Download - Svb

svb.nl

Download - Svb

SVB Beleidsregels Deel III Awb 21

Schadevergoeding

De beleidsregels zijn op 22 augustus 2012

vastgesteld door de Raad van Bestuur van

de Sociale Verzekeringsbank en op 29

augustus 2012 bekend gemaakt in de

Staatscourant (Stcrt. 2012, 17507).

De beleidsregels worden minimaal eenmaal

per jaar herzien.

k www.svb.nl voor de meest recente

versie.

artikel 7:15, leden 2 en 3, en artikel 8:73 Awb

Indien een belanghebbende schade meent te hebben geleden ten gevolge van het

handelen van de SVB zijn er verschillende wegen waarlangs hij schadevergoeding kan

vorderen. Dit kan via de administratieve rechter op grond van de Awb en via de

burgerlijke rechter op grond van het BW. In beide gevallen zal een belanghebbende

veelal voorafgaand aan het beroep op de rechter een verzoek om vergoeding van schade

kunnen indienen bij de SVB. Met betrekking tot schade en schadeposten hanteert de

SVB het beleid vervat in de onderliggende paragrafen.

SB3218

Vergoeding van wettelijke rente

artikel 4:97 jo. 4:98 Awb, artikel 4:100 Awb, artikel 4:102 Awb en artikel

Ingevolge artikel 4:97 in samenhang met artikel 4:98, artikel 4:100 en artikel 4:102 Awb

is de SVB gehouden wettelijke rente te vergoeden in de in deze artikelen genoemde

situaties. De SVB interpreteert artikel 4:99 Awb zo dat zij gehouden is tot het

ambtshalve vergoeden van de wettelijke rente.

SB3219

Vergoeding van schade wegens onrechtmatige daad

De SVB is gehouden tot vergoeding van schade als de SVB een besluit heeft genomen

dat nadien onrechtmatig blijkt en deze onrechtmatigheid aan de SVB moet worden

toegerekend. Van een onrechtmatig besluit is in ieder geval sprake indien een besluit

wordt ingetrokken naar aanleiding van een bezwaarschrift, indien een besluit door de

rechter wordt vernietigd of indien een besluit wordt herroepen als gevolg van met

terugwerkende kracht gewijzigde wet- of regelgeving (zie onder meer HR 20 februari

1998, CRvB 24 februari 1998 en CRvB 24 januari 2001). Bij de beoordeling van de

vraag of de onrechtmatigheid van het besluit aan de SVB moet worden toegerekend,

geldt als hoofdregel dat de schuld van een bestuursorgaan is gegeven zelfs indien dat

bestuursorgaan geen verwijt treft. Deze regel geldt niet als de onrechtmatigheid van het

besluit geheel aan de belanghebbende is te wijten.

In geval van feitelijk handelen kan eveneens sprake zijn van onrechtmatig handelen door

de SVB als de SVB in betekenende mate in strijd handelt met de algemene beginselen

van behoorlijk bestuur. De SVB acht zich dan eveneens gehouden tot vergoeding van

schade.

Jurisprudentie

HR 20 februari 1998, «JB» 1998/72

CRvB 24 februari 1998, AB 1998, 177


SVB Beleidsregels | Deel III Awb 22

CRvB 24 januari 2001, AB 2001, 81

SB3221

Vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke

termijn

Uit jurisprudentie van de CRvB volgt dat een schadevergoeding moet worden

toegekend als de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 EVRM is overschreden bij

het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen. Hiervan is sprake als, inclusief

de bezwaarprocedure:

de procedure minimaal 2 jaar heeft geduurd, in geval van beroep bij de rechtbank,

of

de procedure minimaal 4 jaar heeft geduurd, in geval van hoger beroep (CRvB 26

januari 2009 en CRvB 28 april 2009).

De termijn vangt aan op het moment dat een bezwaarschrift is ingediend (CRvB 8

december 2004). Als een deel van de duur van de procedure aan betrokkene moet

worden toegerekend, telt dit deel niet mee.

Uit de jurisprudentie volgt voorts dat het bestuursorgaan aansprakelijk is voor haar

aandeel in de overschrijding van de redelijke termijn als de bezwaarprocedure langer dan

zes maanden heeft geduurd. In dat geval kent de SVB op verzoek van de

belanghebbende een vergoeding toe. Deze bedraagt € 500 als de bezwaarprocedure

langer dan een half jaar heeft geduurd en wordt met eenzelfde bedrag verhoogd voor elk

volledig half jaar dat de SVB heeft verzuimd te besluiten op het bezwaarschrift. Uit de

jurisprudentie van het EHRM volgt dat de introductie van een versnellende procedure,

zoals de dwangsomregeling, gevolgen mag hebben voor de hoogte van de vergoeding

mits deze snel wordt toegekend en voldoende is gemotiveerd. De SVB brengt daarom

reeds uitbetaalde dwangsommen in mindering op de vergoeding.

Jurisprudentie

EHRM 26 oktober 2000 (Kudla), «USZ» 2001/37, EHRC 2000/89

CRvB 8 december 2004, RSV 2005/71, LJN AR7273

CRvB 26 januari 2009, LJN: BH1009

CRvB 28 april 2009, LJN BI2748

EHRM 29 maart 2006 (Pizzati), JB 2006/134

SB3222

Overige schade

Eventuele andere schadeposten dan renteschade en schade wegens overschrijding van de

redelijke termijn, zoals schade in de fiscale sfeer, kunnen voor vergoeding in aanmerking

komen voor zover de belanghebbende om vergoeding daarvan verzoekt en hij de

geleden schade kan aantonen.

