Détecteur DAX 3F-I - Dalemans Gas Detection

dalemans.com

Détecteur DAX 3F-I - Dalemans Gas Detection

INOX DETECTOR

VOOR EXPLOSIEF GAS

DAX 3F-I

INSTALLATIE, GEBRUIKS- EN

ONDERHOUDSHANDLEIDING

DAX3FI_MAN01_NL

Ver. V1R2


Inleiding

Deze handleiding dient aandachtig te worden gelezen door iedereen die verantwoordelijk is of zal

zijn voor de installatie, het gebruik of het onderhoud van dit materiaal. De door DALEMANS geboden

garanties zijn nihil indien het product niet is geïnstalleerd, gebruikt of onderhouden wordt

volgens de gedetailleerde instructies van deze handleiding.

Indien deze voorschriften gerespecteerd worden garandeert U de goede werking van het apparaat.

Bij twijfel kunt U DALEMANS contacteren voor assistentie of aanvullende informatie betreffende

het gebruik of onderhoud van dit product alvorens over te gaan tot plaatsing.

Elk apparaat dient te worden geïnstalleerd, gebruikt en onderhouden volgens de richtlijnen,

waarschuwingen, instructies en gebruiksbeperkingen beschreven in deze handleiding.

Gebruik enkel originele DALEMANS onderdelen voor het onderhoud beschreven in deze handleiding.

Indien dit niet het geval is, kunt U de prestaties van het apparaat aanzienlijk veranderen. Elke reparatie

of onderhoud zonder de beschreven voorschriften uit deze handleiding te respecteren of zonder

de hulp van onze dienst na verkoop kan verhinderen dat het materiaal correct functioneert en kan

bijgevolg de veiligheid van de bewoners van het gebouw en de installaties in gevaar brengen.

!

Toepassing

Gelieve steeds de voeding uit te schakelen en de gevaarlijke zone te declasseren

alvorens over te gaan tot vervanging of verandering van componenten.

De DAX 3F-I detector is bestemd voor gebruik in commerciële en industriële toepassingen met

een agressieve omgeving of waar hygiëne essentieel is. Dit apparaat is geschikt voor gebruik in

zone 1 en 2 explosieve omgeving. Hij is bedoeld om aangesloten te worden op een daarvoor

bedoelde centrale om te reageren op een concentratie aan gas, waarvoor men zich wil beschermen,

voordat die de onderste explosiegrens (L.E.L. - Lower Explosive Limit) bereikt.

Voor meer informatie betreffende de lijst met te detecteren gassen met de DAX 3F-I, gelieve

contact op te nemen met Dalemans.

Keuringen -Normen

In hoofde van fabrikant, verklaart Dalemans n.v. dat de producten in deze nota beschreven, gecertificeerd

zijn voor gevaarlijke zones op een beschermingsgraad IP6X en die beantwoorden aan de

vereisten van de volgende directieven en normen :

• Richtlijn 94/9/EG (ATEX)

• EN 60079-0:2006

• EN 60079-1:2007

• EN 60079-7:2007

• EN 61241-0:2006

• EN 61241-1:2004

De beschreven producten zijn conform aan de geaccepteerde varianten voortkomend uit het type

dat het EG-Type Onderzoeks Certificaat Nr FTZU 10 ATEX 0034X heeft verkregen. Bovendien, ze zijn

ontworpen, geproduceerd en gecontroleerd binnen het kader van een ISO9001 gecertificeerd

kwaliteitssysteem, beoordeeld door een erkend controleorganisme volgens annex IV en VII van de

richtlijn 94/9/EG.

1

DAX 3F-I


Markering

Het markeringsetiket hieronder is aanwezig op de behuizing van de detector. Deze markering is voor

de gehele detector. De markering op de detectiekop heeft enkel toepassing op de detectiekop zelf.

Type apparaat

2

Serienummer/fabricagejaar

ATEX certificaat nummer

Code van het erkend

controleorganisme

Gedetecteerd gas

Meetbereik

Werktemperatuur

1026

DAX 3F-I

II 2G Ex d e IIC T4

II 2D Ex tD A21 IP6X T135°C

Tamb: -20°C to +90°C

FTZU 10 ATEX 0034X

Remicourt - BE

Gas: CH4

100% LEL

Use: -20..+70°C

D050CCAB - 00263001 - 2010

Certificatie (ATEX)

II : elektrisch materiaal voor explosieve omgeving andere dan mijnen.

