Vrolijk (2009), VERGANE GLORIE of NIEUW ELAN? - Frisse Blik

frisse.blik.com

Vrolijk (2009), VERGANE GLORIE of NIEUW ELAN? - Frisse Blik

VERGANE GLORIE of NIEUW ELAN?

De economische kracht van de agribusiness

in Noord-Nederland, in het bijzonder de

provincie Groningen

rapport in opdracht van de Provincie Groningen

Mei 2009

Hein Vrolijk

m.m.v.

Lourens Broersma (RuG)

Jouke van Dijk (RuG)

Bert Schudde (CAB)

Dirk Strijker (RuG)

CAB

Martinikerkhof 30

9712 JH Groningen

050-3115113

www.cabgroningen.nl

cab@cabgroningen.nl


Voorwoord

Dit rapport is geschreven in opdracht van de Provincie Groningen. Naar aanleiding van

een eerste versie, verschenen in oktober 2008, is op 25 maart 2009 voor dezelfde

opdrachtgever een strategische conferentie georganiseerd, om de diverse partijen die bij

de onderzochte problematiek betrokken zijn de gelegenheid te geven op het rapport te

reageren. Bijlage G bevat het programma van de conferentie. De deelnemers van de

conferentie staan vermeld in bijlage H.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 2 van 96

CAB - Groningen


Inhoud

VOORWOORD 2

INHOUD 3

1. INLEIDING 5

2. SPECIALISATIEPATROON 9

2.1 Inleiding 9

2.2 Een trendanalyse 10

2.3 Veranderingen in de samenstelling van de agrosector 16

2.4 Deelclusters 18

2.5 Samenvatting en conclusies 21

3: DRIE PORTER-ANALYSES 23

3.1 Inleiding 23

3.2 De diamant van Porter 24

3.3 Suiker 27

3.3.1 Inleiding 27

3.3.2 Het netwerk 29

3.3.3 De (thuis)markt 31

3.3.4 Productiefactoren 32

3.3.5. Economische orde 33

3.3.6 Slotbeschouwingen 35

3.4 Zetmeelaardappelen 37

3.4.1 Inleiding 37

3.4.2 Het netwerk 39

3.4.3 De (thuis)markt 41

3.4.4. Factorvoordelen 44

3.4.5. Economische ordening 45

3.4.6 Slotbeschouwingen 48

3.5 Consumptieaardappelen 49

3.5.1 Inleiding 49

3.5.2 Industrieaardappelen 51

3.5.3 Porter-analyse pootaardappelen 53

3.5.4 Slotbeschouwingen 58

3.6 Rol van de overheid 61

3.7 Conclusies 67

4. SCHUIVENDE PANELEN 69

4.1. Inleiding 69

4.2 De voedselverwerkende industrie in Groningen 69

4.3 In- en uitstroom van agro-bedrijven 72

5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 74

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 3 van 96

CAB - Groningen


BIJLAGEN 79

Bijlage A Literatuurlijst 80

Bijlage B Gesprekspartners 82

Bijlage C Vergelijking tussen Noord-Nederland en Noord-West Duitsland 83

Bijlage D Kenmerken van (het MKB) in de V&G-sector in Nederland 87

Bijlage E Leidt de coöperatieve structuur tot bulkproductie? 89

Bijlage F Enquête-formulier 91

Bijlage G Programma conferentie 94

Bijlage H Deelnemers conferentie 95

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 4 van 96

CAB - Groningen


1. Inleiding

Agribusiness is een van de zeven speerpuntsectoren die in de Strategische Agenda

2007-2013 door het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) worden

genoemd. Om verschillende redenen heeft deze sector een extra speciale plaats in de

Noordelijke economie.

• In combinatie met Life Sciences wordt Agribusiness een van de vier Pieken in de

Noordelijke Delta genoemd.

• Met de oprichting van het Carbohydrate Competence Center (CCC) heeft de

kennisontwikkeling op het terrein van koolhydraten en biokatalyse een nieuwe

impuls gekregen.

Agribusiness speelt een sleutelrol in de overgang naar een bio-based economy, zoals

wordt onderstreept in de recente regeringsnota “De keten sluiten - overheidsvisie op

de bio-based economy in de energietransitie”. De diverse problemen die het gebruik

van fossiele grondstoffen met zich meebrengen, maken het noodzakelijk dat

agrarische grondstoffen beter worden benut voor zowel food als allerlei vormen van

non-food. Dat laatste heeft wellicht onder meer tot gevolg dat de traditionele

scheidslijnen tussen voedingsector, chemie en energievoorziening (drie sectoren die

in Noord-Nederland, in het bijzonder in Groningen, een sterke positie lijken te

hebben) steeds meer gaan verdwijnen.

Deze kenmerken en ontwikkelingen bieden in principe volop kansen voor nieuwe

beleidsinitiatieven en voor nieuwe vormen van bedrijvigheid. Om deze nieuwe

mogelijkheden zo goed mogelijk te benutten is het nodig eerst een goed beeld te

krijgen van de kenmerken van en ontwikkelingen in de Noordelijke agribusiness, een

beeld dat momenteel nogal fragmentarisch is, en deels achterhaald door nieuwe

ontwikkelingen. Dat geldt vooral voor de provincie Groningen omdat daar de gevolgen

van enerzijds de aanpassingen van de EU-marktverordeningen voor suiker en

zetmeelaardappelen, anderzijds van de prijsstijgingen voor graan en andere

agrarische grondstoffen, het meest ingrijpend kunnen zijn.

Deze studie heeft als kernvraag: hoe staat het met de economische kracht van de

Noordelijke agribusiness, in het bijzonder in de provincie Groningen? Deze vraag past

in het huidige regionale beleid van de Nederlandse overheid waarin niet langer wordt

uitgegaan van een of andere achterstandsituatie van een regio (die door het

overheidsbeleid opgeheven moet worden), maar juist van de sterke sectoren of

clusters van die regio; de pieken in het economische landschap zoals ze tegenwoordig

worden genoemd.

Naast de energiesector wordt de agrosector vaak als paradepaardje van de provincie

Groningen gezien. Staat de energieproductie in deze provincie vooral hoog op de

politieke agenda sinds de ontdekking van de gasvoorraden bij Slochteren in 1959, de

sterke positie van de Groningse landbouw dateert van veel vroeger (zie box 1.1). De

vraag is of Groningen nog steeds zo sterk is in landbouw en daarmee verwante

bedrijfstakken, zoals de voedselverwerkende industrie, ook wel bekend als voedingen

genotmiddelenindustrie (V&G-sector), en de verschillende toeleverende diensten en

producten. Het geheel van activiteiten die op een of andere manier te maken hebben

met agrarische grondstoffen wordt aangeduid als agrosector, -cluster of -complex,

agri- of agrobusiness, food & agri, of agrofood. Deze benamingen worden in dit

rapport door elkaar gebruikt, met soms accentverschillen; zo wordt de term agrofood

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 5 van 96

CAB - Groningen


gebruikt als het alleen gaat over toepassingen van landbouwproducten in voedsel, en

niet om toepassingen in non-food.

Box 1.1: Oude glorie

“Degenen, die hier te lande na 1820 verbetering van de landbouwtechniek bepleitten, vonden

bij de Groningse boeren het meest gehoor. Van alle zeekleistreken gingen het Oldambt,

Fivelingo, Hunsingo en het Westerkwartier het eerst tot modernisering over …..” aldus J.P.

Bouman in zijn beschrijving van de landbouw op de zeeklei in het boek “Geschiedenis van de

Nederlandse landbouw 1795-1940” (Sneller 1951, p. 300)

In hetzelfde boek beschrijft Baert de opkomst van het landbouwonderwijs in Nederland. Nadat

de invoering van het nieuwe universitaire vak landhuishoudkunde, in 1815 op last van Willem I

(en dwingend voorgeschreven voor theologiestudenten!), geen succes bleek te zijn, werd in

1840 aan de hoogleraren in dit vak een nieuwe taak opgedragen: het geven van openbare

lessen. In Groningen, waar Van Hall doceerde, kwam er gaandeweg zoveel belangstelling van

niet-studenten dat daar de eerste Landhuishoudkundige School werd opgericht (in Haren); een

praktisch-theoretisch landbouwinstituut zoals er toen al zovele waren in Duitsland (Baert 1951,

p. 220).

Aan de H.B.S. in het Noord-Groningse Warffum werd in 1870 een landbouwkundige afdeling

verbonden, en er werd zelfs overwogen om daar een rijksschool voor hoger landbouwkundig

onderwijs op te richten (van der Haar 1993). De betreffende docent, de Duitser Otto Pitsch,

werd echter naar Wageningen gelokt, waar de toenmalige burgemeester voortvarend te werk

was gegaan om de eerste (en naar later bleek enige) Rijkslandbouwschool binnen de

gemeentelijke grenzen te krijgen. Dat werd later de Landbouwhogeschool en is nu de

Wageningen Universiteit & Research (WUR).

Groningen moest genoegen nemen met een Middelbare Landbouwschool, die later de Hogere

Landbouwschool Van Hall werd. In het Herenakkoord tussen Wiegel en Vonhoff werd onder

meer geregeld dat deze onderwijsinstelling zou worden overgeplaatst naar Leeuwarden, waar

het nu Van Hall/Larenstein heet, en een onderdeel van de WUR is geworden. Sindsdien is er

geen hogere opleiding voor landbouw in de provincie Groningen meer.

In Groningen stond ook de wieg van het BLGG, het grootste agrarische laboratorium in

Nederland, met momenteel ongeveer 250 mensen in vooral Oosterbeek en Wageningen, en met

ook vestigingen in het buitenland. In de jaren twintig ontwikkelde het Rijkslandbouwproefstation

te Groningen methoden om het ‘producerend vermogen’ van de grond te onderzoeken. Om

tegemoet te komen aan de wens van veel Groningse boeren om hun grond te laten

onderzoeken, werd in 1928 een apart laboratorium, het huidige BLGG, opgericht. De

vooruitstrevendheid van de Groningse landbouwers blijkt verder uit het feit dat in 1881 het

eerste Nederlandse bemestingsproefveld werd aangelegd door Arend Mulder, een 23-jarige

landbouwer uit Sappemeer.

Door deze inspanningen, maar ook door de Krimoorlog die de graanprijzen tot grote hoogten

bracht, was er in het midden van de 19e eeuw een grote welvaart onder de Groningse boeren.

Potgieter noteerde op zijn reis door Groningen in 1855: “Zij troffen op het land welvaart aan, tot

weelde gesteigerd. Oogsten des overvloeds, zoowel van granen als van koolzaad, deden er

menige nog bruikbare bouwmanswoning slechten, opdat eene prachtige heerenboerenhuizinge

in hare plaats verrijzen mogt …(geciteerd in Sneller 1951, p. 61). Ook de Fransman De Laveleye

was in 1865 onder de indruk: “Nulle part je n’ai vu plus belle terre, couverte de plus riches

produits, que dans les polders … près du Dollard (idem).

De methode die in dit rapport wordt gehanteerd om de economische kracht van de

Groningse agribusiness te analyseren, is ontleend aan Michael Porter. In zijn boek

“The Competitive Advantage of Nations” (Porter 1990) wijst hij op het verschijnsel dat

in tal van bedrijfstakken de meeste sterke ondernemingen afkomstig zijn uit slechts

één land of regio. Vaak zijn de leidende ondernemingen bij wijze van spreken buren

van elkaar. Er is met andere woorden vaak sprake van een geografische specialisatie

in de productiestructuur. Blijkbaar beschikt een regio of land over specifieke

comparatieve voordelen die ervoor zorgen dat de bedrijven uit die regio het beter

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 6 van 96

CAB - Groningen


doen bij bepaalde economische activiteiten dan hun concurrenten uit andere regio’s of

landen.

In een recente studie waarin de economische kracht van een zevental Nederlandse

agrosectoren is onderzocht (Snijders et al 2007) werd deze Porter-hypothese

grotendeels bevestigd. Zo kent de Zaanstreek een concentratie van leidende

ondernemingen in de cacaosector. Andere regionale concentraties zijn Zeeland

(Yerseke) bij verse mosselen, het Westland en Aalsmeer bij snijbloemen, en Oost-

Brabant bij varkens.

Het boek van Porter bevat ook een analysekader met behulp waarvan kan worden

verklaard waarom een bepaalde regio comparatieve voordelen heeft in een bepaalde

bedrijfstak of groep van bedrijfstakken. Deze zogeheten Diamant van Porter wordt in

hoofdstuk 3 beschreven, en toegepast voor enkele bedrijfstakken die in sterke mate

zijn geconcentreerd in de provincie Groningen.

De centrale vraag – hoe staat het met de economische kracht van de agrosector in

Noord-Nederland, in het bijzonder de provincie Groningen – wordt in dit rapport in

twee stappen beantwoord.

1. In hoeverre is de agrosector een specialisatie van Noord-Nederland, en voor welke

onderdelen van de Noordelijke agrosector geldt die specialisatie? Deze vraag

wordt in hoofdstuk 2 beantwoord.

2. Hebben de Noordelijke of Groningse specialisaties een economisch duurzaam

karakter, in de zin dat zij zijn gebaseerd op de comparatieve voordelen van deze

regio die volgens de Diamant van Porter kunnen worden onderscheiden

(hoofdstuk 3).

Met deze Porter-analyse onderscheidt deze studie zich van eerdere onderzoeken en

rapporten die over de Noordelijke agrosector zijn gemaakt. En dat zijn er nogal wat,

de afgelopen jaren. In chronologische volgorde: Vlieger en Van der Sluis (2000), Smit

et al (2004), Van Leeuwen (2005), ABN-AMRO (2006), Beerenschot (2006), CAB

(2007) 1 .

De onderhavige studie kenmerkt zich verder door een combinatie van:

• Een globale historische analyse (2.2) en een detailleerde momentopname over de

samenstelling van de Noordelijke agrosector (2.4)

• Statistische data, en kwalitatieve informatie uit literatuur (bijlage A) en interviews

(bijlage B)

• Naast secundaire data ook primaire data (enquête)

• Analyses op (inter)nationaal, regionaal, bedrijftak- en bedrijfsniveau

• Naast de drie Noordelijke provincies, in het bijzonder Groningen, is ook een korte

verkenning gemaakt van Noordwest Duitsland (bijlage C)

Dit rapport beperkt zich voornamelijk tot een analyse van het inkomen en de

werkgelegenheid die worden gegenereerd door de landbouw en de daarmee

samenhangende activiteiten. De landbouw heeft ook tal van andere functies die

minder gemakkelijk in getallen (kunnen) worden uitgedrukt. Zo kan worden gedacht

aan landschap-, natuur en waterbeheer, aan haar bijdrage aan allerlei klimaat- en

milieudoelstellingen (bio-energie, koolstofvastlegging), de mogelijkheden voor

recreatie/toerisme en aangepaste zorg, en zelfs bron voor zingeving en esthetiek

(voor een recente verhandeling over de vele gezichten van de landbouw, zie Klijn

1 De drie laatstgenoemde rapporten beperken zich overigens niet tot de agrosector. De overige drie rapporten

zijn geschreven door medewerkers van het Landbouw Economisch Instituut (LEI). Opvallend is dat in geen van

deze rapporten naar de andere rapporten wordt verwezen; dat geldt zelfs voor de LEI-rapporten.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 7 van 96

CAB - Groningen


2008). Deze functies komen in dit rapport niet of nauwelijks aan bod, maar niet omdat

ze onbelangrijk zijn.

Het doel van deze studie is een beeld te krijgen van de zwakke en sterke kanten van

de Noordelijke/Groningse agribusiness met het oog op de (inter)nationale

economische ontwikkelingen in die sector. In die zin is deze analyse gericht op het

“Koers Noord” programma dat zich richt op versterking van de (inter)nationale

concurrentiekracht van de regio, en waarin agribusiness een van de regionale

speerpunten is. Hoewel ook bio-energie daarin past, blijft dit onderdeel hier buiten

beschouwing; de belangrijkste reden is dat daarover al voldoende bekend is, en dit

onderdeel zich moeilijk laat vergelijken met de overige onderdelen van de

agribusiness.

De opbouw van dit rapport is als volgt. Hoofdstuk 2 bevat een analyse van vooral

statistische gegevens, gericht op de vraag welke onderdelen van de agribusiness sterk

vertegenwoordigd zijn in Noord-Nederland, en Groningen in het bijzonder. Daarna

wordt in hoofdstuk 3 onderzocht of de Groningse specialisaties een economisch

duurzaam karakter hebben, in de zin dat zij zijn gebaseerd op de comparatieve

voordelen van deze regio (in termen van de Diamant van Porter). Voor deze

kwalitatieve analyse zijn vooral interviews en schriftelijke bronnen als input gebruikt.

Hoofdstuk 4 geeft op basis van een enquête (zie bijlage F) een overzicht van de

voedselverwerkende industrie in de provincie Groningen en een analyse van de

veranderingen die daarin gaande zijn. Het rapport wordt vervolgens afgesloten met

conclusies en aanbevelingen.

Bijlage A bevat de literatuur die bij deze studie is gebruikt. Bijlage B noemt de

personen die bij de totstandkoming van dit rapport een rol hebben gespeeld - als

gesprekspartner, informatiebron, commentator of inspirator.

Bijlage C geeft een vergelijking tussen Noord-Nederland en NW-Duitsland op het

gebied van agribusiness. Bijlage D bevat een korte analyse van de Nederlandse

voedingsmiddelenindustrie. In bijlage E wordt ingegaan op de invloed op de

concurrentiekracht die uitgaat van de coöperatieve structuur, die bij veel Nederlandse

agrobedrijven wordt toegepast. Bijlage F bevat de vragenlijst dat bij de enquête in

hoofdstuk 4 is gebruikt.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 8 van 96

CAB - Groningen


2. Specialisatiepatroon

2.1 Inleiding

Er zijn grofweg twee manieren om het specialisatiepatroon van een regio of land in

kaart te brengen. De eerste is om te kijken naar de producten die het goed doen in de

internationale concurrentie. De meest gebruikte indicator daarbij is het aandeel in de

wereldexport; dit is het gedeelte van de wereldproductie dat internationaal wordt

verhandeld en daarom te maken heeft met buitenlandse concurrentie. Landen met een

hoog aandeel op de wereldexportmarkt hebben blijkbaar voor de betreffende

producten een comparatief voordeel, want alleen op die manier kunnen de bedrijven

uit die landen het winnen van de buitenlandse concurrenten (Porter 1990). Uit een

inventarisatie van de Rijksuniversiteit Groningen in opdracht van de Taskforce

Economie van het ministerie van LNV blijkt dat Nederland vooral een comparatief

voordeel heeft bij agrarische producten. De top-100 van de Nederlandse producten die

in 2003 een relatief hoog aandeel in de wereldexport hadden, bestaat voor de helft uit

producten die zijn gebaseerd op landbouwgewassen (Jacobs en Lankhuizen 2005 en

2006). Het nadeel van deze methode is dat sommige producten zich minder lenen

voor export (productie in Nederland en verkoop in het buitenland) en meer voor

andere vormen van internationalisering, zoals verkoop van licenties en FDI (foreign

direct investment) waarbij niet alleen de verkoop maar ook de productie in het

buitenland plaatsvindt.

In de onderhavige studie wordt een andere methode gebruikt, omdat er op regionaal

of provinciaal niveau geen statistische gegevens zijn over de exportpositie van de

producten die in de regio worden geproduceerd. Hierbij wordt gekeken naar het

specialisatiepatroon van Noord-Nederland: welke producten of bedrijfstakken hebben

daar een relatief hoog aandeel (gekregen), vergeleken met de rest van Nederland. Het

lijkt aannemelijk dat Noord-Nederland, of Groningen in het bijzonder, voor die

producten of bedrijfstakken een comparatief voordeel heeft. Of dat werkelijk zo is en

waar dat comparatieve voordeel op is gebaseerd, moet vervolgens worden onderzocht

met behulp van de zogeheten Diamant van Porter (1990). Dit analysekader wordt in

het volgende hoofdstuk gebruikt, en daar ook beschreven.

In paragraaf 2.2 kijken we naar de trend in de werkgelegenheidsontwikkeling in de

landbouw en de voeding- en genotmiddelenindustrie vanaf 1950. Daarna worden in

paragraaf 2.3 ook andere onderdelen van het agrocluster in de analyse betrokken, en

kijken we naar een andere indicator: de bijdrage van de diverse onderdelen in de

toegevoegde waarde. In par. 2.4 gaat de aandacht naar de bijdrage van verschillende

deelclusters, zoals akkerbouw en veehouderij, in het Noordelijke agrocluster. Tot slot

worden enkele conclusies getrokken.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 9 van 96

CAB - Groningen


2.2 Een trendanalyse

In deze paragraaf kijken we naar de ontwikkeling van het aandeel van de agrosector

in de werkgelegenheid vanaf 1950. De agrosector bestaat hier uit de landbouwsector

in combinatie met de voedingsmiddelenindustrie. In paragraaf 2.3 zal blijken dat het

agrocluster ook andere onderdelen van de economische structuur omvat, maar bij

lange tijdreeksen moeten we ons noodgedwongen beperken tot deze twee sectoren.

Figuur 2.1 Ontwikkeling werkgelegenheidsstructuur in Noord-Nederland 1950-2006

100%

Overige diensten

Overheid en onderwijs

80%

Transport

Overheid en onderwijs

60%

Handel en horeca

Bouw

Zakelijke diensten

Fin. dienst

40%

Industrie*

20%

Landbouw

0%

1950 1952 1954 1956 1958 1960 1962 1964 1966 1973 1975 1977 1988 1990 1992 1994 1996 1998 2000 2002 2004 2006

* Industrie, incl. delfstoffenwinning en nutsbedrijven

Bron: gegevens van CBS en provincies Groningen, Fryslân en Drenthe (bewerking RuG)

Figuur 2.1 geeft een algemeen beeld van de ontwikkeling van de werkgelegenheid in

Noord-Nederland vanaf 1950. Tot circa 1970 neemt het werkgelegenheidsaandeel van

de landbouw sterk af, als gevolg van het proces van mechanisatie en schaalvergroting

vanaf het begin van de 19 e eeuw, toen nog ongeveer de helft van de bevolking in de

landbouw werkzaam was.

Deze teruggang wordt aanvankelijk gecompenseerd door een sterke groei van de

industriële werkgelegenheid. Dat geldt zeker voor het Noorden waar er sprake is van

een inhaaleffect in de jaren ’50 en ’60. Vanaf de jaren ’70 vindt de groei van de

werkgelegenheid vooral plaats in de verschillende vormen van particuliere en publieke

dienstverlening. Vanaf de tweede helft van de jaren ’80 consolideert de industriële

werkgelegenheid in Nederland zich op ca. 1 miljoen banen. Als percentage van de

totale werkgelegenheid is het industrieaandeel in de periode 1980-2003 teruggelopen

van 20 naar 12 procent (Broersma en Van Dijk 2006, p. 1-5).

De ontwikkeling in het Noorden is met enige vertraging nagenoeg identiek aan die in

de rest van Nederland. Naast dit vertragings- of inhaaleffect is kenmerkend voor

Noord-Nederland dat – in de consolidatiefase - de industrie een iets hoger en de

commerciële diensten een wat lager aandeel hebben dan het Nederlandse gemiddelde

(Broersma en Van Dijk 2006, p. 9).

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 10 van 96

CAB - Groningen


In de analyse die hierna volgt, wordt het aandeel van de onderzochte bedrijfstakken

niet gerelateerd aan de totale economie maar alleen aan de werkgelegenheid in de

landbouw en de industrie, hierna aangeduid als agro-industriële werkgelegenheid. Op

deze manier wordt geabstraheerd van de belangrijkste naoorlogse trend van Westerse

economieën: de verschuiving in de werkgelegenheid van landbouw en industrie naar

dienstensector (zie figuur 2.1). Door deze trend buiten beschouwing te laten, kan

meer zicht worden gekregen op de veranderingen binnen de agro-industriële

werkgelegenheid, gemeten in het aantal voltijdbanen (fte’s).

Naast de dienstverlening, de (semi)overheid en de bouwnijverheid, blijft de

energiesector hier buiten beschouwing, omdat deze een zeer specifiek geografisch

patroon kent. Deze sector bestaat uit de delfstoffenwinning (uitsluitend aanwezig in

Noord-Nederland) en de nutsbedrijven.

Een derde aanpassing is ook het aantal zelfstandigen in de analyse wordt betrokken.

Vooral bij de landbouw hebben zelfstandigen een belangrijk aandeel in de

werkgelegenheid

Ten vierde iets over de restcategorie, hier aangeduid als overige industrie. Deze

bestaat uit de volgende bedrijfsklassen die door het CBS worden onderscheiden:

grafische industrie, metaal, elektrotechniek, transportmiddelen, ‘overige industrie’ en

sociale werkvoorziening (zie Broersma en Van Dijk 2006, voetnoten p. 25 en 26). De

laatstgenoemde bedrijfsklasse is pas in 1973 als aparte categorie onderscheiden, en is

in Noord-Nederland relatief groot. (idem p. 27).

Tot slot: er ontbreken regionale gegevens voor de periode 1967-1972 en 1978-1986

die in de figuren wit zijn gelaten.

Box 2.1. Verwante bedrijfstakken in de bio-based economy

In de analyse kijken we ter vergelijking tevens naar een drietal andere sectoren die een

belangrijke rol (kunnen) spelen in de discussie spelen over de bio-based economy. Een daarvan

is de papier- en kartonindustrie. Zoals we straks zullen zien is deze sector in Groningen nog

steeds relatief groot, een erfenis uit vroeger tijden. “Meer dan honderd jaar al leefden de

kleibewoners eenzijdig van graan en stro, stro en graan. Het graan werd gedorst en vermalen

tot broodmeel; het stro verhakseld tot karton”, zo schrijft Frank Westerman op p. 136 in zijn

boek De Graanrepubliek (1999). De papier- en kartonsector kan een belangrijke rol spelen bij

de productie van bio-energie en bij verschillende vormen van bioraffinage.

Als tweede sector wordt de textielindustrie in de analyse betrokken. Ooit was vlas een

belangrijk landbouwgewas dat als grondstof werd gebruikt voor linnen kleding. Later werd

katoen de belangrijkste grondstof, en verdween de vlasteelt uit Nederland; de verwerking van

katoen vond nog wel lange tijd in Nederland plaats 2 .

Tot slot kijken we de ontwikkeling van het aandeel van de chemische industrie, incl.

kunststoffen. Historisch gezien kan deze sector als de concurrent van de agrosector worden

gezien, althans bij de non-food toepassingen van landbouwproducten. Tal van producten die

vroeger op natuurlijke basis werden gemaakt, zoals lijm en verf, worden in de chemie gemaakt

van fossiele grondstoffen, dus op basis van derivaten van olie. De laatste jaren, mede onder

invloed van stijgende olieprijzen maar ook als gevolg van nadelige milieueffecten van de

chemische industrie, is er een toenemende belangstelling voor groene chemie, voor nieuwe

combinaties van fossiele en natuurlijke grondstoffen.

Figuur 2.2 laat zien dat in Nederland het aandeel van de landbouw in de agroindustriële

werkgelegenheid vanaf 1950 behoorlijk snel daalt tot ongeveer eind jaren

‘60 en daarna relatief stabiel blijft. Voor Noord-Nederland geldt ongeveer hetzelfde

(figuur 2.3), maar het verschil met het landelijke gemiddelde was in 1950/51 veel

2 Bij de natuurlijke vezels heeft katoen wereldwijd een marktaandeel van 75%, terwijl het aandeel van vlas en

hennepvezel niet groter is dan 3% (LNV 2008, p. 2). Synthetische vezels vormen een veel groter, en nog steeds groeiend

deel van de textielmarkt. De laatste jaren worden op beperkte schaal in Nederland nieuwe pogingen gedaan om

landbouwgewassen voor kleding te telen en te verwerken.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 11 van 96

CAB - Groningen


hoger dan in 2005/06 (zie tabel 2.1). Dit heeft te maken met het eerdergenoemde

inhaaleffect.

Groningen neemt een bijzondere positie in: was het aandeel van de landbouw in

1950/51 nog 43%, in 2005/06 is dat gezakt tot 19%. Dat is aanzienlijk lager dan in

Friesland (27%) en Drenthe (26%), maar ook lager dan het landelijke gemiddelde

(21%). Heeft Groningen nog steeds het imago van een agrarische provincie, qua

werkgelegenheid is de landbouw veel minder belangrijk dan in menig andere

provincie 3 .

De teruggang van de voedingsmiddelenindustrie is qua werkgelegenheid veel minder

groot geweest in relatieve termen. Voor Nederland als geheel was er nauwelijks

sprake van een daling, van 12,4 naar 11,0 % in de periode 1950-2006 4 . In Noord-

Nederland is de daling wat groter geweest, van 14,8 naar 11,2%.

Ook bij deze sector neemt Groningen een uitzonderlijke positie in: het aandeel is

gezakt van 14,9% in 1950 (dus boven het Noord-Nederlandse gemiddelde) naar 9,4%

in 2006, dus behoorlijk onder het gemiddelde. In Drenthe daarentegen bleef de

relatieve werkgelegenheid in die sector nagenoeg ongewijzigd (ongeveer 9%), terwijl

in Friesland het aandeel wel daalde maar nog steeds relatief hoog bleef: van 18%

naar 14%.

Opvallend is dat deze sector in Noord-Nederland relatief grootschalig is. Het aantal

werkzame personen per vestiging bedroeg in 2003 gemiddeld 37, tien meer dan op

nationaal niveau (Van Leeuwen 2005). Voor de industrie als geheel geldt dat de

Noord-Nederlandse bedrijven juist relatief kleinschalig zijn. De V&G-sector vormt dus

een uitzondering op die regel, vanwege de schaalvergroting en kapitaalsintensivering

die daar hebben plaatsgevonden (Broersma en Van Dijk 2006, p. 35).

Box 2.2: Werkgelegenheidsontwikkeling in verwante bedrijfstakken

Hoe is de ontwikkeling geweest in de overige drie bedrijfstakken die in de analyse zijn

onderscheiden? Dramatisch was de daling in de textielindustrie. Voor Nederland als geheel

daalde het werkgelegenheidsaandeel van 15% naar een kleine 2 %. De textielindustrie is in

Noord-Nederland altijd veel kleiner geweest, en dus was ook de achteruitgang minder sterk, 7%

naar 1%. Groningen is weer een uitzondering: het aandeel van de textiel liep terug van 12%

naar 0,5%.

Bij de papier- en kartonsector is Groningen in positieve zin een geval apart, niet omdat in deze

provincie het werkgelegenheidsaandeel toeneemt, want dat komt overeen met het landelijke

beeld, maar omdat het Groningse aandeel structureel hoger ligt dan het landelijke gemiddelde,

en zeker in vergelijking met Friesland en Drente

Ook de chemie vertoonde in deze periode een (sterke) groei. Dat gold voor alle drie Noordelijke

provincies, maar qua niveau van werkgelegenheid hebben Groningen (8%) en vooral Drenthe

(10%) een veel hoger aandeel dan Friesland, waar slechts 5% van de agro-industriële

werkgelegenheid in de chemie werkzaam is in 2006.

3 Overigens moet wel rekening worden gehouden met het feit dat de bedrijven in Groningen relatief groot zijn

dus waarschijnlijk minder arbeidsintensief. Dit heeft vooral te maken met het feit dat de vrij arbeidsintensieve

glastuinbouw relatief klein is in Groningen (zie par. 2.4)

4 De voedingsmiddelenindustrie is in Nederland naar verhouding twee maal zo groot als gemiddeld in de EU, 26

tegenover 13 procent van de industriële werkgelegenheid, dus zonder de landbouw erbij (De Bont et al 2004).

In de meest recente cijfers, die betrekking hebben op 2005, heeft deze sector overigens nog maar 20% van de

werkgelegenheid in de Nederlandse industrie (Landbouw-Economisch Bericht 2008)

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 12 van 96

CAB - Groningen


Figuur 2.2. Werkgelegenheidsstructuur landbouw en industrie, Nederland, 1950-2006

100%

80%

overige industrie

papier

60%

chemie

textielindustrie

40%

voedingsmiddelenindustrie

20%

landbouw

0%

1950

1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

1961

1962

1963

1964

1965

1966

1973

1974

1975

1976

1977

1987

1988

1989

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

Figuur 2.3 Werkgelegenheidsstructuur landbouw en industrie, Noord-Nederland, 1950-2006

100%

overige industrie

80%

papier

textielindustrie

chemie

60%

voedingsmiddelenindustrie

40%

landbouw

20%

0%

1950

1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

1961

1962

1963

1964

1965

1966

1973

1974

1975

1976

1977

1987

1988

1989

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

Kijken we naar de verhouding tussen de landbouw en de voedingsmiddelenindustrie,

dan kan worden geconstateerd dat zeker in Noord-Nederland de eerste veel meer

werkgelegenheid bood dan de laatste, en dat het verschil steeds kleiner wordt. Was in

1950/51 de werkgelegenheid in de Noord-Nederland landbouw bijna vier zo groot als

in de voedselverwerking, in 2005/06 gaat het om iets meer dan een factor 2. Dat is

een belangrijk verschil met bijv. de naburige Duitse deelstaat Niedersachsen waar de

voedselverwerking bijna evenveel werkgelegenheid biedt als de landbouw (zie

bijlage C)

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 13 van 96

CAB - Groningen


Figuur 2.4. Werkgelegenheidsstructuur landbouw en industrie, Groningen, 1950-2006

100%

overige industrie

80%

60%

papier

textielindustrie

chemie

voedingsmiddelenindustrie

40%

20%

landbouw

0%

1950

1951

1952

1953

1954

1955

1956

1957

1958

1959

1960

1961

1962

1963

1964

1965

1966

1973

1974

1975

1976

1977

1987

1988

1989

1990

1991

1992

1993

1994

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

Samengevat geldt voor Noord-Nederland dat het aandeel van de landbouw traditioneel

hoger is dan landelijk. Het aandeel van de chemie is sterker gestegen dan landelijk,

met name in Groningen en Drenthe. Textiel is daarentegen bijna geheel verdwenen,

maar dat is ook landelijk het geval. Het aandeel van de voedingsmiddelenindustrie ligt

inmiddels op het landelijke gemiddelde van rond 11%, maar de daling is in het

Noorden wel wat groter geweest.

Binnen het Noorden neemt Groningen een duidelijke uitzonderingspositie in. Was in

1950 niet minder dan 57% van de agro-industriële werkgelegenheid afkomstig uit de

combinatie van landbouw en voedingsmiddelenindustrie, in 2006 is dat gezakt tot

29%. Vergeleken met Nederland zat Groningen eerst boven het landelijke gemiddelde

(47%), en nu daaronder (31%). Verder geldt dat de papier- en kartonsector hier

relatief sterk is gebleven, terwijl de textielindustrie juist extra klappen heeft gekregen.

Duidelijk is dat de agrosector het grootst is in Friesland, afgaande op het

werkgelegenheidaandeel van landbouw plus voedingsmiddelenindustrie. Deze twee

bedrijfstakken scoren in deze provincie ook hoog qua arbeidsproductiviteit. Sterker

nog: het zijn de enige twee Friese sectoren die hoger scoren dan het landelijke

gemiddelde (Broersma en Van Dijk, p. 51-52). Veelzeggend zijn ook de

verschuivingen in de laatste twee jaren waarover gegevens beschikbaar zijn, 2005 en

2006. Terwijl de werkgelegenheid in Friesland op peil bleef, was er in de andere twee

Noordelijke provincies sprake van een afname van het werkgelegenheidsaandeel van

de voeding- en genotmiddelensector: in Drenthe van 9,4 naar 8,9 procent, in

Groningen zelfs van 10,2 naar 9,4 procent

Een vergelijkbaar beeld komt naar voren in de analyse van het CAB van de Pieken in

de Delta in Noord-Nederland (2007). Uit zijn inventarisatie van het Piekencluster ‘Life

Sciences en Agribusiness’ blijkt dat Friesland vooral vestigingen heeft die op Food zijn

gericht, terwijl de provincie Groningen overwegend vestigingen herbergt die te maken

hebben met medische/farmaceutische Life Sciences.

Dit laatste sluit aan bij de eerste conclusie die uit de analyse tot dusver kan worden

getrokken. Als het gaat om de food-toepassingen van agrarische gewassen neemt de

provincie Groningen geen vooraanstaande plaats (meer) in. De economische kracht

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 14 van 96

CAB - Groningen


moet eerder worden gezocht in de non-food toepassingen van landbouwproducten.

Hierbij moet niet alleen worden gedacht aan de relatief sterke positie van de papieren

kartonsector maar ook aan de mogelijkheden voor groene chemie, waarbij

petrochemische producten worden vervangen door of gecombineerd met industriële

producten op basis van agro-grondstoffen.

Tabel 2.1. De samenstelling van de agro-industriële werkgelegenheid in 1950/51 en in 2005/06

Nederland 1950/51 2005/06

1. Landbouw 34,3 21,0

2. Voedselverwerking 12,4 11,1

Agrosector (1 + 2) 46,7 31,1

Textielindustrie 15,1 1,7

Papier- en kartonindustrie 1,4 2,0

Chemie 4,8 9,0

overige industrie 32,1 55,2

NOORD-NEDERLAND

1. Landbouw 55,3 24,3

2. Voedselverwerking 14,8 11,4

Agrosector (1 + 2) 70,1 35,7

Textielindustrie 7,1 0,9

Papier- en kartonindustrie 2,2 3,0

Chemie 2,0 7,2

overige industrie 18,6 53,2

GRONINGEN

1. Landbouw 42,6 18,8

2. Voedselverwerking 14,6 9,8

Agrosector (1 + 2) 57,2 28,6

Textielindustrie 11,5 0,4

Papier- en kartonindustrie 5,4 6,5

Chemie 2,5 7,8

overige industrie 23,5 56,7

FRIESLAND

1. Landbouw 58,5 27,6

2. Voedselverwerking 18,7 14,1

Agrosector (1 + 2) 77,2 41,7

Textielindustrie 4,2 1,2

Papier- en kartonindustrie 0,5 1,4

Chemie 0,6 4,9

overige industrie 17,5 50,8

DRENTHE

1. Landbouw 68,2 25,8

2. Voedselverwerking 9,7 9,1

Agrosector (1 + 2) 77,9 34,9

Textielindustrie 5,1 1,1

Papier- en kartonindustrie 0,2 1,4

Chemie 3,3 9,9

overige industrie 13,5 52,7

Bron: Eigen berekeningen op basis van CBS-gegevens en LISA (gemiddelden van de genoemde jaren).

Tot slot de kanttekening bij de analyse tot dusver, dat we alleen hebben gekeken naar

de landbouw en de voedingsmiddelenindustrie. In de volgende paragraaf wordt

duidelijk dat de agribusiness nog twee onderdelen kent, de toelevering en de

distributie. En we zullen zien dat die twee onderdelen de afgelopen jaren een groei

hebben doorgemaakt, en dat die groei waarschijnlijk niet los staat van de afname in

de landbouw die hier is geconstateerd.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 15 van 96

CAB - Groningen


2.3 Veranderingen in de samenstelling van de agrosector

Om de positie van de agrarische sector in de (Noord-)Nederlandse economie in kaart

te brengen, kunnen we ons niet beperken tot de primaire sector, de land- en

tuinbouw. Maar ook niet tot de combinatie van landbouw en

voedingsmiddelenindustrie, zoals in de vorige paragraaf is gebeurd. Er zijn tal van

andere economische activiteiten die nauw verweven zijn met de land- en tuinbouw. Zo

zijn agrarische productie en voedselverwerking nauwelijks mogelijk zonder de

toelevering van allerlei goederen en diensten, zoals diverse machines en apparaten,

bestrijdingsmiddelen, veevoer, maar ook een deel van de verpakkings- en

elektriciteitssector. Daarnaast zijn er economische activiteiten in de sfeer van

distributie van primaire en van verwerkte landbouwproducten. Het hele scala aan

directe en indirecte agro-activiteiten kan als een samenhangende keten worden

beschouwd, met andere woorden als een agrocluster (Post et al, 1987).

