Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15<br />
<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Richtlijn voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en<br />
milieuveiligheid
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15<br />
<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Richtlijn voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en<br />
milieuveiligheid
Ten geleide<br />
Met ingang <strong>van</strong> 1 juni 2004 is de Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS) benoemd door het Kabinet.<br />
Tevens is de Commissie Preventie <strong>van</strong> Rampen door <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (CPR) opgeheven.<br />
De CPR bracht publicaties uit, de CPR-richtlijnen, die veelvuldig worden gebruikt bij vergunningverlening<br />
op grond <strong>van</strong> de Wet milieubeheer en binnen de werkterreinen <strong>van</strong> de arbeidsveiligheid,<br />
transportveiligheid en de brandveiligheid.<br />
De CPR-richtlijnen zijn omgezet naar de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). Het doel <strong>van</strong> deze<br />
publicaties is in hoofdlijnen dezelfde als <strong>van</strong> de CPR-richtlijnen. Alle CPR-richtlijnen zijn beoordeeld <strong>van</strong>uit<br />
de volgende vragen:<br />
1. Is er nog een bestaansreden voor de richtlijn of kan de richtlijn vervallen.<br />
2. Kan de richtlijn ongewijzigd worden overgenomen of is actualisatie nodig.<br />
De voorliggende publicatie (PGS 15) is een herziening <strong>van</strong> de richtlijnen:<br />
- CPR 15-1, tweede druk 1990, <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in emballage, opslag <strong>van</strong> vloei<strong>stoffen</strong> en<br />
vaste <strong>stoffen</strong> (0 tot 10 ton);<br />
- CPR 15-2, eerste druk 1991, <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, chemische afval<strong>stoffen</strong><br />
bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag <strong>van</strong> grote hoeveelheden (<strong>van</strong>af een hoeveelheid <strong>van</strong> 10<br />
ton);<br />
- CPR 15-3, eerste druk 1990, <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag <strong>van</strong><br />
bestrijdingsmiddelen in distributiebedrijven en aanverwante bedrijven (<strong>van</strong>af 400 kg);<br />
- Leidraad voor de vergunningverlening voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> bij<br />
stuwadoorsbedrijven, december 1993.<br />
Tevens ver<strong>van</strong>gt PGS 15 hoofdstuk 8.3 “opslag <strong>van</strong> gevulde spuitbussen” uit de richtlijn CPR 11-6<br />
“Propaan, vulstations voor spuitbussen met propaan, butaan en dimethyl-ether als drijfgas”.<br />
De nieuwe publicatie is opgesteld door de overleggroep “actualisatie en integratie CPR 15-richtlijnen”, met<br />
daarin vertegenwoordigers <strong>van</strong> overheid en bedrijfsleven.<br />
De publicatie geeft dus richtlijnen voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Belangrijke wijziging in<br />
deze nieuwe publicatie is dat de indeling <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> is gebaseerd op de vervoerswetgeving<br />
(ADR).<br />
Deze publicatie is tot stand gekomen binnen de kaders <strong>van</strong> de per 1 juli 2004 opgeheven CPR.<br />
Het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het bedrijfsleven<br />
(VNO/NCW en MKB-Nederland) hebben positief geadviseerd over het uitbrengen <strong>van</strong> deze publicatie.<br />
Mede namens mijn collega’s <strong>van</strong> het Ministerie <strong>van</strong> Verkeer en Waterstaat, het Ministerie <strong>van</strong> Sociale<br />
Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie <strong>van</strong> Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.<br />
De staatssecretaris <strong>van</strong> VROM,<br />
Drs. P.L.B.A. <strong>van</strong> Geel<br />
Den Haag, 28 juni 2005<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 2/84
Leden overleggroep “actualisatie en integratie CPR 15-richtlijnen” en de organisaties die door deze leden<br />
vertegenwoordigd worden<br />
Naam<br />
Organisatie<br />
E. Alders - FME/CWM<br />
J. Basters - Nefyto<br />
G. den Boer - BZK/LNB<br />
E. Broens - IPO<br />
M. <strong>van</strong> Driel - VNG<br />
H. Groenewegen - Vereniging Afvalbedrijven<br />
H. de Groot - MKB Nederland<br />
H. Holtman - Infomil<br />
Mw. M. Ingenbleek - VROM-inspectie<br />
G. Jonkers - VVVF<br />
R. Klement - Agrodis<br />
M. Korteweg Maris - Arbeidsinspectie<br />
B. Krullaars - Nefyto<br />
H. Kuitert - IPO<br />
G. Laheij - RIVM/CEV<br />
D. Mevissen - VHCP<br />
E. Nederpelt - VFIG<br />
P. Pasveer - VROM/EV<br />
A. Pels - EVO<br />
J. Razenberg - NVZ<br />
J. Scholtanus - NAV<br />
W. Sprong - VROM/EV<br />
L. <strong>van</strong> Tatenhove - Arbeidsinspectie<br />
W. in ‘t Veld - Agrodis<br />
J. Verhoef - VNCI<br />
P. Verhoeven - IPO<br />
A. <strong>van</strong> Vliet - RIVM/CEV<br />
Mw. Y. <strong>van</strong> der Voort - VROM/EV<br />
A. Vreeman - NVZ<br />
E. Wijdeveld - Deltalinqs<br />
W. Zijlstra - VNO/NCW<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 3/84
Hoofdstuk 1 Inleiding 7<br />
1.1 Doelstelling <strong>van</strong> de richtlijn 7<br />
1.2 Aanleiding voor de herziening <strong>van</strong> de bestaande CPR 15-richtlijnen 7<br />
1.3 Toepassing <strong>van</strong> de richtlijn 8<br />
1.4 Werkingssfeer 8<br />
1.5 Ondergrenzen 11<br />
1.6 Systematiek 11<br />
1.7 Samenhang met 8.40 amvb’s en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) 12<br />
1.8 Gelijkwaardigheidbeginsel 12<br />
1.9 Terminologie kg of liter 13<br />
1.10 Begrippen- en literatuurlijst 13<br />
Hoofdstuk 2 Leeswijzer 14<br />
Hoofdstuk 3 Algemeen 15<br />
3.1 Het opslaan <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 15<br />
3.2 Bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening 17<br />
3.3 Kwaliteit vloeren 22<br />
3.4 Kwaliteit stellingen 23<br />
3.5 Bliksembeveiliging 24<br />
3.6 Explosieveiligheid 24<br />
3.7 Ventilatie 24<br />
3.8 Voorkomen <strong>van</strong> verontreinigd hemelwater 24<br />
3.9 Productop<strong>van</strong>g 25<br />
3.10 Brandveiligheidsopslagkasten 25<br />
3.11 Verpakking en etikettering 25<br />
3.12 Onverenigbare combinaties 26<br />
3.13 Gebruik opslagvoorziening 27<br />
3.14 Incidenten met gemorste <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 27<br />
3.15 Rook- en vuurverbod, blustoestellen 27<br />
3.16 Veiligheidsignalering, veiligheidsinformatiebladen, instructies 28<br />
3.17 Vakbekwaamheid 28<br />
3.18 Journaal en registratie 28<br />
3.19 Intern noodplan 29<br />
3.20 Toegankelijkheid voor onbevoegden 30<br />
3.21 Toegangsdeuren en vluchtwegen 30<br />
3.22 Noodverlichting en vluchtwegaanduiding 30<br />
3.23 Verwarming 31<br />
3.24 Nooddouche en oogspoelvoorziening 31<br />
3.25 Persoonlijke beschermingsmaatregelen 31<br />
3.26 Bedrijfshulpverlening (BHV) 32<br />
3.27 Hygiëne, good housekeeping 32<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 4/84
Hoofdstuk 4 <strong>Opslag</strong>voorzieningen groter dan 10.000 kg 33<br />
4.1. Inleiding 33<br />
4.2 Bereikbaarheid opslagvoorziening 33<br />
4.3 Scheiding tussen de vakken 33<br />
4.4 Vakindeling en maximum oppervlak opslagvoorziening 34<br />
4.5 Beschermingsniveaus 34<br />
4.6 Bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen 36<br />
4.7 Productop<strong>van</strong>g 37<br />
4.8 Brandbeveiligingsinstallaties 37<br />
Hoofdstuk 5 Voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> containers geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 39<br />
5.1 Inleiding 39<br />
5.2 Algemeen 39<br />
5.3 Blusleidingen en brandkranen 40<br />
5.4 Bereikbaarheid terrein 40<br />
5.5 Middelen en maatregelen in geval <strong>van</strong> calamiteiten 40<br />
5.6 De opslag <strong>van</strong> (tank)containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 42<br />
5.7 Maatregelen ter voorkoming <strong>van</strong> verontreiniging <strong>van</strong> het oppervlaktewater en ter<br />
bescherming <strong>van</strong> het riool 43<br />
5.8 Opstelplaatsen voor voertuigen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 43<br />
Hoofdstuk 6 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> gasflessen 44<br />
6.1 Inleiding 44<br />
6.2 Voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> gasflessen 46<br />
Hoofdstuk 7 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen 49<br />
7.1 Inleiding 49<br />
7.2 Beschermingsniveau 50<br />
7.3 Voorkomen opwarming <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen tijdens opslag 50<br />
7.4 Het opslaan <strong>van</strong> maximaal 400 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder de<br />
gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 50<br />
7.5 Het opslaan <strong>van</strong> meer dan 400 kg maar minder dan 2.500 kg spuitbussen of gaspatronen,<br />
met of zonder de gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 51<br />
7.6 Het opslaan <strong>van</strong> meer dan 2.500 kg maar minder dan 10.000 kg spuitbussen of gaspatronen,<br />
met of zonder de gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 52<br />
7.7 Het opslaan <strong>van</strong> meer dan 10.000 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder de<br />
gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 52<br />
Hoofdstuk 8 <strong>Opslag</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3 53<br />
8.1 Inleiding 53<br />
8.2 Brand<strong>gevaarlijke</strong> vaste <strong>stoffen</strong> (klasse 4.1) 54<br />
8.3 Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong> (klasse 4.2) 54<br />
8.4 Stoffen met gevaar <strong>van</strong> ontwikkeling <strong>van</strong> brandbare gassen in contact met water<br />
(klasse 4.3) 55<br />
8.5 Voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3 55<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 5/84
Hoofdstuk 9 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> een beperkte hoeveelheid organische peroxiden 57<br />
9.1 Inleiding 57<br />
9.2 Voorschriften 58<br />
Hoofdstuk 10 Begrippenlijst 59<br />
BIJLAGE 1 Explosieveilig materieel 65<br />
BIJLAGE 2 Borden ten behoeve <strong>van</strong> de veiligheidsignalering 67<br />
BIJLAGE 3 Voorkomen <strong>van</strong> onverenigbare combinaties door <strong>stoffen</strong>scheiding 68<br />
BIJLAGE 4: Kenmerken <strong>van</strong> veiligheidsklassen <strong>van</strong> brandveiligheidsopslagkasten 71<br />
BIJLAGE 5 Brandbeveiligingsinstallaties: kenmerken en parameters 72<br />
BIJLAGE 6 Overzicht ontwerpnormen brandbestrijdingsinstallaties 81<br />
BIJLAGE 7 Overzicht <strong>van</strong> veel voorkomende gassen 84<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 6/84
1 Inleiding<br />
1.1 Doelstelling <strong>van</strong> de richtlijn<br />
De Sandoz-ramp in Basel in 1986 is de aanleiding geweest voor de ontwikkeling <strong>van</strong> een aantal richtlijnen<br />
voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, de CPR 15-richtlijnen. De richtlijnen in de CPR 15-serie<br />
zijn nu in geactualiseerde vorm samengevoegd in een nieuwe richtlijn in de Publicatiereeks Gevaarlijke<br />
Stoffen, PGS 15.<br />
PGS 15 is in nauw overleg met IPO, VNG en het bedrijfsleven tot stand gekomen.<br />
In de richtlijn zijn de regels opgenomen voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> waarmee een<br />
aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Voor de bepaling <strong>van</strong> het<br />
vereiste beschermingsniveau is uitgegaan <strong>van</strong> de huidige stand der techniek die geldt voor de<br />
bouwkundige uitvoering <strong>van</strong> opslagvoorzieningen, brandbestrijdingssystemen en arbeidsmiddelen.<br />
De voorschriften in de richtlijn vormen een nadere invulling <strong>van</strong> de bepalingen <strong>van</strong> de Wet milieubeheer,<br />
de arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en het Bouwbesluit. Het Wm-bevoegd gezag kan de<br />
richtlijn toepassen bij vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer. De Arbeidsinspectie gebruikt de<br />
richtlijn voor het toezicht op de naleving <strong>van</strong> arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en de daarmee<br />
samenhangende beleidsregels. De locale en regionale brandweer kan de richtlijn gebruiken ten behoeve<br />
<strong>van</strong> haar adviseringstaken en als referentiekader bij het opstellen <strong>van</strong> bedrijfsbrandweer<br />
aanwijsbeschikkingen in het kader <strong>van</strong> art. 13 <strong>van</strong> de Brandweerwet.<br />
1.2 Aanleiding voor de herziening <strong>van</strong> de bestaande CPR 15-richtlijnen<br />
De richtlijnen in de CPR 15-serie zijn begin jaren negentig gepubliceerd. Op basis <strong>van</strong> een in 2001<br />
uitgevoerd knelpuntenonderzoek is geconcludeerd dat de richtlijnen moeten worden geactualiseerd en<br />
samengevoegd. De knelpunten hadden hoofdzakelijk betrekking op toepassingsgebied, complexiteit en<br />
ontwikkelingen in beleid en technologie. Op basis <strong>van</strong> deze onderzoeksresultaten is besloten de richtlijnen<br />
te herzien.<br />
Daarnaast is bij de totstandkoming <strong>van</strong> PGS 15 invulling gegeven aan het voornemen <strong>van</strong> de<br />
rijksoverheid regelgeving te herijken en tegenstrijdige regelgeving te voorkomen.<br />
Zo is de indeling <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> gebaseerd op de vervoerswetgeving (ADR) in plaats <strong>van</strong> de Wet<br />
milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Hierdoor zijn de bepalingen uit PGS 15 beter inpasbaar in het logistiek<br />
management <strong>van</strong> bedrijven en geldt de richtlijn niet meer voor een aantal categorieën <strong>stoffen</strong> met een<br />
beperkt risico.<br />
Tevens is de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 uitgebreid met een aantal categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die in<br />
de CPR 15-richtlijnen waren uitgezonderd. De volgende categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn nu ook onder<br />
de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 gebracht:<br />
- gasflessen;<br />
- spuitbussen;<br />
- carcinogene, mutagene en reprotoxische <strong>stoffen</strong> (CMR-<strong>stoffen</strong>);<br />
- bepaalde organische peroxiden tot 1.000 kg;<br />
- zeer licht ontvlambare <strong>stoffen</strong>;<br />
- brand<strong>gevaarlijke</strong> vaste <strong>stoffen</strong>;<br />
- voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong>;<br />
- <strong>stoffen</strong> met ontwikkeling <strong>van</strong> brandbare gassen in contact met water;<br />
- infectueuze <strong>stoffen</strong> (ziekenhuisafval, diagnostische monsters).<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 7/84
PGS 15 beschrijft dus voor de regulier voorkomende <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> de wijze <strong>van</strong> opslag<br />
conform de stand der techniek. Uitgezonderd <strong>van</strong> PGS 15 blijven de in tabel 2 en 3 genoemde klassen en<br />
hoeveelheden.<br />
Tenslotte is nadrukkelijker vermeld dat een brandbeveiligingsinstallatie aantoonbaar geschikt moet zijn<br />
voor de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
1.3 Toepassing <strong>van</strong> de richtlijn<br />
PGS 15 is bedoeld als referentiekader voor vergunningverlening in het kader <strong>van</strong> de Wet milieubeheer en<br />
voor het toezicht op de naleving <strong>van</strong> arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />
Indien een bestaande opslagvoorziening, alsmede de daarvoor verleende milieuvergunning is gebaseerd<br />
op de CPR 15-richtlijnen of de CPR 11-6, kan deze situatie nog steeds als de stand der techniek worden<br />
beschouwd.<br />
In de praktijk zal dus een geleidelijke overgang naar PGS 15 ontstaan, omdat vergunningen voor<br />
bestaande bedrijven nog gedurende een aantal jaren gebaseerd zullen blijven op de richtlijnen CPR 15-1<br />
t/m 15-3 en CPR 11-6 waarmee, mits afdoende nageleefd, een afdoende veiligheidsniveau is<br />
gewaarborgd.<br />
De uitgangspunten voor ontwerp en bouw <strong>van</strong> een opslagvoorziening kunnen over het algemeen niet<br />
gedurende de levensduur gewijzigd worden. Aangenomen mag worden dat dergelijke uitgangspunten<br />
ongewijzigd blijven. Dit geldt in mindere mate voor bijvoorbeeld (veiligheid)voorzieningen, blusinstallaties<br />
etc. Gebruiks- of onderhoudsprocedures en soortgelijke organisatorische maatregelen kunnen waar nodig<br />
relatief snel aangepast worden.<br />
Bij revisievergunning zal daarom steeds vastgesteld moeten worden welke bestaande (aan CPR 15-1, 15-<br />
2 of 15-3 ontleende) maatregelen <strong>van</strong> kracht kunnen blijven en waar regels uit PGS 15 toegepast zullen<br />
gaan worden. Gewijzigde inzichten in risico’s en benodigde voorzieningen, en technische mogelijkheden<br />
tot aanpassingen binnen bestaande installaties zullen hier een rol spelen.<br />
Bij uitbreidings- en oprichtingsvergunningen zal deze richtlijn gehanteerd worden.<br />
Een uitzondering vormen de inrichtingen waarin brandbeveiligingsinstallaties zijn geïnstalleerd waar<strong>van</strong><br />
op grond <strong>van</strong> ervaring is gebleken dat deze niet adequaat zijn om een brand in de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> voldoende te beheersen en te blussen (zie ook “Toepassing <strong>van</strong> Hi-Ex inside air<br />
brandblussystemen” dd 28 september 2001 en de brief <strong>van</strong> de Minister <strong>van</strong> VROM m.b.t. de toepassing<br />
<strong>van</strong> hi-ex inside air blussystemen). Deze vergunningen moeten worden geactualiseerd, opslagsituaties<br />
moeten worden aangepast.<br />
Bij het toezicht door de Arbeidsinspectie en bij de advisering door de locale en regionale brandweer<br />
omtrent nieuwe opslagen <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> geldt eveneens dat PGS 15 het uitgangspunt vormt.<br />
1.4 Werkingssfeer<br />
In PGS 15 zijn de uitgangspunten geïntegreerd die <strong>van</strong>uit de Wet milieubeheer,<br />
arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en aanvullend op het Bouwbesluit aan de opslag <strong>van</strong><br />
<strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden verbonden. In PGS 15 is voor de indeling en definiëring <strong>van</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aangesloten bij de Wet vervoer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. De classificatie <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> vindt plaats conform de Europese overeenkomst ADR (Accord Européen relatif au transport<br />
international des marchandises dangereuses par route). Het ADR kent dertien klassen <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong>. In de onderstaande tabel zijn deze klassen omschreven en voorzien <strong>van</strong> voorbeelden.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 8/84
Tabel 1: ADR-klassen <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
ADR-klasse Omschrijving Voorbeelden<br />
1 ontplofbare <strong>stoffen</strong> en voorwerpen zwart buskruit, spring<strong>stoffen</strong>, ontstekers,<br />
vuurwerk<br />
2 Gassen propaan, zuurstof, stikstof, argon, kooldioxide,<br />
acetyleen, aerosolen (spuitbussen)<br />
3 brandbare vloei<strong>stoffen</strong> bepaalde oplosmiddelen, inkten,<br />
harsoplossingen, aardolieproducten<br />
4.1 brandbare vaste <strong>stoffen</strong>,<br />
wrijvingslucifers, zwavel, metaalpoeders<br />
zelfontledende vaste <strong>stoffen</strong> en vaste<br />
ontplofbare <strong>stoffen</strong> in niet explosieve<br />
toestand<br />
4.2 voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong> fosfor (wit of geel), diethylzink<br />
4.3 <strong>stoffen</strong> die in contact met water magnesiumpoeder, natrium, calciumcarbide<br />
brandbare gassen ontwikkelen<br />
5.1 oxiderende <strong>stoffen</strong> kaliumpermanganaat, natriumchloraat<br />
5.2 organische peroxiden dicumyl peroxide, di-propionyl peroxide<br />
6.1 Giftige <strong>stoffen</strong> chloroform, arseen, kaliumcyanide, pesticiden<br />
6.2 Infectueuze <strong>stoffen</strong> (besmettelijke<br />
<strong>stoffen</strong>)<br />
bacteriën, virussen, parasieten, schimmels,<br />
ziekenhuisafval<br />
7 Radioactieve <strong>stoffen</strong> uranium-238, kobalt-60<br />
8 bijtende <strong>stoffen</strong> natriumhydroxide, zwavelzuur, zoutzuur<br />
9 diverse <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en<br />
voorwerpen<br />
polychloorfenolen, lithiumbatterijen,<br />
aquatoxische <strong>stoffen</strong>, genetisch<br />
gemodificeerde organismen<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 9/84
De werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 heeft betrekking op een groot aantal ADR-klassen. Voor een aantal ADRklassen<br />
is de opslag echter in separate wet- en regelgeving ondergebracht en is de onderliggende richtlijn<br />
niet <strong>van</strong> toepassing. Bovendien is de richtlijn niet <strong>van</strong> toepassing op ontplofbare <strong>stoffen</strong> of voorwerpen<br />
(klasse 1) of met een bijkomend gevaar ontplofbare stof.<br />
In de onderstaande tabel is de werkingssfeer <strong>van</strong> de richtlijn verduidelijkt.<br />
Tabel 2: Werkingssfeer PGS 15<br />
Wel onder werkingssfeer PGS 15 Niet onder werkingssfeer PGS 15<br />
ADR-klassen:<br />
ADR-klassen:<br />
3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1 en 8<br />
1, 7<br />
-<br />
-<br />
klasse 6.2 categorie I3 en I4 (ziekenhuisafval n.e.g., UN overige <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 6.2<br />
3291 en diagnostische monsters, UN 3373)<br />
-<br />
-<br />
de milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 9 m.u.v.<br />
overige <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 9,<br />
genetisch gemodificeerde organismen<br />
genetisch gemodificeerde organismen<br />
-<br />
-<br />
ADR-klasse 2 voor zover spuitbussen en gasflessen (de gasflessen met giftig of bijtende inhoud<br />
meest voorkomende gassen)<br />
(behoudens ammoniak en ethyleenoxide)<br />
-<br />
-<br />
ADR-klasse 5.2, bepaalde categorieën en ADR-klasse 5.2 overig (hiervoor geldt<br />
verpakkingen* tot maximaal 1.000 kg<br />
CPR 3)<br />
-<br />
-<br />
CMR-<strong>stoffen</strong>, niet reeds op andere wijze genoemd in het nitraathoudende kunstmest<strong>stoffen</strong><br />
ADR<br />
(hiervoor geldt CPR 1)<br />
-<br />
<strong>gevaarlijke</strong> afval<strong>stoffen</strong> met dezelfde chemische of<br />
fysische eigenschappen als bovengenoemde <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong><br />
-<br />
overige <strong>gevaarlijke</strong> afval<strong>stoffen</strong><br />
-<br />
bestrijdingsmiddelen tot 400 kg (valt onder<br />
Bestrijdingsmiddelenbesluit)<br />
* Klasse 5.2, zie hoofdstuk 9.<br />
PGS 15 heeft tevens betrekking op de opslag <strong>van</strong> bepaalde categorieën <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> die niet in het kader<br />
<strong>van</strong> de ADR zijn geclassificeerd, maar die wel bepaalde gevaarsaspecten bezitten. Het gaat om de CMR<strong>stoffen</strong><br />
die volgens bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG geclassificeerd zijn als Kankerverwekkend<br />
categorie 1 of 2 en/of als Mutageen categorie 1 of 2 en/of als "voor de voortplanting giftig" categorie 1 of 2.<br />
Het handelt dus alleen om producten die het symbool "T" (Giftig) toegekend hebben gekregen. Voor de<br />
genoemde CMR-<strong>stoffen</strong> zijn de volgende waarschuwingszinnen (R-zinnen) <strong>van</strong> toepassing: R 45 of R 49<br />
voor kankerverwekkende <strong>stoffen</strong>, R 46 voor mutagene <strong>stoffen</strong> en R 60 of R 61 voor voor de voortplanting<br />
giftige <strong>stoffen</strong>. Voor een overzicht <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> wordt verwezen naar de volgende overzichten <strong>van</strong> het<br />
ministerie <strong>van</strong> Sociale Zaken en Werkgelegenheid:<br />
- SZW-lijst <strong>van</strong> kankerverwekkende <strong>stoffen</strong> en processen;<br />
- SZW-lijst <strong>van</strong> mutagene <strong>stoffen</strong>;<br />
- Niet-limitatieve lijst <strong>van</strong> voor de voortplanting giftige <strong>stoffen</strong>.<br />
Om een onderscheid te maken in de functies <strong>van</strong> de bij de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
betrokken overheden, zijn de in deze richtlijn opgenomen voorschriften of paragrafen <strong>van</strong> een codering<br />
voorzien. De codering geeft aan welke overheidsdiscipline in de uitvoering, vergunningverlening, toezicht<br />
of advisering <strong>van</strong> het betreffende voorschrift voorziet. De volgende codes zijn gehanteerd:<br />
Wm (Wet milieubeheer bevoegd gezag);<br />
AI (Arbeidsinspectie).<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 10/84
1.5 Ondergrenzen<br />
Ten behoeve <strong>van</strong> de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 zijn ondergrenzen vastgesteld. Daarbij is rekening<br />
gehouden met zowel de gevaarsaspecten die bepaalde <strong>stoffen</strong> kunnen bezitten als wel de hoeveelheid<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die voor een goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mag worden beschouwd. In tabel<br />
3 zijn de te hanteren ondergrenzen genoemd.<br />
Tabel 3: Te hanteren ondergrenzen en vrijstellingen<br />
Gevaar conform de<br />
klasse zonder<br />
bijkomend gevaar**<br />
Alle klassen en de CMR<br />
<strong>stoffen</strong><br />
2<br />
(UN 1950 Spuitbussen<br />
& UN 2037 Houders,<br />
klein, gas)<br />
Verpakkinggroep<br />
Ondergrens / vrijstelling<br />
in kg of l*<br />
I 1<br />
n.v.t. 50<br />
3 II 25<br />
3***** III 50<br />
4.1, 4.2, 4.3 II en III 50<br />
5.1 II en III 50<br />
5.2 II en III --***<br />
6.1 II en III 50<br />
6.2 categorie I3, I4 II en III 50<br />
8 II en III 250<br />
9 II en III 250<br />
Totaal - 50<br />
voor klasse 8 en 9: 250****<br />
2 (Gasflessen) n.v.t 115 liter waterinhoud<br />
* voor de interpretatie <strong>van</strong> kg of l, zie paragraaf 1.9. Bij overschrijding is PGS 15 <strong>van</strong> toepassing.<br />
Voor verpakking die onder het regime <strong>van</strong> gelimiteerde hoeveelheden (LQ) vallen (zie hoofdstuk<br />
3.4 <strong>van</strong> het ADR) geldt een aanvullende vrijstelling tot in totaal de dubbele hoeveelheid <strong>van</strong> de in<br />
tabel 3 genoemde hoeveelheid. Deze aanvullende vrijstelling geldt alleen indien de <strong>stoffen</strong> in de<br />
transportverpakking zijn opgeslagen.<br />
** voor <strong>stoffen</strong> met een bijkomend gevaar is de laagste ondergrens/vrijstelling bepalend<br />
*** CPR 3 kent geen ondergrens<br />
**** indien er sprake is <strong>van</strong> verschillende <strong>stoffen</strong> waarvoor verschillende ondergrenzen gelden, moet<br />
de ondergrens voor de totale hoeveelheid <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> naar rato worden berekend.<br />
***** voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 geldt dat alcoholhoudende<br />
dranken in consumentenverpakking en dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt<br />
tussen 61 ºC en 100 ºC in deze richtlijn niet worden beschouwd als <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3.<br />
Evenzo worden <strong>stoffen</strong> met UN-nummer 3256 (verwarmde brandbare vloeistof) in deze richtlijn niet<br />
beschouwd als een brandbare vloeistof <strong>van</strong> de klasse 3. Tenslotte bepaalt het ADR dat niet giftige<br />
en niet bijtende viskeuze oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt <strong>van</strong> 23°C en<br />
hoger, niet zijn onderworpen aan de voorschriften <strong>van</strong> het ADR (ADR 2.2.3.1.5) (zie hoofdstuk 10<br />
Begrippenlijst: viscositeitsregel ADR).<br />
Opgemerkt wordt dat hoeveelheden <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die de voornoemde ondergrenzen niet<br />
overschrijden wel verantwoord moeten worden opgeslagen. Dat wil zeggen dat opslag niet op de<br />
werkvloer mag plaatsvinden tenzij het gaat om een hoeveelheid die als werkvoorraad kan worden<br />
aangeduid.<br />
1.6 Systematiek<br />
In PGS 15 zijn regels opgenomen om tot een aanvaardbaar beschermingsniveau te komen voor de<br />
opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Daarbij is een onderscheid gemaakt in kleine opslagen <strong>van</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> tot 10 ton en grote opslagen <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong>af 10 ton. Er is geen<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 11/84
onderscheid tussen de opslag <strong>van</strong> bestrijdingsmiddelen en overige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, met uitzondering<br />
<strong>van</strong> enkele detailaspecten die voortvloeien uit het Bestrijdingsmiddelenbesluit.<br />
Voor opslagvoorzieningen tot 10 ton kan met een basisvoorzieningenniveau worden volstaan. In bepaalde<br />
opslagsituaties wordt <strong>van</strong>af een opslaghoeveelheid <strong>van</strong> 2,5 ton een branddetectiesysteem met<br />
doormelding geëist.<br />
Bij opslagvoorzieningen <strong>van</strong>af 10 ton wordt het te hanteren beschermingsniveau bepaald door de<br />
gevaarsaspecten <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> die worden opgeslagen en het soort verpakkingsmateriaal <strong>van</strong> die<br />
<strong>stoffen</strong>. In de regels <strong>van</strong> deze richtlijn worden daartoe voor opslagen <strong>van</strong>af 10 ton drie verschillende<br />
beschermingsniveaus onderscheiden. Naarmate de brandbaarheid <strong>van</strong> een stof toeneemt, is een<br />
zwaarder beschermingsniveau noodzakelijk. In de regels <strong>van</strong> deze richtlijn is dit onder meer vertaald in de<br />
eisen die aan de aanwezigheid en uitvoering <strong>van</strong> branddetectie, bluswaterop<strong>van</strong>g, brandbestrijdings- en<br />
brandbeveiligingssystemen moeten worden gesteld.<br />
Om tot een aanvaardbaar beschermingsniveau te komen voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
zijn in deze richtlijn voorschriften opgenomen. Van deze voorschriften kan men afwijken. Voor dergelijke<br />
gevallen geldt het gelijkwaardigheidbeginsel zoals behandeld in paragraaf 1.8.<br />
De regels met betrekking tot brandpreventieve bouwkundige voorzieningen vloeien voort uit het<br />
Bouwbesluit. Het is mogelijk dat het bevoegd gezag, eventueel op advies <strong>van</strong> de locale brandweer,<br />
afwijkende criteria hanteert voor het brandbeveiligingsconcept.<br />
In de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) en de aanvullende risico-inventarisatie en –evaluatie<br />
(ARIE) dienen de specifieke risico’s die verbonden zijn aan de opslag <strong>van</strong> de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
geïdentificeerd, geïnventariseerd en geëvalueerd te worden. Tevens dienen de maatregelen te worden<br />
aangegeven ter beheersing <strong>van</strong> de risico’s. Voor opslagvoorzieningen die vallen onder het Besluit risico’s<br />
zware ongevallen 1999 en voor opslagvoorzieningen waarvoor een ARIE moet worden opgesteld, moeten<br />
in de meeste gevallen ongevalscenario’s worden opgesteld. Daarnaast kan het voorkomen dat een bedrijf<br />
op grond <strong>van</strong> het Besluit bedrijfsbrandweren in aanmerking komt om geloofwaardige incidentscenario’s te<br />
beschrijven om te bepalen of het bevoegd gezag overgaat tot een aanwijzing bedrijfsbrandweer.<br />
1.7 Samenhang met 8.40 amvb’s en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI)<br />
Indien in een inrichting die valt onder de werkingssfeer <strong>van</strong> een amvb ingevolge art. 8.40 Wm <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen, is in het betreffende besluit bepaald dat dit conform CPR 15-1 moet<br />
plaatsvinden. De amvb’s zullen op dit aspect worden aangepast.<br />
Hoe met de aanwezigheid <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in winkel- en verkoopruimten moet worden omgegaan,<br />
is in voorkomende gevallen in de 8.40 amvb’s vastgelegd. Dit aspect valt dan ook buiten de werkingssfeer<br />
<strong>van</strong> PGS 15.<br />
In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), meer bepaald in de Regeling externe veiligheid<br />
inrichtingen (REVI), bijlagen 1 en 2, is vastgelegd welke afstanden voor opslagvoorzieningen (CPR 15-2<br />
en 15-3) in acht moeten worden genomen, tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten en al dan<br />
niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten. De bijlagen <strong>van</strong> de REVI zullen op dit aspect worden<br />
aangepast.<br />
PGS 15 bevat dan ook geen afstandsbepalingen die met oog op de externe veiligheid in acht moeten<br />
worden genomen.<br />
1.8 Gelijkwaardigheidbeginsel<br />
Voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 geldt het gelijkwaardigheidbeginsel. Dit houdt in dat andere maatregelen<br />
kunnen worden getroffen dan in de voorschriften <strong>van</strong> PGS 15 zijn opgenomen. In de praktijk betekent dit<br />
dat tijdens het vooroverleg of in de vergunningaanvraag gegevens moeten worden overgelegd waaruit<br />
blijkt dat minimaal een gelijkwaardige bescherming <strong>van</strong> het milieu, arbeidsbescherming of brandveiligheid<br />
kan worden bereikt. Het bevoegd gezag beoordeelt in het kader <strong>van</strong> de vergunningverlening uiteindelijk of<br />
met de toepassing <strong>van</strong> het andere middel een gelijkwaardige bescherming kan worden bereikt. De AI<br />
beoordeelt dit bij inspecties in het kader <strong>van</strong> de handhaving <strong>van</strong> de Arbeidsomstandighedenwetgeving.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 12/84
1.9 Terminologie kg of liter<br />
Bij het vaststellen <strong>van</strong> hoeveelheden, grenzen en dergelijke kan voor het gebruik <strong>van</strong> inhoud- of<br />
gewichtseenheden aangesloten worden bij de terminologie <strong>van</strong> het ADR. Dat betekent:<br />
- voor vaste <strong>stoffen</strong>, vloeibaar gemaakte gassen, sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen en<br />
onder druk opgeloste gassen, de netto massa in kilogrammen;<br />
- voor vloei<strong>stoffen</strong> en samengeperste gassen, de nominale inhoud <strong>van</strong> houders in liters.<br />
1.10 Begrippen- en literatuurlijst<br />
Voor zover een norm (zoals NEN) of wet- en regelgeving, waarnaar in een voorschrift in deze richtlijn<br />
wordt verwezen betrekking heeft op de uitvoering <strong>van</strong> constructies, toestellen en apparaten, wordt<br />
bedoeld de uitgegeven publicatie inclusief aanvullingen of correctiebladen, die in een vergunning<br />
krachtens de Wet milieubeheer of een amvb is vastgelegd. Dat betekent dat het bevoegd gezag of de<br />
wetgever (indien het om een verwijzing naar de richtlijn in een amvb gaat), aan moet geven welke uitgave<br />
<strong>van</strong> een norm <strong>van</strong> toepassing is. Indien de norm of wet- en regelgeving niet in een vergunning krachtens<br />
de Wet milieubeheer of amvb is vastgelegd, wordt bedoeld de laatst uitgegeven publicatie inclusief<br />
aanvullingen of correctiebladen.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 13/84
2 Leeswijzer<br />
Hoofdstuk 3 bevat algemene voorschriften. De algemene voorschriften zijn <strong>van</strong> toepassing voor alle<br />
opslagvoorzieningen voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Het betreft het basisvoorzieningenniveau waarin<br />
de bepalingen die aanvullend zijn op het Bouwbesluit m.b.t. de brandwerendheid <strong>van</strong> bouwconstructies en<br />
de algemene bepalingen die voortvloeien uit arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving zijn opgenomen.<br />
Daarnaast zijn onder meer voorschriften opgenomen voor het veilig inrichten en gebruik <strong>van</strong><br />
opslagvoorzieningen en zijn voorzieningen en maatregelen voorgeschreven voor het omgaan met<br />
incidenten met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Indien opslagvoorzieningen met een opslagcapaciteit tot ten hoogste 10 ton aan de <strong>van</strong> toepassing zijnde<br />
voorschriften uit hoofdstuk 3 voldoen, is een toereikend beschermingsniveau bereikt.<br />
In hoofdstuk 4 zijn voorschriften opgenomen die gelden voor opslagvoorzieningen met een<br />
opslagcapaciteit groter dan 10 ton. Voor de zeer giftige <strong>stoffen</strong> (ADR-klasse 6.1 verpakkingsgroep I of<br />
<strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 8, verpakkingsgroep I, met aanvullend etiket modelnr. 6.1) geldt dit hoofdstuk <strong>van</strong>af<br />
1.000 kg.<br />
De algemene voorschriften uit hoofdstuk 3 zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op deze opslagvoorzieningen.<br />
Hoofdstuk 5 bevat voorschriften voor opslagplaatsen voor containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Dit<br />
hoofdstuk bevat tevens een inleiding waarin het soort bedrijven is beschreven waar dergelijke activiteiten<br />
met containers plaatsvinden.<br />
De voorschriften die voortvloeien uit arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en de voorgeschreven<br />
voorzieningen en maatregelen voor het omgaan met incidenten met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> uit hoofdstuk 3 zijn<br />
eveneens <strong>van</strong> toepassing. In de inleiding in hoofdstuk 5 is aangegeven om welke paragrafen <strong>van</strong><br />
hoofdstuk 3 het gaat.<br />
Hoofdstuk 6 beschrijft opslagvoorzieningen voor gasflessen. Het gaat hierbij om de meest voorkomende<br />
situaties, zowel qua opslagvoorzieningen als qua soorten gassen. Het basisvoorzieningenniveau met de<br />
bepalingen die aanvullend zijn op het Bouwbesluit m.b.t. de brandwerendheid <strong>van</strong> bouwconstructies en de<br />
algemene bepalingen die voortvloeien uit arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving uit hoofdstuk 3 zijn<br />
eveneens <strong>van</strong> toepassing op de opslag <strong>van</strong> gasflessen. In de inleiding in hoofdstuk 6 is aangegeven om<br />
welke paragrafen <strong>van</strong> hoofdstuk 3 het gaat.<br />
In hoofdstuk 7 zijn de voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> spuitbussen opgenomen. Hier worden zowel de<br />
situatie beschreven dat spuitbussen tezamen met andere <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen<br />
als de situatie dat een opslagvoorziening uitsluitend voor de opslag <strong>van</strong> spuitbussen is bestemd.<br />
De relatie met hoofdstuk 3 is in de inleiding <strong>van</strong> hoofdstuk 7 behandeld.<br />
In de hoofdstukken 8 en 9 is een aantal bijzondere klassen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> behandeld. Het gaat hierbij<br />
om de klassen 4.1, 4.2 en 4.3 (hoofdstuk 8) en de klasse 5.2 tot 1.000 kg (hoofdstuk 9).<br />
In het algemeen zullen deze <strong>stoffen</strong> tezamen met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen.<br />
Hoofdstuk 3 is <strong>van</strong> toepassing.<br />
In hoofdstuk 10 zijn alle definities en afkortingen behandeld.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 14/84
3 Algemeen<br />
3.1 Het opslaan <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Wm, AI<br />
3.1.1 Verpakte <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong> moeten, met uitzondering <strong>van</strong> de noodzakelijke<br />
werkvoorraad, worden opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagvoorziening. In de opslagvoorziening<br />
mogen daarnaast uitsluitend aanverwante <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen. Van de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de<br />
klasse 9 moeten uitsluitend de milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een opslagvoorziening worden opgeslagen.<br />
Van de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 5.2 mag ten hoogste 1.000 kg worden opgeslagen. Gasflessen<br />
moeten, gescheiden <strong>van</strong> overige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, worden opgeslagen in een aparte opslagvoorziening.<br />
De volgende klassen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> mogen niet in de bovengenoemde opslagvoorziening aanwezig<br />
zijn:<br />
- klasse 1 (ontplofbare <strong>stoffen</strong> en voorwerpen);<br />
- klasse 6.2 (infectueuze <strong>stoffen</strong>) met uitzondering <strong>van</strong> categorie I3 en I4;<br />
- klasse 7 (radioactieve <strong>stoffen</strong>).<br />
Toelichting:<br />
Onder aanverwante <strong>stoffen</strong> worden grond<strong>stoffen</strong> of chemicaliën verstaan, die niet onder het ADR vallen.<br />
Deze aanverwante <strong>stoffen</strong> sluiten bijvoorbeeld qua verpakking en toepassingsgebied wel aan bij<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Indien de wens bestaat andere goederen gezamenlijk met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> op te<br />
slaan, moet worden nagegaan of met behoud <strong>van</strong> het veiligheidsniveau hiervoor maatwerkoplossingen in<br />
de vergunning mogelijk zijn. In een opslagvoorziening mogen in ieder geval geen <strong>stoffen</strong> of producten<br />
aanwezig zijn die op enigerlei wijze het risico <strong>van</strong> de opslag verhogen.<br />
De milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 9 betreffen onder meer de <strong>stoffen</strong> met UN-nummer 3077 en<br />
3082.<br />
Voor de opslag <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> behorende tot de klasse 2 wordt verwezen naar hoofdstuk 6 (gasflessen) en<br />
hoofdstuk 7 (spuitbussen en gaspatronen) <strong>van</strong> deze richtlijn.<br />
Voor de opslag <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> behorende tot de klasse 5.2 tot een hoeveelheid <strong>van</strong> 1.000 kg wordt verwezen<br />
naar hoofdstuk 9 <strong>van</strong> deze richtlijn.<br />
Voor het verbod om <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 6.2 op te slaan wordt een uitzondering gemaakt voor<br />
ziekenhuisafval en diagnostische monsters. In dat geval moet worden nagegaan of in de vergunning<br />
aandacht moet worden besteed aan de wijze <strong>van</strong> opslag, bijvoorbeeld met betrekking tot gescheiden<br />
opslag, veiligheidssignalering en hulpmiddelen.<br />
Een opslagvoorziening kan zowel inpandig als uitpandig zijn gesitueerd, en zowel bouwkundig als prefab<br />
zijn uitgevoerd.<br />
3.1.2 Voorschrift 3.1.1 is niet <strong>van</strong> toepassing indien de in tabel 3 <strong>van</strong> paragraaf 1.5 genoemde<br />
hoeveelheden niet worden overschreden.<br />
Toelichting: afhankelijk <strong>van</strong> het karakter en de grootte <strong>van</strong> het bedrijf moet worden bepaald of genoemde<br />
ondergrenzen per inrichting, per gebouw, per afdeling of anderszins gelden. Het is denkbaar dat in<br />
bepaalde situaties beperkte hoeveelheden (beneden de ondergrens) <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> verspreid over het<br />
bedrijf worden opgeslagen. Dit moet in samenhang met het begrip werkvoorraad (voorschrift 3.1.3) worden<br />
beoordeeld. Met voorschrift 3.1.3 wordt beoogd dat niet te grote hoeveelheden <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in<br />
werkruimtes worden neergezet en zo een verkapte opslag ontstaat.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 15/84
Indien een bedrijf naast de noodzakelijke werkvoorraden op meerdere locaties in het bedrijf hoeveelheden<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> beneden de ondergrenzen opslaat, zal de functionaliteit hier<strong>van</strong> moeten kunnen worden<br />
aangetoond.<br />
3.1.3 Onder een werkvoorraad <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> als genoemd in voorschrift 3.1.1 wordt verstaan de<br />
voorraad <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> welke ten behoeve <strong>van</strong> de bedrijfsvoering/productie in een<br />
productieruimte/werkruimte of nabij een procesinstallatie of afvulinstallatie is opgesteld. De<br />
werkvoorraad moet strikt noodzakelijk zijn. De grootte er<strong>van</strong> moet in principe zijn afgestemd op het<br />
verbruik <strong>van</strong> één dag of één batch. Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> die in afwachting zijn <strong>van</strong> opslag of afvoer vallen<br />
niet binnen de definitie <strong>van</strong> werkvoorraad.<br />
Toelichting:<br />
In voorkomende situaties moet rekening worden gehouden met de volgende bepalingen:<br />
- de opslag <strong>van</strong> de werkvoorraad mag zich niet bevinden in een rijroute <strong>van</strong> vorkheftrucks of andere<br />
transportmiddelen;<br />
- indien één eenheid verpakking meer dan één week als werkvoorraad wordt gebruikt zijn in het<br />
algemeen het gebruik en de opgeslagen hoeveelheid werkvoorraad niet meer in proportie;<br />
- de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die als werkvoorraad in een productie- of werkruimte of nabij een<br />
procesinstallatie aanwezig zijn, moeten worden bewaard in deugdelijke en gesloten verpakking, die<br />
bestand is tegen de betreffende <strong>gevaarlijke</strong> stof;<br />
- indien op de risico’s <strong>van</strong> de werkvoorraad geënte maatregelen en voorzieningen zijn getroffen<br />
(conform de bepalingen uit deze richtlijn, voor zover deze uitvoerbaar zijn buiten een<br />
opslagvoorziening) is een permanente werkvoorraad in een productie/werkruimte of nabij een<br />
procesinstallatie toegestaan. De hoeveelheid bedraagt in dat geval maximaal één verpakking per te<br />
gebruiken stof plus indien noodzakelijk één reserveverpakking of de hoeveelheid benodigd voor één<br />
batch (productierun);<br />
- indien de werkvoorraad bestaat uit in een hoeveelheid <strong>van</strong> meer dan 50 liter dan moet de verpakking<br />
zijn geplaatst boven een vloeistofdichte lekbak of een gelijkwaardige voorziening. Hier<strong>van</strong> kan worden<br />
afgeweken als (het betreffende deel <strong>van</strong>) de vloer <strong>van</strong> de betreffende productie/werkruimte ten minste<br />
vloeistofkerend is. Dit geldt niet voor brandbare vloei<strong>stoffen</strong> (waar<strong>van</strong> de verpakkingen voorzien zijn<br />
<strong>van</strong> etiket model nr. 3); daarvoor blijft <strong>van</strong>uit brandveiligheidsoptiek een lekbak of een andere<br />
gelijkwaardige voorziening wenselijk. Doelstelling is in een dergelijk geval het verkleinen <strong>van</strong> het<br />
verdampingsoppervlak in geval <strong>van</strong> een lekkage. Afhankelijk <strong>van</strong> de risico's <strong>van</strong> de stof kunnen<br />
aanvullende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld m.b.t. ventilatie);<br />
- een laskar met gasflessen kan ook als werkvoorraad worden beschouwd.<br />
3.1.4 In een opslagvoorziening mogen, met uitzondering ten behoeve <strong>van</strong> monstername en ter bestrijding<br />
<strong>van</strong> een lekkage of calamiteit, geen aftap- of overtapwerkzaamheden plaatsvinden.<br />
Ompakwerkzaamheden mogen slechts plaatsvinden indien de primaire verpakking niet wordt geopend.<br />
Toelichting: indien in een ruimte zowel opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> als aftap- of<br />
overtapwerkzaamheden <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> plaatsvinden, is er geen sprake meer <strong>van</strong> een<br />
opslagvoorziening. In dergelijke gevallen zal het bevoegd gezag moeten nagaan of en onder welke<br />
omstandigheden combinatie <strong>van</strong> opslag en aftappen mogelijk is. In PGS 15 is hiermee geen rekening<br />
gehouden. In dergelijke situaties kunnen voorschriften voor een deel worden ontleend aan PGS 15,<br />
aanvullend moeten extra voorschriften in verband met mogelijke blootstelling, verhoogd brandgevaar en<br />
ongevallenrisico’s worden overwogen.<br />
3.1.5 Lege, ongereinigde verpakking moet worden opgeslagen overeenkomstig de voorschriften <strong>van</strong> dit<br />
hoofdstuk.<br />
3.1.6 Indien <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in emballage korter dan 48 uur binnen de inrichting verblijven, mogen deze<br />
in afwijking <strong>van</strong> voorschrift 3.1.1 en in afwijking <strong>van</strong> voorschrift 3.1.3 worden overgeslagen in een speciaal<br />
daarvoor ingericht overslag- of laad- en losgedeelte. Het overslag- of laad en losgedeelte moet op een<br />
duidelijke wijze zijn gemarkeerd, en ten minste 2 m verwijderd <strong>van</strong> andere goederenopslag. Nabij het<br />
overslag- of laad- en losgedeelte moet voldoende absorptiemiddel aanwezig zijn. In het overslag- of laaden<br />
losgedeelte mag ten hoogste 10 000 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aanwezig zijn. Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong><br />
verpakkingsgroep I en <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 1, 6.2 (behoudens categorie I3 en I4) en 7,<br />
alsmede een hoeveelheid <strong>van</strong> meer dan 2.000 kg brandbare vloei<strong>stoffen</strong> (waar<strong>van</strong> de verpakkingen<br />
voorzien zijn <strong>van</strong> etiket model nr. 3) mogen niet in dit overslag- of laad- en losgedeelte aanwezig zijn.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 16/84
Toelichting: voorschrift 3.1.6 is ontleend aan het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer en met<br />
name bedoeld voor situaties waar goederen meteen worden doorgevoerd naar andere bedrijven.<br />
Daarnaast wordt in opslag-, transport- en distributiebedrijven vaak een speciaal daarvoor ingerichte locatie<br />
gebruikt waar goederen worden gereedgemaakt voor afvoer of waar goederen worden geplaatst voordat<br />
opslag in de opslagvoorziening plaatsvindt. Het vaststellen <strong>van</strong> het noodzakelijke voorzieningenniveau<br />
voor deze locaties is maatwerk voor de vergunning. Indien op de locatie niet meer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
aanwezig zijn dan die overeenkomen met de hoeveelheid die met één transportmiddel kan worden<br />
vervoerd (maximaal circa 25 ton), kan worden aangesloten bij de in voorschrift 3.1.6 genoemde<br />
voorzieningen. Bij grotere hoeveelheden <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> kan aansluiting worden gezocht bij het<br />
beschermingsniveau dat in de opslagvoorziening is gerealiseerd. Indien de locatie in de buitenlucht is<br />
gesitueerd, moet aandacht worden besteed aan het risico <strong>van</strong> de verplaatsing <strong>van</strong> een incident naar de<br />
opslagvoorziening (bijvoorbeeld t.g.v. uitstromende vloeistof) en aan het realiseren <strong>van</strong> beperkte<br />
oppervlaktes <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> mogen na afloop <strong>van</strong> de werkdag niet meer op<br />
deze locatie aanwezig zijn.<br />
3.2 Bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening Wm<br />
Inleiding<br />
Relatie met bouwregelgeving<br />
De bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening voor <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn aanvullend op hetgeen in<br />
het Bouwbesluit 2003 voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> reeds is geregeld. Er is wat betreft filosofie,<br />
veiligheidsniveau en begrippen aansluiting gezocht bij het Bouwbesluit 2003. Onder bouwkundige eisen<br />
worden in dit verband constructieve en materiaaltechnische eisen verstaan. Dit is vergelijkbaar met wat in<br />
het Vuurwerkbesluit is gedaan. De doelstelling <strong>van</strong> het Bouwbesluit 2003 met betrekking tot het beperken<br />
<strong>van</strong> uitbreiding <strong>van</strong> brand (brandcompartimentering) is vergelijkbaar met de doelstelling <strong>van</strong> de in het<br />
kader <strong>van</strong> de Wet milieubeheer te stellen voorschriften aan de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>: een brand in<br />
een ruimte waarin <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen moet zoveel mogelijk beperkt blijven tot die ruimte,<br />
en een brand buiten zo’n ruimte zou buiten die ruimte moeten worden gehouden. De in het Bouwbesluit<br />
2003 opgenomen prestatievoorschriften voor ruimten waarin <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen als bedoeld in de<br />
Regeling bouwbesluit 2003 zijn echter ontoereikend voor ruimten waarin <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen die<br />
behoren tot de klassen 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2 of 6.1 <strong>van</strong> het ADR of <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> welke als<br />
bijkomend gevaar het overeenkomstige gevaarsetiket <strong>van</strong> die klasse dragen. Dat een brandcompartiment<br />
dat is uitgevoerd overeenkomstig het Bouwbesluit 2003 niet toereikend is voor een <strong>gevaarlijke</strong> stof als<br />
bijvoorbeeld vuurwerk blijkt uit de aanvullende bouwkundige eisen die het Vuurwerkbesluit stelt aan<br />
ruimten waarin vuurwerk wordt opgeslagen. Voor ruimten waarin <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de genoemde klassen <strong>van</strong><br />
het ADR zijn opgeslagen om het beoogde doel te bereiken zijn eveneens aanvullende bouwkundige<br />
voorzieningen noodzakelijk.<br />
Genoemde aanvullingen op de voorschriften in het Bouwbesluit 2003 kunnen niet door middel <strong>van</strong> een<br />
bouwvergunning worden voorgeschreven, maar moeten als voorschrift aan een milieuvergunning (of ander<br />
besluit, zoals een amvb) worden verbonden.<br />
Bestaande situaties<br />
De in hoofdstuk 3.2 genoemde bouwkundige eisen zijn <strong>van</strong> toepassing op nieuwe opslagvoorzieningen<br />
voor <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Voor bestaande situaties gelden de eisen uit de vigerende bouw- en<br />
milieuvergunningen.<br />
Filosofie bouwkundige brandveiligheidsvoorzieningen in PGS 15<br />
In beginsel wordt een opslagvoorziening uitgevoerd als een brandcompartiment waarbij het noodzakelijk is<br />
dat de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen een ruimte waarin <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen en een andere ruimte (en andersom) ten minste 60 minuten bedraagt.<br />
Uitgangspunt hierbij is dat de brandweer vervolgens binnen deze 60 minuten de brand zodanig kan<br />
beheersen dat deze beperkt blijft tot het compartiment waar deze is ontstaan.<br />
Uitvoering weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag <strong>van</strong> een opslagvoorziening<br />
De WBDBO moet volgens het Bouwbesluit 2003 worden bepaald overeenkomstig NEN 6068. Een<br />
brandcompartiment moet worden gezien als een kubus die “rondom” (wanden, gevels en afdekking)<br />
dezelfde WBDBO heeft. Het begrip weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) bevat<br />
twee aspecten: de weerstand tegen branddoorslag en de weerstand tegen brandoverslag. De weerstand<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 17/84
tegen branddoorslag wordt praktisch gezien bereikt door brandwerende (scheidings)constructies. Voor de<br />
experimentele bepalingsmethode <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> bouwdelen is NEN 6069 <strong>van</strong> toepassing.<br />
Indien brandwerende scheidingsconstructies worden toegepast dient de draagconstructie waaraan de<br />
scheidingsconstructie bevestigd is dezelfde brandwerendheid te hebben, of dient een voorziening te<br />
worden getroffen dat het bezwijken <strong>van</strong> een draagconstructie niet leidt tot het bezwijken <strong>van</strong> een<br />
scheidingsconstructie. De weerstand tegen brandoverslag wordt praktisch gezien bereikt door afstand<br />
tussen ruimten.<br />
Er is echter op een aantal punten binnen de reikwijdte <strong>van</strong> deze richtlijn aanvulling nodig met betrekking tot<br />
de uitvoering <strong>van</strong> de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, hetgeen neerkomt op:<br />
- De brandwerendheid als bedoeld in NEN 6069 wordt bepaald aan de hand <strong>van</strong> de standaard- of<br />
gereduceerde brandkromme. Een brand waarbij brandbare vloei<strong>stoffen</strong> betrokken zijn, zal zich anders<br />
gedragen dan deze gemodelleerde brand. Dit zou kunnen betekenen dat bij zo’n brand niet altijd de<br />
gewenste tijdsduur <strong>van</strong> brandwerendheid <strong>van</strong> een scheidingsconstructie wordt behaald. Wanden en<br />
afdekkingen <strong>van</strong> metselwerk, onbrandbaar isolatiemateriaal, beton of cellenbeton worden wel geacht<br />
hieraan te voldoen. Dit noodzaakt een aanvullend voorschrift met betrekking tot de uitvoering <strong>van</strong><br />
brandwerende constructies;<br />
- Binnen de reikwijdte <strong>van</strong> de NEN 6069 zou het mogelijk zijn om glazen puiconstructies toe te passen<br />
in wanden en afdekking <strong>van</strong> een opslagvoorziening. Glazen puiconstructies worden echter volgens<br />
NEN 6069 niet op dezelfde criteria getest als wandconstructies (Uitleg TNO). Een belangrijk criterium<br />
waaraan glasconstructies niet hoeven te voldoen is het criterium ‘thermische isolatie betrokken op<br />
temperatuur’. Bij het toepassen <strong>van</strong> brandwerende beglaasde puiconstructies zou dus niet de<br />
brandwerendheid worden verkregen die met het voorschrift is beoogd. Hoewel <strong>van</strong> toepassing zou ook<br />
het criterium ‘thermische isolatie betrokken op warmtestraling’ onvoldoende waarborgen bieden, daar<br />
als grenswaarde voor de maximale stralingsintensiteit 15 kW/m 2 wordt aangehouden terwijl de<br />
grenswaarde <strong>van</strong> 10 kW/m 2 bij opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> wordt gehanteerd. Met betrekking tot de<br />
WBDBO cq. de brandwerendheid moet daarom voor alle constructies aan alle criteria <strong>van</strong> de NEN<br />
6069, uitgave 1996 en NEN 6069/1A uitgave 2001 worden voldaan;<br />
- Om te voorkomen dat bij elke opslagvoorziening een volledige berekening moet worden gemaakt <strong>van</strong><br />
de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (NEN 6068), is een praktische benadering te<br />
hanteren met betrekking tot de mate waarin de afstand tussen ruimten kan bijdragen aan de<br />
weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag:<br />
o indien de afstand <strong>van</strong> de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot<br />
de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 5 meter bedraagt, en binnen<br />
deze 5 meter geen opslag <strong>van</strong> brand<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of goederen en geen brand<strong>gevaarlijke</strong><br />
activiteiten plaatsvinden, kan worden volstaan met een brandwerendheid <strong>van</strong> wanden en dak<br />
<strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> ten minste 30 minuten. De daarvoor noodzakelijke<br />
draagconstructie <strong>van</strong> de opslagvoorziening moet een brandwerendheid <strong>van</strong> ten minste 30<br />
minuten bezitten;<br />
o indien de afstand <strong>van</strong> de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot<br />
de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 meter bedraagt, en binnen<br />
deze 10 meter geen opslag <strong>van</strong> brand<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>/goederen en geen brand<strong>gevaarlijke</strong><br />
activiteiten plaatsvinden, is er ten aanzien <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> wanden en dak <strong>van</strong> de<br />
opslagvoorziening en de brandwerendheid <strong>van</strong> de noodzakelijke draagconstructie geen eis <strong>van</strong><br />
toepassing.<br />
Hoewel er in sommige situaties door toepassing <strong>van</strong> deze praktische benadering niet letterlijk aan de norm<br />
NEN 6068 wordt voldaan, wordt toch geacht in alle redelijkheid een voldoende weerstand tegen<br />
branddoorslag en brandoverslag te zijn verkregen. Voor de opslag <strong>van</strong> gasflessen geldt een afwijkende<br />
praktische benadering die is weergegeven in voorschrift 6.2.5 <strong>van</strong> hoofdstuk 6.<br />
Eigenschappen toegepaste materialen in de gebouwconstructie<br />
Het Bouwbesluit 2003 biedt met de verwijzing naar de NEN 6068 en de NEN 6069 de mogelijkheid dat<br />
brandwerende constructies worden opgebouwd uit brandbare materialen, zoals hout. Omdat dit voor de<br />
opslag <strong>van</strong> bepaalde klassen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> niet intrinsiek veilig is, is in PGS 15 bepaald dat voor de<br />
ruimten waarin die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen de wanden, vloer en afdekking <strong>van</strong> onbrandbaar<br />
materiaal moeten zijn vervaardigd.<br />
Het Bouwbesluit 2003 biedt voor sommige situaties de mogelijkheid dat een dak <strong>van</strong> een bouwwerk niet<br />
niet-brandgevaarlijk hoeft te worden uitgevoerd. Het is niet wenselijk dat dit voor opslagvoorzieningen <strong>van</strong><br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 18/84
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> ook zou mogen. Daarom wordt hier bij de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> expliciet<br />
voorgeschreven dat het dak moet zijn geconstrueerd <strong>van</strong> niet brandgevaarlijk materiaal.<br />
Onderscheid inpandig/uitpandig<br />
In PGS 15 wordt onderscheid gemaakt tussen inpandige en uitpandige opslagvoorzieningen. Onder<br />
inpandige opslagvoorzieningen worden alle voorzieningen verstaan die in een (ander) bouwwerk zijn<br />
gesitueerd. Tot nu toe werden hiervoor termen als (bouwkundige) kast en kluis gebruikt. Echter ook kant<br />
en klare opslagsystemen kunnen inpandig gebruikt worden. Een uitpandige opslagvoorziening is<br />
bijvoorbeeld een vatenpark, een in de buitenlucht geplaatst kant en klaar opslagsysteem, een vrijstaand<br />
opslaggebouw of een met een ander bouwwerk geschakeld opslaggebouw.<br />
Met onderstaande tekening wordt e.e.a. verduidelijkt.<br />
I<br />
II<br />
I<br />
I<br />
II<br />
II<br />
II<br />
II<br />
I<br />
II<br />
= inpandig<br />
= uitpandig<br />
Grote brandcompartimenten<br />
Het Bouwbesluit 2003 schrijft in beginsel (voor nieuwbouw) voor dat industriegebouwen moeten zijn<br />
ingedeeld in brandcompartimenten met een gebruiksoppervlakte <strong>van</strong> niet meer dan 1.000 m². Bij<br />
opslagvoorzieningen met een gebruiksoppervlakte <strong>van</strong> meer dan 1.000 m² moet er rekening mee worden<br />
gehouden dat in het kader <strong>van</strong> de bouwvergunning of de gebruiksvergunning voor wat betreft de veiligheid<br />
<strong>van</strong> het grote brandcompartiment ten genoegen <strong>van</strong> het gemeentelijk bevoegd gezag moet worden<br />
aangetoond dat een gelijkwaardige veiligheid is verkregen als met het Bouwbesluit 2003 is beoogd. Dit kan<br />
door middel <strong>van</strong> een onderzoeksrapport volgens de "Methode Beheersbaarheid <strong>van</strong> Brand". Voor wat<br />
betreft de milieuaspecten bij een brand in een groot brandcompartiment kan een dergelijk onderzoek ook<br />
worden verlangd in het kader <strong>van</strong> de vergunning Wet milieubeheer.<br />
3.2.1 Voorschriften inpandige opslagvoorziening Wm<br />
3.2.1.1 De WBDBO <strong>van</strong> een inpandige opslagvoorziening naar een andere ruimte en <strong>van</strong> een andere<br />
ruimte naar een opslagvoorziening moet ten minste 60 minuten bedragen. De wanden, het dak en de<br />
draagconstructie <strong>van</strong> de opslagvoorziening moeten een brandwerendheid <strong>van</strong> ten minste 60 minuten<br />
bezitten. Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8,<br />
verpakkingsgroep II of III, zonder bijkomend gevaar, tot een gezamenlijke hoeveelheid <strong>van</strong> ten hoogste 10<br />
ton, worden opgeslagen.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 19/84
Toelichting:<br />
Een opslagvoorziening waarin <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong>, m.u.v. de klasse 8 worden opgeslagen,<br />
wordt in beginsel gelijkgesteld met een brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003. Het<br />
bedoelde brandcompartiment heeft “rondom” dezelfde “WBDBO”. Met betrekking tot de WBDBO c.q. de<br />
brandwerendheid moet voor alle constructies aan alle criteria <strong>van</strong> de NEN 6069, uitgave 1996 en NEN<br />
6069/1A uitgave 2001 worden voldaan.<br />
Indien in een bestaande situatie een WBDBO of een brandwerendheid <strong>van</strong> 30 minuten is vergund, kan<br />
<strong>van</strong> de eis <strong>van</strong> 60 minuten worden afgeweken, mits binnen een afstand <strong>van</strong> 7,5 m <strong>van</strong> de<br />
opslagvoorziening geen brand<strong>gevaarlijke</strong> goederen aanwezig zijn.<br />
3.2.1.2 In de inpandige opslagvoorziening mag ten hoogste 2.500 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong><br />
aanwezig zijn.<br />
Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep<br />
II of III, zonder bijkomend gevaar tot een gezamenlijke hoeveelheid <strong>van</strong> ten hoogste 10 ton, worden<br />
opgeslagen.<br />
Toelichting: zie toelichting 3.2.1.3<br />
3.2.1.3 In afwijking <strong>van</strong> voorschrift 3.2.1.2 mag in een inpandige opslagvoorziening ten hoogste 10.000 kg<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong> aanwezig zijn indien in de opslagvoorziening een brandmeldinstallatie<br />
aanwezig is met doormelding naar de alarmcentrale <strong>van</strong> de overheids- of bedrijfsbrandweer, of een<br />
daaraan gelijkwaardige voorziening. De brandmeldinstallatie moet voldoen aan NEN 2535, uitgave 1996<br />
en NEN 2535/A1 uitgave 2002. Wm, AI<br />
Toelichting: zie ook bijlage 6 voor ontwerpnormen <strong>van</strong> brandmeldinstallaties. Voor de duidelijkheid moet<br />
hier worden opgemerkt dat de beperkingen tot respectievelijk 2.500 kg (in voorschrift 3.2.1.2) en 10.000<br />
kg gelden voor inpandig gesitueerde opslagvoorzieningen die niet zijn uitgevoerd met voorzieningen als<br />
bedoeld in hoofdstuk 4 (opslagvoorzieningen groter dan 10.000 kg).<br />
Een permanent bezette meldpost <strong>van</strong> een daartoe gecertificeerde bewakingsdienst kan als gelijkwaardig<br />
worden beschouwd, waarbij met name aspecten als alarmeringstijd een rol spelen. Tevens is het <strong>van</strong><br />
belang dat ook de plaatselijke bouwverordening bepalingen kan bevatten omtrent de wijze <strong>van</strong><br />
doormelding. De norm NEN 2654 geeft de eisen voor het beheer, de controle en het onderhoud <strong>van</strong><br />
dergelijke brandmeldinstallaties.<br />
3.2.1.4 Indien in een inpandige opslagvoorziening meer dan 250 kg of liter <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR<strong>stoffen</strong><br />
worden opgeslagen, mag de inpandige opslagvoorziening niet op een verdieping <strong>van</strong> een gebouw<br />
zijn gesitueerd.<br />
Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep<br />
II of III, zonder bijkomend gevaar, worden opgeslagen.<br />
Toelichting: conform voorschrift 3.2.1.1 moeten ook deze beperkte hoeveelheden in een constructief<br />
zelfstandig brandcompartiment met een WBDBO naar andere ruimten <strong>van</strong> ten minste 60 minuten worden<br />
opgeslagen. Door aanvullende voorzieningen op het gebied <strong>van</strong> brandwerendheid of branddetectie kan<br />
<strong>van</strong> voorschrift 3.2.1.4 worden afgeweken.<br />
3.2.1.5 Op een verdieping <strong>van</strong> een gebouw mag per 200 m 2 vloeroppervlakte <strong>van</strong> een werkruimte of per<br />
brandcompartiment met een WBDBO naar andere ruimten <strong>van</strong> ten minste 60 minuten ten hoogste 500 kg<br />
of l <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong>, verdeeld in minimaal twee opslagvoorzieningen worden<br />
opgeslagen.<br />
Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep<br />
II of III, zonder bijkomend gevaar worden opgeslagen.<br />
Toelichting: door aanvullende voorzieningen op het gebied <strong>van</strong> brandwerendheid of branddetectie kan<br />
<strong>van</strong> voorschrift 3.2.1.5 worden afgeweken.<br />
3.2.1.6 Een opslagvoorziening mag niet in een vluchtroute zijn gelegen en mag het vluchten niet<br />
belemmeren.<br />
AI<br />
Bron:Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 20/84
3.2.2 Voorschriften uitpandige opslagvoorziening Wm<br />
3.2.2.1 De WBDBO <strong>van</strong> een uitpandige opslagvoorziening naar een andere ruimte en <strong>van</strong> een andere<br />
ruimte naar een opslagvoorziening moet ten minste 60 minuten bedragen. De wanden, het dak en de<br />
daarvoor noodzakelijke draagconstructie <strong>van</strong> de opslagvoorziening moeten een brandwerendheid <strong>van</strong> ten<br />
minste 60 minuten bezitten. In afwijking hier<strong>van</strong> geldt dat:<br />
- indien de afstand <strong>van</strong> de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de<br />
inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 5 meter bedraagt, en binnen deze 5<br />
meter geen opslag <strong>van</strong> brand<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of goederen en geen brand<strong>gevaarlijke</strong> activiteiten<br />
plaatsvinden, de brandwerendheid <strong>van</strong> de de wanden, het dak en de draagconstructie <strong>van</strong> de<br />
opslagvoorziening ten minste 30 minuten moet bedragen;<br />
- indien de afstand <strong>van</strong> de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de<br />
inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 meter bedraagt, en binnen deze 10<br />
meter geen opslag <strong>van</strong> brand<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>/goederen en geen brand<strong>gevaarlijke</strong> activiteiten<br />
plaatsvinden, ten aanzien <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> de wanden, het dak en de draagconstructie<br />
geen eis <strong>van</strong> toepassing is.<br />
Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep<br />
II of III, zonder bijkomend gevaar worden opgeslagen.<br />
Toelichting: Een opslagvoorziening wordt in beginsel gelijkgesteld met een brandcompartiment als<br />
bedoeld in het Bouwbesluit 2003. Het compartiment bezit rondom dezelfde WBDBO, die kan worden<br />
gerealiseerd door middel <strong>van</strong> bouwkundige voorzieningen of door voldoende afstand, dan wel door een<br />
combinatie <strong>van</strong> beide.<br />
3.2.2.2 Het dak <strong>van</strong> een opslagvoorziening mag niet <strong>van</strong> brandgevaarlijk materiaal vervaardigd zijn.<br />
Toelichting: Dit voorschrift heeft ten doel te voorkomen dat het dak <strong>van</strong> een bouwwerk door een<br />