2G : categorie 2 apparaten bestemd voor zones waarin een explosieve atmosfeer

veroorzaakt door gas intermitterend kan voorkomen (zone 1).

Ex d e : bescherming met drukvast omhulsel “d” en verhoogde veiligheid “e”

IIC : subdivisie van groep II apparatuur voor een explosieve atmosfeer veroorzaakt

door gas (methaan, propaan, ethyleen, waterstof, acetyleen).

T6-T4 : temperatuurklasse die de maximale oppervlaktetemperatuur aangeeft in een

explosieve gasatmosfeer (T6=85 °C, T5=100 °C, T4=135 °C).

2D : categorie 2 apparaten bestemd voor zones waarin een explosieve atmosfeer

veroorzaakt door stof intermitterend kan voorkomen (zone 21).

Ex tD : bescherming tegen stofontbranding met een omhulsel “tD”.

A21 : methode ter bepaling van de maximale oppervlakte temperatuur van het materiaal

(stoflaag van 5 mm) gebruikt in een zone waarin een stofexplosieve atmosfeer

intermitterend kan voorkomen in normale toestand (methode A - zone 21).

IP6X : beschermingsgraad (stofdicht).

Tx °C : maximum oppervlakte temperatuur van het materiaal in een explosieve atmosfeer

veroorzaakt door stof (T85 °C, T100 °C of T135 °C).

Tamb : Omgevingstemperatuurbereik waarvoor de temperatuursklasse en de maximale

oppervlakte temperatuur zijn bepaald.

Voor T6 en T85 °C

Tamb = -20 °C tot +55 °C

Voor T5 en T100 °C

Tamb = -20 °C tot +75 °C

Voor T4 en T135 °C

Tamb = -20 °C tot +90 °C

DAX 3F-I


Beschrijving

De DAX 3F-I is een gasdetector die bedoeld is om de aanwezigheid van explosief gas in de omgevingslucht

te detecteren tot 100 % van de onderste explosiegrens (L.E.L. - Lower Explosive Limit).

Hij maakt gebruik van een katalytische sensor waarvan het uitgangssignaal in mV is over drie

draden. De DAX 3F-I is bedoeld om aangesloten te worden op een Wheatstone brug van een gas

detectie centrale. Voor meer informatie betreffende deze gas detectie centrales, gelieve contact

op te nemen met Dalemans.

De belangrijkste onderdelen van de detector DAX 3F-I zijn de volgende :

• De detectiekop.

• De behuizing met aansluitklemmen.

• De wartel.

Het geheel heeft een beschermingswijze van het type “d e” en een beschermingsgraad IP6X.

3

Behuizing met

verhoogde veiligheid “e”

Wartel met verhoogde

veiligheid “e”

Bevestigingssteun

A

P C

Aansluitklemmen met

verhoogde veiligheid “e”

Drukvaste detectiekop “d”

Figuur 1 : Detector DAX 3F-I

DAX 3F-I


Detectiekop

Het gevoelig element van de detector is de meetcel die werkt volgens het principe van de katalytische

verbranding. De cel bestaat uit een passief element “P” en een actief element “A”. De

twee elementen bestaan uit platina draden die elektrisch verwarmd worden (400 °C).

Het passieve element dient als compensatie voor de omgevingstemperatuur. Het actieve element

is bedekt met een katalytische laag die de eigenschap heeft om heel snel op te warmen bij contact

met een brandbaar gas. De temperatuursverhoging van deze laag veroorzaakt een verandering in

weerstandswaarde van het actieve element. Deze weerstandsverandering in functie van de

concentratie van het explosieve gas kan worden gemeten met een centrale middels een

Wheatstone brug (3 draads verbinding).

De detectiekop van de DAX 3F-I bestaat uit :

• Drukvaste sensorbehuizing “ d “ ( basis + deksel).

• Filter in gesinterd metaal.

• Een katalytische cel (pellistor).

• Een sensorhouder in kunststof (facultatief, afhankelijk van de gebruikte cel).

• O-ring.

De sensorbehuizing is een omhulsel in roestvrij staal (basis en deksel) die gedemonteerd kan

worden voor de vervanging van de meetcel of de filter in gesinterd metaal.