De lange-termijn ontwikkeling is dat de secundaire agro-activiteiten (de combinatie

van toelevering, verwerking en distributie) in omvang toenemen en de primaire sector

krimpt, in termen van de toegevoegde waarde en werkgelegenheid. In de periode

1995 – 2005 is de toegevoegde waarde van de primaire sector in Nederland gedaald

van 8,4 naar 7,2 miljard euro. De secundaire agrosector, voorzover deze samenhangt

met binnenlandse primaire productie, laat een stijging zijn van 11,7 naar 15,3 miljard

euro. Vooral de toelevering aan zowel primaire sector als voedingsmiddelensector is in

die periode sterk gestegen. In toegevoegde waarde gemeten was in 2005 de

secundaire productie meer dan twee keer zo groot als de primaire productie.

Tabel 2.2: Toegevoegde waarde van onderdelen van het binnenlandse agrocluster

Toegevoegde waarde

(factorkosten, mrd. Euro)

1995 2001 2005

a. Primaire productie 8,4 7,6 7,2

secundaire productie (b + c + d) 11,7 13,9 15,3

b. Toelevering 6,4 8,1 8,8

c. Verwerking 3,0 3,2 3,9

d. Distributie 2,3 2,6 2,6

Totaal 20,1 21,5 22,5

(a + c) in % van totaal 57% 50% 49%

Bron: Van Leeuwen et al 2008 p. 19 5 ; eigen berekeningen

Een belangrijk gedeelte van het Nederlandse agrocluster is gebaseerd op agrarische

producten uit het buitenland. Zo importeert de veevoeder- en de meelindustrie maar

liefst circa 80% van de waarde van hun grondstoffen. De cacao- en tabakindustrie is

zelfs volledig afhankelijk van buitenlandse grondstoffen.

Het LEI hanteert daarom twee definities van het Nederlandse agrocluster, namelijk

een enge en een ruime variant. De enge definitie van het agrocluster is tamelijk strikt,

in de zin dat deze is gebaseerd op activiteiten die uitsluitend met de binnenlandse

land- en tuinbouw samenhangen. Bij de brede definitie worden alle agro-gerelateerde

activiteiten meegenomen, dus ook de secundaire activiteiten op basis van

buitenlandse producten (zie figuur 2.5).

5 Van Leeuwen et al 2008 bevat de specificatie van de diverse activiteiten die tot de secundaire agroactiviteiten

worden gerekend. Overigens lijken er in de afgelopen jaren nogal wat wijzigingen te zijn

aangebracht in wat wel of niet wordt meegenomen. Vooral de toegevoegde waarde van de agro-distributie was

in eerdere publicaties wat lager.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 16 van 96

CAB - Groningen


Figuur 2.5. De vijf onderdelen van het agrocluster

toelevering

Primaire sector

(in Nederland)

Voedselverwerking

(V+G-sector)

buitenland

distributie

In tabel 2.3 zijn de secundaire activiteiten op basis van buitenlandse agrarische

producten apart vermeld, waarbij het vooral gaat om verwerking en distributie (en

minder om toelevering). Zorgden deze in de 20 e eeuw voor minder toegevoegde

waarde dan de secundaire activiteiten op basis van Nederlandse landbouwproducten,

vanaf ongeveer 2000 zijn de rollen omgedraaid. Kijken we naar het aandeel van de

primaire productie in de toegevoegde waarde van de totale agrosector, dan zien we

een daling van 27 naar 18 procent in de periode 1995-2005.

Tabel 2.3: Toegevoegde waarde van onderdelen van het totale agrocluster

Toegevoegde waarde

(factorkosten, mrd. Euro)

1995 2001 2005

1a. primaire productie 8,4 7,6 7,2

secundaire productie op basis van 11,7 13,9 15,3

binnenlandse grondstoffen

b. Toelevering 6,4 8,1 8,8

c. Verwerking 3,0 3,2 3,9

d. Distributie 2,3 2,6 2,6

2. secundaire productie op basis 11,1 14,8 15,8

van buitenlandse grondstoffen

b. Toelevering 2,4. 4,0 4,2

c. Verwerking 5,6. 6,5 7,1

d. Distributie 3,2. 6,6 6,0

3. totaal (1 + 2) 31,2 38,6 39,8

1a. in % van 3. 27% 20% 18%

1 in % van 3 64% 56% 57%

(a+c ) in % van 3. 55% 46% 45%

Bron: Van Leeuwen et al 2008 p. 19; eigen berekeningen

Uit deze paragraaf kunnen de volgende conclusies worden getrokken (zie de onderste

drie regels van tabel 2.3):

1. De primaire sector in Nederland wordt een steeds kleiner onderdeel van het totale

agrocluster;

2. Een van de redenen is dat buitenlandse grondstoffen en halffabrikaten steeds

belangrijker worden, zodat de secundaire activiteiten voor een steeds groter deel

daarop zijn gericht, en voor een steeds kleiner deel op agrarische grondstoffen van

Nederlandse bodem;

3. De landbouw en de V&G-sector, waartoe de historische analyse in de vorige

paragraaf zich beperkte, vormden eerst de meerderheid en nu de minderheid van

de activiteiten in het Nederlandse agrocluster.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 17 van 96

CAB - Groningen


In de volgende paragraaf kijken we naar de situatie in Noord-Nederland, door een

momentopname te maken van de omvang van de primaire en secundaire activiteiten

in het agrocluster, aan de hand van een vijftal deelclusters.

2.4 Deelclusters

Het agrocluster kan worden gesplitst in de volgende deelclusters, opgebouwd uit

specifieke primaire en secundaire sectoren (Van Leeuwen 2005, p. 7):

1. grondgebonden-veehouderijcluster: rundveehouderij, overige veehouderij,

zuivelindustrie, slachterij (rundvlees en overig vlees);

2. intensieve-veehouderijcluster: vleeskalveren-, varkens-, vleeskuiken- en

legpluimveehouderij, slachterij (kalfs-, varkens- en pluimveevlees).

3. akkerbouwcluster: primaire akkerbouw, graan-, bloem-, en aardappelverwerking,

suikerindustrie, margarine-, zetmeel- en overige-voedingsmiddelenindustrie;

4. opengrondstuinbouwcluster: opengrondsgroente-, fruit- en bloembollenteelt,

boomkwekerij, groente- en fruitverwerking;

5. glastuinbouwcluster: glasgroente-, snijbloemen-. potplanten- en

champignonteelt, groente- en fruitverwerking;

Tabel 2.4 geeft het aandeel van deze vijf deelclusters in termen van de

werkgelegenheid en van de toegevoegde waarde (factorkosten), waarbij van de jaren

2001 en 2005 het gemiddelde is genomen 6 . Verder wordt onderscheid gemaakt

tussen het agrocluster in enge zin en in ruime zin. In het eerste geval wordt alleen

uitgegaan van de binnenlandse agrarische grondstoffen, terwijl bij het totale

agrocluster ook de secundaire activiteiten op basis van buitenlandse producten worden

meegenomen (zie tabel 2.3)

Tabel 2.4: Aandeel van de deelclusters, in werkgelegenheid en toegevoegde waarde (TW), 2003

Aandeel in totale Aandeel in binnenlandse

agrocluster

agrocluster

werknem

ers

TW

Werknem

ers

TW

grondgebonden veehouderij 23,2 17,4 35,8 29,9 41

intensieve veehouderij 13,8 13,2 21,2 22,6 4

akkerbouw 43,9 50,4 16,3 17,7 31

opengrond tuinbouw 7,7 5,7 10,3 8,1 15

glastuinbouw 11,4 16,5 16,5 21,5 9

Bron: Van Leeuwen et al 2008, Van Leeuwen 2005, p. 9.

Aandeel in

Noord-

Nederland

(TW)

Uitgaande van het totale agrocluster vormen de primaire en secundaire activiteiten die

aan de akkerbouw zijn gerelateerd het grootste deelcluster, vooral als we de

toegevoegde waarde als maatstaf nemen. Aangezien een groot gedeelte van de

betreffende voedingsmiddelenactiviteiten is gebaseerd op buitenlandse grondstoffen,

is het aandeel in het binnenlandse agrocluster veel kleiner.

De overige vier deelclusters vertonen het omgekeerde beeld: in het binnenlandse

agrocluster is hun aandeel hoger dan in het totale agrocluster, omdat de producten

hoofdzakelijk uit Nederland komen.

6 Door het gemiddelde over 2001 en 2005 te nemen wordt het aandeel voor 2003 benaderd, het enige jaar

waarvoor de aandelen voor Noord-Nederland beschikbaar zijn. Bovendien spreken de LEI-rapporten elkaar

soms tegen wat betreft het aandeel van de vijf deelclusters (vergelijk Landbouw-Economisch Bericht 2007 tabel

4.2 met Van Leeuwen et al 2008). Door met gemiddelden te werken worden tussentijdse aanpassingen in de

systematiek enigszins geneutraliseerd.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 18 van 96

CAB - Groningen


In de laatste kolom staat aangegeven welke aandeel deze vijf deelclusters in Noord-

Nederland hebben (Van Leeuwen 2005, p. 9). Vergeleken met het landelijke beeld valt

op dat Noord-Nederland vooral een relatief hoog aandeel heeft in de akkerbouw, de

opengrond tuinbouw en de grondgebonden veehouderij; samen genereren deze drie

deelclusters 87% van de toegevoegde waarde die in het Noordelijke agrocluster wordt

geproduceerd. De intensieve veehouderij en de glastuinbouw zijn sterk

ondervertegenwoordigd in het Noorden, vergeleken met de rest van Nederland.

Zoals gezegd bestaat elk deelcluster zowel uit primaire als secundaire activiteiten.

Maar het aandeel van de primaire sector verschilt nogal. In de tuinbouw is dat relatief

hoog, gemiddeld 60 procent over de jaren 2001 en 2005. In de andere drie

deelclusters is het aandeel van de primaire sector veel lager, slechts 20 tot 25 procent

(tabel 2.5)

Tabel 2.5 laat ook zien dat deze aandelen voor Noord-Nederland heel anders liggen.

Het aandeel van de primaire sector in de grondgebonden veehouderij ligt in het

Noorden met 44% aanzienlijk hoger dan de landelijke 25%. Hetzelfde geldt in iets

mindere mate voor de akkerbouw. Dit betekent dat Noord-Nederland relatief weinig

secundaire activiteiten heeft in deze twee deelclusters, die samen 72% van het

Noordelijke agrocluster uitmaken (tabel 2.4).

Tabel 2.5: Aandeel van de primaire sector in de vijf deelclusters, 2003

Nederland

Noord-Nederland

grondgebonden veehouderij 25 43

intensieve veehouderij 20 8

akkerbouw 22 ca. 30

opengrond tuinbouw 61 55

glastuinbouw 60 ca. 15

Bron: Van Leeuwen et al 2008, Van Leeuwen 2005, p. 9; eigen berekeningen

Figuur 2.6 geeft in absolute cijfers hoe in Noord-Nederlandse de toegevoegde waarde

van de deelclusters is opgebouwd uit primaire productie, verwerking, en toelevering

en distributie.

Figuur 2.6: Bijdragen van onderdelen aan toegevoegde waarde van Noord-Nederlandse deelclusters, 2003

Bron: Van Leeuwen 2005, p.9

De conclusie is dat de relatief sterke positie van deze twee deelclusters in Noord-

Nederland vooral betrekking heeft op de primaire productie; de daarvan afgeleide

activiteiten in de vorm van toelevering, verwerking en distributie vinden grotendeels

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 19 van 96

CAB - Groningen


elders in Nederland, of in het buitenland, plaats. Positief geformuleerd zou de

conclusie kunnen luiden dat er in het Noorden in potentie nog veel ruimte is voor

secundaire activiteiten op het terrein van vooral grondgebonden veehouderij en

akkerbouw. Negatief geformuleerd is de conclusie dat Noord-Nederland blijkbaar

onvoldoende comparatieve voordelen (gecreëerd) heeft voor de secundaire activiteiten

in deze twee deelclusters. In hoofdstuk 3 en 4 zal blijken dat de negatieve

interpretatie waarschijnlijk meer hout snijdt dan de positieve.

Zoomen we in op de verwerkende industrie, de voedingsmiddelensector, dan zien we

de volgende specialisaties van Noord-Nederland. De aardappelverwerkende industrie

is relatief sterk aanwezig 7 . Ook de zuivelindustrie in Friesland en de suikerindustrie in

Groningen dragen voor een belangrijk deel bij aan de werkgelegenheid van deze

industrieën op nationaal niveau (tabel 2.6). Verder valt op dat van alle door Nederland

geïmporteerde tabak bijna 30% in het Noorden wordt verwerkt, en dat Noord-

Nederland relatief laag scoort bij de verwerking van groenten en fruit. Dit beeld komt

grotendeels overeen met de rapportage van Bureau Berenschot (2006), waarin een

iets andere indeling wordt gebruikt. Daarin heeft Noord-Nederland ook een relatief

laag aandeel in de vervaardiging van dranken (2%), en in de vervaardiging van

plantaardige en dierlijke vetten en oliën (4%).

Tabel 2.6 Werkzame personen in voeding- en genotmiddelenindustrie, 2003

Groningen Friesland Drenthe Noord-

Nederland

Nederland

% Noord-

Nederland

Zuivel 769 2.068 874 3.711 13.007 29%

Aardappel(zetmeel) 3.201 115 112 3.428 7.084 48%

Suiker 676 0 0 676 1.069 63%

Vlees 1.718 1.226 635 3.579 26.685 13%

Vis 547 406 34 987 5.019 20%

Groente en fruit 58 66 116 240 5.935 4%

Graan 177 222 64 464 3.690 13%

Veevoer 60 496 264 820 6.469 13%

Tabak 1.116 346 58 1.520 5.315 29%

Totaal 10.570 8.704 3.186 22.460 136.154 16%

Bron: Van Leeuwen 2005, p. 11 (gebaseerd op LISA 2003)

7 Voor Nederland als geheel geldt dat bijna de helft van het aardappelareaal betrekking heeft op

consumptieaardappelen, ongeveer eenderde op zetmeelaardappelen (ook wel aangeduid als

fabrieksaardappelen), terwijl de resterende twintig procent betrekking heeft op pootaardappelen (Janssen en

Netjes 2006, p. 27). Noord-Nederland heeft een afwijkend patroon omdat daar vrijwel alle zetmeelaardappelen,

het overgrote deel van de pootaardappelen en een belangrijk deel van de tafelaardappelen worden geteeld.

Naast tafelaardappelen bestaat de categorie consumptieaardappelen uit de zogeheten industrieaardappelen, die

worden gebruikt voor de verwerking tot patat, chips en andere aardappelproducten; deze worden vooral in ZW-

Nederland geteeld en verwerkt, en slechts in geringe mate in Noord-Nederland (zie verder par. 3.5).

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 20 van 96

CAB - Groningen


Tabel 2.7 Grondgebruik in land- en tuinbouw in Noord Nederland, 2003

Groningen Friesland Drenthe Noord-

Nederland

Nederland

Akkerbouw 60% 17% 56% 41% 42%

Grasland 38% 82% 42% 58% 51%

Tuinbouw 2% 1% 1% 1% 6%

Totaal 100% 100% 100% 100% 100%

Bron: Van Leeuwen 2005, p. 10 (gebaseerd op Land- en tuinbouwcijfers)

De onderlinge verschillen tussen de drie Noordelijke provincies hebben vooral

betrekking op de zuivelproductie, de specialisatie van Friesland, en de

akkerbouwproducten, zoals aardappel(zetmeel) en suiker, die vooral in Groningen

worden geproduceerd. Dat de primaire productie en de verwerkende industrie in

geografisch opzicht nauw met elkaar verbonden zijn blijkt onder meer uit de

vergelijking met tabel 2.7. In Friesland wordt 82% van de landbouwgrond gebruikt als

grasland, terwijl in Groningen de akkerbouw overheerst.

2.5 Samenvatting en conclusies

In dit hoofdstuk is op twee manieren naar het specialisatiepatroon van de Noordelijke

agribusiness gekeken. Ten eerste is in paragraaf 2.2 een analyse gemaakt van de

veranderingen in de Noordelijke sectorstructuur vanaf 1950. Ten tweede hebben we in

par. 2.4 gekeken naar de huidige samenstelling van de Noordelijke agrocluster,

waarbij per deelcluster ook is gekeken naar toelevering en distributie . Zoals uit par.

2.3 bleek, omvat het agrocomplex namelijk meer dan alleen de landbouw en de

voedingsindustrie, waartoe de trendanalyse in 2.2 zich beperkte.

Was in 1950 niet minder dan 57% van de agro-industriële werkgelegenheid in

Groningen afkomstig uit de combinatie van landbouw en voedingsmiddelenindustrie, in

2006 is dat gezakt tot 29%. In de jaren ’50 zat Groningen nog boven het landelijke

gemiddelde en nu daaronder. In die zin is agrofood geen specialisatie van Groningen

(meer). Dit beeld geldt zowel voor de landbouw als voor de voedingsmiddelensector,

en staat in sterk contrast met de situatie in Friesland waar beide onderdelen van de

agrosector nog ruim boven het landelijke gemiddelde zitten (tabel 2.7)

Als het gaat om de food-toepassingen van agrarische gewassen neemt de provincie

Groningen dus geen vooraanstaande plaats (meer) in. De economische kracht moet

eerder worden gezocht in de non-food toepassingen van landbouwproducten.

Tabel 2.7 Aandeel van de agrofood in de agro-industriële werkgelegenheid in 2005/2006

Landbouw (1) V&G (2) Agrofood(1 + 2 )

Nederland 21,0 11,2 31,1

Groningen 18,8 9,8 28,6

Friesland 27,6 14,1 41,7

Drenthe 25,8 9,1 34,9

Bron: tabel 2.1

Een andere manier om te kijken naar het specialisatiepatroon van de Noordelijke

agrofood is de onderverdeling naar deelclusters, en het onderscheid tussen primaire

en secundaire activiteiten. Wat betreft het eerste laat tabel 2.8 zien dat, vergeleken

met het landelijke beeld, Noord-Nederland vooral een relatief hoog aandeel heeft in de

akkerbouw, de opengrond tuinbouw en de grondgebonden veehouderij; samen

genereren deze drie deelclusters 87% van de toegevoegde waarde die in het

Noordelijke agrocluster wordt geproduceerd. De intensieve veehouderij en de

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 21 van 96

CAB - Groningen


tuinbouw zijn sterk ondervertegenwoordigd in het Noorden, vergeleken met de rest

van Nederland.

Tabel 2.8 laat ook zien dat het aandeel van de primaire sector in Noord-Nederland

nogal hoog is. In de grondgebonden veehouderij ligt dat op 44%, aanzienlijk hoger

dan de landelijke 25%. Hetzelfde geldt in iets mindere mate voor de akkerbouw. Dit

betekent dat Noord-Nederland relatief weinig secundaire activiteiten heeft in deze

twee deelclusters, die samen bijna driekwart van het Noordelijke agrocluster

uitmaken. De teruggang van de Noordelijke agrosector (landbouw plus

voedselverwerking) heeft dus veel te maken met de trends die in paragraaf 2.3

werden geconstateerd:

• De primaire sector in Nederland wordt een steeds kleiner onderdeel van het totale

agrocluster;

• buitenlandse grondstoffen en halffabrikaten worden steeds belangrijker, zodat de

secundaire activiteiten voor een steeds groter deel daarop zijn gericht, en voor een

steeds kleiner deel op agrarische grondstoffen van Nederlandse bodem.

Tabel 2.8. Kenmerken van de vijf deelclusters; Nederland vergeleken met het Noorden

Aandeel van de

deelclusters

Aandeel van de primaire

sector

Nederland Noorden Nederland Noorden

grondgebonden veehouderij 30 41 25 43

intensieve veehouderij 23 4 20 8

akkerbouw 18 31 22 ca. 30

opengrond tuinbouw 8 15 61 55

glastuinbouw 21 9 60 ca. 15

Bron: Tabel 2.4 en 2.5

Uit par. 2.3 kwam ook naar voren dat de landbouw en de voedingsmiddelensector

(waar de verwerking van de landbouwproducten plaatsvindt) slechts ongeveer de helft

van de totale agrosector uitmaken, en dat hun aandeel steeds kleiner is geworden,

van 55% in 1995 naar 45% in 2005. Deze afname is deels gecompenseerd door een

stijging in de andere twee onderdelen van de agribusiness, de toelevering en de

distributie. Nader onderzoek is nodig om te bepalen in welke mate die compensatie

heeft plaatsgevonden, en hoe dat heeft uitgewerkt voor de Noordelijke agrosector.

Niet uitgesloten is dat afname vooral in Noord-Nederland heeft plaatsgevonden, en de

stijging overwegend in de rest van Nederland, mede gelet op het feit dat het aandeel

van de primaire sector relatief groot is in de twee grootste Noordelijke deelclusters, de

grondgebonden veehouderij en de akkerbouw. Vooral in hoofdstuk 4 komt dit thema

terug.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 22 van 96

CAB - Groningen


3: Drie Porter-analyses

3.1 Inleiding

Zoals in hoofdstuk 1 is uiteengezet, wordt de centrale vraag van deze studie – hoe

staat het met de economische kracht van de agrosector in Noord-Nederland, in het

bijzonder de provincie Groningen – in twee stappen beantwoord.

1. In hoeverre is de agrosector (nog steeds) een specialisatie van deze regio, en

voor welke onderdelen van de regionale agrosector geldt die specialisatie (het

meest)?

2. Hebben de Noordelijke of Groningse specialisaties een economisch duurzaam

karakter, in de zin dat zij zijn gebaseerd op de comparatieve voordelen van deze

regio?

In het vorige hoofdstuk is geconstateerd dat de Groningse agrosector een drietal

specialisaties kent: suiker, zetmeel- en pootaardappelen. Specialisaties in de zin dat

zowel de primaire als de secundaire agro-activiteiten in Groningen in belangrijke mate

op deze drie producten betrekking hebben, en dat niet alleen de teelt maar ook de

verwerking van deze landbouwproducten in belangrijke mate in de provincie

Groningen plaatsvinden (en veel minder in andere delen van Nederland).

De vraag is nu of deze drie specialisaties een economisch duurzaam karakter hebben,

in de zin dat zij zijn gebaseerd op de comparatieve voordelen van deze regio. Anders

gezegd: in hoeverre zijn in de provincie Groningen omstandigheden en factoren

aanwezig die ervoor (kunnen) zorgen dat ook in de toekomst deze drie producten een

belangrijk stempel op de Groningse agrosector (kunnen) blijven drukken, omdat de

combinatie van de relevante omstandigheden en factoren hier beter is dan in andere

regio’s (binnen of buiten Nederland)? Heel kort samengevat: worden er in de volgende

decennia nog steeds op grote schaal (en winstgevend!) suikerbieten, zetmeel- en

pootaardappelen geteeld en verwerkt?

Om deze vraag te beantwoorden wordt in dit hoofdstuk gebruik gemaakt van de

methode die Michael Porter (1990) heeft ontwikkeld. In deze zogeheten ‘diamant van

Porter’ wordt in een viertal determinanten samengevat welke omstandigheden en

factoren relevant zijn om te bepalen in hoeverre een land of regio comparatieve

voordelen heeft voor een bepaald product of bedrijfstak. Deze methode wordt

uitgelegd in de volgende paragraaf, en vervolgens toegepast op suiker (paragraaf

3.3), zetmeelaardappelen (3.4) en pootaardappelen (3.5). In par. 3.6 komt de rol van

de overheid aan bod, waarbij aandacht wordt besteed aan de verschillen en

overeenkomsten die er tussen de drie Groningse specialiteiten op dit punt bestaan.

Par. 3.7 bevat samenvattende conclusies.

De vraag naar de economische duurzaamheid op middellange termijn kan niet worden

beantwoord zonder rekening te houden met de toekomstige veranderingen in de EUlandbouwsubsidiepolitiek.

Dat geldt vooral voor suiker(bieten) en zetmeelaardappelen.

Terwijl de prijs van bijv. pootaardappelen fluctueert onder invloed van vraag- en

aanbodverschuivingen (vrije marktwerking), werd voor de andere twee Groningse

specialiteiten de prijs sterk beïnvloed door regelgeving vanuit het EU-landbouwbeleid.

Omdat deze gereguleerde prijs doorgaans veel hoger lag dan de prijs op de

wereldmarkt, werden er tevens quota vastgesteld om overproductie te voorkomen.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 23 van 96

CAB - Groningen


Sinds 2006 zijn en worden de productondersteunende subsidies, die de basis vormen

van deze marktordening, geleidelijk afgebouwd (en deels vervangen door

inkomensondersteuning). De verwachting is dat in 2013 nagenoeg alle

productiegerelateerde subsidies voor deze (en andere agrarische) producten zijn

verdwenen. De belangrijkste directe consequentie is dat er een daling plaatsvindt van

de prijs die wordt betaald voor suiker(bieten) en voor zetmeel(aardappelen), althans

in relatieve zin, dus ten opzichte van andere agrarische producten.

Deze relatieve prijsdaling heeft tot gevolg dat het minder aantrekkelijk is of wordt om

suikerbieten en zetmeelaardappelen te telen en/of suiker en zetmeel te produceren.

Verwacht kan worden dat er een substitutie optreedt tussen enerzijds suikerbieten en

zetmeelaardappelen, en anderzijds agrarische producten die tot dusver niet of minder

werden gesubsidieerd (zoals pootaardappelen en andere producten met een hogere

marktprijs). De vraag is wat de directe en indirecte consequenties zullen zijn van dit

substitutieproces, in het bijzonder voor Groningen:

• Zal de te verwachten initiële daling in de productie van suiker(bieten) en

zetmeel(aardappelen) zodanig groot zijn dat deze onder een bepaalde minimale

schaalgrootte terecht komt, in de zin dat bij een lagere productieomvang de

gemiddelde kosten dermate hoog worden dat de productie niet langer lonend is (in

een regio als Groningen)

• Leidt de relatieve prijsdaling van suiker en aardappelzetmeel ertoe dat aan de

afzetkant zich nieuwe markten gaan openen of bestaande worden uitgebreid, zodat

de initiële productiedaling (deels) wordt gecompenseerd door een hogere afzet? En

zo ja, in welke regio’s zal deze extra afzet worden gerealiseerd?

• Als het aantrekkelijker wordt om pootaardappelen en andere ongesubsidieerde

agrarische producten te telen (omdat hun relatieve prijs stijgt), zijn er dan ook

voldoende afzetmogelijkheden (voor productie in Groningen)?

Deze en andere vragen over de toekomst van de drie Groningse specialiteiten als

gevolg van de herziening in het EU-beleid zullen in dit hoofdstuk wel af en toe

terugkomen maar niet (afdoende) worden beantwoord. Nader onderzoek is nodig om

deze vragen te kunnen beantwoorden, door te kijken naar de onderliggende

mechanismen en naar de interactie tussen de diverse veranderingen op de markt voor

agrarische grondstoffen en voedselproducten. Daarom beperkt de analyse hier zich tot

de vraag of de betreffende bedrijven in Groningen sterker (of minder zwak) staan dan

hun concurrenten in andere regio’s, omdat zij gebruik (kunnen) maken van

omstandigheden en factoren die volgens de ‘diamant van Porter’ relevant zijn in de

internationale concurrentiestrijd. Verder wordt in par. 3.6 onderzocht welke

economische mechanismen en prikkels door het EU-landbouwbeleid teweeg zijn

gebracht, en wat de gevolgen daarvan voor de concurrentiekracht zijn geweest.

3.2 De diamant van Porter

Hieronder wordt in het kort een schets gegeven van het analysekader dat door Michael

Porter is ontwikkeld in zijn boek “The Competitive Advantage of Nations”, en door hem

wordt aangeduid als ‘diamond’. In het Engels heeft dit woord een dubbele betekenis:

enerzijds ‘ruit’ (zie figuur 3.1)), anderzijds ‘diamant’ (het juweel dat een land of regio

doet schitteren). Op de vier hoeken van zijn ruit plaatst Porter de vier centrale

determinanten die bepalen in hoeverre een land of regio comparatieve voordelen heeft

voor een bepaald product of bedrijfstak. Het toeval en de overheid zijn nog twee

additionele factoren die daar invloed op hebben.

De korte beschrijving hieronder van de afzonderlijke determinanten bevat:

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 24 van 96

CAB - Groningen


• De kernvraag

• Een korte toelichting plus enkele voorbeelden uit de Nederlandse agrosector

• Het regionale aspect (oftewel de ruimtelijke component)

toeval

factorvoordelen

• ‘basic’

• geavanceerde

economische

orde

• concurrentiecultuur

• patroon concurrentie &

samenwerking

thuismarkt

• uitdagend?

• internationaal

geavanceerd?

clusters

• sterke sectorspecialisatie

• spill-overs?

over

-heid

Figuur 3.1: De ‘diamant’ van Porter

Cluster

Is er sprake van een netwerk van (sterke) bedrijven die in hoge mate op elkaar zijn

afgestemd, in verband met productiestructuur, grondstofketen, technologie of markt?

Box 3.1: Cluster – een vlag die veel verschillende ladingen dekt

Er zijn weinig woorden die de laatste jaren en decennia zo veelvuldig en wijdverspreid zijn

gebruikt als de term cluster. De meest algemene definitie: een verzameling bedrijven,

afdelingen of mensen die op een of andere manier bij elkaar horen, dus aan elkaar gerelateerd

zijn. Bij de Diamant van Porter heeft de onderlinge verbondenheid vooral betrekking op het

product: de verzameling bedrijven met activiteiten die specifiek zijn voor het tot stand komen

van een bepaald product (goederen en diensten). Porter zelf gebruikte hiervoor de term

netwerk (van `related and supporting industries`), en reserveerde de term cluster voor de

verzameling bedrijfstakken die een bepaalde functie in het grote geheel verzorgen, zoals

voeding, ontspanning, transport enzovoorts (voor de clusterkaart van de Nederlandse

economie, zie o.a. Jacobs en Lankhuizen 2005 en 2006).

In dit rapport wordt de term cluster gebruikt voor wat Porter netwerk noemde, overeenkomstig

het taalgebruik dat momenteel dominant is in Nederland waar netwerk en cluster vaak als

synoniemen worden gebruikt. Overigens worden clustereffecten (de voordelen die ontstaan als

de verschillende onderdelen van het cluster bij elkaar zijn gesitueerd) de laatste jaren ook wel

aangeduid als agglomeratie-effecten.

Een andere toepassing van de term cluster die hier niet wordt gebruikt, heeft betrekking op de

ruimtelijke verbondenheid van productieprocessen. Bijv. als twee bedrijven naast elkaar zitten,

kunnen de afvalstromen van het ene bedrijf gebruikt worden als input bij het productieproces

van een ander bedrijf. Voorbeelden zijn het bedrijvenpark Zuid-Groningen in Ter Apelkanaal en

Chemiepark Oosterhorn in Delfzijl (zie KNN 2007).

Een cluster of netwerk gaat verder dan de bedrijfskolom met de opeenvolgende stadia

die een product doorloopt: van put naar pomp (olie-industrie), van kas naar kassa

(tuinbouwsector), van zaadje naar karbonaadje (varkensketen). Ook de fabrikanten

van machines en apparaten, alsmede allerlei vormen van dienstverlening en distributie

die nodig zijn in de verschillende stadia van de bedrijfskolom, horen bij het cluster. Al

deze bedrijven en activiteiten kunnen elkaar versterken, vooral als zij dicht bij elkaar

zitten, omdat de onderlinge leveringen en de informatie-uitwisseling dan meestal

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 25 van 96

CAB - Groningen


makkelijker en goedkoper verlopen. Het gaat met andere woorden bij sterke clusters

vaak om een regionale concentratie van bedrijvigheid die specialisatie,

schaalvergroting en samenwerking stimuleert. Bedrijven kunnen van elkaars

aanwezigheid profiteren in de vorm van agglomeratie-effecten of externe

schaalvoordelen. Gaat het bij de traditionele (interne) schaalvoordelen om lagere

gemiddelde kosten wanneer een bedrijf op grotere schaal produceert, bij de externe

schaalvoordelen wordt verondersteld dat sommige kosten afnemen naarmate binnen

een geografisch gebied een bepaald cluster groter is. Bekende voorbeelden uit de

Nederlandse agrosector zijn de clusters op het terrein van snijbloemen (in en rond het

Westland en Aalsmeer), mosselen (Yerseke in Zeeland), cacao (Zaanstreek) of

varkens (De Peel)

Thuismarkt

Is er sprake van een thuismarkt die bedrijven in het cluster ertoe heeft gestimuleerd

om te excelleren op aspecten die in de internationale concurrentiestrijd een

belangrijke rol spelen?

In de eerste plaats moet de thuismarkt groot genoeg zijn om schaalvergroting en

specialisatie mogelijk te maken. Ten tweede moeten de belangrijkste afnemers

voldoende kritisch zijn zodat de bedrijven in het cluster geprikkeld worden

voortdurend aandacht te besteden aan kwaliteit en innovatie. Dat de Vlamingen van

oudsher veel mosselen eten en kwaliteit belangrijk vinden, is een van de redenen

waarom de Zeelandse mosselsector internationaal zo sterk is. Een ander voorbeeld

zijn de Nederlandse varkenshouders die de laagste kostprijs van Europa hebben

gerealiseerd (o.a. door allerlei procesinnovaties), mede omdat de Nederlandse

consument traditioneel zeer kritisch is als het gaat om prijs, en veel minder eisen stelt

aan de smaakkwaliteit.

Ook hier zijn ruimtelijke patronen belangrijk, omdat de afzetoriëntatie van bedrijven

sterk wordt beïnvloed door de klanten die (geografisch en cultureel) dichtbij zitten, en

vroeger ook de enige afnemers waren.

Factorvoordelen

Over welke lokale productiefactoren kunnen bedrijven uit het cluster beschikken

zodat ze een voordeel hebben t.o.v. andere bedrijven of andere regio’s?

Bij arbeidsintensieve productieprocessen is de beschikbaarheid van (goedkope)

arbeidskrachten een belangrijke factor in de concurrentiestrijd, terwijl voor producten

waarbij transport belangrijk is de locatie een cruciale productiefactor is (bijv. de

nabijheid van waterwegen of vliegveld). In de primaire sector van het agrocluster is

de prijs en de kwaliteit van de grond vaak een essentiële factor. Naast deze

basisfactoren kunnen ook meer geavanceerde factoren ervoor zorgen dat een groep

bedrijven (uit een bepaalde regio) een voorsprong kan opbouwen. Hierbij kan men

denken aan het scholingsniveau van de arbeidskrachten, aan de telecommunicatieinfrastructuur,

en aan R&D-capaciteit.

Ruimtelijke aspecten spelen in dit onderdeel van de Diamant niet alleen een

belangrijke rol bij de basisfactoren, zoals klimaat, bodemgesteldheid en locatie, maar

ook bij geavanceerde factoren, in de zin dat clustering van kennisinstellingen en R&Dintensieve

bedrijven in een beperkt geografisch gebied vaak een positieve invloed

heeft op het innovatieniveau.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 26 van 96

CAB - Groningen


Economische ordening

Hoe zijn de marktverhoudingen, zowel horizontaal als verticaal, en hoe is de

combinatie tussen samenwerking en rivaliteit?

Aan de ene kant heeft samenwerking tussen bedrijven in de verschillende onderdelen

van het cluster een heilzame werking, vooral op het terrein van R&D, informatieuitwisseling,

vormen van promotie, etcetera. Aan de andere kant is een bepaalde

mate van rivaliteit juist bevorderlijk voor het cluster als geheel. Zo is opvallend bij

enkele sterke Nederlandse agroclusters dat er minimaal twee sterke bedrijven zijn die

elkaar proberen te overtroeven. In de mosselsector zijn Roem van Yerseke en Prins &

Dingemans (eveneens uit Yerseke) tegen elkaar opgewassen, terwijl in de cacaosector

twee bedrijven aan de Zaan, Gerkens Cacao (Cargill) en ADM, met elkaar concurreren,

en op de juiste momenten ook weer samenwerken. Behalve de stimulans om beter te

zijn dan de ander, heeft deze concurrentie het voordeel dat toeleveranciers en

afnemers voldoende keuzemogelijkheid hebben, zodat de diverse bedrijven in het

cluster wel de voordelen hebben van onderlinge afhankelijkheid en niet de nadelen

(oftewel: wel de gezonde rivaliteit en niet de ongezonde monopoliemacht)

3.3 Suiker

3.3.1 Inleiding

Uit tabel 2.6 kwam naar voren dat rond de eeuwwisseling 63% van de Nederlandse

suikerproductie plaats vond in de provincie Groningen, te weten in de suikerfabrieken

in Groningen-Stad (eigendom van SuikerUnie dochter van Cosun) en in het

nabijgelegen Hoogkerk-Vierverlaten (toen CSM, nu eigendom van Cosun) 8 . Om die

reden werd de stad Groningen in het recente verleden vanuit de politiek

gepositioneerd als Sugar City, omdat nergens in Europa zoveel suiker werd gemaakt

in een beperkt geografisch gebied. De vraag is of deze aanduiding terecht was, in de

zin dat Groningen een comparatief voordeel heeft (gehad) in de teelt en de verwerking

van suikerbieten? In deze paragraaf wordt de analyse vooral toegespitst op de

volgende vraag: heeft Groningen meer comparatieve voordelen dan ZW-Nederland, de

andere Nederlandse regio waar de suikerindustrie is geconcentreerd? Extreem gesteld:

in het hypothetische (maar niet geheel onwaarschijnlijke) geval dat in de nabije

toekomst de Nederlandse suikerproductie zover zal dalen dat slechts één van deze

twee gebieden in aanmerking komt voor grootschalige suikerbietenproductie, wie

heeft dan volgens de Porter-benadering de beste papieren?

Box 3.2: Een kort historisch overzicht

Het is geen toeval dat de bietenteelt van enige omvang in ZW-Nederland is begonnen. De

eerste grootschalige suikerbietenfabriek werd in 1857 in het Westbrabantse Zevenbergen

gebouwd (Bakker 1992 p. 242). Ook in de eeuwen daarvoor, toen uitsluitend rietsuiker werd

gebruikt, waren Antwerpen en Zeeland belangrijk in de handel en verwerking van suiker.