onverhoedse aanraking met vuur in brand vliegt. Het gaat hierbij om zogenaamd vliegvuur, zoals<br />
bijvoorbeeld in de rook <strong>van</strong> een open haard of in geval <strong>van</strong> een vonkenregen, afkomstig <strong>van</strong> een<br />
nabijgelegen brandend bouwwerk. Om te kunnen vaststellen of een dak niet brandgevaarlijk is, moet het<br />
dak bestand zijn tegen een in NEN 6063 omschreven beproeving.<br />
3.2.3 Voorschriften voor geschakelde opslagvoorzieningen en voor situaties waarin een<br />
opslagvoorziening grenst aan een ander brandcompartiment<br />
Wm<br />
3.2.3.1 De WBDBO <strong>van</strong> een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte<br />
waardoor een <strong>van</strong> rook en <strong>van</strong> brand gevrijwaarde vluchtroute voert, of een niet besloten<br />
veiligheidstrappenhuis mag niet lager zijn dan 60 minuten.<br />
Indien meerdere opslagvoorzieningen naast elkaar zijn gelegen moeten tevens maatregelen genomen<br />
worden om te voorkomen dat een incident zich <strong>van</strong> de ene naar de andere opslagvoorziening kan<br />
verplaatsen, bijvoorbeeld t.g.v. een uitstromende vloeistof.<br />
Toelichting:<br />
Dit voorschrift geldt zowel voor inpandige opslagvoorzieningen als voor uitpandige opslagvoorzieningen.<br />
Een opslagvoorziening wordt gezien als een brandcompartiment. Dit houdt in dat het brandcompartiment<br />
een WBDBO <strong>van</strong> ten minste 60 minuten bezit en dat de wanden, het dak en de draagconstructie <strong>van</strong> dit<br />
compartiment minimaal 60 minuten brandwerend zijn uitgevoerd. Tussen de geschakelde<br />
brandcompartimenten moeten voorzieningen aanwezig zijn die ervoor zorgen dat het falen <strong>van</strong> het ene<br />
brandcompartiment niet mag leiden tot het bezwijken <strong>van</strong> de draagconstructie <strong>van</strong> het andere<br />
brandcompartiment.<br />
Indien sprake is <strong>van</strong> geschakelde opslagvoorzieningen moet in ogenschouw worden genomen dat<br />
logistieke aspecten bij de beoordeling <strong>van</strong> de aanvaardbaarheid <strong>van</strong> het aantal geschakelde<br />
opslagvoorzieningen een rol kunnen spelen. Dit is echter afhankelijk <strong>van</strong> de specifieke bedrijfssituatie en<br />
daarom maatwerk.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 21/84
3.2.4 Algemeen<br />
3.2.4.1 Indien in een opslagvoorziening een automatische brandbeveiligingsinstallatie aanwezig is, kan<br />
het bevoegde gezag afwijken <strong>van</strong> de voorschriften in hoofdstuk 3.2 indien de locale situatie, de informatie<br />
<strong>van</strong> een risico-inventarisatie of de voorschriften <strong>van</strong> ontwerpnorm <strong>van</strong> een brandbeveiligingsinstallatie<br />
daar aanleiding toe geven.<br />
3.2.4.2 Indien in een voorschrift is bepaald dat een constructie met een brandwerendheid moet zijn<br />
uitgevoerd, mogen toegangsdeuren, vluchtdeuren, ramen, ventilatieopeningen of rookluiken in deze<br />
constructie geen afbreuk doen aan de vereiste brandwerendheid.<br />
3.2.4.3 Indien in een voorschrift is bepaald dat voor het bepalen <strong>van</strong> de vereiste WBDBO een constructie<br />
met een bepaalde brandwerendheid moet zijn uitgevoerd, moet een in deze constructie aangebrachte<br />
deur zelfsluitend zijn uitgevoerd. Een dergelijke deur mag uitsluitend in geopende stand zijn vastgezet,<br />
indien een voorziening is aangebracht die in geval <strong>van</strong> brand de deur automatisch sluit.<br />
3.2.4.4 De wanden, vloer en afdekking <strong>van</strong> een opslagvoorziening moeten zijn vervaardigd <strong>van</strong><br />
onbrandbaar materiaal.<br />
3.3 Kwaliteit vloeren Wm<br />
3.3.1 Binnen een opslagvoorziening of bij een overslag- of laad- en losgedeelte als bedoeld in voorschrift<br />
3.1.6 moeten bodembeschermde voorzieningen en maatregelen zijn getroffen die in combinatie leiden tot<br />
een verwaarloosbaar bodemrisico (A) conform de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige<br />
activiteiten (NRB).<br />
In de vloer <strong>van</strong> een opslagvoorziening mogen zich geen openingen bevinden die in directe verbinding<br />
staan of kunnen worden gebracht met een riolering of met het oppervlaktewater.<br />
Toelichting:<br />
Het verwaarloosbaar bodemrisico, vastgesteld zoals omschreven in de tabellen 3.3 en/of 3.4 <strong>van</strong> de<br />
bodemrisicochecklist <strong>van</strong> de NRB (deel A3), dient gerealiseerd te worden door middel <strong>van</strong>:<br />
a) een vloeistofdichte vloer, voorzien <strong>van</strong> een verklaring vloeistofdichte voorziening op grond <strong>van</strong> de<br />
CUR/PBV-aanbeveling 44, met de daarbij behorende bedrijfsinterne inspecties, of;<br />
b) indien gebruikt gemaakt wordt <strong>van</strong> de juiste en gesloten emballage, een kerende vloer en/of lekbak<br />
met de daarbij behorende maatregelen. Maatregelen bestaan uit toezicht en<br />
incidentenmanagement zoals gesteld in de NRB. Verwaarloosbaar bodemrisico wordt alleen<br />
bereikt als naast het gebruik en in stand houden <strong>van</strong> goede voorzieningen (inspectie, onderhoud,<br />
reparatie), invulling wordt gegeven aan het toezicht en het incidentenmanagement.<br />
Incidentenmanagement bestaat uit faciliteiten en personeel, waarbij men bijvoorbeeld moet denken<br />
aan absorptiemiddelen, opleiding en instructies. Met behulp <strong>van</strong> deel B3 <strong>van</strong> de NRB kan<br />
incidentenmanagement nader ingevuld worden.<br />
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het mogelijk is dat in bepaalde doelgroepconvenanten of<br />
8.40-besluiten specifieke afspraken zijn gemaakt.<br />
3.3.2 Indien een vloer vloeistofdicht is uitgevoerd, moet voor deze vloer een geldige, door een deskundig<br />
inspecteur afgegeven PBV-verklaring vloeistofdichte voorziening aanwezig zijn.<br />
Toelichting: Een deskundig inspecteur beoordeelt de vloer of voorziening aan de hand <strong>van</strong> CUR/PBVaanbeveling<br />
44. Na goedkeuring verstrekt een geaccrediteerd bureau een PBV-verklaring vloeistofdichte<br />
voorziening.<br />
3.3.3 Indien een vloer vloeistofkerend is uitgevoerd, moet de vloer periodiek visueel worden<br />
geïnspecteerd en moet het opruimen <strong>van</strong> gelekte of gemorste <strong>stoffen</strong> zijn gewaarborgd. Hiertoe moet<br />
binnen de inrichting een procedure incidentenmanagement aanwezig zijn.<br />
Toelichting:<br />
De procedure incidentenmanagement moet geschikt zijn om ingrijpen bij incidenten bij alle<br />
vloeistofkerende vloeren en vloeistofdichte lekbakken die binnen de inrichting aanwezig zijn mogelijk te<br />
maken. Aandacht moet zijn besteed aan instructies <strong>van</strong> het personeel, aanwezigheid <strong>van</strong><br />
absorptiematerialen (op welke locaties binnen de inrichting aanwezig), overzicht <strong>van</strong> uitgevoerde en uit te<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 22/84
voeren periodieke visuele inspecties, en de te treffen handelingen indien een vloer niet meer<br />
vloeistofkerend of een lekbak niet meer vloeistofdicht is.<br />
3.4 Kwaliteit stellingen Wm, AI<br />
3.4.1 Een stelling voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moet bestand zijn tegen de opgeslagen<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en stabiel zijn. Een stelling mag niet zwaarder worden belast dan waarvoor de stelling<br />
ontworpen is. De geschiktheid <strong>van</strong> een stelling moet kunnen worden aangetoond.<br />
Bij het gebruik <strong>van</strong> een stelling moet rekening gehouden worden met de risico's <strong>van</strong> de <strong>gevaarlijke</strong> stof,<br />
zowel qua klasse als verpakkingsgroep.<br />
Toelichting:<br />
Verkeerd ontwerp, montage of gebruik <strong>van</strong> stellingen kan tot incidenten of calamiteiten met <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> leiden.<br />
De praktijkrichtlijn NPR 5054 (ontwerp 2003) “palletstellingen – bediening door magazijntrucks –<br />
verklaring <strong>van</strong> toegestaan gebruik” is een leidraad bij het specificeren <strong>van</strong> de wijze <strong>van</strong> toegelaten gebruik<br />
<strong>van</strong> door magazijntrucks bediende palletstellingen. Deze richtlijn geldt dus voor grotere stellingen waarbij<br />
het afzetten of uitnemen <strong>van</strong> goederen plaatsvindt door (handmatig) bediende magazijntrucks. De<br />
praktijkrichtlijn kan worden gebruikt als leidraad bij het vastleggen <strong>van</strong> projectgebonden randvoorwaarden<br />
voor zowel de constructie of het ontwerp als de maatvoering <strong>van</strong> palletstellingen die door magazijntrucks<br />
worden bediend.<br />
Daarnaast zijn in de norm NEN 5051 (1982) ”Magazijnstellingen – aanschafgegevens – montage en<br />
gebruik – door de besteller te verstrekken ontwerpgegevens en bepalingen voor montage en gebruik”<br />
gegevens opgenomen voor het ontwerpen, de bouw en het veilig gebruik <strong>van</strong> magazijnstellingen.<br />
De geschiktheid <strong>van</strong> een stelling kan dus worden aangetoond door de ontwerpuitgangspunten <strong>van</strong> een<br />
stelling eenduidig en schriftelijk vast te leggen in een “Verklaring <strong>van</strong> toegestaan gebruik”. Deze<br />
“Verklaring <strong>van</strong> toegestaan gebruik” moet zijn opgesteld overeenkomstig de NPR 5054 en hoofdstuk 3<br />
<strong>van</strong> de NEN 5051. Voor wat betreft het gebruik <strong>van</strong> pallet- of inrijstellingen moet de “Verklaring <strong>van</strong><br />
toegestaan gebruik” tevens opgesteld zijn overeenkomstig de RVHM 1995. In geval <strong>van</strong> specifieke,<br />
stellingfabrikaat afhankelijke gebruiksvoorwaarden, moeten deze aanvullend in de “Verklaring <strong>van</strong><br />
toegestaan gebruik” zijn opgenomen. Deze “Verklaring <strong>van</strong> toegestaan gebruik” moet in ieder geval door<br />
de stellingleverancier zijn ondertekend. Stellingen moeten vervolgens ook gebruikt worden<br />
overeenkomstig de “Verklaring <strong>van</strong> toegestaan gebruik”.<br />
3.4.2 Een stelling moet tegen aanrijden zijn beveiligd.<br />
3.4.3 Indien tijdens het gebruik <strong>van</strong> een stelling een stellingonderdeel blijvend is vervormd, moeten<br />
onmiddellijk passende maatregelen worden genomen. Alvorens de stelling opnieuw in gebruik wordt<br />
genomen moeten beschadigde onderdelen worden ver<strong>van</strong>gen of gerepareerd.<br />
Toelichting:<br />
Voorbeeld <strong>van</strong> een passende maatregel: indien een ligger is beschadigd, moet deze onmiddellijk vrij worden<br />
gemaakt <strong>van</strong> opslag. Indien een staander is beschadigd, moeten de liggers aan weerszijde <strong>van</strong> de staander<br />
onmiddellijk vrij <strong>van</strong> opslag worden gemaakt.<br />
3.4.4 De stellingconstructie moet ten minste jaarlijks visueel op doelmatigheid, juist gebruik en eventuele<br />
beschadigingen worden geïnspecteerd. De resultaten <strong>van</strong> de inspectie moeten worden geregistreerd.<br />
Toelichting:<br />
De inspectie kan zowel door een intern verantwoordelijke worden uitgevoerd als door een<br />
stellingleverancier.<br />
3.4.5 De regels met betrekking tot gescheiden opslag uit paragraaf 3.12 zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op<br />
de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een stelling.<br />
Toelichting: Met dit voorschrift wordt beoogd dat ook in verticale zin opslag <strong>van</strong> onverenigbare<br />
combinaties moet worden voorkomen. Dus <strong>stoffen</strong> die met elkaar kunnen reageren mogen niet boven<br />
elkaar in stellingen zijn geplaatst.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 23/84
3.5 Bliksembeveiliging Wm<br />
3.5.1 Indien noodzakelijk moet een doelmatige bliksembeveiligingsinstallatie zijn geplaatst. Een<br />
bliksembeveiligingsinstallatie is doelmatig indien de installatie voldoet aan NEN 1014.<br />
Toelichting: de noodzaak <strong>van</strong> een beveiliging tegen blikseminslag is niet altijd aanwezig. In NEN 1014 is<br />
een berekeningsmodel opgenomen waarmee kan worden vastgesteld of bliksembeveiliging noodzakelijk<br />
is. Een goede aarding <strong>van</strong> de staalconstructie voldoet in vele gevallen.<br />
3.6 Explosieveiligheid AI<br />
In een opslagvoorziening moeten de wettelijke eisen ten aanzien <strong>van</strong> explosieveiligheid in acht<br />
worden genomen. Een gevarenzone-indeling kan hier<strong>van</strong> onderdeel uitmaken. De eisen zijn<br />
opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 3.5a t/m 3.5f. In hoeverre deze wetgeving<br />
<strong>van</strong> toepassing is, is afhankelijk <strong>van</strong> de aard <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>. Het onderwerp<br />
explosieveiligheid is verder uitgewerkt in bijlage 1.<br />
Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />
3.7 Ventilatie Wm, AI<br />
3.7.1 Een opslagvoorziening moet doelmatig zijn geventileerd. Afvoer <strong>van</strong> ventilatielucht moet op<br />
de buitenlucht plaatsvinden. Indien natuurlijke ventilatie op de buitenlucht aanwezig is, moeten<br />
ventilatieopeningen zo ver mogelijk <strong>van</strong> elkaar (diametraal) zijn aangebracht. De ventilatie<br />
moet continu zijn en de ventilatievoud <strong>van</strong> de ruimte per uur moet te allen tijde minimaal 1<br />
bedragen. Een grotere ventilatievoud kan noodzakelijk zijn, afhankelijk <strong>van</strong> de gevaarsaspecten<br />
<strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong> (explosieveiligheid / arbeidshygiënische omstandigheden). Indien een<br />
ventilatieopening is aangebracht in een bouwkundige constructie waaraan op basis <strong>van</strong> paragraaf<br />
3.2 <strong>van</strong> deze richtlijn eisen m.b.t. WBDBO of brandwerendheid zijn gesteld, moeten vlamkerende<br />
roosters zijn aangebracht en mag door het aanbrengen <strong>van</strong> de ventilatie geen afbreuk worden<br />
gedaan aan de WBDBO <strong>van</strong> de opslagvoorziening. Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing op een<br />
brandveiligheidsopslagkast.<br />
Toelichting:<br />
Ventilatie heeft ten doel te voorkomen dat door een lekkage anders dan ten gevolge <strong>van</strong> een calamiteit,<br />
een explosief damp/luchtmengsel ontstaat. Zoneklassen en zoneafmetingen worden mede bepaald door<br />
het ventilatieontwerp (zie NPR 7910-1). Tevens heeft ventilatie ten doel schadelijke of hinderlijke gassen<br />
of dampen af te voeren (arbeidshygiënische aspecten). In hoeverre er sprake is <strong>van</strong> schadelijke of<br />
hinderlijke dampen kan bepaald worden met behulp <strong>van</strong> de RI&E. De gevaarseigenschappen <strong>van</strong> de<br />
opgeslagen stof(fen) moeten hierbij nadrukkelijk betrokken worden. Afhankelijk <strong>van</strong> de uitkomst dient<br />
doelmatige ventilatie aangebracht te worden.<br />
Indien beveiligingen worden aangebracht (te denken valt aan detectieapparatuur) kan afgeweken worden<br />
<strong>van</strong> de ventilatie-eisen. Dit kan <strong>van</strong> belang zijn bij bijvoorbeeld gekoelde of verwarmde opslag.<br />
Indien een rookluik (rook- en warmteafvoer) zodanig is geïnstalleerd dat deze onder normale<br />
omstandigheden is geopend, kan een rookluik worden gezien als een ventilatiekanaal. Bij bepaalde<br />
brandbeveiligingsinstallaties worden eisen gesteld aan de uitvoering <strong>van</strong> ventilatiekanalen.<br />
In de norm voor brandveiligheidsopslagkasten (NEN-EN 14470-1) zijn eisen m.b.t. ventilatie opgenomen.<br />
3.8 Voorkomen <strong>van</strong> verontreinigd hemelwater Wm<br />
3.8.1 Een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening moet zodanig zijn geconstrueerd dat<br />
hemelwater niet op de vloer <strong>van</strong> de opslagvoorziening kan geraken dan wel dat hemelwater regelmatig<br />
<strong>van</strong> de vloer kan worden verwijderd.<br />
Toelichting:<br />
Het doel <strong>van</strong> dit voorschrift is beheersing <strong>van</strong> het, potentieel vervuilde, regenwater. Dit kan door middel<br />
<strong>van</strong> een afdak worden gerealiseerd, maar ook op andere wijze (op<strong>van</strong>g, afvoer, controle,<br />
lozing/behandeling).<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 24/84
3.9 Productop<strong>van</strong>g Wm, AI<br />
3.9.1 Een opslagvoorziening moet zodanig zijn geconstrueerd dat gelekte of gemorste <strong>gevaarlijke</strong><br />
vloeistof redelijkerwijs niet uit de voorziening kan stromen. Daartoe moet de opslagvoorziening een<br />
op<strong>van</strong>gcapaciteit hebben <strong>van</strong> ten minste 110% <strong>van</strong> de inhoud <strong>van</strong> de grootste emballage, doch (als dat<br />
méér is) ten minste 10% <strong>van</strong> de inhoud <strong>van</strong> de totale emballage. De op<strong>van</strong>gvoorziening moet voldoende<br />
bestand zijn tegen de opgeslagen <strong>stoffen</strong>. In de op<strong>van</strong>gvoorziening mogen zich geen openingen bevinden<br />
die in rechtstreekse verbinding staan met de riolering.<br />
Toelichting: De op<strong>van</strong>gcapaciteit geldt alleen voor vloei<strong>stoffen</strong>. Lege ongereinigde emballage telt daarbij<br />
niet mee.<br />
Voor opslaghoeveelheden groter dan 10 ton gelden andere bepalingen (zie hoofdstuk 4).<br />
3.10 Brandveiligheidsopslagkasten Wm, AI<br />
3.10.1 Een brandveiligheidsopslagkast waar<strong>van</strong> het eerste gebruik heeft plaatsgevonden na 1 januari<br />
2006 moet aan NEN-EN-14470-1 voldoen. Een brandveiligheidsopslagkast waar<strong>van</strong> het eerste gebruik<br />
dateert <strong>van</strong> vóór die datum moet ten minste voldoen aan NEN 2678.<br />
Toelichting:<br />
De norm NEN-EN-14470-1 kent 4 categorieën <strong>van</strong> brandwerendheid, te weten 15, 30, 60 en 90 minuten.<br />
Afhankelijk <strong>van</strong> de toepassing <strong>van</strong> een brandveiligheidsopslagkast moet gekozen worden voor een<br />
bepaalde veiligheidsklasse (30, 60 of 90). In bijlage 4 is ingegaan op de verschillende eisen die bij de<br />
betreffende veiligheidsklassen behoren. Voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die onder PGS 15 vallen is<br />
het type met 15 minuten brandwerendheid niet geschikt.<br />
3.10.2 Binnen de inrichting moet voor de brandveiligheidsopslagkast waar<strong>van</strong> het eerste gebruik heeft<br />
plaatsgevonden na 1 januari 2006 een productcertificaat aanwezig zijn, waaruit blijkt dat de<br />
brandveiligheidsopslagkast voldoet aan de norm als bedoeld in voorschrift 3.10.1.<br />
Toelichting: Zowel voor de gebruiker als voor de toezichthoudende instanties moet duidelijk zichtbaar zijn<br />
aan welke brandveiligheidsnorm de kast voldoet alsook aan welke prestatie.<br />
Overeenkomstig de Europese norm EN-14470-1 moet op de voorkant (buitenkant) <strong>van</strong> de kast op een<br />
goed zichtbare plaats de volgende informatie zijn aangebracht:<br />
- deuren sluiten (wanneer kast niet wordt gebruikt);<br />
- gevaarsymbool overeenkomstig ISO 3864;<br />
- gevaarsymbool overeenkomstig ISO 3864;<br />
- de <strong>van</strong> toepassing zijnde norm, bij nieuwe kasten <strong>van</strong>af mei 2004 moet dit zijn: EN-14470-1 of<br />
- NEN-EN-14470-1;<br />
- de brandwerendheids prestatie <strong>van</strong> de kast, aangegeven in type 30, 60 of 90.<br />
Tevens moet in of op de kast de volgende informatie zijn aangebracht:<br />
- naam of merk <strong>van</strong> de producent;<br />
- model nummer en jaar <strong>van</strong> productie;<br />
- maximum toegestane emballage;<br />
- maximale belasting legbord.<br />
Om aan te tonen dat de kast ook werkelijk als type is getest dient de leverancier een testrapport met de<br />
kast mee te leveren. Dit testrapport bestaat uit een samenvatting <strong>van</strong> onderzoek waarin wordt verwezen<br />
naar het volledige beproevingsverslag en een omschrijving <strong>van</strong> het resultaat. Deze samenvatting moet zijn<br />
afgedrukt op een document voorzien <strong>van</strong> logo en naam <strong>van</strong> het onderzoeksinstituut dat de proef heeft<br />
uitgevoerd. Het onderzoeksinstituut moet een voor die verrichting geaccrediteerde instelling zijn.<br />
3.11 Verpakking en etikettering Wm, AI<br />
3.11.1 De verpakking <strong>van</strong> de in een opslagvoorziening aanwezige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moet zodanig zijn<br />
dat:<br />
- niets <strong>van</strong> de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen;<br />
- het materiaal <strong>van</strong> de verpakking niet door <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> kan worden aangetast, dan wel met die<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen;<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 25/84
- de verpakking tegen normale behandeling bestand is.<br />
Aan dit voorschrift wordt in ieder geval voldaan indien de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn verpakt conform de<br />
bepalingen <strong>van</strong> de Verenigde Naties zoals verwoord in de "Recommandations on the Transport of<br />
Dangerous Goods" (Oranje Boek).<br />
Toelichting:<br />
Over het algemeen bevinden <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een opslagvoorziening zich in de zogenaamde UNgekeurde<br />
verpakking. Daarnaast zijn er consumentenomverpakkingen die zijn verpakt volgens het regime<br />
<strong>van</strong> de zogenaamde gelimiteerde hoeveelheden (limited quantities / LQ) In deze verpakkingen is een<br />
dermate geringe hoeveelheid <strong>gevaarlijke</strong> stof aanwezig dat er slechts een beperkt risico ontstaat indien<br />
deze hoeveelheid vrijkomt. (ADR sectie 3.4 behandelt de wijze waarop gelimiteerde hoeveelheden<br />
behandeld moeten worden en welke vrijstellingen daarvoor gelden.)<br />
Breekbare verpakking moet in een opslagvoorziening (m.u.v. de werkvoorraad) zoveel mogelijk conform<br />
de vervoersregelgeving opgeslagen worden als samengestelde verpakking (zie ADR subsectie 1.2.1 en<br />
4.1.1.5).<br />
3.11.2 De etikettering <strong>van</strong> de in een opslagvoorziening aanwezige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moet zodanig zijn<br />
dat de gevaarsaspecten <strong>van</strong> de <strong>gevaarlijke</strong> stof duidelijk tot uiting komen.<br />
Toelichting:<br />
Conform de UN-regelgeving, respectievelijk ADR (hoofdstuk 5.2) moet elke colli (buitenverpakking) voor<br />
het vervoer zijn voorzien <strong>van</strong> een gevarenetiket, de kenmerking middels het UN-nummer voorafgegaan<br />
door de letters “UN”.<br />
Verpakkingen met LQ hoeveelheden zijn niet gekenmerkt met een gevarenetiket. Elke verpakking moet<br />
echter wel voorzien zijn <strong>van</strong> een UN-nummer, voorafgaand door de letters “UN”. Indien er sprake is <strong>van</strong><br />
een samengestelde verpakking dan moeten alle UN-nummers, voorafgaand met de letters “UN” of de<br />
letters “LQ” worden vermeld.<br />
Tevens moeten gebruiksverpakkingen zijn voorzien <strong>van</strong> gevaaraanduidingen op grond <strong>van</strong> de Wms of,<br />
indien het voor intern gebruik is, zijn voorzien <strong>van</strong> werkpleketiketten conform de<br />
Arbeidsomstandighedenwet. Dit geldt uiteraard niet voor afval<strong>stoffen</strong>.<br />
3.11.3 De verpakking <strong>van</strong> in de buitenlucht opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moet bestand zijn tegen alle<br />
mogelijke weersinvloeden.<br />
3.11.4 Voorzieningen moeten zijn getroffen om beschadiging <strong>van</strong> emballagemateriaal ten gevolge <strong>van</strong><br />
transportactiviteiten te voorkomen.<br />
3.12 Onverenigbare combinaties Wm, AI<br />
3.12.1 Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong> die met elkaar <strong>gevaarlijke</strong> reacties kunnen aangaan waarbij<br />
sterke verhoging <strong>van</strong> temperatuur of druk optreedt of waarbij gassen kunnen ontstaan die giftiger of<br />
brandbaarder zijn dan op grond <strong>van</strong> de eigenschappen <strong>van</strong> één <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> is te verwachten, moeten<br />
gescheiden <strong>van</strong> elkaar worden opgeslagen. Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing voor <strong>stoffen</strong> die vallen<br />
onder het regime <strong>van</strong> gelimiteerde hoeveelheden (hoofdstuk 3.4 <strong>van</strong> het ADR).<br />
Toelichting:<br />
Het doel <strong>van</strong> het gescheiden opslaan <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> is dat bij het vrijkomen <strong>van</strong> de stof uit de<br />
verpakking voorkomen wordt dat door de vrijgekomen stof een groter (vervolg)effect ontstaat dan op<br />
grond <strong>van</strong> de eigenschappen <strong>van</strong> de betreffende stof verwacht kan worden.<br />
In bijlage 3 is weergegeven hoe in praktische zin deze doelstelling kan worden gerealiseerd. In de<br />
hoofdstukken 6, 7, 8 en 9 zijn voor de in deze hoofdstukken behandelde categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
bijzondere bepalingen opgenomen voor de gezamenlijke opslag met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Gelimiteerde hoeveelheden betreffen kleine verpakkingen met een tweede (om)verpakking. Bij een<br />
lekkage komt er een kleine hoeveelheid vrij, die weinig vervolgschade kan aanrichten; een escalerende<br />
reactie met een ander product is dan minder waarschijnlijk.<br />
De uitzondering voor gelimiteerde hoeveelheden geldt alleen indien de <strong>stoffen</strong> in de transportverpakking<br />
zijn opgeslagen.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 26/84
3.13 Gebruik opslagvoorziening Wm, AI<br />
3.13.1 Indien <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> gestapeld worden opgeslagen, moet de verpakking op veilige<br />
wijze gestapeld zijn, waarbij rekening gehouden wordt met de sterkte <strong>van</strong> de verpakking.<br />
3.13.2 Pallets met <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die zijn gestapeld, moeten <strong>van</strong> een deugdelijke constructie<br />
zijn. Voor iedere wijze <strong>van</strong> verpakking moet afhankelijk <strong>van</strong> gewicht en sterkte <strong>van</strong> de verpakking een<br />
maximale stapeling worden vastgesteld.<br />
3.13.3 Breekbare (glazen) enkelvoudige verpakking mag niet worden gestapeld.<br />
3.13.4 In een opslagvoorziening mogen geen gemotoriseerde transportmiddelen aanwezig zijn, anders<br />
dan ten behoeve <strong>van</strong> en slechts gedurende de tijd <strong>van</strong> het laden en lossen.<br />
Toelichting: het stallen <strong>van</strong> vorkheftrucks in een opslagvoorziening voor <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> wordt<br />
beschouwd als een activiteit waardoor het risico toeneemt. Indien het echter gaat om een vorkheftruck die<br />
volledig aan de ATEX-richtlijn voldoet, of indien een vorkheftruck in een apart vak wordt gestald, kan <strong>van</strong><br />
dit voorschrift worden afgeweken.<br />
3.13.5 De opslagvoorziening moet regelmatig worden gecontroleerd op lekkages of beschadiging <strong>van</strong> de<br />
aanwezige emballage.<br />
3.14 Incidenten met gemorste <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Wm, AI<br />
3.14.1 Gemorste of gelekte <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die in een opslagvoorziening zijn vrijgekomen moeten zo<br />
snel mogelijk worden opgeruimd. Daartoe moeten in of nabij de opslagvoorziening materialen aanwezig<br />
zijn om deze <strong>stoffen</strong> te immobiliseren, te neutraliseren of te absorberen. De aard en hoeveelheid <strong>van</strong> deze<br />
materialen moeten zijn afgestemd op de aard en hoeveelheid <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, en<br />
de grootte <strong>van</strong> de aanwezige verpakkingen.<br />
Indien een verpakking lekt, moet deze lekkage onmiddellijk worden verholpen, bijvoorbeeld door lekkende<br />
vaten in overmaatse vaten te plaatsen. Bij lekkage moet ontwikkeling en verspreiding <strong>van</strong> giftige of<br />
explosieve <strong>stoffen</strong> of stank<strong>stoffen</strong> tot een minimum worden beperkt door doelmatige ventilatie, beperking<br />
<strong>van</strong> verspreiding <strong>van</strong> de vloeistof en snelle opname door middel <strong>van</strong> absorptiemateriaal.<br />
3.14.2 Ten behoeve <strong>van</strong> de veiligheid <strong>van</strong> de werknemers moet binnen de inrichting een instructie<br />
aanwezig zijn die de te nemen maatregelen bij een lekkage of een incident met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
beschrijft. De bedrijfsleiding moet deze instructie actueel houden en werknemers hierover inlichten.<br />
Toelichting: Indien het <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 6.2 (uitsluitend categorie I3 of I4) betreft, moet in<br />
het bijzonder aandacht worden besteed aan het tijdig inschakelen <strong>van</strong> ter zake deskundigen.<br />
3.14.3 Op een duidelijk zichtbare plaats bij de toegang tot de inrichting of bij de portier moet een duidelijk<br />
leesbare instructie zijn aangebracht over de te nemen maatregelen in het geval <strong>van</strong> een calamiteit. Deze<br />
instructie moet gegevens bevatten <strong>van</strong> instanties of personen waarmee in het geval <strong>van</strong> een calamiteit<br />
contact moet worden opgenomen.<br />
3.15 Rook- en vuurverbod, blustoestellen Wm, AI<br />
3.15.1 Binnen een opslagvoorziening en tevens binnen een afstand <strong>van</strong> 2 m daarbuiten mag niet worden<br />
gerookt en mag geen open vuur aanwezig zijn. Aan de buitenzijde <strong>van</strong> de opslagvoorziening moet op<br />
daartoe geschikte plaatsen met betrekking tot dit verbod een pictogram overeenkomstig NEN 3011 zijn<br />
aangebracht.<br />
3.15.2 Voor elke 200 m 2 vloeroppervlakte <strong>van</strong> een opslagvoorziening moet ten minste één draagbaar<br />
blustoestel aanwezig zijn met een vulling <strong>van</strong> ten minste 6 kg of liter blusstof. Het blustoestel moet tegen<br />
weersinvloeden zijn beschermd. De keuze <strong>van</strong> het type blustoestel moet zodanig zijn dat deze geschikt is<br />
om een beginnende brand <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong> te blussen.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 27/84
3.16 Veiligheidsignalering, veiligheidsinformatiebladen, instructies Wm, AI<br />
3.16.1 Aan de buitenzijde <strong>van</strong> een opslagvoorziening, nabij de toegangsdeur(en) moeten op duidelijk<br />
zichtbare plaatsen waarschuwingsborden worden geplaatst, welke het gevaar <strong>van</strong> de opgeslagen<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aanduiden. Op daartoe geschikte plaatsen moeten de betreffende<br />
gevaarsymbolen zijn aangebracht:<br />
a. voor wat betreft de opslag <strong>van</strong> (licht) ontvlambare vloei<strong>stoffen</strong>, het pictogram "ontvlambare<br />
<strong>stoffen</strong> of hoge temperatuur";<br />
b. voor wat betreft de opslag <strong>van</strong> bijtende <strong>stoffen</strong> het pictogram "bijtende <strong>stoffen</strong>"<br />
c. voor wat betreft de opslag <strong>van</strong> giftige <strong>stoffen</strong> het pictogram "giftige <strong>stoffen</strong>";<br />
d. voor wat betreft de opslag <strong>van</strong> oxiderende <strong>stoffen</strong> het pictogram "oxiderende <strong>stoffen</strong>".<br />
Bij alle opslagvoorzieningen moet het verbodsbord "vuur, open vlam en roken verboden" zijn<br />
aangebracht.<br />
In plaats <strong>van</strong> bovengenoemde symbolen mogen ook de “grote etiketten” behorende bij de klasse 3,<br />
8, 6.1 en 5.1 zoals nader omschreven in ADR hoofdstuk 5.3.1) worden geplaatst.<br />
Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />
Toelichting: In bijlage 2 zijn voorbeelden <strong>van</strong> de voor de veiligheidssignalering te gebruiken<br />
gevaarsymbolen weergegeven.<br />
3.16.2 Binnen de inrichting moeten veiligheidsinformatiebladen (VIB’s) <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> beschikbaar zijn. De VIB’s moeten voldoen aan EG-richtlijn 91/155/EEG. Dit voorschrift geldt<br />
niet voor <strong>stoffen</strong> die niet onder de Wms vallen en niet voor <strong>gevaarlijke</strong> afval<strong>stoffen</strong>.<br />
Bron: Veiligheidsinformatiebladenbesluit Wms.<br />
Toelichting: Veiligheidsinformatiebladen (ook wel genoemd “material safety data sheets”, MSDS)<br />
mogen ook digitaal in de inrichting beschikbaar zijn.<br />
3.17 Vakbekwaamheid Wm, AI<br />
3.17.1 Indien in een inrichting meer dan 2.500 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen, moet tijdens het<br />
verrichten <strong>van</strong> werkzaamheden met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een opslagvoorziening een door het bedrijf<br />
aangestelde deskundige in de inrichting aanwezig zijn, met voldoende vakbekwaamheid op het gebied<br />
<strong>van</strong> het omgaan met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en het bestrijden <strong>van</strong> calamiteiten met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Informatie over de vakbekwaamheid <strong>van</strong> de deskundige moet binnen de inrichting aanwezig zijn.<br />
Toelichting:<br />
De vakbekwaamheid <strong>van</strong> de deskundige moet aantoonbaar zijn, bijvoorbeeld aan de hand <strong>van</strong> gevolgde<br />
rele<strong>van</strong>te opleidingen of certificaten. In de RI&E moet hier aandacht aan zijn besteed. Voor bepaalde<br />
<strong>stoffen</strong> of categorieën <strong>van</strong> inrichtingen kan een andere ondergrens worden gehanteerd. Zo wordt in het<br />
Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer geen minimale hoeveelheid genoemd voor het <strong>van</strong><br />
toepassing zijn <strong>van</strong> de vakbekwaamheidseis. Achtergrond is dat in dergelijke bedrijven intensieve<br />
handelingen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> plaatsvinden. De hoeveelheid is dan <strong>van</strong> minder belang voor de<br />
noodzakelijke vakbekwaamheid.<br />
3.18 Journaal en registratie Wm, AI<br />
3.18.1 Indien in een inrichting meer dan 2.500 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen, moet <strong>van</strong> de<br />
opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die in de inrichting aanwezig zijn een actueel journaal worden bijgehouden.<br />
Het journaal moet <strong>van</strong> een datum zijn voorzien. Het journaal moet in de inrichting op een plaats ter<br />
inzage liggen, die direct toegankelijk is voor hulpverlenende diensten. Het journaal moet ten minste de<br />
volgende onderdelen bevatten:<br />
- de juiste vervoersnaam, aangevuld met, zover <strong>van</strong> toepassing, de technische benaming (zie 3.1.2<br />
ADR/IMDG-code) en de klasse <strong>van</strong> de stof zoals vermeld in het ADR of de IMDG code;<br />
- de hoeveelheid <strong>van</strong> de stof;<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 28/84
- de verpakkingsgroep (indien toegewezen);<br />
- het UN-nummer <strong>van</strong> de stof als mede de modelnummers <strong>van</strong> de gevaarsetiket(en) volgens art. 5.2<br />
<strong>van</strong> ADR;<br />
- CMR-<strong>stoffen</strong> moeten in het journaal zijn opgenomen met hun chemische naam en de vermelding<br />
CMR.<br />
Het journaal moet tevens een actuele tekening bevatten waarop het volgende is aangegeven:<br />
- de lay-out <strong>van</strong> de inrichting;<br />
- de plaats <strong>van</strong> de gebouwen en de te onderscheiden activiteiten;<br />
- de plaats waar de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen;<br />
- een noordpijl.<br />
Het journaal moet zijn voorzien <strong>van</strong> een instructie met de namen en telefoonnummers <strong>van</strong> personen<br />
waarmee hulpverlenende diensten in het geval <strong>van</strong> een calamiteit contact kunnen opnemen.<br />
Toelichting:<br />
Het journaal heeft als doel hulpdiensten in geval <strong>van</strong> een calamiteit inzicht te geven in soort, hoeveelheid<br />
en locatie <strong>van</strong> opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Voorschrift 3.18.1 is een voorbeeld (bijvoorbeeld voor de<br />
transportsector) <strong>van</strong> de wijze waarop de journaalverplichting in een vergunning kan worden opgenomen.<br />
Indien bijvoorbeeld in een inrichting weliswaar meer dan 2.500 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aanwezig zijn, maar<br />
deze uitsluitend in kasten worden opgeslagen, is het niet zinvol om in het journaal per kast de in het<br />
voorschrift genoemde gegevens te verlangen.<br />
Ten behoeve <strong>van</strong> het formuleren <strong>van</strong> de journaalverplichting kunnen de volgende aandachtspunten<br />
worden genoemd:<br />
- indien in de inrichting tankcontainers aanwezig zijn moeten deze ook in het journaal worden vermeld;<br />
- indien meerdere opslagvoorzieningen elk met een capaciteit <strong>van</strong> meer dan 10 ton binnen de inrichting<br />
aanwezig zijn, moet per opslagvoorziening inzicht worden gegeven welke gevarenklassen per<br />
opslagvoorziening aanwezig zijn;<br />
- in overleg met de lokale brandweer of het Wm-bevoegd gezag kan voor een andere vorm <strong>van</strong> het<br />
journaal worden gekozen;<br />
- inrichtingen die onder Brzo 1999 vallen en VR-plichtig zijn, hebben al de verplichting om een<br />
<strong>stoffen</strong>lijst bij te houden; het advies is om in de Wm-vergunning hierbij aan te sluiten en geen<br />
separaat journaal te verlangen;<br />
- de verplichting een journaal bij te houden geldt <strong>van</strong>af een hoeveelheid <strong>van</strong> 2.500 kg <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> per inrichting; het kan echter wenselijk zijn om ook bij kleinere opslaghoeveelheden een<br />
journaal voor te schrijven, bijvoorbeeld als er opslag plaatsvindt <strong>van</strong> bijvoorbeeld zeer toxische <strong>stoffen</strong><br />
of de inrichting in de nabijheid ligt <strong>van</strong> kwetsbare bestemmingen of oppervlaktewater;<br />
- door de modelnummers <strong>van</strong> een gevaarsetiket volgens hoofdstuk 5.2 <strong>van</strong> ADR in het journaal op te<br />
nemen zijn alle rele<strong>van</strong>te gevaren <strong>van</strong> een stof bekend (bv een klasse 3 met bijkomend gevaar 6.1,<br />
dan moet vermeld worden 3 + 6.1);<br />
- indien ADR-klasse, UN-nummer, verpakkingsgroep en hoeveelheid <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> niet frequent wijzigen (niet vervoergebonden inrichting) kan eventueel worden volstaan met<br />
een eenmalige lijst <strong>van</strong> de maximale opslag (bijvoorbeeld het <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>overzicht uit de Wmaanvraag),<br />
de soort <strong>gevaarlijke</strong> stof en de plaats <strong>van</strong> opslag (bijvoorbeeld een tekening). Indien in een<br />
opslagvoorziening <strong>stoffen</strong> qua soort en hoeveelheid dagelijks drastisch wijzigen, moet het journaal<br />
dagelijks worden geactualiseerd;<br />
- indien een actueel intern noodplan aanwezig en beschikbaar is voor hulpverlenende diensten, is het<br />
niet nodig om een tekening en persoonsgegevens in het logboek op te nemen.<br />
3.19 Intern noodplan Wm, AI<br />
3.19.1 Indien in de inrichting meer dan 10.000 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen,<br />
meer dan 1.000 kg zeer giftige <strong>stoffen</strong> (ADR-klasse 6.1 Verpakkingsgroep I) worden opgeslagen of<br />
gasflessen met giftig/bijtende of giftige inhoud met een totale waterinhoud <strong>van</strong> meer dan 250 liter worden<br />
opgeslagen, moet in de inrichting een actueel intern noodplan aanwezig zijn, waarin de getroffen<br />
organisatorische en technische maatregelen ter bestrijding <strong>van</strong> een redelijkerwijs te verwachten ongeval<br />
of incident zijn omschreven. In het noodplan moet onder andere een lijst met telefoonnummers<br />
opgenomen zijn voor gebruik bij incidenten.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 29/84
Toelichting: In hoofdstuk 6 <strong>van</strong> deze richtlijn wordt aandacht besteed aan de opslag <strong>van</strong> gasflessen. Naast<br />
verstikkende en brandbare gassen is dit hoofdstuk ook <strong>van</strong> toepassing op de opslag <strong>van</strong> gasflessen met<br />
ammoniak en ethyleenoxide.<br />
3.19.2 Ten minste éénmaal per drie jaar moet het intern noodplan worden geëvalueerd, beproefd en<br />
zonodig gewijzigd. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met veranderingen die zich in de inrichting<br />
hebben voorgedaan, en met nieuwe kennis en inzichten.<br />
Toelichting:<br />
Indien een intern noodplan als bedoeld in artikel 22 <strong>van</strong> het Brzo’99 is opgesteld of een noodplan conform<br />
de ARIE, wordt aan dit voorschrift voldaan. De frequentie voor evaluatie en beproeving is in<br />
overeenstemming met het Brzo ’99.<br />
3.20 Toegankelijkheid voor onbevoegden Wm, AI<br />
3.20.1 Een open opslagvoorziening mag niet ongecontroleerd toegankelijk zijn voor onbevoegden.<br />
Hieraan is voldaan als het terrein als geheel afdoende is afgeschermd door muren (gebouwen), hekken,<br />
sloten <strong>van</strong> voldoende breedte en dergelijke.<br />
Indien dit niet het geval is moet het toegankelijke deel <strong>van</strong> de opslagvoorziening zijn afgeschermd door<br />
een vast en ten minste 1,8 m hoog hek- of gaaswerk <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal met tenminste 2<br />
toegangsdeuren. Indien in een opslagvoorziening de afstand <strong>van</strong> het verst gelegen punt tot de deur<br />
minder bedraagt dan 15 m, kan met één deur worden volstaan.<br />
3.21 Toegangsdeuren en vluchtwegen<br />
3.21.1 Een toegangsdeur tot een betreedbare opslagvoorziening moet <strong>van</strong> buitenaf met een slot en sleutel<br />
of op een andere gelijkwaardige wijze afsluitbaar zijn, doch <strong>van</strong> binnenuit zonder sleutel kunnen worden<br />
geopend. Een toegangsdeur moet bij afwezigheid <strong>van</strong> deskundig personeel ter plaatse <strong>van</strong> de<br />
opslagvoorziening zijn afgesloten, tenzij de toegangsdeur verbinding geeft met een aanmaak-,<br />
verwerkings- of verkoopruimte.<br />
Wm, AI<br />
3.21.2 Een toegangsdeur die tevens dient als nooduitgang moet naar buiten opendraaien.<br />
Vluchtwegen en nooduitgangen, evenals het buiten de opslagvoorziening gelegen aansluitende<br />
terrein, moeten vrij zijn <strong>van</strong> obstakels.<br />
Doelmatige maatregelen moeten zijn genomen teneinde het mogelijk te maken dat een werknemer,<br />
indien een toestand ontstaat waarin direct gevaar voor zijn veiligheid of gezondheid aanwezig is, zich<br />
snel via de kortst mogelijke weg in veiligheid kan stellen.<br />
Een opslagvoorziening moet met ten minste twee toegangsdeuren, die zoveel als mogelijk in<br />
tegenoverstelde zijden zijn gesitueerd, bereikbaar zijn. Indien in een opslagvoorziening de afstand <strong>van</strong><br />
het verst gelegen punt tot de deur minder bedraagt dan 15 m, kan met één deur worden volstaan.<br />
Schuifdeuren of als tourniketdeur uitgevoerde draaideuren gelden niet als nooduitgang. AI<br />
Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />
Toelichting:<br />
In het Bouwbesluit zijn (bouwkundige) eisen m.b.t. vluchtwegen en nooduitgangen opgenomen.<br />
3.22 Noodverlichting en vluchtwegaanduiding AI<br />
3.22.1 Een betreedbare opslagvoorziening moet zijn voorzien <strong>van</strong> adequate noodverlichting en<br />
vluchtwegverlichting conform NEN-EN 1838.<br />
Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />
Toelichting: in kleine besloten ruimten en bij overzichtelijke opslagvoorzieningen in de buitenlucht,<br />
kan <strong>van</strong> deze eis worden afgeweken.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 30/84
3.23 Verwarming Wm, AI<br />
3.23.1 Indien verwarming plaatsvindt, moet dit door middel <strong>van</strong> een centrale verwarmingsinstallatie of<br />
verwarmingstoestellen waar<strong>van</strong> de verbrandingsruimte niet in open verbinding staat of kan worden<br />
gebracht met de opslagvoorziening en waar<strong>van</strong> de delen, die in direct contact staan met deze plaats geen<br />
hogere oppervlaktetemperatuur hebben dan 250 °C, en waarbij aanraking <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong> met<br />
deze delen is uitgesloten of door een verwarmingstoestel dat voldoet aan NEN 1078 en aan NPR 3378-23<br />
(nl).<br />
3.24 Nooddouche en oogspoelvoorziening AI<br />
3.24.1 Indien <strong>stoffen</strong> behorende tot verpakkingsgroep I worden opgeslagen, meer dan 2.500 kg<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen of indien in de opslagvoorziening vorkheftrucks worden<br />
gebruikt, moeten in of nabij een betreedbare opslagvoorziening een nooddouche en een<br />
oogspoelvoorziening aanwezig zijn die te allen tijde goed bereikbaar zijn.<br />
Een nooddouche moet zijn aangesloten op het waterleidingnet en voldoende capaciteit hebben.<br />
Een oogspoelvoorziening moet:<br />
- voldoende snel bereikbaar zijn in geval <strong>van</strong> een ongeval;<br />
- eenvoudig bedienbaar zijn;<br />
- zodanig zijn uitgevoerd dat zonodig beide ogen voldoende lang gespoeld kunnen worden;<br />
- zodanig zijn uitgevoerd dat indien de ogen worden gespoeld, deze wel snel worden gereinigd, maar<br />
niet worden beschadigd.<br />
Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />
Toelichting:<br />
De richtwaarde voor de capaciteit <strong>van</strong> een nooddouche is 80 l/min. Indien uit de RI&E blijkt dat een<br />
nooddouche niet noodzakelijk is, kan <strong>van</strong> dit voorschrift worden afgeweken. Een oogspoelvoorziening<br />
kan worden gerealiseerd door een op de waterleiding aangesloten oogdouche.<br />
3.25 Persoonlijke beschermingsmaatregelen AI<br />
3.25.1 Indien in een opslagvoorziening gevaar voor de veiligheid of de gezondheid <strong>van</strong> een<br />
werknemer aanwezig is of kan ontstaan, moeten voor werknemers die aan dat gevaar blootstaan of<br />
kunnen blootstaan persoonlijke beschermingsmiddelen in voldoende aantal beschikbaar zijn en moet<br />
ervoor worden gezorgd dat werknemers, indien daartoe aanleiding is, die middelen gebruiken.<br />
Persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden onderhouden, gerepareerd en zindelijk worden<br />
gehouden.<br />
Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />
Toelichting:<br />
Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn mede bedoeld om personen te beschermen bij onvoorziene<br />
voorvallen en incidenten met verpakkingen. Bij persoonlijke beschermingsmiddelen welke aan een<br />
houdbaarheidsdatum zijn gerelateerd mag de op de verpakking vermelde houdbaarheidsdatum niet<br />
overschreden worden. Persoonlijke beschermingsmiddelen moeten te allen tijde voor een ieder<br />
duidelijk zichtbaar, gemakkelijk bereikbaar en voor direct gebruik gereed zijn.<br />
Alvorens een persoonlijk beschermingsmiddel te kiezen maakt de werkgever, in het kader <strong>van</strong> de<br />
risico-inventarisatie en evaluatie, een beoordeling <strong>van</strong> de uitrusting die hij voornemens is ter<br />
beschikking te stellen. Deze beoordeling omvat:<br />
a. een inventarisatie en evaluatie <strong>van</strong> de gevaren die niet met andere middelen vermeden<br />
kunnen worden;<br />
b. een omschrijving <strong>van</strong> de kenmerken die de persoonlijke beschermingsmiddelen moeten<br />
bezitten om de onder a vermelde gevaren te kunnen onder<strong>van</strong>gen, rekening houdend met<br />
eventuele gevaarsbronnen die de persoonlijke beschermingsmiddelen zelf kunnen vormen;<br />
c. een inventarisatie en evaluatie <strong>van</strong> de kenmerken <strong>van</strong> de betreffende persoonlijke<br />
beschermingsmiddelen die beschikbaar zijn, vergeleken met de onder b bedoelde<br />
kenmerken.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 31/84
3.26 Bedrijfshulpverlening (BHV) AI<br />
3.26.1 Conform de Arbowet en het Arbobesluit moet elke organisatie beschikken over een<br />
deskundige bedrijfshulpverleningsorganisatie.<br />
Het verlenen <strong>van</strong> deskundige bijstand op het gebied <strong>van</strong> bedrijfshulpverlening houdt in elk geval in:<br />
a. het verlenen <strong>van</strong> eerste hulp bij ongevallen;<br />
b. het beperken en het bestrijden <strong>van</strong> brand en het voorkomen en beperken <strong>van</strong> ongevallen;<br />
c. het in noodsituaties alarmeren en evacueren <strong>van</strong> alle werknemers en andere personen in het bedrijf<br />
of de inrichting;<br />
d. het alarmeren <strong>van</strong> en samenwerken met hulpverleningsorganisaties in verband met de in de<br />
onderdelen a tot en met c bedoelde bijstand.<br />
De bedrijfshulpverleners beschikken over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting, zijn<br />
zodanig in aantal en zodanig georganiseerd dat zij de voornoemde taken naar behoren kunnen<br />
vervullen.<br />
Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />
3.27 Hygiëne, good housekeeping AI<br />
3.27.1 De werkgever stelt regels en procedures vast voor het omgaan met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>,<br />
reiniging <strong>van</strong> de werkplek en persoonlijke hygiëne waaraan de medewerkers zich moeten houden. De<br />
werkgever ziet toe op de naleving <strong>van</strong> deze procedures en regels.<br />
De werkgever richt voorzieningen in en verstrekt middelen (werkkleding) aan werknemers voor een<br />
optimale hygiëne op plaatsen waar <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aanwezig zijn.<br />
Indien op de arbeidsplaats <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aanwezig zijn, wordt de grootst mogelijke zorgvuldigheid<br />
en ordelijkheid in acht genomen en er is sprake <strong>van</strong> good-housekeeping.<br />
Werk- en opslagruimten worden zo schoon mogelijk gehouden. In werk- en opslagruimten wordt niet<br />
gerookt, gegeten of gedronken en geen voedsel bewaard.<br />
Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 32/84
4 <strong>Opslag</strong>voorzieningen groter dan 10.000 kg.<br />
4.1 Inleiding<br />
In dit hoofdstuk zijn voorschriften opgenomen voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in<br />
hoeveelheden <strong>van</strong> meer dan 10.000 kg.<br />
De voorschriften uit hoofdstuk 3 Algemeen zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op deze opslagvoorzieningen.<br />
Zeer giftige <strong>stoffen</strong> (ADR-klasse 6.1 verpakkingsgroep I of <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 8, verpakkingsgroep I,<br />
met aanvullend etiket modelnr. 6.1) moeten <strong>van</strong>af een hoeveelheid <strong>van</strong> 1.000 kg worden opgeslagen in<br />
een opslagvoorziening zoals beschreven in dit hoofdstuk.<br />
De opslag <strong>van</strong> containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (zie hoofdstuk 5), de opslag <strong>van</strong> gasflessen, spuitbussen<br />
en gaspatronen (zie hoofdstuk 6 en 7), de opslag <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klassen 4 (zie hoofdstuk 8) en 5.2<br />
(zie hoofdstuk 9) vallen niet onder hoofdstuk 4.<br />
Het belangrijkste verschil tussen enerzijds de voorschriften voor opslagen tot 10 ton en anderzijds die voor<br />
opslagen groter dan 10 ton, is dat voor de eerste categorie volstaan kan worden met bouwkundige<br />
voorzieningen, gescheiden op<strong>van</strong>gfaciliteiten (productop<strong>van</strong>g) en brandpreventieve maatregelen. Bij<br />
opslagen groter dan 10 ton zijn veelal verdergaande voorzieningen noodzakelijk met betrekking tot<br />
brandbestrijding, met betrekking tot de op<strong>van</strong>g <strong>van</strong> bluswater en organisatorische maatregelen.<br />
De voorschriften voor opslaghoeveelheden groter dan 10 ton met betrekking tot brandpreventie en<br />
bluswaterop<strong>van</strong>g zijn onderverdeeld in drie zogeheten beschermingsniveaus:<br />
- Beschermingsniveau 1 kenmerkt zich door een doelmatige detectie in geval <strong>van</strong> brand en een blussing<br />
die binnen korte tijd (semi-)automatisch wordt ingezet.<br />
- Bij beschermingsniveau 2 moet evenzeer een beheersing en blussing <strong>van</strong> een brand mogelijk zijn door<br />
een goed voorbereide blusactie. In deze situaties wordt echter geaccepteerd dat de blusactie niet<br />
‘automatisch’ wordt ingezet.<br />
- Beschermingsniveau 3 betreft situaties waarin de kans op een (om<strong>van</strong>grijke) brand klein wordt geacht.<br />
Verdergaande eisen met betrekking tot brandpreventie en bluswaterop<strong>van</strong>g worden dan niet als een<br />
redelijkerwijs te verlangen maatregel beschouwd. Volstaan kan worden met maatregelen in de<br />
preventieve sfeer, welke overigens ook gelden voor de beschermingsniveaus 1 en 2.<br />
4.2 Bereikbaarheid opslagvoorziening Wm<br />
4.2.1 De opslagvoorziening moet goed bereikbaar zijn voor voertuigen ten behoeve <strong>van</strong> de bestrijding <strong>van</strong><br />
calamiteiten. Toegangsdeuren tot een opslagvoorziening en eventuele aansluitpunten voor blussystemen<br />
moeten te allen tijde vrij worden gehouden.<br />
4.3 Scheiding tussen de vakken Wm, AI<br />
4.3.1 De in een opslagvoorziening aanwezige <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten in vakken zijn<br />
opgeslagen. Scheiding tussen vakken kan plaatsvinden door:<br />
- een gangpad <strong>van</strong> ten minste 3,5 m;<br />
- een scheidingsconstructie met een WBDBO <strong>van</strong> ten minste 30 minuten.<br />
Indien een scheidingsconstructie tussen twee vakken is aangebracht, mogen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> niet hoger<br />
worden gestapeld dan tot 0,5 m onder de bovenrand <strong>van</strong> een scheidingsconstructie. Bovendien mogen<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> niet worden opgeslagen binnen 0,5 m <strong>van</strong> de open zijde <strong>van</strong> het vak.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 33/84
Toelichting: In hoogstapelmagazijnen wordt de maximale vakgrootte en de wijze waarop vakken worden<br />
gerealiseerd, bepaald door de ontwerpeisen <strong>van</strong> de automatische blusinstallatie en de wijze waarop deze<br />
zijn vastgelegd in het PvE.<br />
4.3.2 Indien in een vak <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 of vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt tussen 61 °C en 100 °C in<br />
niet metalen verpakking zijn opgeslagen, moeten voorzieningen zijn getroffen om te voorkomen dat<br />
product of bluswater kan uitstromen naar naastgelegen vakken.<br />
Toelichting: Naast het voorkomen <strong>van</strong> brandoverslag naar een ander vak moet een vak zodanig zijn<br />
ontworpen en uitgevoerd dat lekvloeistof en bluswater niet naar een ander vak kan uitstromen.<br />
Afvoervoorzieningen moeten zodanig zijn ontworpen dat een brandende vloeistof zich niet brandend buiten<br />
een opslagvoorziening kan begeven.<br />
Indien een vak niet aan deze uitgangspunten voldoet, moeten voorzieningen voor product- en<br />
bluswaterop<strong>van</strong>g worden gedimensioneerd op basis <strong>van</strong> het totale oppervlak <strong>van</strong> een opslagvoorziening.<br />
4.4 Vakindeling en maximum oppervlak opslagvoorziening Wm, AI<br />
4.4.1 De grootte <strong>van</strong> een overeenkomstig voorschrift 4.3.1 afgescheiden vak mag ten hoogste 300 m²<br />
bedragen.<br />
4.4.2 Het vloeroppervlak <strong>van</strong> een opslagvoorziening mag ten hoogste 2.500 m² bedragen.<br />
Toelichting: Het Bouwbesluit 2003 schrijft in beginsel (voor nieuwbouw) voor dat industriegebouwen<br />
moeten zijn ingedeeld in brandcompartimenten met een gebruiksoppervlakte <strong>van</strong> niet meer dan 1.000 m².<br />
Bij opslagvoorzieningen met een gebruiksoppervlakte <strong>van</strong> meer dan 1.000 m² moet er rekening mee<br />
worden gehouden dat in het kader <strong>van</strong> de bouwvergunning of de gebruiksvergunning voor wat betreft de<br />
veiligheid <strong>van</strong> het grote brandcompartiment ten genoegen <strong>van</strong> het gemeentelijk bevoegd gezag moet<br />
worden aangetoond dat een gelijkwaardige veiligheid is verkregen als met het Bouwbesluit 2003 is<br />
beoogd. Dit kan door middel <strong>van</strong> een onderzoeksrapport volgens de "Methode Beheersbaarheid <strong>van</strong><br />
Brand". Voor wat betreft de milieuaspecten bij een brand in een groot brandcompartiment kan een dergelijk<br />
onderzoek ook worden verlangd in het kader <strong>van</strong> de vergunning Wet milieubeheer.<br />
4.5 Beschermingsniveaus Wm, AI<br />
4.5.1 In een opslagvoorziening moet, afhankelijk <strong>van</strong> de eigenschappen <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong>, het verpakkingsmateriaal en de opgeslagen hoeveelheid opgeslagen <strong>stoffen</strong>, een overeenkomstig<br />
tabel 4 bepaald beschermingsniveau zijn gerealiseerd.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 34/84
Tabel 4: Vereiste beschermingsniveaus voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Brandbaarheid<br />
Gevaar conform de<br />
klasse zonder<br />
bijkomend gevaar**<br />
Vlampunt<br />
≤ 61˚ C<br />
Vlampunt<br />
> 61˚ C en<br />
≤ 100˚ C<br />
Vlampunt<br />
> 100˚ C<br />
Brandbare<br />
vaste<br />
<strong>stoffen</strong><br />
Onbrandbare<br />
<strong>stoffen</strong> (vast,<br />
vloeibaar, gas)<br />
3 1/1 of 2/2* - - - -<br />
5.1 - - - - 3/3<br />
6.1 1/1 1/2 2/3 2/3 3/3<br />
6.2 (cat. 13 en 14)<br />
8 1/1 of 2/2* 2/2 2/3 3/3 3/3<br />
9 - 1/2 2/3 3/3 3/3<br />
CMR-<strong>stoffen</strong> 1/1 1/2 2/3 2/3 3/3<br />
* In deze gevallen mag beschermingsniveau 2 worden toegepast indien minder dan 100 ton in een<br />
opslagvoorziening wordt opgeslagen. Deze uitzondering geldt voor de klasse 3 alleen indien het<br />
verpakkingsgroep II of III betreft. Daarnaast zal deze uitzondering kritisch beoordeeld worden door het<br />
bevoegd gezag en de lokale brandweer op onder meer aspecten als de noodzakelijke veel grotere<br />
bluswaterop<strong>van</strong>g, het grotere indirect ruimte beslag op grond <strong>van</strong> het BEVI, de gevolgen <strong>van</strong> de<br />
vuurbelasting in geval <strong>van</strong> brand voor de omgeving, opslaglocatie schuimvormend middel en<br />
inzetbaarheid lokale brandweer.<br />
** voor <strong>stoffen</strong> met een bijkomend gevaar moet ook het bijkomend gevaar worden beoordeeld. Voor de<br />
betreffende stof geldt het zwaarste beschermingsniveau. Per vak zijn twee cijfers (1/1, 2/3, etc)<br />
genoemd. Het eerste getal betreft het vereiste beschermingsniveau voor <strong>stoffen</strong> in niet-metalen<br />
verpakkingen. Het tweede getal betreft het vereiste beschermingsniveau voor metalen verpakkingen.<br />
Toelichting: Indien in een opslagvoorziening <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> met verschillende eigenschappen zijn<br />
opgeslagen, moet het overeenkomstig voorschrift 4.5.1 vastgestelde beschermingsniveau zijn gebaseerd<br />
op de combinatie <strong>van</strong> de grootste gevaarseigenschappen <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>.<br />
Indien een opslagvoorziening zowel <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in metalen verpakking als in niet metalen<br />
verpakking aanwezig is, moet het noodzakelijke beschermingsniveau zijn gebaseerd op niet-metalen<br />
verpakking. Indien in een opslagvoorziening niet ADR-geclassificeerde <strong>stoffen</strong> aanwezig zijn, moet de<br />
brandbaarheid <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> ook worden meegewogen bij het vaststellen <strong>van</strong> het vereiste<br />
beschermingsniveau, tenzij de betreffende <strong>stoffen</strong> in een apart vak zijn opgeslagen.<br />
4.5.2 Bij het vaststellen <strong>van</strong> het vereiste beschermingsniveau, moeten per opslagvoorziening de in tabel 5<br />
genoemde grenswaarden zijn aangehouden, waarboven met een stofklasse of verpakkingsmateriaal<br />
rekening moet worden gehouden, waarbij geldt dat in het geval <strong>van</strong> een bijkomend gevaar het gevaar met<br />
de laagste grenswaarde bepalend is.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 35/84
Tabel 5: grenswaarden voor het vaststellen <strong>van</strong> een beschermingsniveau<br />
Gevaar conform<br />
klasse zonder<br />
bijkomend<br />
gevaar*<br />
Omschrijving en specificatie<br />
Grenswaard<br />
e (kg)<br />
3 Brandbare vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt tot 61 ºC 400<br />
- Brandbare vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt tussen 61 ºC en 1.000<br />
100 ºC<br />
- Brandbare vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt groter dan 100 2.500<br />
ºC<br />
Brandbare vaste <strong>stoffen</strong> 2.500<br />
Totale hoeveelheid brandbare <strong>stoffen</strong> (vast en vloeibaar) 2.500<br />
5.1 Oxiderende <strong>stoffen</strong> 2.500<br />
6.1 Giftige <strong>stoffen</strong> 2.500<br />
8 Bijtende <strong>stoffen</strong> 2.500<br />
9 Milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 2.500<br />
CMR-<strong>stoffen</strong> 2.500<br />
Totale hoeveelheid giftige, bijtende en milieu<strong>gevaarlijke</strong> 2.500<br />
<strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong><br />
Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> in niet-metalen verpakkingen 2.500<br />
* voor <strong>stoffen</strong> met een bijkomend gevaar moet ook het bijkomend gevaar worden beoordeeld. Voor de<br />
betreffende stof geldt de laagste grenswaarde.<br />
Toelichting: met dit voorschrift wordt voorkomen dat een beperkte hoeveelheid <strong>van</strong> een stof al leidt tot het<br />
voor die stof noodzakelijke beschermingsniveau.<br />
4.6 Bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen Wm<br />
4.6.1 Indien in een opslagvoorziening conform voorschrift 4.5.1 beschermingsniveau 1 moet zijn<br />
gerealiseerd, moet de nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit worden bepaald met behulp <strong>van</strong> de in bijlage 5<br />
vermelde parameters.<br />
Indien <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen <strong>van</strong> de klasse 6.1 of een overeenkomstig bijkomend gevaar hebben, <strong>stoffen</strong><br />
<strong>van</strong> de klasse 9 (milieugevaarlijk) of CMR-<strong>stoffen</strong>, moet de werkelijke grootte <strong>van</strong> de<br />
bluswaterop<strong>van</strong>gvoorziening ten minste gelijk zijn aan de nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit (100%).<br />
Indien <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen <strong>van</strong> de klasse 8, moet de werkelijke grootte <strong>van</strong> de<br />
bluswaterop<strong>van</strong>gvoorziening ten minste 50 % bedragen <strong>van</strong> de nominale capaciteit.<br />
Indien <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen <strong>van</strong> de klasse 3 , moet de werkelijke grootte <strong>van</strong> de<br />
bluswaterop<strong>van</strong>gvoorziening ten minste 25 % bedragen <strong>van</strong> de nominale capaciteit.<br />
Afhankelijk <strong>van</strong> de wijze waarop een vak is gescheiden <strong>van</strong> andere vakken moet een veiligheidsfactor<br />
worden gehanteerd (zie bijlage 5).<br />
4.6.2 Indien in een opslagvoorziening conform voorschrift 4.5.1 beschermingsniveau 2 moet zijn<br />
gerealiseerd, moet de nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit worden berekend aan de hand <strong>van</strong> inzettijd<br />
<strong>van</strong> de lokale brandweer of bedrijfsbrandweer.<br />
Indien de brandweer aantoonbaar binnen 15 minuten inzetbaar is, bedraagt de nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
0,5 m 3 / m 2 vak. Indien de brandweer aantoonbaar binnen 6 minuten inzetbaar is, bedraagt de nominale<br />
op<strong>van</strong>gcapaciteit 0,3 m 3 /m 2 vak.<br />
Afhankelijk <strong>van</strong> de wijze waarop een vak is gescheiden <strong>van</strong> andere vakken moet een veiligheidsfactor<br />
worden gehanteerd (zie bijlage 5).<br />
Indien in een opslagvoorziening waar beschermingsniveau 2 moet zijn gerealiseerd, <strong>stoffen</strong> zijn<br />
opgeslagen <strong>van</strong> de klasse 3 of een overeenkomstig bijkomend gevaar, <strong>van</strong> de klasse 6.1 of een<br />
overeenkomstig bijkomend gevaar, <strong>van</strong> de klasse 9 (milieugevaarlijk) of CMR-<strong>stoffen</strong>, moet de werkelijke<br />
grootte <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gvoorziening ten minste gelijk zijn aan de nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
(100%). Indien <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen <strong>van</strong> klasse 8 moet de werkelijke grootte <strong>van</strong> de<br />
bluswaterop<strong>van</strong>gvoorziening ten minste 50% bedragen <strong>van</strong> de nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 36/84
4.6.3 Indien de bluswaterafvoer <strong>van</strong> meerdere opslagvoorzieningen is aangesloten op één centrale<br />
op<strong>van</strong>gvoorziening kan de op<strong>van</strong>gcapaciteit worden gedimensioneerd op de grootste opslagvoorziening.<br />
Dit geldt niet indien de bluswaterop<strong>van</strong>gvoorziening in de opslagvoorziening zelf is gerealiseerd.<br />
4.7 Productop<strong>van</strong>g Wm<br />
4.7.1 In de opslagvoorziening moet de productop<strong>van</strong>gcapaciteit zijn berekend aan de hand <strong>van</strong> tabel 6.<br />
Tabel 6: Productop<strong>van</strong>gcapaciteit per beschermingsniveau<br />
Beschermingsniveau 1<br />
Beschermingsniveau 2<br />
Vlampunt ≤ 61 ºC Vlampunt > 61 ºC<br />
100 % <strong>van</strong> de aanwezige<br />
vloei<strong>stoffen</strong> in het grootste vak,<br />
10 % indien de aanwezige<br />
vloei<strong>stoffen</strong> zich uitsluitend in<br />
metalen verpakking bevinden<br />
100 % <strong>van</strong> de aanwezige<br />
vloei<strong>stoffen</strong> in de<br />
opslagvoorziening<br />
10 % <strong>van</strong> de aanwezige<br />
vloei<strong>stoffen</strong> in het grootste vak<br />
10 % <strong>van</strong> de aanwezige<br />
vloei<strong>stoffen</strong> in de<br />
opslagvoorziening<br />
Beschermingsniveau 3 n.v.t. 10 % <strong>van</strong> de aanwezige<br />
vloei<strong>stoffen</strong> in het grootste vak<br />
Toelichting: de totaal benodigde op<strong>van</strong>gcapaciteit wordt bepaald door de som <strong>van</strong><br />
bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit en productop<strong>van</strong>gcapaciteit. Dit mag in dezelfde op<strong>van</strong>gvoorziening zijn<br />
gerealiseerd.<br />
4.8 Brandbeveiligingsinstallaties Wm, AI<br />
4.8.1 Algemeen<br />
4.8.1.1 Indien overeenkomstig voorschrift 4.5.1 in een opslagvoorziening beschermingsniveau 1 moet zijn<br />
gerealiseerd, moet een geschikte brandbeveiligingsinstallatie aanwezig zijn die bedrijfsgereed is.<br />
Toelichting: In bijlage 5 is een overzicht gegeven <strong>van</strong> de gangbare brandbeveiligingsinstallaties.<br />
Bovendien zijn in deze bijlage belangrijke kenmerken <strong>van</strong> deze brandbeveiligingsinstallaties beschreven.<br />
4.8.1.2 Indien overeenkomstig voorschrift 4.5.1 in een opslagvoorziening beschermingsniveau 2 moet zijn<br />
gerealiseerd, moet een brandbeveiligingsinstallatie aanwezig zijn die bedrijfsgereed is en die ten minste<br />
bestaat uit de volgende voorzieningen en maatregelen:<br />
- in de opslagvoorziening moet een snel branddetectiesysteem zijn geïnstalleerd;<br />
- de lokale brandweer moet binnen 15 minuten inzetbaar zijn, dan wel binnen de inrichting moet een<br />
bedrijfsbrandweer aanwezig zijn;<br />
- in de opslagvoorziening moet een rook- en warmteafvoerinstallatie (RWA) zijn aangebracht;<br />
- in de inrichting moet nabij de opslagvoorziening een voorraad schuimvormend middel aanwezig<br />
zijn omdat bij een mogelijke blussing uitgegaan moet worden <strong>van</strong> toepassing <strong>van</strong> schuim;<br />
- de in tabel 7 genoemde maximale oppervlakken voor opslagvoorziening en vakgrootte moeten<br />
worden gehanteerd.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 37/84
Tabel 7: Maximale oppervlakken opslagvoorziening en vakgrootte bij beschermingsniveau 2<br />
Hoeveelheid<br />
brandbare<br />
vloei<strong>stoffen</strong> in kg<br />
Maximaal toegestaan oppervlak in m 2 <strong>van</strong> de<br />
opslagvoorziening bij beschermingsniveau 2<br />
Niet metaal (vakgrootte Metaal (vakgrootte<br />
maximaal 100 m 2 )<br />
maximaal 300 m 2 )<br />
≤ 61 ºC > 61ºC ≤ 61 ºC > 61 ºC<br />
≤ 2.500 1.500 1.500 1.500 2.500<br />
> 2.500 800 800 800 1.500<br />
Toelichting: Tabel 7 geeft samenvattend weer wat het maximale vloeroppervlak <strong>van</strong> een opslagvoorziening<br />
mag zijn die is uitgevoerd op beschermingsniveau 2.<br />
Ten eerste is het <strong>van</strong> belang hoe groot de maximale hoeveelheid brandbare vloei<strong>stoffen</strong> is en of het<br />
vloei<strong>stoffen</strong> betreft met een vlampunt hoger of lager dan 61 ºC. Vervolgens is het <strong>van</strong> belang of deze<br />
brandbare vloei<strong>stoffen</strong> in metalen of in niet-metalen verpakking worden opgeslagen.<br />
Naarmate het vlampunt <strong>van</strong> de brandbare vloei<strong>stoffen</strong> hoger is, en indien deze vloei<strong>stoffen</strong> in metalen<br />
verpakking worden opgeslagen, mogen grotere vakgroottes en grote vloeroppervlaktes <strong>van</strong> de<br />
opslagvoorziening worden toegepast.<br />
4.8.2 Beoordeling, certificatie en goedkeuring <strong>van</strong> brandbeveiligingsinstallaties<br />
4.8.2.1 De uitgangspunten voor ontwerp, aanleg, onderhoud, beheer, opleveringsinspectie en periodieke<br />
inspectie <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallatie moeten zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag, voordat<br />
met de aanleg <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallatie wordt begonnen.<br />
Toelichting: In CPR 15-2 werd in plaats <strong>van</strong> “uitgangspunten” de term “Programma <strong>van</strong> Eisen” gebruikt.<br />
Momenteel wordt door betrokken partijen en in overleg met de Raad voor de Accreditatie een nieuwe<br />
accreditatie- en certificatiemethodiek voorbereid. Zodra deze methodiek in de praktijk werkt, zal de<br />
terminologie in deze voorschriften worden aangepast.<br />
Het bevoegd gezag zendt, in geval <strong>van</strong> goedkeuring, een overeenkomstige verklaring aan de houder <strong>van</strong><br />
de inrichting.<br />