4

Sensor deksel

Sensorhouder

(Facultatief)

Filter in

gesinterd metaal

Katalytische cel

Basis

O-ring

Figuur 2 : Detectiekop

DAX 3F-I


5

Afmetingen

152,5

128,5

100

60

A

P C

166

100

60

43

ø10

45

Figuur 3 : Mechanische tekening van de DAX 3F-I

DAX 3F-I


Waarschuwingen

Over het algemeen zijn de detectors met een katalytische cel niet geschikt voor gebruik in een

omgeving met meer dan 21 % zuurstof, met minder dan 15 % zuurstof of in omgevingen met een

variabele concentratie aan zuurstof. Bijkomend kunnen de katalytische cellen op lagere termijn

beschadigd worden door een concentratie aan gassen van meer den 100 % LEL. De katalytische

meetcel kan ook onbruikbaar worden door langere blootstelling aan verontreinigingen zoals siliconen,

halogenen, zware metalen, …enz.

Raadpleeg de plaatselijke of nationale reglementering van de site of van het te bewaken materiaal.

De operator dient voldoende kennis te hebben van de te ondernemen acties bij het overschrijden

van het alarmniveau.

De modificatie, demontage, totale of gedeeltelijke vernietiging van de detectiekop en zijn inhoud,

van de behuizing en zijn inhoud of de installatie kunnen leiden tot een gebrek aan essentiële

veiligheidseisen van de gehele installatie. Er mag geen enkele bijkomende doorboring van de

behuizing uitgevoerd worden. De bestaande openingen mogen niet vergroot worden. De eventuele

defecte onderdelen mogen enkel vervangen worden door originele Dalemans onderdelen.

Geen enkel bijkomend contact mag aan de bestaande klem toegevoegd worden. De lengte van de

draden van de detectiekop mag niet veranderd worden.

Open nooit de detectiekop of de behuizing bij explosiegevaar. Wrijf of droog de oppervlakte van de

detector enkel af met een VOCHTIGE doek om het risico op elektrostatische ontlading te verhinderen.

De detector dient beschermd te worden tegen eender welke mechanische impact.

6

Onderste explosiegrenzen en alarmdrempels

De relatie tussen het “percentage van de onderste explosiegrens” (% LEL) en het “volumeprocent“

(% v/v) varieert voor elk gas. De norm IEC 60079-20-1 legt de methode van de bepaling van deze

onderste explosiegrenzen vast bv. :

• Ethaan (C 2

H 6

)

• Ethyleen (C 2

H 4

)

• Methaan (CH 4

)

• Pentaan (C 5

H 12

)

• Propaan (C 3

H 8

)

• Waterstof (H 2

)

100 % LEL = 2,4 % v/v

100 % LEL = 2,3 % v/v

100 % LEL = 4,4 % v/v

100 % LEL = 1,1 % v/v

100 % LEL = 1,7 % v/v

100 % LEL = 4,0 % v/v

De alarmdrempels voor een gasdetectiesysteem voor explosieve gassen ligt typisch op 20 % LEL

voor het eerste alarmniveau (A1) en op 40 % LEL voor het tweede (A2). Stel nooit een alarmdrempel

in hoger dan 60 % LEL.

De L.E.L. van een gas is afhankelijk van de temperatuur en de druk. Als de omgevingstemperatuur

hoger is zal de L.E.L. dalen en verhoogt het risico op een explosie. De relatie tussen de druk en de

L.E.L. is erg complex. Een verhoging van de druk verlaagt over het algemeen de L.E.L.

Veranderingen in luchtvochtigheid die doorgaans in een industriële omgeving kunnen voorkomen

hebben geen invloed op de L.E.L. van een gas.

DAX 3F-I


7

Installatie en indienststelling

De indienststelling dient te gebeuren door de fabrikant of zijn plaatselijke vertegenwoordiger. Alle

handelingen hieronder beschreven mogen enkel uitgevoerd worden door gespecialiseerd personeel

dat bij voorkeur exclusief is opgeleid door Dalemans.

Gedurende het werken aan de installaties (bouw van een nieuwe installatie, herinrichten of

onderhoud van een bestaande installatie) dienen de gasdetectors steeds zo laat mogelijk te

worden geïnstalleerd maar ten laatste voor het ontstaan van het gevaar van aanwezigheid van

het gas of gasdamp, dit om alle beschadigingen te voorkomen aan de detector die zouden voortvloeien

uit laswerken of verfwerkzaamheden. Indien de detectors al geïnstalleerd zijn dienen ze

beschermd te worden met een hermetisch omhulsel gedurende de duur van de werken. Ze dienen

tevens voldoende aangeduid te worden en gemerkt als zijnde niet operationeel.

