarin de winplaats is gelegen, maakt deze deel uit<br />

van het Nationaal Landschapspatroon. Het beleid is uit dien hoofde gericht op de duurzame<br />

instandhouding en verdere ontwikkeling van een selectie van die patronen en elementen die<br />

op nationale schaal bepalend zijn voor de identiteit van het landschap.<br />

Het landschapspatroon moet nog nader worden uitgewerkt. Daarbij zal duidelijkheid moeten<br />

ontstaan omtrent de mogelijkheden van zandwinning en een eventuele nieuwe locatie in<br />

deze zone. De voorziene uitbreiding in westelijke richting past binnen het huidige beleid en<br />

kan doorgang vinden.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 36<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 37<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


Bijlage 2: Regionale zandwinplaats Borgmeren te Harkstede<br />

Grondstof<br />

Ophoogzand<br />

Jaarlijkse afzet 240.000 m 3<br />

Eindbestemming<br />

Verblijfsrecreatie<br />

Kwaliteitslocatie<br />

Natuur, oever- en<br />

strandrecreatie<br />

Maatregel<br />

Afstemming op<br />

eindbestemming.<br />

Verdieping<br />

Een deel van de reeds afgewerkte oostelijke plas (Scharmerplas) is bestemd voor<br />

verblijfsrecreatie.<br />

Voor de westelijke plas nabij Harkstede is een kwaliteitslocatie met woningen en natuur-,<br />

oever- en strandrecreatie in ontwikkeling. Om de voortgang van de ontgronding in de<br />

westelijke plas op deze ontwikkelingen af te stemmen (m.n. ten aanzien van de<br />

planologische invulling) vindt er intensief overleg plaats tussen provincie, gemeente en<br />

ontgronder. Dit heeft er toe geleid dat er in de loop van 1998 één ontgrondingsvergunning<br />

voor de gehele westelijke plas is verleend. Deze vergunning dient ter vervanging van een<br />

groot aantal afzonderlijke in het verleden verleende vergunningen. Tevens is in deze<br />

vergunning een geringe uitbreiding van de zandwinning voorzien voor die percelen, die deel<br />

uitmaken van de zandwinning, maar waarvoor nog geen vergunning was verleend. Tevens is<br />

in de vergunning voorzien in een verdieping van een deel van de plas.<br />

De regionale zandwinning zal nog tot omstreeks het jaar 2015 in de regionale behoefte<br />

kunnen voorzien. Aan een verdere uitbreiding van de plas of een nieuwe locatie is derhalve<br />

thans geen behoefte.<br />

Gedeputeerde staten hebben voor de (zandwin-)inrichting een milieuvergunning verstrekt.<br />

In verband met de zonering zoals die wordt gehanteerd in het Structuurschema<br />

Oppervlaktedelfstoffen, deel 1 - Ontwerp pkb, (zie 1.2, bladzijde 2) valt de zandwinplaats<br />

Borgmeren in zone 1. Hierbinnen acht het kabinet winning niet aanvaardbaar. De zonering<br />

voor het gebied van deze zandwinning is gebaseerd op de begrenzing van de ecologische<br />

hoofdstructuur, zoals aangegeven in het Natuurbeleidsplan. Bij de provinciale uitwerking<br />

hiervan is inmiddels duidelijk dat de winplaats Borgmeren buiten de ecologische<br />

hoofdstructuur zal vallen.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 38<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 39<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


Bijlage 3: Regionale zandwinplaats Uiterburen te Noordbroek<br />

Grondstof Ophoogzand Beton- en metselzand<br />

Jaarlijkse afzet 270.000 m 3 (150.000) ton<br />

Eindbestemming<br />

Dagrecreatie<br />

Maatregel<br />

Uitbreiding noord,<br />

planologische<br />

reservering<br />

In Noordbroek wordt naast ophoogzand ook beton- en metselzand gewonnen. De zandwinplaats<br />

is in exploitatie bij twee verschillende vergunninghouders<br />

• BV Bouwzand Noord<br />

In het zuidelijk gedeelte van de zandwinning wordt uitsluitend ophoogzand gewonnen. In<br />

de zuidoever van de plas is in maart 1996 een forse bres geslagen. Over een lengte van<br />

ruim 200 meter en een maximale breedte van 65 meter is de oever weggeslagen. De<br />

bres is inmiddels hersteld. Hoewel de vergunninghoudster op basis van de aan haar<br />

verleende vergunning verantwoordelijk was voor het handhaven van voldoende stabiele<br />

taluds heeft deze inbressing plaatsgevonden. Na een daartoe strekkend onderzoek door<br />

