23.08.2014 Views

Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15<br />

<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Richtlijn voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en<br />

milieuveiligheid


Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15<br />

<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Richtlijn voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en<br />

milieuveiligheid


Ten geleide<br />

Met ingang <strong>van</strong> 1 juni 2004 is de Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS) benoemd door het Kabinet.<br />

Tevens is de Commissie Preventie <strong>van</strong> Rampen door <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (CPR) opgeheven.<br />

De CPR bracht publicaties uit, de CPR-richtlijnen, die veelvuldig worden gebruikt bij vergunningverlening<br />

op grond <strong>van</strong> de Wet milieubeheer en binnen de werkterreinen <strong>van</strong> de arbeidsveiligheid,<br />

transportveiligheid en de brandveiligheid.<br />

De CPR-richtlijnen zijn omgezet naar de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). Het doel <strong>van</strong> deze<br />

publicaties is in hoofdlijnen dezelfde als <strong>van</strong> de CPR-richtlijnen. Alle CPR-richtlijnen zijn beoordeeld <strong>van</strong>uit<br />

de volgende vragen:<br />

1. Is er nog een bestaansreden voor de richtlijn of kan de richtlijn vervallen.<br />

2. Kan de richtlijn ongewijzigd worden overgenomen of is actualisatie nodig.<br />

De voorliggende publicatie (PGS 15) is een herziening <strong>van</strong> de richtlijnen:<br />

- CPR 15-1, tweede druk 1990, <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in emballage, opslag <strong>van</strong> vloei<strong>stoffen</strong> en<br />

vaste <strong>stoffen</strong> (0 tot 10 ton);<br />

- CPR 15-2, eerste druk 1991, <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, chemische afval<strong>stoffen</strong><br />

bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag <strong>van</strong> grote hoeveelheden (<strong>van</strong>af een hoeveelheid <strong>van</strong> 10<br />

ton);<br />

- CPR 15-3, eerste druk 1990, <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag <strong>van</strong><br />

bestrijdingsmiddelen in distributiebedrijven en aanverwante bedrijven (<strong>van</strong>af 400 kg);<br />

- Leidraad voor de vergunningverlening voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> bij<br />

stuwadoorsbedrijven, december 1993.<br />

Tevens ver<strong>van</strong>gt PGS 15 hoofdstuk 8.3 “opslag <strong>van</strong> gevulde spuitbussen” uit de richtlijn CPR 11-6<br />

“Propaan, vulstations voor spuitbussen met propaan, butaan en dimethyl-ether als drijfgas”.<br />

De nieuwe publicatie is opgesteld door de overleggroep “actualisatie en integratie CPR 15-richtlijnen”, met<br />

daarin vertegenwoordigers <strong>van</strong> overheid en bedrijfsleven.<br />

De publicatie geeft dus richtlijnen voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Belangrijke wijziging in<br />

deze nieuwe publicatie is dat de indeling <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> is gebaseerd op de vervoerswetgeving<br />

(ADR).<br />

Deze publicatie is tot stand gekomen binnen de kaders <strong>van</strong> de per 1 juli 2004 opgeheven CPR.<br />

Het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het bedrijfsleven<br />

(VNO/NCW en MKB-Nederland) hebben positief geadviseerd over het uitbrengen <strong>van</strong> deze publicatie.<br />

Mede namens mijn collega’s <strong>van</strong> het Ministerie <strong>van</strong> Verkeer en Waterstaat, het Ministerie <strong>van</strong> Sociale<br />

Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie <strong>van</strong> Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.<br />

De staatssecretaris <strong>van</strong> VROM,<br />

Drs. P.L.B.A. <strong>van</strong> Geel<br />

Den Haag, 28 juni 2005<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 2/84


Leden overleggroep “actualisatie en integratie CPR 15-richtlijnen” en de organisaties die door deze leden<br />

vertegenwoordigd worden<br />

Naam<br />

Organisatie<br />

E. Alders - FME/CWM<br />

J. Basters - Nefyto<br />

G. den Boer - BZK/LNB<br />

E. Broens - IPO<br />

M. <strong>van</strong> Driel - VNG<br />

H. Groenewegen - Vereniging Afvalbedrijven<br />

H. de Groot - MKB Nederland<br />

H. Holtman - Infomil<br />

Mw. M. Ingenbleek - VROM-inspectie<br />

G. Jonkers - VVVF<br />

R. Klement - Agrodis<br />

M. Korteweg Maris - Arbeidsinspectie<br />

B. Krullaars - Nefyto<br />

H. Kuitert - IPO<br />

G. Laheij - RIVM/CEV<br />

D. Mevissen - VHCP<br />

E. Nederpelt - VFIG<br />

P. Pasveer - VROM/EV<br />

A. Pels - EVO<br />

J. Razenberg - NVZ<br />

J. Scholtanus - NAV<br />

W. Sprong - VROM/EV<br />

L. <strong>van</strong> Tatenhove - Arbeidsinspectie<br />

W. in ‘t Veld - Agrodis<br />

J. Verhoef - VNCI<br />

P. Verhoeven - IPO<br />

A. <strong>van</strong> Vliet - RIVM/CEV<br />

Mw. Y. <strong>van</strong> der Voort - VROM/EV<br />

A. Vreeman - NVZ<br />

E. Wijdeveld - Deltalinqs<br />

W. Zijlstra - VNO/NCW<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 3/84


Hoofdstuk 1 Inleiding 7<br />

1.1 Doelstelling <strong>van</strong> de richtlijn 7<br />

1.2 Aanleiding voor de herziening <strong>van</strong> de bestaande CPR 15-richtlijnen 7<br />

1.3 Toepassing <strong>van</strong> de richtlijn 8<br />

1.4 Werkingssfeer 8<br />

1.5 Ondergrenzen 11<br />

1.6 Systematiek 11<br />

1.7 Samenhang met 8.40 amvb’s en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) 12<br />

1.8 Gelijkwaardigheidbeginsel 12<br />

1.9 Terminologie kg of liter 13<br />

1.10 Begrippen- en literatuurlijst 13<br />

Hoofdstuk 2 Leeswijzer 14<br />

Hoofdstuk 3 Algemeen 15<br />

3.1 Het opslaan <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 15<br />

3.2 Bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening 17<br />

3.3 Kwaliteit vloeren 22<br />

3.4 Kwaliteit stellingen 23<br />

3.5 Bliksembeveiliging 24<br />

3.6 Explosieveiligheid 24<br />

3.7 Ventilatie 24<br />

3.8 Voorkomen <strong>van</strong> verontreinigd hemelwater 24<br />

3.9 Productop<strong>van</strong>g 25<br />

3.10 Brandveiligheidsopslagkasten 25<br />

3.11 Verpakking en etikettering 25<br />

3.12 Onverenigbare combinaties 26<br />

3.13 Gebruik opslagvoorziening 27<br />

3.14 Incidenten met gemorste <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 27<br />

3.15 Rook- en vuurverbod, blustoestellen 27<br />

3.16 Veiligheidsignalering, veiligheidsinformatiebladen, instructies 28<br />

3.17 Vakbekwaamheid 28<br />

3.18 Journaal en registratie 28<br />

3.19 Intern noodplan 29<br />

3.20 Toegankelijkheid voor onbevoegden 30<br />

3.21 Toegangsdeuren en vluchtwegen 30<br />

3.22 Noodverlichting en vluchtwegaanduiding 30<br />

3.23 Verwarming 31<br />

3.24 Nooddouche en oogspoelvoorziening 31<br />

3.25 Persoonlijke beschermingsmaatregelen 31<br />

3.26 Bedrijfshulpverlening (BHV) 32<br />

3.27 Hygiëne, good housekeeping 32<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 4/84


Hoofdstuk 4 <strong>Opslag</strong>voorzieningen groter dan 10.000 kg 33<br />

4.1. Inleiding 33<br />

4.2 Bereikbaarheid opslagvoorziening 33<br />

4.3 Scheiding tussen de vakken 33<br />

4.4 Vakindeling en maximum oppervlak opslagvoorziening 34<br />

4.5 Beschermingsniveaus 34<br />

4.6 Bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen 36<br />

4.7 Productop<strong>van</strong>g 37<br />

4.8 Brandbeveiligingsinstallaties 37<br />

Hoofdstuk 5 Voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> containers geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 39<br />

5.1 Inleiding 39<br />

5.2 Algemeen 39<br />

5.3 Blusleidingen en brandkranen 40<br />

5.4 Bereikbaarheid terrein 40<br />

5.5 Middelen en maatregelen in geval <strong>van</strong> calamiteiten 40<br />

5.6 De opslag <strong>van</strong> (tank)containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 42<br />

5.7 Maatregelen ter voorkoming <strong>van</strong> verontreiniging <strong>van</strong> het oppervlaktewater en ter<br />

bescherming <strong>van</strong> het riool 43<br />

5.8 Opstelplaatsen voor voertuigen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 43<br />

Hoofdstuk 6 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> gasflessen 44<br />

6.1 Inleiding 44<br />

6.2 Voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> gasflessen 46<br />

Hoofdstuk 7 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen 49<br />

7.1 Inleiding 49<br />

7.2 Beschermingsniveau 50<br />

7.3 Voorkomen opwarming <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen tijdens opslag 50<br />

7.4 Het opslaan <strong>van</strong> maximaal 400 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder de<br />

gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 50<br />

7.5 Het opslaan <strong>van</strong> meer dan 400 kg maar minder dan 2.500 kg spuitbussen of gaspatronen,<br />

met of zonder de gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 51<br />

7.6 Het opslaan <strong>van</strong> meer dan 2.500 kg maar minder dan 10.000 kg spuitbussen of gaspatronen,<br />

met of zonder de gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 52<br />

7.7 Het opslaan <strong>van</strong> meer dan 10.000 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder de<br />

gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 52<br />

Hoofdstuk 8 <strong>Opslag</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3 53<br />

8.1 Inleiding 53<br />

8.2 Brand<strong>gevaarlijke</strong> vaste <strong>stoffen</strong> (klasse 4.1) 54<br />

8.3 Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong> (klasse 4.2) 54<br />

8.4 Stoffen met gevaar <strong>van</strong> ontwikkeling <strong>van</strong> brandbare gassen in contact met water<br />

(klasse 4.3) 55<br />

8.5 Voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3 55<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 5/84


Hoofdstuk 9 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> een beperkte hoeveelheid organische peroxiden 57<br />

9.1 Inleiding 57<br />

9.2 Voorschriften 58<br />

Hoofdstuk 10 Begrippenlijst 59<br />

BIJLAGE 1 Explosieveilig materieel 65<br />

BIJLAGE 2 Borden ten behoeve <strong>van</strong> de veiligheidsignalering 67<br />

BIJLAGE 3 Voorkomen <strong>van</strong> onverenigbare combinaties door <strong>stoffen</strong>scheiding 68<br />

BIJLAGE 4: Kenmerken <strong>van</strong> veiligheidsklassen <strong>van</strong> brandveiligheidsopslagkasten 71<br />

BIJLAGE 5 Brandbeveiligingsinstallaties: kenmerken en parameters 72<br />

BIJLAGE 6 Overzicht ontwerpnormen brandbestrijdingsinstallaties 81<br />

BIJLAGE 7 Overzicht <strong>van</strong> veel voorkomende gassen 84<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 6/84


1 Inleiding<br />

1.1 Doelstelling <strong>van</strong> de richtlijn<br />

De Sandoz-ramp in Basel in 1986 is de aanleiding geweest voor de ontwikkeling <strong>van</strong> een aantal richtlijnen<br />

voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, de CPR 15-richtlijnen. De richtlijnen in de CPR 15-serie<br />

zijn nu in geactualiseerde vorm samengevoegd in een nieuwe richtlijn in de Publicatiereeks Gevaarlijke<br />

Stoffen, PGS 15.<br />

PGS 15 is in nauw overleg met IPO, VNG en het bedrijfsleven tot stand gekomen.<br />

In de richtlijn zijn de regels opgenomen voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> waarmee een<br />

aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Voor de bepaling <strong>van</strong> het<br />

vereiste beschermingsniveau is uitgegaan <strong>van</strong> de huidige stand der techniek die geldt voor de<br />

bouwkundige uitvoering <strong>van</strong> opslagvoorzieningen, brandbestrijdingssystemen en arbeidsmiddelen.<br />

De voorschriften in de richtlijn vormen een nadere invulling <strong>van</strong> de bepalingen <strong>van</strong> de Wet milieubeheer,<br />

de arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en het Bouwbesluit. Het Wm-bevoegd gezag kan de<br />

richtlijn toepassen bij vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer. De Arbeidsinspectie gebruikt de<br />

richtlijn voor het toezicht op de naleving <strong>van</strong> arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en de daarmee<br />

samenhangende beleidsregels. De locale en regionale brandweer kan de richtlijn gebruiken ten behoeve<br />

<strong>van</strong> haar adviseringstaken en als referentiekader bij het opstellen <strong>van</strong> bedrijfsbrandweer<br />

aanwijsbeschikkingen in het kader <strong>van</strong> art. 13 <strong>van</strong> de Brandweerwet.<br />

1.2 Aanleiding voor de herziening <strong>van</strong> de bestaande CPR 15-richtlijnen<br />

De richtlijnen in de CPR 15-serie zijn begin jaren negentig gepubliceerd. Op basis <strong>van</strong> een in 2001<br />

uitgevoerd knelpuntenonderzoek is geconcludeerd dat de richtlijnen moeten worden geactualiseerd en<br />

samengevoegd. De knelpunten hadden hoofdzakelijk betrekking op toepassingsgebied, complexiteit en<br />

ontwikkelingen in beleid en technologie. Op basis <strong>van</strong> deze onderzoeksresultaten is besloten de richtlijnen<br />

te herzien.<br />

Daarnaast is bij de totstandkoming <strong>van</strong> PGS 15 invulling gegeven aan het voornemen <strong>van</strong> de<br />

rijksoverheid regelgeving te herijken en tegenstrijdige regelgeving te voorkomen.<br />

Zo is de indeling <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> gebaseerd op de vervoerswetgeving (ADR) in plaats <strong>van</strong> de Wet<br />

milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Hierdoor zijn de bepalingen uit PGS 15 beter inpasbaar in het logistiek<br />

management <strong>van</strong> bedrijven en geldt de richtlijn niet meer voor een aantal categorieën <strong>stoffen</strong> met een<br />

beperkt risico.<br />

Tevens is de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 uitgebreid met een aantal categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die in<br />

de CPR 15-richtlijnen waren uitgezonderd. De volgende categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn nu ook onder<br />

de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 gebracht:<br />

- gasflessen;<br />

- spuitbussen;<br />

- carcinogene, mutagene en reprotoxische <strong>stoffen</strong> (CMR-<strong>stoffen</strong>);<br />

- bepaalde organische peroxiden tot 1.000 kg;<br />

- zeer licht ontvlambare <strong>stoffen</strong>;<br />

- brand<strong>gevaarlijke</strong> vaste <strong>stoffen</strong>;<br />

- voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong>;<br />

- <strong>stoffen</strong> met ontwikkeling <strong>van</strong> brandbare gassen in contact met water;<br />

- infectueuze <strong>stoffen</strong> (ziekenhuisafval, diagnostische monsters).<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 7/84


PGS 15 beschrijft dus voor de regulier voorkomende <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> de wijze <strong>van</strong> opslag<br />

conform de stand der techniek. Uitgezonderd <strong>van</strong> PGS 15 blijven de in tabel 2 en 3 genoemde klassen en<br />

hoeveelheden.<br />

Tenslotte is nadrukkelijker vermeld dat een brandbeveiligingsinstallatie aantoonbaar geschikt moet zijn<br />

voor de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

1.3 Toepassing <strong>van</strong> de richtlijn<br />

PGS 15 is bedoeld als referentiekader voor vergunningverlening in het kader <strong>van</strong> de Wet milieubeheer en<br />

voor het toezicht op de naleving <strong>van</strong> arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />

Indien een bestaande opslagvoorziening, alsmede de daarvoor verleende milieuvergunning is gebaseerd<br />

op de CPR 15-richtlijnen of de CPR 11-6, kan deze situatie nog steeds als de stand der techniek worden<br />

beschouwd.<br />

In de praktijk zal dus een geleidelijke overgang naar PGS 15 ontstaan, omdat vergunningen voor<br />

bestaande bedrijven nog gedurende een aantal jaren gebaseerd zullen blijven op de richtlijnen CPR 15-1<br />

t/m 15-3 en CPR 11-6 waarmee, mits afdoende nageleefd, een afdoende veiligheidsniveau is<br />

gewaarborgd.<br />

De uitgangspunten voor ontwerp en bouw <strong>van</strong> een opslagvoorziening kunnen over het algemeen niet<br />

gedurende de levensduur gewijzigd worden. Aangenomen mag worden dat dergelijke uitgangspunten<br />

ongewijzigd blijven. Dit geldt in mindere mate voor bijvoorbeeld (veiligheid)voorzieningen, blusinstallaties<br />

etc. Gebruiks- of onderhoudsprocedures en soortgelijke organisatorische maatregelen kunnen waar nodig<br />

relatief snel aangepast worden.<br />

Bij revisievergunning zal daarom steeds vastgesteld moeten worden welke bestaande (aan CPR 15-1, 15-<br />

2 of 15-3 ontleende) maatregelen <strong>van</strong> kracht kunnen blijven en waar regels uit PGS 15 toegepast zullen<br />

gaan worden. Gewijzigde inzichten in risico’s en benodigde voorzieningen, en technische mogelijkheden<br />

tot aanpassingen binnen bestaande installaties zullen hier een rol spelen.<br />

Bij uitbreidings- en oprichtingsvergunningen zal deze richtlijn gehanteerd worden.<br />

Een uitzondering vormen de inrichtingen waarin brandbeveiligingsinstallaties zijn geïnstalleerd waar<strong>van</strong><br />

op grond <strong>van</strong> ervaring is gebleken dat deze niet adequaat zijn om een brand in de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> voldoende te beheersen en te blussen (zie ook “Toepassing <strong>van</strong> Hi-Ex inside air<br />

brandblussystemen” dd 28 september 2001 en de brief <strong>van</strong> de Minister <strong>van</strong> VROM m.b.t. de toepassing<br />

<strong>van</strong> hi-ex inside air blussystemen). Deze vergunningen moeten worden geactualiseerd, opslagsituaties<br />

moeten worden aangepast.<br />

Bij het toezicht door de Arbeidsinspectie en bij de advisering door de locale en regionale brandweer<br />

omtrent nieuwe opslagen <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> geldt eveneens dat PGS 15 het uitgangspunt vormt.<br />

1.4 Werkingssfeer<br />

In PGS 15 zijn de uitgangspunten geïntegreerd die <strong>van</strong>uit de Wet milieubeheer,<br />

arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en aanvullend op het Bouwbesluit aan de opslag <strong>van</strong><br />

<strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden verbonden. In PGS 15 is voor de indeling en definiëring <strong>van</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aangesloten bij de Wet vervoer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. De classificatie <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> vindt plaats conform de Europese overeenkomst ADR (Accord Européen relatif au transport<br />

international des marchandises dangereuses par route). Het ADR kent dertien klassen <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong>. In de onderstaande tabel zijn deze klassen omschreven en voorzien <strong>van</strong> voorbeelden.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 8/84


Tabel 1: ADR-klassen <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

ADR-klasse Omschrijving Voorbeelden<br />

1 ontplofbare <strong>stoffen</strong> en voorwerpen zwart buskruit, spring<strong>stoffen</strong>, ontstekers,<br />

vuurwerk<br />

2 Gassen propaan, zuurstof, stikstof, argon, kooldioxide,<br />

acetyleen, aerosolen (spuitbussen)<br />

3 brandbare vloei<strong>stoffen</strong> bepaalde oplosmiddelen, inkten,<br />

harsoplossingen, aardolieproducten<br />

4.1 brandbare vaste <strong>stoffen</strong>,<br />

wrijvingslucifers, zwavel, metaalpoeders<br />

zelfontledende vaste <strong>stoffen</strong> en vaste<br />

ontplofbare <strong>stoffen</strong> in niet explosieve<br />

toestand<br />

4.2 voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong> fosfor (wit of geel), diethylzink<br />

4.3 <strong>stoffen</strong> die in contact met water magnesiumpoeder, natrium, calciumcarbide<br />

brandbare gassen ontwikkelen<br />

5.1 oxiderende <strong>stoffen</strong> kaliumpermanganaat, natriumchloraat<br />

5.2 organische peroxiden dicumyl peroxide, di-propionyl peroxide<br />

6.1 Giftige <strong>stoffen</strong> chloroform, arseen, kaliumcyanide, pesticiden<br />

6.2 Infectueuze <strong>stoffen</strong> (besmettelijke<br />

<strong>stoffen</strong>)<br />

bacteriën, virussen, parasieten, schimmels,<br />

ziekenhuisafval<br />

7 Radioactieve <strong>stoffen</strong> uranium-238, kobalt-60<br />

8 bijtende <strong>stoffen</strong> natriumhydroxide, zwavelzuur, zoutzuur<br />

9 diverse <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en<br />

voorwerpen<br />

polychloorfenolen, lithiumbatterijen,<br />

aquatoxische <strong>stoffen</strong>, genetisch<br />

gemodificeerde organismen<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 9/84


De werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 heeft betrekking op een groot aantal ADR-klassen. Voor een aantal ADRklassen<br />

is de opslag echter in separate wet- en regelgeving ondergebracht en is de onderliggende richtlijn<br />

niet <strong>van</strong> toepassing. Bovendien is de richtlijn niet <strong>van</strong> toepassing op ontplofbare <strong>stoffen</strong> of voorwerpen<br />

(klasse 1) of met een bijkomend gevaar ontplofbare stof.<br />

In de onderstaande tabel is de werkingssfeer <strong>van</strong> de richtlijn verduidelijkt.<br />

Tabel 2: Werkingssfeer PGS 15<br />

Wel onder werkingssfeer PGS 15 Niet onder werkingssfeer PGS 15<br />

ADR-klassen:<br />

ADR-klassen:<br />

3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1 en 8<br />

1, 7<br />

-<br />

-<br />

klasse 6.2 categorie I3 en I4 (ziekenhuisafval n.e.g., UN overige <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 6.2<br />

3291 en diagnostische monsters, UN 3373)<br />

-<br />

-<br />

de milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 9 m.u.v.<br />

overige <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 9,<br />

genetisch gemodificeerde organismen<br />

genetisch gemodificeerde organismen<br />

-<br />

-<br />

ADR-klasse 2 voor zover spuitbussen en gasflessen (de gasflessen met giftig of bijtende inhoud<br />

meest voorkomende gassen)<br />

(behoudens ammoniak en ethyleenoxide)<br />

-<br />

-<br />

ADR-klasse 5.2, bepaalde categorieën en ADR-klasse 5.2 overig (hiervoor geldt<br />

verpakkingen* tot maximaal 1.000 kg<br />

CPR 3)<br />

-<br />

-<br />

CMR-<strong>stoffen</strong>, niet reeds op andere wijze genoemd in het nitraathoudende kunstmest<strong>stoffen</strong><br />

ADR<br />

(hiervoor geldt CPR 1)<br />

-<br />

<strong>gevaarlijke</strong> afval<strong>stoffen</strong> met dezelfde chemische of<br />

fysische eigenschappen als bovengenoemde <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong><br />

-<br />

overige <strong>gevaarlijke</strong> afval<strong>stoffen</strong><br />

-<br />

bestrijdingsmiddelen tot 400 kg (valt onder<br />

Bestrijdingsmiddelenbesluit)<br />

* Klasse 5.2, zie hoofdstuk 9.<br />

PGS 15 heeft tevens betrekking op de opslag <strong>van</strong> bepaalde categorieën <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> die niet in het kader<br />

<strong>van</strong> de ADR zijn geclassificeerd, maar die wel bepaalde gevaarsaspecten bezitten. Het gaat om de CMR<strong>stoffen</strong><br />

die volgens bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG geclassificeerd zijn als Kankerverwekkend<br />

categorie 1 of 2 en/of als Mutageen categorie 1 of 2 en/of als "voor de voortplanting giftig" categorie 1 of 2.<br />

Het handelt dus alleen om producten die het symbool "T" (Giftig) toegekend hebben gekregen. Voor de<br />

genoemde CMR-<strong>stoffen</strong> zijn de volgende waarschuwingszinnen (R-zinnen) <strong>van</strong> toepassing: R 45 of R 49<br />

voor kankerverwekkende <strong>stoffen</strong>, R 46 voor mutagene <strong>stoffen</strong> en R 60 of R 61 voor voor de voortplanting<br />

giftige <strong>stoffen</strong>. Voor een overzicht <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> wordt verwezen naar de volgende overzichten <strong>van</strong> het<br />

ministerie <strong>van</strong> Sociale Zaken en Werkgelegenheid:<br />

- SZW-lijst <strong>van</strong> kankerverwekkende <strong>stoffen</strong> en processen;<br />

- SZW-lijst <strong>van</strong> mutagene <strong>stoffen</strong>;<br />

- Niet-limitatieve lijst <strong>van</strong> voor de voortplanting giftige <strong>stoffen</strong>.<br />

Om een onderscheid te maken in de functies <strong>van</strong> de bij de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

betrokken overheden, zijn de in deze richtlijn opgenomen voorschriften of paragrafen <strong>van</strong> een codering<br />

voorzien. De codering geeft aan welke overheidsdiscipline in de uitvoering, vergunningverlening, toezicht<br />

of advisering <strong>van</strong> het betreffende voorschrift voorziet. De volgende codes zijn gehanteerd:<br />

Wm (Wet milieubeheer bevoegd gezag);<br />

AI (Arbeidsinspectie).<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 10/84


1.5 Ondergrenzen<br />

Ten behoeve <strong>van</strong> de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 zijn ondergrenzen vastgesteld. Daarbij is rekening<br />

gehouden met zowel de gevaarsaspecten die bepaalde <strong>stoffen</strong> kunnen bezitten als wel de hoeveelheid<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die voor een goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mag worden beschouwd. In tabel<br />

3 zijn de te hanteren ondergrenzen genoemd.<br />

Tabel 3: Te hanteren ondergrenzen en vrijstellingen<br />

Gevaar conform de<br />

klasse zonder<br />

bijkomend gevaar**<br />

Alle klassen en de CMR<br />

<strong>stoffen</strong><br />

2<br />

(UN 1950 Spuitbussen<br />

& UN 2037 Houders,<br />

klein, gas)<br />

Verpakkinggroep<br />

Ondergrens / vrijstelling<br />

in kg of l*<br />

I 1<br />

n.v.t. 50<br />

3 II 25<br />

3***** III 50<br />

4.1, 4.2, 4.3 II en III 50<br />

5.1 II en III 50<br />

5.2 II en III --***<br />

6.1 II en III 50<br />

6.2 categorie I3, I4 II en III 50<br />

8 II en III 250<br />

9 II en III 250<br />

Totaal - 50<br />

voor klasse 8 en 9: 250****<br />

2 (Gasflessen) n.v.t 115 liter waterinhoud<br />

* voor de interpretatie <strong>van</strong> kg of l, zie paragraaf 1.9. Bij overschrijding is PGS 15 <strong>van</strong> toepassing.<br />

Voor verpakking die onder het regime <strong>van</strong> gelimiteerde hoeveelheden (LQ) vallen (zie hoofdstuk<br />