Daarnaast was vooral Amsterdam een grote aanvoerhaven van ongeraffineerde suiker uit de

Oost- en West-Indische en Caribische gebieden. Vanaf de VOC-tijd tot ongeveer eind 18 e eeuw

had Nederland “een leidende positie in de wereld van de suikerraffinage. Leidend, zowel wat de

hoeveelheid als wat de kwaliteit betrof” (p. 217). De leidende positie van Amsterdam en

Zeeland, zowel in het rietsuiker- als in het bietsuikertijdperk, heeft veel te maken met de

8 De Suiker Unie twijfelt aan de juistheid van dit hoge Groningse aandeel (ontleend aan Van Leeuwen 2005),

omdat rond de eeuwwisseling naast de 2 Groningse fabrieken ook nog 3 fabrieken in ZW-Nederland actief

waren, te weten in Dinteloord, Puttershoek en Breda.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 27 van 96

CAB - Groningen


aanwezigheid van een sterke cacao- en chocolade-industrie in die regio’s (zie uitgebreider

Vrolijk 2007c). Zoals graan en karton bij elkaar horen, zoals hoort suiker bij cacao en

chocolade: om de bittere smaak van de cacaoboter kwijt te raken bestaat chocolade voor

ongeveer de helft uit suiker.

Groningen heeft vroeger nooit een grote rol gespeeld in het suikergebeuren, ook niet in de tijd

van de rietsuiker. “Het zou nog tot 1893 duren voordat er in de Noordelijke provincie een

suikerfabriek werd opgericht” (Bakker 1992 p. 244), namelijk door CSM dat eerder fabrieken

elders in het land had laten bouwen. In 1913 hebben de bietentelers hun eigen coöperatie

opgericht, de Friesch-Groningsche Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek in Groningen, wat later

SuikerUnie is gaan heten.

De teruggang in de Nederlandse suikerproductie is al een tijdje gaande, mede onder

invloed van (aangekondigde) veranderingen in het EU-landbouwbeleid. Zo is de

productiewaarde van suikerbieten in de periode 1995 – 2006 teruggelopen van 331

naar 214 miljoen euro, terwijl in dezelfde periode de totale productie van bedrijven

met akkerbouwgewassen ongeveer gelijk gebleven is (LNV 2008, p. 24). Volgens het

Landbouw Economisch Bericht (LEB) over 2007 (par. 7.3.1) is in de periode 2004-

2006 het suikerbietenareaal gedaald van 98 naar 83 duizend hectare. De meest

recente meting is 72.500 ha in 2007.

De teruggang in de Nederlandse suikerproductie heeft veel te maken met de

veranderingen in het kader van de Europese gemeenschappelijke marktordening

(GMO). In de oude GMO Suiker werd vanaf 1968 de productie gereguleerd door op

EU-niveau iedere lidstaat een bepaald productiequotum toe te kennen, dat

overwegend was gebaseerd op het verbruik van suiker in die lidstaat. De Nederlandse

overheid verdeelde het quotum vervolgens onder Cosun en CSM volgens een vaste

verdeling (61% - 39%). Dit systeem leidde ertoe dat er grotendeels sprake was van

nationale markten met weinig concurrentie (zie ook NMa 2007). Ook om een andere

reden was de internationale handel tussen de lidstaten zeer gering: de overschotten

konden met exportsubsidies op de wereldmarkt worden verkocht, en dus waren er

voor de Europese suikerproducenten weinig tot geen prikkels om hun overschotten af

te zetten in andere lidstaten. Tegelijkertijd werd door middel van importheffingen de

Europese markt afgeschermd van de wereldmarkt, en werd het hoge EU-prijspeil in

stand gehouden door een interventiemechanisme met gegarandeerde

minimumprijzen.

In de nieuwe GMO Suiker, die op 1 juli 2006 is ingevoerd, wordt de relatie tussen

nationale productiequota en nationaal verbruik, die zo kenmerkend was voor de oude

GMO voor suiker, volledig doorbroken. Verder wordt op EU-niveau de totale

suikerproductie teruggebracht, en wordt voorzien in een toename van de import van

rietsuiker dat tegen lagere kosten kan worden geproduceerd. Er is dus sprake van een

deregulering op twee niveaus: de EU-markt wordt steeds minder afgeschermd van de

wereldmarkt, en binnen de EU gaan de suikerproducenten – eigenlijk voor het eerst -

over de grens met elkaar concurreren.

De overgang van nationale markten naar EU-markt heeft de Europese Commissie

georganiseerd middels een systeem van het vrijwillig inleveren van quota door

suikerproducenten, met financiële compensatie. De uitkomsten van deze

‘inleveringsronde’ geven een indruk van het Europese specialisatiepatroon die op het

gebied van suiker is ontstaan. Nederland, België, Frankrijk en Duitsland, ook wel

aangeduid als de “sugar belt”, plus Denemarken (Danisco) en het VK (Britisch Sugar)

hebben quotum ingekocht terwijl landen als Ierland, Spanje, Griekenland en Finland

hun quota geheel of gedeeltelijk hebben ingeleverd. Het feit dat nagenoeg alle

producenten in de “sugar belt” quota hebben bijgekocht wijst erop dat het overschot

van suiker in NW-Europa nog verder zal stijgen, met als gevolg een toenemende

concurrentie. De vraag is wat deze concurrentiestrijd gaat betekenen voor de enige

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 28 van 96

CAB - Groningen


Nederlandse suikerproducent, Cosun, en in hoeverre Noord-Nederland een

comparatief voordeel heeft in de teelt en de verwerking van suikerbieten, vooral in

vergelijking met de andere Nederlandse suikerregio, ZW-Nederland.

De onderstaande Porter-analyse van de suikersector is wat betreft schriftelijke

informatie gebaseerd op NMa 2007, LEI 2005, en Research voor Beleid 2005 (in het

vervolg afgekort tot RB). De nadruk in de analyse ligt op de economische ordening,

omdat op dat vlak de grootste veranderingen gaande zijn 9 .

3.3.2 Het netwerk

Het suikercluster kan in drie groepen worden onderscheiden: de telers

(akkerbouwers), de verwerkers (suikerfabrikanten), en overige bedrijven die

verbonden zijn met de teelt of de verwerking van suikerbieten.

Telers

Suikerbieten worden nagenoeg in heel Nederland verbouwd, maar de teelt

concentreert zich vooral in Noord-Nederland, Flevoland, ZW-Nederland en ZO-

Nederland (zie kaart en par.3.2.4).

Verwerkers

Anno 2007 waren er nog zes productielocaties in Nederland, waarvan twee in

Groningen: in Groningen-Stad en in Hoogkerk. De andere vier stonden in Dinteloord,

Puttershoek, Rosendaal en Breda (inmiddels gesloten), dus in het westen van Noord-

Brabant. Alleen de eerste, in Dinteloord, is vergelijkbaar met die uit Groningen. De

overige drie (inmiddels twee) vestigingen zijn alleen in gebruik voor de productie van

speciaalsuikers.

In 2007 heeft CSM haar productielocaties (Hoogkerk en Breda) verkocht aan Cosun,

sindsdien de enige Nederlandse suikerproducent. In januari 2008 kondigde Cosun aan

dat zij de fabriek in Groningen wil sluiten en de productie wil overhevelen naar

Hoogkerk en Dinteloord, wat inmiddels is gebeurd.

9 Omdat in de suikersector de economische ordening sterk wordt beïnvloed door veranderingen in het EUlandbouwbeleid,

heeft ook de rol van de (Europese ) overheid een belangrijke plek in deze Porter-analyse, dit in

tegenstelling tot de Porter-analyses van zetmeel- en consumptieaardappelen waar de overheid buiten

beschouwing blijft. De verschillen en overeenkomsten tussen deze drie Groningse specialiteiten wat betreft de

rol van de overheid worden in paragraaf 3.6 behandeld.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 29 van 96

CAB - Groningen


= ca. 200 ha

0

Groningen

Dinteloord

0

Bergen op Zoom

Overige bedrijven

Bij deze categorie kan onderscheid gemaakt tussen de input- en de outputkant. Bij de

inputkant gaat het volgens Research en Beleid (RB) om de toeleveranciers van:

• Suikerbietenzaad. Het gaat hierbij om drie dochters van buitenlandse

ondernemingen, gevestigd in Rilland (Zeeland), Numansdorp (Zeeland) en

Zeewolde (Flevoland). De Nederlandse vestigingen houden zich vooral bezig met

sales & marketing en in mindere mate R&D/proefveldwerk; vermeerdering en

‘processing’ vinden plaats in België, Zuid-Frankrijk en Italië.

• Meststoffen en gewasbeschermingmiddelen. Het gaat hier niet om

gespecialiseerde toeleveranciers maar om bedrijven, zoals bij voorbeeld Agrifirm,

die verschillende onderdelen van de landbouw bedienen, waarbij de

suikerbietentelers slechts een van de vele doelgroepen vormen.

• Gespecialiseerde landbouwmachines. Het construeren en produceren van de bij de

bietenteelt gebruikte machines is redelijk specialistisch. De twee belangrijkste

producenten, die ongeveer 85% van de Nederlandse markt voor bietenrooiers in

handen hebben, zijn gevestigd in Steenwijk (in de Kop van Overijssel) en in

Biervliet (Zeeuws Vlaanderen)

• Loonwerkers. Zij voeren voor de telers werkzaamheden rond zaaien, bemesten,

bespuiten en rooien van de suikerbieten uit

• Toeleveranciers voor de suikerproducenten. Het gaat hierbij vooral om transport

en om machine- en constructiebedrijven. Voor deze toeleveranciers, die meestal

uit de regio komen, zijn de suikerfabrieken slechts een van de vele klanten.

Er kan dus worden gesteld dat er aan de inputkant nauwelijks sprake is van

gespecialiseerde bedrijven. Voorzover wel sprake is van enige specialisatie (bij

bietenzaad en –machines), zitten de leveranciers vooral in ZW-Nederland, en niet in

het Noorden.

Hetzelfde geldt voor de kennisontwikkeling. Kennis over de teelt van suikerbieten is

vooral aanwezig bij de Stichting IRS in Roosendaal (25 medewerkers), dat wordt

gefinancierd door Cosun en HPA (hoofdproductschap akkerbouw). Een ander

kenniscentrum is het Cosun Food Technology Centre in Roosendaal, een

gemeenschappelijke R&D-faciliteit van ongeveer 50 mensen die dienstverlenend is

voor alle Cosun-bedrijven (dus niet alleen Suiker-Unie). Verder is er nog wat

(universitair) onderzoek op het gebied van suiker in Maastricht, Utrecht en

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 30 van 96

CAB - Groningen


Wageningen. Afgezien van fundamenteel onderzoek bij Biologie RuG, waar op

laboratoriumschaal nieuwe suikers worden ontwikkeld, is er nauwelijks

kenniscapaciteit in het Noorden.

Aan de afzetkant bestaat het cluster uit

• de suikerverwerkende industrie, die hierna aan de orde komt bij de analyse van de

thuismarkt.

• De sucro-chemische industrie, met als belangrijkste Nederlandse bedrijven DSM en

Purac (onderdeel van CSM), maakt - via fermentatie van suiker of zetmeel -

producten als gist, gistextracten, vitamines antibiotica en specifieke zoetstoffen als

xylitol. Naast de vestiging in Dordrecht had Purac een vestiging in Ter Apelkanaal,

die eerder eigendom was van AVEBE. De Groningse vestiging (85 werknemers), is

begin 2008 teruggekocht door AVEBE, die deze fabriek op termijn zal gebruiken

voor eiwitproductie (zie par. 3.4)

• De afnemers van de bijproducten die bij de productie van suiker ontstaan. Het

betreft pulp, dat als veevoer wordt gebruikt, schuimaarde, dat tot kalkmeststof

wordt bewerkt, en melasse. Alleen bij het laatste bijproduct gaat het om een

gespecialiseerde onderneming, die melasse bij de productie van industriële alcohol

gebruikt, te weten Nedalco, een van de onderdelen van Cosun. De Nedalcovestiging

in Delfzijl is in 2005/06 gesloten, zodat Nedalco momenteel alleen in

Roosendaal en Sas van Gent opereert. Overigens is Nedalco in zoverre niet sterk

afhankelijk van de aanvoer van melasse dat zij vrij gemakkelijk kan overschakelen

op graan of rietsuiker als grondstof (RB p. 40).

Samenvattend: na het vertrek van Nedalco, CSM-Suiker en Purac blijft er maar

weinig over van het Groningse suikercluster (dat in vergelijking met ZW-Nederland

altijd al vrij marginaal was), namelijk de suikerfabriek van Cosun in Hoogkerk-

Vierverlaten en enkele toeleveranciers, transporteurs en loonwerkers die vrij

gemakkelijk kunnen overschakelen op andere activiteiten. Ook voor de telers van

suikerbieten geldt dat deze akkerbouwers vrij gemakkelijk kunnen overstappen, als er

andere gewassen in aanmerking komen.

3.3.3 De (thuis)markt

De afzetmarkt voor de suikerproducenten kan worden onderscheiden in

consumptiesuiker en industriële suiker 10 ; bij Cosun ligt de onderlinge verhouding qua

omzet op ongeveer 15:85. De consumptiesuiker wordt, onder eigen merknamen of

onder private label verkocht aan afnemers in de retail en de foodservice (waarin

voedselproducten aan bijv. horeca, zorginstellingen en dienstensector wordt

geleverd). 11

Wat betreft industriële markt heeft suiker bij de volgende producten/sectoren een

hoog aandeel in de totale inkoopwaarde van grond- en hulpstoffen:

10 Bij industriële suiker wordt hier gedoeld op afzet naar de bedrijven die suiker gebruiken bij de productie van

chocolade en andere zoetwaren (meestal aangeduid als suikerverwerkende of zoetwarenindustrie). De

benaming industriële suiker wordt ook wel gebruikt voor de suiker die door de sucro-chemische industrie wordt

gekocht als grondstof voor allerlei vormen van bio-technologie. Deze non-food industriële suiker blijft in deze

deelparagraaf buiten beschouwing.

11 Zowel industriële als consumptiesuiker kunnen worden onderscheiden in kristalsuiker en verschillende

soorten (vaste en vloeibare) speciaalsuikers, waarbij gedacht moet worden aan poedersuiker, geleisuiker,

basterdsuiker of stroop. Wat betreft industriële suiker, vormen de vaste speciaalsuikers minder dan 10% van

het in Nederland geproduceerde volume. Hierbij moeten worden bedacht dat sommige industriële afnemers

over een poedermolen beschikken om zelf kristalsuiker in poedersuiker om te zetten.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 31 van 96

CAB - Groningen


Frisdranken 21%

Bakkerijgrondstoffen 15%

Cacao-, chocolade en suikerwerkindustrie 12%

Groente- en fruitverwerkende industrie 6%

Distilleerderijen 5%

Brood, banket, biscuit en dergelijke 4%

Bron: LEI 2005, p. 49 (gebaseerd op CBS-gegevens uit 1992)

Een iets andere manier om een beeld te krijgen van de afzetmarkt voor suiker geeft

het volgende overzicht, met de onderverdeling naar productiecategorie van de

consumptieve bestedingen aan zoetwaren in 2003 (waarin suiker een aandeel heeft

van ongeveer 16% volgens LEI 2005, p. 27)

Productcategorie

Bestedingen

(in miljoen

euro)

Chocolade 532

Suikerwerk 687

Biscuit, banket, en dergelijke 835

Hartige versnaperingen 664

Totaal zoetwaren 2.718

Bron: LEI 2005, p. 27 (gebaseerd op CBS)

Kijken we naar het vestigingspatroon van bedrijven met producten die in een of beide

tabellen worden genoemd, dan moet worden geconstateerd dat deze in Noord-

Nederland niet sterk vertegenwoordigd zijn, wellicht met uitzondering van

bakkerijgrondstoffen en brood/banket. Zo kwam in par. 2.4 naar voren dat de

frisdrankensector in Noord-Nederland sterk ondervertegenwoordigd is.

Samenvattend. Conclusie is dat de Noordelijke suikersector niet of nauwelijks kan

profiteren van een omvangrijke, gedifferentieerde en kritische thuismarkt. Voor de

regio ZW-Nederland ligt dat anders. De Belgische chocolade-industrie is vlakbij. Ook

andere afnemers van suiker bevinden zich voor een belangrijk deel in België en Zuid-

Nederland.

Volgens Michael Porter is de aanwezigheid van een omvangrijke en kritische

thuismarkt belangrijk omdat de bedrijven dan beter in staat zijn de sprong te maken

naar buitenlandse markten. Benadrukt moet worden dat bij suiker er tot 2006 sprake

was van nationale markten en dat suikerproducenten nauwelijks werden geprikkeld

om hun producten in andere landen af te zetten (zie 3.3.1). Pas met de nieuwe GMO

krijgt de internationale concurrentie vrij spel. Uitgaande van de thuismarkthypothese

van Porter zou dat betekenen dat ZW-Nederland ‘betere papieren’ heeft dan

Groningen om een rol te blijven spelen onder de nieuwe EU-marktverhoudingen.

3.3.4 Productiefactoren

Afgaande op de geografische spreiding van de arealen waar suikerbieten worden

geteeld (zie kaart en RB p. 24) lijken er geen speciale eisen te worden gesteld aan de

klimatologische omstandigheden of aan de grondsoort, al is er een voorkeur voor

zavel- en kleigronden. Het verbouwen van bieten vinden we in alle delen van

Nederland, zowel op klei- als op zandgrond, zowel aan zee als landinwaarts; in dat

opzicht wijkt het sterk af van de aardappelteelt (zie par. 3.4 en 3.5). In Groningen

worden suikerbieten zowel op de zeeklei als in de Veenkoloniën verbouwd.

Wel belangrijk is de logistieke infrastructuur. De transportkosten van de grondstof zijn

relatief hoog, omdat gemiddeld zes ton bieten nodig is voor één ton suiker. Bovendien

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 32 van 96

CAB - Groningen


kunnen suikerbieten slechts een keer per jaar worden geoogst, en moeten ze snel

worden verwerkt omdat het suikergehalte na het oogsten terugloopt. Daarom duurt de

periode waarin de suikerbieten tot suiker en suikerproducten kunnen worden

verwerkt, de zogeheten “bietencampagne”, slechts vier tot vijf maanden . De

suikerfabriek ligt de rest van het jaar stil, wat ervoor zorgt dat de verwerking van

suikerbieten relatief hoge kosten met zich meebrengt.

Dit is een van de redenen waarom bietsuiker hogere productiekosten heeft dan

rietsuiker, dat min of meer het hele jaar door geoogst kan worden, en bovendien het

voordeel heeft dat de aanplant 6 tot 7 jaar oogsten oplevert en dus niet elke jaar

hoeft te worden gezaaid.

De nadruk op een zo laag mogelijke kostprijs, zowel bij de teelt als bij de verwerking,

is bij suiker uiterst belangrijk omdat het net als bijv. zout voornamelijk gaat om een

homogeen product, zodat de (kost)prijs doorslaggevend is in de concurrentiestrijd.

Dat geldt vooral voor industriële suiker, maar ook voor consumptiesuiker. “ Hoe meer

het product een bulkkarakter heeft, hoe groter de kans dat we het via AMS (hun

internationale inkoopcombinatie) laten inkopen, zoals suiker, dat echt in heel Europa

hetzelfde is” aldus een woordvoerder van Ahold (FoodPersonality. november 2006, p.

28). Dit betekent dat in de concurrentiestrijd alles draait om procesinnovaties en om

schaalgrootte. Die schaalgrootte is nodig op vestigingsniveau maar ook op

ondernemingsniveau. Op een commodity-markt, waar alleen de prijs telt, zijn alleen

grote ondernemingen in staat tegenspel te bieden tegen de grote spelers aan de

afzetkant, zoals AMS in de retailmarkt.

Onder de oude GMO werd deze ‘ijzeren marktwet’ als het ware onderdrukt omdat de

prijzen en de nationale volumes op EU-niveau werden gereguleerd. In de volgende

deelparagraaf zal duidelijk worden dat met de nieuwe GMO de marktverhoudingen

heel anders komen te liggen, met alle gevolgen van dien voor bijv. Cosun.

3.3.5. Economische orde

De suikersector en de daaraan verbonden markten waren onder de oude GMO vrij

overzichtelijk en stabiel. Door het systeem van nationale suikerquota met redelijk

gegarandeerde prijzen die op EU-niveau werden vastgesteld, was er sprake van een

beschermde nationale markt waarin drie soorten marktpartijen waren te

onderscheiden.

Ten eerste de bietentelers, vroeger verenigd in de Nederlandse Bieten Federatie (NBF)

maar na de overname van CSM door COSUN opgegaan in de ledenraad van COSUN.

De suikerbieten worden geproduceerd door akkerbouwers die afhankelijk van

prijsontwikkelingen ook ander landbouwgewassen (kunnen) telen. De

overschakelingkosten zijn zeer laag, omdat de bietenteelt vooral een kwestie is van

bietenzaad aankopen en loonbedrijven inschakelen, en dus weinig specifieke

investeringen en kennis vereist. Bovendien waren de opbrengstprijzen stabiel en hoog,

dankzij de Europese belastingbetaler – die de subsidies aan de suikersector moest

financieren – en dankzij de Europese consument die noodgedwongen een veel hogere

suikerprijs moest betalen dan op de wereldmarkt 12

De tweede categorie, de suikerproducenten, bestond tot voor kort in Nederland uit

twee ondernemingen, CSM en SuikerUnie (COSUN). In Noord-Nederland, waar beide

12 Volgens Van den Huiijsen en Muller (2006) kostte suiker in 2004 vier keer zoveel dan het geval zou zijn

zonder de maatregelen vanuit Brussel, en hebben deze handelsbelemmerde maatregelen de Nederlandse

bevolking meer dan 57 mln euro per jaar gekost.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 33 van 96

CAB - Groningen


edrijven een productielocatie hadden, gaf dat een gezonde rivaliteit, in de zin dat

zowel bietentelers als afnemers voldoende keuzemogelijkheden hadden.

De derde categorie, de afnemers, bestaat uit een redelijk aantal verschillende partijen

in de retail, de foodservice, de suikerverwerkende industrie en de sucro-chemische

industrie. Er is hier overwegend sprake van een bulkmarkt waar de prijs in feite de

enige belangrijke factor is.

De twee belangrijkste ontwikkelingen die de markt- en machtsverhoudingen in de

suikersector laatste jaren danig in beweging hebben gebracht, hebben betrekking op

substitutieprocessen en op de nieuwe GMO die sinds medio 2006 van kracht is.

Bij de substitutieprocessen gaat het om een combinatie van ontwikkelingen op

verschillende deelterreinen. Bij de consumptiesuiker speelt een rol dat consumenten

minder suiker willen gebruiken en toenemend de voorkeur geven aan

suikervervangers zoals aspartaam. Een vergelijkbare ontwikkeling speelt bij de

industriële suiker, kwantitatief de belangrijkste toepassing van suiker. Omdat

consumenten steeds meer de voorkeur geven aan lightproducten probeert de

suikerverwerkende industrie het suikergehalte in hun producten voortdurend te

verminderen. Bovendien kunnen zij, althans bij vloeibare producten zoals frisdranken,

ook gebruik maken van (iso)glucose dat vooral op basis van het goedkopere tarwe- en

maïszetmeel wordt gemaakt 13 . Deze ontwikkelingen hebben ervoor gezorgd dat de

afzetmogelijkheden en dus ook de onderhandelingsmacht van de suikerproducenten

drastisch zijn verminderd.

Maar er zijn ook tegenovergestelde ontwikkelingen. In de eerste plaats is er een

toenemende vraag vanuit de sucro-chemische industrie. Het verbruik van suiker in

deze sector is in de periode 1997-2003 in Nederland gestegen van 27 naar 46 duizend

ton. Deze verdubbeling heeft ook op EU-niveau plaatsgevonden (LEI 2005, p. 43). In

de tweede plaats zijn er in principe mogelijkheden om op basis van suikerbieten bioethanol

te produceren. Omdat deze nieuwe afzetmarkt nog zeer turbulent is en sterk

wordt beïnvloed door allerlei ontwikkelingen op het gebied van overheidssubsidies en

–regulering, en door prijsontwikkelingen voor agrarische en petrochemische

producten, is iedere voorspelling over deze nieuwe toepassing van suiker net zo veel

waard is als het papier waarop het staat geschreven. Veelzeggend is wel dat de

oorspronkelijk plannen van Cosun om haar fabriek in Groningen-Stad te gebruiken

voor de productie van bio-ethanol definitief zijn verlaten. Er worden nog wel de

mogelijkheden voor biovergisting van suikerbieten bestudeerd.

Door de nieuwe GMO is de suikermarkt niet langer nationaal, maar krijgt zij een

Europees en zelfs mondiaal karakter. Sinds 2004, toen bekend werd dat een nieuwe

GMO zou worden ingevoerd, is in Nederland de import van suiker gestegen van 8%

naar 18% in 2006. De export van Nederlandse fabrikanten naar het buitenland is in

die periode meer dan verdubbeld (NMa 2007) 14

13 Vervanging van suiker door andere zoetstoffen was tot dusver alleen mogelijk bij soft drinks en dry-mix

dranken omdat water daarin de ‘bulk agent’’ is. Bij vaste voeding- en genotmiddelen daarentegen heeft suiker

ook de functie om deze bepaalde eigenschappen te geven, naast het zoeten. Als suiker wordt vervangen door

een andere zoetstof, dan hebben zij niet dezelfde structuur, consistensie, smaak en ‘mondgevoel’. Maar

inmiddels komen er steeds meer alternatieven, zoals stevia, die minder ‘last hebben’ van deze nadelen.

14 Ook bij consumptiesuiker is er sprake van een groeiende import- en exportstromen binnen Europa. Was tot

2005 de export van consumptiesuiker van Cosun naar andere EU-landen redelijk stabiel, daarna is deze export

vervijfvoudigd omdat Cosun enkele tenders van buitenlandse supermarkten heeft gewonnen (NMa 2007, p.

27).

De import van consumptiesuiker op de Nederlandse markt zal naar verwachting eveneens toenemen. Zo heeft

een grote inkoopcombinatie van een Nederlandse supermarkt met andere Europese supermarkten voor het

eerst in 2005 een tender uitgeschreven waarop zowel door Nederlandse als buitenlandse productenten is

ingeschreven (idem, p. 28)

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 34 van 96

CAB - Groningen


De afnemers profiteren van deze ontwikkeling door - vaker dan in het verleden -

buitenlandse suikerproducenten om offertes te vragen. Dat geldt vooral voor afnemers

die in meerdere Europese landen opereren, de zogeheten pan-Europese klanten van

de suikerindustrie. Als reactie hierop hebben enkele concurrenten van Cosun

(Nordzucker, EDF Man en Cristal Union) in 2006 een gezamenlijke joint-venture

hebben opgericht, die zich met name zal richten op de pan-Europese klanten.

Andere suikerproducenten reageren op de veranderende marktverhoudingen door

bedrijven in andere landen over te nemen. Het Franse Tereos lijkt hier het meest

actief. Volgens haar jaarverslag over 2006 is haar afzet van suiker naar andere landen

binnen Europa gestegen van 23% van haar quota in 2001-2002 naar 53% van haar

quota in 2005-2006.

Sommige suikerproducenten hebben besloten om de markt te verlaten. Om te

beginnen gaat het om producenten uit landen als Ierland, Spanje, Griekenland en

Finland die hun quota geheel of gedeeltelijk hebben ingeleverd bij de ‘vrijwillige

inleveringsronde’ die de Europese Commissie had georganiseerd (zie paragraaf 3.3.1)

Maar ook in landen als Nederland, België, Frankrijk en Duitsland, ook wel aangeduid

als de “sugar belt”, plus Denemarken (Danisco) en het VK (Britisch Sugar) waar toen

quotum was ingekocht, hebben daarna sommige producenten besloten om zich uit de

suikermarkt terug te trekken. Deze exit-strategie is bijv. gevolgd door CSM dat haar

suikeronderdeel aan Cosun heeft verkocht. Veelzeggend is dat Danisco onlangs haar

suikeractiviteiten verkocht heeft aan Nordzucker, nadat zij eerder quota had

bijgekocht. Kortom, er is een behoorlijke sanering en concentratie aan de gang, die

voorlopig nog niet is afgerond. Het is de vraag of Cosun zich op de suikermarkt kan of

wil handhaven, vooral gezien het feit haar buitenlandse activiteiten beperkt blijven tot

een aandeel in de suikerproductie van Slovenië. Haar concurrenten zijn al veel verder

op het terrein van de internationalisering, een strategie die onvermijdelijk lijkt onder

de nieuwe GMO, althans zolang suiker een bulkproduct blijft en dus schaalvergroting

een drijvende kracht vormt.

3.3.6 Slotbeschouwingen

Deze slotparagraaf kent drie onderdelen:

a) conclusies uit de voorgaande Porter-analyse

b) de toekomst van de suikermarkt

c) de mogelijkheden voor innovatie en valorisatie in het Noorden

Conclusies Porter-analyse

• Het Nederlandse suikercluster is - nog meer dan het verleden - bijna volledig

geconcentreerd in ZW-Nederland (zie 3.3.2)

• Er is in Noord-Nederland nauwelijks sprake van voldoende thuismarkt, dit in

tegenstelling tot ZW-Nederland (zie 3.3.3)

• Bij de productiefactoren is vooral belangrijk dat de verwerking van suikerbieten bij

voorkeur moet plaatsvinden in de regio waar zij worden geteeld. Gezien de

relatief lage grondprijzen heeft Noord-Nederland een (klein) voordeel t.o.v. ZW-

Nederland, maar niet in vergelijking met andere Europese landen.

• De oude situatie in Groningen waarin sprake was van twee rivaliserende

suikerbedrijven, een groot areaal suikerbieten, en aantrekkelijke en stabiele

prijzen, was uniek en komt niet meer terug, vooral vanwege veranderingen in de

vraag en in het EU-beleid.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 35 van 96

CAB - Groningen


Toekomst van de suikermarkt

Kenmerkend voor de suikermarkt zijn een betrekkelijk homogeen product, een

afnemende vraag (vanwege de voorkeur voor lightproducten en suikervervangers) en

grote spelers aan de afzetkant. Zonder overheidsinterventie leidt deze marktstructuur

ertoe dat er een beperkt aantal aanbieders overblijven. Alleen bedrijven die

grootschalig kunnen opereren, niet alleen bij de productie maar ook bij de afzet

(marktmacht), zijn in staat te overleven. Van de Europese bedrijven hebben

Nordzucker (die onlangs de suikeractiviteiten van Danisco heeft overgenomen),

Südzucker uit Duitsland alsmede het Franse Tereos, die ook actief is in de

zetmeelsuikers, de grootste overlevingskansen. Op het terrein van de

internationalisering zijn deze bedrijven al veel verder dan bijv. Cosun waar de

buitenlandse activiteiten beperkt blijven tot een aandeel in de suikerproductie van

Slovenië.

Verder kan worden verwacht dat op termijn de invoerrechten op het goedkopere

rietsuiker helemaal komen te vervallen. Bedrijven die op die markt actief zijn (zoals

Tereos of British Sugar) of kunnen worden, zijn dus in de toekomst beter af dan

bedrijven die uitsluitend suikerbieten als input moeten gebruiken, zoals Cosun. Aan de

andere kant kan Cosun profiteren van het feit dat – in tegenstelling tot bijv. de

meeste fabrieken van Nord- en Südzucker - haar productielocaties per schip goed

bereikbaar zijn, zodat er mogelijkheden zijn voor een combinatie van buitenlands

suikerriet en binnenlandse suikerbieten (een combinatie die bij Suiker Unie steeds

meer prioriteit krijgt, en waarmee het nadeel van het campagnekarakter van

suikerbieten grotendeels kan worden ondervangen).

Mogelijkheden voor innovatie en valorisatie in het Noorden

Kleine spelers kunnen bij een volledige liberalisatie van de suikermarkt alleen

overleven als zij in staat zijn niche markten te ontwikkelen, bijv. op het gebied van

nieuwe suikers of van nieuwe toepassingen van suiker, zoals in de biotechnologie en

de energieproductie. Voor Cosun geldt dat voor bulkproductie (lage kostenstrategie)

de Nederlandse grondprijzen te hoog en (mede daardoor) de Nederlandse boeren te

kleinschalig zijn. De lage-kosten strategie kan alleen overeind blijven als Cosun a) met

suikerbieten actief wordt in Europese regio’s met meer mogelijkheden voor

schaalgrootte in combinatie met (blijvend) lage grondprijzen 15 , en b) de bestaande

productielocaties in Dinteloord en Hoogkerk beter gaat benutten door combinaties van

suikerbieten en (ongeraffineerde) rietsuiker. In beide gevallen moet zij concurreren

met veel grotere tegenspelers die juist op (een van) die twee fronten traditioneel

sterker zijn. En in beide gevallen wordt Suiker Unie minder afhankelijk van

Nederlandse boeren.

De strategie van productinnovatie en nichemarkten vereist kennisintensivering, en op

dat terrein heeft ZW-Nederland de beste papieren. Daar, en niet in Noord-Nederland,

zitten immers de kennisinstituten en de andere onderdelen van het suikercluster.

De strategie van kostenefficiëntie vereist grootschaligheid en internationalisatie.

Voorzover dat leidt tot een halvering van de Nederlandse productiecapaciteit, zal

Dinteloord eerder opblijven dan Hoogkerk, vanwege de nabijheid van de thuismarkt en

betere mogelijkheden voor aanvoer van rietsuiker. Het grote voordeel van Groningen

– relatief grote en goedkope landbouwgronden – valt in het niet bij andere

teeltgebieden waar deze voordelen nog veel groter zijn.

Misschien ontstaan er mogelijkheden voor het Noorden als de toepassing van suiker

als grondstof voor biotechnologie en bio-raffinage in een stroomversnelling komt, het

15 Een eerste stap in die richting is de overname van Danisco Sugar in het Duitse Anklam in februari 2009

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 36 van 96

CAB - Groningen


ij die toepassingen niet alleen gaat om bulksuiker maar vooral om specifieke

eigenschappen van suikerbieten (zodat kleinschalige teelt en verwerking rendabel

zijn), èn als die toepassingen niet voor het veel goedkopere rietsuiker gelden. Tot

dusver zijn allerlei hoopvolle plannen niet erg realistisch gebleken, dus veel reden voor

optimisme is er niet.

Samenvattend kan worden gesteld dat het Noorden (Groningen), nu maar

waarschijnlijk ook in de toekomst, nauwelijks comparatieve voordelen heeft voor de

productie van suiker. Dat rond de eeuwwisseling ruim de helft van de Nederlandse

suiker in Groningen werd geproduceerd was een uitzonderlijke situatie; als gevolg van

de EU-landbouwpolitiek, de rivaliteit tussen CSM en SuikerUnie, en voldoende

landbouwareaal, mede vanwege te weinig concurrerende gewassen. Naarmate deze

uitzonderlijke kenmerken begonnen af te brokkelen, werd ook het Noordelijke

suikercluster steeds meer gereduceerd. Overgebleven is de productielocatie in

Hoogkerk, die vooral stankoverlast en betrekkelijk laagwaardige (seizoen)arbeid

oplevert, plus suikerbieten als wisselgewas voor Noordelijke akkerbouwers.

3.4 Zetmeelaardappelen

3.4.1 Inleiding

In tegenstelling tot consumptieaardappelen, die in par. 3.4 worden behandeld, gaat

het bij zetmeelaardappelen uitsluitend om de afzonderlijke bestanddelen van de

aardappel, en om de functies die deze kunnen vervullen. Naast zetmeel (en water)

bevatten deze aardappelen vooral eiwitten en vezels. Mede om die reden kent de

zetmeelaardappel veel meer toepassingen dan de consumptieaardappel. Het

belangrijkste verschil is dat aardappelzetmeel niet alleen wordt toegepast in

voedingsmiddelen maar ook zeer uiteenlopende non-food (industriële) toepassingen

kent.

Zetmeel komt voor in bijna elke groene plant, wat betekent dat aardappelzetmeel

moet concurreren met andere zetmeelbronnen. Twee hoofdcategorieën kunnen

worden onderscheiden:

a) knolzetmelen: het zetmeel wordt ondergronds opgeslagen, in knollen

(aardappelen) of wortels (cassave, waar tapiocazetmeel van wordt gemaakt)

b) graanzetmelen: het zetmeel wordt bovengronds opgeslagen, in tarwe, maïs, rijst

en erwten.

De belangrijkste verschillen tussen deze twee hoofdcategorieën:

• zetmeelaardappelen en cassavewortels bevatten relatief veel water: per ton

brutogewicht is het percentage zetmeel veel lager dan per ton nettogewicht

(droge stof), namelijk ongeveer 17 tegenover 77 procent (bij zetmeelaardappel).

Bij graanzetmelen is het verschil veel minder groot, bijv. 64 tegenover 74 procent

bij tarwe. Dit betekent dat aan de inputkant de transportkosten van knolzetmelen

relatief hoog zijn omdat bij het transport veel water wordt vervoerd.

• Zodra de knolgewassen zijn geoogst versuikert het zetmeel vrij snel. Hoewel door

koeltechnieken en klimaatbeheersing dit proces in belangrijke mate kan worden

tegengehouden, wat natuurlijk de nodige kosten met zich meebrengt, heeft dit tot

gevolg dat het zetmeel zo snel mogelijk na de oogst moet worden geproduceerd,

het zogenaamde ‘campagne-effect’, dat ook bij bietsuiker van toepassing is. Dit

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 37 van 96

CAB - Groningen


etekent dat niet alleen de transportkosten hoog zijn, maar dat ook hoge eisen

worden gesteld aan de logistieke infrastructuur (zie verder par. 3.4.4).

Graanzetmelen daarentegen kunnen veel langer en tegen lagere kosten worden

bewaard.

• In vergelijking met graanzetmelen bevatten aardappelknollen relatief weinig

winbaar eiwit (1-2%). Vroeger was eiwit bij zetmeelaardappelen een restproduct

dat als diervoeder werd verkocht. Door innovatie, wat in 2007 heeft geleid tot de

oprichting van Solanic B.V., heeft dit eiwit nieuwe toepassingen gekregen die een

hogere prijsstelling mogelijk maken, in de humane voeding en de farmacie.

• Knolzetmelen zijn vrijwel kleur-, smaak- en geurloos, wat bij bepaalde

toepassingen een groot voordeel is, en hebben om die reden in de regel een wat

hogere prijs dan graanzetmeel (LEI 2007, p. 37).

• Andere voordelen die zowel voor aardappel- als tapiocazetmeel van toepassing

zijn: hogere kleefkracht en bij het opkoken ontstaat een heldere gel met een veel

hogere viscositeit dan maïs- of tarwezetmeel.

Bij de toepassingen van zetmeelaardappelen is het relevant onderscheid te maken

tussen natief en gemodificeerd zetmeel. Wanneer er gesproken wordt over de prijs

van tarwe- of aardappelzetmeel, gaat het in de regel om natief zetmeel, waarbij de

zetmeelkorrels geen enkele fysische of chemische bewerking hebben ondergaan. Men

spreekt van gemodificeerd zetmeel wanneer het natief zetmeel een fysische en/of

chemische modificatie heeft ondergaan om het geschikt te maken voor een specifieke

toepassing. Dit moet niet worden verward met genetische modificatie (GMO).

In het recente marktrapport van Frost & Sullivan (2008) wordt een driedeling

gehanteerd: natief zetmeel, gemodificeerd zetmeel en derivaten; bij de laatste

categorie is er sprake van hydrolyse (chemisch en/of enzymatisch) en spreekt men

ook wel van zetmeelsuikers of hydrolysaten. Volgens dat rapport bestond in 2007 de

Europese zetmeelmarkt wat betreft voedseltoepassingen voor 21% uit natief zetmeel,

26% uit gemodificeerd zetmeel en voor 53% uit derivaten, dus zetmeelsuikers. De

termen gemodificeerd zetmeel en derivaten worden soms als synoniemen gebruikt,

bijv. bij AVEBE waar zetmeelsuikers niet (meer) worden gemaakt 16 .

