16.09.2014 Views

jbs 2014 afl 11

jbs 2014 afl 11

jbs 2014 afl 11

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

Jurisprudentiebulletin<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong><br />

Nummers: 287 – 307<br />

Colofon<br />

Ten geleide<br />

In het Jurisprudentiebulletin van Slachtofferhulp Nederland<br />

(JBS) wordt jurisprudentie verzameld die van<br />

belang kan zijn voor de juridische dienstverlening<br />

aan slachtoffers.<br />

De uitspraken worden geparafraseerd en samengevat<br />

weergegeven. Voor de oorspronkelijke tekst dient de<br />

uitspraak te worden geraadpleegd.<br />

(Oude) nummers van het JBS zijn te vinden via:<br />

www.slachtofferhulp.nl/Algemeen/Slachtofferzorg/Jur<br />

isprudentiebulletin/<br />

U kunt het JBS via e-mail toegestuurd krijgen door<br />

een berichtje te sturen aan JBS@slachtofferhulp.nl.<br />

De redactie heeft altijd belangstelling voor (niet gepubliceerde)<br />

uitspraken die in het JBS zouden kunnen<br />

worden opgenomen.<br />

Redactie:<br />

mr. A.H. Sas<br />

Contact:<br />

JBS@slachtofferhulp.nl<br />

Zie ook:<br />

www.slachtofferhulp.nl/<br />

De opgenomen uitspraken zijn in augustus<br />

op www.rechtspraak.nl verschenen.<br />

In twee zaken besloot de rechtbank, in<br />

verband met de positie van het slachtoffer,<br />

tot heropening van het onderzoek<br />

(nrs. 288 en 295). In beide gevallen lagen<br />

de vorderingen benadeelde partij<br />

nog bij het OM.<br />

In nr. 287 was de rechtbank ook zeer<br />

slachtofferminded. Hierbij werd aan meer<br />

dan 200 benadeelden in totaal een bedrag<br />

van ruim 8 miljoen euro toegekend.<br />

De rechtbank overwoog wel dat het ‘net’<br />

geen onevenredige belasting van het<br />

strafgeding was. De vorderingen waren<br />

met behulp van de FIOD eenvoudig gehouden.<br />

De verdachte zou vermogensbestanddelen<br />

in de Dominicaanse Republiek<br />

hebben. Het wordt CJIB veel succes gewenst<br />

met de inning van dit bedrag.<br />

Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft duidelijkheid<br />

geschapen waar de wetgever<br />

dat had nagelaten. De verruimde mogelijkheid,<br />

die per 1 januari <strong>2014</strong> in werking<br />

is getreden, om een schadevergoedingsmaatregel<br />

te kunnen opleggen,<br />

geldt alleen voor strafbare feiten die op<br />

of na 1 januari <strong>2014</strong> zijn gepleegd (nr.<br />

298). Deze verruiming was een voorstel<br />

van Slachtofferhulp Nederland.


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

Interessante casus in verband met smartengeld<br />

(zonder letsel) is de onder nr.<br />

302 opgenomen discriminatiezaak.<br />

Ook zijn twee civiele zaken opgenomen.<br />

In nr. 304 wordt de kring van gerechtigden<br />

op shockschade door de rechtbank<br />

opmerkelijk klein getrokken. Het zijn van<br />

een (goede) kennis van het eigenlijke<br />

slachtoffer is volgens de rechtbank onvoldoende.<br />

Nr. 305 betreft de zaak van<br />

de rellen op het strand van Hoek van<br />

Holland, waarbij het om groepsaansprakelijk<br />

(art. 6:166 BW) van de relschoppers<br />

gaat die politieagenten ernstig hadden<br />

bedreigd.<br />

Slachtoffer in het strafproces<br />

287.<br />

Gerechtshof Amsterdam 12 november<br />

2013, nummer 23-003532-<strong>11</strong><br />

Mrs. D.J.M.W. Paridaens-van der<br />

Stoel, J.D.L. Nuis en P. Greve<br />

ECLI:NL:GHAMS:2013:4633<br />

(Meermalen gepleegd: Verduistering;<br />

art. 321 Sr & Oplichting; art. 326 Sr.<br />

Meer dan 200 benadeelden. Totaal<br />

aan schadevergoeding €<br />

8.021.428,62 toegekend, met hulp<br />

van de FIOD. “Net” geen onevenredige<br />

belasting; art. 361 lid 3 Sv.<br />

Draagkrachtverweer schadevergoedingsmaatregel;<br />

art. 36f Sr. )<br />

De verdachte heeft zich gedurende een<br />

periode van 8 jaren schuldig gemaakt<br />

aan ernstige vormen van vermogenscriminaliteit.<br />

Hij heeft als feitelijk leidinggever<br />

van een rechtspersoon een groot<br />

aantal personen opgelicht, dan wel geprobeerd<br />

op te lichten en een beleggingsobject<br />

aangeboden zonder te beschikken<br />

over een daartoe door de AFM<br />

verleende vergunning. Daarnaast heeft<br />

de verdachte een grote som geld verduisterd<br />

en een gewoonte gemaakt van<br />

witwassen.<br />

Het hof stelt vast dat het merendeel van<br />

de benadeelde partijen hun vordering<br />

heeft beperkt tot een vergoeding van de<br />

netto inleg in de beleggingsobjecten. De<br />

op de inleg ontvangen rente-uitkeringen,<br />

(geld)opnames en inschrijfkosten voor<br />

het AIP maken hier geen deel (meer) van<br />

uit. Daarnaast heeft de FIOD alle vorderingen<br />

van de benadeelde partijen aan de<br />

hand van bankafschriften gecontroleerd<br />

op rente-uitkeringen en opnames en –<br />

waar dit nog niet reeds was gebeurd –<br />

van de vordering afgetrokken.<br />

Het hof is van oordeel dat de vorderingen<br />

van de benadeelde partijen nog net geen<br />

onevenredige belasting van het strafproces<br />

opleveren, nu het uitgangspunt de<br />

netto inleg is en het hof over een duidelijk<br />

overzicht van de vorderingen van de<br />

benadeelde partijen beschikt.<br />

www.slachtofferhulp.nl 2


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

In eerste aanleg hebben zich 287 beleggers<br />

gevoegd als benadeelde partij. De<br />

rechtbank heeft 34 benadeelde partijen<br />

niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.<br />

Deze benadeelde partijen hebben<br />

zich geen van allen opnieuw in de procedure<br />

in hoger beroep gevoegd. Dit betekent<br />

dat deze vorderingen niet meer aan<br />

de orde zijn in de procedure van het hoger<br />

beroep.<br />

Uit het onderzoek ter terechtzitting is<br />

voldoende gebleken dat de in de bijlage<br />

genoemde benadeelde partijen als gevolg<br />

van het onder 1 (oplichting) en 2 (verduistering)<br />

bewezen verklaarde handelen<br />

van de verdachte rechtstreeks schade<br />

hebben geleden. De verdachte is tot vergoeding<br />

van die schade gehouden zodat<br />

de vorderingen zullen worden toegewezen<br />

met inachtneming van het volgende.<br />

Het hof zal de vorderingen van de benadeelden<br />

partijen toewijzen zoals ook de<br />

rechtbank dat heeft gedaan.<br />

De raadsman heeft aangevoerd dat de<br />

verdachte op dit moment in Nederland<br />

van een bijstandsuitkering leeft en dat op<br />

zijn vermogen in de Dominicaanse Republiek<br />

door Justitie conservatoir beslag is<br />

gelegd. Daarmee staat het volgens de<br />

raadsman op voorhand vast dat het opleggen<br />

van de schadevergoedingsmaatregel<br />

slechts zal leiden tot het tenuitvoerleggen<br />

van de daaraan subsidiair<br />

verbonden vervangende hechtenis.<br />

Het hof overweegt als volgt.<br />

Ingevolge het tweede lid van art. 36f van<br />

het Wetboek van Strafrecht kan de rechter<br />

de schadevergoedingsmaatregel opleggen<br />

indien en voor zover de verdachte<br />

jegens het slachtoffer naar burgerlijk<br />

recht aansprakelijk is voor de schade die<br />

door het strafbare feit is toegebracht. De<br />

draagkracht van de verdachte speelt bij<br />

de bepaling van de hoogte van het bedrag<br />

geen rol. In geval van oplegging<br />

van de maatregel bepaalt de rechter de<br />

vervangende hechtenis (art. 36f lid 6<br />

(oud) Sr). Niettemin kan het gebrek aan<br />

draagkracht onder omstandigheden voor<br />

de rechter reden zijn ervan af te zien de<br />

schadevergoedingsmaatregel op te leggen.<br />

Slechts in uitzonderlijke gevallen<br />

kan daarvan sprake zijn. Daarbij kan in<br />

het bijzonder worden gedacht aan gevallen<br />

waarin op voorhand vast staat dat<br />

het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel<br />

slechts zal leiden tot het<br />

in de toekomst tenuitvoerleggen van de<br />

vervangende hechtenis.<br />

Het hof overweegt dat de verdachte blijkens<br />

het dossier op dit moment beschikt<br />

over vermogensbestanddelen in de Dominicaanse<br />

Republiek. De verdachte<br />

heeft noch tijdens het vooronderzoek,<br />

noch tijdens de terechtzitting in hoger<br />

beroep ten behoeve van de benadeelden<br />

afstand gedaan van dat vermogen. Daarnaast<br />

valt niet in te zien dat de verdachte<br />

in de toekomst niet in staat zou zijn verdiencapaciteit<br />

van enige omvang te bereiken<br />

en valt niet uit het dossier vast te<br />

stellen of al het vermogen van de verdachte<br />

al in beeld is bij zijn schuldeisers.<br />

Het hof acht daarom geen termen aanwezig<br />

om het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel<br />

achterwege te laten.<br />

288.<br />

Rechtbank Midden-Nederland 16<br />

april <strong>2014</strong>, nummer 16-652868-13<br />

(Heropening onderzoek)<br />

Mrs. P.J.M. Mol, kinderrechter,<br />

P.P.C.M. Waarts en B. Vitringa<br />

ECLI:NL:RBMNE:<strong>2014</strong>:3369<br />

(Ten laste gelegd woningoverval,<br />

diefstal, joyriding. Heropening onderzoek:<br />

na sluiting onderzoek krijgt<br />

rechtbank beschikking over de vordering<br />

van de - inmiddels overleden -<br />

benadeelde partij.)<br />

Na sluiting is bij de beraadslaging gebleken<br />

dat het onderzoek niet volledig is<br />

geweest ten aanzien van de vordering<br />

van de benadeelde partij en/of diens nabestaanden.<br />

De rechtbank heeft na sluiting van het<br />

onderzoek kennis genomen van een vordering<br />

van de benadeelde partij.<br />

www.slachtofferhulp.nl 3


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

Voornoemde vordering bevond zich ten<br />

tijde van de behandeling ter terechtzitting<br />

d.d. 2 april <strong>2014</strong> niet in het dossier<br />

van de onderhavige strafzaak.<br />

De rechtbank acht het, alvorens eindvonnis<br />

te kunnen wijzen, noodzakelijk<br />

dat voornoemde vordering ter zitting in<br />

aanwezigheid van verdachte, de verdediging,<br />

de officier van justitie en de nabestaanden<br />

van de benadeelde partij wordt<br />

behandeld. Uitsluitend daartoe zal de<br />

rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen<br />

en de behandeling voor onbepaalde<br />

tijd aanhouden tot een nader te<br />

bepalen datum.<br />

289.<br />

Rechtbank Gelderland 1 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer 05/820109-14<br />