Bijlage 6 bevat een overzicht <strong>van</strong> ontwerpnormen voor brandbeveiligingsinstallaties.<br />
4.8.2.2 Een opslagvoorziening voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> mag niet eerder in gebruik worden<br />
genomen dan nadat een goedkeurend inspectierapport door een voor deze verrichting geaccrediteerde<br />
inspectie A-instelling is afgegeven of nadat een certificaat door een daartoe op basis <strong>van</strong> EN 45011 door<br />
de Raad voor Accreditatie 1 geaccrediteerde certificatie-instelling is afgegeven. De inspectie-instelling moet<br />
op basis <strong>van</strong> NEN-EN-ISO/IEC 17020 zijn geaccrediteerd door de Stichting Raad voor Accreditatie. Uit het<br />
goedkeurend inspectierapport of het certificaat moet blijken dat de brandbeveiligingsinstallatie is<br />
aangelegd en opgeleverd conform de door het bevoegd gezag goedgekeurde uitgangspunten als bedoeld<br />
in voorschrift 4.8.2.1.Het goedkeurend inspectierapport of het certificaat moet binnen de inrichting<br />
aanwezig zijn.<br />
4.8.2.3 Iedere twaalf maanden, of korter indien de ontwerpnorm dat voorschrijft, na aanleg <strong>van</strong> de<br />
brandbeveiligingsinstallatie moet door een inspectie-instelling als bedoeld in voorschrift 4.8.2.2 worden<br />
beoordeeld of de brandbeveiligingsinstallatie functioneert en is onderhouden conform de door het bevoegd<br />
gezag goedgekeurde uitgangspunten. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig. Een<br />
opslagvoorziening mag niet in gebruik zijn indien uit een inspectierapport blijkt dat een<br />
brandbeveiligingsinstallatie niet voldoet aan de door het bevoegd gezag goedgekeurde uitgangspunten.<br />
1 of door een accreditatie-instelling in een andere lidstaat <strong>van</strong> de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de<br />
overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die aan ten minste een gelijkwaardig niveau voldoet.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 38/84
5 Voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> containers<br />
geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
5.1 Inleiding<br />
De opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en bestrijdingsmiddelen bij havenvemen en stukgoedbedrijven in<br />
havens was uitgezonderd in de richtlijnen CPR 15-1 en CPR 15-2. Voor deze categorie <strong>van</strong> bedrijven is<br />
“De Leidraad voor vergunningverlening voor opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> bij<br />
stuwadoorsbedrijven” opgesteld. Deze leidraad is verschenen in 1993.<br />
Bij de totstandkoming <strong>van</strong> PGS 15 is ook bovengenoemde leidraad herzien en geïntegreerd in PGS 15.<br />
Deze herziening is vastgelegd in hoofdstuk 5: “voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> containers geladen met<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>”. Dit hoofdstuk handelt over het zogenaamde “nederleggen tijdens transport” en niet om<br />
de stationaire opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een container.<br />
Gebleken is dat in de afgelopen jaren de overslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> karakter is<br />
veranderd. Voorheen vond nog veel stukgoed overslag plaats. Met stukgoed wordt hier bedoeld goederen<br />
die niet in (ISO-)containers zijn geborgen (enkelvoudige emballage). Omdat overslag <strong>van</strong> stukgoed sterk is<br />
teruggelopen is ook de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> buiten loodsen vrijwel verdwenen.<br />
Tegenwoordig wordt een zeer groot deel <strong>van</strong> de goederen in containers vervoerd. Hoofdstuk 5 beperkt<br />
zich tot de activiteiten met containers in de volgende typen bedrijven:<br />
- Container terminals (bedrijven waar containers <strong>van</strong> en op schepen worden geplaatst en waar<br />
uitwisseling plaatsvindt tussen een of meer vervoersmodaliteiten);<br />
- Ro-ro terminals (bedrijven waar trailers en containers op chassis <strong>van</strong> en op schepen worden geladen<br />
en gelost; het gaat bij deze bedrijven veelal om short-sea vervoer);<br />
- Railservices centra (railservice centra zijn gespecialiseerd in het laden en lossen <strong>van</strong> trailers en<br />
containers, eventueel op chassis, <strong>van</strong> treinen op andere treinen of het wegvervoer);<br />
- Inland terminals (inland terminals zijn gespecialiseerd in de overslag <strong>van</strong> trailers en containers,<br />
eventueel op chassis, tussen binnenvaart, weg of spoor).<br />
Samenhang met hoofdstuk 3 Algemeen<br />
De paragrafen 3.6, 3.17 t/m 3.20 en 3.24 t/m 3.26 <strong>van</strong> hoofdstuk 3 zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op<br />
opslagplaatsen voor containers geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
5.2 Algemeen Wm, AI<br />
5.2.1 In de inrichting mogen uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen, die krachtens de Wet<br />
vervoer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> voor het vervoer zijn toegelaten.<br />
5.2.2 (Tank)containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten tegen aanrijding zijn beschermd door<br />
organisatorische of fysieke maatregelen.<br />
Toelichting:<br />
Het betreft hier bijvoorbeeld technische maatregelen als aanrijdbescherming op risicovolle plaatsen of<br />
organisatorische maatregelen als routering <strong>van</strong> voertuigen binnen de inrichting.<br />
5.2.3 In de inrichting moet een actueel handboek aanwezig zijn. De te onderscheiden onderwerpen<br />
moeten zijn uitgewerkt in concrete procedures of werkinstructies. Het handboek moet actueel worden<br />
gehouden. De volgende onderwerpen moeten ten minste in het handboek zijn opgenomen:<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 39/84
- de voorschriften <strong>van</strong> de Wet milieubeheervergunning(en);<br />
- een overzicht <strong>van</strong> opleidingen en trainingen op het gebied <strong>van</strong><br />
- het bedienen <strong>van</strong> transportmaterieel, de voorbereiding op noodsituaties, de kennis <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong>;<br />
- taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;<br />
- het interne noodplan;<br />
- het uitvoeren <strong>van</strong> bedrijfsinterne inspecties.<br />
5.2.4 Materieel voor het vervoeren <strong>van</strong> containers moet zodanig zijn ontworpen, onderhouden en worden<br />
gebruikt, dat een veilige behandeling <strong>van</strong> containers voldoende is gewaarborgd.<br />
Toelichting: Voor kranen en alle hijsmiddelen gelden de verplichtingen in het kader <strong>van</strong> de<br />
arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />
5.3 Blusleidingen en brandkranen Wm<br />
5.3.1 In de inrichting moeten blusleidingen en brandkranen aanwezig zijn. De afstand tussen de<br />
brandkranen onderling mag ten hoogste 200 meter bedragen. Indien zich tussen de brandkranen opstallen<br />
bevinden of goederen aanwezig zijn, moet deze afstand ten hoogste 80 m bedragen. Een brandkraan<br />
moet zijn aangesloten op een waterleiding of een ander gelijkwaardig watertoevoersysteem. De<br />
toevoercapaciteit moet ten minste 3.000 liter per minuut bedragen, zodat bij gelijktijdig gebruik <strong>van</strong> twee<br />
brandkranen een waterlevering per brandkraan <strong>van</strong> 1.500 liter per minuut bij een minimale dynamische<br />
druk <strong>van</strong> 100 kPa constant verzekerd is. Een brandkraan moet te allen tijde vrij gehouden worden.<br />
Toelichting:<br />
- in het operationele gebied moeten bij voorkeur bovengrondse brandkranen worden toegepast; nabij<br />
kantoren zijn eventueel ook ondergrondse hydranten in overleg met de plaatselijke brandweer<br />
toegestaan;<br />
- combineren <strong>van</strong> lichtmasten en brandkranen heeft de voorkeur mits wordt voldaan aan de vereiste<br />
afstanden tussen de brandkranen onderling.<br />
5.3.2 De blusleidingen moeten volledig als een ringleiding worden aangelegd. Blokafsluiters moeten<br />
aanwezig zijn om delen <strong>van</strong> het bluswaternet bij storingen, onderhoud of leidingbreuk te kunnen afsluiten<br />
zodanig dat het bluswaternet altijd gebruikt kan worden. Ondergrondse stalen bluswaterleidingen moeten<br />
corrosiewerend zijn uitgevoerd.<br />
5.3.3 Ondergrondse brandkranen moeten voldoen aan NEN 947. Bovengrondse brandkranen moeten<br />
voldoen aan DIN 3222.<br />
5.3.4 Brandkranen moeten elke drie jaar door een deskundige worden gecontroleerd op de vereiste<br />
waterdruk en wateropbrengst. De meetmethode moet voordat de meting wordt uitgevoerd in overleg met<br />
de gemeentelijke brandweer worden vastgesteld. Van de resultaten en bijzonderheden <strong>van</strong> de meting<br />
moet een rapport worden opgemaakt. Dit rapport moet in de inrichting ter inzage liggen. Bovendien<br />
moeten de brandkranen en de ondergrondse leidingen tweemaal per jaar worden doorgespoeld.<br />
5.4 Bereikbaarheid terrein Wm<br />
5.4.1 Het terrein <strong>van</strong> de inrichting moet via twee zover mogelijk uit elkaar gelegen zijden te allen tijde<br />
toegankelijk zijn voor hulpverlenende diensten. De minimale breedte <strong>van</strong> de toegangswegen moet 3,5<br />
meter zijn. Het terrein moet ontoegankelijk zijn voor onbevoegden.<br />
5.5 Middelen en maatregelen in geval <strong>van</strong> calamiteiten Wm, AI<br />
5.5.1 Bij de toegangspoort <strong>van</strong> de inrichting moet een duidelijk leesbare instructie zijn aangebracht met<br />
betrekking tot de veiligheidshandelingen, de eerste hulp bij ongevallen en een alarmregeling.<br />
5.5.2 Het personeel dat toegang heeft tot de inrichting moet op de hoogte zijn <strong>van</strong> de aard en de<br />
gevaarsaspecten <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en de te nemen maatregelen bij<br />
onregelmatigheden. Deze personen moeten tevens voldoende op de hoogte zijn <strong>van</strong> het interne noodplan.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 40/84
5.5.3 In de inrichting moeten voldoende middelen voorhanden zijn om in geval <strong>van</strong> een incident met<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> onmiddellijk de nodige maatregelen te kunnen nemen. Onder deze middelen wordt<br />
onder meer begrepen:<br />
- onafhankelijke en afhankelijke adembescherming (ten minste 2 ademluchttoestellen met bijbehorende<br />
uitrusting en aangepaste filterbussen);<br />
- beschermende kleding, veiligheidsbrillen, rubberen of plastic handschoen en laarzen;<br />
- overmaatse vaten of bergingsverpakkingen afgestemd op de grootste aanwezige verpakkingen (niet<br />
zijnde tankcontainers), ten minste 2 stuks;<br />
- vatensleutels en bondels, bezem en schop;<br />
- reparatiemiddelen, zoals kunstharspasta, kleefband en plastic zakken;<br />
- materiaal om rioolputten af te dekken;<br />
- een vatenpomp met slangen, waarmee op eenvoudige wijze de inhoud <strong>van</strong> een vat of een can kan<br />
worden overgepompt;<br />
- voldoende absorptiemiddelen.<br />
Toelichting: Soort, hoeveelheid en geschiktheid <strong>van</strong> de persoonlijke beschermingsmiddelen moet blijken<br />
uit de RI&E.<br />
5.5.4 In de inrichting moet ten behoeve <strong>van</strong> containers of voertuigen, waar<strong>van</strong> wordt geconstateerd dat<br />
daar lekkende emballage aanwezig is, een daarvoor speciaal ingericht terreingedeelte aanwezig zijn. Deze<br />
calamiteitenplaats moet:<br />
- duidelijk zijn gemarkeerd of duidelijk door borden zijn aangegeven;<br />
- altijd goed bereikbaar zijn;<br />
- conform voorschrift 3.3.1 als bodembeschermende voorziening zijn uitgevoerd enbestand zijn tegen de<br />
aanwezige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Voorzieningen moeten zijn getroffen om te voorkomen dat gemorste <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in de bodem, in de<br />
openbare riolering of in het oppervlaktewater kunnen geraken.<br />
Toelichting: Ook een wasplaats of vergelijkbare voorziening kan dienst doen als een calamiteitenplaats,<br />
mits deze in geval <strong>van</strong> een calamiteit voldoende snel kan worden vrijgemaakt.<br />
Bij het openen <strong>van</strong> de container moet voor wat betreft het gebruik <strong>van</strong> persoonlijke beschermingsmiddelen<br />
rekening gehouden worden met de eigenschappen <strong>van</strong> de in de container vervoerde <strong>stoffen</strong>.<br />
5.5.5 Op de calamiteitenplaats moet voor twee 45 voets containers ruimte worden vrijgehouden, zodat in<br />
geval <strong>van</strong> een lekkage of een beschadiging de betreffende container voor verdere behandeling op de<br />
calamiteitenplaats kan worden geplaatst. Rondom deze locatie moet een ruimte <strong>van</strong> 2 meter worden<br />
vrijgehouden voor de bereikbaarheid. De locatie <strong>van</strong> de calamiteitenplaats moet in overleg met het<br />
bevoegd gezag worden vastgesteld.<br />
Toelichting: een locatie voor twee containers is noodzakelijk i.v.m. het eventueel overpompen of<br />
overpakken <strong>van</strong> lading <strong>van</strong>uit een lekkende (tank)container.<br />
5.5.6 Indien een (tank)container die is beladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of bodembedreigende <strong>stoffen</strong> lekt of<br />
er een vermoeden hiervoor bestaat, moet deze (tank)container direct op de calamiteitenplaats worden<br />
geplaatst voor verdere behandeling of reparatie op voorwaarde dat veilig intern vervoer kan worden<br />
gewaarborgd.<br />
5.5.7 In de inrichting moet een verrijdbare op<strong>van</strong>gbak aanwezig zijn, waarin een beschadigde of lekkende<br />
(tank)container naar de calamiteitenplaats kan worden vervoerd. Deze op<strong>van</strong>gbak moet:<br />
- vloeistofdicht zijn uitgevoerd;<br />
- zijn voorzien <strong>van</strong> een opstaande rand <strong>van</strong> ten minste 30 cm;<br />
- voldoende groot zijn voor een 45-voets-container;<br />
- zijn voorzien <strong>van</strong> een afsluiter om hemelwater uit de op<strong>van</strong>gbak te kunnen verwijderen. Deze afsluiter<br />
wordt regelmatig onderhouden en ten minste eenmaal per half jaar getest;<br />
- de op<strong>van</strong>gbak moet na ieder gebruik grondig worden gereinigd, zodat geen productresten meer in de<br />
bak aanwezig zijn.<br />
5.5.8 In de inrichting moet een calamiteitenploeg aanwezig zijn, tenzij het door het bevoegd gezag<br />
goedgekeurde interne noodplan anders aangeeft. De calamiteitenploeg moet onder leiding <strong>van</strong> een<br />
deskundig persoon staan die te allen tijde bij onregelmatigheden met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, zoals lekkages,<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 41/84
morsingen en fustbreuk, direct adequate maatregelen kan treffen, die er op gericht zijn de gevolgen <strong>van</strong><br />
deze onregelmatigheden te beperken. De calamiteitenploeg moet regelmatig met de veiligheidsmiddelen<br />
oefenen. De grootte <strong>van</strong> de calamiteitenploeg moet afgestemd zijn op de grootte <strong>van</strong> het bedrijf.<br />
5.6 De opslag <strong>van</strong> (tank)containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Wm, AI<br />
5.6.1 In de inrichting mogen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> uit de ADR/IMDG-code klasse 2 tot en met 9 worden<br />
opgeslagen.<br />
Toelichting:<br />
Voor de opslag <strong>van</strong> radioactieve <strong>stoffen</strong> (klasse 7) is de minister <strong>van</strong> VROM het bevoegde gezag. Om<br />
tegenstrijdigheden met een vergunning krachtens de Kernenergiewet te voorkomen is de opslag <strong>van</strong><br />
klasse 7 in deze vergunning niet nadrukkelijk uitgezonderd.<br />
De opslag <strong>van</strong> explosieven (klasse 1) valt niet onder de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15. Indien opslag <strong>van</strong><br />
explosieven zich kan voordoen, moet hier in de vergunning nadrukkelijk aandacht aan worden besteed.<br />
5.6.2 Containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten worden opgeslagen op een voor de opslag <strong>van</strong> containers<br />
bestemd deel <strong>van</strong> het open terrein <strong>van</strong> de inrichting.<br />
5.6.3 De vloer <strong>van</strong> het terreingedeelte waar containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen, moet<br />
zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal. Een vloer moet voldoende stabiliteit bieden en geëgaliseerd<br />
zijn.<br />
5.6.4 Open containers waarin zich niet-waterdicht <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> bevinden moeten tegen<br />
inregenen zijn beschermd.<br />
5.6.5 (Tank)containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten zodanig zijn opgesteld, dat ze altijd voor inspectie<br />
bereikbaar zijn en kunnen worden afgevoerd naar de calamiteitenplaats.<br />
Toelichting:<br />
De ruimte aan de deurzijde <strong>van</strong> een container moet zodanig zijn bemeten dat uitwendige inspectie <strong>van</strong> een<br />
container te allen tijde mogelijk is. Voor een eventuele inspectie is een ruimte <strong>van</strong> + 0,5 m zeker<br />
noodzakelijk.<br />
5.6.6 Op een open topcontainer mag geen andere container worden gestapeld, tenzij de containers door<br />
middel <strong>van</strong> twistlocks worden gekoppeld. Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien verplaatsing <strong>van</strong> een<br />
container ten gevolge <strong>van</strong> stoten niet mogelijk is, bijvoorbeeld indien stapeling plaatsvindt onder een<br />
brugkraan of in een automatische stack.<br />
5.6.7 (Tank)containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten in de buitenste rijen <strong>van</strong> de stapeling zijn geplaatst.<br />
Toelichting: De doelstelling <strong>van</strong> dit voorschrift is het realiseren <strong>van</strong> bereikbaarheid <strong>van</strong> containers met<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> t.b.v. het ingrijpen bij een calamiteit. Met dit voorschrift wordt geen scheiding tussen<br />
containers met <strong>gevaarlijke</strong> en on<strong>gevaarlijke</strong> lading beoogd.<br />
5.6.8 Tankcontainers die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3, 5.1 of 5.2 bevatten, mogen niet boven elkaar<br />
worden gestapeld en niet rechtstreeks naast elkaar worden geplaatst. In dergelijke gevallen moet een<br />
andere container tussen de te scheiden containers worden geplaatst, dan wel een overeenkomstige<br />
afstand worden aangehouden.<br />
5.6.9 Voordat (tank)containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in de stapeling worden geplaatst, moeten zij aan de<br />
buitenkant visueel worden geïnspecteerd om mogelijke onregelmatigheden zoals lekkages vast te stellen.<br />
Toelichting:<br />
Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing als aan de landzijde bij binnenkomst en aan de zeezijde bij lossing al<br />
is geïnspecteerd.<br />
5.6.10 Lege ongereinigde tankcontainers waarin <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> vervoerd zijn, moeten worden<br />
behandeld als gevulde tankcontainers.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 42/84
5.6.11 (Tank)containers moeten zodanig worden geplaatst dat minimaal één gevaarsetiket zichtbaar blijft.<br />
5.6.12 Een tankcontainer die is voorzien <strong>van</strong> een etiket modelnummer 2.3 <strong>van</strong> het ADR en een<br />
tankcontainer <strong>van</strong> de klasse 8 die ook voorzien moet zijn <strong>van</strong> een etiket modelnummer 6.1, moet op het<br />
maaiveld worden geplaatst.<br />
Toelichting:<br />
Het betreft onder meer ammoniak, chloor en zwaveldioxide (klasse 2) en fluorwaterstof en broom (klasse<br />
8). In het ADR, tabel 3.2 kolom 5, is bepaald welke tankcontainers met <strong>stoffen</strong> uit IMDG-klasse 8<br />
aanvullend geëtiketteerd moeten worden met een etiket model 6.1.<br />
5.6.13 Tankcontainers geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, zoals genoemd in voorschrift 5.6.12, moeten ten<br />
minste 5 m verwijderd blijven <strong>van</strong> (tank)containers met brandbare vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt lager dan<br />
61 0 C, alsmede <strong>van</strong> (tank)containers met brandbare gassen.<br />
5.6.15 De afstand <strong>van</strong> een tankcontainer met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> tot een container met <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de<br />
klasse 7 moet ten minste 50 meter bedragen. De afstand <strong>van</strong> een boxcontainer met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> tot<br />
een container met <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 7 moet ten minste 25 meter bedragen.<br />
Toelichting: Afstanden tot ontplofbare <strong>stoffen</strong> zijn vastgelegd in de “handreiking voor nederleggen tijdens<br />
vervoer voor vuurwerk”.<br />
5.7 Maatregelen ter voorkoming <strong>van</strong> verontreiniging <strong>van</strong> het oppervlaktewater en ter<br />
bescherming <strong>van</strong> het riool<br />
Wm<br />
5.7.1 Er moeten maatregelen genomen worden om, in geval <strong>van</strong> lekkage, te voorkomen dat gelekte<br />
vloeistof in het oppervlaktewater of het riool geraakt.<br />
Toelichting: In geval <strong>van</strong> nieuw te bouwen inrichtingen kan dit door afsluiters aan te brengen daar waar het<br />
hemelwater op het oppervlaktewater wordt geloosd. Bij bestaande bedrijven moeten organisatorische<br />
maatregelen worden getroffen (instructies) om in geval <strong>van</strong> lekkage rioolputten af te dichten. De in de<br />
organisatorische maatregelen voorgeschreven technische voorzieningen moeten direct beschikbaar zijn.<br />
5.8 Opstelplaatsen voor voertuigen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Wm, AI<br />
Toelichting:<br />
Deze voorschriften voor het parkeren <strong>van</strong> voertuigen gelden uitsluitend bij het parkeren en opstellen <strong>van</strong><br />
voertuigen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zonder toezicht. De voorschriften zijn niet <strong>van</strong> toepassing voor het<br />
opstellen <strong>van</strong> voertuigen in verband met aanmelden of andere formaliteiten (aanmelden, douane enz).<br />
Onder voertuigen worden ook verstaan trailers of opleggers zonder trekker.<br />
5.8.1 Rond elk, op het open terrein <strong>van</strong> de inrichting geparkeerd voertuig, dat met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> is<br />
beladen, moet, horizontaal gemeten een ruimte <strong>van</strong> 2 meter vrij zijn. Dit geldt niet voor voertuigen met een<br />
lading uit dezelfde gevarenklasse.<br />
Toelichting:<br />
Aan dit voorschrift kan bijvoorbeeld worden voldaan door voertuigen beladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
afwisselend op te stellen met voertuigen met een on<strong>gevaarlijke</strong> lading.<br />
5.8.2 De voertuigen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten zodanig zijn geparkeerd, dat deze te allen tijde uit de<br />
opstelplaats kunnen worden weggereden.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 43/84
6 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> gasflessen<br />
6.1 Inleiding<br />
Dit hoofdstuk heeft betrekking op de opslag <strong>van</strong> gasflessen. Hoewel uniformiteit met de voorschriften voor<br />
<strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (hoofdstuk 3) zoveel mogelijk is nagestreefd wijken die voor de gasflessen<br />
enigszins af <strong>van</strong>wege het specifieke karakter.<br />
Onder meer geldt dat voor de buitenopslag tegen een gevel. Voor dergelijke situaties zijn in dit hoofdstuk<br />
brandveiligheidseisen opgenomen.<br />
De voorschriften zijn gebaseerd op de systematiek <strong>van</strong> het vervoer <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> over de weg<br />
(ADR). De classificatie en definities zijn ook conform VLG/ADR.<br />
De voorschriften zijn <strong>van</strong> toepassing op uiteenlopende categorieën <strong>van</strong> bedrijven. Onder meer zijn dat<br />
gebruikers als metaalbedrijven en ziekenhuizen, maar ook distributeurs, depots en vulstations.<br />
De opslag <strong>van</strong> gasflessen moet bij voorkeur in de buitenlucht plaatsvinden. Daarmee worden drukgolven,<br />
die bij inpandige opslag in een gebouw kunnen ontstaan in geval <strong>van</strong> een calamiteit, vermeden. Tevens is<br />
een opslag <strong>van</strong> gasflessen in de buitenlucht beter bereikbaar voor hulpdiensten.<br />
Reikwijdte<br />
De voorschriften zijn <strong>van</strong> toepassing voor de opslag <strong>van</strong> hoeveelheden groter dan 115 liter en hebben<br />
betrekking op een aantal hervulbare verpakkingen <strong>van</strong> klasse 2 <strong>van</strong> het ADR. Dat betreft gasflessen,<br />
gasflessenbatterijen en gesloten cryohouders, die tot het vervoer (VLG/ADR) zijn toegelaten. Deze worden<br />
in de voorschriften alle aangeduid met het verzamelbegrip ‘gasfles’. Spuitbussen vallen hier niet onder en<br />
derhalve ook niet onder het bereik <strong>van</strong> dit hoofdstuk.<br />
In veel situaties is het <strong>van</strong>uit risico-oogpunt toelaatbaar dat gasflessen via vaste leidingen zijn aangesloten<br />
in ruimten waar ook opslag plaatsvindt. Eventueel aanvullende voorschriften die gelden voor de<br />
gebruikssituatie waar<strong>van</strong> dan formeel sprake is, zijn niet opgenomen in dit hoofdstuk.<br />
De voorschriften hebben betrekking op de meest frequent voorkomende situaties. Daarbij gaat het om de<br />
gassen met als algemene gevaarseigenschappen:<br />
- verstikkend;<br />
- oxiderend;<br />
- brandbaar.<br />
Verder betreft het de volgende specifieke gassen:<br />
- samengeperste lucht (persluchtinstallaties met compressoren en verdere toebehoren binnen bedrijven<br />
worden daar niet toe gerekend);<br />
- ammoniak (giftig/bijtend);<br />
- koelgassen;<br />
- ethyleenoxide (giftig/brandbaar).<br />
In bijlage 7 is een meer gedetailleerd overzicht opgenomen.<br />
Voor overige gassen zullen zonodig aanvullende vergunningvoorschriften opgesteld moeten worden. Dat<br />
geldt ook voor andere specifieke situaties. Zo zal de opslag <strong>van</strong> drukhouders met CO 2 (“koolzuurcilinders”)<br />
bij horecagelegenheden moeten voldoen aan Beleidsregel 4.4.-9 <strong>van</strong> de Arbeidsinspectie “Voorkomen <strong>van</strong><br />
verstikking of bedwelming bij toepassing <strong>van</strong> kooldioxide”, in plaats <strong>van</strong> de voorschriften uit dit hoofdstuk.<br />
Ook is dit hoofdstuk niet <strong>van</strong> toepassing op de opslag <strong>van</strong> koolzuurcilinders met een doelmatige<br />
drukontlastvoorziening bij distributiebedrijven zoals drankengroothandels, e.e.a overeenkomstig het<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 44/84
epaalde in het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer en het daarop <strong>van</strong> toepassing zijnde<br />
(ontwerp)wijzigingsbesluit.<br />
Tenslotte geldt dit hoofdstuk niet voor gasflessen die t.b.v. een blusgasinstallatie zijn opgesteld.<br />
Kenmerking en etikettering<br />
Gasflessen zijn op de schouder voorzien <strong>van</strong> een verflaag. De kleur is een verwijzing naar de gassoort of<br />
de gevaarseigenschap <strong>van</strong> het gas welke is vastgelegd in NEN-EN 1089-3. Dit geldt niet voor gasflessen<br />
bestemd voor propaan, butaan of koelgassen.<br />
Gasflessen moeten duidelijk leesbaar en duurzaam (door inslagen of etiketten) de volgende opschriften<br />
dragen:<br />
- het UN-nummer en de juiste vervoersnaam <strong>van</strong> het gas(mengsel);<br />
- het gevaarsetiket zoals voorgeschreven in het VLG/ADR. Bij gasflessen mag dit etiket aangebracht<br />
zijn op het niet-cilindrische deel (schouder) <strong>van</strong> de fles. Etiketten mogen elkaar gedeeltelijk<br />
overlappen;<br />
- datum (jaar) <strong>van</strong> het volgende periodieke onderzoek<br />
Voor samengeperste gassen moet bovendien zijn aangegeven:<br />
- de beproevingsdruk in bar;<br />
- de lege massa in kg;<br />
- de bedrijfsdruk in bar.<br />
Voor vloeibaar gemaakte gassen:<br />
- de beproevingsdruk in bar;<br />
- de waterinhoud in liters;<br />
- de lege massa in kg;<br />
- de maximale vulmassa en de eigen massa <strong>van</strong> de houder met uitrustingsdelen of de bruto massa,<br />
alles in kg.<br />
Gevaarsetiketten (ook wel genoemd veiligheidsetiketten) hebben de vorm <strong>van</strong> een op zijn punt staand<br />
vierkant. Deze geven door hun kleur en opschrift de gevaarseigenschappen <strong>van</strong> de inhoud aan (ADR<br />
5.2.2).<br />
De volgende enkelvoudige etiketten komen voor:<br />
- 2.2. Niet brandbare, niet giftige gassen (verstikkende gassen), groen met symbool gasfles, “2” in<br />
benedenhoek.<br />
- 2.1. Brandbare gassen, rood met symbool vlam, “2” in benedenhoek.<br />
- 2.3 Giftige gassen, wit met symbool doodshoofd met gekruiste beenderen, “2” in benedenhoek.<br />
Ook komen combinaties voor:<br />
- 2.2 + 5.1. Oxiderende gassen, etiket 2.2, groen zoals eerder vermeld, etiket 5.1, geel met symbool<br />
vlam boven een cirkel, “5.1” in benedenhoek.<br />
- 2.3 + 8. Giftige en bijtende gassen, etiket 2.3, wit zoals eerder vermeld, etiket 8, zwart/wit met symbool<br />
twee reageerbuisjes waaruit druppels vallen die een hand en metaal aantasten, “8” in benedenhoek.<br />
- 2.3 + 2.1. Giftige en brandbare gassen, etiket 2.3, wit zoals eerder vermeld, etiket 2.1, rood zoals<br />
eerder vermeld.<br />
Keurmerken<br />
Elke gasfles dient voorzien te zijn <strong>van</strong> een ingeslagen keurmerk en de datum waarop het eerste onderzoek<br />
en eventuele herkeuringen (periodiek onderzoek) hebben plaatsgevonden.<br />
Het keurmerk <strong>van</strong> het eerste onderzoek wordt gevormd door het onderscheidingsteken of waarmerk <strong>van</strong><br />
de onderzoeksinstantie die door de bevoegde autoriteit in het land <strong>van</strong> toekenning is geregistreerd en door<br />
de bevoegde autoriteit in Nederland is toegelaten. Het keurmerk <strong>van</strong> het periodiek onderzoek is het<br />
geregistreerde kenmerk <strong>van</strong> de onderzoeksinstantie die door de bevoegde autoriteit in Nederland is<br />
toegelaten.<br />
Het meest recente periodieke onderzoek of het eerste onderzoek mag niet langer geleden zijn dan<br />
aangegeven in de kolom “keuringsinterval” <strong>van</strong> bijlage 7.<br />
Bij flessen met een vijfjarig beproevingsinterval geldt hierbij de maand/jaar combinatie <strong>van</strong> de inslag.<br />
Bij flessen of cryohouders met een tienjarig of vijftienjarig interval geldt alleen de jaaraanduiding.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 45/84
In de praktijk kunnen de volgende situaties zich voordoen:<br />
A. Oudere flessen: deze zijn reeds ten minste één keer aan periodiek onderzoek onderworpen geweest.<br />
Van belang is de datum(jaar) <strong>van</strong> het volgende periodieke onderzoek. Deze is d.m.v. een etiket of inslag<br />
aangegeven. De datum(jaar) <strong>van</strong> het meest recente periodieke onderzoek is ingeslagen bij het<br />
(her)keurmerk. Het (her)keurmerk is het pi-merk of het leeuw-merk <strong>van</strong> het Stoomwezen.<br />
B. Nieuwe flessen: deze zijn nog niet aan periodiek onderzoek onderworpen geweest. Ook hier is de<br />
datum(jaar) <strong>van</strong> het volgende periodieke onderzoek, aangegeven met een etiket of inslag, <strong>van</strong> belang. Het<br />
keurmerk is ingeslagen bij de datum(jaar) <strong>van</strong> het eerste onderzoek. Dit is het keurmerk <strong>van</strong> de<br />
onderzoeksinstantie die door de bevoegde autoriteit in Nederland is toegelaten.<br />
Veelal zijn dit bekende keurmerken <strong>van</strong> buitenlandse keuringsorganisaties in combinatie met het epsilonteken.<br />
Ook kan het keurmerk bestaan uit het pi-merk.<br />
Samenhang met hoofdstuk 3 Algemeen<br />
De voorschriften <strong>van</strong> hoofdstuk 3 zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op opslagvoorzieningen voor gasflessen,<br />
met uitzondering <strong>van</strong> de paragrafen 3.3, 3.8, 3.9, 3.10, 3.12, 3.13, 3.14 en 3.24.<br />
6.2 Voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> gasflessen Wm, AI<br />
6.2.1 Gasflessen, waar<strong>van</strong> de gezamenlijke waterinhoud meer bedraagt dan 115 liter, moeten, met<br />
uitzondering <strong>van</strong> werkvoorraden, op een laskar geplaatste gasflessen of gasflessen die zijn aangesloten<br />
aan een verzamelleiding, worden opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagvoorziening. In een<br />
opslagvoorziening mogen geen andere goederen aanwezig zijn die voor het beheer <strong>van</strong> de gasflessen<br />
niet functioneel zijn.<br />
6.2.2 De voorschriften <strong>van</strong> hoofdstuk 6 zijn ook <strong>van</strong> toepassing op lege gasflessen.<br />
6.2.3 Gasflessen moeten zijn voorzien <strong>van</strong> de vereiste ADR-gevaarsetiketten.<br />
6.2.4 Indien opslag <strong>van</strong> gasflessen plaatsvindt tegen de gevel <strong>van</strong> een tot de inrichting behorend gebouw<br />
moet dat deel <strong>van</strong> de wand, en de wand tot maximaal 4 m boven en 2 m aan weerszijden <strong>van</strong> de<br />
gasflessen een brandwerendheid <strong>van</strong> ten minste 60 minuten te bezitten.<br />
6.2.5 In afwijking <strong>van</strong> voorschrift 3.2.2.1 gelden de in tabel 8 genoemde afstanden <strong>van</strong> de<br />
opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens of tot bouwwerken die tot de inrichting behoren dan wel andere<br />
brandbare objecten, afhankelijk <strong>van</strong> totale hoeveelheid opgeslagen gasflessen en de WBDBO <strong>van</strong> een<br />
eventueel aanwezige wand tussen de opslag en inrichtingsgrens of object:<br />
Tabel 8: Afstanden <strong>van</strong> de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens/bouwwerken <strong>van</strong> de<br />
inrichting of brandbare objecten<br />
Afstand in m tot<br />
inrichtingsgrens<br />
Afstand in m tot<br />
bouwwerk of<br />
brandbaar<br />
object binnen<br />
de inrichting<br />
totale waterinhoud <strong>van</strong> de<br />
opgeslagen gasflessen minder dan<br />
2.500 liter<br />
WBDBO WBDBO 30<br />
60 minuten minuten<br />
WBDBO 0 WBDBO 60<br />
totale waterinhoud <strong>van</strong> de<br />
opgeslagen gasflessen meer dan<br />
2.500 liter<br />
WBDBO 30 WBDBO 0<br />
minuten minuten<br />
0 1 3 0 3 5<br />
0 3 5 0 5 10<br />
Toelichting: Aan dit voorschrift is voldaan indien het bouwwerk dat tot de inrichting behoort zelf reeds aan<br />
de eisen met betrekking tot de WBDBO voldoet voor de projectie <strong>van</strong> de opslag op dat bouwwerk (2 m<br />
aan weerszijden <strong>van</strong> de opslag) en, indien dat bouwwerk hoger is, ook daarboven tot maximaal 4 meter<br />
boven de projectie.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 46/84
6.2.6 Gasflessen moeten door vastzetten of anderszins tegen omvallen zijn beschermd.<br />
Toelichting:<br />
Gasflessen waar<strong>van</strong> de constructie zodanig is dat zij stabiel staan behoeven niet te worden vastgezet; dit<br />
geldt over het algemeen voor propaan/butaan cilinders en andere (gelaste) cilinders met een grote<br />
doorsnede.<br />
Als de opslag <strong>van</strong> gasflessen tegen een achterwand/muur plaatsvindt moet de gasfles met behulp <strong>van</strong><br />
een ketting of beugel zijn vastgezet aan die achterwand/muur.<br />
Als de opslag <strong>van</strong> gasflessen plaatsvindt in een vak of compartiment dan moet dit aan de volgende<br />
voorwaarden voldoen:<br />
- het vak dient aan drie zijden gesloten te zijn door een muur of een staalconstructie met een hoogte<br />
welke toereikend is om omvallen te voorkomen;<br />
- de gasflessen moeten zo dicht mogelijk bij elkaar en bij de wanden worden neergezet om volledig<br />
omvallen te voorkomen.<br />
- de voorzijde <strong>van</strong> het vak moet voorzien zijn <strong>van</strong> een constructie (ketting, beugel of spanband)<br />
waarmee het omvallen <strong>van</strong> gasflessen wordt voorkomen; deze voorziening behoeft niet in gebruik te<br />
zijn indien er gedurende werktijd aan- en afvoer <strong>van</strong> gasflessen in het vak plaatsvindt;<br />
- indien in het vak gasflessen <strong>van</strong> verschillende grootte worden opgeslagen moet het<br />
beschermingsniveau tegen omvallen voor alle gasflessen gelijk zijn.<br />
De gebruikelijke transportpallets voor gasflessen voldoen aan bovenstaande eisen.<br />
6.2.7 De totale waterinhoud <strong>van</strong> een (gas)flessenbatterij mag niet meer bedragen dan 3.000 liter, met<br />
uitzondering <strong>van</strong> batterijen bestemd voor het vervoer <strong>van</strong> giftige gassen <strong>van</strong> ADR klasse 2 die moeten<br />
worden beperkt tot een totale inhoud <strong>van</strong> 1.000 liter waterinhoud.<br />
6.2.8 De vloer <strong>van</strong> de opslagvoorziening mag niet lager zijn gelegen dan de omliggende vloer, <strong>van</strong><br />
aangrenzende ruimten of <strong>van</strong> het omringende maaiveld. Deze vloer moet vlak zijn, en zijn vervaardigd<br />
<strong>van</strong> onbrandbaar materiaal. Bij een open opslagvoorziening moet deze afwaterend zijn uitgevoerd. De<br />
vloer moet zodanig zijn uitgevoerd dat zich onder de vloer geen gas kan verzamelen.<br />
6.2.9 Gasflessen waar<strong>van</strong> de herkeurtermijn (periodiek onderzoek) is verstreken mogen niet binnen de<br />
inrichting aanwezig zijn.<br />
Toelichting: dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing bij (tussen)opslagbedrijven waar gasflessen worden<br />
verzameld voor herkeuring of bij bedrijven in de afvalsector. Een depothouder moet in staat worden<br />
gesteld om lege gasflessen, al dan niet binnen de herkeuringstermijn, gezamenlijk op te slaan tot het<br />
tijdstip <strong>van</strong> het eerste transport voor afvoer.<br />
6.2.10 In een opslagvoorziening mogen geen afsluiters worden geopend. Aan de buitenzijde <strong>van</strong> de<br />
opslagplaats moet op daartoe geschikte plaatsen met betrekking tot dit verbod met duidelijk leesbare<br />
letters, hoog ten minste 5 cm, het opschrift zijn aangebracht: "OPENEN VAN AFSLUITERS VAN<br />
GASFLESSEN VERBODEN" overeenkomstig NEN 3011. Het is echter toegestaan dat in combinatie met<br />
opslag, gasflessen via een verbinding met vaste leidingen zijn gekoppeld aan een installatie waar deze<br />
gassen worden toegepast. Het hiervoor genoemde verbod tot openen <strong>van</strong> afsluiters geldt niet voor deze<br />
gasflessen.<br />
6.2.11 Het stapelen <strong>van</strong> gasflessen is alleen toegestaan indien de constructie <strong>van</strong> de gasflessen hierin<br />
voorziet. Bij het stapelen in staande toestand mogen niet meer dan drie lagen gasflessen op elkaar zijn<br />
geplaatst, behoudens wanneer gebruik wordt gemaakt <strong>van</strong> pallets die een hogere stapeling toestaan. Het<br />
is verboden gasflessen die zijn gevuld met een giftig of brandbaar gas dat tot vloeistof is verdicht of in<br />
vloeistof is opgelost, in liggende toestand op te slaan of te stapelen.<br />
Toelichting: In afwijking <strong>van</strong> dit voorschrift mogen lege gasflessen wel in liggende toestand worden<br />
gestapeld, dit echter tot een maximum <strong>van</strong> zes lagen op elkaar.<br />
6.2.12 Gasflessen met gassen met gelijksoortige gevaarseigenschappen moeten bij elkaar worden<br />
opgeslagen.<br />
Toelichting: Het is gebruikelijk om gasflessen met gassen met overeenkomstige gevaarseigenschappen<br />
bij elkaar op te slaan. De gasflessen met eenzelfde verfkleur op de schouder worden bij elkaar<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 47/84
opgeslagen. Hiermee wordt de kans op verwisseling <strong>van</strong> gassoorten verkleind en kan bij calamiteiten<br />
effectief worden opgetreden.<br />
6.2.13 Zichtbaar beschadigde of lekkende gasflessen moeten apart gezet worden op een locatie waar het<br />
uitstromende gas zo weinig mogelijk gevaar oplevert.<br />
6.2.14 Natuurlijke ventilatie moet steeds zijn gewaarborgd. Een eventueel dak moet <strong>van</strong> onbrandbaar<br />
materiaal zijn vervaardigd en zodanig zijn uitgevoerd dat eventueel vrijgekomen gassen zich daaronder<br />
niet kunnen ophopen.<br />
6.2.15 Indien opslag plaatsvindt <strong>van</strong> gasflessen met brandbare gassen die zwaarder zijn dan lucht zoals<br />
propaan en butaan, moet een afstand worden aangehouden <strong>van</strong> ten minste 5 m tot kelderopeningen,<br />
putten en straatkolken die in open verbinding staan met de riolering en <strong>van</strong> tenminste 7,5 m tot<br />
aanzuigopeningen <strong>van</strong> ventilatiesystemen die zijn gelegen op minder dan 1,5 m boven het maaiveld.<br />
6.2.16 In situaties waarin gevaar bestaat op beschadiging <strong>van</strong> gasflessen ten gevolge <strong>van</strong> frequente<br />
voertuigbewegingen moet dat deel <strong>van</strong> de opslagvoorziening waar frequente voertuigbewegingen<br />
plaatsvinden zijn voorzien <strong>van</strong> een aanrijdbeveiliging.<br />
6.2.17 Van een inpandige opslagvoorziening moet ten minste één wand een buitenmuur zijn waarin zich<br />
ten minste één deur bevindt.<br />
AI<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 48/84
7 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen<br />
7.1 Inleiding<br />
Binnen de vervoerswetgeving worden spuitbussen en gaspatronen beschouwd als drukhouders die vallen<br />
onder de klasse 2.<br />
Er wordt voor de vervoerswetgeving geen onderscheid gemaakt op grond <strong>van</strong> de aard <strong>van</strong> het drijfgas<br />
(inert, zeer licht ontvlambaar of licht ontvlambaar) of de te vernevelen stof. Bij zogenaamde<br />
samengestelde verpakkingen met gelimiteerde hoeveelheden (LQ - limited quantities) wordt op de<br />
omverpakking (doos of krimpfolie) <strong>van</strong> spuitbussen het UN-nummer 1950 aangebracht en bij gaspatronen<br />
het UN-nummer 2037.<br />
Spuitbussen en gaspatronen die betrokken raken bij een brand kunnen gaan rocketeren, ongeacht of de<br />
inhoud bestaat uit een inerte of (licht) ontvlambare stof. De spuitbus/gaspatroon gedraagt zich hierbij als<br />
een voortgestuwd projectiel. Inslag <strong>van</strong> zo’n spuitbus/gaspatroon kan leiden tot domino-effecten hetgeen<br />
resulteert in uitbreiding <strong>van</strong> het oorspronkelijke incident.<br />
De gevolgen <strong>van</strong> deze effecten zijn te voorkomen of te beperken door organisatorische en technische<br />
maatregelen te nemen. De voorschriften die in dit hoofdstuk worden beschreven voor de opslag <strong>van</strong><br />
spuitbussen en gaspatronen zijn afgeleid <strong>van</strong> internationaal voorkomende normen en standaarden.<br />
De in dit hoofdstuk beschreven maatregelen zijn <strong>van</strong> toepassing op de volgende situaties:<br />
- opslag <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen in de zin <strong>van</strong> het ADR in combinatie met andere <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong>;<br />
- opslag <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen met een gezamenlijke inhoud <strong>van</strong> meer dan 400 kg (netto<br />
gewicht), waar<strong>van</strong> de inhoud (zowel het drijfgas als de stof die verneveld moet worden) in de zin <strong>van</strong><br />
de Wms aangemerkt moet worden als een zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare,<br />
toxische, corrosieve of oxiderende stof.<br />
Het bovenstaande betekent dat indien spuitbussen of gaspatronen gezamenlijk met andere <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen, er geen onderscheid wordt gemaakt naar inhoud. Het uitgangspunt is dat elke<br />
spuitbus of gaspatroon, onafhankelijk <strong>van</strong> de inhoud, een risico vormt voor de overige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Indien er geen gezamenlijke opslag met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> plaatsvindt, is als uitgangspunt<br />
gehanteerd dat de inhoud <strong>van</strong> de spuitbussen en gaspatronen bepalend is voor het <strong>van</strong> toepassing zijn<br />
<strong>van</strong> opslageisen. In dat geval moeten de spuitbussen dus <strong>van</strong>af de voor die categorie geldende<br />
ondergrens in een speciaal daarvoor bestemde opslagvoorziening worden opgeslagen. Bij het<br />
samenstellen <strong>van</strong> de voorschriften is in alle situaties uitgegaan <strong>van</strong> een brandcompartiment. Indien er<br />
situaties voorkomen dat spuitbussen of gaspatronen worden opgeslagen in open opslagen dan dient<br />
hiervoor maatwerk geleverd te worden.<br />
Samenhang met hoofdstuk 3 Algemeen<br />
De algemene voorschriften <strong>van</strong> hoofdstuk 3 zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op opslagvoorzieningen voor<br />
spuitbussen en gaspatronen, met uitzondering <strong>van</strong> de paragrafen, 3.3, 3.8, 3.9, 3.10, 3.14, en 3.24.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 49/84
7.2 Beschermingsniveau<br />
De voorschriften <strong>van</strong> hoofdstuk 4 zijn <strong>van</strong> toepassing voor het vaststellen <strong>van</strong> het gewenste<br />
beschermingsniveau <strong>van</strong> opslagvoorzieningen voor spuitbussen en gaspatronen, dit al dan niet in<br />
combinatie met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Voor het vaststellen <strong>van</strong> de grenswaarden (paragraaf 4.5 tabel 5) wordt de inhoud <strong>van</strong> de spuitbus<br />
beoordeeld op basis <strong>van</strong> de Wms-indeling <strong>van</strong> de inhoud.<br />
Spuitbussen en gaspatronen met een brandbare inhoud (al dan niet in combinatie met bijkomende<br />
gevaren) dienen, bij het vaststellen <strong>van</strong> de grenswaarden in paragraaf 4.5 tabel 5, te worden geteld als<br />
ADR-klasse 3 brandbare vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt <strong>van</strong> kleiner dan 61 °C.<br />
Spuitbussen en gaspatronen met een inhoud anders dan een brandbare inhoud en volgens de Wms- of<br />
ADR-indeling uitsluitend een andere gevaarsindeling hebben, dienen te worden geteld als de<br />
overeenkomende klassering <strong>van</strong> tabel 5 <strong>van</strong> paragraaf 4.5.<br />
7.3 Voorkomen opwarming <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen tijdens opslag Wm, AI<br />
7.3.1 Opwarming <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen boven de 50 °C door (directe) zonnestraling of andere<br />
verwarmingsbronnen moet worden uitgesloten.<br />
Toelichting: Spuitbussen of gaspatronen mogen bijvoorbeeld daarom niet worden opgeslagen boven<br />
kachels of verwarmingsbronnen en niet binnen een afstand <strong>van</strong> 1 meter daar<strong>van</strong>, tenzij de<br />
oppervlaktetemperatuur <strong>van</strong> deze kachels of verwarmingselementen nooit hoger kan worden dan 60 °C.<br />
7.3.2 Als in een opslagvoorziening spuitbussen of gaspatronen met een brandbare inhoud bewaard<br />
worden, mag de verwarming <strong>van</strong> de opslagvoorziening slechts geschieden door verwarmingstoestellen<br />
waar<strong>van</strong> de verbrandingsruimte niet in open verbinding staat of kan worden gebracht met de<br />
opslagvoorziening en met dien verstande dat de opppervlaktetemperatuur <strong>van</strong> het toestel niet hoger mag<br />
worden dan 200 °C.<br />
7.4 Het opslaan <strong>van</strong> maximaal 400 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder de<br />
gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Wm, AI<br />
7.4.1 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening kleiner is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />
opslaglocatie lager is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 1,8 m<br />
worden gestapeld. Tussen de opgeslagen spuitbussen of gaspatronen en het plafond moet minimaal 0,5<br />
m vrije ruimte aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd.<br />
Spuitbussen of gaspatronen hoeven niet gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> te worden<br />
opgeslagen.<br />
7.4.2 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening kleiner is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />
opslaglocatie hoger is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 2,4 m<br />
worden gestapeld. Tussen spuitbussen of gaspatronen en plafond moet minimaal 0,5 m vrije ruimte<br />
aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd. Spuitbussen of<br />
gaspatronen hoeven niet gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> te worden opgeslagen.<br />
7.4.3 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening groter is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />
opslaglocatie lager is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 1,8 m<br />
worden gestapeld. Tussen de opgeslagen spuitbussen of gaspatronen en het plafond moet minimaal 0,5<br />
m vrije ruimte aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd.<br />
Spuitbussen of gaspatronen moeten gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen.<br />
Spuitbussen of gaspatronen moeten worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 100 m 2 .<br />
Gescheiden opslag moet plaatsvinden door middel <strong>van</strong> een afscheiding <strong>van</strong> gaas <strong>van</strong> voldoende sterkte<br />
bestaande uit staaldraad met een vrije opening <strong>van</strong> maximaal 5 cm (bijvoorbeeld harmonicagaas <strong>van</strong><br />
tenminste 2,9 mm dikte) of in een separaat brandcompartiment.<br />
Toelichting: Scheiding heeft tot doel dat rocketerende spuitbussen en gaspatronen zich niet buiten het<br />
compartiment kunnen verspreiden of in aanraking kunnen komen met andere materialen en (<strong>gevaarlijke</strong>)<br />
<strong>stoffen</strong>.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 50/84
7.4.4 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening groter is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />
opslaglocatie hoger is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 2,4 m<br />
worden gestapeld. Tussen spuitbussen of gaspatronen en plafond moet minimaal 0,5 m vrije ruimte<br />
aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd. Spuitbussen of<br />
gaspatronen moeten gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen. Spuitbussen of<br />
gaspatronen moeten worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 100 m 2 . Gescheiden opslag<br />
moet plaatsvinden door middel <strong>van</strong> een afscheiding <strong>van</strong> gaas <strong>van</strong> voldoende sterkte bestaande uit<br />
staaldraad met een vrije opening <strong>van</strong> maximaal 5 cm (bijvoorbeeld harmonicagaas <strong>van</strong> tenminste 2,9 mm<br />
dikte) of in een separaat brandcompartiment. Indien er in totaal meer dan 10 ton <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen dan geldt dat spuitbussen of gaspatronen moeten worden opgeslagen op een<br />
oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 300 m 2 .<br />
7.5 Het opslaan <strong>van</strong> meer dan 400 kg maar minder dan 2.500 kg spuitbussen of gaspatronen,<br />
met of zonder de gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Wm, AI<br />
7.5.1 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening kleiner is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />
opslaglocatie lager is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 1,8 m<br />
worden gestapeld. Tussen de opgeslagen spuitbussen of gaspatronen en het plafond moet minimaal 0,5<br />
m vrije ruimte aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd.<br />
Spuitbussen of gaspatronen hoeven niet gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> te worden<br />
opgeslagen.<br />
7.5.2. Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening kleiner is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />
opslaglocatie hoger is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 2,4 m<br />
worden gestapeld. Tussen spuitbussen of gaspatronen en plafond moet minimaal 0,5 m vrije ruimte<br />
aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd. Spuitbussen of<br />
gaspatronen hoeven niet gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> te worden opgeslagen.<br />
7.5.3 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening groter is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />
opslaglocatie lager is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 1,8 m<br />
worden gestapeld. Tussen de opgeslagen spuitbussen of gaspatronen en het plafond moet minimaal 0,5<br />
m vrije ruimte aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd.<br />
Spuitbussen of gaspatronen moeten gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen.<br />
Spuitbussen of gaspatronen moeten dan worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 100 m 2 .<br />
Gescheiden opslag moet plaatsvinden door middel <strong>van</strong> een afscheiding <strong>van</strong> gaas <strong>van</strong> voldoende sterkte<br />
bestaande uit staaldraad met een vrije opening <strong>van</strong> maximaal 5 cm (bijvoorbeeld harmonicagaas <strong>van</strong><br />
tenminste 2,9 mm dikte) of in een separaat brandcompartiment.<br />
Indien de gescheiden opslag <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen plaats vindt in een separaat<br />
brandcompartiment dan is een maximum oppervlakte tot 300 m 2 toegestaan.<br />
7.5.4 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening groter is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />
opslaglocatie hoger is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 3,6 m<br />
worden gestapeld, indien er geen gebruik gemaakt wordt <strong>van</strong> opslagstellingen. Bij het gebruik <strong>van</strong><br />
opslagstellingen is er geen hoogtebeperking. Tussen spuitbussen of gaspatronen en plafond moet<br />
minimaal 0,5 m vrije ruimte aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn<br />
uitgevoerd. Spuitbussen of gaspatronen moeten gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden<br />
opgeslagen. Spuitbussen of gaspatronen moeten worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste<br />
100 m 2 . Gescheiden opslag moet plaatsvinden door middel <strong>van</strong> een afscheiding <strong>van</strong> gaas <strong>van</strong> voldoende<br />
sterkte bestaande uit staaldraad met een vrije opening <strong>van</strong> maximaal 5 cm (bijvoorbeeld harmonicagaas<br />
<strong>van</strong> tenminste 2,9 mm dikte) of in een separaat brandcompartiment.<br />
Indien de gescheiden opslag <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen plaats vindt in een separaat<br />
brandcompartiment dan is een maximum oppervlakte tot 300 m 2 toegestaan.<br />
Indien er in totaal meer dan 10 ton <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen dan geldt dat spuitbussen<br />
of gaspatronen moeten worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 300 m 2 .<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 51/84
7.6 Het opslaan <strong>van</strong> meer dan 2.500 kg maar minder dan 10.000 kg spuitbussen of<br />
gaspatronen, met of zonder de gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Wm, AI<br />
7.6.1 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening groter is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />
opslaglocatie hoger is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 3,6 m<br />
worden gestapeld, indien er geen gebruik gemaakt wordt <strong>van</strong> opslagstellingen. Bij het gebruik <strong>van</strong><br />
opslagstellingen is er geen hoogtebeperking. Tussen spuitbussen of gaspatronen en plafond moet<br />
minimaal 0,5 m vrije ruimte aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn<br />
uitgevoerd. Spuitbussen of gaspatronen moeten gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden<br />
opgeslagen. Spuitbussen of gaspatronen moeten worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste<br />
100 m 2 . Gescheiden opslag moet plaatsvinden door middel <strong>van</strong> een afscheiding <strong>van</strong> gaas <strong>van</strong> voldoende<br />
sterkte bestaande uit staaldraad met een vrije opening <strong>van</strong> maximaal 5 cm (bijvoorbeeld harmonicagaas<br />
<strong>van</strong> tenminste 2,9 mm dikte) of in een separaat brandcompartiment.<br />
Indien de gescheiden opslag <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen plaats vindt in een separaat<br />
brandcompartiment dan is een maximum oppervlakte tot 300 m 2 toegestaan.<br />
Indien er in totaal meer dan 10 ton <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen dan geldt dat spuitbussen<br />
of gaspatronen moeten worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 300 m 2 .<br />
7.7 Het opslaan <strong>van</strong> meer dan 10.000 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder de<br />
gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Wm, AI<br />
<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen in gescheiden brandcompartiment<br />
7.7.1 Het totale vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening mag ten hoogste 2.500 m 2 bedragen. Ten<br />
hoogste 1.900 m 2 mag in gebruik zijn voor de opslag <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen. De inrichting <strong>van</strong><br />
de opslagvoorziening ten aanzien <strong>van</strong> brandbeveiligingsinstallaties en de opslag <strong>van</strong> niet-<strong>gevaarlijke</strong><br />
goederen moet worden uitgewerkt in de door het bevoegd gezag goed te keuren uitgangspunten als<br />
bedoeld in voorschrift 4.8.2.1 .<br />
<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen in combinatie met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
7.7.2 Het totale vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening mag ten hoogste 2.500 m 2 bedragen. Ten<br />
hoogste 1.900 m 2 mag in gebruik zijn voor de opslag <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen. Ingeval <strong>van</strong><br />
gecombineerde opslag met andere <strong>gevaarlijke</strong> en niet-<strong>gevaarlijke</strong> goederen moet de compartimentering<br />
worden uitgewerkt in de door het bevoegd gezag goed te keuren uitgangspunten als bedoeld in<br />
voorschrift 4.8.2.1.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 52/84
8 <strong>Opslag</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3<br />
8.1 Inleiding<br />
De <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> behorende tot de klasse 4.1, 4.2 of 4.3 <strong>van</strong> het ADR hebben specifieke fysische<br />
eigenschappen en gevaarsaspecten waardoor het basisvoorzieningenniveau zoals vastgelegd in<br />
hoofdstuk 3 en de systematiek voor het bepalen <strong>van</strong> het noodzakelijke beschermingsniveau zoals<br />
vastgelegd in hoofdstuk 4, niet toereikend is. Hoofdstuk 8 geeft mogelijkheden hoe voor deze <strong>stoffen</strong> een<br />
gelijkwaardig beschermingsniveau kan worden bereikt ten opzichte <strong>van</strong> de voorzieningen zoals genoemd<br />
in hoofdstuk 4. De voorschriften hebben uitsluitend betrekking op <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klassen 4.1, 4.2 en 4.3<br />
die tot het vervoer zijn toegelaten. In tabel 9 zijn enkele voorbeeld<strong>stoffen</strong> uit de klasse 4 weergegeven.<br />
Dit hoofdstuk is niet <strong>van</strong> toepassing op opslag <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.1, 4.2 of 4.3 in een<br />
brandveiligheidsopslagkast.<br />
Tabel 9 Overzicht klasse 4 met enkele voorbeeld<strong>stoffen</strong><br />
Klasse verpakkingsgroep Voorbeeld<br />
4.1 I UN 1310 Ammoniumpikraat bevochtigd<br />
UN 1320 Dinitrofenol >15% water<br />
UN1356 Trinitrotolueen >30% water<br />
UN 3317 2-Amino- 4,6-dinitrofenol >20% water<br />
II<br />
UN 1309 Aluminium poeder (gecoat)<br />
UN 1333 Cerium<br />
UN 2989 Loodfosfiet (indien losgestort dan VP III)<br />
III<br />
UN 1350 Zwavel<br />
4.2 I UN 1381 Fosfor wit/geel<br />
UN 2005 Difenylmagnesium<br />
II<br />
UN 1362 (active) kool (een beperkt aantal soorten)<br />
UN 1385 Natriumsulfide<br />
III<br />
UN 1363 Copra<br />
UN 3174 Titaandisulfide<br />
4.3 I UN 1295 Trichloorsilaan<br />
UN 1360 Calciumfosfide<br />
UN 2257 Kalium<br />
II<br />
III<br />
UN 2624 Magnesiumsilicide<br />
UN 1408 Ferrosilicium<br />
UN 1403 Calciumcyaanamide<br />
Samenhang met hoofdstuk 3 Algemeen<br />
De voorschriften uit hoofdstuk 3 Algemeen zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op opslagvoorzieningen voor de<br />
klassen 4.1, 4.2 en 4.3.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 53/84
8.2 Brand<strong>gevaarlijke</strong> vaste <strong>stoffen</strong> (klasse 4.1)<br />
8.2.1 Indeling<br />
In de ADR klasse 4.1 zijn ingedeeld:<br />
- vaste <strong>stoffen</strong> en voorwerpen die gemakkelijk brandbaar zijn<br />
- zelfontledende vaste <strong>stoffen</strong> of vloei<strong>stoffen</strong><br />
- vaste ontplofbare <strong>stoffen</strong> in niet explosieve toestand<br />
- <strong>stoffen</strong>, verwant met zelfontledende <strong>stoffen</strong><br />
De <strong>stoffen</strong> en voorwerpen <strong>van</strong> klasse 4.1 zijn als volgt onderverdeeld:<br />
- F Brandbare vaste <strong>stoffen</strong>, zonder bijkomend gevaar:<br />
- F1 organisch<br />
- F2 organisch, gesmolten<br />
- F3 anorganisch<br />
- FO Brandbare vaste <strong>stoffen</strong>, oxiderend<br />
- FT Brandbare vaste <strong>stoffen</strong>, giftig:<br />
- FT1 organisch, giftig<br />
- FT2 anorganisch, giftig<br />
- FC Brandbare vaste <strong>stoffen</strong>, bijtend:<br />
- FC1 organisch, bijtend<br />
- FC2 anorganisch, bijtend<br />
- D Ontplofbare <strong>stoffen</strong> in niet explosieve toestand zonder bijkomend gevaar<br />
- DT Ontplofbare <strong>stoffen</strong> in niet explosieve toestand, giftig<br />
- SR Zelfontledende <strong>stoffen</strong>:<br />
- SR1 waarvoor temperatuurbeheersing niet is vereist<br />
- SR2 waarvoor temperatuurbeheersing is vereist<br />
8.3 Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong> (klasse 4.2)<br />
8.3.1 Indeling<br />
Klasse 4.2 omvat:<br />
- pyrofore <strong>stoffen</strong>; dit zijn <strong>stoffen</strong>, met inbegrip <strong>van</strong> mengsels en oplossingen (vloeibaar of vast), die in<br />
contact met lucht, zelfs in kleine hoeveelheden binnen 5 minuten ontbranden. Dit zijn de <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong><br />
klasse 4.2 die het sterkst voor zelfontbranding vatbaar zijn;<br />
- voor zelfverhitting vatbare <strong>stoffen</strong> en voorwerpen; dit zijn <strong>stoffen</strong> en voorwerpen met inbegrip <strong>van</strong><br />
mengsels en oplossingen, die in contact met lucht zonder toevoer <strong>van</strong> energie voor zelfverhitting<br />
vatbaar zijn. Deze <strong>stoffen</strong> kunnen slechts in grote hoeveelheden (verscheidene kilogrammen) en na<br />
lange tijdsduur (uren of dagen) ontbranden.<br />
De <strong>stoffen</strong> en voorwerpen <strong>van</strong> klasse 4.2 zijn als volgt onderverdeeld:<br />
- S Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong>, zonder bijkomend gevaar<br />
- S1 organische <strong>stoffen</strong>, vloeibaar<br />
- S2 organische <strong>stoffen</strong>, vast<br />
- S3 anorganische <strong>stoffen</strong>, vloeibaar<br />
- S4 anorganische <strong>stoffen</strong>, vast<br />
- SW Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong> die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen<br />
- SO Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong>, oxiderend<br />
- ST Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong>, giftig<br />
- ST1 organische <strong>stoffen</strong>, giftig, vloeibaar<br />
- ST2 organische <strong>stoffen</strong>, giftig, vast<br />
- ST3 anorganische <strong>stoffen</strong>, giftig, vloeibaar<br />
- ST4 anorganische <strong>stoffen</strong>, giftig, vast<br />
- SC Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong>, bijtend<br />
- SC1 organische <strong>stoffen</strong>, bijtend, vloeibaar<br />
- SC2 organische <strong>stoffen</strong>, bijtend, vast<br />
- SC3 anorganische <strong>stoffen</strong>, bijtend, vloeibaar<br />
- SC4 anorganische <strong>stoffen</strong>, bijtend, vast<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 54/84
8.4 Stoffen met gevaar <strong>van</strong> ontwikkeling <strong>van</strong> brandbare gassen in contact met water (klasse 4.3)<br />
8.4.1 Indeling<br />
Klasse 4.3 omvat <strong>stoffen</strong>, die als gevolg <strong>van</strong> een reactie met water brandbare gassen<br />
ontwikkelen, die met lucht ontplofbare mengsels kunnen vormen, alsmede voorwerpen die <strong>stoffen</strong><br />
<strong>van</strong> deze klasse bevatten.<br />
De <strong>stoffen</strong> en voorwerpen <strong>van</strong> klasse 4.3 zijn als volgt onderverdeeld:<br />
- W Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zonder bijkomend gevaar, en<br />
voorwerpen die dergelijke <strong>stoffen</strong> bevatten<br />
- W1 Vloei<strong>stoffen</strong><br />
- W2 Vaste <strong>stoffen</strong><br />
- W3 Voorwerpen<br />
- WF1 Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, vloeibaar, brandbaar<br />
- WF2 Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, vast, brandbaar<br />
- WS Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, voor zelfverhitting vatbaar, vast<br />
- WO Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, oxiderend, vast<br />
- WT Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, giftig<br />
- WT1 Vloei<strong>stoffen</strong><br />
- WT2 Vaste <strong>stoffen</strong><br />
- WC Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, bijtend<br />
- WC1 Vloei<strong>stoffen</strong><br />
- WC2 Vaste <strong>stoffen</strong><br />
- WFC Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, brandbaar, bijtend.<br />
8.5 Voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3 Wm, AI<br />
8.5.1 Algemeen<br />
8.5.1.1 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.1, 4.2 of 4.3 moet volgens tabel 10 plaatsvinden.<br />
Tabel 10: beschermingsniveaus voor opslag <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.1, 4.2 en 4.3<br />
ADR 4.1 ADR 4.2 ADR 4.3<br />
Kg VG I VG II VG III VG I VG II VG III VG I VGII VG III<br />
< 2.500 maatwerk 3 (x) 3 3 (xx) 3 (x) 3 (x) 3 (xx) 3 (xx) 3 (x)<br />
2.500 – maatwerk 3+ (x) 3 3+ (xx) 3+ (x) 3 (x) 3+ (xx) 3 (xx) 3 (x)<br />
10.000<br />
> 10.000 maatwerk 1 (x) 3+ (x) 1 (xx) 1 (x) 3+ (x) 1 (xx) 1 (xx) 3+ (x)<br />
(x) in deze opslagvoorziening mogen geen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 worden opgeslagen<br />
(xx) in deze opslagvoorziening mogen geen andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen<br />
+ beschermingsniveau aangevuld met geschikte detectie en doormelding; voor de hoeveelheden <strong>van</strong><br />
2.500 tot 10.000 kg <strong>van</strong> alle klassen en verpakkingsgroepen geldt, dat het toepassen <strong>van</strong> de aanvullende<br />
voorzieningen (detectie en doormelding) op basis <strong>van</strong> maatwerk (o.a. soort stof en uitvoering<br />
opslagvoorziening) beoordeeld moet worden. Daarbij dient het beoogde veiligheidsniveau (een snelle<br />
signalering <strong>van</strong> een mogelijk incident en de mogelijkheid <strong>van</strong> snel ingrijpen om de om<strong>van</strong>g <strong>van</strong> het incident<br />
te beperken) te worden gewaarborgd.<br />
8.5.2 Aanvullende voorschriften voor <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 4.1 in verpakkingsgroep II en III<br />
8.5.2.1 Voor de <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 4.1 verpakkingsgroep II en III met de gevaarsaspecten D en DT geldt<br />
dat deze wel met elkaar maar niet gelijktijdig met andere <strong>stoffen</strong> of goederen mogen worden opgeslagen.<br />
Stoffen met het gevaarsaspect SR2 mogen niet gelijktijdig met andere <strong>stoffen</strong> of goederen worden<br />
opgeslagen.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 55/84
8.5.3 Aanvullende voorschriften voor <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 4.2 in verpakkingsgroep III<br />
8.5.3.1 In een opslagvoorziening met meer dan 10.000 kg <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.2 in verpakkingsgroep III<br />
mogen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 verpakkingsgroep III worden opgeslagen indien deze is<br />
uitgevoerd met beschermingsniveau 1. De <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.2 in verpakkingsgroep III moeten in een<br />
dergelijke situatie worden opgeslagen in aparte vakken <strong>van</strong> maximaal 300 m 2 dat aan drie zijden is<br />
omgeven is door een muur die ten minste 30 minuten brandwerend is uitgevoerd.<br />
8.5.4 Aanvullende voorschriften voor <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 4.3 in verpakkingsgroep III<br />
8.5.4.1 Een hoeveelheid <strong>van</strong> meer dan 10.000 kg <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.3 in verpakkingsgroep III,<br />
uitgezonderd de <strong>stoffen</strong> met gevaarsaspecten W1, WF1, WF2, WS, WT1 en WC1, moet worden<br />
opgeslagen in een opslagvoorziening die ten minste is uitgevoerd met beschermingsniveau 3, aangevuld<br />
met een brand- of gasdetectiesysteem en doormelding.<br />
8.5.4.2 In afwijking <strong>van</strong> voorschrift 8.5.4.1 mag bij opslag <strong>van</strong> uitsluitend <strong>stoffen</strong> met de gevaarsaspecten<br />
W2 of WT2 worden volstaan met een doelmatige ventilatie <strong>van</strong> de opslagvoorziening. De ventilatie moet<br />
zodanig zijn uitgevoerd dat geen hemelwater in de opslagvoorziening kan geraken.<br />
8 5.4.3 Een hoeveelheid <strong>van</strong> meer dan 10.000 kg <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.3 in verpakkingsgroep III met de<br />
gevaarsaspecten W1, WF1, WF2, WS, WT1 of WC1 moet worden opgeslagen in een opslagvoorziening<br />
die is uitgevoerd met beschermingsniveau 1.<br />
In deze opslaglocatie mogen gelijktijdig met deze <strong>stoffen</strong> geen <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 zijn opgeslagen.<br />
8.5.3.4 In afwijking <strong>van</strong> 8.5.4.3 mag in een opslagvoorziening met meer dan 10.000 kg <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de<br />
klasse 4.3 in verpakkingsgroep III gezamenlijk met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 verpakkingsgroep III<br />
worden opgeslagen indien deze is uitgevoerd met beschermingsniveau 1. De <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.3 in<br />
verpakkingsgroep III moeten in een dergelijke situatie worden opgeslagen in een aparte vakken <strong>van</strong><br />