3.4 <strong>van</strong> het ADR) geldt een aanvullende vrijstelling tot in totaal de dubbele hoeveelheid <strong>van</strong> de in<br />

tabel 3 genoemde hoeveelheid. Deze aanvullende vrijstelling geldt alleen indien de <strong>stoffen</strong> in de<br />

transportverpakking zijn opgeslagen.<br />

** voor <strong>stoffen</strong> met een bijkomend gevaar is de laagste ondergrens/vrijstelling bepalend<br />

*** CPR 3 kent geen ondergrens<br />

**** indien er sprake is <strong>van</strong> verschillende <strong>stoffen</strong> waarvoor verschillende ondergrenzen gelden, moet<br />

de ondergrens voor de totale hoeveelheid <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> naar rato worden berekend.<br />

***** voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 geldt dat alcoholhoudende<br />

dranken in consumentenverpakking en dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt<br />

tussen 61 ºC en 100 ºC in deze richtlijn niet worden beschouwd als <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3.<br />

Evenzo worden <strong>stoffen</strong> met UN-nummer 3256 (verwarmde brandbare vloeistof) in deze richtlijn niet<br />

beschouwd als een brandbare vloeistof <strong>van</strong> de klasse 3. Tenslotte bepaalt het ADR dat niet giftige<br />

en niet bijtende viskeuze oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt <strong>van</strong> 23°C en<br />

hoger, niet zijn onderworpen aan de voorschriften <strong>van</strong> het ADR (ADR 2.2.3.1.5) (zie hoofdstuk 10<br />

Begrippenlijst: viscositeitsregel ADR).<br />

Opgemerkt wordt dat hoeveelheden <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die de voornoemde ondergrenzen niet<br />

overschrijden wel verantwoord moeten worden opgeslagen. Dat wil zeggen dat opslag niet op de<br />

werkvloer mag plaatsvinden tenzij het gaat om een hoeveelheid die als werkvoorraad kan worden<br />

aangeduid.<br />

1.6 Systematiek<br />

In PGS 15 zijn regels opgenomen om tot een aanvaardbaar beschermingsniveau te komen voor de<br />

opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Daarbij is een onderscheid gemaakt in kleine opslagen <strong>van</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> tot 10 ton en grote opslagen <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong>af 10 ton. Er is geen<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 11/84


onderscheid tussen de opslag <strong>van</strong> bestrijdingsmiddelen en overige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, met uitzondering<br />

<strong>van</strong> enkele detailaspecten die voortvloeien uit het Bestrijdingsmiddelenbesluit.<br />

Voor opslagvoorzieningen tot 10 ton kan met een basisvoorzieningenniveau worden volstaan. In bepaalde<br />

opslagsituaties wordt <strong>van</strong>af een opslaghoeveelheid <strong>van</strong> 2,5 ton een branddetectiesysteem met<br />

doormelding geëist.<br />

Bij opslagvoorzieningen <strong>van</strong>af 10 ton wordt het te hanteren beschermingsniveau bepaald door de<br />

gevaarsaspecten <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> die worden opgeslagen en het soort verpakkingsmateriaal <strong>van</strong> die<br />

<strong>stoffen</strong>. In de regels <strong>van</strong> deze richtlijn worden daartoe voor opslagen <strong>van</strong>af 10 ton drie verschillende<br />

beschermingsniveaus onderscheiden. Naarmate de brandbaarheid <strong>van</strong> een stof toeneemt, is een<br />

zwaarder beschermingsniveau noodzakelijk. In de regels <strong>van</strong> deze richtlijn is dit onder meer vertaald in de<br />

eisen die aan de aanwezigheid en uitvoering <strong>van</strong> branddetectie, bluswaterop<strong>van</strong>g, brandbestrijdings- en<br />

brandbeveiligingssystemen moeten worden gesteld.<br />

Om tot een aanvaardbaar beschermingsniveau te komen voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

zijn in deze richtlijn voorschriften opgenomen. Van deze voorschriften kan men afwijken. Voor dergelijke<br />

gevallen geldt het gelijkwaardigheidbeginsel zoals behandeld in paragraaf 1.8.<br />

De regels met betrekking tot brandpreventieve bouwkundige voorzieningen vloeien voort uit het<br />

Bouwbesluit. Het is mogelijk dat het bevoegd gezag, eventueel op advies <strong>van</strong> de locale brandweer,<br />

afwijkende criteria hanteert voor het brandbeveiligingsconcept.<br />

In de risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) en de aanvullende risico-inventarisatie en –evaluatie<br />

(ARIE) dienen de specifieke risico’s die verbonden zijn aan de opslag <strong>van</strong> de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

geïdentificeerd, geïnventariseerd en geëvalueerd te worden. Tevens dienen de maatregelen te worden<br />

aangegeven ter beheersing <strong>van</strong> de risico’s. Voor opslagvoorzieningen die vallen onder het Besluit risico’s<br />

zware ongevallen 1999 en voor opslagvoorzieningen waarvoor een ARIE moet worden opgesteld, moeten<br />

in de meeste gevallen ongevalscenario’s worden opgesteld. Daarnaast kan het voorkomen dat een bedrijf<br />

op grond <strong>van</strong> het Besluit bedrijfsbrandweren in aanmerking komt om geloofwaardige incidentscenario’s te<br />

beschrijven om te bepalen of het bevoegd gezag overgaat tot een aanwijzing bedrijfsbrandweer.<br />

1.7 Samenhang met 8.40 amvb’s en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI)<br />

Indien in een inrichting die valt onder de werkingssfeer <strong>van</strong> een amvb ingevolge art. 8.40 Wm <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen, is in het betreffende besluit bepaald dat dit conform CPR 15-1 moet<br />

plaatsvinden. De amvb’s zullen op dit aspect worden aangepast.<br />

Hoe met de aanwezigheid <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in winkel- en verkoopruimten moet worden omgegaan,<br />

is in voorkomende gevallen in de 8.40 amvb’s vastgelegd. Dit aspect valt dan ook buiten de werkingssfeer<br />

<strong>van</strong> PGS 15.<br />

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), meer bepaald in de Regeling externe veiligheid<br />

inrichtingen (REVI), bijlagen 1 en 2, is vastgelegd welke afstanden voor opslagvoorzieningen (CPR 15-2<br />

en 15-3) in acht moeten worden genomen, tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten en al dan<br />

niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten. De bijlagen <strong>van</strong> de REVI zullen op dit aspect worden<br />

aangepast.<br />

PGS 15 bevat dan ook geen afstandsbepalingen die met oog op de externe veiligheid in acht moeten<br />

worden genomen.<br />

1.8 Gelijkwaardigheidbeginsel<br />

Voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 geldt het gelijkwaardigheidbeginsel. Dit houdt in dat andere maatregelen<br />

kunnen worden getroffen dan in de voorschriften <strong>van</strong> PGS 15 zijn opgenomen. In de praktijk betekent dit<br />

dat tijdens het vooroverleg of in de vergunningaanvraag gegevens moeten worden overgelegd waaruit<br />

blijkt dat minimaal een gelijkwaardige bescherming <strong>van</strong> het milieu, arbeidsbescherming of brandveiligheid<br />

kan worden bereikt. Het bevoegd gezag beoordeelt in het kader <strong>van</strong> de vergunningverlening uiteindelijk of<br />

met de toepassing <strong>van</strong> het andere middel een gelijkwaardige bescherming kan worden bereikt. De AI<br />

beoordeelt dit bij inspecties in het kader <strong>van</strong> de handhaving <strong>van</strong> de Arbeidsomstandighedenwetgeving.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 12/84


1.9 Terminologie kg of liter<br />

Bij het vaststellen <strong>van</strong> hoeveelheden, grenzen en dergelijke kan voor het gebruik <strong>van</strong> inhoud- of<br />

gewichtseenheden aangesloten worden bij de terminologie <strong>van</strong> het ADR. Dat betekent:<br />

- voor vaste <strong>stoffen</strong>, vloeibaar gemaakte gassen, sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen en<br />

onder druk opgeloste gassen, de netto massa in kilogrammen;<br />

- voor vloei<strong>stoffen</strong> en samengeperste gassen, de nominale inhoud <strong>van</strong> houders in liters.<br />

1.10 Begrippen- en literatuurlijst<br />

Voor zover een norm (zoals NEN) of wet- en regelgeving, waarnaar in een voorschrift in deze richtlijn<br />

wordt verwezen betrekking heeft op de uitvoering <strong>van</strong> constructies, toestellen en apparaten, wordt<br />

bedoeld de uitgegeven publicatie inclusief aanvullingen of correctiebladen, die in een vergunning<br />

krachtens de Wet milieubeheer of een amvb is vastgelegd. Dat betekent dat het bevoegd gezag of de<br />

wetgever (indien het om een verwijzing naar de richtlijn in een amvb gaat), aan moet geven welke uitgave<br />

<strong>van</strong> een norm <strong>van</strong> toepassing is. Indien de norm of wet- en regelgeving niet in een vergunning krachtens<br />

de Wet milieubeheer of amvb is vastgelegd, wordt bedoeld de laatst uitgegeven publicatie inclusief<br />

aanvullingen of correctiebladen.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 13/84


2 Leeswijzer<br />

Hoofdstuk 3 bevat algemene voorschriften. De algemene voorschriften zijn <strong>van</strong> toepassing voor alle<br />

opslagvoorzieningen voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Het betreft het basisvoorzieningenniveau waarin<br />

de bepalingen die aanvullend zijn op het Bouwbesluit m.b.t. de brandwerendheid <strong>van</strong> bouwconstructies en<br />

de algemene bepalingen die voortvloeien uit arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving zijn opgenomen.<br />

Daarnaast zijn onder meer voorschriften opgenomen voor het veilig inrichten en gebruik <strong>van</strong><br />

opslagvoorzieningen en zijn voorzieningen en maatregelen voorgeschreven voor het omgaan met<br />

incidenten met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Indien opslagvoorzieningen met een opslagcapaciteit tot ten hoogste 10 ton aan de <strong>van</strong> toepassing zijnde<br />

voorschriften uit hoofdstuk 3 voldoen, is een toereikend beschermingsniveau bereikt.<br />

In hoofdstuk 4 zijn voorschriften opgenomen die gelden voor opslagvoorzieningen met een<br />

opslagcapaciteit groter dan 10 ton. Voor de zeer giftige <strong>stoffen</strong> (ADR-klasse 6.1 verpakkingsgroep I of<br />

<strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 8, verpakkingsgroep I, met aanvullend etiket modelnr. 6.1) geldt dit hoofdstuk <strong>van</strong>af<br />

1.000 kg.<br />

De algemene voorschriften uit hoofdstuk 3 zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op deze opslagvoorzieningen.<br />

Hoofdstuk 5 bevat voorschriften voor opslagplaatsen voor containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Dit<br />

hoofdstuk bevat tevens een inleiding waarin het soort bedrijven is beschreven waar dergelijke activiteiten<br />

met containers plaatsvinden.<br />

De voorschriften die voortvloeien uit arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en de voorgeschreven<br />

voorzieningen en maatregelen voor het omgaan met incidenten met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> uit hoofdstuk 3 zijn<br />

eveneens <strong>van</strong> toepassing. In de inleiding in hoofdstuk 5 is aangegeven om welke paragrafen <strong>van</strong><br />

hoofdstuk 3 het gaat.<br />

Hoofdstuk 6 beschrijft opslagvoorzieningen voor gasflessen. Het gaat hierbij om de meest voorkomende<br />

situaties, zowel qua opslagvoorzieningen als qua soorten gassen. Het basisvoorzieningenniveau met de<br />

bepalingen die aanvullend zijn op het Bouwbesluit m.b.t. de brandwerendheid <strong>van</strong> bouwconstructies en de<br />

algemene bepalingen die voortvloeien uit arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving uit hoofdstuk 3 zijn<br />

eveneens <strong>van</strong> toepassing op de opslag <strong>van</strong> gasflessen. In de inleiding in hoofdstuk 6 is aangegeven om<br />

welke paragrafen <strong>van</strong> hoofdstuk 3 het gaat.<br />

In hoofdstuk 7 zijn de voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> spuitbussen opgenomen. Hier worden zowel de<br />

situatie beschreven dat spuitbussen tezamen met andere <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen<br />

als de situatie dat een opslagvoorziening uitsluitend voor de opslag <strong>van</strong> spuitbussen is bestemd.<br />

De relatie met hoofdstuk 3 is in de inleiding <strong>van</strong> hoofdstuk 7 behandeld.<br />

In de hoofdstukken 8 en 9 is een aantal bijzondere klassen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> behandeld. Het gaat hierbij<br />

om de klassen 4.1, 4.2 en 4.3 (hoofdstuk 8) en de klasse 5.2 tot 1.000 kg (hoofdstuk 9).<br />

In het algemeen zullen deze <strong>stoffen</strong> tezamen met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen.<br />

Hoofdstuk 3 is <strong>van</strong> toepassing.<br />

In hoofdstuk 10 zijn alle definities en afkortingen behandeld.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 14/84


3 Algemeen<br />

3.1 Het opslaan <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Wm, AI<br />

3.1.1 Verpakte <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong> moeten, met uitzondering <strong>van</strong> de noodzakelijke<br />

werkvoorraad, worden opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagvoorziening. In de opslagvoorziening<br />

mogen daarnaast uitsluitend aanverwante <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen. Van de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de<br />

klasse 9 moeten uitsluitend de milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een opslagvoorziening worden opgeslagen.<br />

Van de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 5.2 mag ten hoogste 1.000 kg worden opgeslagen. Gasflessen<br />

moeten, gescheiden <strong>van</strong> overige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, worden opgeslagen in een aparte opslagvoorziening.<br />

De volgende klassen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> mogen niet in de bovengenoemde opslagvoorziening aanwezig<br />

zijn:<br />

- klasse 1 (ontplofbare <strong>stoffen</strong> en voorwerpen);<br />

- klasse 6.2 (infectueuze <strong>stoffen</strong>) met uitzondering <strong>van</strong> categorie I3 en I4;<br />

- klasse 7 (radioactieve <strong>stoffen</strong>).<br />

Toelichting:<br />

Onder aanverwante <strong>stoffen</strong> worden grond<strong>stoffen</strong> of chemicaliën verstaan, die niet onder het ADR vallen.<br />

Deze aanverwante <strong>stoffen</strong> sluiten bijvoorbeeld qua verpakking en toepassingsgebied wel aan bij<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Indien de wens bestaat andere goederen gezamenlijk met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> op te<br />

slaan, moet worden nagegaan of met behoud <strong>van</strong> het veiligheidsniveau hiervoor maatwerkoplossingen in<br />

de vergunning mogelijk zijn. In een opslagvoorziening mogen in ieder geval geen <strong>stoffen</strong> of producten<br />

aanwezig zijn die op enigerlei wijze het risico <strong>van</strong> de opslag verhogen.<br />

De milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 9 betreffen onder meer de <strong>stoffen</strong> met UN-nummer 3077 en<br />

3082.<br />

Voor de opslag <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> behorende tot de klasse 2 wordt verwezen naar hoofdstuk 6 (gasflessen) en<br />

hoofdstuk 7 (spuitbussen en gaspatronen) <strong>van</strong> deze richtlijn.<br />

Voor de opslag <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> behorende tot de klasse 5.2 tot een hoeveelheid <strong>van</strong> 1.000 kg wordt verwezen<br />

naar hoofdstuk 9 <strong>van</strong> deze richtlijn.<br />

Voor het verbod om <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 6.2 op te slaan wordt een uitzondering gemaakt voor<br />

ziekenhuisafval en diagnostische monsters. In dat geval moet worden nagegaan of in de vergunning<br />

aandacht moet worden besteed aan de wijze <strong>van</strong> opslag, bijvoorbeeld met betrekking tot gescheiden<br />

opslag, veiligheidssignalering en hulpmiddelen.<br />

Een opslagvoorziening kan zowel inpandig als uitpandig zijn gesitueerd, en zowel bouwkundig als prefab<br />

zijn uitgevoerd.<br />

3.1.2 Voorschrift 3.1.1 is niet <strong>van</strong> toepassing indien de in tabel 3 <strong>van</strong> paragraaf 1.5 genoemde<br />

hoeveelheden niet worden overschreden.<br />

Toelichting: afhankelijk <strong>van</strong> het karakter en de grootte <strong>van</strong> het bedrijf moet worden bepaald of genoemde<br />

ondergrenzen per inrichting, per gebouw, per afdeling of anderszins gelden. Het is denkbaar dat in<br />

bepaalde situaties beperkte hoeveelheden (beneden de ondergrens) <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> verspreid over het<br />

bedrijf worden opgeslagen. Dit moet in samenhang met het begrip werkvoorraad (voorschrift 3.1.3) worden<br />

beoordeeld. Met voorschrift 3.1.3 wordt beoogd dat niet te grote hoeveelheden <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in<br />

werkruimtes worden neergezet en zo een verkapte opslag ontstaat.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 15/84


Indien een bedrijf naast de noodzakelijke werkvoorraden op meerdere locaties in het bedrijf hoeveelheden<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> beneden de ondergrenzen opslaat, zal de functionaliteit hier<strong>van</strong> moeten kunnen worden<br />

aangetoond.<br />

3.1.3 Onder een werkvoorraad <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> als genoemd in voorschrift 3.1.1 wordt verstaan de<br />

voorraad <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> welke ten behoeve <strong>van</strong> de bedrijfsvoering/productie in een<br />

productieruimte/werkruimte of nabij een procesinstallatie of afvulinstallatie is opgesteld. De<br />

werkvoorraad moet strikt noodzakelijk zijn. De grootte er<strong>van</strong> moet in principe zijn afgestemd op het<br />

verbruik <strong>van</strong> één dag of één batch. Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> die in afwachting zijn <strong>van</strong> opslag of afvoer vallen<br />

niet binnen de definitie <strong>van</strong> werkvoorraad.<br />

Toelichting:<br />

In voorkomende situaties moet rekening worden gehouden met de volgende bepalingen:<br />

- de opslag <strong>van</strong> de werkvoorraad mag zich niet bevinden in een rijroute <strong>van</strong> vorkheftrucks of andere<br />

transportmiddelen;<br />

- indien één eenheid verpakking meer dan één week als werkvoorraad wordt gebruikt zijn in het<br />

algemeen het gebruik en de opgeslagen hoeveelheid werkvoorraad niet meer in proportie;<br />

- de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die als werkvoorraad in een productie- of werkruimte of nabij een<br />

procesinstallatie aanwezig zijn, moeten worden bewaard in deugdelijke en gesloten verpakking, die<br />

bestand is tegen de betreffende <strong>gevaarlijke</strong> stof;<br />

- indien op de risico’s <strong>van</strong> de werkvoorraad geënte maatregelen en voorzieningen zijn getroffen<br />

(conform de bepalingen uit deze richtlijn, voor zover deze uitvoerbaar zijn buiten een<br />

opslagvoorziening) is een permanente werkvoorraad in een productie/werkruimte of nabij een<br />

procesinstallatie toegestaan. De hoeveelheid bedraagt in dat geval maximaal één verpakking per te<br />

gebruiken stof plus indien noodzakelijk één reserveverpakking of de hoeveelheid benodigd voor één<br />

batch (productierun);<br />

- indien de werkvoorraad bestaat uit in een hoeveelheid <strong>van</strong> meer dan 50 liter dan moet de verpakking<br />

zijn geplaatst boven een vloeistofdichte lekbak of een gelijkwaardige voorziening. Hier<strong>van</strong> kan worden<br />

afgeweken als (het betreffende deel <strong>van</strong>) de vloer <strong>van</strong> de betreffende productie/werkruimte ten minste<br />

vloeistofkerend is. Dit geldt niet voor brandbare vloei<strong>stoffen</strong> (waar<strong>van</strong> de verpakkingen voorzien zijn<br />

<strong>van</strong> etiket model nr. 3); daarvoor blijft <strong>van</strong>uit brandveiligheidsoptiek een lekbak of een andere<br />

gelijkwaardige voorziening wenselijk. Doelstelling is in een dergelijk geval het verkleinen <strong>van</strong> het<br />

verdampingsoppervlak in geval <strong>van</strong> een lekkage. Afhankelijk <strong>van</strong> de risico's <strong>van</strong> de stof kunnen<br />

aanvullende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld m.b.t. ventilatie);<br />

- een laskar met gasflessen kan ook als werkvoorraad worden beschouwd.<br />

3.1.4 In een opslagvoorziening mogen, met uitzondering ten behoeve <strong>van</strong> monstername en ter bestrijding<br />

<strong>van</strong> een lekkage of calamiteit, geen aftap- of overtapwerkzaamheden plaatsvinden.<br />

Ompakwerkzaamheden mogen slechts plaatsvinden indien de primaire verpakking niet wordt geopend.<br />

Toelichting: indien in een ruimte zowel opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> als aftap- of<br />

overtapwerkzaamheden <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> plaatsvinden, is er geen sprake meer <strong>van</strong> een<br />

opslagvoorziening. In dergelijke gevallen zal het bevoegd gezag moeten nagaan of en onder welke<br />

omstandigheden combinatie <strong>van</strong> opslag en aftappen mogelijk is. In PGS 15 is hiermee geen rekening<br />

gehouden. In dergelijke situaties kunnen voorschriften voor een deel worden ontleend aan PGS 15,<br />

aanvullend moeten extra voorschriften in verband met mogelijke blootstelling, verhoogd brandgevaar en<br />

ongevallenrisico’s worden overwogen.<br />

3.1.5 Lege, ongereinigde verpakking moet worden opgeslagen overeenkomstig de voorschriften <strong>van</strong> dit<br />

hoofdstuk.<br />

3.1.6 Indien <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in emballage korter dan 48 uur binnen de inrichting verblijven, mogen deze<br />

in afwijking <strong>van</strong> voorschrift 3.1.1 en in afwijking <strong>van</strong> voorschrift 3.1.3 worden overgeslagen in een speciaal<br />

daarvoor ingericht overslag- of laad- en losgedeelte. Het overslag- of laad en losgedeelte moet op een<br />

duidelijke wijze zijn gemarkeerd, en ten minste 2 m verwijderd <strong>van</strong> andere goederenopslag. Nabij het<br />

overslag- of laad- en losgedeelte moet voldoende absorptiemiddel aanwezig zijn. In het overslag- of laaden<br />

losgedeelte mag ten hoogste 10 000 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aanwezig zijn. Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong><br />

verpakkingsgroep I en <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 1, 6.2 (behoudens categorie I3 en I4) en 7,<br />

alsmede een hoeveelheid <strong>van</strong> meer dan 2.000 kg brandbare vloei<strong>stoffen</strong> (waar<strong>van</strong> de verpakkingen<br />

voorzien zijn <strong>van</strong> etiket model nr. 3) mogen niet in dit overslag- of laad- en losgedeelte aanwezig zijn.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 16/84


Toelichting: voorschrift 3.1.6 is ontleend aan het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer en met<br />

name bedoeld voor situaties waar goederen meteen worden doorgevoerd naar andere bedrijven.<br />

Daarnaast wordt in opslag-, transport- en distributiebedrijven vaak een speciaal daarvoor ingerichte locatie<br />

gebruikt waar goederen worden gereedgemaakt voor afvoer of waar goederen worden geplaatst voordat<br />

opslag in de opslagvoorziening plaatsvindt. Het vaststellen <strong>van</strong> het noodzakelijke voorzieningenniveau<br />

voor deze locaties is maatwerk voor de vergunning. Indien op de locatie niet meer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

aanwezig zijn dan die overeenkomen met de hoeveelheid die met één transportmiddel kan worden<br />

vervoerd (maximaal circa 25 ton), kan worden aangesloten bij de in voorschrift 3.1.6 genoemde<br />

voorzieningen. Bij grotere hoeveelheden <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> kan aansluiting worden gezocht bij het<br />

beschermingsniveau dat in de opslagvoorziening is gerealiseerd. Indien de locatie in de buitenlucht is<br />

gesitueerd, moet aandacht worden besteed aan het risico <strong>van</strong> de verplaatsing <strong>van</strong> een incident naar de<br />

opslagvoorziening (bijvoorbeeld t.g.v. uitstromende vloeistof) en aan het realiseren <strong>van</strong> beperkte<br />

oppervlaktes <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> mogen na afloop <strong>van</strong> de werkdag niet meer op<br />

deze locatie aanwezig zijn.<br />

3.2 Bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening Wm<br />

Inleiding<br />

Relatie met bouwregelgeving<br />

De bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening voor <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn aanvullend op hetgeen in<br />

het Bouwbesluit 2003 voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> reeds is geregeld. Er is wat betreft filosofie,<br />

veiligheidsniveau en begrippen aansluiting gezocht bij het Bouwbesluit 2003. Onder bouwkundige eisen<br />

worden in dit verband constructieve en materiaaltechnische eisen verstaan. Dit is vergelijkbaar met wat in<br />

het Vuurwerkbesluit is gedaan. De doelstelling <strong>van</strong> het Bouwbesluit 2003 met betrekking tot het beperken<br />

<strong>van</strong> uitbreiding <strong>van</strong> brand (brandcompartimentering) is vergelijkbaar met de doelstelling <strong>van</strong> de in het<br />

kader <strong>van</strong> de Wet milieubeheer te stellen voorschriften aan de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>: een brand in<br />

een ruimte waarin <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen moet zoveel mogelijk beperkt blijven tot die ruimte,<br />

en een brand buiten zo’n ruimte zou buiten die ruimte moeten worden gehouden. De in het Bouwbesluit<br />

2003 opgenomen prestatievoorschriften voor ruimten waarin <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen als bedoeld in de<br />

Regeling bouwbesluit 2003 zijn echter ontoereikend voor ruimten waarin <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen die<br />

behoren tot de klassen 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2 of 6.1 <strong>van</strong> het ADR of <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> welke als<br />

bijkomend gevaar het overeenkomstige gevaarsetiket <strong>van</strong> die klasse dragen. Dat een brandcompartiment<br />

dat is uitgevoerd overeenkomstig het Bouwbesluit 2003 niet toereikend is voor een <strong>gevaarlijke</strong> stof als<br />

bijvoorbeeld vuurwerk blijkt uit de aanvullende bouwkundige eisen die het Vuurwerkbesluit stelt aan<br />

ruimten waarin vuurwerk wordt opgeslagen. Voor ruimten waarin <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de genoemde klassen <strong>van</strong><br />

het ADR zijn opgeslagen om het beoogde doel te bereiken zijn eveneens aanvullende bouwkundige<br />

voorzieningen noodzakelijk.<br />

Genoemde aanvullingen op de voorschriften in het Bouwbesluit 2003 kunnen niet door middel <strong>van</strong> een<br />

bouwvergunning worden voorgeschreven, maar moeten als voorschrift aan een milieuvergunning (of ander<br />

besluit, zoals een amvb) worden verbonden.<br />

Bestaande situaties<br />

De in hoofdstuk 3.2 genoemde bouwkundige eisen zijn <strong>van</strong> toepassing op nieuwe opslagvoorzieningen<br />

voor <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Voor bestaande situaties gelden de eisen uit de vigerende bouw- en<br />

milieuvergunningen.<br />

Filosofie bouwkundige brandveiligheidsvoorzieningen in PGS 15<br />

In beginsel wordt een opslagvoorziening uitgevoerd als een brandcompartiment waarbij het noodzakelijk is<br />

dat de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen een ruimte waarin <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen en een andere ruimte (en andersom) ten minste 60 minuten bedraagt.<br />

Uitgangspunt hierbij is dat de brandweer vervolgens binnen deze 60 minuten de brand zodanig kan<br />

beheersen dat deze beperkt blijft tot het compartiment waar deze is ontstaan.<br />