Volg de volgende aanbevelingen op om een vroege veroudering van de detector te voorkomen en

een optimale werking te garanderen. Dit zijn algemene aanbevelingen. Respecteer steeds de

passende reglementen/normen vooraleer over te gaan tot de installatie (bv. norm IEC 60079-14

en IEC 60079-29-2). Deze hebben voorrang op de aanbevelingen van de fabrikant.

Plaatsing van de detectors

De gasdetectors dienen op die manier te worden geplaatst dat ze elke gasophoping detecteren

alvorens het een significant risico creëert. Een verkeerde plaatsing van een detector kan de effecten

en de integriteit van het gasdetectiesysteem teniet doen. De plaatsbepaling van de detectors

dient in overleg te gebeuren met specialisten die de nodige kennis hebben op het gebied van

gasdispersie, de personen die op de hoogte zijn van de werking van de installaties en de betreffende

uitrusting, alsook met het technisch personeel en de mensen belast met de veiligheidsprocedures.

Voor bijkomende raadgevingen of in het geval van nood aan assistentie neemt contact

op met Dalemans.

De detector dient gemakkelijk bereikbaar te zijn om de manipulaties tijdens de ijking en het

onderhoud te vereenvoudigen alsook die van de elektrische veiligheidsinspecties. De detector

moet toegankelijk zijn en ruimte hebben om alle benodigde accessoires en testapparatuur te

plaatsen tijdens deze handelingen. De positie van elke detector dient genoteerd te worden in het

veiligheidsdossier van de installaties dat ter beschikking ligt van het belanghebbend personeel in

de veiligheidsprocedure. Bij de bepaling van de plaats van de detector dient rekening gehouden

te worden met de volgende parameters :

• Het risiconiveau en de potentiële bronnen van gaslekken.

• De combinatie van het gaslek en het effect van de verspreiding van het gas.

• De toegang tot de detector voor het onderhoud, de ijking en de inspectie.

• De bescherming van het systeem tegen de risico’s verbonden aan de werking van de installaties.

• De bescherming van de detector tegen mechanische impact.

• De detector dient te worden geïsoleerd van alle mogelijke vibraties.

• De detector mag zich niet net onder/net boven een wateraftakpunt bevinden.

• Voor een plaatsing buiten dient een afscherming tegen de regen en/of de zon te worden voorzien.

• Plaats geen detector in een luchtstroom, een ventilatiekanaal of bij een extractor.

• De bedrijfstemperatuur van de detector moet altijd worden gerespecteerd (zie specificaties).

• Indien het gas lichter is dan lucht (relatieve dichtheid 1), plaats de detector bij de vloer.

• Voor een dichtheid kort bij die van lucht plaats detectors aan het plafond en bij de vloer.

• De dichtheid van gassen stijgt bij dalende temperatuur.

DAX 3F-I


8

Voorbeelden voor plaatsing van detectors voor enkele explosieve gassen * :

Gas Formule Dichtheid (lucht=1) Plaatsing detector(s)

Acetyleen (CH) 2

0,90 Plafond + vloer

Aardgas - 0,68 Plafond

Butaan C 4

H 10

2,05 Vloer

Ethyleen oxide C 2

H 4

O 1,52 Vloer

Isobutaan (CH 3

) 3

CH 2,00 Vloer

Kraakgas - 0,47 Plafond

Methaan CH 4

0,55 Plafond

Propaan C 3

H 8

1,56 Vloer

Propaan-lucht - ±1,15 Plafond + vloer

Waterstof H 2

0,07 Plafon

* Lijst niet volledig. Contacteer Dalemans voor meer informatie.

Bevestiging

De bevestiging van de detector is vlak tegen de wand of tegen een muur en volgens de gegeven

mechanische tekening (figuur 3). Bevestig de detector gebruikmakend van de origineel meegeleverde

bevestigingssteunen of direct met correcte schroeven en pluggen. De niet gebruikte openingen

van de behuizing moeten altijd dichtgemaakt worden met behulp van de plastic doppen

die geleverd worden met de bevestigingskit. Plaats de detector zo dat de opening van de detectiekop

nooit naar boven is gericht. Verzekert U ervan dat stofafzetting de opening van de detectiekop

niet kan blokkeren of dat water via deze opening naar binnen kan dringen. Bekijk aandachtig

de montage instructies in figuur 4 en 5 alvorens de detector te plaatsen.