maximaal 300 m 2 dat aan drie zijden is omgeven is door een muur die ten minste 30 minuten brandwerend<br />
is uitgevoerd.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 56/84
9 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> een beperkte hoeveelheid<br />
organische peroxiden<br />
9.1 Inleiding<br />
Organische peroxiden (klasse 5.2) moeten worden opgeslagen conform de richtlijn CPR 3 (tweede uitgave<br />
1997). In de praktijk komt het regelmatig voor dat naast de reguliere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> ook organische<br />
peroxiden worden opgeslagen. In dit hoofdstuk is ingegaan op de randvoorwaarden waaronder een<br />
dergelijke gecombineerde opslag mogelijk is. Een maximale opslaghoeveelheid <strong>van</strong> 1.000 kg organische<br />
peroxiden per inrichting, onder PGS15-condities, is toegestaan. Deze uitzondering geldt uitsluitend voor<br />
organische peroxiden verpakt als “limited quantities” (LQ) (ADR 3.2.1 en 3.4). Daarnaast wordt het<br />
toestaan beperkt tot de peroxiden met UN-nummer 3103 t/m UN-nummer 3110 (type C t/m F zonder<br />
temperatuurbeheersing).<br />
(Opm: Er geldt dus een maximum <strong>van</strong> 1.000 kg organische peroxiden per inrichting. Ongeacht of dit<br />
verdeeld is over meerdere opslagvoorzieningen. Wanneer men meer dan 1.000 kg binnen een inrichting<br />
wil opslaan, dan geldt CPR 3).<br />
Hieronder wordt gemotiveerd aangegeven waarom afgeweken kan worden <strong>van</strong> de CPR 3. Het toestaan<br />
<strong>van</strong> organische peroxiden is bedoeld voor opslag <strong>van</strong> kleinverpakkingen (zoals tubes met hardener of<br />
twee-componenten lijm). Om deze reden worden voorwaarden gesteld. In het algemeen kunnen de<br />
gevaren <strong>van</strong> organische peroxiden als volgt worden omschreven:<br />
- ontledingsreactie bij temperatuurverhoging;<br />
- ontledingsreactie kan door contaminatie (verontreiniging) worden veroorzaakt;<br />
- hoge brandsnelheid;<br />
- moeilijk te ontsteken (eerst moet een ontledingsreactie in gang worden gezet).<br />
Het beperkt toestaan kan worden gemotiveerd door bovengenoemde gevaren te reduceren. Deze reductie<br />
<strong>van</strong> de gevaren wordt bereikt door:<br />
- alleen thermisch stabiele peroxiden (geen T c ) en opslag in aparte vakken of aparte<br />
opslagvoorzieningen toe te staan;<br />
- reductie <strong>van</strong> de verpakkingsgrootte. Reductie <strong>van</strong> de verpakkingsgrootte heeft twee effecten:<br />
o De brandsnelheid is afhankelijk <strong>van</strong> the type peroxide en afhankelijk <strong>van</strong> de gebruikte verpakking.<br />
De in de CPR 3 gehanteerde brandsnelheid is die voor de max. toegestane verpakkingsgrootte,<br />
vaak 50 kg. De max. verpakkingsgrootte voor LQ is 500 g voor vaste <strong>stoffen</strong> en 125 ml voor<br />
vloei<strong>stoffen</strong> (afhankelijk <strong>van</strong> UN-nummer).<br />
o De ontledingssnelheid zal worden geremd. Een langzame ontledingsreactie zal geen of slechts<br />
een langzame drukopbouw veroorzaken<br />
Genoemde organische peroxiden in LQ zijn voor het ADR <strong>van</strong>wege hun geringe gevaar vrijgesteld <strong>van</strong> de<br />
eisen die voor transport <strong>van</strong> klasse 5.2 <strong>van</strong> toepassing zijn (ADR 3.4.5).<br />
Organische peroxiden <strong>van</strong> type G kunnen worden vrijgesteld <strong>van</strong> de richtlijn CPR 3. Tevens zijn zij voor<br />
het ADR vrijgesteld <strong>van</strong> klasse 5.2 (ADR 2.2.52.1.6). Indien deze <strong>stoffen</strong> op basis <strong>van</strong> hun<br />
gevaarseigenschappen niet in een ander klasse <strong>van</strong> het ADR worden ingedeeld, vallen zij volgens ADR<br />
niet onder de noemer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Omdat type G peroxiden worden beschouwd als aanverwante<br />
<strong>stoffen</strong> is opslag in een opslagvoorziening toegestaan. De bepalingen <strong>van</strong> par. 9.2 zijn voor type G<br />
peroxiden niet <strong>van</strong> toepassing.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 57/84
Samenhang met hoofdstuk 3 Algemeen<br />
De voorschriften uit hoofdstuk 3 Algemeen zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op de opslag <strong>van</strong> een beperkte<br />
hoeveelheid organische peroxiden in een opslagvoorziening.<br />
9.2 Voorschriften Wm, AI<br />
9.2.1 In een opslagvoorziening die is uitgevoerd voor opslag <strong>van</strong> meer dan 10 ton <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
overeenkomstig hoofdstuk 4 dient:<br />
- opslag <strong>van</strong> organische peroxiden plaats te vinden in een apart vak gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> of in een uitsluitend daarvoor bestemde, gesloten, brandveiligheidsopslagkast die is voorzien<br />
<strong>van</strong> een nooddrukontlasting <strong>van</strong> 0.25 m 2 ;<br />
- de opslagvoorziening uitgevoerd te zijn conform beschermingsniveau 1;<br />
- bij het aparte vak of op de kast het peroxide-etiket (voor transport) te zijn aangebracht.<br />
9.2.2 Voor een opslagvoorziening die is uitgevoerd voor de opslag <strong>van</strong> minder dan 10 ton geldt dat:<br />
- deze uitpandig moet zijn;<br />
- deze voorzien moet zijn <strong>van</strong> een fysieke scheiding tussen organische peroxiden en andere producten;<br />
- de maximale toegestane hoeveelheid organische peroxiden in de opslagvoorziening gelimiteerd moet<br />
zijn tot 10% <strong>van</strong> de totale opslag in de opslagvoorziening;<br />
- bij de peroxide-opslag moet het peroxide-etiket (voor transport) zijn aangebracht;<br />
- om drukopbouw bij ontleding te voorkomen, moet de opslag zodanig geventileerd zijn dat dit<br />
overeenkomt met een nooddrukontlasting <strong>van</strong> 0,25 m 2 .<br />
Toelichting: De reden voor het aanbrengen <strong>van</strong> een fysieke scheiding is het voorkomen <strong>van</strong> eventuele<br />
compatibiliteitsproblemen. Vanwege de geringe hoeveelheid peroxiden, maximaal 10% <strong>van</strong> het totaal, is<br />
het effect <strong>van</strong> een peroxiden-ontleding of -brand gering. De fysieke scheiding is bedoeld om de kans op<br />
een incident als gevolg contact <strong>van</strong> peroxide met andere <strong>stoffen</strong> te voorkomen. Met andere woorden elke<br />
fysieke scheiding, bijvoorbeeld een aparte lekbak, die dit contact voorkomt is voldoende.<br />
9.2.3. Als verwarming in een opslag noodzakelijk is, bijvoorbeeld ten behoeve <strong>van</strong> vorstvrije opslag, dan<br />
moet deze voldoen aan paragraaf 4.1.2 <strong>van</strong> CPR 3.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 58/84
10 Begrippenlijst<br />
ADR<br />
Accord européen relatief aux transport internationaux de marchandises dangereuses par route<br />
AFFF<br />
Aqueous Film Forming Foam<br />
ARIE<br />
Aanvullende Risico-Inventarisatie en Evaluatie conform de Arbeidsomstandighedenwet<br />
BEVI<br />
Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen<br />
BDB<br />
Basis Document Brandbeveiliging<br />
Brzo ‘99<br />
Besluit risico’s zware ongevallen 1999<br />
CUR/PBV<br />
Stichting civieltechnisch centrum uitvoering, research en regelgeving/Projectbureau Plan<br />
Bodembeschermende Voorzieningen<br />
ICAO<br />
International Civil Aviation Organisation<br />
Eural<br />
Europese afval<strong>stoffen</strong>lijst<br />
IMDG-code<br />
International Maritime Dangerous Goods Code<br />
LQ<br />
Limited Quantities, Gelimiteerde hoeveelheden<br />
NRB<br />
Nederlandse Richtlijn Bodembescherming<br />
PBZO<br />
Preventie Beleid Zware Ongevallen<br />
PvE<br />
Programma <strong>van</strong> Eisen<br />
RIE<br />
Risico-Inventarisatie en Evaluatie conform de Arbeidsomstandighedenwet<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 59/84
VR<br />
Veiligheidsrapport<br />
VG<br />
Verpakkingsgroep<br />
Wms<br />
Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
---------<br />
Bouwwerk (Modelbouwverordening)<br />
Elke constructie <strong>van</strong> enige om<strong>van</strong>g <strong>van</strong> hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats <strong>van</strong><br />
bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in<br />
of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.<br />
Toelichting:<br />
Hoewel de Woningwet geen definitie geeft <strong>van</strong> het begrip bouwwerk wordt in de jurisprudentie<br />
aangesloten bij de definitie die de Modelbouwverordening geeft.<br />
Brandbare vloeistof (ADR)<br />
Een vloeistof vallend die, in <strong>verpakte</strong> vorm, volgens het ADR het etiket volgens model nr. 3 draagt.<br />
Brandbare vaste stof<br />
Een vaste stof vallend onder de klasse 4.1 <strong>van</strong> het ADR.<br />
Brandcompartiment (Bouwbesluit)<br />
Brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003 (gedeelte <strong>van</strong> één of meer gebouwen bestemd<br />
als maximaal uitbreidingsgebied <strong>van</strong> brand).<br />
Brandmeldinstallatie<br />
Een samenstelsel <strong>van</strong> detectoren, bekabeling, een brandmeldcentrale en een doormeldinstallatie, dat<br />
nodig is voor ontdekken <strong>van</strong> een brand, het melden <strong>van</strong> brand en het geven <strong>van</strong> stuursignalen ten<br />
behoeve <strong>van</strong> andere installaties.<br />
Brandmeldinstallatie met volledige bewaking<br />
Brandmeldinstallatie met automatische melders in alle ruimten met uitzondering <strong>van</strong> natte ruimten en<br />
dergelijke (zie NEN 2535).<br />
Brandwerendheid<br />
Brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie bepaald volgens NEN 6069.<br />
Brandveiligheidsopslagkast<br />
Een zelfstandige niet betreedbare opslagvoorziening voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Bijkomend gevaar<br />
Een stof of voorwerp wordt aan de hand <strong>van</strong> de grootste gevaarseigenschap ingedeeld in een<br />
gevarenklasse <strong>van</strong> het ADR. Heeft die stof of voorwerp nog bijkomende gevaren die <strong>van</strong> belang kunnen<br />
zijn maar niet het grootste gevaar is dan wordt dit als een bijkomend gevaar benoemd.<br />
CMR-<strong>stoffen</strong><br />
Stoffen of preparaten die volgens bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG geclassificeerd zijn als<br />
Kankerverwekkend categorie 1 of 2 en/of als Mutageen categorie 1 of 2 en/of als "voor de voortplanting<br />
giftig" categorie 1 of 2. Het handelt dus alleen om producten die het symbool "T" (Giftig) toegekend hebben<br />
gekregen.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 60/84
Toelichting: Voor een overzicht <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> wordt verwezen naar de volgende overzichten <strong>van</strong> het<br />
ministerie <strong>van</strong> Sociale Zaken en Werkgelegenheid :<br />
- SZW-lijst <strong>van</strong> kankerverwekkende <strong>stoffen</strong> en processen.<br />
- SZW-lijst <strong>van</strong> mutagene <strong>stoffen</strong>.<br />
- Niet-limitatieve lijst <strong>van</strong> voor de voortplanting giftige <strong>stoffen</strong>.<br />
Deze lijst is ook te vinden op de Internetpagina <strong>van</strong> het Nederlands Focal Point voor veiligheid en<br />
gezondheid op het werk: http://arbo.nl/topics/subject/bedrijfsgezondheidszorg/beroepsziekten1.stm onder<br />
giftige <strong>stoffen</strong>. Ook is de lijst verkrijgbaar bij de Informatietelefoon <strong>van</strong> het Ministerie <strong>van</strong> Sociale Zaken en<br />
Werkgelegenheid (0800 9051). Tweemaal per jaar wordt de meest recente versie gepubliceerd in de<br />
Staatscourant.<br />
Cryo-houder (ADR)<br />
Een cryo-houder is een verplaatsbare drukhouder met warmte-isolerende bescherming voor het vervoer<br />
<strong>van</strong> sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen met een inhoud <strong>van</strong> ten hoogste 1.000 liter.<br />
Drukhouder (ADR)<br />
Een drukhouder is een verzamelterm die flessen, grote cilinders, drukvaten, gesloten cryohouders en<br />
flessenbatterijen omvat.<br />
Drukvat (ADR)<br />
Een gelaste verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud <strong>van</strong> meer dan 150 liter en niet meer dan<br />
1000 liter (bijv. cilindervormige houders met rolbanden en bolvormige houders op sleden).<br />
Gas (ADR)<br />
Een stof die bij 50 °C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar), of bij 20 °C en de standaarddruk<br />
<strong>van</strong> 101,3 kPa volledig gasvormig is.<br />
(Gas)fles (cilinder) (ADR)<br />
Een verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud <strong>van</strong> niet meer dan 150 liter.<br />
Toelichting:<br />
Een gasfles voor een blusgasinstallatie valt buiten deze definitie. Voor veiligheidsaspecten <strong>van</strong><br />
blusgasinstallaties wordt verwezen naar het SVI blad ‘blusgasinstallaties, veiligheidsaspecten’,<br />
www.syntaxmedia.nl.<br />
(Gas)flessenbatterij (cilinderpakket) (ADR)<br />
Een verzameling flessen die aan elkaar zijn bevestigd en onderling door een verzamelleiding zijn<br />
verbonden en die als ondeelbare eenheid wordt vervoerd.<br />
Toelichting:<br />
De term “flessenbatterij” kan aanleiding geven tot misverstand. In deze richtlijn en in het ADR wordt<br />
hiermee een verpakking bedoeld zoals hier omschreven, vaak ook genoemd cilinderpakket, pakket of<br />
palletpakket. In andere publicaties is in het verleden de term “flessenbatterij” ook gebruikt voor de<br />
installatie waarbij één fles (of meerdere flessen) aangesloten staat (staan) op een aan de wand<br />
gemonteerde verzamelleiding met reduceertoestel waarmee een leidingwerk wordt gevoed.<br />
Gaspatroon (ADR)<br />
Zie Houders, klein, met gas.<br />
Gebouw (Woningwet)<br />
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten<br />
ruimte vormt.<br />
Gelimiteerde hoeveelheden (LQ)<br />
Dit zijn <strong>gevaarlijke</strong> goederen in kleine hoeveelheden verpakt in verpakkingen die overeenkomstig 3.4.3 t/m<br />
3.4.6 <strong>van</strong> het ADR worden gebruikt. De verpakkingen behoeven volgens het ADR (3.4.1) slechts te<br />
voldoen aan de algemene verpakkingsvoorschriften <strong>van</strong> 4.1.1.1, 4.1.12 en 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8 <strong>van</strong> het<br />
ADR.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 61/84
Indien het vervoer onder de gelimiteerde hoeveelheden valt dan zijn de voorschriften <strong>van</strong> alle<br />
hoofdstukken <strong>van</strong> het ADR, tenzij in hoofdstuk 3.4 <strong>van</strong> het ADR anders is bepaald, niet <strong>van</strong> toepassing op<br />
het vervoer <strong>van</strong> die stof of dat voorwerp.<br />
Toelichting: waar in de richtlijn melding is gemaakt <strong>van</strong> uitzonderingen voor gelimiteerde hoeveelheden,<br />
geldt dat uitsluitend indien de gelimiteerde hoeveelheden zich in de oorspronkelijke ADR-verpakking<br />
bevinden.<br />
Gesloten container<br />
Container die aan alle zijden gesloten is.<br />
Gevaarlijke stof<br />
Stoffen en voorwerpen, waar<strong>van</strong> het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin<br />
opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel <strong>stoffen</strong>, materialen en voorwerpen aangeduid in de<br />
IMDG-Code.<br />
Gevaarlijke afvalstof<br />
Afvalstof die als zodanig is aangewezen op grond <strong>van</strong> de Eural-regelgeving.<br />
Toelichting: De <strong>gevaarlijke</strong> afval<strong>stoffen</strong> zijn in de Eural-lijst aangegeven met een sterretje. Daarnaast zijn<br />
er in de Eural nog <strong>stoffen</strong> met een c achter de code. Dit zijn de complementaire <strong>stoffen</strong>. Dat betekent dat<br />
voor dat specifieke geval bepaald moet worden of het gaat om een <strong>gevaarlijke</strong> of een niet-<strong>gevaarlijke</strong><br />
afvalstof. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de VROM-publicatie Handreiking Eural <strong>van</strong><br />
september 2001. Code: VROM 010014/b/09-01 14264/174.<br />
Groot brandcompartiment (Bouwbesluit)<br />
Brandcompartiment met een gebruiksoppervlakte <strong>van</strong> meer dan 1.000 m², als bedoeld in afdeling 2.22<br />
<strong>van</strong> het Bouwbesluit 2003.<br />
Grote cilinder ('tube') (klasse 2) (ADR)<br />
Een naadloze verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud <strong>van</strong> meer dan 150 liter en niet meer dan<br />
3000 liter.<br />
Houder, klein, met gas (gaspatroon) (ADR)<br />
Een niet hervulbare houder, die een gas of gasmengsel onder druk bevat. De houder kan zijn voorzien <strong>van</strong><br />
een afsluitventiel.<br />
Houder (ADR)<br />
Een omhulsel, bestemd om <strong>stoffen</strong> of voorwerpen op te nemen en te bevatten met inbegrip <strong>van</strong> alle<br />
sluitingsmiddelen. Reservoirs vallen niet onder deze definitie.<br />
Inpandige opslagvoorziening<br />
In een (ander) bouwwerk gesitueerde opslagvoorziening.<br />
Intermediate Bulk Container (IBC) (ADR)<br />
Een stijve of flexibele verpakking die in hoofdstuk 6.5 <strong>van</strong> het ADR is genoemd.<br />
Journaal <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Een register <strong>van</strong> de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, die in een inrichting aanwezig zijn.<br />
Lege gasfles<br />
Gasfles waar<strong>van</strong> de druk dusdanig laag is dat de inhoud niet bruikbaar is.<br />
Lege gereinigde verpakking<br />
Een verpakking die gereinigd is dan wel schenk-, schrap- of schraapleeg is of waar<strong>van</strong> de inhoud is<br />
gepolymeriseerd dan wel oxidatief-fysisch is gedroogd dan wel chemisch heeft gereageerd (allen<br />
uitgehard) en waar<strong>van</strong> de gevaarsetikettering onzichtbaar is gemaakt.<br />
Lege ongereinigde verpakking<br />
Alle overige lege verpakkingen, niet zijnde lege gereinigde verpakkingen<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 62/84
Lekbak<br />
Vloeistofdichte voorziening met beperkte op<strong>van</strong>gcapaciteit, waar<strong>van</strong> de bodembeschermende werking<br />
door gericht toezicht en doelmatig ledigen wordt gewaarborgd. De lekbak moet zodanig zijn uitgevoerd<br />
dat deze bestand is tegen de inwerking <strong>van</strong> vloei<strong>stoffen</strong> die er boven worden opgeslagen.<br />
NEN normen<br />
Norm uitgegeven door het Nederlandse Normalisatie Instituut.<br />
Zie www.nen.nl<br />
Niet brandgevaarlijk<br />
Niet brandgevaarlijk bepaald volgens NEN 6063.<br />
Noodplan<br />
Een overzicht <strong>van</strong> de door een bedrijfsorganisatie genomen maatregelen en voorzieningen om effecten<br />
<strong>van</strong> calamiteiten te minimaliseren en te bestrijden.<br />
Onbrandbaar<br />
Onbrandbaar bepaald volgens NEN 6064<br />
Open opslagvoorziening<br />
Een open opslagvoorziening is een ruimte welke tenminste aan één zijwand geheel open is (al dan niet<br />
afgescheiden door een hek- of gaaswerk) zodat deze in vrij contact staat met de buitenlucht en geen<br />
gassen zich kunnen ophopen of zich vlak boven de vloer kunnen verzamelen.<br />
Open container<br />
Container die aan de bovenzijde open is. Er is geen dak aanwezig (meestal een zeil).<br />
<strong>Opslag</strong>voorziening<br />
Een voorziening bestemd voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Spuitbus (aërosol) (ADR)<br />
Een niet hervulbare houder <strong>van</strong> metaal, glas of kunststof die een samengeperst, vloeibaar gemaakt of<br />
opgelost gas bevat, al dan niet met een vloeibare, pasteuze of poedervormige stof, en voorzien <strong>van</strong> een<br />
aftapinrichting die het mogelijk maakt, dat de inhoud wordt uitgestoten in de vorm <strong>van</strong> een suspensie <strong>van</strong><br />
vaste of vloeibare deeltjes in een gas, in de vorm <strong>van</strong> schuim, pasta of poeder of in vloeibare of<br />
gasvormige toestand.<br />
Tankcontainer<br />
Een container met reservoir en uitrustingdelen conform ADR hoofdstuk 6.8.<br />
Transporttank<br />
Een multimodale tank conform ADR hoofdstuk 6.7.<br />
Toelichting: in de regelgeving <strong>van</strong> ADR/IMDG-code wordt zowel het begrip tankcontainer als transporttank<br />
gebruikt. In de toekomst zal uitsluitend nog het begrip transporttanks worden gebruikt.<br />
Uitpandige opslagvoorziening<br />
Een niet in een bouwwerk gesitueerde opslagvoorziening.<br />
Toelichting: een uitpandige opslagvoorziening kan wel aan een of meerdere zijden grenzen aan een<br />
bouwwerk.<br />
Vak<br />
<strong>Opslag</strong>gedeelte binnen een opslagvoorziening.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 63/84
Vaste stof (ADR)<br />
Een stof met een smeltpunt of een beginsmeltpunt hoger dan 20 °C bij een druk <strong>van</strong> 101,3 kPa, of<br />
een stof die volgens de beproevingsmethode ASTM D 4359-90 niet vloeibaar is en die volgens de criteria<br />
<strong>van</strong> de in 2.3.4 <strong>van</strong> het ADR beschreven beproevingsmethode voor de bepaling <strong>van</strong> het vloeigedrag<br />
(penetrometermethode) dikvloeibaar is.<br />
Verpakking<br />
Een verpakking die is toegelaten voor het vervoer <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, inclusief grote verpakking en<br />
IBC.<br />
Verpakkingsgroep<br />
Een groep, waarin bepaalde <strong>stoffen</strong> op grond <strong>van</strong> hun gevaarlijkheid tijdens<br />
het vervoer conform het ADR zijn ingedeeld voor verpakkingsdoeleinden.<br />
Verpakkingsgroep I: zeer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Verpakkingsgroep II: <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Verpakkingsgroep III: minder <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Viscositeitsregel ADR<br />
De viscositeitsregel in het ADR, onder 2.2.3.1.5. is als volgt:<br />
Niet giftige en niet bijtende oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt <strong>van</strong> 23 °C en hoger<br />
(viskeuze <strong>stoffen</strong>, zoals verven en lakken, uitgezonderd <strong>stoffen</strong> die meer dan 20% nitrocellulose bevatten,<br />
zie voorschrift 2.2.3.1.4 <strong>van</strong> de ADR) verpakt in houders met een inhoud <strong>van</strong> ten hoogste 450 liter, zijn niet<br />
onderworpen aan de voorschriften <strong>van</strong> het ADR indien bij de beproeving <strong>van</strong> afscheiding <strong>van</strong> oplosmiddel<br />
(zie het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 32.5.1) de hoogte <strong>van</strong> de afgescheiden laag<br />
oplosmiddel kleiner is dan 3% <strong>van</strong> de totale hoogte en indien deze <strong>stoffen</strong> in de uitloopbeker volgens ISOnorm<br />
2431:1993 met een uitloopopening <strong>van</strong> 6 mm diameter bij 23 °C een uitlooptijd:<br />
a. <strong>van</strong> ten minste 60 seconden, of<br />
b. <strong>van</strong> ten minste 40 seconden bezitten en niet meer dan 60% <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 3 bevatten.<br />
Vlampunt (ADR)<br />
De laagste temperatuur <strong>van</strong> een vloeistof, waarbij de damp daar<strong>van</strong> met lucht een ontvlambaar mengsel<br />
vormt.<br />
Vloeistof (ADR)<br />
Een stof die bij 50 °C een dampdruk heeft <strong>van</strong> ten hoogste 300 kPa (3 bar), en bij 20 °C en een druk <strong>van</strong><br />
101,3 kPa niet volledig gasvormig is, en die<br />
a) bij een druk <strong>van</strong> 101,3 kPa een smeltpunt of beginsmeltpunt heeft <strong>van</strong> 20 °C of lager, of<br />
b) die volgens de beproevingsmethode ASTM D 4359-90 vloeibaar is, of<br />
c) volgens de criteria <strong>van</strong> de in 2.3.4 <strong>van</strong> het ADR beschreven beproevingsmethode voor de bepaling <strong>van</strong><br />
het vloeigedrag (penetrometermethode) niet dikvloeibaar is.<br />
Vloeistofkerende vloer<br />
En verharding die voor een kortere periode in staat is om de vrijgekomen vloei<strong>stoffen</strong> op te <strong>van</strong>gen en te<br />
voorkomen dat deze in de bodem terechtkomen. Onder 'kortere' is dan te verstaan de periode die ligt<br />
tussen het vrijkomen <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> en het moment dat de opruimactiviteiten zijn afgerond.<br />
Toelichting: Om te voorkomen dat vrijgekomen vloei<strong>stoffen</strong> in de bodem geraken moet de<br />
vloeistofkerende vloer in ieder geval bestaan uit een aaneengesloten verharding. Een dergelijke vloer<br />
hoeft niet <strong>van</strong> een verklaring vloeistofdichte voorziening te zijn voorzien.<br />
WBDBO (Bouwbesluit)<br />
Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag in minuten volgens NEN 6068.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 64/84
BIJLAGE 1 Explosieveilig materieel<br />
1. Sinds 1 juli 2003 is paragraaf 2a Explosieve atmosferen met daarin de artikelen 3.5a tot en met<br />
3.5f in het Arbeidsomstandighedenbesluit <strong>van</strong> kracht. Hierdoor is de Europese richtlijn<br />
1999/92/EG, betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering <strong>van</strong> de<br />
gezondheidsbescherming en <strong>van</strong> de veiligheid <strong>van</strong> werknemers die door explosieve atmosferen<br />
gevaar kunnen lopen (ook ATEX 137 genoemd), in de Nederlandse wetgeving opgenomen.<br />
Gevolg <strong>van</strong> de nieuwe artikelen is, dat ook bedrijven die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> opslaan uiterlijk op 1<br />
juli 2006 ten aanzien <strong>van</strong> de gevaren in verband met potentiële explosierisico’s een<br />
gestructureerd en goed onderbouwd beleid moeten voeren met bijbehorende maatregelen.<br />
Nieuwe opslagvoorzieningen dienen per 1 juli 2003 te voldoen aan de genoemde regelgeving.<br />
2. De gevaren in verband met explosieve atmosferen en de bijzondere risico’s die daaruit kunnen<br />
voortvloeien, moeten in het kader <strong>van</strong> de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5<br />
<strong>van</strong> de Arbeidsomstandighedenwet, voor de aan<strong>van</strong>g <strong>van</strong> de arbeid en bij iedere belangrijke<br />
wijziging, uitbreiding of verbouwing <strong>van</strong> de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen of het<br />
arbeidsproces, in hun geheel beoordeeld en schriftelijk vastgelegd worden in een<br />
explosieveiligheidsdocument.<br />
3. Bij de beoordeling moet in ieder geval rekening gehouden worden met:<br />
a. De waarschijnlijkheid <strong>van</strong> het voorkomen en het voortduren <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> explosieve<br />
atmosferen.<br />
b. De waarschijnlijkheid dat ontstekingsbronnen, elektrostatische ontladingen daaronder<br />
begrepen, aanwezig zijn, actief worden en daadwerkelijk ontsteken.<br />
c. De aanwezige installaties, de gebruikte <strong>stoffen</strong>, de processen en hun mogelijke<br />
wisselwerkingen.<br />
d. De om<strong>van</strong>g <strong>van</strong> de te verwachten gevolgen.<br />
4. Bij de bepaling <strong>van</strong> de gevarenzones moet rekening worden gehouden met normale<br />
procesvoering, inclusief lekkages. Een lekkage <strong>van</strong> maximaal één vat (grootste vat) met het, uit<br />
oogpunt <strong>van</strong> explosiegevaar, meest risicovolle product is bepalend voor de zonering en<br />
zoneafmeting. Geen rekening hoeft te worden gehouden met calamiteiten zoals bijvoorbeeld het<br />
instorten <strong>van</strong> het dak waardoor meerdere vaten tegelijk kunnen bezwijken.<br />
Bij het bepalen <strong>van</strong> gevarenzones kan gebruik gemaakt worden <strong>van</strong> de Nederlandse<br />
praktijkrichtlijn (NPR) 7910-1 voor gasexplosie.<br />
5. Arbeidsmiddelen en al het installatiemateriaal dat gebruikt wordt binnen de gevarenzones moeten<br />
geschikt zijn voor het gebruik in de desbetreffende gevarenzone conform het Warenwetbesluit<br />
explosieveilig materieel.<br />
6. Vorkheftrucks en aanverwant materieel zijn ook arbeidsmiddelen. Vorkheftrucks die gebruikt<br />
worden in gezoneerde gebieden moeten in de gewenste explosieveilige uitvoering zijn<br />
uitgevoerd. Van deze vorkheftrucks moet een EG-verklaring <strong>van</strong> overeenstemming als bedoeld in<br />
bijlage 10 <strong>van</strong> EG richtlijn 94/9/EG aanwezig zijn. Deze verklaring moet aantonen dat de fabrikant<br />
geen bezwaar heeft dat de vorkheftruck gebruikt wordt in de betreffende zones.<br />
Vorkheftrucks die rijden op LPG kunnen niet explosieveilig worden uitgevoerd en worden<br />
derhalve niet in gezoneerde gebieden gebruikt. Dieseltrucks kunnen wel in de gewenste<br />
explosieveilige uitvoering worden uitgevoerd, echter zijn alleen geschikt voor gebruik in de<br />
buitenlucht. Elektrische vorkheftrucks kunnen in de gewenste explosieveilige uitvoering worden<br />
verkregen en zijn ook geschikt voor inpandig gebruik.<br />
7. Er dienen organisatorische maatregelen te worden getroffen op plaatsen waar technische<br />
maatregelen alleen de bescherming tegen explosiegevaar op de arbeidsplaats niet kunnen<br />
waarborgen en handhaven. De getroffen organisatorische maatregelen ter bescherming tegen<br />
explosiegevaar moeten in het explosieveiligheidsdocument worden vastgelegd.<br />
Als organisatorische maatregelen ter bescherming tegen explosiegevaar dienen de volgende<br />
punten gerealiseerd te worden:<br />
- opstellen <strong>van</strong> schriftelijke bedrijfsinstructies;<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 65/84
- instructie <strong>van</strong> de medewerkers over explosieveiligheid;<br />
- voldoende kwalificatie <strong>van</strong> de werknemers;<br />
- toepassing <strong>van</strong> een werkvergunningensysteem voor <strong>gevaarlijke</strong> werkzaamheden;<br />
- het in stand houden <strong>van</strong> de technische maatregelen ter bescherming tegen explosiegevaar<br />
door inspectie, onderhoud en reparatie.<br />
8. De plaatsen waar <strong>gevaarlijke</strong> explosieve atmosferen aanwezig kunnen zijn in een hoeveelheid<br />
die de veiligheid en de gezondheid <strong>van</strong> de werknemers in gevaar kan brengen, worden de<br />
toegangen tot deze plaatsen met het volgende waarschuwingsbord gemarkeerd:<br />
Herkenningsteken:<br />
- vorm: driehoekig,<br />
- vormgeving: zwarte letters op een gele ondergrond met zwarte rand (de veiligheidskleur geel<br />
moet ten minste 50% <strong>van</strong> het oppervlak <strong>van</strong> het bord beslaan);<br />
- wanneer niet de gehele ruimte, maar slechts een deel hier<strong>van</strong> een explosie<strong>gevaarlijke</strong> plaats<br />
is, kan dit gebied door een geelzwarte arcering, bijvoorbeeld op de vloer, worden<br />
gemarkeerd; bij de markering moet het waarschuwingsbord zijn geplaatst.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 66/84
BIJLAGE 2 Borden ten behoeve <strong>van</strong> de veiligheidsignalering<br />
1. Verbodsborden<br />
Intrinsieke kenmerken:<br />
- rond;<br />
- zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die <strong>van</strong> links naar rechts over het<br />
pictogram loopt onder een hoek <strong>van</strong> 45° ten opzichte <strong>van</strong> de horizontale lijn. De rode kleur<br />
beslaat ten minste 35% <strong>van</strong> het oppervlak <strong>van</strong> het bord.<br />
Verboden te roken<br />
Vuur, open vlam en roken<br />
verboden<br />
Verboden met water<br />
te blussen<br />
Geen toegang voor<br />
onbevoegden<br />
2. Waarschuwingsborden:<br />
Intrinsieke kenmerken:<br />
- driehoekig;<br />
- zwart pictogram op gele achtergrond, zwarte rand. De gele kleur beslaat ten minste 50% <strong>van</strong><br />
het oppervlak <strong>van</strong> het bord.<br />
Ontvlambare <strong>stoffen</strong> of<br />
hoge temperatuur<br />
Giftige <strong>stoffen</strong><br />
Bijtende <strong>stoffen</strong><br />
Oxiderende <strong>stoffen</strong><br />
Bord op deur bij opslagruimte<br />
organische peroxides<br />
(= vervoersetiket model 5.2)<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 67/84
BIJLAGE 3 Voorkomen <strong>van</strong> onverenigbare combinaties door <strong>stoffen</strong>scheiding<br />
1. Uitgangspunt scheiding <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Indien bij het gelijktijdig vrijkomen <strong>van</strong> twee <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> uit de verpakking er een groter<br />
(vervolg) effect ontstaat dan op grond <strong>van</strong> de eigenschappen <strong>van</strong> de afzonderlijke <strong>stoffen</strong> verwacht<br />
kan worden, moeten deze <strong>stoffen</strong> gescheiden worden opgeslagen.<br />
Bij deze beoordeling moeten alle eigenschappen <strong>van</strong> een <strong>gevaarlijke</strong> stof worden beschouwd, dus<br />
ook de bijkomende gevarenlabels conform het ADR.<br />
Het ontstaan <strong>van</strong> giftige verbrandingsgassen vormt geen onderdeel <strong>van</strong> dit uitgangspunt. De<br />
eigenschappen <strong>van</strong> een stof zijn immers niet bepalend voor de mate <strong>van</strong> toxiciteit <strong>van</strong> de<br />
verbrandingsproducten. Indien sprake is <strong>van</strong> zeer toxische <strong>stoffen</strong> (klasse 6.1 verpakkingsgroep I) of<br />
CMR-<strong>stoffen</strong> moet wel rekening worden gehouden met onverbrand product dat zich tezamen met de<br />
verbrandingsgassen zal verspreiden.<br />
Enkele voorbeelden <strong>van</strong> het gelijktijdig vrijkomen <strong>van</strong> twee <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
a. Een brandbare stof (klasse 3) zal indien deze vrijkomt en bij een brand betrokken raakt:<br />
- wel een groter effect opleveren als in hetzelfde vak brandbevorderende <strong>stoffen</strong> (klasse 5.1/2)<br />
worden opgeslagen → gescheiden opslaan (omdat de onverbrande producten wel een<br />
groter effect geven);<br />
- geen groter effect optreden als in hetzelfde vak brandbare <strong>stoffen</strong> (klasse 3) worden<br />
opgeslagen → geen gescheiden opslag noodzakelijk;<br />
- geen groter effect optreden als in hetzelfde vak natriumcarbonaat/soda (geen ADR stof)<br />
worden opgeslagen → geen gescheiden opslag noodzakelijk.<br />
b. Een bijtende stof (klasse 8, zuur) zal bij vrijkomen:<br />
- wel een groter effect opleveren als in hetzelfde vak een bijtende stof (klasse 8, base) worden<br />
opgeslagen → gescheiden opslaan;<br />
- geen groter effect optreden als in hetzelfde vak milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (klasse 9) worden<br />
opgeslagen → geen gescheiden opslag noodzakelijk.<br />
2. Categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die gescheiden moeten worden opgeslagen<br />
In onderstaande tabel is weergegeven welke combinaties zich kunnen voordoen, waarbij voor alle<br />
ADR-klassen voorbeelden zijn uitgewerkt. Van de tabel kan gemotiveerd worden afgeweken op basis<br />
<strong>van</strong> bijvoorbeeld veiligheidsinformatiebladen of indien de <strong>stoffen</strong> chemisch gezien wel kunnen<br />
reageren maar ten gevolge <strong>van</strong> de beperkte concentratie <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> er geen reacties hoeven te<br />
worden verwacht met excessieve warmteontwikkeling of andere bijzondere gevaren. Bij de opslag<br />
<strong>van</strong> gewasbeschermingsmiddelen, waarbij veel verschillende producten met meerdere<br />
gevaarsetiketten per product in kleine verpakkingseenheden worden opgeslagen in een<br />
opslagvoorziening die is uitgevoerd op beschermingsniveau 1, is het niet zinvol om deze<br />
scheidingsregels te hanteren.<br />
De tabel is niet <strong>van</strong> toepassing op:<br />
- klasse 2 (zie hiervoor hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7);<br />
- klasse 4 (zie hoofdstuk 8);<br />
- klasse 5.2 (zie hoofdstuk 9).<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 68/84
Gevaar conform de klasse zonder<br />
bijkomend gevaar<br />
Klasse<br />
3<br />
Klasse<br />
5.1<br />
Klasse<br />
6.1<br />
+ CMR<br />
Klasse<br />
8<br />
Klasse<br />
9<br />
Overige<br />
Chemicalië<br />
n (Wms +<br />
ongevaarlijk<br />
)<br />
Klasse 3 (brandbare vloei<strong>stoffen</strong>) - V B* of V B B -<br />
Klasse 5.1 (oxiderende <strong>stoffen</strong>) V - B* B B -<br />
Klasse 6.1 (giftige <strong>stoffen</strong>)<br />
CMR-<strong>stoffen</strong><br />
B* of V<br />
B*<br />
- B* B* -*<br />
Klasse 8 (bijtende <strong>stoffen</strong>) B B B* B B -<br />
Klasse 9 (alleen de milieu<strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong>)<br />
Overige Chemicaliën (Wms +<br />
ongevaarlijk)<br />
B B B* B - -<br />
- - -* - - -<br />
Toelichting:<br />
V: <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> te scheiden <strong>stoffen</strong> in aparte vakken.<br />
B: Gescheiden opslag tenzij is beoordeeld dat de <strong>stoffen</strong> niet met elkaar reageren of dat beide<br />
<strong>stoffen</strong> als vaste stof zijn ingedeeld. Voor de beoordeling (B) wordt in principe uitgegaan <strong>van</strong><br />
de informatie zoals die in de Veiligheidsinformatiebladen (VIB, SDS of MSDS) wordt vermeld;<br />
voor generieke producten kan ook gebruik worden gemaakt <strong>van</strong> informatie zoals vermeld in<br />
het Chemiekaartenboek.<br />
-: Gescheiden opslag niet noodzakelijk.<br />
*: Stoffen <strong>van</strong> klasse 6.1 verpakkingsgroep I moeten in een apart brandcompartiment, of een<br />
apart deel <strong>van</strong> een brandcompartiment (aan drie zijden afgescheiden met een muur met een<br />
WBDBO <strong>van</strong> ten minste 30 minuten) of met een 5 meter vrije zone worden opgeslagen. In<br />
afwijking hier <strong>van</strong> is opslag in aparte vakken toegestaan indien deze <strong>stoffen</strong> niet hoger dan<br />
1,80 m worden opgeslagen en indien het UN-goedgekeurde verpakking betreft (ADR schrijft<br />
voor deze verpakkingsgroep voor dat verpakkingen getest moeten zijn op een valhoogte <strong>van</strong><br />
1,80 m en dat de verpakking daarbij geen lekkage mag vertonen) en dat het vak waar deze<br />
<strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen zodanig moet zijn gekenmerkt dat de medewerkers zich extra bewust<br />
zijn <strong>van</strong> de gevaren.<br />
Voor de overige giftige <strong>stoffen</strong> is het gewenst om, waar mogelijk, vakscheiding aan te houden<br />
met <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 3.<br />
3. Methoden om scheiding <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> te realiseren<br />
In bovenstaande tabel worden drie scheidingsniveaus genoemd.<br />
<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> te scheiden <strong>stoffen</strong> in aparte vakken (V) zal in het algemeen alleen mogelijk zijn indien er<br />
sprake is <strong>van</strong> een opslagvoorziening voor meer dan 10 ton. Voor het begrip vak gelden de<br />
overeenkomstige voorschriften uit hoofdstuk 4 (maximaal 300 m², onderlinge afstand 3,5 m). Te<br />
scheiden <strong>stoffen</strong> mogen dus wel in dezelfde opslagvoorziening aanwezig zijn, maar moeten in aparte<br />
vakken worden opgeslagen. Indien geen vakken kunnen worden gerealiseerd (wat vaak het geval zal<br />
zijn bij opslagvoorzieningen kleiner dan 10 ton), moet opslag in een apart brandcompartiment<br />
plaatsvinden, m.a.w. een aparte opslagvoorziening.<br />
Indien gescheiden opslag noodzakelijk is (B) kan dit worden gerealiseerd door de te scheiden <strong>stoffen</strong><br />
op te slaan in aparte delen <strong>van</strong> een vak. Scheiding binnen een vak kan worden gerealiseerd door een<br />
vrije afstand <strong>van</strong> ten minste 2 meter of door een opslag een andere klasse <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> over<br />
een breedte <strong>van</strong> ten minste 2 m waarmee wel gezamenlijke opslag is toegestaan. Deze vorm <strong>van</strong><br />
scheiding zal in het algemeen in opslagvoorzieningen voor meer dan 10 ton worden toegepast (zie<br />
ook voorschrift 4.3.1). Ook kan scheiding worden gerealiseerd door de te scheiden <strong>stoffen</strong> op te slaan<br />
in aparte lekbakken. Deze methode zal in het algemeen worden gerealiseerd in opslagvoorzieningen<br />
tot 10 ton.<br />
Tenslotte kan scheiding worden gerealiseerd door de te scheiden <strong>stoffen</strong> op te slaan in aparte<br />
brandcompartimenten of door een stof op te slaan in een apart deel <strong>van</strong> een brandcompartiment dat<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 69/84
aan 3 zijden is afgescheiden door een muur met een WBDBO <strong>van</strong> ten minste 30 minuten. Het betreft<br />
hier de met een asterisk aangeduide situaties in bovenstaande tabel.<br />
Opmerking: Indien de beoordeling <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong>scheiding tot onoverkomelijke problemen leidt, kan ook<br />
gekozen worden voor het systeem om producten met verschillende gevaarseigenschappen (etiketten)<br />
in aparte opslagvoorzieningen op te slaan. Deze systematiek is echter niet mogelijk voor bijtende<br />
<strong>stoffen</strong> met etiket nr 8 wegens het feit dat die zowel zuur als basisch kunnen reageren; voor deze<br />
groep <strong>stoffen</strong> dient altijd beoordeeld te worden of ze onderling niet aan de criteria zoals vermeld in<br />
paragraaf 3.12 voldoen.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 70/84
BIJLAGE 4 Kenmerken <strong>van</strong> veiligheidsklassen <strong>van</strong> brandveiligheidsopslagkasten<br />
Overeenkomstig NEN 2678 NEN-EN-14470-1<br />
Type 30<br />
NEN-EN-14470-1<br />
Type 60<br />
NEN-EN-14470-1<br />
Type 90<br />
Brandwerendheid (veiligheidsperiode 40 min.) 30 min. 60 min. 90 min.<br />
Max. hoeveelheid (L) 150 150 250 250<br />
Toegestaan voor de<br />
opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> behorende tot de<br />
ADR klassen:<br />
Opstelling<br />
2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8 , 9 en<br />
CMR-<strong>stoffen</strong><br />
klasse 5.2 conform CPR 3<br />
Maximaal 1 per 50 m 2 (Alleen voor<br />
(licht) ontvlambare vloei<strong>stoffen</strong><br />
(klasse 3))<br />
Maximaal 2 per ruimte of<br />
brandcompartiment<br />
Niet in kelder, trappenhuis,<br />
souterrain of gang<br />
3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8, 9 en<br />
CMR-<strong>stoffen</strong><br />
klasse 5.2 conform CPR 3<br />
Maximaal 1 per 50 m 2<br />
Maximaal 2 per ruimte of<br />
brandcompartiment<br />
Niet in kelder, trappenhuis,<br />
souterrain of gang<br />
2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8, 9 en<br />
CMR-<strong>stoffen</strong><br />
klasse 5.2 conform CPR 3<br />
Maximaal 5 per 200 m 2<br />
Geen limiet in een 60 minuten<br />
brandcompartiment<br />
2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8, 9 en<br />
CMR-<strong>stoffen</strong><br />
klasse 5.2 conform CPR 3<br />
Geen limiet<br />
Opstelling op een<br />
verdieping<br />
Max. 1 per 200 m 2 vloeroppervlakte<br />
<strong>van</strong> een werkruimte of per<br />
brandcompartiment<br />
Max. 1 per 200 m 2 vloeroppervlakte<br />
<strong>van</strong> een werkruimte of per<br />
brandcompartiment.<br />
Max. 2 per 200 m 2 vloeroppervlakte<br />
<strong>van</strong> een werkruimte of per<br />
brandcompartiment.<br />
Max. 4 per 200 m 2 vloeroppervlakte<br />
<strong>van</strong> een werkruimte of per<br />
brandcompartiment.<br />
Op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
Tenminste 100% <strong>van</strong> de inhoud,<br />
indien het (licht) ontvlambare<br />
vloei<strong>stoffen</strong> betreft.<br />
In de overige gevallen tenminste<br />
de inhoud <strong>van</strong> de grootste<br />
verpakking vermeerderd met 10%<br />
<strong>van</strong> de inhoud <strong>van</strong> de overige<br />
verpakking.<br />
Tenminste 110% <strong>van</strong> de inhoud<br />
<strong>van</strong> de grootste emballage, doch<br />
(als dat méér is) ten minste 10%<br />
<strong>van</strong> de inhoud <strong>van</strong> de totale<br />
emballage (geldt alleen voor<br />
vloei<strong>stoffen</strong>)<br />
Tenminste 110% <strong>van</strong> de inhoud<br />
<strong>van</strong> de grootste emballage, doch<br />
(als dat méér is) ten minste 10%<br />
<strong>van</strong> de inhoud <strong>van</strong> de totale<br />
emballage (geldt alleen voor<br />
vloei<strong>stoffen</strong>)<br />
Tenminste 110% <strong>van</strong> de inhoud<br />
<strong>van</strong> de grootste emballage, doch<br />
(als dat méér is) ten minste 10%<br />
<strong>van</strong> de inhoud <strong>van</strong> de totale<br />
emballage (geldt alleen voor<br />
vloei<strong>stoffen</strong>)<br />
Compartimentering<br />
Kan plaats vinden door het<br />
plaatsen <strong>van</strong> de verschillende<br />
categorieën <strong>stoffen</strong> in afzonderlijke<br />
lekbakken.<br />
Voor iedere te compartimenteren<br />
categorie moet er een lekbak<br />
aanwezig zijn.<br />
Kan plaats vinden door het<br />
plaatsen <strong>van</strong> de verschillende<br />
categorieën <strong>stoffen</strong> in afzonderlijke<br />
lekbakken.<br />
Voor iedere te compartimenteren<br />
categorie moet er een lekbak<br />
aanwezig zijn.<br />
Kan plaats vinden door het<br />
plaatsen <strong>van</strong> de verschillende<br />
categorieën <strong>stoffen</strong> in afzonderlijke<br />
lekbakken.<br />
Voor iedere te compartimenteren<br />
categorie moet er een lekbak<br />
aanwezig zijn.<br />
Kan plaats vinden door het<br />
plaatsen <strong>van</strong> de verschillende<br />
categorieën <strong>stoffen</strong> in afzonderlijke<br />
lekbakken.<br />
Voor iedere te compartimenteren<br />
categorie moet er een lekbak<br />
aanwezig zijn.<br />
Toelichting:<br />
• Klasse 5.1: Oxiderende <strong>stoffen</strong> niet in combinatie met brandbare <strong>stoffen</strong><br />
• Klasse 2: Voor zover spuitbussen<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 71/84
BIJLAGE 5 Brandbeveiligingsinstallaties: kenmerken en parameters<br />
1. Inleiding<br />
Algemeen<br />
In deze bijlage zijn de brandbeveiligingsinstallaties beschreven die momenteel als stand der techniek<br />
worden beschouwd voor opslagvoorzieningen voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. In de inleiding zijn de<br />
<strong>van</strong> belang zijnde kenmerken en parameters toegelicht.<br />
Niet elk brandbeveiligingssysteem is geschikt voor alle categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Beperkingen in<br />
de toepassing zijn in de ontwerpnorm vastgelegd.<br />
De brandblussende of brandbeheersende prestaties <strong>van</strong> dergelijke brandbeveiligingsinstallaties zijn<br />
aan de hand <strong>van</strong> genormaliseerde testmethodieken (bijvoorbeeld de CEN/ISO/UL-brandproeven)<br />
vastgesteld door een daartoe geaccrediteerde certificatie-instelling. Voor brandbeveiligingssystemen<br />
zijn dit vooralsnog VdSZ, LPCB, FM, UL.<br />
In principe kunnen nieuwe blussystemen of blustechnieken worden geaccepteerd voor toepassing in<br />
een opslagvoorziening voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, indien aan navolgende voorwaarden is<br />
voldaan:<br />
a. Er moet voor de vaststelling <strong>van</strong> de blussende werking op specifieke <strong>stoffen</strong> een<br />
genormaliseerde testmethodiek vastgelegd zijn, en de test moet door een daartoe<br />
geaccrediteerde instelling zijn uitgevoerd.<br />
b. Er moet voor het systeem een (internationaal) geaccepteerde ontwerpnorm voor de beoogde<br />
blustechniek bestaan. Dit kunnen voorschriften zijn <strong>van</strong> bijvoorbeeld ISO, CEN, NFPA, FM<br />
Global, LPCB/ BRE, VdS of CEA.<br />
c. Berekenings- en ontwerpfactoren moeten door middel <strong>van</strong> expliciete testen vastgelegd zijn.<br />
d. Van voornoemde testen moeten rapportages beschikbaar zijn.<br />
Het systeem “droog blussysteem met lokale brandweer” is in deze bijlage niet meer behandeld. In het<br />
algemeen kan worden gesteld dat met name <strong>van</strong>wege de vereiste aanrijtijden voor de brandweer niet<br />
meer zonder meer kan worden voldaan aan de randvoorwaarden die voor een dergelijk systeem<br />
zouden moeten gelden. In voorkomende gevallen is het <strong>van</strong> belang dat bevoegd gezag, bedrijf en<br />
lokale brandweer in gezamenlijk overleg nagaan of er bijzondere omstandigheden zijn waarmee<br />
snelle aanrijtijden gegarandeerd kunnen worden.<br />
Bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
Bij de berekening <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit wordt onderscheid gemaakt tussen de nominale<br />
bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit en de werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit. De nominale<br />
bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit is de capaciteit, die op grond <strong>van</strong> het brandbeveiligingsinstallatie, het<br />
blusmiddel en de eventuele vakindeling wordt berekend.<br />
De werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit is de vereiste fractie <strong>van</strong> de nominale<br />
bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit, die afhankelijk is <strong>van</strong> het beschermingsniveau en de aard <strong>van</strong> de<br />
opgeslagen <strong>stoffen</strong> en de verpakking. Het type brandbeveiligingsinstallatie bepaalt hoeveel bluswater<br />
opge<strong>van</strong>gen moet worden. De capaciteit moet worden berekend aan de hand <strong>van</strong> de bij de<br />
brandbestrijdingssystemen vermelde parameters, waarbij bij de meeste systemen wordt uitgegaan<br />
<strong>van</strong> een <strong>van</strong>uit de PGS 15 opgelegde fictieve blustijd of ruimtevulling, die af kan wijken <strong>van</strong> de blustijd<br />
op basis <strong>van</strong> de gehanteerde ontwerpnorm <strong>van</strong> het brandbeveiligingsinstallatie.<br />
Vakindeling en veiligheidsfactoren<br />
Afhankelijk <strong>van</strong> de wijze waarop vakindeling is uitgevoerd moet voor het oppervlak waarop de<br />
bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit wordt gedimensioneerd, een veiligheidsfactor worden gehanteerd. De<br />
redenen hiervoor zijn dat brandoverslag naar een ander vak niet is uit te sluiten en een blussysteem in<br />
een ander vak onnodig in werking kan treden.<br />
De veiligheidsfactoren zijn:<br />
vak aan vier zijden omgeven door wanden en deur: factor 1;<br />
vak aan drie zijden omgeven door wanden en aan één zijde een gangpad: factor 2;<br />
vak aan twee of meer zijden omgeven door gangpaden: factor 3.<br />
De grondslag <strong>van</strong> de berekening <strong>van</strong> de nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit is het vermenigvuldigen<br />
<strong>van</strong> de blustijd met de sproeidichtheid en het te blussen oppervlak. Afhankelijk <strong>van</strong> de wijze waarop<br />
de vakindeling is gerealiseerd, moet voor het te blussen oppervlak een veiligheidsfactor in rekening<br />
worden gebracht.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 72/84
In formule:<br />
B n = b t ∗ s ∗o b ∗ v<br />
B n = nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />
b t = blustijd [min] volgens PGS 15<br />
s = sproeidichtheid of doseersnelheid [l/min/m 2 ] volgens de ontwerpnorm<br />
o b = blusoppervlak [m 2 ]<br />
v = veiligheidsfactor indien toepasbaar, afhankelijk <strong>van</strong> compartimentering<br />
De formule voor de berekening <strong>van</strong> de werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit is<br />
B w = f i ∗ B n<br />
B w = werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
f i = factor afhankelijk <strong>van</strong> beschermingsniveau en aard <strong>van</strong> de stof (zie paragraaf 4.6).<br />
B n = nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />
Opmerking:<br />
- Voor blusgas, hi-ex installaties en voor het systeem ‘Bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen<br />
(binnenaanval)’ geldt een afwijkende bepaling <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit (zie onder<br />
kenmerken <strong>van</strong> deze systemen);<br />
- Het product ‘o b * v’ bedraagt ten hoogste het maximum sproeivlak <strong>van</strong> de<br />
brandbeveiligingsinstallatie. Het is namelijk niet reëel rekening te houden met een brand groter<br />
dan het maximum sproeivlak (dit zou betekenen dat er een verkeerde brandbeveiligingsinstallatie<br />
is aangelegd) én boven het maximum sproeivlak is ook de parameter ‘s’ onbepaald.<br />
Detectie en doormelding<br />
Onafhankelijk <strong>van</strong> de gekozen brandbeveiligingsinstallatie is een doelmatig detectiesysteem alsmede<br />
een automatische doormelding naar de alarmcentrale <strong>van</strong> de overheids- of bedrijfsbrandweer of een<br />
daaraan gelijkwaardige voorziening (zie ook voorschrift 3.2.1.3). Hierbij wordt opgemerkt dat een<br />
doormeldinstallatie, behorende bij een automatische sprinklerinstallatie, wordt beschouwd als<br />
doelmatig detectiesysteem.<br />
Een doelmatig detectiesysteem dient een op het object afgestemd ontwerp te hebben, daarbij gebruik<br />
makend <strong>van</strong> de specifieke kenmerken <strong>van</strong> de toe te passen detectietechniek en de te detecteren<br />
brandverschijnselen in de geprojecteerde omgeving.<br />
Blustijd<br />
De blustijden die als parameter bij de verschillende systemen zijn genoemd, geven geen indicatie<br />
over de werkelijk te verwachten duur <strong>van</strong> een brand dan wel de effectiviteit <strong>van</strong> de brandbestrijding.<br />
De vermelde blustijden zijn fictief en dienen uitsluitend om de gewenste bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit te<br />
dimensioneren.<br />
Een automatisch werkende brandbeveiligingsinstallatie moet na inwerkingtreding na een bepaalde<br />
tijd handmatig worden afgesloten. In de regel zal dit tijdstip worden bepaald door de lokale<br />
brandweer. De brandweer moet zich in de ontwerpfase reeds verdiepen in de wijze hoe<br />
geconstateerd kan worden of de automatisch blusinstallatie uitgezet mag worden. Met andere<br />
woorden of de brand geblust is. Dit kan bijvoorbeeld bij een hi-ex installatie een inspectieluik zijn in<br />
het dak <strong>van</strong> de opslagvoorziening.<br />
In verband met aanrijtijd en beoordelingstijd is het noodzakelijk, er rekening mee te houden dat<br />
alvorens het brandbeveiligingsinstallatie kan worden uitgezet een termijn <strong>van</strong> 30 minuten kan<br />
verstrijken. De meeste brandbestrijdingssystemen (zoals bijv. sprinkler- en delugesystemen) moeten<br />
op basis <strong>van</strong> de ontwerpnorm al langer dan 30 minuten continu automatisch kunnen functioneren,<br />
zodat hieraan <strong>van</strong>zelf wordt voldaan. Bij andere systemen (zoals bijvoorbeeld de Hi-Ex systemen)<br />
wordt <strong>van</strong>uit de ontwerpnorm toegestaan automatisch intermitterend te functioneren gedurende meer<br />
dan 30 minuten, zodat op deze wijze ook invulling wordt gegeven aan het 30 minuten criterium. Hi-Ex<br />
installaties vragen om een standtijd <strong>van</strong> 60 minuten, te realiseren middels bijvoorbeeld intermitterend<br />
schuimen.<br />
Rook en warmte afvoerinstallatie<br />
Een rook- en warmteafvoer installatie is een samenstel <strong>van</strong> apparatuur, dat ertoe dient om in geval<br />
<strong>van</strong> brand <strong>van</strong>af een bepaald tijdstip de afvoer <strong>van</strong> rook en hete verbrandingsgassen in een bepaalde<br />
(aangenomen) hoeveelheid door rook- en warmteafvoer luiken in het dak zeker te stellen.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 73/84
Bij bepaalde brandbestrijdingssystemen heeft dit een positieve invloed op de effectiviteit <strong>van</strong> de<br />
brandbestrijding hetgeen leidt tot een geringere blustijd. Voor bepaalde brandbestrijdingssystemen is<br />
de aanwezigheid <strong>van</strong> een rook- en warmteafvoerinstallatie zelfs noodzakelijk. Voorwaarde is dat<br />
eerst de brandbeveiligingsinstallatie aanspreekt alvorens de rookluiken worden geopend. Er zijn<br />
echter ook brandbeveiligingsinstallaties waarbij het gebruik <strong>van</strong> een rook- en warmteafvoerinstallatie<br />
niet is toegestaan.<br />
Buitenopslag<br />
Indien er sprake is <strong>van</strong> een buitenopslag zonder overkapping, is als detectiesysteem uitsluitend een<br />
detectiesysteem op basis <strong>van</strong> vlammenmelders nog toepasbaar. Hiermee wordt systeem 8<br />
(bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen) uitvoerbaar. Als automatische brandbeveiligingsinstallatie<br />
kan daar een deluge systeem aan worden toegevoegd, al zal dit betekenen dat een aanzienlijke<br />
hulpconstructie temidden <strong>van</strong> de buitenopslag noodzakelijk is, om het deluge systeem te kunnen<br />
monteren. Hiermee worden de automatische deluge installatie, automatische monitor installatie en<br />
bedrijfsbrandweer met handbediende deluge installatie in principe uitvoerbaar.<br />
Indien er sprake is <strong>van</strong> een buitenopslag met overkapping, zijn (uiteraard) bovengenoemde systemen<br />
eveneens mogelijk. Door de overkapping wordt het ook mogelijk detectie systemen op basis <strong>van</strong><br />
temperatuurmeting toe te passen. Als brandbeveiligingsinstallatie is het ook mogelijk een<br />
automatische sprinklerinstallatie toe te passen. Dit systeem wordt dan als droog of pre-action<br />
systeem uitgevoerd, waardoor het leidingnet pas met water (of water/schuim mengsel) wordt gevuld<br />
als er daadwerkelijk brand wordt gedetecteerd. Kleine sprinklersystemen mogen ook als<br />
antivriessysteem worden uitgevoerd.<br />
Bij het (eventueel) toepassen <strong>van</strong> schuimvormend middel moet extra aandacht worden besteed aan<br />
de opslag, dan wel aan voldoende voorraad op mobiele apparatuur. Schuimvormende vloeistof is<br />
afhankelijk <strong>van</strong> type vorstbestendig (meestal tot -15 ºC). Vorstvrije opslag niet per se noodzakelijk,<br />
wel moet aandacht zijn besteed aan watervoerende delen.<br />
Geschiktheid brandbeveiligingsinstallatie voor verschillende categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Elke brandbeveiligingsinstallatie moet zodanig worden ontworpen dat een brand <strong>van</strong> de betreffende<br />
opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> adequaat kan worden bestreden. Dit vereist speciale aandacht voor<br />
het type goederen dat wordt opgeslagen. Geen <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallaties is geschikt voor<br />
alle categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. De effectiviteit <strong>van</strong> brandbestrijding verschilt per systeem en is<br />
daarenboven afhankelijk <strong>van</strong> de soort opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Elke ontwerpnorm, behorend<br />
bij een bepaalde brandbeveiligingsinstallatie, geeft inzicht en eisen met betrekking tot de opgeslagen<br />
goederen en de wijze <strong>van</strong> opslag. De meeste ontwerpnormen maken hiertoe gebruik <strong>van</strong> een eigen<br />
goederenclassificatie. Het is dus <strong>van</strong> belang de opgeslagen goederen, die doorgaans ADR of Wms<br />
zijn geclassificeerd, te classificeren op basis <strong>van</strong> de goederenclassificatie <strong>van</strong> de betreffende<br />
ontwerpnorm. Uitsluitend op deze wijze kunnen de ontwerpspecificaties <strong>van</strong> een<br />
brandbeveiligingsinstallatie goed worden vastgesteld. Het is evenzeer <strong>van</strong> belang deze vertaalslag<br />
eenduidig en traceerbaar vast te leggen in het PvE of BdB (“de door het bevoegd gezag goed te<br />
keuren uitgangspunten”).<br />
Soms is het reëler vast te leggen welke <strong>stoffen</strong> bij een bepaald brandbeveiligingsinstallatie niet<br />
mogen worden opgeslagen. Ook hier geldt dat de ontwerpnorm in nagenoeg alle gevallen daar<br />
stringente regels voor bevat en ook dit aspect moet in het PvE of BDB eenduidig en traceerbaar<br />
worden vastgelegd. Het verdient aanbeveling om dit ook in de vergunning als voorschrift op te<br />
nemen.<br />
Door deze materie in het PvE of BDB vast te leggen en door middel <strong>van</strong> inspecties de<br />
brandbeveiligingsinstallatie en de daarbij behorende opslag <strong>van</strong> goederen periodiek te toetsen aan dit<br />
document, wordt de kwaliteit <strong>van</strong> de totale brandbeveiliging gewaarborgd.<br />
2.Overzicht toepasbare brandbestrijdingssystemen bij beschermingsniveau 1<br />
Bij de keuze <strong>van</strong> een brandbeveiligingsinstallatie zijn een groot aantal aspecten <strong>van</strong> belang zoals de<br />
aard <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> die zullen worden opgeslagen, de afmetingen <strong>van</strong> de opslagvoorziening, de wijze<br />
<strong>van</strong> opslag en de opslaghoogte, de locatie <strong>van</strong> het gebouw, mogelijkheden voor bluswaterop<strong>van</strong>g,<br />
benodigde bouwkundige voorzieningen, bestaande voorzieningen, investeringskosten. In het<br />
overzicht in deze bijlage wordt een aantal kenmerken <strong>van</strong> brandbestrijdingssystemen gepresenteerd.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 74/84
1.Automatische sprinklerinstallatie (gesloten sprinklers)<br />
Principe:<br />
Een wijd vertakt met water gevuld en onder druk staand leidingnet is voorzien <strong>van</strong> sproeikoppen<br />
(sprinklers). Elke sprinkler wordt gesloten gehouden door een warmtegevoelig element. Indien dit<br />
element te warm wordt, zal het bezwijken, waarna water uit de sprinkler zal stromen.<br />
Beperkingen in toepassing:<br />
- het systeem is sterk afhankelijk <strong>van</strong> soort goederen en type opslag;<br />
- er zijn opslagconfiguraties denkbaar ( naar de huidige inzichten) die niet met sprinklers zijn te<br />
blussen (bijv. de combinatie <strong>van</strong> grote kunststof verpakking en (licht)ontvlambare vloei<strong>stoffen</strong>);<br />
- de ontwikkeling in sprinklerbeveiliging wordt bepaald door grootschalige testen. Dit kan in de<br />
toekomst leiden tot beperkingen en uitbreidingen <strong>van</strong> het toepassingsgebied <strong>van</strong><br />
sprinklerinstallaties.<br />
Kenmerken:<br />
1. te allen tijde temperatuurdetectie;<br />
als blusmiddel kan water of water met schuimtoevoeging (middel of zwaar) worden toegepast;<br />
2. maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening is 2.500 m 2 ;<br />
3. het systeem verlangt geen bijzondere bouwkundige voorzieningen ten aanzien <strong>van</strong> de WBDBO<br />
<strong>van</strong>uit de opslagvoorziening naar de omliggende ruimten en de buitenruimte;<br />
4. bij inwerkingtreding <strong>van</strong> de sprinklerinstallatie wordt alleen de oppervlakte onder de door de brand<br />
geactiveerde sprinklers besproeid;<br />
5. een automatische rook- en warmteafvoerinstallatie mag niet worden toegepast;<br />
6. indien brandbare vloei<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht,<br />
geldt een maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> 800 m².<br />
Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />
1. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale<br />
sproeidichtheid en het maximum sproeivlak, inclusief de nominale capaciteit <strong>van</strong> eventuele<br />
stellingsprinklers volgens de ontwerpnorm;<br />
2. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit kan worden gereduceerd door vakindeling; afhankelijk <strong>van</strong> de wijze<br />
<strong>van</strong> vakindeling moet een veiligheidsfactor worden gehanteerd;<br />
3. zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de ontwerpnorm;<br />
4. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op 60 minuten;<br />
5. met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.<br />
2. Automatische deluge-installatie<br />
Principe:<br />
Een wijd vertakt leidingnet is voorzien <strong>van</strong> open sproeikoppen (sproeiers). Het leidingnet wordt<br />
voorzien <strong>van</strong> water op basis <strong>van</strong> een brandalarm <strong>van</strong> een automatische brandmeldinstallatie, waarna<br />
water uit alle sproeiers tegelijk zal stromen. De installatie kan ook <strong>van</strong> sectieafsluiters worden<br />
voorzien.<br />
Kenmerken:<br />
1. alle detectiemethoden zijn toepasbaar, mits aan de norm wordt voldaan;<br />
2. als blusmiddel kan water of schuim (zwaar of AFFF) worden toegepast;<br />
3. maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening is 2.500 m 2 ;<br />
4. het systeem verlangt geen bijzondere bouwkundige voorzieningen ten aanzien <strong>van</strong> de WBDBO<br />
<strong>van</strong>uit de opslagvoorziening naar de omliggende ruimten en de buitenruimte;<br />
5. bij inwerkingtreding <strong>van</strong> de installatie wordt een gehele sectie (aantal en grootte afhankelijk <strong>van</strong><br />
ontwerp) besproeid, het sproeioppervlak wordt door de grootte <strong>van</strong> de sectie (vak) bepaald;<br />
6. indien brandbare vloei<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht,<br />
geldt een maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> 800 m² en dient de<br />
bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit te worden gedimensioneerd op het totale oppervlak <strong>van</strong> de<br />
opslagvoorziening.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 75/84
Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />
1. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale<br />
sproeidichtheid en het sproeivlak <strong>van</strong> de sectie(s);<br />
2. indien een sectie volledig bouwkundig is gescheiden <strong>van</strong> andere secties, behoeft geen<br />
veiligheidsfactor te worden gehanteerd;<br />
3. zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de ontwerpnorm;<br />
4. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op 60 minuten;<br />
5. met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.<br />
3. Automatische blusgasinstallatie<br />
Principe:<br />
Een ruimte wordt gevuld met blusgas op basis <strong>van</strong> een brandalarm <strong>van</strong> een automatische<br />
brandmeldinstallatie, waardoor de brand dooft door zuurstofverdringing of chemische beïnvloeding<br />
<strong>van</strong> de brandreactie en/of koeling, afhankelijk <strong>van</strong> het toegepaste blusgas.<br />
Beperkingen in toepassing:<br />
− de opslagvoorziening moet voldoende gasdicht zijn;<br />
− opgeslagen <strong>stoffen</strong> dicteren de blusgasconcentratie.<br />
Kenmerken:<br />
1. snelle detectie methode toepassen;<br />
2. als blusmiddel mogen alle blusgassen worden toegepast;<br />
3. toepasbaar in ruimten met een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 2.500 m 2 ;<br />
4. de WBDBO <strong>van</strong> deuren, wanden en plafonds <strong>van</strong>uit de opslagvoorziening naar de omliggende<br />
ruimten en de buitenruimte moet overeenkomen met de WBDBO die in de ontwerpnorm of het<br />
PvE/BDB is vastgelegd, maar ten minste 30 minuten bedragen;<br />
5. een rook- en warmteafvoerinstallatie mag niet worden toegepast.<br />
Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />
bij een blusgassysteem hoort geen bluswaterop<strong>van</strong>g, tenzij het scenario voorziet in nablussing met<br />
water, dan gelden de volgende parameters:<br />
1. de benodigde bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit wordt uitsluitend bepaald door de nablustijd<br />
(nabluscapaciteit is 800 l/ minuut) gedurende 60 minuten;<br />
2. vakindeling geeft geen reductie op de benodigde bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit;<br />
3. in verband met eventuele kernbranden en daarop mogelijk volgende herontsteking moet rekening<br />
worden gehouden met een nablustijd <strong>van</strong> ten minste 20 minuten. De standtijd moet ten minste 30<br />
minuten bedragen in verband met de aanrijtijd <strong>van</strong> de brandweer.<br />
4. (Semi-) Automatische monitor installatie<br />
Principe:<br />
Vast opgestelde water / schuim kanonnen rondom een in de buitenlucht gesitueerde<br />
opslagvoorziening (vatenpark en dergelijke), die in een automatisch heen en weer gaande beweging<br />
de opslagvoorziening besproeien met als doel de brand te controleren of te blussen.<br />
Beperkingen in toepassing:<br />
- opgeslagen <strong>stoffen</strong> moeten met water of schuim geblust kunnen worden;<br />
- uitsluitend toepasbaar bij een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening, waarbij als<br />
criterium voor buitenopslag geldt dat de opslagvoorziening rondom aangesproeid moet<br />
kunnen worden;<br />
- personeel moet getraind zijn in het gebruik <strong>van</strong> de installatie.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 76/84
Kenmerken:<br />
1. als detectiemethoden zijn alleen warmtebeeld camera’s of UV/IR melders toepasbaar in<br />
combinatie met een 24/7 bemande controlekamer of volledig geautomatiseerd;<br />
2. als blusmiddel kan water of zwaar schuim worden toegepast;<br />
3. maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening is 2.500 m 2 , sproeipatroon <strong>van</strong> alle kanonnen<br />
samen bedekt de gehele opslagvoorziening;<br />
4. watertoevoer wordt automatisch of handmatig op afstand aangestuurd. Watertoevoer moet<br />
voldoende capaciteit hebben om minimaal twee kanonnen gelijktijdig in werking te hebben;<br />
5. de kanonnen sproeien in een automatisch heen en weer gaande beweging <strong>van</strong> de kanonnen<br />
volgens een vast patroon;<br />
6. het systeem verlangt geen bijzondere bouwkundige voorzieningen, afstand tot belendingen te<br />
bepalen met een warmtestralingberekening;<br />
7. bij inwerkingtreding <strong>van</strong> de installatie wordt een sectie (om<strong>van</strong>g afhankelijk <strong>van</strong> ontwerp, doch<br />
nooit kleiner dan een vak ) besproeid, het sproeioppervlak is gelijk aan de grootte <strong>van</strong> de sectie;<br />
8. indien <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht,<br />
geldt een maximum oppervlakte <strong>van</strong> 800 m² en dient de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit te worden<br />
gedimensioneerd op het totale oppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening.<br />
Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />
1. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale<br />
sproeidichtheid en het sproeivlak <strong>van</strong> een sectie(s);<br />
2. indien een sectie volledig bouwkundig is gescheiden <strong>van</strong> andere secties, behoeft geen<br />
veiligheidsfactor te worden gehanteerd;<br />
3. zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de ontwerpnorm;<br />
4. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op 60 minuten;<br />
5. met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.<br />
5. Automatische hi-ex outside-air installatie:<br />
Principe:<br />