In de volgende deelparagrafen worden de vier determinanten van de Porter-diamant

toegepast op AVEBE en de Nederlandse aardappelzetmeelsector. Eerst wordt

onderzocht in hoeverre het cluster een Noordelijke aangelegenheid is. Daarna volgt

een analyse van de afzetmarkt, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen food en

non-food toepassingen van zetmeel. Waarom is de aardappelzetmeelsector alleen in

de Veenkoloniën tot bloei gekomen en niet in andere Nederlandse veengebieden, zoals

De Peel of ZO-Friesland? Het antwoord op deze vraag maakt duidelijk welke

factorvoor- en nadelen verbonden zijn aan de teelt en de verwerking van

zetmeelaardappelen. Tot slot komen allerlei economische ordeningsaspecten aan bod.

Hoewel de recente en komende wijzigingen in de EU-landbouwpolitiek ook gevolgen

hebben (gehad) voor AVEBE en aardappelzetmeel, blijft de rol van de overheid hier

buiten beschouwing, en komt pas in par. 3.6 aan bod. Ook het nieuwste product van

AVEBE, het plantaardig eiwit dat door dochteronderneming Solanic B.V. wordt

geproduceerd, komt in deze analyse niet aan bod.

16 Zetmeelsuiker maken uit aardappelen heeft als nadeel dat het zetmeel eerst gedroogd moet worden buiten

de aardappelcampagne. Vanwege deze extra kostenpost worden zetmeelsuikers bijna uitsluitend gemaakt van

maïs- en tarwezetmeel; deze hebben als voordeel dat er het gehele jaar door geproduceerd kan worden.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 38 van 96

CAB - Groningen


3.4.2 Het netwerk

In Nederland bestaat het netwerk voor aardappelzetmeel uit de telers, AVEBE als

enige verwerker, bedrijven die zich bezighouden met toelevering aan zowel telers en

AVEBE, plus bedrijven voor de distributie van zetmeelaardappel, andere inputs en de

diverse zetmeelproducten.

Naast AVEBE zijn er nog twee andere ondernemingen in Nederland actief met

zetmeelproductie, te weten Cargill met vestigingen in Zaandam en Amsterdam, waar

zetmeel op basis van tarwe en maïs wordt gemaakt, alsmede Tate & Lyle in Koog aan

de Zaan met een fabriek voor maiszetmeelproductie. De input van beide bedrijven

komen bijna uitsluitend uit het buitenland. Hun activiteiten worden hieronder buiten

beschouwing gelaten

Tabel 3.1 geeft een overzicht van de toegevoegde waarde die deze vier activiteiten

genereren en de werkgelegenheid die daarmee is gemoeid. De directe en indirecte

werkgelegenheid die door het aardappelzetmeelcluster als geheel wordt gegenereerd

bedraagt ruim 7.000 arbeidsjaren. De helft daarvan komt voor rekening van de telers

en AVEBE, en is dus voornamelijk gelokaliseerd in Groningen en Drente.

Tabel 3.1 Toegevoegde waarde en werkgelegenheid in onderdelen van het aardappelzetmeelcluster (in

2005)

Toegevoegde waarde

Werkgelegenheid

in mln. euro in % in dzd. arbeidsjaren in %

teelt 116 27 2,5 36

industrie 74 17 0,9 13

toelevering 166 38 2,4 33

distributie 79 18 1,3 18

totaal 435 100 7,1 100

Bron: LEI 2007 p. 42

De indirecte werkgelegenheid, in de vorm van toelevering en distributie, wordt zowel

door het LEI als door TNO geschat op ruim 3,5 duizend arbeidsplaatsen; ongeveer de

helft daarvan wordt buiten Noord-Nederland gerealiseerd. (LEI 2007, pp. 34 en 43).

Telers

Zetmeelaardappelen worden voor ongeveer 85% verbouwd in Groningen en Drenthe

(het Veenkoloniale gebied). De rest komt uit Overijssel en Gelderland (LEI 2007, p.

21).

De zetmeelaardappelen die bij AVEBE worden verwerkt komen voor een gedeelte uit

nabijgelegen delen van Noord-Duitsland. Omgekeerd wordt een betrekkelijk klein deel

van de Nederlandse aardappelen verwerkt door Emsland Stärke 17 , met een

hoofdvestiging in Emlichheim, dicht bij de Nederlandse grens.

Het aantal telers in Nederland is sinds 1990 meer dan gehalveerd en bedroeg in 2006

iets minder dan twee duizend bedrijven, met een gemiddelde oppervlakte

zetmeelaardappelen van 25 ha (LEI 2007, p. 21). Het aandeel fabrieksaardappels in

de totale oppervlakte cultuurgrond in de Veenkoloniën is in de periode 1991-2001

gedaald van 36 naar 32 procent. Dankzij de gestegen opbrengst per hectare is de

totale zetmeelaardappel-productie slechts gedaald van 2,4 naar 2 miljoen ton (Strijker

2003).

De telers zijn de laatste jaren ruimtelijk steeds sterker geconcentreerd geraakt in de

omgeving van de productielocaties van AVEBE; telers die wat meer perifeer zijn

17 Emsland Stärke, met vestigingen in Emlichheim, Wietzendorf, Kyritz en Golβen, is onderdeel van de Emsland

Group, dat verder onder meer actief is in de productie van aardappelvlokken en granulaten, en als zodanig een

concurrent is van het Nederlandse Rixona (zie par. 3.5.2)

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 39 van 96

CAB - Groningen


gevestigd hebben in de loop van de afgelopen jaren de teelt beëindigd. Daarnaast zijn

er vanuit AVEBE stimulansen om de teelt te concentreren bij de grotere telers. Beide

veranderingen hebben te maken met het streven de transportkosten omlaag te

brengen, die relatief hoog zijn bij zetmeelaardappelen zoals in de inleiding werd

vermeld.

AVEBE

Deze onderneming, de afkorting staat voor Aardappelmeel Verkoop Bureau, is in 1919

opgericht als marketing- en verkooporganisatie voor de toen opererende

productiecoöperaties. In 1971 namen deze aardappelzetmeelfabrieken het besluit hun

productiefaciliteiten te koppelen aan AVEBE, zodat er een geïntegreerde coöperatie

ontstond.

Daarnaast waren er particuliere aardappelzetmeelbedrijven. Koninklijke Scholten

Honig (KSH) was daarvan de grootste en laatste. Toen AVEBE de faciliteiten van KSH

in 1978 overnam, werd het de enige Nederlandse productie- en verkooporganisatie.

In 2002 had AVEBE in Nederland ongeveer 1800 werknemers. De werkgelegenheid is

sindsdien gedaald tot ongeveer 1000 mensen (2007). Het plan is het

werknemersbestand binnen enkele jaren terug te brengen tot ongeveer 850. De

vestigingen staan in Foxhol, Gasselternijveen en in Ter Apelkanaal; de vestigingen in

Veendam, waaronder het imposante hoofdkantoor, zijn in 2007 gesloten m.u.v. het

Food Innovation Center en een commerciële afdeling. Naast zetmeelproductie is

AVEBE in 2007 begonnen met eiwitproductie, bij haar dochterbedrijf Solanic B.V. in

Gasselternijveen.

Momenteel werken ongeveer 25 mensen bij R&D-Food en ongeveer 30 bij de R&Dafdeling

voor Non-Food. Rond 1990 werkten er nog ongeveer 125 mensen in de

gezamenlijke R&D-afdeling.

Volgens NICE, een onderzoeksinstituut op het gebied van coöperaties dat bij Nyenrode

is ondergebracht, is AVEBE de meest internationaal georiënteerde coöperatie in

Nederland, uitgaande het aandeel van de buitenlandse omzet (90-95%), het aandeel

medewerkers in het buitenland (26%) en het percentage buitenlandse leden: 44%

(Van Bekkum 2008).

Andere onderdelen van het cluster

• NIVOBA in Veendam (ongeveer 45 werknemers) produceert in hoofdzaak

installaties voor de zetmeelproductie (niet alleen aardappelzetmeel). Vroeger was

er een zeer nauwe relatie tussen AVEBE en NIVOBA, in de zin dat vrijwel alle

machines en apparaten die AVEBE nodig had door NIVOBA werden geproduceerd,

tegenwoordig zijn er nauwelijks contacten en produceert NIVOBA vooral voor

buitenlandse zetmeelfabrikanten over de hele wereld en heeft het zelfs een eigen

tapiocafabriek in Zuid-Amerika.

• Sinds 1977 is de rol van NIVOBA grotendeels overgenomen door HOVEX in

Veendam. Sinds enkele jaren maakt HOVEX deel uit van de Duitse GEA- groep en

valt onder de divisie Westfalia Separator. Een ander bedrijf dat apparatuur levert

is ALFA-LAVAL.

• Wat betreft onderhoud en engineering zijn bedrijven als IJsseltechnologie en

Grontmij belangrijk.

• Het pootgoedhandelshuis Averis Seeds in Wildervank is opgericht in 2001, en richt

zich op de ontwikkeling, vermeerdering en handel van zetmeelaardappelrassen.

Averis, een volledige dochter van AVEBE, heeft tevens een eigen verkoopkantoor

in Duitsland. Evenals andere pootgoedhandelshuizen maakt Averis gebruik van

een beperkt aantal zelfstandige telers die zijn gespecialiseerd in de kweek en

selectie van nieuwe rassen.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 40 van 96

CAB - Groningen


• AKZO Nobel in Delfzijl is in zoverre een belangrijk onderdeel van het netwerk dat

het zoutzuur, natronloog, chloorbleekloog en natriumsulfaat kan leveren ten

behoeve van de chemische modificatie van zetmeel. Andere veel gebruikte

chemicaliën zijn propyleenoxide en ethyleenoxyde, fosfaten, azijnzuuranhydride,

monochloorazijnzuur, Kationisch reagens. Bij de meeste chemicaliën gaat het om

bulkproducten die door meerdere leveranciers geleverd kunnen worden, maar

gezien de transportkosten genieten leveranciers uit de nabije omgeving, zoals

AKZO-Nobel, de voorkeur

• Vertis is van oudsher ook een belangrijke toeleverancier: ooit de verzelfstandigde

ict-afdeling van AVEBE, inmiddels overgenomen door Ordina, dat in het Noorden

ongeveer 500 mensen in dienst heeft.

• Loon- en mechanisatiebedrijven voor de telers.

• Bedrijven die zich bezighouden met afvalstromen zoals vezelpulp en melasse

• Transport- en overslagbedrijven. De aanvoer van aardappelen gaat via een

beperkt aantal transportondernemingen, die periodiek bij inschrijving worden

geselecteerd.

• Tot slot kan ook de Groningse vestiging van TNO-Voeding, divisie Kwaliteit van

Leven, tot het zetmeelcluster worden gerekend. Alvorens het in 1998 door TNO

werd overgenomen, was deze vestiging het Nederlandse Instituut voor

Koolhydraten (NIKO) dat in 1985 was opgericht, gefinancierd door o.a. AVEBE,

Cargill, TNO en het Hoofdproductschap Akkerbouw (HPA). Werkten er in de

hoogtijdagen meer dan 50 mensen, de laatste jaren is het personeelsbestand

gereduceerd tot ongeveer 15 mensen. Een vergelijkbaar aantal mensen werkt bij

TNO-Zeist aan onderzoek op het gebied van koolhydraten. Ook in Wageningen

wordt onderzoek gedaan dat relevant is voor AVEBE.

Samenvattend: Volgens berekeningen van het LEI bestaat de helft van het

Nederlandse zetmeelcluster uit toelevering en distributie (naast de telers en AVEBE).

Deze indirecte werkgelegenheid heeft voor ongeveer de helft een regionaal karakter,

zodat driekwart van het zetmeelcluster in de Veenkoloniën is gevestigd. Aan de

andere kant van de grens is er een vergelijkbaar maar kleiner cluster rond Emsland

Stärke. Naast AKZO-Nobel in Delfzijl dat een belangrijk deel van de input voor de

chemische modificatie van zetmeel levert, was er zeker vroeger een heel breed scala

van lokale bedrijven die diensten, apparaten en machines aan de zetmeelindustrie

leverden.

AVEBE, dat als enige zetmeelproducent is overgebleven, heeft in de loop der jaren

nogal wat veranderingen doorgevoerd in dit regionale netwerk. Zo zijn sommige

toeleveranciers ingeruild voor andere. Bovendien is de laatste jaren het aantal

toeleveranciers drastisch teruggebracht en wordt vooral gewerkt met enkele ‘main

suppliers’ die nationaal of internationaal opereren. Wat betreft de R&D-activiteiten zijn

de belangrijkste ontwikkelingen dat het eigen personeel drastisch is ingekrompen en

het NIKON (later TNO-Groningen) steeds minder werd ingeschakeld. De belangrijkste

conclusie is dat het zetmeelcluster steeds kleiner en minder regionaal is geworden.

3.4.3 De (thuis)markt

Zetmeel kent twee hoofdtoepassingsgebieden: non-food, bij AVEBE aangeduid als

industriële toepassingen (industrial), en food. Zowel qua volume als qua omzet zijn

deze twee toepassingen ongeveer gelijk in 2007. Opvallend, maar niet geheel vreemd,

is dat AVEBE in de statistiek onder de voedingsmiddelensector (SBI 15) valt!

De non-food tak, die voorheen het grootste aandeel had, kent de volgende twee

afzetcategorieën: papier/karton en specialties, bestaande uit toepassingen voor

kleefstoffen, textiel en bouw. De papiertak (ongeveer 30%) loopt terug, terwijl de

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 41 van 96

CAB - Groningen


specialty-tak (ongeveer 25%) een groei vertoont (LEI 2007, p. 54). Ook de

toepassingen van zetmeel in voeding laten qua omzet een stijgende lijn zien.

• In die laatste categorie wordt zetmeel vooral gebruikt als verdikking- en als

geleermiddel, en om een bepaald smaakgevoel te krijgen. Een van de nieuwste

producten van AVEBE, Etenia, geeft in yoghurt en zuiveldranken een gevoel van

romigheid en lijkt ideaal geschikt als vetvervanger. Een ander nieuw product van

AVEBE is Eliane, een waxyzetmeel dat goed kan concurreren met

waxymaiszetmeel dat voor bijna 100% uit hoogwaardige amylopectine bestaat en

om die reden de voorkeur heeft bij bepaalde (nieuwe) toepassingen in

voedingsmiddelen.

• Oorspronkelijk was de textielindustrie de belangrijkste afnemer van zetmeel 18 .

Om die reden was vroeger de zetmeelproductie, toen nog op basis van tarwe,

hoofdzakelijk geconcentreerd in de gebieden met veel textielnijverheid, zoals

Gelderland en Overijssel (Knaap 2004). De teruggang in deze toepassing van

zetmeel voor AVEBE is vooral het gevolg van de verplaatsing van de

textielindustrie naar Azië en andere verre landen.

• Bij de papiermarkt gaat het vooral om zetmeelderivaten als kationisch zetmeel,

surface sizing producten en coatingsproducten. De afnemers kiezen alleen op

basis van prijs voor AVEBE (of voor een ander). Een van de redenen dat deze

afzet afneemt heeft volgens het LEI te maken met de concurrentie van

graanzetmeel (LEI 2007, p. 54). Een andere reden is dat de papierindustrie

langzaam maar zeker verhuist naar de gebieden waar de grondstof vandaan

komt, zodat de transportkosten voor AVEBE stijgen 19 .

• Toepassing van zetmeel bij kleefstoffen heeft betrekking op lijmen voor zakken,

etiketten en kartonnen verpakking. Bij kleefstoffen is vooral concurrentie van

synthetische kleefstoffen, die gemaakt worden op basis van fossiele grondstoffen

(vooral olie). In toenemende mate zoeken afnemers als bijv. het Duitse Henkel,

een van de leidende lijmfabrikanten op wereldniveau 20 , naar een combinatie van

(aardappel)zetmeel en synthetische producten, oftewel tussen agro- en

petrochemische ingrediënten, vooral sinds de stijging van de olieprijzen. Maar nog

steeds is de wereldmarkt voor zetmeelkleefstoffen aanzienlijk kleiner dan de

markt voor synthetische kleefstoffen. Naar eigen zeggen heeft AVEBE samen met

Emsland daarin een aandeel van ongeveer 60%. In het verleden bezat AVEBE

eigen productielijnen voor kleefstoffen, die in de afgelopen jaren allemaal zijn

verkocht.

• Het meest klantspecifiek is de toepassing in de bouw, die vooral de laatste vijf

jaar hoog op de AVEBE-agenda staat, en onder meer heeft geresulteerd in een

samenwerking met Noppert Beton uit Sumar (Fr).

• AVEBE heeft in 2002 haar farma-activiteiten verkocht aan Campina-dochter DMV,

met een hoofdkantoor in Veghel. Dit onderdeel, dat overigens nog steeds in

Foxhol is gevestigd maar dan als groothandel, werd niet verkocht vanwege

onvoldoende rentabiliteit. De belangrijkste reden was dat deze toepassing

enerzijds een specifieke marktbenadering vroeg, anderzijds te weinig volume had

om een aparte verkooporganisatie te kunnen dragen.

18 De toepassing van zetmeel bij textiel heeft alleen betrekking op het fabricageproces: het zetmeel die aan het

begin van het proces op de garens wordt aangebracht wordt na afloop weer verwijderd.

19 Volgens eigen zeggen heeft AVEBE de bewuste keuze gemaakt om de afzet in de papiermarkt tot een bepaald

niveau te limiteren, omdat de toegevoegde waarde hier het laagst was, vooral toen de zetmeelproductie in

Frankrijk onrendabel werd. Deze low-end markt wordt nu vooral gebruikt als buffer voor het opvangen van de

oogstvariaties.

20 Volgens hun website werd Henkel gedwongen synthetische kleefstoffen te ontwikkelen omdat Hitler in 1937

verbood dat lijm op basis van tarwe- of aardappelzetmeel werd gemaakt, waarschijnlijk om de

foodtoepassingen van deze ingrediënten voorrang te geven.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 42 van 96

CAB - Groningen


Tabel 3.2, eerste kolom, laat zien dat ongeveer tweederde van alle zetmeel die in

Europa wordt geproduceerd (niet alleen aardappelzetmeel!) wordt gebruikt in allerlei

voeding- en genotmiddelen. AVEBE is dus blijkbaar een uitzondering omdat zijn omzet

voor ongeveer de helft op food betrekking heeft. Hetzelfde geldt voor Emsland: toen

dit voormalige KSH-bedrijf in 1968 werd verzelfstandigd werd daar vrijwel uitsluitend

zetmeel voor industriële toepassingen gemaakt; pas later hebben food-toepassingen

meer prioriteit gekregen.

Tabel 3.2 Toepassingsgebieden van zetmeel in Europa

Food en non-food

(op basis van consumptiewaarde)

Alleen food

(op basis van volume)

gebak en dranken (30%) zoetwaren (48%)

overige voedselverwerking (27%) ‘processed foods’ (23%)

veevoer (1%) dranken (12%)

totaal 68% zuivel (12%)

papier en karton (28%) ‘baked foods’ (5%)

farmacie, kleefstoffen en overige chemie (10%)

andere non-food (4%)

Bron: LEI 2007, p. 38, dat zich baseert op AAF 2005 (1 e kolom); Frost & Sullivan 2008 (2 e kolom)

Deze specialisatie van beide aardappelzetmeelbedrijven zou twee redenen kunnen

hebben, die hieronder eerst worden genoemd en daarna onderzocht:

1. aardappelzetmeel is in vergelijking met andere vormen van zetmeel minder

geschikt voor food-toepassingen;

2. Van oudsher wordt de thuismarkt van deze zetmeelfabrikanten, te weten NO-

Nederland en NW-Duitsland, meer gedomineerd door non-food dan door

foodbedrijven;

De eerste reden lijkt niet van toepassing. Integendeel, aardappelzetmeel heeft

specifieke eigenschappen, zoals het feit dat het vrijwel kleur-, smaak- en geurloos is,

wat deze vorm van zetmeel juist bij uitstek geschikt maakt voor voedseltoepassingen.

Wel is het zo dat aardappelzetmeel iets duurder is dan andere zetmelen, maar dit

nadeel geldt ook voor de non-food toepassingen (tenzij prijsverschillen daar minder

belangrijk zijn, zie 3.4.5). Ook was er veel concurrentie van waxy-mais die op een

aantal punten superieur was aan aardappelzetmeel, vooral bij food-toepassingen.

Deze achterstand is sinds kort ongedaan gemaakt door de komst van de eerder

genoemde Eliane, een waxyzetmeel aardappel.

De tweede verklaring, die voortvloeit uit de thuismarkthypothese van Porter, lijkt

meer hout te snijden. In par. 3.3, bij de analyse van de Noordelijke suikersector, werd

al duidelijk dat de Nederlandse zoetwarenfabrikanten, de belangrijkste afnemers van

zetmeel (zie tabel 3.2), meer in het Zuiden en Midden van Nederland zitten, dan in het

Noorden 21 . Wat betreft non-food toepassingen moet vooral worden gewezen op de

vanouds dominante aanwezigheid van de kartonindustrie, vooral in Oost-Groningen.

Ook de textielindustrie, een andere grootverbruiker van chemisch gemodificeerd

zetmeel, was tot de jaren ’60 redelijk dichtbij, in Twente.

Samenvattend: Terwijl elders in Europa de food-toepassingen van zetmeel

belangrijker zijn dan non-food toepassingen in termen van afzet, was bij AVEBE (en

21 Het vroegere KSH creëerde als het ware haar eigen thuismarkt door zelf voedingsmiddelenfabrieken ( o.a.

Honig en de voormalige Coopfabrieken) te beheren waar een groot gedeelte van de zetmeel werd afgezet.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 43 van 96

CAB - Groningen


ij Emsland) eerder het omgekeerde het geval. Waarschijnlijk speelt hierbij een rol dat

zij vanouds sterk gericht was op de textielsector (nu vooral in Azië) en de papier- en

kartonsector (nog steeds vrij belangrijk in Oost-Groningen en Weser-Ems, zie bijlage

C). Voor de food-toepassingen heeft AVEBE veel minder het voordeel van een sterke

en grote thuismarkt gekend.

3.4.4. Factorvoordelen

De historische wortels van de zetmeelaardappel liggen in de Veenkoloniën aan het

begin van de 19 e eeuw. De Veenkoloniën is de naam voor het Nederlandse gedeelte

van het vroegere Bourtanger Moor, waar zich vanaf ongeveer 5500 jaar voor onze

jaartelling een dikke veenlaag ontwikkelde. Vanaf 1600 na Christus werd deze

veenlaag stukje bij beetje verwijderd, om in de vorm van turf als brandstof te dienen.

Dit leidde in dat gebied enerzijds tot de ontwikkeling van - voor die tijd energieintensieve

industrie (zoals glas), anderzijds tot nieuwe landbouwarealen waar vooral

graan, bieten en aardappelen werden verbouwd. Vanwege de grondsoort zijn de

consumptieaardappelen uit dat gebied van een mindere kwaliteit, minder goed te

bewaren en afwijkend van kleur, in vergelijking met kleiaardappelen (LEI 2007, p.

21).

Voor het transport van turf werd een uitgebreid kanalenstelsel gegraven, vooral

georganiseerd vanuit de stad Groningen. Deze kanalen werden daarna benut voor het

vervoer van landbouwproducten, zoals zetmeelaardappelen. Deze infrastructuur

zorgde voor relatief lage transportkosten in een tijd dat vervoer over het water vrijwel

de enige manier was om grote hoeveelheden te vervoeren

De beschikbaarheid van nieuwe grond, een goed waterwegtransportsysteem (dat

waarschijnlijk ook leidde tot de opkomst van de Oost-Groningse scheepsbouw), lage

energiekosten en de aanwezigheid van arbeiders en van ondernemers die eerst met

turf en later met landbouwgewassen hun geld probeerden te verdienen, de combinatie

van al deze factoren leidde er toe dat in de Veenkoloniën zetmeel veel grootschaliger

en professioneler kon worden geproduceerd dan in andere gebieden

Hoe belangrijk deze factorvoordelen waren blijkt uit het feit dat in de 19 e eeuw in

Nederland een verschuiving optrad van tarwezetmeel, dat toen vooral werd

geproduceerd in de gebieden met veel textielnijverheid, zoals Leiden, Gelderland en

Overijssel, naar aardappelzetmeel in de Veenkoloniën. Illustratief is dat de

grondlegger van de aardappelzetmeelproductie in de Veenkoloniën, W.A. Scholten van

het later roemruchte Koninklijke Scholten Honig (KSH), uit Gelderland kwam en zijn

activiteiten naar Oost-Groningen verplaatste om te profiteren van de gunstige

omstandigheden om daar zetmeel te produceren. Zijn voorbeeld werd al snel gevolgd

door Boon, een fabrikant uit Amsterdam, en Dutalis uit het Belgische Mechelen (Knaap

2004)

Zetmeel op basis van aardappelen heeft enkele nadelen. Evenals suikerbieten moeten

zetmeelaardappelen campagnegewijs worden verwerkt omdat bij bewaren van de

zetmeelaardappelen een deel van het zetmeel versuikert. Weliswaar is het mogelijk

om de aardappelen gekoeld op te slaan maar de energiekosten van het koelen wegen

niet voldoende op tegen het voordeel van een continu draaiende zetmeelfabriek. Bij

zetmeel op basis van graan is een continue bezetting wel mogelijk omdat graan veel

langer kan worden bewaard zonder nadelige gevolgen. Een andere concurrent van

zetmeelaardappel, tapioca, heeft als extra voordeel dat ook de aanplant en oogst van

cassave in de tropen over het hele jaar gespreid kan worden, waarmee een constante

aanvoer van wortelen mogelijk is; een voordeel dat ook suikerriet heeft t.o.v.

suikerbieten.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 44 van 96

CAB - Groningen


Een ander nadeel is dat de transportkosten van zetmeelaardappelen relatief hoog zijn

omdat zij, evenals suikerbieten, voor ongeveer 80% uit water bestaan. In combinatie

met eerder genoemde campagnekarakter leidt dit ertoe dat de verwerking sterk

locatiegebonden is. Dit zorgt ook voor een grote kwetsbaarheid voor bedrijven als

AVEBE: zodra de boeren in de nabije omgeving om welke reden dan ook geen

zetmeelaardappelen willen of kunnen verbouwen, en aanvoer van grondstoffen van

elders nodig is, wordt de verwerking aanmerkelijk minder concurrerend.

Samenvattend.

Dat in Nederland zetmeelaardappelen voor het overgrote deel in de Veenkoloniën

worden verbouwd heeft vooral te maken de factorvoordelen die aan dit gebied

verbonden zijn. Ook de Friese of de Brabantse veengebieden komen qua grondsoort in

aanmerking voor de teelt van zetmeelaardappel (Keuning 1951). Dat deze gebieden

zich uiteindelijk hebben gespecialiseerd in grondgebonden veeteelt (Friesland) en in

intensieve veehouderij (Brabant) heeft veel te maken met het feit dat alleen in

Groningen er sprake was van vaarwegen en grote arealen, die beide het gevolg waren

van de eerdere grootschalige turfproductie en –handel vanuit de stad Groningen.

Een belangrijk factornadeel van aardappelzetmeel, bijv. vergeleken met

graanzetmelen, is de locatiegebondenheid: teelt en verwerking zijn alleen

concurrerend als ze ruimtelijk geconcentreerd zijn. Als een van de twee stopt, zal ook

de ander het onderspit delven.

3.4.5. Economische ordening

Marktleider op de Europese zetmeelmarkt is het Amerikaanse bedrijf Cargill met een

marktaandeel van ongeveer 25%, op de voet gevolgd door het Franse bedrijf Roquette

(Frost & Sullivan 2008). Nummer 3 is Syral, een dochter van de Franse suikergigant

Tereos. Syral had begin 2007 zes productielocaties: Aalst (België), Greenwich (VK),

Markolsheim en Nesle (Frankrijk), Saluzzo (Italië) en Zaragoza (Spanje). Op 1 oktober

2007 kreeg Syral van de EU-autoriteiten toestemming om 5 productielocaties van Tate

& Lyle over te nemen; overigens valt de Nederlandse Tate & Lyle vestiging daar niet

onder.

AVEBE staat op de vierde plaats, en heeft een strategische samenwerking met

National Starch, dat in Europa op de vijfde plaats staat (zie box 3.3).

AVEBE is de enige onderneming in de Europese top-vijf (maar ook in de wereldtop) die

uitsluitend aardappelzetmeel produceert, nadat zij in 2006 haar tapiocabedrijven in

Zuid-Amerika en Indonesië heeft afgestoten. De andere grote bedrijven maken vooral

gebruik van tarwe en maïs als grondstof.

Volgens Frost & Sullivan (2008) was in 2007 40% van de Europese zetmeelproductie

gebaseerd op maïs, 34% op graan en 19% op aardappelen. Ook in de totale

wereldhandel (export) in zetmeelproducten (incl. inuline en gluten) had

aardappelzetmeel in 2003/04 een betrekkelijk klein aandeel, namelijk 17%. Maïs,

tapioca- en tarwezetmeel hadden een aandeel van respectievelijk 29, 26, en 12% (LEI

2007, p. 38).

Box 3.3 National Starch en AVEBE

Is in Europa AVEBE groter dan National Starch, met vestigingen in Hamburg en Goole (UK), op

wereldniveau is het omgekeerde het geval. National Starch, met ongeveer negen duizend

werknemers, is onderdeel van ICI (en neemt circa 41% van ICI-omzet voor zijn rekening).

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 45 van 96

CAB - Groningen


In juli 2007 hebben AVEBE en National Starch een strategische alliantie gesloten. National

Starch is sterk in zetmeel uit graan en tapioca, en heeft vooral in Amerika en Azië een

vooraanstaande positie. Onderdeel van de samenwerking is dan ook dat in die werelddelen de

verkoopactiviteiten voor voedseltoepassingen zijn ondergebracht bij National Starch. Hetzelfde

geldt voor de papiertoepassingen in Asian Pacific (persbericht 27 juli 2007).

Wat betreft Europa neemt National Starch ook een sterke positie in als het om Food gaat, maar

het bedrijf bedient andere markten dan AVEBE en is in dat opzicht geen echte concurrent.

National Starch heeft onlangs in Hamburg een Food Creation Centre geopend, waar de klanten

van National Starch worden ondersteund in het ontwikkelen van hoogwaardige

voedingsproducten met innovatieve texturen en smaken (EVMI 13/2/08).

National Starch verkoopt al heel lang vervangers van melkeiwit, wat uiterst lucratief is bij hoge

zuivelprijzen. Bij AVEBE is dat sinds 2007 het geval bij de opening van de Solanic fabriek, waar

hoogwaardige aardappeleiwit wordt gewonnen uit de reststromen die vrij komen bij de

aardappelzetmeel productie.

In 2007 is ICI, en dus ook National Starch, overgenomen door AKZO Nobel. AKZO Nobel heeft

in maart 2008 twee onderdelen van de non-food tak van National Starch verkocht aan het

Duitse Henkel, te weten de divisies Adhesives (lijmen) en Electronic Materials. De andere twee

non-fooddivisies, Specialty Starch en Specialty Polymers, blijven bij AKZO-Nobel (al zijn de

berichten niet eenduidig). Gezocht wordt naar een koper voor de Food-divisie van National

Starch (het Amerikaanse ADM, in Nederland vooral actief op het gebied van cacaoverwerking,

wordt genoemd). Onduidelijk is wat dit betekent voor de strategische alliantie tussen AVEBE en

National Starch.

AVEBE is ook de enige grote zetmeelonderneming die een vrij stringente coöperatieve

structuur heeft, in de zin dat alleen de boeren leveringsrechten en –plichten hebben,

voor de financiering zorgen en zeggenschap uitoefenen over het ondernemingsbeleid.

Het lijkt aannemelijk dat deze organisatievorm samenhangt met de

locatiegebondenheid en de kwetsbaarheid die zo typerend zijn voor aardappelzetmeel

(zie par. 3.4.4), in combinatie met het feit dat de boeren in de Veenkoloniën tot voor

kort weinig mogelijkheden hadden om alternatieve gewassen te telen. In het verleden

heeft de coöperatieve structuur er herhaaldelijk voor gezorgd dat de

ondernemingsleiding eerdere beleidswijzingen moest terugdraaien, zoals laatst in

2005 toen de leden, en dus aandeelhouders, besloten dat AVEBE zich moest beperken

tot aardappelzetmeel en zijn buitenlandse activiteiten op het gebied van tapioca moest

afstoten. De indruk bestaat dat de coöperatieve structuur ertoe heeft bijgedragen dat

AVEBE vaak een zigzagkoers heeft gevolgd: nog voor een nieuwe strategie of

organisatiestructuur de tijd kreeg om zich te bewijzen werd voor weer een ander

beleid gekozen.

De vraag kan worden gesteld of de coöperatieve structuur, zeker in de huidige

situatie, meer nadelen dan voordelen heeft, althans de stringente manier waarop deze

organisatievorm bij AVEBE wordt toegepast; een vraag die in de volgende

deelparagraaf weer terugkomt i.v.m. de mogelijkheden voor innovatie en valorisatie.

In dit verband kan erop gewezen worden dat een vergelijkbaar bedrijf, het

Oostenrijkse Agrana, onlangs is omgeschakeld van een coöperatieve naar een (deels)

beursgenoteerde organisatie 22 .

Evenals in de suikersector is AVEBE als coöperatie opgericht om tegenwicht te bieden

aan particuliere bedrijven, zoals die van Scholten, die al eerder aardappelzetmeel

produceerden. Een andere overeenkomst is dat na de talloze reorganisaties die sinds

het eind van de 19 e eeuw in beide sectoren hebben plaatsgevonden, er twee bedrijven

overbleven, een coöperatie en een particulier bedrijf, en uiteindelijk de coöperatie als

22 Het Duitse Südzucker heeft 38% van de aandelen van Agrana, ongeveer 25% van de aandelen wordt

verhandeld op de beurs terwijl de overige aandelen in handen zijn van de oude coöperatieleden. Overigens

wordt bij Agrana niet alleen aardappelzetmeel geproduceerd maar ook maïszetmeel en suiker.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 46 van 96

CAB - Groningen


laatste. Een verschil is dat AVEBE al vanaf 1978 de enige aardappelzetmeelproducent

in Nederland is, toen het de zetmeelactiviteiten overnam van de in moeilijkheden

verkerende concurrent KSH.

Een ander verschil is dat bij zetmeel er nooit echt sprake was van nationale

deelmarkten zoals dat vroeger bij suiker het geval was. Weliswaar waren er ook hier

nationale quota (voor aardappelzetmeel) maar er was ook behoorlijk veel

internationale handel, mede vanwege de concurrentie tussen de verschillende

zetmelen (ook binnen de nationale grenzen, zoals in Nederland tussen AVEBE, Cargill

en Tate & Lyle) en omdat in sommige landen een zetmeelsector ontbrak. Bovendien

heeft AVEBE altijd een concurrent in de buurt gehad: Emsland Stärke (een vroegere

KSH-vestiging).

Het is echter de vraag of de rivaliteit tussen Emsland en AVEBE in de praktijk dezelfde

positieve effecten heeft (gehad) als wat we kennen uit onderzoek naar sterke

agroclusters binnen een-en-hetzelfde land: de geografische nabijheid van sterke

bedrijven geeft een stimulans om elkaar te overtroeven, en biedt toeleveranciers en

afnemers voldoende keuzemogelijkheden en schaalvoordelen (zie par. 3.2). Op papier

worden de nationale grenzen weliswaar steeds minder belangrijk, maar de verschillen

in cultuur en in wet- en regelgeving zorgen er vaak voor dat de institutioneel-culturele

afstand aanmerkelijk groter is dan de fysieke afstand.

Tot dusver bleef de analyse beperkt tot de horizontale marktverhoudingen, de relaties

tussen de concurrenten. Bij de verticale marktverhoudingen, dus binnen de

bedrijfskolom, moet bij aardappelzetmeel een onderscheid worden gemaakt tussen

food- en non-food toepassingen.

1. Door de bank genomen zijn de tegenspelers waar AVEBE mee te maken heeft op

de foodmarkt aanmerkelijk groter en machtiger dan op de industriële markt, waar

het MKB meer aanwezig is (zie ook bijlage B over de structuur van de V&Gsector).

Zwart-wit gesteld: op de non-food markt is AVEBE meestal een relatief

grote speler, terwijl op de foodmarkt AVEBE een kleintje is.

2. Een verschil dat hier nauw mee samenhangt: bij non-food is AVEBE meestal de

partij met de meeste R&D-capaciteit, terwijl bij food bijna altijd het omgekeerde

geldt (denk bijv. aan Unilever dat wereldwijd ongeveer 2.000 R&D-medewerkers

heeft, tegenover 25 bij AVEBE).

3. De foodsector, zeker in Nederland, is over het algemeen sterk kostprijsgedreven,

niet alleen vanwege de macht van hun tegenspelers aan de afzetkant, de

supermarktketens, maar ook omdat de Nederlandse consument in het algemeen

bij de dagelijkse boodschappen de voorkeur geeft aan een lage prijs boven een

superieure smaak (zie o.a. Vrolijk 2007d over de varkenssector).

Vanwege deze verschillen kan het geen toeval zijn dat AVEBE bij de foodtoepassingen

vooral aanstuurt op samenwerking met grotere collega’s als National

Starch (zie hierboven) en DSM, terwijl bij de non-food toepassingen samenwerking

met de afnemers de meest gebruikelijke benadering lijkt te zijn.

Samenvattend

AVEBE is in Europa nr. 1 op het gebied van aardappelzetmeel, maar een middelgrote

speler op de totale zetmeelmarkt. Vooral op de foodmarkt is AVEBE ook t.o.v. zijn

afnemers relatief klein, zodat het grotendeels is aangewezen op samenwerking met

grotere concullega’s. Bij de non-food toepassingen zijn er meer mogelijkheden voor

samenwerking met de afnemers.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 47 van 96

CAB - Groningen


3.4.6 Slotbeschouwingen

Deze slotparagraaf kent drie onderdelen:

a) conclusies uit de voorgaande Porter-analyse

b) de afzetmogelijkheden voor aardappelzetmeel

c) de mogelijkheden voor innovatie en valorisatie in het Noorden

a) Conclusies uit de voorgaande Porter-analyse

- In tegenstelling tot het suikercluster is het aardappelzetmeelcluster grotendeels in

het Noorden, te weten in de Groningse en Drentse veenkoloniën, gevestigd;

daarnaast zijn er in Nederland graanzetmeelactiviteiten in Amsterdam en de

Zaanstreek. Waren de toeleveranciers van AVEBE vroeger voornamelijk bedrijven

die regionaal opereerden, de huidige toeleveranciers hanteren een (inter)nationale

schaal

- Van oudsher is AVEBE (en Emsland) meer op non-food dan op food toepassingen

van aardappelzetmeel georiënteerd, mede vanwege de vroegere nabijheid van de

textiel- en de kartonindustrie

- In meerdere opzichten heeft de aardappelzetmeelsector in Nederland een sterke

locatiegebondenheid, wat ertoe heeft geleid dat telers en verwerkers in sterke

mate op elkaar aangewezen zijn (tot elkaar veroordeeld??)

b) De toekomst van het aardappelzetmeel

De afzetmogelijkheden voor aardappelzetmeel wordt in hoofdzaak bepaald door twee

factoren: de vraag naar zetmeel en de concurrentie tussen aardappelzetmeel en

andere zetmelen.

