24.10.2014 Views

Handleiding rekenmodel - Arbeidsmarktplatform PO

Handleiding rekenmodel - Arbeidsmarktplatform PO

Handleiding rekenmodel - Arbeidsmarktplatform PO

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

RICHTING GEVEN IS VOORUITKIJKEN<br />

STRATEGISCHE PERSONEELSPLANNING<br />

IN HET <strong>PO</strong><br />

<strong>Handleiding</strong> <strong>rekenmodel</strong>


Richting geven is vooruitkijken<br />

Strategische personeelsplanning in het <strong>PO</strong><br />

<strong>Handleiding</strong> <strong>rekenmodel</strong>


Deze handleiding kwam tot stand in opdracht van het Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt<br />

(SBO)<br />

KOCK – strategie | management | organisatie<br />

Tilburg, december 2011<br />

Jeroen Koppens<br />

Gé Keizers


I n h o u d s o p g a v e<br />

Pagina<br />

1 Inleiding 4<br />

2 Uitgangspunten 4<br />

3 Basisgegevens 5<br />

3.1 Huidig personeelsbestand 5<br />

3.2 Aantal leerlingen 7<br />

3.3 Functie-invulling 8<br />

3.4 Financiële gegevens 9<br />

4 Toekomstige onderwijsmix 9<br />

5 Functie-invulling 11<br />

6 Inzetmix 12<br />

7 Confrontatie en analyse 12<br />

3


1 Inleiding<br />

Dit document bevat de handleiding voor het <strong>rekenmodel</strong> SPP (Excelsheet), aansluitend<br />

op de methodiek “Richting geven is vooruitkijken”. Het <strong>rekenmodel</strong> bevat twee<br />

kernberekeningen:<br />

Berekening van de toekomstige personeelsbehoefte<br />

Berekening van het toekomstige personeelsaanbod<br />

Op basis van deze twee berekeningen wordt een confrontatie gemaakt tussen de<br />

toekomstige personeelsbehoefte en het toekomstige personeelsaanbod.<br />

Deze handleiding volgt de opbouw van het <strong>rekenmodel</strong>. Vooraf wordt eerst ingegaan<br />

op een aantal uitgangspunten. Vervolgens zal de excelsheet inhoudelijk worden<br />

toegelicht.<br />

2 Uitgangspunten<br />

Het <strong>rekenmodel</strong> bestaat uit zes tabbladen, namelijk:<br />

• Basisgegevens<br />

• Toekomstige onderwijsmix<br />

• Functie-invulling<br />

• Inzetmix<br />

• Confrontatie & analyse (1)<br />

• Confrontatie & analyse (2)<br />

Alleen op de eerste vijf tabbladen kunnen gegevens worden ingevuld.<br />

In het <strong>rekenmodel</strong> wordt gewerkt met drie kleuren, namelijk:<br />

• Geel; in deze vakken kunnen de gewenste kwantitatieve gegevens worden<br />

ingevuld.<br />

• Blauw; in deze vakken kan tekst worden ingevuld.<br />

• Wit; deze vakken worden ingevuld door middel van berekeningen die in Excel zijn<br />

ingevoerd. Hier hoeft niets te worden ingevuld, dit gebeurt automatisch.<br />

In gele vakken (waarin u gegevens kunt invullen) kunnen soms al gegevens staan. Dit<br />

heeft twee redenen: het betreft een ‘default’ of invoer om foutmeldingen in Excel te<br />

voorkomen. Bij de desbetreffende defaults wordt in de komende paragrafen<br />

stilgestaan.<br />

Let op: als u geen gebruik maakt van een geel of blauw vakje, zet dan het cijfer 1<br />

terug naar 0.<br />

Let op dat bij het invullen van de percentages per functiecategorie het totaal op<br />