Mrs. D.R. Sonneveldt, P.C. Quak en<br />

K.A.M. van Hoof<br />

ECLI:NL:RBGEL:<strong>2014</strong>:4861<br />

(Verkeersovertreding met als gevolg<br />

dat het aangereden slachtoffer is<br />

overleden; art. 5 WVW. Niet reageren<br />

op brieven van verzekeringsmaatschappij<br />

door bp. Onevenredige<br />

belasting; art. 361 lid 3 Sv. Schadebeperkingsplicht;<br />

art. 6:102 BW.)<br />

Verdachte heeft zich als bestuurder van<br />

een personenauto schuldig gemaakt aan<br />

het – subsidiair bewezen verklaarde –<br />

niet laten voorgaan van een voetganger<br />

op een voetgangersoversteekplaats. Deze<br />

verkeersovertreding heeft een ernstig<br />

verkeersongeval tot gevolg gehad, aan<br />

de gevolgen waarvan het slachtoffer is<br />

overleden.<br />

De benadeelde partij heeft gevorderd een<br />

bedrag van € 8.972,16, te vermeerderen<br />

met executiekosten en met de wettelijke<br />

rente over dit bedrag inclusief de executiekosten<br />

vanaf 18 juli <strong>2014</strong>.<br />

De verdediging heeft zich op het standpunt<br />

gesteld dat de vordering van de benadeelde<br />

partij zich niet leent voor een<br />

behandeling in het strafgeding. De verzekeringsmaatschappij<br />

van verdachte<br />

heeft tot tweemaal toe een brief naar de<br />

benadeelde partij gestuurd waarin werd<br />

aangegeven, dat de materiële schade zou<br />

worden vergoed. Maar de benadeelde<br />

partij heeft niet gereageerd op die brieven.<br />

Duidelijk is dat de verzekering van<br />

verdachte aansprakelijkheid accepteert,<br />

maar de wijze waarop de onderhavige<br />

vordering van de benadeelde partij moet<br />

worden betrokken in die aansprakelijkheid,<br />

is niet duidelijk. De verdediging is<br />

van mening dat nader onderzoek naar<br />

die verhouding een onevenredige belasting<br />

van het strafgeding oplevert. De benadeelde<br />

partij dient daarom nietontvankelijk<br />

te worden verklaard.<br />

De rechtbank heeft onvoldoende zicht op<br />

de verdeling van (vergoeding wegens) de<br />

schade van benadeelde tussen de verzekeringsmaatschappij<br />

van verdachte enerzijds<br />

en de benadeelde partij persoonlijk,<br />

anderzijds. Daarenboven dient de rechtbank<br />

rekening te houden met de schadebeperkingsplicht<br />

van de benadeelde partij,<br />

neergelegd in artikel 6:102 BW, nu de<br />

benadeelde partij niet heeft gereageerd<br />

op de brieven van de verzekeringsmaatschappij<br />

van verdachte. Nader onderzoek<br />

hiernaar zou naar het oordeel van de<br />

rechtbank een onevenredige belasting<br />

van het strafgeding opleveren.<br />

De benadeelde partij zal daarom nietontvankelijk<br />

worden verklaard.<br />

290.<br />

Rechtbank Limburg 5 augustus <strong>2014</strong>,<br />

nummer 03-659446-13<br />

Mrs. J. Iding, M.B.Th. G. Steeghs en<br />

A.M. Schaap-Meulemeester<br />

ECLI:NL:RBLIM:<strong>2014</strong>:6960<br />

(Bedreiging; art. 285 Sr. Zeer ernstige<br />

bedreiging met pistool van exechtgenote.<br />

Smartengeld €1.500.)<br />

Verdachte heeft tijdens een ruzie het<br />

slachtoffer (ex-vrouw) bedreigt met een<br />

vuurwapen. De rechtbank is van oordeel<br />

dat, gelet op de gehele context waarbinnen<br />

deze bedreiging heeft plaatsgevonden,<br />

gesproken kan worden van een zeer<br />

ernstige bedreiging. Een bedreiging die<br />

voor het slachtoffer erg ingrijpend moet<br />

zijn geweest.<br />

www.slachtofferhulp.nl 4


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

Hoe ingrijpend deze bedreiging voor het<br />

slachtoffer is geweest blijkt uit het ingediende<br />

voegingsformulier benadeelde<br />

partij.<br />

De benadeelde partij vordert € 1.500,00<br />

smartengeld.<br />

De rechtbank acht voldoende causaal<br />

verband aanwezig tussen de schade van<br />

het slachtoffer en de door verdachte gepleegde<br />

bedreiging. Met betrekking tot<br />

de gevorderde immateriële schade overweegt<br />

de rechtbank, dat het gelet op de<br />

aard van het bewezenverklaarde, een ervaringsregel<br />

is dat daardoor bij het<br />

slachtoffer immateriële schade van enige<br />

omvang wordt veroorzaakt. Het gevorderde<br />

bedrag komt de rechtbank te hoog<br />

voor. Zij acht een toewijzing van de vordering<br />

tot een bedrag van € 500,00 alleszins<br />

redelijk.<br />

Verder wordt verdachte veroordeeld in de<br />

ten behoeve van de tenuitvoerlegging<br />

nog te maken kosten.<br />

De rechtbank zal geen schadevergoedingsmaatregel<br />

opleggen, nu deze maatregel<br />

slechts kan worden opgelegd in geval<br />

van veroordeling van verdachte tot<br />

een straf. In het onderhavige geval wordt<br />

verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar<br />

geacht en zal geen strafoplegging<br />

volgen.<br />

Opmerking van de redactie. Waarschijnlijk<br />

gebruikt de rechtbank nog een<br />

oud wetboek. Voor strafbare feiten die op<br />

of na 1 januari <strong>2014</strong> zijn gepleegd, kan<br />

de schadevergoedingsmaatregel ook<br />

worden opgelegd in geval van ovar, indien<br />

er plaatsing in psychiatrisch ziekenhuis<br />

wordt opgelegd. Zie hierna nr. 298.<br />

291.<br />

Rechtbank Oost-Brabant 7 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer01/845096-14<br />

Mrs. N.I.B.M. Buljevic, H.A. van Gameren<br />

en C.J. Sangers- de Jong<br />

ECLI:NL:RBOBR:<strong>2014</strong>:4787<br />

(Ovar in combinatie met plaatsing in<br />

psychiatrisch ziekenhuis; art. 37 Sr.<br />

Geen schadevergoedingsmaatregel;<br />

art. 36f lid 1 Sr. Rechtbank past ten<br />

onrechte het oude recht toe.)<br />

Verschillende misdrijven, in januari en<br />

februari <strong>2014</strong>, gepleegd tijdens een psychose.<br />

De rechtbank is van oordeel dat<br />

de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch<br />

ziekenhuis dient te worden opgelegd.<br />

De rechtbank acht de vordering, te weten<br />

een bedrag van € 150,- betreffende immateriële<br />

schade, in zijn geheel toewijsbaar,<br />

vermeerderd met de wettelijke rente<br />

vanaf datum delict, zijnde 9 februari<br />

<strong>2014</strong>, tot de dag der algehele voldoening.<br />

De vordering is niet weersproken<br />

en de gestelde schade staat in causaal<br />

verband met het bewezen verklaarde feit<br />

3 onder parketnummer 01/845096-14.<br />

292.<br />

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8<br />

augustus <strong>2014</strong>, nummer 21-008722-<br />

13<br />

Mrs. J.D. den Hartog, H. Abbink en R.<br />

de Groot<br />

ECLI:NL:GHARL:<strong>2014</strong>:6274<br />

(Mensenhandel (gedwongen prostitutie);<br />

art. 273f Sr. Vordering in hoger<br />

beroep; art. 421 lid 3 Sv.)<br />

De benadeelde partij heeft zich in eerste<br />

aanleg in het strafproces gevoegd met<br />

een vordering tot schadevergoeding. Deze<br />

bedraagt € <strong>11</strong>0.000,00. Niet is verzocht<br />

om het toekennen van een voorschot.<br />

De vordering is bij het vonnis<br />

waarvan beroep toegewezen.<br />

Eerst ter terechtzitting in hoger beroep<br />

heeft de benadeelde partij haar oorspronkelijke<br />

vordering verhoogd tot een<br />

bedrag bestaande uit € 537.000,- aan<br />

materiële schade, € 20.000,- aan immateriële<br />

schade en € 143,- betreffende<br />

kosten rechtsbijstand. De raadsman<br />

heeft, zo begrijpt het hof, naar aanleiding<br />

van deze verhoging verzocht om een<br />

schriftelijke ronde ten einde zijn standpunt<br />

hieromtrent nader te onderbouwen.<br />

www.slachtofferhulp.nl 5


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

Op de voet van artikel 421 lid 3 Sv is een<br />

verhoging van de vordering niet mogelijk.<br />

Het hof zal de benadeelde partij derhalve<br />

niet-ontvankelijk verklaren in haar<br />

vordering voor zover deze de grenzen<br />

van haar eerste vordering te buiten gaat.<br />

Het verzoek van de raadsman om een<br />

schriftelijke ronde wordt bijgevolg afgewezen.<br />

Uit het onderzoek ter terechtzitting is<br />

voldoende gebleken dat de benadeelde<br />

partij als gevolg van het onder 2 en 3<br />

bewezenverklaarde handelen van verdachte<br />

rechtstreeks schade heeft geleden.<br />

Verdachte is tot vergoeding van die<br />

schade gehouden zodat de oorspronkelijke<br />

vordering zal worden toegewezen.<br />

293.<br />

Rechtbank Midden-Nederland <strong>11</strong> augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer 16/702606-13<br />

Mrs. A. van Maanen, N.E.M. Kranenbroek<br />

en V. van Dam<br />

ECLI:NL:RBMNE:<strong>2014</strong>:3441<br />

(Poging doodslag; art. 287 Sr. Bedreiging;<br />

art. 285 Sr. Twee messteken,<br />

operatie, angst en nachtmerries.<br />

Smartengeld € 9.000. Kosten<br />

medische informatie.)<br />

De verdachte heeft zich op klaarlichte<br />

dag en midden op straat schuldig gemaakt<br />

aan een poging tot doodslag. Hij<br />

heeft het slachtoffer twee maal met een<br />

mes gestoken. Uit de geneeskundige<br />

verklaring blijkt dat sprake is van een<br />

steekwond links boven in de buik en een<br />

steekwond in de linkerflank. Bij een operatie<br />

op 30 september 2013 zijn diverse<br />

perforaties van de darmen overhecht.<br />

Het slachtoffer is, nadat hij met het mes<br />

is gestoken, zwaargewond een restaurant<br />

binnen gevlucht. Vervolgens heeft verdachte<br />

met het mes in zijn hand het<br />

slachtoffer achtervolgd en heeft hij geprobeerd<br />

het restaurant waar het slachtoffer<br />

was, binnen te komen. Op dat moment<br />

moet het slachtoffer doodsangsten<br />

hebben uitgestaan. Dat dit voorval een<br />

enorme impact op het slachtoffer heeft<br />

gehad, blijkt ook uit zijn verklaringen bij<br />

de politie en zijn toelichting op de door<br />

hem ingediende vordering benadeelde<br />

partij. Vanaf het moment dat het incident<br />

heeft plaatsgevonden tot op heden wordt<br />

hij hier nog dagelijks, zowel lichamelijk<br />

als psychisch, mee geconfronteerd. Het<br />

slachtoffer is angstig, heeft last van<br />

nachtmerries en voelt zich zelfs in zijn<br />

eigen huis niet meer veilig.<br />

De vordering van het slachtoffer strekt<br />

tot vergoeding van geleden schade ten<br />

gevolge van het ten laste gelegde, te weten<br />

een totaalbedrag van € 18.856,-,<br />

waarvan € 1.356,- aan materiële schade<br />

en € 17.500,- aan immateriële schade, te<br />

vermeerderen met de executiekosten en<br />

de wettelijke rente. De materiële schade<br />

is onderverdeeld in de volgende posten:<br />

kleding (€ 950,-), advocaatkosten (€<br />

143,-), kosten medische informatie (€<br />

188,39) en reiskosten (€ 75,-).<br />

De officier van justitie heeft gevorderd de<br />

schadepost ‘kleding’ toe te wijzen tot een<br />

bedrag van € 500,-. Alle overige posten<br />

aan materiële schade dienen, volgens de<br />

officier van justitie, te worden toegewezen.<br />

Voorts heeft de officier van justitie<br />

gevorderd de gevorderde immateriële<br />

schade toe te wijzen tot een bedrag van<br />

€ 15.000,-. Tevens is gevorderd voornoemde<br />

bedragen te vermeerderen met<br />

de wettelijke rente en hierbij de schadevergoedingsmaatregel<br />

op te leggen.<br />

De verdediging heeft primair verzocht de<br />

benadeelde partij, gelet op de bepleite<br />

vrijspraak, niet-ontvankelijk te verklaren.<br />

Daarnaast is niet-ontvankelijkheid bepleit,<br />

aangezien de vordering, gelet op de<br />

rol van aangever zelf bij dit incident, een<br />

onevenredige belasting van het strafgeding<br />

met zich brengt. Subsidiair heeft de<br />

verdediging opgemerkt dat het horloge<br />

niet voor vergoeding in aanmerking<br />

komt, omdat uit het dossier of anderszins<br />

niet blijkt dat dit horloge beschadigd zou<br />

zijn. Verder heeft de verdediging opgemerkt<br />

dat het bedrag aan immateriële<br />

schade dat wordt gevorderd substantieel<br />

te hoog is.<br />

www.slachtofferhulp.nl 6


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

In een door de benadeelde partij zelf<br />

aangehaalde uitspraak van de Rechtbank<br />

Dordrecht wordt een bedrag toegekend<br />

van € 9.617,- aan immateriële schade. In<br />

dat geval was ook sprake van ontsiering<br />

van het gelaat. In dit geval zou de immateriële<br />

schade hooguit kunnen worden<br />

vastgesteld tussen € 5.000,- en € 7.000,-<br />

.<br />

De behandeling van de vordering van het<br />

slachtoffer, levert volgens de rechtbank<br />

geen onevenredige belasting van het<br />

strafgeding op. Tevens is komen vast te<br />

staan dat de benadeelde partij als gevolg<br />

van de hiervoor onder 1 primair en 2 bewezen<br />

geachte feiten rechtstreeks schade<br />

heeft geleden.<br />

De rechtbank waardeert de geleden materiële<br />

schade op € 813,39. Dit toegewezen<br />

bedrag bestaat uit de volgende posten:<br />

- kleding, te weten schoenen (€ 200,-),<br />

een broek (€ 80,-), een jas (€ 120,-),<br />

een trui (€ 100,-), een T-shirt (€ 40,-) en<br />

een boxershort (€ 10,-): € 550,-;<br />

- kosten medische informatie: € 188,39;<br />

- reiskosten: € 75,-.<br />

De rechtbank waardeert de geleden immateriële<br />

schade op € 9.000,-.<br />

Voorts zal verdachte worden veroordeeld<br />

in de kosten die de benadeelde partij<br />

heeft gemaakt en ten behoeve van de<br />

tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog<br />

zal maken, tot op heden begroot op €<br />

143,-.<br />

294.<br />

Rechtbank Midden-Nederland 12 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer 661452-14<br />

