Bijlage 7 Groen gekeurd - Gemeente Teylingen

ruimtelijkeplannen.teylingen.nl

Bijlage 7 Groen gekeurd - Gemeente Teylingen

SCHETSONTWERP

1045

18-01-2013

NIEUWBOUW

INTRATUIN TEylINgEN

ONdERWERP

vOGELvLUCHT vANUIT HET NOORdEN

Intratuin Teylingen

Groen Gekeurd

Conceptrapportage


Rapportnummer:

211x06253

Datum: 20 februari 2013

Afbeelding voorpagina: Breddels Architecten (1045_2013-01-18_SO_Intratuin Teylingen )

Projectteam BRO:

Rob van Dijk, Lara Brand en Melchior de Witte


BRO Boxtel

Postbus 4

5280 AA Boxtel

Bosscheweg 107

5282 WV Boxtel

T +31 (0)411 850 400

F +31 (0)411 850 401

E info@bro.nl


Inhoudsopgave

1. Inleiding 3

2. Samenvatting en conclusie 5

3. Doelstellingen 7

1. Algemene doelstellingen 7

2. Specifieke doelstellingen: 8

4. Uitwerkingen 10

5. Bijlagen 17

Methode 18

Proces 19


1. Inleiding

Het bedrijf Intratuin is voornemens om een nieuwe vestiging in de gemeente Teylingen te

realiseren. De locatie voor deze nieuwe vestiging is Rijksstraatweg 63 in Sassenheim. Op grond

van het vigerende bestemmingsplan is het niet mogelijk om op deze locatie een tuincentrum

te realiseren. Om deze reden is een nieuw bestemmingsplan voor de locatie RIjksstraatweg 63

te Sassenheim opgesteld.

Aanvullend aan deze opdracht is BRO gevraagd om advies uit te brengen voor de optimalisatie

van het plan vanuit het oogpunt van biodiversiteit en landschap. Een deel van het advies vloeit

voort uit de wettelijke verplichting om het plangebied in de nieuwe situatie geschikt te maken

voor vleermuizen. Op basis van het bij het bestemmingsplan horende flora- en faunanonderzoek

is namelijk gebleken dat de te slopen bebouwing van waarde kan zijn voor vleermuizen.

Overtreding van de Flora- en faunawet kan worden voorkomen door (onder andere) in het

plan nieuwe verblijfplaatsen voor vleermuizen te creëren.

Uitgangspunt voor de optimalisatie is het schetsontwerp van Breddels Architecten. De architectuur

van het plan sluit aan bij de huisstijl van Intratuin, maar is toegespitst op de lokale situatie

door een verwijzing naar een traditionele bollenloods. De adviezen richten zich enerzijds

op het creëren van natuurwaarden in deze bebouwing en anderzijds op een ecologische en

landschappelijke optimalisatie van de schaarse groene ruimte.

beschrijving huidige situatie

Het plangebied ligt in de kernrandzone ten zuidwesten van de kern Sassenheim. Het ligt ingeklemd

tussen de Rijksstraatweg en een waterhoudende sloot, rondom het plangebied liggen

sportvelden, bedrijfsterreinen, ingesloten agrarische percelen en traditionele lintbebouwing

langs de Rijksstraatweg. De Rijksstraatweg zelf is een drukke ontsluitingsweg voor Sassenheim.

Het plangebied maakt in geomorfologisch opzicht onderdeel uit van een strandvlakte. De

bodem is zandig en kalkrijk. Deze grond wordt van oudsher veel gebruikt voor bollenteelt.

Het plangebied zelf bestaat uit velden die in agrarisch gebruik zijn, een aantal kassen, een

woonhuis en een poel met beschoeide kanten. In het zuidelijke deel van het plangebied zijn

enkele greppels aanwezig, aan het water staat een wilgenboom. In het midden van het plan-


gebied staat enige tuinbeplanting rondom de woning. Ten noorden van het plangebied zijn

bredere sloten en opgaande beplantingen aanwezig. In en rondom het plangebied zijn verder

geen noemenswaardige groene structuren aanwezig.

Beschrijving toekomstige situatie

In het plangebied komt een bedrijfsgebouw met drie verdiepingen, dat het grootste deel van

het grondoppervlak omvat. Ten zuidoosten en zuidwesten van het gebouw zijn parkeerterreinen

voorzien. Het resterende deel van het terrein wordt ingezet voor waterberging, zodat

het terrein voor het grootste deel omsloten zal worden door water.

Programma

Het tuincentrum heeft een totaal bruto vloeroppervlakte (BVO) van 11.055 m2. Dit is verdeeld

over drie verdiepingen.

- Begane grond: 7.445 m2

- Eerste verdieping: 3.190 m2

- Tweede verdieping: 420 m2.