Uitvoering weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag <strong>van</strong> een opslagvoorziening<br />

De WBDBO moet volgens het Bouwbesluit 2003 worden bepaald overeenkomstig NEN 6068. Een<br />

brandcompartiment moet worden gezien als een kubus die “rondom” (wanden, gevels en afdekking)<br />

dezelfde WBDBO heeft. Het begrip weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) bevat<br />

twee aspecten: de weerstand tegen branddoorslag en de weerstand tegen brandoverslag. De weerstand<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 17/84


tegen branddoorslag wordt praktisch gezien bereikt door brandwerende (scheidings)constructies. Voor de<br />

experimentele bepalingsmethode <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> bouwdelen is NEN 6069 <strong>van</strong> toepassing.<br />

Indien brandwerende scheidingsconstructies worden toegepast dient de draagconstructie waaraan de<br />

scheidingsconstructie bevestigd is dezelfde brandwerendheid te hebben, of dient een voorziening te<br />

worden getroffen dat het bezwijken <strong>van</strong> een draagconstructie niet leidt tot het bezwijken <strong>van</strong> een<br />

scheidingsconstructie. De weerstand tegen brandoverslag wordt praktisch gezien bereikt door afstand<br />

tussen ruimten.<br />

Er is echter op een aantal punten binnen de reikwijdte <strong>van</strong> deze richtlijn aanvulling nodig met betrekking tot<br />

de uitvoering <strong>van</strong> de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, hetgeen neerkomt op:<br />

- De brandwerendheid als bedoeld in NEN 6069 wordt bepaald aan de hand <strong>van</strong> de standaard- of<br />

gereduceerde brandkromme. Een brand waarbij brandbare vloei<strong>stoffen</strong> betrokken zijn, zal zich anders<br />

gedragen dan deze gemodelleerde brand. Dit zou kunnen betekenen dat bij zo’n brand niet altijd de<br />

gewenste tijdsduur <strong>van</strong> brandwerendheid <strong>van</strong> een scheidingsconstructie wordt behaald. Wanden en<br />

afdekkingen <strong>van</strong> metselwerk, onbrandbaar isolatiemateriaal, beton of cellenbeton worden wel geacht<br />

hieraan te voldoen. Dit noodzaakt een aanvullend voorschrift met betrekking tot de uitvoering <strong>van</strong><br />

brandwerende constructies;<br />

- Binnen de reikwijdte <strong>van</strong> de NEN 6069 zou het mogelijk zijn om glazen puiconstructies toe te passen<br />

in wanden en afdekking <strong>van</strong> een opslagvoorziening. Glazen puiconstructies worden echter volgens<br />

NEN 6069 niet op dezelfde criteria getest als wandconstructies (Uitleg TNO). Een belangrijk criterium<br />

waaraan glasconstructies niet hoeven te voldoen is het criterium ‘thermische isolatie betrokken op<br />

temperatuur’. Bij het toepassen <strong>van</strong> brandwerende beglaasde puiconstructies zou dus niet de<br />

brandwerendheid worden verkregen die met het voorschrift is beoogd. Hoewel <strong>van</strong> toepassing zou ook<br />

het criterium ‘thermische isolatie betrokken op warmtestraling’ onvoldoende waarborgen bieden, daar<br />

als grenswaarde voor de maximale stralingsintensiteit 15 kW/m 2 wordt aangehouden terwijl de<br />

grenswaarde <strong>van</strong> 10 kW/m 2 bij opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> wordt gehanteerd. Met betrekking tot de<br />

WBDBO cq. de brandwerendheid moet daarom voor alle constructies aan alle criteria <strong>van</strong> de NEN<br />

6069, uitgave 1996 en NEN 6069/1A uitgave 2001 worden voldaan;<br />

- Om te voorkomen dat bij elke opslagvoorziening een volledige berekening moet worden gemaakt <strong>van</strong><br />

de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (NEN 6068), is een praktische benadering te<br />

hanteren met betrekking tot de mate waarin de afstand tussen ruimten kan bijdragen aan de<br />

weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag:<br />

o indien de afstand <strong>van</strong> de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot<br />

de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 5 meter bedraagt, en binnen<br />

deze 5 meter geen opslag <strong>van</strong> brand<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of goederen en geen brand<strong>gevaarlijke</strong><br />

activiteiten plaatsvinden, kan worden volstaan met een brandwerendheid <strong>van</strong> wanden en dak<br />

<strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> ten minste 30 minuten. De daarvoor noodzakelijke<br />

draagconstructie <strong>van</strong> de opslagvoorziening moet een brandwerendheid <strong>van</strong> ten minste 30<br />

minuten bezitten;<br />

o indien de afstand <strong>van</strong> de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot<br />

de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 meter bedraagt, en binnen<br />

deze 10 meter geen opslag <strong>van</strong> brand<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>/goederen en geen brand<strong>gevaarlijke</strong><br />

activiteiten plaatsvinden, is er ten aanzien <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> wanden en dak <strong>van</strong> de<br />

opslagvoorziening en de brandwerendheid <strong>van</strong> de noodzakelijke draagconstructie geen eis <strong>van</strong><br />

toepassing.<br />

Hoewel er in sommige situaties door toepassing <strong>van</strong> deze praktische benadering niet letterlijk aan de norm<br />

NEN 6068 wordt voldaan, wordt toch geacht in alle redelijkheid een voldoende weerstand tegen<br />

branddoorslag en brandoverslag te zijn verkregen. Voor de opslag <strong>van</strong> gasflessen geldt een afwijkende<br />

praktische benadering die is weergegeven in voorschrift 6.2.5 <strong>van</strong> hoofdstuk 6.<br />

Eigenschappen toegepaste materialen in de gebouwconstructie<br />

Het Bouwbesluit 2003 biedt met de verwijzing naar de NEN 6068 en de NEN 6069 de mogelijkheid dat<br />

brandwerende constructies worden opgebouwd uit brandbare materialen, zoals hout. Omdat dit voor de<br />

opslag <strong>van</strong> bepaalde klassen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> niet intrinsiek veilig is, is in PGS 15 bepaald dat voor de<br />

ruimten waarin die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen de wanden, vloer en afdekking <strong>van</strong> onbrandbaar<br />

materiaal moeten zijn vervaardigd.<br />

Het Bouwbesluit 2003 biedt voor sommige situaties de mogelijkheid dat een dak <strong>van</strong> een bouwwerk niet<br />

niet-brandgevaarlijk hoeft te worden uitgevoerd. Het is niet wenselijk dat dit voor opslagvoorzieningen <strong>van</strong><br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 18/84


<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> ook zou mogen. Daarom wordt hier bij de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> expliciet<br />

voorgeschreven dat het dak moet zijn geconstrueerd <strong>van</strong> niet brandgevaarlijk materiaal.<br />

Onderscheid inpandig/uitpandig<br />

In PGS 15 wordt onderscheid gemaakt tussen inpandige en uitpandige opslagvoorzieningen. Onder<br />

inpandige opslagvoorzieningen worden alle voorzieningen verstaan die in een (ander) bouwwerk zijn<br />

gesitueerd. Tot nu toe werden hiervoor termen als (bouwkundige) kast en kluis gebruikt. Echter ook kant<br />

en klare opslagsystemen kunnen inpandig gebruikt worden. Een uitpandige opslagvoorziening is<br />

bijvoorbeeld een vatenpark, een in de buitenlucht geplaatst kant en klaar opslagsysteem, een vrijstaand<br />

opslaggebouw of een met een ander bouwwerk geschakeld opslaggebouw.<br />

Met onderstaande tekening wordt e.e.a. verduidelijkt.<br />

I<br />

II<br />

I<br />

I<br />

II<br />

II<br />

II<br />

II<br />

I<br />

II<br />

= inpandig<br />

= uitpandig<br />

Grote brandcompartimenten<br />

Het Bouwbesluit 2003 schrijft in beginsel (voor nieuwbouw) voor dat industriegebouwen moeten zijn<br />

ingedeeld in brandcompartimenten met een gebruiksoppervlakte <strong>van</strong> niet meer dan 1.000 m². Bij<br />

opslagvoorzieningen met een gebruiksoppervlakte <strong>van</strong> meer dan 1.000 m² moet er rekening mee worden<br />

gehouden dat in het kader <strong>van</strong> de bouwvergunning of de gebruiksvergunning voor wat betreft de veiligheid<br />

<strong>van</strong> het grote brandcompartiment ten genoegen <strong>van</strong> het gemeentelijk bevoegd gezag moet worden<br />

aangetoond dat een gelijkwaardige veiligheid is verkregen als met het Bouwbesluit 2003 is beoogd. Dit kan<br />

door middel <strong>van</strong> een onderzoeksrapport volgens de "Methode Beheersbaarheid <strong>van</strong> Brand". Voor wat<br />

betreft de milieuaspecten bij een brand in een groot brandcompartiment kan een dergelijk onderzoek ook<br />

worden verlangd in het kader <strong>van</strong> de vergunning Wet milieubeheer.<br />

3.2.1 Voorschriften inpandige opslagvoorziening Wm<br />

3.2.1.1 De WBDBO <strong>van</strong> een inpandige opslagvoorziening naar een andere ruimte en <strong>van</strong> een andere<br />

ruimte naar een opslagvoorziening moet ten minste 60 minuten bedragen. De wanden, het dak en de<br />

draagconstructie <strong>van</strong> de opslagvoorziening moeten een brandwerendheid <strong>van</strong> ten minste 60 minuten<br />

bezitten. Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8,<br />

verpakkingsgroep II of III, zonder bijkomend gevaar, tot een gezamenlijke hoeveelheid <strong>van</strong> ten hoogste 10<br />

ton, worden opgeslagen.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 19/84


Toelichting:<br />

Een opslagvoorziening waarin <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong>, m.u.v. de klasse 8 worden opgeslagen,<br />

wordt in beginsel gelijkgesteld met een brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003. Het<br />

bedoelde brandcompartiment heeft “rondom” dezelfde “WBDBO”. Met betrekking tot de WBDBO c.q. de<br />

brandwerendheid moet voor alle constructies aan alle criteria <strong>van</strong> de NEN 6069, uitgave 1996 en NEN<br />

6069/1A uitgave 2001 worden voldaan.<br />

Indien in een bestaande situatie een WBDBO of een brandwerendheid <strong>van</strong> 30 minuten is vergund, kan<br />

<strong>van</strong> de eis <strong>van</strong> 60 minuten worden afgeweken, mits binnen een afstand <strong>van</strong> 7,5 m <strong>van</strong> de<br />

opslagvoorziening geen brand<strong>gevaarlijke</strong> goederen aanwezig zijn.<br />

3.2.1.2 In de inpandige opslagvoorziening mag ten hoogste 2.500 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong><br />

aanwezig zijn.<br />

Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep<br />

II of III, zonder bijkomend gevaar tot een gezamenlijke hoeveelheid <strong>van</strong> ten hoogste 10 ton, worden<br />

opgeslagen.<br />

Toelichting: zie toelichting 3.2.1.3<br />

3.2.1.3 In afwijking <strong>van</strong> voorschrift 3.2.1.2 mag in een inpandige opslagvoorziening ten hoogste 10.000 kg<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong> aanwezig zijn indien in de opslagvoorziening een brandmeldinstallatie<br />

aanwezig is met doormelding naar de alarmcentrale <strong>van</strong> de overheids- of bedrijfsbrandweer, of een<br />

daaraan gelijkwaardige voorziening. De brandmeldinstallatie moet voldoen aan NEN 2535, uitgave 1996<br />

en NEN 2535/A1 uitgave 2002. Wm, AI<br />

Toelichting: zie ook bijlage 6 voor ontwerpnormen <strong>van</strong> brandmeldinstallaties. Voor de duidelijkheid moet<br />

hier worden opgemerkt dat de beperkingen tot respectievelijk 2.500 kg (in voorschrift 3.2.1.2) en 10.000<br />

kg gelden voor inpandig gesitueerde opslagvoorzieningen die niet zijn uitgevoerd met voorzieningen als<br />

bedoeld in hoofdstuk 4 (opslagvoorzieningen groter dan 10.000 kg).<br />

Een permanent bezette meldpost <strong>van</strong> een daartoe gecertificeerde bewakingsdienst kan als gelijkwaardig<br />

worden beschouwd, waarbij met name aspecten als alarmeringstijd een rol spelen. Tevens is het <strong>van</strong><br />

belang dat ook de plaatselijke bouwverordening bepalingen kan bevatten omtrent de wijze <strong>van</strong><br />

doormelding. De norm NEN 2654 geeft de eisen voor het beheer, de controle en het onderhoud <strong>van</strong><br />

dergelijke brandmeldinstallaties.<br />

3.2.1.4 Indien in een inpandige opslagvoorziening meer dan 250 kg of liter <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR<strong>stoffen</strong><br />

worden opgeslagen, mag de inpandige opslagvoorziening niet op een verdieping <strong>van</strong> een gebouw<br />

zijn gesitueerd.<br />

Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep<br />

II of III, zonder bijkomend gevaar, worden opgeslagen.<br />

Toelichting: conform voorschrift 3.2.1.1 moeten ook deze beperkte hoeveelheden in een constructief<br />

zelfstandig brandcompartiment met een WBDBO naar andere ruimten <strong>van</strong> ten minste 60 minuten worden<br />

opgeslagen. Door aanvullende voorzieningen op het gebied <strong>van</strong> brandwerendheid of branddetectie kan<br />

<strong>van</strong> voorschrift 3.2.1.4 worden afgeweken.<br />

3.2.1.5 Op een verdieping <strong>van</strong> een gebouw mag per 200 m 2 vloeroppervlakte <strong>van</strong> een werkruimte of per<br />

brandcompartiment met een WBDBO naar andere ruimten <strong>van</strong> ten minste 60 minuten ten hoogste 500 kg<br />

of l <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong>, verdeeld in minimaal twee opslagvoorzieningen worden<br />

opgeslagen.<br />

Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep<br />

II of III, zonder bijkomend gevaar worden opgeslagen.<br />

Toelichting: door aanvullende voorzieningen op het gebied <strong>van</strong> brandwerendheid of branddetectie kan<br />

<strong>van</strong> voorschrift 3.2.1.5 worden afgeweken.<br />

3.2.1.6 Een opslagvoorziening mag niet in een vluchtroute zijn gelegen en mag het vluchten niet<br />

belemmeren.<br />

AI<br />

Bron:Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 20/84


3.2.2 Voorschriften uitpandige opslagvoorziening Wm<br />

3.2.2.1 De WBDBO <strong>van</strong> een uitpandige opslagvoorziening naar een andere ruimte en <strong>van</strong> een andere<br />

ruimte naar een opslagvoorziening moet ten minste 60 minuten bedragen. De wanden, het dak en de<br />

daarvoor noodzakelijke draagconstructie <strong>van</strong> de opslagvoorziening moeten een brandwerendheid <strong>van</strong> ten<br />

minste 60 minuten bezitten. In afwijking hier<strong>van</strong> geldt dat:<br />

- indien de afstand <strong>van</strong> de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de<br />

inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 5 meter bedraagt, en binnen deze 5<br />

meter geen opslag <strong>van</strong> brand<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of goederen en geen brand<strong>gevaarlijke</strong> activiteiten<br />

plaatsvinden, de brandwerendheid <strong>van</strong> de de wanden, het dak en de draagconstructie <strong>van</strong> de<br />

opslagvoorziening ten minste 30 minuten moet bedragen;<br />

- indien de afstand <strong>van</strong> de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de<br />

inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 meter bedraagt, en binnen deze 10<br />

meter geen opslag <strong>van</strong> brand<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>/goederen en geen brand<strong>gevaarlijke</strong> activiteiten<br />

plaatsvinden, ten aanzien <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> de wanden, het dak en de draagconstructie<br />

geen eis <strong>van</strong> toepassing is.<br />

Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep<br />

II of III, zonder bijkomend gevaar worden opgeslagen.<br />

Toelichting: Een opslagvoorziening wordt in beginsel gelijkgesteld met een brandcompartiment als<br />

bedoeld in het Bouwbesluit 2003. Het compartiment bezit rondom dezelfde WBDBO, die kan worden<br />

gerealiseerd door middel <strong>van</strong> bouwkundige voorzieningen of door voldoende afstand, dan wel door een<br />

combinatie <strong>van</strong> beide.<br />

3.2.2.2 Het dak <strong>van</strong> een opslagvoorziening mag niet <strong>van</strong> brandgevaarlijk materiaal vervaardigd zijn.<br />

Toelichting: Dit voorschrift heeft ten doel te voorkomen dat het dak <strong>van</strong> een bouwwerk door een<br />

onverhoedse aanraking met vuur in brand vliegt. Het gaat hierbij om zogenaamd vliegvuur, zoals<br />

bijvoorbeeld in de rook <strong>van</strong> een open haard of in geval <strong>van</strong> een vonkenregen, afkomstig <strong>van</strong> een<br />

nabijgelegen brandend bouwwerk. Om te kunnen vaststellen of een dak niet brandgevaarlijk is, moet het<br />

dak bestand zijn tegen een in NEN 6063 omschreven beproeving.<br />

3.2.3 Voorschriften voor geschakelde opslagvoorzieningen en voor situaties waarin een<br />

opslagvoorziening grenst aan een ander brandcompartiment<br />

Wm<br />

3.2.3.1 De WBDBO <strong>van</strong> een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte<br />

waardoor een <strong>van</strong> rook en <strong>van</strong> brand gevrijwaarde vluchtroute voert, of een niet besloten<br />

veiligheidstrappenhuis mag niet lager zijn dan 60 minuten.<br />

Indien meerdere opslagvoorzieningen naast elkaar zijn gelegen moeten tevens maatregelen genomen<br />

worden om te voorkomen dat een incident zich <strong>van</strong> de ene naar de andere opslagvoorziening kan<br />

verplaatsen, bijvoorbeeld t.g.v. een uitstromende vloeistof.<br />

Toelichting:<br />

Dit voorschrift geldt zowel voor inpandige opslagvoorzieningen als voor uitpandige opslagvoorzieningen.<br />

Een opslagvoorziening wordt gezien als een brandcompartiment. Dit houdt in dat het brandcompartiment<br />

een WBDBO <strong>van</strong> ten minste 60 minuten bezit en dat de wanden, het dak en de draagconstructie <strong>van</strong> dit<br />

compartiment minimaal 60 minuten brandwerend zijn uitgevoerd. Tussen de geschakelde<br />

brandcompartimenten moeten voorzieningen aanwezig zijn die ervoor zorgen dat het falen <strong>van</strong> het ene<br />

brandcompartiment niet mag leiden tot het bezwijken <strong>van</strong> de draagconstructie <strong>van</strong> het andere<br />

brandcompartiment.<br />

Indien sprake is <strong>van</strong> geschakelde opslagvoorzieningen moet in ogenschouw worden genomen dat<br />

logistieke aspecten bij de beoordeling <strong>van</strong> de aanvaardbaarheid <strong>van</strong> het aantal geschakelde<br />

opslagvoorzieningen een rol kunnen spelen. Dit is echter afhankelijk <strong>van</strong> de specifieke bedrijfssituatie en<br />

daarom maatwerk.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 21/84


3.2.4 Algemeen<br />

3.2.4.1 Indien in een opslagvoorziening een automatische brandbeveiligingsinstallatie aanwezig is, kan<br />

het bevoegde gezag afwijken <strong>van</strong> de voorschriften in hoofdstuk 3.2 indien de locale situatie, de informatie<br />

<strong>van</strong> een risico-inventarisatie of de voorschriften <strong>van</strong> ontwerpnorm <strong>van</strong> een brandbeveiligingsinstallatie<br />

daar aanleiding toe geven.<br />

3.2.4.2 Indien in een voorschrift is bepaald dat een constructie met een brandwerendheid moet zijn<br />

uitgevoerd, mogen toegangsdeuren, vluchtdeuren, ramen, ventilatieopeningen of rookluiken in deze<br />

constructie geen afbreuk doen aan de vereiste brandwerendheid.<br />

3.2.4.3 Indien in een voorschrift is bepaald dat voor het bepalen <strong>van</strong> de vereiste WBDBO een constructie<br />

met een bepaalde brandwerendheid moet zijn uitgevoerd, moet een in deze constructie aangebrachte<br />

deur zelfsluitend zijn uitgevoerd. Een dergelijke deur mag uitsluitend in geopende stand zijn vastgezet,<br />

indien een voorziening is aangebracht die in geval <strong>van</strong> brand de deur automatisch sluit.<br />

3.2.4.4 De wanden, vloer en afdekking <strong>van</strong> een opslagvoorziening moeten zijn vervaardigd <strong>van</strong><br />

onbrandbaar materiaal.<br />

3.3 Kwaliteit vloeren Wm<br />

3.3.1 Binnen een opslagvoorziening of bij een overslag- of laad- en losgedeelte als bedoeld in voorschrift<br />

3.1.6 moeten bodembeschermde voorzieningen en maatregelen zijn getroffen die in combinatie leiden tot<br />

een verwaarloosbaar bodemrisico (A) conform de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige<br />

activiteiten (NRB).<br />

In de vloer <strong>van</strong> een opslagvoorziening mogen zich geen openingen bevinden die in directe verbinding<br />

staan of kunnen worden gebracht met een riolering of met het oppervlaktewater.<br />

Toelichting:<br />

Het verwaarloosbaar bodemrisico, vastgesteld zoals omschreven in de tabellen 3.3 en/of 3.4 <strong>van</strong> de<br />

bodemrisicochecklist <strong>van</strong> de NRB (deel A3), dient gerealiseerd te worden door middel <strong>van</strong>:<br />

a) een vloeistofdichte vloer, voorzien <strong>van</strong> een verklaring vloeistofdichte voorziening op grond <strong>van</strong> de<br />

CUR/PBV-aanbeveling 44, met de daarbij behorende bedrijfsinterne inspecties, of;<br />

b) indien gebruikt gemaakt wordt <strong>van</strong> de juiste en gesloten emballage, een kerende vloer en/of lekbak<br />

met de daarbij behorende maatregelen. Maatregelen bestaan uit toezicht en<br />

incidentenmanagement zoals gesteld in de NRB. Verwaarloosbaar bodemrisico wordt alleen<br />

bereikt als naast het gebruik en in stand houden <strong>van</strong> goede voorzieningen (inspectie, onderhoud,<br />

reparatie), invulling wordt gegeven aan het toezicht en het incidentenmanagement.<br />

Incidentenmanagement bestaat uit faciliteiten en personeel, waarbij men bijvoorbeeld moet denken<br />

aan absorptiemiddelen, opleiding en instructies. Met behulp <strong>van</strong> deel B3 <strong>van</strong> de NRB kan<br />

incidentenmanagement nader ingevuld worden.<br />

Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het mogelijk is dat in bepaalde doelgroepconvenanten of<br />

8.40-besluiten specifieke afspraken zijn gemaakt.<br />

3.3.2 Indien een vloer vloeistofdicht is uitgevoerd, moet voor deze vloer een geldige, door een deskundig<br />

inspecteur afgegeven PBV-verklaring vloeistofdichte voorziening aanwezig zijn.<br />

Toelichting: Een deskundig inspecteur beoordeelt de vloer of voorziening aan de hand <strong>van</strong> CUR/PBVaanbeveling<br />

44. Na goedkeuring verstrekt een geaccrediteerd bureau een PBV-verklaring vloeistofdichte<br />

voorziening.<br />

3.3.3 Indien een vloer vloeistofkerend is uitgevoerd, moet de vloer periodiek visueel worden<br />

geïnspecteerd en moet het opruimen <strong>van</strong> gelekte of gemorste <strong>stoffen</strong> zijn gewaarborgd. Hiertoe moet<br />

binnen de inrichting een procedure incidentenmanagement aanwezig zijn.<br />

Toelichting:<br />

De procedure incidentenmanagement moet geschikt zijn om ingrijpen bij incidenten bij alle<br />

vloeistofkerende vloeren en vloeistofdichte lekbakken die binnen de inrichting aanwezig zijn mogelijk te<br />

maken. Aandacht moet zijn besteed aan instructies <strong>van</strong> het personeel, aanwezigheid <strong>van</strong><br />

absorptiematerialen (op welke locaties binnen de inrichting aanwezig), overzicht <strong>van</strong> uitgevoerde en uit te<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 22/84


voeren periodieke visuele inspecties, en de te treffen handelingen indien een vloer niet meer<br />

vloeistofkerend of een lekbak niet meer vloeistofdicht is.<br />

3.4 Kwaliteit stellingen Wm, AI<br />

3.4.1 Een stelling voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moet bestand zijn tegen de opgeslagen<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en stabiel zijn. Een stelling mag niet zwaarder worden belast dan waarvoor de stelling<br />

ontworpen is. De geschiktheid <strong>van</strong> een stelling moet kunnen worden aangetoond.<br />

Bij het gebruik <strong>van</strong> een stelling moet rekening gehouden worden met de risico's <strong>van</strong> de <strong>gevaarlijke</strong> stof,<br />

zowel qua klasse als verpakkingsgroep.<br />

Toelichting:<br />

Verkeerd ontwerp, montage of gebruik <strong>van</strong> stellingen kan tot incidenten of calamiteiten met <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> leiden.<br />

De praktijkrichtlijn NPR 5054 (ontwerp 2003) “palletstellingen – bediening door magazijntrucks –<br />

verklaring <strong>van</strong> toegestaan gebruik” is een leidraad bij het specificeren <strong>van</strong> de wijze <strong>van</strong> toegelaten gebruik<br />

<strong>van</strong> door magazijntrucks bediende palletstellingen. Deze richtlijn geldt dus voor grotere stellingen waarbij<br />

het afzetten of uitnemen <strong>van</strong> goederen plaatsvindt door (handmatig) bediende magazijntrucks. De<br />

praktijkrichtlijn kan worden gebruikt als leidraad bij het vastleggen <strong>van</strong> projectgebonden randvoorwaarden<br />

voor zowel de constructie of het ontwerp als de maatvoering <strong>van</strong> palletstellingen die door magazijntrucks<br />

worden bediend.<br />

Daarnaast zijn in de norm NEN 5051 (1982) ”Magazijnstellingen – aanschafgegevens – montage en<br />

gebruik – door de besteller te verstrekken ontwerpgegevens en bepalingen voor montage en gebruik”<br />

gegevens opgenomen voor het ontwerpen, de bouw en het veilig gebruik <strong>van</strong> magazijnstellingen.<br />

De geschiktheid <strong>van</strong> een stelling kan dus worden aangetoond door de ontwerpuitgangspunten <strong>van</strong> een<br />

stelling eenduidig en schriftelijk vast te leggen in een “Verklaring <strong>van</strong> toegestaan gebruik”. Deze<br />

“Verklaring <strong>van</strong> toegestaan gebruik” moet zijn opgesteld overeenkomstig de NPR 5054 en hoofdstuk 3<br />