Mrs. H.A. Brouwer, J.P.H. van Driel<br />

van Wageningen en W. van Gelein<br />

Vitringa<br />

ECLI:NL:RBMNE:<strong>2014</strong>:3476<br />

(Zware mishandeling; art. 302 Sr.<br />

Trap tegen het hoofd. Dubbele kaakbreuk<br />

en gescheurde lip. Psychische<br />

problemen. Bewaker. Smartengeld €<br />

3.000. Term “voorschot”.)<br />

letsel opgelopen, te weten een dubbele<br />

kaakbreuk en een gescheurde lip. Het<br />

slachtoffer is inmiddels grotendeels lichamelijk<br />

hersteld, maar heeft nog<br />

steeds psychische klachten als gevolg<br />

van het bewezenverklaarde feit. Hij werkt<br />

als beveiliger bij het Ministerie van Defensie,<br />

is normaal gesproken wapendragend,<br />

maar mag vanwege zijn psychische<br />

situatie momenteel zijn normale werkzaamheden<br />

niet uitvoeren.<br />

De benadeelde partij vordert een bedrag<br />

van in totaal € 4.095,29 als voorschot op<br />

een eventueel later toe te kennen schadevergoeding.<br />

Dit bedrag bestaat uit €<br />

1.095,29 aan materiële schade, wegens<br />

gederfde inkomsten en een bedrag aan<br />

immateriële schade van € 3.000,00.<br />

De rechtbank overweegt dat ingevolge<br />

vaste jurisprudentie van de Hoge Raad<br />

het toekennen van een bedrag als voorschot<br />

slechts is voorbehouden aan de<br />

voorzieningenrechter. De rechtbank beschouwd<br />

het gevorderde bedrag dan ook<br />

als schade die tot het moment van de terechtzitting<br />

door de benadeelde is geleden.<br />

Over eventueel daarna nog door te<br />

lijden materiële en/of immateriële schade<br />

wordt in dit vonnis geen oordeel gegeven.<br />

De rechtbank is van oordeel dat vast is<br />

komen te staan, en waartegen ook geen<br />

verweer is gevoerd, dat de benadeelde<br />

materiële schade heeft geleden tot een<br />

bedrag van € 1.095,29 wegens gederfde<br />

inkomsten.<br />

Voorts is de rechtbank van oordeel dat<br />

verdachte immateriële schade heeft geleden,<br />

hetgeen blijkt uit de schriftelijke<br />

slachtofferverklaring van het slachtoffer.<br />

Het op dit punt gevorderde bedrag van €<br />

3.000,00 is in voldoende mate onderbouwd<br />

en komt overeen met hetgeen in<br />

vergelijkbare gevallen wordt toegekend<br />

als smartengeld. De vordering zal dan<br />

ook worden toegewezen tot dat bedrag.<br />

Ten gevolge van die trap tegen het hoofd<br />

heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk<br />

www.slachtofferhulp.nl 7


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

Opmerking van de redactie. Het gebruik<br />

van de term “voorschot” wekt verwarring.<br />

Niet alleen is er de voorschotregeling<br />

van art. 36f lid 7 Sr, maar in het<br />

burgerlijk recht is een voorschot een<br />

voorlopige vaststelling van de te betalen<br />

schadevergoeding, die later wordt gevolgd<br />

door een definitieve vaststelling.<br />

Het definitieve bedrag kan hoger of lager<br />

zijn dan het voorschot. In het strafproces<br />

echter is de begroting van de omvang<br />

van de schade niet voorlopig. Het toegewezen<br />

bedrag wordt definitief zodra het<br />

strafvonnis, waarvan de beslissing omtrent<br />

de schadevergoeding deel uitmaakt,<br />

onherroepelijk wordt (zie ook: p. 13 – 14<br />

van de Aanbevelingen civiele vordering<br />

en schadevergoedingsmaatregel. Het is<br />

daarom misschien onverstandig om de<br />

term “voorschot” - zoals hier – te gebruiken<br />

voor het gedeelte van de schade dat<br />

zich leent voor behandeling in het strafproces,<br />

omdat het geen onevenredige<br />

belasting van het strafproces vormt (vgl.<br />

HR 19 maart 2002,<br />

ECLI:NL:HR:2002:AD8963). De benadeelde<br />

houdt zich hiermee het recht voor<br />

om bij de civiele rechter tot een hoger<br />

schadebedrag te komen. Het bedrag dat<br />

bij de strafrechter wordt gevorderd is<br />

bewust laag gehouden, omdat de mogelijkheden<br />

om het volledige schadebedrag<br />

te onderbouwen in de strafprocedure te<br />

beperkt zijn. De vordering is hier door de<br />

benadeelde partij gesplitst (art. 51f lid 3<br />

Sv). Ook de civiele rechter volgt deze uitleg<br />

(zie: nr. 305).<br />

De rechtbank hier kent echter een iets<br />

andere betekenis aan het begrip “voorschot”<br />

toe. De rechtbank spreekt van<br />

schade die tot het moment van de zitting<br />

is geleden. Dit is echter niet zoals benadeelde<br />

het hier heeft bedoeld.<br />

295.<br />

Rechtbank Oost-Brabant 12 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer 01/839781-13,<br />

01/820018-14<br />

(Heropening onderzoek)<br />

Mrs. P.J.H. van Dellen, H.A. van Gameren<br />

en C.J. Sangers- de Jong<br />

ECLI:NL:RBOBR:<strong>2014</strong>:4893<br />

(Oplichting meermalen gepleegd;<br />

art. 326 Sr en/of art. 326a Sr. Heropening<br />

van het onderzoek, omdat<br />

vorderingen van de benadeelden nog<br />

bij OM lagen tijdens behandeling op<br />

de zitting.)<br />

De strafzaken zijn op de terechtzitting<br />

van 29 juli <strong>2014</strong> inhoudelijk behandeld.<br />

Op deze terechtzitting zijn onder meer<br />

meerdere vorderingen van benadeelde<br />

partijen besproken. De voorzitter heeft<br />

het onderzoek ter terechtzitting op 29 juli<br />

<strong>2014</strong> gesloten.<br />

Op 30 juli <strong>2014</strong> heeft de rechtbank kennisgenomen<br />

van een groot aantal vorderingen<br />

van benadeelde partijen. Blijkens<br />

het verhandelde ter zitting van 29 juli<br />

<strong>2014</strong> waren de rechtbank, de officier van<br />

justitie en de verdediging niet op de<br />

hoogte van de indiening van deze vorderingen.<br />

Het gaat om 21 vorderingen ingediend<br />

in de zaak met parketnummer<br />

01/820018-14.<br />

Voorts heeft de rechtbank een gewijzigd<br />

voegingsformulier van slachtoffer 29 en<br />

een herzien voegingsformulier van<br />

slachtoffer 23 ontvangen.<br />

De rechtbank is, gelet op de stempel die<br />

op deze voegingsformulieren staat, gebleken<br />

dat de voegingsformulieren reeds<br />

in februari, maart en mei <strong>2014</strong> bij bureau<br />

slachtofferhulp van het openbaar ministerie<br />

(lees: afdeling slachtofferzorg van<br />

het OM) zijn binnengekomen.<br />

De rechtbank betreurt het zeer dat deze<br />

vorderingen ruimschoots voor de zitting<br />

bij het openbaar ministerie zijn binnengekomen,<br />

maar niet tijdig aan de rechtbank<br />

zijn verstrekt. De rechtbank is van<br />

oordeel dat, nu de bovengenoemde vorderingen<br />

van de benadeelde partijen niet<br />

ter terechtzitting aan de orde zijn gesteld,<br />

het onderzoek ter terechtzitting<br />

niet volledig is geweest. Gelet op deze<br />

onvolledigheid en het belang dat de benadeelde<br />

partijen hebben bij behandeling<br />

van hun vordering ter terechtzitting, is<br />

de rechtbank van oordeel dat het onderzoek<br />

zal dienen te worden heropend.<br />

www.slachtofferhulp.nl 8


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

296.<br />

Rechtbank Noord-Holland 13 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer 15/713067-13<br />

Mrs. P.H.B. Littooy, H.E.C. de Wit en<br />

E.M. ten Bos<br />

ECLI:NL:RBNHO:<strong>2014</strong>:7824<br />

(Verkrachting; art. 242 Sr. Belaging;<br />

art. 285b Sr. Smartengeld; € 4.000.)<br />

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt<br />

aan een ernstig zedenmisdrijf. Hij heeft<br />

in de nacht van 31 augustus 2012 op 1<br />

september 2012 zijn ex-vriendin verkracht.<br />

Hij heeft hierbij niet geschroomd<br />

aanzienlijk geweld te gebruiken en is,<br />

ondanks haar verzet, op meerdere manieren<br />

seksueel binnengedrongen in haar<br />

lichaam. Het is van algemene bekendheid<br />

dat slachtoffers van degelijke feiten<br />

daarvan nog lange tijd de nadelige gevolgen<br />

kunnen ondervinden. Hier komt<br />

bij dat verdachte dit feit heeft begaan in<br />

de woning van het slachtoffer zelf.<br />

Voorts heeft verdachte zich vanaf het<br />

moment van de verkrachting op 1 september<br />

2012 schuldig gemaakt aan belaging<br />

van het slachtoffer door haar, ondanks<br />

haar verzoeken te stoppen,<br />

stelselmatig te bellen, sms- en e-<br />

mailberichten te sturen en zich (heimelijk)<br />

in haar tuin en/of nabij haar woning<br />

te bevinden. Het slachtoffer heeft veel<br />

last en hinder ondervonden van deze inbreuk<br />

op haar persoonlijke levenssfeer.<br />

Hoe ingrijpend de gevolgen van deze feiten<br />

in dit geval zijn geweest, blijkt op indringende<br />

wijze uit de ter terechtzitting<br />

van <strong>11</strong> oktober 2013 voorgelezen schriftelijke<br />

slachtofferverklaring en de toelichting<br />

op de vordering van de benadeelde<br />

partij, waaruit naar voren komt dat het<br />

slachtoffer nog steeds kampt met psychische<br />

en psychosomatische klachten. Het<br />

handelen van verdachte, in de combinatie<br />

van beide strafbare feiten, heeft bij<br />

het slachtoffer langdurige gevoelens van<br />

angst en onveiligheid teweeggebracht.<br />

Op grond van de thans beschikbare gegevens<br />

schat de rechtbank de immateriele<br />

schade op minst genomen een bedrag<br />

van € 4.000,-. In zoverre zal de vordering<br />

dan ook worden toegewezen, vermeerderd<br />

met de wettelijke rente over<br />

dit bedrag vanaf 22 oktober 2012 (zijnde<br />

de laatste dag van de bewezenverklaarde<br />

periode van feit 2) tot aan de dag der algehele<br />

voldoening. De rechtbank heeft bij<br />

de vaststelling van de hoogte van dit bedrag<br />

acht geslagen op de thans bekende<br />

gegevens en vergeleken met min of meer<br />

soortgelijke gevallen.<br />

297.<br />

Gerechtshof Amsterdam 14 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer 23-004758-13<br />