Bij non-food wordt de vraag naar zetmeel vooral bepaald door de concurrentie met de

synthetische middelen die een vergelijkbare toepassing hebben. Zetmeel heeft

daarbij twee grote voordelen. Ten eerste het betere imago: bedrijven kunnen hoger

scoren op duurzaamheid als zij bijv. meer natuurlijke en minder synthetische

kleefstoffen gebruiken. Het tweede voordeel is gelegen in de sterk gestegen prijzen

voor olie en voor de daarvan afgeleide synthetische middelen.

Bij de food-toepassingen kan worden ingehaakt op trend naar meer en gezond

gemaksvoedsel, wat ertoe leidt dat niet in de keuken thuis maar in de fabriek de

smaak en andere eigenschappen waaraan het voedsel moet voldoen, worden

‘geproduceerd’. Deze nieuwe categorie voedingsproducten, vaak aangeduid als

functional food, creëert een vraag naar nieuwe (combinaties van) ingrediënten.

Nieuwe toepassingen van zetmeel kunnen van die ontwikkeling profiteren.

In de inleiding van deze paragraaf zijn allerlei voordelen van aardappelzetmeel t.o.v.

andere zetmelen genoemd. Deze kunnen alleen leiden tot extra afzetmogelijkheden

als deze voordelen voor de afnemers zwaarder gaan wegen dan het allergrootste

nadeel van aardappelzetmeel: de relatief hoge prijs. Dit nadeel wordt groter

naarmate de importheffingen op andere zetmelen worden verlaagd, in het kader van

de EU-landbouwpolitiek en de WTO-onderhandelingen. De voordelen kunnen groter

worden door meer aandacht te besteden aan productontwikkeling en innovatie, in

samenwerking met de (eind)gebruikers.

c) Mogelijkheden voor innovatie en valorisatie in het Noorden

Hoewel Wageningen (WUR) en Zeist (TNO) ook bij aardappelzetmeel een zuigende

werking hebben, is het kenniscluster nog steeds grotendeels een Noordelijke

aangelegenheid. Verder lijken de mogelijkheden voor nieuwe toepassingen van

aardappelzetmeel behoorlijk groot te zijn, vooral bij de non-food onder invloed van de

stijgende prijzen en het dalende imago van synthetische alternatieven. Deze

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 48 van 96

CAB - Groningen


mogelijkheden hebben vooral te maken met de specifieke voordelen van

aardappelzetmeel t.o.v. graanzetmelen. Deze mogelijkheden kunnen alleen worden

benut als de R&D-activiteiten voldoende intensiteit en vooral continuïteit hebben.

Bedacht moet worden dat het fundament van de huidige innovaties van AVEBE (zoals

Etenia, Eliane en , Solanic) is gelegd in de jaren ’80 en ’90 toen de R&D-activiteiten

flink meer aandacht kregen dan in de afgelopen jaren, wat de vraag oproept of

AVEBE voldoende fundament heeft voor toekomstige innovaties.

De bestaande organisatiestructuur en –cultuur van AVEBE lijkt nog de grootste

hindernis te zijn bij het realiseren van de mogelijkheden voor innovatie en valorisatie.

In het verleden zijn er talloze nieuwe toepassingen van aardappelzetmeel binnen

AVEBE niet of onvoldoende tot wasdom gekomen omdat zij door de

ondernemingsleiding werden bestempeld als te klein, niet voldoende interessant of te

weinig aansluitend bij kernactiviteiten of strategie. Sommige toepassingen zijn

vervolgens buiten AVEBE wel tot bloei gekomen. Twee voorbeelden:

- Paragon in Veendam waar hondenkauwproducten op basis van aardappelzetmeel

worden geproduceerd. Sinds de verzelfstandiging in 2003 is dit bedrijf gegroeid

van 6 naar 23 werknemers, en in 2008 genomineerd voor de Groninger

Ondernemingsprijs.

- Paperfoam in Barneveld waar CD- en DVD-hoesjes en vergelijkbare verpakkingen

worden gemaakt voor bedrijven als Apple, Motorola en Universal Music, Het recept

en procédé zijn in 1995 in eerste instantie ontwikkeld voor AVEBE met het oog op

de productie van milieuvriendelijke patatbakjes. In 1998 is deze activiteit

verzelfstandigd.

AVEBE kan de vele en uiteenlopende toepassingen van zetmeelaardappelen veel beter

benutten door naast een paar kernactiviteiten een ontwikkelingsmaatschappij op te

richten, eventueel samen met andere partijen, waarin spin-offs en spin-outs een

soort innovatiecampus rond AVEBE kunnen vormen, vergelijkbaar met de kring van

kleine innovatieve bedrijfjes die Campina om zich heen heeft verzameld in het

BioPartner Center in Wageningen. De gesloten innovatie die tot dusver zo

kenmerkend is voor AVEBE, kan op die manier plaats maken voor een cultuur van

open innovatie (Chesbrough 2003) die beter aansluit bij de diversiteit aan

mogelijkheden van aardappelzetmeel en bij de wensen en mogelijkheden van de

huidige kenniswerkers. Als de huidige coöperatieve structuur AVEBE ervan weerhoudt

om deze nieuwe wegen van innovatie en valorisatie te bewandelen in plaats van het

ingesleten patroon van bulkproductie (die bij coöperaties vaker voorkomt, zie par.

3.6), dan is het noodzakelijk op zoek te gaan naar een moderne variant van deze

organisatievorm. In die zin is organisatorische innovatie voorwaarde voor, en dus

wellicht belangrijker dan, product- of procesinnovatie.

3.5 Consumptieaardappelen

3.5.1 Inleiding

Er zijn twee belangrijke verschillen tussen consumptieaardappelen en

zetmeelaardappelen. Ten eerste kennen consumptieaardappelen een vrije markt in de

zin dat er geen sprake is van EU-subsidies of –quota. Ten tweede is de bedrijfskolom

van consumptieaardappelen wat ingewikkelder. Gaat het in Nederland bij

zetmeelaardappelen eigenlijk maar om twee partijen, namelijk AVEBE en de

akkerbouwers die zetmeelaardappelen verbouwen, bij consumptieaardappelen is de

opbouw van de bedrijfskolom wat minder eenvoudig.

In zijn meest simpele vorm gaat het bij de teelt om twee soorten producten: de

pootaardappel en de consumptieaardappel, waarbij de eerste het uitgangsmateriaal

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 49 van 96

CAB - Groningen


(de grondstof) vormt voor de laatste. Dat geldt natuurlijk ook voor de

zetmeelaardappel maar daar worden beide producten door hetzelfde bedrijf

geproduceerd: AVEBE.

Verder speelt een rol dat consumptieaardappelen op twee manieren kunnen worden

gebruikt, als tafel- of als industrieaardappel. De tafelaardappelen gaan via de handel

en/of de retail naar de consument, terwijl de industrieaardappelen worden verwerkt

tot aardappelproducten (diepvries of koelvers), chips, dan wel droge stof (granulaten

of vlokken). Box 3.4 geeft een wat uitgebreidere beschrijving.

In figuur 3.2 wordt de bedrijfskolom, door Porter meestal aangeduid als waardeketen,

voor aardappelen grafisch weergegeven, aan de hand van de verschillende producten

die daarin zijn te onderscheiden en de afnemers van deze producten. De verschillende

rest- en tussenstromen zijn niet in deze figuur opgenomen.

Box 3.4: Consumptieaardappelen in soorten en maten

Aan de basis van de bedrijfskolom staan de pootgoedhandelshuizen die (meestal)

eigenaar zijn van bepaalde aardappelrassen, in de zin dat zij houder zijn van het

kwekersrecht dat daarop rust. Deze laten hun pootgoed vermeerderen door

pootgoedbedrijven: telers die zich (grotendeels) hebben gespecialiseerd in

pootaardappelen. De geteelde pootgoedaardappelen worden door de handelshuizen

verkocht aan de telers van consumptieaardappelen maar vooral aan bedrijven die

deze industrieaardappelen verhandelen, be- of verwerken, en die vervolgens deze

aardappelen onderbrengen bij de telers die bij hen onder contract staan.

Aanvankelijk gingen de consumptieaardappelen rechtstreeks of via allerlei

handelskanalen min of meer onbewerkt naar de retail: winkeliers in aardappelen,

groenten en fruit (AGF) en vergelijkbare marktkooplui, evenals (in toenemende mate)

via kleinverpakkers naar de supermarkten.

Naast deze zogeheten tafelaardappelen gaan de consumptieaardappelen in

toenemende mate naar de verwerkende industrie, en worden daarom

industrieaardappelen genoemd. De verwerkende sector is zeer uiteenlopend. Ook zijn

er nogal wat indelingen van dit onderdeel van de bedrijfskolom in omloop. De indeling

die het meest aansluit bij de wereldhandelstatistieken van de United Nations (UNcomtrade)

maakt onderscheid tussen voorgebakken, afgebakken en gedroogde

aardappelproducten.

- De eerste categorie is de grootste en heeft vooral betrekking op frites. Twee groepen

worde onderscheiden: diepvries (code 200410) en koelvers (code 200520) Naast

verse frites bestaat koelvers uit allerlei voorbewerkte aardappelproducten die niet

worden ingevroren, en dat zijn er steeds meer zoals de schappen van de hedendaagse

supermarkt laat zien.

- Bij afgebakken aardappelproducten gaat het vooral om chips en snacks.

- De categorie gedroogde aardappelproducten bestaat vooral uit vlokken en

granulaten. Deze halffabrikaten worden gebruikt voor allerlei voeding- en

genotmiddelen (V&G), vooral voor aardappelpuree, en voor chips en snacks.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 50 van 96

CAB - Groningen


Figuur 3.2: de waardeketen voor consumptieaardappelen

Tabel 3.3 geeft een beeld van de omvang en van de exportintensiteit van deze

verschillende onderdelen van de consumptieaardappelsector in Nederland. Bij de

verwerkte producten is de output in tonnen (1,6 mln) veel kleiner dan de input in de

vorm van industrieaardappelen (ongeveer 3,0 mln) omdat bij de verwerking van

vooral frites en chips veel reststromen ontstaan. Benadrukt moet worden dat de

onderverdeling er heel anders uitziet wanneer de output niet in tonnage maar in

geldwaarde wordt uitgedrukt. Zo hebben pootaardappelen een hogere prijs dan

consumptieaardappelen.

Tabel 3.3: output en exportpercentage voor diverse onderdelen van de aardappelsector (exclusief

zetmeelaardappelen)

(sub)Categorie Productie (tonnage) Exportpercentage

1 Pootaardappelen 1.0 mln. 70%

2 Consumptieaardappelen 3,6 mln. 33%

3a Tafelaardappelen 0,6 mln. 5-10%

3b Verwerkte producten 1,6 mln. 90%

Bron: Rabobank (2005) en diverse andere bronnen

Tabel 3.3 laat zien dat voor Nederland als geheel ruim driekwart van de geteelde

aardappelen (excl. zetmeelaardappelen) betrekking heeft op consumptieaardappelen,

de rest zijn pootaardappelen. In Noord-Nederland is dat eerder andersom, om

redenen die verderop aan de orde komen. Daarom blijft in paragraaf 3.5.3 de Porteranalyse

van de Noordelijke aardappelsector beperkt tot de pootaardappelen.

3.5.2 Industrieaardappelen

Nederland telt ongeveer 40 bedrijven die zich bezighouden met een of andere vorm

van verwerking van consumptieaardappelen. Twaalf daarvan, met twintig

productielocaties in heel Nederland, hebben zich verenigd in de VAVI, de Vereniging

voor de Aardappelverwerkende Industrie (Janssen en Netjes 2006, p. 28)

Bij vier daarvan gaat het om spelers van wereldformaat, die zich van oorsprong

hebben gericht op de fritesproductie:

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 51 van 96

CAB - Groningen


1. Mc Cain uit Canada, sinds 1973 in Nederland actief met momenteel 2

productielocaties.

2. Lamb Weston Meijer, sinds 1994 een joint venture van het Amerikaanse Lamb

Weston met het Nederlandse handelshuis Meijer, met 3 productielocaties in

Nederland.

3. Farm Frites, een Nederlandse onderneming, die vanaf 1974 actief is met

inmiddels 8 productielocaties, waarvan 7 in het buitenland.

4. Aviko, eveneens een Nederlandse onderneming, inmiddels een volle dochter van

Cosun, met vijf productielocaties in Nederland produceert ook in Polen, Zweden,

Zuid-Duitsland en China. In Nederland is Aviko de grootste van de vier.

Daarnaast zijn er bedrijven die be- en verwerkte aardappelen aanbieden die als

koelvers worden aangeduid:

• Agrico uit Emmeloord heeft met CelaVita aan de wieg gestaan van de

stormachtige ontwikkeling van de koelverse aardappelproducten. In 2005

verkocht Agrico deze dochter aan de Duitse onderneming Wernsing Gmbh.

• Andere bedrijven op die segment zijn onder meer: Peka Kroef, Bieze Foodservice

(onderdeel van Wensingh), Schaap Holland. Geen van deze bedrijven is in Noord-

Nederland gevestigd.

• Waren het aanvankelijk handelsbedrijven die de koelversmarkt betraden, in

toenemende mate zijn het de grote fritesbedrijven zoals Aviko die deze markt

beheersen. Maar niet alle fritesbedrijven, want in 2007 heeft McCain de beslissing

genomen dit segment weer te verlaten.

Om de volgende redenen is verwerkende industrie in hoofdzaak gevestigd in Zuid-

Nederland:

• Door eerder planten en later oogsten is daar een hogere productie mogelijk dan in

het Noorden

• Aan de andere kant is ook de ziektedruk daar hoger, dus minder geschikt voor

pootaardappelen (en tafelaardappelen).

• Datzelfde geldt eveneens voor de nabijgelegen streken in Duitsland, België en

Frankrijk, waar aardappelen worden verbouwd die in Nederland worden verwerkt,

voor ongeveer 30% van de benodigde input (RABO 2005, p. 19)

• Omdat de input hogere transportkosten kent dan de output (voor 1 kilo frites zijn

ruim 2 kilo aardappelen nodig) zit de verwerkende industrie in het algemeen

liever dichter bij de grondstoffen (de teeltgebieden) dan bij de belangrijkste

afzetmarkten (de Randstad en het Roergebied).

Hoewel je op grond van het laatste zou verwachten dat ook in Noord-Nederland de

verwerking, en dus ook de teelt van consumptieaardappelen aantrekkelijk is, kent

Noord-Nederland slechts twee productielocaties.

1. In Oosterbierum (Fr) staat een van de drie fabrieken van Lamb Weston Meijer

(LWM), dat haar hoofdkantoor heeft in Kruiningen, waar het familiebedrijf Meijer

oorspronkelijk was gevestigd. Het betreft een overname van Vriezo (in 2000).

Saillant detail is dat de eerste Europese vestiging van Lamb Weston in de

Eemshaven stond (vanaf 1991, dus vóór de samenwerking met Meijer in 1994)

2. Rixona in Warffum was in de jaren’50 het eerste Europese bedrijf waar granulaten

worden geproduceerd. In 1985 word het overgenomen door Aviko, dat in 2002

onder de vleugels kwam van Cosun. In 2005 wordt een andere producent van

granulaten overgenomen, de wat grotere Nestlé-vestiging in Venray, waar ook

vlokken worden geproduceerd. Warffum blijft gespecialiseerd in granulaten, en

beperkt steeds meer tot louter productie; alle andere functies zijn in de loop der

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 52 van 96

CAB - Groningen


jaren overgeheveld naar Venray, of naar andere Aviko-vestigingen. Niet alleen de

output gaat overwegend naar het buitenland (export ongeveer 90%), ook de

input in de vorm van aardappelen komt steeds meer uit Duitsland (en Drente), en

steeds minder uit de directe omgeving. Dat laatste is onder meer het gevolg van

veranderende consumentenvoorkeuren: gingen vroeger de kleine aardappeltjes

naar Rixona omdat het schillen (door de huisvrouw) veel te tijdrovend was, sinds

de ‘ontdekking’ van de koelverse krielaardappeltjes vinden ze een bestemming die

veel meer geld oplevert.

Samengevat: de verwerking van consumptieaardappelen is in Noord-Nederland

relatief zwak. Niet alleen staan de meeste productielocaties in ZW-Nederland, de twee

Noordelijke fabrieken zijn overgenomen door Nederlandse ondernemingen die hun

hoofdkantoor elders hebben staan.

3.5.3 Porter-analyse pootaardappelen

In Ierland was de aardappel al vanaf de 17 e eeuw hèt voedsel voor de armen. Een

aardappelziekte zorgde in de jaren 1845-48 voor ongeveer een halvering van de Ierse

bevolking, deels door de hongerdood, deels door de massale emigratie naar Amerika.

Waarschijnlijk aangemoedigd door de aardappelprijzen die na de Ierse misoogsten tot

een recordhoogte stegen, werden in Nederland vanaf halverwege de 19 e eeuw

verwoede pogingen gedaan om via kruisen en selecteren van wilde aardappelrassen

ziektebestendige aardappelplanten te kweken. Vooral in Friesland en Groningen werd

aan het eind van de 19 e en het begin van de 20 e eeuw veel gedaan aan de veredeling

van aardappelrassen. Zo is Bintje, internationaal het meest bekende aardappelras,

door de Friese schoolmeester Klaas de Vries gekweekt. Hij en vele andere, vooral

Noordelijke hobbykwekers hebben aan de wieg gestaan van het succes van de

Nederlandse aardappelsector.

Hoe is nu de positie van de Nederlandse pootgoedsector? Om deze vraag te

beantwoorden kijken we eerst naar de clustervorming. Vervolgens wordt een beeld

geschetst van de thuismarkt en van de factorvoordelen. Na een korte analyse van de

economische ordening in dit onderdeel van de aardappelsector worden enkele

conclusies getrokken over de economische kracht van de Noordelijke

pootaardappelsector.

3.5.3.1 Het cluster

Naast de aardappeltelers bestaat het cluster voor pootaardappelen uit de

pootgoedhandelshuizen en de toeleveranciers.

Telers

Het gaat hier om familiebedrijven die relatief klein zijn: in 2004 was het gemiddelde

areaal aardappelen per bedrijf zestien hectare bij pootaardappelen en negen bij

consumptieaardappelen (CBS-Landbouwcijfers); waarbij aangetekend moet worden

dat aardappeltelers vanwege de wisselteelt ook andere gewassen verbouwen. De

meeste telers hebben zich gespecialiseerd in een van die twee categorieen, wat

grotendeels te maken heeft met de grondsoort en met het klimaat (ziektedruk). Dit

heeft ertoe geleid dat de pootaardappeltelers vooral gevestigd zijn aan de Waddenkust

in Noord-Nederland, waar ongeveer de helft van het Nederlandse pootgoed wordt

geteeld.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 53 van 96

CAB - Groningen


Pootgoedhandelshuizen

Het gaat hier om bedrijven die het kwekerrecht bezitten, en dus eigenaar zijn, van

bepaalde aardappelrassen, deze door aangesloten telers laten vermeerderen en

vervolgens verkopen. Zij kweken zelf nieuwe rassen maar kunnen ook rassen

vermarkten die door particuliere kwekers zijn ontwikkeld.

De twee grootste pootgoedhandelshuizen zijn HZPC en Agrico, die samen ongeveer

80% van het pootgoed in Nederland verhandelen. Naast diverse verkoopkantoren in

het buitenland hebben beide bedrijven ook teeltbedrijven in onder meer Frankrijk,

Schotland, Duitsland en Polen

• HZPC uit Joure is een samensmelting van de coöperatie ZPC en het particuliere

bedrijf Hettema, en heeft 215 werknemers in dienst waarvan 135 bij HZPC-

Holland. De R&D-afdeling is gevestigd in Metslawier (NO-Friesland).

• Agrico is gevestigd in Emmeloord, met daarnaast Nederlandse vestigingen in

Dronten (opslag), Bant in de NO-Polder (R&D) en Purmerend (inpakken en

distributie van tafelaardappelen). Er werken ongeveer 150 mensen bij Agrico in

Nederland.

Verder zijn er nog wat kleinere bedrijven die in pootgoed handelen, zoals STET en

Van Rijn uit Emmeloord.

Toeleveranciers

De toeleveranciers, die overigens niet alleen voor de pootaardappelsector werken,

kunnen in drie groepen worden onderscheiden.

1. Mechanisatie: allerlei machines en apparaten om aardappelen te poten, op het

land te oogsten en in de schuur te sorteren, te verpakken en anderszins te

bewerken. Met uitzondering van de sorteermachines die bijna uitsluitend uit

Nederland komen, zitten de betreffende toeleveranciers overwegend in het

buitenland.

2. Gewasbeschermingsmiddelen zowel voor op het veld als in de schuur. Deze

komen voor het merendeel van grote buitenlandse chemiereuzen zoals Bayer,

BASF en Du Pont, al of niet via Agrifirm.

3. Nederland is vooral toonaangevend op het gebied van klimaatbeheersing en

bewaartechnieken.

Transporteurs

Er zijn 3 grote transporteurs gespecialiseerd in bulktransport van vooral industrieaardappelen:

Bakker Texel, Butter en Farm Trans. Zij verzorgen ongeveer 95 % van

transport voor de verwerkende industrie in Nederland, hebben elk een vestiging in

Polen, en doen ook veel transport van frites en aardappelen in NW- Europa.

Pootaardappelen worden veel meer in kisten, zakken en jumbo's vervoerd. De

transporteurs die zich hebben gespecialiseerd in het transport, de opslag en/of het

verpakken van pootaardappelen zijn wat kleinschaliger, en bevinden zich vooral in

Noord-Nederland. Voorbeelden zijn DML in Wehe – Den Hoorn en Friese bedrijven als

KLMV in St Anna, Bergmans in Franeker, ZOS in Stiens (en Emmeloord).

Verpakkers

Het verpakken van pootgoed wordt door de teler zelf gedaan. Hij heeft veelal fors

geïnvesteerd in opzak- en palletiseermachines. De grote verpakkers houden zich

vooral bezig met tafelaardappelen. Voorbeelden zijn Werkman/Landjuweel uit

Uithuizen, Nedato, Jansen Dongen, Schaap en Van Kampen. Zij bedienen ongeveer

50% van de binnenlandse markt voor tafelaardappels. Deze bedrijven doen ook aan

groothandel en export.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 54 van 96

CAB - Groningen


Samengevat

Zowel de telers en de pootgoedhandelshuizen als transporteurs en verpakkers zijn

hoofdzakelijk gevestigd in Noord-Nederland (en de NO-Polder)

3.5.3.2 De (thuis)markt

Dat de pootaardappelsector relatief groot is in Nederland en een sterke exportpositie

heeft gekregen, heeft verschillende redenen. Voorzover deze betrekking hebben op de

afzetkant gaat het vooral om de combinatie van de volgende factoren

a) de Nederlandse eetcultuur

b) de relatief omvangrijke verwerkende industrie

c) de opkomst en ondergang van Bintje

De eerste twee factoren hebben geleid tot een sterke productiegroei van de

consumptieaardappelen, en dus ook van de pootaardappel. De derde factor heeft een

meer kwalitatief karakter.

ad a

Waarschijnlijk aangemoedigd door de aardappelprijzen die na de Ierse misoogsten tot

een recordhoogte stegen, werden in Nederland vanaf halverwege de 19 e eeuw

verwoede pogingen gedaan om via kruisen en selecteren van wilde aardappelrassen

ziektebestendige aardappelplanten te kweken. Het succes van deze pogingen op

Nederlandse bodem heeft ongetwijfeld ertoe bijgedragen dat ook in Nederland de

aardappel volksvoedsel nr. 1 is geworden.

De dominantie van de aardappel in de Nederlandse keuken begon pas te tanen onder

invloed van de stijgende welvaart in de jaren ’60 en de daarbij behorende

veranderingen in de Nederlandse eetcultuur (Montijn 1991). Lag de jaarlijkse

aardappelconsumptie per hoofd van de bevolking nog op ongeveer 100 kg, aan het

begin van de jaren ’70 was deze ongeveer gehalveerd. Sindsdien is zij weer gaan

stijgen tot de huidige 85 kg per jaar omdat de voortgaande neergang van de

tafelaardappel ruimschoots is gecompenseerd door de opmars van de bewerkte

aardappelproducten, vooral door de sterk gestegen consumptie van frites en chips.

Voor de primaire sector heeft de verdringing van de tafelaardappel door allerhande

verwerkte aardappelproducten voor een behoorlijke vraagimpuls gezorgd, omdat voor

1 kg bewerkte aardappelen ongeveer 2 kg ‘ruwe’ aardappelen nodig zijn.

ad b

Naar schatting staat ongeveer 35 tot 40 procent van de totale EU-capaciteit voor

aardappelverwerking in Nederland (RABO 2005, p. 21), waarbij een deel van deze

productiecapaciteit ook betrekking heeft op de verwerking van zetmeelaardappelen

(AVEBE). Omdat het Nederlandse aandeel in de totale EU-productie van aardappelen

ongeveer 11% bedraagt (RABO 2005, p.12), kan worden geconstateerd dat de

verwerkende industrie hier behoorlijk oververtegenwoordigd is. Zo is Nederland

uitgegroeid tot de derde fritesproducent ter wereld (na de VS en Canada) en de

grootste exporteur. Naast de factorvoordelen, die in de volgende subparagraaf worden

behandeld, lijken de volgende factoren aan de vraagzijde een belangrijke rol te

hebben gespeeld.

1. Afgezien van het Verenigd Koninkrijk was Nederland het eerste Europese land

waar McDonald’s voet aan land kreeg. In het RABO-rapport over de

aardappelsector geldt het aantal filialen van deze fastfoodketen nog steeds als

indicator voor de groeiverwachting in de fritesconsumptie (RABO 2005, p. 9)

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 55 van 96

CAB - Groningen


2. Veel belangrijker en ook eerder dan de opmars van Amerikaanse fast food ketens

als Mc Donald’s, Burger King en KFC was in Nederland de enorme groei van het

aantal cafetaria en patatkramen, mede door het feit dat je daarvoor geen enkel

diploma hoefde te hebben; eind jaren ’80 waren er niet minder dan 7000 cafetaria

in Nederland (Montijn 1991, p. 120)

3. Ook het zelf frituren nam een hoge vlucht met de komst van de moderne friteuses

zodat ook via de supermarkt een grote vraag naar gekoelde of verse frites

ontstond.

ad c

Ongeveer 25 jaar geleden was er bijna alleen Bintje, met een ‘marktaandeel’ van

90%. Dit ras was zeer geschikt als tafelaardappel, althans voor de Nederlandse

consument, maar ook als industrieaardappel. Momenteel heeft Bintje in Nederland een

marktaandeel van minder dan 10%, en zijn er talloze andere rassen op de markt, die

bovendien gesegmenteerd is in minimaal vier aparte groepen: tafelaardappelen, frites,

chips en koelvers, waarbij ieder segment zijn eigen rassen heeft.

Het feit dat Bintje niet resistent was voor aardappelmoeheid (AM) en er wetgeving

ontstond rond AM, bood kansen aan de kwekers om AM-resistente rassen te

ontwikkelen. De industrie werd min of meer gedwongen met andere rassen te gaan

werken. Vervolgens zag men de meerwaarde van andere rassen en is men specifieke

rassen voor specifieke producten gaan gebruiken. Werden rassen aanvankelijk vooral

geselecteerd op superieure groei-eigenschappen (en liefst multi-purpose zoals bij

Bintje), de laatste jaren wordt ook gelet op verwerkingseigenschappen. Zo heeft de

fritesindustrie behoefte aan rassen die lange frieten en weinig afval geven

Samengevat

Om drie redenen is de Nederlandse afzetmarkt relatief groot en gekwalificeerd voor de

(Noordelijke) pootgoedsector. Dankzij de groei in de consumptie van friet en andere

verwerkte aardappelproducten is ten eerste de aardappel nog steeds volksvoedsel in

Nederland. Mede om die reden is ten tweede de Europese aardappelverwerkende

industrie in belangrijke mate in Nederland geconcentreerd. Ten derde heeft het

belangrijkste nadeel van het dominante ras Bintje, namelijk dat het niet resistent was

tegen aardappelmoeheid, ervoor gezorgd dat regelgeving op dat terrein een sterke

stimulans was om nieuwe rassen te gaan ontwikkelen.

3.5.3.3 Factorvoordelen

Voor de teelt van aardappelen zijn grond, water en mest nodig, plus pootgoed. Mest is

er in Nederland meer dan genoeg, zeker sinds de opkomst van de intensieve

veehouderij. Hetzelfde geldt voor water: ons land heeft een mild en stabiel klimaat

met regelmatige regenval. Extreme en sterk wisselende weersomstandigheden, zoals

in 2006, zijn niet gunstig voor de aardappelteelt; andere gewassen zoals suikerbieten

zijn veel minder weersgevoelig.

Bij de factor grond gaat het om verschillende zaken.

• In principe kan de aardappel op vrijwel alle grondsoorten gedijen, maar bij

pootgoed luistert het wat nauwer. De teelt van pootaardappelen is geconcentreerd

in de NO-polder en de noordelijke rand van Nederland, vanwege de combinatie

van lichte kleigrond en wind van zee, waardoor de bladluisdruk in deze regio’s

lager is en pootgoed eerder virusvrij is.

• Sinds de mechanisatie in de akkerbouw haar intrede heeft gedaan spelen ook

andere aspecten een rol. Zo heeft Nederland als voordeel dat er weinig tot geen

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 56 van 96

CAB - Groningen


stenen in de grond zitten, wat in andere landen vaak een belemmering is voor

gemechaniseerde aardappelteelt 23 .

• Niet alleen wat betreft klimaat maar ook met het oog op de ‘kwaliteit’ van de

grond is de aardappel een zeer gevoelig product. Wanneer aardappelen vaker op

hetzelfde stuk grond wordt verbouwd ontstaan al gauw allerlei ziekten zoals

aardappelmoeheid. Hoe maagdelijker de grond, hoe minder kans op ziekten.

Daarom is tot voor kort een belangrijk factorvoordeel van Nederland geweest dat

door inpoldering voortdurend nieuwe landbouwgronden beschikbaar kwamen, een

voordeel dat steeds kleiner wordt.

Wat betreft de meer geavanceerde factorvoordelen gaat het vooral om de

ontwikkeling van nieuwe rassen. Ons land heeft daarin een lange en rijke traditie, plus

de handelsgeest om de nieuwe rassen ook te gelde te maken. Deze traditie ontstond

vooral na de beruchte aardappelziekte in Ierland, zoals eerder werd aangestipt, en

vooral in Friesland en Groningen waar zowel bodem als klimaat gunstig waren. Nog

steeds leveren individuele aardappelkwekers een belangrijke bijdrage aan de

ontwikkeling van nieuwe rassen. De vermeerdering en vermarkting van de nieuwe

rassen werd en wordt voornamelijk overgelaten aan de handelshuizen. Sommige

daarvan hebben de rassenveredeling geprofessionaliseerd in de vorm van R&D. Zo

besteedt HZPC in Nederland naar eigen zeggen ongeveer 15% van de brutomarge aan

R&D. Deze combinatie van enkele grote professionele handelshuizen en een groot

aantal individuele kwekers is uniek in internationaal perspectief. Ter vergelijking: in

VS vindt de veredeling en ontwikkeling van aardappelrassen bijna uitsluitend bij een

beperkt aantal universiteiten plaats.

3.5.3.4 Economische ordening

De handelaren, oftewel de handelshuizen zoals ze in deze sector vaak worden

genoemd, waren vroeger in Nederland de spil waar alles om draaide. Zij kochten de

aardappelen op bij de telers (ook wel de collecteringsfunctie genoemd) en verkochten

deze aan het buitenland of aan de binnenlandse afzetkanalen. Sommige handelaren

kochten pootgoed op bij de kwekers en zetten dat uit bij de telers.

Van oudsher zijn er twee groepen handelaren geweest: de particuliere en de

coöperatieve. De coöperaties zijn vooral ontstaan uit pogingen van kleine zelfstandige

telers en kwekers om hun (poot)aardappelen tegen een redelijke prijs aan de man te

brengen, maar ook op andere terreinen werd samengewerkt Coöperaties zijn er nog

steeds, vooral in de pootgoedsector, maar evenals elders in de Nederland agrofood is

de band tussen leden en uitvoeringsorganisatie losser en zakelijker geworden

De grootste verandering in de organisatie van de bedrijfstak kwam met de komst van

de fritesfabricage in de jaren ’70. Sindsdien gaat een steeds groter deel van de

consumptieaardappelen naar de vier grote fritesbedrijven die ook internationaal grote

spelers waren of zijn geworden. Later zijn daar ook nog de producenten van koelverse

aardappelproducten bij gekomen. De verwerkende industrie probeert zich vanwege

haar hoge vaste kosten te verzekeren van voldoende aanvoer, zowel in kwalitatief als

kwantitatief opzicht, door rechtstreeks contracten met telers te sluiten. Naar schatting

23 Aan de andere kant heeft ons land een nadeel omdat mechanisatie het meest profijtelijk is bij grote

(aaneengesloten) arealen, die hier minder aanwezig en ook duurder zijn. Hoewel Nederland bedrijven steeds

groter worden, is hun areaal gemiddeld veel kleiner dan in omringende landen. Overigens is dit nadeel in

Nederland grotendeels ondervangen door het fenomeen loonbedrijven: als een machine te duur is voor eigen

gebruik vanwege te weinig areaal wordt de loonwerker ingeschakeld. Ook ‘poolen’ telers vaak hun machines.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 57 van 96

CAB - Groningen


wordt ongeveer 80% van hun behoefte door vaste contracten gedekt (Janssen en

Netjes 2006, p. 20).

Mede als reactie op deze vorm van achterwaartse verticale integratie hebben

coöperaties als Agrico en ZPC (nu HZPC) activiteiten ontwikkeld in de richting van

verwerking van de aardappelen van hun aangesloten leden. In de jaren ’90 hebben zij

deze vorm van voorwaartse integratie weer verlaten, en zijn ze gespecialiseerd in de

kweek, teelt en handel van voornamelijk pootgoed. De teelt wordt overigens niet in

eigen beheer uitgevoerd, zoals in het buitenland vaak voorkomt, maar overgelaten

aan een geselecteerde groep pootgoedtelers. Bij de organisatievorm die daarbij wordt

gehanteerd fungeert het handelshuis als licentiegever voor de rassen en als

commissionair voor de afzet. Het marktrisico van de teelt ligt bij de teler.

De spilfunctie die de pootgoedhuizen het laatste decennium vervullen heeft veel te

maken met het feit dat de ontwikkeling van nieuwe rassen steeds belangrijker is

geworden, zoals eerder naar voren kwam. Dat heeft ook consequenties voor de

handelshuizen: alleen de handelaren die eigenaar zijn van een of meer rassen kunnen

een vooraanstaande rol spelen; de rest is aangewezen op de afzet van vrije rassen of

op niche markten.

3.5.4 Slotbeschouwingen

Deze slotparagraaf kent drie onderdelen

a. conclusies uit de voorgaande Porter-analyse

b. ontwikkelingen in de internationale markt

c. de mogelijkheden voor innovatie en valorisatie

Conclusies Porter-analyse

De pootgoedsector kan als een zeer sterke bedrijfstak worden bestempeld:

• Er is een relatief grote en veelzijdige thuismarkt omdat de ontwikkeling van

nieuwe rassen steeds belangrijker is geworden voor de diverse onderdelen van de

aardappel(verwerkende)sector die in Nederland sterk vertegenwoordigd zijn;

• Op die thuismarkt zijn er twee grote spelers die elkaar scherp houden, Agrico en

HZPC;

• Deze twee bedrijven hebben niet alleen hun eigen R&D-capaciteit maar kunnen

ook gebruik maken van een uitgebreid en historisch stevig verankerd netwerk van

individuele ‘hobbykwekers’;

Verder blijkt dat het pootgoedcluster zich voor een groot deel in Noord-Nederland

bevindt, met uitlopers naar Flevoland en de kop van Noord-Holland. Dat geldt niet

alleen voor de telers (de primaire sector) maar ook voor de handelshuizen en allerlei

toeleveranciers.

Ontwikkelingen op de internationale markt

De buitenlandse afzet van Nederlandse pootaardappelen heeft 3 kenmerken:

• Het Nederlandse aandeel in de wereldexport schommelt al jaren rond de 60%,

veel hoger dan de naaste concurrenten Schotland en Frankrijk die rond de 10%

zitten;

• De export kent een grote geografische spreiding; de 3 belangrijkste buitenlandse

afzetgebieden hadden in 2005 elk slechts 8% van de totale Nederlandse export;

• In tegenstelling tot de consumptieaardappelen en de verwerkte

aardappelproducten blijft de export niet in hoofdzaak beperkt tot NW-Europese

landen; een belangrijk deel gaat naar Afrikaanse en Europese landen aan de

Middellandse Zee (Vrolijk 2007b, pp. 91-96).

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 58 van 96

CAB - Groningen


De exportontwikkeling van Nederland op het gebied van pootaardappels vanaf 1970

wordt weergegeven in figuur 3.3. Was in 1970 de export ongeveer 275.000 ton, rond

1995 bereikte het 5-jarig voortschrijdende gemiddelde een top van ongeveer 650.000

ton, om daarna redelijk stabiel te blijven.

850

800

750

700

650

600

550

500

450

400

350

300

250

200

1970

1972

1974

1976

1978

1980

1982

1984

1986

1988

1990

1992

1994

1996

1998

2000

2002

2004

2006

per jaar 5jr gem 10 jr gem

Figuur 3.3: exportvolume van Nederland pootaardappelen: 1970-2007 (Bron: HZPC)

De stagnatie in de export heeft met de volgende factoren te maken. Ten eerste is de

laatste jaren het kwaliteitsverschil met vooral Franse en Schotse pootaardappelen

kleiner geworden; dat betekent vooral dat ze daar meer zelfvoorzienend zijn

geworden. Een tweede reden heeft te maken met regionale of nationale sentimenten.

In bepaalde delen van Europa wordt door veel consumenten veel waarde gehecht aan

voedsel van eigen bodem, en wat betreft aardappelen betekent dit ook een voorkeur

voor eigen pootgoed. Beide factoren leiden ertoe dat de wereldhandel in

pootaardappelen stagneert, en dus ook het exportvolume van Nederland als grootste

exporteur.

Overigens moet worden bedacht dat elke teler de mogelijkheid heeft om op zijn eigen

bedrijf pootgoed te vermeerderen voor de teelt van consumptieaardappelen het jaar

erop (ook wel aangeduid als Farm Saved Seed). Daarnaast wordt ook ongecertificeerd

materiaal gebruikt, wat in grote delen van de wereld de normale gang van zaken is.

Het feit dat deze vorm van uitgangsmateriaal goedkoop is en er bij ‘officieel pootgoed’

licenties moeten worden betaald, speelt hierbij een belangrijke rol. De huidige

voedselschaarste zou ertoe kunnen leiden dat akkerbouwers in landen die tot dusver

ongecertificeerd materiaal gebruikten, nu gaan overschakelen op officieel pootgoed

omdat ze op die manier de productiviteit en de kwaliteit kunnen verbeteren.