<strong>van</strong> de NEN 5051. Voor wat betreft het gebruik <strong>van</strong> pallet- of inrijstellingen moet de “Verklaring <strong>van</strong><br />

toegestaan gebruik” tevens opgesteld zijn overeenkomstig de RVHM 1995. In geval <strong>van</strong> specifieke,<br />

stellingfabrikaat afhankelijke gebruiksvoorwaarden, moeten deze aanvullend in de “Verklaring <strong>van</strong><br />

toegestaan gebruik” zijn opgenomen. Deze “Verklaring <strong>van</strong> toegestaan gebruik” moet in ieder geval door<br />

de stellingleverancier zijn ondertekend. Stellingen moeten vervolgens ook gebruikt worden<br />

overeenkomstig de “Verklaring <strong>van</strong> toegestaan gebruik”.<br />

3.4.2 Een stelling moet tegen aanrijden zijn beveiligd.<br />

3.4.3 Indien tijdens het gebruik <strong>van</strong> een stelling een stellingonderdeel blijvend is vervormd, moeten<br />

onmiddellijk passende maatregelen worden genomen. Alvorens de stelling opnieuw in gebruik wordt<br />

genomen moeten beschadigde onderdelen worden ver<strong>van</strong>gen of gerepareerd.<br />

Toelichting:<br />

Voorbeeld <strong>van</strong> een passende maatregel: indien een ligger is beschadigd, moet deze onmiddellijk vrij worden<br />

gemaakt <strong>van</strong> opslag. Indien een staander is beschadigd, moeten de liggers aan weerszijde <strong>van</strong> de staander<br />

onmiddellijk vrij <strong>van</strong> opslag worden gemaakt.<br />

3.4.4 De stellingconstructie moet ten minste jaarlijks visueel op doelmatigheid, juist gebruik en eventuele<br />

beschadigingen worden geïnspecteerd. De resultaten <strong>van</strong> de inspectie moeten worden geregistreerd.<br />

Toelichting:<br />

De inspectie kan zowel door een intern verantwoordelijke worden uitgevoerd als door een<br />

stellingleverancier.<br />

3.4.5 De regels met betrekking tot gescheiden opslag uit paragraaf 3.12 zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op<br />

de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een stelling.<br />

Toelichting: Met dit voorschrift wordt beoogd dat ook in verticale zin opslag <strong>van</strong> onverenigbare<br />

combinaties moet worden voorkomen. Dus <strong>stoffen</strong> die met elkaar kunnen reageren mogen niet boven<br />

elkaar in stellingen zijn geplaatst.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 23/84


3.5 Bliksembeveiliging Wm<br />

3.5.1 Indien noodzakelijk moet een doelmatige bliksembeveiligingsinstallatie zijn geplaatst. Een<br />

bliksembeveiligingsinstallatie is doelmatig indien de installatie voldoet aan NEN 1014.<br />

Toelichting: de noodzaak <strong>van</strong> een beveiliging tegen blikseminslag is niet altijd aanwezig. In NEN 1014 is<br />

een berekeningsmodel opgenomen waarmee kan worden vastgesteld of bliksembeveiliging noodzakelijk<br />

is. Een goede aarding <strong>van</strong> de staalconstructie voldoet in vele gevallen.<br />

3.6 Explosieveiligheid AI<br />

In een opslagvoorziening moeten de wettelijke eisen ten aanzien <strong>van</strong> explosieveiligheid in acht<br />

worden genomen. Een gevarenzone-indeling kan hier<strong>van</strong> onderdeel uitmaken. De eisen zijn<br />

opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit artikel 3.5a t/m 3.5f. In hoeverre deze wetgeving<br />

<strong>van</strong> toepassing is, is afhankelijk <strong>van</strong> de aard <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>. Het onderwerp<br />

explosieveiligheid is verder uitgewerkt in bijlage 1.<br />

Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />

3.7 Ventilatie Wm, AI<br />

3.7.1 Een opslagvoorziening moet doelmatig zijn geventileerd. Afvoer <strong>van</strong> ventilatielucht moet op<br />

de buitenlucht plaatsvinden. Indien natuurlijke ventilatie op de buitenlucht aanwezig is, moeten<br />

ventilatieopeningen zo ver mogelijk <strong>van</strong> elkaar (diametraal) zijn aangebracht. De ventilatie<br />

moet continu zijn en de ventilatievoud <strong>van</strong> de ruimte per uur moet te allen tijde minimaal 1<br />

bedragen. Een grotere ventilatievoud kan noodzakelijk zijn, afhankelijk <strong>van</strong> de gevaarsaspecten<br />

<strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong> (explosieveiligheid / arbeidshygiënische omstandigheden). Indien een<br />

ventilatieopening is aangebracht in een bouwkundige constructie waaraan op basis <strong>van</strong> paragraaf<br />

3.2 <strong>van</strong> deze richtlijn eisen m.b.t. WBDBO of brandwerendheid zijn gesteld, moeten vlamkerende<br />

roosters zijn aangebracht en mag door het aanbrengen <strong>van</strong> de ventilatie geen afbreuk worden<br />

gedaan aan de WBDBO <strong>van</strong> de opslagvoorziening. Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing op een<br />

brandveiligheidsopslagkast.<br />

Toelichting:<br />

Ventilatie heeft ten doel te voorkomen dat door een lekkage anders dan ten gevolge <strong>van</strong> een calamiteit,<br />

een explosief damp/luchtmengsel ontstaat. Zoneklassen en zoneafmetingen worden mede bepaald door<br />

het ventilatieontwerp (zie NPR 7910-1). Tevens heeft ventilatie ten doel schadelijke of hinderlijke gassen<br />

of dampen af te voeren (arbeidshygiënische aspecten). In hoeverre er sprake is <strong>van</strong> schadelijke of<br />

hinderlijke dampen kan bepaald worden met behulp <strong>van</strong> de RI&E. De gevaarseigenschappen <strong>van</strong> de<br />

opgeslagen stof(fen) moeten hierbij nadrukkelijk betrokken worden. Afhankelijk <strong>van</strong> de uitkomst dient<br />

doelmatige ventilatie aangebracht te worden.<br />

Indien beveiligingen worden aangebracht (te denken valt aan detectieapparatuur) kan afgeweken worden<br />

<strong>van</strong> de ventilatie-eisen. Dit kan <strong>van</strong> belang zijn bij bijvoorbeeld gekoelde of verwarmde opslag.<br />

Indien een rookluik (rook- en warmteafvoer) zodanig is geïnstalleerd dat deze onder normale<br />

omstandigheden is geopend, kan een rookluik worden gezien als een ventilatiekanaal. Bij bepaalde<br />

brandbeveiligingsinstallaties worden eisen gesteld aan de uitvoering <strong>van</strong> ventilatiekanalen.<br />

In de norm voor brandveiligheidsopslagkasten (NEN-EN 14470-1) zijn eisen m.b.t. ventilatie opgenomen.<br />

3.8 Voorkomen <strong>van</strong> verontreinigd hemelwater Wm<br />

3.8.1 Een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening moet zodanig zijn geconstrueerd dat<br />

hemelwater niet op de vloer <strong>van</strong> de opslagvoorziening kan geraken dan wel dat hemelwater regelmatig<br />

<strong>van</strong> de vloer kan worden verwijderd.<br />

Toelichting:<br />

Het doel <strong>van</strong> dit voorschrift is beheersing <strong>van</strong> het, potentieel vervuilde, regenwater. Dit kan door middel<br />

<strong>van</strong> een afdak worden gerealiseerd, maar ook op andere wijze (op<strong>van</strong>g, afvoer, controle,<br />

lozing/behandeling).<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 24/84


3.9 Productop<strong>van</strong>g Wm, AI<br />

3.9.1 Een opslagvoorziening moet zodanig zijn geconstrueerd dat gelekte of gemorste <strong>gevaarlijke</strong><br />

vloeistof redelijkerwijs niet uit de voorziening kan stromen. Daartoe moet de opslagvoorziening een<br />

op<strong>van</strong>gcapaciteit hebben <strong>van</strong> ten minste 110% <strong>van</strong> de inhoud <strong>van</strong> de grootste emballage, doch (als dat<br />

méér is) ten minste 10% <strong>van</strong> de inhoud <strong>van</strong> de totale emballage. De op<strong>van</strong>gvoorziening moet voldoende<br />

bestand zijn tegen de opgeslagen <strong>stoffen</strong>. In de op<strong>van</strong>gvoorziening mogen zich geen openingen bevinden<br />

die in rechtstreekse verbinding staan met de riolering.<br />

Toelichting: De op<strong>van</strong>gcapaciteit geldt alleen voor vloei<strong>stoffen</strong>. Lege ongereinigde emballage telt daarbij<br />

niet mee.<br />

Voor opslaghoeveelheden groter dan 10 ton gelden andere bepalingen (zie hoofdstuk 4).<br />

3.10 Brandveiligheidsopslagkasten Wm, AI<br />

3.10.1 Een brandveiligheidsopslagkast waar<strong>van</strong> het eerste gebruik heeft plaatsgevonden na 1 januari<br />

2006 moet aan NEN-EN-14470-1 voldoen. Een brandveiligheidsopslagkast waar<strong>van</strong> het eerste gebruik<br />

dateert <strong>van</strong> vóór die datum moet ten minste voldoen aan NEN 2678.<br />

Toelichting:<br />

De norm NEN-EN-14470-1 kent 4 categorieën <strong>van</strong> brandwerendheid, te weten 15, 30, 60 en 90 minuten.<br />

Afhankelijk <strong>van</strong> de toepassing <strong>van</strong> een brandveiligheidsopslagkast moet gekozen worden voor een<br />

bepaalde veiligheidsklasse (30, 60 of 90). In bijlage 4 is ingegaan op de verschillende eisen die bij de<br />

betreffende veiligheidsklassen behoren. Voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die onder PGS 15 vallen is<br />

het type met 15 minuten brandwerendheid niet geschikt.<br />

3.10.2 Binnen de inrichting moet voor de brandveiligheidsopslagkast waar<strong>van</strong> het eerste gebruik heeft<br />

plaatsgevonden na 1 januari 2006 een productcertificaat aanwezig zijn, waaruit blijkt dat de<br />

brandveiligheidsopslagkast voldoet aan de norm als bedoeld in voorschrift 3.10.1.<br />

Toelichting: Zowel voor de gebruiker als voor de toezichthoudende instanties moet duidelijk zichtbaar zijn<br />

aan welke brandveiligheidsnorm de kast voldoet alsook aan welke prestatie.<br />

Overeenkomstig de Europese norm EN-14470-1 moet op de voorkant (buitenkant) <strong>van</strong> de kast op een<br />

goed zichtbare plaats de volgende informatie zijn aangebracht:<br />

- deuren sluiten (wanneer kast niet wordt gebruikt);<br />

- gevaarsymbool overeenkomstig ISO 3864;<br />

- gevaarsymbool overeenkomstig ISO 3864;<br />

- de <strong>van</strong> toepassing zijnde norm, bij nieuwe kasten <strong>van</strong>af mei 2004 moet dit zijn: EN-14470-1 of<br />

- NEN-EN-14470-1;<br />

- de brandwerendheids prestatie <strong>van</strong> de kast, aangegeven in type 30, 60 of 90.<br />

Tevens moet in of op de kast de volgende informatie zijn aangebracht:<br />

- naam of merk <strong>van</strong> de producent;<br />

- model nummer en jaar <strong>van</strong> productie;<br />

- maximum toegestane emballage;<br />

- maximale belasting legbord.<br />

Om aan te tonen dat de kast ook werkelijk als type is getest dient de leverancier een testrapport met de<br />

kast mee te leveren. Dit testrapport bestaat uit een samenvatting <strong>van</strong> onderzoek waarin wordt verwezen<br />

naar het volledige beproevingsverslag en een omschrijving <strong>van</strong> het resultaat. Deze samenvatting moet zijn<br />

afgedrukt op een document voorzien <strong>van</strong> logo en naam <strong>van</strong> het onderzoeksinstituut dat de proef heeft<br />

uitgevoerd. Het onderzoeksinstituut moet een voor die verrichting geaccrediteerde instelling zijn.<br />

3.11 Verpakking en etikettering Wm, AI<br />

3.11.1 De verpakking <strong>van</strong> de in een opslagvoorziening aanwezige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moet zodanig zijn<br />

dat:<br />

- niets <strong>van</strong> de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen;<br />

- het materiaal <strong>van</strong> de verpakking niet door <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> kan worden aangetast, dan wel met die<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen;<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 25/84


- de verpakking tegen normale behandeling bestand is.<br />

Aan dit voorschrift wordt in ieder geval voldaan indien de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn verpakt conform de<br />

bepalingen <strong>van</strong> de Verenigde Naties zoals verwoord in de "Recommandations on the Transport of<br />

Dangerous Goods" (Oranje Boek).<br />

Toelichting:<br />

Over het algemeen bevinden <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een opslagvoorziening zich in de zogenaamde UNgekeurde<br />

verpakking. Daarnaast zijn er consumentenomverpakkingen die zijn verpakt volgens het regime<br />

<strong>van</strong> de zogenaamde gelimiteerde hoeveelheden (limited quantities / LQ) In deze verpakkingen is een<br />

dermate geringe hoeveelheid <strong>gevaarlijke</strong> stof aanwezig dat er slechts een beperkt risico ontstaat indien<br />

deze hoeveelheid vrijkomt. (ADR sectie 3.4 behandelt de wijze waarop gelimiteerde hoeveelheden<br />

behandeld moeten worden en welke vrijstellingen daarvoor gelden.)<br />

Breekbare verpakking moet in een opslagvoorziening (m.u.v. de werkvoorraad) zoveel mogelijk conform<br />

de vervoersregelgeving opgeslagen worden als samengestelde verpakking (zie ADR subsectie 1.2.1 en<br />

4.1.1.5).<br />

3.11.2 De etikettering <strong>van</strong> de in een opslagvoorziening aanwezige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moet zodanig zijn<br />

dat de gevaarsaspecten <strong>van</strong> de <strong>gevaarlijke</strong> stof duidelijk tot uiting komen.<br />

Toelichting:<br />

Conform de UN-regelgeving, respectievelijk ADR (hoofdstuk 5.2) moet elke colli (buitenverpakking) voor<br />

het vervoer zijn voorzien <strong>van</strong> een gevarenetiket, de kenmerking middels het UN-nummer voorafgegaan<br />

door de letters “UN”.<br />

Verpakkingen met LQ hoeveelheden zijn niet gekenmerkt met een gevarenetiket. Elke verpakking moet<br />

echter wel voorzien zijn <strong>van</strong> een UN-nummer, voorafgaand door de letters “UN”. Indien er sprake is <strong>van</strong><br />

een samengestelde verpakking dan moeten alle UN-nummers, voorafgaand met de letters “UN” of de<br />

letters “LQ” worden vermeld.<br />

Tevens moeten gebruiksverpakkingen zijn voorzien <strong>van</strong> gevaaraanduidingen op grond <strong>van</strong> de Wms of,<br />

indien het voor intern gebruik is, zijn voorzien <strong>van</strong> werkpleketiketten conform de<br />

Arbeidsomstandighedenwet. Dit geldt uiteraard niet voor afval<strong>stoffen</strong>.<br />

3.11.3 De verpakking <strong>van</strong> in de buitenlucht opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moet bestand zijn tegen alle<br />

mogelijke weersinvloeden.<br />

3.11.4 Voorzieningen moeten zijn getroffen om beschadiging <strong>van</strong> emballagemateriaal ten gevolge <strong>van</strong><br />

transportactiviteiten te voorkomen.<br />

3.12 Onverenigbare combinaties Wm, AI<br />

3.12.1 Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong> die met elkaar <strong>gevaarlijke</strong> reacties kunnen aangaan waarbij<br />

sterke verhoging <strong>van</strong> temperatuur of druk optreedt of waarbij gassen kunnen ontstaan die giftiger of<br />

brandbaarder zijn dan op grond <strong>van</strong> de eigenschappen <strong>van</strong> één <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> is te verwachten, moeten<br />

gescheiden <strong>van</strong> elkaar worden opgeslagen. Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing voor <strong>stoffen</strong> die vallen<br />

onder het regime <strong>van</strong> gelimiteerde hoeveelheden (hoofdstuk 3.4 <strong>van</strong> het ADR).<br />

Toelichting:<br />

Het doel <strong>van</strong> het gescheiden opslaan <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> is dat bij het vrijkomen <strong>van</strong> de stof uit de<br />

verpakking voorkomen wordt dat door de vrijgekomen stof een groter (vervolg)effect ontstaat dan op<br />

grond <strong>van</strong> de eigenschappen <strong>van</strong> de betreffende stof verwacht kan worden.<br />

In bijlage 3 is weergegeven hoe in praktische zin deze doelstelling kan worden gerealiseerd. In de<br />

hoofdstukken 6, 7, 8 en 9 zijn voor de in deze hoofdstukken behandelde categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

bijzondere bepalingen opgenomen voor de gezamenlijke opslag met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Gelimiteerde hoeveelheden betreffen kleine verpakkingen met een tweede (om)verpakking. Bij een<br />

lekkage komt er een kleine hoeveelheid vrij, die weinig vervolgschade kan aanrichten; een escalerende<br />

reactie met een ander product is dan minder waarschijnlijk.<br />

De uitzondering voor gelimiteerde hoeveelheden geldt alleen indien de <strong>stoffen</strong> in de transportverpakking<br />

zijn opgeslagen.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 26/84


3.13 Gebruik opslagvoorziening Wm, AI<br />

3.13.1 Indien <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> gestapeld worden opgeslagen, moet de verpakking op veilige<br />

wijze gestapeld zijn, waarbij rekening gehouden wordt met de sterkte <strong>van</strong> de verpakking.<br />

3.13.2 Pallets met <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die zijn gestapeld, moeten <strong>van</strong> een deugdelijke constructie<br />

zijn. Voor iedere wijze <strong>van</strong> verpakking moet afhankelijk <strong>van</strong> gewicht en sterkte <strong>van</strong> de verpakking een<br />

maximale stapeling worden vastgesteld.<br />

3.13.3 Breekbare (glazen) enkelvoudige verpakking mag niet worden gestapeld.<br />

3.13.4 In een opslagvoorziening mogen geen gemotoriseerde transportmiddelen aanwezig zijn, anders<br />

dan ten behoeve <strong>van</strong> en slechts gedurende de tijd <strong>van</strong> het laden en lossen.<br />

Toelichting: het stallen <strong>van</strong> vorkheftrucks in een opslagvoorziening voor <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> wordt<br />

beschouwd als een activiteit waardoor het risico toeneemt. Indien het echter gaat om een vorkheftruck die<br />

volledig aan de ATEX-richtlijn voldoet, of indien een vorkheftruck in een apart vak wordt gestald, kan <strong>van</strong><br />

dit voorschrift worden afgeweken.<br />

3.13.5 De opslagvoorziening moet regelmatig worden gecontroleerd op lekkages of beschadiging <strong>van</strong> de<br />

aanwezige emballage.<br />

3.14 Incidenten met gemorste <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Wm, AI<br />

3.14.1 Gemorste of gelekte <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die in een opslagvoorziening zijn vrijgekomen moeten zo<br />

snel mogelijk worden opgeruimd. Daartoe moeten in of nabij de opslagvoorziening materialen aanwezig<br />

zijn om deze <strong>stoffen</strong> te immobiliseren, te neutraliseren of te absorberen. De aard en hoeveelheid <strong>van</strong> deze<br />

materialen moeten zijn afgestemd op de aard en hoeveelheid <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, en<br />

de grootte <strong>van</strong> de aanwezige verpakkingen.<br />

Indien een verpakking lekt, moet deze lekkage onmiddellijk worden verholpen, bijvoorbeeld door lekkende<br />

vaten in overmaatse vaten te plaatsen. Bij lekkage moet ontwikkeling en verspreiding <strong>van</strong> giftige of<br />

explosieve <strong>stoffen</strong> of stank<strong>stoffen</strong> tot een minimum worden beperkt door doelmatige ventilatie, beperking<br />

<strong>van</strong> verspreiding <strong>van</strong> de vloeistof en snelle opname door middel <strong>van</strong> absorptiemateriaal.<br />

3.14.2 Ten behoeve <strong>van</strong> de veiligheid <strong>van</strong> de werknemers moet binnen de inrichting een instructie<br />

aanwezig zijn die de te nemen maatregelen bij een lekkage of een incident met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

beschrijft. De bedrijfsleiding moet deze instructie actueel houden en werknemers hierover inlichten.<br />

Toelichting: Indien het <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 6.2 (uitsluitend categorie I3 of I4) betreft, moet in<br />

het bijzonder aandacht worden besteed aan het tijdig inschakelen <strong>van</strong> ter zake deskundigen.<br />

3.14.3 Op een duidelijk zichtbare plaats bij de toegang tot de inrichting of bij de portier moet een duidelijk<br />

leesbare instructie zijn aangebracht over de te nemen maatregelen in het geval <strong>van</strong> een calamiteit. Deze<br />

instructie moet gegevens bevatten <strong>van</strong> instanties of personen waarmee in het geval <strong>van</strong> een calamiteit<br />

contact moet worden opgenomen.<br />

3.15 Rook- en vuurverbod, blustoestellen Wm, AI<br />

3.15.1 Binnen een opslagvoorziening en tevens binnen een afstand <strong>van</strong> 2 m daarbuiten mag niet worden<br />

gerookt en mag geen open vuur aanwezig zijn. Aan de buitenzijde <strong>van</strong> de opslagvoorziening moet op<br />

daartoe geschikte plaatsen met betrekking tot dit verbod een pictogram overeenkomstig NEN 3011 zijn<br />

aangebracht.<br />

3.15.2 Voor elke 200 m 2 vloeroppervlakte <strong>van</strong> een opslagvoorziening moet ten minste één draagbaar<br />

blustoestel aanwezig zijn met een vulling <strong>van</strong> ten minste 6 kg of liter blusstof. Het blustoestel moet tegen<br />

weersinvloeden zijn beschermd. De keuze <strong>van</strong> het type blustoestel moet zodanig zijn dat deze geschikt is<br />

om een beginnende brand <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong> te blussen.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 27/84


3.16 Veiligheidsignalering, veiligheidsinformatiebladen, instructies Wm, AI<br />

3.16.1 Aan de buitenzijde <strong>van</strong> een opslagvoorziening, nabij de toegangsdeur(en) moeten op duidelijk<br />

zichtbare plaatsen waarschuwingsborden worden geplaatst, welke het gevaar <strong>van</strong> de opgeslagen<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aanduiden. Op daartoe geschikte plaatsen moeten de betreffende<br />

gevaarsymbolen zijn aangebracht:<br />

a. voor wat betreft de opslag <strong>van</strong> (licht) ontvlambare vloei<strong>stoffen</strong>, het pictogram "ontvlambare<br />

<strong>stoffen</strong> of hoge temperatuur";<br />

b. voor wat betreft de opslag <strong>van</strong> bijtende <strong>stoffen</strong> het pictogram "bijtende <strong>stoffen</strong>"<br />

c. voor wat betreft de opslag <strong>van</strong> giftige <strong>stoffen</strong> het pictogram "giftige <strong>stoffen</strong>";<br />

d. voor wat betreft de opslag <strong>van</strong> oxiderende <strong>stoffen</strong> het pictogram "oxiderende <strong>stoffen</strong>".<br />

Bij alle opslagvoorzieningen moet het verbodsbord "vuur, open vlam en roken verboden" zijn<br />

aangebracht.<br />

In plaats <strong>van</strong> bovengenoemde symbolen mogen ook de “grote etiketten” behorende bij de klasse 3,<br />

8, 6.1 en 5.1 zoals nader omschreven in ADR hoofdstuk 5.3.1) worden geplaatst.<br />

Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />

Toelichting: In bijlage 2 zijn voorbeelden <strong>van</strong> de voor de veiligheidssignalering te gebruiken<br />

gevaarsymbolen weergegeven.<br />

3.16.2 Binnen de inrichting moeten veiligheidsinformatiebladen (VIB’s) <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> beschikbaar zijn. De VIB’s moeten voldoen aan EG-richtlijn 91/155/EEG. Dit voorschrift geldt<br />

niet voor <strong>stoffen</strong> die niet onder de Wms vallen en niet voor <strong>gevaarlijke</strong> afval<strong>stoffen</strong>.<br />

Bron: Veiligheidsinformatiebladenbesluit Wms.<br />

Toelichting: Veiligheidsinformatiebladen (ook wel genoemd “material safety data sheets”, MSDS)<br />

mogen ook digitaal in de inrichting beschikbaar zijn.<br />

3.17 Vakbekwaamheid Wm, AI<br />

3.17.1 Indien in een inrichting meer dan 2.500 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen, moet tijdens het<br />

verrichten <strong>van</strong> werkzaamheden met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een opslagvoorziening een door het bedrijf<br />

aangestelde deskundige in de inrichting aanwezig zijn, met voldoende vakbekwaamheid op het gebied<br />

<strong>van</strong> het omgaan met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en het bestrijden <strong>van</strong> calamiteiten met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Informatie over de vakbekwaamheid <strong>van</strong> de deskundige moet binnen de inrichting aanwezig zijn.<br />

Toelichting:<br />

De vakbekwaamheid <strong>van</strong> de deskundige moet aantoonbaar zijn, bijvoorbeeld aan de hand <strong>van</strong> gevolgde<br />

rele<strong>van</strong>te opleidingen of certificaten. In de RI&E moet hier aandacht aan zijn besteed. Voor bepaalde<br />

<strong>stoffen</strong> of categorieën <strong>van</strong> inrichtingen kan een andere ondergrens worden gehanteerd. Zo wordt in het<br />

Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer geen minimale hoeveelheid genoemd voor het <strong>van</strong><br />

toepassing zijn <strong>van</strong> de vakbekwaamheidseis. Achtergrond is dat in dergelijke bedrijven intensieve<br />

handelingen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> plaatsvinden. De hoeveelheid is dan <strong>van</strong> minder belang voor de<br />

noodzakelijke vakbekwaamheid.<br />

3.18 Journaal en registratie Wm, AI<br />

3.18.1 Indien in een inrichting meer dan 2.500 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen, moet <strong>van</strong> de<br />

opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die in de inrichting aanwezig zijn een actueel journaal worden bijgehouden.<br />

Het journaal moet <strong>van</strong> een datum zijn voorzien. Het journaal moet in de inrichting op een plaats ter<br />

inzage liggen, die direct toegankelijk is voor hulpverlenende diensten. Het journaal moet ten minste de<br />

volgende onderdelen bevatten:<br />

- de juiste vervoersnaam, aangevuld met, zover <strong>van</strong> toepassing, de technische benaming (zie 3.1.2<br />

ADR/IMDG-code) en de klasse <strong>van</strong> de stof zoals vermeld in het ADR of de IMDG code;<br />

- de hoeveelheid <strong>van</strong> de stof;<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 28/84


- de verpakkingsgroep (indien toegewezen);<br />

- het UN-nummer <strong>van</strong> de stof als mede de modelnummers <strong>van</strong> de gevaarsetiket(en) volgens art. 5.2<br />

<strong>van</strong> ADR;<br />

- CMR-<strong>stoffen</strong> moeten in het journaal zijn opgenomen met hun chemische naam en de vermelding<br />

CMR.<br />

Het journaal moet tevens een actuele tekening bevatten waarop het volgende is aangegeven:<br />

- de lay-out <strong>van</strong> de inrichting;<br />

- de plaats <strong>van</strong> de gebouwen en de te onderscheiden activiteiten;<br />

- de plaats waar de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen;<br />

- een noordpijl.<br />

Het journaal moet zijn voorzien <strong>van</strong> een instructie met de namen en telefoonnummers <strong>van</strong> personen<br />

waarmee hulpverlenende diensten in het geval <strong>van</strong> een calamiteit contact kunnen opnemen.<br />

Toelichting:<br />

Het journaal heeft als doel hulpdiensten in geval <strong>van</strong> een calamiteit inzicht te geven in soort, hoeveelheid<br />

en locatie <strong>van</strong> opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Voorschrift 3.18.1 is een voorbeeld (bijvoorbeeld voor de<br />

transportsector) <strong>van</strong> de wijze waarop de journaalverplichting in een vergunning kan worden opgenomen.<br />