Het winkelgedeelte bestaat uit een warme kas, koude kas, tuincafé en bijbehorend terras.

Daarnaast zijn facilitaire ruimtes, een magazijn en overige ruimten voorzien. Centraal in het

gebouw is een grote vide voorzien.

Voor de BVO is een minimum aantal parkeerplaatsen van 277 vereist. In het plan zijn 301

parkeerplaatsen opgenomen. Het plan voldoet daarmee aan de parkeernormen.


2. Samenvatting en conclusie

Voor de ontwikkeling van de Intratuinlocatie in Teylingen zijn adviezen opgesteld voor de versterking

van de ecologische en landschappelijke kwaliteit. De combinatie tussen programma en

perceelsgrootte maakt dat er geen ruimte is voor grote ingrepen in de vorm van beplantingen

en landschapselementen. Een goede optie zou zijn om de oevers van de bestaande A-watergang

en de nieuwe compensatiewatergangen (deels) te voorzien van ecologische oevers in de

vorm van plas-drasoevers. Vanwege de grote oppervlakte watercompensatie zal dit in overleg

met het waterschap moeten plaatsvinden omdat ecologische oevers ten koste gaan van het

totale aantal kubieke meters nieuw water. De voorgestelde ingrepen hebben zijn met name

gericht op het gebouw en bieden inspiratie voor de beplantingen op het parkeerterrein.

Hierdoor kan op relatief eenvoudige wijze een impuls worden gegeven de flora en fauna op

de locatie (met name voor vleermuizen).

Door het opnemen van deze adviezen in het ruimtelijke plan kan het Groen Gekeurd label aan

het plan gekoppeld worden.

BRO Groen Gekeurd ®

Ecologie sociaal

Ecologie neutraal

Ecologie basis


Suggesties t.b.v

Intratuin Teylin

1.

2.

3.

1.

Groen

2.

(Bloeie

bineer

insect

3.

Beplan

Berken

gen.

4.

Ecolog

getrap

4.


3. Doelstellingen

1. Algemene doelstellingen

. ecologische optimalisatie S.O.

gen

• Aansluiten bij de landschappelijke en ecologische waarden

van de context;

• Combineren van de wateropgave met ecologische

impuls;

• Creëren van natuurlijke water- en oevermilieus;

• Creëren van biodiversiteit in en tegen het gebouw.

e dakbedekking.

nde ) gevelbeplanting gecomd

verblijfplaatsen voor vogels,

en en vleermuizen.

ting passend bij de ondergrond;

bomen, naaldboom en beukenhaische

optimalisatie door middel van

te of glooiende oevers.


2. Specifieke doelstellingen:

Bodem en water

• Aanleg van natuurvriendelijke oevers ter verbetering van de

waterkwaliteit en het oevermilieu.

Vegetatie en beplanting

• Ontwikkeling van oevervegetaties in plas-draszone;

• Keuze voor gebiedseigen boombeplanting (kalkrijke

zandgronden).

10


Vogels

• Bij gevelbeplanting gebruik maken van besdragende soorten;

• Nestkasten of nisjes in de verticale tuinen langs de muren van

Intratuin;

• Plat dak bedekken met grind/schelpen als nestplaats voor scholeksters

etc.

Grondgebonden diersoorten

• Plas-drasoevers of eventueel uitstapplaatsen om te voorkomen

dat kleine diersoorten (zoogdieren, amfibieën, jonge watervogels)

verdrinken

11


Gebouwbewonende dieren

• Creëren van verblijfplaatsen voor vleermuizen in de spouwen van

de bakstenen muur.

Insecten

• Plaatsen van insectenhotels (vrij of tegen de gevels);

• Drachtplanten in de groene gevels.

12


4. Uitwerkingen

Oeverzone

• Bij voorkeur aanleg van een oever met een traag talud

1:3 aan de noordzijde (in overleg met Waterschap);

• Gebruik van kant-en-klaar voorgegroeide vegetatiematten

met oeverplanten;

• Bij voorkeur aanleg van een getrapt profiel bij de

nieuwe watergang tussen het perceel en de Rijksweg

ten behoeve van moerasvegetaties;

• Indien geen getrapte of glooiende oevers mogelijk

zijn dan toepassen van betonnen beschoeiingselementen

met uitsparingen voor oever- en muurvegetaties

en faunauitstapplaatsen of trappetjes.

Parkeerterrein

• Keuze boomsoort passend bij strandvlakte: Berk

(Betula ssp.), bijvoorbeeld papierberk tussen de parkeervakken.

Mogelijk accent in de vorm van een

naaldboom (Pinus sylvestris).