Mrs. D. Radder, W.H. van Benthem<br />

en P.F.E. Geerlings<br />

ECLI:NL:GHAMS:<strong>2014</strong>:3331<br />

(Opzetheling; art. 416 Sr. Zodanig<br />

nauw verband. Rechtstreekse schade;<br />

art. 361 lid 2 onder b Sv.)<br />

De benadeelde partij heeft zich in eerste<br />

aanleg in het strafproces gevoegd met<br />

een vordering tot schadevergoeding. Deze<br />

bedraagt € 1.024,60. De gestelde<br />

schade bestaat voor een bedrag van €<br />

124,60 uit materiële schade en voor een<br />

bedrag van € 900,00 uit immateriële<br />

schade. De vordering is bij het vonnis<br />

waarvan beroep toegewezen tot een bedrag<br />

van € 124,60, bestaande uit materiele<br />

schade. De benadeelde partij heeft<br />

zich in hoger beroep opnieuw gevoegd<br />

voor het bedrag van haar oorspronkelijke<br />

vordering.<br />

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting<br />

in hoger beroep – conform het vonnis<br />

van de rechtbank – op het standpunt<br />

gesteld dat de vordering toewijsbaar is<br />

voor wat betreft het materiële deel daarvan,<br />

maar dat de benadeelde partij nietontvankelijk<br />

dient te worden verklaard<br />

voor wat betreft het immateriële deel,<br />

aangezien de verdachte de straatroof niet<br />

heeft gepleegd maar slechts schuldig kan<br />

worden bevonden aan de subsidiair tenlastegelegde<br />

opzetheling.<br />

Het hof overweegt dienaangaande het<br />

volgende. De verdachte heeft ter terechtzitting<br />

in hoger beroep verklaard dat hij<br />

ten tijde van de diefstal om de hoek op<br />

zijn metgezel stond te wachten,<br />

www.slachtofferhulp.nl 9


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

dat hij gegil heeft gehoord en dat kort<br />

daarop zijn metgezel in de auto terugkeerde<br />

en riep: “Rijen, rijen”. Voorts<br />

heeft hij verklaard dat hij de tas van het<br />

slachtoffer heeft doorzocht en dat hij<br />

heeft getracht met de weggenomen pas<br />

te pinnen. Uit het dossier blijkt dat het<br />

de verdachte is geweest die dezelfde dag<br />

de weggenomen mobiele telefoon in gebruik<br />

heeft genomen.<br />

Het hof is van oordeel dat uit deze feiten<br />

en omstandigheden blijkt dat de voorafgaande<br />

diefstal met geweld en de bewezenverklaarde<br />

opzetheling in zodanig<br />

nauw verband met elkaar staan dat het<br />

slachtoffer door de opzetheling rechtstreeks<br />

materiële schade is toegebracht<br />

als bedoeld in de artikelen 51a en 361 lid<br />

2 onder b Sv. Niet is vast komen te staan<br />

dat de verdachte van tevoren wist van<br />

het door zijn mededader bij de straatroof<br />

uitgeoefende geweld, noch dat hij daaraan<br />

anderszins enige significante bijdrage<br />

heeft geleverd.<br />

Op grond van voorgaande is het hof van<br />

oordeel dat de materiële schade rechtstreeks<br />

voortvloeit uit het in de zaak met<br />

parketnummer 14-700804-<strong>11</strong> onder 1<br />

subsidiair bewezen verklaarde feit. De<br />

vordering kan worden toegewezen tot<br />

een bedrag van € 124,60, vermeerderd<br />

met de wettelijke rente over dit bedrag<br />

vanaf 9 oktober 2013 tot aan de dag der<br />

algehele voldoening. Het hof is van oordeel<br />

dat het tijdsverloop van de vervolging<br />

niet volledig voor rekening van de<br />

verdachte dient te komen.<br />

Voor het overige is het hof van oordeel<br />

dat de gestelde immateriële schade niet<br />

voor vergoeding in aanmerking komt,<br />

aangezien de immateriële schade in een<br />

te ver verwijderd verband staat van hetgeen<br />

waarvoor de verdachte thans wordt<br />

veroordeeld, te weten opzetheling. Gelet<br />

hierop zal het hof de benadeelde partij<br />

voor dat deel van de vordering niet ontvangen.<br />

298.<br />

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19<br />

augustus <strong>2014</strong>, nummer 21-008837-<br />

13<br />

Mrs. J.P. Bordes, P.R. Wery en<br />

A.B.A.P.M. Ficq<br />

ECLI:NL:GHARL:<strong>2014</strong>:6385<br />

(Poging moord; art. 289 Sr. Overgangsrecht<br />

art. 36f lid 1 (nieuw)Sr,<br />

waardoor maatregel ook kan worden<br />

opgelegd bij ovar met oplegging TBS<br />

of plaatsing psychiatrisch ziekenhuis.<br />

Nieuwe lid 1 geldt alleen voor<br />

strafbare feiten gepleegd op of na 1<br />

januari <strong>2014</strong>.)<br />

De verdachte heeft zijn slachtoffer<br />

tweemaal met een hamer op het hoofd<br />

geslagen. Ten tijde van de aanval was de<br />

verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar<br />

vanwege een psychose. Daarom<br />

heeft de rechtbank hem geen gevangenisstraf<br />

opgelegd, maar wel de maatregel<br />

van TBS met dwangverpleging. Het<br />

slachtoffer is een schadevergoeding van<br />

€13.905,19 toegekend. De rechtbank<br />

heeft geen schadevergoedingsmaatregel<br />

opgelegd omdat de verdachte niet wegens<br />

het schadeveroorzakende feit is<br />

veroordeeld. Volgens de Hoge Raad laten<br />

de bewoordingen “wordt veroordeeld” in<br />

artikel 36f lid 1 Sr niet toe dat de schadevergoedingsmaatregel<br />

wordt opgelegd<br />

in het geval de verdachte van alle<br />

rechtsvervolging is ontslagen, ongeacht<br />

of daarnaast de maatregel van TBS is<br />

opgelegd (HR 12 oktober 2004,<br />

ECLI:NL:HR:2004:AO3233).<br />

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter<br />

op goede gronden heeft geoordeeld<br />

en op juiste wijze heeft beslist. Daarom<br />

dient het vonnis waarvan beroep met<br />

aanvulling van het volgende te worden<br />

bevestigd. De bevestiging omvat tevens<br />

de beslissing van de rechtbank ten aanzien<br />

van de vordering van de benadeelde<br />

partij.<br />

www.slachtofferhulp.nl 10


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

De advocaat-generaal heeft zich op het<br />

standpunt gesteld dat aan verdachte de<br />

schadevergoedingsmaatregel ex artikel<br />

36f lid 1 Sr dient te worden opgelegd nu<br />

oplegging van de schadevergoedingsmaatregel<br />

sinds 1 januari <strong>2014</strong> ook mogelijk<br />

is bij een dader die is ontslagen<br />

van alle rechtsvervolging.<br />

De raadsman heeft zich tegen de oplegging<br />

van die maatregel verzet nu oplegging<br />

daarvan in strijd is met het bepaalde<br />

in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht.<br />

Bij Wet van 26 juni 2013 tot aanpassing<br />

van het Wetboek van Strafvordering, het<br />

Wetboek van Strafrecht en de Uitvoeringswet<br />

Internationaal Strafhof in verband<br />

met de introductie van de mogelijkheid<br />

conservatoir beslag te leggen op<br />

het vermogen van de verdachte ten behoeve<br />

van het slachtoffer is artikel 36f lid<br />

1 Sr gewijzigd in dier voege dat ook indien<br />

een maatregel aan verdachte wordt<br />

opgelegd, verdachte de verplichting kan<br />

worden opgelegd tot betaling aan de<br />

staat van een som geld ten behoeve van<br />

het slachtoffer of diens nabestaanden in<br />

de zin van artikel 51f lid 2 Sv (Stb 2013,<br />

278). Deze wet is op 1 januari <strong>2014</strong> in<br />

werking getreden (Stb. 2013, 336).<br />

In voornoemde wet zijn geen bijzondere<br />

bepalingen van overgangsrecht opgenomen.<br />

De in die wet neergelegde wijziging<br />

van artikel 36f lid 1 Sr is een wijziging<br />

van materieel strafrechtelijke aard zodat<br />

die wijziging niet zonder meer dadelijk na<br />

inwerkingtreding van de wet worden toegepast.<br />

Naar het oordeel van het hof betreft de<br />

wijziging een wijziging in het sanctierecht<br />

terwijl deze in werking is getreden na het<br />

tijdstip waarop het tenlastegelegde is begaan,<br />

te weten op 6 februari 2013. Nu<br />

geen sprake is van bijzonder overgangsrecht<br />

of van een voor de verdachte gunstigere<br />

bepaling dient, gelet op het bepaalde<br />

in artikel 1 lid 2 Sr, het recht te<br />

worden toegepast zoals dat gold ten tijde<br />

van het begaan van het tenlastegelegde.<br />

Het hof zal daarom, conform de rechtbank,<br />

geen schadevergoedingsmaatregel<br />

opleggen.<br />

Opmerking van de redactie. Voor iedereen<br />

die het nog niet door had, legt<br />

het Hof het overgangsrecht ten aanzien<br />

van de wijziging van art. 36f lid 1 Sr<br />

van 1 januari <strong>2014</strong> uit. Door deze wijziging<br />

is het ook mogelijk om bij OVAR een<br />

schadevergoedingsmaatregel op te leggen,<br />

indien plaatsing in een psychiatrisch<br />

ziekenhuis (art. 37 Sr) of TBS (art. 37a<br />

Sr) wordt bevolen. Zie ook: JBS <strong>2014</strong>,<br />

<strong>afl</strong>. 3, nr. 69 en <strong>afl</strong>. 4, nr. 96. Voor een<br />

misslag van de Rb. Oost-Brabant, zie<br />

hierboven: nr. 291.<br />

Uit de memorie van toelichting (p. 12):<br />

“De wijziging in het eerste lid bevat een<br />

technische wijziging. De rechter kan een<br />

schadevergoedingsmaatregel en een straf<br />

opleggen. Gebleken is dat de Hoge Raad<br />

reeds enkele malen heeft overwogen dat<br />

de bewoordingen van het bestaande artikel<br />

36f, eerste lid, niet toelaten dat aan<br />

een verdachte die door de rechter van alle<br />

rechtsvervolging wordt ontslagen (bij<br />

voorbeeld omdat hij volledig ontoerekeningsvatbaar<br />

is verklaard en met een last<br />

op grond van artikel 37 Sr in een psychiatrisch<br />

ziekenhuis wordt opgenomen) een<br />

schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.<br />

Het betreft hier Hoge Raad 12<br />

oktober 2004, NS 2004/389, en Hoge<br />

Raad 25 januari 2005, NS 2005/51. Hetzelfde<br />

geldt als de verdachte niet tot gevangenisstraf<br />

wordt veroordeeld, maar<br />

wel de maatregel tbs met dwangverpleging<br />

kan worden opgelegd. Onlangs wees<br />

de Rechtbank Breda op 1 maart 20<strong>11</strong>,<br />

rekeninghoudend met deze rechtspraak,<br />

een vordering tot het opleggen van een<br />

schadevergoedingsmaatregel af. Het<br />

voorgaande laat onverlet dat bij bewezenverklaring<br />

van het ten laste gelegde<br />

feit de door de benadeelde partij ingediende<br />

(civiele) vordering wel kan worden<br />

toegewezen. Knelpunt daarbij is dat<br />

in deze gevallen de benadeelde partij zelf<br />

voor de tenuitvoerlegging van de toegewezen<br />

eis moet zorgen. Als naast de<br />

toewijzing van de vordering ook een<br />

schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd,<br />

neemt het CJIB de inning van de<br />

vordering over. Ik acht het wenselijk dat<br />

in de wet duidelijkheid wordt verschaft<br />

www.slachtofferhulp.nl <strong>11</strong>


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

over de uitleg van de term van «veroordeeld»<br />

in dit artikel, opdat de voorziening<br />

van de inning door het CJIB voor de benadeelde<br />

partij wordt opengesteld.<br />

299.<br />

Rechtbank Gelderland 20 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer 05/780009-14<br />

Mrs. L.C.P Goossen, M.F. Gielissen en<br />

Y. van Wezel<br />

ECLI:NL:RBGEL:<strong>2014</strong>:5238<br />

(Diefstal in vereniging met geweld;<br />

art. 312 Sr. Diverse breuken in het<br />

gezicht, w.o. gebroken oogkas.<br />

Smartengeld € 1.500.)<br />

Samen met een ander heeft verdachte hij<br />

het slachtoffer naar een fietstunnel gelokt<br />

en daar heeft hij het slachtoffer<br />

meermalen in zijn gezicht geslagen, geschopt<br />

en getrapt. Het slachtoffer heeft<br />

hierdoor diverse breuken in zijn gezicht<br />

opgelopen, w.o. een gebroken oogkas.<br />

Zij hebben een jas merk Moncler en een<br />

identiteitsbewijs, toebehorende aan<br />

slachtoffer 1 gestolen.<br />

De benadeelde partij heeft een bedrag<br />

van € 2.000,- aan immateriële schade en<br />

€ 300,- aan materiële schade gevorderd.<br />

De verdediging heeft zich op het standpunt<br />

gesteld dat de benadeelde partij<br />

niet-ontvankelijk moet worden verklaard<br />

nu verdachte zou moeten worden vrijgesproken<br />

van het onder feit 1 tenlastegelegde<br />

dan wel de materiële posten onvoldoende<br />

zijn onderbouwd nu<br />

aankoopbonnen ontbreken. Ook de immateriële<br />

schade zou onvoldoende zijn<br />

onderbouwd, omdat het causale verband<br />

tussen de angsten en het gebeuren ontbreekt.<br />

Meer subsidiair heeft de verdediging<br />

zich op het standpunt gesteld dat<br />

een bedrag ten bedrage van € 1.000,-<br />

aan immateriële schade voor vergoeding<br />

in aanmerking zou kunnen komen.<br />

De rechtbank zal de ter terechtzitting<br />

aangepaste vordering van het slachtoffer<br />

ten aanzien van de door hem gevorderde<br />

materiële schade toewijzen. Het tenlastegelegde<br />

feit is bewezen verklaard en de<br />

rechtbank acht de gevorderde bedragen<br />

voor de broek en het vest allerzins redelijk<br />

en voldoende onderbouwd.<br />

Ten aanzien van het door het slachtoffer<br />

gevorderde immateriële bedrag overweegt<br />

de rechtbank het volgende. Aan<br />

het slachtoffer is door het onder feit één<br />

bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel<br />

toegebracht dat niet in vermogensschade<br />

bestaat. Hij heeft angstgevoelens overgehouden<br />

aan de roofoverval en ondervindt<br />

nog pijn aan zijn gezicht in verband<br />

met de breuken aan oogkas, neus en<br />

kaak. Dit is aan verdachte toe te rekenen.<br />

Aan de wettelijke vereisten, waaronder<br />

die genoemd in artikel 6:106 van<br />

het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar<br />

maatstaven van billijkheid wordt deze<br />

schade begroot op een bedrag van €<br />

1.500,-.<br />

300.<br />

Rechtbank Midden-Nederland 22 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer 16-703246-13<br />