Indien bijvoorbeeld in een inrichting weliswaar meer dan 2.500 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aanwezig zijn, maar<br />

deze uitsluitend in kasten worden opgeslagen, is het niet zinvol om in het journaal per kast de in het<br />

voorschrift genoemde gegevens te verlangen.<br />

Ten behoeve <strong>van</strong> het formuleren <strong>van</strong> de journaalverplichting kunnen de volgende aandachtspunten<br />

worden genoemd:<br />

- indien in de inrichting tankcontainers aanwezig zijn moeten deze ook in het journaal worden vermeld;<br />

- indien meerdere opslagvoorzieningen elk met een capaciteit <strong>van</strong> meer dan 10 ton binnen de inrichting<br />

aanwezig zijn, moet per opslagvoorziening inzicht worden gegeven welke gevarenklassen per<br />

opslagvoorziening aanwezig zijn;<br />

- in overleg met de lokale brandweer of het Wm-bevoegd gezag kan voor een andere vorm <strong>van</strong> het<br />

journaal worden gekozen;<br />

- inrichtingen die onder Brzo 1999 vallen en VR-plichtig zijn, hebben al de verplichting om een<br />

<strong>stoffen</strong>lijst bij te houden; het advies is om in de Wm-vergunning hierbij aan te sluiten en geen<br />

separaat journaal te verlangen;<br />

- de verplichting een journaal bij te houden geldt <strong>van</strong>af een hoeveelheid <strong>van</strong> 2.500 kg <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> per inrichting; het kan echter wenselijk zijn om ook bij kleinere opslaghoeveelheden een<br />

journaal voor te schrijven, bijvoorbeeld als er opslag plaatsvindt <strong>van</strong> bijvoorbeeld zeer toxische <strong>stoffen</strong><br />

of de inrichting in de nabijheid ligt <strong>van</strong> kwetsbare bestemmingen of oppervlaktewater;<br />

- door de modelnummers <strong>van</strong> een gevaarsetiket volgens hoofdstuk 5.2 <strong>van</strong> ADR in het journaal op te<br />

nemen zijn alle rele<strong>van</strong>te gevaren <strong>van</strong> een stof bekend (bv een klasse 3 met bijkomend gevaar 6.1,<br />

dan moet vermeld worden 3 + 6.1);<br />

- indien ADR-klasse, UN-nummer, verpakkingsgroep en hoeveelheid <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> niet frequent wijzigen (niet vervoergebonden inrichting) kan eventueel worden volstaan met<br />

een eenmalige lijst <strong>van</strong> de maximale opslag (bijvoorbeeld het <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>overzicht uit de Wmaanvraag),<br />

de soort <strong>gevaarlijke</strong> stof en de plaats <strong>van</strong> opslag (bijvoorbeeld een tekening). Indien in een<br />

opslagvoorziening <strong>stoffen</strong> qua soort en hoeveelheid dagelijks drastisch wijzigen, moet het journaal<br />

dagelijks worden geactualiseerd;<br />

- indien een actueel intern noodplan aanwezig en beschikbaar is voor hulpverlenende diensten, is het<br />

niet nodig om een tekening en persoonsgegevens in het logboek op te nemen.<br />

3.19 Intern noodplan Wm, AI<br />

3.19.1 Indien in de inrichting meer dan 10.000 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen,<br />

meer dan 1.000 kg zeer giftige <strong>stoffen</strong> (ADR-klasse 6.1 Verpakkingsgroep I) worden opgeslagen of<br />

gasflessen met giftig/bijtende of giftige inhoud met een totale waterinhoud <strong>van</strong> meer dan 250 liter worden<br />

opgeslagen, moet in de inrichting een actueel intern noodplan aanwezig zijn, waarin de getroffen<br />

organisatorische en technische maatregelen ter bestrijding <strong>van</strong> een redelijkerwijs te verwachten ongeval<br />

of incident zijn omschreven. In het noodplan moet onder andere een lijst met telefoonnummers<br />

opgenomen zijn voor gebruik bij incidenten.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 29/84


Toelichting: In hoofdstuk 6 <strong>van</strong> deze richtlijn wordt aandacht besteed aan de opslag <strong>van</strong> gasflessen. Naast<br />

verstikkende en brandbare gassen is dit hoofdstuk ook <strong>van</strong> toepassing op de opslag <strong>van</strong> gasflessen met<br />

ammoniak en ethyleenoxide.<br />

3.19.2 Ten minste éénmaal per drie jaar moet het intern noodplan worden geëvalueerd, beproefd en<br />

zonodig gewijzigd. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met veranderingen die zich in de inrichting<br />

hebben voorgedaan, en met nieuwe kennis en inzichten.<br />

Toelichting:<br />

Indien een intern noodplan als bedoeld in artikel 22 <strong>van</strong> het Brzo’99 is opgesteld of een noodplan conform<br />

de ARIE, wordt aan dit voorschrift voldaan. De frequentie voor evaluatie en beproeving is in<br />

overeenstemming met het Brzo ’99.<br />

3.20 Toegankelijkheid voor onbevoegden Wm, AI<br />

3.20.1 Een open opslagvoorziening mag niet ongecontroleerd toegankelijk zijn voor onbevoegden.<br />

Hieraan is voldaan als het terrein als geheel afdoende is afgeschermd door muren (gebouwen), hekken,<br />

sloten <strong>van</strong> voldoende breedte en dergelijke.<br />

Indien dit niet het geval is moet het toegankelijke deel <strong>van</strong> de opslagvoorziening zijn afgeschermd door<br />

een vast en ten minste 1,8 m hoog hek- of gaaswerk <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal met tenminste 2<br />

toegangsdeuren. Indien in een opslagvoorziening de afstand <strong>van</strong> het verst gelegen punt tot de deur<br />

minder bedraagt dan 15 m, kan met één deur worden volstaan.<br />

3.21 Toegangsdeuren en vluchtwegen<br />

3.21.1 Een toegangsdeur tot een betreedbare opslagvoorziening moet <strong>van</strong> buitenaf met een slot en sleutel<br />

of op een andere gelijkwaardige wijze afsluitbaar zijn, doch <strong>van</strong> binnenuit zonder sleutel kunnen worden<br />

geopend. Een toegangsdeur moet bij afwezigheid <strong>van</strong> deskundig personeel ter plaatse <strong>van</strong> de<br />

opslagvoorziening zijn afgesloten, tenzij de toegangsdeur verbinding geeft met een aanmaak-,<br />

verwerkings- of verkoopruimte.<br />

Wm, AI<br />

3.21.2 Een toegangsdeur die tevens dient als nooduitgang moet naar buiten opendraaien.<br />

Vluchtwegen en nooduitgangen, evenals het buiten de opslagvoorziening gelegen aansluitende<br />

terrein, moeten vrij zijn <strong>van</strong> obstakels.<br />

Doelmatige maatregelen moeten zijn genomen teneinde het mogelijk te maken dat een werknemer,<br />

indien een toestand ontstaat waarin direct gevaar voor zijn veiligheid of gezondheid aanwezig is, zich<br />

snel via de kortst mogelijke weg in veiligheid kan stellen.<br />

Een opslagvoorziening moet met ten minste twee toegangsdeuren, die zoveel als mogelijk in<br />

tegenoverstelde zijden zijn gesitueerd, bereikbaar zijn. Indien in een opslagvoorziening de afstand <strong>van</strong><br />

het verst gelegen punt tot de deur minder bedraagt dan 15 m, kan met één deur worden volstaan.<br />

Schuifdeuren of als tourniketdeur uitgevoerde draaideuren gelden niet als nooduitgang. AI<br />

Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />

Toelichting:<br />

In het Bouwbesluit zijn (bouwkundige) eisen m.b.t. vluchtwegen en nooduitgangen opgenomen.<br />

3.22 Noodverlichting en vluchtwegaanduiding AI<br />

3.22.1 Een betreedbare opslagvoorziening moet zijn voorzien <strong>van</strong> adequate noodverlichting en<br />

vluchtwegverlichting conform NEN-EN 1838.<br />

Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />

Toelichting: in kleine besloten ruimten en bij overzichtelijke opslagvoorzieningen in de buitenlucht,<br />

kan <strong>van</strong> deze eis worden afgeweken.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 30/84


3.23 Verwarming Wm, AI<br />

3.23.1 Indien verwarming plaatsvindt, moet dit door middel <strong>van</strong> een centrale verwarmingsinstallatie of<br />

verwarmingstoestellen waar<strong>van</strong> de verbrandingsruimte niet in open verbinding staat of kan worden<br />

gebracht met de opslagvoorziening en waar<strong>van</strong> de delen, die in direct contact staan met deze plaats geen<br />

hogere oppervlaktetemperatuur hebben dan 250 °C, en waarbij aanraking <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong> met<br />

deze delen is uitgesloten of door een verwarmingstoestel dat voldoet aan NEN 1078 en aan NPR 3378-23<br />

(nl).<br />

3.24 Nooddouche en oogspoelvoorziening AI<br />

3.24.1 Indien <strong>stoffen</strong> behorende tot verpakkingsgroep I worden opgeslagen, meer dan 2.500 kg<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen of indien in de opslagvoorziening vorkheftrucks worden<br />

gebruikt, moeten in of nabij een betreedbare opslagvoorziening een nooddouche en een<br />

oogspoelvoorziening aanwezig zijn die te allen tijde goed bereikbaar zijn.<br />

Een nooddouche moet zijn aangesloten op het waterleidingnet en voldoende capaciteit hebben.<br />

Een oogspoelvoorziening moet:<br />

- voldoende snel bereikbaar zijn in geval <strong>van</strong> een ongeval;<br />

- eenvoudig bedienbaar zijn;<br />

- zodanig zijn uitgevoerd dat zonodig beide ogen voldoende lang gespoeld kunnen worden;<br />

- zodanig zijn uitgevoerd dat indien de ogen worden gespoeld, deze wel snel worden gereinigd, maar<br />

niet worden beschadigd.<br />

Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />

Toelichting:<br />

De richtwaarde voor de capaciteit <strong>van</strong> een nooddouche is 80 l/min. Indien uit de RI&E blijkt dat een<br />

nooddouche niet noodzakelijk is, kan <strong>van</strong> dit voorschrift worden afgeweken. Een oogspoelvoorziening<br />

kan worden gerealiseerd door een op de waterleiding aangesloten oogdouche.<br />

3.25 Persoonlijke beschermingsmaatregelen AI<br />

3.25.1 Indien in een opslagvoorziening gevaar voor de veiligheid of de gezondheid <strong>van</strong> een<br />

werknemer aanwezig is of kan ontstaan, moeten voor werknemers die aan dat gevaar blootstaan of<br />

kunnen blootstaan persoonlijke beschermingsmiddelen in voldoende aantal beschikbaar zijn en moet<br />

ervoor worden gezorgd dat werknemers, indien daartoe aanleiding is, die middelen gebruiken.<br />

Persoonlijke beschermingsmiddelen moeten worden onderhouden, gerepareerd en zindelijk worden<br />

gehouden.<br />

Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />

Toelichting:<br />

Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn mede bedoeld om personen te beschermen bij onvoorziene<br />

voorvallen en incidenten met verpakkingen. Bij persoonlijke beschermingsmiddelen welke aan een<br />

houdbaarheidsdatum zijn gerelateerd mag de op de verpakking vermelde houdbaarheidsdatum niet<br />

overschreden worden. Persoonlijke beschermingsmiddelen moeten te allen tijde voor een ieder<br />

duidelijk zichtbaar, gemakkelijk bereikbaar en voor direct gebruik gereed zijn.<br />

Alvorens een persoonlijk beschermingsmiddel te kiezen maakt de werkgever, in het kader <strong>van</strong> de<br />

risico-inventarisatie en evaluatie, een beoordeling <strong>van</strong> de uitrusting die hij voornemens is ter<br />

beschikking te stellen. Deze beoordeling omvat:<br />

a. een inventarisatie en evaluatie <strong>van</strong> de gevaren die niet met andere middelen vermeden<br />

kunnen worden;<br />

b. een omschrijving <strong>van</strong> de kenmerken die de persoonlijke beschermingsmiddelen moeten<br />

bezitten om de onder a vermelde gevaren te kunnen onder<strong>van</strong>gen, rekening houdend met<br />

eventuele gevaarsbronnen die de persoonlijke beschermingsmiddelen zelf kunnen vormen;<br />

c. een inventarisatie en evaluatie <strong>van</strong> de kenmerken <strong>van</strong> de betreffende persoonlijke<br />

beschermingsmiddelen die beschikbaar zijn, vergeleken met de onder b bedoelde<br />

kenmerken.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 31/84


3.26 Bedrijfshulpverlening (BHV) AI<br />

3.26.1 Conform de Arbowet en het Arbobesluit moet elke organisatie beschikken over een<br />

deskundige bedrijfshulpverleningsorganisatie.<br />

Het verlenen <strong>van</strong> deskundige bijstand op het gebied <strong>van</strong> bedrijfshulpverlening houdt in elk geval in:<br />

a. het verlenen <strong>van</strong> eerste hulp bij ongevallen;<br />

b. het beperken en het bestrijden <strong>van</strong> brand en het voorkomen en beperken <strong>van</strong> ongevallen;<br />

c. het in noodsituaties alarmeren en evacueren <strong>van</strong> alle werknemers en andere personen in het bedrijf<br />

of de inrichting;<br />

d. het alarmeren <strong>van</strong> en samenwerken met hulpverleningsorganisaties in verband met de in de<br />

onderdelen a tot en met c bedoelde bijstand.<br />

De bedrijfshulpverleners beschikken over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting, zijn<br />

zodanig in aantal en zodanig georganiseerd dat zij de voornoemde taken naar behoren kunnen<br />

vervullen.<br />

Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />

3.27 Hygiëne, good housekeeping AI<br />

3.27.1 De werkgever stelt regels en procedures vast voor het omgaan met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>,<br />

reiniging <strong>van</strong> de werkplek en persoonlijke hygiëne waaraan de medewerkers zich moeten houden. De<br />

werkgever ziet toe op de naleving <strong>van</strong> deze procedures en regels.<br />

De werkgever richt voorzieningen in en verstrekt middelen (werkkleding) aan werknemers voor een<br />

optimale hygiëne op plaatsen waar <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aanwezig zijn.<br />

Indien op de arbeidsplaats <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aanwezig zijn, wordt de grootst mogelijke zorgvuldigheid<br />

en ordelijkheid in acht genomen en er is sprake <strong>van</strong> good-housekeeping.<br />

Werk- en opslagruimten worden zo schoon mogelijk gehouden. In werk- en opslagruimten wordt niet<br />

gerookt, gegeten of gedronken en geen voedsel bewaard.<br />

Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 32/84


4 <strong>Opslag</strong>voorzieningen groter dan 10.000 kg.<br />

4.1 Inleiding<br />

In dit hoofdstuk zijn voorschriften opgenomen voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in<br />

hoeveelheden <strong>van</strong> meer dan 10.000 kg.<br />

De voorschriften uit hoofdstuk 3 Algemeen zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op deze opslagvoorzieningen.<br />

Zeer giftige <strong>stoffen</strong> (ADR-klasse 6.1 verpakkingsgroep I of <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 8, verpakkingsgroep I,<br />

met aanvullend etiket modelnr. 6.1) moeten <strong>van</strong>af een hoeveelheid <strong>van</strong> 1.000 kg worden opgeslagen in<br />

een opslagvoorziening zoals beschreven in dit hoofdstuk.<br />

De opslag <strong>van</strong> containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (zie hoofdstuk 5), de opslag <strong>van</strong> gasflessen, spuitbussen<br />

en gaspatronen (zie hoofdstuk 6 en 7), de opslag <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klassen 4 (zie hoofdstuk 8) en 5.2<br />

(zie hoofdstuk 9) vallen niet onder hoofdstuk 4.<br />

Het belangrijkste verschil tussen enerzijds de voorschriften voor opslagen tot 10 ton en anderzijds die voor<br />

opslagen groter dan 10 ton, is dat voor de eerste categorie volstaan kan worden met bouwkundige<br />

voorzieningen, gescheiden op<strong>van</strong>gfaciliteiten (productop<strong>van</strong>g) en brandpreventieve maatregelen. Bij<br />

opslagen groter dan 10 ton zijn veelal verdergaande voorzieningen noodzakelijk met betrekking tot<br />

brandbestrijding, met betrekking tot de op<strong>van</strong>g <strong>van</strong> bluswater en organisatorische maatregelen.<br />

De voorschriften voor opslaghoeveelheden groter dan 10 ton met betrekking tot brandpreventie en<br />

bluswaterop<strong>van</strong>g zijn onderverdeeld in drie zogeheten beschermingsniveaus:<br />

- Beschermingsniveau 1 kenmerkt zich door een doelmatige detectie in geval <strong>van</strong> brand en een blussing<br />

die binnen korte tijd (semi-)automatisch wordt ingezet.<br />

- Bij beschermingsniveau 2 moet evenzeer een beheersing en blussing <strong>van</strong> een brand mogelijk zijn door<br />

een goed voorbereide blusactie. In deze situaties wordt echter geaccepteerd dat de blusactie niet<br />

‘automatisch’ wordt ingezet.<br />

- Beschermingsniveau 3 betreft situaties waarin de kans op een (om<strong>van</strong>grijke) brand klein wordt geacht.<br />

Verdergaande eisen met betrekking tot brandpreventie en bluswaterop<strong>van</strong>g worden dan niet als een<br />

redelijkerwijs te verlangen maatregel beschouwd. Volstaan kan worden met maatregelen in de<br />

preventieve sfeer, welke overigens ook gelden voor de beschermingsniveaus 1 en 2.<br />

4.2 Bereikbaarheid opslagvoorziening Wm<br />

4.2.1 De opslagvoorziening moet goed bereikbaar zijn voor voertuigen ten behoeve <strong>van</strong> de bestrijding <strong>van</strong><br />

calamiteiten. Toegangsdeuren tot een opslagvoorziening en eventuele aansluitpunten voor blussystemen<br />

moeten te allen tijde vrij worden gehouden.<br />

4.3 Scheiding tussen de vakken Wm, AI<br />

4.3.1 De in een opslagvoorziening aanwezige <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten in vakken zijn<br />

opgeslagen. Scheiding tussen vakken kan plaatsvinden door:<br />

- een gangpad <strong>van</strong> ten minste 3,5 m;<br />

- een scheidingsconstructie met een WBDBO <strong>van</strong> ten minste 30 minuten.<br />

Indien een scheidingsconstructie tussen twee vakken is aangebracht, mogen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> niet hoger<br />

worden gestapeld dan tot 0,5 m onder de bovenrand <strong>van</strong> een scheidingsconstructie. Bovendien mogen<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> niet worden opgeslagen binnen 0,5 m <strong>van</strong> de open zijde <strong>van</strong> het vak.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 33/84


Toelichting: In hoogstapelmagazijnen wordt de maximale vakgrootte en de wijze waarop vakken worden<br />

gerealiseerd, bepaald door de ontwerpeisen <strong>van</strong> de automatische blusinstallatie en de wijze waarop deze<br />

zijn vastgelegd in het PvE.<br />

4.3.2 Indien in een vak <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 of vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt tussen 61 °C en 100 °C in<br />

niet metalen verpakking zijn opgeslagen, moeten voorzieningen zijn getroffen om te voorkomen dat<br />

product of bluswater kan uitstromen naar naastgelegen vakken.<br />

Toelichting: Naast het voorkomen <strong>van</strong> brandoverslag naar een ander vak moet een vak zodanig zijn<br />

ontworpen en uitgevoerd dat lekvloeistof en bluswater niet naar een ander vak kan uitstromen.<br />

Afvoervoorzieningen moeten zodanig zijn ontworpen dat een brandende vloeistof zich niet brandend buiten<br />

een opslagvoorziening kan begeven.<br />

Indien een vak niet aan deze uitgangspunten voldoet, moeten voorzieningen voor product- en<br />

bluswaterop<strong>van</strong>g worden gedimensioneerd op basis <strong>van</strong> het totale oppervlak <strong>van</strong> een opslagvoorziening.<br />

4.4 Vakindeling en maximum oppervlak opslagvoorziening Wm, AI<br />

4.4.1 De grootte <strong>van</strong> een overeenkomstig voorschrift 4.3.1 afgescheiden vak mag ten hoogste 300 m²<br />

bedragen.<br />

4.4.2 Het vloeroppervlak <strong>van</strong> een opslagvoorziening mag ten hoogste 2.500 m² bedragen.<br />

Toelichting: Het Bouwbesluit 2003 schrijft in beginsel (voor nieuwbouw) voor dat industriegebouwen<br />

moeten zijn ingedeeld in brandcompartimenten met een gebruiksoppervlakte <strong>van</strong> niet meer dan 1.000 m².<br />

Bij opslagvoorzieningen met een gebruiksoppervlakte <strong>van</strong> meer dan 1.000 m² moet er rekening mee<br />

worden gehouden dat in het kader <strong>van</strong> de bouwvergunning of de gebruiksvergunning voor wat betreft de<br />

veiligheid <strong>van</strong> het grote brandcompartiment ten genoegen <strong>van</strong> het gemeentelijk bevoegd gezag moet<br />

worden aangetoond dat een gelijkwaardige veiligheid is verkregen als met het Bouwbesluit 2003 is<br />

beoogd. Dit kan door middel <strong>van</strong> een onderzoeksrapport volgens de "Methode Beheersbaarheid <strong>van</strong><br />

Brand". Voor wat betreft de milieuaspecten bij een brand in een groot brandcompartiment kan een dergelijk<br />

onderzoek ook worden verlangd in het kader <strong>van</strong> de vergunning Wet milieubeheer.<br />

4.5 Beschermingsniveaus Wm, AI<br />

4.5.1 In een opslagvoorziening moet, afhankelijk <strong>van</strong> de eigenschappen <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong>, het verpakkingsmateriaal en de opgeslagen hoeveelheid opgeslagen <strong>stoffen</strong>, een overeenkomstig<br />

tabel 4 bepaald beschermingsniveau zijn gerealiseerd.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 34/84


Tabel 4: Vereiste beschermingsniveaus voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Brandbaarheid<br />

Gevaar conform de<br />

klasse zonder<br />

bijkomend gevaar**<br />

Vlampunt<br />

≤ 61˚ C<br />

Vlampunt<br />

> 61˚ C en<br />

≤ 100˚ C<br />

Vlampunt<br />

> 100˚ C<br />

Brandbare<br />

vaste<br />

<strong>stoffen</strong><br />

Onbrandbare<br />

<strong>stoffen</strong> (vast,<br />

vloeibaar, gas)<br />

3 1/1 of 2/2* - - - -<br />

5.1 - - - - 3/3<br />

6.1 1/1 1/2 2/3 2/3 3/3<br />

6.2 (cat. 13 en 14)<br />

8 1/1 of 2/2* 2/2 2/3 3/3 3/3<br />

9 - 1/2 2/3 3/3 3/3<br />

CMR-<strong>stoffen</strong> 1/1 1/2 2/3 2/3 3/3<br />

* In deze gevallen mag beschermingsniveau 2 worden toegepast indien minder dan 100 ton in een<br />

opslagvoorziening wordt opgeslagen. Deze uitzondering geldt voor de klasse 3 alleen indien het<br />

verpakkingsgroep II of III betreft. Daarnaast zal deze uitzondering kritisch beoordeeld worden door het<br />

bevoegd gezag en de lokale brandweer op onder meer aspecten als de noodzakelijke veel grotere<br />

bluswaterop<strong>van</strong>g, het grotere indirect ruimte beslag op grond <strong>van</strong> het BEVI, de gevolgen <strong>van</strong> de<br />

vuurbelasting in geval <strong>van</strong> brand voor de omgeving, opslaglocatie schuimvormend middel en<br />

inzetbaarheid lokale brandweer.<br />

** voor <strong>stoffen</strong> met een bijkomend gevaar moet ook het bijkomend gevaar worden beoordeeld. Voor de<br />

betreffende stof geldt het zwaarste beschermingsniveau. Per vak zijn twee cijfers (1/1, 2/3, etc)<br />

genoemd. Het eerste getal betreft het vereiste beschermingsniveau voor <strong>stoffen</strong> in niet-metalen<br />

verpakkingen. Het tweede getal betreft het vereiste beschermingsniveau voor metalen verpakkingen.<br />

Toelichting: Indien in een opslagvoorziening <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> met verschillende eigenschappen zijn<br />

opgeslagen, moet het overeenkomstig voorschrift 4.5.1 vastgestelde beschermingsniveau zijn gebaseerd<br />

op de combinatie <strong>van</strong> de grootste gevaarseigenschappen <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>.<br />

Indien een opslagvoorziening zowel <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in metalen verpakking als in niet metalen<br />

verpakking aanwezig is, moet het noodzakelijke beschermingsniveau zijn gebaseerd op niet-metalen<br />

verpakking. Indien in een opslagvoorziening niet ADR-geclassificeerde <strong>stoffen</strong> aanwezig zijn, moet de<br />

brandbaarheid <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> ook worden meegewogen bij het vaststellen <strong>van</strong> het vereiste<br />

beschermingsniveau, tenzij de betreffende <strong>stoffen</strong> in een apart vak zijn opgeslagen.<br />

4.5.2 Bij het vaststellen <strong>van</strong> het vereiste beschermingsniveau, moeten per opslagvoorziening de in tabel 5<br />

genoemde grenswaarden zijn aangehouden, waarboven met een stofklasse of verpakkingsmateriaal<br />

rekening moet worden gehouden, waarbij geldt dat in het geval <strong>van</strong> een bijkomend gevaar het gevaar met<br />

de laagste grenswaarde bepalend is.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 35/84


Tabel 5: grenswaarden voor het vaststellen <strong>van</strong> een beschermingsniveau<br />

Gevaar conform<br />

klasse zonder<br />

bijkomend<br />

gevaar*<br />

Omschrijving en specificatie<br />

Grenswaard<br />

e (kg)<br />

3 Brandbare vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt tot 61 ºC 400<br />

- Brandbare vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt tussen 61 ºC en 1.000<br />

100 ºC<br />

- Brandbare vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt groter dan 100 2.500<br />

ºC<br />

Brandbare vaste <strong>stoffen</strong> 2.500<br />

Totale hoeveelheid brandbare <strong>stoffen</strong> (vast en vloeibaar) 2.500<br />

5.1 Oxiderende <strong>stoffen</strong> 2.500<br />

6.1 Giftige <strong>stoffen</strong> 2.500<br />

8 Bijtende <strong>stoffen</strong> 2.500<br />

9 Milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 2.500<br />

CMR-<strong>stoffen</strong> 2.500<br />

Totale hoeveelheid giftige, bijtende en milieu<strong>gevaarlijke</strong> 2.500<br />

<strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong><br />

Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> in niet-metalen verpakkingen 2.500<br />

* voor <strong>stoffen</strong> met een bijkomend gevaar moet ook het bijkomend gevaar worden beoordeeld. Voor de<br />

betreffende stof geldt de laagste grenswaarde.<br />

Toelichting: met dit voorschrift wordt voorkomen dat een beperkte hoeveelheid <strong>van</strong> een stof al leidt tot het<br />

voor die stof noodzakelijke beschermingsniveau.<br />

4.6 Bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen Wm<br />

4.6.1 Indien in een opslagvoorziening conform voorschrift 4.5.1 beschermingsniveau 1 moet zijn<br />

gerealiseerd, moet de nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit worden bepaald met behulp <strong>van</strong> de in bijlage 5<br />

vermelde parameters.<br />

Indien <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen <strong>van</strong> de klasse 6.1 of een overeenkomstig bijkomend gevaar hebben, <strong>stoffen</strong><br />