Na activering door een automatische brandmeldinstallatie wordt een opslagvoorziening<br />
volgeschuimd. De benodigde lucht om schuim te vormen wordt <strong>van</strong> buitenaf aangezogen. Om<br />
verstikking te bewerkstelligen moet de brand door het schuim ingekapseld kunnen worden.<br />
Beperkingen in toepassing:<br />
- niet alle <strong>stoffen</strong> kunnen worden opgeslagen (zie norm);<br />
- ruimte moet voldoende dicht zijn.<br />
Kenmerken:<br />
1. snelle detectie methode toepassen;<br />
2. als blusmiddel wordt licht schuim toegepast, expansievoud 500 tot 1.000;<br />
3. maximum oppervlakte <strong>van</strong> opslagvoorziening is 2.500 m 2 ;<br />
4. de WBDBO <strong>van</strong> deuren, wanden en plafonds <strong>van</strong>uit de opslagruimte naar de omliggende ruimten<br />
en de buitenruimte moet ten minste 30 minuten bedragen;<br />
5. bij inwerkingtreding <strong>van</strong> de installatie wordt een gehele ruimte overeenkomstig de ontwerpnorm<br />
binnen de vereiste tijd (vastgesteld in de NFPA 11) tot het vereiste niveau volgeschuimd;<br />
6. de toepassing <strong>van</strong> een luchtafvoerinstallatie (bijvoorbeeld dakluiken) is noodzakelijk;<br />
7. outside-air-schuimgeneratoren, waarbij de lucht die gebruikt wordt om het schuim te maken, <strong>van</strong><br />
buiten het gebouw wordt aangezogen.<br />
Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />
1. de doseersnelheid <strong>van</strong> het water/schuimmengsel moet worden bepaald aan de hand <strong>van</strong> de<br />
totale inhoud <strong>van</strong> de opslagvoorziening en het verschuimingsgetal <strong>van</strong> de betreffende<br />
schuimsoort waarbij als uitgangspunt het vereiste schuimniveau in de ruimte overeenkomstig de<br />
ontwerpnorm wordt gehanteerd;<br />
2. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit bedraagt 3 (ruimte)vullingen (volume berekend <strong>van</strong>uit de<br />
afmetingen <strong>van</strong> de opslagvoorziening)<br />
3. vakindeling geeft geen reductie op de benodigde bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 77/84
6. Automatische hi-ex inside-air installatie<br />
Principe:<br />
Na activering door een automatische brandmeldinstallatie wordt een opslagvoorziening<br />
volgeschuimd. De benodigde lucht om schuim te vormen wordt <strong>van</strong> binnen aangezogen. Om<br />
verstikking te bewerkstelligen moet de brand door het schuim ingekapseld kunnen worden.<br />
Beperkingen in toepassing:<br />
- niet alle goederen kunnen worden opgeslagen;<br />
- de opslagvoorziening moet voldoende dicht zijn;<br />
- afhankelijk <strong>van</strong> de gepleegde opslag kan het systeem gevoelig zijn voor verbrandingsproducten<br />
en rook;<br />
- de NFPA 11 met bijbehorend memorandum 61 gaat uitvoerig op de beperkingen in.<br />
Testen <strong>van</strong> de kwaliteit <strong>van</strong> het schuimvormend middel<br />
Aangetoond moet worden dat het toegepaste schuim kan worden gevormd onder zware condities.<br />
De testmethodiek is vastgelegd in brief IBP 31195002 <strong>van</strong> 31.1.1995 (Ministerie VROM).<br />
De testopzet voor deze grootschalige test moet tenminste worden voorgelegd aan<br />
onderzoeksinstituten zoals het RIVM (Centrum Externe Veiligheid en Vuurwerk) of het NIBRA.<br />
Tevens dient de uitvoering <strong>van</strong> de test in overleg met deze instanties plaats te hebben gevonden.<br />
Kenmerken:<br />
1. snelle detectie methode toepassen;<br />
2. als blusmiddel wordt een goedgekeurd schuimconcentraat toegepast, expansievoud volgens<br />
NFPA 11, dat zuurbestendig is en kan worden gevormd met zeer agressieve<br />
verbrandingsgassen;<br />
3. maximum oppervlakte <strong>van</strong> opslagvoorziening is 2.500 m 2 ;<br />
4. de WBDBO <strong>van</strong> deuren, wanden en plafonds <strong>van</strong> de opslagruimte naar de omliggende ruimten<br />
en de buitenruimte moet ten minste 30 minuten bedragen;<br />
5. bij inwerkingtreding <strong>van</strong> de installatie wordt een gehele ruimte overeenkomstig de ontwerpnorm<br />
binnen de vereiste tijd tot het vereiste niveau volgeschuimd;<br />
6. de toepassing <strong>van</strong> een rook- en warmteafvoerinstallatie is niet toegestaan;<br />
7. schuimgeneratoren moeten zijn opgesteld in de te beveiligen ruimte.<br />
Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />
1. de doseersnelheid <strong>van</strong> het water/schuimmengsel moet worden bepaald aan de hand <strong>van</strong> de<br />
totale inhoud <strong>van</strong> de opslagvoorziening en het verschuimingsgetal <strong>van</strong> de betreffende<br />
schuimsoort waarbij als uitgangspunt het vereiste schuimniveau in de ruimte overeenkomstig de<br />
ontwerpnorm wordt gehanteerd;<br />
2. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit bedraagt 3 (ruimte)vullingen (volume berekend <strong>van</strong>uit de<br />
afmetingen <strong>van</strong> de opslagvoorziening);<br />
3. vakindeling geeft geen reductie op de benodigde bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />
7. Bedrijfsbrandweer met handbediende deluge-installatie<br />
Principe:<br />
Een wijd vertakt leidingnet is voorzien <strong>van</strong> open sproeikoppen (sproeiers). Het leidingnet wordt door<br />
de bedrijfsbrandweer voorzien <strong>van</strong> water, nadat de bedrijfsbrandweer is gealarmeerd op basis <strong>van</strong><br />
een brandalarm <strong>van</strong> een automatische brandmeldinstallatie. Na aansluiting door de<br />
bedrijfsbrandweer zal er water uit alle sproeiers tegelijk stromen. De installatie kan ook <strong>van</strong> sectie<br />
afsluiters worden voorzien.<br />
Beperkingen in toepassing:<br />
1. toepassing om grote opslag (tanks) te koelen tegen brand <strong>van</strong> buitenaf;<br />
2. door afhankelijkheid <strong>van</strong> brandweer is deze uitvoering <strong>van</strong> een deluge installatie traag en daarom<br />
niet geschikt voor opslag <strong>van</strong> brandbare vloei<strong>stoffen</strong>.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 78/84
Kenmerken:<br />
1. alle detectie methoden zijn toepasbaar, mits aan de norm wordt voldaan;<br />
2. als blusmiddel kan water of schuim (middel of zwaar) worden toegepast;<br />
3. maximum oppervlakte <strong>van</strong> opslagvoorziening is 2.500 m²;<br />
4. de WBDBO <strong>van</strong> deuren, wanden en plafonds <strong>van</strong>uit de opslagvoorziening naar de omliggende<br />
ruimten en de buitenruimte moet 30 minuten bedragen;<br />
5. bij inwerking treden <strong>van</strong> de installatie wordt een gehele sectie (aantal en grootte afhankelijk <strong>van</strong><br />
ontwerp) besproeid, het sproeioppervlak wordt door de grootte <strong>van</strong> de sectie (vak) bepaald;<br />
6. zowel een bedrijfsbrandweer categorie 1 als een bedrijfsbrandweer categorie 2 kan worden<br />
toegepast;<br />
7. indien brandbare vloei<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht,<br />
geldt een maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> 600 m², en dient de<br />
bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit te worden gedimensioneerd op het totale oppervlak <strong>van</strong> de<br />
opslagvoorziening.<br />
Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />
1. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale<br />
sproeidichtheid en het sproeivlak <strong>van</strong> de sectie(s);<br />
2. indien een sectie volledig bouwkundig is gescheiden <strong>van</strong> andere secties, behoeft geen<br />
veiligheidsfactor te worden gehanteerd;<br />
3. zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de ontwerpnorm;<br />
4. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit worden gedimensioneerd op 40 minuten; de toepassing <strong>van</strong> een<br />
rook- en warmteafvoerinstallatie geeft een reductie <strong>van</strong> 5 minuten op de blustijd;<br />
5. met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.<br />
8. Bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen (binnenaanval)<br />
Principe:<br />
Bedrijfsbrandweer blust zelf, daartoe gealarmeerd door en automatische brandmeldinstallatie.<br />
Beperkingen in toepassing:<br />
− bestrijding afhankelijk <strong>van</strong> menselijke inzet. De ruimte moet dus wel bij brand benaderd en<br />
betreden kunnen worden, wat beperkingen met betrekking tot aard en om<strong>van</strong>g <strong>van</strong> de opslag met<br />
zich mee kan brengen.<br />
Kenmerken:<br />
1. een snelle detectie methode moet worden toegepast (geen temperatuurdetectie);<br />
2. als blusmiddel kan water of schuim (middel of zwaar) worden toegepast;<br />
3. maximum oppervlakte <strong>van</strong> opslagvoorziening is 1.500 m 2 ;<br />
4. de opslagvoorziening moet zijn verdeeld in vakken <strong>van</strong> ten hoogste 300 m 2 ;<br />
5. de WBDBO <strong>van</strong> deuren, wanden en plafonds <strong>van</strong>uit de opslagvoorziening naar de omliggende<br />
ruimten en de buitenruimte moet 60 minuten bedragen; voor een bestaande opslagvoorziening is<br />
30 minuten voldoende;<br />
6. de toepassing <strong>van</strong> een rook- en warmte-afvoerinstallatie is noodzakelijk;<br />
7. dit systeem is uitsluitend aanvaardbaar indien een bedrijfsbrandweer categorie 1 op het bedrijf<br />
aanwezig is;<br />
8. indien brandbare vloei<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht,<br />
geldt een maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> 300 m 2 , en dient de<br />
bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit te worden gedimensioneerd op het totale oppervlak <strong>van</strong> de<br />
opslagvoorziening.<br />
Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />
1. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit in een opslagruimte die kleiner is dan 500 m 2 moet ten minste 100<br />
m 3 bedragen; indien de opslagruimte groter is dan 500 m 2 moet 10 m 3 per 100 m 2 vloeroppervlak<br />
extra bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit aanwezig zijn;<br />
2. Toepassing <strong>van</strong> snellere detectiemethoden geeft 10% reductie op de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 79/84
BIJLAGE 6 Overzicht ontwerpnormen brandbestrijdingsinstallaties<br />
De onderstaande tabel geldt als illustratie en dient indicatief te worden gehanteerd. Te allen tijde<br />
geldt dat normen <strong>van</strong> onder meer CEN, NEN, ISO, CENELEC en algemeen erkende voorschriften<br />
uitgegeven door instituten als NFPA, VdS, LPCB, DIN, CEA en FM kunnen worden gehanteerd. In de<br />
door het bevoegd gezag goed te keuren uitgangspunten voor de brandbeveiliging (BDB of PvE) dient<br />
te worden vastgelegd welke ontwerpnormen <strong>van</strong> toepassing zijn.<br />
CEN<br />
NEN<br />
ISO<br />
CENELEC<br />
NFPA<br />
VdS<br />
LPCB<br />
DIN<br />
CEA<br />
FM<br />
BDB<br />
PvE<br />
Comité Européen de Normalisation<br />
Nederlandse Norm<br />
International Standard Organisation<br />
Comité Européen de Normalisation Electrotechnique<br />
National Fire Protection Association<br />
Vertrauen durch Sicherheit (v.m. Verband der Schadenversicherer)<br />
Loss Prevention Certification Board<br />
Deutsche Industrie Norm<br />
Comité Européen des Assurances<br />
Factory Mutual<br />
Basis Document Brandbeveiliging<br />
Programma <strong>van</strong> Eisen<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 80/84
Brandbestrijdingssystemen type NEN(-EN)(-ISO) CEA NFPA standards eVdS FM Overige<br />
codes<br />
(uitgevende<br />
partij)<br />
Automatische brandmeldinstallatie -- 2535 2095, 2496<br />
Rook- en Warmte afvoerinstallatie<br />
(RWA)<br />
-- 6093, 6095, 12101 4020 204 2098<br />
Automatische sprinklerinstallatie (evt<br />
met schuimbijmenging)<br />
Automatische deluge installatie (evt.<br />
schuimbijmenging)<br />
Automatische monitor installatie (evt.<br />
met schuimbijmenging)<br />
ten behoeve <strong>van</strong><br />
de opslag <strong>van</strong><br />
standaard (basis)<br />
producten<br />
ten behoeve <strong>van</strong><br />
de opslag <strong>van</strong><br />
brand<strong>gevaarlijke</strong><br />
vloei<strong>stoffen</strong><br />
ten behoeve <strong>van</strong><br />
de opslag <strong>van</strong><br />
spuitbussen<br />
12845, 12259 4001 13 2092 8-9, 2-8(N) VAS (NCP)<br />
12845 30, 16 7-29 VAS (NCP)<br />
12845 30B 7-31 VAS (NCP)<br />
15, 16, 11 2109 4-1(N)<br />
11, 24<br />
Automatische blusgasinstallatie<br />
CO 2 4007, 4019 12 2093 4-11(N)<br />
chemische blusgas 14520, 12094 2001 2381<br />
inerte blusgassen 14520, 12094 4008 2001 2380 4-9<br />
SVI publicatie<br />
‘blusgasinstall<br />
aties,<br />
veiligheidsbep<br />
alingen’<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 81/84
Brandbestrijdingssystemen type NEN(-EN)(-ISO) CEA NFPA standards eVdS FM Overige<br />
codes<br />
(uitgevende<br />
partij)<br />
Hi-ex systeem<br />
Bedrijfsbrandweer<br />
Outside-air 11 4-3(N) Memorandum<br />
48 (NCP)<br />
Inside-air 11 4-3(N) Memorandum<br />
48en<br />
61(NCP),circu<br />
laire IBP<br />
31195002<br />
(VROM)<br />
artikel 13<br />
brandweerwet<br />
Noot:<br />
1. Schuimvormend middel moet aantoonbaar geschikt zijn voor het betrokken risico.<br />
2. Van de toe te passen normen dient de meest recente uitgave te worden toegepast.<br />
3. Waar <strong>van</strong> toepassing wordt in de meeste ontwerpnormen verwezen naar productnormen en onderhoudsnormen.<br />
4. Voor hoge opslag <strong>van</strong> goederen in emballage en toepassing <strong>van</strong> een deluge systeem dient naast NFPA 15 en/of 16 de NFPA 13 en/of 30 te worden toegepast.<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 82/84
BIJLAGE 7 Overzicht <strong>van</strong> veel voorkomende gassen<br />
VERPAKKING<br />
UN-NUMMER<br />
BENAMING EN<br />
BESCHRIJVING<br />
CLASSIFICATIE-<br />
CODE<br />
ETIKETTEN<br />
FLESSEN<br />
FLESSEN-<br />
BATTERIJEN<br />
CRYOHOUDER<br />
KEURINGS-<br />
INTERVAL<br />
JAREN<br />
1001 ACETYLEEN, OPGELOST 4F 2.1 X - 10<br />
1006 ARGON, SAMENGEPERST 1A 2.2 X - 10<br />
1072 ZUURSTOF, SAMENGEPERST 1O<br />
1049<br />
WATERSTOF,<br />
SAMENGEPERST<br />
2.2<br />
+<br />
5.1<br />
X - 10<br />
1F 2.1 X - 10<br />
1046 HELIUM, SAMENGEPERST 1A 2.2 X - 10<br />
1013 KOOLDIOXIDE (KOOLZUUR) 2A 2.2 X - 10<br />
1066 STIKSTOF, SAMENGEPERST 1A 2.2 X - 10<br />
1070 DISTIKSTOFOXIDE (LACHGAS) 2O<br />
1971<br />
METHAAN, SAMENGEPERST<br />
OF<br />
AARDGAS SAMENGEPERST<br />
(met hoog methaan gehalte)<br />
2.2<br />
+<br />
5.1<br />
X - 10<br />
1F 2.1 X - 10<br />
1962 ETHYLEEN (ETHEEN) 2F 2.1 X - 10<br />
1002 LUCHT, SAMENGEPERST 1A 2.2 X - 10<br />
1060<br />
1956<br />
MENGSELS VAN<br />
METHYLACETYLEEN EN<br />
PROPADIEEN,<br />
GESTABILISEERD (Mapp,<br />
Apachi, Tetreen)<br />
SAMENGEPERST GAS, N.E.G.<br />
(Argon/koolzuur gasmengsel,<br />
Argon/koolzuur/zuurstof<br />
gasmengsel, Stikstof/waterstof<br />
gasmengsel, Stikstof/koolzuur<br />
gasmengsel, Stikstof/argon<br />
gasmengsel, Stikstof/zuurstof<br />
gasmengsel)<br />
2F 2.1 X - 10<br />
1A 2.2 X - 10<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 83/84
OVERZICHT VAN VEEL VOORKOMENDE GASSEN<br />
VERPAKKING<br />
UN-NUMMER<br />
BENAMING EN<br />
BESCHRIJVING<br />
CLASSIFICATIE-<br />
CODE<br />
ETIKETTEN<br />
FLESSEN<br />
FLESSEN-<br />
BATTERIJEN<br />
CRYOHOUDER<br />
KEURINGS<br />
INTERVAL<br />
JAREN<br />
1954<br />
1965<br />
1965<br />
SAMENGEPERST GAS,<br />
BRANDBAAR, N.E.G.<br />
(Stikstof/waterstof gasmengsel,<br />
Argon/waterstof gasmengsel)<br />
MENGSELS VAN<br />
KOOLWATERSTOFGASSEN,<br />
VLOEIBAAR GEMAAKT, N.E.G.<br />
(mengsel C, propaan)<br />
MENGSELS VAN<br />
KOOLWATERSTOFGASSEN,<br />
VLOEIBAAR GEMAAKT, N.E.G.<br />
(Mengsel A0, A02, A01 of A, butaan)<br />
1005 AMMONIAK, WATERVRIJ 2TC<br />
1040<br />
3156<br />
1014<br />
ETHYLEENOXIDE OF<br />
ETHYLEENOXIDE MET STIKSTOF<br />
(tot een druk <strong>van</strong> ten hoogste 1 Mpa<br />
bij 50º C)<br />
SAMENGEPERST GAS,<br />
OXIDEREND, N.E.G. (mengsel<br />
zuurstof/lachgas)<br />
MENGSEL VAN ZUURSTOF EN<br />
KOOLDIOXIDE, SAMENGEPERST<br />
1F 2.1 X - 10<br />
2F 2.1 X - 10/15<br />
2F 2.1 X - 10/15<br />
2TF<br />
1O<br />
1O<br />
2.3 +<br />
8<br />
2.3 +<br />
2.1<br />
2.2 +<br />
5.1<br />
2.2 +<br />
5.1<br />
X - 5<br />
X - 5<br />
X - 10<br />
X - 10<br />
1033 DIMETHYLETHER (DME) 2F 2.1 X - 10<br />
1977<br />
1073<br />
1951<br />
STIKSTOF, STERK GEKOELD,<br />
VLOEIBAAR<br />
ZUURSTOF, STERK GEKOELD,<br />
VLOEIBAAR<br />
ARGON, STERK GEKOELD,<br />
VLOEIBAAR<br />
3A 2.2 - X 10<br />
3O<br />
2.2 +<br />
5.1<br />
- X 10<br />
3A 2.2 - X 10<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 84/84
TOP KWALITEIT DIRECT VAN PRODUCENT<br />
Handleiding PGS 15<br />
<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Een uitgave <strong>van</strong> VROM / InfoMill > Externe veiligheid<br />
December 2007
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Inhoud<br />
1 Algemene toelichting 6<br />
1.1 PGS 15 in het algemeen 6<br />
1.2 Onderdelen <strong>van</strong> PGS 15 6<br />
1.3 Kenmerken PGS 15 ten opzichte <strong>van</strong> CPR 15 richtlijnen 7<br />
1.4 De positie <strong>van</strong> PGS 15 in het werkveld 7<br />
1.5 Ontwikkelingen in wet- en regelgeving 8<br />
2 Werkingssfeer en systematiek 9<br />
2.1 De werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 9<br />
2.2 De systematiek <strong>van</strong> PGS 15 11<br />
3 Toelichting op specifieke aspecten 13<br />
3.1 Verpakkingen en gevarenklassen 13<br />
3.2 Regels voor <strong>stoffen</strong>scheiding 16<br />
3.3 Bouwkundige eisen aan opslagvoorzieningen 18<br />
3.4 <strong>Opslag</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 8 VG II en III 20<br />
3.5 Brandveiligheidsopslagkasten 20<br />
3.6 Tijdelijke opslag in overslag- of laad- en losgedeelte 21<br />
3.7 Aftap- en overtapwerkzaamheden 21<br />
3.8 Werkvoorraad 21<br />
3.9 Vakbekwaamheid 22<br />
3.10 Explosieveiligheid 22<br />
3.11 Documenten en administratie 23<br />
4 <strong>Opslag</strong> groter dan 10.000 kg of bij zeer giftige <strong>stoffen</strong> groter dan 1.000 kg 24<br />
4.1 Inleiding 24<br />
4.2 <strong>Opslag</strong> in vakken 24<br />
4.3 Beschermingsniveaus 25<br />
4.4 Product- en bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen 27<br />
4.5 Systematiek bij bepaling voorzieningen 28<br />
5 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> containers geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 30<br />
6 Gasflessen 31<br />
6.1 Inleiding 1<br />
6.2 <strong>Opslag</strong>voorziening 1<br />
6.3 Gasflessen aan verzamelleiding 2<br />
6.4 Inpandige opslag <strong>van</strong> gasflessen 2<br />
6.5 Kleurcodering gasflessen 2<br />
6.6 Hoe herken ik een goedgekeurde gasfles? 3<br />
7 <strong>Opslag</strong> spuitbussen en gaspatronen, al dan niet in combinatie met andere<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 34<br />
7.1 Spuitbussenopslag kleiner of gelijk aan 10 ton 4<br />
7.2 Spuitbussenopslag groter dan 10 ton 6<br />
8 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3 37<br />
8.1 Inleiding 7<br />
8.2 Beschermingsniveau voor opslag klasse 4.x 7<br />
8.3 Noodzaak tot aparte opslag klasse 4.x 8<br />
9 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> kleine hoeveelheden organische peroxiden (klasse 5.2) 39<br />
Bijlagen 40<br />
Bijlage A SnelStart PGS 15 40<br />
Bijlage B Beslisschema: Werkingssfeer PGS 15 41<br />
Bijlage C Beslisschema: Welke eisen aan opslagvoorziening? 42<br />
Bijlage D Stappenplan vergunningverlening 43<br />
Bijlage E Verschillen met CPR 15 - richtlijnen 44<br />
Bijlage F Extra informatie 47
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Leeswijzer handleiding PGS 15<br />
Rele<strong>van</strong>te documenten<br />
PGS 15 "<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>", is in juni 2005 gepubliceerd als opvolger <strong>van</strong> de<br />
publicaties in de CPR 15 -reeks, en wordt sindsdien veelvuldig toegepast. Om gebruikers <strong>van</strong> PGS 15<br />
te ondersteunen bij de uitvoering is deze Handleiding PGS 15 ontwikkeld. De Handleiding is geen<br />
ver<strong>van</strong>ging voor PGS 15, en bevat geen volledige weergave <strong>van</strong> de eisen uit PGS 15. Wel geeft de<br />
Handleiding <strong>van</strong>uit een andere invalshoek uitleg over de inhoud <strong>van</strong> PGS 15 en geeft hulpmiddelen<br />
voor de toepassing en interpretatie <strong>van</strong> PGS 15. Naast deze Handleiding en PGS 15 zelf bestaat er<br />
de Checklist PGS 15. Deze kan worden gebruikt in bestaande situaties ter controle of een opslagvoorziening<br />
in overeenstemming met PGS 15 is ingericht en wordt gebruikt. Tot slot is er het ADR 1 ,<br />
de regels voor vervoer <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, waar in de PGS 15 regelmatig naar wordt verwezen.<br />
Hoofdstukindeling analoog aan PGS 15<br />
Deze Handleiding PGS 15 is onderverdeeld in hoofdstukken, waar<strong>van</strong> de nummering gelijk is aan<br />
de nummering <strong>van</strong> de overeenkomstige hoofdstukken in PGS 15. Hoofdstuk 1 geeft een algemene<br />
toelichting op PGS 15 en haar positie in het werkveld. Hoofdstuk 2 gaat in op de werkingssfeer en<br />
geeft uitleg over de systematiek <strong>van</strong> de eisen aan opslagvoorzieningen. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens<br />
een aantal veelvoorkomende begrippen en situaties toegelicht. De hoofdstukken 4 t/m 9 gaan<br />
achtereenvolgens in op opslagvoorzieningen voor meer dan 10.000 kg, opslag <strong>van</strong> containers, gasflessen,<br />
spuitbussen en gaspatronen, opslag <strong>van</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3 en opslag <strong>van</strong> organische peroxiden.<br />
In de bijlagen zijn enkele hulpmiddelen voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 en extra informatie opgenomen,<br />
waaronder een overzicht <strong>van</strong> de verschillen met de CPR 15 reeks.<br />
Afkortingen<br />
Voor de leesbaarheid <strong>van</strong> tabellen en beslisschema's is daarin regelmatig gebruik gemaakt <strong>van</strong><br />
afkortingen. Een overzicht <strong>van</strong> deze afkortingen en hun betekenis is opgenomen in Bijlage F.5.<br />
Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong><br />
PGS 15 is <strong>van</strong> toepassing op 'geclassificeerde <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> conform de vervoerswetgeving en<br />
CMR-<strong>stoffen</strong>'. Voor de leesbaarheid <strong>van</strong> de Handleiding is er voor gekozen om in de tekst uitsluitend<br />
'<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>' te noemen. Daar waar '<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>' staat vermeld, worden dus ook CRM<strong>stoffen</strong><br />
bedoeld, tenzij anders is aangegeven.<br />
<br />
ADR = Accord européen relatief aux transport internationaux de marchandises dangereuses par route
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
1 Algemene toelichting<br />
1.1 PGS 15 in het algemeen<br />
PGS 15 is deel 15 <strong>van</strong> de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, uitgegeven door het Ministerie <strong>van</strong> Volkshuisvesting,<br />
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) in samenwerking met het Ministerie <strong>van</strong> Verkeer<br />
en Waterstaat (V&W), het Ministerie <strong>van</strong> Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en het Ministerie <strong>van</strong><br />
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De PGS 15 beschrijft de eisen voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan<br />
worden bereikt. Het is de opvolger <strong>van</strong> CPR 15-1, 15-2 en 15-3 en vormt het referentiekader voor het<br />
Activiteitenbesluit, de vergunningverlening in het kader <strong>van</strong> de Wet milieubeheer (Wm) en voor het<br />
toezicht op de naleving <strong>van</strong> wet- en regelgeving op het gebied <strong>van</strong> de arbeidsomstandigheden.<br />
Bij Wm-vergunningverlening voor bedrijven die vallen onder de IPPC-richtlijn moet PGS 15 op grond <strong>van</strong><br />
de Regeling Aanwijzing BBT-documenten verplicht in overweging worden genomen. Verder wordt PGS 15<br />
door de brandweer gebruikt, onder meer voor haar adviserende taken in het kader <strong>van</strong> de Wet milieubeheer.<br />
Sinds het verschijnen <strong>van</strong> PGS 15 in juni 2005 is de richtlijn op een tweetal punten gewijzigd. Deze<br />
wijzigingen zijn gepubliceerd in het erratum <strong>van</strong> 5 juli 2005. Daarnaast is een aantal onvolkomenheden en<br />
onduidelijkheden gesignaleerd, welke nog in errata zullen worden opgenomen. In bijlage F.3 staat een<br />
overzicht. In deze Handleiding is op deze aanpassingen geanticipeerd. De website <strong>van</strong> het ministerie <strong>van</strong><br />
VROM bevat de meest recente versie <strong>van</strong> de PGS 15 en errata (www.vrom.nl). Op de website <strong>van</strong> InfoMil<br />
(www.infomil.nl) zijn de Checklist PGS 15 en veel gestelde vragen over PGS 15 gepubliceerd.<br />
1.2 Onderdelen <strong>van</strong> PGS 15<br />
PGS 15 bevat 10 hoofdstukken en 7 bijlagen:<br />
Onderdeel PGS 15 Omschrijving<br />
Hoofdstuk 1<br />
Inleiding, met algemene uitleg, werkingssfeer en toepassingsgebied<br />
Hoofdstuk 2<br />
Leeswijzer<br />
Hoofdstuk 3<br />
Algemene voorschriften voor alle opslagvoorzieningen<br />
Hoofdstuk 4 Aanvullende voorschriften voor opslagvoorzieningen voor > 10.000 kg of ><br />
1.000 kg zeer giftige <strong>stoffen</strong><br />
Hoofdstuk 5<br />
Voorschriften voor bedrijven met containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Hoofdstuk 6<br />
Voorschriften voor opslag <strong>van</strong> gasflessen<br />
Hoofdstuk 7<br />
Voorschriften voor opslag <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen<br />
Hoofdstuk 8 Voorschriften voor opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in ADR klasse 4.1, 4.2 en 4.3<br />
(onder meer brandbare vaste <strong>stoffen</strong>)<br />
Hoofdstuk 9 Voorschriften voor opslag <strong>van</strong> organische peroxiden (ADR klasse 5.2)<br />
Hoofdstuk 10<br />
Begrippenlijst<br />
Bijlage 1<br />
Uitleg over explosieveilig materieel<br />
Bijlage 2<br />
Borden ten behoeve <strong>van</strong> de veiligheidsignalering<br />
Bijlage 3<br />
Voorkomen <strong>van</strong> onverenigbare combinaties door <strong>stoffen</strong>scheiding<br />
Bijlage 4<br />
Kenmerken <strong>van</strong> veiligheidsklassen <strong>van</strong> brandveiligheidsopslagkasten<br />
Bijlage 5<br />
Brandbeveiligingsinstallaties: kenmerken en parameters<br />
Bijlage 6<br />
Overzicht ontwerpnormen brandbestrijdingsinstallaties<br />
Bijlage 7<br />
Overzicht <strong>van</strong> veel voorkomende gassen
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
1.3 Kenmerken PGS 15 ten opzichte <strong>van</strong> CPR 15 richtlijnen<br />
PGS 15 wijkt op een aantal belangrijke punten af <strong>van</strong> de voormalie CPR 15 richtlijnen. In Bijlage E <strong>van</strong> deze<br />
Handleiding is een overzicht opgenomen <strong>van</strong> de verschillen. Belangrijkste verschil is dat de indeling <strong>van</strong><br />
<strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> gebaseerd is op de vervoerswetgeving (ADR), in plaats <strong>van</strong> op de Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> (Wms). De bepalingen uit PGS 15 zijn hierdoor beter inpasbaar in het logistieke<br />
management <strong>van</strong> bedrijven. Daarnaast ligt de nadruk meer op de eigen verantwoordelijkheid <strong>van</strong> het<br />
bedrijfsleven. Dit uit zich onder meer in het gelijkwaardigheidsbeginsel.<br />
1.3.1 Het gelijkwaardigheidsbeginsel<br />
PGS 15 is een richtlijn. Dat betekent onder meer dat gemotiveerd <strong>van</strong> de bepalingen kan worden afgeweken<br />
als het gelijkwaardigheidsbeginsel is toegepast. Dat houdt in, dat een bedrijf moet aangegeven welke<br />
alternatieve maatregelen en voorzieningen worden getroffen en welk veiligheidsniveau daarmee wordt<br />
bereikt. Het bevoegd gezag beoordeelt vervolgens of dit niveau gelijkwaardig is met het in PGS 15<br />
beschreven niveau. Het gelijkwaardigheidsbeginsel geldt ook voor niet-vergunningplichtige inrichtingen<br />
(zie artikel 1.8 <strong>van</strong> het Activiteitenbesluit of artikel 5 <strong>van</strong> de overige 8.40 amvb's).<br />
Een in de praktijk veel voorkomend voorbeeld <strong>van</strong> de toepassing <strong>van</strong> het gelijkwaardigheidsbeginsel is<br />
het plaatsen <strong>van</strong> gasflessen tegen een gevel waarin ramen of deuren zijn aangebracht. Voorschrift 6.2.4<br />
geeft aan dat de gevel tot 2 meter links en rechts en tot 4 meter boven de gasflessen een brandwerendheid<br />
moet bezitten <strong>van</strong> ten minste 60 minuten. Wanneer echter ramen en deuren in de gevel aanwezig<br />
zijn wordt niet meer aan deze eis voldaan. Door de gasflessen af te schermen met een zijwand of afdak<br />
met een gelijkwaardige brandwerendheid, wordt een gelijkwaardig veiligheidsniveau bereikt.<br />
1.4 De positie <strong>van</strong> PGS 15 in het werkveld<br />
1.4.1 Inleiding<br />
PGS 15 bevat richtlijnen voor de arbeidsveilige, milieuveilige en brandveilige opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong>. Dit betekent dat er <strong>van</strong>uit deze drie invalshoeken naar opslagvoorzieningen wordt gekeken,<br />
en ook wordt toegezien op de naleving <strong>van</strong> de richtlijn. PGS 15 is echter niet rechtstreeks <strong>van</strong> toepassing;<br />
de richtlijn heeft pas rechtskracht op het moment dat dit ergens anders juridisch is vastgelegd. Hiervoor<br />
zijn de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit, de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en de<br />
Brandweerwet rele<strong>van</strong>t. Daarnaast heeft PGS 15 nauwe relatie met het Bouwbesluit 2003.<br />
1.4.2 De Wet milieubeheer (Wm)<br />
Voor niet-vergunningplichtige inrichtingen is het gehele Activiteitenbesluit met bijbehorende Ministeriële<br />
Regeling en/of eventueel één <strong>van</strong> de agrarische amvb's <strong>van</strong> toepassing. De Ministeriële Regeling bevat,<br />
behalve verwijzingen naar PGS 15, ook voorschriften die betrekking hebben op de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Voor vergunningplichtge inrichtingen is, behoudens enkele specifieke uitzonderingen, hoofdstuk 4 <strong>van</strong><br />
het Activiteitenbesluit niet <strong>van</strong> toepassing en is het nodig dat in de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer<br />
(Wm) expliciet de relatie met PGS 15 wordt gelegd. In het Stappenplan vergunningverlening (zie<br />
Bijlage D <strong>van</strong> deze Handleiding) wordt hier verder op ingegaan.<br />
Voor bedrijven die met het <strong>van</strong> kracht worden <strong>van</strong> het Activiteitenbesluit niet meer vergunningplichtig<br />
zijn, geldt dat de voorschriften <strong>van</strong> de vergunning gedurende drie jaar gelden als maatwerkvoorschrift,<br />
mits de voorschriften <strong>van</strong> die vergunning vallen binnen de bevoegdheid <strong>van</strong> het bevoegd gezag tot het<br />
stellen <strong>van</strong> maatwerkvoorschriften. Deze bevoegdheid is ten aanzien <strong>van</strong> de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> opgenomen in de artikelen 4.5 en 4.6 <strong>van</strong> de Ministeriële Regeling bij het Activiteitenbesluit.<br />
1.4.3 Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving<br />
De Arbeidsinspectie gebruikt PGS 15 bij het toezicht op de bepalingen in de Arbeidsomstandighedenwet,<br />
het Arbobesluit en de Arboregeling, die meestal als doelvoorschrift zijn geformuleerd. In relatie tot de<br />
opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> gaat het onder meer om correcte opslag gezien de eigenschappen<br />
<strong>van</strong> een stof, goede inrichting <strong>van</strong> de opslag (waaronder juiste scheiding <strong>van</strong> onverenigbare combinaties<br />
<strong>van</strong> <strong>stoffen</strong>, productop<strong>van</strong>g, ventilatie en vluchtwegen) en juiste organisatie <strong>van</strong> de werkzaamheden<br />
(deskundigheid, persoonlijke beschermingsmiddelen en noodmaatregelen).
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
1.4.4 Wet milieubeheer of Arbeidsomstandighedenwet?<br />
PGS 15 biedt voor zowel het Wm bevoegd gezag als voor de Arbeidsinspectie een toetsingkader voor<br />
opslagen <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Een groot deel <strong>van</strong> de voorschriften uit PGS 15 heeft een<br />
grondslag in zowel de milieuwetgeving als in de arbeidsomstandighedenwetgeving. Dit betekent dat<br />
zowel het Wm-bevoegd gezag als de Arbeidsinspectie toezicht kunnen houden op de naleving daar<strong>van</strong>.<br />
De voorschriften in PGS 15 zijn voorzien <strong>van</strong> een code (Wm, AI) die aangeeft welke overheidsdiscipline<br />
voorziet in de uitvoering, advisering, vergunningverlening of het houden <strong>van</strong> toezicht. Toch kan dit in de<br />
praktijk nog wel eens tot onduidelijkheden leiden, zeker wanneer voorschriften op een andere manier<br />
worden geïnterpreteerd. Om een en ander vroegtijdig af te stemmen, is het voor het Wm-bevoegd gezag<br />
en de Arbeidsinspectie aan te bevelen om afspraken te maken over de terugkoppeling <strong>van</strong> geconstateerde<br />
onrechtmatigheden. Daar waar repressieve handhaving noodzakelijk is, wordt aanbevolen om in onderling<br />
overleg de meest efficiënte werkwijze te kiezen. Algemeen geaccepteerd uitgangspunt in rechtspraak is<br />
namelijk, dat iemand niet via twee wegen voor dezelfde overtreding kan worden aangesproken.<br />
1.4.5 Brandweer<br />
De overheidsbrandweer kan de richtlijn gebruiken bij haar adviserende rol bij het verlenen <strong>van</strong> bouw- of<br />
milieuvergunningen. Daarnaast kan de brandweer over de beoordeling <strong>van</strong> opslagvoorzieningen op<br />
bijvoorbeeld bouwkundige aspecten adviseren aan toezichthouders die belast zijn met het controleren<br />
op de naleving <strong>van</strong> milieuvergunningen of het Activiteitenbesluit.<br />
1.4.6 Relatie PGS 15 met Bevi en Revi<br />
PGS 15 bevat geen bepalingen met minimale afstanden tot objecten buiten de inrichting. Vergunningplichtige<br />
inrichtingen met opslagvoorzieningen voor meer dan 10.000 kg <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> per opslagplaats<br />
vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (Bevi) en bijbehorende Regeling<br />
externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (Revi). Bij vergunningverlening en andere door het bevoegd<br />
gezag te nemen besluiten, zoals bestemmingsplanwijzigingen, moeten de in het Bevi genoemde grenswaarden<br />
voor het plaatsgebonden risico dan wel de in het Revi genoemde afstanden tot (beperkt) kwetsbare<br />
objecten in acht worden genomen. De Revi gaat er <strong>van</strong> uit, dat wordt voldaan aan de eisen <strong>van</strong> PGS 15.<br />
Pas in dat geval gelden de genoemde afstanden. Dit betekent dat toezicht op de naleving <strong>van</strong> de voorschriften<br />
uit PGS 15 <strong>van</strong> belang is voor de juiste toepassing <strong>van</strong> de afstanden uit de Revi. Een inrichting met<br />
meerdere opslagvoorzieningen, elk bestemd voor minder dan 10.000 kg, valt overigens niet onder het Bevi.<br />
Het Bevi is <strong>van</strong> toepassing op <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zoals bedoeld in de Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (Wms).<br />
Dit betekent, dat voor opslag <strong>van</strong> uitsluitend irriterende, schadelijke of viskeuze <strong>stoffen</strong> (voor zover<br />
uitgesloten <strong>van</strong> het ADR) in opslagvoorzieningen voor meer dan 10.000 kg het Bevi geldt, terwijl PGS 15<br />
niet <strong>van</strong> toepassing is. Het criterium voor de aanwijzing <strong>van</strong> potentieel <strong>gevaarlijke</strong> inrichtingen in het Bevi<br />
is, dat de betreffende categorie <strong>van</strong> inrichtingen buiten de grens <strong>van</strong> de inrichting een plaatsgebonden<br />
risico veroorzaakt of kan veroorzaken dat hoger is dan 10-6 per jaar.<br />
1.4.7 Het Bouwbesluit<br />
Het Bouwbesluit 2003 vormt de basis voor de bouwkundige eisen aan opslagvoorzieningen. Daarbij geldt,<br />
dat de in de Regeling bouwbesluit 2003 geformuleerde prestatievoorschriften niet altijd toereikend zijn<br />
voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Om die reden zijn de bouwkundige eisen in PGS 15<br />
aanvullend op het bouwbesluit. Dit is in paragraaf 3.2 <strong>van</strong> PGS 15 en het bijhorende erratum <strong>van</strong> 5 juli<br />
2005, en in paragraaf 3.3 <strong>van</strong> deze Handleiding toegelicht.<br />
1.5 Ontwikkelingen in wet- en regelgeving<br />
1.5.1 Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en REACH<br />
REACH is een nieuwe Europese verordening voor chemische <strong>stoffen</strong>. De afkorting staat voor Registratie,<br />
Evaluatie, Autorisatie en beperkingen <strong>van</strong> CHemische <strong>stoffen</strong>. De kern <strong>van</strong> REACH is dat een bedrijf <strong>van</strong> alle<br />
<strong>stoffen</strong> die het produceert, verwerkt of doorgeeft aan klanten, de risico’s moet inventariseren en maatregelen<br />
moet aanbevelen (en voor het eigen bedrijf ook moet nemen) om die risico’s te beheersen bij het gebruik <strong>van</strong><br />
de stof. Met de invoering <strong>van</strong> REACH verschuift de verantwoordelijkheid voor een adequate risicobeheersing<br />
<strong>van</strong> chemische <strong>stoffen</strong> naar het bedrijfsleven. Het gevolg <strong>van</strong> deze ontwikkeling is dat de Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> (Wms) per 1 juni 2008 vervalt. Andere onderwerpen uit de Wms die niet in REACH worden<br />
geregeld (zoals etikettering) worden voorlopig opgenomen in hoofdstuk 9 <strong>van</strong> de Wet milieubeheer.<br />
1.5.2 Globally Harmonised System<br />
Er is een nieuw wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering <strong>van</strong> chemische<br />
<strong>stoffen</strong>: het VN-Globally Harmonised System (VN-GHS). Om het systeem in Europa in te voeren, zal de<br />
Europese Commissie een nieuwe EU-verordening opstellen (EU-GHS) die op termijn de bestaande regelgeving<br />
voor de indeling en etikettering <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> en mengsels zal ver<strong>van</strong>gen. De informatie die met<br />
REACH wordt verzameld en geregistreerd over <strong>stoffen</strong> en mengsels (preparaten) vormt mede de basis<br />
voor indeling en etikettering. EU-GHS wordt vermoedelijk eind 2008 vastgesteld.
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
2 Werkingssfeer en systematiek<br />
2.1 De werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15<br />
Met behulp <strong>van</strong> Bijlage B Beslisschema Werkingssfeer PGS 15? [A] kan worden vastgesteld of PGS 15<br />
<strong>van</strong> toepassing is.<br />
2.1.1 Indeling volgens vervoerwetgeving<br />
PGS 15 sluit voor de indeling <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aan bij de Wet vervoer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
De classificatie <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> vindt plaats conform het ADR . In de CPR-richtlijnen waren<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> ingedeeld volgens de Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (Wms). Dit betekent in de praktijk<br />
dat voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 naar de vervoersetiketten moet worden gekeken, in plaats <strong>van</strong> naar<br />
de Wms-etiketten. Paragraaf 3.1 <strong>van</strong> deze Handleiding geeft hierover uitleg.<br />
2.1.2 Welke <strong>stoffen</strong> vallen onder PGS 15?<br />
PGS 15 is <strong>van</strong> toepassing op <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een aantal ADR-klassen als de ondergrenzen<br />
uit tabel 2 en tabel 3 <strong>van</strong> PGS 15 worden overschreden. In de volgende tabel staan alle ADR-klassen<br />
genoemd, met daarbij of de PGS 15 <strong>van</strong> toepassing is. Is dit het geval, dan zijn de ondergrenzen vermeld.<br />
Is dit niet het geval, dan is de reden daarvoor aangegeven.<br />
ADR-klasse Omschrijving onder<br />
PGS 15 ?<br />
3, 4.1, 4.2,<br />
4.3, 5.1, 6.1,<br />
6.2 en 8 +<br />
CMR-<strong>stoffen</strong><br />
alle <strong>stoffen</strong> in verpakkingsgroep<br />
I<br />
<strong>gevaarlijke</strong> afval<strong>stoffen</strong> <strong>van</strong><br />
deze klassen vallen onder de<br />
werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15<br />
2 gasflessen, meest voorkomende<br />
gassen, zie bijlage 7<br />
<strong>van</strong> PGS 15<br />
ja 1 (VG I)<br />
ja<br />
ja<br />
Bijzonderheden / Ondergrens in kg/l 3 4<br />
zie ondergrens voor stof in betreffende<br />
ADR-klasse<br />
115 liter waterinhoud;<br />
het Activiteitenbesluit verwijst <strong>van</strong>af<br />
125 liter naar PGS 15; omdat een gasfles<br />
meestal 60 liter is, is dit een meer logische<br />
ondergrens.<br />
divers bestrijdingsmiddelen tot 400 kg nee De opslag <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> is geregeld in<br />
de Bestrijdingsmiddelenwet, voor zover<br />
minder dan 400 kg aanwezig is.<br />
1 ontplofbare <strong>stoffen</strong> en<br />
voorwerpen<br />
nee<br />
Deze <strong>stoffen</strong> vragen een specifieke aanpak<br />
en maatwerkoplossingen in de milieuvergunning.<br />
Een deel <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> uit deze<br />
klasse valt onder het regime <strong>van</strong> het<br />
Vuurwerkbesluit.<br />
2 spuitbussen en gaspatronen ja 50<br />
Bij opslag <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen<br />
in combinatie met andere <strong>verpakte</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> geldt geen ondergrens.<br />
2 meest voorkomende gassen,<br />
zie bijlage 7 PGS 15<br />
ja 50<br />
2 gasflessen met giftige of<br />
bijtende inhoud<br />
3 brandbare vloei<strong>stoffen</strong> ja 25 (VGII)<br />
50 (VGIII)<br />
4.1 brandbare vaste <strong>stoffen</strong> ja 50 (VG II en III)<br />
nee<br />
Voor gassen met deze specifieke gevaarsaspecten<br />
kan PGS 15 wel als basis voor de<br />
vergunningvoorschriften worden gebruikt,<br />
maar zijn afhankelijk <strong>van</strong> de situatie aanvullende<br />
voorschriften nodig.<br />
ADR = Accord européen relatief aux transport internationaux de marchandises dangereuses par route.<br />
3 Voor LQ (Limited Quantities) gelden de dubbele ondergrenzen, zie paragraaf 3.1.6 <strong>van</strong> deze Handleiding.<br />
4 Voor het vaststellen <strong>van</strong> hoeveelheden geldt voor vloei<strong>stoffen</strong> en samengeperste gassen, de nominale inhoud <strong>van</strong> houders in<br />
liters en voor overige <strong>stoffen</strong> de netto massa in kilogram.
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
ADR-klasse Omschrijving onder Bijzonderheden / Ondergrens in kg/l 3 4<br />
PGS 15 ?<br />
4.2 vatbaar voor zelfontbranding ja 50 (VG II en III)<br />
4.3 ontwikkelt brandbaar gas in ja 50 (VG II en III)<br />
contact met water<br />
5.1 oxiderende <strong>stoffen</strong> ja 50 (VG II en III)<br />
5.2 organische peroxiden (< 1.000<br />
kg in LQ-verpakking)<br />
ja geen ondergrens<br />
5.2 organische peroxiden, voor<br />
zover > 1.000 kg of niet LQ<br />
6.1 giftige <strong>stoffen</strong> ja 50 (VG II en III)<br />
6.2 cat I3, I4 infectueuze <strong>stoffen</strong>, uitsluitend<br />
ziekenhuisafval en diagnostische<br />
monsters<br />
ja 50 (VG II en III)<br />
6.2, niet cat<br />
I3 en I4<br />
nee<br />
Voor opslag <strong>van</strong> organische peroxiden<br />
geldt PGS 8, tenzij < 1.000 kg in LQverpakking.<br />
In dat geval kan hoofdstuk 9<br />
<strong>van</strong> PGS 15 worden gebruikt.<br />
infectueuze <strong>stoffen</strong> nee Vanwege de specifieke aspecten is hiervoor<br />
altijd een maatwerkoplossing nodig.<br />
7 radioactieve <strong>stoffen</strong> nee Deze <strong>stoffen</strong> vallen onder de Kernenergiewet.<br />
8 bijtende <strong>stoffen</strong> ja 250 (VG II en III)<br />
9 diverse <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en<br />
voorwerpen - uitsluitend de<br />
milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> vallen<br />
onder PGS 15<br />
9 de niet-milieu <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> en voorwerpen<br />
9 genetisch gemodificeerde<br />
organismen<br />
5.1, 9 nitraathoudende kunstmest<strong>stoffen</strong><br />
ja 250 (VG II en III)<br />
Vnl. vloeibare en vaste <strong>stoffen</strong> die het<br />
aquatisch milieu kunnen verontreinigen<br />
(UN 3077 en UN 3082), zoals kwik(I)chloride,<br />
difenylether, chloorhexidine, gechloreerde<br />
paraffinen en diisopropylbenzenen.<br />
nee Er is geen reden voor speciale opslagvoorzieningen,<br />
maar deze <strong>stoffen</strong> kunnen wel<br />
als 'aanverwante <strong>stoffen</strong>' in een<br />
opslagvoorziening worden bewaard (zie<br />
ook paragraaf 3.1.7 <strong>van</strong> deze Handleiding).<br />
nee Deze <strong>stoffen</strong> vallen onder het Besluit<br />
Genetisch Gemodificeerde Organismen.<br />
Daarnaast is een Wm-vergunning nodig,<br />
waarin maatwerkvoorschriften voor de<br />
opslag <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> moeten worden<br />
opgenomen.<br />
nee Hiervoor geldt PGS 7.<br />
Verder is PGS 15 niet <strong>van</strong> toepassing op de volgende <strong>stoffen</strong> en situaties:<br />
− De volgende <strong>stoffen</strong> die niet worden beschouwd als klasse 3:<br />
− alcoholhoudende dranken in consumentenverpakking;<br />
− dieselolie, gasolie en lichte stookolie met een vlampunt tussen 60°C en 100°C; deze <strong>stoffen</strong> vallen<br />
conform de criteria niet onder het ADR;<br />
− verwarmde brandbare vloeistof (UN-nummer 3256);<br />
− niet giftige en niet bijtende viscose oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt <strong>van</strong> 23°C<br />
en hoger (overeenkomstig artikel 2.2.3.1.5 <strong>van</strong> het ADR, de viscositeitsregel);<br />
− opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in verkoopruimten;<br />
− drukhouders/gasflessen met CO 2<br />
(koolzuurcilinders) die zijn voorzien <strong>van</strong> doelmatige drukontlasting;<br />
− verpakkingen die via leidingen zijn aangesloten op een installatie, zoals bijvoorbeeld een aangesloten<br />
IBC of een gasfles behorend bij een blusgasinstallatie.<br />
10
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
2.1.1 Toepassing ondergrenzen PGS 15<br />
Met het doorlopen <strong>van</strong> het beslisschema in Bijlage B kan worden vastgesteld of een opslag onder de<br />
werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 valt. Wanneer een combinatie <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> wordt opgeslagen waarvoor verschillende<br />
ondergrenzen gelden, moet volgens de toelichting bij tabel 3 <strong>van</strong> PGS 15 de ondergrens voor de<br />
totale hoeveelheid naar rato worden berekend. Deze 'naar rato' berekening geldt overigens niet voor<br />
gasflessen; de daarvoor geldende ondergrens staat op zichzelf. Een voorbeeld ter illustratie:<br />
Toepassing ondergrenzen bij kleine hoeveelheden verschillende <strong>stoffen</strong><br />
Aanwezig zijn:<br />
− ethanol, 20 liter, geen LQ, VG II<br />
− natriumhydroxide-oplossing, 200 liter, geen LQ, VG III<br />
Ethanol is ingedeeld in ADR klasse 3. De ondergrens voor <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 3, verpakkingsgroep II is<br />
25 kg of liter. Er is 20 liter aanwezig, hetgeen overeenkomt met 80% <strong>van</strong> de geldende ondergrens.<br />
Natriumhydroxide, zowel in vaste vorm als in opgeloste vorm, is een bijtende stof ingedeeld in ADR<br />
klasse 8. Voor verpakkingsgroep III is de ondergrens voor PGS 15 250 kg of liter. De aanwezige 200 liter<br />
komt overeen met 80% <strong>van</strong> de geldende ondergrens.<br />
In totaal wordt 80% + 80% = 160% <strong>van</strong> de ondergrens opgeslagen, hetgeen inhoudt dat PGS 15 <strong>van</strong><br />
toepassing is en dat beide <strong>stoffen</strong> overeenkomstig PGS 15 moeten worden opgeslagen. Daarbij geldt<br />
dat rekening moet worden gehouden met de regels voor <strong>stoffen</strong>scheiding (zie paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze<br />
Handleiding).<br />
De ondergrenzen <strong>van</strong> PGS 15 gelden niet per definitie voor het totaal aan <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong><br />
een bepaalde klasse dat in een inrichting aanwezig is. Afhankelijk <strong>van</strong> het karakter en de grootte <strong>van</strong> het<br />
bedrijf moet worden beoordeeld of de ondergrenzen voor de gehele inrichting, voor aparte gebouwen<br />
binnen de inrichting of voor andere te onderscheiden eenheden gelden. Het is denkbaar dat op diverse<br />
plaatsen binnen het bedrijf <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden bewaard in hoeveelheden beneden de<br />
ondergrens. Of een dergelijke situatie kan worden toegestaan moet in samenhang met het begrip<br />
werkvoorraad (zie paragraaf 3.8) worden beoordeeld, maar voorkomen moet worden dat verkapte<br />
opslagen ontstaan waarvoor geen PGS 15 opslagvoorzieningen zijn gerealiseerd. De noodzaak en functionaliteit<br />
hier<strong>van</strong> zal door het bedrijf moeten worden aangetoond.<br />
2.2 De systematiek <strong>van</strong> PGS 15<br />
De systematiek <strong>van</strong> PGS 15 kan als volgt worden samengevat:<br />
− Wordt de ondergrens overschreden dan zijn de algemene bepalingen <strong>van</strong> hoofdstuk 3 <strong>van</strong> toepassing;<br />
− Bij een opslagvoorziening voor meer dan 10.000 kg (of > 1.000 kg in geval <strong>van</strong> klasse 6.1 VG I dan wel<br />
klasse 8, VG I met aanvullend etiket 6.1) zijn ook de voorschriften <strong>van</strong> hoofdstuk 4 <strong>van</strong> toepassing.<br />
In dat geval geldt, afhankelijk <strong>van</strong> de aard <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> en het verpakkingsmateriaal, dat een bepaald<br />
beschermingsniveau (1, 2 of 3) moet zijn gerealiseerd.<br />
− Voor specifieke situaties of <strong>stoffen</strong> bevat PGS 15 een aantal hoofdstukken, met voorschriften die in de<br />
meeste gevallen aanvullend zijn op (delen <strong>van</strong>) hoofdstuk 3:<br />
− containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (hoofdstuk 5)<br />
− gasflessen (hoofdstuk 6)<br />
− spuitbussen (hoofdstuk 7)<br />
− <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3 (hoofdstuk 8) en<br />
− organische peroxiden klasse 5.2 voor zover < 1.000 kg in LQ-verpakking (hoofdstuk 9).<br />
11
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
In het volgende figuur is deze systematiek schematisch weergegeven.<br />
PGS 15 <strong>van</strong> toepassing?<br />
(zie Bijlage B)<br />
ja<br />
H3: algemene eisen, waaronder:<br />
bouwkundige eisen, ventilatie,<br />
verwarming<br />
brandpreventieve maatregelen<br />
maatregelen bij incidenten<br />
productop<strong>van</strong>g, kwaliteit <strong>van</strong><br />
vloeren en stellingen<br />
etikettering en verpakking<br />
preventieve handelingen bij<br />
incidenten<br />
<strong>stoffen</strong>scheiding<br />
administratie/documentatie<br />
bijzondere situaties (gasflessen,<br />
spuitbussen, klasse 4, klasse 5.2 of<br />
opslag in containers t.b.v. vervoer)<br />
nee<br />
ja<br />
Tevens H5 t/m H9: specifieke eisen<br />
H5: containers<br />
H6: gasflessen<br />
H7: spuitbussen en gaspatronen<br />
H8: klasse 4.1, 4.2 en 4.3<br />
H9: klasse 5.2 < 1.000 kg<br />
> 10.000 kg of >1.000 kg zeer giftig:<br />
beschermingsniveau 1, 2 of 3<br />
ja<br />
Tevens H4: extra preventieve eisen<br />
voor alle beschermingsniveaus:<br />
bereikbaarheid<br />
vakkenscheiding<br />
maximum oppervlak<br />
productop<strong>van</strong>g<br />
beschermingsniveau 3<br />
(kans op (om<strong>van</strong>grijke)<br />
brand klein; geen extra<br />
maatregelen)<br />
beschermingsniveau 2<br />
(beheersing en blussing<br />
door snelle detectie en goed<br />
voorbereide blusactie)<br />
beschermingsniveau 1<br />
(doelmatige detectie en kort<br />
daarop (semi-)automatisch<br />
blussen)<br />
12
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
3 Toelichting op specifieke aspecten<br />
3.1 Verpakkingen en gevarenklassen<br />
3.1.1 Verpakkingen algemeen<br />
PGS 15 gaat over <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Onder verpakking wordt hier onder andere verstaan:<br />
"Een verpakking die is toegelaten voor het vervoer <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, inclusief grote verpakking 5 en IBC 6 ". <br />
De vervoerswetgeving stelt uitdrukkelijke eisen aan de verpakking <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>:<br />
− De verpakking moet schoon, sterk en gesloten zijn.<br />
− De verpakking moet bestand zijn tegen normale vervoershandelingen.<br />
− De stof mag de verpakking niet aantasten.<br />
− De verpakking moet voorzien zijn <strong>van</strong> een 4-cijferig UN-nummer.<br />
− De verpakking moet een UN-kenmerk hebben, dat onder meer informatie geeft over het verpakkingsmateriaal<br />
en de verpakkingsgroep waarvoor het geschikt is.<br />
− De verpakking moet zijn voorzien <strong>van</strong> gevarenetiketten (zie paragraaf 3.1.3 <strong>van</strong> deze Handleiding).<br />
3.1.2 CMR-<strong>stoffen</strong><br />
CMR-<strong>stoffen</strong> zijn <strong>stoffen</strong> die volgens Europese normen zijn geclassificeerd als carcinogeen, mutageen of<br />
reprotoxisch. Aangezien de ADR-indeling uitgaat <strong>van</strong> acute effecten – en niet <strong>van</strong> gezondheidseffecten<br />
op de langere termijn - zijn deze <strong>stoffen</strong> niet als zodanig in het ADR geclassificeerd. Afhankelijk <strong>van</strong> de<br />
overige gevaarsaspecten kunnen deze <strong>stoffen</strong> in een ADR-klasse zijn ingedeeld of niet ADR-geclassificeerd<br />
zijn. CMR-<strong>stoffen</strong> vallen onder de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15, voor zover meer dan 1 liter of kg aanwezig is.<br />
CMR-<strong>stoffen</strong> zijn te herkennen aan het Wms-etiket voor giftige <strong>stoffen</strong> (zie paragraaf 3.1.3). Daarnaast is<br />
uit het veiligheidsinformatieblad altijd af te leiden of sprake is <strong>van</strong> een CMR-stof (zie bijlage F.3 voor<br />
een voorbeeld <strong>van</strong> een veiligheidsinfomatieblad). In het kader <strong>van</strong> het Globally Harmonised System<br />
(GHS, zie paragraaf 1.5.2 <strong>van</strong> deze Handleiding) zijn wereldwijd uniforme gevaarsetiketten ontwikkeld<br />
(www.unece.org/trans/danger/publi/ghs/pictograms.html). Hiernaast is het etiket voor CMR-<strong>stoffen</strong><br />
"Lange termijn gezondheidsschadelijk" weergegeven. Vooralsnog is dit etiket niet verplicht.<br />
3.1.3 Etikettering <strong>van</strong> verpakkingen conform het ADR<br />
PGS 15 gaat uit <strong>van</strong> de indeling <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in ADR-klassen. De ADR-klasse <strong>van</strong> een<br />
stof is af te lezen uit het etiket of uit het Veiligheidsinformatieblad (hoofdstuk 14 <strong>van</strong> een VIB geeft<br />
informatie met betrekking tot transport, zie ook Bijlage F.2). PGS 15 stelt, dat "de etikettering <strong>van</strong> de in<br />
een opslagvoorziening aanwezige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zodanig moet zijn dat de gevaarsaspecten <strong>van</strong> de<br />
<strong>gevaarlijke</strong> stof duidelijk tot uiting komen".<br />
Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> in transportverpakkingen moeten als volgt zijn geëtiketteerd:<br />
− Met een gevarenetiket, dat het gevaar en de klasse weergeeft.<br />
− Met het UN-nummer voorafgegaan door de letters "UN".<br />
Hieronder staan de meest voorkomende ADR-gevarenetiketten afgebeeld.<br />
Klasse Omschrijving Etiket Voorbeelden<br />
2.1 brandbare gassen acetyleen<br />
waterstof<br />
2.2 niet-brandbare, nietgiftige<br />
gassen<br />
argon,<br />
stikstof<br />
helium<br />
2.3 giftige gassen ammoniak<br />
ethyleendioxide<br />
3 brandbare vloei<strong>stoffen</strong> bepaalde oplosmiddelen, aardolieproducten<br />
5 Het begrip 'grote verpakking' is in het ADR gedefinieerd als een verpakking die bestaat uit een buitenverpakking die<br />
voorwerpen of binnenverpakkingen bevat en die:<br />
a) ontworpen is voor behandeling met mechanische hulpmiddelen en<br />
b) een netto massa <strong>van</strong> meer dan 400 kg of een inhoud <strong>van</strong> meer dan 450 liter, maar een inhoud <strong>van</strong> ten hoogste 3,0 m ³ heeft.<br />
6 IBC = Intermediate Bulk Container, een stijve of flexibele verpakking die in hoofdstuk 6.5 <strong>van</strong> het ADR is genoemd.<br />
13
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Klasse Omschrijving Etiket Voorbeelden<br />
4.1 brandbare vaste <strong>stoffen</strong>,<br />
zelfontledende vaste<br />
<strong>stoffen</strong> en vaste ontplofbare<br />
<strong>stoffen</strong> in niet<br />
explosieve toestand<br />
4.2 voor zelfontbranding<br />
vatbare <strong>stoffen</strong><br />
wrijvingslucifers, zwavel, metaalpoeders<br />
fosfor (wit of geel), diethylzink<br />
4.2 <strong>stoffen</strong> die in contact met<br />
water brandbare gassen<br />
ontwikkelen<br />
magnesiumpoeder, natrium,<br />
calciumcarbide (carbid)<br />
5.1 oxiderende <strong>stoffen</strong> kaliumpermanganaat, natriumchloraat<br />
5.2 organische peroxiden<br />
tot 31-12-2010<br />
dicumyl peroxide,<br />
di-propionyl peroxide<br />
5.2 organische peroxiden<br />
6.1 giftige <strong>stoffen</strong> chloroform, arseen, kaliumcyanide,<br />
pesticiden<br />
6.2 Infectueuze <strong>stoffen</strong><br />
(besmettelijke <strong>stoffen</strong>)<br />
bacteriën, virussen, parasieten,<br />
schimmels, ziekenhuisafval<br />
8 bijtende <strong>stoffen</strong> natriumhydroxide, zwavelzuur,<br />
zoutzuur<br />
9 diverse <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
en voorwerpen<br />
polychloorfenolen, lithiumbatterijen,<br />
aquatoxische <strong>stoffen</strong>, genetisch<br />
gemodificeerde organismen<br />
Als twee of meer <strong>gevaarlijke</strong> goederen in één buitenverpakking zijn verpakt moet die buitenverpakking<br />
zijn voorzien <strong>van</strong> de etiketten en UN-nummers <strong>van</strong> beide <strong>stoffen</strong>. Als een stof naast het overwegende<br />
gevaar ook beschikt over bijkomende gevaren (zie paragraaf 3.1.4 <strong>van</strong> deze Handleiding), moeten beide<br />
klassen via etiketten kenbaar zijn gemaakt.<br />
Naast de vervoersetiketten op de buitenverpakking moeten, op grond <strong>van</strong> de Wms, ook de Wms etiketten<br />
aanwezig zijn op de binnenverpakking. Op de buitenverpakking is dat niet verplicht als deze conform de<br />
vervoerswetgeving is geëtiketteerd.<br />
Het kan voorkomen dat het ADR-etiket een ander gevaarsaspect weergeeft dan het Wms-etiket. Dit is<br />
mogelijk door de andere insteek <strong>van</strong> het ADR en de Wms: enerzijds veilig vervoer en anderzijds milieubescherming.<br />
In situaties waar de transportverpakking is verwijderd, en geen ADR-informatie op de<br />
binnenverpakking is vermeld, kan de Wms etikettering wel als indicatie voor de gevarenklasse worden<br />
gehanteerd. In een dergelijk geval geeft het veiligheidsinformatieblad uitsluitsel.<br />
14
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Een selectie <strong>van</strong> Wms-etiketten is hieronder weergegeven.<br />
(zeer) licht<br />
ontvlambaar<br />
oxiderend<br />
(zeer) giftige<br />
<strong>stoffen</strong><br />
bijtend<br />
Schadelijk of<br />
irriterend<br />
milieugevaarlijk<br />
Verpakking zonder UN-nummer<br />
Bij sommige bedrijven zijn <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in verpakking aanwezig, welke niet (hoeven te) voldoen<br />
aan de transportwetgeving, omdat deze nooit zullen worden vervoerd. Denk daarbij aan verffabrieken<br />
of de chemische industrie. Deze verpakkingen zijn meestal niet voorzien <strong>van</strong> een UN-nummer.<br />
De beoordeling <strong>van</strong> de eisen aan een opslagvoorzieningen moet in die gevallen worden uitgevoerd<br />
aan de hand <strong>van</strong> informatie in een vergunningaanvraag of beschikbare veiligheidsinformatiebladen.<br />
Daarnaast geldt, dat algemene eisen voor dergelijke verpakkingen in de milieuvergunning moeten<br />
worden opgenomen, bijvoorbeeld dat de verpakking sterk genoeg moet zijn, geschikt voor de daarin<br />
opgeslagen <strong>stoffen</strong> en dat de verpakkingen regelmatig moeten worden geïnspecteerd op lekkage<br />
(zie ook voorschrift 3.11.1 <strong>van</strong> PGS 15).<br />
3.1.4 Bijkomend gevaar<br />
Bij <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die meerdere gevaarseigenschappen bezitten, is het voor de beoordeling welke<br />
eisen <strong>van</strong> toepassing zijn <strong>van</strong> belang te weten welk aspect als overwegend gevaar wordt beschouwd en<br />
welke aspect het bijkomende gevaar is. Het begrip 'bijkomend gevaar' is rele<strong>van</strong>t voor de volgende<br />
onderwerpen in PGS 15:<br />
− vaststellen of de PGS 15 <strong>van</strong> toepassing is (ondergrenzen);<br />
− vaststellen <strong>van</strong> het beschermingsniveau;<br />
− vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit;<br />
− het toepassen <strong>van</strong> de bepalingen over <strong>stoffen</strong>scheiding;<br />
− de indeling <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> in ADR klasse 4.x.<br />
Bij de tekstuele vermelding <strong>van</strong> de ADR-klasse op een verpakking wordt over het algemeen alleen het<br />
overwegende gevaar aangegeven. Het bijkomende gevaar moet echter wel via de etikettering zichtbaar<br />
zijn gemaakt. Daarnaast kan altijd het veiligheidsinformatieblad worden geraadpleegd voor informatie<br />
over een eventueel bijkomend gevaar. Tabel A uit hoofdstuk 3 <strong>van</strong> het ADR (zie Bijlage F.1 <strong>van</strong> deze<br />
Handleiding voor een gedeelte <strong>van</strong> die tabel) geeft informatie over welke gevaarsaspecten bij een<br />
bepaalde stof een rol spelen en welke etiketten op een verpakking moeten zijn aangebracht:<br />
het gevaarsaspect genoemd in de kolom "Klasse" is het overwegende gevaar, een eventuele<br />
vermelding <strong>van</strong> een andere ADR-klasse in de kolom "Etiketten" geeft het bijkomende gevaar.<br />
3.1.5 Verpakkingsgroep<br />
Naast een indeling in een gevarenklasse, is een aantal ADR-klassen (alles behalve 1, 2, 5.2, 6.2 en 7) ook<br />
ingedeeld in een bepaalde verpakkingsgroep (VG of PG, packing group). Deze indeling geeft, onafhankelijk<br />
<strong>van</strong> de klasse, een indicatie <strong>van</strong> de 'gevaarlijkheid' <strong>van</strong> een stof. De verpakkingsgroep is voor een groot<br />
aantal onderwerpen in PGS 15 rele<strong>van</strong>t, waaronder:<br />
− de toepassing <strong>van</strong> de ondergrenzen voor de werkingssfeer;<br />
− het toepassingsgebied <strong>van</strong> hoofdstuk 4 <strong>van</strong> PGS 15: klasse 6.1 VG I en 8.1 VG I (>1.000 kg);<br />
− de bepaling <strong>van</strong> het beschermingsniveau voor opslag <strong>van</strong> klasse 3 <strong>stoffen</strong>;<br />
− de toepassing <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong>scheidingsregels (zie paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze Handleiding);<br />
− het vaststellen <strong>van</strong> de eisen voor opslag <strong>van</strong> klasse 4.x (zie paragraaf 8 <strong>van</strong> deze Handleiding);<br />
− de aanwezigheid <strong>van</strong> een nooddouche en oogspoelvoorziening: dit is altijd verplicht wanneer <strong>stoffen</strong><br />
in verpakkingsgroep I aanwezig zijn.<br />
In de volgende tabel een overzicht <strong>van</strong> de verschillende verpakkingsgroepen:<br />
Verpakkingsgroep Gevaarlijkheid Aanduiding in UN-kenmerk<br />
VG I Stoffen met groot gevaar X<br />
VG II Stoffen met middelmatig gevaar X of Y<br />
VG III Stoffen met een gering gevaar. X of Y of Z<br />
15
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Verpakkingen moeten geschikt zijn voor de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> waarvoor zij worden gebruikt. Als een<br />
<strong>gevaarlijke</strong> stof is ingedeeld in VG II, betekent dit dat de verpakking ten minste moet voldoen aan de eisen<br />
voor deze verpakkingsgroep. Dit kan worden afgelezen uit het UN-kenmerk <strong>van</strong> een verpakking:<br />
− Z betekent: alleen geschikt voor <strong>stoffen</strong> met VG III;<br />
− Y betekent: geschikt voor <strong>stoffen</strong> met VG II en VG III;<br />
− X betekent: geschikt voor alle verpakkingsgroepen.<br />
Met uitzondering <strong>van</strong> code Z (VG III) geeft deze codering in veel gevallen geen uitsluitsel over de verpakkingsgroep<br />
<strong>van</strong> de opgeslagen stof. De verpakkingsgroep <strong>van</strong> een stof, indien <strong>van</strong> toepassing, staat<br />
vermeld in het veiligheidsinformatieblad (zie voorbeeld in Bijlage F.2 <strong>van</strong> deze Handleiding) en ook in de<br />
tabel <strong>van</strong> hoofdstuk 3.2 <strong>van</strong> het ADR (zie Bijlage F.1 <strong>van</strong> deze Handleiding).<br />
3.1.6 Gelimiteerde hoeveelheden<br />
Stoffen die in kleine hoeveelheden zijn verpakt en gezamenlijk in een tweede buitenverpakking aanwezig<br />
zijn vallen onder het regime <strong>van</strong> 'gelimiteerde hoeveelheden' (LQ). De vervoerswetgeving stelt andere<br />
eisen aan <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die onder het LQ-regime vallen. Voor PGS 15 is dit rele<strong>van</strong>t voor de volgende<br />
onderwerpen:<br />
− toepassing ondergrenzen werkingssfeer PGS 15: bij LQ-<strong>stoffen</strong> in transportverpakking gelden de<br />
dubbele hoeveelheden voor de ondergrenzen, zoals opgenomen in Tabel 3 <strong>van</strong> PGS 15 en toegelicht in<br />
paragraaf 2.1.2 <strong>van</strong> deze Handleiding;<br />
− toepassing <strong>stoffen</strong>scheidingsregels (voorschrift 3.12 en bijlage 3 <strong>van</strong> PGS 15 en paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze<br />
Handleiding): LQ-<strong>stoffen</strong> hoeven hier niet aan te voldoen wanneer deze in de transportverpakking zijn<br />
opgeslagen;<br />
− bepaling werkingssfeer ten aanzien <strong>van</strong> kleine hoeveelheden organische peroxiden (klasse 5.2).<br />
Verpakkingen die vallen onder het LQ-regime zijn te herkennen aan het LQ-etiket op de transportverpakking,<br />
dan wel het UN-nummer. Wanneer sprake is <strong>van</strong> een samengestelde verpakking dan moeten alle<br />
UN-nummers, voorafgaand door de letters “UN” of de letters “LQ” worden vermeld.<br />
3.1.7 Aanverwante <strong>stoffen</strong><br />
Op grond <strong>van</strong> voorschrift 3.1.1 <strong>van</strong> PGS 15 moeten <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in 'daarvoor bestemde'<br />
opslagvoorzieningen worden opgeslagen. In het verlengde hier<strong>van</strong> ligt, dat in die opslagvoorziening uitsluitend<br />
die <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aanwezig mogen zijn. Uitzondering daarop vormen echter de 'aanverwante<br />
<strong>stoffen</strong>', waaronder grond<strong>stoffen</strong> of chemicaliën worden verstaan die niet onder het ADR vallen (dus ook<br />
niet onder de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15). Voorbeelden <strong>van</strong> aanverwante <strong>stoffen</strong> zijn grond- of hulp<strong>stoffen</strong> voor<br />
productieprocessen of reinigingsmiddelen. In de praktijk worden deze <strong>stoffen</strong> vaak wel in de opslagvoorziening<br />
bewaard, omdat dit over het algemeen aansluit bij de bedrijfsvoering of de logistieke processen in de inrichting.<br />
In een dergelijke situatie moet zijn gewaarborgd dat ten minste een vergelijkbaar veiligheidsniveau aanwezig<br />
is. Bij het vaststellen <strong>van</strong> de eisen aan een opslagvoorziening ten aanzien <strong>van</strong> productop<strong>van</strong>g, beschermingsniveau<br />
en bluswaterop<strong>van</strong>g moeten deze aanverwante <strong>stoffen</strong> wel in beschouwing worden genomen.<br />
3.2 Regels voor <strong>stoffen</strong>scheiding<br />
Sommige combinaties <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> kunnen, wanneer deze tegelijk vrijkomen een groter effect<br />
veroorzaken dan bij vrijkomen <strong>van</strong> de afzonderlijke <strong>stoffen</strong> het geval zou zijn. Dergelijke <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> moeten daarom gescheiden <strong>van</strong> elkaar worden opgeslagen. Stoffenscheiding is rele<strong>van</strong>t voor<br />
<strong>stoffen</strong> in ADR klasse 3, 5.1, 6.1, 8 en 9 en voor de CMR-<strong>stoffen</strong>, met uitzondering <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> in LQverpakking.<br />
Voor <strong>stoffen</strong> die zijn behandeld in de hoofdstukken 6, 7, 8 en 9 <strong>van</strong> PGS 15 (gasflessen,<br />
spuitbussen, organische peroxiden en <strong>stoffen</strong> in ADR klasse 4.1, 4.2 en 4.3) gelden afwijkende eisen,<br />
die in de betreffende hoofdstukken zijn toegelicht.<br />
3.2.1 Methoden voor <strong>stoffen</strong>scheiding<br />
Bijlage 3 <strong>van</strong> PGS 15 bevat een overzicht <strong>van</strong> combinaties <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, waarbij is aangegeven of en<br />
zo ja op welke manier scheiding moet plaatsvinden. Er zijn drie verschillende mogelijkheden:<br />
-- scheiding is niet nodig;<br />
V scheiding is altijd noodzakelijk;<br />
B scheiding is noodzakelijk tenzij is beoordeeld dat de <strong>stoffen</strong> niet met elkaar reageren of beiden in<br />
vaste vorm aanwezig zijn. Ook het bijkomend gevaar moet daarbij worden betrokken. Beoordeling kan<br />
plaatsvinden aan de hand <strong>van</strong> de veiligheidsinformatiebladen, tabel A uit het ADR of chemiekaarten.<br />
Gescheiden opslag klasse 6.2<br />
PGS 15 is ook <strong>van</strong> toepassing op opslag <strong>van</strong> infectueuze <strong>stoffen</strong> (klasse 6.2, cat I3 en I4). Het gaat<br />
uitsluitend om ziekenhuisafval en diagnostische monsters. Wanneer deze <strong>stoffen</strong> aanwezig zijn moet<br />
worden nagegaan of in de vergunning aandacht moet worden besteed aan de wijze <strong>van</strong> opslag. Gezien<br />