Vergelijkbaar is de stijgende vraag vanuit Noord-Afrika en het Midden Oosten naar

klasse E (een hogere klasse) zodat men nog een keer kan doorvermeerderen.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 59 van 96

CAB - Groningen


Mogelijkheden voor innovatie en valorisatie

Noord-Nederland is gespecialiseerd in het meest lucratieve en perspectiefrijke

onderdeel van de aardappelsector. Pootgoed is immers het paradepaardje in de

Nederlandse aardappelsector. Al jaren lang steekt ons land met kop en schouders uit

boven de buitenlandse concurrenten op de wereldexportmarkt. Echter, de

wereldhandel in pootgoed stagneert de laatste jaren, en daarmee ook de Nederlandse

export. Dit betekent dat de Nederlandse pootgoedsector andere vormen van

internationalisering moet toepassen, naast export. Een daarvan is het oprichten van

dochterbedrijven in het buitenland (FDI = foreign direct investment). HZPC heeft

vanaf 2000 productie van pootgoed in Frankrijk, en vanaf 2005 op bescheiden schaal

in Duitsland, Schotland, Polen en Canada. Agrico heeft productielocaties in Polen,

Schotland en Frankrijk, alsmede een deelname in een Canadees pootgoedbedrijf.

Een derde vorm van internationalisatie, die vooral buiten Europa wordt gebruikt en

een steeds groter deel van de inkomsten vormt, heeft betrekking op licenties. Deze

inkomsten worden verkregen door tegen betaling andere bedrijven het recht te geven

pootgoed te vermeerderen van rassen waarvan het kwekerrecht bij de licentiehouder

berust.

Deze verschuiving in internationale valorisatie (minder export en meer FDI en licenties)

heeft tot gevolg dat R&D- en innovatieactiviteiten steeds belangrijker worden. De

aandacht verschuift van zoveel mogelijk produceren voor de exportmarkt naar het

opbouwen en behouden van een kennisvoorsprong, die in toenemende mate te gelde

moet worden gemaakt door FDI en licenties. Vanwege het feit dat bedrijven als Agrico

en HZPC ook productielocaties in het buitenland hebben, zou er een nieuwe vorm van

internationale arbeidsverdeling gecreëerd kunnen worden: de ontwikkeling van nieuwe

rassen en productiemethoden vindt vooral in (Noord-)Nederland plaats, terwijl de

productie van het pootgoed geleidelijk naar het buitenland verschuift. Deze vorm van

upgrading vereist onder meer dat het kennisniveau van de telers voortdurend op peil

blijft, bijv. in de vorm van een Pootgoedacademie. In navolging van andere agrarische

academies die Nederland telt, zoals de Tuinbouw- en de Melkveeakademie, gaat het

hierbij om het principe ‘boeren leren van boeren’.

Maar er moet waarschijnlijk meer gebeuren om te kunnen profiteren van de

economische kracht van Noord-Nederland op het gebied van pootgoed:

• De pootgoedacademie blijft beperkt tot de telers (de primaire sector) terwijl ook

andere onderdelen van het pootaardappelcluster een belangrijke rol kunnen

spelen, zoals de pootgoedhandelshuizen en de verschillende toeleveranciers.

Aangezien het hier vooral gaat om MKB-bedrijven, zouden er, als aanvulling van

het CCC waar HZPC aan meedoet, ook kennisactiviteiten voor deze groep

georganiseerd kunnen worden.

• De publieke kenniscapaciteit zit vooral in Wageningen en Flevoland, en nauwelijks

in Noord-Nederland. Onderzocht zou kunnen worden welke mogelijkheden er zijn

om deze onbalans te herstellen, bijv. in samenwerking met de Stichting

Proefboerderijen Noordelijke Akkerbouw (SPNA) 24

• De kennis en netwerken die bij aardappelpootgoed zijn ontwikkeld, kunnen

worden gebruikt om ook bij ander uitgangsmateriaal, vooral op het gebied van

knolgewassen, Noord-Nederland een sterke positie te geven. Het feit dat de Kop

van Noord-Holland sterk is in zaaigoed, biedt wellicht perspectieven om de

Noordelijke Rand van Nederland op te stuwen tot een nieuwe Piek in de Delta.

24 De SPNA, met ongeveer 10 mensen in dienst, exploiteert het regionaal onderzoekscentrum Ebelsheerd in

Nieuw Beerta en Kollumerwaard in Munnekezijl. In augustus 2008 is besloten om meer te gaan investeren in

deze twee proefboerderijen

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 60 van 96

CAB - Groningen


3.6 Rol van de overheid

Tot dusver bleef de analyse beperkt tot de vier determinanten van de Diamant, die

werden onderzocht voor elk van de drie Groningse specialiteiten afzonderlijk. In deze

paragraaf gaat het meer over de overeenkomsten en de verschillen tussen deze drie

productclusters, door de aandacht te richten op een andere factor die volgens Porter

een belangrijke invloed kan uitoefenen op de economische kracht van een nationale of

regionale bedrijfstak, namelijk de overheid. Deze invloed is vooral indirect van aard

want als centrale spelbepaler kan de overheid de dynamiek in de Diamant zowel

stimuleren als afremmen.

De dynamiek wordt volgens hem afgeremd als de overheid de bedrijfstak probeert te

beschermen met bijv. invoerheffingen op buitenlandse import, of door nationale of

regionale bedrijven voorrang te geven bij overheidsopdrachten. Porter is van mening

dat dergelijke maatregelen weliswaar op korte termijn de nationale of regionale

bedrijvigheid een steuntje in de rug geven maar op langere termijn juist tot

averechtse effecten zullen leiden, omdat zij voor het bedrijfsleven geen stimulans

vormen om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden. Hij is daarom

voorstander van een overheidsbeleid dat eerder hogere dan lagere eisen stelt aan het

eigen bedrijfsleven, omdat op die manier de bedrijven gedwongen worden een richting

in te slaan die hen op termijn een voorsprong geeft t.o.v. de buitenlandse

concurrenten.

In deze paragraaf is de centrale vraag: onder welke omstandigheden heeft

overheidsbeleid een positief effect op het concurrentievermogen, en wanneer is het

effect eerder negatief? Deze vraag wordt toegespitst op de drie Groningse

specialiteiten, maar de antwoorden zijn natuurlijk ook relevant voor andere

(agrarische) producten.

Eerst komt het milieubeleid aan bod omdat het streven naar een zo hoog mogelijke

voedselproductie volgens sommige mensen vaak op gespannen voet staat met allerlei

wensen vanuit de samenleving op het gebied van milieu. Daarna besteden we

aandacht aan de invloed van het EU-beleid, want zowel suiker als zetmeel zijn de

afgelopen jaren sterk gereguleerd door allerlei (financiële) maatregelen op EU-niveau.

In 2013 behoort dit tot het verleden, zodat de vraag rijst wat de gevolgen daarvan

zullen zijn, en wat er nu al gaande is vooruitlopend op de situatie na 2013. Tot slot is

er aandacht voor de rollen die de regionale overheid kan spelen om de comparatieve

voordelen van de regio te vergroten.

Milieubeleid

Michael Porter heeft een uitgesproken mening over wat de overheid moet doen als de

activiteiten van bedrijven indruisen tegen allerlei wensen van de bevolking wat betreft

milieu en natuur. Volgens hem moet de overheid op dit terrein hoge eisen stellen aan

de bedrijven, zelfs als ze daardoor met hogere kosten worden geconfronteerd dan hun

buitenlandse concurrenten (unlevel playing field), zeker wanneer verwacht mag

worden dat andere landen of regio’s op termijn deze eisen zullen overnemen. Op korte

termijn doet zo’n beleid pijn voor de eigen industrie maar op langere termijn is het

voordeel dat zij beter en eerder is ingespeeld op de nieuwe eisen die internationaal

aan het product of het productieproces worden gesteld (first mover advantage). Deze

gedachtegang is vergelijkbaar met het argument van de kritische thuismarkt (zie par.

3.2): als een bedrijf op de thuismarkt aan hoge eisen moet voldoen, zal het een

voorsprong hebben op de buitenlandse concurrenten. Dat geldt niet alleen in de

situatie dat de (toekomstige) eisen van de exportmarkt qua aard en niveau

grotendeels overeenkomen met de eisen van de thuismarkt. Ook als die eisen

uiteenlopen is het voordeel van de kritische thuismarkt dat bedrijven voortdurend

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 61 van 96

CAB - Groningen


gedwongen worden aan hoge eisen te voldoen, wat uiteindelijk tot uiting komt in meer

concurrentie- en innovatiekracht.

De aardappelzetmeelindustrie geeft een mooie illustratie van de directe en de indirecte

gevolgen van milieumaatregelen. De zetmeelaardappel bevat slechts 17 procent

zetmeel, zodat het productieproces grotendeels bestaat uit het afscheiden van het

zetmeel uit de aardappelmassa die voor ongeveer 80 procent uit water bestaat. “De

drab die daarbij vrijkwam lag te rotten in open bassins van het formaat voetbalveld.

Schuimend van de eiwitvlokken vloeide het afvalwater het B.L.Tijdenskanaal in,

waarna het traag stromend een spoor van weeë eierlucht door de provincie trok”, zo

beschrijft Frank Westerman in De Graanrepubliek (p. 137) de situatie in de jaren ’50.

Maatregelen om dit ongemak aan te pakken werden niet bepaald toegejuicht door de

communisten die toen in de Veenkoloniën sterk vertegenwoordigd waren. “Tegen

beter weten in hielden ze de zwavelstank voor de geur van de vooruitgang. ‘Als het

Diep stinkt, gaat het de arbeider goed’ zeiden ze fier.” (idem). Hadden ze gelijk, in de

zin dat zowel werknemers als werkgevers eronder lijden als het milieubeleid wordt

aangescherpt?

In eerste instantie leken ze het gelijk aan hun kant te hebben want de eisen die

uiteindelijk vanuit de overheid (onder druk van de samenleving) werden gesteld om

aan de lucht- en waterverontreiniging een eind te maken hebben AVEBE bijna op de

rand van de afgrond gebracht. Maar de indirecte gevolgen waren heel wat minder

negatief. Werd aanvankelijk het eiwit uit de afvalstromen als veevoer verkocht, door

de hogere milieueisen van de overheid werd AVEBE gestimuleerd voor de reststromen

een betere bestemming te zoeken. Wat uiteindelijk in 2007 leidde tot de opening van

de Solanic-fabriek, waar het vrijkomende eiwit wordt gebruikt voor hoogwaardige

toepassingen voor food en vooral farmacie. Wat ooit een lastig bijproduct van de

zetmeelproductie was, blijkt nu de nieuwe melkkoe van AVEBE te zijn, dankzij de

milieueisen die vroeger als een gevaar voor het voortbestaan van AVEBE werden

gezien. Sterker nog: de rollen lijken omgedraaid want bij de presentatie van de

florissante cijfers over het boekjaar 2007/2008 sprak AVEBE-topman Kraaijenzank

over productiegroei en over “de uitdaging om fors meer zetmeel weg te zetten op de

wereldmarkt”, onder meer “om de vraag naar eiwit te kunnen bijbenen” (DvhN, 6

september 2008). Met andere woorden: alle ogen zijn gericht op de productie en afzet

van eiwit, en om dat te bereiken wordt gestreefd naar een zo groot mogelijke

zetmeelproductie (met wederom als gevaar dat eerder de bulkmarkten dan de kleine

specialty-markten worden opgezocht, zie par. 3.4).

Bij de zuivel is iets vergelijkbaars gebeurd. De wei die vrij kwam bij de kaasproductie

werd aanvankelijk in het kanaal geloosd of als veevoer weer terug naar de boerderij

gebracht. Pas toen de overheid deze lozingen ging verbieden (en het veevoer aan

allerlei eisen moest voldoen) werd serieus geïnvesteerd in het onderzoek naar en

vervolgens in de productie van lactose, het belangrijkste ingrediënt in de reststromen

bij de kaasproductie. Bij Friesland Food is het vooral werkmaatschappij DOMO die zich

richt op allerlei toepassingen van lactose en andere ingrediënten, die behoorlijk

lucratief blijken te zijn, getuige het jaarverslag over 2007.

Ook de groei en de bloei van de Nederlandse pootaardappelsector kan voor een groot

deel worden toegeschreven aan een verscherping van het overheidsbeleid, in dit geval

met betrekking tot aardappelmoeheid. Bintje, het dominante aardapppelras in de

jaren ’70 en ’80, had naast allerlei voordelen ook een belangrijk nadeel: zij was niet

resistent tegen aardappelmoeheid (AM). Dit had tot gevolg dat gebruik van

bestrijdings- en grondontsmettingsmiddelen snel toenam, en op grote weerstand in de

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 62 van 96

CAB - Groningen


maatschappij stuitte. De overheid reageerde hierop door de wet- en regelgeving veel

stringenter te maken, met als resultaat dat kwekers nieuwe rassen gingen ontwikkelen

die wel AM-resistent zijn. In de huidige situatie heeft Bintje in Nederland een

marktaandeel van minder dan 10%, en zijn er talloze andere rassen op de markt, die

bovendien zijn toegesneden op zeer uiteenlopende toepassingen. Het is niet

overdreven om te beweren dat de vooraanstaande positie die Nederland heeft op het

gebied van pootaardappelen, grotendeels (maar zeker niet uitsluitend) te danken

heeft aan het strenge overheidsbeleid.

EU-landbouwpolitiek

Als het gaat om de toekomst van de (Noord)Nederlandse landbouw, wordt al jarenlang

gepleit voor een ommezwaai van bulkproducten naar hoogwaardige en

gespecialiseerde producten. Dit pleidooi lijkt aan dovemansoren te zijn gericht want

nog steeds overheerst in grote delen van de landbouw in (Noord-)Nederland de

bulkproductie, waarbij schaalvergroting (het vergroten van het volume) belangrijker is

dan specialisatie (het vergroten van de toegevoegde waarde per product). De vraag is

daarom welke mechanismen en economische prikkels er blijkbaar toe leiden dat nog

steeds voor grootschalige bulkproductie wordt gekozen.

In dit verband kan onderscheid worden gemaakt tussen agrarische producten zoals

zetmeelaardappelen en suikerbieten die vanuit de EU financieel werden ondersteund,

en producten die niet onder de EU-landbouwpolitiek vielen, zoals poot- en

consumptieaardappelen en allerlei tuinbouwproducten. De nadruk op het EU-beleid is

belangrijk omdat daar de scheidslijn lijkt te liggen in de wegen die werden ingeslagen

na het sombere rapport van A.T. Kearney De markt gemist? Door beperkte

marktgerichtheid dreigt somber perspectief voor Nederlandse agrosector (Kearney

1994). In dit rapport werd geconstateerd dat de Nederlandse landbouw vaak niet de

producten levert waar ze in het buitenland behoefte aan hadden. Een berucht

voorbeeld is de Nederlandse tomaat die door de Duitse consumenten werden

aangeduid als ‘Wasserbombe’, en steeds minder werd gekocht toen zij hogere eisen

gingen stellen aan hun voedsel (en er betere alternatieven beschikbaar kwamen uit

andere landen). Inmiddels lijkt de tuinbouw in Nederland zich helemaal te hebben

hersteld van dit gebrek aan marktoriëntatie, en staat zij bekend om een continue

stroom van nieuwe producten, bijv. bij tomaten. Hetzelfde geldt min of meer voor de

consumptieaardappelsector, waar de dominantie van Bintje heeft plaatsgemaakt voor

een grote variëteit aan aardappelrassen (mede dankzij streng optreden van de

overheid op het gebied van aardappelmoeheid, zoals hierboven is betoogd).

Het is opvallend dat in de sectoren waar het EU-landbouwbeleid een behoorlijke

invloed heeft (gehad), zich veel minder lijken te hebben aangepast aan de

veranderende marktomstandigheden, en er nog steeds weinig aandacht is voor

productinnovaties, zeker bij de boer zelf. Alle energie wordt gestoken in

kostprijsverlaging, door schaalvergroting en/of procesinnovaties.

Om te achterhalen welke economische prikkels en mechanismen door het EU-beleid

teweeg worden gebracht, is het nuttig om, bijv. bij suiker, de hypothetische situatie

te nemen dat de overheidsbemoeienis met prijzen en hoeveelheden (quota) zou

ontbreken. Voo de bulk van de suikerconsumptie zouden geen suikerbieten maar

rietsuiker zijn gebruikt, vergelijkbaar met de situatie die bestond voordat Napoleon

de teelt van suikerbieten van de grond tilde, om het Engelse monopolie op het gebied

van rietsuiker te kunnen breken.

Door het EU-beleid is de praktijk tot dusver heel anders geweest. In de eerste plaats

hebben hoge invoerrechten ervoor gezorgd dat het goedkopere rietsuiker niet op de

Europese markt kon komen. Ten tweede profiteerden Europese suikerbedrijven van

exportrestituties: als de overschotten op de EU-markt (die ontstaan omdat de

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 63 van 96

CAB - Groningen


vastgestelde prijzen te hoog zijn) moesten worden verkocht op de wereldmarkt waar

de prijs veel lager ligt, werd er vanuit het EU-budget (en dus door de Europese

belastingbetaler) het verschil bijgelegd; niet bepaald een marktsituatie waarin

ondernemerschap en innovatie worden gestimuleerd. Ten derde waren er van

oudsher productiegerelateerde subsidies 25 , die zijn gekoppeld aan hoeveelheden en

niet aan toegevoegde waarde in termen van productdifferentiatie. Het

subsidiesysteem is dus niet gericht op productinnovatie, maar vooral op

procesinnovaties, en schaalvergroting. Met andere woorden: de ‘incentive’ ligt bij

meer suikerbieten met een hogere kwaliteit in termen van suikergehalte, niet bij het

ontwikkelen van nieuwe varianten of eigenschappen.

Voor zetmeelaardappelen geldt een vergelijkbare situatie. Alleen bij de zuivel en bij

vleesproducten kunnen boeren ontsnappen aan deze dwangmatigheid (als resultaat

van het EU-beleid) door biologische producten of streekproducten te maken, of

bepaalde vormen van verbreding te organiseren.

Kortom, de EU-landbouwpolitiek is niet erg bevorderlijk geweest voor de

marktgerichtheid van telers en verwerkers van Noordelijke specialiteiten als

suikerbieten en zetmeelaardappelen. Maar is dat de enige oorzaak? Een andere

verklaring heeft te maken met de coöperatieve structuur die in deze twee sectoren

sterk overheerst. Waarschijnlijk is het de combinatie van de (vroegere) EUlandbouwpolitiek

en een (te) stringente toepassing van de coöperatieve structuur die

ertoe heeft geleid dat veel coöperaties zich nog steeds richten op bulkproducten, in

weerwil van de overtuiging van diverse betrokkenen en experts dat de Nederlandse

landbouw het bij bulkproductie nooit kan winnen van andere landen, waar grond en

arbeid veel goedkoper zijn. In bijlage E wordt deze stelling verder uitgewerkt.

Mogelijkheden voor de regionale overheid

Milieubeleid en landbouwpolitiek liggen vooral op het bord van de nationale en de

Europese overheid. Zijn er voor de regionale overheid eigenlijk wel mogelijkheden om

invloed uit te oefenen op bijv. de innovatie- en concurrentiekracht van de

economische bedrijvigheid in de regio? Volgens Porter zijn die mogelijkheden er wel

degelijk, en hebben ze vooral betrekking op het stimuleren van clustervorming oftewel

agglomeratie-effecten.

Twee vragen zijn hier aan de orde:

1. Is specialisatie inderdaad beter voor de economische kracht van een regio dan

diversificatie (een grote verscheidenheid aan sectoren)?

2. Is de overheid de meest aangewezen partij om specialisatie (of diversificatie) te

realiseren?

25 De productgerelateerde subsidies zijn inmiddels grotendeels ontkoppeld, dat wil zeggen dat boeren op basis

van historische productie een bepaalde inkomenstoeslag ontvangen, los van daadwerkelijke productie.

Overigens is bij zetmeelaardappelen nog wel een gedeeltelijke koppeling aanwezig, maar die gaat de komende

jaren ook verdwijnen.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 64 van 96

CAB - Groningen


Specialisatie of diversificatie?

In 1890 wees de grote econoom Alfred Marshall al op het verschijnsel dat bedrijven uit

dezelfde bedrijfstak vaak bij elkaar gaan zitten (door hem aangeduid als ‘industrial

district). De kritische massa die op die manier ontstaat, zorgt ervoor allerlei

toeleveranciers en afnemers zich specialiseren of op grotere schaal opereren, wat

vervolgens ertoe leidt dat de bedrijven binnen dat geografische gebied het beter doen

dan hun concurrenten elders, zodat ook deze naar die agglomeratie toetrekken (of het

loodje leggen, wat ook zorgt voor ruimtelijke concentratie). Dit zichzelf versterkend

proces, waar de overheid een handje bij kan helpen, geldt volgens Marshall vooral

voor:

- gespecialiseerde arbeid (bijv. er ontstaat een grotere pool van gekwalificeerde

arbeid of een aanbod van bedrijfstakspecifieke opleidingen),

- intermediaire input (grond- en hulpstoffen maar ook machines en apparaten)

- kennisoverdracht

Gaat het bij de traditionele (interne) schaalvoordelen om lagere gemiddelde kosten

wanneer een bedrijf op grotere schaal produceert, bij het cluster gaat het om externe

schaalvoordelen waarbij wordt verondersteld dat sommige kosten afnemen naarmate

binnen een geografisch gebied een bepaald cluster groter is.

Naast deze externe schaalvoordelen hebben de voordelen van ruimtelijke concentratie

in het bijzonder betrekking op de sociale interactie die binnen een klein gebied

makkelijker verloopt dan over grotere (geografische en/of culturele) afstanden, wat

vooral bij kennisoverdracht belangrijk is. Een belangrijke reden is dat veel kennis niet

op papier kan worden vastgelegd maar in de hoofden en de handen van mensen zit

(‘tacit knowledge’), zodat kennisoverdracht alleen via sociale interactie kan

plaatsvinden.

Een alternatieve verklaring voor het economische succes van bepaalde steden of

regio’s geeft Jane Jacobs (1969). Zij beweert dat een ruimtelijke concentratie van

verschillende bedrijfstakken voor meer innovaties zorgt dan heel veel bedrijven van

dezelfde bedrijfstak binnen een bepaald gebied. Anders gezegd: ruimtelijke

diversificatie is beter dan ruimtelijke specialisatie, want innovaties en kennis spillovers

komen vooral tot stand tussen bedrijfstakken (inter-industry) en niet binnen een

bedrijfstak (intra-industry).

Het empirisch onderzoek naar deze twee rivaliserende opvattingen geeft geen

eenduidig resultaat (Van der Panne 2004). Als innovatie wordt gemeten in R&D-input

wint de diversificatiehypothese: R&D-afdelingen gaan eerder bij R&D-afdelingen van

andere bedrijfstakken zitten dan bij de productielocaties van ‘hun eigen’ bedrijfstak

(zie ook par. 4.3). Wordt echter gekeken naar de innovatie-output bijv. het aantal

productinnovaties, dan komt de specialisatiehypothese beter uit de bus. Een gebied

dat in één of een beperkt aantal bedrijfstakken is gespecialiseerd, telt relatief meer

innovatieve bedrijven dan regio’s met een breed palet aan bedrijfstakken (ruimtelijke

diversificatie). Dit vormt een bevestiging van de theorie van Porter waarin wordt

gesteld dat de geografische nabijheid van toeleveranciers en van afnemers

(thuismarkt) bedrijven een concurrentievoordeel geeft, omdat er meer informatieuitwisseling

en afstemming plaatsvindt dan wanneer de toeleveranciers of afnemers

ver weg zitten. Dit voordeel lijkt groter bij custom-made specialties dan bij

bulkproducten (waarbij alleen de prijs telt en de toeleveranciers uitwisselbaar zijn).

Overigens is clustervorming geen Haarlemmerolie die voor alle beleidsdoelstellingen

geschikt is. Zo blijkt uit een recente studie van het Ruimtelijk Planbureau (RPB 2007)

dat clustering geen garantie is voor bovengemiddelde economische groei in de regio.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 65 van 96

CAB - Groningen


Taak voor de overheid?

Als specialisatie inderdaad goed is voor de innovatiekracht van de regio, een

uitgangspunt dat in Koers Noord wordt gehanteerd, dan is het vervolgens de vraag of

de overheid de meest aangewezen partij is om die specialisatie te bevorderen of zelfs

te organiseren. Aan de ene kant heeft de overheid volgens onder meer Garretsen

(2008) hier een taak omdat agglomeratie-effecten niet altijd door marktwerking tot

stand komen, vanwege de aanwezigheid van allerlei externe effecten. Waarmee

economen bedoelen dat de opbrengsten niet altijd terecht komen bij de marktpartijen

die de benodigde kosten moeten maken. Aan de andere kant spreekt uit het eerder

genoemde rapport van het Ruimtelijk Planbureau (RPB 2007) veel scepsis over de

mogelijkheden van de overheid op dit terrein. Geconcludeerd wordt dat clusters niet te

kopiëren zijn; ze kunnen niet worden opgelegd of door beleidsmakers worden

gecreëerd.

Eén ding is zeker: clusters zijn in het verleden meestal ontstaan zonder veel toedoen

van de overheid (Porter 1990, Jacobs et al 1990, Snijders et al 2007). Meestal zijn ze

vrij spontaan gegroeid, soms zijn het enkele grote marktpartijen die de clustervorming

een belangrijke impuls geven, zoals recentelijk in het Noorden het initiatief van

Agrifirm en Bavaria op het gebied van brouwgerst (zie box 3.5).

Box 3.5: Brouwgerst, het vierde gewas van Groningen

Volgens Wikipedia, geraadpleegd op 08/09/08, wordt brouwgerst in het zuidwesten van

Nederland en in Flevoland geteeld. De indruk die bij veel mensen (vooral studenten) bestaat dat

deze digitale encyclopedie uitmunt in actualiteit, blijkt hier niet helemaal juist te zijn. Anno 2007

komt nog maar 15% van het brouwgerst uit Zeeland, en is Groningen de provincie waar de

meeste brouwgerst wordt geteeld.

In de vorige eeuw werd wel bijna alle brouwgerst in Zeeland geteeld. Een van de factoren die

voor deze concentratie verantwoordelijk is geweest, was ongetwijfeld de aanwezigheid van een

grote mouterij van Heineken in Antwerpen, zodat een groot deel van de oogst dicht bij huis kon

worden afgezet. Dit Zeeuwse ‘monopolie’ was een doorn in het oog van bijv. Bavaria uit

Brabantse Lieshout. Samen met Agrifirm heeft dit bedrijf enkele jaren geleden Holland Malt

opgericht, een joint venture van Bavaria (57 procent), Agrifirm en 600 akkerbouwers. Begin

2006 werd de fabriek in de Eemshaven geopend, die jaarlijks 135.00 ton mout kan produceren

en een investering van € 60 miljoen vergde. Medio 2008 laat het bedrijf weten dat een forse

uitbreiding van deze mouterij wordt overwogen (DvhN, 28 juni 2008).

Ongeveer tweederde van de benodigde brouwgerst komt uit (Noord)Nederland, vooral uit de

Veenkoloniën die uiterst geschikt blijken te zijn voor dit gewas. De rest wordt per schip vanuit

het buitenland aangevoerd. De output wordt bijna helemaal per schip vervoerd.

Zelf clusters ‘uit de grond stampen’ is niet echt een taak van de overheid die in het

verleden succesvol is gebleken. De overheid kan zich beter beperken tot het faciliteren

en stimuleren van initiatieven vanuit de marktsector.

Financiële ondersteuning van die initiatieven kan daarbij een van de middelen zijn,

aangezien het bij clustervorming meestal gaat om positieve externe effecten die door

de overheid ‘verrekend’ kunnen worden (voorzover die verrekening niet leidt tot

concurrentievervalsing). Ten tweede kan de overheid bruggen bouwen tussen partijen

die elkaar nodig zullen hebben bij het vormen van nieuwe clusters. Een derde taak is

het in kaart (laten) brengen van potentiële clusters, middels verkenning op sector- of

zelfs productniveau: wie heeft wie nodig om de verschillende stappen in het

productieproces te kunnen maken? Ten vierde kan een belangrijke taak van de

overheid zijn om belemmeringen weg te nemen die (spontane) clustervorming in de

weg staan, en deels komen die belemmeringen ‘uit eigen koker’. Wanneer ten vijfde

collectieve goederen, zoals bijv. onderwijs, een essentiele rol spelen bij clustervorming

(wat vaak het geval is), dan is het nodig dat de overheid haar eigen

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 66 van 96

CAB - Groningen


verantwoordelijkheid neemt, in overleg met de marktpartijen. Vanwege het collectieve

karakter heeft de (regionale) overheid ook een taak op het gebied van onderzoek,

incl. beleidsmatige verkenningen en haalbaarheidsstudies. Tot slot kan het nuttig zijn

dat de overheid monopolies doorbreekt, bijv. door de instroom van nieuwe bedrijven

(ook bestaande bedrijven uit het buitenland of uit andere regio’s) te bevorderen. Uit

onderzoek blijkt namelijk dat het bevorderen van concurrentie, ook op regionaal

niveau, een positieve invloed heeft op het innovatievermogen en op clustervorming,

zie box 3.6.

Box 3.6: monopolie of concurrentie 26 ?

Wat betreft de economische ordening, de vierde determinant van Porter’s Diamant, zijn er twee

alternatieve standpunten. Volgens de ene is het van belangrijk voor een regio dat één bedrijf

domineert of zelfs een monopoliepositie inneemt omdat alleen in die situatie er voldoende

garanties zijn dat de benodigde investeringen kunnen worden terugverdiend; in een situatie van

felle concurrentie zal geen van de partijen bereid of in staat zijn voldoende te investeren. Deze

gedachtegang komt ook vaak terug in het pleidooi om de leidende ondernemingen te laten

samenwerken of fuseren zodat er een marktleider of ketenregisseur ontstaat (bijv. VION bij de

slachterijen).

De alternatieve hypothese is dat de innovatie- en concurrentiekracht juist worden bevorderd door

regionale concurrentie. Jacobs (1996) doelt op de concurrentie tussen werkgevers die in hetzelfde

gebied de beste mensen proberen aan te trekken. Bij Porter (1990) gaat het vooral om leidende

ondernemingen in dezelfde bedrijfstak die vanwege het agglomeratie-effect in dezelfde regio

opereren (wat een extra stimulans is om elkaar te overtroeven).

Buitenlands onderzoek toont aan dat regionale concurrentie een positieve invloed heeft op de

innovatieniveau van een regio 27 . Uit een recente Porter-studie van de Nederlandse agrofoodsector

kwam naar voren dat de meeste sterke Nederlandse agroclusters minimaal twee sterke bedrijven

kennen (Snijders et al 2007). In de mosselsector zijn dat Roem van Yerseke en Prins & Dingemans

(eveneens uit Yerseke), terwijl in de cacaosector twee bedrijven aan de Zaan, Gerkens Cacao

(Cargill) en ADM, met elkaar concurreren. In de pootgoedsector zijn Agrico en HZPC twee grote

bedrijven die elkaar scherp houden (zie par. 3.5). Voor het overheidsbeleid betekent dit dat het

stimuleren van concurrentie, bijv. door het activeren van nieuwe bedrijven of het aantrekken van

buitenlandse bedrijven, beter is dan de oriëntatie op een regionale marktleider.

3.7 Conclusies

In dit hoofdstuk ging het om de vraag of de drie specialiteiten van de Groningse

agrosector, suiker, zetmeel- en pootaardappelen, een economisch duurzaam karakter

hebben, in de zin dat zij zijn gebaseerd op de comparatieve voordelen van deze regio.

Anders gezegd: in hoeverre zijn in en nabij de provincie Groningen omstandigheden

en factoren aanwezig die ervoor kunnen zorgen dat ook in de toekomst deze drie

producten een belangrijk stempel op de Groningse agrosector (kunnen) blijven

drukken, omdat de combinatie van de relevante omstandigheden en factoren hier

beter is dan in andere regio’s (binnen of buiten Nederland)? Om deze vraag te

beantwoorden is in de analyse gebruik gemaakt van de zogeheten ‘diamant van

Porter’.

In tabel 3.4 wordt voor elk van deze drie producten aangegeven welke van de vier

determinanten van Porter als sterk of als zwak kunnen worden aangeduid in Noord-

Nederland, in het bijzonder de provincie Groningen. In tabel 3.5 zijn de belangrijkste

26 Dit fragment is in hoofdzaak gebaseerd op Van der Panne 2004, waarin ook een overzicht wordt gegeven van

het empirische onderzoek

27 Dat deze hypothese door Van der Panne (2004) zelf niet wordt bevestigd, is wellicht te verklaren uit het feit

dat hij een klein land als Nederland onderverdeelt in niet minder dan 98 regio’s!

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 67 van 96

CAB - Groningen


uitkomsten van de drie deelanalyses samengevat, door per determinant aan te geven

welke producten sterk of juist zwak scoren.

Tabel 3.5 laat zien dat suiker op alle determinanten van Porter als zwak kan worden

aangeduid, met uitzondering van de basis factorvoordelen, wat vooral betrekking

heeft met de omvang van het beschikbare landbouwareaal en met de relatief lage

grondprijzen (t.o.v. ZW-Nederland). Aan de andere kant van het spectrum staan de

pootaardappelen die op alle vier determinanten hoog scoren. Aardappelzetmeel neemt

ook een vrij sterke positie in, met uitzondering op het punt van de economische

ordening.

Tabel 3.4: sterke en zwakke onderdelen van de drie Groningse specialiteiten

STERK

ZWAK

Suiker

Aardappelzetmeel

Pootaardappelen

Goedkope grond

Logistieke infrastructuur

Clustervorming

Non-food thuismarkt

Vroegere R&D

Grootschalige teelt

Clustervorming in het Noorden

Grote thuismarkt

Klimaat en grondsoort

Combi van samenwerking en

concurrentie

Clustervorming

thuismarkt

kennisinfrastructuur

marktmacht

Clustervorming

Food thuismarkt

Huidige R&D

Coöperatieve vorm

Ziektedruk en dure grond

Stagnerende export

Tabel 3.5. Score van de drie specialiteiten op de vier determinanten van Porter

STERK

ZWAK

regionale clusters

pootaardappelen

suiker (sterk in ZW-Nederland)

aardappelzetmeel (betrekkelijk)

thuismarkt

pootaardappelen

non-food toepassingen van zetmeel

suiker

food toepassingen van zetmeel

basis factorvoordelen pootaardappelen

aardappelzetmeel

suiker

‘advanced’

factorvoordelen

pootaardappelen

zetmeel

suiker

economische

ordening

pootaardappelen

aardappelzetmeel

suiker

In par. 3.6 is aandacht besteed aan de rol die de overheid tot dusver heeft gespeeld.

Geconstateerd is dat het milieubeleid per saldo en op lange termijn gezien een

positieve invloed heeft gehad bij zetmeelaardappelen (eiwit) en bij pootaardappelen

(bestrijding aardappelmoeheid), alsmede bij zuivel (lactose). Over het EUlandbouwbeleid

is het oordeel minder positief. Vooral bij suiker heeft dit beleid ervoor

gezorgd dat er weinig internationale concurrentie was, en de focus teveel gericht bleef

op bulkproductie (in plaats van specialties) en op procesinnovaties (in plaats van

productinnovaties). Dit laatste geldt in iets mindere mate ook voor de

zetmeelaardappelen. De pootaardappelsector laat zien dat het ontbreken van

productgerelateerde subsidies eerder een positieve dan een negatieve invloed heeft op

de concurrentiekracht.

De toekomstige mogelijkheden voor de (regionale) overheid liggen vooral op het

bevorderen van het ontstaan van agglomeratie-effecten en bij het stimuleren van

concurrentie. Het laatste geldt zeker voor de suiker- en de zetmeelsector waar in

Nederland nog maar één bedrijf is overgebleven, Cosun respectievelijk AVEBE.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 68 van 96

CAB - Groningen


4. Schuivende panelen

4.1. Inleiding

In het vorige hoofdstuk is geconstateerd dat bij ongewijzigd beleid de lange termijn

perspectieven voor twee Groningse specialiteiten, zetmeelaardappelen en vooral

suikerbieten, eerder somber dan zonnig zijn. De comparatieve voordelen zijn groter

voor pootaardappelen en de nieuwe specialiteit, brouwgerst, maar de

afzetmogelijkheden voor deze producten via export zijn geen bomen die tot de hemel

reiken.

Hoe zijn de ontwikkelingen in en de perspectieven voor de overige onderdelen van de

Groningse agrosector? Gezien het beperkte budget qua tijd en geld is er voor gekozen

om slechts één onderdeel gedetailleerd in beeld te brengen, namelijk de

voedselverwerkende industrie (SBI 15) in de provincie Groningen. Deze selectie heeft

vooral de volgende redenen.

a) Ten eerste is in par. 2.2 geconstateerd dat in Groningen het aandeel van de

voedingsmiddelensector in de agro- industriële werkgelegenheid eerst boven het

landelijke gemiddeld zat maar nu daaronder. Bovendien zijn de cijfers in zoverre

geflatteerd dat de grootste werkgever in deze sector, AVEBE, zich voor zeker de

helft met industriële (non-food) toepassingen van de zetmeelaardappel bezig

houdt. De vraag is of er bepaalde ontwikkelingen zijn die ten grondslag liggen aan

of een rol van betekenis hebben gespeeld bij de neergang van de Groningse V&Gsector.

b) Ten tweede is voeding weer terug op de maatschappelijke agenda, o.a. vanwege

obesitas in de rijke landen en dreigende schaarste in de arme landen, en zijn de

voedselprijzen voor het eerst sinds 1973 weer over de hele linie fors gestegen.

Leek het enige jaren geleden vooral belangrijk voor de Groningse landbouw zich

te richten op de productie van biomassa ten behoeve van bio-energie, in de

afgelopen maanden is duidelijk geworden dat voedselproductie weer volop

perspectieven kan bieden.

c) Bij het benutten van die perspectieven voor de primaire landbouw spelen de

andere partijen in de keten een belangrijke rol. Boeren zijn vaak in staat de meest

uiteenlopende gewassen te telen maar de industrie of de handel is meestal de

marktpartij die de hele keten kan organiseren.

4.2 De voedselverwerkende industrie in Groningen

Deze paragraaf geeft een schets van de voedselverwerkende bedrijven (SBI 15) die in

de provincie Groningen zijn gevestigd. Drie categorieën worden onderscheiden:

A. Ondernemingen die internationaal opereren.

B. Andere bedrijven met meer dan 250 werknemers (grootbedrijf)

C. Midden- en kleinbedrijf (MKB)

Ad A. De provincie Groningen kent een vijftal ondernemingen die als internationaal

opererend kunnen worden beschouwd:

• Niemeyer (Tabak) in Groningen-Stad, onderdeel van het British American

Tobacco. Begin 2008 maakt het bedrijf bekend dat van de 425 arbeidplaatsen er

ruim 100 moeten verdwijnen.