• Keuze plantsoen / Haag: Beuk (Carpinus betulus),

en/of Veldesdoorn.

• Bij toepassingen van grotere plantvakken bij voorkeur

toepassing van bloem- en.of vruchtdragende

planten zoals Lavendel ten behoeve van vogels en

insecten.

13


Gebouw

Foerageer- en schuilgelegenheid voor vogels

• Besdragende soorten, tevens waardevolle

drachtplanten: kamperfoelie, klimop, vuurdoorn,

rozen.

• Bloemdragende soorten: clematis, Wisteria,

Campsis, Hydrangea anomala subsp.

petiolaris

Nestgelegenheid voor vogels:

• Bij voorkeur worden inbouw-nestkasten van

houtbeton gebruikt, deze zijn als materiaal

en maatregel het meest duurzaam.

• Minimale hoogte voor plaatsing is 2 meter.

• Voorstel voor minimaal 10 stuks per type.

• Oriëntatie bij voorkeur op het oosten (=

minder inregenen, niet de hele dag volle

zon), maar andere oriëntaties zouden ook

kunnen.

• Plaats mussenkasten bij voorkeur geclusterd,

het zijn kolonievogels.

• Nestkasten voor holenbroeders zoals koolmees

en pimpelmees worden bij voorbaat

verspreid opgehangen.

• Nestkasten voor halfholenbroeders zoals

zwarte roodstaart worden eveneens bij

14


voorkeur verspreid opgehangen.

Voorzieningen voor gewone

dwergvleermuizen:

• Maak voorzieningen in de spouwen

(zie opties hieronder en de bijgevoegde

brochure)

• In het algemeen geldt bij de voorzieningen

dat er sprake moet zijn van nauwe ruimten

(ca. 2 à 3 cm). Hoe meer variatie binnen

deze ruimte mogelijk is qua microklimaat,

hoe beter. Hogere ruimten (vergelijkbaar

met de huidige spouw) voldoen daarom

het beste.

• Plaats de voorzieningen in vier verschillende

windrichtingen

• Maak de invliegopeningen op minimaal 3

meter hoogte.

• Geen invliegopeningen boven deuren, vensters,

balkons etc.

• Invliegopeningen bij voorkeur op beschutte

plaatsen, bv. achterzijden van gebouwen, in

ieder geval niet bij verlichting.

• Invliegopeningen 2 cm dik (“brievenbus”)

of verticaal in de vorm van een open

stootvoeg. Een bakstenen buitenmuur is

voldoende ruw zodat dieren zich kunnen

vastgrijpen bij aanvliegen.

• Geen optie: standaard in te bouwen voorzieningen

in de spouw

15


Volgens specialisten zijn de kleine houtbeton inbouwvoorzieningen van Vivara of Waveka

(ongeacht van wat de leveranciers aangeven) te klein om te fungeren als kraam- of winterverblijf.

Niet alleen omdat er fysiek minder dieren inpassen, maar vooral omdat binnen de ruimte

voldoende variatie moet zijn in microklimaten, zodat dieren zich binnenin kunnen verplaatsen

naar het beste plekje. In de winter en de kraamperiode (jongen) zijn de dieren een stuk minder

mobiel.

Optie: geschikt maken van de spouw

De beste en gemakkelijkste optie zou zijn om de gehele luchtspouwen geschikt te maken

voor vleermuizen. Als de luchtspouw ca. 3 cm dik wordt, zou die prima geschikt zijn. Normaal

isolatiemateriaal is vaak te glad of irriterend voor de dieren. Het is daarom belangrijk om

isolatieplaten op te ruwen of stevig kunststof gaas met een maaswijdte van 3 tot 10 millimeter

te bevestigen. Wanneer glaswol (en dergelijke) als isolatie wordt gebruikt, is het nodig dunne

ruwe platen tegen het isolatiemateriaal aan te brengen, bijvoorbeeld houtwolcement. Er

schijnt speciaal “vleermuisvriendelijk” isolatiemateriaal in de handel te zijn dat is voorzien van

een harde ruwe buitenlaag. Er kunnen dan verschillende invliegopeningen gemaakt worden.

Als het niet wenselijk is dat de hele spouw toegankelijk wordt voor vleermuizen, is het mogelijk

om afgescheiden compartimenten te creëren voor vleermuizen in de spouwen. De gewenste

hoogte en breedte daarvan is dan circa 2 x 1 meter. Dikte van ruimten 2 à 3 cm (liever nog iets

taps toelopend van 3 – 1,5 cm).

Aan de binnenzijde een plaat ruw materiaal bv. onbewerkt hout gebruiken tegen het

isolatiemateriaal.