100% uitkomt. Als de optelling op 100% uitkomt zal het programma een groen vakje<br />

aangeven. Een oranje vakje geeft een onderwaardering weer, een rood vakje geeft<br />

een overwaardering weer.<br />

4


3 Basisgegevens<br />

Voor het maken van de twee kernberekeningen (zie methodiek, pag. 16) is een aantal<br />

basisgegevens nodig. Hieronder wordt toegelicht om welke basisgegevens het gaat,<br />

waarom deze nodig zijn en waarop moet worden gelet bij het invoeren van deze<br />

gegevens.<br />

3.1 Huidig personeelsbestand<br />

Het huidige personeelsbestand wordt benut voor het bepalen van het toekomstige<br />

personeelsaanbod. Dit toekomstige personeelsaanbod wordt berekend door het<br />

huidige personeelsbestand te extrapoleren naar over vijf jaar. Het toekomstige<br />

personeelsaanbod geeft weer wat een school over vijf jaar in huis heeft als het de<br />

komende jaren niets zou ondernemen (niet werven, geen promotie van medewerkers,<br />

etc.). Bij de berekening van het toekomstige personeelsaanbod wordt een aantal<br />

variabelen in acht genomen, namelijk:<br />

Gemiddelde jaarlijkse uitstroom (%)<br />

Gemiddelde deeltijdfactor<br />

Ziekteverzuim<br />

Hieronder staat op grafische wijze de extrapolatie van het huidige personeelsbestand<br />

weergegeven.<br />

Personeelsinzet Personeelsaanbod op op<br />

functiecategorieën ë n<br />

(t<br />

)<br />

Extrapolatie<br />

• Uitstroom<br />

• Deeltijdfactor<br />

• Ziekteverzuim<br />

Personeelsinzet Personeelsaanbod op op<br />

functiecategorieën ë n<br />

(t+5<br />

)<br />

Bij het invullen van het huidige personeelsbestand vraagt het <strong>rekenmodel</strong> om een<br />

uitsplitsing in functiecategorieën en leeftijdscategorieën. In het <strong>rekenmodel</strong> voert u<br />

voor iedere functiecategorie (bijvoorbeeld: LA, LB, directie, etc.) het aantal werknemers<br />

(in FTE) in, uitgesplitst naar leeftijdscategorie. Het is mogelijk om in de lege kolommen<br />

naar gelang functiecategorieën (onderwijsassistenten, leraren in opleiding, etc.) toe te<br />

voegen. Deze gegevens worden ook meegenomen bij het bepalen van het<br />

toekomstige personeelsaanbod. Mogelijkerwijs zijn er onderwijsgevende<br />

functiecategorieën die op dit moment niet, maar in de toekomst wellicht wel worden<br />

ingevuld. Het is verstandig om deze functiecategorieën in het huidige<br />

personeelsbestand op te nemen in de excelsheet.<br />

5


Gemiddelde jaarlijkse uitstroom<br />

De gemiddelde jaarlijkse uitstroom (%) is een factor die bepalend is voor het<br />

personeelsaanbod (t+5). De jaarlijkse uitstroom kan te maken hebben met vergrijzing.<br />

Uitstroom kan ook het gevolg zijn van medewerkers die vervangen moeten worden,<br />

omdat ze een baan hebben bij een school in een andere regio of omdat ze buiten het<br />

onderwijs gaan werken.<br />

De gemiddelde jaarlijkse uitstroom kan worden berekend op basis van<br />

ervaringsgegevens op de langere termijn (afgelopen 3-5 jaar). Het percentage<br />

gemiddelde jaarlijkse kan per leeftijdscategorie op basis van het aantal medewerkers<br />

worden berekend. Het uiteindelijke percentage is een optelsom van de jaren, gedeeld<br />

door het aantal jaren.<br />

Gemiddelde deeltijdfactor<br />

De gemiddelde deeltijdfactor laat de mate zien waarin door medewerkers in een<br />

bepaalde leeftijdscategorie in deeltijd wordt gewerkt. Dit speelt ook een rol bij het<br />

bepalen van het toekomstige personeelsaanbod. Deze factor is per leeftijdscategorie<br />

gebaseerd op het huidige personeelsbestand. Per leeftijdscategorie kan de netto<br />

werktijdfactor (NWF) vast worden gesteld. Als de NWF niet voorhanden is, kan deze<br />

ook worden bepaald door de bruto werktijdfactor (BWF) te berekenen minus<br />

loongerelateerde verloven (onder meer BA<strong>PO</strong> en ouderschapsverlof). Vervolgens kan<br />

de gemiddelde deeltijdfactor berekend worden door de NWF van iedere docent op<br />

te tellen en te delen door het totaal aantal docenten in die leeftijdscategorie.<br />