Grondmechanica Delft is advies uitgebracht over de stabiliteit van de oevers.<br />

Uit recente metingen blijkt, dat op basis van de thans geadviseerde taluds in dit deel plas<br />

op grond van de vergunning nog een zeer beperkte hoeveelheid zand kan worden<br />

gewonnen. Of dit zand feitelijk nog zal worden gewonnen en zo ja, op welke wijze, is<br />

momenteel in onderzoek. Voor het overige is het zuidelijk deel van de put leeg. Voor<br />

meer informatie over inbressingen en de consequenties ervan wordt verwezen naar<br />

hoofdstuk 7: "Handhaving en toezicht". Verdere uitbreiding van het zuidelijk deel van de<br />

zandwinning is niet mogelijk.<br />

• BV Zand- en grinthandel v/h H. Rijks en Zn<br />

In het noordelijk gedeelte van de plas wordt naast ophoogzand ook beton- en metselzand<br />

gewonnen. Tot 1994 lag de nadruk bij deze ontgronding op de winning van beton- en<br />

metselzand. De toenmalige exploitant heeft de zandwinning ter plaatse beëindigd en<br />

verkocht. De tot op dat moment aanwezige scheidingsinstallatie werd ontmanteld.<br />

De nieuwe eigenaar heeft in de zandput gedurende enige tijd uitsluitend ophoogzand<br />

gewonnen. Het bedrijf heeft de zandwinning echter verworven met het primaire doel de<br />

winning van beton- en metselzand te hervatten. Een nieuwe scheidingsinstallatie is medio<br />

1998 in gebruik genomen.<br />

Een in 1995 verleende vergunning voor uitbreiding van de zandwinning is in 1997 door<br />

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd, omdat vooraf<br />

onvoldoende onderzoek was verricht naar de stabiliteit van de onderwatertaluds. Er zal<br />

een nieuwe vergunning worden verleend, waarbij met de uitspraak van de Raad van<br />

State rekening zal worden gehouden. Na verlening van deze vergunning kan dan nog<br />

zeker gedurende 15 jaar met name beton- en metselzand worden gewonnen.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 40<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 41<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


Bijlage 4: Regionale zandwinplaats Heeresveld te Nieuwe Pekela<br />

Grondstof<br />

Ophoogzand<br />

Jaarlijkse afzet 175.000 m 3<br />

Eindbestemming<br />

Natuur, oever- en<br />

strandrecreatie<br />

Maatregel<br />

Uitbreiding,<br />

beëindiging of<br />

verdieping<br />

De in de beleidsnota van 1994 reeds aangekondigde aanvraag voor uitbreiding en<br />

verdieping van de zandwinning is inmiddels door gedeputeerde staten gehonoreerd. De<br />

huidige vergunde zandvoorraden zijn toereikend tot omstreeks het jaar 2010.<br />

Op verzoek en voor rekening van de exploitant heeft de stedebouwkundige van de<br />

gemeente Pekela studie verricht naar de uitbreidingsmogelijkheden van Heeresveld. Deze<br />

studie heeft geleid tot twee varianten, die thans punt van discussie zijn binnen de gemeente.<br />

Continuering van de zandwinning hier ter plaatse lijkt hier echter verzekerd.<br />

Voor de eindbestemming is voorzien in de aanleg van voorzieningen ten behoeve van<br />

natuur, oever- en strandrecreatie. De gemeente wenst de plas na beëindiging van de<br />

zandwinning in eigendom over te nemen. De exploitant van de zandwinning heeft hiertoe in<br />

principe zijn medewerking toegezegd.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 42<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 43<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


Bijlage 5: Regionale zandwinplaats Sellingerbeetse in de gemeente Vlagtwedde<br />