Bij de beoordeling van een verzoek om vergoeding van overige schade fungeren de

bepalingen uit het BW over schadevergoeding als leidraad voor de vaststelling van de

schade (zie bijvoorbeeld CRvB 30 maart 1995 en 9 januari 1996). Er wordt getoetst of

de belanghebbende als gevolg van de onrechtmatige daad van de SVB een bepaald

voordeel heeft verkregen waardoor de totale schade gematigd is, en of de schade door de

belanghebbende beperkt had kunnen worden. Een verkregen voordeel kan bijvoorbeeld

zijn een uitkering van een andere instantie of een subsidie, waarop de belanghebbende

geen recht zou hebben gehad als de SVB juist zou hebben gehandeld.


SVB Beleidsregels | Deel III Awb 23

Uit de jurisprudentie van de CRvB (16 april 1996 en 8 april 1997) leidt de SVB af dat

vergoeding van immateriële schade die geen verband houdt met de overschrijding van de

redelijke termijn slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan plaatsvinden. Met

name moet hiervoor sprake zijn van ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer,

dan wel op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. De SVB acht een ernstige

inbreuk op de persoonlijke levenssfeer aanwezig als de belanghebbende als gevolg van de

onrechtmatige daad van de SVB aan zo langdurige en ernstige psychische spanningen

heeft blootgestaan dat sprake is van een aantasting in de persoon.

Jurisprudentie

CRvB 30 maart 1995, AB 1995, 334

CRvB 9 januari 1996, «JB» 1996/36

CRvB 16 april 1996, «JB» 1996/117

CRvB 8 april 1997, AB 1997, 247

SB3223

Kosten gemaakt voor de behandeling van een bezwaarschrift

Artikel 7:15, leden 2 en 3

Op 12 maart 2002 is de wet in werking getreden waarmee de vergoeding van in de

bezwaarfase gemaakte kosten in de Awb is geregeld. Artikel 7:15 Awb is hierbij aldus

gewijzigd dat de kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van een

bezwaarschrift heeft moeten maken door het bestuursorgaan dienen te worden vergoed

indien het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten

onrechtmatigheid. Het verzoek tot schadevergoeding moet tijdens de procedure worden

gedaan, in ieder geval voordat de beslissing op bezwaar wordt genomen. Voorts moet

het maken van kosten redelijk worden geacht. De hoogte van de vergoeding wordt

bepaald aan de hand van artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en het in de

bijlage bij dat besluit neergelegde puntensysteem en forfaitair tarief. Uit de toelichting op

de wettelijke regeling blijkt dat alleen sprake kan zijn van aan het bestuursorgaan te

wijten onrechtmatigheid indien een besluit inhoudelijk onjuist is. De SVB vergoedt

derhalve geen kosten indien louter sprake is van vormfouten of motiveringsgebreken.

Uit de uitspraak van de CRvB van 13 juni 2005 volgt dat de SVB schadeplichtig is in

geval van een gegrondverklaring van een bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een

besluit. In dat geval vergoedt de SVB de kosten die een belanghebbende in verband met

het behandelen van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, tenzij het niet tijdig

nemen van een besluit niet aan de SVB kan worden verweten. In beginsel past de SVB

daarbij de gewichtsfactor 0,25 (zeer licht) als bedoeld in de bijlage bij het Besluit

proceskosten bestuursrecht toe.

De in artikel 7:15 Awb vervatte regeling ziet alleen op de vergoeding van kosten van een

bezwaarschriftprocedure in geval van primaire besluiten genomen op of na 12 maart

2002. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1999 vloeit echter voort dat de

SVB tevens kan worden gehouden tot vergoeding van kosten gemaakt ten behoeve van

een bezwaarschriftprocedure waarin bezwaar is gemaakt tegen een primair besluit van

vóór 12 maart 2002. In dat geval vindt toetsing van de vraag of de SVB aansprakelijkheid

aanvaardt, plaats naar analogie van het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid Awb. Uit het

feit dat de vergoeding van kosten in geval van een primair besluit genomen vóór 12

maart 2002 een overwegend civielrechtelijk karakter draagt, volgt dat geen analoge

toepassing kan worden gegeven aan artikel 7:15, derde lid Awb of artikel 2 van het


SVB Beleidsregels | Deel III Awb 24

Besluit proceskosten bestuursrecht. Wat betreft verzoeken om vergoeding van kosten

gemaakt in geval van een primair besluit genomen vóór 12 maart 2002 geldt daarom dat

de SVB met toepassing van artikel 3:310 BW inhoudelijke toetsing achterwege laat als

het verzoek niet is ontvangen binnen vijf jaren vanaf het moment dat herroeping van het

primaire besluit heeft plaatsgevonden. Voorts toetst de SVB de hoogte van de

vergoeding in geval van primaire besluiten genomen vóór 12 maart 2002 aan de vraag of

de hoogte van de gemaakte kosten redelijk is, zodat artikel 2 van het Besluit

proceskosten bestuursrecht en het in de bijlage bij dat besluit neergelegde puntensysteem

en forfaitair tarief buiten beschouwing blijven.

Jurisprudentie

HR 17 december 1999, «JB» 2000/4

CRvB 24 januari 2001, AB 2001, 81

CRvB 13 juni 2005, RSV 2005/234, LJN AT7364

More magazines by this user
Similar magazines