Behuizing

M8 schroef

Isolerende

plastic ring

DAX 3F-I

Figuur 4 : Direkte montage


9

Behuizing

M8 moer

Isolerende

plastic ring

Bevestigingssteun

Platte ring

M8x16 bout

Elektrische aansluiting

Figuur 5 : Montage met bevestigingssteunen

De bekabeling dient te beantwoorden aan de plaatselijk reglementen en normen die van kracht

zijn. Zij dient ook te voldoen aan de elektrische vereisten van de DAX 3F-I detector. Dalemans

beveelt het gebruik aan van een stugge kabel met drie geleiders van verschillende kleuren. De

sectie van de geleiders moet tussen de 1,5 mm² en 2,5 mm² liggen en is afhankelijk van de

gebruikte meetcel en de afstand tussen de detector en de meetcentrale. Raadpleeg ook de instructies

voor bekabeling van de meetcentrale. De externe diameter van de kabel moet overeenkomen

met de maten in onderstaande figuur 6. De wartel moet voldoende aangedraaid worden

op de kabel om een voldoende afsluiting te garanderen.

8 mm MAX

6 mm

-

12 mm

1,5 - 2,5 mm²

Andere maten

op aanvraag

15 mm 100 mm

Figuur 6 : Strippen van de kabel

DAX 3F-I


10

Om de detector aan te sluiten :

• Draai de vier schroeven los in het deksel van de behuizing en verwijder het deksel.

• Draai de knelkoppeling van de wartel los.

• Voer de kabel door de wartel en draai de knelkoppeling weer vast.

• Sluit de geleiders aan volgens onderstaand figuur 7.

• De geleiders dienen in de aansluitklemmen te worden geplaatst zodat de isolatie zich niet

verder dan 1 mm van de metalen boord van de aansluitklem bevindt.

• Een equipotentiale verbinding kan gerealiseerd worden via het interne contact of via de aansluitklem

aan de zijkant van de behuizing. Voor deze laatste optie dient de geleider minimaal 4

mm² te zijn.

• Plaats het deksel terug en schroef de vier schroeven vast.

Knelkoppeling

Aansluitpunten voor

equipotentiale verbinding

C : common

P : passief

A

P C

A : actief

WIT

ROOD

BLAUW

Figuur 7 : Aansluiting

DAX 3F-I


11

Onderhoud (volgens ATEX richtlijn - annex II art. 1.0.3)

Verwijder regelmatig stofophopingen op de detectiekop en zijn behuizing UITSLUITEND met een

vochtig doekje om elektrostatische ontladingen te verhinderen.

De filter in gesinterd metaal dient jaarlijks te worden gecontroleerd en gereinigd. Indien hij vervuild

is door oplosmiddelen, gas of gasdampen dient de detectiekop te worden vervangen en het

interval tussen twee inspecties te worden gereduceerd met een factor 2.

Het gasdetectiemateriaal dient minstens één keer per jaar te worden geijkt, in sommige gevallen

drie tot vier keer of meer, dit om het verlies aan gevoeligheid te compenseren. Deze ijking dient

te gebeuren volgens de procedures bepaald door de fabrikant of zijn plaatselijke vertegenwoordiger

en in elk geval door gekwalificeerd personeel opgeleid door Dalemans.

OPGEPAST! Alvorens een interventie uit te voeren op een detector voor onderhoudswerk-

zaamheden, ijking of reparatie, gelieve eerst de gevaarlijke zone

te declasseren en te controleren met behulp van een draagbaar apparaat of er

geen gas aanwezig is in de lucht van de zone van de interventie.

Vervanging van de filter

• Schroef de sensor deksel van de detectiekop los met behulp van de sleutel OUT00000113.

• Vervang de gebruikte filter door een nieuwe (MEC00000010).

• Schroef de sensor deksel terug vast op de detectiekop.

• Verzeker dat de detectiekop correct op de behuizing zit.

• IJk de detector volgens de procedure gegeven door Dalemans of zijn plaatselijke vertegenwoordiger.

Vervanging van de detectiekop

Alvorens de detectiekop te vervangen eerst de voeding van de detector afsluiten, zijn veiligheidsfunctie

op het gasdetectiesysteem uitschakelen en de te ondernemen acties door het systeem te

beveiligen om ongewenste activiteit en valse alarmen te voorkomen.

• Draai de vier schroeven los in het deksel van de behuizing en verwijder het deksel.