Mrs. P.P.C.M. Waarts, tevens kinderrechter,<br />

Z.J. Oosting en J.M. Bruins<br />

ECLI:NL:RBMNE:<strong>2014</strong>:3656<br />

(Verkrachting; art. 242 Sr. Slachtoffer<br />

< 12 jaar. Smartengeld € 1.500.<br />

Toewijzing van de vordering ten laste<br />

van de voogdijinstelling; art. 51g<br />

lid 4 en art. 361 lid 5 Sv.)<br />

Verdachte heeft op twaalfjarige leeftijd<br />

een meisje van tien jaar oud verkracht<br />

De verkrachting vond plaats in de wijk<br />

waar zowel verdachte als het slachtoffer<br />

wonen. Verdachte heeft hierdoor op ernstige<br />

wijze de lichamelijke integriteit en<br />

persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer<br />

geschonden. Het is een feit van algemene<br />

bekendheid dat dit schade op zowel<br />

korte als langere termijn kan<br />

toebrengen aan de geestelijke gezondheid<br />

van het slachtoffer.<br />

Het feit heeft een enorme impact op het<br />

slachtoffer en haar directe omgeving.<br />

Haar moeder heeft ter zitting verteld dat<br />

het slachtoffer niet meer buiten durfde te<br />

spelen omdat zij bang was verdachte tegen<br />

te komen en in de weekenden zo<br />

min mogelijk thuis probeerde te zijn en<br />

www.slachtofferhulp.nl 12


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

ergens anders wilde logeren. Het gedrag<br />

van het slachtoffer is na 28 november<br />

2013 enorm veranderd; voorheen was zij<br />

best zelfstandig, maar nu wil zij altijd<br />

weten waar haar ouders zijn. Het slachtoffer<br />

krijgt therapie en begint zich na<br />

lange tijd thuis en daarbuiten weer redelijk<br />

veilig te voelen. Ook slaapt zij weer<br />

regelmatig in haar eigen kamer.<br />

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding<br />

van € 6.381,90, waarvan €<br />

5000,00 ter zake een voorschot op de<br />

geleden immateriële schade en €<br />

1.381,90 ter zake van materiële schade.<br />

De materiële schade bestaat uit: €<br />

<strong>11</strong>5,50 ter zake kleding, € 773,05 voor<br />

de aanschaf van een laptop en telefoon,<br />

€ 109,35 ter zake Hepatitis B vaccinaties<br />

en € 384,00 ter zake reis- en parkeerkosten.<br />

Mr. R. Seger heeft ter zitting namens de<br />

benadeelde partij gesteld dat de kosten<br />

betreffende de laptop met 50% gematigd<br />

kunnen worden, nu deze deels voor andere<br />

doeleinden wordt gebruikt.<br />

De officier van justitie heeft ter zitting<br />

gevorderd de vordering van de benadeelde<br />

partij in haar geheel, met uitzondering<br />

van de gevorderde kosten betreffende de<br />

laptop, toe te wijzen. De kosten ten aanzien<br />

van de laptop dienen, gelet op de<br />

namens de benadeelde partij gegeven<br />

toelichting ter zitting, gehalveerd te worden.<br />

De verdediging heeft de opgevoerde kosten<br />

ter zake kleding, vaccinatie en parkeer-<br />

en reiskosten niet betwist. De verdediging<br />

acht de kosten gemaakt voor de<br />

aanschaf van de laptop en telefoon en de<br />

gevorderde immateriële schade onvoldoende<br />

onderbouwd. De benadeelde partij<br />

dient derhalve voor deze kosten niet<br />

ontvankelijk in haar vordering te worden<br />

verklaard.<br />

De rechtbank heeft geconstateerd dat de<br />

berekening van de opgevoerde parkeeren<br />

reiskosten een kennelijke rekenfout<br />

bevat, nu het totaal aantal gedeclareerde<br />

kilometers (300) is opgeteld bij de gedeclareerde<br />

reis- en parkeerkosten: €<br />

84,00 respectievelijk € 34,06. De rechtbank<br />

stelt het bedrag betreffende de<br />

reis- en parkeerkosten derhalve op €<br />

<strong>11</strong>8,06.<br />

De gevorderde kosten ter zake kleding (€<br />

<strong>11</strong>5,50), Hepatitis B vaccinaties (€<br />

109,35) en de reis- en parkeerkosten (€<br />

<strong>11</strong>8,06), zijn door de verdediging niet<br />

betwist, de rechtbank zal deze bedragen<br />

derhalve toewijzen.<br />

Ten aanzien van de kosten betreffende<br />

de aanschaf van een telefoon en een laptop<br />

is onvoldoende gebleken van een direct<br />

causaal verband met het ten laste<br />

gelegde feit.<br />

De raadsman heeft een voorschot op de<br />

immateriële schade verzocht, nu nog niet<br />

duidelijk is of en welke gevolgen het<br />

slachtoffer in de toekomst nog zal ondervinden<br />

ten gevolge van het ten laste gelegde<br />

feit.<br />

De rechtbank heeft bij het bepalen van<br />

het voorschot betreffende de geleden<br />

immateriële schade gelet op enerzijds de<br />

ernst van het feit en de daarmee voor<br />

het slachtoffer gepaarde gevolgen en anderzijds<br />

op de jonge leeftijd van zowel<br />

verdachte als het slachtoffer. De rechtbank<br />

stelt het voorschot van de door het<br />

slachtoffer geleden immateriële schade in<br />

redelijkheid vast op € 1.500,00.<br />

Voornoemde kosten zijn een rechtstreeks<br />

gevolg van het tenlastegelegde feit. Gezien<br />

de leeftijd van verdachte acht de<br />

rechtbank Stichting NIDOS, die de voogdij<br />

heeft over verdachte, op grond van<br />

artikel 6:169 BW aansprakelijk voor die<br />

schade. Het gevorderde is tot dat bedrag<br />

voldoende aannemelijk gemaakt zodat de<br />

rechtbank de vordering tot een bedrag<br />

van € 1.842,91 zal toewijzen, vermeerderd<br />

met de wettelijke rente berekend<br />

vanaf 28 november 2013 tot aan de dag<br />

der algehele voldoening. Op grond van<br />

artikel 361 lid 5 Sv zal de Stichting<br />

NIDOS de betreffende schade moeten<br />

vergoeden.<br />

Hoewel de rechtbank daarover niet overweegt,<br />

legt zij terecht geen schadevergoedingsmaatregel<br />

op. De verdachte is<br />

immers veroordeeld en niet de voogdijinstelling<br />

(art. 36f lid 1 Sr).<br />

www.slachtofferhulp.nl 13


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

301.<br />

Rechtbank Limburg 27 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer 03/866329-13<br />

Mrs. P.H.M. Kuster, E.W.A. van den<br />

Berg en E.B.A. Ferwerda<br />

ECLI:NL:RBLIM:<strong>2014</strong>:7490<br />

(Ontucht met seksueel binnendringen<br />

< 16; art. 245 Sr. Geen vordering<br />

van immateriële schade ingediend<br />

door benadeelde partij. Officier<br />

vordert schadevergoedingsmaatregel<br />

voor smartengeld. Rechtbank legt<br />

voor € 1.500 smartengeld de schadevergoedingsmaatregel<br />

op; art. 36f<br />

Sr.)<br />

De verdachte heeft bij een 15-jarig meisje<br />

ontuchtige handelingen gepleegd die<br />

mede bestaan uit het seksueel binnendringen<br />

van het lichaam. Verdachte was<br />

destijds werkzaam als toezichthouder op<br />

de middelbare school alwaar het slachtoffer<br />

schoolgaande was. Naar algemene<br />

ervaringsregels kan dergelijk misbruik<br />

grote en langdurige (psychische) gevolgen<br />

veroorzaken, voor zowel slachtoffers,<br />

als ook voor hun omgeving.<br />

De benadeelde partij vordert (slechts)<br />

een schadevergoeding van € <strong>11</strong>,00 materiële<br />

schade.<br />

De officier van justitie heeft gevorderd<br />

dat de door de benadeelde partij gevorderde<br />

vergoeding van materiële schade<br />

moet worden toegewezen. Voorts heeft<br />

zij gevorderd dat de rechtbank verdachte,<br />

op grond van het bepaalde in artikel<br />

36f Sr zal veroordelen tot betaling van<br />

een bedrag van € 2.500,00 ter zake van<br />

immateriële schade.<br />

De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen<br />

toewijzing van de gevorderde materiële<br />

schade. Zij verzoekt de rechtbank<br />

om niet over te gaan tot veroordeling ex<br />

artikel 36f Sr van verdachte tot betaling<br />

van een bedrag ter zake van immateriële<br />

schade. Zij wijst er op dat de benadeelde<br />

partij het kennelijk niet nodig heeft geacht<br />

om over te gaan tot vordering van<br />

een dergelijke schadevergoeding. Bovendien<br />

heeft verdachte onvoldoende draagkracht<br />

om een dergelijke schadevergoeding<br />

te voldoen.<br />

De rechtbank wijst de vordering ook toewijzen<br />

tot een bedrag van € <strong>11</strong>,00. De<br />

rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel<br />

opleggen.<br />

Voorts ziet de rechtbank aanleiding om<br />

verdachte op grond van artikel 36f Sr te<br />

veroordelen tot het betalen van een<br />

schadevergoeding ter zake van door het<br />

slachtoffer geleden immateriële schade.<br />

De rechtbank is van oordeel dat uit de<br />

vordering van de benadeelde partij en de<br />

onderliggende stukken voldoende blijkt<br />

dat door het slachtoffer immateriële<br />

schade is geleden. Door de verdediging is<br />

niet betwist dat het slachtoffer onder behandeling<br />

van een psycholoog is gesteld.<br />

De rechtbank stelt deze immateriële<br />

schade ex aequo et bono vast op een bedrag<br />

van € 1.500,00. De rechtbank zal<br />

derhalve ten aanzien van een bedrag van<br />

€ 1.5<strong>11</strong>,00 de schadevergoedingsmaatregel<br />

opleggen.<br />

302.<br />

Rechtbank Gelderland 27 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer 05/800<strong>11</strong>2-14<br />