de bijzondere gevaarsaspecten <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> heeft gescheiden opslag de voorkeur, met duidelijke<br />
veiligheidsmarkeringen en de aanwezigheid <strong>van</strong> hulpmiddelen voor gebruik bij lekkages of incidenten.<br />
16
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Stoffenscheiding kan worden uitgevoerd op een aantal manieren, waarbij afhankelijk <strong>van</strong> de combinatie<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> één of meerdere methodes zijn toegestaan. Hierna zijn de verschillende scheidingsmethoden<br />
en de situaties waarvoor deze kunnen worden toegepast schematisch weergegeven.<br />
optie 1<br />
optie 2<br />
<strong>Opslag</strong> in aparte brandcompartimenten<br />
(BC).<br />
In alle gevallen toegestaan.<br />
Een apart gedeelte in een<br />
brandcompartiment:<br />
− aan drie zijden omgeven door<br />
een constructie met wbdbo <strong>van</strong><br />
ten minste 30 minuten;<br />
− opslag niet binnen 50 cm <strong>van</strong><br />
open zijde;<br />
− opslag niet dichter dan 50 cm<br />
<strong>van</strong> bovenzijde constructie.<br />
A A A B B B<br />
A A A B B B<br />
BC<br />
BC<br />
A A A BC B B B<br />
BC = brandcompartiment<br />
A A A B B B<br />
BC<br />
A A A<br />
BC<br />
A A A<br />
A A A<br />
B<br />
B<br />
AB<br />
AB<br />
A<br />
30 min<br />
wbdbo > 30 min BC<br />
wbdbo B > B30 min BC<br />
BC<br />
BC<br />
BC<br />
BC<br />
BC<br />
BC<br />
optie 3<br />
In alle gevallen toegestaan.<br />
Een opslagvrije zone <strong>van</strong> 5 meter in<br />
een brandcompartiment.<br />
In alle gevallen toegestaan.<br />
wbdbo<br />
B<br />
><br />
B<br />
30 min<br />
BC<br />
wbdbo > 30 min<br />
BC<br />
A A A<br />
A A A<br />
> 5 meter<br />
> opslagvrij 5 meter<br />
A A<br />
opslagvrij<br />
A<br />
A A > A5 meter<br />
B B opslagvrij B<br />
B B B<br />
> 5 meter BC<br />
opslagvrij BC<br />
BC<br />
B B B<br />
optie 4<br />
optie 5<br />
optie 6<br />
Binnen brandcompartiment<br />
scheiding door plaatsing in<br />
verschillende vakken. Een vak<br />
is niet groter dan 300 m ² en vakken<br />
zijn gescheiden door ten minste 3,5<br />
meter opslagvrije ruimte<br />
In alle gevallen toegestaan, met<br />
uitzondering <strong>van</strong> klasse 6.1 VG I,<br />
tenzij deze lager dan 1.80 m zijn<br />
opgeslagen en in UNgoedgekeurde<br />
verpakking.<br />
Binnen vak of brandcompartiment<br />
scheiding door afstand (minimaal 2<br />
meter) dan wel plaatsing <strong>van</strong> een<br />
andere stof C (welke zowel samen<br />
met A als met B mag worden<br />
opgeslagen) in de tussenruimte<br />
<strong>van</strong> minimaal 2 meter.<br />
Toegestaan voor de met 'B'<br />
(beoordeling scheiding) aangegeven<br />
situaties in<br />
Bijlage 3 <strong>van</strong> PGS 15.<br />
Binnen vak of brandcompartiment<br />
scheiding door beide <strong>stoffen</strong> elk in<br />
of boven een afzonderlijke lekbak<br />
te plaatsen.<br />
Toegestaan voor de met 'B'<br />
aangegeven situaties in<br />
Bijlage 3 <strong>van</strong> PGS 15.<br />
B B B BC<br />
A A A<br />
A A A<br />
BC<br />
3,5 > 3,5 meter<br />
A > A3,5 meter A<br />
BA BA BA<br />
> 3,5 meter<br />
B B B<br />
300 2<br />
BC<br />
vakken > < 3,5 300 meter m 2<br />
BC<br />
vakken B B< 300B<br />
m 2 BC<br />
B B B<br />
vakken < 300 m 2 BC<br />
A<br />
vakken A < 300 m 2<br />
A A<br />
BC<br />
C<br />
C<br />
> 2 meter<br />
CA<br />
CA<br />
> 2 meter<br />
B<br />
A<br />
BA<br />
CB<br />
CB<br />
> 2 meter<br />
vak<br />
of of<br />
BC<br />
BC<br />
C C vak > 2of meter BC<br />
B B<br />
B B vak of BC<br />
vak of BC<br />
A A A<br />
A A A<br />
lekbak<br />
lekbak<br />
BA BA BA<br />
B B B<br />
lekbak<br />
A A A lekbak<br />
lekbak<br />
B B B<br />
vak<br />
of of<br />
BC<br />
lekbak BC<br />
B B B vak of BC<br />
lekbak<br />
vak of BC<br />
vak of BC<br />
A<br />
A<br />
A<br />
BA<br />
B<br />
B<br />
B<br />
A<br />
A<br />
> 2 meter<br />
> 2A<br />
meter<br />
BA<br />
> 2B<br />
meter<br />
vak<br />
of of<br />
BC<br />
BC<br />
vak of BC<br />
> 2 meter<br />
B<br />
vak of BC<br />
B<br />
vak of BC<br />
17
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Samengevat komen de scheidingsregels op het volgende neer:<br />
− Klasse 6.1 VG I altijd gescheiden opslaan, volgens optie 1, 2 of 3. Optie 4 is uitsluitend toegestaan<br />
wanneer deze lager dan 1.80 m zijn opgeslagen en in UN-goedgekeurde verpakking.<br />
− Klasse 3 in combinatie met 5.1, 6.1 of 6.2: ten minste vakscheiding, optie 1, 2, 3 of 4.<br />
− Alle overige combinaties: na beoordeling <strong>van</strong> de noodzaak tot scheiding één <strong>van</strong> de bovenstaande opties.<br />
De <strong>stoffen</strong>scheidingsregels <strong>van</strong> PGS 15 gelden ook voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in<br />
brandveiligheidsopslagkasten. Compartimentring kan plaatsvinden door te scheiden <strong>stoffen</strong> in of<br />
boven aparte lekbakken te plaatsen.<br />
3.2.2 Stoffenscheiding zuren en basen<br />
Stoffen <strong>van</strong> klasse 8 (bijtend) kunnen zowel zuur als basisch zijn. Dit betekent, dat ook voor opslag <strong>van</strong><br />
uitsluitend klasse 8 moet worden beoordeeld of <strong>stoffen</strong>scheiding noodzakelijk is. De eigenschap kan in<br />
sommige gevallen uit de naam worden afgeleid (zoals mierezuur, natronloog of een hydroxide, wat altijd<br />
basisch is), maar meestal zullen de eigenschappen uit de classificatiecodes (ADR Tabel A of veiligheidsinformatieblad)<br />
moeten worden afgeleid. Een classificatiecode <strong>van</strong> C1 tot C4 betekent zuur, C5 tot C8<br />
betekent basisch. In principe moeten zure en basische <strong>stoffen</strong> gescheiden worden opgeslagen, tenzij uit<br />
de beoordeling blijkt dat de reactiviteit dermate gering is dat bij het mengen <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> zich geen<br />
warmte ontwikkelt. Informatie hiervoor kan worden verkregen bij een leverancier <strong>van</strong> een stof en in<br />
sommige gevallen ook uit het veiligheidsinformatieblad.<br />
3.3 Bouwkundige eisen aan opslagvoorzieningen<br />
3.3.1 Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag<br />
Belangrijk in relatie tot opslagvoorzieningen voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> is het begrip brandcompartiment<br />
(BC) en de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo), uitgedrukt in minuten.<br />
Basisbeginsel in PGS 15 is dat een inpandige opslagvoorziening wordt uitgevoerd als een brandcompartiment<br />
met een wbdbo <strong>van</strong> ten minste 60 minuten. Gedurende deze tijd moet een brand beperkt blijven tot<br />
het betreffende brandcompartiment. Achterliggende gedachte is dat de brandweer 60 minuten de tijd<br />
heeft om de brand te beheersen, zodat deze beperkt blijft tot het compartiment waar deze is ontstaan.<br />
Andersom betekent het dat het ten minste 60 minuten duurt voordat een brand <strong>van</strong> buiten kan doordringen<br />
tot in de opslagvoorziening.<br />
Als in een bestaande situatie een wbdbo of een brandwerendheid <strong>van</strong> 30 minuten is vergund, kan <strong>van</strong>uit<br />
PGS 15 (zie toelichting bij voorschrift 3.2.1) <strong>van</strong> de eis <strong>van</strong> 60 minuten worden afgeweken, mits binnen<br />
een afstand <strong>van</strong> 7,5 m <strong>van</strong> de opslagvoorziening geen brand<strong>gevaarlijke</strong> goederen aanwezig zijn. Deze<br />
uitzonderingsbepaling voor interne afstanden voorkomt dat voor bestaande reeds vergunde opslagvoorzieningen<br />
onevenredig hoge investeringen kunnen worden verlangd.<br />
wbdbo versus brandwerendheid<br />
De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) is de kortste tijd die een brand nodig<br />
heeft voor de uitbreiding <strong>van</strong> de ene ruimte naar de andere:<br />
− via de buitenlucht (overslag), en<br />
− via scheidingsconstructies of ventilatiekanalen binnen het gebouw (doorslag).<br />
De brandwerendheid is een eigenschap <strong>van</strong> een scheidingsconstructie. Wanneer een wbdbo <strong>van</strong> 60<br />
minuten wordt voorgeschreven tussen twee ruimten, dan betekent dat, dat de vloeren, wanden en<br />
deuren die deze twee ruimten <strong>van</strong> elkaar scheiden constructies dienen te zijn en een brandwerendheid<br />
<strong>van</strong> 60 minuten moeten bezitten.<br />
De wbdbo moet volgens het Bouwbesluit 2003 worden bepaald overeenkomstig NEN 6068. Daarbij wordt<br />
voor uitleg <strong>van</strong> het begrip brandwerendheid <strong>van</strong> bouwdelen verwezen naar NEN 6069, waarin onder meer<br />
aparte eisen voor glazen bouwconstructies zijn opgenomen. Omdat een brand waarbij <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
zijn betrokken zich anders gedraagt dan de 'modelbrand' waarop NEN 6069 is gebaseerd, bevat PGS 15 de<br />
bepaling dat álle constructies aan álle criteria voor de brandwerendheid moeten voldoen. Dit is toegelicht<br />
in paragraaf 3.2 <strong>van</strong> PGS 15 (let op: deze paragraaf is in het Erratum PGS 15 <strong>van</strong> 5 juli 2005 gewijzigd).<br />
Voor uitpandige opslagvoorzieningen hoeft niet altijd een volledige berekening <strong>van</strong> de wbdbo te worden<br />
uitgevoerd, aangezien de PGS 15 het uitgangspunt hanteert dat de afstand tussen twee ruimten een<br />
bijdrage levert aan de wbdbo. Kort gezegd komt het erop neer dat een afstand <strong>van</strong> 10 meter (tussen<br />
opslagvoorziening en erfgrens, een bouwwerk behorend tot de inrichting of andere brandbare objecten)<br />
18
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
overeenkomt met een wbdbo <strong>van</strong> 60 minuten. Een afstand <strong>van</strong> 5 meter komt overeen met een wbdbo <strong>van</strong><br />
30 minuten. Dit geldt uitsluitend voor zover er binnen die afstand geen brand<strong>gevaarlijke</strong> goederen<br />
aanwezig zijn en geen brand<strong>gevaarlijke</strong> activiteiten plaatsvinden. Meer uitleg hierover is te vinden in<br />
paragraaf 3.2 <strong>van</strong> PGS 15.<br />
De wbdbo is samengesteld uit drie deelaspecten: vlamdichtheid, stabiliteit en thermische isolatie. NEN<br />
6069 geeft voor elk <strong>van</strong> deze aspecten de criteria aan, welke overeenkomen met een bepaalde wbdbo.<br />
Met de volgende afbeeldingen zijn deze aspecten verder toegelicht.<br />
vlamdichtheid stabiliteit thermische isolatie<br />
De beoordeling <strong>van</strong> de wbdbo is vaak niet eenvoudig, omdat rele<strong>van</strong>te onderdelen <strong>van</strong> een constructie,<br />
zoals een ventilatiekanaal door een verlaagd plafond, niet altijd zichtbaar zijn. Ondanks dat voor bouwdelen<br />
testverklaringen zijn afgegeven, kan het zijn dat deze onjuist zijn geïnstalleerd en derhalve afbreuk<br />
doen aan de wbdbo. Als vuistregel kan verder worden gehanteerd, dat een opening met een diameter <strong>van</strong><br />
meer dan 25 mm het einde <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> de constructie betekent.<br />
Bij de bouw <strong>van</strong> een opslagvoorziening moet informatie over de brandwerendheid <strong>van</strong> bouwdelen en de<br />
wbdbo bij de bouwaanvraag zijn overlegd. Voor bestaande opslagvoorzieningen is deze informatie echter<br />
niet altijd (meer) beschikbaar. Bij twijfel aan de eigenschappen <strong>van</strong> de gebruikte materialen of constructies<br />
zal een deskundige om advies moeten worden gevraagd. Afhankelijk <strong>van</strong> de situatie zal deze actie door<br />
het bedrijf of het bevoegd gezag moeten worden ondernomen.<br />
<strong>Opslag</strong>voorzieningen welke elders zijn gebouwd en in hun geheel zijn geplaatst, zoals brandveiligheidsopslagkasten,<br />
inloopkluizen of andere brandwerende opslagvoorzieningen zijn eenvoudiger op dit aspect<br />
te beoordelen. Voor dergelijke voorzieningen wordt veelal door de fabrikant een verklaring afgegeven<br />
met betrekking tot de eigenschappen.<br />
3.3.2 Ventilatie <strong>van</strong> opslagvoorzieningen<br />
PGS 15 stelt in voorschrift 3.7.1 dat een opslagvoorziening doelmatig moet zijn geventileerd, hetzij<br />
natuurlijk, hetzij mechanisch. Doel <strong>van</strong> ventilatie is het voorkomen <strong>van</strong> explosieve mengsels, stank en<br />
giftige dampen. Het is overigens niet altijd noodzakelijk om een opslagvoorziening te ventileren. Uit de<br />
risico inventarisatie & evaluatie of een advies <strong>van</strong> de brandweer kan blijken dat ventilatie niet nodig is.<br />
Het kan in dat geval <strong>van</strong>uit het oogpunt <strong>van</strong> energiebesparing of het beperken <strong>van</strong> een verhoogd risico in<br />
geval <strong>van</strong> een calamiteit buiten de opslagvoorziening, voorkeur verdienen <strong>van</strong> ventilatie af te zien.<br />
De ventilatie-eisen voor brandveiligheidsopslagkasten zijn opgenomen in de norm NEN‐EN 14470‐1 en<br />
NEN‐EN 14470‐2. Van belang is, dat wanneer aan een opslagvoorziening eisen ten aanzien <strong>van</strong> de wbdbo<br />
zijn gesteld, de ventilatie zodanig is uitgevoerd dat de wbdbo blijft behouden. Dit stelt eisen aan het<br />
ventilatiekanaal en de doorvoeren. Om te waarborgen dat noodzakelijke openingen en doorvoeren door<br />
constructiedelen <strong>van</strong> een opslagvoorziening geen afbreuk doen aan de brandwerendheid moet gebruik<br />
worden gemaakt <strong>van</strong> speciale manchetten, afsluitroosters en vulmaterialen. Daarnaast moeten ventilatieopeningen<br />
zijn afgedicht met vlamkerende roosters. Ventilatievoorzieningen kunnen ook zijn uitgerust<br />
met een voorziening welke het rooster vult met een brandwerend materiaal op het moment dat een<br />
bepaalde temperatuur wordt overschreden.<br />
3.3.3 Bodembescherming<br />
PGS 15 volgt voor wat betreft bodembeschermende voorzieningen de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming<br />
(NRB). De eisen zijn vastgelegd in paragraaf 3.3 <strong>van</strong> PGS 15. Het totaal aan voorzieningen<br />
en maatregelen moet leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico. Dit betekent dat in een opslagvoorziening<br />
en een overslag- of laad- en losgedeelte één <strong>van</strong> de volgende twee situaties moet zijn gerealiseerd:<br />
− de vloer moet vloeistofdicht zijn uitgevoerd en er moet een geldige PBV verklaring vloeistofdichte<br />
voorziening zijn afgegeven;<br />
− de vloer moet vloeistofkerend zijn uitgevoerd, waarbij toezicht en incidentenmanagement operationeel<br />
is en voldoet aan de eisen <strong>van</strong> de NRB.<br />
19
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
3.4 <strong>Opslag</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 8 VG II en III<br />
Stoffen die zijn ingedeeld in ADR klasse 8, VG II en III zijn bijtend of corrosief en hebben in het geval <strong>van</strong><br />
brand minder vergaande gevolgen voor de omgeving <strong>van</strong> het bedrijf dan wanneer bijvoorbeeld brandbare<br />
of giftige <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen. Als in een opslagvoorziening uitsluitend klasse 8, VG II en III<br />
(zonder bijkomend gevaar) aanwezig zijn, is een aantal bepalingen uit hoofdstuk 3 <strong>van</strong> PGS 15 niet <strong>van</strong><br />
toepassing.<br />
Voorschrift Aard opslagvoorziening Niet <strong>van</strong> toepassing voor<br />
klasse 8, VG II en III:<br />
3.2.1.1<br />
3.2.2.1<br />
inpandig<br />
uitpandig<br />
De eisen ten aanzien <strong>van</strong> de<br />
weerstand tegen branddoorslag<br />
en brandoverslag.<br />
3.2.1.2 inpandig De eis dat maximaal 2.500 kg<br />
in een inpandige opslagvoorzienig<br />
mag zijn opgeslagen.<br />
3.2.1.4 inpandig op verdieping De eis dat bij een opslagvoorziening<br />
voor meer dan 250<br />
kg de opslagvoorziening niet<br />
op verdieping mag zijn<br />
gelegen.<br />
3.2.1.5 inpandig op verdieping Het maximale aantal<br />
opslagvoorzieningen per<br />
oppervlak op een verdieping.<br />
Voor opslag <strong>van</strong> uitsluitend<br />
klasse 8, VG II en III geldt:<br />
Op grond <strong>van</strong> PGS 15 geen<br />
eis aan de wbdbo.<br />
Een maximale hoeveelheid<br />
<strong>van</strong> 10.000 kg.<br />
De opslag <strong>van</strong> meer dan<br />
> 250 kg op een verdieping<br />
is toegestaan.<br />
Onbeperkt aantal opslagvoorzieningen<br />
op verdieping<br />
toegestaan, tot een maximale<br />
opslaghoeveelheid <strong>van</strong> in<br />
totaal 10.000 kg.<br />
3.5 Brandveiligheidsopslagkasten<br />
Wanneer <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een brandveiligheidsopslagkast worden bewaard die na 1 januari<br />
2006 in gebruik is genomen moet deze kast voldoen aan NEN-EN-14470-1. Een kast die voor die datum in<br />
gebruik is genomen moet voldoen aan NEN 2678. De belangrijkste verschillen tussen deze normen zijn:<br />
− De productop<strong>van</strong>gcapaciteit wordt in de nieuwe norm op een andere manier berekend.<br />
− De nieuwe norm maakt onderscheid in veiligheidsklassen, gebaseerd op de brandwerendheid in<br />
minuten: type 15, 30, 60 en 90. Type 15 is ongeschikt voor opslag conform PGS 15.<br />
Bijlage 4 <strong>van</strong> PGS 15 geeft een overzicht <strong>van</strong> de kenmerken <strong>van</strong> de verschillende brandveiligheidsopslagkasten.<br />
Voor een uitleg <strong>van</strong> het verschil tussen wbdbo en brandwerendheid zie paragraaf 3.3.1 <strong>van</strong> deze<br />
Handleiding.<br />
PGS 15 stelt in voorschrift 3.2.1.1, dat opslagvoorzieningen een wbdbo moeten bezitten <strong>van</strong> ten minste<br />
60 minuten. Omdat een brandveiligheidsopslagkast valt onder de definitie <strong>van</strong> opslagvoorziening in<br />
PGS 15, zouden deze altijd <strong>van</strong> het type 60 of 90 moeten zijn. Deze typeaanduiding geeft de brandwerendheid<br />
in minuten aan. Voorschrift 3.10.1 en Bijlage 4 <strong>van</strong> PGS 15 geven aan, dat type 30 ook is<br />
toegestaan. Voor deze kasten gelden echter bepalingen, welke de soepelere eis voor de brandwerendheid<br />
rechtvaardigen:<br />
− maximaal 150 liter <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong>;<br />
− maximaal 1 per 50 m ² ;<br />
− maximaal twee per ruimte of brandcompartiment.<br />
Voordat tot de aanschaf <strong>van</strong> een brandveiligheidsopslagkast wordt overgegaan, is <strong>van</strong> belang vast te<br />
stellen wat de wensen en eisen zijn aan de opslagvoorziening. Welke <strong>stoffen</strong> zullen worden opgeslagen en<br />
in welke hoeveelheid? Als spuitbussen in de kast zullen worden opgeslagen, dan is minimaal een type 60<br />
kast vereist. Als voor de te bewaren <strong>stoffen</strong> <strong>stoffen</strong>scheiding noodzakelijk is, moet de kast met praktische<br />
voorzieningen (lekbakken) zijn uitgerust. Wanneer meerdere kasten nodig zijn, wordt het maximale aantal<br />
per oppervlak bepaald door de vraag of de brandveiligheidsopslagkast op een verdieping wordt geplaatst<br />
en of sprake is <strong>van</strong> een brandcompartiment. Wordt meer dan 150 liter opgeslagen, dan geldt ook dat<br />
minimaal een type 60 kast nodig is. Verder is nog belangrijk dat de kast moet kunnen worden aangesloten<br />
op een ventilatiesysteem dat geschikt is voor een brandveiligheidsopslagkast.<br />
20
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
3.6 Tijdelijke opslag in overslag- of laad- en losgedeelte<br />
3.6.1 <strong>Opslag</strong> ten behoeve <strong>van</strong> derden tot 48 uur<br />
PGS 15 bevat in voorschrift 3.1.6 een aantal bepalingen die <strong>van</strong> toepassing zijn op <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> welke korter dan 48 uur in een inrichting verblijven. Hiermee is aansluiting gezocht bij het voormalige<br />
Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, waar<strong>van</strong> de eisen nu zijn opgenomen in het<br />
Activiteitenbesluit. Kern <strong>van</strong> de bepalingen is, dat opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> welke tijdelijk<br />
in een inrichting aanwezig zijn ten behoeve <strong>van</strong> transport naar derden, mag plaatsvinden in een speciaal<br />
daarvoor gemarkeerd gedeelte, mits aan een aantal specifieke voorwaarden wordt voldaan. In de volgende<br />
figuur zijn de eisen aan een dergelijke opslag schematisch weergegeven.<br />
A A A<br />
> 2 meter<br />
> 2 meter<br />
BC<br />
BC = Brandcompartiment<br />
SORB = Absorptiemiddel<br />
SORB<br />
geadresseerd aan derden<br />
< 10.000 kg<br />
niet: VG I en klasse 1, 6.2<br />
(m.u.v. I3, I4) en 7<br />
Wanneer de locatie voor tijdelijke opslag in de buitenlucht is gesitueerd, moeten <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
daar<strong>van</strong> na afloop <strong>van</strong> de werkdag zijn verwijderd.<br />
3.6.2 Overslag ten behoeve <strong>van</strong> derden langer dan 48 uur<br />
Het Activiteitenbesluit bevat een bepaling ten aanzien <strong>van</strong> de tijdelijke opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> welke langer dan 48 uur in de inrichting aanwezig zijn, maar welke aan derden zijn geadresseerd.<br />
Dit is een aanvulling op voorschrift 3.1.6 <strong>van</strong> PGS 15. Kern <strong>van</strong> het voorschrift is dat deze <strong>stoffen</strong> worden<br />
neergezet in een gedeelte dat aan drie zijden is omgeven door wanden <strong>van</strong> ten minste 3 meter hoog met<br />
een wbdbo <strong>van</strong> ten minste 60 minuten. Daarnaast geldt onder meer, dat:<br />
− opslag niet plaatsvindt binnen 50 centimeter <strong>van</strong> de open zijde;<br />
− opslag niet plaatsvindt binnen 50 centimeter <strong>van</strong> de bovenrand <strong>van</strong> de constructie;<br />
− <strong>stoffen</strong> die heftig met elkaar kunnen reageren gescheiden <strong>van</strong> elkaar moeten worden opgeslagen;<br />
− maximaal 2.000 kg brandbare vloei<strong>stoffen</strong> in dit deel aanwezig mogen zijn.<br />
3.7 Aftap- en overtapwerkzaamheden<br />
PGS 15 bepaalt in voorschrift 3.1.4 dat in een opslagvoorziening geen aftap- of overtapwerkzaamheden<br />
mogen worden uitgevoerd, tenzij sprake is <strong>van</strong> monstername of ter bestrijding <strong>van</strong> een lekkage of<br />
calamiteit. PGS 15 geeft aan, dat wanneer in een ruimte zowel opslag als aftappen en/of overtappen<br />
plaatsvindt, geen sprake meer is <strong>van</strong> een opslagvoorziening. In de praktijk komt dit voor wanneer gronden<br />
hulp<strong>stoffen</strong> in grotere verpakkingseenheden zoals IBC-containers of drums worden ingekocht, en waar<br />
de benodigde werkvoorraad uit wordt afgetapt. Dit kan leiden tot verhoogde risico's ten opzichte <strong>van</strong> de<br />
situatie waar PGS 15 zich op richt. Dit vraagt een afzonderlijke maatwerk beoordeling <strong>van</strong> de maatregelen<br />
en voorzieningen die nodig zijn om een veilige situatie te waarborgen. De voorschriften kunnen voor een<br />
deel wel worden ontleend aan PGS 15, maar in veel gevallen zullen aanvullende voorschriften nodig zijn,<br />
bijvoorbeeld op het gebied <strong>van</strong> verhoogd brandgevaar en het omgaan met lekkages en morsingen. Het<br />
Activiteitenbesluit geeft eveneens de mogelijkheid om voor dergelijke situaties maatwerkvoorschriften<br />
op te stellen.<br />
3.8 Werkvoorraad<br />
Verpakte <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> welke als werkvoorraad worden beschouwd hoeven niet te worden bewaard<br />
in opslagvoorzieningen conform PGS 15. Werkvoorraad is echter een rekbaar begrip; de in een bepaalde<br />
situatie benodigde werkvoorraad is afhankelijk <strong>van</strong> de bedrijfsvoering <strong>van</strong> een individueel bedrijf. PGS 15<br />
geeft in voorschrift 3.1.3 enkele aanwijzingen om te beoordelen of een bepaalde opslag als werkvoorraad<br />
kan worden beschouwd. Principe <strong>van</strong> deze bepalingen is, dat een werkvoorraad strikt noodzakelijk moet<br />
zijn en dat de hoeveelheid is afgestemd op de hoeveelheid die in één dag of één productiebatch nodig is.<br />
21
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Voor het vaststellen of een bepaalde opslag als werkvoorraad kan worden beschouwd kunnen de<br />
volgende vuistregels worden gehanteerd:<br />
− een laskar met gasflessen (maximaal 2 per kar) kan als werkvoorraad worden beschouwd;<br />
− een reeks aangebroken verpakkingseenheden met verschillende soorten <strong>stoffen</strong> welke geregeld<br />
worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld verfblikken in een schilderswerkplaats, kan als werkvoorraad<br />
worden beschouwd;<br />
− een oliebar in een garagebedrijf kan als werkvoorraad worden beschouwd;<br />
− één eenheid verpakking die frequent wordt gebruikt maar met een inhoud groter dan de hoeveelheid<br />
welke voor één dag of batch nodig is kan als werkvoorraad worden beschouwd, indien deze situatie<br />
naar oordeel <strong>van</strong> het bevoegd gezag veiliger is dan het regelmatig transporteren <strong>van</strong> kleinere<br />
verpakkingen.<br />
Ondanks dat een werkvoorraad niet in een speciale voorziening hoeft te worden opgeslagen, moet de<br />
opslag <strong>van</strong> de werkvoorraad wel zorgvuldig plaatsvinden. Daarbij geldt onder meer, dat deze zich niet<br />
mag bevinden in een rijroute <strong>van</strong> vorkheftrucks of andere transportmiddelen en in een vluchtroute.<br />
verder moet de verpakking bestand zijn tegen de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Indien de werkvoorraad<br />
bestaat uit een hoeveelheid <strong>van</strong> meer dan 50 liter dan moet de verpakking zijn geplaatst boven een<br />
vloeistofdichte lekbak of een gelijkwaardige voorziening. Hier<strong>van</strong> kan worden afgeweken als (het betreffende<br />
deel <strong>van</strong>) de vloer <strong>van</strong> de betreffende productie/werkruimte ten minste vloeistofkerend is. Dit geldt<br />
niet voor brandbare vloei<strong>stoffen</strong>, daarvoor blijft een lekbak of gelijkwaardige voorziening wenselijk in het<br />
licht <strong>van</strong> beperken <strong>van</strong> het verdampingsoppervlak in geval <strong>van</strong> een lekkage. Afhankelijk <strong>van</strong> de risico's <strong>van</strong><br />
de <strong>stoffen</strong> kunnen aanvullende maatregelen nodig zijn, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot ventilatie<br />
en orde en netheid.<br />
In het vooroverleg over een vergunningaanvraag dan wel in kader <strong>van</strong> het toezicht op de naleving <strong>van</strong> het<br />
Activiteitenbesluit moet eenduidig worden vastgesteld welke <strong>stoffen</strong> in welke hoeveelheden op welke<br />
plaats in het bedrijf worden beschouwd als werkvoorraad. Ook <strong>van</strong>uit de Arbeidsomstandighedenregelgeving<br />
zijn noodzaak, hoeveelheden, maatregelen en plaatsing <strong>van</strong> de werkvoorraad <strong>van</strong> belang.<br />
3.9 Vakbekwaamheid<br />
PGS 15 schrijft in voorschrift 3.17.1 voor, dat wanneer meer dan 2.500 kg <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
worden opgeslagen, tijdens het uitvoeren <strong>van</strong> werkzaamheden met die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> een vakbekwaam<br />
persoon aanwezig moet zijn. Deze persoon moet speciale kennis hebben <strong>van</strong> het omgaan met<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en het bestrijden <strong>van</strong> calamiteiten met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. De vakbekwaamheid moet<br />
blijken uit gevolgde opleidingen of aanwezige certificaten. De risico inventarisatie & evaluatie moet hier<br />
aandacht aan besteden. Met werkzaamheden wordt in dit verband bedoeld werkzaamheden die worden<br />
uitgevoerd ten behoeve <strong>van</strong> de opslag, zoals bijvoorbeeld het in- en uit een opslagvoorziening plaatsen<br />
<strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
3.10 Explosieveiligheid<br />
Voor opslagvoorzieningen gelden de wettelijke eisen ten aanzien <strong>van</strong> explosieveiligheid. Een gevarenzone-indeling<br />
kan hier<strong>van</strong> onderdeel uitmaken. De eisen zijn opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit,<br />
artikel 3.5a t/m 3.5f. Vanwege onduidelijkheden in de noodzaak voor het opstellen <strong>van</strong> een<br />
gevarenzone-indeling voor opslagvoorzieningen, heeft de Arbeidsinspectie in het document "Explosieveiligheid<br />
in PGS 15-opslagen voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>" haar standpunt verwoord ten aanzien <strong>van</strong><br />
het feit of iedere verpakking <strong>van</strong> (zeer)(licht) ontvlambare <strong>stoffen</strong> gezien moet worden als mogelijke bron<br />
<strong>van</strong> explosieve atmosferen (in de terminologie <strong>van</strong> de normen voor gevarenzone-indeling als een secundaire<br />
gevarenbron). Het volledige standpunt <strong>van</strong> de Arbeidsinspectie is ter informatie als bijlage F.4 bij<br />
deze Handleiding opgenomen.<br />
Samengevat komt het standpunt er op neer dat bij het indelen <strong>van</strong> een PGS 15 opslagvoorzieningen in<br />
gevarenzones verpakkingen zonder ontluchtingsventiel die voldoen aan het UN-keur of vallen onder het<br />
LQ-regime niet gezien worden als secundaire gevarenbron. Dit is een verduidelijking <strong>van</strong> de NPR 7910-1<br />
(2001). In het geval <strong>van</strong> een PGS 15 opslag met alleen verpakkingen die voldoen aan de UN-keur, kan dit<br />
leiden tot een indeling in “niet gevaarlijk gebied”. Het belangrijkste gevolg hier<strong>van</strong> is dat tijdens normaal<br />
bedrijf geen explosieveilig materieel gebruikt hoeft te worden (zoals heftrucks).<br />
Deze aanpak is in lijn met de ATEX-regelgeving rond explosieveiligheid uit het Arbobesluit. Het blijft voor<br />
bedrijven echter altijd noodzakelijk om in het kader <strong>van</strong> explosieveiligheid rekening te houden met<br />
calamiteiten, zoals het lek steken <strong>van</strong> een vat met de lepels <strong>van</strong> een heftruck of het vallen <strong>van</strong> een vat uit<br />
een stelling.<br />
22
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
3.11 Documenten en administratie<br />
Op grond <strong>van</strong> PGS 15 gelden voor verschillende opslagvoorzieningen administratieve verplichtingen.<br />
In het algemeen geldt dat documenten beschikbaar moeten zijn voor inzage door het bevoegd gezag<br />
en gedurende een aantal jaren moeten worden bewaard. Hierna een overzicht:<br />
Toepassingsgebied Omschrijving document Doel document Voorschrift<br />
brandveiligheidsopslagkast productcertificaat bewijs dat de kast voldoet<br />
aan NEN-EN 14470-1<br />
brandveiligheidsopslagkast testrapport bewijs dat kast getest is<br />
voor de aangegeven<br />
brandwerendheidsprestatie<br />
opslagvoorzieningen met<br />
een gebruiksoppervlakte<br />
<strong>van</strong> meer dan 1.000 m²<br />
vloeistofdichte vloeren<br />
vloeistofkerende vloer<br />
> 2.500 kg <strong>verpakte</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in opslag<br />
opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>:<br />
− > 10.000 kg<br />
− > 1.000 kg 6.1, VG I<br />
− > 250 liter gasflessen<br />
giftig/bijtend<br />
stellingen<br />
onderzoeksrapport<br />
volgens de "Methode<br />
Beheersbaarheid <strong>van</strong><br />
Brand"<br />
PBV-verklaring<br />
vloeistofdichte<br />
voorziening<br />
procedure incidentenmanagement<br />
journaal<br />
intern noodplan<br />
verklaring <strong>van</strong> toegestaan<br />
gebruik<br />
aantonen dat gelijkwaardig<br />
veiligheidsniveau is bereikt<br />
bewijs dat bodembeschermende<br />
voorziening<br />
vloeistofdicht is<br />
bevat organisatorische<br />
maatregelen ter voorkoming<br />
en bestrijding <strong>van</strong> bodemverontreiniging<br />
inzicht in aard en hoeveelheid<br />
aanwezige <strong>verpakte</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> op enig<br />
moment<br />
bevat organisatorische en<br />
technische maatregelen ter<br />
bestrijding <strong>van</strong> een ongeval<br />
of incident<br />
bewijs dat stellingen<br />
geschikt zijn voor het doel<br />
waarvoor ze worden<br />
gebruikt<br />
stellingen registratie jaarlijkse inspectie bewijs dat stellingen jaarlijks<br />
worden gecontroleerd<br />
opslag containers handboek gebundeld overzicht <strong>van</strong><br />
vergunningen, werkinstructies,<br />
procedures<br />
opslag containers<br />
rapportage meting<br />
brandkranen<br />
bewijs voor vereiste<br />
waterdruk en wateropbrengst<br />
brandbeveiligingsinstallatie Programma <strong>van</strong> Eisen vaststellen uitgangspunten<br />
brandbeveiligingsinstallatie<br />
brandbeveiligingsinstallatie<br />
brandbeveiligingsinstallatie<br />
Basisdocument Brandbeveiliging<br />
certificaat/goedkeurend<br />
inspectierapport voor<br />
ingebruikneming<br />
vaststellen uitgangspunten<br />
brandbeveiligingsinstallatie<br />
bewijs dat brandbeveiligingsinstallatie<br />
in orde is<br />
brandbeveiligingsinstallatie rapport jaarlijkse inspectie bewijs dat brandbeveiligingsinstallatie<br />
in orde is<br />
3.10.2<br />
3.10.2<br />
4.4.2<br />
§ 3.2<br />
3.3.1<br />
3.3.3<br />
3.18.1<br />
3.19.1<br />
3.4.1<br />
3.4.4<br />
5.2.3<br />
5.3.4<br />
4.8.2.1<br />
4.8.2.1<br />
4.8.2.2<br />
4.8.2.3<br />
23
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
4 <strong>Opslag</strong> groter dan 10.000 kg of bij zeer giftige <strong>stoffen</strong> groter<br />
dan 1.000 kg<br />
4.1 Inleiding<br />
Hoofdstuk 4 <strong>van</strong> PGS 15 geeft aanvullende eisen voor opslagvoorzieningen waarin meer dan 10.000 kg<br />
<strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong> wordt opgeslagen, dan wel meer dan 1.000 kg zeer giftige<br />
<strong>stoffen</strong> in verpakking (ADR klasse 6.1, VG I of klasse 8, VG I met bijkomend gevaar 6.1). Voor meerdere<br />
opslagvoorzieningen binnen een inrichting met elk minder dan de hiervoor genoemde ondergrenzen<br />
gelden de eisen uit hoofdstuk 3 <strong>van</strong> PGS 15 voor elke opslagvoorziening. Hoofdstuk 4 voegt voor de<br />
opslagvoorzieningen ten opzichte <strong>van</strong> de algemene eisen <strong>van</strong> hoofdstuk 3 de volgende aspecten toe:<br />
− bereikbaarheid;<br />
− gebruik <strong>van</strong> opslagvakken;<br />
− vereiste beschermingsniveaus;<br />
− bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen;<br />
− brandbeveiligingsinstallaties.<br />
In de volgende paragrafen worden de belangrijkste aspecten toegelicht.<br />
Op deze opslagvoorzieningen is hoofdstuk 4 <strong>van</strong> het Activiteitenbesluit niet <strong>van</strong> toepassing, zodat in<br />
alle gevallen een milieuvergunning nodig is met voorschriften die een nadere uitwerking zijn <strong>van</strong> de<br />
voorschriften uit PGS 15. Bij die uitwerking moet aandacht worden besteed aan de aard en hoeveelheid<br />
<strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>, het op basis daar<strong>van</strong> vastgestelde noodzakelijke beschermingsniveau, de<br />
bijbehorende minimale productop<strong>van</strong>g- en bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit en de eisen aan een eventuele<br />
brandbeveiligingsinstallatie. Paragraaf 4.5 <strong>van</strong> deze Handleiding gaat in op de systematiek voor het<br />
bepalen <strong>van</strong> de voorzieningen.<br />
PGS 14: Handboek brandbestrijdingssystemen ("supplement PGS 15")<br />
PGS 14 "Handboek brandbestrijdingssystemen" is een supplement op PGS 15 en heeft als doel de<br />
kenmerken <strong>van</strong> de verschillende brandbestrijdingssystemen zoals opgenomen in Bijlage 5 <strong>van</strong><br />
PGS 15 toegankelijker en beter hanteerbaar te maken. Het Handboek geeft achtergrondinformatie<br />
over aspecten <strong>van</strong> branddetectie en brandbestrijding, bijvoorbeeld in relatie tot vereiste beschermingsniveaus.<br />
Daarnaast bevat het voorbeelden <strong>van</strong> de toepassing <strong>van</strong> PGS 15, onder meer voor de<br />
berekening <strong>van</strong> bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit. PGS 14 moet naast PGS 15 worden gebruikt.<br />
Het Handboek brandbestrijdingssystemen is echter nog geënt op de CPR 15-reeks, reden waarom<br />
op termijn een geactualiseerde versie zal worden gepubliceerd.<br />
4.2 <strong>Opslag</strong> in vakken<br />
In opslagvoorzieningen voor > 10.000 kg moeten <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong> worden<br />
opgeslagen in vakken. Vakken worden <strong>van</strong> elkaar gescheiden door een afstand <strong>van</strong> 3,5 meter dan wel<br />
door een fysieke scheidingsconstructie. Een vak is nooit groter dan 300 m 2 , waarbij voor bepaalde situaties<br />
(beschermingsniveau 2) kleinere oppervlakten gelden. Verder geldt bij opslag <strong>van</strong> klasse 3 of vloei<strong>stoffen</strong><br />
met een vlampunt tussen de 60°C en 100°C in een niet-metalen verpakking, dat voorkomen moet worden<br />
dat lekvloeistof en bluswater naar een ander vak kunnen stromen. Indien vakscheiding is gerealiseerd<br />
door het aanbrengen <strong>van</strong> een scheidingsconstructie, gelden hiervoor de volgende eisen:<br />
− vak is aan drie zijden omgeven door een constructie met wbdbo <strong>van</strong> ten minste 30 minuten;<br />
− opslag vindt niet plaats niet binnen 50 cm <strong>van</strong> de open zijde;<br />
− opslag niet dichter dan 50 cm <strong>van</strong> bovenzijde constructie.<br />
Deze eisen aan opslagvakken zijn grafisch weergegeven in paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze Handleiding, waarin de<br />
<strong>stoffen</strong>scheidings-regels worden toegelicht.<br />
<strong>Opslag</strong> in vakken is naast een algemene eis voor opslagvoorzieningen waarop hoofdstuk 4 <strong>van</strong> toepassing<br />
is ook rele<strong>van</strong>t voor de volgende situaties:<br />
− scheiding <strong>van</strong> onverenigbare combinaties (Bijlage 3 <strong>van</strong> PGS 15, paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze Handleiding)<br />
− scheiding <strong>van</strong> klasse 4.x <strong>van</strong> andere ontvlambare <strong>stoffen</strong>;<br />
− opslag <strong>van</strong> klasse 5.2 in opslagvoorzieningen voor meer <strong>van</strong> > 10.000 kg;<br />
− opstelling vorkheftruck die niet explosieveilig is (toelichting voorschrift 3.13.4 <strong>van</strong> PGS 15)<br />
− vaststellen beschermingniveau bij opslag niet ADR-geclassificeerde <strong>stoffen</strong> in dezelfde opslagvoorziening<br />
(voorschrift 4.5.1 <strong>van</strong> PGS 15);<br />
− wijze <strong>van</strong> vakscheiding bepaalt veiligheidsfactor bij berekening bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
(voorschrift 4.6.1 en 4.6.2 <strong>van</strong> PGS 15);<br />
− vakgrootte bepaalt maximale oppervlak opslagvoorziening bij beschermingsniveau 2<br />
(voorschrift 4.8.1.2 <strong>van</strong> PGS 15).<br />
24
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
4.3 Beschermingsniveaus<br />
Voor het realiseren <strong>van</strong> een veilige opslag bij hoeveelheden > 10.000 kg (of meer dan 1.000 kg zeer giftige<br />
<strong>stoffen</strong>) zijn drie beschermingsniveaus gedefinieerd.<br />
− Beschermingsniveau 3 heeft als uitgangspunt dat de kans op brand gering is; de eisen zijn preventief.<br />
− Beschermingsniveau 2 gaat uit <strong>van</strong> een snelle detectie <strong>van</strong> een brand en vervolgens een snelle<br />
beheersing en blussing door een goed voorbereide blusactie <strong>van</strong> ofwel de bedrijfsbrandweer ofwel<br />
de overheidsbrandweer.<br />
− Bij beschermingsniveau 1 staat een snelle detectie en kort daarop het inzetten <strong>van</strong> een (semi‐)<br />
automatische blusactie centraal.<br />
De preventieve eisen voor beschermingniveau 3 zijn ook <strong>van</strong> toepassing op beschermingsniveau 1 en 2.<br />
Hierna zijn de belangrijkste kenmerken <strong>van</strong> de drie beschermingsniveaus weergegeven:<br />
beschermingsniveau 3<br />
(preventieve eisen)<br />
preventieve eisen:<br />
bereikbaarheid<br />
vakkenscheiding<br />
maximum oppervlak<br />
productop<strong>van</strong>g<br />
beschermingsniveau 1<br />
(doelmatige detectie en kort daarop<br />
(semi-) automatisch blussen)<br />
beschermingsniveau 2<br />
(beheersing en blussing door goed<br />
voorbereide blusactie)<br />
bluswaterop<strong>van</strong>g afhankelijk <strong>van</strong><br />
aard brandbeveiligingsinstallatie;<br />
vakkenscheiding;<br />
aard <strong>stoffen</strong>.<br />
bluswaterop<strong>van</strong>g afhankelijk <strong>van</strong><br />
inzettijd brandweer;<br />
vakkenscheiding;<br />
aard <strong>stoffen</strong>.<br />
brandbeveiligingsinstallatie:<br />
bedrijfsgereed;<br />
geschikt voor opgeslagen <strong>stoffen</strong>;<br />
overeenkomstig Bijlage 5;<br />
PvE/BdB goedgekeurd door bevoegd gezag;<br />
gecertificeerd en jaarlijks geïnspecteerd.<br />
brandbeveiligingsinstallatie (voorschrift 4.8.1.2):<br />
bedrijfsgereed;<br />
snelle detectie;<br />
bedrijfsbrandweer dan wel inzettijd < 15 min;<br />
rookwarmteafvoer voorziening;<br />
voorraad schuimvormend middel;<br />
maximale oppervlakte.<br />
Voor het vaststellen <strong>van</strong> het noodzakelijke beschermingsniveau zijn Tabel 4 en 5 uit hoofdstuk 4 <strong>van</strong><br />
PGS 15 <strong>van</strong> belang. Tabel 5 bevat de grenswaarden, waaronder niet met een bepaalde stof rekening hoeft<br />
te worden gehouden. Uit Tabel 4 kan aan de hand <strong>van</strong> de gevarenklasse, de brandbaarheid/vlampunt en<br />
het verpakkingsmateriaal het beschermingsniveau worden afgeleid.<br />
25
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Om na te gaan wat het noodzakelijke beschermingsniveau is voor een opslagvoorziening kunnen de<br />
volgende stappen worden doorlopen.<br />
Stap 1:<br />
Stap 2:<br />
Stap 3:<br />
Maak een overzicht <strong>van</strong> aanwezige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> per klasse en verpakking (metaal of nietmetaal).<br />
Brandbare vloei<strong>stoffen</strong> moeten nog verder worden onderverdeeld naar vlampunt (vlampunt<br />
≤ 60°C, > 60°C en ≤ 100 °C, > 100 °C) 7 . Houdt hierbij ook rekening met bijkomende gevaren.<br />
Ga na of de hoeveelheid <strong>van</strong> een bepaalde klasse de in Tabel 5 <strong>van</strong> PGS 15 genoemde<br />
grenswaarde overschrijdt. Deze grenswaarden lopen op <strong>van</strong> 400 kg (klasse 3), via 1.000 kg<br />
(brandbare vloei<strong>stoffen</strong> met vlampunt tussen 60°C en 100°C) tot 2.500 kg (alle overige klassen).<br />
Daarbij moeten ook de volgende totale hoeveelheden worden getoetst aan de grenswaarde<br />
<strong>van</strong> 2.500 kg:<br />
− totale hoeveelheid brandbare <strong>stoffen</strong> (vast + vloeibaar);<br />
− totale hoeveelheid klasse 6.1, 8, 9 en CMR-<strong>stoffen</strong>;<br />
− totale hoeveelheid <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in niet-metalen verpakking.<br />
Laat <strong>stoffen</strong> onder de grenswaarden buiten beschouwing voor het bepalen <strong>van</strong> het<br />
beschermingsniveau.<br />
Bepaal met behulp <strong>van</strong> de resultaten <strong>van</strong> stap 1 en 2 aan de hand <strong>van</strong> het volgende schema het<br />
noodzakelijke beschermingsniveau.<br />
Bij opslag overeenkomstig hoofdstuk 4 altijd minimaal beschermingsniveau 3<br />
Indien opslag overeenkomstig hoofdstuk 4 moet plaatsvinden, geldt in alle gevallen dat ten minste<br />
beschermingsniveau 3 moet zijn gerealiseerd, ook wanneer de totale hoeveelheid <strong>stoffen</strong> kleiner is dan<br />
de grenswaarde voor het vaststellen <strong>van</strong> het beschermingsniveau. Dit kan het geval zijn bij opslag <strong>van</strong><br />
klasse 6.1 VG I, die aan hoofdstuk 4 moet voldoen wanneer meer dan 1.000 kg aanwezig is. De<br />
grenswaarde voor het vaststellen <strong>van</strong> het beschermingsniveau is voor deze klasse echter 2.500 kg.<br />
VP < 60 °C ?<br />
nee<br />
ja<br />
klasse 6.1 of<br />
CMR-<strong>stoffen</strong>?<br />
nee<br />
ja<br />
1<br />
klasse 3 VG II of III<br />
of klasse 8 en < 100 ton<br />
ja<br />
2<br />
maatwerk*<br />
nee<br />
1<br />
VP > 60 °C en<br />
< 100 °C ?<br />
ja<br />
klasse 6.1/6.2/9 of<br />
CMR-<strong>stoffen</strong>?<br />
ja<br />
niet-metalen<br />
verpakking?<br />
ja<br />
nee<br />
nee<br />
nee<br />
2<br />
VP > 100 °C ?<br />
ja<br />
niet-metalen<br />
verpakking?<br />
ja<br />
nee<br />
nee<br />
3<br />
brandbare vaste<br />
stof?<br />
ja<br />
klasse 6.1 of<br />
CMR-<strong>stoffen</strong>?<br />
ja<br />
ja<br />
niet-metalen<br />
verpakking? 2<br />
nee<br />
nee<br />
nee<br />
3<br />
* Klasse 2 als maatwerkoplossing is alleen mogelijk na beoordeling door bevoegd gezag en brandweer.<br />
7 In PGS 15 staat nog de 'oude' ADR-grens <strong>van</strong> 61°C.<br />
26
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
4.4 Product- en bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen<br />
4.4.1 Inleiding<br />
De noodzakelijke product- en bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen zijn afhankelijk <strong>van</strong> het te realiseren<br />
beschermingsniveau, de aard <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>, de vakindeling en de eventueel aanwezige<br />
brandbeveiligingsinstallatie. Voor het vaststellen <strong>van</strong> de totale op<strong>van</strong>gcapaciteit moeten de noodzakelijke<br />
op<strong>van</strong>gcapaciteiten voor product en bluswater bij elkaar worden opgeteld.<br />
4.4.2 Productop<strong>van</strong>g<br />
Tabel 6 <strong>van</strong> paragraaf 4.7 <strong>van</strong> PGS 15 geeft aan hoe de productop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden berekend.<br />
Deze is afhankelijk <strong>van</strong> het beschermingsniveau en het vlampunt <strong>van</strong> de aanwezige <strong>stoffen</strong>. Achterliggende<br />
gedachte hierbij is, dat:<br />
− de op<strong>van</strong>gcapaciteit groter moet zijn naarmate verwacht wordt dat een brand langere tijd voortduurt<br />
(beschermingsniveau 2 ten opzichte <strong>van</strong> beschermingsniveau 3);<br />
− de op<strong>van</strong>gcapaciteit groter moet zijn wanneer <strong>stoffen</strong> met een lager vlampunt worden opgeslagen;<br />
− de op<strong>van</strong>gcapaciteit kleiner kan zijn wanneer uitsluitend metalen verpakkingen worden opgeslagen.<br />
Voor een opslagvoorziening met beschermingsniveau 3 is uitsluitend productop<strong>van</strong>g noodzakelijk. De<br />
capaciteit <strong>van</strong> de productop<strong>van</strong>gvoorziening bedraagt in dat geval ten minste 10% <strong>van</strong> de in het grootste<br />
vak aanwezige vloei<strong>stoffen</strong>.<br />
4.4.3 Bluswaterop<strong>van</strong>g<br />
De eisen aan de noodzakelijke bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen zijn beschreven in paragraaf 4.6 <strong>van</strong><br />
PGS 15 en in Bijlage 5 <strong>van</strong> PGS 15, waarin de kenmerken en parameters <strong>van</strong> diverse brandbeveiligingsinstallaties<br />
zijn opgenomen. De noodzakelijke capaciteit is afhankelijk <strong>van</strong>:<br />
− het beschermingsniveau;<br />
− de aard <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>;<br />
− de vakindeling;<br />
− de aanrijdtijd <strong>van</strong> de brandweer;<br />
− de logistieke uitvoering indien bij meerdere opslagvoorzieningen gebruik wordt gemaakt <strong>van</strong> een<br />
gecombineerde bluswaterop<strong>van</strong>g.<br />
Bij de bepaling <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>g wordt uitgegaan <strong>van</strong> een nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit, welke<br />
wordt gecorrigeerd om te komen tot de werkelijke op<strong>van</strong>gcapaciteit. De berekening is als volgt:<br />
1. Berekening nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
Het principe achter de berekening is het vermenigvuldigen <strong>van</strong> de blustijd met de sproeidichtheid en het<br />
te blussen oppervlak. Afhankelijk <strong>van</strong> de vakindeling geldt vervolgens nog een veiligheidsfactor met oog<br />
op brandoverslag. Wordt een vak aan alle zijden omgeven door wanden en deuren dan is deze factor 1.<br />
Is dit drie zijden, dan geldt een factor <strong>van</strong> 2 en wanneer een vak aan twee of meer zijden is gelegen aan<br />
een gangpad dat is de factor 3. Dit is beschreven in de inleiding <strong>van</strong> Bijlage 5 <strong>van</strong> PGS 15.<br />
Voor beschermingsniveau 1 zijn de blustijd en sproeidichtheid afhankelijk <strong>van</strong> het toegepaste brandbestrijdingssysteem.<br />
Bijlage 5 <strong>van</strong> PGS 15 geeft de parameters waarmee de nominale capaciteit kan worden berekend.<br />
Voor beschermingsniveau 2 hangt de nominale bluscapaciteit af <strong>van</strong> de inzettijd <strong>van</strong> de overheidsbrandweer<br />
of bedrijfsbrandweer. Is deze minder dan 6 minuten, dan bedraagt deze 0,3 m³ per m² vak. Bij een<br />
inzettijd <strong>van</strong> minder dan 15 minuten moet met 0,5 m³ bluswater per m² vak rekening worden gehouden.<br />
Hierbij geldt dat wanneer het mogelijk is dat bluswater en brandend product uit het vak kan stromen (bij<br />
opslag <strong>van</strong> klasse 3 of vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt tussen de 60°C en 100°C in niet-metalen verpakking)<br />
de nominale bluswatercapaciteit moet worden gedimensioneerd op de totale opslagvoorziening.<br />
2. Van nominale tot werkelijke op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
De werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit wordt vervolgens berekend uit de nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit,<br />
vermenigvuldigd met een percentage (zie volgende tabel) dat afhankelijk is <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong><br />
(zie PGS 15 voorschrift 4.6.1 en 4.6.1).<br />
Klasse Beschermingsniveau 1 Beschermingsniveau 2<br />
3 25% 100%<br />
6.1 (incl. bijkomend gevaar) 100% 100%<br />
8 50% 50%<br />
9 100% 100%<br />
CMR-<strong>stoffen</strong> 100% 100%<br />
27
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
VOORBEELD Berekening op<strong>van</strong>gcapaciteit beschermingsniveau 2<br />
In een opslagvoorziening wordt 400.000 liter klasse 8 met een vlampunt <strong>van</strong> > 100°C, in kunststof<br />
verpakkingen opgeslagen. De <strong>stoffen</strong> zijn verdeeld over 4 opslagvakken, elk met een oppervlak <strong>van</strong><br />
60 m². Elk opslagvak is omgeven door gangpaden. De aanrijdtijd <strong>van</strong> de overheidsbrandweer wordt<br />
ingeschat op 10 minuten. De wijze <strong>van</strong> berekenen in opgenomen in voorschrift 4.6.2 en Bijlage 5,<br />
paragraaf 1 <strong>van</strong> PGS 15.<br />
Berekening nominale bluswaterop<strong>van</strong>g: Met een inzettijd <strong>van</strong> > 6 minuten is de op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
0,5 m³ per m² opslagvak (zie voorschrift 4.6.2). Omdat de vakken zijn gelegen aan twee of meer<br />
gangpaden, geldt een veiligheidsfactor (V) <strong>van</strong> 3 (zie Bijlage 5). De totale nominale bluswaterop<strong>van</strong>g<br />
(Bn) wordt als volgt berekend:<br />
B n<br />
= B X O b X V<br />
Bn = nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
B = de opslagcapaciteit per m²<br />
Ob = het oppervlak <strong>van</strong> een opslagvak<br />
V = de veiligheidsfactor (3)<br />
De nominale bluswaterop<strong>van</strong>g is dus 90 m³( 0,5 * 60 * 3) en geldt voor de gehele op<strong>van</strong>gvoorziening.<br />
Berekening werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>g: Bij opslag <strong>van</strong> uitsluitend klasse 8 bedraagt de werkelijke<br />
op<strong>van</strong>gcapaciteit 50% <strong>van</strong> de nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit: 45 m³ (zie PGS 15 voorschrift 4.6.2).<br />
B w<br />
= f i X B n<br />
Bw = werkelijke op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
fi = factor afhankelijk <strong>van</strong> beschermingsniveau en aard <strong>van</strong> de stof<br />
Bn = nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
Berekening productop<strong>van</strong>g: Bij beschermingsniveau 2 en <strong>stoffen</strong> met een vlampunt <strong>van</strong> > 100°C<br />
bedraagt de productop<strong>van</strong>g ten minste 10% <strong>van</strong> de aanwezige vloei<strong>stoffen</strong> in de opslagvoorziening.<br />
Dit betekent 10% <strong>van</strong> 400.000 liter = 40.000 liter = 40 m³ (zie PGS 15 voorschrift 4.7.1).<br />
Berekening totale op<strong>van</strong>gcapaciteit: som <strong>van</strong> de werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit en productop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />
45 m³+ 40 m³ = 85 m³.<br />
4.5 Systematiek bij bepaling voorzieningen<br />
Voor het vaststellen <strong>van</strong> de eisen is een interpretatie <strong>van</strong> de voorschriften en bepalingen <strong>van</strong> hoofdstuk 4 en<br />
Bijlage 5 <strong>van</strong> PGS 15 vereist. Dit vergt een maatwerk aanpak, waarbij de in het vooroverleg over een vergunningaanvraag<br />
dan wel de in een conceptaanvraag verstrekte informatie als uitgangspunt wordt gehanteerd.<br />
Allereerst moet aan de hand <strong>van</strong> de aard en hoeveelheid <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> die worden opgeslagen het<br />
beschermingsniveau (1, 2 of 3) worden vastgesteld. Voor alle opslagvoorzieningen gelden de algemene<br />
bepalingen uit hoofdstuk 4 <strong>van</strong> PGS 15 (bereikbaarheid opslagvoorziening, scheiding tussen de vakken,<br />
maximaal oppervlak vakken en opslagvoorzienig en productop<strong>van</strong>g).<br />
<strong>Opslag</strong>voorzieningen met beschermingsniveau 1 of 2 moeten vervolgens zijn voorzien <strong>van</strong> een brandbeveiligingsinstallatie.<br />
Een dergelijke installatie moet voordat de opslagvoorziening in gebruik wordt<br />
genomen, zijn gecertificeerd. Daarbij spelen het Programma <strong>van</strong> Eisen (PvE) en het Basisdocument<br />
Brandbeveiliging (BdB) een belangrijke rol. Het PvE bevat de uitgangspunten voor ontwerp, aanleg,<br />
onderhoud, beheer en inspecties <strong>van</strong> een brandbeveiligingsinstallatie. Tijdens en na aanleg moet de<br />
brandbeveiligingsinstallatie door een inspectie-instelling worden goedgekeurd. De inspecteur maakt<br />
daarvoor op basis <strong>van</strong> het PvE een BdB, aan de hand waar<strong>van</strong> de inspectie <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallatie<br />
planmatig kan worden uitgevoerd.<br />
28
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Het PvE en het BdB vormen de door het bevoegd gezag goed te keuren uitgangspunten voor de brandbeveiligingsinstallatie.<br />
Deze documenten moeten onderdeel uitmaken <strong>van</strong> de vergunningaanvraag en<br />
worden beoordeeld aan de hand <strong>van</strong> daarin opgenomen informatie over aard en hoeveelheid <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong>. Geen <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallaties is geschikt voor alle categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Dit is in de betreffende ontwerpnorm voor de installatie vastgelegd. Het PvE en BdB moet daarom<br />
informatie bevatten over de geschiktheid <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallatie in relatie tot de opgeslagen<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
In het gehele proces <strong>van</strong> ontwerp, vergunningverlening en aanleg <strong>van</strong> de installatie worden de volgende<br />
stappen doorlopen:<br />
1. Het bedrijf stelt een PvE op, waarin de uitgangspunten voor het ontwerp <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallatie<br />
zijn vastgelegd.<br />
2. Het bedrijf overlegt met het bevoegd gezag, aan de hand <strong>van</strong> het PvE en een concept vergunningaanvraag.<br />
3. Het PvE wordt voorgelegd aan een onafhankelijke inspectie-instelling, welke op basis daar<strong>van</strong> een<br />
BdB opstelt.<br />
4. Het PvE wordt, samen met het BdB, ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.<br />
5. Na goedkeuring wordt de vergunningaanvraag definitief ingediend.<br />
6. Vergunningprocedure; in de vergunning worden op basis <strong>van</strong> het PvE, het BdB en PGS 15 maatwerk<br />
voorschriften opgenomen.<br />
7. De opslagvoorziening wordt gebouwd en de brandbeveiligingsinstallatie wordt aangelegd; inspecties<br />
tijdens aanleg en certificering na realisatie.<br />
8. Ingebruikneming opslagvoorziening.<br />
9. Periodieke inspectie brandbeveiligingsinstallatie.<br />
Bij de beoordeling <strong>van</strong> het PvE door de vergunningverlener moet ten minste aandacht worden besteed<br />
aan de volgende aspecten:<br />
− Is de voorgestelde brandbeveiligingsinstallatie geschikt voor het vereiste beschermingsniveau en<br />
de opgeslagen <strong>stoffen</strong>?<br />
− Is de voorgestelde opslagconfiguratie in overeenstemming met de eisen ten aanzien <strong>van</strong><br />
compartimentering en <strong>stoffen</strong>scheiding?<br />
− Is de voorgestelde product- en bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit op de juiste manier berekend?<br />
Op basis <strong>van</strong> het goedgekeurde PvE en BdB kunnen de voorschriften voor de vergunning worden<br />
opgesteld. Van belang hierbij is dat deze zijn toegesneden op de feitelijke situatie. In de voorschriften<br />
moeten in ieder geval de volgende aspecten worden vastgelegd:<br />
− aard en hoeveelheid <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>;<br />
− vereiste beschermingsniveau;<br />
− capaciteit product- en bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen;<br />
− type brandbeveiligingsinstallatie, inclusief systeem <strong>van</strong> brandmelding;<br />
− eisen ten aanzien <strong>van</strong> certificering brandbeveiligingsinstallatie en periodieke inspecties daar<strong>van</strong>.<br />
In de considerans <strong>van</strong> de vergunning moeten alle overwegingen die bij het vaststellen <strong>van</strong> de voorschriften<br />
zijn gemaakt, zijn toegelicht. Het gaat dan bijvoorbeeld om de uitgangspunten voor het vaststellen<br />
<strong>van</strong> het beschermingsniveau of om de berekening <strong>van</strong> de noodzakelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />
Met andere woorden<br />
Verwijs in een vergunning niet rechtstreeks naar PGS 15, het PvE en het BdB, maar neem voorschriften<br />
op die zijn toegespitst op de feitelijke situatie en leg uit hoe deze voorschriften tot stand zijn gekomen.<br />
Bestaande opslagvoorzieningen overeenkomstig CPR 15-2<br />
Voor bestaande opslagvoorzieningen geldt analoog aan kleinere opslagen dat wanneer deze<br />
overeenkomstig CPR 15-2 zijn ingericht hiermee wordt voldaan aan de stand der techniek.<br />
Uitzondering vormt de Hi-Ex inside Air brandbestrijdingsinstallatie waarvoor nieuwe inzichten<br />
hebben geleerd dat deze niet voor alle situaties geschikt is. Een toelichting hierop is te vinden in<br />
paragraaf 1.3 <strong>van</strong> PGS 15.<br />
29
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
5 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> containers geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Hoofdstuk 5 <strong>van</strong> PGS 15 beschrijft de opslag <strong>van</strong> containers, geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, voor zover<br />
sprake is <strong>van</strong> het zogenaamde ‘nederleggen tijdens transport’. Deze activiteit komt voor bij bedrijven<br />
waar overslag <strong>van</strong> containers plaatsvindt tussen verschillende typen vervoersmodaliteiten, zoals zee- en<br />
binnenvaartschepen, treinen en vrachtwagens.<br />
Het hoofdstuk is niet <strong>van</strong> toepassing op de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in stationair opgestelde<br />
containers en ook niet op de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> ten behoeve <strong>van</strong> de eigen<br />
bedrijfsactiviteiten binnen de hiervoor genoemde typen bedrijven. Dergelijke opslagvoorzieningen<br />
moeten voldoen aan de algemene eisen <strong>van</strong> PGS 15.<br />
De voorschriften in hoofdstuk 5 zijn gebaseerd op de “Leidraad voor vergunningverlening voor opslag <strong>van</strong><br />
<strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> bij stuwadoorsbedrijven”. De voorschriften en bijbehorende toelichtingen<br />
zoals opgenomen in hoofdstuk 5 spreken voor zich. Daarom is er in deze Handleiding verder geen aandacht<br />
aan besteed.<br />
30
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
6 Gasflessen<br />
6.1 Inleiding<br />
PGS 15 is <strong>van</strong> toepassing op de opslag <strong>van</strong> gasflessen met veelvoorkomende gassen, voor zover meer<br />
dan 115 liter 8 in opslag aanwezig is. Het gaat om gassen met de algemene gevaarseigenschappen:<br />
verstikkend, oxiderend en brandbaar, en daarnaast de volgende specifieke gassen: samengeperste lucht,<br />
ammoniak, koelgassen en ethyleenoxide. Bijlage 7 <strong>van</strong> PGS 15 bevat een overzicht <strong>van</strong> gassen waarop<br />
PGS 15 <strong>van</strong> toepassing is. Op het moment dat gassen worden opgeslagen die niet in Bijlage 7 zijn<br />
genoemd, is maatwerk nodig bij het vaststellen <strong>van</strong> de vergunningvoorschriften.<br />
Hoofdstuk 6 <strong>van</strong> PGS 15 geeft in paragraaf 6.1 uitleg over de keuringsvereisten voor gasflessen. Deze eisen<br />
zijn in veel gevallen rechtstreeks in wetgeving (zoals de Regeling vervoerbare drukapparatuur) vastgelegd.<br />
Paragraaf 6.2 beschrijft vervolgens de eisen aan opslagvoorzieningen voor gasflessen. Uitgangspunt<br />
hierbij is, dat gasflessen in een speciaal daarvoor bestemde opslagvoorziening moeten worden opgeslagen.<br />
Uitzondering hierop vormen de volgende situaties:<br />
− opslag <strong>van</strong> uitsluitend CO 2<br />
cilinders met drukontlasting bij distributiebedrijven of drankengroothandels;<br />
− gasflessen ten behoeve <strong>van</strong> een blusgasinstallatie;<br />
− een werkvoorraad of op een laskar geplaatste gasflessen (het aantal gasflessen of laskarren dat als<br />
werkvoorraad mag worden beschouwd is afhankelijk <strong>van</strong> de specifieke situatie binnen een bedrijf );<br />
− gasflessen welke zijn aangesloten op een verzamelleiding of leidingnet.<br />
6.2 <strong>Opslag</strong>voorziening<br />
Voor een opslagvoorziening voor gasflessen gelden voor een groot deel de eisen ten aanzien <strong>van</strong> de<br />
opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> uit hoofdstuk 3 <strong>van</strong> PGS 15, met uitzondering <strong>van</strong>:<br />
− voorschriften voor bodembescherming (kwaliteit vloeren, productop<strong>van</strong>g, paragraaf 3.3 en 3.9);<br />
− voorschriften ter voorkoming <strong>van</strong> verontreiniging <strong>van</strong> hemelwater (paragraaf 3.8);<br />
− voorschriften voor brandveiligheidsopslagkasten (paragraaf 3.10);<br />
− voorschriften voor <strong>stoffen</strong>scheiding (paragraaf 3.12) en<br />
− voorschriften voor incidenten met gemorste <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (paragraaf 3.14).<br />
Paragraaf 6.2 <strong>van</strong> PGS 15 geeft vervolgens aanvullende voorschriften, specifiek voor gasflessen.<br />
Deze voorschriften zijn met name bedoeld om de gasflessen te beschermen tegen invloeden <strong>van</strong> buitenaf,<br />
en bepalen in hoofdzaak het volgende:<br />
− gasflessen moeten bij voorkeur uitpandig worden opgeslagen;<br />
− gasflessen moeten tegen omvallen en aanrijden zijn beschermd;<br />
− de vloer <strong>van</strong> de opslagvoorziening mag niet lager zijn dan omliggende vloeren en het maaiveld;<br />
− gassen met vergelijkbare gevaarseigenschappen moeten bij elkaar worden geplaatst;<br />
− bij opslag <strong>van</strong> brandbare gassen die zwaarder zijn dan lucht (zoals propaan en butaan) moet een<br />
afstand tot kelderopeningen en aanzuigopeningen <strong>van</strong> ventilatiesystemen worden aangehouden;<br />
− tussen een gasflessenopslag en de erfgrens, bouwwerken en brandbare objecten binnen de inrichting<br />
moet voldoende weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) aanwezig zijn, waarbij het<br />
aanhouden <strong>van</strong> afstand bijdraagt aan de vereiste wbdbo (zie tabel 8 <strong>van</strong> paragraaf 6.2 in PGS 15). Bij<br />
een wbdbo <strong>van</strong> 60 minuten kan de afstand in alle gevallen worden teruggebracht tot 0 meter. Bij een<br />
afstand <strong>van</strong> meer dan 10 meter vervallen de eisen ten aanzien <strong>van</strong> de wbdbo. De afstandseisen zijn<br />
verder afhankelijk <strong>van</strong> de totale inhoud <strong>van</strong> de gasflessen.<br />
Indien gasflessen tegen een gevel zijn geplaatst (en de afstand derhalve 0 meter is) moet de gevel een<br />
brandwerendheid bezitten zoals in de volgende figuur is aangegeven. Indien de gevel lager is dan de<br />
hoogte <strong>van</strong> de gasflessen plus vier meter, dan geldt de eis voor de brandwerendheid tot aan de daklijn.<br />
Indien in de gevel ramen, deuren of andere objecten aanwezig zijn welke afbreuk doen aan de brandwerendheid,<br />
kan door middel <strong>van</strong> het aanbrengen <strong>van</strong> een brandwerend afdak of brandwerende<br />
zijschotten een situatie met gelijkwaardig veiligheidsniveau worden verkregen.<br />
Op grond <strong>van</strong> PGS 15 is het niet noodzakelijk om gasflessen tegen weersinvloeden te beschermen.<br />
Dit is een wijziging ten opzichte <strong>van</strong> vroegere inzichten. Reden hiervoor is, dat de risico’s <strong>van</strong> gasflessen<br />
hoofdzakelijk worden bepaald door hitteaanstraling als gevolg <strong>van</strong> een brand in de omgeving.<br />
Weersinvloeden vormen een verwaarloosbaar risico.<br />
8 Het Activiteitenbesluit verwijst naar PGS 15 op het moment dat meer dan 125 liter aanwezig is. Reden hiervoor is dat gasflessen<br />
meestal een inhoud hebben <strong>van</strong> 60 liter, en dat PGS 15 dan <strong>van</strong> toepassing is bij twee of meer gasflessen.<br />
31
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
6.3 Gasflessen aan verzamelleiding<br />
PGS 15 geldt niet voor gasflessen die zijn aangesloten op een verzamelleiding, tenzij deze verzamelleiding<br />
is gesitueerd in een opslagvoorziening waar ook niet aangesloten gasflessen aanwezig zijn. Voor de<br />
aangesloten gasflessen gelden ten aanzien <strong>van</strong> plaatsing, ruimtelijke scheiding en dergelijke dezelfde<br />
voorschriften als voor gasflessen welke niet aan het leidingnet zijn gekoppeld. Daarnaast gelden voor<br />
gasflessen aan een leidingnet aanvullende eisen met betrekking tot appendages en het leidingwerk.<br />
Dit valt echter buiten de reikwijdte <strong>van</strong> PGS 15. Voorschrift 6.2.10 <strong>van</strong> PGS 15 met betrekking tot het<br />
verbod tot het openen <strong>van</strong> afsluiters geldt dan echter niet.<br />
6.4 Inpandige opslag <strong>van</strong> gasflessen<br />
Gasflessen moeten bij voorkeur buiten worden opgeslagen. In situaties dat inpandige opslag nodig is,<br />
geldt op grond <strong>van</strong> voorschrift 6.2.17 <strong>van</strong> PGS 15 dat ten minste één wand een buitenmuur moet zijn<br />
met ten minste één deur. Het komt in de praktijk echter regelmatig voor, dat het voor de bedrijfsvoering<br />
noodzakelijk is dat gasflessen inpandig dan wel op een inpandige verdieping worden opgeslagen, waar<br />
niet kan worden voldaan aan voorschrift 6.2.17. Voorbeelden hier<strong>van</strong> zijn bijvoorbeeld ziekenhuizen,<br />
universiteiten of laboratoria. Een dergelijke situatie kan worden toegestaan indien wordt voldaan aan het<br />
gelijkwaardigheidbeginsel (zie ook paragraaf 1.3.1 <strong>van</strong> deze Handleiding). Dit is het geval wanneer de<br />
opslag plaatsvindt in een brandveiligheidsopslagkast, welke voldoet aan de norm NEN-EN 14470-2.<br />
Deze norm geeft productspecificaties voor brandveiligheidsopslagkasten geschikt voor de opslag <strong>van</strong><br />
gasflessen, waaronder constructie-eisen (onder meer draagvermogen bodemplaat) en eisen ten aanzien<br />
<strong>van</strong> brandwerendheid. Deze laatste komen overeen met die uit NEN-EN 14470-1, de norm voor brandveiligheidsopslagkasten<br />
voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Het gaat hierbij overigens uitsluitend om de opslag <strong>van</strong> de voorraad gasflessen, dus niet om de gasflessen<br />
die zijn aangesloten op apparatuur of aan een leidingnet. Deze gasflessen worden beschouwd als werkvoorraad.<br />
6.5 Kleurcodering gasflessen<br />
Gasflessen, uitgezonderd die voor propaan, butaan of koelgassen, zijn op de schouder <strong>van</strong> de fles voorzien<br />
<strong>van</strong> een laag verf in een bepaalde kleur, welke het gevaarsaspect <strong>van</strong> het aanwezige gas aangeeft.<br />
Daarnaast hebben sommige specifieke gassen hun eigen kleur. Deze kleurcodering is vastgelegd in<br />
NEN‐EN 1089-3. Er is geen wettelijke verplichting voor deze kleurcodering, echter in de praktijk volgen de<br />
gasleveranciers de vermelde norm. Deze kleurcodering vormt echter een belangrijk hulpmiddel voor de<br />
opslag <strong>van</strong> gasflessen. Op grond <strong>van</strong> PGS 15 moeten gasflessen met gelijksoortige gevaarsaspecten bij<br />
elkaar worden opgeslagen. De kleurcodering vereenvoudigt dit. Daarnaast voorkomt de kleurcodering<br />
dat per vergissing een verkeerde gasfles wordt opgepakt en gebruikt.<br />
Hierna zijn de kleurcoderingen <strong>van</strong> de meest voorkomende gevaarsaspecten weergegeven:<br />
helder groen<br />
rood<br />
licht blauw<br />
geel<br />
verstikkend<br />
brandbaar<br />
brandbevorderend<br />
giftige en/of corrosief<br />
Daarnaast zijn aan sommige gassen vaste kleuren toegekend:<br />
− Argon: donkergroen<br />
− Helium: lichtbruin<br />
− Acetyleen: donkerbruin<br />
− Zuurstof: wit<br />
− Stikstof: zwart<br />
− Stikstofdioxide (lachgas): donkerblauw<br />
− Koolzuur: grijs<br />
32
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Een brochure met kleurencodes <strong>van</strong> gasflessen is te downloaden via www.lindegasbenelux.com<br />
Gasflessen moeten, net als andere verpakkingen, zijn voorzien <strong>van</strong> de ADR-gevaarsetiketten (zie paragraaf<br />
3.1.3 <strong>van</strong> deze Handleiding). Daarbij kan het voorkomen dat <strong>van</strong>wege de combinatie <strong>van</strong> gevaarsaspecten<br />
twee etiketten aanwezig zijn. Een voorbeeld is een gasfles met zuurstof, een niet brandbaar oxiderend gas,<br />