<strong>van</strong> de klasse 9 (milieugevaarlijk) of CMR-<strong>stoffen</strong>, moet de werkelijke grootte <strong>van</strong> de<br />

bluswaterop<strong>van</strong>gvoorziening ten minste gelijk zijn aan de nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit (100%).<br />

Indien <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen <strong>van</strong> de klasse 8, moet de werkelijke grootte <strong>van</strong> de<br />

bluswaterop<strong>van</strong>gvoorziening ten minste 50 % bedragen <strong>van</strong> de nominale capaciteit.<br />

Indien <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen <strong>van</strong> de klasse 3 , moet de werkelijke grootte <strong>van</strong> de<br />

bluswaterop<strong>van</strong>gvoorziening ten minste 25 % bedragen <strong>van</strong> de nominale capaciteit.<br />

Afhankelijk <strong>van</strong> de wijze waarop een vak is gescheiden <strong>van</strong> andere vakken moet een veiligheidsfactor<br />

worden gehanteerd (zie bijlage 5).<br />

4.6.2 Indien in een opslagvoorziening conform voorschrift 4.5.1 beschermingsniveau 2 moet zijn<br />

gerealiseerd, moet de nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit worden berekend aan de hand <strong>van</strong> inzettijd<br />

<strong>van</strong> de lokale brandweer of bedrijfsbrandweer.<br />

Indien de brandweer aantoonbaar binnen 15 minuten inzetbaar is, bedraagt de nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

0,5 m 3 / m 2 vak. Indien de brandweer aantoonbaar binnen 6 minuten inzetbaar is, bedraagt de nominale<br />

op<strong>van</strong>gcapaciteit 0,3 m 3 /m 2 vak.<br />

Afhankelijk <strong>van</strong> de wijze waarop een vak is gescheiden <strong>van</strong> andere vakken moet een veiligheidsfactor<br />

worden gehanteerd (zie bijlage 5).<br />

Indien in een opslagvoorziening waar beschermingsniveau 2 moet zijn gerealiseerd, <strong>stoffen</strong> zijn<br />

opgeslagen <strong>van</strong> de klasse 3 of een overeenkomstig bijkomend gevaar, <strong>van</strong> de klasse 6.1 of een<br />

overeenkomstig bijkomend gevaar, <strong>van</strong> de klasse 9 (milieugevaarlijk) of CMR-<strong>stoffen</strong>, moet de werkelijke<br />

grootte <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gvoorziening ten minste gelijk zijn aan de nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

(100%). Indien <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen <strong>van</strong> klasse 8 moet de werkelijke grootte <strong>van</strong> de<br />

bluswaterop<strong>van</strong>gvoorziening ten minste 50% bedragen <strong>van</strong> de nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 36/84


4.6.3 Indien de bluswaterafvoer <strong>van</strong> meerdere opslagvoorzieningen is aangesloten op één centrale<br />

op<strong>van</strong>gvoorziening kan de op<strong>van</strong>gcapaciteit worden gedimensioneerd op de grootste opslagvoorziening.<br />

Dit geldt niet indien de bluswaterop<strong>van</strong>gvoorziening in de opslagvoorziening zelf is gerealiseerd.<br />

4.7 Productop<strong>van</strong>g Wm<br />

4.7.1 In de opslagvoorziening moet de productop<strong>van</strong>gcapaciteit zijn berekend aan de hand <strong>van</strong> tabel 6.<br />

Tabel 6: Productop<strong>van</strong>gcapaciteit per beschermingsniveau<br />

Beschermingsniveau 1<br />

Beschermingsniveau 2<br />

Vlampunt ≤ 61 ºC Vlampunt > 61 ºC<br />

100 % <strong>van</strong> de aanwezige<br />

vloei<strong>stoffen</strong> in het grootste vak,<br />

10 % indien de aanwezige<br />

vloei<strong>stoffen</strong> zich uitsluitend in<br />

metalen verpakking bevinden<br />

100 % <strong>van</strong> de aanwezige<br />

vloei<strong>stoffen</strong> in de<br />

opslagvoorziening<br />

10 % <strong>van</strong> de aanwezige<br />

vloei<strong>stoffen</strong> in het grootste vak<br />

10 % <strong>van</strong> de aanwezige<br />

vloei<strong>stoffen</strong> in de<br />

opslagvoorziening<br />

Beschermingsniveau 3 n.v.t. 10 % <strong>van</strong> de aanwezige<br />

vloei<strong>stoffen</strong> in het grootste vak<br />

Toelichting: de totaal benodigde op<strong>van</strong>gcapaciteit wordt bepaald door de som <strong>van</strong><br />

bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit en productop<strong>van</strong>gcapaciteit. Dit mag in dezelfde op<strong>van</strong>gvoorziening zijn<br />

gerealiseerd.<br />

4.8 Brandbeveiligingsinstallaties Wm, AI<br />

4.8.1 Algemeen<br />

4.8.1.1 Indien overeenkomstig voorschrift 4.5.1 in een opslagvoorziening beschermingsniveau 1 moet zijn<br />

gerealiseerd, moet een geschikte brandbeveiligingsinstallatie aanwezig zijn die bedrijfsgereed is.<br />

Toelichting: In bijlage 5 is een overzicht gegeven <strong>van</strong> de gangbare brandbeveiligingsinstallaties.<br />

Bovendien zijn in deze bijlage belangrijke kenmerken <strong>van</strong> deze brandbeveiligingsinstallaties beschreven.<br />

4.8.1.2 Indien overeenkomstig voorschrift 4.5.1 in een opslagvoorziening beschermingsniveau 2 moet zijn<br />

gerealiseerd, moet een brandbeveiligingsinstallatie aanwezig zijn die bedrijfsgereed is en die ten minste<br />

bestaat uit de volgende voorzieningen en maatregelen:<br />

- in de opslagvoorziening moet een snel branddetectiesysteem zijn geïnstalleerd;<br />

- de lokale brandweer moet binnen 15 minuten inzetbaar zijn, dan wel binnen de inrichting moet een<br />

bedrijfsbrandweer aanwezig zijn;<br />

- in de opslagvoorziening moet een rook- en warmteafvoerinstallatie (RWA) zijn aangebracht;<br />

- in de inrichting moet nabij de opslagvoorziening een voorraad schuimvormend middel aanwezig<br />

zijn omdat bij een mogelijke blussing uitgegaan moet worden <strong>van</strong> toepassing <strong>van</strong> schuim;<br />

- de in tabel 7 genoemde maximale oppervlakken voor opslagvoorziening en vakgrootte moeten<br />

worden gehanteerd.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 37/84


Tabel 7: Maximale oppervlakken opslagvoorziening en vakgrootte bij beschermingsniveau 2<br />

Hoeveelheid<br />

brandbare<br />

vloei<strong>stoffen</strong> in kg<br />

Maximaal toegestaan oppervlak in m 2 <strong>van</strong> de<br />

opslagvoorziening bij beschermingsniveau 2<br />

Niet metaal (vakgrootte Metaal (vakgrootte<br />

maximaal 100 m 2 )<br />

maximaal 300 m 2 )<br />

≤ 61 ºC > 61ºC ≤ 61 ºC > 61 ºC<br />

≤ 2.500 1.500 1.500 1.500 2.500<br />

> 2.500 800 800 800 1.500<br />

Toelichting: Tabel 7 geeft samenvattend weer wat het maximale vloeroppervlak <strong>van</strong> een opslagvoorziening<br />

mag zijn die is uitgevoerd op beschermingsniveau 2.<br />

Ten eerste is het <strong>van</strong> belang hoe groot de maximale hoeveelheid brandbare vloei<strong>stoffen</strong> is en of het<br />

vloei<strong>stoffen</strong> betreft met een vlampunt hoger of lager dan 61 ºC. Vervolgens is het <strong>van</strong> belang of deze<br />

brandbare vloei<strong>stoffen</strong> in metalen of in niet-metalen verpakking worden opgeslagen.<br />

Naarmate het vlampunt <strong>van</strong> de brandbare vloei<strong>stoffen</strong> hoger is, en indien deze vloei<strong>stoffen</strong> in metalen<br />

verpakking worden opgeslagen, mogen grotere vakgroottes en grote vloeroppervlaktes <strong>van</strong> de<br />

opslagvoorziening worden toegepast.<br />

4.8.2 Beoordeling, certificatie en goedkeuring <strong>van</strong> brandbeveiligingsinstallaties<br />

4.8.2.1 De uitgangspunten voor ontwerp, aanleg, onderhoud, beheer, opleveringsinspectie en periodieke<br />

inspectie <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallatie moeten zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag, voordat<br />

met de aanleg <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallatie wordt begonnen.<br />

Toelichting: In CPR 15-2 werd in plaats <strong>van</strong> “uitgangspunten” de term “Programma <strong>van</strong> Eisen” gebruikt.<br />

Momenteel wordt door betrokken partijen en in overleg met de Raad voor de Accreditatie een nieuwe<br />

accreditatie- en certificatiemethodiek voorbereid. Zodra deze methodiek in de praktijk werkt, zal de<br />

terminologie in deze voorschriften worden aangepast.<br />

Het bevoegd gezag zendt, in geval <strong>van</strong> goedkeuring, een overeenkomstige verklaring aan de houder <strong>van</strong><br />

de inrichting.<br />

Bijlage 6 bevat een overzicht <strong>van</strong> ontwerpnormen voor brandbeveiligingsinstallaties.<br />

4.8.2.2 Een opslagvoorziening voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> mag niet eerder in gebruik worden<br />

genomen dan nadat een goedkeurend inspectierapport door een voor deze verrichting geaccrediteerde<br />

inspectie A-instelling is afgegeven of nadat een certificaat door een daartoe op basis <strong>van</strong> EN 45011 door<br />

de Raad voor Accreditatie 1 geaccrediteerde certificatie-instelling is afgegeven. De inspectie-instelling moet<br />

op basis <strong>van</strong> NEN-EN-ISO/IEC 17020 zijn geaccrediteerd door de Stichting Raad voor Accreditatie. Uit het<br />

goedkeurend inspectierapport of het certificaat moet blijken dat de brandbeveiligingsinstallatie is<br />

aangelegd en opgeleverd conform de door het bevoegd gezag goedgekeurde uitgangspunten als bedoeld<br />

in voorschrift 4.8.2.1.Het goedkeurend inspectierapport of het certificaat moet binnen de inrichting<br />

aanwezig zijn.<br />

4.8.2.3 Iedere twaalf maanden, of korter indien de ontwerpnorm dat voorschrijft, na aanleg <strong>van</strong> de<br />

brandbeveiligingsinstallatie moet door een inspectie-instelling als bedoeld in voorschrift 4.8.2.2 worden<br />

beoordeeld of de brandbeveiligingsinstallatie functioneert en is onderhouden conform de door het bevoegd<br />

gezag goedgekeurde uitgangspunten. De inspectierapporten zijn binnen de inrichting aanwezig. Een<br />

opslagvoorziening mag niet in gebruik zijn indien uit een inspectierapport blijkt dat een<br />

brandbeveiligingsinstallatie niet voldoet aan de door het bevoegd gezag goedgekeurde uitgangspunten.<br />

1 of door een accreditatie-instelling in een andere lidstaat <strong>van</strong> de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de<br />

overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die aan ten minste een gelijkwaardig niveau voldoet.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 38/84


5 Voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> containers<br />

geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

5.1 Inleiding<br />

De opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en bestrijdingsmiddelen bij havenvemen en stukgoedbedrijven in<br />

havens was uitgezonderd in de richtlijnen CPR 15-1 en CPR 15-2. Voor deze categorie <strong>van</strong> bedrijven is<br />

“De Leidraad voor vergunningverlening voor opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> bij<br />

stuwadoorsbedrijven” opgesteld. Deze leidraad is verschenen in 1993.<br />

Bij de totstandkoming <strong>van</strong> PGS 15 is ook bovengenoemde leidraad herzien en geïntegreerd in PGS 15.<br />

Deze herziening is vastgelegd in hoofdstuk 5: “voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> containers geladen met<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>”. Dit hoofdstuk handelt over het zogenaamde “nederleggen tijdens transport” en niet om<br />

de stationaire opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een container.<br />

Gebleken is dat in de afgelopen jaren de overslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> karakter is<br />

veranderd. Voorheen vond nog veel stukgoed overslag plaats. Met stukgoed wordt hier bedoeld goederen<br />

die niet in (ISO-)containers zijn geborgen (enkelvoudige emballage). Omdat overslag <strong>van</strong> stukgoed sterk is<br />

teruggelopen is ook de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> buiten loodsen vrijwel verdwenen.<br />

Tegenwoordig wordt een zeer groot deel <strong>van</strong> de goederen in containers vervoerd. Hoofdstuk 5 beperkt<br />

zich tot de activiteiten met containers in de volgende typen bedrijven:<br />

- Container terminals (bedrijven waar containers <strong>van</strong> en op schepen worden geplaatst en waar<br />

uitwisseling plaatsvindt tussen een of meer vervoersmodaliteiten);<br />

- Ro-ro terminals (bedrijven waar trailers en containers op chassis <strong>van</strong> en op schepen worden geladen<br />

en gelost; het gaat bij deze bedrijven veelal om short-sea vervoer);<br />

- Railservices centra (railservice centra zijn gespecialiseerd in het laden en lossen <strong>van</strong> trailers en<br />

containers, eventueel op chassis, <strong>van</strong> treinen op andere treinen of het wegvervoer);<br />

- Inland terminals (inland terminals zijn gespecialiseerd in de overslag <strong>van</strong> trailers en containers,<br />

eventueel op chassis, tussen binnenvaart, weg of spoor).<br />

Samenhang met hoofdstuk 3 Algemeen<br />

De paragrafen 3.6, 3.17 t/m 3.20 en 3.24 t/m 3.26 <strong>van</strong> hoofdstuk 3 zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op<br />

opslagplaatsen voor containers geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

5.2 Algemeen Wm, AI<br />

5.2.1 In de inrichting mogen uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen, die krachtens de Wet<br />

vervoer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> voor het vervoer zijn toegelaten.<br />

5.2.2 (Tank)containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten tegen aanrijding zijn beschermd door<br />

organisatorische of fysieke maatregelen.<br />

Toelichting:<br />

Het betreft hier bijvoorbeeld technische maatregelen als aanrijdbescherming op risicovolle plaatsen of<br />

organisatorische maatregelen als routering <strong>van</strong> voertuigen binnen de inrichting.<br />

5.2.3 In de inrichting moet een actueel handboek aanwezig zijn. De te onderscheiden onderwerpen<br />

moeten zijn uitgewerkt in concrete procedures of werkinstructies. Het handboek moet actueel worden<br />

gehouden. De volgende onderwerpen moeten ten minste in het handboek zijn opgenomen:<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 39/84


- de voorschriften <strong>van</strong> de Wet milieubeheervergunning(en);<br />

- een overzicht <strong>van</strong> opleidingen en trainingen op het gebied <strong>van</strong><br />

- het bedienen <strong>van</strong> transportmaterieel, de voorbereiding op noodsituaties, de kennis <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong>;<br />

- taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;<br />

- het interne noodplan;<br />

- het uitvoeren <strong>van</strong> bedrijfsinterne inspecties.<br />

5.2.4 Materieel voor het vervoeren <strong>van</strong> containers moet zodanig zijn ontworpen, onderhouden en worden<br />

gebruikt, dat een veilige behandeling <strong>van</strong> containers voldoende is gewaarborgd.<br />

Toelichting: Voor kranen en alle hijsmiddelen gelden de verplichtingen in het kader <strong>van</strong> de<br />

arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />

5.3 Blusleidingen en brandkranen Wm<br />

5.3.1 In de inrichting moeten blusleidingen en brandkranen aanwezig zijn. De afstand tussen de<br />

brandkranen onderling mag ten hoogste 200 meter bedragen. Indien zich tussen de brandkranen opstallen<br />

bevinden of goederen aanwezig zijn, moet deze afstand ten hoogste 80 m bedragen. Een brandkraan<br />

moet zijn aangesloten op een waterleiding of een ander gelijkwaardig watertoevoersysteem. De<br />

toevoercapaciteit moet ten minste 3.000 liter per minuut bedragen, zodat bij gelijktijdig gebruik <strong>van</strong> twee<br />

brandkranen een waterlevering per brandkraan <strong>van</strong> 1.500 liter per minuut bij een minimale dynamische<br />

druk <strong>van</strong> 100 kPa constant verzekerd is. Een brandkraan moet te allen tijde vrij gehouden worden.<br />

Toelichting:<br />

- in het operationele gebied moeten bij voorkeur bovengrondse brandkranen worden toegepast; nabij<br />

kantoren zijn eventueel ook ondergrondse hydranten in overleg met de plaatselijke brandweer<br />

toegestaan;<br />

- combineren <strong>van</strong> lichtmasten en brandkranen heeft de voorkeur mits wordt voldaan aan de vereiste<br />

afstanden tussen de brandkranen onderling.<br />

5.3.2 De blusleidingen moeten volledig als een ringleiding worden aangelegd. Blokafsluiters moeten<br />

aanwezig zijn om delen <strong>van</strong> het bluswaternet bij storingen, onderhoud of leidingbreuk te kunnen afsluiten<br />

zodanig dat het bluswaternet altijd gebruikt kan worden. Ondergrondse stalen bluswaterleidingen moeten<br />

corrosiewerend zijn uitgevoerd.<br />

5.3.3 Ondergrondse brandkranen moeten voldoen aan NEN 947. Bovengrondse brandkranen moeten<br />

voldoen aan DIN 3222.<br />

5.3.4 Brandkranen moeten elke drie jaar door een deskundige worden gecontroleerd op de vereiste<br />

waterdruk en wateropbrengst. De meetmethode moet voordat de meting wordt uitgevoerd in overleg met<br />

de gemeentelijke brandweer worden vastgesteld. Van de resultaten en bijzonderheden <strong>van</strong> de meting<br />

moet een rapport worden opgemaakt. Dit rapport moet in de inrichting ter inzage liggen. Bovendien<br />

moeten de brandkranen en de ondergrondse leidingen tweemaal per jaar worden doorgespoeld.<br />

5.4 Bereikbaarheid terrein Wm<br />

5.4.1 Het terrein <strong>van</strong> de inrichting moet via twee zover mogelijk uit elkaar gelegen zijden te allen tijde<br />

toegankelijk zijn voor hulpverlenende diensten. De minimale breedte <strong>van</strong> de toegangswegen moet 3,5<br />

meter zijn. Het terrein moet ontoegankelijk zijn voor onbevoegden.<br />

5.5 Middelen en maatregelen in geval <strong>van</strong> calamiteiten Wm, AI<br />

5.5.1 Bij de toegangspoort <strong>van</strong> de inrichting moet een duidelijk leesbare instructie zijn aangebracht met<br />

betrekking tot de veiligheidshandelingen, de eerste hulp bij ongevallen en een alarmregeling.<br />

5.5.2 Het personeel dat toegang heeft tot de inrichting moet op de hoogte zijn <strong>van</strong> de aard en de<br />

gevaarsaspecten <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en de te nemen maatregelen bij<br />

onregelmatigheden. Deze personen moeten tevens voldoende op de hoogte zijn <strong>van</strong> het interne noodplan.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 40/84


5.5.3 In de inrichting moeten voldoende middelen voorhanden zijn om in geval <strong>van</strong> een incident met<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> onmiddellijk de nodige maatregelen te kunnen nemen. Onder deze middelen wordt<br />

onder meer begrepen:<br />

- onafhankelijke en afhankelijke adembescherming (ten minste 2 ademluchttoestellen met bijbehorende<br />

uitrusting en aangepaste filterbussen);<br />

- beschermende kleding, veiligheidsbrillen, rubberen of plastic handschoen en laarzen;<br />

- overmaatse vaten of bergingsverpakkingen afgestemd op de grootste aanwezige verpakkingen (niet<br />

zijnde tankcontainers), ten minste 2 stuks;<br />

- vatensleutels en bondels, bezem en schop;<br />

- reparatiemiddelen, zoals kunstharspasta, kleefband en plastic zakken;<br />

- materiaal om rioolputten af te dekken;<br />

- een vatenpomp met slangen, waarmee op eenvoudige wijze de inhoud <strong>van</strong> een vat of een can kan<br />

worden overgepompt;<br />

- voldoende absorptiemiddelen.<br />

Toelichting: Soort, hoeveelheid en geschiktheid <strong>van</strong> de persoonlijke beschermingsmiddelen moet blijken<br />

uit de RI&E.<br />

5.5.4 In de inrichting moet ten behoeve <strong>van</strong> containers of voertuigen, waar<strong>van</strong> wordt geconstateerd dat<br />

daar lekkende emballage aanwezig is, een daarvoor speciaal ingericht terreingedeelte aanwezig zijn. Deze<br />

calamiteitenplaats moet:<br />

- duidelijk zijn gemarkeerd of duidelijk door borden zijn aangegeven;<br />

- altijd goed bereikbaar zijn;<br />

- conform voorschrift 3.3.1 als bodembeschermende voorziening zijn uitgevoerd enbestand zijn tegen de<br />

aanwezige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Voorzieningen moeten zijn getroffen om te voorkomen dat gemorste <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in de bodem, in de<br />

openbare riolering of in het oppervlaktewater kunnen geraken.<br />

Toelichting: Ook een wasplaats of vergelijkbare voorziening kan dienst doen als een calamiteitenplaats,<br />

mits deze in geval <strong>van</strong> een calamiteit voldoende snel kan worden vrijgemaakt.<br />

Bij het openen <strong>van</strong> de container moet voor wat betreft het gebruik <strong>van</strong> persoonlijke beschermingsmiddelen<br />

rekening gehouden worden met de eigenschappen <strong>van</strong> de in de container vervoerde <strong>stoffen</strong>.<br />

5.5.5 Op de calamiteitenplaats moet voor twee 45 voets containers ruimte worden vrijgehouden, zodat in<br />

geval <strong>van</strong> een lekkage of een beschadiging de betreffende container voor verdere behandeling op de<br />

calamiteitenplaats kan worden geplaatst. Rondom deze locatie moet een ruimte <strong>van</strong> 2 meter worden<br />

vrijgehouden voor de bereikbaarheid. De locatie <strong>van</strong> de calamiteitenplaats moet in overleg met het<br />

bevoegd gezag worden vastgesteld.<br />

Toelichting: een locatie voor twee containers is noodzakelijk i.v.m. het eventueel overpompen of<br />

overpakken <strong>van</strong> lading <strong>van</strong>uit een lekkende (tank)container.<br />

5.5.6 Indien een (tank)container die is beladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of bodembedreigende <strong>stoffen</strong> lekt of<br />

er een vermoeden hiervoor bestaat, moet deze (tank)container direct op de calamiteitenplaats worden<br />

geplaatst voor verdere behandeling of reparatie op voorwaarde dat veilig intern vervoer kan worden<br />

gewaarborgd.<br />

5.5.7 In de inrichting moet een verrijdbare op<strong>van</strong>gbak aanwezig zijn, waarin een beschadigde of lekkende<br />

(tank)container naar de calamiteitenplaats kan worden vervoerd. Deze op<strong>van</strong>gbak moet:<br />

- vloeistofdicht zijn uitgevoerd;<br />

- zijn voorzien <strong>van</strong> een opstaande rand <strong>van</strong> ten minste 30 cm;<br />

- voldoende groot zijn voor een 45-voets-container;<br />

- zijn voorzien <strong>van</strong> een afsluiter om hemelwater uit de op<strong>van</strong>gbak te kunnen verwijderen. Deze afsluiter<br />

wordt regelmatig onderhouden en ten minste eenmaal per half jaar getest;<br />

- de op<strong>van</strong>gbak moet na ieder gebruik grondig worden gereinigd, zodat geen productresten meer in de<br />

bak aanwezig zijn.<br />

5.5.8 In de inrichting moet een calamiteitenploeg aanwezig zijn, tenzij het door het bevoegd gezag<br />

goedgekeurde interne noodplan anders aangeeft. De calamiteitenploeg moet onder leiding <strong>van</strong> een<br />

deskundig persoon staan die te allen tijde bij onregelmatigheden met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, zoals lekkages,<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 41/84


morsingen en fustbreuk, direct adequate maatregelen kan treffen, die er op gericht zijn de gevolgen <strong>van</strong><br />

deze onregelmatigheden te beperken. De calamiteitenploeg moet regelmatig met de veiligheidsmiddelen<br />

oefenen. De grootte <strong>van</strong> de calamiteitenploeg moet afgestemd zijn op de grootte <strong>van</strong> het bedrijf.<br />

5.6 De opslag <strong>van</strong> (tank)containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Wm, AI<br />

5.6.1 In de inrichting mogen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> uit de ADR/IMDG-code klasse 2 tot en met 9 worden<br />

opgeslagen.<br />

Toelichting:<br />

Voor de opslag <strong>van</strong> radioactieve <strong>stoffen</strong> (klasse 7) is de minister <strong>van</strong> VROM het bevoegde gezag. Om<br />

tegenstrijdigheden met een vergunning krachtens de Kernenergiewet te voorkomen is de opslag <strong>van</strong><br />

klasse 7 in deze vergunning niet nadrukkelijk uitgezonderd.<br />

De opslag <strong>van</strong> explosieven (klasse 1) valt niet onder de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15. Indien opslag <strong>van</strong><br />

explosieven zich kan voordoen, moet hier in de vergunning nadrukkelijk aandacht aan worden besteed.<br />

5.6.2 Containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten worden opgeslagen op een voor de opslag <strong>van</strong> containers<br />

bestemd deel <strong>van</strong> het open terrein <strong>van</strong> de inrichting.<br />

5.6.3 De vloer <strong>van</strong> het terreingedeelte waar containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen, moet<br />

zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal. Een vloer moet voldoende stabiliteit bieden en geëgaliseerd<br />

zijn.<br />

5.6.4 Open containers waarin zich niet-waterdicht <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> bevinden moeten tegen<br />

inregenen zijn beschermd.<br />

5.6.5 (Tank)containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten zodanig zijn opgesteld, dat ze altijd voor inspectie<br />

bereikbaar zijn en kunnen worden afgevoerd naar de calamiteitenplaats.<br />

Toelichting:<br />

De ruimte aan de deurzijde <strong>van</strong> een container moet zodanig zijn bemeten dat uitwendige inspectie <strong>van</strong> een<br />

container te allen tijde mogelijk is. Voor een eventuele inspectie is een ruimte <strong>van</strong> + 0,5 m zeker<br />

noodzakelijk.<br />

5.6.6 Op een open topcontainer mag geen andere container worden gestapeld, tenzij de containers door<br />

middel <strong>van</strong> twistlocks worden gekoppeld. Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien verplaatsing <strong>van</strong> een<br />

container ten gevolge <strong>van</strong> stoten niet mogelijk is, bijvoorbeeld indien stapeling plaatsvindt onder een<br />

brugkraan of in een automatische stack.<br />

5.6.7 (Tank)containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten in de buitenste rijen <strong>van</strong> de stapeling zijn geplaatst.<br />