Mrs. J.J.H. van Laethem H.C. Naves<br />

en N.K. van den Dungen-Dijkstra<br />

ECLI:NL:RBGEL:<strong>2014</strong>:5457<br />

(Opzettelijke discriminatie wegens<br />

ras bij de uitoefening van een beroep;<br />

art. 137g Sr. Smartengeld €<br />

500. Smartengeld zonder letsel.)<br />

Benadeelde heeft via de website ROC.nl<br />

gereageerd op de vacature voor een stageplaats<br />

bij een bedrijf te Arnhem. Verdachte<br />

adviseerde zijn werkgever over<br />

het aannemen van kandidaten omdat hij<br />

ter zake deskundig is. Nadat verdachte<br />

de sollicitatie had doorgestuurd naar zijn<br />

werkgever, reageerde deze met ‘laat<br />

maar komen’. Verdachte heeft hierop nog<br />

een keer naar het CV gekeken en heeft<br />

aangever ‘gegoogled’. In de veronderstelling<br />

dat hij een e-mail naar zijn werkgever<br />

stuurde, stuurde hij een e-mail<br />

naar aangever met de tekst:<br />

‘Heb nog even gekeken is niks. Ten eerste<br />

een donker gekleurde (neger).<br />

www.slachtofferhulp.nl 14


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

En op zijn CV weinig tot geen ervaring<br />

met computer enz.’<br />

De benadeelde partij vordert een bedrag<br />

van € 1.931,67, bestaande uit € 1.250,-<br />

aan immateriële schade en € 681,67 aan<br />

materiële schade.<br />

De verdediging heeft primair nietontvankelijkheid<br />

bepleit, omdat zij van<br />

oordeel is dat verdachte moet worden<br />

vrijgesproken. Subsidiair heeft de verdediging<br />

aangevoerd dat de vordering niet<br />

toewijsbaar is, nu zowel de materiële als<br />

de immateriële schade onvoldoende zijn<br />

onderbouwd. Waar het de reiskosten<br />

psycholoog en immateriële schade betreft,<br />

is van belang dat daarvoor vereist<br />

is dat vast komt te staan dat sprake is<br />

van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.<br />

Daarover is niets bekend. Daarnaast<br />

is niets bekend over de causaliteit<br />

tussen de gedragingen van verdachte en<br />

de schade die de benadeelde partij heeft.<br />

De immateriële schade is daarmee onvoldoende<br />

onderbouwd en moet dus<br />

worden afgewezen.<br />

Waar het betreft de materiële kosten<br />

ontbreekt de onderbouwing van het eigen<br />

risico. Daarnaast had aangever geen<br />

advocaat in de arm hoeven nemen, maar<br />

had hij ook genoegen kunnen nemen met<br />

Bureau slachtofferhulp.<br />

De rechtbank stelt voorop dat slechts<br />

schade die rechtstreeks voortvloeit uit<br />

het bewezenverklaarde feit in het kader<br />

van deze strafrechtelijke procedure in<br />

aanmerking komt voor vergoeding. Vaststaat<br />

dat aan benadeelde door het bewezenverklaarde<br />

feit rechtstreeks nadeel is<br />

toegebracht dat gedeeltelijk uit vermogensschade<br />

bestaat en gedeeltelijk uit<br />

immateriële schade. Hierna wordt op de<br />

afzonderlijke kostenposten ingegaan.<br />

Materiële schade<br />

Benadeelde heeft aangevoerd dat hij<br />

voor onderhavig feit een behandeling<br />

heeft gehad door een GZ-psycholoog. Hij<br />

heeft dit onderbouwd met een brief van<br />

de GZ-psycholoog en een conceptfactuur<br />

van januari <strong>2014</strong> ter hoogte van €<br />

453,79. Hij vordert het bedrag van eigen<br />

risico van de zorgverzekeraar ad € 360,-.<br />

De rechtbank acht dit bedrag, gelet op<br />

deze onderbouwing, toewijsbaar.<br />

Benadeelde heeft een vergoeding verzocht<br />

van de reiskosten die verband houden<br />

met bezoeken aan zijn GZpsycholoog,<br />

de politie te Arnhem, de<br />

rechtbank en de advocaat. Daartoe<br />

overweegt de rechtbank dat deze kosten<br />

weliswaar niet met stukken zijn onderbouwd,<br />

maar wel vergoeding in aanmerking<br />

komen. Het is aannemelijk dat benadeelde<br />

voor een bedrag van € 125,67<br />

kosten heeft moeten maken om zijn psycholoog,<br />

de politie, zijn advocaat en de<br />

rechtbank te bezoeken. Het betreft een<br />

reële kostenpost, die de rechtbank niet<br />

bovenmatig voorkomt.<br />

De rechtbank zal de civiele vordering van<br />

benadeelde dan ook toewijzen tot een<br />

bedrag van in totaal € 485,67 aan materiële<br />

schade, waarbij de omvang van de<br />

schade door de rechtbank op basis van<br />

de stukken is begroot.<br />

Immateriële schade<br />

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde<br />

strafbare feit ook rechtstreeks<br />

nadeel toegebracht dat niet uit<br />

vermogensschade bestaat. Dit is aan<br />

verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke<br />

vereisten, waaronder die genoemd<br />

in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek,<br />

is voldaan. Naar maatstaven van<br />

billijkheid wordt deze schade begroot op<br />

€ 500,-.<br />

De rechtbank zal de vordering ter zake<br />

van vergoeding van de immateriële schade<br />

voor het overige afwijzen<br />

Rechtsbijstand<br />

Naar het oordeel van de rechtbank dient<br />

verdachte te worden veroordeeld in de<br />

kosten van de benadeelde partij, tot op<br />

heden begroot op € 196,-. Het betreft<br />

immers de eigen bijdrage van benadeelde,<br />

in het kader van de door hem ingeschakelde<br />

rechtshulp bij zijn voeging als<br />

benadeelde partij in dit strafproces. Deze<br />

kostenpost is onderbouwd met een afschrift<br />

van de toevoegingsaanvraag bij<br />

de Raad voor Rechtsbijstand, waarop de<br />

hoogte van de eigen bijdrage staat vermeld.<br />

www.slachtofferhulp.nl 15


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

Opmerking van de redactie. Een<br />

slachtoffer dat zich voegt als benadeelde<br />

partij kan hiervoor (gratis) hulp van<br />

Slachtofferhulp Nederland vragen. Voor<br />

de wat ingewikkeldere vorderingen kan<br />

de benadeelde een beroep doen op gefinancierde<br />

rechtsbijstand. Handelt het om<br />

een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf<br />

dan vindt er geen inkomens- of vermogenstoets<br />

en wordt er ook geen eigen<br />

bijdrage opgelegd. Discriminatie is niet<br />

een dergelijk misdrijf, maar er kan wel<br />

een “gewone” toevoeging worden aangevraagd<br />

voor de rechtsbijstand aan de benadeelde<br />

partij. Er vindt dan wel een inkomens-<br />

en vermogenstoets plaats. Is<br />

het inkomen of vermogen niet te hoog,<br />

dan wordt een toevoeging verstrekt. Er<br />

wordt dan echter geen eigen bijdrage<br />

opgelegd (zie werkinstructie Z<strong>11</strong>0 vordering<br />

benadeelde partij in strafproces).<br />

Rijst de vraag waarom er in dit geval een<br />

eigen bijdrage is opgelegd? (zie ook JBS<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>. 10, nr. 284).<br />

303.<br />

Rechtbank Oost-Brabant 28 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer 01/865002-14<br />

Mrs. N.I.B.M. Buljevic, H.M. Hettinga<br />

en J.M.J. Denie<br />

ECLI:NL:RBOBR:<strong>2014</strong>:5148<br />

(Seksueel misbruik met seksueel<br />

binnendringen; art. 244 Sr.<br />

Verdachte heeft gedurende een periode<br />

van ongeveer negen maanden een zesjarige<br />

meisje seksueel misbruikt. Verdachte<br />

heeft aldus de lichamelijke en geestelijke<br />

integriteit van het jonge slachtoffer<br />

op zeer ernstige wijze geschonden. Het is<br />

algemeen bekend dat jonge slachtoffers<br />

van dergelijke delicten daarvan later ernstige<br />

nadelige psychische gevolgen kunnen<br />

ondervinden. Uit de schriftelijke<br />

slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer<br />

op dit moment door het hele gebeuren<br />

erg is veranderd. Het slachtoffer is<br />

erg onzeker geworden en heeft een laag<br />

gevoel van eigenwaarde. De ouders van<br />

het slachtoffer merken dat ze veel woede<br />

in zich heeft. Verdachte heeft het slachtoffer<br />

door zijn handelen een normale<br />

seksuele ontwikkeling ontnomen.<br />

Naast de immateriële schade van €<br />

5.000,- is in totaal € 541,93 aan materiele<br />

schade gevorderd. Deze materiële<br />

kosten betreffen reiskosten, parkeerkosten,<br />

boek EMDR, rechtsbijstand en opnemen<br />

verlofuren.<br />

Van rechtstreekse schade is sprake indien<br />

iemand is getroffen in een belang<br />

dat door de overtreden strafbepaling<br />

wordt beschermd. In het algemeen beschermen<br />

strafbepalingen niet het belang<br />

van rechtsopvolgers noch van derde belanghebbenden,<br />

zodat doorgaans alleen<br />

het slachtoffer zelf zich als benadeelde<br />

partij kan voegen in het strafproces. De<br />

rechtbank oordeelt overeenkomstig twee<br />

arresten van het Gerechtshof Amsterdam<br />

van 26 april 2013<br />

(ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8885 en<br />

ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8895) dat het<br />

voorgaande meebrengt dat de ouders<br />

van de minderjarige benadeelde in de<br />

onderhavige strafrechtelijke procedure<br />

niet kunnen worden ontvangen in het<br />

deel van de vordering dat ziet op de kosten<br />

die zij ten behoeve van hun kind<br />

hebben gemaakt, die als zogeheten verplaatste<br />

schade als bedoeld in artikel<br />

6:107 van het Burgerlijk Wetboek voor<br />

vergoeding in aanmerking zouden kunnen<br />

komen. Aangezien het bij een op die<br />

bepaling gebaseerde vordering gaat om<br />

een vordering van de ouder uit eigen<br />

hoofde en niet om een vordering van het<br />

kind zelf, staat hier de omstandigheid dat<br />

de ouder geen slachtoffer is in de zin van<br />

de artikelen 51a en verder van het Wetboek<br />

van Strafvordering in de weg aan<br />

de ontvankelijkheid van dit gedeelte van<br />

de vordering. Dit betekent geenszins dat<br />

verdachte niet aansprakelijk zou zijn voor<br />

de door de ouder in zoverre gestelde<br />

schade, maar dat het aan de burgerlijke<br />

rechter is om die aansprakelijkheid vast<br />

te stellen. De rechtbank zal de benadeelde<br />

partij derhalve niet-ontvankelijk verklaren<br />

ten aanzien van de gevorderde<br />

materiële kosten van in totaal € 541,93.<br />

www.slachtofferhulp.nl 16


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

Dit laat onverlet dat verdachte deze gemaakte<br />

kosten op vrijwillige basis aan de<br />

ouders van het slachtoffer kan vergoeden,<br />

nu verdachte ter terechtzitting heeft<br />

aangegeven bereid te zijn deze kosten te<br />

vergoeden.<br />

De benadeelde is wel ontvankelijk in het<br />

gedeelte van de vordering dat ziet op<br />

vergoeding van de door het de minderjarige<br />

slachtoffer zelf geleden immateriële<br />

schade, welke vordering door de ouder<br />

als haar wettelijke vertegenwoordiger is<br />

ingediend. De rechtbank wijst € 5.000,-<br />

ter zake van immateriële schade van de<br />

minderjarige toe.<br />

Burgerlijke rechter<br />

304.<br />

Rechtbank Rotterdam 13 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer C-10-442266 - HA ZA<br />