Ziekteverzuim<br />

Het ziekteverzuimpercentage is de laatste factor die wordt meegenomen bij een<br />

extrapolatie van het huidige personeelsbestand.<br />

Hieronder staat een voorbeeldweergave van de Excelsheet voor het bepalen van het<br />

toekomstige personeelsaanbod op basis van het huidige personeelsbestand.<br />

6


Leeftijdscategorie LA LB Directie …… Gemiddelde<br />

jaarlijkse uitstroom<br />

(%) op basis van<br />

ervaringsgegevens<br />

Gemiddelde<br />

deeltijdfactor per<br />

leeftijdscategorie<br />

op basis van<br />

ervaringsgegevens<br />

-25 jaar 0,00 0,00 0,00 0,00 4,0% 0,82<br />

25-29 jaar 0,00 0,00 0,00 0,00 3,8% 0,82<br />

30-34 jaar 0,00 0,00 0,00 0,00 4,4% 0,82<br />

35-39 jaar 0,00 0,00 0,00 0,00 4,0% 0,82<br />

40-44 jaar 0,00 0,00 0,00 0,00 3,1% 0,82<br />

45-49 jaar 0,00 0,00 0,00 0,00 2,5% 0,82<br />

50-54 jaar 0,00 0,00 0,00 0,00 2,5% 0,82<br />

55-59 jaar 0,00 0,00 0,00 0,00 3,8% 0,82<br />

60-64 jaar 0,00 0,00 0,00 0,00 55,5% 0,82<br />

Totaal 0,00 0,00 0,00 0,00 x x<br />

Tips:<br />

Het is praktisch om bij het invullen van het huidige personeelsbestand gebruik te<br />

maken van de netto werktijdfactor (NWF).<br />

• Verdisconteer in het geval van de BWF ouderschapsverlof en BA<strong>PO</strong> in de<br />

deeltijdfactor.<br />

Ga bij de jaarlijkse uitstroom/deeltijdfactor zoveel mogelijk uit van robuuste cijfers<br />

(meer jaren meenemen in berekening of mogelijk een bestuursbrede analyse<br />

gebruiken).<br />

Het is mogelijk om OOP (concierges, etc.) in te vullen. Echter, deze komen in het<br />

<strong>rekenmodel</strong> alleen terug bij de extrapolatie naar het toekomstige personeelsaanbod.<br />

Bij de bepaling van de toekomstige personeelsbehoefte wordt alleen rekening<br />

gehouden met het primaire proces en komen deze functies niet terug.<br />

De toekomstige inzet van functies bepaalt welke categorieën precies worden<br />

meegenomen in de basisgegevens. Mogelijkerwijs zijn er onderwijsgevende<br />

functiecategorieën die op dit moment niet, maar in de toekomst wel worden<br />

ingevuld.<br />

3.2 Aantal leerlingen<br />

Een van de factoren die bepalend is voor de toekomstige personeelsbehoefte, is het<br />

verwacht aantal leerlingen van de school. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat deze<br />

gegevens op een school per leerjaar bekend zijn. Dit gegeven dient als input voor het<br />

bepalen van het aantal groepen per leerjaar in het tabblad ‘toekomstige onderwijsmix’.<br />

7


Concreet ziet dit er in het <strong>rekenmodel</strong> als volgt uit:<br />

Aantal leerlingen leerjaar 1 leerjaar 2 leerjaar 3 leerjaar … leerjaar 8<br />

(t) 73 116 83 101 67<br />

(t+5) 90 90 90 90 83<br />

Combinatie 180 180<br />

Bij het invullen van het aantal leerlingen is ook ruimte gemaakt voor eventuele<br />

combinatieklassen. Bij deze vorm zal het aantal leerlingen van de verschillende leerjaren<br />

bij elkaar moeten worden opgeteld en deze som worden ingevuld bij het laagste<br />

leerjaar van de combinatieklas. Dus als leerjaar 3 en 4 een combinatieklas wordt, dan<br />

zal het totaal aantal leerlingen van die leerjaren moeten worden opgeteld en onder<br />

combinatie worden ingevuld. Dit betekent daarmee ook een aanpassing in de<br />

toekomstige onderwijsmix (hoofdstuk 4).<br />

3.3 Functie-invulling<br />

Met de functie-invulling wordt bepaald hoeveel tijd (in %) de diverse<br />

onderwijsgevenden aan lestaken besteden, uitgesplitst in onderbouw, middenbouw,<br />