• Friesland Food met vestigingen Bedum (DOMO en Frico), Marum (Frico) en

Noordwijk (boter), met samen ruim 200 medewerkers. De productie van de

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 69 van 96

CAB - Groningen


vestiging in Groningen-Stad (overwegend verse zuivelproducten) is begin 2008

stopgezet, en naar Nijkerk (Gld) overgeplaatst.

• AVEBE met in Nederland ongeveer 1000 mensen die werkzaam zijn in Foxhol,

Gasselternijveen, Ter Apelkanaal en Veendam.

• COSUN heeft naast de suikerfabrieken in Groningen-Stad (inmiddels gesloten) en

Hoogkerk (overgenomen van CSM) nog twee relatief zelfstandige vestigingen in

de provincie Groningen, namelijk in Warffum (Rixona, onderdeel van Aviko) en

Groningen-Stad (Unifine, het vroegere Atlanta Dethmers). Deze vestigingen

hebben elk minder dan 100 werknemers in dienst, en worden hierna meegenomen

in de categorie ‘dochters van Nederlandse concerns’.

• CSM heeft zijn suikeractiviteiten in Hoogkerk verkocht aan COSUN-SuikerUnie, en

zijn melkzuurfabriek in Ter Apelkanaal (Purac) verkocht aan AVEBE. En is dus van

het Groningse toneel verdwenen.

Ad B. Drie ondernemingen vallen in de categorie grootbedrijf (meer dan 250

werknemers), waarbij opvalt dat hun productievestigingen zich uitsluitend in Noord-

Nederland bevinden; in die zin kunnen ze als regionale concerns worden aangeduid.

• Borgesius (bakkerijen) met in totaal 450 werknemers in Sappemeer, Stadskanaal

en Leeuwarden (Fr);

• Gebr. Heijs (pluimveeverwerking) met tezamen 355 werknemers in de vestigingen

in Leek, Haulerwijk (Fr) en Hoogeveen (Dr);

• Heiploeg (garnalen) in Zoutkamp en Lauwersoog met ongeveer 300 werknemers.

Ad C. De overige vestigingen vallen onder de categorie Midden en Kleinbedrijf (MKB).

Onder deze groep is vanuit de Rijksuniversiteit Groningen en de Groningse vestiging

van TNO-Kwaliteit van Leven een enquête gehouden, waarbij als ondergrens minimaal

15 werknemers (met minimaal 10 in vaste dienst) is gehanteerd. Bijlage F bevat het

enquêteformulier; voor een uitgebreid verslag van de enquête, zie Van der Klogt

2008.

Van de 33 Groningse voedingsbedrijven die in deze categorie vallen hebben er 23

meegedaan aan de enquête, zodat er een responsquote van ongeveer 70% is

gerealiseerd. De respondenten kunnen in de volgende drie groepen kunnen worden

onderverdeeld:

A. Dochters van in Nederland gevestigde concerns. Naast de twee eerder genoemde

vestigingen van COSUN gaat het om vestigingen in Vlagtwedde (van Zwanenberg

Food Groep) en Oostwold Scheemda (Agrifirm);

B. Dochters van buitenlandse concerns. Het betreft vijf vestigingen, te weten De

Marne Mosterd in Groningen-Stad (onderdeel van de Franse Gyma Groep), Tiktak

Koffie in Groningen-Stad (valt onder het Italiaanse Segrafredo), Hoepman

Suikerwerken in Hoogezand (Haribo uit Duitsland), Ranksmeel in Uithuizermeeden

(Grain Miller uit Duitsland) en IMKO in Blijham waar ze pinda’s en noten

produceren (onderdeel van Nut Company). 28

C. Zelfstandige MKB-bedrijven. Hiervan hebben er twee meer dan 100 werknemers,

te weten het vleeswarenbedrijf Storteboom in Kornhorn en Vast Bakeries in

Middelstum. Verder zijn er vier bedrijven met ongeveer 50 werknemers, plus 8

bedrijven met 15 tot 30 werknemers. Een daarvan is het bekende Hooghoudt. Zes

van de 14 bedrijven zijn bakkerijen.

28 Andere Groningse voedingsbedrijven die – voorzover bekend - in buitenlandse handen zijn: Kikkoman Foods

(Japan) in Hoogezand; en Scheemda Vleeswaren (UK).

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 70 van 96

CAB - Groningen


De belangrijkste uitkomsten van de enquête kunnen als volgt worden samengevat:

• De MKB-voedingsbedrijven in Groningen zijn relatief oud: van de 23

(dochter)bedrijven zijn er slechts twee na 1988, en maar tien na de 2 e

Wereldoorlog opgericht. Verder valt op dat bij geen van deze 23 bedrijven sprake

is van een spin-off, in de zin dat ze zijn verzelfstandigd vanuit een grotere

onderneming 29 . De Nederlandse voedingssector staat weliswaar niet bekend als

een bedrijfstak met veel jonge en kleine bedrijven (zie bijlage D), maar de situatie

in Groningen lijkt wel erg extreem.

• De negen MKB-bedrijven die niet langer zelfstandig zijn, werden pas na 1988

overgenomen. Kenmerkend is verder dat het ging om MKB-bedrijven van vrij

hoge leeftijd. Dat geldt vooral voor de bedrijven die door buitenlandse concerns

zijn overgenomen: ze zijn allemaal voor 1930 opgericht, drie daarvan zelfs voor

1900.

• Ook in een ander opzicht ontstaat de indruk dat de MKB-bedrijven die inmiddels

zijn overgenomen, nog maar weinig dynamiek hadden. Opvallend is dat ze voor

de overname alleen gebruik maakten van hun (kleine) interne R&D-capaciteit, en

nauwelijks van externe bronnen. Na de overname werd dat meestal anders, in de

zin dat ze niet alleen de R&D-capaciteit van hun (nieuwe) moederonderneming

maar ook vaker (Nederlandse en buitenlandse) kennisinstellingen gingen

benutten.

• De keerzijde van de overnamegolf lijkt te zijn dat sommige overgenomen MKBbedrijven

worden gereduceerd tot louter productielocatie, die voor zijn

ondersteunende diensten (waaronder R&D) zijn aangewezen op de

moedermaatschappij die buiten Noord-Nederland hun hoofdkantoor heeft. Met

andere woorden: het lijkt erop dat de situatie bij Cosun, waarbij de productie

grotendeels in Groningen plaatsvindt en de meer kennisintensieve activiteiten in

ZW-Nederland (zie par. 3.3), niet langer uitzondering is maar regel dreigt te

worden in Groningen.

Wat is volgens de enquête en de meeste gesprekspartners samengevat de situatie in

de Groningse voedingsmiddelenindustrie?

- De grote bedrijven vertrekken uit Groningen (CSM) of hebben hun activiteiten qua

werkgelegenheid ingekrompen.

- De categorie zelfstandige MKB wordt steeds kleiner: in de afgelopen 20 jaar is

bijna de helft van de voedingsbedrijven met minder dan 250 werknemers

overgenomen door grotere concerns.

- De vestigingen die onderdeel zijn van een groter concern worden vaak

gereduceerd tot productielocatie, in de zin dat hun activiteiten die losgekoppeld

kunnen worden van het primaire productieproces, naar de moedermaatschappij

worden overgeheveld.

- De sterke indruk bestaat dat er weinig samenhang bestaat tussen de Groningse

agrofoodbedrijven; er zijn ogenschijnlijk weinig onderlinge leveringen, of andere

vormen van clustering. Dit staat in schril contrast met bijv. Friesland waar de

zuivel (nog steeds?) een bindende factor lijkt te zijn.

29 De spin-offs die uit AVEBE zijn voortgekomen (zie 3.4.6) hebben geen van allen betrekking op de foodsector.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 71 van 96

CAB - Groningen


4.3 In- en uitstroom van agro-bedrijven

In de vorige paragraaf kwam onder meer naar voren dat nogal wat vestigingen in de

Groningse V&G-sector de afgelopen jaren zijn overgenomen door buitenlandse

ondernemingen. Hoewel het moeilijk is een compleet en systematisch overzicht te

krijgen van de aanwezigheid van buitenlandse ondernemingen in de Noordelijke

economie bestaat de indruk dat er sprake is van een toename, die ook geldt voor

Friesland en Drente. Wat betreft de verdeling naar sectoren valt op dat met name de

productie van koffie en tabak in buitenlandse handen is gekomen, waarbij

waarschijnlijk een rol speelt dat ook de grondstoffen uit het buitenland komen.

Hetzelfde geldt voor een vergelijkbaar product dat in de Zaanstreek wordt gemaakt,

namelijk cacao. De van oorsprong Nederlandse bedrijven zijn overgenomen door

Amerikaanse multinationals als Cargill en ADM. Vaak wordt beweerd dat dit soort

multinationals footloose zijn in de zin dat zij vrij gemakkelijk hun activiteiten

verplaatsen, bijv. als elders de kosten lager zijn. In de Nederlandse cacaosector is dat

in ieder geval niet het geval. De reden dat zij zich daar hebben gevestigd, en ook

voorlopig zullen blijven, is vooral dat zij op die manier kunnen profiteren van de

clustervorming die in de Zaanstreek op het gebied van cacaoverwerking bestaat; en

deze voordelen zijn groter dan eventuele kostennadelen (Vrolijk 2007c).

Ook de aanwezigheid van buitenlandse ondernemingen in de Noordelijke food

(overigens niet alleen bij tabak en koffie) kan op twee manieren worden verklaard. De

eerste en meest gebruikelijke verklaring is dat buitenlandse ondernemingen met veel

subsidies en andere aantrekkelijke voorwaarden naar Noord-Nederland worden gelokt.

Het kost hen bij wijze van spreken geen cent en zodra ze elders betere voorwaarden

kunnen krijgen zullen ze meteen het Noorden verlaten. Natuurlijk zijn er voorbeelden

te noemen van dit soort ´subsidie-hoppers´, maar zeker als buitenlandse bedrijven

hier lang blijven is ook een andere verklaring mogelijk. Evenals bij de Zaanse cacao

luidt die verklaring dat er voor die bedrijven blijkbaar cluster- of

agglomeratievoordelen zijn verbonden aan vestiging in Noord-Nederland. Zo is

voorstelbaar dat een zuivelbedrijf als Hochwald, dat voornamelijk in Zuid-Duitsland

opereert, geïnteresseerd was in de vestiging in Bolsward (vroeger van Nestlé) omdat

ze op die manier aansluiting heeft bij het Friese zuivelcluster.

Nader onderzoek moet uitwijzen welke van deze twee verklaringen het meest van

toepassing is. Op basis van dit onderzoek is het wellicht beter mogelijk om

buitenlandse bedrijven te selecteren die tot een versterking van een cluster kunnen

leiden.

Een andere uitkomst van de enquête die om een nadere beschouwing vraagt, heeft

betrekking op de overname van Noordelijke vestigingen door Nederlandse V&Gondernemingen

die hun hoofdkantoor (en andere activiteiten) in het Midden of Zuiden

van Nederland hebben. De indruk bestaat dat de omgekeerde beweging, Noordelijke

bedrijven nemen bedrijven over in de rest van Nederland, veel minder voorkomt. Met

andere woorden: per saldo gaan er meer foodbedrijven naar het Midden en Zuiden

van Nederland dan andersom. In hoeverre spelen hier ook agglomeratie-effecten ook

een rol maar dan in het nadeel van Noord-Nederland? Bij activiteiten als R&D op het

gebied van landbouw en voeding lijkt dat zeker het geval: Wageningen fungeert als

het ware als een magneet, in de zin dat veel bedrijven reorganisaties fusies of

overnames aangrijpen om hun R&D-activiteiten dichter bij Wageningen te krijgen. Zo

ging bij de fusie tussen Coberco en CCF de centrale R&D-afdeling naar Deventer, waar

Coberco haar R&D had en niet naar Leeuwarden, waar overigens nog wel toegepaste

R&D zit. En als straks de fusie tussen Friesland Food en Campina doorgaat, wordt de

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 72 van 96

CAB - Groningen


R&D waarschijnlijk grotendeels geconcentreerd in Wageningen (bij Campina). Het ligt

voor de hand dat als gevolg van deze beweging ook kennisinstituten als WUR en TNO

eerder naar het Zuiden dan naar het Noorden trekken.

Maar er is ook een tegenovergestelde beweging, namelijk in de primaire sector.

Boeren en tuinders komen naar het Noorden omdat ze in de Randstad of elders in

Nederland zijn uitgekocht vanwege uitbreiding van steden en dorpen, de groei van

andere niet-agrarische functies, en omdat schaalvergroting in de oude situatie niet

mogelijk of rendabel was. Dit zou kunnen betekenen dat er sprake is van een

selectieproces: boeren die kiezen voor de strategie van schaalvergroting (‘meer van

hetzelfde’) komen naar het Noorden, terwijl de ‘achterblijvers’ eerder hun toevlucht

nemen tot specialisatie, verbrede landbouw of andere vormen van differentiatie.

Mogelijk nadeel zou kunnen zijn dat de minst innovatieve boeren naar het Noorden

komen en dat de dominante strategie van schaalvergroting en bulkproductie door deze

instroom wordt bevestigd, wat een belemmering zou zijn om in het Noorden een

strategie van productdifferentiatie en specialisatie van de grond te tillen.

De combinatie van deze twee bewegingen zou kunnen verklaren waarom in Noord-

Nederland het aandeel van de primaire sector in de verschillende deelclusters relatief

hoog is (par. 2.4) en het aandeel van de voedselverwerkende industrie in het Noorden

onder het landelijke gemiddelde terecht is gekomen, m.u.v Friesland (par. 2.2). Nader

onderzocht zou kunnen worden waarom Friesland minder last heeft van de zuigkracht

van Midden-Nederland.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 73 van 96

CAB - Groningen


5. Conclusies en aanbevelingen

Dit hoofdstuk bevat de belangrijkste bevindingen die deze studie heeft opgeleverd,

plus een aantal globale aanbevelingen. Ze zijn toegespitst op de provincie Groningen

maar hebben vaak ook betrekking op de Noordelijke agribusiness als geheel.

Twee vragen zijn in deze studie aan de orde gesteld:

1. In hoeverre is de agrosector een specialisatie van Groningen of Noord-Nederland,

en op welke onderdelen van die agrosector heeft de specialisatie betrekking?

2. Hebben de Groningse specialisaties een economisch duurzaam karakter, in de zin

dat zij zijn gebaseerd op de comparatieve voordelen van deze regio die volgens

de Diamant van Porter kunnen worden onderscheiden?

De antwoorden op deze vragen zijn te vinden in par. 2.5 resp. 3.7, en zijn heel grof

samengevat in tabel 5.1. Dit hoofdstuk gaat een stapje verder door een aantal

bevindingen en aanbevelingen te combineren aan de hand van een aantal stellingen

Tabel 5.1. Sterke en zwakke onderdelen van de agribusiness in Groningen / Noord-Nederland

Relatief STERK

ZWAK

verticale geleding primaire sector

deelclusters

akkerbouw en grondgebonden veehouderij

specialiteiten

algemeen

pootaardappelen, zetmeelaardappelen en

brouwgerst

bio-energie

andere non-food agro

secundaire sector

intensieve veehouderij en

glastuinbouw

suiker

agrofood

Een neerwaartse beweging

Hoe staat het met de economische kracht van de agrosector in Noord-Nederland, in

het bijzonder de provincie Groningen? Het kortste antwoord op deze leidende vraag

van dit rapport: niet zo goed, en het gaat steeds slechter, althans wat betreft de

agrofood.

Zat in de jaren ’50 Groningen nog boven het landelijke gemiddelde wat betreft het

aandeel van landbouw en V&G-industrie in de agro-industriële werkgelegenheid, anno

2006 zit deze provincie daar behoorlijk onder, vooral als je er rekening mee houdt dat

AVEBE, het grootste agrobedrijf in Groningen, in de statistieken nog steeds onder de

V&G-sector wordt gerekend terwijl ongeveer de helft van zijn output betrekking heeft

op non-food. In die zin is agrofood geen specialisatie van Groningen (meer). Dit staat

in sterk contrast met de situatie in Friesland waar beide onderdelen van de agrosector

nog ruim boven het landelijke gemiddelde zitten (par. 2.2)

Het aandeel van de primaire sector in Noord-Nederland is relatief groot. Dit is in

zoverre een nadeel dat de groei van het agrocluster vooral plaatsvindt in de

secundaire activiteiten, bij de verwerking en vooral bij toelevering en logistiek

(paragraaf 2.3 en 2.4).

Het algemene beeld dat de agrofood in Groningen een neerwaartse beweging

doormaakt, wordt grotendeels bevestigd door de analyse in hoofdstuk 3 en 4.

• Het suikercluster is - nog meer dan in het verleden – bijna volledig

geconcentreerd in ZW-Nederland; de suikerfabriek van Hoogkerk-Vierverlaten is

eigenlijk het enige overblijfsel van het Noordelijke suikercluster, dat zich in

toenemende mate heeft beperkt tot de teelt en verwerking van suikerbieten,

terwijl de activiteiten op het gebied van toelevering, kennisontwikkeling en

management steeds meer naar West-Brabant verdwenen.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 74 van 96

CAB - Groningen


• zetmeelaardappelen en pootaardappelen hebben een veel sterkere regionale

inbedding, maar om verschillende redenen loopt voor beide producten het areaal

langzaam terug;

• Afgezien van Holland Malt (brouwgerst) zijn er nauwelijks nieuwe bedrijven in de

Groningse V&G-sector bijgekomen. Integendeel, ongeveer de helft van het MKB is

de afgelopen 20 jaar overgenomen door grotere concerns met hoofdkantoren in

de rest van Nederland of in het buitenland, waarbij het gevaar dreigt dat ze

worden gereduceerd tot louter productielocatie (par. 4.2)

De economische kracht van Groningen lijkt wat sterker voor de non-food toepassingen

van landbouwproducten. Dat geldt vooral voor de bio-energie (die in deze studie

overigens niet aan de orde kwam) en allerlei meer hoogwaardige applicaties van

agrarische gewassen voor industriële producten. Daarbij moet vooral worden gedacht

aan AVEBE, die ongeveer de helft van de omzet haalt uit de toepassing van zetmeel

voor kleefstoffen, papier en karton, en andere industriële toepassingen. Ook de

relatief sterke positie van de papier- en kartonsector en van de chemie in Groningen

kunnen belangrijk zijn voor de toekomst van non-food toepassingen (par. 2.2).

Grote kwetsbaarheid

Om een aantal redenen is de Groningse agrosector nogal kwetsbaar. Ten eerste zijn

bij twee specialiteiten, zetmeelaardappelen en suiker, de telers en de verwerkers (te?)

sterk van elkaar afhankelijk, vooral vanwege de locatiegebondenheid. Zwart-wit

gezegd: als er geen verwerkingscapaciteit meer is, is de teelt niet meer lonend, en

andersom. Dat laatste is ernstiger dan het eerste. Boeren kunnen immers in principe

vrij gemakkelijk overschakelen op andere gewassen, maar dat geldt in de huidige

situatie veel minder voor de verwerkende bedrijven. Bovendien, als die

verwerkingscapaciteit eenmaal verdwenen is dan komt zij ook niet meer zo gauw

terug, omdat er grote investeringen zijn vereist.

Ten tweede is deze kwetsbaarheid extra groot omdat beide sectoren een beschermd

bestaan hebben gehad onder de vroegere EU-landbouwpolitiek. De combinatie van

productgerelateerde subsidies en nationale quota hebben er toe geleid dat de

bedrijven in deze sectoren onvoldoende werden geprikkeld om productinnovaties te

realiseren en internationale nichemarkten te ontwikkelen.

Ten derde zijn er voor de boeren nog niet zoveel alternatieven, die ook in de rest van

de keten additionele werkgelegenheid opleveren. Nog meer pootaardappelen of

brouwgerst telen is geen alternatief terwijl er in het Noorden voor andere gewassen

(nog) geen voldoende verwerkingscapaciteit of andere vormen van clustering

aanwezig zijn. Overstappen op veehouderij geeft wel een versterking van de

Noordelijke zuivelsector maar de meeste activiteiten van dat cluster zitten in Friesland

en Drente. Hetzelfde lijkt te gelden voor de biologische landbouw.

De Groningse agribusiness is ten vierde vooral kwetsbaar omdat, afgezien van bioenergie,

er weinig nieuwe activiteiten zijn ontstaan, bij bestaande ondernemingen

noch in de vorm van nieuwe bedrijven, en dan nog voornamelijk als gevolg van een

stringenter milieubeleid. Het probleem is niet dat bestaande bedrijven inkrimpen of

zelfs verdwijnen want dat is onvermijdelijk bij grote veranderingen in traditionele

bedrijfstakken, maar dat er onvoldoende aanwas is van nieuwe bedrijven, want

innovaties worden zeker in de beginfase eerder gerealiseerd door nieuwkomers dan

door bestaande bedrijven.

Meer bedreigingen dan kansen

Tabel 5.2 geeft een globaal overzicht van enkele kansen en bedreigingen die voor de

agribusiness aan de orde zijn.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 75 van 96

CAB - Groningen


De gestegen voedselprijzen, die voorlopig niet op het oude niveau zullen terugkeren,

hebben een tweeledig effect. Enerzijds geeft het de bestaande agrobedrijven meer

financiële armslag om investeringen te doen in R&D en innovatie, maar anderzijds

wordt de druk minder om de koers te verleggen van bulkproducten naar

kennisintensieve specialties. Om te vermijden dat deze weegschaal in de verkeerde

richting doorslaat, is het nodig dat er nieuwe bedrijvigheid ontstaat, die kan profiteren

van de gestegen voedselprijzen en beter kan inspelen op veranderingen in productieen

consumptiepatronen, en vervolgens de bestaande bedrijven prikkelt om ook nieuwe

wegen in te slaan.

Bij de non-food toepassingen van agrarische gewassen is de grote uitdaging om beter

te concurreren met de gangbare alternatieven, die vooral zijn gebaseerd op de

petrochemie (synthetische ingrediënten en materialen). Daarbij spelen niet alleen de

gestegen olieprijzen een rol, die ook tot uitdrukking komen in de prijzen van

synthetische producten. Het gebruik van bio-ingredienten en –materialen draagt

tevens bij tot meer duurzaamheid en minder kwetsbaarheid van instabiele

olieproducerende landen. Het gevaar is dat deze kansen in het Noorden te weinig

worden benut omdat er hier te weinig nieuwe bedrijvigheid is om op die

mogelijkheden in te springen, en de activiteiten rond bio-raffinage teveel beperkt

blijven tot gevestigde bedrijven.

Tabel 5.2: Kansen en bedreigingen in de Noordelijke agribusiness

KANSEN

Food

Stijgende voedselprijzen (meer financiële

armslag)

Non-food agrochemie als (gedeeltelijke) vervanger

van duurdere en kwetsbare petrochemie

Kennisontwikkeling

CCC maakt innovatie meer fundamenteel en

open

BEDREIGINGEN

stijgende voedselprijzen

(minder innovatiebereidheid

andere regio’s reageren sneller

en adequater op deze kans

regionale inbedding en

valorisatie blijven zwak

Iets waarover al heel lang wordt gepraat, het Carbohydrate Competence Center (CCC)

gaat nu eindelijk van start. Dit biedt de mogelijkheid om de achterstand weg te

werken die in de loop der jaren is ontstaan op het gebied van fundamenteel onderzoek

(van koolhydraten) maar ook om interactie te krijgen tussen bedrijven die tot dusver

weinig onderling contact hadden. Dat biedt de mogelijkheid dat de innovatie meer

open wordt en gericht op nieuwe combinaties, volgens Schumpeter de belangrijkste

motor voor innovatie. Het gevaar is dat de Noordelijke bedrijven (een minderheid van

de aangesloten bedrijven) onvoldoende profiteren van het CCC-programma, en dat de

nieuwe kennis te weinig terecht komt bij het regionale MKB en onvoldoende resulteert

in nieuwe bedrijvigheid.

De overheid (op afstand): ‘creating potential winners’

Er was een tijd dat overheden dachten in staat te zijn kansrijke activiteiten aan te

wijzen (‘picking winners’). Het gevolg was dat allerlei landen en regio’s met ongeveer

hetzelfde lijstje kwamen, meestal met veel high tech technologieën. Mede onder

invloed van Porter, en in Nederland Jacobs et al (1990), kwam men erachter dat het

beter was aansluiting te zoeken bij bedrijven die vanouds al sterk waren en

ondersteuning nodig hadden bij product- en procesinnovaties (‘backing winners’) . Zo

werd in Nederland de low tech snijbloemensector aangewezen als speerpunt in het

innovatiebeleid.

De laatste jaren groeit het besef dat veranderingen zo snel kunnen gaan dat ook bij

sterke ondernemingen en clusters resultaten behaald in het verleden geen garantie

zijn voor successen in de toekomst. Deze veranderingen worden bovendien door

nieuwe ondernemingen vaak sneller opgepikt dan door bestaande bedrijven. De

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 76 van 96

CAB - Groningen


overheid moet zich dus vooral richten op het stimuleren van innovatief

ondernemerschap, want (nieuwe) ondernemers kunnen beter dan ambtenaren, politici

of wetenschappers, nieuwe mogelijkheden zien én realiseren, vooral omdat ze zelf

risico willen en kunnen lopen. Deze zienswijze, die wellicht kan worden aangeduid als

‘creating potential winners’, zou in de Noordelijke agribusiness gestalte kunnen krijgen

met een programma Agro-Partner. Dit programma heeft als doel om spin-off’s, vanuit

grote bedrijven en kennisinstellingen, en andere vormen van nieuw ondernemerschap

en bedrijvigheid te stimuleren. Vergelijkbaar met het vroegere Bio-partner programma

ter bevordering van nieuw ondernemerschap in de biotechnologie, maar met meer

accent op het partnerschap (of de keten) tussen de primaire en de secundaire sector

in de agribusiness. Nieuwe ondernemingen in de landbouw kunnen immers alleen

overleven als zij een partner vinden die hun producten wil verwerken of verhandelen.

Maar ook andersom, want veelbelovende initiatieven vanuit industrie of handel zijn

vaak doodgebloed omdat men niet genoeg gemotiveerde en/of deskundige boeren kon

vinden (zie ook bijlage D over het gering aantal nieuwe bedrijven in de V&G-sector)

Ter voorbereiding van dit programma kan een verkenning worden gemaakt van de

succes- en faalfactoren bij eerdere (Noordelijke en andere) initiatieven van nieuw

ondernemerschap in de agribusiness, teneinde lering te trekken uit vroegere

ervaringen en van ervaringen elders.

Als een van de pilots zou AVEBE kunnen dienen. In par. 3.4.6 is geconcludeerd dat

deze onderneming “de vele en uiteenlopende toepassingen van zetmeelaardappelen

veel beter kan benutten door naast een paar kernactiviteiten een

ontwikkelingsmaatschappij op te richten, eventueel samen met andere partijen,

waarin spin-offs en spin-outs een soort innovatiecampus rond AVEBE kunnen vormen,

vergelijkbaar met de kring van kleine innovatieve bedrijfjes die Campina om zich heen

heeft verzameld in het BioPartner Center in Wageningen. De gesloten innovatie die tot

dusver zo kenmerkend is voor AVEBE, kan op die manier plaats maken voor een

cultuur van open innovatie (Chesbrough 2003) die beter aansluit bij de diversiteit aan

mogelijkheden van aardappelzetmeel en bij de wensen en mogelijkheden van de

huidige kenniswerkers”.

De overheid (op afstand): op weg naar nieuw elan

In het verleden zijn allerlei vormen van ondersteuning beperkt gebleven tot

geïsoleerde en kleine projecten en initiatieven, die vaak als een nachtkaars uitgingen

zodra de financiële ondersteuning (of de initiatiefnemer) wegviel. Deze situatie is niet

te ondervangen door zogeheten majeure projecten te verzinnen waar alles aan alles

wordt geknoopt, omdat de extra transactiekosten in de vorm van nog meer overleg en

afstemming niet opwegen tegen de baten. Meer perspectief biedt de oprichting van

een (tijdelijke) ontwikkelingsorganisatie of –forum, Agro Noord (vergelijkbaar met het

Brabantse Agro & Co), die als taak heeft een omgeving te creëren waarin nieuwe

ondernemingen, of nieuwe activiteiten in bestaande ondernemingen, beter kunnen

gedijen. Om een einde te maken aan de benedenwaartse spiraal waarin delen van de

Noordelijke agribusiness zich bevinden, moet deze organisatie zich niet alleen

bezighouden met het financieren van veelbelovende projecten of van het stimuleren

van agglomeratie-effecten (zie par. 3.6), maar ook:

• het (laten) uitvoeren van verkennende studies, zowel naar technische als naar

economische en culturele aspecten en ontwikkelingen;

• het organiseren van maatschappelijke discussies over de toekomst van de

Noordelijke landbouw en voedingsector;

• het ontginnen en ontwikkelen van nieuwe combinaties, niet alleen binnen de

agribusiness maar ook met andere economische sectoren;

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 77 van 96

CAB - Groningen


• en het mobiliseren van nieuw elan, vergelijkbaar met het enthousiasme

waarmee anderhalve eeuw geleden de Groningse landbouw een sprong

voorwaarts heeft gemaakt (zie box 1.1).

Omdat de rest van Nederland langzaam dichtslibt, is Noord-Nederland bijna nog de

enige plek waar op grote schaal ruimte is voor bepaalde vormen van landbouw. Niet

voor bulkproducten, want dat kunnen ze elders veel goedkoper, maar als ‘agrolaboratorium

op praktijkschaal’, waar nieuwe producten en teelt- en

verwerkingsmethoden worden ontwikkeld die elders in de wereld een bescheiden

bijdrage kunnen leveren aan het oplossen van allerlei problemen op het gebied van

voedsel (variërend van honger tot obesitas) en duurzaamheid. Een

toekomstperspectief om energie van te krijgen?

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 78 van 96

CAB - Groningen


Bijlagen

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 79 van 96

CAB - Groningen


Bijlage A

Literatuurlijst

• ABN-AMRO (2006), Tussen Wadden en Wierden …een wereld te winnen, Economisch

Bureau ABN-AMRO, Zwolle (in opdracht van ABN-AMRO Corporate Clients Noord Oost)

• Baert, J. (1951), De invloed van het onderwijs en van de wetenschap op de landbouw, in:

Sneller (1951)

• Bakker, M.S.C. (1992), ‘Suiker’, in; H.W. Lintsen en W.J. Wolff (red)

• Berenschot (2006), Pieken in de Delta Noord-Nederland, Speerpunt Agribusiness, Bureau

Berenschot, Utrecht, maart 2006

• Bekkum, Onno van (2008), ‘Cooperatief internationaliseren: hoe doet Nederland het?’,

Coöperatie, nummer 595, augustus 2008.

• Bont, C.J.A.M. de, en S. van Berkum (2004). De Nederlandse landbouw op het Europese

scorebord. Den Haag, LEI, Rapport 2.04.03.

• Bouman J.P., De landbouw op de zeeklei, in: Sneller (1951)

• Broersma, L, J. van Dijk en D. Stelder (2007), Noordelijke Arbeidsmarkt Verkenning 2007,

RuG, Groningen (in opdracht van CWI, SNN en de drie Noordelijke Provincies)

• Broersma, Lourens, en Jouke van Dijk (2006), Het belang van de industrie in het Noorden:

1950 – 2025, RUG-FRW (in opdracht van de Stichting TxU Noord-Nederland)

• Buck Consultants International (2005), Huidige relaties en toekomstperspectief Noordelijke

Ontwikkelingsas, Nijmegen (in opdracht van SNN)

• CAB (2007), Pieken in de Delta in Noord-Nederland, Onderzoek), Groningen, mei 2007 (in

opdracht van de NOM)

• Chesbrough, H.W. (2003), ‘The era of open innovation’, MIT Sloan Management Review,

vol 44, nr. 3.

• Dijkema J., J. van Dijk en D. Strijker (2006), Evaluatie Uitvoeringsprogramma Innovatie

Landbouw Noord-Nederland 2001-2005. Groningen, RuG-FRW, URSI-rapport 312

• EIM (2004), Ondernemen in de Sectoren, Feiten en ontwikkelingen 2003-2005, Economisch

Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf, Zoetermeer

• EIM (2006), Ondernemen in de Sectoren, Feiten en ontwikkelingen 2005-2007, Economisch

Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf, Zoetermeer

• EIM (2007), Ondernemen in de Sectoren, Feiten en ontwikkelingen 2006-2008, Economisch

Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf, Zoetermeer

• Frost & Sullivan (2008), Starch – An ‘indispensable’ Food Ingredient Faced With Market

Challenges, in: Flexnews –Business News for the Food Industry, 29/01/08

• Garretsen, Harry (2008), De maakbaarheid van globalisering, Me Judice, jaargang 1, 24 juli

2008

• Haar, J. van der, m.m.v. M.E. de Ruiter (1993), De geschiedenis van de

Landbouwuniversiteit Wageningen, deel I en II, Wageningen: Landbouwuniversiteit.

• Huiijsen, V. van den, en A. Muller (2006), “Naar een eerlijke consumentenprijs voor

landbouwproducten”, in ESB 2-6-2006.

• Innovation Intelligence (2006), Food & Nutrition, een inventarisatie van de Nederlandse

uitgangspositie, Ministerie van Economische Zaken, Den Haag

• Jacobs, Dany, Patries Boekholt en Walter Zegveld (1990), De economische kracht van

Nederland, Den Haag, SMO

• Jacobs, Dany en Maureen Lankhuizen (2005), De sterke Nederlandse clusters volgens de

Porter-methodiek anno 2003, Rijksuniversiteit Groningen, in opdracht van het ministerie

van LNV.

• Jacobs, Dany en Maureen Lankhuizen (2006), ‘De Nederlandse exportsterkte geclusterd’, ESB,

2-6-2006, p. 247-249.

• Jacobs, Jane (1969), The economy of cities, Random House, New York

• Janssens, B. en A. Netjes (2006), Visie op de aardappelkolom, Wetenschapswinkel WUR nr.

228, Wageningen

• Kelholt, Henk (2006), ‘Agrarische export overschrijdt 50 miljard’, LEI-Agri-Monitor, mei

2006

• Keuning, H.J. (1951), De landbouw in de veenkoloniën, in: Sneller (red), pp. 397-421.

• Kearney, A.T. (1994), De markt gemist? Door beperkte marktgerichtheid dreigt somber

perspectief voor Nederlandse agrosector, A.T. Kearney Management Consultants, in

opdracht van het ministerie van LNV, Amsterdam.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 80 van 96

CAB - Groningen


• Klijn J.A. m.m.v. M.A. Slingerland en R. Rabbinge (2008), Onder de groene zoden:

verdwijnt de landbouw uit Nederland en Europa?, Wageningen UR Werkgroep DOS, WOtrapport

68, Wageningen

• Knaap, Dorien (2004), “Voor geld is altijd wel een plaats te vinden” – De firma W.A.

Scholten (1841-1892), De eerste Nederlandse industriële multinational, Koninklijke Van

Gorcum, (verschenen in de Groninger Historische Reeks)

• KNN (2007), Kansen voor regionale initiatieven in Noord-Nederland, Groningen (in

opdracht van het Platform Groene Grondstoffen)

• Klogt, Arjan van der (2008), Het innovatiesysteem van het MKB, Masterthesis SB&E,

Faculteit Economie en Bedrijfskunde, RuG, Groningen

• Leeuwen, M. van (2005), Kansen voor Noord-Nederlandse agrocluster in beeld, LEI, Den

Haag (in opdracht van het SNN)

• Leeuwen, M. van, T. de Kleijn, B. Pronk en D. Verhoog (2008), Het Nederlandse

agrocomplex, Den Haag, LEI, rapport 5.08.01

• LEI (2005), Hervorming suikermarktordening – Gevolgen voor de suikerproducenten, de

suikerverwerkers en de (sucro)chemische industrie, LEI-rapport 6.05.15, Den Haag

• Lintsen H.W. (red), Techniek en modernisering, landbouw en voeding, deel 1 van de serie

Geschiedenis van de Techniek in Nederland, Zutphen, 1992

• LNV (2008), brief aan de Tweede Kamer, 30 mei 2008

• LNV (2008), Feiten en Cijfers van de Nederlandse Agrosector, Ministerie van LNV, Directie

I&H, Den Haag (opgesteld door het LEI)

• Montijn, I. (1991), Aan tafel, vijftig jaar eten in Nederland, Uitgeverij Kosmos,

Utrecht/Antwerpen

• NMa (2007), Nederlandse Mededingingsautoriteit, Besluit nr. 5703/304, 20/04/07

• Panne, G. van der (2004), Agglomeration externalities: Marshall versus Jacobs, Journal of

Evolutionary Economics, 14 : 593-604

• Post, J.H., J. Breedveld, B. van der Ploeg, D. Strijker en J.J. de Vlieger (1987).

Agribusinesscomplexen in Nederland. Onderzoekverslag 32. LEI-DLO, Den Haag.

• Rabobank (2005), De Nederlandse aardappel in Europees perspectief – kansen op de lange

termijn? F&A Research and Advisory (auteur: S. Hansen), Utrecht

• Research voor Beleid (2005), Gevolgen van hervormingsvoorstel voor Europese

suikermarktordening, een arbeidsmarktanalyse van de Nederlandse suikerketen, Leiden,

juni 2005

• RPB (2007), Clusters en economische groei, Ruimtelijk Planbureau, Den Haag

• SEO (2008), Concurrentiepositie Nederlandse Maakindustrie, SEO-rapport 2008-29,

Amsterdam (rapport in opdracht van de Stichting voor Industriebeleid en Communicatie)

• Smit, A.B., J.H. Jager en H. Prins (2004). Gevolgen van de hervorming van het Europese

landbouwbeleid voor de landbouw in Noord-Nederland. Den Haag, LEI, Rapport 6.04.01.

• Sneller Z.W. (red), Geschiedenis van de Nederlandse landbouw 1795 – 1940, Wolters,

Groningen 1951

• Snijders, Hendrik, Hein Vrolijk en Dany Jacobs (2007), De economische kracht van

agribusiness in Nederland, Groningen/Den Haag, Ministerie van LNV

• Strijker D. (2008), Agribusinesscomplexen en ruimtelijke clustering, in: F. Boekema (red),

AGRI-BUSINESS CLUSTERS: Op weg naar de bio-based (regionale) economie, Shaker

Publishing BV, ISBN 978-90-423-0353-9

• Strijker, D. (2003), Landbouwkundige toekomstvoorspellingen: de Veenkoloniën in 2020 en

2050. Groningen, FRW, URSI-rapport 301

• Syntens (2007), Sector Innovatieplan Food & Agri 2008, Den Haag

• Vlieger, J.J. de, B.J. van der Sluis (2000), Landbouw hier en nu – de feiten over het

agrocomplex in Noord-Nederland, LEI, Den Haag

Vrolijk, Hein (2007a), ‘Mosselen: Vlaamse Vismarkt’, in: Snijders et al. (2007)

Vrolijk, Hein (2007b), ‘Aardappelen: Perspectiefrijk Pootgoed’, in: Snijders et al. (2007)

Vrolijk, Hein (2007c), ‘Cacao: Stille Sterkte’, in: Snijders et al. (2007)

Vrolijk, Hein (2007d), ‘Varkens: Vleesgeworden Veerkracht’, in: Snijders et al. (2007)

• Westerman Frank (1999), De graanrepubliek, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen

• Witteloostuijn, A. van (2007), Globalization in the food industry, the impact on market

structures and firm strategies, lezing OECD-LNV workshop in october 2007

• Witteloostuijn, Arjen van, en Jan Oosterhaven (2006), Van eigenwijsheid naar eigen

wijsheid – Over de economische toekomst van het Noorden, Groningen (in opdracht van

FNV Bondgenoten)

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 81 van 96

CAB - Groningen


Bijlage B

Gesprekspartners

Onderstaande personen hebben bij de totstandkoming van dit rapport een rol

gespeeld - als gesprekspartner, informatiebron, commentator of inspirator. Hetzelfde

geldt voor twee voormalige medewerkers van AVEBE die niet met naam genoemd

willen worden.

