Vooruitblik op de hoofdlijnen 2013 - 2016 - Gemeente Amsterdam

theaterinstituut.nl

Vooruitblik op de hoofdlijnen 2013 - 2016 - Gemeente Amsterdam

Vooruitblik op de

hoofdlijnen 2013 - 2016


Voorwoord

Zelden is er zoveel debat gevoerd over de kunsten als in de

afgelopen weken. Velen vroegen ons naar de reactie van de

gemeente op de rijksbezuiniging, en naar de keuzes van het College

van B&W.

In deze Vooruitblik kan het college daar nog niet direct antwoord op

geven. We voelen de druk van de actualiteit, maar willen tegelijk de

instellingen de tijd geven hun plannen in te dienen, de Kunstraad om

daarover te adviseren en de gemeenteraad om het Kunstenplan vast

te stellen. Het Rijk confronteert velen met de vraag wie er wel en niet

overeind zullen blijven. We willen in Amsterdam die vraag alleen

beantwoorden door deze te plaatsen in de context van wat er de

afgelopen jaren is opgebouwd.

In deze Vooruitblik stellen we vragen die voorsorteren op een grote

hervorming van de cultuursector in Amsterdam. Vragen als:






Hoe gaan we samen met het Rijk om met het cultureel vastgoed

in ons bezit?

Kan er één museum voor historie, cultureel erfgoed en de

grachtengordel gevormd worden?

Wat levert het op als festivals en gebouwen worden

samengevoegd?

Wat is de rol en verantwoordelijkheid van grote nationale

instellingen voor de Amsterdamse infrastructuur?

Hoe kunnen instellingen in de podiumkunsten samenwerken, nu

een deel van de bespelers van de Amsterdamse podia dreigt te

verdwijnen?

Daarnaast willen wij weloverwogen bekijken of Amsterdam de

keuzes van het Rijk kan en wil volgen. Amsterdam draagt namelijk

vaak voor de helft of meer bij aan instellingen van nationale en

internationale excellentie. Dat doen we graag. Geen enkele instelling

is echter zeker van gemeentelijke subsidie in het nieuwe

Kunstenplan. Voor de periode 2013-2016 zijn hierover met het Rijk

nog geen afspraken gemaakt. Amsterdam en het Rijk zullen als

partners moeten blijven zorgen voor de kunst en cultuur in

2


Amsterdam, zoals de staatssecretaris ook heeft toegezegd aan de

Tweede Kamer. Alleen zo kan Amsterdam – en Nederland – een

sterke culturele infrastructuur behouden.

Dit is een grote en belangrijke opgave waar het gemeentebestuur,

maar zeker ook de sector en de Kunstraad zich voor gesteld zien.

Wij zetten ons er maximaal voor in dat wij er gezamenlijk in slagen,

ieder vanuit zijn eigen rol en expertise, om een kwalitatief en

pluriform aanbod van kunst en cultuur in Amsterdam in stand te

houden.

Namens het College van B&W,

Carolien Gehrels, Wethouder Kunst en Cultuur

Amsterdam, 29 juni 2011

3


Inhoudsopgave

Inleiding 5

1 Gevolgen van de bezuinigingen 7

2 De staat van de kunst en cultuur 9

3 Zorgen voor een sterke Amsterdamse culturele infrastructuur 12

4 Keuzes per sector 15

Bijlagen 38

4


Inleiding

Amsterdam drijft op kunst en cultuur. Kunst en cultuur is niet weg te

denken uit het leven van Amsterdammers, van jong tot oud, wonend

in het centrum tot ver buiten de ring. Cultuur heeft een netwerk van

vertakkingen naar economie, onderwijs, stedelijke ontwikkeling en

city marketing. In de workshops met jongeren die de kunstschouwen

Paul Collard en Görgün Taner in het najaar van 2010 hielden ter

voorbereiding van hun adviezen, stuitten ze op een opvallend

verschijnsel. Veel jongeren vertelden dat ze behalve muziek niet veel

culturele activiteiten in de stad bezochten. Toch vonden ze het heel

belangrijk dat de mogelijkheid hiertoe wel aanwezig was. Dat maakte

Amsterdam voor hen bijzonder. Het is vergelijkbaar met het culturele

klimaat dat internationale bedrijven noemen als een belangrijke

reden om zich in Amsterdam te vestigen. Of de reden waarom

toeristen aangeven naar Amsterdam te komen. Of waarom veel

mensen in Amsterdam willen wonen en bereid zijn daar meer voor te

betalen dan elders in het land.

De grote culturele rijkdom en verscheidenheid maakt de stad

aantrekkelijk voor bewoners, bezoekers en bedrijven. Kunst en

cultuur in de stad is internationaal, experimenteel, veelzijdig en van

hoge kwaliteit. Het maakt onlosmakelijk deel uit van de identiteit van

Amsterdam; een identiteit zoals beide kunstschouwen die in hun

adviezen waarnemen. De grote waarde van de adviezen van de twee

buitenlandse kunstschouwen van begin 2011 is, dat deze ons met de

onbevooroordeelde blik van buitenstaanders opnieuw laten zien hoe

bijzonder en hoe belangrijk kunst en cultuur voor Amsterdam is.

Beide kunstschouwen zijn optimistisch over de mogelijkheden die de

stad juist door het rijke en pluriforme culturele aanbod heeft.

Het effect van de rijksbezuinigingen op kunst en cultuur is vele

malen groter dan het directe effect van het wegvallen van

instellingen en activiteiten. De rijksoverheid is altijd een sterke

partner geweest van de stad vanuit de erkenning van het belang van

Amsterdam als culturele hoofdstad. De gemeente Amsterdam heeft

zich als verantwoordelijke hoofdstad altijd een even sterke partner

voor de rijksoverheid getoond. Veel cultuurinstellingen hebben

immers een (inter)nationale functie en worden, uitsluitend of mede,

door de gemeente Amsterdam gefinancierd. Zo treden veel

podiumkunstinstellingen die de gemeente subsidieert op in zalen in

5


het hele land. De oude situatie, waarbij in goed overleg afspraken

werden gemaakt over de rolverdeling tussen het Rijk en de

gemeente en over de ondersteuning van Amsterdamse instellingen is

echter eenzijdig door het Rijk beëindigd. Het Rijk spaart in zekere

mate de grote instellingen, maar legt de lasten voor de middelgrote

en kleine instellingen bij de steden neer. Een groot aantal

instellingen in ons land, dat al dan niet samen met de fondsen

gefinancierd wordt en podia bespeelt die Amsterdam subsidieert,

verliest zijn structurele subsidie.

Kunst en cultuur vormt een collectief goed van grote waarde dat niet

kan zonder zorg van de overheid. Vanwege die collectieve waarde,

voor iedere Amsterdammer en voor de stad als geheel, geeft de

gemeente traditioneel veel steun aan culturele instellingen in de

stad. Als Amsterdam de lijn van het Rijk zou volgen, dan blijven

weliswaar de grote nationale instellingen in stand, maar blijft er

nauwelijks ruimte voor instellingen die leiden naar die top of de

belofte in zich dragen in de toekomst zelf tot de top te behoren. De

kunst-en-cultuursector in Amsterdam verliest dan aan

verscheidenheid en openheid voor alle Amsterdammers. Dat is voor

het college geen optie. De top wordt gevoed door alles wat zich

daaronder manifesteert; de verscheidenheid in het aanbod maakt dat

elke Amsterdammer en bezoeker kunst en cultuur van zijn gading

vindt. Bovendien is er ruimte nodig voor het ontwikkelen van nieuw

talent.

Tegelijk is duidelijk dat ingrijpende hervormingen binnen de kunst en

cultuur in Amsterdam onontkoombaar zijn, wil de sector deze

rigoureuze rijksbezuinigingen doorstaan en zijn waarde in de stad

behouden. De keuzes die het Rijk nu heeft gemaakt dwingen ook

Amsterdam om scherpe keuzes in de nieuwe Hoofdlijnennota te

maken. Deze keuzes moeten nu met veel urgentie worden

voorbereid. Deze Vooruitblik benut het college om mogelijke keuzes

al concreet te benoemen. Daarover kan met de sector en de

gemeenteraad de komende maanden het debat gevoerd worden. De

sector zelf zal hierin een belangrijke rol moeten vervullen. Met de

Hoofdlijnennota zet het college het kader neer teneinde Amsterdam

als volwaardige culturele hoofdstad te behouden.

6


1 Gevolgen van de bezuinigingen

De rijksbezuiniging van € 200 miljoen wordt deels bereikt via een

generieke korting van 5% op alle gesubsidieerde instellingen. In zijn

nota Meer dan kwaliteit: een nieuwe visie op cultuurbeleid van 10

juni 2011 geeft de staatssecretaris voor Cultuur aan hoe de overige

bezuinigingen (€ 125 mln.) worden ingevuld. Voor Amsterdam

betekent dat voor zover al concreet is te overzien het

onderstaande 1 , 2 .

37 Amsterdamse instellingen verdwijnen uit de basisinfrastructuur

(BIS) voor een budget van € 33,1 mln.

Amsterdam telt op dit moment 60 instellingen in de landelijke

basisinfrastructuur (BIS) die geheel of gedeeltelijk door de

rijksoverheid worden gesubsidieerd voor een totaal budget van €

148,4 mln. Van deze instellingen verdwijnen er 37 uit de BIS. De

overblijvende BIS instellingen krijgen een taakstelling van 5%.

Gezamenlijk telt dit op tot een korting van € 38,2 mln. Dit is een

bezuiniging van 26% ten opzichte van het bedrag dat nu door de

rijksoverheid aan de Amsterdamse instellingen in de BIS wordt

uitgegeven.

Productiehuizen krijgen geen subsidie van Rijk of landelijk fonds.

Productiehuizen maken geen deel meer uit van de BIS en dans en

jeugdtheater in beperkte mate. Productiehuizen kunnen ook geen

aanvraag indienen bij het Fonds Podiumkunsten.

De budgetten voor subsidies van de verschillende fondsen worden

fors gekort.

Het budget voor subsidies van het Fonds Podiumkunsten wordt met

ruim een derde gekort. Ook op de Mondriaanstichting 3 en het Fonds

1 Zie het schema in de bijlage voor een overzicht van de gevolgen per ambitie.

2 In de plannen van de staatssecretaris worden geen instellingen met naam genoemd. Deze

conclusies moeten daarom gelezen worden als een interpretatie van de plannen, waarbij op grond

van de beschrijving van de functie die instellingen gekozen zijn die naar alle waarschijnlijkheid

worden bedoeld. Bij alle bedragen wordt het prijspeil 2008 gehanteerd. Hierop zijn geen nominale

aanpassingen doorgevoerd. Dit zijn de bedragen zoals opgenomen in het Kunstenplan 2009-2012

en het Subsidieplan voor 2009-2012 (na motie Hamer) en de brief ‘Meer dan kwaliteit’.

3 De Mondriaanstichting fuseert met het fonds BKBV.

7


voor Cultuurparticipatie wordt aanzienlijk gekort. De druk op de

fondsen wordt hoger vanwege de bezuinigingen op de BIS. Naar

verwachting zullen met name de instellingen uit het middensegment

negatieve gevolgen ondervinden vanwege verdringingseffecten.

94 Amsterdamse instellingen verliezen hun structurele

instandhoudingsubsidie.

Fondsen geven geen structurele subsidie meer en verstrekken alleen

nog subsidies voor activiteiten, voor maximaal 2 jaar. Hierdoor

verliezen 57 Amsterdamse instellingen hun structurele subsidie.

Daarnaast verliezen 37 BIS instellingen hun structurele subsidie.

Instellingen in de BIS mogen geen aanvullende subsidie meer

aanvragen bij de landelijke fondsen

Instellingen worden alleen nog maar gefinancierd door of de BIS of

een fonds.

Het Amsterdamse Kunstenplan 2009-2012 telt 140 instellingen.

Hiermee is een subsidiebudget gemoeid van € 86,7 mln. Met ingang

van 2013 moet een structurele korting worden doorgevoerd van € 9,8

mln. op de cultuurbegroting van de gemeente. Behoudens de € 86,7

mln. voor het huidige Kunstenplan gaat het hierbij ook om een

jaarlijks subsidie van € 10 mln. aan het Amsterdams Fonds voor de

Kunsten (AFK). Kortweg betreft het dus een korting van 10% op het

huidige budget. Dit gegeven in combinatie met:




de verwachting van het Rijk dat Amsterdam in dezelfde

verhouding de BIS-instellingen blijft cofinancieren

de voorrang die er bij de fondsen gegeven zal worden aan

instellingen die ook door de lokale overheden worden

gefinancierd en

de gemeentelijke lasten voor collectiebeheer en vastgoed

leidt ertoe dat voor ruim 100 van de 140 instellingen in het huidige

Kunstenplan nog maar de helft van hun huidige subsidie beschikbaar

is. Ook zijn voor de podia ernstige gevolgen te verwachten omdat

het aantal bespelers sterk vermindert. Hierdoor zullen inkomsten uit

bezoek teruglopen en zullen podia in financiële problemen komen.

De verantwoordelijkheid voor talentontwikkeling en R&D wordt door

het Rijk geheel bij de instellingen en de steden gelegd, maar zonder

budget, en met uitsluiting van instellingen die zich juist op dit aspect

in de keten richten.

8


2 De staat van de kunst en cultuur

De vier ambities

Wereldklasse, talentontwikkeling, prachtstad en laboratorium: deze

ambities staan centraal in het huidige Kunstenplan. Met deze

Vooruitblik geeft het college richting aan de keuzes voor de komende

periode: door terug te kijken op wat er in de eerste twee jaar van de

Kunstenplanperiode is bereikt, en met gebruik van wat de

kunstschouwen en de Kunstraad over de kunst en cultuur in de stad

hebben gezegd.

De inzet van instellingen en de gemeente op de vier ambities heeft

onder andere geleid tot meer internationale programmering in de

stad en tot een stelsel van cultuureducatie dat een groot bereik heeft

en van hoog niveau is. Er zijn nieuwe initiatieven te zien die de

grenzen van kunst en cultuur oprekken. Programma’s en

accommodaties zijn ontwikkeld in een toenemend aantal buurten van

de stad, waarmee een nieuw en jong publiek wordt bereikt. Er is

geïnvesteerd in sterke cultuurlocaties in de stad en in nieuwe

accommodaties. 4

Eind 2009 is de nota De Nieuwe Kunstenplansystematiek

vastgesteld, waarin een nieuw proces van voorbereiding van het

Kunstenplan is opgenomen. Een onderdeel daarvan is de

Vooruitblik, een ander element is de Verkenning van de Kunstraad.