Grondstof Ophoogzand Beton- en metselzand<br />

Jaarlijkse afzet 100.000 m 3 (150.000) ton<br />

Eindbestemming<br />

Dagrecreatie<br />

Natuur<br />

Maatregel<br />

Uitbreidingen,<br />

planologische<br />

reservering<br />

In Sellingerbeetse ligt de nadruk op de winning van beton- en metselzand. Als bijproduct<br />

komen hier grote hoeveelheden ophoogzand vrij. In Sellingerbeetse zijn twee exploitanten<br />

actief. In beide zandwinningen hebben zich dit jaar inbressingen voorgedaan. Aan het<br />

herstel hiervan wordt vrijwel continu gewerkt. Het ophoogzand dat bij de winning van betonen<br />

metselzand vrijkomt, wordt in de bressen gespoten. Gedeputeerde staten hebben voor<br />

beide winningen een milieuvergunning verleend.<br />

Zandzuigbedrijf Beetse BV<br />

De exploitatie van het westelijk deel van de zandwinning is in handen van Zandzuigbedrijf<br />

Beetse BV. Bij de winning wordt gebruik gemaakt van een verouderde scheidingsinstallatie.<br />

Het bedrijf is vanaf 1994 bezig met het ontwikkelen van plannen om hierin verbetering aan te<br />

brengen. In overleg met provincie en gemeente heeft het bedrijf in 1998 een nieuwe<br />

scheidingsinstallatie geïnstalleerd. Gelet op de hiermee gepaard gaande investeringen wil<br />

het bedrijf voor langere tijd beton- en metselzand kunnen winnen. Een nieuwe vergunning<br />

voor uitbreiding in noordelijke richting is hiervoor op termijn noodzakelijk. Op basis van de<br />

beleidsnota uit 1994 hebben gedeputeerde staten het bedrijf meegedeeld in beginsel bereid<br />

te zijn medewerking te verlenen aan een uitbreiding van de zandwinning in noordelijke<br />

richting. Voor het maken van een nieuwe ontsluitingsweg en het plaatsen van een nieuwe<br />

scheidingsinstallatie heeft de gemeente inmiddels de noodzakelijke planologische<br />

maatregelen genomen. De nieuwe ontsluitingsweg is inmiddels eveneens gerealiseerd.<br />

ZGB BV<br />

Dit bedrijf werkt in het oostelijk deel van de plas op basis van een drietal verleende<br />

ontgrondingsvergunningen. De geldigheidstermijn van één van deze vergunningen is<br />

verstreken. De vergunde hoeveelheid zand is echter nog niet gewonnen. In verband met het<br />

verstrijken van de geldigheidstermijn van deze vergunning heeft het bedrijf voor continuering<br />

van de zandwinning een nieuwe aanvraag ingediend.<br />

In het kader van de bezwaren tegen de milieuvergunning (geluidsaspecten) is gezocht naar<br />

een andere ontsluiting van de zandwinning. Helaas zijn hebben deze pogingen niet tot het<br />

gewenste resultaat geleid. Tegen de verleende milieuvergunning is beroep ingesteld bij de<br />

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 44<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 45<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 46<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


Begrippenlijst<br />

µm (micrometer): 0,001 millimeter. In deel 1 (van het Structuurschema oppervlaktedelfstoffen)<br />

komen ook de minder juiste afkortingen mu en µ voor.<br />

aardelite: kunstgrindkorrel bestaande uit vliegas (ca. 65 %), kalk en/of portlandcement, zand en<br />

hulpstoffen.<br />

asfaltzand: zand gebruikt voor de fabricage van bitumineuze mengsels (asfalt ). Dit zand is een<br />

natuurlijk zand of een mengsel van natuurlijke zanden, dat men deels tot beton- en metselzand<br />

en deels tot ophoogzand kan rekenen.<br />

AVI-slak: residu dat op het rooster overblijft na verbranding van huishoudelijk afval, van daarmee<br />

gelijk gesteld grof afval of van bedrijfsafvalstoffen die tezamen met huishoudelijke afvalstoffen<br />

verbrand mogen worden in AfvalVerbrandingslnstallaties. Recentelijk veelal AVI-bodemas<br />

genoemd.<br />

AVI-vliegas: zeer fijne as afgevangen uit de rook van afvalverbrandingsinstallaties.<br />