bovenbouw. In het primair onderwijs staat de functie-invulling ook bekend als de<br />

normjaartaak.<br />

De functie-invulling bestaat uit lestaken, lesgebonden taken, deskundigheidsbevordering<br />

en/of overige taken:<br />

Lestaken is de tijd die wordt besteedt aan de uitvoering.<br />

Lesgebonden taken is de tijd die een leerkracht bezig is met bijvoorbeeld<br />

voorbereiding.<br />

Met deskundigheidsbevordering wordt de ontwikkeling en het leerproces van de<br />

werknemers bedoeld.<br />

Onder coördinatie en organisatie wordt verstaan: tijd in de normjaartaak voor<br />

overleg, coördinatie, onderwijsontwikkeling, algemene en incidentele schooltaken.<br />

De huidige functie-invulling heeft vooral tot doel om eventuele verschillen in<br />

taakbesteding te duiden met de toekomstige functie-invulling (zie hoofdstuk 5).<br />

Bovendien dient deze als eerste exercitie om de functie-invulling in de huidige situatie<br />

te kunnen duiden.<br />

Aandeel in percentage LA LB Directie<br />

Lestaken (%) 0% 0% 0%<br />

Lesgebonden taken (%) 0% 0% 0%<br />

Deskundigheidsbevordering (%) 10% 10% 10%<br />

Overige taken (%) 0% 0% 0%<br />

Totaal 10% 10% 10%<br />

8


Tips:<br />

Als er geen verschil is in normjaartaak tussen onder-, midden- en/of bovenbouw,<br />

kan men volstaan om deze voor alle drie “de gebouwen” hetzelfde in te vullen.<br />

Relevant is dat er gebruik wordt gemaakt van een gemiddelde functie-invulling per<br />

functiecategorie. Voorbeeld: een LB-leerkracht met ambulante taken.<br />

3.4 Financiële gegevens<br />

Om de financiële effecten van personeelskeuzes in kaart te brengen, kan in het<br />

<strong>rekenmodel</strong> ook de gemiddelde personeelslast (GPL) per functiecategorie en de<br />

(toekomstige) gemiddelde inkomsten per leerling worden ingevuld.<br />

Zoals uit de methodiek blijkt, is het ook mogelijk om deze gegevens niet in te vullen.<br />

Dit betekent wel dat er alleen personele berekeningen worden uitgevoerd (in FTE’s).<br />

Een effect dat in strategische personeelsplanning niet meegenomen wordt, is de stijging<br />

in personeelslast doordat medewerkers stijgen in functieschalen.<br />

Tips:<br />

Aanbevolen wordt om gebruik te maken van de schoolspecifieke GPL.<br />

Het model gaat uit van een gemiddelde jaarlijkse inflatie; deze kan gewijzigd worden<br />

in het <strong>rekenmodel</strong>. Deze staat als default al vastgesteld op 2%.<br />

Het is het meest realistisch om bij de inkomsten per leerling uit te gaan van die<br />

middelen die gebruikt worden om de personele formatie te financieren (lumpsum<br />

en wellicht deel van de additionele middelen).<br />

Bij de toekomstige gemiddelde inkomsten per leerling is het mogelijk om een<br />

inschatting te maken van de stijging of daling van inkomsten op basis van<br />

ontwikkelingen in het politieke landschap (bezuinigen of investeren).<br />

4 Toekomstige onderwijsmix<br />

De toekomstige onderwijsmix is als het ware een kwantitatieve vertaling van de<br />

onderwijsvisie van de school. Op welke wijze wordt het onderwijs in de toekomst<br />

georganiseerd op deze school? Door deze vertaling kan de benodigde<br />

onderwijscapaciteit in het <strong>rekenmodel</strong> worden berekend.<br />

Het <strong>rekenmodel</strong> berekent in eerste instantie de in de toekomst benodigde<br />

onderwijscapaciteit in klokuren voor het draaien van het rooster. Hoeveel capaciteit<br />

nodig is, is afhankelijk van het aantal groepen (op basis van het verwacht aantal<br />