De Amsterdamse Kunstraad bracht in maart 2011 deze Verkenning

uit. 5 De Kunstraad dringt er onder andere op aan om:




te kiezen voor investeringen in de top en de vruchtbare grond; de

Kunstraad adviseert daarin heldere keuzes te maken door te

kiezen voor enkele topinstellingen en kansrijke initiatieven te

belonen;

te investeren in (volgende) generaties; de Kunstraad bepleit een

gezamenlijke aanpak voor cultuureducatie in het onderwijs op alle

Amsterdamse scholen;

meetbare resultaten te financieren; de Kunstraad adviseert

resultaten te belonen in plaats van plannen en eerst afspraken te

4 Zie de bijlage voor een uitgebreidere toelichting op de resultaten op de vier ambities.

5 “Kies met lef voor kunst en cultuur: Verkenning voor het Kunstenplan 2012-2016”. Zie bijlage 4

voor een samenvatting van de Verkenning.

9


maken over inhoud, doelen, organisatie en ondernemen om

daarna te besluiten om te investeren of te subsidiëren.

In het afgelopen jaar hebben twee internationale kunstschouwen,

Paul Collard en Görgün Taner op verzoek van de gemeente advies

uitgebracht over de vraag hoe Amsterdam zich cultureel verder kan

versterken in vervolg op deze ambities. 6 Daarbij is als focus gekozen

voor wereldklasse en cultuureducatie. Uit de adviezen van de

kunstschouwen komt het beeld naar voren van Amsterdam als een

cultuurstad van wereldklasse, rijk aan cultureel erfgoed, met kunst

en cultuur van wereldtop tot grassroots en met de potentie uit te

groeien tot een wereldstandaard op het terrein van cultuureducatie.

Wereldklasse en excellentie zijn volgens Taner niet alleen te vinden

bij de grote instellingen. Taner heeft in zijn advies indicatoren

opgenomen voor wereldklasse. Volgens die indicatoren komen alle

instellingen die zich richten op een sterke internationale positie, door

goed artistiek en zakelijk leiderschap, een internationale

programmering en de ontwikkeling van talent, in aanmerking voor het

predicaat wereldklasse. Hij benadrukt verder dat het hedendaagse

kunst- en cultuuraanbod het cultureel erfgoed van de toekomst is en

ook ondersteund moet worden.

Op cultuureducatie en talentontwikkeling gaat Paul Collard in zijn

advies uitgebreid in. Collards advies richt zich op het verbinden van

cultuureducatie en talentontwikkeling aan onderwijs en werk, de

motoren van sociale vooruitgang. Collard stelt verbeteringen voor om

de participatie aan kunst en cultuur te vergroten en de impact van

programma’s voor cultuureducatie te verbeteren. Belangrijke

elementen daarbij zijn het vergroten van de ouderbetrokkenheid, het

in stand houden van een infrastructuur van goed functionerende

buurtaccommodaties en het verbeteren van de programma’s in het

onderwijs, waarbij hij pleit voor een structurele aanpak met meer

aansluiting bij het schoolcurriculum.

De waarde van kunst en cultuur

In een tijd waarin het draagvlak voor kunst en cultuur lijkt af te

nemen is het goed ook naar de andere waarden van kunst en cultuur

te kijken dan alleen naar de artistieke waarde. Een nadere blik op de

waarde van de sector in Amsterdam laat een heel ander beeld zien

dan een sector die te afhankelijk zou zijn van de overheid, die alleen

6 Zie bijlage 2 voor een samenvatting van de adviezen van de kunstschouwen.

10


voor een beperkte groep bereikbaar zou zijn en die onvoldoende

ondernemend zou zijn. De instellingen in het Amsterdamse

Kunstenplan genereren gemiddeld 39% van de totale inkomsten zelf

of uit private middelen.

Gerard Marlet heeft onderzoek gedaan naar de waarde van kunst en

cultuur in Amsterdam en de gevolgen van bezuinigingen op deze

waarden naar aanleiding van de motie Verbeet. 7 De

maatschappelijke waarde van kunst en cultuur in de stad is groter

dan de prijs die ervoor wordt betaald, berekent Gerard Marlet. In zijn

berekening gaat hij uit van vijf verschillende waarden die worden

toegekend aan kunst en cultuur:






Gebruikswaarde – hoeveel hoger is de waardering dan het bedrag

dat mensen betalen;

Optiewaarde – hoeveel meer willen mensen betalen om in de

buurt van kunst en cultuur te wonen;

Economische waarde – het totaal aan uitgaven van mensen die

de stad bezoeken vanwege de kunst en cultuur;

Bestaanswaardede waarde die mensen aan kunst en cultuur

toekennen, gewoon omdat het er is, niet omdat ze het bezoeken,

of er graag bij in de buurt willen wonen;

De sociale waardede waarde voor gezondheid, leefbaarheid,

onderwijs etc.

Vooral de eerste drie waarden zijn in grote mate aan cultuur toe te

dichten.

De waarde van de culturele sector in Amsterdam is bijna 9 miljard

euro. Dit komt overeen met een jaarlijkse welvaartwinst van € 500

miljoen. Alle podiumkunsten, musea en monumenten in Amsterdam

tezamen dragen jaarlijks dus voor ongeveer € 500 miljoen bij aan de

Nederlandse welvaart. Dat is ruim het dubbele van alle subsidies die

in het culturele aanbod worden gestopt. Een deel van die

welvaartswinst (namelijk de economische waarde) is in cash en komt

terecht bij de toeristische sector en via belastingen in de schatkist.

Het grootste deel van die economische waarde van de kunst en

cultuur in Amsterdam slaat naar verwachting dan ook landelijk en

7 Met de Motie Verbeet is gevraagd om een sociaal-economisch routeplan op te stellen. Zoals eerder

aangegeven in de commissie OZK is Gerard Marlet gevraagd de maatschappelijke waarde te

berekenen en een afwegingskader op te stellen waarin deze waarde wordt meegenomen. Zie voor

dit rapport de bijlage.

11


niet lokaal neer. Ook de gebruikswaarde komt grotendeels (bij de

bezoekers van) buiten Amsterdam terecht. Die gebruikswaarde is

niet in cash maar in ‘nut’. De optiewaarde komt tot slot vooral bij de

inwoners van Amsterdam terecht, die deze waarde vervolgens weer

(deels) doorgeven aan particuliere huiseigenaren, woningcorporaties

en aan de gemeente via lokale belastingen.

3 Zorgen voor een sterke Amsterdamse

culturele infrastructuur

Keuzes voor de nieuwe periode

Op basis van de eerste twee jaar van deze Kunstenplanperiode, de

lijn die is ingezet bij de nieuwe systematiek die eind 2009 is

vastgesteld, de adviezen van de kunstschouwen en de Kunstraad

geeft het college in de eerste plaats prioriteit aan twee inhoudelijke

lijnen:



Kwaliteit: kunst en cultuur hebben een grote artistieke en

zakelijke kwaliteit, en aandacht voor publieksbereik;

Belang voor de stad: kunst en cultuur dragen bij aan

internationale programmering en positionering, talentontwikkeling

en cultuureducatie.

De Amsterdamse prioriteiten komen overeen met de landelijke:

internationalisering, cultuureducatie, vernieuwing en talent. Anders

dan landelijk het geval is, is het volgens het college van belang in de

uitwerking de hele keten en alle functies daarbinnen in ogenschouw

te nemen; niet alleen de top, maar ook het midden en de basis en de

verbinding daartussen.

Voor Amsterdam volstaat het, gezien het ingrijpende karakter van de

plannen van het Rijk, niet om alleen deze inhoudelijke lijnen als

kader voor de verdeling van de subsidies te hanteren. Een grondige

hervorming van het stelsel van subsidieverdeling en de sector is

nodig, omdat Amsterdam vanwege de omvang van de bezuinigingen

het huidige culturele landschap niet in dezelfde omvang in stand kan

houden. Het is noodzakelijk om te onderzoeken hoe de stad,

ondanks de grote bezuinigingen, nog een toekomstbestendige en

12


pluriforme sector kan behouden, waarmee Amsterdam over 20 of 50

jaar nog de culturele hoofdstad kan zijn die ze al decennia is.

Uit de verschillende adviezen valt op te maken, dat in Amsterdam

meer mogelijk is als instellingen meer samenwerken, als budgetten

meer geconcentreerd worden ingezet, en als (gemeentelijke)

regelingen beter op elkaar worden afgestemd. Meer

ondernemerschap en een betere binding met het publiek kunnen het

bereik en de inkomsten van de instellingen vergroten. Grote(re)

instellingen wordt een belangrijkere rol toegedicht voor hun sector

als geheel

Het college zet, gebaseerd op deze adviezen, naast de inhoudelijke

prioriteiten in op de volgende elementen:





Minder versnippering en meer samenwerking tussen instellingen,

in benadering van publiek, in de bedrijfsvoering en marketing.

Het stimuleren van ondernemerschap waarbij missie, marketing,

personeelsbeleid, bedrijfsvoering en financiën in relatie worden

gebracht met partners, klanten, concurrenten en

maatschappelijke invloeden.

Een betere binding met het publiek, vanuit een uitgewerkte visie

van instellingen op de eigen positie in de Amsterdamse culturele

infrastructuur en de doelgroep(en) waarop zij zich richten.

Een grotere verantwoordelijkheid van topinstellingen voor hun

collega-instellingen.

In de nota De Nieuwe Kunstenplansystematiek werd aangekondigd

dat in Amsterdam een culturele infrastructuur zal worden

geïntroduceerd. De nota stelt: “Amsterdam gaat hiermee uitspraken

doen over functies en voorzieningen die onmisbaar zijn voor de stad,

los van de vraag door welke instellingen deze worden uitgevoerd.[...]

Hierdoor ontstaat een kader waarop instellingen zich met hun

aanvraag voor het Kunstenplan kunnen richten”. De afweging die

voor het volgende Kunstenplan gemaakt moet worden om tot dat

stelsel te komen vereist dus twee stappen. Ten eerste moet bepaald

worden hoe de Amsterdamse culturele infrastructuur er uit moet

zien: welke functies hebben we in deze stad nodig? En in de tweede

plaats moet worden vastgesteld welke instellingen binnen die

infrastructuur een plek krijgen.

Sterke sectoren

13


Binnen de culturele infrastructuur worden de volgende sectoren

onderscheiden: podiumkunsten (dans, muziek, theater en

muziektheater), beeldende kunst (beeldende kunst, vormgeving,

fotografie, architectuur, mode en nieuwe media), musea en erfgoed,

educatie, film, letteren en bovensectoraal. Elke sector heeft een

eigen karakter, een eigen keten van functies die nodig is om de

dynamiek in de sector te behouden en het evenwicht tussen traditie

en vernieuwing te bewaren. Het college wil zicht krijgen op welke

essentiële schakels van de keten per sector behouden moeten

worden. Deze hervorming heeft niet alleen als doel de

rijkgeschakeerde en diverse culturele infrastructuur in Amsterdam

zoveel als mogelijk te behouden, maar ook te zorgen voor

vernieuwing in de sector.

In het volgende hoofdstuk wordt per sector een aantal vragen

gesteld op basis van intern onderzoek naar de sectoren. Op basis

van de nadere uitwerking zal de Hoofdlijnennota uitspraken doen

over de culturele infrastructuur en de uitwerking op sectorniveau.

Instellingen binnen de culturele infrastructuur

Culturele instellingen verdienen in de eerste plaats publieke steun

omdat zij kwalitatief hoogwaardige producties, voorstellingen of

tentoonstellingen maken. Omdat zij kwaliteit bieden, maar dit niet

kunnen zonder ook publiek gefinancierd te worden. Instellingen

verdienen steun om hun kernactiviteit zo goed mogelijk te kunnen

uitvoeren, want een pluriform en kwalitatief aanbod is als zodanig

belangrijk voor de stad. Met de nieuwe Kunstenplansystematiek is

nogmaals vastgesteld dat de waardering van kwaliteit – in artistiek

en zakelijk opzicht en wat betreft het publieksbereik – het eerste

uitgangspunt vormt bij de afweging van de subsidies in het

Kunstenplan.

Als bijlage is een afwegingskader voor kwaliteit opgenomen (bijlage

4). In de nieuwe Kunstenplansystematiek is afgesproken dat er meer

duidelijkheid komt over het kwaliteitsbegrip. In het afwegingskader

staat concreet wat verwacht wordt van instellingen op het gebied van

artistieke kwaliteit (waaronder artistieke visie en leiderschap,

onderscheidenheid in programmering), zakelijke kwaliteit (waaronder

eigen inkomsten, governance en personeelsbeleid) en

publieksbereik (waaronder kennis en bereik van de doelgroep). Dit

afwegingskader komt grotendeels overeen met dat van de

rijksoverheid. Dit is van belang omdat een aantal instellingen van

14


eide overheden subsidie zal ontvangen. Het afwegingskader zal

nog worden afgestemd met de Kunstraad.

Het tweede uitgangspunt is concrete doelen vormen op het gebied

van internationale programmering en positionering,

talentontwikkeling en cultuureducatie, waaraan instellingen kunnen

bijdragen. Hierover zal de gemeente resultaatafspraken maken met

de instellingen. De concretisering van de doelen in de

Hoofdlijnennota komt tegemoet aan de vraag naar meer duidelijkheid

van de instellingen zelf en de Kunstraad en is een van de

verbeterpunten uit de nota De Nieuwe Kunstenplansystematiek.

Als derde uitgangspunt zullen de specifieke keuzes uit het

onderzoek worden gehanteerd, die gericht zijn op de sector. Dat

betekent dat er op basis van de uitkomsten van dat onderzoek aan

instellingen gevraagd kan worden om bij hun aanvraag in te gaan op

samenwerking, ondernemerschap, binding met het publiek en/of hun

verantwoordelijkheid in de sector.