met zowel etiket 2.2 als 5.1.<br />
6.6 Hoe herken ik een goedgekeurde gasfles?<br />
PGS 15 schrijft voor, dat uitsluitend goedgekeurde gasflessen in een inrichting aanwezig mogen zijn.<br />
Een gasfles is goedgekeurd wanneer het 'eerste onderzoek' is uitgevoerd en de gasfles vervolgens overeenkomstig<br />
het keuringsinterval (zie bijlage 7 PGS 15) is herkeurd. De herkeuringstermijn is voor de<br />
meeste veelvoorkomende gassen 10 jaar, met uitzondering <strong>van</strong> ammoniak en ethyleenoxide (5 jaar).<br />
Wanneer een leverancier aan bepaalde voorwaarden voldoet kan de herkeurtermijn voor LPG/propaan/<br />
butaan flessen worden verlengd <strong>van</strong> 10 naar 15 jaar. Deze termijnen zijn vastgelegd in de Europese<br />
Richtlijn voor Transportabele Drukapparatuur (TPED), en in Nederland geïmplementeerd via de regeling<br />
transportabele drukapparatuur. Gasflessen welke overeenkomstig de Europese Richtlijn zijn vervaardigd,<br />
zijn voorzien <strong>van</strong> het 'pi'-teken.<br />
Voor het beantwoorden <strong>van</strong> de vraag of een gasfles is goedgekeurd, hoeft uitsluitend naar de ‘datum <strong>van</strong><br />
herkeur’ te worden gekeken. Voor een keuringsinterval <strong>van</strong> 5 jaar moet de maand/jaarcombinatie zijn<br />
aangegeven. Voor overige keuringsintervallen kan worden volstaan met het jaar. Is deze maand of het<br />
jaar verstreken, dan is de gasfles niet goedgekeurd. Deze datum <strong>van</strong> herkeur moet onuitwisbaar op de<br />
schouder <strong>van</strong> de gasfles zijn aangebracht, dan wel zijn aangebracht op een ring of etiket dat duidelijk<br />
zichtbaar en duurzaam aan de gasfles is bevestigd.<br />
33
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
7 <strong>Opslag</strong> spuitbussen en gaspatronen, al dan niet in combinatie<br />
met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Spuitbussen en gaspatronen 9 zijn ingedeeld in klasse 2 <strong>van</strong> het ADR. De inhoud mag voor houders <strong>van</strong><br />
metaal niet meer bedragen dan 1.000 ml en 500 ml voor houders <strong>van</strong> kunststof of glas.<br />
<strong>Opslag</strong>eisen voor spuitbussen wijken af <strong>van</strong> opslagvereisten voor <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in 'gewone' verpakking,<br />
<strong>van</strong>wege de specifieke gevaarsaspecten <strong>van</strong> spuitbussen. Een bij een brand betrokken spuitbus kan<br />
exploderen, waarbij een vuurbal en/of drukgolf kan ontstaan. Doordat de inhoud <strong>van</strong> een spuitbus onder<br />
druk staat, is het mogelijk dat een spuitbus bij brand wegschiet ('rocketing'), met het risico <strong>van</strong> dominoeffecten.<br />
Op het moment dat spuitbussen in combinatie met andere <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen,<br />
geldt er geen ondergrens voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15. Worden spuitbussen apart opgeslagen, dan<br />
gelden de algemene eisen ten aanzien <strong>van</strong> de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 (zie schema 1). Bij het vaststellen<br />
<strong>van</strong> de aanwezige hoeveelheid spuitbussen, geldt dat de totale inhoud <strong>van</strong> de spuitbus bepalend is,<br />
de verpakking zelf telt niet mee.<br />
De eisen aan de opslag <strong>van</strong> spuitbussen zijn afhankelijk <strong>van</strong> de volgende factoren:<br />
− worden spuitbussen in combinatie met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> opgeslagen en zo ja hoeveel<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn aanwezig?<br />
− wat is de gezamenlijke inhoud <strong>van</strong> de spuitbussen en wat is de ADR-klasse <strong>van</strong> de inhoud daar<strong>van</strong>?<br />
− wat is het oppervlak <strong>van</strong> de opslagplaats?<br />
− wat is de hoogte <strong>van</strong> de opslagplaats?<br />
De belangrijkste eisen voor de opslag voor spuitbussen zijn:<br />
− opslag <strong>van</strong> spuitbussen moet in alle gevallen in een brandcompartiment. Bij open opslagen is in een<br />
vergunning maatwerk noodzakelijk;<br />
− bij een combinatie met <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten spuitbussen worden afgeschermd door<br />
een hekwerk, tenzij het oppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening kleiner is dan 100 m²;<br />
− bij een combinatie met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> is het spuitbusoppervlak beperkt;<br />
− opwarming <strong>van</strong> spuitbussen mag niet mogelijk zijn;<br />
− de ruimte tussen spuitbussen en plafond/dak moet in alle gevallen meer dan 50 centimeter zijn.<br />
7.1 Spuitbussenopslag kleiner of gelijk aan 10 ton<br />
Aan de hand <strong>van</strong> de volgende schema's kan worden vastgesteld aan welke specifieke eisen de spuitbussenopslag<br />
moet voldoen. Deze eisen zijn aanvullend op de algemene eisen voor opslagvoorzieningen,<br />
zoals opgenomen in hoofdstuk 3 <strong>van</strong> PGS 15. Deze schema's zijn <strong>van</strong> toepassing wanneer maximaal<br />
10.000 kg spuitbussen wordt opgeslagen. Deze schema’s worden vegolgd door drie afbeeldingen die<br />
verschillende eisen aan de opslag <strong>van</strong> spuitbussen grafisch weergeven.<br />
Schema 1: Spuitbussen: is PGS 15 <strong>van</strong> toepassing?<br />
combi met <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong>?<br />
ja<br />
nee<br />
inhoud of drijfgas (zeer)<br />
(licht) ontvlambaar, toxisch,<br />
corrosief of oxiderend?<br />
nee<br />
ja<br />
> 50 kg<br />
nee<br />
ja<br />
PGS 15 is <strong>van</strong> toepassing<br />
opslag in brandcompartiment;<br />
voorkomen <strong>van</strong> opwarming;<br />
verpakkingen gesloten;<br />
ruimte tussen spuitbussen en<br />
plafond/dak minimaal 50 cm;<br />
maximale opslaghoogte (zie<br />
schema 3).<br />
PGS 15 is niet <strong>van</strong><br />
toepassing<br />
verder naar schema 2 (uitvoering<br />
en oppervlak opslag) en schema 3<br />
(opslaghoogten)<br />
9 Hierna wordt met spuitbussen bedoeld "spuitbussen en gaspatronen".<br />
oppervlak < 100 m 2 ja<br />
34<br />
nee<br />
gezamenlijke opslag <strong>van</strong> SB<br />
en GS toegestaan (afb. 1)
nee<br />
PGS 15 is niet <strong>van</strong><br />
toepassing<br />
PGS 15 is niet <strong>van</strong><br />
toepassing<br />
verder schemanaar 3). schema 2 (uitvoering<br />
en oppervlak opslag) en schema 3<br />
(opslaghoogten)<br />
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
verder naar schema 2 (uitvoering<br />
en oppervlak opslag) en schema 3<br />
(opslaghoogten)<br />
Schema 2: Spuitbussen (SB) al dan niet samen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (GS): opslagconfiguraties<br />
oppervlak < 100 m 2 ja<br />
gezamenlijke opslag <strong>van</strong> SB<br />
en GS toegestaan (afb. 1)<br />
nee<br />
oppervlak < 100 m 2 ja<br />
gezamenlijke opslag <strong>van</strong> SB<br />
en GS toegestaan (afb. 1)<br />
SB en GS gescheiden door:<br />
nee<br />
- apart brandcompartiment of<br />
- gaasconstructie<br />
SB en GS gescheiden door:<br />
- apart brandcompartiment of<br />
- gaasconstructie<br />
in totaal ><br />
10.000 kg GS?<br />
ja<br />
2<br />
SB op max 300 m (afb. 3)<br />
in totaal nee ><br />
10.000 kg GS?<br />
> 400 kg<br />
nee<br />
SB<br />
ja<br />
ja<br />
SB in apart brandcompartiment?<br />
ja<br />
2<br />
SB op max 300 m (afb. 3)<br />
nee<br />
> 400 kg SB<br />
ja<br />
nee<br />
SB in apart brandcompartiment?<br />
ja<br />
nee<br />
nee<br />
2<br />
SB op max 100 m (afb. 2)<br />
2<br />
SB op max 100 m (afb. 2)<br />
Schema 3: Spuitbussen: maximale opslaghoogte<br />
hoogte < 2,4 m<br />
nee<br />
hoogte < 2,4 m<br />
nee<br />
< 400 kg spuitbussen<br />
nee<br />
< 400 kg spuitbussen<br />
nee<br />
oppervlak < 100 m 2<br />
oppervlak <<br />
nee<br />
100 m 2<br />
nee<br />
ja<br />
ja<br />
ja<br />
ja<br />
ja<br />
ja<br />
opslaghoogte 1,8 m (afb. 1)<br />
opslaghoogte 1,8 m (afb. 1)<br />
opslaghoogte 2,4 m (afb. 2)<br />
opslaghoogte 2,4 m (afb. 2)<br />
opslaghoogte 3,6 m, tenzij<br />
stellingen (geen beperking)<br />
opslaghoogte 3,6 m, tenzij<br />
stellingen (geen beperking)<br />
Afbeelding 1<br />
35
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Afbeelding 2<br />
Afbeelding 3<br />
7.2 Spuitbussenopslag groter dan 10 ton<br />
Als meer dan 10.000 kg spuitbussen aanwezig zijn, is hoofdstuk 4 <strong>van</strong> PGS 15 <strong>van</strong> toepassing. De grenswaarden<br />
voor het vaststellen <strong>van</strong> het beschermingsniveau uit tabel 5 <strong>van</strong> PGS 15 zijn gebaseerd op het<br />
gevaarsaspect dat op de spuitbus is vermeld. Spuitbussen met een brandbare inhoud (alle vlampunten)<br />
gelden daarbij als ADR klasse 3 (grenswaarde 400 kg). Spuitbussen met een inhoud die niet brandbaar is,<br />
moeten worden beoordeeld aan de hand <strong>van</strong> hun ADR-classering.<br />
Voor het opslaan <strong>van</strong> meer dan 10.000 kg spuitbussen geldt in alle gevallen dat de uitvoering en eventuele<br />
compartimentering <strong>van</strong> de opslagvoorziening moet worden uitgewerkt in een Programma <strong>van</strong> Eisen,<br />
zoals bedoeld in voorschrift 4.8.2.1 <strong>van</strong> PGS 15.<br />
36
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
8 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3<br />
8.1 Inleiding<br />
Stoffen die zijn ingedeeld in ADR klasse 4.1, 4.2 en 4.3 (samengevat: klasse 4.x) hebben zodanige eigenschappen<br />
dat de voorschriften uit hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 <strong>van</strong> PGS 15 een onvoldoende veiligheidsniveau<br />
realiseren. Hoofdstuk 8 <strong>van</strong> PGS 15 bevat daarom aanvullende bepalingen voor:<br />
− brand<strong>gevaarlijke</strong> vaste <strong>stoffen</strong> (klasse 4.1, onderverdeeld in 16 gevaarsaspecten);<br />
− voor zelfontbranding vastbare <strong>stoffen</strong> (klasse 4.2, onderverdeeld in 17 gevaarsaspecten);<br />
− <strong>stoffen</strong> die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen (klasse 4.3, onderverdeeld<br />
15 gevaarsaspecten).<br />
Wanneer klasse 4.x in brandveiligheidsopslagkasten worden opgeslagen, gelden overigens uitsluitend de<br />
eisen <strong>van</strong> hoofdstuk 3 <strong>van</strong> PGS 15.<br />
De eisen die op grond <strong>van</strong> hoofdstuk 8 aan de opslag <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> worden gesteld, zijn aanvullend<br />
aan de bepalingen in hoofdstuk 3 en in hoofdstuk 4 (voor zover > 10.000 kg wordt opgeslagen) en zijn<br />
afhankelijk <strong>van</strong> een aantal factoren:<br />
− de verpakkingsgroep;<br />
− de hoeveelheid (< 2.500 kg, > 2.500 kg en > 10.000 kg);<br />
− de gevaarsaspecten.<br />
De gevaarsaspecten zijn te herleiden uit het ADR, tabel A, kolom "classificatiecode" (zie ook Bijlage F.1),<br />
of uit het Veiligheidsinformatieblad.<br />
De opslageisen kenmerken zich door enerzijds een vereist beschermingsniveau en anderzijds de noodzaak<br />
tot gescheiden opslag in bepaalde situaties. In de volgende paragrafen worden deze twee aspecten<br />
toegelicht. Hierbij geldt dat voor de opslag <strong>van</strong> klasse 4.1 VG I in alle gevallen maatwerk nodig is.<br />
8.2 Beschermingsniveau voor opslag klasse 4.x<br />
Aan de hand <strong>van</strong> het volgende schema kan worden vastgesteld welk beschermingsniveau in welke<br />
situatie ten minste moet zijn gerealiseerd.<br />
klasse 4.1, VG I<br />
*<br />
nee<br />
ja<br />
maatwerk<br />
> 10.000 kg<br />
ja<br />
verpakkingsgroep I, II<br />
ja<br />
beschermingsniveau 1<br />
nee<br />
nee<br />
klasse 4.3<br />
(W1, WF1, WF2, WS,<br />
WT1, WC1) **<br />
ja<br />
nee<br />
klasse 4.1, 4.2 of<br />
4.3 (geen vaste <strong>stoffen</strong>)<br />
ja<br />
beschermingsniveau 3<br />
+ detectie en doormelding<br />
nee<br />
beschermingsniveau 3<br />
+ doelmatige ventilatie en<br />
droge opslag<br />
> 2.500 kg<br />
ja<br />
verpakkingsgroep I<br />
ja<br />
nee<br />
nee<br />
4.1 VG II of 4.2 VG II<br />
nee<br />
ja<br />
beschermingsniveau 3<br />
+ detectie en doormelding<br />
op basis <strong>van</strong> maatwerk<br />
beschermingsniveau 3<br />
37
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
* VG = Verpakkingsgroep<br />
** W1 = Vloei<strong>stoffen</strong><br />
WF1 = Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, vloeibaar, brandbaar<br />
WF2 = Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, vast, brandbaar<br />
WS = Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, voor zelfverhitting vatbaar, vast<br />
WT1 = Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, giftig, vloeibaar<br />
WC1 = Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, bijtend, vloeibaar<br />
8.3 Noodzaak tot aparte opslag klasse 4.x<br />
In een groot aantal gevallen moeten <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 4.x apart worden opgeslagen <strong>van</strong> (bepaalde)<br />
andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Daarbij geldt dat voor <strong>stoffen</strong> in klasse 4.1, VG I in alle gevallen maatwerk nodig<br />
is. Voor de overige klassen en verpakkingsgroepen geeft de volgende tabel een overzicht:<br />
Klasse VG Gevaarsaspect 3 Hoeveelheid Apart?<br />
4.1 II, III D, DT 1 , SR2 n.v.t. X<br />
altijd<br />
II niet D, DT, SR2 n.v.t. X<br />
III niet D, DT, SR2 >10.000 kg X<br />
niet bij<br />
klasse 3<br />
niet bij klasse<br />
3, (zeer) licht<br />
ontvlambaar<br />
III niet D, DT, SR2 10.000 kg X X 2<br />
4.3 I, II alle alle X<br />
III >10.000 kg X X 2<br />
X<br />
hoeft<br />
niet<br />
1 Klasse 4.1, D en DT mogen wel gezamenlijk worden opgeslagen.<br />
2 Bij beschermingsniveau 1 en opslag <strong>van</strong> klasse 4.x in apart vak <strong>van</strong> max 300 m², aan drie zijden omgeven door wbdbo<br />
30 minuten (zie ook paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze Handleiding).<br />
D = Ontplofbare <strong>stoffen</strong> in niet explosieve toestand zonder bijkomend gevaar.<br />
DT = Ontplofbare <strong>stoffen</strong> in niet explosieve toestand, giftig.<br />
SR2 = Zelfontledende <strong>stoffen</strong> waarvoor temperatuurbeheersing is vereist.<br />
38
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
9 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> kleine hoeveelheden organische peroxiden<br />
(klasse 5.2)<br />
<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> in ADR klasse 5.2 (organische peroxiden) valt over het algemeen onder PGS 8.<br />
Organische peroxiden worden gebruikt in een scala aan toepassingen, zoals in tweecomponentenlijm of<br />
als harder voor verftoepassingen. In de praktijk komen deze <strong>stoffen</strong> daarom in kleine hoeveelheden voor,<br />
al dan niet in combinatie met opslag <strong>van</strong> de 'bijbehorende' stof. Om een dergelijke opslag onder PGS 15<br />
condities mogelijk te maken, bevat hoofdstuk 9 <strong>van</strong> PGS 15 voorschriften voor de kleinschalige opslag<br />
<strong>van</strong> organische peroxiden. Samengevat gelden de voorschriften <strong>van</strong> hoofdstuk 9 indien sprake is <strong>van</strong> de<br />
volgende situaties:<br />
− er is uitsluitend sprake <strong>van</strong> LQ-hoeveelheden, en<br />
− er is uitsluitend sprake <strong>van</strong> UN-nummer 3103 t/m 3110 (type C t/m F, thermostabiel), en<br />
− er is maximaal 1.000 kg per inrichting aanwezig; bij meer dan 1000 kg <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> in klasse 5.2 geldt PGS 8.<br />
Als aan deze voorwaarden wordt voldaan zijn de voorschriften uit paragraaf 9.2 <strong>van</strong> PGS 15 <strong>van</strong> toepassing<br />
in plaats <strong>van</strong> de PGS 8. Deze voorschriften bepalen dat:<br />
− opslag uitsluitend uitpandig in een brandcompartiment mag plaatsvinden, en<br />
− eventuele verwarming overeenkomstig paragraaf 4.1.2 <strong>van</strong> PGS 8 moet zijn uitgevoerd.<br />
Daarnaast hangen de eisen af <strong>van</strong> de grootte <strong>van</strong> de opslagvoorziening. Deze eisen zijn in de volgende<br />
twee figuren schematisch weergegeven:<br />
Figuur 1. <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> klasse 5.2 in opslagvoorziening voor minder dan 10.000 kg <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
lekbak of<br />
ommuurd<br />
lekbak of<br />
5.2 ommuurd<br />
5.2<br />
10%<br />
< 10%<br />
A B C<br />
− uitpandig;<br />
− fysieke scheiding (om contact <strong>van</strong> peroxiden met andere <strong>stoffen</strong><br />
te voorkomen, bijvoorbeeld door een lekbak of een bouwkundige<br />
afscherming);<br />
− maximaal 10% <strong>van</strong> totale opslag;<br />
− ventilatie overeenkomstig nooddrukontlasting <strong>van</strong> 0,25 m²;<br />
− peroxide-etiket bij opslag.<br />
BC<br />
BC<br />
Figuur 2. <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> klasse 5.2 in opslagvoorziening geschikt voor meer dan 10.000 kg <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
5.2 5.2<br />
5.2 5.2<br />
3,5 meter<br />
> 3,5 meter<br />
A A A<br />
bvok (5.2)<br />
bvok (5.2)<br />
A A A<br />
− beschermingsniveau 1;<br />
− in apart opslagvak, minimaal<br />
3,5 meter <strong>van</strong> andere <strong>verpakte</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, of<br />
in brandveiligheidsopslagkast<br />
(bvok) met uitsluitend<br />
klasse 5.2;<br />
− peroxide-etiket bij opslagvak.<br />
BC<br />
BC<br />
BC<br />
BC<br />
Wanneer sprake is <strong>van</strong> een dubbele verpakking, zoals bijvoorbeeld bij een tweecomponentenlijm, moet<br />
bij het vaststellen <strong>van</strong> de opslageisen worden uitgegaan <strong>van</strong> de hoeveelheid <strong>van</strong> de peroxide-component<br />
in de verpakking.<br />
Bij de opslag <strong>van</strong> klasse 5.2 moet het gele peroxide-etiket goed zichtbaar aanwezig zijn. Dit gele etiket<br />
mag nog tot 31 december 2010 worden gebruikt; na die datum moet op grond <strong>van</strong> het ADR 2007 het half<br />
geel-half rode etiket worden toegepast. Het nieuwe etiket mag overigens nu al worden gebruikt.<br />
Tot en met 2010<br />
Altijd<br />
39
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Bijlagen<br />
Bijlage A SnelStart PGS 15<br />
Stap Wat? Hoe?<br />
Stap 1<br />
Stap 2<br />
Stap 3<br />
Stap 4<br />
Bepaal of PGS 15 <strong>van</strong><br />
toepassing is.<br />
Ga na welke onderdelen <strong>van</strong><br />
PGS 15 <strong>van</strong> toepassing zijn.<br />
Ga na welk soort opslagvoorziening<br />
aanwezig is en bepaal<br />
welke voorschriften gelden<br />
voor de opslagvoorziening.<br />
Bepaal de eisen aan de<br />
opslagvoorziening en leg<br />
deze vast in de milieuvergunning.<br />
Gebruik het Stappenplan Vergunningverlening (Bijlage D<br />
<strong>van</strong> deze Handleiding) voor uitleg over het vastleggen in<br />
de milieuvergunning.<br />
Gebruik het schema in Bijlage B "Beslisschema Werkingssfeer<br />
PGS 15 <strong>van</strong> deze Handleiding, of kijk in paragraaf 1.4 <strong>van</strong><br />
PGS 15.<br />
Voor het beantwoorden <strong>van</strong> deze vraag is informatie nodig<br />
over de aard, hoeveelheden en verpakkingswijze <strong>van</strong> de<br />
<strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />
Gebruik het schema "Systematiek PGS 15" <strong>van</strong> paragraaf 2.2<br />
<strong>van</strong> deze Handleiding.<br />
Gebruik het schema in Bijlage C "Welke eisen aan opslagvoorziening"<br />
<strong>van</strong> deze Handleiding.<br />
Aan de hand <strong>van</strong> de gegevens in een vergunningaanvraag,<br />
de rele<strong>van</strong>te voorschriften in PGS 15 en de uitleg in deze<br />
Handleiding kunnen de eisen voor een specifieke situatie<br />
worden vastgesteld.<br />
40
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Bijlage B Beslisschema: Werkingssfeer PGS 15<br />
klasse 1, 7, 6.2 (muv cat I3, I4), genetisch<br />
gemodificeerde organismen, nitraathoudend kunstmest<br />
(PGS 7) of < 400 kg bestrijdingsmiddelen<br />
PGS 15 is niet <strong>van</strong><br />
toepassing op <strong>stoffen</strong><br />
in deze klassen<br />
klasse 5.2<br />
ja<br />
LQ < 1.000 kg<br />
ja<br />
nee<br />
PGS 8<br />
spuitbussen/<br />
gaspatronen<br />
ja<br />
samen met <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> of > 50 kg/liter [D]<br />
ja<br />
nee<br />
nee<br />
gasflessen met meest ja<br />
voorkomende gassen [A] waterinhoud > 115 liter<br />
nee<br />
nee<br />
ja<br />
verpakkingsgroep I of<br />
CMR-<strong>stoffen</strong><br />
nee<br />
ja<br />
> 1 kg/liter<br />
nee<br />
ja<br />
klasse 3 VG II<br />
ja<br />
> 25 kg/liter<br />
ja<br />
nee<br />
totaal <strong>van</strong> de klassen<br />
3 [C] , 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1<br />
en 6.2 cat I3/I4<br />
ja<br />
nee<br />
> 50 kg/liter<br />
nee<br />
ja<br />
opslag valt onder<br />
werkingssfeer PGS 15<br />
nee<br />
totaal klasse 8 + 9<br />
ja<br />
> 250 kg/liter<br />
ja<br />
nee<br />
nee<br />
combinatie <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong> met verschillende<br />
ondergrenzen<br />
nee<br />
ja<br />
totaal > 100% <strong>van</strong> de<br />
ondergrens [B]<br />
nee<br />
ja<br />
PGS 15 is niet <strong>van</strong><br />
toepassing<br />
NB<br />
Bij LQ-verpakkingen gelden de dubbele hoeveelheden als ondergrens.<br />
[A] Zie hoofdstuk 6 en Bijlage 7 <strong>van</strong> PGS 15.<br />
[B] Zie paragraaf 2.1.2 <strong>van</strong> deze Handleiding voor een voorbeeld.<br />
[C] Klasse 3, VG III kent een aantal uitzonderingen, zie paragraaf 2.1.2 <strong>van</strong> deze Handleiding.<br />
[D] Voor vloei<strong>stoffen</strong> en samengeperste gassen geldt de inhoud in liters. Voor vaste <strong>stoffen</strong> en overige gassen geldt de inhoud<br />
in kilogrammen.<br />
41
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Bijlage C<br />
Beslisschema: Welke eisen aan opslagvoorziening?<br />
brandveiligheidsopslagkast<br />
nee<br />
gasflessen<br />
nee<br />
ja<br />
ja<br />
§ 3.1, vrs 3.2.1.6, § 3.6, 3.10<br />
t/m 3.16, 3.24 t/m 3.27<br />
§ 3.1, 3.2, 3.4 t/m 3.7, 3.11,<br />
3.15 t/m 3.23, 6.2.1 t/m 6.2.17<br />
spuitbussen of<br />
gaspatronen<br />
nee<br />
ja § 3.1, 3.2, 3.4 t/m 3.7, 3.11, 3.12, ja ja ja ja<br />
> 10.000 kg<br />
> 2.500 kg<br />
> 400 kg<br />
3.13, 3.15 t/m 3.23, 7.3<br />
nee nee nee<br />
§ 7.2 + 7.7 § 7.6<br />
§ 7.5<br />
§ 7.4<br />
opslag in containers tbv<br />
transport?<br />
nee<br />
ja<br />
§ 3.6, 3.17 t/m 3.20, 3.24 t/m 3.26<br />
Hoofdstuk 5<br />
algemene eisen voor<br />
overige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
§ 3.1, 3.2.3, 3.2.4, 3.3 t/m<br />
3.9, 3.11 t/m 3.27<br />
inpandig?<br />
ja<br />
§ 3.2.1<br />
nee<br />
§ 3.2.2<br />
ja<br />
klasse 4.1, 4.2, 4.3? Hoofdstuk 8<br />
nee<br />
klasse 5.2?<br />
nee<br />
ja<br />
LQ < 1.000 kg<br />
nee<br />
ja<br />
Hoofdstuk 9<br />
nee<br />
PGS 8<br />
> 10.000 kg of >1.000<br />
kg 6.1 VG I of 8 VG I<br />
met etiket 6.1<br />
ja<br />
Hoofdstuk 4<br />
nee<br />
geen verdere eisen <strong>van</strong> toepassing<br />
42
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Bijlage D<br />
Stappenplan vergunningverlening<br />
Hierna is kort beschreven volgens welke stappen de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 bij vergunningverlening kan<br />
worden aangepakt.<br />
Stap 1: Is sprake <strong>van</strong> een nieuwe of bestaande situatie?<br />
Voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 is <strong>van</strong> belang of sprake is <strong>van</strong> een nieuwe of bestaande situatie. Bij nieuwe<br />
situaties (oprichtings- of uitbreidingsvergunningen) is PGS 15 direct <strong>van</strong> toepassing.<br />
Wanneer een vergunning wordt verleend voor een opslagvoorziening waarvoor al eerder vergunning is<br />
verleend, kan het zijn dat deze voorziening niet voldoet aan de eisen zoals die voor nieuwbouw gelden.<br />
Dan moet worden bezien of het redelijk is of voor deze voorziening wordt verlangd dat deze in de nieuw<br />
af te geven vergunning wel op dat niveau wordt gebracht. Een en ander hangt af <strong>van</strong> de kosten, in<br />
verhouding tot het te bereiken hogere veiligheidsniveau. In het kader <strong>van</strong> het Bouwbesluit is bepaald dat<br />
er een gegronde reden moet zijn om <strong>van</strong> een bestaande bouwkundige voorziening te verlangen dat deze<br />
wordt gebracht op het niveau <strong>van</strong> nieuwbouw. Tussenoplossingen zijn ook mogelijk, waarbij enige<br />
bouwkundige verbeteringen worden aangebracht zonder dat geheel aan de eisen voor nieuwbouw wordt<br />
voldaan. Daarbij is <strong>van</strong> belang na te gaan in hoeverre de eisen op grond <strong>van</strong> PGS 15 verschillen <strong>van</strong> die uit<br />
CPR 15. Een voorbeeld is de situatie dat uitsluitend klasse 8, VG II en III wordt opgeslagen. De eisen ten<br />
aanzien <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> een opslagvoorziening zijn daarvoor komen te vervallen. Het is<br />
derhalve niet redelijk om <strong>van</strong> een inrichtinghouder te verwachten dat de brandwerendheid in stand wordt<br />
gehouden.<br />
Stap 2: Gegevens in vergunningaanvraag<br />
Om op grond <strong>van</strong> de vergunningaanvraag te kunnen beoordelen of en zo ja welke eisen uit PGS 15 <strong>van</strong><br />
toepassing zijn moet de vergunningaanvraag informatie bevatten over de aanwezige <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong>. Voor alle <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> geldt, dat ten minste de volgende gegevens moeten worden<br />
verstrekt:<br />
− omschrijving <strong>van</strong> de stof;<br />
− ADR-klasse (plus bijkomend gevaar en classificatie);<br />
− aard <strong>van</strong> de verpakking, het verpakkingsmateriaal en inhoud <strong>van</strong> de verpakking;<br />
− maximaal aanwezige totale hoeveelheid;<br />
− wijze en locatie <strong>van</strong> de opslag of opslagvoorziening.<br />
Bij opslagvoorzieningen voor meer dan 10.000 kg is altijd maatwerk nodig. Zie daarvoor hoofdstuk 4 <strong>van</strong><br />
PGS 15 of hoofdstuk 4 <strong>van</strong> deze Handleiding.<br />
Stap 3: Voorschriften in de vergunning<br />
Aan de hand <strong>van</strong> de verstrekte gegevens moet allereerst worden beoordeeld of PGS 15 <strong>van</strong> toepassing is.<br />
Vervolgens kan worden vastgesteld welk soort opslagvoorziening nodig is (het bedrijf zal dit in de vergunningaanvraag<br />
hebben omschreven) en welke eisen daar aan worden gesteld. De rele<strong>van</strong>te voorschriften<br />
uit PGS 15 kunnen in de vergunning worden opgenomen, waarbij de overwegingen die bij het vaststellen<br />
<strong>van</strong> die voorschriften een rol hebben gespeeld in de considerans kunnen worden vermeld.<br />
De voorschriften uit PGS 15 kunnen op verschillende manieren via de milieuvergunning <strong>van</strong> toepassing<br />
worden verklaard. Elk bevoegd gezag hanteert hiervoor zijn/haar eigen aanpak, uiteenlopend <strong>van</strong> een<br />
algemene verwijzing 'dat de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moet voldoen aan PGS 15' tot het<br />
overnemen <strong>van</strong> letterlijke teksten uit PGS 15 in de milieuvergunning. Uitgangspunt moet hierbij altijd zijn,<br />
dat de voorschriften eenduidig en handhaafbaar zijn en dat het voor de inrichtinghouder ondubbelzinnig<br />
duidelijk is welke eisen er aan de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden gesteld.<br />
Aanbevolen wordt om in een milieuvergunning te verwijzen naar de voor de Wet milieubeheer rele<strong>van</strong>te<br />
bepalingen uit PGS 15.<br />
Gelijkwaardigheidsbeginsel<br />
Maatwerk moet worden toegepast voor situaties waar een interpretatie <strong>van</strong> een voorschrift nodig is om<br />
de eisen vast te kunnen stellen, dan wel waar de feitelijke situatie afwijkt <strong>van</strong> PGS 15. Het is dan aan de<br />
vergunningaanvrager om gegevens te overleggen waaruit blijkt dat met de afwijkende situatie een<br />
minimaal gelijkwaardige bescherming kan worden bereikt. Het bevoegd gezag bepaalt uiteindelijk of<br />
dit ook daadwerkelijk het geval is en of voor de afwijkende situatie vergunning kan worden verleend.<br />
43
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Bijlage E<br />
Verschillen met CPR 15 - richtlijnen<br />
Deze bijlage geeft een overzicht <strong>van</strong> de belangrijkste verschillen tussen de met de voormalige CPR 15 -<br />
richtlijnen en PGS 15.<br />
Aspect Toelichting op het verschil tussen CPR 15 en PGS 15<br />
Indeling <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
ADR indeling <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in plaats <strong>van</strong> Wms<br />
stofcategorieën (met uitzondering <strong>van</strong> de CMR-<strong>stoffen</strong>).<br />
Meer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> onder de<br />
werkingssfeer<br />
Minder <strong>stoffen</strong> onder werkingssfeer<br />
Meer situaties onder werkingssfeer<br />
Aanpassing ondergrenzen<br />
Bodembescherming<br />
Hoeveelheden in kg of liter<br />
Aanpassing <strong>van</strong> de eisen voor<br />
<strong>stoffen</strong>scheiding<br />
Gelijkwaardigheidsbeginsel<br />
Werkvoorraad nader gespecificeerd<br />
Inpandige en uitpandige opslagvoorzieningen<br />
De werkingssfeer is uitgebreid met de volgende categorieën<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>:<br />
− gasflessen, spuitbussen en gaspatronen<br />
− zeer licht ontvlambare <strong>stoffen</strong><br />
− brand<strong>gevaarlijke</strong> vaste <strong>stoffen</strong><br />
− voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong><br />
− <strong>stoffen</strong> die in contact met water brandbare gassen<br />
ontwikkelen<br />
− organische peroxiden (klasse 5.2, tot 1.000 kg)<br />
− infectueuze <strong>stoffen</strong> (ziekenhuisafval en diagnostische<br />
monsters).<br />
− carcinogene, mutagene en reproductietoxische <strong>stoffen</strong><br />
(CMR-<strong>stoffen</strong>)<br />
Schadelijke en irriterende <strong>stoffen</strong> (Xn en Xi volgens Wms)<br />
vielen wel onder de werkingssfeer <strong>van</strong> CPR 15, maar niet meer<br />
onder PGS 15.<br />
<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> containers gevuld met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> valt<br />
onder werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15. Hierbij is aangesloten bij de<br />
"Leidraad voor vergunningverlening voor opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> bij stuwadoorsbedrijven". De voorschriften<br />
staan in hoofdstuk 5 <strong>van</strong> PGS 15.<br />
De ondergrenzen <strong>van</strong> de werkingssfeer zijn voor de meeste<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> verruimd. Uitzondering vormen de CMR<strong>stoffen</strong><br />
en <strong>stoffen</strong> in verpakkingsgroep I.<br />
In PGS 15 is ten aanzien <strong>van</strong> voorschriften over bodembescherming<br />
aangesloten bij de Nederlandse Richtlijn<br />
Bodembescherming (NRB).<br />
Bij het vaststellen <strong>van</strong> hoeveelheden, grenzen en dergelijke<br />
is aangesloten bij de terminologie <strong>van</strong> het ADR.<br />
Het ADR hanteert twee termen:<br />
1. Nominale inhoud <strong>van</strong> houders in liters (voor vloei<strong>stoffen</strong> en<br />
samengeperste gassen).<br />
2. Netto massa in kilogrammen (voor vaste <strong>stoffen</strong> en overige<br />
gassen).<br />
De voorschriften voor compartimentering zijn praktischer<br />
geworden en geven een bedrijf de mogelijkheid een<br />
opslagconfiguratie te kiezen die past bij de bedrijfsvoering.<br />
PGS 15 geeft bij bepaalde <strong>stoffen</strong> de mogelijkheid om de<br />
noodzaak <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong>scheiding af te laten hangen <strong>van</strong> een<br />
beoordeling <strong>van</strong> de feitelijke opslagsituatie.<br />
PGS 15 bevat het gelijkwaardigheidbeginsel, op grond<br />
waar<strong>van</strong> andere maatregelen kunnen worden getroffen dan<br />
die in PGS 15 zijn voorgeschreven mits wordt aangetoond dat<br />
een minstens vergelijkbaar beschermingsniveau wordt<br />
gerealiseerd.<br />
PGS 15 geeft een omschrijving <strong>van</strong> het begrip werkvoorraad,<br />
zodat de kans op verschillende interpretatie door bevoegd<br />
gezag en bedrijf kleiner is.<br />
PGS 15 gaat over inpandige en uitpandige opslagvoorzieningen,<br />
in tegenstelling tot de termen losse kast, bouwkundige kast,<br />
kluis, opslaggebouw en vatenpark uit de CPR 15 reeks. Deze<br />
aanpassing geeft meer flexibiliteit en ruimte voor nieuwe<br />
ontwikkelingen op het gebied <strong>van</strong> kant-en-klare opslagvoorzieningen.<br />
44
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Aspect Toelichting op het verschil tussen CPR 15 en PGS 15<br />
Grotere opslaghoeveelheid in<br />
inpandige opslag voorzieningen<br />
Verplichting tot nooddrukontlasting<br />
is vervallen<br />
Introductie begrip 'vakbekwaamheid'<br />
Meerdere opslagvoorzieningen<br />
met elk < 10.000 kg onder het<br />
algemeen regime<br />
Eisen productop<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
gewijzigd<br />
Veranderingen met betrekking tot<br />
opslag <strong>van</strong> gasflessen<br />
Certificatie en beoordeling brandbeveiligingsinstallaties<br />
De eisen voor inpandige opslag zijn, onder bepaalde<br />
omstandigheden, versoepeld. Beschikt een inpandige<br />
opslagvoorziening over een brandmeldinstallatie met<br />
doormelding (of gelijkwaardig), dan mag 10.000 kg (in plaats<br />
<strong>van</strong> 2.500 kg) worden opgeslagen. De beperking tot 2.500 kg<br />
geldt overigens niet voor klasse 8, VG II en III.<br />
Op grond <strong>van</strong> CPR 15-1 moest een kluis of opslaggebouw.<br />
Waar (licht) ontvlambare vloei<strong>stoffen</strong> zijn voorzien <strong>van</strong> een<br />
drukontlastvoorziening welke een plotseling optredende<br />
drukgolf kan op<strong>van</strong>gen zonder dat de gehele constructie<br />
bezwijkt. PGS 15 stelt deze eis niet meer. Reden hiervoor is, dat<br />
op grond <strong>van</strong> PGS 15 zodanige preventieve voorzieningen zijn<br />
voorgeschreven, dat de noodzaak voor een dergelijke<br />
maatregel is komen te vervallen.<br />
Daar waar in de CPR 15 reeks werd gesproken in termen <strong>van</strong><br />
voorlichting en instructie, moet op grond <strong>van</strong> PGS 15 tijdens<br />
het verrichten <strong>van</strong> werkzaamheden met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in<br />
opslagvoorzieningen <strong>van</strong> meer dan 2.500 kg een vakbekwaam<br />
persoon aanwezig zijn. Wat onder vakbekwaam wordt<br />
verstaan, is toegelicht in paragraaf 3.17 <strong>van</strong> PGS 15.<br />
Voor meerdere opslagvoorzieningen binnen een inrichting<br />
met elk minder dan de hiervoor genoemde ondergrenzen<br />
gelden voor elke opslagvoorziening de eisen uit hoofdstuk 3<br />
<strong>van</strong> PGS 15. Hoofdstuk 4 is dan niet <strong>van</strong> toepassing. Vroeger<br />
was CPR 15-2 <strong>van</strong> toepassing.<br />
CPR 15 eiste een productop<strong>van</strong>gcapaciteit <strong>van</strong> 100% bij<br />
brandbare <strong>stoffen</strong> en 100% <strong>van</strong> de grootste emballage plus<br />
10% <strong>van</strong> totale emballage bij niet brandbare <strong>stoffen</strong>.<br />
In PGS 15 wordt een andere aanpak gehanteerd:<br />
− bij een opslag <strong>van</strong> < 10.000 kg geldt 110% <strong>van</strong> de grootste<br />
verpakking of (als dat meer is) 10% <strong>van</strong> de totale verpakkingen;<br />
− bij een opslag <strong>van</strong> > 10.000 kg gelden andere eisen, welke<br />
afhankelijk zijn <strong>van</strong> het beschermingsniveau en het<br />
vlampunt <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>. Naast de productop<strong>van</strong>g<br />
gelden bij een opslag <strong>van</strong> meer dan 10 ton ook<br />
eisen ten aanzien <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>g. De totale<br />
op<strong>van</strong>gcapaciteit wordt bepaald door de som <strong>van</strong> de<br />
bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit en de productop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />
In de meeste 8.40 amvb’s werd voor de opslag <strong>van</strong> gasflessen<br />
verwezen naar de CPR 15-1. In vergelijking hiermee stelt de<br />
PGS-15 op een aantal punten geen eisen meer. Zo hoeft er<br />
geen afdak tegen de weersinvloeden te worden gerealiseerd,<br />
omdat risico’s <strong>van</strong> gasflessen hoofdzakelijk worden bepaald<br />
door oververhitting als gevolg <strong>van</strong> een brand in de omgeving.<br />
Voor het onderhoud <strong>van</strong> de gasflessen is het echter wel aan te<br />
bevelen deze tegen weersinvloeden te beschermen. Verder<br />
zijn een vloeidichte vloer en productop<strong>van</strong>g niet meer<br />
verplicht. Ook is er geen scheiding meer vereist of een<br />
brandwerendheid <strong>van</strong> 60 minuten tussen brandbare en<br />
brandbevorderende gassen. Het Activiteitenbesluit verwijst<br />
naar PGS 15.<br />
PGS 15 speelt in op de nieuwe accreditatie- en certificatiemethode<br />
voor brandbeveiligingsinstallaties. De systematiek<br />
blijft wel vergelijkbaar:<br />
− een brandbeveiligingsinstallatie moet zijn ontworpen<br />
volgens een bepaalde norm;<br />
− het bevoegd gezag moet de installatie hebben<br />
goedgekeurd;<br />
− certificatie bij oplevering en jaarlijkse inspectie na<br />
ingebruikname.<br />
45
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Aspect Toelichting op het verschil tussen CPR 15 en PGS 15<br />
Brandbeveiligingsinstallatie geschikt<br />
voor opgeslagen <strong>stoffen</strong><br />
Verplichting tot opstellen intern<br />
noodplan<br />
Versoepelde eisen voor kortdurende<br />
opslag<br />
Bij beschermingsniveau 1 is een brandbeveiligingsinstallatie<br />
noodzakelijk. Verschillende typen zijn beschreven in bijlage 5<br />
<strong>van</strong> PGS 15. Voordat een keuze voor een bepaald type wordt<br />
gemaakt moet echter nadrukkelijk worden nagegaan of deze<br />
geschikt is voor de <strong>stoffen</strong> die zullen worden opgeslagen.<br />
PGS 15 bevat een verplichting tot het opstellen <strong>van</strong> een intern<br />
noodplan, voor opslagen <strong>van</strong>:<br />
− meer dan 10.000 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>;<br />
− meer dan 1.000 kg zeer giftige <strong>stoffen</strong> (klasse 6.1, VG I);<br />
− giftige of giftig/bijtende gassen in gasflessen met een<br />
waterinhoud <strong>van</strong> > 250 liter.<br />
De voorschriften <strong>van</strong> PGS 15 (paragraaf 3.19) sluiten aan bij<br />
het Brzo en de ARIE-regeling.<br />
Vergelijkbaar met de eisen in het Activiteitenbesluit voor<br />
op- en overslagbedrijven, bevat PGS 15 in voorschrift 3.1.6<br />
versoepelde eisen voor kortdurende opslagen. Het voorschrift<br />
is <strong>van</strong> toepassing op <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die aan<br />
derden zijn geadresseerd.<br />
46
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Bijlage F<br />
Extra informatie<br />
F.1 Gedeelte <strong>van</strong> Tabel A <strong>van</strong> hoofdstuk 3.2 <strong>van</strong> het ADR<br />
Tabel A uit hoofdstuk 3.2 vormt de kern <strong>van</strong> het ADR en geeft voor <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> informatie over de<br />
classificering, verpakkingsgroep, etikettering en een groot aantal andere zaken die voor het transport <strong>van</strong><br />
een bepaalde <strong>gevaarlijke</strong> stof <strong>van</strong> belang zijn. Hierna zijn de gegevens voor methanol, mierenzuur en<br />
natronloog vermeld.<br />
UN-nr<br />
Benaming en beschrijving<br />
Klasse<br />
Classificatiecode<br />
Verpakkingsgroep<br />
Etiketten<br />
Bijzondere bepalingen<br />
Gelimiteerde hoeveelheden<br />
instructies<br />
bijzondere bepalingen<br />
Verpakkingen<br />
gezamenlijke<br />
verpakking<br />
instructies<br />
bijzondere bepalingen<br />
UN-transporttanks<br />
6.1, II<br />
tankcode<br />
bijzondere bepalingen<br />
RID tanks 8, I<br />
Vervoerscategorie<br />
colli<br />
losgestort<br />
laden, lossen en<br />
behandeling<br />
Bijzondere<br />
bepaling voor<br />
het vervoer<br />
Expres-goed<br />
Gevaarsidentificatienummer<br />
ADRartikel<br />
3.1.2 2.2 2.2 2.1.1.3 5.2.2 3.3 3.4.6 4.1.4 4.1.4 4.1.10 4.2.4.2 4.2.4.3 4.3 4.3.5<br />
6.8.4<br />
1.1.3.1c 7.2.4 7.3.3 7.5.11 7.6 5.3.2.3<br />
kolom nr [1] [2] [3a] [3b] [4] [5] [6] [7] [8] [9a] [9b] [10] [11] [12] [13] [15] [16] [17] [18] [19] [20]<br />
1230 methanol 3 FT1 II 3+6.1 279 LQ0 P001<br />
IBC02<br />
MP19 T7 TP2 L4BH TU15<br />
TE1<br />
TE15<br />
2 CW13 CE7 336<br />
CW28<br />
1779 mierenzuur 8 C3 II 8 LQ22 P001<br />
IBC02<br />
MP15 T7 TP2 L4BN 2 CE6 80<br />
1824 natriumhydroxide,<br />
oplossing<br />
(natronloog)<br />
8 C5 II 8 LQ23 P001<br />
IBC02<br />
MP15 T7 TP2 L4BN 2 CE6 80<br />
Voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 zijn met name de volgende kolommen <strong>van</strong> Tabel A <strong>van</strong> belang:<br />
Kolom Omschrijving Rele<strong>van</strong>tie<br />
[1] UN-nummer Unieke identificatie <strong>van</strong> een stof of preparaat.<br />
[2] benaming/omschrijving Chemische benaming <strong>van</strong> de stof of handelsnaam.<br />
[3a] ADR-klasse Rele<strong>van</strong>t voor werkingssfeer en vaststellen eisen; kern <strong>van</strong> PGS 15.<br />
Bij meerdere gevaarsaspecten geeft de klasse het grootste gevaar aan.<br />
[3b] classificatiecode Geeft gevaarsaspect aan, rele<strong>van</strong>t voor hoofdstuk 8 (opslageisen<br />
voor <strong>stoffen</strong> klasse 4.x), Bijlage 7 (meest voorkomende gassen) en<br />
de <strong>stoffen</strong>scheidingsregels.<br />
[4] verpakkingsgroep De verpakkingsgroep (I, II of III) is onder meer <strong>van</strong> belang voor<br />
de toepassing <strong>van</strong> de ondergrenzen en het vaststellen <strong>van</strong> opslageisen<br />
en beschermingsniveaus.<br />
[5] etikettering Deze kolom geeft aan welke ADR-vervoersetiketten op een<br />
verpakking moeten zijn aangebracht. Als sprake is <strong>van</strong> meerdere<br />
gevaarsaspecten, moet voor elk aspect een etiket aanwezig zijn.<br />
[7] LQ (Limited Quantities) LQ betekent in dit geval dat voor methanol het LQ-regime niet <strong>van</strong><br />
toepassing is. Als een andere LQ vermelding is aangegeven geeft<br />
ADR voorschrift 3.4.6 informatie over welke LQ zijn bedoeld.<br />
De gelimiteerde hoeveelheden zijn rele<strong>van</strong>t voor:<br />
− de toepassing <strong>van</strong> de ondergrenzen (bij LQ-verpakkingen worden<br />
de ondergrenzen voor de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 verdubbeld);<br />
− de mogelijkheid voor opslag <strong>van</strong> een kleine hoeveelheid <strong>van</strong><br />
ADR klasse 5.2 onder PGS 15-condities;<br />
− bij uitsluitend LQ-verpakkingen zijn de <strong>stoffen</strong>scheidingsregels<br />
niet <strong>van</strong> toepassing.<br />
47
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
F.2 Voorbeeld <strong>van</strong> een veiligheidsinformatieblad voor Methanol<br />
Voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 zijn niet alle onderdelen <strong>van</strong> een veiligheidsinformatieblad even rele<strong>van</strong>t.<br />
In het volgende voorbeeld zijn uitsluitend de meest rele<strong>van</strong>te (onderdelen <strong>van</strong>) hoofdstukken weergegeven.<br />
Hoofdstuk 1<br />
Onderwerp<br />
Synoniemen<br />
Gebruik <strong>van</strong> de stof<br />
Identificatie <strong>van</strong> de stof of het preparaat en <strong>van</strong> de vennootschap/onderneming<br />
Informatie<br />
CAS-nr 67-56-1<br />
EG-index-nr<br />
methylalcohol, houtgeest<br />
oplosmiddel, brandstof<br />
603-001-00-X<br />
EINECS-nr 200-659-6<br />
RETCS-nr<br />
NFPA-code 1-3-0<br />
Molecuulmassa 32.04<br />
Brutoformule<br />
PC1400000<br />
CH3OH<br />
Hoofdstuk 2<br />
Gevaarlijke<br />
Bestanddelen<br />
Samenstelling en informatie over de bestanddelen<br />
CAS-nr.<br />
EINECS-nr.<br />
methanol 67-56-1<br />
200-659-6<br />
Concentratie in % Gevaarsymbool Risico’s (R-zinnen)<br />
99.9 % F; T R11<br />
R23/24/25<br />
R39/23/24/25<br />
Hoofdstuk 3<br />
Hoofdstuk 4<br />
Hoofdstuk 5<br />
Hoofdstuk 6<br />
Hoofdstuk 7<br />
Hoofdstuk 8<br />
Gevaren<br />
Eerste-hulp maatregelen<br />
Brandbestrijdingsmaatregelen<br />
Maatregelen bij accidenteel vrijkomen <strong>van</strong> de stof of het preparaat<br />
Hanteren en opslag<br />
Maatregelen ter beheersing <strong>van</strong> blootstelling/ persoonlijke bescherming<br />
Hoofdstuk 9 Fysische en chemische eigenschappen<br />
Eigenschap<br />
Waarde<br />
Voorkomen (bij 20°C)<br />
Helder vloeibaar<br />
Geur<br />
Zwakke alcoholgeur<br />
Kleur<br />
Kleurloos<br />
Eigenschap<br />
Waarde<br />
pH-waarde<br />
N.B.<br />
Kookpunt/kooktraject 64.5 °C<br />
Vlampunt<br />
11 °C (TCC)<br />
Explosiegrenzen<br />
6 - 36 vol%<br />
Dampdruk (bij 20°C)<br />
127 hPa<br />
Dampdruk (bij 50°C)<br />
535 hPa<br />
Relatieve dichtheid (bij 20°C) 0.792<br />
Wateroplosbaarheid<br />
Volledig<br />
Oplosbaar in<br />
Ethanol, ether, aceton, chloroform<br />
Relatieve dampdichtheid 1.1<br />
Viscositeit<br />
0.0006 Pa.s<br />
Verdelingscoëfficiënt n-octanol/water -0.82/-0.66<br />
Verdampingssnelheid<br />
− t.o.v. butylacetaat<br />
− t.o.v. ether<br />
5.9<br />
5.3<br />
Smeltpunt/smelttraject - 97.8 °C<br />
Zelfontbrandingstemperatuur 385 °C<br />
Verzadigingsconcentratie<br />
166 g/m³<br />
48
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
Hoofdstuk 10<br />
Hoofdstuk 11<br />
Hoofdstuk 12<br />
Hoofdstuk 13<br />
Stabiliteit en reactiviteit<br />
Toxicologische informatie<br />
Ecologische informatie<br />
Instructies voor verwijdering<br />
Hoofdstuk 14 Informatie met betrekking tot het vervoer<br />
Onderwerp Landvervoer (ADR/RID) Informatie<br />
ADR-klasse 3<br />
ADR Classificatie Code<br />
FT1<br />
ADR/RID verpakkingsgroep<br />
II<br />
Stofaanduiding nummer 1230<br />
UN nummer 1230<br />
RID-klasse 3<br />
Gevaarsaanduiding nummer. 336<br />
TREM-kaart<br />
CEFIC TEC(R)- 30S1230<br />
’Proper shipping name’<br />
Methanol<br />
Andere informatie Transport label(s): 3 + 6.1<br />
Hoofdstuk 15<br />
Wettelijk verplichte informatie<br />
Licht ontvlambaar (F)<br />
Giftig (T)<br />
R-waarschuwingszinnen<br />
R11<br />
R23/24/25<br />
R39/23/24/25<br />
Licht ontvlambaar<br />
Giftig bij inademing, opname door de mond en aanraking met de huid<br />
Vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij inademing,<br />
aanraking met de huid en opname door de mond<br />
S-veiligheidsaanbevelingen<br />
S(01/02)<br />
S07<br />
S16<br />
(Achter slot en buiten bereik <strong>van</strong> kinderen bewaren)<br />
Verpakking goed gesloten houden<br />
Verwijderd houden <strong>van</strong> ontstekingsbronnen - niet roken<br />
S36/37 Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding<br />
S45<br />
In geval <strong>van</strong> ongeval of als men zich onwel voelt, onmiddellijk een arts<br />
raadplegen (indien mogelijk de arts dit veiligheidsinformatieblad tonen)<br />
Hoofdstuk 16:<br />
Overige informatie<br />
49
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
F.3 Errata PGS 15<br />
Sinds de publicatie <strong>van</strong> PGS 15 in juni 2005 is de richtlijn op een tweetal punten gewijzigd. Daarnaast is<br />
een aantal onvolkomenheden gesignaleerd. In deze bijlage staat een overzicht <strong>van</strong> aanpassingen. De<br />
eerste twee zijn opgenomen in het "Errata bij PGS 15 d.d 5 juli 2005", zie www.vrom.nl. De overige zullen in<br />
de toekomst worden gepubliceerd.<br />
Onderdeel in PGS 15<br />
Hoofdstuk 3.2: Bouwkundige eisen<br />
aan een opslagvoorziening<br />
Hoofdstuk 3.2, voorschrift 3.2.4.4<br />
Bijlage 4, onder NEN 2678<br />
Paragraaf 7.1, derde alinea, tweede<br />
streepje<br />
Tabel 2<br />
Voorschrift 3.7.1<br />
Bijlage 3: <strong>stoffen</strong>scheiding<br />
Voorschrift 5.3.3<br />
Voorschrift 5.6.8<br />
Diverse onderdelen<br />
Omschrijving<br />
De paragraaf is in zijn geheel ver<strong>van</strong>gen door de paragraaf in<br />
het erratum. Het gaat in hoofdzaak om de volgende wijzigingen:<br />
− een aanpassing <strong>van</strong> de tekst voor wat betreft de interpretatie<br />
<strong>van</strong> het Bouwbesluit.<br />
− een aanpassing <strong>van</strong> de paragraaf "Eigenschappen toegepaste<br />
materialen in de gebouwconstructie"; het begrip<br />
onbrandbaar is aangepast.<br />
Aan dit voorschrift is toegevoegd dat bij de beoordeling <strong>van</strong><br />
de onbrandbaarheid moet worden gekeken naar ten minste de<br />
eerste 10 mm.<br />
Bij "Toegestaan voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>" moet<br />
klasse 2 worden verwijderd.<br />
Wijzigen in:<br />
<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen met een gezamenlijke<br />
inhoud die groter is dan de voor de inhoud <strong>van</strong> de spuitbus<br />
<strong>van</strong> toepassing zijnde ondergrens volgens tabel 3, waar<strong>van</strong> de<br />
inhoud (zowel het drijfgas als de stof die verneveld moet<br />
worden) in de zin <strong>van</strong> de Wms aangemerkt moet worden als<br />
een zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare,<br />
toxische, corrosieve of oxiderende stof.<br />
Onder klasse 2 moeten ook 'gaspatronen' worden vermeld.<br />
De eisen ten aanzien <strong>van</strong> ventilatie <strong>van</strong> opslagvoorzieningen<br />
gelden ook voor brandveiligheidsopslagkasten. Er zal worden<br />
geanticipeerd op NEN‐EN 14470-1 en NEN‐EN 14470-2.<br />
Er zal expliciet worden vermeld dat er geen noodzaak is voor<br />
compartimentering <strong>van</strong> gasflessen.<br />
De norm voor ondergrondse brandkranen is ver<strong>van</strong>gen door<br />
NEN‐EN 14339.<br />
Dit voorschrift wordt aangepast voor wat betreft de plaatsing<br />
<strong>van</strong> tankcontainers met klasse 3 <strong>stoffen</strong>.<br />
Aanpassing naar aanleiding <strong>van</strong> wijzigingen in het ADR:<br />
− wijziging <strong>van</strong> vlampunt 61°C naar 60°C;<br />
− UN 2005 is vervallen (Tabel 8 <strong>van</strong> hoofdstuk 8);<br />
− UN 1014 is vervallen (Bijlage 7);<br />
− nieuw etiket voor klasse 5.2 (verplicht na 31-12-2010).<br />
50
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
F.4 Standpunt Arbeidsinspectie over explosieveiligheid in PGS 15 opslagvoorzieningen<br />
Explosieveiligheid in PGS 15-opslagen voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
Standpunt Arbeidsinspectie betreffende UN-gekeurde verpakkingen en verpakkingen onder het<br />
LQ-regime<br />
Samenvatting<br />
Dit standpunt is alleen geldig voor opslagen <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die voldoen aan de beheersmaatregelen<br />
<strong>van</strong> de PGS 15 richtlijn of haar voorganger de CPR 15 en voor verpakkingen zonder ontluchtingsventiel<br />
die voldoen aan het UN-keur of vallen onder het LQ-regime.<br />
Sinds juni 2005 is voor bedrijven en overheden de PGS 15 richtlijn beschikbaar voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong>. Daarnaast is per 1 juli 2006 de ATEX-richtlijn, de Europese richtlijn voor explosieveiligheid, via<br />
het Arbobesluit <strong>van</strong> kracht. De samenloop <strong>van</strong> deze richtlijnen hebben gezorgd voor een aantal vragen<br />
over explosiegevaar, gevarenzone-indeling en explosieveilig materieel in PGS 15 opslagen.<br />
De Arbeidsinspectie heeft nu een standpunt ingenomen ten aanzien <strong>van</strong> explosieveiligheid en UNgekeurde<br />
verpakkingen zonder ontluchtingsventiel. Deze verpakkingen zijn beproefd en goedgekeurd<br />
voor transportdoeleinden. Ook voor verpakkingen die vallen onder het LQ-regime is dit standpunt <strong>van</strong><br />
toepassing. Het standpunt is alleen geldig voor opslagen die voldoen aan de voorschriften uit de PGS 15<br />
waarop de Arbeidsinspectie het toezicht heeft of aan de voorschriften <strong>van</strong> haar voorganger, de CPR 15.<br />
Het standpunt luidt dat bij het indelen <strong>van</strong> een PGS 15 opslag in gevarenzones dergelijke verpakkingen<br />
niet worden gezien als secundaire gevarenbron. Dit is een verduidelijking <strong>van</strong> de NPR 7910-1 (2001). In het<br />
geval <strong>van</strong> een PGS 15 opslag met alleen verpakkingen die voldoen aan de UN-keur, kan dit leiden tot een<br />
indeling in Niet Gevaarlijk Gebied. Het belangrijkste gevolg hier<strong>van</strong> is dat tijdens normaal bedrijf geen<br />
explosieveilig materieel hoeft te worden gebruikt (zoals heftrucks).<br />
Deze aanpak is in lijn met de ATEX-regelgeving rond explosieveiligheid uit het Arbobesluit. Het blijft voor<br />
bedrijven altijd noodzakelijk om in het kader <strong>van</strong> explosieveiligheid rekening te houden met calamiteiten,<br />
zoals het lek steken <strong>van</strong> een vat met de lepels <strong>van</strong> een heftruck of het vallen <strong>van</strong> een vat uit een stelling.<br />
Over twee jaar kan dit standpunt worden geëvalueerd.<br />
1. Inleiding<br />
Sinds juni 2005 is voor bedrijven en overheden de PGS 15 richtlijn beschikbaar voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong>. Daarnaast is per 1 juli 2006 de ATEX-richtlijn, de Europese richtlijn voor explosieveiligheid, via<br />
het Arbobesluit onverkort <strong>van</strong> kracht (artikelen 3.5a tot en met 3.5g). De samenloop <strong>van</strong> deze richtlijnen<br />
hebben gezorgd voor een aantal vragen over explosiegevaar, gevarenzone-indeling en explosieveilig<br />
materieel in PGS 15 opslagen.<br />
Na de implementatie <strong>van</strong> de ATEX 137 regelgeving in de Nederlandse wetgeving is door de Arbeidsinspectie<br />
geconstateerd dat bedrijven die <strong>gevaarlijke</strong> licht ontvlambare <strong>stoffen</strong> in emballage in loodsen<br />
opslaan (in de volksmond de zogenaamde CPR 15-2 loodsen), niet voldeden aan de letter <strong>van</strong> richtlijnen<br />
en normen. Hierbij betrof het voornamelijk de indeling in zone 2 voor gasexplosiegevaar en het daardoor<br />
noodzakelijke gebruik <strong>van</strong> explosieveilig materieel <strong>van</strong> categorie 3. In het bijzonder vormden de interne<br />
transportmiddelen zoals heftrucks een struikelblok.<br />
De branche heeft beargumenteerd dat onder normaal bedrijf het explosierisico verwaarloosbaar is.<br />
Het gebruik <strong>van</strong> explosieveilige heftrucks zou niet nodig zijn, omdat in de opslag brandbare <strong>stoffen</strong> in<br />
UN goedgekeurde verpakkingen (cans, vaten of IBC-containers) worden vervoerd.<br />
De essentie <strong>van</strong> dit argument is dat verpakkingen die voldoen aan de eisen uit de transportwetgeving<br />
voor vervoer <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> waar het gaat om verpakking en etikettering, zoals verwoord in<br />
de "Recommendations on the Transport of Dangerous Goods", niet behoeven te worden gezien als<br />
secundaire gevarenbron als bedoeld in de Nederlandse Praktijk Richtlijn (NPR) 7910 deel 1 (2001).<br />
Deze notitie geeft aan welk standpunt de Arbeidsinspectie op dit terrein inneemt. In deze notitie wordt<br />
gesproken over brandbare <strong>stoffen</strong> waarbij het vooral zal gaan om brandbare vloei<strong>stoffen</strong> omdat dat de<br />
grootste groep producten is. Het standpunt is echter ook <strong>van</strong> toepassing op gassen verpakt in reguliere<br />
gasflessen en op spuitbussen. Tevens geldt dit regime ook voor de UN <strong>verpakte</strong> brandbare vaste <strong>stoffen</strong>,<br />
waarvoor de NPR 7910-2 wordt gebruikt.<br />
51
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
2. Regelgeving rond explosieveiligheid en gevarenzone-indeling<br />
Sinds 1 juli 2003 is §2a Explosieve atmosferen in het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen met<br />
daarin de artikelen 3.5a tot en met 3.5f. Hierdoor is de Europese richtlijn 1999/92/EG, betreffende minimumvoorschriften<br />
voor de verbetering <strong>van</strong> de gezondheidsbescherming en <strong>van</strong> de veiligheid <strong>van</strong> werknemers<br />
die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (ook ATEX 137 genoemd), in de Nederlandse<br />
wetgeving geïmplementeerd. Gevolg <strong>van</strong> de nieuwe artikelen is, dat ook bedrijven die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
opslaan, uiterlijk op 1 juli 2006 de gevaren <strong>van</strong> explosieve atmosferen en de bijzondere risico’s die daaruit<br />
kunnen voortvloeien hebben beoordeeld en schriftelijk hebben vastgelegd.<br />
Als uit de beoordeling blijkt dat er bij normaal bedrijf explosieve atmosferen <strong>van</strong> gasmengsels kunnen<br />
voorkomen, moeten de gebieden waar deze atmosferen kunnen heersen, worden ingedeeld in zogenaamde<br />
gevarenzones. Voor deze zones moeten dan speciale voorzieningen worden getroffen ten<br />
aanzien <strong>van</strong> ontstekingsbronnen (naast het treffen <strong>van</strong> allerlei andere algemene preventieve beheersmaatregelen<br />
die zijn vermeld in de PGS 15 of in nog voorkomende gevallen uit de CPR 15-1/2). Afhankelijk<br />
<strong>van</strong> de hoeveelheden en aanwezigheidsduur zijn er drie zones te onderscheiden: zone 0, 1 of 2. Uitgangspunt<br />
voor deze gevarenzone-indeling zijn de plaatsen waar brandbare stof kan vrijkomen. In vakjargon<br />
worden dit de gevarenbronnen genoemd, waarbij drie vormen zijn te onderscheiden:<br />
− een continue gevarenbron, dwz. een plaats waar tijdens normaal bedrijf brandbare stof meer dan<br />
1.000 uur per jaar vrijkomt;<br />
− een primaire gevarenbron, dwz. een plaats waar tijdens normaal bedrijf brandbare stof tussen 10 en<br />
1.000 uur per jaar regelmatig of incidenteel vrijkomt;<br />
− een secundaire gevarenbron, dwz. een plaats waar het vrijkomen <strong>van</strong> brandbare stof tijdens normaal<br />
bedrijf niet waarschijnlijk is, in elk geval minder dan 10 uur per jaar.<br />
Uitgangspunt <strong>van</strong> de zone-indeling is zone 0 bij een continue gevarenbron, zone 1 bij een primaire en<br />
zone 2 in het geval <strong>van</strong> een secundaire gevarenbron. Afhankelijk <strong>van</strong> de ventilatieomstandigheden in de<br />
omgeving <strong>van</strong> de gevarenbron, kan de zone-indeling zwaarder of lichter uitvallen dan de overeenkomstige<br />
zone. In gebieden waarbinnen tijdens normaal bedrijf geen explosieve atmosfeer kan ontstaan,<br />
zijn geen specifieke maatregelen ten aanzien <strong>van</strong> ontstekingsbronnen nodig. Een dergelijk gebied<br />
wordt aangemerkt als NGG (Niet Gevaarlijk Gebied).<br />
De zonering kan worden uitgevoerd met behulp <strong>van</strong> de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 7910-1<br />
"Gevarenzone-indeling met betrekking tot ontploffingsgevaar – Deel 1: Gasontploffingsgevaar",<br />
gebaseerd op NEN-EN-IEC 60079-10. De Arbeidsinspectie hanteert deze richtlijn als norm: bedrijven die<br />
in noodzakelijke gevallen maatregelen nemen in overeenstemming met deze praktijkrichtlijn en tot<br />
gevarenzone-indelingen komen, voldoen hiermee aan de vereisten uit de arbeidsomstandighedenregelgeving.<br />
3. Standpunt over het opslaan <strong>van</strong> brandbare <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in UN goedgekeurde verpakking<br />
Zoals in de inleiding aangegeven, zijn betrokken bedrijven <strong>van</strong> mening dat brandbare <strong>stoffen</strong> die conform<br />
de UN regels zijn verpakt niet als secundaire gevarenbron moet worden beschouwd (verpakkingen <strong>van</strong><br />
dergelijke <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in opslagloodsen zijn gezien de definities zeker niet te beschouwen als een<br />
continue of primaire gevarenbron).<br />
In NPR 7910-1 worden blikken en vaten met brandbare vloei<strong>stoffen</strong> gewoonlijk als secundaire gevarenbronnen<br />
gezien (hoofdstuk 7.3 Secundaire gevarenbronnen). Echter UN verpakkingen worden aan een<br />
strenge aantoonbare typekeur onderworpen (in Nederland o.a. verzorgd door TNO Certification B.V.).<br />
Verpakkingen die aan UN-eisen moeten voldoen, ondergaan de volgende testen:<br />
− Valproeven <strong>van</strong>af een hoogte <strong>van</strong> 0,8 – 1,8 meter.<br />
− Lekdichtheidstesten bij een druk <strong>van</strong> 0,2 - 0,3 bar overdruk.<br />
− Inwendige hydraulische drukproeven tot 1,75 maal de dampspanning <strong>van</strong> de vloeistof bij minimaal<br />
50°C gedurende 5 – 30 minuten.<br />
− Stapelproeven tot een hoogte <strong>van</strong> minimaal 3 meter.<br />
52
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
In hoofdstuk 7.4 <strong>van</strong> NPR 7910-1 wordt een overzicht gegeven <strong>van</strong> onderdelen die niet als gevarenbron<br />
behoeven te worden beschouwd. Voor de onderhavige problematiek gaat het om de volgende tekst uit<br />
dit hoofdstuk (de aanhef in combinatie met het derde aandachtsstreepje), namelijk: “Onderdelen waarbij<br />
goede constructie, goed onderhoud en goede bedrijfsvoering de kans op vrijkomen <strong>van</strong> brandbare stof<br />
ook onder abnormale bedrijfsomstandigheden en bij storingen verwaarloosbaar klein wordt geacht, zijn<br />
geen gevarenbronnen. Hiertoe behoren:<br />
− flens-schroefdraad- en knelverbindingen die niet aan (grote) temperatuurvariaties, drukschommelingen<br />
of trillingen onderhevig zijn en die door ontwerp, uitvoering en beproeving als geheel dicht kunnen<br />
worden beschouwd”,<br />
Gezien het voorgaande (het gaat bij de verpakkingen die onder het UN-keur vallen immers om de schroefdraad-<br />
en knelverbindingen) en gegeven de eisen waaraan de UN gekeurde verpakkingen voor brandbare<br />
<strong>stoffen</strong> voldoen en de aard <strong>van</strong> de normale bedrijvigheid met die verpakkingen (opslag en transport),<br />
is de Arbeidsinspectie <strong>van</strong> mening dat de UN gekeurde verpakkingen voor brandbare <strong>stoffen</strong> zonder<br />
ontluchtingsventiel in opslagloodsen niet als secundaire bron behoeven te worden aangemerkt.<br />
In loodsen met uitsluitend opslag <strong>van</strong> brandbare <strong>stoffen</strong> in dergelijke UN gekeurde verpakkingen, hoeft<br />
dus geen gebruik te worden gemaakt <strong>van</strong> explosieveilige heftrucks tijdens normale bedrijfsomstandigheden.<br />
Ook zijn andere maatregelen ter beperking <strong>van</strong> explosiegevaar in geval <strong>van</strong> het normale bedrijf<br />
niet noodzakelijk.<br />
De uitzondering geldt ook voor de kleinverpakkingen (veelal consumentenproducten) die volgens het<br />
zogenaamde LQ-regime (Limited Quantities regime) zijn verpakt. Deze verpakkingen zijn weliswaar niet<br />
getest, maar door hun kleine volume (25 ml tot maximaal 5 liter per binnenverpakkingen afhankelijk <strong>van</strong><br />
de gevaarszetting <strong>van</strong> het product) en wegens het feit dat die dubbel verpakt zijn, kunnen die slechts een<br />
klein effect (risico) veroorzaken bij een lekkage. In hoofdstuk 3.4 <strong>van</strong> het ADR is deze vrijstelling in detail<br />
uitgewerkt.<br />
In alle andere vormen <strong>van</strong> opslag <strong>van</strong> brandbare <strong>stoffen</strong> zoals de opslag <strong>van</strong> aanstekers; UN-gekeurde<br />
verpakkingen met ontluchtingsventiel; IBC-verpakkingen die buiten de beproevingstermijn worden<br />
gebruikt en andere niet gekeurde verpakkingen is sprake <strong>van</strong> secundaire gevarenbronnen. Deze bronnen<br />
zullen leiden tot een gevarenzone en de daaruit voortvloeiende noodzakelijke veiligheidsmaatregelen<br />
moeten worden uitgevoerd. De maatregelen in NPR 7910‐1 zijn gebaseerd op het principe <strong>van</strong> ‘normale<br />
bedrijfsvoering’ (zie paragraaf 3.12.3 en 1.3) en niet op een calamiteit, zoals het leksteken <strong>van</strong> een vat door<br />
de lepels <strong>van</strong> een heftruck of het vallen <strong>van</strong> een vat uit een stelling.<br />
Het is altijd noodzakelijk dat bedrijven in het kader <strong>van</strong> explosieveiligheid (en/of andere bepalingen in<br />
het Arbobesluit) nadenken hoe om te gaan met calamiteiten waarbij explosiegevaar kan ontstaan en<br />
dat ze daarvoor ook preventief maatregelen nemen. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat een bedrijf toch<br />
explosieveilige materieel (zoals een pomp en/of verlichting) moet inzetten om lekgeraakte verpakkingen<br />
te verwijderen.<br />
53
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
F.5 Overzicht <strong>van</strong> in deze Handleiding gebruikte afkortingen<br />
Afkorting<br />
ADR<br />
AI<br />
ARIE<br />
Omschrijving<br />
Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses<br />
par Route<br />
Arbeidsinspectie<br />
Aanvullende Risico Inventarisatie en Evaluatie<br />
BC Brandcompartiment, Brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003<br />
(gedeelte <strong>van</strong> één of meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied<br />
<strong>van</strong> brand).<br />
BdB<br />
Bevi/Revi<br />
Basisdocument Brandbeveiliging<br />
Besluit externe veiligheid inrichtingen/regeling externe veiligheid inrichtingen<br />
Brzo Besluit risico's zware ongevallen 1999<br />
CMR-<strong>stoffen</strong><br />
CPR<br />
GHS<br />
GS<br />
GF<br />
Carcinogene, mutagene of reproductietoxische <strong>stoffen</strong><br />
Commissie Preventie <strong>van</strong> Rampen<br />
Globally Harmonised System<br />
Gevaarlijke stof<br />
Gasfles<br />
IBC Intermediate Bulk Container, een stijve of flexibele verpakking die in hoofdstuk 6.5<br />
<strong>van</strong> het ADR is genoemd.<br />
IPPC-richtlijn<br />
LQ<br />
NEN<br />
NPR 7910-1<br />
PGS<br />
PvE<br />
Reach<br />
RI&E<br />
SB<br />
TPED<br />
UN<br />
VG<br />
VIB<br />
Wbdbo<br />
Wm<br />
Europese Richtlijn 96/61/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding <strong>van</strong><br />
verontreiniging<br />
Limited Quantities, Gelimiteerde Hoeveelheden<br />
Nederlandse Norm<br />
Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 7910-1 "Gevarenzone-indeling met betrekking tot<br />
ontploffingsgevaar – Deel 1: Gasontploffingsgevaar"<br />
Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen<br />
Programma <strong>van</strong> Eisen<br />
Registratie, evaluatie en autorisatie <strong>van</strong> chemische <strong>stoffen</strong><br />
Risico Inventarisatie & Evaluatie<br />
Spuitbus<br />
Transportable Pressure Equipment Directive<br />
United Nations (In Nederlands “VN”)<br />
Verpakkingsgroep (in Engels “PG” : Packing Group)<br />
Veiligheidsinformatieblad<br />
Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag<br />
Wet milieubeheer<br />
Wms Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (vervalt per 1 juni 2008)<br />
Voor overige in deze Handleiding gebruikte begrippen wordt verwezen naar de begrippenijst in<br />
hoofdstuk 10 <strong>van</strong> PGS 15.<br />
54
Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />
F.6 Meer informatie nodig?<br />
Organisatie Welke informatie? Vindplaats<br />
ministerie <strong>van</strong> VROM − digitale versie PGS 15 en errata internet: www.vrom.nl<br />
InfoMil − checklist PGS 15;<br />
− downloaden <strong>van</strong> deze<br />
Handleiding PGS 15;<br />
− veelgestelde vragen PGS 15;<br />
− helpdesk PGS 15.<br />
Postbus PGS<br />
Voor het melden <strong>van</strong> tekortkomingen<br />
in PGS 15.<br />
Ministerie <strong>van</strong> SZW<br />
Arbeidsinspectie<br />
Nederlandse<br />
Vereniging voor<br />
Brandweerzorg en<br />
Rampenbestrijding<br />
(NVBR)<br />
Inspectie Verkeer &<br />
Waterstaat<br />
UN-ECE<br />
Europese Unie<br />
Informatie over arbeidsomstandighedenwet-<br />
en regelgeving<br />
en interpretatie daar<strong>van</strong>.<br />
Informatie over arbeidsomstandighedenwet-<br />
en regelgeving en<br />
interpretatie daar<strong>van</strong>.<br />
Informatie over de ATEX<br />
richtlijnen.<br />
Informatie over brandpreventie en<br />
brandbestrijding.<br />
Informatie en informatiebladen<br />
over vervoer <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />
<strong>stoffen</strong>.<br />
ADR-tekst in het Engels<br />
(versie 2007).<br />
ADR-tekst in het Nederlands<br />
(versie 2003, niet actueel).<br />
internet: www.infomil.nl<br />
Helpdesk: telefoon: (070) 373 55 75<br />
(<strong>van</strong> 9 tot 12 uur)<br />
e-mail: info@infomil.nl<br />
internet: via www.infomil.nl<br />
postadres:<br />
Beheergroep Publicatiereeks<br />
Gevaarlijke Stoffen<br />
p/a InfoMil<br />
Postbus 93144<br />
2509 AC Den Haag<br />
internet: www.szw.nl<br />
telefoon: (070) 333 44 44 of<br />
0800 - 9051<br />
internet: www.arbeidsinspectie.nl<br />
telefoon: (070) 304 45 00 of<br />
0800 - 9051<br />
internet: www.nvbr.nl<br />
telefoon: (026) 355 24 55<br />
telefoon: (070) 305 24 44<br />
internet: www.ivw.nl/nl/<strong>gevaarlijke</strong><strong>stoffen</strong>/<br />
Goederenvervoer/regels/index.jsp<br />
www.unece.org/trans/danger/publi/adr/<br />
adr2007/07ContentsE.html<br />
http://eur‐lex.europa.eu/LexUriServ/site/nl/<br />
oj/2004/l_121/l_12120040426nl00010864.pdf<br />
of zoek op Publicatieblad L121 uit 2004<br />
via http://europa.eu.int/eur-lex/lex/<br />
55
InfoMil is een initiatief <strong>van</strong> de ministeries <strong>van</strong> VROM en Economische<br />
Zaken, in samenspraak met Interprovinciaal Overleg (IPO), Vereniging<br />
<strong>van</strong> Nederlandse Gemeenten ( VNG) en de Unie <strong>van</strong> Waterschappen.<br />
InfoMil is een opdracht <strong>van</strong> het ministerie <strong>van</strong> VROM en een onderdeel<br />
<strong>van</strong> SenterNovem.<br />
InfoMil<br />
Juliana <strong>van</strong> Stolberglaan 3<br />
2595 CA Den Haag<br />
Postbus 93144<br />
2509 AC Den Haag<br />
Telefoon 070 373 55 75<br />
Telefax 070 373 56 00<br />
info@infomil.nl<br />
www.infomil.nl<br />
Een publicatie <strong>van</strong> InfoMil,<br />
december 2007<br />
3IMV0708 © InfoMil, Den Haag 2007<br />
Hoewel deze publicatie met de grootst mogelijke zorg is samengesteld, kan SenterNovem geen<br />
enkele aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele fouten. Bij publicaties <strong>van</strong> SenterNovem die<br />
informeren over subsidieregelingen geldt dat de beoordeling <strong>van</strong> subsidieaanvragen uitsluitend<br />
plaatsvindt aan de hand <strong>van</strong> de officiële publicatie <strong>van</strong> het besluit in de staatscourant.