leerlingen) en het aantal begeleiders voor de groep.<br />

9


In de excelsheet ziet dit er als volgt uit:<br />

Toekomstige onderwijsmix leerjaar 1/2<br />

Onderwijsvorm Aantal Splitsingsnorm Aantal<br />

klokuren op<br />

begeleiders<br />

'rooster van de<br />

per groep<br />

toekomst' (per<br />

jaar)<br />

Aantal<br />

groepen<br />

Benodigd aantal<br />

klokuren<br />

onderwijscapaciteit<br />

voor draaien<br />

rooster<br />

Klassikaal<br />

onderwijs 930 20 1,0 9 5292<br />

….. 0 1 1,0 0 0<br />

….. 0 1 1,0 0 0<br />

….. 0 1 1,0 0 0<br />

Totaal 0 x x x 0<br />

In het <strong>rekenmodel</strong> worden per leerjaar de diverse onderwijsvormen ingevoerd.<br />

Afhankelijk van de visie van de school kan er differentiatie optreden tussen de<br />

verschillende onderwijsvormen. Er kan naast klassikale uren sprake zijn van<br />

groepsdoorbrekende uren, waarbij verschillende leerjaren bijvoorbeeld samen les<br />

krijgen.<br />

Vervolgens wordt per leerjaar het aantal klokuren op het “rooster van de toekomst”<br />

ingevoerd. Hiermee wordt bedoeld: het gewenste rooster zoals dat er over vijf jaar<br />

uitziet op basis van onderwijskeuzes die zijn gemaakt. Bijvoorbeeld: hoeveel lesuren<br />

besteedt de school in leerjaar 1 aan klassikaal onderwijs.<br />

Het <strong>rekenmodel</strong> berekent vervolgens op basis van het verwacht aantal leerlingen het<br />

aantal groepen. Echter, verwacht wordt dat de school een splitsingsnorm aangeeft in<br />

het <strong>rekenmodel</strong>. Een groep bestaat volgens de onderwijsvisie idealiter uit 20 leerlingen.<br />

Als er bijvoorbeeld meer dan 20 kinderen in een leerjaar zitten, wordt er een nieuwe<br />

groep gestart. Mocht je als school dit niet willen, kun je de splitsingsnorm wijzigen,<br />

zodat het gewenste aantal groepen in het <strong>rekenmodel</strong> staat. Bij 22 leerlingen kan de<br />

splitsingsnorm op 22 worden gezet, zodat er nog steeds sprake is van 1 groep.<br />

De laatste factor die wordt meegenomen bij het berekenen van de benodigde<br />

onderwijscapaciteit is het aantal begeleiders voor de groep. In de meeste gevallen zal<br />

er 1 leerkracht voor de groep staan, maar in de toekomst is het eventueel ook<br />

mogelijk te werken met groepsdoorbrekende uren, waarbij een grotere groep<br />

leerlingen meerdere begeleiders heeft.<br />

Uiteindelijk berekent het model (zie methodiek, figuur 6) de benodigde<br />

onderwijscapaciteit.<br />

10


Tips:<br />

Het aanpassen van het aantal groepen per leerjaar kan geschieden door<br />

‘trial and error’ van de splitsingsnorm.<br />

Als er op scholen met combinatieklassen wordt gewerkt, worden de groepen per<br />

leerjaar groter. Dus: als leerjaar 3 en 4 een combinatieklas is, dan wordt er gerekend<br />

met de gegevens van de combinatieklas, ingevuld op het tabblad “basisgegevens”.<br />

Mogelijkerwijs zal dan de rekenformule in het <strong>rekenmodel</strong> moeten worden<br />

aangepast.<br />

Het is interessant om te variëren in onderwijsvormen als:<br />

• de verhouding één leerkracht bedient x leerlingen per onderwijsvorm sterk<br />

verschilt;<br />

• het aantal begeleiders per onderwijsvorm verschilt;<br />

• de inzet per onderwijsvorm zal verschillen;<br />

Als een bepaalde onderwijsvorm voor een deel van de tijd door meer begeleiders<br />

wordt uitgevoerd zijn er twee opties:<br />

• er wordt uitgegaan van een gemiddelde bezetting op deze onderwijsvorm;<br />

• de onderwijsvorm wordt uitgesplitst over een deel met één begeleider en een<br />

deel met meer begeleiders. Dan moet ook het aantal lesuren op het rooster door<br />

twee worden gedeeld en over deze twee rijen worden uitgesplitst..<br />

5 Functie-invulling<br />

De toekomstige personeelsbehoefte wordt niet alleen bepaald aan de hand van de<br />

toekomstige onderwijsmix, maar ook aan de hand van de visie op leraarschap. Deze<br />

visie bestaat uit de toekomstige functie-invulling en de inzetmix (zie hoofdstuk 6).<br />