B&U: Burgerlijke- en Utiliteitsbouw (Woningbouw en Utiliteitsbouw ).<br />

betonzand: een mengsel van natuurlijk grof zand en fijn grind gebruikt voor de productie van<br />

betonwaren en betonmortel. In NEN 5905 wordt dit mengsel zand 0-4 genoemd.<br />

beton- en metselzand: natuurlijk zand toegepast in betonmortel, betonwaren en metselspecie. Dit<br />

betreft zand met een gemiddelde korrelgrootte van meer dan 300 µm en een maximale<br />

korrelgrootte van 2000 µm (bovengrens zandfractie). Het grofste zand wordt gebruikt in beton,<br />

eventueel na bijmenging van fijn grind (2-4 mm ).<br />

bietentarra: klei die vastzit aan suikerbieten en die door het wassen van de bieten in de suikerfabriek<br />

vrijkomt.<br />

brekerzand: zand dat vrijkomt bij het breken van rots, bijvoorbeeld porfier of zandsteen, en grind.<br />

Zand dat vrijkomt bij het breken van beton- en metselwerkpuin wordt recycling-brekerzand<br />

genoemd.<br />

CROW: Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water en Wegenbouw en de<br />

Verkeerstechniek. De stichting CROW heeft krachtens haar statuten tot doel:<br />

- regelgeving in de grond-, water- en wegenbouw;<br />

- onderzoek in de grond-, en wegenbouw en de verkeerstechniek;<br />

- overdracht en uitwisseling van kennis en ervaring op de genoemde gebieden<br />

CUR: Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving. De stichting CUR heeft<br />

krachtens de statuten tot doel:<br />

a. bevorderen van kennis en kunde op het gebied van de civiele techniek, in het bijzonder voor<br />

de waterbouw, de utiliteitsbouw- en de woningbouw;<br />

b. overdragen van deze kennis en kunde, mede ter ondersteuning van het Nederlandse<br />

bedrijfsleven.<br />

E-bodemas: residu van «zware» asdeeltjes, dat wordt gevormd tijdens het verbrandingsproces in<br />

poederkool gestookte ketels. Ook kortweg bodemas genoemd.<br />

ecogrind: kunstgrind gefabriceerd uit baggerslib vermengd met andere afvalstoffen die een hoge<br />

verbrandingswaarde hebben, bijvoorbeeld vliegassen, olieresiduen en zuiveringsslib (nog in<br />

onderzoeksfase )<br />

euroklei: klei gerijpt uit bijna schoon slib dat is gebaggerd uit het westelijk deel van het Rotterdamse<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 47<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


havengebied.<br />

fijnkeramische industrie: industrie voor vervaardiging van aardewerk, wand- en siertegels, sanitair,<br />

porselein, etc.<br />

fosforslakken: slakken die vrijkomen bij de electrothermische ontsluiting van fosfor uit fosfaaterts.<br />

fosforzuurgips: gips dat vrijkomt bij de productie van kunstmest (nog in onderzoeksfase). Ook<br />

fosfogips genoemd.<br />

gebiedscategorie: in dit structuurschema is deze term gebruikt voor het opdelen van het Nederlands<br />

grondgebied (inclusief het Nederlands deel van het Continentaal Plat) in gebieden waarvoor een<br />

verschillend rijksbeleid ten aanzien van de mogelijkheden voor winning van<br />

oppervlaktedelfstoffen van kracht is. Het gaat daarbij om bestaand beleid en niet om het<br />

toekomstig beleid, zoals dat in dit structuurschema is aangegeven.<br />

gieterijzand: zilverzand dat in ijzergieterijen wordt toegepast. Ook wel vormzand genoemd.<br />

granulaire grondstoffen: grondstoffen met een korrelstructuur. De in dit structuurschema<br />

beschouwde oppervlaktedelfstoffen en secundaire grondstoffen zijn granulaire grondstoffen.<br />

grind: gesteente, hoofdzakelijk bestaande uit kwarts, overwegend rond, van natuurlijke herkomst, met<br />