Bij voorkeur krijgen alle nieuwe gebouwen dergelijke voorzieningen aan de zijkanten. Anders

tenminste 4 verblijfplaatsen in het totale plan maken, elk met een andere oriëntatie.

Er zijn enkele grote vleermuiskasten in de handel die blijken te werken als kraamverblijf

(maar niet als winterverblijf). Het is mogelijk om deze kasten te gebruiken in combinatie met

voorzieningen in de spouwen, maar niet als enige maatregel. Wel is het mogelijk om een dergelijke

kast over de invliegopening van de spouwen te hangen; de kast zou dan een geschikte

kraam- of zomerverblijf vormen, de aansluitende spouw een winterverblijf. Dit is niet strikt

16


noodzakelijk vanuit de FF-wet.

Reguliere (steile) oever: maximaal aantal kubieke meters water, dieronvriendelijk talud.

Noordkant plas - dras oever: aantrekkelijke vestigingsplaats voor waterminnende flora en

mogelijkheid voor te water geraakte dieren om eruit te klimmen.

17


1.

2.

3.

4.

18


Bij opvolging van de voorstellen scoort de ontwikkeling

positief op de volgende aspecten:

• bodem en water

• vegetatie en beplanting

• vogels

• gebouwbewonende diersoorten

• insecten

Suggesties t.b.v. ecologische optimalisatie S.O.

Intratuin Teylingen

1.

2.

3.

4.

Groene dakbedekking.

(Bloeiende ) gevelbeplanting gecombineerd

verblijfplaatsen voor vogels,

insecten en vleermuizen.

Beplanting passend bij de ondergrond;

Berkenbomen, naaldboom en beukenhagen.

Ecologische optimalisatie door middel van

getrapte of glooiende oevers.

BRO Groen Gekeurd ®

Ecologie sociaal

Ecologie neutraal

Ecologie basis

19


5. Bijlagen

21


Methode

Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt normaliter een flora- en faunatoets uitgevoerd. Hierin

wordt het plan getoetst aan de Flora- en faunawet, wanneer een beschermde soort schade

ondervindt van de ontwikkeling dan worden verzachtende maatregelen genomen. Hierbij

worden uitsluitend negtatieve effecten van het plan beoordeeld, terwijl een ruimtelijke ontwikkeling

juist ook kansen kan bieden voor biodiversiteit.

Bij de Groen Gekeurd® methode worden deze kansen op basis van gebiedskenmerken en

het voorgenomen plan in beeld gebracht. Hierbij worden de ecologische en landschappelijke

doelstellingen verdeeld in verschillende categorieën:

• algemene doelstellingen: de waarde van het plangebied in de ecologische structuur

• bodem en water: de mate waarin het plan bijdraagt aan een natuurlijk bodem- en watersysteem

en aan het bodem- en waterleven

• vegetatie en beplanting: de soortenrijkdom en natuurlijkheid van de vegetatie en beplantingen

in het plangebied.

• vogels: de waarde van het plangebied als broed-, rust- en foerageergebied voor vogels.

• grondgebonden diersoorten: de waarde van het plangebied als leefgebied voor grondgebonden

diersoorten en de mate waarin voor dergelijke dieren migratiemogelijkheden

bestaan.

• gebouwbewonende diersoorten: de waarde van bebouwing in het plangebied voor

gebouwbewonende dieren zoals bepaalde vleermuis- en vogelsoorten

• insecten: de waarde van het plangebied als leefgebied voor insecten in het algemeen en

de waarde van beplantingen als drachtplanten in het bijzonder.

Wanneer voor een categorie de waarde van het plangebied verbetert ten opzichte van de

uitgangssituatie, scoort het plan positief op dit aspect. De onderwerpen die positief scoren,

leveren de grootste bijdrage aan de beeldvorming rondom een plan. Om dit inzichtelijk te

maken wordt op het Groen Gekeurd® label voor elk van deze onderwerpen een icoontje

geplaatst.

22


Proces

Nadat de doelstellingen zijn vastgesteld, is het belangrijk deze in het ontwerpproces te

waarborgen. Zo wordt er op basis van de ambities een set maatregelen voorgesteld om de

gewenste ambitie te kunnen realiseren. Deze maatregelen zullen in het ontwerpproces moeten

worden uitgewerkt en indien nodig publiek- of privaatrechtelijk worden geborgd.

Aan het einde van het ontwerpproces wordt de balans opgemaakt en de definitieve waarde

voor de groene omgevingskwaliteit bepaald. Hierna kan de ontwikkeling het Groen Gekeurd®

label voeren met daarop de icoontjes waarop het plan positief scoort.

BRO Groen Gekeurd ®

Ecologie sociaal

Ecologie neutraal

Ecologie basis

23


BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Tegelen

More magazines by this user
Similar magazines