Harm Abma CSK, Leeuwarden

Doede Binnema TNO-Kwaliteit van Leven, Groningen

Wout van den Bor AOC Terra, Groningen

Rolf Bos Friesland Foods – R&D, Deventer

Siert Bruins Biotransfer

Daniëlle De Bruin-Schuttel Rouveen Kaasspecialiteiten, Rouveen

Piet Buwalda AVEBE – R&D, Foxhol

Harry De Coo LTO Noord Projecten, Drachten

Didier Delnoye CSK, Leeuwarden

Onno Dijk, van TCCN, Groningen

Lubbert Dijkhuizen RuG – GBB, Groningen

IJsbrand Havinga AB Groningen

Jan Hoogenboom HZPC, Joure

Johan Hopman AVEBE – R&D, Foxhol

Sytze Keuning Bioclear, Groningen

Sjef van der Lubbe LNV-Noord (nu provincie Friesland)

Eisse Luitjens NOM, Groningen

Theo Menting Friesland Food – DOMO, Bedum

Charles Meyerink Cosun - Rixona, Warffum

Hans Nieuwenhuijse Friesland Foods – R&D, Deventer

Carlos Nijenhuis Agrifirm, Meppel

Onno Omta WUR, Wageningen

Dirk Osinga AOC-Friesland

Johan Sanders WUR, Wageningen

Bert Smit WUR-LEI, Den Haag

Barend Spliethoff WUR-Animal Science, Leeuwarden

Robert Spraakman IJssel Technologie, Zwolle

Rene Stege Life Sciences R&D, Leeuwarden

Helmut Steinkamp DIL, Quakenbrück

Noud Swaaij IRS, Roosendaal

Jan Volker IJssel Technologie, Zwolle

Casper Vroemen Genencor, Leiden

Harm Evert Waalkens PvdA – Tweede Kamer, Finsterwolde

Speciale vermelding verdienen Paul Hagens en Albert Markusse van de Suiker Unie die

een eerdere versie van het rapport van kritisch commentaar hebben voorzien.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 82 van 96

CAB - Groningen


Bijlage C

Vergelijking tussen Noord-Nederland en Noord-West Duitsland

Noord-Nederland en Groningen worden in figuur C.1 vergeleken met de deelstaat

Niedersachsen en met het meest westelijke deel daarvan, Weser-Ems, wat betreft de

samenstelling van de agro-industriele werkgelegenheid in 2004. In tegenstelling tot de

analyse in paragraaf 2.2 gaat het nu niet om werkgelegenheid van werknemers en

zelfstandigen in voltijdbanen, maar om werkgelegenheid in termen van het aantal banen

van werknemers, waarbij een parttime baan even zwaar telt als een fulltime baan. De

reden is dat voor Duitse regio’s geen werkgelegenheid in termen van voltijdbanen

beschikbaar is. Alleen voor de landbouw zijn ook de banen van zelfstandigen

meegenomen, omdat juist in die sector de rol van zelfstandigen zo groot is. We

veronderstellen dat het weglaten van zelfstandigen uit de andere sectoren geen grote

verstorende werking op de werkgelegenheidsaandelen zal hebben. Door het gebruik van

een andere werkgelegenheidsdefinitie liggen de aandelen van landbouw en V&G-sector

voor Noord-Nederland in figuur en tabel C.1 iets hoger dan de aandelen die in paragraaf

2.2 zijn genoemd, en op fte’s zijn gebaseerd.

Figuur C.1. Werkgelegenheidsstructuur landbouw en industrie, Nederlandse en

Duitse regio’s, 2004

100 60

50

40

30

20

10

0

Weser-Ems

Niedersachsen

Noord-

Nederland

Groningen Nederland Duitsland

Landbouw Voeding Textiel Papier chemie

Overige industrie

Figuur en tabel C.1 laat zien dat het aandeel van de landbouw in Weser-Ems (en zeker in

de rest van Niedersachsen) een stuk lager ligt dan in Noord-Nederland. Voor de V&Gsector

geldt het omgekeerde: 15,8% in Weser-Ems tegenover 11,8% in Noord-

Nederland. Een opvallend verschil is dat in Niedersachsen en in Weser-Ems de

werkgelegenheid in de voedselverwerking bijna even groot is als in de landbouw, terwijl

in Noord-Nederland deze overeenkomt met ongeveer de helft van de agrarische

werkgelegenheid. In NW-Duitsland ligt het zwaartepunt binnen de agrosector dus veel

minder bij de primaire sector dan in Noord-Nederland, althans in termen van

werkgelegenheid.

De agrosector als geheel (landbouw plus voedselverwerking) is vergeleken met het

Duitse gemiddelde relatief oververtegenwoordigd in Niedersachsen, en zeker in Weser-

Ems. Deze regio kent dus evenals de provincie Friesland een specialisatie in de agrofood,

wat betekent dat de provincie Groningen de schakel kan zijn tussen deze twee agropieken.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 83 van 96

CAB - Groningen


De Noordelijke vergelijking tussen de Duitse en de Nederlandse regio’s laat verder zien

dat Weser-Ems relatief veel papier- en kartonbedrijvigheid kent, maar minder dan in

Groningen. De chemiesector is in NW-Duitsland juist groter dan in Noord-Nederland.

Hetzelfde geldt voor de restcategorie ‘overige industrie’, wat in belangrijke mate te

maken heeft met de relatief sterke Duitse positie in de machinebouw en de

automobielindustrie.

In figuur en tabel C.1 wordt ook een vergelijking gemaakt op nationaal niveau. Daaruit

blijkt dat in Nederland het aandeel van de agrosector veel groter is dan in Duitsland. Dit

verschil zit ‘m vooral in de landbouw. Het werkgelegenheidsaandeel van de landbouw is

in Nederland meer dan twee keer zo groot als in Duitsland.

Tabel C.1: Werkgelegenheidsaandeel van diverse sectoren, Nederland versus Duitsland

Niedersachsen

Weser- Noord- Groningen Duitsland Nederland

Ems Nederland

Landbouw 15.4 18.9 29.1 22.8 10.2 21.4

V&G-industrie 11.8 15.8 11.8 12.2 10.9 10.9

Textielindustrie 1.6 2.3 1.3 0.8 2.5 2.2

Papier- en

2.3 3.3 2.8 6.6 1.9 1.8

kartonindustrie

Chemie 10.5 8.2 5.9 5.8 10.5 9.2

Overige industrie 58.4 51.5 49.1 51.8 64.0 54.5

100.0 100.0 100.0 100.0 100,0 100,0

Bron: provincies Groningen, Friesland, Drenthe, LISA, CBS, EUKLEMS-database,

Eurostat, SBA

Tabel C.2 geeft aan op welke onderdelen van de agrosector de specialiteiten van Noord-

Nederland en NW-Duitsland betrekking hebben. Als vergelijkingsmaatstaf wordt daarin

het aandeel van de nationale bevolking gehanteerd (regel 1). Dat bijv. Weser-Ems is

gespecialiseerd in voedselverwerking, blijkt uit het feit dat die regio 6% van het aantal

werkzame personen in de Duitse voedingsindustrie telt, tegenover 3% van de Duitse

bevolking. In Noord-Nederland is deze specialisatie wat minder omdat het Noordelijke

aandeel in het aantal werkzame personen in de V&G-sector niet heel veel hoger is dan

zijn aandeel in de Nederlandse bevolking. De dominante rol van de landbouw blijft onder

meer in het aandeel in het aantal agrarische bedrijven en in het totale nationale

landbouwareaal (regel 3 en 4), in vergelijking met de aandelen in de nationale bevolking.

Tabel C.2 laat ook zien dat de landbouw in Noord-Nederland veel grootschaliger is dan in

NW-Duitsland, en zeker dan in Weser-Ems. Zo neemt Noord-Nederland niet minder dan

28% van het landbouwareaal voor zijn rekening, en ‘slechts’ 17% van de agrarische

bedrijven. Aan Duitse zijde van de Noordelijke grens liggen deze twee percentages veel

dichter bij elkaar. Een van de redenen is dat de intensieve veehouderij (niet

grondgebonden) daar vrij dominant is. Zo ‘woont’ 54% van de Duitse kippen en 30% van

de varkens in Niedersachsen. In Noord-Nederland is de intensieve veehouderij juist

ondervertegenwoordigd, en domineert de grondgebonden veehouderij (zie het hoge

aandeel in de melkverwerking). Op het gebied van de veehouderij zijn Nederland en

Duitsland dus complementair in het Noorden.

Op andere punten zijn er weer overeenkomsten. Zowel in Nederland als in Duitsland zit

de aardappelteelt en –verwerking voor bijna de helft in het Noorden. Ook suikerbieten

zijn in beide landen oververtegenwoordigd in het Noorden, al geldt dat voor Nederland

veel sterker dan voor Duitsland.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 84 van 96

CAB - Groningen


Tabel C.2: Specialisaties van Noord-Nederland, Niedersachsen en Weser-Ems

Noord Nederland Niedersachsen Weser-Ems

1. bevolking 11% 9% 3%

2. WP in V&G-sector 14% 12% 6%

3. agrarische bedrijven 17% 13% 5%

4. landbouwareaal 28% 16% 6%

+ aardappels 48% 47%

+ suikerbieten 63% 25%

+ graan 13% 13%

+ melk 29% 17%

+ andere specialiteiten tabak varkens, kippen thee, kippen

Bronnen: CBS, NederlandS, NIEKE, tabel 2.6, en andere bronnen

Samengevat is een belangrijke overeenkomst dat in beide landen de agrosector

oververtegenwoordigd is in het Noorden. Ligt daarbinnen in Nederland het zwaartepunt

bij de landbouw, in NW-Duitsland is de V&G-sector relatief groot. Ook in een ander

opzicht is er sprake van complementariteit: terwijl Noord-Nederland de grondgebonden

veehouderij sterk vertegenwoordigd is, is NW-Duitsland juist meer gespecialiseerd in de

intensieve veehouderij.

Deze internationale arbeidsverdeling zien we ook terug in het patroon van buitenlandse

investeringen. Voorzover bekend zijn de volgende bedrijven in Noord-Nederland in Duitse

handen:

• Dr. Oetker in Leeuwarden (die een gedeelte van Koopmans Meel heeft

overgenomen)

• Faber Bakkerij in Hoogeveen

• Hochwald Milch in Bolsward (voorheen eigendom van Nestlé)

• Hoepman Suiker in Hoogezand

• Ranks Meel in Uithuizermeeden

De Nederlandse bedrijven die een of meer vestigingen in Noord-Duitsland hebben

opgericht of overgenomen, zitten wat dichter bij de landbouwsector: AB (een

uitzendbureau voor de agrarische sector), Agrifirm (veevoer en andere agrarische

toelevering en dienstverlening), For Farmers (idem), VION (slachterijen) en Campina.

De afgelopen jaren zijn er op het terrein agribusiness / life sciences twee projecten

uitgevoerd met financiering van de Eems Dollard Regio (EDR). Naast het project Life

Sciences Kennistransfer in de Eems Dollard Regio, moet hier het ICCF-project worden

genoemd (Interregional Competence Centre for Food R&D). Dit project betreft een

samenwerking tussen de Rijksuniversiteit Groningen, TNO-Voeding in Groningen en het

Deutsche Institut für Lebensmitteltechnik (DIL). Doelstelling was op gang brengen van

een proces, waarbij ondernemers zich meer openstellen voor grensoverschrijdende

kennis en expertise ‘van buiten’ en bereid zijn in interregionale projecten op het gebied

van Life Sciences te investeren.

Opvallend is dat de Nederlandse bedrijven heel wat meer belangstelling hadden voor de

diverse ICCF-bijeenkomsten dan de Duitse bedrijven, waarbij het niet uitmaakte of de

bijeenkomsten in Nederland of in Duitsland plaatsvonden, en wat de aard van de

bijeenkomst was.

Het lijkt er op of de geringe belangstelling aan Duitse zijde niet alleen heeft te maken

met de Duitse mentaliteit als zodanig, die duidelijk minder internationaal is gericht dan

de Nederlandse, maar eerder met de bedrijfstak. Want bij het andere EDR-project bleek

dat bij alle thema’s de belangstelling vanuit beide landen ongeveer even groot te zijn,

behalve bij voeding. Er zijn blijkbaar maar weinig terreinen zijn waarop nationale

sentimenten een grotere rol spelen dan bij voeding. Dat kwam ook naar voren in de

diverse Porter-studies die in 2007 zijn gepubliceerd over agrofoodsectoren die in

Nederland relatief sterk zijn (Snijders et al 2007). Zijn Nederlanders geneigd buitenlands

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 85 van 96

CAB - Groningen


eten te prefereren boven voedsel van eigen bodem, bij Duitsers ligt dat eerder

andersom. In deze lijn passen ook de ervaringen die sommige Nederlandse agroondernemingen

hebben bij investeringen in Duitsland: ze krijgen pas voet aan de grond

als hun Duitse dochter ook een Duitse naam en een Duitse directeur krijgt toebedeeld.

Samenvattend luidt de belangrijkste conclusie uit het voorgaande dat op het gebied van

agrofood samenwerking met Duitse kennisinstellingen en bedrijven een lange adem

vereist. Hoewel sommige specialisaties overeenkomen (zetmeelaardappelen en zuivel)

hebben Noord-Nederland en NW-Duitsland meer verschillen dan de belangrijkste

overeenkomst, namelijk een relatief groot aandeel van de agribusiness. Dat Nederland

sterker is in landbouw en Duitsland in voedselverwerking is een potentieel voordeel dat

pas op lange termijn kan worden benut, en waarschijnlijk eerder tot uiting komt in het

patroon van buitenlandse investeringen (en export) dan door samenwerking.

Samenwerking over de grenzen moet er rekening mee houden dat nationale sentimenten

vooral bij voeding een grote rol spelen. Samenwerking op andere terreinen van de

agribusiness / life sciences lijkt op korte termijn meer perspectief te bieden.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 86 van 96

CAB - Groningen


Bijlage D Kenmerken van (het MKB) in de V&G-sector in Nederland 30

De V&G-sector is in Nederland de grootste industriële sector. In EU-verband is dat geen

uitzondering: hetzelfde geldt voor 10 van de 25 EU-landen. Koploper is Denemarken,

waar deze sector 26% van de industriële omzet voor zijn rekening neemt. Volgens

dezelfde maatstaf heeft deze sector in Nederland een aandeel van 21% (Innovation

Intelligence 2006).

De relatieve omvang van de V&G-sector is sterk afhankelijk van de maatstaf die wordt

gehanteerd. Het grootst is het aandeel gemeten in omzet, iets minder groot in termen

van toegevoegde waarde, terwijl het werkgelegenheidsaandeel nog een stuk lager ligt:

15%.

Behalve kapitaalsintensief is deze sector, samen met de landbouw, ook zeer

internationaal georiënteerd. Nederland is op wereldniveau de tweede exporteur van

agrarische producten, na de VS en voor Frankrijk, Duitsland en andere grote landen. In

2006 werd in totaal voor 54 miljard euro aan agrarische producten uitgevoerd, dat is

17% van de totale Nederlandse export.

Ook in relatie met de rest van de Nederlandse economie doet de agrosector het nog

steeds heel goed in termen van internationalisering. Zo nam in 2005 de agrarische

handel circa tweederde van het totale handelsoverschot voor zijn rekening (Kelholt

2006). En uit een studie van de Rijksuniversiteit Groningen bleek dat ongeveer de helft

van de 100 meest competitieve Nederlandse producten, afgelezen uit hun aandeel in de

wereldhandel, afkomstig is uit de agrofood (Jacobs en Lankhuizen 2006).

De internationale oriëntatie van de V&G-sector blijkt niet alleen uit de exportintensiteit

maar ook uit de rol van de Nederlandse bedrijven op de wereldmarkt. Van de 25 grootste

Europese bedrijven qua omzet komen er vijf uit Nederland: Unilever (nr. 2), Heineken

(7), Nutreco (17), Campina (19) en Wessanen (23). Alleen de UK scoort hoger met 7

bedrijven in de top-25 (F&N 2006, p. 14).

De V&G-bedrijven zijn ook grootschalig vergeleken met de rest van de Nederlandse

industrie; alleen in de chemie ligt de gemiddelde ondernemingsgrootte hoger. Daarbij

moet worden bedacht dat het gemiddelde wordt bepaald door enerzijds grootschalige

activiteiten zoals de productie van bier en frisdrank, sigaretten, zuivelsuiker en meel, en

anderzijds kleinschalige ondernemers zoals zuivelboerderijen en warme bakkers (zeven

van de tien bedrijven heeft minder dan 10 werknemers).

Deze zogeheten dualistische structuur (combinatie van grote en heel kleine bedrijven) is

een fenomeen dat ook bij andere bedrijfstakken steeds meer zichtbaar is. Tabel D.1 laat

zien dat in de Nederlandse economie als geheel de groei van het aantal ondernemingen

vooral wordt veroorzaakt door bedrijven met minder dan 50 werknemers en bedrijven

met meer dan 500 werknemers.

Ondanks de terugloop in het aandeel van de industrie in de totale werkgelegenheid (zie

figuur 2.1) stijgt het aantal industriële bedrijven nog steeds, en de groei zit vooral bij het

kleinbedrijf. De V&G-sector laat een totaal afwijkend beeld zien: het totaal aantal

bedrijven is behoorlijk gedaald; de krimp zit juist vooral bij de kleine bedrijven, en het

aantal bedrijven met 500 of meer werknemers is constant gebleven terwijl in de totale

industrie deze grootteklasse juist een daling laat zien.

30 Deze bijlage is grotendeels gebaseerd op F & N 2006, EIM 2004, 2006 en 2007, en Syntens 2007.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 87 van 96

CAB - Groningen


Tabel D.1: Procentuele groei van het aantal bedrijven in Nederland in de periode 1996 -

2006, naar bedrijfsgrootte (aantal werknemers)

< 50 50 -200 200 – 500 > 500 totaal

totale economie + 22% -1% + 4% +20% +21%

totale industrie + 7% - 11% - 8% -19% +5%

V&G-sector -20% -8 % - 8% 0% -19%

Bron: CBS 2007

Tabel D.2. Groei in het aantal oprichtingen en opheffingen in de periode 2002-2005 31

oprichtingen (1) opheffingen (2) saldo (1-2)

totale economie + 31% + 7% + 22%

totale industrie + 22% - 2% + 12%

V&G-sector + 6% + 12% - 9%

Bron: KvK, EIM 2004 en 2006

De uitzonderlijke positie van de V&G-sector zien we ook door te kijken naar de groei van

het aantal opgerichte en het aantal opgeheven ondernemingen. Om te beginnen is de

groei in het aantal oprichtingen veel lager dan in de rest van de industrie en de economie

als geheel. Het aantal opheffingen is in de V&G-sector juist veel sterker gestegen.

Ongeveer 29 procent van het aantal opheffingen wordt hier veroorzaakt door

faillissementen en ligt beduidend hoger dan de 14 à 17 procent in de totale industrie

(EIM 2006, p. 20). Nergens in de Nederlandse industrie gaat de afname van het aantal

bedrijven zo hard als in de V&G-sector: bijna 20% in de periode 1996-2006 (SEO 2008,

p.6)

Het geringe aantal oprichtingen in de voedingsindustrie wordt volgens EIM (2004,

blz. 13) o.a. veroorzaakt doordat potentiële toetreders opzien tegen de noodzakelijke

grote investeringen in machines, apparatuur en gereedschap en de concurrentie met

bestaande bedrijven die met grote schaal opereren en (daardoor) een relatief hoge

arbeidsproductiviteit realiseren. Verder worden potentiële toetreders afgeschrikt door het

hoge sterftepercentage in de voedingsindustrie. Volgens de berekeningen van EIM (2006,

blz. 20) overleeft slechts de helft van het aantal opgerichte bedrijven in de

voedingsindustrie gedurende de eerste vijf jaar.

De combinatie van al deze ontwikkelingen heeft ertoe geleid dat in de periode 1996 –

2006 het aandeel van de V&G-bedrijven is gedaald van 12,6% naar 9,7% van alle

bedrijven in de totale industrie, terwijl het aandeel bij de andere maatstaven (omzet,

toegevoegde waarde en werkgelegenheid) veel hoger ligt en betrekkelijk stabiel blijft.

De conclusie is dat

a) de Nederlandse V&G-sector steeds grootschaliger wordt, zeker als we ons

beperken tot de fabrieksmatige verwerking van agrarische voedingsstoffen (dus

de talloze kleine bakkers en slagers buiten beschouwing laten);

b) er in deze sector relatief weinig (kleine) nieuwe bedrijven worden opgericht

c) het stimuleren van nieuwe bedrijvigheid in deze sector dus extra inspanningen

vereist, bijv. in de vorm van een Agro Partner programma (zie hoofdstuk 5)

omdat generiek beleid ten aanzien van ondernemerschap niet voldoende is, mede

gelet op de verbondenheid van de V&G-sector met de landbouw.

31 Het EIM verstaat onder oprichting: het beginnen van een nieuwe economische activiteit, al dan niet in de

vorm van een nieuwe dochter van een bestaande onderneming of in de vorm van een spin-off (dus buiten de

bestaande onderneming). Bij opheffingen gaat het om de beëindiging van bestaande activiteiten, al of niet in de

vorm van een faillissement.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 88 van 96

CAB - Groningen


Bijlage E

Leidt de coöperatieve structuur tot bulkproductie?

Dat grote delen van de (Noord-)Nederlandse landbouw nog steeds voornamelijk

bulkproducten en onvoldoende specialties produceren, wordt door sommigen niet

alleen geweten aan de (vroegere) landbouwpolitiek van de EU maar ook aan de

coöperatieve structuur die zo kenmerkend is voor de Nederlandse agrofood. Opvallend

is dat deze mening vooral wordt verkondigd door de gesprekspartners die werkzaam

zijn bij of goed bekend zijn met Noordelijke coöperaties zoals AVEBE, Cosun en

Friesland Food. Sommigen van hen zien de coöperatieve structuur zelfs als de

belangrijkste belemmering om de strategie van bulkproductie te kunnen verlaten.

Als het gaat om de rol of invloed van coöperaties op het gebied van agrofood, zijn er

nogal wat misverstanden in omloop.

De eerste is dat de coöperatieve structuur vooral in Noord-Nederland domineert.

Volgens Sneller (1951, p. 98 e.v.) is het coöperatiewezen is in Zuid-Nederland

vanouds her veel sterker geweest dan in het Noorden. In Noord-Nederland was er in

de meeste sectoren altijd een combinatie van particuliere en coöperatieve bedrijven,

waarbij de tweede categorie meestal ontstond als reactie op de macht (en het succes)

van de particuliere bedrijven. Denk aan AVEBE dat ontstond als reactie op de

zetmeelactiviteiten van Scholten (het latere KSH), of aan de SuikerUnie die begonnen

is als coöperatie van Groningse en Friese boeren, die niet afhankelijk wilden zijn van

het particuliere bedrijf CSM. Ook de pootgoedsector kent een combinatie van

particuliere en coöperatieve bedrijven.

Een tweede misverstand is dat coöperaties altijd op bulkproductie zijn georiënteerd.

Ook deze opvatting is onjuist, denk bij kaas bijv. aan Rouveenkaas en Cono uit

Middenbeemster, bedrijven met een overwegend coöperatieve structuur die zich juist

richten op specialties, en met succes. Dit in tegenstelling tot de coöperaties Friesland

Food (Frico) en DOC die zich meer richten op de bulkproductie van kaas. Zie ook de

coöperaties in de tuinbouw, zoals de Greenery en FloraHolland, die een stimulerende

rol hebben gespeeld in de transformatie van bulkproductie naar productinnovaties.

Aansluitend op de laatste twee voorbeelden is een derde misverstand dat coöperaties

alleen of vooral voorkomen in bedrijfstakken waar de EU-landbouwpolitiek een

belangrijke rol speelt of heeft gespeeld (zie tabel E.1)

Tabel F.1. Matrix met coöperatieve structuur en EU-interventie

(stringente) coöperatieve structuur?

EU-interventie? nee ja

nee HZPC, Nestle Agrico, FloraHolland, Greenery

ja CSM AVEBE, Cosun

Een andere misvatting is dat er slechts twee groepen bedrijven in de agribusiness

bestaan: coöperaties en particuliere bedrijven. In werkelijkheid is er een breed

spectrum van bedrijven met aan de ene kant particuliere bedrijven die familiebedrijf

zijn (zoals Cargill) of uitsluitend particuliere of institutionele beleggers als

aandeelhouders kent (zoals het beursgenoteerde Nutreco), en aan de andere kant de

traditionele coöperaties. Bij die laatste categorie hebben de leden van de coöperatie

een combinatie van drie rollen:

1. leverancier: zij hebben (vaak als enige) het recht, en soms de plicht, om de

grondstof te leveren die door de coöperatie wordt verwerkt en/of verhandeld;

2. financier: zij hebben (al of niet als enige) het kapitaal ingebracht waarmee de

coöperatie haar activiteiten uitvoert;

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 89 van 96

CAB - Groningen


3. eigenaar: zij hebben zeggenschap over de coöperatie, wat betekent dat de

ledenraad goedkeuring moet geven aan belangrijke beslissingen van de directie van

de coöperatie.

Bij sommige bedrijven, zoals HZPC (dat zichzelf overigens niet als coöperatie

beschouwt) zijn deze drie rollen uit elkaar getrokken, wat inhoudt dat de

pootaardappeltelers zich kunnen beperken tot een van deze drie rollen, en dat niet

alleen zij maar ook andere partijen leverancier, financier of eigenaar

(certificaathouder) kunnen zijn. Bij andere bedrijven, zoals AVEBE, zijn deze drie

rollen verenigd in de leden van deze coöperatie.

De volgende vragen kunnen onderwerp zijn voor nader onderzoek:

- doen traditionele coöperaties het minder goed dan ‘moderne’ coöperaties?

- komen traditionele coöperaties eerder voor wanneer de coöperatie de enige

aanbieder is op nationale of regionale schaal, of wanneer de coöperatie moet

’concurreren’ met een particulier bedrijf?

- komen traditionele coöperaties eerder voor bij agrarische producten die vanwege

de locatiegebondenheid een strakke afstemming tussen teelt en verwerking vereisen,

zoals bij suiker en aardappelzetmeel 32 ?

- heeft het (vroegere) EU-interventiebeleid ertoe geleid dat langer aan (de

stringente toepassing van) de coöperatieve structuur wordt vastgehouden dan onder

andere marktomstandigheden het geval zou zijn?

Aansluitend op de laatste vraag, juist die marktomstandigheden zijn de laatste jaren

behoorlijk veranderd:

a) Het EU-landbouwbeleid is er steeds minder op gericht om de EU-bedrijven af te

schermen van de wereldmarkt middels productgerelateerde subsidies, quota, en

andere interventiemaatregelen;

b) De prijzen van diverse agrarische gewassen zijn sinds begin 2007 sterk gestegen

zodat sindsdien de coöperaties inspanningen moesten doen om hun leden zover te

krijgen dat ze voldoende input willen leveren.

Beide ontwikkelingen plus het feit dat het nu weer redelijk goed gaat met de

landbouwcoöperaties lijken erop te wijzen dat de tijd rijp is om de coöperatieve

structuur wat losser te maken. Overeenkomstig het pleidooi van CvdK Max van den

Berg om in de huidige situatie met de verzelfstandiging van Groningen Seaports te

beginnen: “dit soort stappen moet je zetten als het goed gaat. Als het slecht gaat heb

je wel wat anders aan je hoofd” (DvhN, 28/08/08)

32 De locatiegebondenheid houdt in dat de verwerking bij voorkeur moet plaatsvinden dicht bij de arealen waar

de gewassen worden geteeld. Dat heeft niet alleen te maken met het campagne-karakter maar ook met het feit

dat zowel zetmeelaardappelen als suikerbieten ongeveer 80% water bevatten, wat ertoe leidt dat de

transportkosten aan de inputkant relatief hoog zijn.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 90 van 96

CAB - Groningen


Bijlage F

Enquête-formulier

1. Onderhoudt uw bedrijf/vestiging zakelijke relaties met Duitse bedrijven of

instellingen (meerdere antwoorden mogelijk)

a. Nee, geen enkele zakelijke relatie en dat blijft waarschijnlijk ook zo

b. Nu nog geen enkele relatie, maar op termijn wel

c. Ja, wij leveren aan Duitse bedrijven

d. Ja, wij hebben Duitse bedrijven als toeleverancier

e. Ja, wij hebben zakelijke contacten met Duitse (kennis)instellingen

f. Ja, mijn bedrijf is (mede-)eigenaar van Duitse bedrijven

g. Anders, namelijk……………………………………………………………...

2. Wat zijn de belangrijkste producten van uw bedrijf/vestiging? En gaat het daar

bij om fabricage (F), handel (H) en/of ontwikkeling (O)? S.v.p. aankruisen wat

van toepassing is (meerdere hokjes kunnen worden aangekruist).

omschrijving producten F H O

…………………………………

……………………………

………………………….

3. Hoeveel werknemers zijn bij uw bedrijf/vestiging werkzaam?

a. In vaste dienst ……………………………

b. In tijdelijke dienst (incl. via een uitzendbureau) ………………...

4. Heeft uw bedrijf/vestiging de afgelopen vijf jaar in R&D en product- of

procesinnovatie geïnvesteerd, in de vorm van personeel of budget?

a. Nee, en dat zal de komende jaren ook niet het geval zijn

b. Nee, maar dat willen wij wel binnen vijf jaar veranderen

c. Ja, en dat investeringsniveau blijft voorlopig redelijk stabiel

d. Ja, dat investeringsniveau wordt de komende vijf jaar flink verhoogd

5. Op welke voedingscomponenten e.d. zijn deze investeringen in kennis het

meest gericht (1 = heel belangrijk , 2 = belangrijk, 3= neutraal , 4= niet zo

belangrijk, 5= onbelangrijk)

op koolhydraten

op eiwitten

op vetten

op andere voedingscomponenten, te

weten:

1 2 3 4 5

op non-food toepassingen van onze

ingrediënten of eindproducten, te

weten:

anders, namelijk :

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 91 van 96

CAB - Groningen


6. Kunt u een schatting maken van de omvang van de investeringen of

activiteiten op het gebied van R&D en product- of procesinnovatie, uitgedrukt

in het aantal fte of het percentage van de omzet

a. Voor uw bedrijf/vestiging …………fte. …%

b. Voor het concern waar uw vestiging onder valt …………fte …%

7. Vinden de activiteiten op het gebied van R&D en innovatie binnen en/of buiten

uw bedrijf/vestiging plaats? (meerdere antwoorden mogelijk)

a. ze vinden plaats binnen het bedrijf/vestiging

b. ze vinden centraal plaats binnen het grote concern

c. ze worden uitgevoerd bij een zusteronderneming

d. we maken gebruik van de kennis van andere Nederlandse bedrijven

e. we maken gebruik van de kennis van Nederlandse kennisinstellingen

f. we maken gebruik van de kennis van Duitse bedrijven of

kennisinstellingen

g. we maken gebruik van de kennis van andere buitenlandse bedrijven of

kennisinstellingen

h. anders, namelijk……………………………………………….......................

8. Heeft uw bedrijf/vestiging de afgelopen vijf jaar ooit gebruik gemaakt van de

expertise van een of meer instituten of afdelingen van TNO (al of niet in de

vorm van een betaalde opdracht)?

a. Nee

b. Ja, de TNO-afdeling(en) …………….. in …………………………….

9. Bent u of een van uw medewerkers/collega’s bekend met de expertise of

kenniscapaciteit van een of meer van de volgende Duitse kennisinstellingen?

a. het Duitse Institut für Lebensmitteltechnik (DIL)

b. een Duitse universiteit, namelijk in …….

c. een andere kennisinstelling in Duitsland, te weten …..

10. In welke jaar is uw bedrijf/vestiging oorspronkelijk

opgericht?......................................

11. Is uw bedrijf/vestiging ontstaan vanuit een groter organisatorisch verband

(concern of investeringsgroep)?

a. Nee

b. Ja, sinds……………………………………………………………………….

Naam concern……………………gevestigd te ………………………

12. Is uw bedrijf/vestiging momenteel een onderdeel van een groter

organisatorisch verband (concern of investeringsgroep)?

a. Nee (ga naar vraag 14)

b. Ja, sinds……………………………………………………………………….

Naam concern:………………………gevestigd te …… ………

13. Was uw bedrijf/vestiging actief in R&D of productontwikkeling, voordat uw

bedrijf/vestiging onderdeel werd van een groter organisatieverband?

a. Nee

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 92 van 96

CAB - Groningen


. Ja, alleen binnen het bedrijf/vestiging

c. Ja, alleen via derden (uitbesteding)

d. Ja, zowel binnen het bedrijf als via derden

Voor alle duidelijkheid: de volgende vragen zijn alleen bedoeld voor de

analyse van de enquêteresultaten en voor vervolgactiviteiten; de

geheimhouding van uw gegevens is volledig gegarandeerd.

14. Wat is de postcode van uw vestiging (bezoekadres! niet van de postbus

s.v.p.): ……..

15. Hoe luidt de naam van uw vestiging: …………………………………..

16. Heeft uw bedrijf nog andere vestigingen?

a. Nee (ga naar vraag 18)

b. Ja, vestigingen in ………………………………………………………………

17. Hebben de antwoorden op de vragen alleen betrekking op de genoemde

vestiging, of ook op de andere vestigingen?

a. alleen op de vestiging met de postcode in vraag 14

b. op alle vestigingen van ons bedrijf (niet concern of investeringsgroep in

vraag 12)

18. ik wil graag het digitale eindrapport ontvangen. U kunt het rapport sturen

naar het volgende e-mail adres: …………………………………………

19. ik vind het niet bezwaarlijk dat iemand van TNO, RuG, DIL of TCNN contact

opneemt voor aanvullende vragen. Contactpersoon is:

heer/mevrouw

……………………... ………..……

met het volgende telefoonnummer/e-mail adres: ……………………………………..

Mocht u nog aanvullende opmerkingen hebben naar aanleiding van deze

enquête dan kunt deze hieronder vermelden.

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 93 van 96

CAB - Groningen


Bijlage G

Programma conferentie

Programma 25 maart 2009

Vergane Glorie of Nieuw Elan?

Een strategische conferentie over doodlopende straten en nieuwe vergezichten

12.00 uur Inloop & mogelijkheid voor lunch

13.00 uur Startschot door de dagvoorzitter Dirk Strijker

Korte inleidingen door:

Hein Vrolijk – “De toekomst van suiker, zetmeel en pootaardappelen”

Gerrit Meester, (OECD, UvA, LNV): “Mogelijke gevolgen van verdere

handelsliberalisatie en hervorming EU-landbouwbeleid voor suikersector in

Nederland”

Albert Markusse, (Algemeen Directeur Suiker Unie) – reactie op rapport

Discussie

15.00 uur Pauze

15.30 uur Korte inleidingen door

Johan Sanders (WUR) “Mogelijkheden van bioraffinage op basis van

suikerbieten

Bert Smit (LEI).“Gevolgen van aanpassingen EU-landbouwbeleid, met

name de ontkoppeling, voor de relatie tussen boeren en

AVEBE/SuikerUnie“

Piet Kerkhoven (zelfstandig Technology Consultant, voorheen werkzaam bij

KSH, Nivoba en Avebe), “Bestaat er anno 2020 nog een (zelfstandige)

aardappelzetmeelindustrie in Noord Nederland?”

Discussie

17.30 uur Afsluiting conferentie door Douwe Hollenga (Gedeputeerde Provincie

Groningen) en Eisse Luitjens (NOM)

Borrel

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 94 van 96

CAB - Groningen


Bijlage H

Deelnemers conferentie

Conferentie ‘Vergane Glorie of Nieuw Elan’ op 25 maart 2009

Deelnemerslijst

Egbert Andringa Projecten LTO Noord

Klaas-Arie Beks Provincie Fryslan

P.K. Berghuis LTO Noord

Cor Biemond agrarisch ondernemer

Doede Binnema TechnologieCentrum Noord-Nederland

Koos Boerema Suikerunie

Remi Bonnier Ministerie EZ

Vronie Bootsma Provincie Drenthe

Bert Bos Avebe

Rolf Bos Friesland Campina

Ger Bos Avebe

H.A. Bouma Healthy Ageing

Alle Bruggink ex-DSM, ex-Radboud Universiteit

Peter Brul Agro Eco

Bertus Buizer Buizer Advies, Organicseeds.nl

Harm Eiso Clevering agrarisch ondernemer, ex-Cosun

Harry de Coo LTO Noord Projecten

Lubbert van Dellen Accon AVM

Didier Delnoye CSK

H.J. Doornbosch agrarisch ondernemer

Jose Dun ABN AMRO

Christien Enzing Technopolis Group

Bram Fetter Suikerunie

Harrie Garrelts NOM

Mark Geerts Paperfoam bv

Tonny Giesolf ABN AMRO

Otto van der Gronden Rixona

Paul Hagens SuikerUnie

Rob van Haren RuG-E&B, Kiemkracht

Hans Hoekman Avebe

Henk Holstein Gemeente Vlagwedde

Gerlof Hotsma Groningen Seaports

Pieter

Huizinga

Dirk Jan Immenga Provincie Drenthe

Henk van Kalsbeek Avebe

Fred Klein Productschap Akkerbouw

Leontien Kompier Agenda voor de Veenkolonien

Johannes Lindenbergh Agrifirm

Eisse Luitjens NOM/CCC

Aike Maarsingh Cosun, SPNA

Arie van der Maas Economische Impuls Zeeland

Gerben Meurs Avebe

Ko Munneke Agenda voor de Veenkolonien

Eric Neef Eems Dollard Regio

Onno Omta Wageningen University

Ate Oosterhof Friesland Bank

Wim T.M. Pater Paragon Products bv

Peter Prins LTO Noord

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 95 van 96

CAB - Groningen


IJzebrand Rijzebol LTO-Nederland

Arjan de Rooij Avebe

Hilbrand Sinnema LTO Groningen

J.A.Smid Smid Cosun

R.A. van Straalen agrarisch ondernemer

Bram Streefland Ministerie LNV

Bernard Ströver Hanseland BV

Harry Stuut Suikerunie

G.M. van Tilburg Cosun

Ad van Velde Noorderlandmelk

Jan Dirk Veltman agrarisch ondernemer

Tineke Vonk-Ronhaar Eems Dollard Regio

Gunther de Vries Avebe

Detmer Wage agrarisch ondernemer

R.J. Weimans RABO

Frank van der Werff HZPC

G.J. Wesselink Emsland Starke GmbH

Romke Wustman PPO

Wouter Zunneberg Ordina Oracle Solutions

Vergane glorie of nieuw élan, mei 2009 Pagina 96 van 96

CAB - Groningen

More magazines by this user
Similar magazines