4 Keuzes per sector

Hieronder wordt per sector een overzicht gegeven van de budgetten

van alle instellingen in het Kunstenplan, en keuzes die er per sector

voorliggen. 8 De overzichten hebben alleen betrekking op het

gesubsidieerde deel van de Amsterdamse cultuur. In de bijlage is het

totale overzicht van de sectoren bijgevoegd, en een uitgebreider

beeld van de sectoren waarop de keuzes zijn gebaseerd. Hierover

zal in de komende weken met instellingen gesproken worden.

8 In de plannen van de staatssecretaris worden geen instellingen met naam genoemd.

Onderstaande schema’s moeten daarom gelezen worden als een interpretatie van de

plannen, waarbij op grond van de beschrijving van de functie die instellingen gekozen zijn

die naar alle waarschijnlijkheid worden bedoeld. Op de FPK-budgetten is generiek 30%

gekort, ook al is de verwachting dat het fonds bij de verdeling scherpere keuzes zal

maken, én deze bedragen niet meer voor 4 jaar worden toegewezen. Een kruisje in de

kolom ‘vastgoed’ betekent dat de instelling gehuisvest is in een pand dat van de

gemeente (centrale stad of stadsdeel in sommige gevallen) is.

15


Verdeling Kunstenplanbudget (86,7 mln.)

Bovensectoraal 3%

Beeldende Kunst

4%

Muziektheater 7%

Film 2%

Letteren 0%

Musea 28%

Dans 7%

Educatie 8%

Muziek 17%

Theater 24%

Algemeen

Verdienvermogen

Om in de Hoofdlijnennota weloverwogen beslissingen te kunnen

nemen is inzicht nodig in de mate waarin Amsterdamse instellingen

op dit moment in staat zijn eigen inkomsten te verwerven, waaronder

sponsorinkomsten, inkomsten uit entree, verhuur en horeca, waar zij

problemen ervaren, en welke mogelijkheden zij zien om meer

inkomsten uit de markt te verwerven. Ook is inzicht nodig in de wijze

waarop op dit moment prijsbeleid wordt gevoerd, welke ervaringen

daarmee zijn en welke kansen daar liggen om inkomsten te

verhogen.

Deze mogelijkheden verschillen per sector en per instelling. Daarom

zal op korte termijn door een gespecialiseerd bureau onderzoek

worden verricht naar het verdienvermogen in de culturele sector,

waarbij uit elke sector een aantal vertegenwoordigers wordt

gevraagd deel te nemen aan dit onderzoek.

Diversiteit

Het college vindt diversiteit een onverminderd belangrijk thema voor

de Amsterdamse cultuur. De kunstschouw Taner plaatst diversiteit in

de context van wereldklasse en kosmopolitisme, en niet als een

ambitie die daaraan tegengesteld is. Diversiteit in het aanbod volgt

als instellingen zich richten op internationalisering en hoge kwaliteit,

aldus Taner. Het advies benadrukt dat het vooral van belang is dat

instellingen ervoor zorgen dat diversiteit in het personeel en

16


management in voldoende mate aanwezig is. De sector zelf heeft

een Code Culturele Diversiteit ontwikkeld. Op welke wijze kan het

best worden gestimuleerd dat diversiteit de komende periode op de

agenda van de instellingen staat? Welke rol kan de Code hierin

spelen? Biedt het kwaliteitskader voldoende aanknopingspunten?

Het Amsterdams Fonds voor de Kunst

Door de bezuiniging is te verwachten dat vanaf 2013 een groter

beroep op het Amsterdams Fonds voor de Kunst (AFK) zal worden

gedaan, ook door instellingen die nu alleen vanuit de BIS of de

landelijke fondsen worden gesubsidieerd. Het betreft met name de

Basisregeling van het AFK. Op basis van de recent gemaakte

zelfevaluatie van het AFK en het advies van de Kunstraad over het

functioneren van dit fonds, zal de gemeente samen met het AFK de

te verwachten toename van aanvragen in kaart brengen en bezien of

de huidige subsidieregelingen aanpassingen behoeven. Voor het

laatste krijgt afstemming met de landelijke fondsen hoge prioriteit.

Dans

In het Kunstenplan zijn 10 dansinstellingen opgenomen. Het totale

Amsterdams budget voor dans is € 6, miljoen. De sector is klein

maar kwalitatief hoogwaardig. Alle schakels van de keten zijn

aanwezig (talentontwikkeling/productiehuis, uitvoering,

presentatie/podia en festivals); het aanbod is divers: klassiek ballet,

modern/eigentijds, cultureel divers, urban, jeugddans.

Als gevolg van de rijksbezuinigingen blijft binnen de BIS alleen

ruimte voor een voorziening voor balletrepertoire, met een

bezuinigingstaakstelling van 5%. Er is geen plaats meer voor een

gezelschap voor moderne dans in de BIS, evenmin als voor

jeugddans. Ook de productiehuisfunctie keert niet terug in de BIS.

Het Rijk kiest kortom voor één topinstelling in ballet, en laat de rest

van de keten van de dans los. Wat betekent dat voor Amsterdam?

Wil Amsterdam die keuze volgen? Zo ja, dan heeft dat niet alleen

betekenis voor de balletvoorziening, maar ook voor de subsidie aan

het Muziektheater (en daarmee de relatie met De Nederlandse

Opera).

Overzicht en budget

17


Vast- Huidig Subsidie

Bezuiniging Nieuw

Instelling goed OCW FPK Kunstenplan Totaal OCW/FPK OCW/FPK

Festival

1 Julidans 0 155.316 120.120 275.436 155.316 0

Gezelschappen

2 AnoukvanDijk dc 0 0 163.800 163.800

3 Don't Hit Mama 0 0 92.380 92.380

4 Spin Off 0 0 32.760 32.760

5 ISH 0 629.126 218.400 847.526 629.126 0

6 EG|PC 0 851.837 218.400 1.070.237 851.837 0

7 LeineRoebana 0 663.307 109.200 772.507 663.307 0

8 Het Nationale Ballet 6.550.162 0 4.709.219 11.259.381 217.162 6.333.000

9 Henny Jurriëns Stichting 155.840 0 56.870 212.710 155.840 0

10 Danswerkplaats Amsterdam 477.111 0 251.310 728.421 477.111 0

11 Danstheater AYA 423.912 0 0 423.912 423.912 0

12 Dansgroep Amsterdam 1.740.297 0 0 1.740.297 1.740.297 0

13 Internationaal Danstheater 0 2.845.652 0 2.845.652 2.845.652 0

TOTAAL DANS 9.347.322 4.989.922 5.972.459 17.343.931 8.159.560 6.333.000

Keuzes


Versterking van de keten: basis en top

− Welke positie neemt Het Nationale Ballet (HNB) op dit

moment in de keten van de danssector in? Welke relaties

liggen er tussen HNB, middensegment en kleine

instellingen? Welke rol kan HNB spelen ten aanzien van

talentontwikkeling en een productiehuis dans? Hoe is dat

laatste te relateren aan andere ontwikkelingen in de dans,

zoals de studie naar het Danshuis?

− Als gevolg van het beleid van het Rijk dreigt moderne dans

met een structurele subsidie uit Amsterdam te verdwijnen.

Dansgroep Amsterdam en Dansmakers gaan uit de BIS.

Hoe kan gezien deze situatie de moderne dans voor

Amsterdam behouden blijven? Op welke functies binnen de

dans moet ingezet worden voor de Amsterdamse

infrastructuur?

Muziek

Amsterdam is nationaal en internationaal gezien een muziekstad en

heeft de afgelopen jaren, mede op grond van afspraken met het Rijk,

veel geïnvesteerd in podia. 22 muziekinstellingen worden

gesubsidieerd in het Kunstenplan voor een budget van ruim € 14

miljoen, waaronder het Concertgebouw en het Koninklijk

Concertgebouworkest en een groot aantal kleinere ensembles van

hoog niveau zoals Calefax Rietkwintet en Cappella Amsterdam. In

Amsterdam zijn alle functies vertegenwoordigd: (programmerende)

podia, orkesten en ensembles, festivals, producenten en

18


intermediairs. Ook alle genres: klassiek, hedendaags klassiek,

wereldmuziek, jazz en pop. Er is een sterke kern van symfonischklassieke

muziek op het Museumplein met het Concertgebouw en

het Koninklijk Concertgebouworkest, een concentratie modernklassiek/jazz

aan de zuidelijke IJ-oever (Muziekgebouw aan ’t IJ en

Bimhuis) en een concentratie poppodia rond het Leidseplein

(Paradiso en Melkweg).

Volgens de nota Meer dan Kwaliteit blijft er voor één orkest met

internationale statuur ruimte in de BIS: op het Koninklijk

Concertgebouworkest wordt een korting van € 0,2 mln. toegepast.

Daarnaast is een orkest met begeleidingstaak voor de opera en een

orkest met begeleidingstaak voor het ballet voorzien; naar alle

redelijkheid gaat het om respectievelijk Nederlands Philharmonisch

Orkest (de vaste begeleider van De Nederlandse Opera) en Holland

Symphonia, de vaste begeleider van Het Nationale Ballet; op beide

wordt aanzienlijk gekort. Het Nederlands Philharmonisch Orkest

krijgt € 700.000 minder. De bijdrage aan het Muziekcentrum voor de

Omroep is in de mediabrief 9 bepaald op € 14 mln. Het kabinet kiest

hierbij voor instandhouding van enkele onderdelen, waaronder het

Radio Filharmonisch Orkest, vaste en grote bespeler van

Concertgebouw. Voor de programmering van het Concertgebouw lijkt

dit een gunstige uitkomst.

De grootste gevolgen van de bezuinigingen in de muziek vallen te

verwachten bij het grote aantal ensembles, welke vooral bespelers

van het Muziekgebouw aan ‘t IJ zijn. Deze ensembles worden vooral

door het FPK gesubsidieerd en door de korting op het FPK zal een

(groot) deel van deze ensembles zijn structurele financiering

verliezen.

9 Uitwerking regeerakkoord onderdeel media, 17 juni 2011

19


Overzicht en budget

Vast- Huidig Subsidie

Bezuiniging Nieuw

Instelling goed OCW FPK Kunstenplan Totaal OCW/FPK OCW/FPK

Podia

1 Bimhuis x 0 0 1.309.975 1.309.975

2 Noorderkerkconcerten 0 0 23.080 23.080

3 Sugarfactory 0 0 20.000 20.000

4 Muziekgebouw aan 't IJ x 0 0 3.560.366 3.560.366

5 Concertgebouw 0 0 1.142.710 1.142.710

6 Melkweg x 0 0 970.350 970.350

7 Paradiso x 0 0 751.475 751.475

Festivals

8 Amsterdam Roots 0 0 109.200 109.200

9 5 Days Off 0 0 54.600 54.600

10 Grachtenfestival 0 0 109.200 109.200

11 Amsterdam Dance Event 0 51.950 0 51.950 51.950 0

12 Sonic Acts 0 46.972 0 46.972 46.972 0

Gezelschappen

13 Atlas & Consorten – Atlas Academy 0 0 76.440 76.440

14 GRAP 0 0 190.300 190.300

15 Kamermuziek Amsterdam 0 0 22.240 22.240

16 Karnatic Lab 0 0 25.980 25.980

17 Leo Smit Stichting 0 0 28.860 28.860

18 Orkest MaxTak 0 0 29.480 29.480

19 Proms 0 0 117.700 117.700

20 Trytone 0 0 46.180 46.180

21 ZO!Cultuur 0 0 150.646 150.646

22 Koninklijk Concertgebouworkest 6.819.065 0 5.987.872 12.806.937 219.065 6.600.000

23 Ned Pho 10.711.839 0 0 10.711.839 711.839 10.000.000

24 Ned Strijkkwartet academie 55.079 0 0 55.079 55.079 0

25 Stichting Oorkaan 395.965 0 0 395.965 395.965 0

26 Paradiso / Melkweg productiehuis 220.334 0 0 220.334 220.334 0

27 Stichting Brokken 0 105.438 21.840 127.278 105.438 0

28 Calefax rietkwintet 0 96.849 32.760 129.609 96.849 0

29 Cappella Amsterdam 0 420.647 34.350 454.997 420.647 0

30 Kulsan 0 209.892 72.290 282.182 209.892 0

31 Marmoucha 0 211.267 92.340 303.607 211.267 0

32 Amstel Quartet 0 33.414 0 33.414 33.414 0

33 Amsterdam Sinfonietta 0 651.284 0 651.284 651.284 0

34 Asele 0 29.075 0 29.075 29.075 0

35 Asko Schonberg 0 1.155.563 0 1.155.563 1.155.563 0

36 Bik Bent Braam 0 185.261 0 185.261 185.261 0

37 Combattimento Consort Amsterdam 0 495.111 0 495.111 495.111 0

38 dOeK 0 104.719 0 104.719 104.719 0

39 Instant Composers Pool 0 105.221 0 105.221 105.221 0

40 Ives Ensemble 0 239.232 0 239.232 239.232 0

41 Ned Blazersensemble 0 817.547 0 817.547 817.547 0

42 Ned Kamerkoor 0 1.894.133 0 1.894.133 1.894.133 0

43 Nieuw Ensemble 0 841.205 0 841.205 841.205 0

44 Orkest van de 18e eeuw 0 254.151 0 254.151 254.151 0

45 Pro Moods 0 30.022 0 30.022 30.022 0

46 Tetzepi 0 105.529 0 105.529 105.529 0

47 The Game of Life 0 88.792 0 88.792 88.792 0

TOTAAL MUZIEK 18.202.282 8.173.274 14.980.234 41.355.790 9.775.556 16.600.000

20


Keuzes

Museumplein/symfonisch-klassiek

Wat is er minimaal nodig om de internationale positie en excellentie

van de instellingen rond het Museumplein te behouden? Wat

betekenen de bezuinigingen bij Koninklijk Concertgebouworkest en

MCO voor de bespeling van het Concertgebouw? Kunnen het

Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest een grotere

rol vervullen binnen de eigen sector en voor het publiek in

Amsterdam, inhoudelijk (talentontwikkeling, educatie) en

organisatorisch (faciliteiten)?

IJ-oevers/modern-klassiek, jazz

De positie en de exploitatie van het Muziekgebouw aan ‘t IJ komt

onder grote druk te staan als zowel bewoners/huurders van het

gebouw als bespelers van de podia wegvallen. Wat is er minimaal

nodig om dit segment van de muziek te behouden. Welke vormen

van samenwerking zijn mogelijk? Zijn er andere bedrijfsmodellen

voor het Muziekgebouw aan ‘t IJ om dit podium een bestendige

toekomst te geven?