In het <strong>rekenmodel</strong> wordt de toekomstige functie-invulling, in de lijn van de huidige<br />

functieinvulling (tabblad “basisgegevens), ingevuld. Bijvoorbeeld: hoeveel procent van<br />

de tijd is een LA-docent idealiter bezig met lestaken, lesgebonden taken,<br />

deskundigheidsbevordering en overige taken?<br />

Het is belangrijk dat de onderwijsvormen die in de onderwijsmix zijn ingevuld de<br />

onderwijstijd vertegenwoordigen die bij de toekomstige functie-invulling zijn ingevuld<br />

onder de noemer ‘lestaken’ en ‘lesgebonden taken’. Bijvoorbeeld als de<br />

voorbereidingstijd onder de lesgeboden taken vallen, moeten ze ook terugkomen in de<br />

onderwijsmix.<br />

11


6 Inzetmix<br />

Met de inzetmix wordt onderzocht welke onderwijsgevenden welk deel van de<br />

benodigde onderwijscapaciteit verzorgen.<br />

In het <strong>rekenmodel</strong> kan per functiecategorie worden aangegeven welk deel van de tijd<br />

per onderwijsvorm wordt besteed. Bijvoorbeeld een LA docent is 60% van de tijd bezig<br />

met klassikaal onderwijs, een onderwijsassistent is 30% bezig en een LB docent 10%.<br />

Hieronder staat een voorbeeld weergegeven:<br />

Inzetmix onderbouw<br />

Onderwijsvorm<br />

Benodigd aantal<br />

klokuren<br />

onderwijscapaciteit<br />

voor draaien<br />

rooster<br />

LA<br />

LB<br />

Klassikaal onderwijs 0 0% 0 0% 0<br />

….. 0 0% 0 0% 0<br />

….. 0 0% 0 0% 0<br />

….. 0 0% 0 0% 0<br />

Totaal benodigde<br />

onderwijscapaciteit per<br />

functieniveau (in klokuren) x x 0 x 0<br />

Tips:<br />

De tabellen hebben betrekking op zowel de onderbouw, middenbouw als<br />

bovenbouw.<br />

Belangrijk is dat er horizontaal op een onderwijsvorm een percentage van 100%<br />

moet uitkomen.<br />

De verhouding tussen bijvoorbeeld leerkrachten en onderwijsassistenten moet een<br />

kloppende weerspiegeling zijn van het aantal begeleiders per groep (tabblad<br />

“toekomstige onderwijsmix”). Bijvoorbeeld: een bezetting van 1,5 begeleider per<br />

groep zal in de inzetmix een verhouding moeten hebben van 33% : 67%.<br />

7 Confrontatie en analyse<br />

Nadat de gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de twee kernberekeningen<br />

zijn ingevoerd, worden deze zichtbaar in de confrontatie en analyse 1 en 2.<br />

12


Dit leidt tot grafische weergaven over:<br />

Toekomstige leeftijdsopbouw<br />

Verwacht aantal leerlingen<br />

Wervingsinspanning<br />

Personele verhouding in functiecategorieën<br />

Kosten en baten primaire proces.<br />

Een voorbeeld van een dergelijke weergave staat hieronder:<br />

OA LA LB<br />

Personeelsbehoefte 2,6 14,7 12,2<br />

Personeelsaanbod 0,9 23,8 5,8<br />

Verschil 1,7 -9,1 6,4<br />

13


Postbus 556<br />

2501 CN Den Haag<br />

T 070 376 57 70<br />

F 070 345 75 28<br />

Lange Voorhout 13<br />

2514 EA Den Haag<br />

E sbo@caop.nl<br />

I www.onderwijsarbeidsmarkt.nl<br />

PUBLICATIEREEKS

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!