een korrelgrootte tussen de 2 mm en 63 mm.<br />

grofkeramische industrie: industrie voor vervaardiging van bakstenen, straatstenen, dakpannen,<br />

gresbuizen etc.<br />

GWW:<br />

Grond-, Weg- en Waterbouw.<br />

hoogovenslakken: slakken die als nevenproduct ontstaan bij het smelten in een hoogoven van<br />

ijzererts tezamen met cokes en toeslagstoffen.<br />

industriezand: verzamelnaam voor natuurlijke zanden ten behoeve van met name industriële<br />

toepassingen (betonzand, metselzand, kalkzandsteenzand, zilverzand, asfaltzand, stucadoorzand<br />

etc.)<br />

kalksteen: gesteente met een dichte structuur, hoofdzakelijk bestaande uit calciumcarbonaat (CaCO3<br />

). De in ons land voorkomende zachte kalksteen wordt ook vaak mergel genoemd.<br />

kalkzandsteenzand: natuurlijk zand gebruikt voor de fabricage van kalkzandstenen of -blokken.<br />

Hiervoor is een laag gehalte aan klei en leem vereist, een hoog kwartsgehalte (75 - 95 %) en een<br />

brede korrelopbouw met een mediane korrelgrootte tussen de 150 µm en 300 µm. Het is gewenst<br />

dat ca. 10 % kleiner is dan 150 µm en minimaal 20 % groter dan 500 µm.<br />

ketenbeheer: term uit het Nationaal Milieubeleids Plan 1989; heeft betrekking op het uit algemeen<br />

milieuoogpunt in onderling verband beheren van de verschillende stadia waarin een grondstof<br />

zich kan bevinden (als voorraad in de bodem, tijdens winning, bij toepassing in de bouw etc. ).<br />

kiezelslag: gebroken grind. Wordt ook steenslag genoemd.<br />

klei: een sterk samenhangende, fijnkorrelige grondsoort die bestaat uit een mengsel van lutum, silt en<br />

zand. Het lutumgehalte (kleiner dan 2 µm ) bedraagt minimaal 8 gewichts %, het gehalte aan silt<br />

(2 µm - 63 µm ) bedraagt maximaal 75 gewichts %. Met kleifractie wordt hier bedoeld de fractie<br />

klastische deeltjes met een diameter van 0-2 µm.<br />

klinker: halffabrikaat bij de cementbereiding. Het ontstaat door het verhitten («branden» ) van<br />

kalksteen in een speciale oven.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 48<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


kwartsmeel: gemalen zeer kwartsrijk zand met een maximum korrelgrootte van 100 µm en met een<br />

hoge mate van zuiverheid.<br />

landelijke winningen: winningen waarbij de gewonnen oppervlaktedelfstof op grote afstand van de<br />

winplaats wordt afgezet. De afvoer geschiedt doorgaans per schip.<br />

leem: een sterk samenhangende, fijnkorrelige grondsoort die bestaat uit een mengsel van zand, silt<br />

en lutum. Het gehalte aan zand (groter dan 63 µm) is kleiner dan 50%, het gehalte aan lutum<br />

(kleiner dan 2 µm) is minder dan 25%.<br />

Lytag: tot korrels gesinterde kolenvliegas, te gebruiken onder meer als grindvervanging in (licht)<br />

beton.<br />

M63: mediane korrelgrootte van de fractie > 63 µm en


grondstof. Het betreft hier zowel materialen die als afvalstof moeten worden aangemerkt als<br />

materialen die dit predikaat niet hebben.<br />

staalslakken: slakken die vrijkomen bij de staalproductie.<br />

steenslag uit rots: natuurlijk gesteente dat langs mechanische weg is gebroken. Het gaat om graniet,<br />

basalt, porfier, harde kalksteen, zandsteen etc.. Ook kortweg steenslag genoemd.<br />

stol: een mengsel van natuurlijk zand en fijn grind.<br />

taakstelling: een in bestuurlijk overleg afgesproken winbaar te maken hoeveelheid van een bepaalde<br />

oppervlaktedelfstof. Een taakstelling heeft betrekking op winbaarheid in een bepaalde periode.<br />

taakverdeling: een in bestuurlijk overleg afgesproken procentuele verdeling over de<br />

vergunninginstanties van de totale landelijke taakstelling ten aanzien van de (o.m. door<br />

vergunningverlening ) winbaar te maken hoeveelheid van een bepaalde oppervlaktedelfstof.<br />

vergunninginstanties: instanties die vergunningen kunnen afgeven voor ontgronding<br />