Pop (breed)/poppodia

Volgens prognose van SEO is een kwart van het Amsterdamse

popaanbod gesubsidieerd. De rijksbezuinigingen hebben op deze

sector geen effect. De gemeente draagt in bescheiden mate bij aan

de grote podia (Paradiso en Melkweg) die een groot deel van hun

kosten zelf kunnen dekken. Welke steun heeft deze sector van de

gemeente nodig om voldoende kwaliteit en diversiteit te behouden

en zijn er andere constructies gewenst om met deze instellingen een

gemeentelijke relatie te onderhouden?

Theater

Via het Kunstenplan worden 32 theaterinstellingen bekostigd

(productiehuizen, theatergroepen, jeugdtheater, podia) voor in totaal

circa € 20 mln. In Amsterdam zijn alle schakels van de theaterketen

ruim vertegenwoordigd: talentontwikkeling/productiehuizen,

productie, presentatie/podia en festivals. Alle genres zijn aanwezig:

klassiek, hedendaags, experimenteel, cultureel divers, en jeugd en

jongeren. Sommige gezelschappen en podia spelen voor een publiek

met een beperkte omvang. Op dit moment is sprake van twee

theaterconcentraties (Leidseplein en Nes), en meerdere

accommodaties die in wisselende mate een grootstedelijke functie

21


en een buurtfunctie combineren (zoals MC, Bijlmerpark Theater,

Nowhere en Podium Mozaïek).

Volgens de nota Meer dan kwaliteit blijft er in de BIS ruimte voor vier

grote theaterinstellingen, waarvan één van internationale statuur.

Voor deze laatste – naar alle waarschijnlijkheid Toneelgroep

Amsterdam – zal € 2,5 mln. beschikbaar zijn plus € 0,25 mln. voor

internationale excellentie: een korting van ongeveer 10%.

Productiehuizen kunnen geen subsidie meer aanvragen, waardoor

de drie productiehuizen Frascati, hetveem en MC verdwijnen uit de

BIS. Hiermee is voor Amsterdam een bedrag gemoeid van ruim € 2,4

mln. Voor jeugdtheater blijft een budget beschikbaar van € 0,5 mln.

De Toneelmakerij, nu nog in BIS als jeugdtheater, ontvangt nu ruim

€ 1,5 mln. subsidie van OCW. Het voortbestaan van jeugdtheater en

productiehuizen is kortom zeer onzeker.

Amsterdam subsidieert in het Kunstenplan 9 instellingen samen met

het FPK. Dit fonds mag per 2013 geen vierjarige subsidies

verstrekken, wat vooral gevolgen zal hebben voor de middelgrote en

kleine instellingen en voor de podia die zij bespelen.

22


Overzicht en budget

Vast- Huidig Subsidie

Bezuiniging Nieuw

Instelling goed OCW FPK Kunstenplan Totaal OCW/FPK OCW/FPK

Podia

1 Stadsschouwburg Amsterdam x 0 0 6.630.510 6.630.510

2 De Kleine Komedie x 0 0 595.170 595.170

3 Rozentheater x 0 0 444.900 444.900

4 Theater Bellevue x 0 0 1.380.110 1.380.110

5 Theater de Engelenbak x 0 0 734.840 734.840

6 Theater het Amsterdamse Bos x 0 0 227.620 227.620

7 Tropentheater 0 0 161.276 161.276

8 Podium Mozaiek 0 0 218.967 218.967

9 Vondelpark Openluchttheater x 0 0 145.780 145.780

10 Frascati x 777.933 0 1.886.040 2.663.973 777.933 0

11 Hetveem theater 437.196 0 160.940 598.136 437.196 0

12 MC 1.209.678 0 746.470 1.956.148 1.209.678 0

Festivals

11 Over het IJ Festival 0 0 150.000 150.000

12 Amsterdams Uitburo – Uitmarkt 0 0 121.870 121.870

13 Holland Festival 3.279.962 0 772.660 4.052.622 289.962 2.990.000

14 TF 0 192.549 54.600 247.149 192.549 0

15 ITs 0 104.709 159.400 264.109 104.709 0

16 Amsterdams Kleinkunst Festival 0 52.424 0 52.424 52.424 0

Gezelschappen

17 Amsterdams Marionetten Theater x 0 0 27.300 27.300

18 Handtheater 0 0 98.390 98.390

19 Krater Theater 0 0 150.000 150.000

20 Lange Poten 0 0 54.600 54.600

21 Parels voor de Zwijnen 0 0 77.470 77.470

22 Het Syndicaat 0 0 109.690 109.690

23 Toneelgezelschap MONK 0 0 213.600 213.600

24 Urban Myth 0 0 108.290 108.290

25 Toneelgroep Amsterdam 2.986.269 0 3.534.422 6.520.691 236.269 2.750.000

26 De Toneelmakerij 1.525.164 0 612.620 2.137.784 1.025.164 500.000

27 De Nieuw Amsterdam 0 611.048 150.150 761.198 611.048 0

28 Dood Paard 0 603.762 107.750 711.512 603.762 0

29 Likeminds 0 183.850 141.180 325.030 183.850 0

30 Maatschappij Discordia 0 363.579 120.120 483.699 363.579 0

31 The Glasshouse 0 241.467 87.360 328.827 241.467 0

32 Theater Rast 0 405.142 181.620 586.762 405.142 0

33 Theater Terra 0 260.309 74.340 334.649 260.309 0

34 Beumer en Drost 0 389.322 0 389.322 389.322 0

35 Bewegingsalarm 0 257.935 0 257.935 257.935 0

36 Carver 0 394.156 0 394.156 394.156 0

37 Caspar Rapak 0 157.264 0 157.264 157.264 0

38 Female Economy 0 367.503 0 367.503 367.503 0

39 Golden Palace 0 388.912 0 388.912 388.912 0

40 Het Toneel Speelt 0 628.171 0 628.171 628.171 0

41 Kassys 0 200.079 0 200.079 200.079 0

42 Mighty society 0 283.652 0 283.652 283.652 0

43 Mug met de gouden tand 0 471.066 0 471.066 471.066 0

44 Nieuw West 0 260.309 0 260.309 260.309 0

45 Orkater 0 1.547.369 0 1.547.369 1.547.369 0

46 Pels 0 313.510 0 313.510 313.510 0

47 Stuim 0 367.674 0 367.674 367.674 0

48 Teatro Munganga 0 220.935 0 220.935 220.935 0

TOTAAL THEATER 10.216.202 9.266.696 20.440.055 24.165.523 13.242.898 6.240.000

23


Keuzes

De verdeling van verantwoordelijkheden voor podia en

gezelschappen tussen de gemeente en het Rijk dwingt

Amsterdam tot een herziening van het theaterbestel. Wat zijn de

voor- en nadelen van het samenvoegen van gezelschappen en

podia?

Gelet op de bezuinigingen en een betere afstemming tussen

vraag en aanbod is profilering, inkrimping, clustering en

samenwerking nodig, zowel in programmering als in

bedrijfsvoering. Voor hoeveel sterke theaterlocaties is in de

toekomst ruimte, welke zijn meest kansrijk en welke functies en

instellingen moeten daarbij worden betrokken? Welke functie

vervullen buurtaccommodaties in de keten? Is het zinvol om – het

advies van de Raad voor Cultuur volgend - een intendant aan te

wijzen?

Jeugdtheater krijgt nog een beperkte plaats in de BIS, met een €

0,5 mln. voor één jeugdtheatergezelschap. Kan het jeugdtheater

onder die condities zelfstandig blijven bestaan? Hoe kan de

functie van het jeugdtheater in Amsterdam behouden blijven?

Op welke wijze kan in Amsterdam de verscheidenheid in het

aanbod in stand gehouden worden bij een veel lager budget?

Hoe kan binnen de theaterketen de relatie tussen gevestigde

instellingen, vernieuwing en talentontwikkeling het beste

georganiseerd worden zodat deze structureel is belegd binnen de

culturele infrastructuur.

Muziektheater

Overzicht en budget

Vast- Huidig Subsidie

Bezuiniging Nieuw

Instelling goed OCW FPK Kunstenplan Totaal OCW/FPK OCW/FPK

Podia

1 Muziektheater x 0 0 5.810.050 5.810.050

Gezelschappen

2 PIPS: Lab 0 183.572 93.290 276.862 183.572 0

3 Volksoperahuis 0 237.290 0 237.290 237.290 0

4 Spanga 0 155.641 0 155.641 155.641 0

5 De Nederlandse Opera 24.778.367 0 0 24.778.367 738.367 24.040.000

6 Stichting Operastudio NL 433.517 0 0 433.517 433.517 0

7 M-Lab 197.946 0 0 197.946 197.946 0

TOTAAL MUZIEKTHEATER 25.409.830 576.503 5.903.340 31.889.673 1.946.333 24.040.000

De keuzes die het Rijk voor de BIS maakt, leiden ook in deze sector

tot het verdwijnen van instellingen die zich richten op

24


talentontwikkeling in opera en musical. De gemeente heeft geen

directe subsidierelatie met instellingen in deze sector, behoudens die

met het Muziektheater. De subsidiekorting op De Nederlandse Opera

is percentueel weliswaar beperkt maar heeft een grote impact op de

programmering en bedrijfsvoering van het Muziektheater dat enkel

door de gemeente wordt gesubsidieerd. Deze problematiek wordt

verder uitgewerkt in relatie tot Het Nationale Ballet.

Cultuureducatie

In het Kunstenplan bevinden zich 23 instellingen die zich met hun

kernactiviteit richten op het ontwikkelen van talent of ondersteunend

werken in cultuureducatie. In totaal is met deze instellingen ruim

€ 7,3 mln. van het Kunstenplan gemoeid. Grootste speler is de

Muziekschool Amsterdam met een subsidie van € 3,7 mln. Vanuit de

gemeentelijke onderwijsbegroting is €1,5 mln. beschikbaar voor

cultuurvouchers. Het AFK voert de Plusregeling cultuureducatie uit

(€1,1 mln.).

Amsterdam investeert veel in cultuureducatie. Het type instellingen

en hun taken is zeer divers, van jeugdtheaterscholen tot bemiddeling

van aanbod naar basisscholen. Ter uitvoering van het

programakkoord – introductie van het basispakket cultuureducatie,

minimaal drie lesuren per week in het primair onderwijs – is een pilot

rond muziek in ontwikkeling. Voor de introductie van het basispakket

zal een convenant worden afgesloten met de stadsdelen. De

financiële dekking daarvoor is echter nog niet geregeld. Hoewel

kunstschouw Collard veel lof heeft voor de kwaliteit van de

cultuureducatie in Amsterdam constateert hij ook dat de afstemming

tussen vraag en aanbod efficiënter kan en dat scholen meer

ondersteuning en stimulering nodig hebben.

De rijksoverheid noemt cultuureducatie als een van de prioriteiten

die voor het gehele cultuurbeleid van belang zijn. De rijksoverheid

zal uitvoering geven aan een programma Cultuureducatie met

kwaliteit. Elementen daarvan zijn:


Educatie wordt een criterium voor de basisinfrastructuur;

instellingen moeten in hun aanvraag hun visie op cultuurbeleid

geven, al worden daarvoor geen extra middelen vrijgemaakt.

Gelet op de bezuinigingen betekent dat een extra belasting voor

de instellingen.

25


In vervolg op de middelen die beschikbaar waren voor provincies

en gemeenten via het Fonds Cultuurparticipatie (€14 mln.) wordt

€10 mln. vrijgemaakt voor programma’s op lokaal niveau, een

bezuiniging van € 4.

De middelen voor de scholen (€10,90 per leerling) blijven in

gelijke omvang beschikbaar via een zogenaamd “prestatieloket”.

De Cultuurkaart voor het Voortgezet Onderwijs wordt echter

afgeschaft.

Overzicht en budget

Vast- Huidig Subsidie

Bezuiniging Nieuw

Instelling goed OCW Kunstenplan Totaal OCW/FPK OCW/FPK

1 5 O'Clock Class Zuidoost 0 75.050 75.050

2 Amsterdamse jeugdteJAterschool 0 109.200 109.200

3 Nowhere 0 109.200 109.200

4 Aslan Muziekcentrum x 0 373.000 373.000

5 Bekijk 't 0 115.470 115.470

6 DansVak 0 63.510 63.510

7 JAM – Kunstschooldag 0 141.380 141.380

8 Jeugdtheater de Krakeling 0 1.042.630 1.042.630

9 Jeugdtheaterschool Zuidoost 0 294.430 294.430

10 Jongerentheater 020 0 168.720 168.720

11 Kunstbende Amsterdam 0 43.650 43.650

12 Leerorkest 0 100.000 100.000

13 Multi Origin (MO) Music Activation 0 122.500 122.500

14 Muziekschool Amsterdam x 0 3.745.770 3.745.770

15 NedPhO GO! 0 100.000 100.000

16 Poldertheater 0 39.040 39.040

17 Stichting Educatieve Projecten 0 163.800 163.800

18 Stichting Taalvorming 0 60.000 60.000

19 Studio West – De Meervaart 0 80.000 80.000

20 TG Werktuig 0 103.740 103.740

21 Theaterwerkplaats ZO 0 47.940 47.940

22 ZEP 284.022 109.200 393.222 284.022 0

23 School der Poëzie 170.815 103.740 274.555 170.815 0

TOTAAL EDUCATIE 454.837 7.311.970 7.766.807 454.837 0

Keuzes

Op dit moment wordt door het externe onderzoeksbureau Oberon in

samenwerking met de Dienst O&S een evaluatie gemaakt van het

stelsel voor cultuureducatie. Dit onderzoek volgt als leidraad het

advies van Collard en gaat na:


of de omslag van aanbod naar een vraaggericht stelsel ertoe

heeft geleid dat meer kinderen op structurele wijze in aanraking

zijn gekomen met kunst en cultuur,

26


of de activiteiten hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van een

structurele inbedding in het curriculum en een doorlopende

leerlijn cultuureducatie op scholen,

en of nieuwe aanbieders op het gebied van cultuureducatie

structurele relaties met scholen hebben opgebouwd.

Belangrijke vragen voor de toekomst zijn:





Hoe kan een effectieve bemiddelingsstructuur worden ontwikkeld

waarin enerzijds de middelen meer worden gebundeld en

anderzijds een betere ondersteuning naar het onderwijs kan

worden geboden?