• Koppel de drie geleiders van de detectiekop los (rood, blauw en wit) van de aansluitklemmen.

• Schroef de detectiekop los en verwijder deze.

• Schroef de nieuwe detectiekop vast op de behuizing en draai deze vast met de sleutel

OUT00000113.

• Sluit de geleiders aan op de aansluitklemmen (figuur 7) :

- RODE draad op klem A

- BLAUWE draad op klem P

- WITTE draad op klem C

• Plaats het deksel terug en schroef de vier schroeven vast.

• Herstel de voeding en de veiligheidsfunctie van de detector op het gasdetectiesysteem.

• IJk de detector volgens de procedure gegeven door Dalemans of zijn plaatselijke vertegenwoordiger.

DAX 3F-I


12

Oplossen van problemen

De centrale geeft een fout aan voor de geselecteerde detector :

• Controleer de kabel en de aansluitingen van de detector.

• Er is een fout in de aansluiting met de detectiekop (klem APC).

• De meetcel aan de binnenzijde van de detectiekop is los of defect.

De detector geeft een indicatie afwijkend van nul :

• Er is mogelijk gas in de lucht.

De detector geeft een indicatie afwijkend van nul en er is geen gas in de lucht :

• IJk de detector.

De detector geeft een waarde die te hoog of te laag is :

• IJk de detector.

De detector geeft de waarde nul en er is gas aanwezig in de lucht :

• Controleer de bekabeling en de aansluiting.

• Controleer of de filter van gesinterd metaal niet verstopt is door stof.

• Indien een vervuiling van de filter is vastgesteld vervang de filter, de meetcel en ijk de detector.

Onderdelen

Behuizing Ex e

Bevestigingssteunen (kit)

Cel DAL17

Cel DAL21

Cel DAL-AC (acetyleen)

Detectiekop FPH02 + DAL17

Detectiekop FPH02 + DAL21

Detectiekop FPH02 + DAL-AC (acetyleen)

Filter in gesinterd metaal

Instructiehandleiding

Klem - Ex e Aardklem

Klemmen Ex e 3p

Moer - Metalen M20

O-ring voor de detectiekop

O-ring voor de wartel

Schroef - M4 x 6 mm

Sensorhouder

Sleutel voor sensor deksel

Wartel Ex e M20 (6 - 12 mm) - MESSING

Wartel Ex e M20 (6 - 12 mm) - ROESTVRIJ STAAL

Artikelcode

BOI00000196

BOI00000148

BASDET00020

BASDET00033

BASDET00030

DET00000021

DET00000022

DET00000028

MEC00000010

IMP00000043

BOR00000091

BOR00000089

PRE00000022

MEC00000040

MEC00000012

VISVIS00042

MEC00000028

OUT00000113

PRE00000029

PRE00000037

DAX 3F-I


13

Specificaties

MODELE

Detectiekop

Filter in gesinterd metaal

Behuizing

Wartel

Afmetingen / Gewicht

Meetprincipe / Signaal

Meetbereik

Resolutie

Reactietijd (T90)

Levensduur

DAX 3F-I

Roestvrij staal 1,4404 (AISI 316L)

Messing of roestvrij staal

166 x 152,5 x 75 mm / 1140 g

Katalytische cel / In mV, 3 draads (Wheatstone brug)

0 - 100 % LEL

± 3 % meetbereik < 60 % LEL

± 5 % meetbereik > 60 % LEL

< 30 sec.

> 2 jaar

Karakteristieken cel * DAL17 DAL21 DAL-AC (acetyleen)

Voedingsspanning 2,00 V +0,025 -0,075 2,00 V ± 0,10 V 2,00 ± 0,10 V

Stroomverbruik 175 mA ± 20 mA 300 mA 145 - 160 mA

Vermogen 0,4 W 0,75 W 0,4 W

Bewaartemperatuur -40 °C tot +80 °C

Bedrijfstemperatuur

-20 °C tot +55 °C voor temperatuurklasse T6

-20 °C tot +70 °C voor temperatuurklasse T5 en T4

Vochtigheid

Lucht : 20 - 90 % HR / Occasionele : 10 - 99 % HR

Druk

90 - 110 kPa

Sectie van de kabel

1,5 - 2,5 mm² (stugge geleiders)

Max. kabellengte

Zie handleiding meetcentrale

Beschermingsgraad

IP6X (stofdicht)