Toelichting: De doelstelling <strong>van</strong> dit voorschrift is het realiseren <strong>van</strong> bereikbaarheid <strong>van</strong> containers met<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> t.b.v. het ingrijpen bij een calamiteit. Met dit voorschrift wordt geen scheiding tussen<br />

containers met <strong>gevaarlijke</strong> en on<strong>gevaarlijke</strong> lading beoogd.<br />

5.6.8 Tankcontainers die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3, 5.1 of 5.2 bevatten, mogen niet boven elkaar<br />

worden gestapeld en niet rechtstreeks naast elkaar worden geplaatst. In dergelijke gevallen moet een<br />

andere container tussen de te scheiden containers worden geplaatst, dan wel een overeenkomstige<br />

afstand worden aangehouden.<br />

5.6.9 Voordat (tank)containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in de stapeling worden geplaatst, moeten zij aan de<br />

buitenkant visueel worden geïnspecteerd om mogelijke onregelmatigheden zoals lekkages vast te stellen.<br />

Toelichting:<br />

Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing als aan de landzijde bij binnenkomst en aan de zeezijde bij lossing al<br />

is geïnspecteerd.<br />

5.6.10 Lege ongereinigde tankcontainers waarin <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> vervoerd zijn, moeten worden<br />

behandeld als gevulde tankcontainers.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 42/84


5.6.11 (Tank)containers moeten zodanig worden geplaatst dat minimaal één gevaarsetiket zichtbaar blijft.<br />

5.6.12 Een tankcontainer die is voorzien <strong>van</strong> een etiket modelnummer 2.3 <strong>van</strong> het ADR en een<br />

tankcontainer <strong>van</strong> de klasse 8 die ook voorzien moet zijn <strong>van</strong> een etiket modelnummer 6.1, moet op het<br />

maaiveld worden geplaatst.<br />

Toelichting:<br />

Het betreft onder meer ammoniak, chloor en zwaveldioxide (klasse 2) en fluorwaterstof en broom (klasse<br />

8). In het ADR, tabel 3.2 kolom 5, is bepaald welke tankcontainers met <strong>stoffen</strong> uit IMDG-klasse 8<br />

aanvullend geëtiketteerd moeten worden met een etiket model 6.1.<br />

5.6.13 Tankcontainers geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, zoals genoemd in voorschrift 5.6.12, moeten ten<br />

minste 5 m verwijderd blijven <strong>van</strong> (tank)containers met brandbare vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt lager dan<br />

61 0 C, alsmede <strong>van</strong> (tank)containers met brandbare gassen.<br />

5.6.15 De afstand <strong>van</strong> een tankcontainer met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> tot een container met <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de<br />

klasse 7 moet ten minste 50 meter bedragen. De afstand <strong>van</strong> een boxcontainer met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> tot<br />

een container met <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 7 moet ten minste 25 meter bedragen.<br />

Toelichting: Afstanden tot ontplofbare <strong>stoffen</strong> zijn vastgelegd in de “handreiking voor nederleggen tijdens<br />

vervoer voor vuurwerk”.<br />

5.7 Maatregelen ter voorkoming <strong>van</strong> verontreiniging <strong>van</strong> het oppervlaktewater en ter<br />

bescherming <strong>van</strong> het riool<br />

Wm<br />

5.7.1 Er moeten maatregelen genomen worden om, in geval <strong>van</strong> lekkage, te voorkomen dat gelekte<br />

vloeistof in het oppervlaktewater of het riool geraakt.<br />

Toelichting: In geval <strong>van</strong> nieuw te bouwen inrichtingen kan dit door afsluiters aan te brengen daar waar het<br />

hemelwater op het oppervlaktewater wordt geloosd. Bij bestaande bedrijven moeten organisatorische<br />

maatregelen worden getroffen (instructies) om in geval <strong>van</strong> lekkage rioolputten af te dichten. De in de<br />

organisatorische maatregelen voorgeschreven technische voorzieningen moeten direct beschikbaar zijn.<br />

5.8 Opstelplaatsen voor voertuigen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Wm, AI<br />

Toelichting:<br />

Deze voorschriften voor het parkeren <strong>van</strong> voertuigen gelden uitsluitend bij het parkeren en opstellen <strong>van</strong><br />

voertuigen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zonder toezicht. De voorschriften zijn niet <strong>van</strong> toepassing voor het<br />

opstellen <strong>van</strong> voertuigen in verband met aanmelden of andere formaliteiten (aanmelden, douane enz).<br />

Onder voertuigen worden ook verstaan trailers of opleggers zonder trekker.<br />

5.8.1 Rond elk, op het open terrein <strong>van</strong> de inrichting geparkeerd voertuig, dat met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> is<br />

beladen, moet, horizontaal gemeten een ruimte <strong>van</strong> 2 meter vrij zijn. Dit geldt niet voor voertuigen met een<br />

lading uit dezelfde gevarenklasse.<br />

Toelichting:<br />

Aan dit voorschrift kan bijvoorbeeld worden voldaan door voertuigen beladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

afwisselend op te stellen met voertuigen met een on<strong>gevaarlijke</strong> lading.<br />

5.8.2 De voertuigen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten zodanig zijn geparkeerd, dat deze te allen tijde uit de<br />

opstelplaats kunnen worden weggereden.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 43/84


6 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> gasflessen<br />

6.1 Inleiding<br />

Dit hoofdstuk heeft betrekking op de opslag <strong>van</strong> gasflessen. Hoewel uniformiteit met de voorschriften voor<br />

<strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (hoofdstuk 3) zoveel mogelijk is nagestreefd wijken die voor de gasflessen<br />

enigszins af <strong>van</strong>wege het specifieke karakter.<br />

Onder meer geldt dat voor de buitenopslag tegen een gevel. Voor dergelijke situaties zijn in dit hoofdstuk<br />

brandveiligheidseisen opgenomen.<br />

De voorschriften zijn gebaseerd op de systematiek <strong>van</strong> het vervoer <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> over de weg<br />

(ADR). De classificatie en definities zijn ook conform VLG/ADR.<br />

De voorschriften zijn <strong>van</strong> toepassing op uiteenlopende categorieën <strong>van</strong> bedrijven. Onder meer zijn dat<br />

gebruikers als metaalbedrijven en ziekenhuizen, maar ook distributeurs, depots en vulstations.<br />

De opslag <strong>van</strong> gasflessen moet bij voorkeur in de buitenlucht plaatsvinden. Daarmee worden drukgolven,<br />

die bij inpandige opslag in een gebouw kunnen ontstaan in geval <strong>van</strong> een calamiteit, vermeden. Tevens is<br />

een opslag <strong>van</strong> gasflessen in de buitenlucht beter bereikbaar voor hulpdiensten.<br />

Reikwijdte<br />

De voorschriften zijn <strong>van</strong> toepassing voor de opslag <strong>van</strong> hoeveelheden groter dan 115 liter en hebben<br />

betrekking op een aantal hervulbare verpakkingen <strong>van</strong> klasse 2 <strong>van</strong> het ADR. Dat betreft gasflessen,<br />

gasflessenbatterijen en gesloten cryohouders, die tot het vervoer (VLG/ADR) zijn toegelaten. Deze worden<br />

in de voorschriften alle aangeduid met het verzamelbegrip ‘gasfles’. Spuitbussen vallen hier niet onder en<br />

derhalve ook niet onder het bereik <strong>van</strong> dit hoofdstuk.<br />

In veel situaties is het <strong>van</strong>uit risico-oogpunt toelaatbaar dat gasflessen via vaste leidingen zijn aangesloten<br />

in ruimten waar ook opslag plaatsvindt. Eventueel aanvullende voorschriften die gelden voor de<br />

gebruikssituatie waar<strong>van</strong> dan formeel sprake is, zijn niet opgenomen in dit hoofdstuk.<br />

De voorschriften hebben betrekking op de meest frequent voorkomende situaties. Daarbij gaat het om de<br />

gassen met als algemene gevaarseigenschappen:<br />

- verstikkend;<br />

- oxiderend;<br />

- brandbaar.<br />

Verder betreft het de volgende specifieke gassen:<br />

- samengeperste lucht (persluchtinstallaties met compressoren en verdere toebehoren binnen bedrijven<br />

worden daar niet toe gerekend);<br />

- ammoniak (giftig/bijtend);<br />

- koelgassen;<br />

- ethyleenoxide (giftig/brandbaar).<br />

In bijlage 7 is een meer gedetailleerd overzicht opgenomen.<br />

Voor overige gassen zullen zonodig aanvullende vergunningvoorschriften opgesteld moeten worden. Dat<br />

geldt ook voor andere specifieke situaties. Zo zal de opslag <strong>van</strong> drukhouders met CO 2 (“koolzuurcilinders”)<br />

bij horecagelegenheden moeten voldoen aan Beleidsregel 4.4.-9 <strong>van</strong> de Arbeidsinspectie “Voorkomen <strong>van</strong><br />

verstikking of bedwelming bij toepassing <strong>van</strong> kooldioxide”, in plaats <strong>van</strong> de voorschriften uit dit hoofdstuk.<br />

Ook is dit hoofdstuk niet <strong>van</strong> toepassing op de opslag <strong>van</strong> koolzuurcilinders met een doelmatige<br />

drukontlastvoorziening bij distributiebedrijven zoals drankengroothandels, e.e.a overeenkomstig het<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 44/84


epaalde in het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer en het daarop <strong>van</strong> toepassing zijnde<br />

(ontwerp)wijzigingsbesluit.<br />

Tenslotte geldt dit hoofdstuk niet voor gasflessen die t.b.v. een blusgasinstallatie zijn opgesteld.<br />

Kenmerking en etikettering<br />

Gasflessen zijn op de schouder voorzien <strong>van</strong> een verflaag. De kleur is een verwijzing naar de gassoort of<br />

de gevaarseigenschap <strong>van</strong> het gas welke is vastgelegd in NEN-EN 1089-3. Dit geldt niet voor gasflessen<br />

bestemd voor propaan, butaan of koelgassen.<br />

Gasflessen moeten duidelijk leesbaar en duurzaam (door inslagen of etiketten) de volgende opschriften<br />

dragen:<br />

- het UN-nummer en de juiste vervoersnaam <strong>van</strong> het gas(mengsel);<br />

- het gevaarsetiket zoals voorgeschreven in het VLG/ADR. Bij gasflessen mag dit etiket aangebracht<br />

zijn op het niet-cilindrische deel (schouder) <strong>van</strong> de fles. Etiketten mogen elkaar gedeeltelijk<br />

overlappen;<br />

- datum (jaar) <strong>van</strong> het volgende periodieke onderzoek<br />

Voor samengeperste gassen moet bovendien zijn aangegeven:<br />

- de beproevingsdruk in bar;<br />

- de lege massa in kg;<br />

- de bedrijfsdruk in bar.<br />

Voor vloeibaar gemaakte gassen:<br />

- de beproevingsdruk in bar;<br />

- de waterinhoud in liters;<br />

- de lege massa in kg;<br />

- de maximale vulmassa en de eigen massa <strong>van</strong> de houder met uitrustingsdelen of de bruto massa,<br />

alles in kg.<br />

Gevaarsetiketten (ook wel genoemd veiligheidsetiketten) hebben de vorm <strong>van</strong> een op zijn punt staand<br />

vierkant. Deze geven door hun kleur en opschrift de gevaarseigenschappen <strong>van</strong> de inhoud aan (ADR<br />

5.2.2).<br />

De volgende enkelvoudige etiketten komen voor:<br />

- 2.2. Niet brandbare, niet giftige gassen (verstikkende gassen), groen met symbool gasfles, “2” in<br />

benedenhoek.<br />

- 2.1. Brandbare gassen, rood met symbool vlam, “2” in benedenhoek.<br />

- 2.3 Giftige gassen, wit met symbool doodshoofd met gekruiste beenderen, “2” in benedenhoek.<br />

Ook komen combinaties voor:<br />

- 2.2 + 5.1. Oxiderende gassen, etiket 2.2, groen zoals eerder vermeld, etiket 5.1, geel met symbool<br />

vlam boven een cirkel, “5.1” in benedenhoek.<br />

- 2.3 + 8. Giftige en bijtende gassen, etiket 2.3, wit zoals eerder vermeld, etiket 8, zwart/wit met symbool<br />

twee reageerbuisjes waaruit druppels vallen die een hand en metaal aantasten, “8” in benedenhoek.<br />

- 2.3 + 2.1. Giftige en brandbare gassen, etiket 2.3, wit zoals eerder vermeld, etiket 2.1, rood zoals<br />

eerder vermeld.<br />

Keurmerken<br />

Elke gasfles dient voorzien te zijn <strong>van</strong> een ingeslagen keurmerk en de datum waarop het eerste onderzoek<br />

en eventuele herkeuringen (periodiek onderzoek) hebben plaatsgevonden.<br />

Het keurmerk <strong>van</strong> het eerste onderzoek wordt gevormd door het onderscheidingsteken of waarmerk <strong>van</strong><br />

de onderzoeksinstantie die door de bevoegde autoriteit in het land <strong>van</strong> toekenning is geregistreerd en door<br />

de bevoegde autoriteit in Nederland is toegelaten. Het keurmerk <strong>van</strong> het periodiek onderzoek is het<br />

geregistreerde kenmerk <strong>van</strong> de onderzoeksinstantie die door de bevoegde autoriteit in Nederland is<br />

toegelaten.<br />

Het meest recente periodieke onderzoek of het eerste onderzoek mag niet langer geleden zijn dan<br />

aangegeven in de kolom “keuringsinterval” <strong>van</strong> bijlage 7.<br />

Bij flessen met een vijfjarig beproevingsinterval geldt hierbij de maand/jaar combinatie <strong>van</strong> de inslag.<br />

Bij flessen of cryohouders met een tienjarig of vijftienjarig interval geldt alleen de jaaraanduiding.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 45/84


In de praktijk kunnen de volgende situaties zich voordoen:<br />

A. Oudere flessen: deze zijn reeds ten minste één keer aan periodiek onderzoek onderworpen geweest.<br />

Van belang is de datum(jaar) <strong>van</strong> het volgende periodieke onderzoek. Deze is d.m.v. een etiket of inslag<br />

aangegeven. De datum(jaar) <strong>van</strong> het meest recente periodieke onderzoek is ingeslagen bij het<br />

(her)keurmerk. Het (her)keurmerk is het pi-merk of het leeuw-merk <strong>van</strong> het Stoomwezen.<br />

B. Nieuwe flessen: deze zijn nog niet aan periodiek onderzoek onderworpen geweest. Ook hier is de<br />

datum(jaar) <strong>van</strong> het volgende periodieke onderzoek, aangegeven met een etiket of inslag, <strong>van</strong> belang. Het<br />

keurmerk is ingeslagen bij de datum(jaar) <strong>van</strong> het eerste onderzoek. Dit is het keurmerk <strong>van</strong> de<br />

onderzoeksinstantie die door de bevoegde autoriteit in Nederland is toegelaten.<br />

Veelal zijn dit bekende keurmerken <strong>van</strong> buitenlandse keuringsorganisaties in combinatie met het epsilonteken.<br />

Ook kan het keurmerk bestaan uit het pi-merk.<br />

Samenhang met hoofdstuk 3 Algemeen<br />

De voorschriften <strong>van</strong> hoofdstuk 3 zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op opslagvoorzieningen voor gasflessen,<br />

met uitzondering <strong>van</strong> de paragrafen 3.3, 3.8, 3.9, 3.10, 3.12, 3.13, 3.14 en 3.24.<br />

6.2 Voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> gasflessen Wm, AI<br />

6.2.1 Gasflessen, waar<strong>van</strong> de gezamenlijke waterinhoud meer bedraagt dan 115 liter, moeten, met<br />

uitzondering <strong>van</strong> werkvoorraden, op een laskar geplaatste gasflessen of gasflessen die zijn aangesloten<br />

aan een verzamelleiding, worden opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagvoorziening. In een<br />

opslagvoorziening mogen geen andere goederen aanwezig zijn die voor het beheer <strong>van</strong> de gasflessen<br />

niet functioneel zijn.<br />

6.2.2 De voorschriften <strong>van</strong> hoofdstuk 6 zijn ook <strong>van</strong> toepassing op lege gasflessen.<br />

6.2.3 Gasflessen moeten zijn voorzien <strong>van</strong> de vereiste ADR-gevaarsetiketten.<br />

6.2.4 Indien opslag <strong>van</strong> gasflessen plaatsvindt tegen de gevel <strong>van</strong> een tot de inrichting behorend gebouw<br />

moet dat deel <strong>van</strong> de wand, en de wand tot maximaal 4 m boven en 2 m aan weerszijden <strong>van</strong> de<br />

gasflessen een brandwerendheid <strong>van</strong> ten minste 60 minuten te bezitten.<br />

6.2.5 In afwijking <strong>van</strong> voorschrift 3.2.2.1 gelden de in tabel 8 genoemde afstanden <strong>van</strong> de<br />

opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens of tot bouwwerken die tot de inrichting behoren dan wel andere<br />

brandbare objecten, afhankelijk <strong>van</strong> totale hoeveelheid opgeslagen gasflessen en de WBDBO <strong>van</strong> een<br />

eventueel aanwezige wand tussen de opslag en inrichtingsgrens of object:<br />

Tabel 8: Afstanden <strong>van</strong> de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens/bouwwerken <strong>van</strong> de<br />

inrichting of brandbare objecten<br />

Afstand in m tot<br />

inrichtingsgrens<br />

Afstand in m tot<br />

bouwwerk of<br />

brandbaar<br />

object binnen<br />

de inrichting<br />

totale waterinhoud <strong>van</strong> de<br />

opgeslagen gasflessen minder dan<br />

2.500 liter<br />

WBDBO WBDBO 30<br />

60 minuten minuten<br />

WBDBO 0 WBDBO 60<br />

totale waterinhoud <strong>van</strong> de<br />

opgeslagen gasflessen meer dan<br />

2.500 liter<br />

WBDBO 30 WBDBO 0<br />

minuten minuten<br />

0 1 3 0 3 5<br />

0 3 5 0 5 10<br />

Toelichting: Aan dit voorschrift is voldaan indien het bouwwerk dat tot de inrichting behoort zelf reeds aan<br />

de eisen met betrekking tot de WBDBO voldoet voor de projectie <strong>van</strong> de opslag op dat bouwwerk (2 m<br />

aan weerszijden <strong>van</strong> de opslag) en, indien dat bouwwerk hoger is, ook daarboven tot maximaal 4 meter<br />

boven de projectie.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 46/84


6.2.6 Gasflessen moeten door vastzetten of anderszins tegen omvallen zijn beschermd.<br />

Toelichting:<br />

Gasflessen waar<strong>van</strong> de constructie zodanig is dat zij stabiel staan behoeven niet te worden vastgezet; dit<br />

geldt over het algemeen voor propaan/butaan cilinders en andere (gelaste) cilinders met een grote<br />

doorsnede.<br />

Als de opslag <strong>van</strong> gasflessen tegen een achterwand/muur plaatsvindt moet de gasfles met behulp <strong>van</strong><br />

een ketting of beugel zijn vastgezet aan die achterwand/muur.<br />

Als de opslag <strong>van</strong> gasflessen plaatsvindt in een vak of compartiment dan moet dit aan de volgende<br />

voorwaarden voldoen:<br />

- het vak dient aan drie zijden gesloten te zijn door een muur of een staalconstructie met een hoogte<br />

welke toereikend is om omvallen te voorkomen;<br />

- de gasflessen moeten zo dicht mogelijk bij elkaar en bij de wanden worden neergezet om volledig<br />

omvallen te voorkomen.<br />

- de voorzijde <strong>van</strong> het vak moet voorzien zijn <strong>van</strong> een constructie (ketting, beugel of spanband)<br />

waarmee het omvallen <strong>van</strong> gasflessen wordt voorkomen; deze voorziening behoeft niet in gebruik te<br />

zijn indien er gedurende werktijd aan- en afvoer <strong>van</strong> gasflessen in het vak plaatsvindt;<br />

- indien in het vak gasflessen <strong>van</strong> verschillende grootte worden opgeslagen moet het<br />

beschermingsniveau tegen omvallen voor alle gasflessen gelijk zijn.<br />

De gebruikelijke transportpallets voor gasflessen voldoen aan bovenstaande eisen.<br />

6.2.7 De totale waterinhoud <strong>van</strong> een (gas)flessenbatterij mag niet meer bedragen dan 3.000 liter, met<br />

uitzondering <strong>van</strong> batterijen bestemd voor het vervoer <strong>van</strong> giftige gassen <strong>van</strong> ADR klasse 2 die moeten<br />

worden beperkt tot een totale inhoud <strong>van</strong> 1.000 liter waterinhoud.<br />

6.2.8 De vloer <strong>van</strong> de opslagvoorziening mag niet lager zijn gelegen dan de omliggende vloer, <strong>van</strong><br />

aangrenzende ruimten of <strong>van</strong> het omringende maaiveld. Deze vloer moet vlak zijn, en zijn vervaardigd<br />

<strong>van</strong> onbrandbaar materiaal. Bij een open opslagvoorziening moet deze afwaterend zijn uitgevoerd. De<br />

vloer moet zodanig zijn uitgevoerd dat zich onder de vloer geen gas kan verzamelen.<br />

6.2.9 Gasflessen waar<strong>van</strong> de herkeurtermijn (periodiek onderzoek) is verstreken mogen niet binnen de<br />

inrichting aanwezig zijn.<br />

Toelichting: dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing bij (tussen)opslagbedrijven waar gasflessen worden<br />

verzameld voor herkeuring of bij bedrijven in de afvalsector. Een depothouder moet in staat worden<br />

gesteld om lege gasflessen, al dan niet binnen de herkeuringstermijn, gezamenlijk op te slaan tot het<br />

tijdstip <strong>van</strong> het eerste transport voor afvoer.<br />

6.2.10 In een opslagvoorziening mogen geen afsluiters worden geopend. Aan de buitenzijde <strong>van</strong> de<br />

opslagplaats moet op daartoe geschikte plaatsen met betrekking tot dit verbod met duidelijk leesbare<br />

letters, hoog ten minste 5 cm, het opschrift zijn aangebracht: "OPENEN VAN AFSLUITERS VAN<br />

GASFLESSEN VERBODEN" overeenkomstig NEN 3011. Het is echter toegestaan dat in combinatie met<br />

opslag, gasflessen via een verbinding met vaste leidingen zijn gekoppeld aan een installatie waar deze<br />

gassen worden toegepast. Het hiervoor genoemde verbod tot openen <strong>van</strong> afsluiters geldt niet voor deze<br />

gasflessen.<br />

6.2.11 Het stapelen <strong>van</strong> gasflessen is alleen toegestaan indien de constructie <strong>van</strong> de gasflessen hierin<br />

voorziet. Bij het stapelen in staande toestand mogen niet meer dan drie lagen gasflessen op elkaar zijn<br />

geplaatst, behoudens wanneer gebruik wordt gemaakt <strong>van</strong> pallets die een hogere stapeling toestaan. Het<br />

is verboden gasflessen die zijn gevuld met een giftig of brandbaar gas dat tot vloeistof is verdicht of in<br />

vloeistof is opgelost, in liggende toestand op te slaan of te stapelen.<br />

Toelichting: In afwijking <strong>van</strong> dit voorschrift mogen lege gasflessen wel in liggende toestand worden<br />

gestapeld, dit echter tot een maximum <strong>van</strong> zes lagen op elkaar.<br />

6.2.12 Gasflessen met gassen met gelijksoortige gevaarseigenschappen moeten bij elkaar worden<br />

opgeslagen.<br />

Toelichting: Het is gebruikelijk om gasflessen met gassen met overeenkomstige gevaarseigenschappen<br />

bij elkaar op te slaan. De gasflessen met eenzelfde verfkleur op de schouder worden bij elkaar<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 47/84


opgeslagen. Hiermee wordt de kans op verwisseling <strong>van</strong> gassoorten verkleind en kan bij calamiteiten<br />

effectief worden opgetreden.<br />

6.2.13 Zichtbaar beschadigde of lekkende gasflessen moeten apart gezet worden op een locatie waar het<br />

uitstromende gas zo weinig mogelijk gevaar oplevert.<br />

6.2.14 Natuurlijke ventilatie moet steeds zijn gewaarborgd. Een eventueel dak moet <strong>van</strong> onbrandbaar<br />

materiaal zijn vervaardigd en zodanig zijn uitgevoerd dat eventueel vrijgekomen gassen zich daaronder<br />

niet kunnen ophopen.<br />

6.2.15 Indien opslag plaatsvindt <strong>van</strong> gasflessen met brandbare gassen die zwaarder zijn dan lucht zoals<br />

propaan en butaan, moet een afstand worden aangehouden <strong>van</strong> ten minste 5 m tot kelderopeningen,<br />

putten en straatkolken die in open verbinding staan met de riolering en <strong>van</strong> tenminste 7,5 m tot<br />

aanzuigopeningen <strong>van</strong> ventilatiesystemen die zijn gelegen op minder dan 1,5 m boven het maaiveld.<br />

6.2.16 In situaties waarin gevaar bestaat op beschadiging <strong>van</strong> gasflessen ten gevolge <strong>van</strong> frequente<br />

voertuigbewegingen moet dat deel <strong>van</strong> de opslagvoorziening waar frequente voertuigbewegingen<br />

plaatsvinden zijn voorzien <strong>van</strong> een aanrijdbeveiliging.<br />

6.2.17 Van een inpandige opslagvoorziening moet ten minste één wand een buitenmuur zijn waarin zich<br />

ten minste één deur bevindt.<br />

AI<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 48/84


7 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen<br />

7.1 Inleiding<br />

Binnen de vervoerswetgeving worden spuitbussen en gaspatronen beschouwd als drukhouders die vallen<br />

onder de klasse 2.<br />

Er wordt voor de vervoerswetgeving geen onderscheid gemaakt op grond <strong>van</strong> de aard <strong>van</strong> het drijfgas<br />

(inert, zeer licht ontvlambaar of licht ontvlambaar) of de te vernevelen stof. Bij zogenaamde<br />

samengestelde verpakkingen met gelimiteerde hoeveelheden (LQ - limited quantities) wordt op de<br />

omverpakking (doos of krimpfolie) <strong>van</strong> spuitbussen het UN-nummer 1950 aangebracht en bij gaspatronen<br />

het UN-nummer 2037.<br />

Spuitbussen en gaspatronen die betrokken raken bij een brand kunnen gaan rocketeren, ongeacht of de<br />

inhoud bestaat uit een inerte of (licht) ontvlambare stof. De spuitbus/gaspatroon gedraagt zich hierbij als<br />

een voortgestuwd projectiel. Inslag <strong>van</strong> zo’n spuitbus/gaspatroon kan leiden tot domino-effecten hetgeen<br />

resulteert in uitbreiding <strong>van</strong> het oorspronkelijke incident.<br />

De gevolgen <strong>van</strong> deze effecten zijn te voorkomen of te beperken door organisatorische en technische<br />

maatregelen te nemen. De voorschriften die in dit hoofdstuk worden beschreven voor de opslag <strong>van</strong><br />

spuitbussen en gaspatronen zijn afgeleid <strong>van</strong> internationaal voorkomende normen en standaarden.<br />

De in dit hoofdstuk beschreven maatregelen zijn <strong>van</strong> toepassing op de volgende situaties:<br />

- opslag <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen in de zin <strong>van</strong> het ADR in combinatie met andere <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong>;<br />