Hoe kan de invoering van het basispakket een meer centrale

positie krijgen in het beleid?

Collard adviseert de subsidie voor de muziekscholen toe te wijzen

aan een model dat de werkwijzen van Aslan en het Leerorkest

volgen (dat wil zeggen, binnenschools). Dient dit advies

opgevolgd te worden en wat betekent dit voor de positie en koers

van de Muziekschool Amsterdam?

Wat betekent de door Collard aanbevolen prioriteit voor

cultuuronderwijs op school voor de gemeentelijke subsidies aan

cultuureducatie buiten school? Is het mogelijk het aanbod in de

vrije tijd kostendekkend te laten uitvoeren? Hoe kan voorkomen

worden dat hierdoor talentvolle jongeren voor onoverkomelijke

financiële drempels komen te staan?

In de Hoofdlijnennota wordt, op basis van het advies van Collard en

de uitkomsten van de bovengenoemde evaluatie, een nieuwe koers

voor cultuureducatie uitgezet.

Film

De filmsector in Amsterdam is voor een klein deel gesubsidieerd.

Naast de grote Pathé bioscopen heeft Amsterdam dertien kleinere

filmtheaters die verbonden zijn in Cineville. De gemeente Amsterdam

geeft vooral subsidie aan festivals en de kleinere filmtheaters. Het

Rijk wil volgens de nieuwe plannen alleen nog EYE en het IDFA

subsidiëren. Op het IDFA wordt gekort; Cinekid en het Binger

Filmlab raken hun structurele subsidie kwijt.

Film is volgens de laatste Cultuurmonitor populair: 90% van de

jongeren bezoekt de bioscoop, en 60% van de volwassenen. Het

bioscoopbezoek van jongeren is sterk geclusterd rond de grote

27


commerciële bioscopen. Bij de kleinere filmtheaters is de laatste

jaren sprake van een duidelijke stijging van bezoekers.

Met subsidie van de gemeente Amsterdam wordt vooral steun

gegeven aan de kwetsbare filmgenres waaronder: jeugdfilm, de

Nederlandse film, wereldcinema en de ‘fantastische’ film. Verder

hebben Rialto en het Ketelhuis een belang voor de buurt; een functie

die ook EYE kan gaan vervullen.

Overzicht en budget

Vast- Huidig Subsidie

Bezuiniging Nieuw

Instelling goed OCW Kunstenplan Totaal OCW/FPK OCW/FPK

1 Africa in the Picture 0 60.200 60.200

2 Imagine 0 81.900 81.900

3 Rialto 0 265.260 265.260

4 Het Ketelhuis x 0 70.200 70.200

5 IDFA 679.490 546.000 1.225.490 60.084 619.406

6 EYE Filminstituut NL 5.612.227 48.840 5.661.067 -1.067.773 6.680.000

7 Cinekid 878.467 394.030 1.272.497 878.467 0

8 Binger Filmlab 1.816.643 0 1.816.643 1.816.643 0

TOTAAL FILM 8.986.827 1.466.430 10.453.257 1.687.421 7.299.406

Keuzes Film




Is de festivalvorm voor alle genres de beste vorm? Kan er in de

samenwerking tussen festivals en podia zorg worden gedragen

voor de genres die nu bij de kleinere festivals vertegenwoordigd

zijn? Leidt dit tot versterking van de podia en de festivals?

Kan EYE een grotere rol in de Amsterdamse filmsector spelen

door samen te werken en een functie in de buurt te vervullen?

Moet de stad daarin investeren?

Is subsidie aan de film, gezien de populariteit ervan, voor de

gehele sector van belang? Kan er vanuit de markt een grotere

bijdrage worden verwacht?

Beeldende kunst, Nieuwe Media, Vormgeving, Fotografie

en Architectuur

Deze sector is heterogeen en omvat beeldende kunst, nieuwe media,

vormgeving, fotografie en architectuur. Dit zijn in totaal 30

instellingen, waarvan 21 vanuit het Kunstenplan worden gefinancierd

voor ongeveer 5% van het Kunstenplanbudget. Daarin is niet het

Stedelijk Museum meegenomen, dat inhoudelijk ook bij deze sector

hoort maar bij de musea is meegenomen. Zowel instellingen als

28


individuele kunstenaars (via het AFK) worden in deze sector

gesubsidieerd. Daarnaast is een groot deel van de sector

ongesubsideerd. De sector als geheel is kwalitatief hoogwaardig,

van internationaal hoog niveau, innovatief en belangrijk voor de

reputatie van Amsterdam en Nederland.

Het Rijk financiert nu twee presentatie-instellingen van beeldende

kunst en een deel van de sector dat gericht is op design en nieuwe

media en op talentontwikkeling (Rijksacademie en De Ateliers). Het

Rijk is van plan aanzienlijk op deze sector te bezuinigen, niet in de

laatste plaats omdat ook het Mondriaanfonds veel minder budget zal

kunnen verdelen. Wel wordt een Fonds voor de Creatieve Industrie

opgericht waarin een deel van de instellingen in deze sector onder

valt. Dat betekent wel dat deze instellingen in ieder geval hun

structurele subsidie verliezen.

Overzicht en budget

Vast- Huidig Subsidie

Bezuiniging Nieuw

Instelling goed OCW Kunstenplan Totaal OCW/FPK OCW/FPK

1 Robodock 0 109.200 109.200

2 SMBA 0 252.131 252.131

3 Amsterdams Centrum voor Fotografie 0 54.600 54.600

4 AGA x 0 91.121 91.121

5 ARCAM x 0 191.260 191.260

6 CBK Zuidoost 0 84.303 84.303

7 FOAM x 0 532.657 532.657

8 De Kunstvlaai 0 35.490 35.490

9 Maria Austria Instituut 0 175.570 175.570

10 Smart Project Space 0 89.620 89.620

11 Thami Mnyele 0 57.880 57.880

12 Via Milano 0 22.725 22.725

13 droog 196.155 57.854 254.009 196.155 0

14 Young Designers & Industry 109.425 54.600 164.025 109.425 0

15 W139 204.768 355.665 560.433 204.768 0

16 Imagine IC 291.145 286.360 577.505 291.145 0

17 Waag Society x 766.764 80.160 846.924 766.764 0

18 Mediamatic 605.065 103.958 709.023 605.065 0

19 SubmarineChannel 332.671 77.114 409.785 332.671 0

20 De Appel x 513.349 481.890 995.239 13.349 500.000

21 NIMk x 763.211 203.516 966.727 763.211 0

22 Premsela 2.662.523 0 2.662.523 152.523 2.510.000

23 De Ateliers 822.341 0 822.341 822.341 0

24 Rijksacademie 4.870.010 0 4.870.010 4.870.010 0

25 SKOR 2.421.080 0 2.421.080 2.421.080 0

26 Stichting Steim 530.519 0 530.519 530.519 0

27 Stichting Virtueel Platform 514.064 0 514.064 514.064 0

28 Manifesta 103.772 0 103.772 103.772 0

29 Trans Artists Informatiecentrum 224.429 0 224.429 224.429 0

30 Architectuur lokaal 150.470 0 150.470 150.470 0

TOTAAL 16.081.761 3.397.674 19.479.435 13.071.761 3.010.000

29


Keuzes

Is er ook binnen deze heterogene sector voordeel te behalen –

inhoudelijk en qua bedrijfsvoering – uit samenwerking binnen de

sector? Wat is de relatie van het Stedelijk Museum ten opzichte

van de sector? Hoe kan deze relatie versterkt worden?

Zijn er voldoende presentatieplekken voor Amsterdamse makers

binnen deze sector? Hoe kan talentontwikkeling in deze sector

behouden blijven in Amsterdam ?

Passen andere financieringsvormen dan vierjarige subsidies beter

bij deze sector en kan de heterogeniteit zo beter in stand kunnen

gehouden worden? Zou een ‘aanjaagschouw’ zoals die in de nota

De Nieuwe Kunstenplansystematiek is opgenomen hier nuttig

zijn?

Musea

In Amsterdam zijn er 15 musea, die door de gemeente of het Rijk

gesubsidieerd worden, naast nog een aantal musea die geen

(structurele) subsidie ontvangen. Bij geen van de musea is sprake

van gezamenlijke financiering. Musea trekken veel bezoekers en

toeristen naar de stad, ook in de afgelopen periode waarin een

aantal grote musea gedeeltelijk of geheel gesloten waren. Na

heropening rekenen de musea op nog meer bezoekers.

De plannen van het Rijk voor de bezuiniging op de musea is niet

helemaal duidelijk. De korting van 10% in dit schema is dan ook een

indicatie. Wel is helder dat de rijksmusea in verhouding tot andere

sectoren minder hoeven te bezuinigen.

De afgelopen periode komt er gestaag meer samenwerking op gang

tussen de musea: het Ons’ Lieve Heer op Solder en het Bijbels

Museum werken met één directeur, het Amsterdam Museum werkt

samen met een aantal andere ‘erfgoed’-musea, de musea aan het

Museumplein werken samen met het Koninklijk

Concertgebouworkest en het Concertgebouw, en de musea in en

rond de Plantagebuurt werken samen.

30


Overzicht en budget

Vast- Huidig Subsidie

Bezuiniging Nieuw

Instelling goed OCW Kunstenplan Totaal OCW/FPK OCW/FPK

1 Stedelijk Museum Amsterdam x 0 12.320.830 12.320.830

2 Amsterdam Museum x 0 9.772.030 9.772.030

3 Museum het Rembrandthuis x 0 1.005.966 1.005.966

4 Bijbels Museum 0 247.190 247.190

5 Multatuli Museum x 0 27.700 27.700

6 Museum Ons' Lieve Heer op Solder 0 616.040 616.040

7 De Nieuwe Kerk 0 132.410 132.410

8 Tropenmuseum Junior 0 193.506 193.506

9 Verzetsmuseum 0 353.880 353.880

10 Van Gogh Museum 6.417.050 0 6.417.050 641.705 5.775.345

11 Rijksmuseum 26.765.761 0 26.765.761 2.676.576 24.089.185

12 Ned. Scheepvaartmuseum 6.692.242 0 6.692.242 669.224 6.023.018

13 Joods Historisch Museum 3.074.431 0 3.074.431 307.443 2.766.988

14 Hollandse Schouwburg x 269.521 0 269.521 26.952 242.569

15 Nederlands Persmuseum 376.995 0 376.995 46.995 330.000

TOTAAL MUSEA 43.596.000 24.669.552 68.265.552 4.368.896 39.227.105

Keuzes

Kan de samenwerking die in deze sector al in gang is gezet

verder worden uitgebreid, waarbij vanuit één opdracht aan een

gezamenlijke programmering wordt gewerkt en een besparing

wordt gerealiseerd?

Kan die samenwerking worden gerealiseerd ongeacht of musea

wel of niet door de gemeente worden gesubsidieerd?

Is het mogelijk één cluster van musea op het gebied van

geschiedenis, erfgoed en de grachtengordel te vormen?

Is het mogelijk om samen met het Rijk een samenwerkingsopgave

te verbinden aan de subsidies van de instellingen aan het

Museumplein?

Kunnen er met het Rijk afspraken gemaakt worden over musea

en erfgoedinstellingen die nu enkel door Amsterdam worden

gefinancierd maar van nationaal belang zijn?

31


Letteren

Overzicht en budget

Vast- Huidig Subsidie

Bezuiniging Nieuw

Instelling goed OCW Kunstenplan Totaal OCW/FPK OCW/FPK

1 Perdu 0 105.920 105.920

2 SLAA 0 215.990 215.990

3 El Hizjra 118.038 0 118.038 118.038 0

4 Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten 454.518 0 454.518 64.518 390.000

5 Stichting Lezen 2.211.441 0 2.211.441 181.441 2.030.000

6 Schrijvers School Samenleving 784.163 0 784.163 144.163 640.000

TOTAAL LETTEREN 3.568.160 321.910 3.890.070 508.160 3.060.000

De keuzes die het Rijk voor de BIS maakt leiden op dit moment niet

tot grote onderzoeksvragen voor deze sector.

Bovensectoraal

Overzicht en budget

Vast- Huidig Subsidie

Bezuiniging Nieuw

Instelling goed OCW Kunstenplan Totaal OCW/FPK OCW/FPK

1 Amsterdams Uitburo 0 1.438.030 1.438.030

2 Felix Meritis 0 145.000 145.000

3 Cultuurlab 0 125.000 125.000

4 Kinetisch Noord 0 109.200 109.200

5 Kunst & Zaken 0 38.220 38.220

6 De Balie x 242.605 655.200 897.805 242.605 0

7 MCN 4.706.458 0 4.706.458 4.706.458 0

8 TIN 3.715.554 0 3.715.554 3.715.554 0

9 Stichting Erfgoed Nederland 2.131.121 0 2.131.121 2.131.121 0

10 SICA 632.444 0 632.444 -247.556 880.000

11 Boekmanstichting 970.815 0 970.815 899.815 71.000

12 Atana 243.694 0 243.694 243.694 0

13 Eutopia 124.527 0 124.527 124.527 0

TOTAAL BOVENSECTORAAL 12.767.218 2.510.650 15.277.868 11.816.218 951.000

De keuzes die het Rijk voor de BIS maakt leiden op dit moment niet

tot grote onderzoeksvragen voor deze sector.

Festivals

Amsterdam heeft een groot festivalaanbod, verspreid over de

verschillende sectoren. Festivals zijn volgens de Cultuurmonitor

2010 aantrekkelijk om een relatief jong en nieuw publiek voor kunst

en cultuur te interesseren. Ook tonen de festivals veelal een nieuw

en internationaal aanbod in Amsterdam. Het beeld van het totaal

32


aantal festivals is heterogeen, tegelijk worden voor een relatief laag

budget veel activiteiten georganiseerd. De potentie van de festivals

voor de sectoren en voor de stad, ook in internationaal opzicht, lijkt

niet volledig te worden benut. Door de bezuinigingen bij het Rijk

verliezen zes festivals in Amsterdam hun structurele financiering.