14-71<br />

Mr. K.A. Baggerman<br />

ECLI:NL:RBROT:<strong>2014</strong>:6672<br />

(Shockschade. Taxibusarrest. Relativiteit;<br />

art. 6:163 BW. Terughoudendheid<br />

interpretatie shockschade.<br />

Voor shockschade is een nauwere relatie<br />

vereist dan het zijn van (goede)<br />

kennissen.)<br />

Partijen zullen hierna eiser, Allianz en<br />

gedaagde2 genoemd worden. Gedaagden<br />

zullen tevens gezamenlijk Allianz c.s. genoemd<br />

worden.<br />

Eiser stelt dat gedaagde2 door het aanrijden<br />

van persoon1 ook jegens hem onrechtmatig<br />

heeft gehandeld, nu eiser is<br />

geconfronteerd met de aanrijding en de<br />

ernstige gevolgen daarvan. Hij stelt er<br />

aanvankelijk vanuit te zijn gegaan dat<br />

persoon1 dood was en in een hevige<br />

emotionele shock terechtgekomen te<br />

zijn, waardoor bij hem psychisch letsel is<br />

ontstaan. Er is sprake van een posttraumatisch<br />

stresssyndroom. Eiser lijdt aan<br />

slaapproblemen, herbeleving, nachtmerries,<br />

vermoeidheid, prikkelbaarheid en<br />

concentratieproblemen. Ten gevolge<br />

daarvan heeft hij zijn werkzaamheden en<br />

zijn huishoudelijke taken niet althans<br />

slechts gedeeltelijk kunnen uitvoeren en<br />

is dat nog steeds het geval, aldus eiser.<br />

Eiser vordert – kort gezegd - dat de<br />

rechtbank voor recht verklaart dat gedaagde2<br />

een onrechtmatige daad heeft<br />

gepleegd jegens eiser en Allianz en gedaagde2<br />

hoofdelijk veroordeelt om aan<br />

eiser zijn schade te betalen.<br />

Voordat het Kindertaxi-arrest was gewezen<br />

was het maar de vraag of in de door<br />

de Hoge Raad genoemde gevallen wel<br />

voldaan was aan het relativiteitsbeginsel,<br />

dat inhoudt dat geen verplichting tot<br />

schadevergoeding bestaat wanneer de<br />

geschonden norm niet strekt tot bescherming<br />

tegen de schade zoals de benadeelde<br />

die heeft geleden (artikel 6:163<br />

BW). De betreffende overweging van de<br />

Hoge Raad creëert voor dat probleem als<br />

het ware een oplossing, maar is in de literatuur<br />

– naar het oordeel van de rechtbank<br />

terecht – wel als “systeemvreemd”<br />

aangemerkt. Dat zo zijnde ziet de rechtbank<br />

aanleiding om grote terughoudendheid<br />

te betrachten als het erom gaat, de<br />

gevallen waarin de door de Hoge Raad<br />

geboden mogelijkheid toepassing kan<br />

vinden, extensief (ten gunste van derden/niet-direct<br />

benadeelden) te interpreteren.<br />

Naar het oordeel van de rechtbank is in<br />

het onderhavige geval niet voldaan aan<br />

de voorwaarden die de Hoge Raad stelt<br />

aan het recht op vergoeding van schade<br />

door de confrontatie met een schokkende<br />

of traumatische gebeurtenis (doorgaans<br />

aangeduid als ‘shockschade’), meer in<br />

het bijzonder als het gaat om de aard<br />

van de relatie tussen eiser en persoon1<br />

en de ernst van het ongeval dat persoon1<br />

is overkomen. In dat verband<br />

overweegt de rechtbank als volgt.<br />

Eiser heeft gesteld dat niet vereist is dat<br />

de derde die schadevergoeding vordert<br />

een nauwe affectieve relatie met het<br />

slachtoffer (de direct benadeelde) heeft<br />

of had. Inderdaad is het zo dat de Hoge<br />

Raad heeft overwogen “hetgeen zich met<br />

name (cursivering rechtbank) zal<br />

www.slachtofferhulp.nl 17


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

kunnen voordoen indien iemand tot wie<br />

de aldus getroffene in een nauwe affectieve<br />

relatie staat, bij het ongeval is gedood<br />

of gewond”. Deze formulering laat<br />

op zichzelf de mogelijkheid open dat ook<br />

anderen dan diegenen die met het<br />

slachtoffer een nauwe affectieve relatie<br />

hebben of hadden, aanspraak kunnen<br />

maken op vergoeding van schade als genoemd.<br />

De rechtbank ziet echter, tegen<br />

de achtergrond van de geboden terughoudendheid<br />

zoals hiervoor overwogen,<br />

geen aanleiding om te oordelen dat de<br />

kring van gerechtigden veel ruimer is dan<br />

personen die een nauwe affectieve relatie<br />

met het slachtoffer hebben of hadden.<br />

Door eiser is gesteld dat persoon1 en zijn<br />

vrouw één of twee keer per week bij zijn<br />

ouders over de vloer komen en een vergelijkbaar<br />

aantal keren bij hem. Dit is<br />

niet (gemotiveerd) door Allianz c.s. betwist,<br />

zodat de rechtbank ervan uit zal<br />

gaan dat persoon1 naast een kennis van<br />

de ouders van eiser ook een (goede)<br />

kennis van eiser is. Daarmee behoort eiser<br />

echter nog niet tot de kring van gerechtigden<br />

tot het vorderen van vergoeding<br />

van schade door de confrontatie met<br />

een schokkende of traumatische gebeurtenis<br />

zoals door de Hoge Raad bedoeld in<br />

het Taxibus-arrest. Daarvoor is naar het<br />

oordeel van de rechtbank, zeer bijzondere<br />

omstandigheden daargelaten, een<br />

nauwere relatie vereist dan het zijn van<br />

(goede) kennissen.<br />

De rechtbank betwijfelt niet dat het ongeval<br />

dat persoon1 is overkomen voor<br />

hem ernstige gevolgen heeft gehad en<br />

dat eiser geschokt is door de confrontatie<br />

met de aanrijding en de gevolgen daarvan<br />

voor persoon1. Dat zo zijnde moet<br />

echter worden vastgesteld dat de feiten<br />

van deze zaak objectief bezien (aanmerkelijk)<br />

minder schokkend van aard zijn<br />

dan de feiten die ten grondslag liggen<br />

aan Taxibus-arrest en ook de feiten die<br />

ten grondslag liggen aan de andere – de<br />

rechtbank bekende – na dat arrest gewezen<br />

rechterlijke uitspraken waarin vergoeding<br />

van schade door de confrontatie<br />

met een schokkende of traumatische gebeurtenis<br />

is toegekend.<br />

De vorderingen van eiser moeten daarom<br />

worden afgewezen. Hetgeen partijen<br />

overigens hebben gesteld (bijvoorbeeld<br />

betreffende de vraag of eiser door het<br />

ongeval ook geestelijk letsel heeft opgelopen<br />

dat in rechte kan worden vastgesteld)<br />

behoeft geen behandeling.<br />

305.<br />

Rechtbank Rotterdam 29 augustus<br />

<strong>2014</strong>, nummer 1419335 CV EXPL 13-<br />

5974<br />

Mr. K.L. van Zetten, kantonrechter<br />

ECLI:NL:RBROT:<strong>2014</strong>:7209<br />

(Onrechtmatig handelen in groepsverband;<br />

art. 6:166 BW. Ontvankelijkheid<br />

in verband met eerder toegewezen<br />

“voorschot” in de strafzaak.<br />

Andere aantasting in de persoon; art.<br />

6:106 lid 2 sub b BW.<br />

Zie ook:<br />

ECLI:NL:RBROT:<strong>2014</strong>:7220 en<br />

ECLI:NL:RBROT:<strong>2014</strong>:7217.)<br />

Op 22/23 augustus 2009 was op het<br />

strand te Hoek van Holland het Dance<br />

Festival Veronica Sunset Grooves (hierna:<br />

het Festival). Eiser is in zijn functie<br />

van agent van politie ingezet voor handhaving<br />

van de openbare orde en voor het<br />

verlenen van bijstand bij de verkeersregeling<br />

van het Festival.<br />

Toen op het evenemententerrein van het<br />

Festival (op het strand) rellen uitbraken,<br />

heeft eiser na een spoedoproep met een<br />

aantal collega’s dit terrein betreden.<br />

Tijdens de rellen zijn op het evenemententerrein<br />

van het Festival politiefunctionarissen<br />

belaagd.<br />

Gedaagden zijn door de rechtbank voor<br />

hun betrokkenheid bij deze rellen in Hoek<br />

van Holland allen strafrechtelijk veroordeeld<br />

- voor zover hier van belang - wegens<br />

openlijke geweldpleging in vereniging<br />

jegens personen en een aantal van<br />

hen tevens wegens het medeplegen van<br />

bedreiging met zware mishandeling.<br />

Voor deze traumatische ervaring, die bij<br />

eiser ernstige psychische klachten heeft<br />

opgeroepen en die zijn persoonlijke stabiliteit<br />

heeft verzwakt,<br />

www.slachtofferhulp.nl 18


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

heeft eiser zich onder behandeling van<br />

een psycholoog gesteld. Eiser ervaart na<br />

deze behandeling dat hij de gevoelens<br />

van angst en onveiligheid nooit helemaal<br />

kwijt zal raken.<br />

Door hun onrechtmatig handelen in<br />

groepsverband in de zin van artikel<br />

6:166 van het Burgerlijk Wetboek (hierna:<br />

BW) zijn gedaagden hoofdelijk aansprakelijk<br />

voor de schade toebrengende<br />

handelingen van elke van de tot die<br />

groep behorende personen.<br />

Eiser heeft recht op een naar billijkheid<br />

vast te stellen vergoeding van zijn immateriële<br />

schade door deze gebeurtenissen<br />

in Hoek van Holland, omdat:<br />

- de leden van de groep personen op het<br />

evenemententerrein van het Festival het<br />

oogmerk hadden zodanig nadeel aan eiser<br />

en zijn collega’s toe te brengen en<br />

- eiser door het handelen van die groep<br />

personen in zijn persoon is aangetast.<br />

Gelet op de indringende gebeurtenissen<br />

en de impact hiervan op eiser kan de<br />

immateriële schade in redelijkheid en ook<br />

op grond van het Smartengeldboek van<br />

de ANWB worden vastgesteld op €<br />

3.500,-. Nu de gedaagden in de strafzaken<br />

hoofdelijk zijn veroordeeld tot betaling<br />

van een voorschot van € 200,-, resteert<br />

te vorderen € 3.300,- (eveneens<br />

hoofdelijk). Hierop wordt in mindering<br />

gebracht de hierna door schikking betaalde<br />

schadevergoeding van een aantal<br />

gedaagden.<br />

De beoordeling van het geschil<br />

De kantonrechter verwerpt het beroep<br />

van gedaagden sub 1, 2, 5, 8 en 9 op de<br />

niet ontvankelijkheid van eiser in de vordering<br />

jegens hen, om reden dat in hoger<br />

beroep in hun strafzaak op de vorderingen<br />

benadeelde partij niet een voorschot,<br />

maar een definitief bedrag is toegewezen.<br />

Hiertoe wordt het volgende overwogen.<br />

Eiser heeft zich in de eerste aanleg<br />

conform het toenmalige artikel 51a lid 3<br />

Sv gevoegd voor een deel van de vordering.<br />

Dat blijkt uit zijn gebruik van de woorden<br />

“bij wijze van voorschot”, die de rechtbank<br />

overnam. Dat blijkt bijvoorbeeld<br />

ook expliciet uit de vermelding in het<br />

strafvonnis van gedaagde sub 1. De toewijzingen<br />

daarvan dienen dan ook te<br />

worden gezien als strekkend tot vergoeding<br />

van een deel van de schade die de<br />

benadeelde partij rechtstreeks heeft geleden<br />

door het bewezenverklaarde feit en<br />

die eenvoudig van aard is (zie HR 19<br />

maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8963,<br />

r.o.v. 4.3.). De vordering benadeelde<br />

partij is in hoger beroep niet gewijzigd.<br />

Dat het hof de toewijzingen in zijn arresten<br />

kwalificeert als “een bedrag” en niet,<br />

zoals de rechtbank, als “een voorschot”,<br />

maakt de aard van de beslissing niet anders.<br />

Eiser is dus in zoverre ontvankelijk<br />

in zijn vordering.<br />

De groepsaansprakelijkheid<br />

Artikel 6:166 BW bepaalt dat, indien één<br />

van tot een groep behorende personen<br />

onrechtmatig schade toebrengt en de<br />

kans op het aldus toebrengen van schade<br />

deze personen had behoren te weerhouden<br />

van hun gedragingen in groepsverband,<br />

zij hoofdelijk aansprakelijk zijn, indien<br />

deze gedragingen hun kunnen<br />

worden toegerekend. Dit houdt in dat de<br />

schade toebrengende onrechtmatige gedragingen<br />

uit de groep worden toegerekend<br />

aan een ieder in die groep die aan<br />

deze gedragingen bijdroeg. Het loutere<br />

erbij zijn is onvoldoende voor het vestigen<br />

van die aansprakelijkheid, maar een<br />

eigen bijdrage aan de groepsgedragingen<br />

vestigt wel de aansprakelijkheid voor alle<br />

schade toebrengende onrechtmatige gedragingen<br />

uit de groep, ongeacht de omvang<br />

van de eigen bijdrage.<br />

Voor zover de redelijkheid en billijkheid,<br />

bijvoorbeeld door het gewicht van ieders<br />

bijdrage, een andere verdeling van de<br />

aansprakelijkheid meebrengen, is dat<br />

een kwestie van onderling verhaal, die<br />

eiser niet regardeert.<br />

Dit uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid<br />

voor de volledige schade<br />

als gevolg van het onrechtmatig handelen<br />

vanuit de groep blijft ook intact, indien<br />

het, zoals hier, gaat om een beperkt<br />

aantal personen die aansprakelijk worden<br />

gesteld bij een groepshandelen van enkele<br />

honderden personen die elkaar ook<br />

niet kenden.<br />

www.slachtofferhulp.nl 19


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

De groep behoeft geen georganiseerd<br />

verband te zijn en kan spontaan zijn ontstaan,<br />

de groepsleden behoeven elkaar<br />

ook niet te kennen.<br />

Dit alles raakt ook niet de ontvankelijkheid<br />

van eiser in de vordering, zelfs niet,<br />

indien aan het wel of niet dagvaarden<br />

een selectie ten grondslag zou liggen. Eiser<br />

heeft overigens toegelicht dat die<br />

keuze uitsluitend is bepaald door het via<br />

de strafvervolging hebben kunnen achterhalen<br />

van de identiteit.<br />

Ook hier geldt dat een eventueel onderling<br />

verhaal eiser niet regardeert.<br />

Naar het oordeel van de kantonrechter<br />

gaat het uit een oogpunt van de civielrechtelijke<br />

groepsaansprakelijkheid bij<br />

deze rellen in Hoek van Holland om twee<br />

groepen: enerzijds de groep betrokken<br />

bij het stadium “carrousel” en anderzijds<br />

de groep betrokken bij de stadia “treintje”<br />

en ”linie”.<br />

De incidenten in het stadium “carrousel”<br />

vonden plaats op een ander deel van het<br />

evenemententerrein en op een ander<br />

tijdstip dan de latere stadia en vonden<br />

plaats na eerdere ongeregeldheden in het<br />

publiek op die plek. Bij “carrousel” ging<br />

het om vier agenten in burger, die op eigen<br />

kracht het VIP-podium hadden bereikt<br />

voordat de “treintjes” daar waren<br />

aangekomen.<br />

Voor de chaotische en onoverzichtelijke<br />

situatie ter plaatse kan slechts worden<br />

geoordeeld dat tussen de stadia van<br />

enerzijds “carrousel” en anderzijds<br />

“treintje”/“linie” de vereiste samenhang<br />

uit een oogpunt van groepsvorming ontbreekt.<br />

Van gedragingen in groepsverband<br />

was dus slechts sprake binnen de<br />

afzonderlijke stadia van “carrousel” en<br />

“treintje”/“linie”.<br />

De immateriële schade<br />

Het gaat in dit geval om het aspect aantasting<br />

in de persoon. Noodzakelijk, maar<br />