Errata bij PGS 15 d.d 28 juni 2005<br />
Errata hoofdstuk 3.2: Bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening<br />
In de inleiding <strong>van</strong> hoofdstuk 3.2 (pagina 17) worden de teksten <strong>van</strong> de alinea’s ‘Uitvoering<br />
weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag <strong>van</strong> een opslagvoorziening’ (pagina 17) en<br />
‘Eigenschappen toegepaste materialen in de gebouwconstructie’ (pagina 18) ver<strong>van</strong>gen door<br />
onderstaande teksten. Tevens wordt paragraaf 3.2.4.4 (pagina 22) ver<strong>van</strong>gen door een<br />
onderstaande tekst.<br />
Uitvoering weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag <strong>van</strong> een opslagvoorziening<br />
De WBDBO moet volgens het Bouwbesluit 2003 worden bepaald overeenkomstig NEN 6068. Een<br />
brandcompartiment moet worden gezien als een kubus die “rondom” (wanden, gevels en afdekking)<br />
dezelfde WBDBO heeft. Het begrip weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) bevat<br />
twee aspecten: de weerstand tegen branddoorslag en de weerstand tegen brandoverslag. De weerstand<br />
tegen branddoorslag wordt praktisch gezien bereikt door brandwerende (scheidings)constructies. Voor de<br />
experimentele bepalingsmethode <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> bouwdelen is NEN 6069 <strong>van</strong> toepassing.<br />
Indien brandwerende scheidingsconstructies worden toegepast dient de draagconstructie waaraan de<br />
scheidingsconstructie bevestigd is dezelfde brandwerendheid te hebben, of dient een voorziening te<br />
worden getroffen dat het bezwijken <strong>van</strong> een draagconstructie niet leidt tot het bezwijken <strong>van</strong> een<br />
scheidingsconstructie. De weerstand tegen brandoverslag wordt praktisch gezien bereikt door afstand<br />
tussen ruimten.<br />
Er is echter op een aantal punten binnen de reikwijdte <strong>van</strong> deze richtlijn aanvulling nodig met betrekking tot<br />
de uitvoering <strong>van</strong> de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, hetgeen neerkomt op:<br />
- De brandwerendheid als bedoeld in NEN 6069 wordt bepaald aan de hand <strong>van</strong> de standaard- of<br />
gereduceerde brandkromme. Een brand waarbij brandbare vloei<strong>stoffen</strong> betrokken zijn, zal zich anders<br />
gedragen dan deze gemodelleerde brand. Dit zou kunnen betekenen dat bij zo’n brand niet altijd de<br />
gewenste tijdsduur <strong>van</strong> brandwerendheid <strong>van</strong> een scheidingsconstructie wordt behaald. Dit noodzaakt<br />
een aanvullend voorschrift met betrekking tot de uitvoering <strong>van</strong> brandwerende constructies;<br />
- Binnen de reikwijdte <strong>van</strong> de NEN 6069 zou het mogelijk zijn om glazen puiconstructies toe te passen<br />
in wanden en afdekking <strong>van</strong> een opslagvoorziening. Glazen puiconstructies worden echter volgens<br />
NEN 6069 niet op dezelfde criteria getest als wandconstructies (Uitleg TNO). Een belangrijk criterium<br />
waaraan glasconstructies niet hoeven te voldoen is het criterium ‘thermische isolatie betrokken op<br />
temperatuur’. Bij het toepassen <strong>van</strong> brandwerende beglaasde puiconstructies zou dus niet de<br />
brandwerendheid worden verkregen die met het voorschrift is beoogd. Hoewel <strong>van</strong> toepassing zou ook<br />
het criterium ‘thermische isolatie betrokken op warmtestraling’ onvoldoende waarborgen bieden, daar<br />
als grenswaarde voor de maximale stralingsintensiteit 15 kW/m 2 wordt aangehouden terwijl de<br />
grenswaarde <strong>van</strong> 10 kW/m 2 bij opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> wordt gehanteerd. Met betrekking tot de<br />
WBDBO cq. de brandwerendheid moet daarom voor alle constructies aan alle criteria <strong>van</strong> de NEN<br />
6069, uitgave 1996 en NEN 6069/1A uitgave 2001 worden voldaan;<br />
- Om te voorkomen dat bij elke opslagvoorziening een volledige berekening moet worden gemaakt <strong>van</strong><br />
de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (NEN 6068), is een praktische benadering te<br />
hanteren met betrekking tot de mate waarin de afstand tussen ruimten kan bijdragen aan de<br />
weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag:<br />
• indien de afstand <strong>van</strong> de uitpandige opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk<br />
dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 5 meter bedraagt, en binnen<br />
deze 5 meter geen opslag <strong>van</strong> brand<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of goederen en geen brand<strong>gevaarlijke</strong><br />
activiteiten plaatsvinden, kan worden volstaan met een brandwerendheid <strong>van</strong> wanden en dak <strong>van</strong><br />
de opslagvoorziening <strong>van</strong> ten minste 30 minuten. De daarvoor noodzakelijke draagconstructie <strong>van</strong><br />
de opslagvoorziening moet een brandwerendheid <strong>van</strong> ten minste 30 minuten bezitten;<br />
• indien de afstand <strong>van</strong> de uitpandige opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk<br />
dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 meter bedraagt, en<br />
binnen deze 10 meter geen opslag <strong>van</strong> brand<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>/goederen en geen<br />
brand<strong>gevaarlijke</strong> activiteiten plaatsvinden, is er ten aanzien <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> wanden<br />
en dak <strong>van</strong> de opslagvoorziening en de brandwerendheid <strong>van</strong> de noodzakelijke draagconstructie<br />
geen eis <strong>van</strong> toepassing.
Rijnstraat 8<br />
Postbus 30945<br />
2500 GX Den Haag<br />
Erratum PGS 15 d.d 11 december 2008<br />
Voorschrift 4.8.2.1 komt te luiden:<br />
4.8.2.1 De uitgangspunten voor ontwerp, aanleg, onderhoud, beheer, opleveringsinspectie en periodieke<br />
inspectie <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallatie moeten zijn beoordeeld door een op basis <strong>van</strong> NEN-EN-<br />
ISO/EC 17020 door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde inspectie-instelling. Bij deze beoordeling<br />
moet worden nagegaan of de uitgangspunten in overeenstemming zijn met de voor de betreffende<br />
brandbeveiligingsinstallatie geldende ontwerpnorm. Het uitgangspuntendocument alsmede de beoordeling<br />
er<strong>van</strong> moet zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag, voordat met de aanleg <strong>van</strong> de<br />
brandbeveiligingsinstallatie wordt begonnen. Het uitgangspuntendocument moet iedere 5 jaar door een op<br />
basis <strong>van</strong> NEN-EN-ISO/EC 17020 door een door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde inspectieinstelling<br />
op actualiteit worden beoordeeld. De resultaten <strong>van</strong> deze beoordeling moeten binnen inrichting<br />
aanwezig zijn.<br />
Toelichting: In CPR 15-2 werd in plaats <strong>van</strong> “uitgangspunten” de term “Programma <strong>van</strong> Eisen” gebruikt.<br />
Momenteel wordt door betrokken partijen en in overleg met de Raad voor de Accreditatie een nieuwe<br />
accreditatie- en certificatiemethodiek voorbereid. Zodra deze methodiek in de praktijk werkt, zal de<br />
terminologie in deze voorschriften worden aangepast. De uitgangspunten moeten onder meer zijn<br />
gebaseerd op de ontwerpnorm die voor de betreffende brandbeveiligingsinstallatie <strong>van</strong> toepassing is. Als<br />
het bevoegd gezag de uitgangspunten heeft goedgekeurd, stelt zede houder <strong>van</strong> de inrichting daar<strong>van</strong><br />
schriftelijk op de hoogte. Bijlage 6 bevat een overzicht <strong>van</strong> ontwerpnormen voor<br />
brandbeveiligingsinstallaties.<br />
Met dit erratum is aan voorschrift 4.8.2.1 een bepaling toegevoegd dat, voordat het<br />
uitgangspuntendocument aan het bevoegd gezag ter goedkeuring wordt voorgelegd, er een beoordeling<br />
door een geaccrediteerde inspectie-instelling moet plaatsvinden. De beoordeling heeft als doel dat wordt<br />
nagegaan of het uitgangspuntendocument in overeenstemming is met de voor de<br />
brandbeveiligingsinstallatie geldende ontwerpnorm.<br />
Met dit erratum is voorschrift 4.8.2.1 in overeenstemming gebracht met de soortgelijke bepaling<br />
(voorschrift 5.2 <strong>van</strong> bijlage 1) in het Vuurwerkbesluit over sprinklerinstallaties in vuurwerkopslagplaatsen.<br />
Tevens is met dit erratum toegevoegd dat het uitgangspuntendocument elke 5 jaar op actualiteit moet<br />
worden beoordeeld. In het Vuurwerkbesluit is dit niet expliciet in voorschrift 5.2 opgenomen maar in de<br />
onderliggende ontwerpnorm memorandum 60. Omdat het in PGS 15 om meerdere soorten<br />
brandbeveiligingsinstallaties gaat, en dus om veel meer ontwerpnormen, is deze vijfjaarlijkse<br />
beoordelingsplicht in voorschrift 4.8.2.1 vastgelegd. Het is mogelijk dat op basis <strong>van</strong> deze beoordeling het<br />
bevoegd gezag <strong>van</strong> mening is dat een nieuw uitgangspuntendocument moet worden opgesteld. Een<br />
dergelijk nieuw uitgangspuntendocument kan in goed overleg met het bedrijf tot stand komen, dan wel<br />
bijvoorbeeld met een wijziging <strong>van</strong> de vergunning op basis <strong>van</strong> artikel 8.23 Wm worden verplicht gesteld.<br />
Een nieuw uitgangspuntendocument zal volgens de stappen beschreven in voorschrift 4.8.2.1 weer<br />
moeten leiden tot beoordeling, goedkeuring, mogelijke aanpassing <strong>van</strong> de installatie en inspectie.
Rijnstraat 8<br />
Postbus 30945<br />
2500 GX Den Haag<br />
Erratum PGS15 d.d. 21 november 2008<br />
Een passage in de PGS 15 kan leiden tot onduidelijkheden bij het gebruik <strong>van</strong> de PGS publicatie. De<br />
hieronder opgenomen tekst ver<strong>van</strong>gt de tekst zoals opgenomen in de PGS 15 en het op 4 oktober 2007<br />
gepubliceerde erratum over dit voorschrift.<br />
3.7 Vrijkomende dampen <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
AI<br />
3.7.1 Als er noodzaak is om vrijkomende dampen af te voeren uit een opslagvoorziening, moeten<br />
doeltreffende maatregelen worden genomen.<br />
Toelichting:<br />
Het is mogelijk dat bij normaal gebruik <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong> er onbedoeld<br />
dampen kunnen vrijkomen, die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid <strong>van</strong> gebruikers <strong>van</strong> de<br />
opslagvoorziening of eventueel zelfs kunnen zorgen voor een explosieve atmosfeer. Dit moet worden<br />
voorkomen. Het is aan de eigenaar <strong>van</strong> de opslagvoorziening om na te gaan of er schadelijke dampen<br />
kunnen vrijkomen en welke maatregelen moeten worden genomen. Het bepalen <strong>van</strong> de noodzaak om na<br />
te gaan of er dampen kunnen vrijkomen is gelegen in het Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin is<br />
aangegeven dat risicobronnen moeten worden onderzocht en, indien noodzakelijk, maatregelen moeten<br />
worden genomen (RI&E). Voor het nemen <strong>van</strong> maatregelen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het<br />
ventileren <strong>van</strong> een opslagvoorziening.<br />
Het nemen <strong>van</strong> maatregelen ter voorkoming <strong>van</strong> de aantasting <strong>van</strong> de gezondheid <strong>van</strong> werknemers is<br />
geregeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Dit geldt ook voor het nemen <strong>van</strong> maatregelen ter<br />
voorkoming of beperking <strong>van</strong> een explosieve omgeving (zie Bijlage 1). De Arbeidsinspectie heeft haar<br />
standpunt gepubliceerd over de noodzaak voor voor het nemen <strong>van</strong> maatregelen om een explosieve<br />
atmosfeer te voorkomen bij de opslag <strong>van</strong> UN-gekeurde verpakkingen en verpakkingen onder het LQregime.<br />
Dit voorschrift geldt voor bouwkundige opslagvoorzieningen en losse brandveiligheidsopslagkasten. De<br />
milieurele<strong>van</strong>tie <strong>van</strong> de vrijkomende dampen is zeer beperkt. De verwachting is dat in verrreweg de<br />
meeste situaties er geen noodzaak is om maatregelen te nemen ter voorkoming <strong>van</strong> emissie naar de lucht<br />
op grond <strong>van</strong> de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (NeR). Om die reden is het woord ‘Wm’ verwijderd.<br />
Overigens is voor de opslag <strong>van</strong> gasflessen in losse brandveiligheidsopslagkasten altijd ventilatie<br />
noodzakelijk. In de rele<strong>van</strong>te norm voor dergelijke brandveiligheidsopslagkasten (NEN-EN 14470-2) is<br />
aangegeven welke ventilatievoud noodzakelijk is.<br />
De hieronder opgenomen tekst ver<strong>van</strong>gt de tekst zoals opgenomen in de PGS 15 en de rele<strong>van</strong>te errata<br />
hierop.<br />
1. 1.10 Toepassing <strong>van</strong> normen en andere vormen <strong>van</strong> pseudoregelgeving<br />
1.10.1 Voor zover een norm (zoals NEN of ISO) of andere vormen <strong>van</strong> pseudoregelgeving (zoals de<br />
NRB) waarnaar in een voorschrift in deze richtlijn wordt verwezen betrekking heeft op de uitvoering <strong>van</strong><br />
constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de uitgegeven publicatie inclusief aanvullingen of<br />
correctiebladen, zoals die ten tijde <strong>van</strong> het aanbrengen of vernieuwen/veranderen <strong>van</strong> die constructie e.d.<br />
luidde, tenzij toepassing <strong>van</strong> die norm tot een zodanig laag veiligheidsniveau zou leiden dat in redelijkheid<br />
een hoger niveau kan worden verlangd.<br />
Toelichting: normen, richtlijnen e.d. worden regelmatig herzien. De wijzigingen zijn vaak beperkt, maar<br />
wanneer alle bestaande bedrijven toch altijd direct aan de nieuwste versie moeten voldoen kan dat grote<br />
(financiële) gevolgen hebben terwijl dit niet direct hoeft te leiden tot een beduidende verbetering <strong>van</strong> het<br />
veiligheidsniveau. Voor nieuw op te richten constructies e.d, maar ook het veranderen/vernieuwen<br />
daar<strong>van</strong>, is het uitgangspunt dat voldaan moet worden aan de meest recente versie <strong>van</strong> een norm,<br />
richtlijn e.d. In bestaande situaties kan uitgegaan worden <strong>van</strong> de norm, richtlijn e.d. zoals deze <strong>van</strong> kracht
norm, richtlijn e.d. een (veiligheids)niveau wordt behaald dat onaanvaardbaar laag is. In dat geval kan het<br />
bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift (bij een AMvB-bedrijf) of vergunningvoorschrift (in de Wmvergunning)<br />
een hoger niveau verlangen, met als bovengrens de meest recente versie <strong>van</strong> de norm,<br />
richtlijn e.d. Wat in een concreet geval als redelijk/noodzakelijk moet worden aangemerkt, is maatwerk.<br />
Een en ander sluit aan bij wat al vele jaren gangbare praktijk is bij Wm-vergunningen en is grotendeels een<br />
uitwerking <strong>van</strong> het gelijkwaardigheidsbeginsel zoals genoemd in paragraaf 1.8 <strong>van</strong> deze richtlijn. Voor<br />
deze constructie (oudere normen kunnen op basis <strong>van</strong> het gelijkwaardigheidsbeginsel veelal als<br />
toereikend worden beoordeeld) is ook gekozen in het Gebruiksbesluit.<br />
2. Paragraaf 3.2 (5 de alinea, tweede aandachtstreepje)<br />
- Constructies die getest zijn op het criterium <strong>van</strong> straling, zoals glazen puiconstructies, zijn dus niet<br />
geschikt voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (de grenswaarde voor de maximale stralingsintensiteit <strong>van</strong><br />
15 kW/m2, is hoger dan de 10 kW/m2, die bij opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> wordt gehanteerd). Voor de<br />
WBDBO cq. de brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie moet daarom de volgende<br />
criteria <strong>van</strong> de NEN 6069:2005, worden aangehouden:<br />
* R: Voor draagconstructies zowel onder, boven als ten behoeve <strong>van</strong> de opslag zelf<br />
* REI Voor dragende wanden<br />
* EI Voor niet-dragende wanden<br />
* EI 1 Voor deuren<br />
Toelichting:<br />
De normbladen NEN 6069, uitgave 1996 en NEN 6069/1A uitgaven 2001 door de NEN 6069:2005 welke is<br />
afgestemd op de Europese beproevingsmethode. De NEN 6069:2005 kent zelf als bijlage de oude<br />
beproevingsnorm voor bestaande situaties.<br />
3. Paragraaf 3.2 (7 de alinea)<br />
Eigenschappen toegepaste materialen in de gebouwconstructie<br />
Het Bouwbesluit 2003 biedt met de verwijzing naar de NEN 6068 en de NEN 6069 de mogelijkheid dat<br />
brandwerende constructies worden opgebouwd uit brandbare materialen. Omdat dit voor de opslag <strong>van</strong><br />
bepaalde klassen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> niet intrinsiek veilig is, is in PGS 15 bepaald dat voor de ruimten<br />
waarin die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen, de eventueel noodzakelijke afdekkingen <strong>van</strong> de<br />
hoofddraagconstructie (om de hoofddraagconstructie te laten voldoen aan het criterium bezwijken binnen<br />
NEN 6069), alsmede de afdekking aan de binnenzijde <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> wanden en dak<br />
moeten zijn vervaardigd <strong>van</strong> materiaal, beoordeeld over ten minste de eerste 10 mm <strong>van</strong> die afdekking,<br />
dat tenminste voldoet aan Euroklasse A volgens NEN-EN 13501-1. Een vloer <strong>van</strong> een opslagvoorziening<br />
moet altijd zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal.<br />
Het Bouwbesluit 2003 biedt voor sommige situaties de mogelijkheid dat een dak <strong>van</strong> een bouwwerk niet<br />
niet-brandgevaarlijk hoeft te worden uitgevoerd. Het is niet wenselijk dat dit voor opslagvoorzieningen <strong>van</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> ook zou mogen. Daarom wordt hier bij de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> expliciet<br />
voorgeschreven dat het dak moet zijn geconstrueerd <strong>van</strong> niet brandgevaarlijk materiaal,.bepaald volgens<br />
de NEN 6063
4. Artikel 3.2.1.1<br />
Toelichting:<br />
Een opslagvoorziening waarin <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong>, m.u.v. de klasse 8 worden opgeslagen,<br />
wordt in beginsel gelijkgesteld met een brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003. Het<br />
bedoelde brandcompartiment heeft “rondom” dezelfde “WBDBO”. Voor de WBDBO cq. de<br />
brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie moet daarom de volgende criteria <strong>van</strong> de NEN<br />
6069:2005, worden aangehouden:<br />
* R: Voor draagconstructies zowel onder, boven als ten behoeve <strong>van</strong> de opslag zelf<br />
* REI Voor dragende wanden<br />
* EI Voor niet-dragende wanden<br />
* EI 1 Voor deuren<br />
Het normenkader voor losse brandveiligheidsopslagkasten is anders opgebouwd de eisen waar<br />
bouwkundige voorzieningen aan moeten voldoen. Om die reden kunnen genormeerde<br />
brandveiligheidsopslagkasten niet voldoen aan de eisen voor WBDBO. Het belangrijkste<br />
criterium bij genormeerde brandveiligheidsopslagkasten is de mate <strong>van</strong> brandwerendheid.<br />
Indien in een bestaande situatie een WBDBO of een brandwerendheid met betrekking tot scheidende<br />
functie <strong>van</strong> 30 minuten is vergund, kan <strong>van</strong> de eis <strong>van</strong> 60 minuten worden afgeweken, mits binnen een<br />
afstand <strong>van</strong> 7,5 m <strong>van</strong> de opslagvoorziening geen brand<strong>gevaarlijke</strong> goederen aanwezig zijn.<br />
5. Artikel 3.2.4.4<br />
3.2.4.4 De vloer <strong>van</strong> een opslagvoorziening moet zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal. Een<br />
eventueel noodzakelijke afdekking <strong>van</strong> de hoofddraagconstructie, alsmede de afdekking aan de<br />
binnenzijde <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> wanden en dak moeten zijn vervaardigd <strong>van</strong> materiaal,<br />
beoordeeld over ten minste de eerste 10 mm <strong>van</strong> die afdekking dat tenminste voldoet aan Euroklasse A1<br />
(onbrandbaar) volgens NEN-EN 13501-1.
Rijnstraat 8<br />
Postbus 30945<br />
2500 GX Den Haag<br />
Erratum PGS 15 d.d. september 2008<br />
De nieuwe tekst <strong>van</strong> de ADR (ADR 2007) en het vervallen <strong>van</strong> de Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (Wms)<br />
hebben consequenties voor de PGS 15. Met onderstaande wijzigingen is de PGS 15 hierop aangepast.<br />
Voorschrift Aanpassing aan voorschrift<br />
Toelichting/reden<br />
PGS 15<br />
1.5 Vlampuntcriterium 60°C ipv 61°C Overeenkomstig ADR 2007<br />
2007<br />
3.11.2 In de toelichting, laatste alinea, moet De Wms is vervallen<br />
“Wms” worden ver<strong>van</strong>gen door<br />
“Hoofdstuk 9 <strong>van</strong> de Wm”<br />
3.16.1 Aan de reeks gevarensymbolen a t/m d Er is een nieuw etiket<br />
wordt toegevoegd: “e. organische<br />
peroxides”<br />
3.16.2 Richtlijn 91/155/EG<br />
(Veiligheidsinformatiebladen) moet<br />
Richtlijn is ingetrokken na<br />
invoering REACH<br />
worden ver<strong>van</strong>gen door verordening<br />
(EG) nr 1907/2006 (REACH)<br />
4.3.2 Vlampuntcriterium 60°C ipv 61 °C Overeenkomstig ADR 2007<br />
4.5.1 Vlampuntcriterium 60°C ipv 61°C Overeenkomstig ADR 2007<br />
4.5.2 Vlampuntcriterium 60°C ipv 61°C Overeenkomstig ADR 2007<br />
5.6.13 Vlampuntcriterium 60°C ipv 61 °C Overeenkomstig ADR 2007<br />
6.1, pag. 45 Aan de paragraaf over gevaarsetiketten<br />
wordt het volgende toegevoegd:<br />
“Deze combinaties zijn voorbeelden.<br />
Andere combinaties zijn mogelijk. ”<br />
De opgegeven lijst is niet<br />
uitputtend<br />
7.1 Wms ver<strong>van</strong>gen door Hoofdstuk 9 Wm De Wms is vervallen<br />
7.2 Vlampuntcriterium 60°C ipv 61°C<br />
“Wms” ver<strong>van</strong>gen door “Hoofdstuk 9<br />
Wm”<br />
Overeenkomstig ADR 2007<br />
Wms is vervallen<br />
7.3.1 Temperatuur in de toelichting wordt 50°C Temperatuur in de toelichting<br />
gelijk aan temperatuur in<br />
voorschrift<br />
Bijlage 3, tabel<br />
onverenigbare<br />
combinaties<br />
“Wms” ver<strong>van</strong>gen door “Hoofdstuk 9<br />
Wm”<br />
Bijlage 5, pg. 74 “Wms” ver<strong>van</strong>gen door “Hoofdstuk 9<br />
Wm”<br />
Bijlage 2 Onder 2 bord voor organische peroxides<br />
ver<strong>van</strong>gen door nieuwe versie<br />
De Wms is vervallen<br />
De Wms is vervallen<br />
Nieuw etiket
Rijnstraat 8<br />
Postbus 30945<br />
2500 GX Den Haag<br />
Erratum PGS 15 d.d 25 juni 2008<br />
De tekst <strong>van</strong> paragraaf 3.2.1 wordt ver<strong>van</strong>gen door onderstaande tekst:<br />
3.2.1 Voorschriften inpandige opslagvoorziening Wm<br />
3.2.1.1 De WBDBO <strong>van</strong> een bouwkundige inpandige opslagvoorziening naar een andere ruimte en <strong>van</strong><br />
een andere ruimte naar een opslagvoorziening moet ten minste 60 minuten bedragen. De wanden, het dak<br />
en de draagconstructie <strong>van</strong> de opslagvoorziening moeten een brandwerendheid <strong>van</strong> ten minste 60<br />
minuten bezitten. Bij opslag in een losse brandveiligheidsopslagkast moet de opslagvoorziening voldoen<br />
aan de eisen <strong>van</strong> paragraaf 3.10.<br />
Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep II<br />
of III, zonder bijkomend gevaar, tot een gezamenlijke hoeveelheid <strong>van</strong> ten hoogste 10 ton, worden<br />
opgeslagen.<br />
Toelichting:<br />
Een opslagvoorziening waarin <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong>, m.u.v. de klasse 8 worden opgeslagen,<br />
wordt in beginsel gelijkgesteld met een brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003. Het<br />
bedoelde brandcompartiment heeft “rondom” dezelfde “WBDBO”. Met betrekking tot de WBDBO c.q. de<br />
brandwerendheid moet voor alle constructies aan alle criteria <strong>van</strong> de NEN 6069, uitgave 1996 en NEN<br />
6069/1A uitgave 2001 worden voldaan. Het normenkader voor losse brandveiligheidsopslagkasten is<br />
anders opgebouwd de eisen waar bouwkundige voorzieningen aan moeten voldoen. Om die reden kunnen<br />
genormeerde brandveiligheidsopslagkasten niet voldoen aan de eisen voor WBDBO. Het belangrijkste<br />
criterium bij genormeerde brandveiligheidsopslagkasten is de mate <strong>van</strong> brandwerendheid.<br />
Indien in een bestaande situatie een WBDBO of een brandwerendheid <strong>van</strong> 30 minuten is vergund, kan <strong>van</strong><br />
de eis <strong>van</strong> 60 minuten worden afgeweken, mits binnen een afstand <strong>van</strong> 7,5 m <strong>van</strong> de opslagvoorziening<br />
geen brand<strong>gevaarlijke</strong> goederen aanwezig zijn.<br />
3.2.1.2 In de inpandige opslagvoorziening mag ten hoogste 2.500 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong><br />
aanwezig zijn.<br />
Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep II<br />
of III, zonder bijkomend gevaar tot een gezamenlijke hoeveelheid <strong>van</strong> ten hoogste 10 ton, worden<br />
opgeslagen.<br />
Toelichting: zie toelichting 3.2.1.3<br />
3.2.1.3 In afwijking <strong>van</strong> voorschrift 3.2.1.2 mag in een inpandige opslagvoorziening ten hoogste 10.000 kg<br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong> aanwezig zijn indien in de opslagvoorziening een brandmeldinstallatie<br />
aanwezig is met doormelding naar de alarmcentrale <strong>van</strong> de overheids- of bedrijfsbrandweer, of een<br />
daaraan gelijkwaardige voorziening. De brandmeldinstallatie moet voldoen aan NEN 2535, uitgave 1996<br />
en NEN 2535/A1 uitgave 2002.<br />
Wm, AI<br />
Toelichting: zie ook bijlage 6 voor ontwerpnormen <strong>van</strong> brandmeldinstallaties. Voor de duidelijkheid moet<br />
hier worden opgemerkt dat de beperkingen tot respectievelijk 2.500 kg (in voorschrift 3.2.1.2) en 10.000 kg<br />
gelden voor inpandig gesitueerde opslagvoorzieningen die niet zijn uitgevoerd met voorzieningen als<br />
bedoeld in hoofdstuk 4 (opslagvoorzieningen groter dan 10.000 kg).<br />
Een permanent bezette meldpost <strong>van</strong> een daartoe gecertificeerde bewakingsdienst kan als gelijkwaardig<br />
worden beschouwd, waarbij met name aspecten als alarmeringstijd een rol spelen. Tevens is het <strong>van</strong><br />
belang dat ook de plaatselijke bouwverordening bepalingen kan bevatten omtrent de wijze <strong>van</strong><br />
doormelding. De norm NEN 2654 geeft de eisen voor het beheer, de controle en het onderhoud <strong>van</strong><br />
dergelijke brandmeldinstallaties.<br />
3.2.1.4 Op een verdieping <strong>van</strong> een gebouw mag maximaal 500 kg of l <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong><br />
worden opgeslagen. Hierbij wordt een kelder wel als een verdieping beschouwd en de begane grond <strong>van</strong><br />
een gebouw niet..
Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep II<br />
of III, zonder bijkomend gevaar, worden opgeslagen.<br />
Toelichting: conform voorschrift 3.2.1.1 moeten ook deze beperkte hoeveelheden in een constructief<br />
zelfstandig brandcompartiment met een WBDBO naar andere ruimten <strong>van</strong> ten minste 60 minuten worden<br />
opgeslagen. Bij opslag in een losse brandveiligheidsopslagkast moet deze voorziening voldoen aan de<br />
voorschriften <strong>van</strong> 3.2.1.1, 3.10 en aan de voorwaarden <strong>van</strong> bijlage 4..<br />
3.2.1.5 In afwijking <strong>van</strong> voorschrift 3.2.1.4 mogen er maximaal twee brandveiligheidsopslagkasten worden<br />
opgesteld per brandcompartiment. De brandveiligheidsopslagkasten moeten voldoen aan voorschrift 3.10<br />
en aan de voorwaarden <strong>van</strong> bijlage 4.<br />
Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep II<br />
of III, zonder bijkomend gevaar worden opgeslagen.<br />
Toelichting: Als op een verdieping meerdere brandcompartimenten zijn gerealiseerd is het toegestaan om<br />
meer dan twee brandveiligheidsopslagkasten te gebruiken. Als er bijvoorbeeld vier brandcompartimenten<br />
zijn gerealiseerd, is het toegestaan om acht brandveiligheidsopslagkasten te gebruiken voor de opslag <strong>van</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Hiermee is het mogelijk dat er meer dan 500 kg of l <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong><br />
wordt opgeslagen. In dit voorschrift is de faalkans meegenomen dat er een calamiteit ontstaat terwijl de<br />
deur(en) <strong>van</strong> een brandveiligheidskast op dat moment open staat (n). Volledigheidshalve wordt opgemerkt<br />
dat het brandcompartiment moet voldoen aan de eisen <strong>van</strong> het Bouwbesluit. Dit kan betekenen dat de<br />
WBDBO <strong>van</strong> een brandcompartiment ten minste 20 30 of 60 minuten moet bedragen, afhankelijk <strong>van</strong> de<br />
hoogte <strong>van</strong> verdiepingsvloer en de leeftijd <strong>van</strong> het bouwwerk (niveau bestaande bouw of nieuwbouw).<br />
3.2.1.5a Door middel <strong>van</strong> het opnemen <strong>van</strong> maatwerkvoorschriften in de milieuvergunning of bij bedrijven<br />
waarvoor algemene regels gelden op grond <strong>van</strong> de Wet milieubeheer, kan worden afgeweken <strong>van</strong> de<br />
voorschrift 3.2.1.4 en 3.2.1.5. De voorwaarde is dat m.b.v. de maatwerkvoorschriften aanvullende eisen<br />
worden gesteld aan de brandwerende voorzieningen of branddetectie en de aanwezigheid <strong>van</strong> opgeleid en<br />
getraind deskundig personeel dat binnen de inrichting aanwezig moet zijn.<br />
Toelichting: Met dit voorschrift wordt onder voorwaarden ruimte geboden om maatwerk toe te passen. De<br />
verwachting is dat dit bij een beperkt aantal bedrijven <strong>van</strong> toepassing zal zijn. Bij dergelijke bedrijven gaat<br />
het dan vnl. om grote en complexe bedrijven waar men gewend is om te werken met interne<br />
werkprocedures voor arbeids- en milieuveiligheid. Bij de beoordeling <strong>van</strong> de maatwerkvoorschriften spelen<br />
ook de staat <strong>van</strong> onderhoud <strong>van</strong> het gebouw, de brandcompartimenten de losse brandveiligheidskasten,<br />
maar ook de installaties en organisatie <strong>van</strong> het bedrijf een rol. Voor de toetsing en borging <strong>van</strong> de<br />
maatwerkvoorschriften kan bijvoorbeeld worden aangesloten bij de ontwikkelingen <strong>van</strong> de IBB (Integrale<br />
Borging Brandveiligheid)<br />
3.2.1.6 Een opslagvoorziening mag niet in een vluchtroute zijn gelegen en mag het vluchten niet<br />
belemmeren.<br />
AI<br />
Bron:Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />
De tekst <strong>van</strong> 3.10.1 wordt ver<strong>van</strong>gen door onderstaande tekst:<br />
3.10.1 Een brandveiligheidsopslagkast waar<strong>van</strong> het eerste gebruik heeft plaatsgevonden na 1 januari 2006<br />
moet aan NEN-EN-14470-1 voldoen. Een brandveiligheidsopslagkast waar<strong>van</strong> het eerste gebruik dateert<br />
<strong>van</strong> vóór die datum moet ten minste voldoen aan NEN 2678. Bij het gebruik <strong>van</strong> de<br />
brandveiligheidsopslagkasten moet tevens worden voldaan aan de eisen <strong>van</strong> bijlage 4.<br />
Toelichting: De norm NEN-EN-14470-1 kent 4 categorieën <strong>van</strong> brandwerendheid, te weten 15, 30, 60 en<br />
90 minuten. Afhankelijk <strong>van</strong> de toepassing <strong>van</strong> een brandveiligheidsopslagkast moet gekozen worden voor<br />
een bepaalde veiligheidsklasse (30, 60 of 90). In bijlage 4 is ingegaan op de verschillende eisen die bij de<br />
betreffende veiligheidsklassen behoren. Voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die onder PGS 15 vallen is<br />
het type met 15 minuten brandwerendheid niet geschikt.<br />
Bijlage 4 wordt ver<strong>van</strong>gen door onderstaande tabel:<br />
Bijlage 4<br />
Kenmerken <strong>van</strong> veiligheidsklassen <strong>van</strong> brandveiligheidsopslagkasten<br />
Ministerie <strong>van</strong> VROM 25 juni 2008 Pagina 2/3
Overeenkomstig NEN 2678 NEN-EN-14470-1<br />
Type 30<br />
NEN-EN-14470-1<br />
Type 60<br />
NEN-EN-14470-1<br />
Type 90<br />
Brandwerendheid (veiligheidsperiode 40<br />
min.)<br />
30 min. 60 min. 90 min.<br />
Max. hoeveelheid (L) 150 150 250 250<br />
opslag <strong>van</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />
behorende tot de<br />
ADR klassen:<br />
2**, 3, 4.1, 4.2, 4.3,<br />
5.1*, 6.1, 8 , 9 en<br />
CMR-<strong>stoffen</strong><br />
klasse 5.2 conform<br />
PGS 8<br />
3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1*,<br />
6.1, 8 , 9 en CMR<strong>stoffen</strong><br />
klasse 5.2 conform<br />
PGS 8<br />
2**, 3, 4.1, 4.2, 4.3,<br />
5.1*, 6.1, 8 , 9 en<br />
CMR-<strong>stoffen</strong><br />
klasse 5.2 conform<br />
PGS 8<br />
2**, 3, 4.1, 4.2, 4.3,<br />
5.1*, 6.1, 8 , 9 en<br />
CMR-<strong>stoffen</strong><br />
klasse 5.2 conform<br />
PGS 8<br />
Op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />
Compartimentering<br />
Tenminste 100% <strong>van</strong><br />
de inhoud, indien het<br />
(licht) ontvlambare<br />
vloei<strong>stoffen</strong> betreft. In<br />
de overige gevallen<br />
tenminste de inhoud<br />
<strong>van</strong> de grootste<br />
verpakking<br />
vermeerderd met<br />
10% <strong>van</strong> de inhoud<br />
<strong>van</strong> de overige<br />
verpakking<br />
Kan plaats vinden<br />
door het plaatsen <strong>van</strong><br />
de verschillende<br />
categorieën <strong>stoffen</strong> in<br />
afzonderlijke<br />
lekbakken. Voor<br />
iedere te<br />
compartimenteren<br />
categorie moet er een<br />
lekbak aanwezig zijn<br />
Tenminste 110% <strong>van</strong><br />
de inhoud <strong>van</strong> de<br />
grootste emballage,<br />
doch (als dat méér is)<br />
ten minste 10% <strong>van</strong><br />
de inhoud <strong>van</strong> de<br />
totale emballage<br />
(geldt alleen voor<br />
vloei<strong>stoffen</strong>)<br />
Kan plaats vinden<br />
door het plaatsen <strong>van</strong><br />
de verschillende<br />
categorieën <strong>stoffen</strong> in<br />
afzonderlijke<br />
lekbakken. Voor<br />
iedere te<br />
compartimenteren<br />
categorie moet er een<br />
lekbak aanwezig zijn.<br />
Tenminste 110% <strong>van</strong><br />
de inhoud <strong>van</strong> de<br />
grootste emballage,<br />
doch (als dat méér is)<br />
ten minste 10% <strong>van</strong><br />
de inhoud <strong>van</strong> de<br />
totale emballage<br />
(geldt alleen voor<br />
vloei<strong>stoffen</strong><br />
Kan plaats vinden<br />
door het plaatsen <strong>van</strong><br />
de verschillende<br />
categorieën <strong>stoffen</strong> in<br />
afzonderlijke<br />
lekbakken. Voor<br />
iedere te<br />
compartimenteren<br />
categorie moet er een<br />
lekbak aanwezig zijn.<br />
Tenminste 110% <strong>van</strong><br />
de inhoud <strong>van</strong> de<br />
grootste emballage,<br />
doch (als dat méér is)<br />
ten minste 10% <strong>van</strong><br />
de inhoud <strong>van</strong> de<br />
totale emballage<br />
(geldt alleen voor<br />
vloei<strong>stoffen</strong>)<br />
Kan plaats vinden<br />
door het plaatsen <strong>van</strong><br />
de verschillende<br />
categorieën <strong>stoffen</strong> in<br />
afzonderlijke<br />
lekbakken.Voor<br />
iedere te<br />
compartimenteren<br />
categorie moet er een<br />
lekbak aanwezig zijn.<br />
Toelichting:<br />
* Klasse 5.1: Oxiderende <strong>stoffen</strong> niet in combinatie met brandbare <strong>stoffen</strong><br />
** Klasse 2: Voor zover spuitbussen<br />
Toelichting bij dit erratum:<br />
In de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de eisen voor de opslag op verdiepingen tot interpretatiekwesties<br />
kan leiden (o.a. doordat er geen definitie <strong>van</strong> het begrip ‘ruimte’ is opgenomen). Daarnaast bleek het<br />
gebruik <strong>van</strong> genormeerde brandveiligheidsopslagkasten, formeel gezien, niet goed mogelijk te zijn, omdat<br />
de normering <strong>van</strong> dergelijke kasten anders is dan die <strong>van</strong> Bouwbesluit (mate <strong>van</strong> brandwerendheid i.p.v.<br />
WBDBO). Met dit erratum is dit hersteld.<br />
Ministerie <strong>van</strong> VROM 25 juni 2008 Pagina 3/3
Rijnstraat 8<br />
Postbus 30945<br />
2500 GX Den Haag<br />
Erratum PGS 15 d.d 15 mei 2008<br />
Voorschrift 5.6.8 komt te luiden:<br />
Voor tankcontainers gevuld met <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de ADR-klassen 3, 5.1 en 5.2 geldt het volgende. Voornoemde<br />
tankcontainers gevuld met <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> dezelfde ADR-klasse mogen boven elkaar worden gestapeld en<br />
direct naast elkaar worden geplaatst.<br />
Voornoemde tankcontainers gevuld met <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> verschillende ADR-klassen mogen niet boven elkaar<br />
worden gestapeld of direct naast elkaar worden geplaatst.<br />
Toelichting:<br />
De plaatsing <strong>van</strong> tankcontainers, beladen met een <strong>gevaarlijke</strong> stof <strong>van</strong> de ADR klasse 3 of 5.1 of 5.2 dient<br />
dusdanig te zijn, dat deze tankcontainers onderling niet boven elkaar en ook niet direct naast elkaar staan.<br />
Niet direct naast elkaar betekent minimaal (horizontaal gemeten) een containerbreedte (2,50 meter) <strong>van</strong><br />
elkaar gescheiden.<br />
Het stapelen en/of direct naast elkaar plaatsen <strong>van</strong> tankcontainers, gevuld met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong><br />
dezelfde klasse, is toegestaan.
Rijnstraat 8<br />
Postbus 30945<br />
2500 GX Den Haag<br />
Erratum PGS 15 d.d 3 april 2008<br />
Voorschrift 3.5.1 <strong>van</strong> PGS 15 is vervallen.<br />
Toelichting bij deze wijziging:<br />
Bliksembeveiliging komt via de Arbeidsomstandighedenregelgeving alleen aan de orde bij<br />
explosieveiligheid. Bij PGS 15 opslagen, met inachtneming <strong>van</strong> de beheersmaatregelen, is in het<br />
ongunstigste geval sprake <strong>van</strong> zone 2 voor gasexplosiegevaar. In een dergelijke zone is bliksem als<br />
ontstekingsbron onwaarschijnlijk. Op basis hier<strong>van</strong> is een apart voorschrift ten aanzien <strong>van</strong><br />
bliksembeveiliging in de PGS 15 niet noodzakelijk.<br />
Ook <strong>van</strong>uit het bouwwerk gezien, door het toepassen <strong>van</strong> onbrandbare materialen (voorschrift<br />
3.2.4.4), is er geen directe aanleiding voor een specifieke eis. Wel kan, middels een PvE/BdB, om<br />
brandbeveiligingsinstallaties te beschermen tegen overspanningbeveiliging e.d. er redenen zijn voor<br />
het aanbrengen <strong>van</strong> een bliksembeveiliging.<br />
Vanuit milieuwetgeving en bijbehorende jurisprudentie gezien, is bliksembeveiliging op de opslag zelf<br />
niet in alle gevallen noodzakelijk. De noodzaak bliksembeveiliging aan te brengen is onder meer<br />
afhankelijk <strong>van</strong> de kans op blikseminslag op het gebouw waar de opslag zich bevindt. Er moet dus<br />
binnen de inrichting worden bekeken welke plaats het meest geschikt is om bliksembeveiliging aan te<br />
brengen.<br />
Onderstaande tekst ver<strong>van</strong>gt de tekst <strong>van</strong> voorschrift 3.11.1:<br />
3.11.1 De verpakking <strong>van</strong> de in een opslagvoorziening aanwezige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moet zodanig<br />
zijn dat:<br />
- niets <strong>van</strong> de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen;<br />
- het materiaal <strong>van</strong> de verpakking niet door <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> kan worden aangetast, dan wel met<br />
die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen;<br />
- de verpakking tegen normale behandeling bestand is.<br />
Aan dit voorschrift wordt in ieder geval voldaan indien de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn verpakt conform de<br />
bepalingen <strong>van</strong> de Verenigde Naties zoals verwoord in de “Manual of tests and criteria” (Oranje<br />
Boek).<br />
Toelichting:<br />
Over het algemeen bevinden <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een opslagvoorziening zich in de zogenaamde<br />
UN-gekeurde verpakking. Daarnaast zijn er consumentenomverpakkingen die zijn verpakt volgens het<br />
regime <strong>van</strong> de zogenaamde gelimiteerde hoeveelheden (limited quantities / LQ) In deze verpakkingen<br />
is een dermate geringe hoeveelheid <strong>gevaarlijke</strong> stof aanwezig dat er slechts een beperkt risico ontstaat<br />
indien deze hoeveelheid vrijkomt. (ADR sectie 3.4 behandelt de wijze waarop gelimiteerde<br />
hoeveelheden behandeld moeten worden en welke vrijstellingen daarvoor gelden.)<br />
Breekbare verpakking moet in een opslagvoorziening (m.u.v. de werkvoorraad) zoveel mogelijk<br />
conform de vervoersregelgeving opgeslagen worden als samengestelde verpakking (zie ADR<br />
subsectie 1.2.1 en 4.1.1.5).<br />
Toelichting bij deze wijziging:<br />
Dit betreft geen inhoudelijke wijziging. Het Oranje Boek als bedoeld in de PGS 15 is niet de ADR<br />
zelf, maar de handleiding met bovengenoemde titel. Met deze aanpassing is de juiste titel vermeld.
Rijnstraat 8<br />
Postbus 30945<br />
2500 GX Den Haag<br />
Erratum PGS 15 d.d 7 januari 2008<br />
De in PGS 15 opgenomen norm voor bovengrondse brandkranen (opgenomen in 5.3.3) is ver<strong>van</strong>gen door<br />
een nieuwe norm. De hieronder opgenomen tekst ver<strong>van</strong>gt de tekst zoals opgenomen in de PGS 15.<br />
5.3.3. Ondergrondse brandkranen moeten voldoen aan NEN 947. Bovengrondse brandkranen die na 1<br />
maart 2008 worden geinstalleerd moeten voldoen aan NEN-EN 14384:2005. Bovengrondse brandkranen<br />
welke zijn geïnstalleerd vóór deze datum moeten voldoen aan DIN 3222 of NEN-EN 14384:2005.<br />
Toelichting:<br />
Bij ver<strong>van</strong>ging (al of niet als gevolg <strong>van</strong> onderhoud) <strong>van</strong> een bovengrondse brandkraan na 1 maart 2008,<br />
moet een een brandkraan worden geinstalleerd die voldoet aan NEN-EN 14384:2005.
Rijnstraat 8<br />
Postbus 30945<br />
2500 GX Den Haag<br />
Erratum PGS 15 d.d. 4 oktober 2007<br />
Een passage in de PGS 15 kan leiden tot onduidelijkheden bij het gebruik <strong>van</strong> de PGS publicatie. De<br />
hieronder opgenomen tekst ver<strong>van</strong>gt de tekst zoals opgenomen in de PGS 15.<br />
3.7 Ventilatie Wm, AI<br />
3.7.1 Een opslagvoorziening moet doelmatig zijn geventileerd. Afvoer <strong>van</strong> ventilatielucht moet opde<br />
buitenlucht plaatsvinden. Indien natuurlijke ventilatie op de buitenlucht aanwezig is, moeten<br />
ventilatieopeningen zo ver mogelijk <strong>van</strong> elkaar (diametraal) zijn aangebracht. De laagste ventilatieopening<br />
mag niet lager liggen dan de hoogte <strong>van</strong> de drempel. De ventilatie moet continu zijn en de ventilatievoud<br />
<strong>van</strong> de ruimte per uur moet te allen tijde minimaal 1 bedragen. Een grotere ventilatievoud kan noodzakelijk<br />
zijn, afhankelijk <strong>van</strong> de gevaarsaspecten<strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong> (explosieveiligheid /<br />
arbeidshygiënische omstandigheden). Indien een ventilatieopening is aangebracht in een bouwkundige<br />
constructie waaraan op basis <strong>van</strong> paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze richtlijn eisen m.b.t. WBDBO of<br />
brandwerendheid zijn gesteld, moeten vlamkerende roosters zijn aangebracht en mag door het<br />
aanbrengen <strong>van</strong> de ventilatie geen afbreuk worden gedaan aan de WBDBO <strong>van</strong> de opslagvoorziening.<br />
Toelichting:<br />
Ventilatie heeft ten doel te voorkomen dat door een lekkage anders dan ten gevolge <strong>van</strong> een calamiteit,<br />
een explosief damp/luchtmengsel ontstaat. Zoneklassen en zoneafmetingen worden mede bepaald door<br />
het ventilatieontwerp (zie NPR 7910-1). Tevens heeft ventilatie ten doel schadelijke of hinderlijke gassen of<br />
dampen af te voeren (arbeidshygiënische aspecten). In hoeverre er sprake is <strong>van</strong> schadelijke of<br />
hinderlijke dampen kan bepaald worden met behulp <strong>van</strong> de RI&E. De gevaarseigenschappen <strong>van</strong> de<br />
opgeslagen stof(fen) moeten hierbij nadrukkelijk betrokken worden. Afhankelijk <strong>van</strong> de vraag of de<br />
opgeslagen <strong>stoffen</strong> een vluchtig, hinderlijk en/of giftig karakter hebben moet worden bezien of ventilatie<br />
geïndiceerd is en zo ja met welk ventilatievoud (aantal malen per uur dat de lucht in de ruimte wordt<br />
ververst).Verder moet uit het RI&E blijken of er, bij het gebruik <strong>van</strong> mechanische ventilatie, noodzaak is<br />
voor het plaatsen <strong>van</strong> een signaleringssysteem in geval er storing optreedt.<br />
Indien beveiligingen worden aangebracht (te denken valt aan detectieapparatuur) kan afgeweken worden<br />
<strong>van</strong> de ventilatie-eisen. Dit kan <strong>van</strong> belang zijn bij bijvoorbeeld gekoelde of verwarmde opslag. Indien een<br />
rookluik (rook- en warmteafvoer) zodanig is geïnstalleerd dat deze onder normale omstandigheden is<br />
geopend, kan een rookluik worden gezien als een ventilatiekanaal. Bij bepaalde<br />
brandbeveiligingsinstallaties worden eisen gesteld aan de uitvoering <strong>van</strong> ventilatiekanalen.<br />
Toelichting op dit erratum<br />
Met dit erratum wordt duidelijk dat de eis voor doelmatige ventilatie <strong>van</strong> een opslagvoorziening ook geldt<br />
voor brandveiligheidsopslagkasten. In de nieuwe tekst is een klein aantal verduidelijkingen angebracht en<br />
zijn onderstaande passages geschrapt:<br />
In het voorschrift de zin:<br />
- Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing op een brandveiligheidsopslagkast.<br />
In de toelichting de zinnen:<br />
- Afhankelijk <strong>van</strong> de uitkomst dient doelmatige ventilatie aangebracht te worden.<br />
- In de norm voor brandveiligheidsopslagkasten (NEN-EN 14470-1) zijn eisen m.b.t. ventilatie<br />
opgenomen.
Rijnstraat 8<br />
Postbus 30945<br />
2500 GX Den Haag<br />
Erratum PGS 15 d.d. 12 december 2008<br />
Een passage in de PGS 15 kan leiden tot onduidelijkheden bij het gebruik <strong>van</strong> de PGS publicatie. De<br />
hieronder opgenomen tekst is een aanvulling op bijlage 3 (paragraaf 2) <strong>van</strong> PGS 15.<br />
Aanvulling op paragraaf 2 <strong>van</strong> bijlage 3:<br />
De kans op domino-effecten bij gasflessen is niet uitgesloten, maar de kans hierop is gering. Om die reden<br />
is voorschrift 3.12 uitgezonderd voor de opslag <strong>van</strong> gasflessen en is er ook geen noodzaak voor het<br />
plaatsen <strong>van</strong> gasflessen met verschillende inhoud in gescheiden vakken of compartimenten. Dit is mede<br />
gebaseerd op TNO-rapport: 2006-A-R0140/B.<br />
Bij calamiteiten met gasflessen bestaat in principe de mogelijkheid op domino-effecten. Als er sprake is<br />
<strong>van</strong> fragmentatie dan kan elk type gassoort een domino-effect veroorzaken tot op relatief grote afstand.<br />
Overigens is de trefkans door een fragment <strong>van</strong> een cilinder gering wat, ook geldt voor het vrijkomen <strong>van</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> stof uit de getroffen cilinder. De domino-effecten worden voornamelijk veroorzaakt door<br />
verhitting <strong>van</strong> naastgelegen gasflessen (wanneer de warmtestraling hoog genoeg is lang genoeg duurt en<br />
koeling niet plaatsvindt). Dit kan dus ook bij brandbare gassen onderling. De enige maatregel hiertegen is<br />
koeling wat veelal moet geschieden door de brandweer. Hierom gaat de voorkeur uit naar een<br />
buitenopslag en moet de locatie goed bereikbaar zijn (artikel 6.1).<br />
In voorschrift 6.2.12 is opgenomen dat gasflessen die gevuld zijn met gassen met gelijksoortige<br />
eigenschappen, bij elkaar moeten worden opgeslagen. Dit is echter uitsluitend bedoeld om de kans op<br />
verwisseling bij gebruik te voorkomen en het bevorderen <strong>van</strong> het optreden bij calamiteiten en sluit dus niet<br />
uit dat verschillende soorten gassen dicht bij elkaar worden opgeslagen.
Eigenschappen toegepaste materialen in de gebouwconstructie<br />
Het Bouwbesluit 2003 biedt met de verwijzing naar de NEN 6068 en de NEN 6069 de mogelijkheid dat<br />
brandwerende constructies worden opgebouwd uit brandbare materialen. Omdat dit voor de opslag <strong>van</strong><br />
bepaalde klassen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> niet intrinsiek veilig is, is in PGS 15 bepaald dat voor de ruimten<br />
waarin die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen, de eventueel noodzakelijke afdekkingen <strong>van</strong> de<br />
hoofddraagconstructie (om de hoofddraagconstructie te laten voldoen aan het criterium bezwijken binnen<br />
NEN 6069), alsmede de afdekking aan de binnenzijde <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> wanden en dak<br />
moeten zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal, beoordeeld over ten minste de eerste 10 mm <strong>van</strong> die<br />
afdekking. Een vloer <strong>van</strong> een opslagvoorziening moet altijd zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal.<br />
Het Bouwbesluit 2003 biedt voor sommige situaties de mogelijkheid dat een dak <strong>van</strong> een bouwwerk niet<br />
niet-brandgevaarlijk hoeft te worden uitgevoerd. Het is niet wenselijk dat dit voor opslagvoorzieningen <strong>van</strong><br />
<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> ook zou mogen. Daarom wordt hier bij de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> expliciet<br />
voorgeschreven dat het dak moet zijn geconstrueerd <strong>van</strong> niet brandgevaarlijk materiaal.<br />
3.2.4.4 De vloer <strong>van</strong> een opslagvoorziening moet zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal. Een<br />
eventueel noodzakelijke afdekking <strong>van</strong> de hoofddraagconstructie, alsmede de afdekking aan de<br />
binnenzijde <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> wanden en dak moeten zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar<br />
materiaal, beoordeeld over ten minste de eerste 10 mm <strong>van</strong> die afdekking.<br />
Den Haag, 5 juli 2005<br />
Ministerie <strong>van</strong> VROM Pagina 2/2