Overzicht en budget

Vast- Huidig Subsidie

Bezuiniging Nieuw

Instelling goed OCW Kunstenplan Totaal OCW/FPK OCW/FPK

1 Amsterdam Roots KP 0 109.200 109.200

2 5 Days Off KP 0 54.600 54.600

3 Grachtenfestival KP 0 109.200 109.200

4 Over het IJ Festival KP 0 150.000 150.000

5 Robodock KP 0 109.200 109.200

6 Amsterdams Uitburo – Uitmarkt KP 0 121.870 121.870

7 Africa in the Picture KP 0 60.200 60.200

8 Fantastic Film Festival KP 0 81.900 81.900

9 TF KP/NFPK 192.549 54.600 247.149 192.549 0

10 ITs KP/NFPK 104.709 159.400 264.109 104.709 0

11 Julidans KP/NFPK 155.316 120.120 275.436 155.316 0

12 Cinekid KP/exBIS 878.467 394.030 1.272.497 878.467 0

13 IDFA KP/OCW 679.490 546.000 1.225.490 60.084 619.406

14 Holland Festival KP/OCW 3.279.962 772.660 4.052.622 289.962 2.990.000

15 Amsterdams Kleinkunst Festival NPFK 52.424 0 52.424 52.424 0

16 Sonic Acts NFPK 46.972 0 46.972 46.972 0

TOTAAL FESTIVAL 5.389.889 2.842.980 8.232.869 1.587.934 3.609.406

Keuzes Festivals

Welke impact hebben de bezuinigingen op de programmering van

de festivals?

Welke impact hebben de bezuinigingen op de podia in de stad

waar de festivals plaatsvinden?

Voor welke festivals geldt dat ze een grote betekenis hebben in

de keten van hun betreffende sector?

Hoe kan de potentie van de festivals vergroot worden? Wat kan

clustering, gezamenlijke (internationale) marketing en promotie,

verbinding met de podia en vergroting van de randprogrammering

daaraan bijdragen?

Podia

In het Kunstenplan zijn 22 Amsterdamse podia in het Kunstenplan

opgenomen met een subsidietotaal van ruim € 27 mln. Vier daarvan

krijgen in de landelijke BIS subsidie als productiehuis (3) en

debatcentrum (1) en zullen hun financiering van het Rijk (ruim € 2,6

mln.) verliezen. Van 13 podia is de gemeente of het stadsdeel

33


eigenaar. Een aantal buurtaccommodaties is de afgelopen

ondersteund vanuit het deelprogramma Buurtaccommodaties van het

AFK. Het aantal podia in Amsterdam is aanzienlijk, het door de

gemeente gesubsidieerde deel is daarvan een derde. 10

De al lang geldende afspraken dat het Rijk de verantwoordelijkheid

neemt in het subsidiëren van de programmering en de gemeente de

accommodaties voor zijn rekening neemt, zijn door de

uitgangspuntennota van de staatssecretaris niet meer

vanzelfsprekend te continueren. De podia zullen in de breedte met

de gevolgen van de bezuinigingen geconfronteerd worden:




door de bezuiniging op de podia zelf, waarvan de omvang nog

onzeker is;

door de verhoging van de toegangsprijzen als gevolg van de Btwverhoging

naar 19% die mogelijk zal leiden tot minder bezoekers;

door het wegvallen van bespelers en de problemen die ontstaan

bij de programmering.

10 Het onderzoek van SEO “Voorstelling van uitvoeringen” (juni 2008) ging uit van een

totaal aantal stoelen in 2007 van 65.000 en een gemiddeld bezettingspercentage van

67,9% in 74 accommodaties.

34


Overzicht en budget

Vast- Huidig Subsidie

Bezuiniging Nieuw

Instelling goed OCW Kunstenplan Totaal OCW/FPK OCW/FPK

1 Felix Meritis KP 0 145.000 145.000

2 Tropentheater KP 0 161.276 161.276

3 Podium Mozaiek KP 0 218.967 218.967

4 Muziektheater x KP 0 5.810.050 5.810.050

5 Stadsschouwburg Amsterdam x KP 0 6.630.510 6.630.510

6 De Kleine Komedie x KP 0 595.170 595.170

7 Rozentheater x KP 0 444.900 444.900

8 Theater Bellevue x KP 0 1.380.110 1.380.110

9 Theater de Engelenbak x KP 0 734.840 734.840

10 Theater het Amsterdamse Bos x KP 0 227.620 227.620

11 Vondelpark Openluchttheater x KP 0 145.780 145.780

12 Bimhuis x KP 0 1.309.975 1.309.975

13 Noorderkerkconcerten KP 0 23.080 23.080

14 Sugarfactory KP 0 20.000 20.000

15 Muziekgebouw aan 't IJ x KP 0 3.560.366 3.560.366

16 Concertgebouw KP 0 1.142.710 1.142.710

17 Melkweg x KP 0 970.350 970.350

18 Paradiso x KP 0 751.475 751.475

19 De Balie x KP/exBIS 242.605 655.200 897.805 242.605 0

20 Frascati x KP/exBIS 777.933 1.886.040 2.663.973 777.933 0

21 Hetveem theater KP/exBIS 437.196 160.940 598.136 437.196 0

22 MC KP/exBIS 1.209.678 746.470 1.956.148 1.209.678 0

TOTAAL PODIA 2.667.412 27.720.829 30.388.241 2.667.412 0

Keuzes





Wat is huidige bezettingsgraad van de podia en wat zijn de

prognoses voor de toekomst?

Wat zijn de (indirecte) consequenties voor de podia door het

wegvallen van bespelers? Waar zijn die consequenties vooral te

verwachten?

Wat betekent dit voor de gemeente als gebouweigenaar en welke

risico’s loopt de gemeente daarbij financieel.

Hoe moet in het komende Kunstenplan het beleid ten aanzien van

buurtaccommodaties verhelderd worden ook ten opzichte van het

AFK: is het zoals het AFK bepleit zinvol te kiezen voor inzetten op

een beperkter aantal accommodaties met een kwalitatieve

culturele programmering? Welke functies moeten vooral

gestimuleerd worden en is daarvoor het Kunstenplan het

geschikte instrument?

Voor de podia in Amsterdam zullen ingrijpende hervormingen nodig

zijn. Daarbij moet gedacht worden aan:

35


Vormen van samenwerking tussen podia onderling (op het gebied

van programmering, marketing, backoffice)

Nauwe samenwerking of fusies tussen podia en bespelers

Clustering van podia en gezelschappen op sterke locaties

Vastgoed

Vóór 2008 werd cultureel vastgoedbeleid gekenmerkt door een ad

hoc beleid, waarbij de gemeente meermaals werd geconfronteerd

met onvoorziene onderhoudskosten bij culturele instellingen. In

maart 2008 heeft de gemeente de nota Cultuur onder Dak

vastgesteld. Deze nota heeft geleid tot een meer structurele aanpak

van het cultureel vastgoedbeleid.

41 gesubsidieerde instellingen zijn gehuisvest in een gebouw dat

bezit is van de gemeente (centrale stad of stadsdeel). Van 39

instellingen is in de afgelopen 3 jaar circa 10,5 miljoen euro in de

onderhoud van het gebouw geïnvesteerd.

In de nota Cultuur onder Dak van 2 maart 2010 wordt op basis van

de ontvangen meerjaren onderhoudsplannen van de culturele

instellingen geconstateerd, dat dankzij de (financiële) inspanningen

van de afgelopen jaren het cultureel vastgoed in Amsterdam op dit

moment op een voldoende niveau is en daarmee het urgent en

achterstallig onderhoud is weggewerkt.

Wel laten de meerjaren onderhoudsplannen van de culturele

instellingen zien dat de culturele instellingen jaarlijks een bedrag van

€ 8 miljoen tekort komen om het geplande onderhoud uit te voeren.

Bij het uitblijven van een oplossing voor dit tekort zal het urgent en

achterstallig onderhoud in de komende jaren weer toenemen.

Naast dit geconstateerde tekort zullen de forse rijksbezuinigingen de

gemeente dwingen opnieuw naar het cultureel vastgoedbeleid kijken.

De afspraken uit het verleden waarbij het Rijk de

verantwoordelijkheid neemt in het subsidiëren van de programmering

en de gemeente het gebouw voor zijn rekening neemt, zijn door de

uitgangspuntenbrief van de staatssecretaris niet meer

vanzelfsprekend te continueren.

Zoals verwoord in de Kadernota 2012 zal het college nadrukkelijk

kijken naar het gemeentelijk bezit van cultuurgebouwen. De

krimpende budgetten voor instellingen roept de vraag op wat dit

36


etekent voor de gemeente als gebouweigenaar en welke risico’s de

gemeente daarbij financieel loopt. Zowel het bezit als de exploitatie

van cultuurgebouwen zullen heroverwogen moeten worden.

In de Hoofdlijnennota 2013-2016 zal dit vraagstuk worden

beantwoord. Hierbij zullen de uitgangspunten uit de nota Cultuur

onder Dak opnieuw tegen het licht worden gehouden. Daarnaast zal

in de Hoofdlijnennota worden verwoord op welke wijze het cultureel

vastgoedbeleid wordt geïntegreerd in de subsidiëring van culturele

instellingen.

Keuzes

Eigenaarschap: van welke panden blijft de gemeente eigenaar?

Welke panden kunnen en moeten worden verkocht?

Creëren van een onderhoudsfonds: moet er een aparte subsidie

worden opgezet voor zowel eigenaarsonderhoud als

huurdersonderhoud?

Een nader onderzoek naar mogelijke kostenbesparing door

gezamenlijke opslag, inkoop en delen van kantoorruimtes

Onderzoek naar een Vastgoedfonds en coalitiemodellen

37


Bijlagen

1 De vier ambities van de periode 2009 – 2012

2 Samenvattingen adviezen kunstschouwen

3 Samenvatting Verkenning AKR

4 Raamwerk voor kwaliteit

5 Cultuurmonitor 2010 (apart meegezonden)

6 Verkenning AKR (apart meegezonden)

7 Advies Paul Collard (apart meegezonden)

8 Advies Görgün Taner (apart meegezonden)

9 Rapport Marlet De waarde van kunst en cultuur in Amsterdam

(apart meegezonden)

38


Bijlage 1 De vier ambities van het Kunstenplan 2009 – 2012

Centraal in het Kunstenplan 2009 – 2012 staan vier ambities:

Wereldklasse, Prachtstad, Laboratorium en Talentontwikkeling. Deze

ambities waren eerder in de Hoofdlijnennota uitgewerkt als kader

voor de aanvragen en de toekenning van subsidies. In de

Hoofdlijnennota 2009 – 2012 is aan instellingen gevraagd ‘zich te

verhouden’ tot de ambities. Elke instelling heeft dat gedaan op een

manier die voor de instelling passend lijkt bij zijn kernactiviteit en bij

de hoeveelheid subsidie die de instelling (in verhouding tot andere

bijdragen) van de gemeente krijgt. Daarnaast zijn er in de

Hoofdlijnennota bij elke ambitie gemeentelijke doelen of activiteiten

opgenomen. Instellingen hebben in veel gevallen bij de uitvoering

van hun plannen de ambities van de stad betrokken.

Er zijn ook zaken die in het Kunstenplan 2009 – 2012 zijn genoemd

(nog) niet uitgevoerd. Sommigen staan nog gepland voor de

komende jaren. Maar van anderen moeten we constateren dat het

budget ontbreekt omdat de gemeenteraad er bij de vaststelling van

het Kunstenplan voor gekozen heeft om een zo groot mogelijk deel

van het budget direct aan de instellingen toe te wijzen.

Wereldklasse

Onder Wereldklasse verstaan we: het mooiste en beste dat

Amsterdam te bieden heeft, instellingen van internationaal erkend

vakmanschap. Internationaal erkende instellingen, maar daarom niet

minder kwetsbaar. Daarom verdienen ook deze instellingen soms

extra steun. We moeten onze internationaal erkende kunstenaars

koesteren. Zulke instellingen en kunstenaars dragen immers bij aan

de status van Amsterdam als topstad, als gewilde vestigingsplaats

voor personen en bedrijven. 11

Deze ambitie is gericht op het verder ontwikkelen en benutten van

Amsterdam als cultuurstad van wereldklasse. De instellingen, al dan

niet opgenomen in het Kunstenplan, spelen in deze ambitie een

leidende rol; de gemeente stimuleert en legt relaties op

internationaal niveau.

11 Deze en volgende beschrijvingen van de ambities staan in het Kunstenplan 2009-2012.

39


De kracht van Amsterdam als stad van wereldklasse wordt bepaald

door een aantal culturele instellingen van topniveau. Niet in de

laatste plaats dragen instellingen van wereldklasse bij aan de lokale

(culturele) economie. In de uitwerking van de ambitie Wereldklasse

is in het huidige Kunstenplan ingezet op een aantal maatregelen en

projecten. Omdat de gemeenteraad besloten heeft daarvoor geen

apart programmageld te reserveren, is een aantal projecten niet

opgepakt, zoals het stimuleren en faciliteren van de samenwerking

met partners in de zogenaamde herkomstlanden, en het

ondersteunen van Amsterdamse instellingen bij internationale

uitwisseling van artiesten, kunstenaars en kunstprofessionals. Op

een aantal gebieden zijn wel stappen gemaakt:




In 2009 is een gemeentelijk evenementenbeleid tot stand

gekomen inclusief een centraal evenementenloket. De

ondersteuning aan en coördinatie van evenementen is hierdoor

verbeterd. Tegelijk is afgesproken dat culturele evenementen

binnen het Kunstenplan worden gefinancierd.

Een groot aantal Amsterdamse instellingen heeft een artist in

residence programma. Ook op andere manieren wordt er gewerkt

aan het stimuleren van de groei van het aantal internationale

kunstenaars in Amsterdam. In de beleidsbrief Atelierbeleid 2010

is een nieuwe prioriteitsgroep aangemerkt, te weten de talentvolle

internationale kunstenaars. De intentie is dat deze groep ook

wordt geholpen bij het vinden van woonruimte. Bureau

Broedplaatsen in bezig met een onderzoek naar de meerwaarde

van een House of International Artists of Tomorrow (HIAT).

Vanuit het kunst- en cultuurbeleid is een bijdrage geleverd aan de

culturele ontwikkeling van en de visievorming op het

Museumplein, het Mr. Visserplein, het Leidseplein, de Zuidas en

de Beurs van Berlage (de Rode Loper). Op dit onderdeel van de

ambitie Wereldklasse kan en moet nog veel gebeuren. Als gevolg

van bezuinigingen is een aantal herinrichtinginitiatieven tijdelijk

stilgelegd.