ook voldoende is hierbij dat de benadeelde<br />

geestelijk letsel heeft opgelopen. Een<br />

psychiatrisch ziektebeeld is daarbij niet<br />

vereist, maar om van geestelijk letsel te<br />

kunnen spreken is onvoldoende een meer<br />

of minder sterk psychisch onbehagen of<br />

een zich persoonlijk gekwetst voelen. De<br />

partij die zich op aantasting van de persoon<br />

beroept, zal voldoende concrete gegevens<br />

moeten aanvoeren waaruit kan<br />

volgen dat in verband met de omstandigheden<br />

van het geval een psychische<br />

beschadiging is ontstaan waartoe nodig is<br />

dat naar objectieve maatstaven het bestaan<br />

van geestelijk letsel is of had kunnen<br />

zijn vastgesteld (zie HR 9 mei 2003,<br />

ECLI:NL:HR:2003:AF4606, r.o.v. 5.2.3 ).<br />

Uit de gestelde en niet weersproken feiten<br />

en omstandigheden volgt dat eiser en<br />

zijn collega’s bij deze strandrellen in<br />

Hoek van Holland zijn blootgesteld aan<br />

een voor Nederlandse begrippen ongekende<br />

agressie jegens politieagenten,<br />

van grote groepen mensen. Naar algemene<br />

ervaringsregels als bedoeld in artikel<br />

149 Rv is duidelijk dat de tussen partijen<br />

vaststaande gewelddadigheden en<br />

dreiging die eiser onderging, gericht tegen<br />

een kleine en op dat moment kwetsbare<br />

groep agenten, op eiser (en zijn collega’s)<br />

een diepe onuitwisbare indruk<br />

hebben gemaakt die bij eiser hebben geleid<br />

tot de bedoelde aantasting in de persoon.<br />

Deze gebeurtenissen overstijgen<br />

verre het stootje waar een politiefunctionaris<br />

bij de uitoefening van diens ambt<br />

tegen moet kunnen.<br />

Eiser heeft voldoende concrete gegevens<br />

gesteld waaruit blijkt dat hij in zijn persoon<br />

is aangetast als bedoeld in artikel<br />

sub b van artikel 6:106 lid 1 BW. Ter onderbouwing<br />

is bij de dagvaarding overgelegd<br />

een brief van de behandelend GZ<br />

psycholoog drs. A.H.M. Bakker d.d. 2 februari<br />

2012, waaruit onder meer blijkt<br />

dat eiser vanwege zijn traumatische ervaringen<br />

bij deze strandrellen in Hoek<br />

van Holland een intensief psychopol begeleidingstraject<br />

van 20 sessies is geboden<br />

in de periode juni 2010 tot februari<br />

20<strong>11</strong>.<br />

Ten aanzien van de gedragingen van elk<br />

der gedaagden sub 2, 3, 4, 5, 8, 9 en 10<br />

heeft eiser zich volledig gebaseerd op de<br />

uitkomsten van de strafzaken. Geen van<br />

deze gedaagden heeft ten aanzien van<br />

zichzelf andere of minder gedragingen<br />

gesteld dan zijn vastgesteld in de eigen<br />

strafzaak. Daarmee staan de in de straf-<br />

www.slachtofferhulp.nl 20


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

zaken vastgestelde gedragingen van deze<br />

gedaagden ook in de onderhavige procedure<br />

vast. Dit houdt in dat gedaagden<br />

sub 2, 3, 4, 5, 8, 9 en 10 zich daar toen<br />

bevonden en met eigen onrechtmatige<br />

gedragingen jegens eiser meededen in de<br />

groep in het stadium “linie”.<br />

Hieruit volgt dat eiser in beginsel recht<br />

heeft op vergoeding door gedaagden sub<br />

2, 3, 4, 5, 8, 9 en 10 van zijn immateriele<br />

schade door onrechtmatig handelen<br />

vanuit de groep betrokken bij het stadium<br />

“linie” bij deze rellen in Hoek van<br />

Holland. De kans op die schade had deze<br />

gedaagden ervan behoren te weerhouden<br />

mee te doen.<br />

De in de strafzaken jegens eiser vastgestelde<br />

gedragingen van deze gedaagden<br />

zijn voor ieder verschillend en de een<br />

deed meer en actiever mee dan de ander,<br />

maar dit maakt, zoals in het voorgaande<br />

is toegelicht, uit een oogpunt van<br />

groepsaansprakelijkheid geen verschil.<br />

Ieder van deze gedaagden is, zoals toegelicht,<br />

civielrechtelijk aansprakelijk voor<br />

zowel de eigen gedragingen in de groep<br />

als de onrechtmatige gedragingen van de<br />

andere groepsleden.<br />

De gevorderde schade is voor zover veroorzaakt<br />

in het stadium “linie” aan deze<br />

gedaagden toerekenbaar op de voet van<br />

artikel 6:98 BW. Feiten en omstandigheden<br />

die tot een ander oordeel nopen, zijn<br />

gesteld noch gebleken.<br />

Zijdens enkele gedaagden is nog betoogd<br />

dat een schade van de gevorderde grote<br />

omvang niet voorzienbaar was. Dit betreft<br />

blijkens de daarop gegeven toelichting<br />

de optelsom van de ingestelde schadevorderingen<br />

als gevolg van deze rellen<br />

in Hoek van Holland, door zowel politiefunctionarissen<br />

als het politiekorps. Dit<br />

neemt, indien al juist, de aansprakelijkheid<br />

van het deelnemende groepslid niet<br />

weg. Ook gaat het niet om een zo ver<br />

verwijderd verband dat de schade niet<br />

aan het deelnemend groepslid kan worden<br />

toegerekend: het wekt op zich geen<br />

verbazing dat als gevolg van deze rellen<br />

in Hoek van Holland, met zo grote groepen<br />

agressieve relschoppers die zich<br />

langdurig en zonder aanleiding kantten<br />

tegen een veel kleinere hoeveelheid politieagenten,<br />

zoals hierna verder wordt<br />

uitgewerkt, een dergelijke schade is ontstaan.<br />

Op de voet van artikel 6:106 BW dient de<br />

vergoeding van de immateriële schade<br />

naar billijkheid te worden vastgesteld,<br />

gelet op alle omstandigheden van het<br />

geval. Daarbij dient ook te worden gelet<br />

op bedragen die door Nederlandse rechters<br />

in vergelijkbare gevallen zijn opgelegd.<br />

In die context acht de kantonrechter<br />

de door eiser gevorderde vergoeding<br />

voor immateriële schade zonder meer billijk<br />

voor de gebeurtenissen in het stadium<br />

“linie” en voor de gevolgen die deze<br />

voor eiser gehad hebben.<br />

Eiser was niet gehouden (eerst) een beroep<br />

op de smartengeldregeling dienstongevallen<br />

politie te doen, nu het letsel<br />

waarop die regeling ziet (namelijk met<br />

blijvende invaliditeit), zich hier niet voordoet.<br />

Voor de door een der gemachtigden -<br />

overigens zonder enige toelichting - verzochte<br />

matiging op de voet van artikel<br />

6:109 BW ziet de kantonrechter geen<br />

aanleiding, reeds nu toewijzing van de<br />

volledige schadevergoeding van eiser,<br />

gelet op de hoogte van het bedrag, niet<br />

tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen<br />

zou leiden.<br />

Op grond van het vorenstaande is het na<br />

de eisverminderingen gevorderde bedrag<br />

aan hoofdsom van € 1.858,84 jegens gedaagden<br />

sub 2, 3, 4, 5, 8, 9 en 10 toewijsbaar.<br />

Gedaagden sub 6 en 7 hebben geen gebruik<br />

gemaakt van het recht van zuivering<br />

van het tegen hen verleende verstek.<br />

Op grond van artikel 140 lid 2 Rv<br />

wordt tussen partijen één vonnis gewezen<br />

dat voor alle partijen als een vonnis<br />

op tegenspraak wordt beschouwd. De<br />

vordering jegens deze gedaagden komt<br />

de kantonrechter niet onrechtmatig of<br />

ongegrond voor. Ook jegens hen is de<br />

vordering ten aanzien van de hoofdsom<br />

toewijsbaar. Nu de eisverminderingen<br />

telkens ook betrekking hebben op hun<br />

1/17e deel, zal de kantonrechter jegens<br />

www.slachtofferhulp.nl 21


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

beiden dezelfde hoofdsom toewijzen als<br />

jegens de anderen.<br />

Gedaagde sub 1 heeft met eigen onrechtmatige<br />

gedragingen meedeed louter<br />

in de groep in het stadium “carrousel”.<br />

Nu eiser niet bij dat stadium was betrokken,<br />

ligt de vordering ten aanzien van de<br />

hoofdsom jegens gedaagde sub 1 voor<br />

afwijzing gereed. De nevenvordering ten<br />

aanzien van de wettelijke rente deelt in<br />

het lot van afwijzing.<br />

Nationale ombudsman<br />

306.<br />

Nationale ombudsman 6 augustus<br />

<strong>2014</strong><br />

rapport: <strong>2014</strong>/090.<br />

(Klacht over de hoofdofficier van justitie<br />

van het arrondissementsparket<br />

Midden-Nederland. Brief advocaat<br />

over aangifte niet beantwoord. Vereiste<br />

voortvarendheid. Klacht gegrond.)<br />

Verzoekers advocaat heeft namens hem<br />

op 2 april 2009 schriftelijk bij de hoofdofficier<br />

van justitie te Lelystad aangifte gedaan<br />

van mishandeling door vier politieagenten.<br />

Op 15 april ontvangt de<br />

advocaat hierover een ontvangstbevestiging.<br />

Omdat de advocaat aanneemt dat<br />

een onderzoek na een dergelijke aangifte<br />

lang kan duren, informeert hij pas op 20<br />

februari 2013 bij de hoofdofficier wat de<br />

stand van zaken is. Omdat hij hier ook<br />

niets op hoort, wendt hij zich op 19 december<br />

2013 tot de Nationale ombudsman.<br />

Verzoeker wil graag antwoord op<br />

de brief van zijn advocaat. Ook een interventie<br />

van de Nationale ombudsman<br />

bij het College van procureurs-generaal<br />

heeft niet tot resultaat dat er een reactie<br />

komt.<br />

Verzoeker klaagt erover dat de hoofdofficier<br />

van justitie van het parket Midden-<br />

Nederland, geen antwoord geeft op een<br />

brief van zijn advocaat van 20 februari<br />

2013.<br />

De Nationale ombudsman is van oordeel<br />

dat het vereiste van voortvarendheid is<br />

geschaad.<br />

Het is de Nationale ombudsman ambtshalve<br />

bekend dat de samenvoeging van<br />

drie voormalige parketten tot het de parket<br />

Midden-Nederland begin 2013 tot<br />

problemen heeft geleid. Dat poststukken,<br />

in dit geval een brief van de advocaat<br />

van verzoeker, zijn zoekgeraakt is daar<br />

een voorbeeld van. Van de zijde van de<br />

hoofdofficier van justitie mag wel worden<br />

verwacht dat er antwoord gegeven wordt<br />

op de brief, ook nadat er geconstateerd<br />

is door het parket dat de brief in het ongerede<br />

is geraakt en deze nogmaals – via<br />

de Nationale ombudsman – wordt toegestuurd.<br />

Ook mag een burger verwachten<br />

dat er binnen een redelijke termijn antwoord<br />

wordt gegeven op zijn brief. Dat<br />

de hoofdofficier kennelijk niet bij machte<br />

is om dit - zelfs na tussenkomst van de<br />

Nationale ombudsman en het College -<br />

voor elkaar te krijgen baart de Nationale<br />

ombudsman zorgen.<br />

Verzoeker heeft uiteindelijk door het instellen<br />

van het onderzoek van de Nationale<br />

ombudsman eind juni <strong>2014</strong> wel een<br />

reactie van de hoofdofficier van justitie<br />

gehad. Vereiste van voortvarendheid,<br />

niet behoorlijk.<br />

307.<br />

Nationale ombudsman 26 augustus<br />

<strong>2014</strong>, rapport: <strong>2014</strong>/097<br />

(Klacht over de politie van de regionale<br />

eenheid Midden-Nederland. Illegaal<br />

wapenbezit. Politie adequaat<br />

opgetreden naar aanleiding van informatie<br />

over illegaal vuurwapenbezit.<br />

Klacht ongegrond. Art. 49 Wet<br />

wapens en munitie.)<br />

Meisje A werd door Jongen B met een<br />

auto klemgereden. A werd op dat moment<br />

vergezeld door twee van haar<br />

vriendinnen, te weten V1 en V2. Tijdens<br />

deze gebeurtenis werd meisje A bedreigd<br />

door een vrouwelijke inzittende (X) van<br />

B's auto omdat A contact zou hebben gehad<br />

met B.<br />

www.slachtofferhulp.nl 22


Jurisprudentiebulletin<br />

Slachtofferhulp Nederland<br />

<strong>2014</strong>, <strong>afl</strong>evering <strong>11</strong>, nummers: 287 - 307<br />

Twee dagen later deed meisje A bij de<br />

politie eenheid Midden-Nederland aangifte<br />

van deze bedreiging. Tijdens het aangiftegesprek<br />

vertelde zij aan de politie<br />

dat zij later van V2 had gehoord dat Jongen<br />

B tijdens het incident een klein zwart<br />

pistool in zijn handen zou hebben gehad<br />

en daaruit kogels zou hebben gehaald en<br />

die aan haar zou hebben getoond. Tien<br />

dagen later werd V1 als getuige gehoord.<br />

Zij verklaarde dat ze van V2 had gehoord<br />

dat B een vuurwapen in zijn handen had<br />

gehad. Wegens ziekte werd V2 pas vijftien<br />

dagen na het incident door de politie<br />

als getuige gehoord. Zij verklaarde dat ze<br />

daadwerkelijk een pistool in de handen<br />

van Jongen B had gezien. Zestien dagen<br />

na het incident werd het 'Beretta-team'<br />

van de politie, dat zich bezig houdt met<br />

de bestrijding van illegaal vuurwapenbezit,<br />

in kennis gesteld van deze informatie.<br />

Dit team ging vervolgens in de beschikbare<br />

informatie systemen na of B<br />

daarin voorkwam. Dat bleek niet het geval<br />

te zijn. Vier dagen later werd de zoon<br />

van verzoekers door B doodgeschoten<br />

met een vuurwapen.<br />

Verzoekers klaagden erover dat politieambtenaren<br />

van de regionale politie eenheid<br />

Midden-Nederland niet adequaat<br />

hadden opgetreden naar aanleiding van<br />

informatie dat B illegaal een vuurwapen<br />

zou bezitten.<br />

De Nationale ombudsman stelde vast dat<br />

de politie had gedaan wat redelijkerwijs<br />

op dat moment binnen haar mogelijkheden<br />

lag. Bij het inzetten van opsporingsbevoegdheden<br />

die inbreuk maken op<br />

grondwettelijk vastgelegde vrijheden van<br />

burgers, dient aan de hand van de beschikbare<br />

informatie, indien nodig aangevuld<br />

met een of meerdere 'plusjes',<br />

zorgvuldig te worden afgewogen of een<br />

dergelijke inbreuk gerechtvaardigd is. De<br />

door verzoekers aangevoerde argumenten<br />

die naar hun mening als een 'plusje'<br />

hadden kunnen dienen, achtte de Nationale<br />

ombudsman niet voldoende relevant<br />

om als 'plusje' te kunnen worden aangemerkt.<br />

Derhalve was de Nationale ombudsman<br />

van oordeel dat er destijds onvoldoende<br />

informatie aanwezig was om<br />

met de officier van justitie te bespreken<br />

of er voldoende grond was voor het doorzoeken<br />

van de woning van B. Zelfs al had<br />

de politie met de officier van justitie<br />

overleg gehad dan acht de Nationale ombudsman<br />

het zeer aannemelijk dat de officier<br />

van justitie de politie zou hebben<br />

afgeraden om op grond van artikel 49<br />

WWM het huis van B te doorzoeken omdat<br />

daarvoor op dat moment onvoldoende<br />

basis aanwezig was.<br />

De Nationale ombudsman was van oordeel<br />

dat de politie Midden-Nederland niet<br />

had gehandeld in strijd met het vereiste<br />

van professionaliteit.<br />

www.slachtofferhulp.nl 23

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!