(ontgrondingsvergunning ). Het zijn de provincies en, voor de rijkswateren, het rijk (ministerie van<br />

Verkeer en Waterstaat/Rijkswaterstaat ).<br />

vernieuwbare grondstoffen: grondstoffen die in de natuur of door telen steeds weer opnieuw kunnen<br />

ontstaan. Een voorbeeld is hout. Door aanplant van nieuwe bossen wordt steeds weer hout<br />

geproduceerd.<br />

vormzand: natuurlijk zand gebruikt in de grofkeramische industrie om het kleven van klei aan de<br />

wanden van de vormbakken te voorkomen. Voor dit doel blijken bijna alle zanden te voldoen. Ook<br />

zilverzand dat wordt toegepast in ijzergieterijen wordt vormzand genoemd.<br />

werk-met-werk-maken-projecten: ontgrondingen die niet zijn gericht op winning van<br />

oppervlaktedelfstoffen, maar waar wel oppervlaktedelfstoffen bij vrij komen. Voorbeelden: graven<br />

van een kanaal, aanleg van een waterbekken, verruimen van een vaarweg voor het<br />

scheepvaartverkeer. (zie ook secundaire ontgronding)<br />

winplaats: plaats die is bestemd voor de winning van stoffen door ontgronding. Het is een term die<br />

voorkomt in de herziene Ontgrondingenwet.<br />

winzone: een gebied waarbinnen in één of meer deelgebieden daarvan ontgronden wordt toegestaan<br />

nadat één of meer winplaatsen zijn bepaald of één of meer ontgrondingsvergunningen zijn<br />

afgegeven. Het is een term die voorkomt in de Memorie van Toelichting op de herziene<br />

Ontgrondingenwet (gedeelte dat handelt over het structuurschema Oppervlakte-delfstoffen ). Een<br />

winzone zal doorgaans in een streekplan worden aangegeven, maar het is ook mogelijk dat dat in<br />

een structuurschema gebeurt.<br />

witzand: een kwartsrijk wit natuurlijk zand, waaruit door opwerking (deels ) zilverzand kan worden<br />

gemaakt.<br />

zand: grondstof die volgens de geologische definitie de fractie klastische deeltjes met een diameter<br />

van 63 µm tot 2000 µm omvat.<br />

zeefzand: fijnkorrelig, hoofdzakelijk natuurlijk materiaal, dat vrijkomt wanneer bouw- en sloopafval<br />

een eerste zeefgang ondergaat, alvorens het materiaal in de breker wordt geleid.<br />

zilverzand: leemarm natuurlijk zand met een uitermate hoog kwartsgehalte (tenminste 98% ) en een<br />

zeer laag ijzer- en aluminiumgehalte. Het zand wordt in hoofdzaak toegepast in de glasindustrie<br />

en de chemische industrie.<br />

zoekruimte: een ruimte waarbinnen, volgens de rijksvisie, ontgronden toelaatbaar, of niet<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 50<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998


ontoelaatbaar, is. Het is een term die voorkomt in de Memorie van Toelichting op de herziene<br />

Ontgrondingenwet (gedeelte dat handelt over het structuurschema Oppervlaktedelfstoffen ).<br />

zonering: in dit structuurschema is deze term gebruikt voor het opdelen van het Nederlands<br />

grondgebied (inclusief het Nederlands deel van het Continentaal Plat ) in gebieden waarvoor in dit<br />

structuurschema een verschillend rijksbeleid ten aanzien van de mogelijkheden voor winning van<br />

oppervlaktedelfstoffen wordt aangegeven.<br />

<strong>ZAND</strong> <strong>IN</strong> <strong>BALANS</strong>: BIJLAGEN 51<br />

vastgesteld door provinciale staten van <strong>Groningen</strong> op 29 september 1998

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!