De gemeente heeft in de afgelopen periode ook een aantal

bijeenkomsten georganiseerd met circa 30 Amsterdamse

kunstinstellingen en deskundigen op het gebied van citymarketing

om te komen tot een gezamenlijke aanpak voor de topinstellingen in

de stad. Daarbij is gebleken dat de instellingen vooral gebaat zijn bij

collectieve marketing, waarbij de gemeente een initiërende rol

speelt. Verder is geconstateerd dat voor sommige kunstsectoren

40


internationale ranking 12 en benchmarking zinvol is, maar dat deze

vormen van internationale toetsing voor andere sectoren moeilijk zijn

te realiseren.

Vanuit het programma Topstad is in de afgelopen periode een aantal

vooraanstaande culturele instellingen incidenteel gesteund, met

name in het kader van citymarketing. Op dit moment wordt er een

nieuw plan voor de Amsterdamse citymarketing gemaakt waarin

cultuur een grotere rol krijgt. Het Nederlands Uitburo werkt verder

aan Arts Holland, dat voorkomt uit Ardam. Dit is een initiatief van

toonaangevende kunstinstellingen in de Randstad om deze regio een

stevig cultureel profiel te geven.

De culturele alliantie heeft gewerkt aan de plaatsing van de

Amsterdamse grachtengordel op de Unesco Werelderfgoedlijst. Op

verzoek van de gemeente werkt Martijn Sanders sinds januari 2011

samen met culturele instellingen, de toeristische sector en het

bedrijfsleven een plan van aanpak uit voor de viering van het

bestaan van 400 jaar grachten in 2013.

Prachtstad

De ambitie Prachtstad betekent, dat we kunst dáár moeten

stimuleren waar ze ontstaat. Cultuur draagt bij aan de

zeggingskracht van de stad en het is onze grootstedelijke

verantwoordelijkheid om daarbij verder te kijken dan het centrum.

De ambitie Prachtstad richt zich op de totstandkoming van een

weefsel van culturele verbindingen in de stad. Er wordt geïnvesteerd

in het creëren van nieuwe culturele omgevingen, zowel sociaal als

fysiek: cultuur en culturele instellingen worden betrokken bij

gebiedontwikkeling. Instellingen worden gestimuleerd om nieuw

publiek te bereiken op nieuwe plekken in de stad. Culturele

buurtaccommodaties die uitnodigen tot actieve en passieve

participatie door buurtbewoners worden ondersteund. Er gaat meer

aandacht uit naar kunst in de openbare ruimte en er wordt gezorgd

voor continuïteit voor amateurkunst in gezelschapsverband.

12 Kunstschouw Taner adviseert in zijn rapport om af te zien van ranking van steden.

Tegenwoordig wordt volgens Taner niet meer gesproken in termen van ‘leading positions’

van steden maar van ‘interconnected cities’ die elkaar stimuleren en samenwerken.

41


Instellingen hebben in de lijn van deze ambitie nieuwe doelgroepen

proberen te bereiken. Er zijn de laatste jaren successen geboekt met

het creëren van nieuwe culturele omgevingen. Hierin kan een

onderscheid gemaakt worden tussen omgevingen met een

grootstedelijke functie, zoals Museumplein, Oosterdokseiland en het

Leidseplein en buurtgerichte culturele locaties, zoals de Tolhuistuin,

het gebied rondom het Bijlmerparktheater en Timorplein. Voor een

groot deel viel de ontwikkeling van culturele omgevingen ook samen

met de stedelijke vernieuwing. Het effect van deze spreiding van de

culturele instellingen is dat de afstand tussen instelling en bezoeker

kleiner wordt. Het rapport ‘Voorstelling van uitvoeringen’ van het

SEO stelt dat er een verband bestaat tussen de reistijd en de

waardering van en bereidheid voor podiumbezoek. De verbinding

van verschillende soorten functies in een omgeving blijkt een

succesfactor te zijn voor gebiedsontwikkeling.

Naast de steun vanuit het Kunstenplan voor een aantal

buurtaccommodaties voert het AFK het deelprogramma

Buurtaccommodaties uit. Culturele buurtinstellingen die zich willen

professionaliseren kunnen een beroep doen op deze regeling. De

gemeente ziet deze instellingen als plekken waar de culturele

loopbaan van veel kinderen en jongeren begint, dichtbij,

laagdrempelig en met een toegankelijke programmering. Paul

Collard bevestigt dit beeld in zijn advies, en noemt ook de verbinding

met de ouders als belangrijke reden om buurtaccommodaties als

eerste stap in talentontwikkeling te zien. Het AFK geeft aan dat

vanuit de uitvoering van het programma een vaste groep van

ongeveer 15 instellingen een beroep doet op de regeling. Een deel

van de instellingen is zo succesvol dat zij na ondersteuning nu

onafhankelijk van het AFK hun activiteiten op het beoogde niveau

kan voortzetten; een ander deel blijft behoefte houden aan

structurele ondersteuning, terwijl de exploitatie moeizaam blijft en

het aanbod niet de gewenste kwaliteit heeft. Het AFK pleit er daarom

voor om te kiezen voor een kleiner aantal goed functionerende

buurtinstellingen met een culturele programmering van goed niveau.

Dit wordt ook door Ann DeMeester geadviseerd in haar verslag We

dromen te hard (februari 2010).

Wat betreft kunst in de openbare ruimte legt het Kunstenplan vooral

de verantwoordelijkheid bij de gemeente. In samenwerking met de

stadsdelen is er inmiddels een startvisie opgesteld, die nog moet

worden uitgevoerd.

42


De amateurkunst wordt door het Kunstenplan op drie onderdelen

ondersteund. Al vele jaren verstrekt de gemeente Amsterdam

jaarlijks de waarderingssubsidie Amateurkunst aan ongeveer 250

amateurkunstinstellingen. Ten tweede is er in 2005 de campagne

‘Centen voor Talenten’ gestart om de verschillende

subsidieregelingen meer bekendheid te geven. Het is niet duidelijk of

deze campagne tot een stijging van de aanvragen heeft geleid. Een

ander onderdeel van het Kunstenplan is de inrichting van

servicepunten voor amateurkunst (SAKA). Inmiddels zijn er vier

servicepunten verspreid over de stad.

Laboratorium

Het laboratorium is een proeftuin waar kunstenaars en creatieven

kunnen experimenteren, zonder dat gelijk concrete resultaten

gewenst zijn. Het is een werkplaats waar naar oplossingen voor

urgente vraagstukken wordt gezocht, zonder dat meteen de druk van

de commercie en de markt om de hoek komen kijken. Steeds meer

kunst- en cultuurinstellingen creëren binnen hun

activiteitenprogramma een ‘lab’ of laboratoriumfunctie, een fysieke of

virtuele plek waar experiment en onderzoek centraal staan. Deze

laboratoriumfunctie bestaat binnen alle kunstdisciplines en zorgt

voor een voortdurende vernieuwing van deze disciplines zelf.

De ambitie Laboratorium staat in zijn algemeenheid voor ruimte voor

innovatie, onderzoek en experiment. Binnen de ambitie Laboratorium

zijn twee doelstellingen geformuleerd:



de vervlechting van ict, nieuwe media en kunsten.

het beter benutten van culturele diversiteit;

De vervlechting van ict, nieuwe media en kunsten is de kern van de

ambitie Laboratorium. Het gaat om projecten waarbij uitgaande van

de artistieke inhoud verbindingen tussen ict (digitalisering) en nieuwe

domeinen tot stand worden gebracht. Vanuit de cultuursector werd

de aandacht voor de ambitie Laboratorium gewaardeerd omdat deze

ambitie recht deed aan de toenemende invloed van digitalisering op

alle maatschappelijke domeinen en de ‘aanjaagfunctie’ die kunst en

cultuur hierin speelt. Een aantal instellingen die zich expliciet een

‘lab’ noemen is in het Kunstenplan opgenomen.

Ook de Dienst Economische Zaken (EZ) en het programma Topstad

hebben in deze vervlechting geïnvesteerd vanwege het belang van

43


innovatieve digitale ontwikkelingen voor Amsterdam en vanuit het

idee dat EZ en Topstad investeren in de creatieve industrie. Topstad

was er op gericht Amsterdam als vestigingsplaats te verbeteren en

deed dat onder meer door Amsterdam als ‘creatieve stad’ nog beter

op de kaart te zetten. Binnen het speerpunt ‘Faciliteren van creatieve

talenten, doorgroeiers en cross-overs’ heeft Topstad een groot

aantal projecten gesteund, waaronder het internationale

crossmediafestival Picnic.

Wat de creatieve industrie betreft werd er geconstateerd dat de

creatieve industrie nog onvoldoende een afspiegeling is van de

samenstelling van de bevolking van Amsterdam. Daarom was het de

inzet om niet alleen vanuit het perspectief van talentontwikkeling

activiteiten van deze jonge cultuurproducenten te ondersteunen,

maar hen ook daadwerkelijk economisch perspectief te bieden (link

met creatieve industrie). Met name binnen fashion en design zijn

veel jonge makers van cultureel diverse achtergrond actief maar zij

weten de weg naar de professionele creatieve sector nog niet goed

te vinden.

Deze doelstelling is ten dele gerealiseerd, mede omdat het

programmabudget voor de ambitie Laboratorium door de

gemeenteraad is geschrapt. Hierdoor heeft o.a. de pilot Made in Fez,

gericht op nieuwe cross-culturele productontwikkeling, geen vervolg

gekregen. Wel is een beperkt aantal nieuwe instellingen in het

Kunstenplan opgenomen die zich specifiek richten op het faciliteren

van de aansluiting tussen jonge makers op het gebied van fashion

en design en de creatieve sector.

Talentontwikkeling

De ambitie Talentontwikkeling tenslotte is zonder twijfel de

belangrijkste van de vier. In de ontwikkeling van jonge mensen zijn

kunst en cultuur geen luxe-artikelen, maar een basisbehoefte. Ze

dragen bij aan harmonieuze zelfontplooiing en een gezond

zelfbewustzijn van de jongeren zelf – en daarmee aan vermindering

van de tweedeling van de stad. Instellingen die wij steunen laten de

enorme voordelen zien van opgroeien in een grote stad. Zij dragen

er toe bij dat jongeren kunnen zeggen: wat ben ik blij dat ik in

Amsterdam ben opgegroeid!

De ambitie talentontwikkeling onderscheidt vier fasen: kennismaken,

ontwikkelen, bekwamen en excelleren. Instrumenten in het

44


Kunstenplan zijn erop ingesteld om talentontwikkeling te

stimuleren/versterken. Het Kunstenplan telt 140 instellingen,

waarvan er ongeveer 50 zich in meer of mindere mate richten op

talentontwikkeling.

Kennismaken met cultuur, zowel actief als passief, wordt in

belangrijke mate via het onderwijs aangeboden. Op dit moment heeft

78% van de PO-scholen en 55% van de VO-scholen een

cultuureducatiebeleid opgezet. Met 95% van de scholen heeft

MOCCA een adviesrelatie.

Ter versterking van deze fase zijn twee instrumenten in het

Kunstenplan opgenomen: het Apolloloket en de XXXS-kaart. Het

Apolloloket heeft in de afgelopen twee jaar niet het beoogde effect

gehad. Er zijn veel extra projecten gesubsidieerd in plaats van

projecten die de samenhang in het beleid op het gebied van

talentontwikkeling bevorderden. Het beperkte succes en de

gemeentelijke heroverwegingen hebben er toe geleid dat het loket na

2010 is opgehouden te bestaan. De XXXS-kaart had als doel

jongeren in aanraking te brengen met kunst en cultuur en

kunstinstellingen met een nieuwe doelgroep. Het eerste doel is ten

dele behaald. In 2009 hebben 50.000 Amsterdamse jongeren deze

pas in hun bezit, waarvan 36% deze regelmatig gebruikt. Hiervan

gebruikt 12% de pas voor korting op cultuur (tegen 16% voor sport).

De grote meerderheid (90%) gebruikt de pas voor korting op een

bioscoopkaartje.

Op het gebied van ontwikkelen en bekwamen is er een aantal

instellingen dat zich richt op de ontwikkeling van een nieuwe

generatie podiumkunstenaars die buiten het kunstvakonderwijs hun

opleiding volgen. Op enkele uitzonderingen na is er geen direct

verband tussen activiteiten op het gebied van talentontwikkeling bij

deze instellingen en de doorstroom naar de opleidingen. De

verbinding met het kunstvakonderwijs heeft daarom minder vorm

gekregen dan in het Kunstenplan werd beoogd. Het Keurmerk

Talentontwikkeling is in 2009 ontwikkeld maar nog niet ingevoerd

omdat het op dit moment niet wenselijk is om een nieuwe organisatie

voor de invoering en monitoring op te zetten. Aan Paul Collard is

gevraagd te adviseren over het nut van een dergelijk keurmerk. Hij

adviseert de gemeente het keurmerk niet in te voeren. Zijn pleidooi

is niet te streven naar een standaard voor kwaliteit, maar naar

excellentie op specifieke doelen, en onder strakkere aansturing van

de gemeente.

45


Ten aanzien van ontwikkelen verschuift de focus naar het

buitenschoolse aanbod en de amateurkunst. Buurtaccommodaties

spelen hierin een rol. De gemeente blijft zich inzetten voor het

bevorderen van de continuïteit van amateurkunst in groepsverband

en let daarbij op spreiding in de stad en de diversiteit van de

samenstelling en het aanbod. Kwaliteit is ook binnen deze fase een

criterium. SAKA wordt sterker ingezet als instrument om

verbindingen te leggen tussen professionele kunsten en de

amateurkunst.

Bekwamen is aan de orde bij die instellingen die talenten, buiten de

traditionele wegen van kunstvakonderwijs, op een beroep in de

kunsten voorbereiden en ‘opleiden’. De gemeente wil een niveau

vaststellen waarop deze talenten begeleid worden. Het betreft dan

ook specifieke afspraken met betreffende instellingen over de

doorstroom, begeleiding en monitoring.

Voor de fase van excelleren legt het Kunstenplan meer dan bij de

andere fases de verantwoordelijkheid bij instellingen zelf: de

artistieke en zakelijke top wordt gevraagd de verantwoordelijkheid te

nemen om te investeren in toptalent, in het bijzonder onder de

‘nieuwe Amsterdammers’. Er is een aantal instellingen dat het

begeleiden van toptalent tot onderdeel van zijn beleid heeft gemaakt.