Kabelingang

1 x M20 of M25 / 6 - 12 mm (andere maten op aanvraag)

Toepassingszone

Zone 1 of 2 (gas) - Zone 21 of 22 (stof)

Materiaalgroep / Gasgroep IIC (methaan, propaan, ethyleen, waterstof, acetyleen)

Normen EN 60079-0:2006, EN 60079-1:2007, EN 60079-7:2007

EN 61241-0:2006, EN 61241-1:2004

Keuring II 2G Ex d e IIC T6-T4

II 2D Ex tD A21 IP6X Tx °C

Omgevingstemperatuur Tamb = -20 °C tot +55 °C voor T6 en T85 °C

Tamb = -20 °C tot +75 °C voor T5 en T100 °C

Tamb = -20 °C tot +90 °C voor T4 en T135 °C

Certificaat

FTZU 10 ATEX 0034X

* Zie het markeringsetiket op de detectiekop.

* Controleer of de elektrische eigenschappen overeenkomen met die van de centrale.

DAX 3F-I


14

Glossarium

Ex d : beschermingswijze door drukvast omhulsel “d” volgens de normen EN 60079-0 en EN 60079-1

toepasbaar op elektrisch materiaal voor plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen. De onderdelen

die een omgeving mogelijk explosief kunnen maken bevinden zich in een omhulsel dat de

ontwikkelde drukken ten gevolge van een interne explosie van een explosief mengsel kunnen weerstaan

en verhinderen de voortzetting van de explosie in de omgeving.

Ex e : beschermingswijze door verhoogde veiligheid “e” volgens de norm EN 60079-7 toepasbaar

op elektrisch materiaal voor plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen. Bijkomende

maatregelen zijn toegepast op het materiaal voor extra beveiliging tegen de mogelijkheid van

hoge temperaturen en het ontstaan van vonken of vlambogen bij normaal gebruik of bij gespecificeerde

abnormale condities.

Ex tD : beschermingswijze door omhulsel “tD” volgens de normen EN 61241-0 en EN 61241-1

toepasbaar op elektrisch materiaal voor plaatsen waar stofontploffingsgevaar kan heersen. De

bescherming is gebaseerd op de begrenzing van de maximale oppervlaktetemperatuur van het

omhulsel en de beperking van het binnenkomende stof dit om de ontbranding van een laag stof

of een brandbare stofwolk te voorkomen.

94/9/EG : richtlijn van het Europees Parlement en de Raad (23 maart 1994) inzake de onderlinge

aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende apparaten en beveiligingssystemen

bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen.

EN 60079-0 : norm betreffende de generieke eisen toepasbaar op elektrisch materiaal bestemd

voor gebruik op plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen.

EN 60079-1 : norm betreffende elektrisch materiaal beveiligd met een drukvast omhulsel “d”

bestemd voor gebruik op plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen.

EN 60079-7 : norm betreffende elektrisch materiaal met verhoogde veiligheid “e” voor gebruik

op plaatsen waar gasontploffingsgevaar kan heersen.

EN 61241-0 : norm betreffende elektrisch materiaal voor plaatsen waar stofontploffingsgevaar

kan heersen.

EN 61241-1 : norm betreffende elektrisch materiaal beveiligd met een omhulsel “tD” voor gebruik

op plaatsen waar stofontploffingsgevaar kan heersen.

Milieu - WEEE richtlijn

DAX 3F-I

Het symbool van een doorkruiste verrijdbare afvalbak geeft aan dat U de

bestaande reglementering dient te respecteren aangaande de gescheiden

inzameling van elektrische of elektronische apparatuur.

Deze voorzieningen dienen om de natuurlijke bronnen te beschermen die

gediend hebben voor de productie van dit product en om de verspreiding

te voorkomen van mogelijk schadelijke substanties voor het leefmilieu en

de volksgezondheid.

Op het einde van de levensduur van het product moet U het naar een erkend verzamelpunt voor

recyclage van elektrische en elektronische apparatuur brengen. Voor meer informatie over deze

verzamelpunten en recyclage in uw omgeving gelieve contact te nemen met het plaatselijk bestuur.


OFFICIELE DISTRIBUTEUR

DALEMANS n.v.

rue Jules Mélotte 27 • B-4350 Remicourt

Tel.: +32 (0)19 54 52 36 • Fax: +32 (0)19 54 55 34

info@dalemans.com

www.dalemans.com

More magazines by this user
Similar magazines