46


Bijlage 2 Het advies van de kunstschouwen

Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad ingestemd met de

nota de Nieuwe Kunstenplansystematiek. Een van de zeven

verbetervoorstellen is het aanstellen van twee visionaire

kunstschouwen als adviseur van het college en de gemeenteraad.

De gemeenteraad heeft op 7 juli 2010 ingestemd met de

opdrachtformulering en het profiel van de beide kunstschouwen. Op

8 september 2010 is de gemeenteraad akkoord gegaan met de

aanstelling van de heer Görgün Taner als kunstschouw

Wereldklasse en de heer Paul Collard als kunstschouw Vernieuwing.

Het college is verheugd over de beide adviezen en onder de indruk

van het vele werk dat de beide kunstschouwen in korte tijd

(september – december 2010) hebben verricht. Door een intensieve

consultatie van vele betrokkenen uit diverse sectoren (kunst en

cultuur, creatieve industrie, onderwijs) zijn de kunstschouwen erin

geslaagd een overtuigend – maar uiteraard niet volledig – beeld neer

te zetten van Amsterdam als een kleinschalige cultuurstad. Rijk aan

cultureel erfgoed, kunst en cultuur en met de potentie uit te groeien

tot een ‘world standard’ op het terrein van cultuureducatie.

Amsterdam kenmerkt zich volgens beide kunstschouwen door een

tolerant leefklimaat en pluriforme bevolkingssamenstelling. De

aantrekkingskracht van Amsterdam is gelegen in de hoge kwaliteit

van het aanbod en het evenwicht tussen de traditionele en de

hedendaagse kunst en cultuur. Zo zijn er de ‘grote vijf’ op het

Museumplein, die in alle toeristengidsen vermeld staan, als ook de

instellingen met een eigentijds kunstaanbod. De grote diversiteit en

bereikbaarheid van het kunstaanbod en de instellingen maken de

stad levendig en aantrekkelijk voor bewoners, bezoekers en

bedrijven. Ook niet-gebruikers hechten belang aan de aanwezigheid

van een breed en hoogwaardig kunstaanbod. Amsterdam is kortom

een leefbare stad, met een cultureel aanbod voor vrijwel iedereen

binnen handbereik. De gemeente investeert in het toegankelijk

maken van dit aanbod voor alle Amsterdammers, jong en oud.

Het college zal bovenstaande adviezen meenemen bij de

ontwikkeling van de Hoofdlijnennota 2013-2016 en de evaluatie van

het stelsel cultuureducatie in 2011.

47


Schouw Wereldklasse

De opdracht aan Görgün Taner was ‘het bestaande culturele

landschap dat Amsterdam als kunst- en cultuurstad van

wereldklasse definieert te beschouwen en daarbij een verbinding te

maken met het kosmopolitische karakter, de culturele pluriformiteit

en de veranderende demografische samenstelling van Amsterdam’.

De belangrijkste adviezen van Taner zijn als volgt samen te vatten:






Voorkom het ontstaan van gescheiden kunstwerelden en

verschillende artistieke kaders voor ‘oude’ en ‘nieuwe’

Amsterdammers. Gebruik algemeen geldende maatstaven voor

de beoordeling van de kwaliteit van kunst, creëer geen dubbele

standaarden. Zorg voor adviseurs die geëquipeerd zijn om

cultureel diverse aanvragen op artistieke kwaliteit te beoordelen.

Stimuleer kennisoverdracht tussen grote en kleine instellingen;

stimuleer en faciliteer samenwerking en communicatie tussen de

instellingen.

Gebruik internationalisering als strategie voor diversiteit,

marketing en kwaliteit. Stimuleer podiumkunsteninstellingen om

internationale projecten te produceren.

Herzie de huidige subsidiesystematiek en stel prioriteiten. Het

huidige beleid leidt tot versnippering en biedt de instellingen

onvoldoende mogelijkheden om te excelleren.

Het hedendaagse kunst en cultuuraanbod, het cultureel erfgoed

van de toekomst, moet ondersteund worden. Er is voldoende

ervaring en potentie aanwezig in de stad op bijvoorbeeld het

gebied van internationale samenwerking.

Schouw Talentontwikkeling

De opdracht aan Paul Collard was ‘de innovatie op de raakvlakken

van kunst en cultuur, onderwijs en creatieve bedrijvigheid te

beschouwen en daarbij een verbinding te maken met de

aantrekkelijkheid van de stad voor talent, de scharnierfunctie van het

onderwijs (van cultuureducatie in het basisonderwijs tot creatieve

topopleidingen) en kansen voor creatieve partnerschappen tussen

de genoemde domeinen’.

De belangrijkste graadmeter voor sociale vooruitgang zijn onderwijs

en werk. In zijn advies richt Collard zich op deze motoren voor

sociale vooruitgang en onderzoekt hoe cultuureducatie en

talentontwikkeling met deze motoren verbonden kunnen worden. Hij

48


stelt dat Amsterdam een indrukwekkend programma voor

talentontwikkeling en cultuureducatie heeft en van daaruit kan

streven naar het neerzetten van een ‘world standard’ om kinderen

hun talenten te laten ontwikkelen en hun potentieel te laten benutten.

De aanbevelingen van het rapport zijn erop gericht de impact van het

programma voor cultuureducatie nog te versterken.

Samengevat beveelt Collard aan dat:










jongeren een actievere rol krijgen bij het vormgeven van de

culturele programma’s van instellingen en de opzet van het

nieuwe Kunstenplan;

ouders meer bewust worden gemaakt van de culturele

mogelijkheden die de stad biedt; zij moeten gestimuleerd worden

om actief deel te nemen aan het culturele leven van hun kinderen;

de infrastructuur van de culturele buurtaccommodaties in de

stadsdelen blijft behouden blijft.

bij allochtone ouders de bekendheid met carrières in cultuur

vergroot wordt vergroten zodat zij hun kinderen niet tegenhouden

om een dergelijke carrière na te streven;

cultuureducatie in het onderwijs wordt verbreed naar de creatieve

sector, zodat jongeren al vroeg kennis kunnen maken met de

soort banen in de creatieve industrie;

het gat tussen het VMBO en de kunstacademies wordt ingevuld

en hiervoor de expertise van THNK (initiatief voor Topopleiding

Creatieve Industrie) wordt ingezet;

coaches/mentoren worden ingezet (peer to peer) voor jongeren

die belangstelling hebben voor een loopbaan in de creatieve

sector.

kunst en cultuur effectiever ingezet worden om verbeteringen in

het onderwijs in het algemeen en taal en rekenen in het bijzonder

te ondersteunen;

er een nieuwe, vereenvoudigde en gestroomlijnde structuur voor

cultuureducatie wordt vormgegeven om de impact van culturele

programma’s op jongeren te verbeteren.

49


Bijlage 3 De verkenning van de Kunstraad

De verkenning is halverwege de Kunstenplanperiode opgesteld en is

een van de pijlers voor de komende Hoofdlijnennota. De verkenning

kijkt vanuit een breed perspectief naar de Amsterdamse kunstsector

als één geheel en laat disciplinegebonden problematiek in aanzet

buiten de beschouwing. Op deze wijze wil de raad zicht krijgen op de

kern van de vraag en tot kernachtige adviezen komen.

De raad noemt Amsterdam de onbetwiste culturele hoofdstad van

Nederland. Als cultuurstad kan Amsterdam zich meten met andere

Europese hoofdsteden. Er is een breed en veelzijdig aanbod van

erfgoed, musea, podiumkunsten en festivals dat zowel binnen- als

buitenlandse bezoekers en creatieven aantrekt.

Een succesvolle aanbieder is volgens de raad te herkennen aan de

volgende kenmerken:

1 Hij heeft een bijzonder aanbod.

2 Hij boeit en bindt publiek.

3 Hij heeft zijn artistieke bedrijf op orde.

De Kunstraad concludeert dat het aanbod, het publiek en het eigen

ondernemerschap de komende jaren de grote uitdagingen worden

voor de Amsterdamse kunstsector. Kunstaanbieders hebben te

maken een afnemend draagvlak voor kunst en cultuur en een zich

terugtrekkende overheid. Economische en demografische

ontwikkelingen en concurrentie van collega-aanbieders stellen hen

voor uitdagingen en problemen. Een balans tussen motivatie, missie

en publieksfunctie is noodzakelijk in deze tijden. Voor instellingen

betekent dit dat zij zich bewust dienen te zijn van hun eigen positie

binnen de sector, de meerwaarde die zij hebben voor de stad en of

zij in staat zijn om publiek aan zich te binden. Volgens de Kunstraad

moeten instellingen onderzoeken of hun aanbod voldoende aansluit

bij de wensen en smaken van het publiek. Het is belangrijk dat

instellingen weten wie hun doelgroepen zijn, hoe groot deze zijn, wie

hun concurrenten zijn en waarin zij zich kunnen onderscheiden.

Echter, bij kunst kunnen publieksaantallen niet altijd gelden als

criterium voor succes of subsidie. Experimentele kunst, waarbij

innovatie, onderzoek en de intrinsieke waarde voorop staan, zijn

belangrijk voor Amsterdam. Dit wordt ondersteund door het

50


gemeentelijke broedplaatsenbeleid en de subsidiering van

productiehuizen.

Deze tijden vragen om een nieuw type cultuurbedrijf dat gefinancierd

wordt door een mix van eigen inkomsten en publieke en private

investeringen. De moderne cultureel manager stuurt op basis van het

beschikbare budget, gaat op zoek naar samenwerkingsverbanden en

spreekt de taal van sponsors en het bedrijfsleven. Het cultureel

vastgoedbeleid van de gemeente kan hierop inspelen door het

beschikbaar stellen van geschikte en betaalbare locaties voor

culturele instellingen. In sommige gevallen zou een cultureel pand

eigendom kunnen worden van de instelling en als basis dienen voor

exploitatie.

De Kunstraad acht het van belang dat het stadsbestuur helderheid

geeft over de keuzes die zij gaat maken in de volgende

Hoofdlijnennota. Als het bestuur kiest voor kunst als kernwaarde

ontstaat er urgentie voor de verbetering van de infrastructuur

(herinrichting van het Leidseplein) en een goed afstemming rond

evenementen (de rode loper van IDFA tijdens Winterland op het

Rembrandtplein). Dit creëert ook draagvlak voor collectieve promotie

en citymarketing. Verder kan de gemeente publiek-private

samenwerking en een geefcultuur door Amsterdamse burgers en het

bedrijfsleven stimuleren. Het volledige kunstenveld, gesubsidieerd

en niet-gesubsidieerd, vormt de basis voor het Kunstenplan.

De Kunstraad adviseert de gemeente om:




te kiezen voor investeringen in de top en de vruchtbare grond;

kies voor enkele topinstellingen en beloon kansrijke initiatieven.

Kies voor samenvoeging in plaats van nieuwe podia bouwen. Kies

voor buurtfuncties maar laat deze niet concurreren met

grootstedelijke internationale initiatieven.

te investeren in (volgende) generaties; investeer in een

gezamenlijke aanpak in het onderwijs op alle Amsterdamse

scholen. Zorg voor inbedding van talentontwikkeling,

amateurkunst en cultuureducatie voor volwassenen.

meetbare resultaten te financieren; beloon resultaten in plaats

van plannen. Maak eerst afspraken over inhoud, doelen,

organisatie en ondernemen en besluit daarna om te investeren of

te subsidiëren. De gemeente zou zelf ook voor een zakelijkere

houding moeten kiezen. Maatschappelijke opdrachten zouden

51


alleen gesteld moeten worden als het vertrekpunt en het

meetbare eindresultaat bekend zijn.

Kiezen voor kunst en cultuur als kernwaarde zal instellingen helpen

bij het vinden van een balans tussen aanbod, publiek en

ondernemen. Een integrale visie op het Amsterdamse kunstenveld

geeft de gemeente de sector de erkenning die meer betekent dan

een plek in het Kunstenplan. De Kunstraad wil een goede aangever

zijn in de voorbereiding op het Kunstenplan.

52


Bijlage 4 Kader voor kwaliteit

Richtlijn Doelen Inspanning / meetbare uitvoering

Artistiek

leiderschap

Aantoonbare artistieke visie

De visie is gebaseerd op een sectoranalyse en is

origineel en toekomstbestendig

De visie is vertaald in een businessplan, en is bekend

binnen de organisatie

Er is een programma van artistieke eisen

Zakelijk

leiderschap

Publieksbereik

Onderscheidende functie in cultureel

landschap, nationaal en internationaal

Goed, verantwoord en transparant

bestuur en toezicht

Eigen inkomsten in verhouding tot

activiteiten en subsidie

Monitoring van alle activiteiten

waarvoor subsidie wordt verleend

Goede staat van onderhoud van de

culturele gebouwen

Goed personeelsbeleid

Aanbod kwantitatief en kwalitatief

gericht op meer dan één doelgroep

Aanbod toegankelijk voor alle

Amsterdammers

Aantoonbare publiekstoename

Aantoonbare samenwerking met

partners in de stad

De programmering is vernieuwend en onderscheidt zich

van vergelijkbare instellingen binnen de zelfde sector

De programmering biedt ruimte aan diversiteit en

culturele verscheidenheid

De verantwoording wordt conform het handboek

aangeleverd

De instelling haalt tenminste 17,5% aan eigen

inkomsten

Elk jaar vindt een monitorgesprek plaats tussen

instelling en gemeente

Groot onderhoud is in de begroting opgenomen; de

instelling voert het MOP uit

Personeelsbeleid wordt cf. de CAO uitgevoerd

Het personeelsbeleid is gericht op ontwikkeling van

jong en nieuw talent

De doelgroepen zijn helder gedefinieerd in een

doelgroepanalyse (leeftijd, achtergrond, opleidings- of

onderwijsniveau)

De instelling heeft een strategie om nieuwe

doelgroepen te bereiken

De instelling heeft een strategie voor toegankelijkheid

en bereikbaarheid

De instelling investeert in haar klanten door gerichte

marketing

Informatie over publieksbereik is gedigitaliseerd

Er zijn strategische relaties met een wederzijdse

meerwaarde; groei van marktaandeel

53

More magazines by this user
Similar magazines