- opslag <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen met een gezamenlijke inhoud <strong>van</strong> meer dan 400 kg (netto<br />

gewicht), waar<strong>van</strong> de inhoud (zowel het drijfgas als de stof die verneveld moet worden) in de zin <strong>van</strong><br />

de Wms aangemerkt moet worden als een zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare,<br />

toxische, corrosieve of oxiderende stof.<br />

Het bovenstaande betekent dat indien spuitbussen of gaspatronen gezamenlijk met andere <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen, er geen onderscheid wordt gemaakt naar inhoud. Het uitgangspunt is dat elke<br />

spuitbus of gaspatroon, onafhankelijk <strong>van</strong> de inhoud, een risico vormt voor de overige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Indien er geen gezamenlijke opslag met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> plaatsvindt, is als uitgangspunt<br />

gehanteerd dat de inhoud <strong>van</strong> de spuitbussen en gaspatronen bepalend is voor het <strong>van</strong> toepassing zijn<br />

<strong>van</strong> opslageisen. In dat geval moeten de spuitbussen dus <strong>van</strong>af de voor die categorie geldende<br />

ondergrens in een speciaal daarvoor bestemde opslagvoorziening worden opgeslagen. Bij het<br />

samenstellen <strong>van</strong> de voorschriften is in alle situaties uitgegaan <strong>van</strong> een brandcompartiment. Indien er<br />

situaties voorkomen dat spuitbussen of gaspatronen worden opgeslagen in open opslagen dan dient<br />

hiervoor maatwerk geleverd te worden.<br />

Samenhang met hoofdstuk 3 Algemeen<br />

De algemene voorschriften <strong>van</strong> hoofdstuk 3 zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op opslagvoorzieningen voor<br />

spuitbussen en gaspatronen, met uitzondering <strong>van</strong> de paragrafen, 3.3, 3.8, 3.9, 3.10, 3.14, en 3.24.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 49/84


7.2 Beschermingsniveau<br />

De voorschriften <strong>van</strong> hoofdstuk 4 zijn <strong>van</strong> toepassing voor het vaststellen <strong>van</strong> het gewenste<br />

beschermingsniveau <strong>van</strong> opslagvoorzieningen voor spuitbussen en gaspatronen, dit al dan niet in<br />

combinatie met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Voor het vaststellen <strong>van</strong> de grenswaarden (paragraaf 4.5 tabel 5) wordt de inhoud <strong>van</strong> de spuitbus<br />

beoordeeld op basis <strong>van</strong> de Wms-indeling <strong>van</strong> de inhoud.<br />

Spuitbussen en gaspatronen met een brandbare inhoud (al dan niet in combinatie met bijkomende<br />

gevaren) dienen, bij het vaststellen <strong>van</strong> de grenswaarden in paragraaf 4.5 tabel 5, te worden geteld als<br />

ADR-klasse 3 brandbare vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt <strong>van</strong> kleiner dan 61 °C.<br />

Spuitbussen en gaspatronen met een inhoud anders dan een brandbare inhoud en volgens de Wms- of<br />

ADR-indeling uitsluitend een andere gevaarsindeling hebben, dienen te worden geteld als de<br />

overeenkomende klassering <strong>van</strong> tabel 5 <strong>van</strong> paragraaf 4.5.<br />

7.3 Voorkomen opwarming <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen tijdens opslag Wm, AI<br />

7.3.1 Opwarming <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen boven de 50 °C door (directe) zonnestraling of andere<br />

verwarmingsbronnen moet worden uitgesloten.<br />

Toelichting: Spuitbussen of gaspatronen mogen bijvoorbeeld daarom niet worden opgeslagen boven<br />

kachels of verwarmingsbronnen en niet binnen een afstand <strong>van</strong> 1 meter daar<strong>van</strong>, tenzij de<br />

oppervlaktetemperatuur <strong>van</strong> deze kachels of verwarmingselementen nooit hoger kan worden dan 60 °C.<br />

7.3.2 Als in een opslagvoorziening spuitbussen of gaspatronen met een brandbare inhoud bewaard<br />

worden, mag de verwarming <strong>van</strong> de opslagvoorziening slechts geschieden door verwarmingstoestellen<br />

waar<strong>van</strong> de verbrandingsruimte niet in open verbinding staat of kan worden gebracht met de<br />

opslagvoorziening en met dien verstande dat de opppervlaktetemperatuur <strong>van</strong> het toestel niet hoger mag<br />

worden dan 200 °C.<br />

7.4 Het opslaan <strong>van</strong> maximaal 400 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder de<br />

gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Wm, AI<br />

7.4.1 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening kleiner is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />

opslaglocatie lager is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 1,8 m<br />

worden gestapeld. Tussen de opgeslagen spuitbussen of gaspatronen en het plafond moet minimaal 0,5<br />

m vrije ruimte aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd.<br />

Spuitbussen of gaspatronen hoeven niet gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> te worden<br />

opgeslagen.<br />

7.4.2 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening kleiner is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />

opslaglocatie hoger is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 2,4 m<br />

worden gestapeld. Tussen spuitbussen of gaspatronen en plafond moet minimaal 0,5 m vrije ruimte<br />

aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd. Spuitbussen of<br />

gaspatronen hoeven niet gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> te worden opgeslagen.<br />

7.4.3 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening groter is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />

opslaglocatie lager is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 1,8 m<br />

worden gestapeld. Tussen de opgeslagen spuitbussen of gaspatronen en het plafond moet minimaal 0,5<br />

m vrije ruimte aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd.<br />

Spuitbussen of gaspatronen moeten gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen.<br />

Spuitbussen of gaspatronen moeten worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 100 m 2 .<br />

Gescheiden opslag moet plaatsvinden door middel <strong>van</strong> een afscheiding <strong>van</strong> gaas <strong>van</strong> voldoende sterkte<br />

bestaande uit staaldraad met een vrije opening <strong>van</strong> maximaal 5 cm (bijvoorbeeld harmonicagaas <strong>van</strong><br />

tenminste 2,9 mm dikte) of in een separaat brandcompartiment.<br />

Toelichting: Scheiding heeft tot doel dat rocketerende spuitbussen en gaspatronen zich niet buiten het<br />

compartiment kunnen verspreiden of in aanraking kunnen komen met andere materialen en (<strong>gevaarlijke</strong>)<br />

<strong>stoffen</strong>.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 50/84


7.4.4 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening groter is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />

opslaglocatie hoger is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 2,4 m<br />

worden gestapeld. Tussen spuitbussen of gaspatronen en plafond moet minimaal 0,5 m vrije ruimte<br />

aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd. Spuitbussen of<br />

gaspatronen moeten gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen. Spuitbussen of<br />

gaspatronen moeten worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 100 m 2 . Gescheiden opslag<br />

moet plaatsvinden door middel <strong>van</strong> een afscheiding <strong>van</strong> gaas <strong>van</strong> voldoende sterkte bestaande uit<br />

staaldraad met een vrije opening <strong>van</strong> maximaal 5 cm (bijvoorbeeld harmonicagaas <strong>van</strong> tenminste 2,9 mm<br />

dikte) of in een separaat brandcompartiment. Indien er in totaal meer dan 10 ton <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen dan geldt dat spuitbussen of gaspatronen moeten worden opgeslagen op een<br />

oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 300 m 2 .<br />

7.5 Het opslaan <strong>van</strong> meer dan 400 kg maar minder dan 2.500 kg spuitbussen of gaspatronen,<br />

met of zonder de gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Wm, AI<br />

7.5.1 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening kleiner is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />

opslaglocatie lager is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 1,8 m<br />

worden gestapeld. Tussen de opgeslagen spuitbussen of gaspatronen en het plafond moet minimaal 0,5<br />

m vrije ruimte aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd.<br />

Spuitbussen of gaspatronen hoeven niet gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> te worden<br />

opgeslagen.<br />

7.5.2. Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening kleiner is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />

opslaglocatie hoger is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 2,4 m<br />

worden gestapeld. Tussen spuitbussen of gaspatronen en plafond moet minimaal 0,5 m vrije ruimte<br />

aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd. Spuitbussen of<br />

gaspatronen hoeven niet gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> te worden opgeslagen.<br />

7.5.3 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening groter is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />

opslaglocatie lager is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 1,8 m<br />

worden gestapeld. Tussen de opgeslagen spuitbussen of gaspatronen en het plafond moet minimaal 0,5<br />

m vrije ruimte aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn uitgevoerd.<br />

Spuitbussen of gaspatronen moeten gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen.<br />

Spuitbussen of gaspatronen moeten dan worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 100 m 2 .<br />

Gescheiden opslag moet plaatsvinden door middel <strong>van</strong> een afscheiding <strong>van</strong> gaas <strong>van</strong> voldoende sterkte<br />

bestaande uit staaldraad met een vrije opening <strong>van</strong> maximaal 5 cm (bijvoorbeeld harmonicagaas <strong>van</strong><br />

tenminste 2,9 mm dikte) of in een separaat brandcompartiment.<br />

Indien de gescheiden opslag <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen plaats vindt in een separaat<br />

brandcompartiment dan is een maximum oppervlakte tot 300 m 2 toegestaan.<br />

7.5.4 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening groter is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />

opslaglocatie hoger is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 3,6 m<br />

worden gestapeld, indien er geen gebruik gemaakt wordt <strong>van</strong> opslagstellingen. Bij het gebruik <strong>van</strong><br />

opslagstellingen is er geen hoogtebeperking. Tussen spuitbussen of gaspatronen en plafond moet<br />

minimaal 0,5 m vrije ruimte aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn<br />

uitgevoerd. Spuitbussen of gaspatronen moeten gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden<br />

opgeslagen. Spuitbussen of gaspatronen moeten worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste<br />

100 m 2 . Gescheiden opslag moet plaatsvinden door middel <strong>van</strong> een afscheiding <strong>van</strong> gaas <strong>van</strong> voldoende<br />

sterkte bestaande uit staaldraad met een vrije opening <strong>van</strong> maximaal 5 cm (bijvoorbeeld harmonicagaas<br />

<strong>van</strong> tenminste 2,9 mm dikte) of in een separaat brandcompartiment.<br />

Indien de gescheiden opslag <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen plaats vindt in een separaat<br />

brandcompartiment dan is een maximum oppervlakte tot 300 m 2 toegestaan.<br />

Indien er in totaal meer dan 10 ton <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen dan geldt dat spuitbussen<br />

of gaspatronen moeten worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 300 m 2 .<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 51/84


7.6 Het opslaan <strong>van</strong> meer dan 2.500 kg maar minder dan 10.000 kg spuitbussen of<br />

gaspatronen, met of zonder de gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Wm, AI<br />

7.6.1 Indien het vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening groter is dan 100 m 2 en de hoogte <strong>van</strong> de<br />

opslaglocatie hoger is dan 2,4 m, mogen spuitbussen of gaspatronen tot een hoogte <strong>van</strong> maximaal 3,6 m<br />

worden gestapeld, indien er geen gebruik gemaakt wordt <strong>van</strong> opslagstellingen. Bij het gebruik <strong>van</strong><br />

opslagstellingen is er geen hoogtebeperking. Tussen spuitbussen of gaspatronen en plafond moet<br />

minimaal 0,5 m vrije ruimte aanwezig zijn. De opslagvoorziening moet als een brandcompartiment zijn<br />

uitgevoerd. Spuitbussen of gaspatronen moeten gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden<br />

opgeslagen. Spuitbussen of gaspatronen moeten worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste<br />

100 m 2 . Gescheiden opslag moet plaatsvinden door middel <strong>van</strong> een afscheiding <strong>van</strong> gaas <strong>van</strong> voldoende<br />

sterkte bestaande uit staaldraad met een vrije opening <strong>van</strong> maximaal 5 cm (bijvoorbeeld harmonicagaas<br />

<strong>van</strong> tenminste 2,9 mm dikte) of in een separaat brandcompartiment.<br />

Indien de gescheiden opslag <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen plaats vindt in een separaat<br />

brandcompartiment dan is een maximum oppervlakte tot 300 m 2 toegestaan.<br />

Indien er in totaal meer dan 10 ton <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen dan geldt dat spuitbussen<br />

of gaspatronen moeten worden opgeslagen op een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 300 m 2 .<br />

7.7 Het opslaan <strong>van</strong> meer dan 10.000 kg spuitbussen of gaspatronen, met of zonder de<br />

gezamenlijke opslag <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Wm, AI<br />

<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen in gescheiden brandcompartiment<br />

7.7.1 Het totale vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening mag ten hoogste 2.500 m 2 bedragen. Ten<br />

hoogste 1.900 m 2 mag in gebruik zijn voor de opslag <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen. De inrichting <strong>van</strong><br />

de opslagvoorziening ten aanzien <strong>van</strong> brandbeveiligingsinstallaties en de opslag <strong>van</strong> niet-<strong>gevaarlijke</strong><br />

goederen moet worden uitgewerkt in de door het bevoegd gezag goed te keuren uitgangspunten als<br />

bedoeld in voorschrift 4.8.2.1 .<br />

<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen in combinatie met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

7.7.2 Het totale vloeroppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening mag ten hoogste 2.500 m 2 bedragen. Ten<br />

hoogste 1.900 m 2 mag in gebruik zijn voor de opslag <strong>van</strong> spuitbussen of gaspatronen. Ingeval <strong>van</strong><br />

gecombineerde opslag met andere <strong>gevaarlijke</strong> en niet-<strong>gevaarlijke</strong> goederen moet de compartimentering<br />

worden uitgewerkt in de door het bevoegd gezag goed te keuren uitgangspunten als bedoeld in<br />

voorschrift 4.8.2.1.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 52/84


8 <strong>Opslag</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3<br />

8.1 Inleiding<br />

De <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> behorende tot de klasse 4.1, 4.2 of 4.3 <strong>van</strong> het ADR hebben specifieke fysische<br />

eigenschappen en gevaarsaspecten waardoor het basisvoorzieningenniveau zoals vastgelegd in<br />

hoofdstuk 3 en de systematiek voor het bepalen <strong>van</strong> het noodzakelijke beschermingsniveau zoals<br />

vastgelegd in hoofdstuk 4, niet toereikend is. Hoofdstuk 8 geeft mogelijkheden hoe voor deze <strong>stoffen</strong> een<br />

gelijkwaardig beschermingsniveau kan worden bereikt ten opzichte <strong>van</strong> de voorzieningen zoals genoemd<br />

in hoofdstuk 4. De voorschriften hebben uitsluitend betrekking op <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klassen 4.1, 4.2 en 4.3<br />

die tot het vervoer zijn toegelaten. In tabel 9 zijn enkele voorbeeld<strong>stoffen</strong> uit de klasse 4 weergegeven.<br />

Dit hoofdstuk is niet <strong>van</strong> toepassing op opslag <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.1, 4.2 of 4.3 in een<br />

brandveiligheidsopslagkast.<br />

Tabel 9 Overzicht klasse 4 met enkele voorbeeld<strong>stoffen</strong><br />

Klasse verpakkingsgroep Voorbeeld<br />

4.1 I UN 1310 Ammoniumpikraat bevochtigd<br />

UN 1320 Dinitrofenol >15% water<br />

UN1356 Trinitrotolueen >30% water<br />

UN 3317 2-Amino- 4,6-dinitrofenol >20% water<br />

II<br />

UN 1309 Aluminium poeder (gecoat)<br />

UN 1333 Cerium<br />

UN 2989 Loodfosfiet (indien losgestort dan VP III)<br />

III<br />

UN 1350 Zwavel<br />

4.2 I UN 1381 Fosfor wit/geel<br />

UN 2005 Difenylmagnesium<br />

II<br />

UN 1362 (active) kool (een beperkt aantal soorten)<br />

UN 1385 Natriumsulfide<br />

III<br />

UN 1363 Copra<br />

UN 3174 Titaandisulfide<br />

4.3 I UN 1295 Trichloorsilaan<br />

UN 1360 Calciumfosfide<br />

UN 2257 Kalium<br />

II<br />

III<br />

UN 2624 Magnesiumsilicide<br />

UN 1408 Ferrosilicium<br />

UN 1403 Calciumcyaanamide<br />

Samenhang met hoofdstuk 3 Algemeen<br />

De voorschriften uit hoofdstuk 3 Algemeen zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op opslagvoorzieningen voor de<br />

klassen 4.1, 4.2 en 4.3.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 53/84


8.2 Brand<strong>gevaarlijke</strong> vaste <strong>stoffen</strong> (klasse 4.1)<br />

8.2.1 Indeling<br />

In de ADR klasse 4.1 zijn ingedeeld:<br />

- vaste <strong>stoffen</strong> en voorwerpen die gemakkelijk brandbaar zijn<br />

- zelfontledende vaste <strong>stoffen</strong> of vloei<strong>stoffen</strong><br />

- vaste ontplofbare <strong>stoffen</strong> in niet explosieve toestand<br />

- <strong>stoffen</strong>, verwant met zelfontledende <strong>stoffen</strong><br />

De <strong>stoffen</strong> en voorwerpen <strong>van</strong> klasse 4.1 zijn als volgt onderverdeeld:<br />

- F Brandbare vaste <strong>stoffen</strong>, zonder bijkomend gevaar:<br />

- F1 organisch<br />

- F2 organisch, gesmolten<br />

- F3 anorganisch<br />

- FO Brandbare vaste <strong>stoffen</strong>, oxiderend<br />

- FT Brandbare vaste <strong>stoffen</strong>, giftig:<br />

- FT1 organisch, giftig<br />

- FT2 anorganisch, giftig<br />

- FC Brandbare vaste <strong>stoffen</strong>, bijtend:<br />

- FC1 organisch, bijtend<br />

- FC2 anorganisch, bijtend<br />

- D Ontplofbare <strong>stoffen</strong> in niet explosieve toestand zonder bijkomend gevaar<br />

- DT Ontplofbare <strong>stoffen</strong> in niet explosieve toestand, giftig<br />

- SR Zelfontledende <strong>stoffen</strong>:<br />

- SR1 waarvoor temperatuurbeheersing niet is vereist<br />

- SR2 waarvoor temperatuurbeheersing is vereist<br />

8.3 Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong> (klasse 4.2)<br />

8.3.1 Indeling<br />

Klasse 4.2 omvat:<br />

- pyrofore <strong>stoffen</strong>; dit zijn <strong>stoffen</strong>, met inbegrip <strong>van</strong> mengsels en oplossingen (vloeibaar of vast), die in<br />

contact met lucht, zelfs in kleine hoeveelheden binnen 5 minuten ontbranden. Dit zijn de <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong><br />

klasse 4.2 die het sterkst voor zelfontbranding vatbaar zijn;<br />

- voor zelfverhitting vatbare <strong>stoffen</strong> en voorwerpen; dit zijn <strong>stoffen</strong> en voorwerpen met inbegrip <strong>van</strong><br />

mengsels en oplossingen, die in contact met lucht zonder toevoer <strong>van</strong> energie voor zelfverhitting<br />

vatbaar zijn. Deze <strong>stoffen</strong> kunnen slechts in grote hoeveelheden (verscheidene kilogrammen) en na<br />

lange tijdsduur (uren of dagen) ontbranden.<br />

De <strong>stoffen</strong> en voorwerpen <strong>van</strong> klasse 4.2 zijn als volgt onderverdeeld:<br />

- S Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong>, zonder bijkomend gevaar<br />

- S1 organische <strong>stoffen</strong>, vloeibaar<br />

- S2 organische <strong>stoffen</strong>, vast<br />

- S3 anorganische <strong>stoffen</strong>, vloeibaar<br />

- S4 anorganische <strong>stoffen</strong>, vast<br />

- SW Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong> die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen<br />

- SO Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong>, oxiderend<br />

- ST Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong>, giftig<br />

- ST1 organische <strong>stoffen</strong>, giftig, vloeibaar<br />

- ST2 organische <strong>stoffen</strong>, giftig, vast<br />

- ST3 anorganische <strong>stoffen</strong>, giftig, vloeibaar<br />

- ST4 anorganische <strong>stoffen</strong>, giftig, vast<br />

- SC Voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong>, bijtend<br />

- SC1 organische <strong>stoffen</strong>, bijtend, vloeibaar<br />

- SC2 organische <strong>stoffen</strong>, bijtend, vast<br />

- SC3 anorganische <strong>stoffen</strong>, bijtend, vloeibaar<br />

- SC4 anorganische <strong>stoffen</strong>, bijtend, vast<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 54/84


8.4 Stoffen met gevaar <strong>van</strong> ontwikkeling <strong>van</strong> brandbare gassen in contact met water (klasse 4.3)<br />

8.4.1 Indeling<br />

Klasse 4.3 omvat <strong>stoffen</strong>, die als gevolg <strong>van</strong> een reactie met water brandbare gassen<br />

ontwikkelen, die met lucht ontplofbare mengsels kunnen vormen, alsmede voorwerpen die <strong>stoffen</strong><br />

<strong>van</strong> deze klasse bevatten.<br />

De <strong>stoffen</strong> en voorwerpen <strong>van</strong> klasse 4.3 zijn als volgt onderverdeeld:<br />

- W Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, zonder bijkomend gevaar, en<br />

voorwerpen die dergelijke <strong>stoffen</strong> bevatten<br />

- W1 Vloei<strong>stoffen</strong><br />

- W2 Vaste <strong>stoffen</strong><br />

- W3 Voorwerpen<br />

- WF1 Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, vloeibaar, brandbaar<br />

- WF2 Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, vast, brandbaar<br />

- WS Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, voor zelfverhitting vatbaar, vast<br />

- WO Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, oxiderend, vast<br />

- WT Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, giftig<br />

- WT1 Vloei<strong>stoffen</strong><br />

- WT2 Vaste <strong>stoffen</strong><br />

- WC Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, bijtend<br />

- WC1 Vloei<strong>stoffen</strong><br />

- WC2 Vaste <strong>stoffen</strong><br />

- WFC Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, brandbaar, bijtend.<br />

8.5 Voorschriften voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3 Wm, AI<br />

8.5.1 Algemeen<br />

8.5.1.1 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.1, 4.2 of 4.3 moet volgens tabel 10 plaatsvinden.<br />

Tabel 10: beschermingsniveaus voor opslag <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.1, 4.2 en 4.3<br />

ADR 4.1 ADR 4.2 ADR 4.3<br />

Kg VG I VG II VG III VG I VG II VG III VG I VGII VG III<br />

< 2.500 maatwerk 3 (x) 3 3 (xx) 3 (x) 3 (x) 3 (xx) 3 (xx) 3 (x)<br />

2.500 – maatwerk 3+ (x) 3 3+ (xx) 3+ (x) 3 (x) 3+ (xx) 3 (xx) 3 (x)<br />

10.000<br />

> 10.000 maatwerk 1 (x) 3+ (x) 1 (xx) 1 (x) 3+ (x) 1 (xx) 1 (xx) 3+ (x)<br />

(x) in deze opslagvoorziening mogen geen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 worden opgeslagen<br />

(xx) in deze opslagvoorziening mogen geen andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen<br />

+ beschermingsniveau aangevuld met geschikte detectie en doormelding; voor de hoeveelheden <strong>van</strong><br />

2.500 tot 10.000 kg <strong>van</strong> alle klassen en verpakkingsgroepen geldt, dat het toepassen <strong>van</strong> de aanvullende<br />

voorzieningen (detectie en doormelding) op basis <strong>van</strong> maatwerk (o.a. soort stof en uitvoering<br />

opslagvoorziening) beoordeeld moet worden. Daarbij dient het beoogde veiligheidsniveau (een snelle<br />

signalering <strong>van</strong> een mogelijk incident en de mogelijkheid <strong>van</strong> snel ingrijpen om de om<strong>van</strong>g <strong>van</strong> het incident<br />

te beperken) te worden gewaarborgd.<br />

8.5.2 Aanvullende voorschriften voor <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 4.1 in verpakkingsgroep II en III<br />

8.5.2.1 Voor de <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 4.1 verpakkingsgroep II en III met de gevaarsaspecten D en DT geldt<br />

dat deze wel met elkaar maar niet gelijktijdig met andere <strong>stoffen</strong> of goederen mogen worden opgeslagen.<br />

Stoffen met het gevaarsaspect SR2 mogen niet gelijktijdig met andere <strong>stoffen</strong> of goederen worden<br />

opgeslagen.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 55/84


8.5.3 Aanvullende voorschriften voor <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 4.2 in verpakkingsgroep III<br />

8.5.3.1 In een opslagvoorziening met meer dan 10.000 kg <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.2 in verpakkingsgroep III<br />

mogen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 verpakkingsgroep III worden opgeslagen indien deze is<br />

uitgevoerd met beschermingsniveau 1. De <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.2 in verpakkingsgroep III moeten in een<br />

dergelijke situatie worden opgeslagen in aparte vakken <strong>van</strong> maximaal 300 m 2 dat aan drie zijden is<br />

omgeven is door een muur die ten minste 30 minuten brandwerend is uitgevoerd.<br />

8.5.4 Aanvullende voorschriften voor <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 4.3 in verpakkingsgroep III<br />

8.5.4.1 Een hoeveelheid <strong>van</strong> meer dan 10.000 kg <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.3 in verpakkingsgroep III,<br />

uitgezonderd de <strong>stoffen</strong> met gevaarsaspecten W1, WF1, WF2, WS, WT1 en WC1, moet worden<br />

opgeslagen in een opslagvoorziening die ten minste is uitgevoerd met beschermingsniveau 3, aangevuld<br />

met een brand- of gasdetectiesysteem en doormelding.<br />

8.5.4.2 In afwijking <strong>van</strong> voorschrift 8.5.4.1 mag bij opslag <strong>van</strong> uitsluitend <strong>stoffen</strong> met de gevaarsaspecten<br />

W2 of WT2 worden volstaan met een doelmatige ventilatie <strong>van</strong> de opslagvoorziening. De ventilatie moet<br />

zodanig zijn uitgevoerd dat geen hemelwater in de opslagvoorziening kan geraken.<br />

8 5.4.3 Een hoeveelheid <strong>van</strong> meer dan 10.000 kg <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.3 in verpakkingsgroep III met de<br />

gevaarsaspecten W1, WF1, WF2, WS, WT1 of WC1 moet worden opgeslagen in een opslagvoorziening<br />

die is uitgevoerd met beschermingsniveau 1.<br />

In deze opslaglocatie mogen gelijktijdig met deze <strong>stoffen</strong> geen <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 zijn opgeslagen.<br />

8.5.3.4 In afwijking <strong>van</strong> 8.5.4.3 mag in een opslagvoorziening met meer dan 10.000 kg <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de<br />

klasse 4.3 in verpakkingsgroep III gezamenlijk met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 verpakkingsgroep III<br />

worden opgeslagen indien deze is uitgevoerd met beschermingsniveau 1. De <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 4.3 in<br />

verpakkingsgroep III moeten in een dergelijke situatie worden opgeslagen in een aparte vakken <strong>van</strong><br />

maximaal 300 m 2 dat aan drie zijden is omgeven is door een muur die ten minste 30 minuten brandwerend<br />

is uitgevoerd.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 56/84


9 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> een beperkte hoeveelheid<br />

organische peroxiden<br />

9.1 Inleiding<br />

Organische peroxiden (klasse 5.2) moeten worden opgeslagen conform de richtlijn CPR 3 (tweede uitgave<br />

1997). In de praktijk komt het regelmatig voor dat naast de reguliere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> ook organische<br />

peroxiden worden opgeslagen. In dit hoofdstuk is ingegaan op de randvoorwaarden waaronder een<br />

dergelijke gecombineerde opslag mogelijk is. Een maximale opslaghoeveelheid <strong>van</strong> 1.000 kg organische<br />

peroxiden per inrichting, onder PGS15-condities, is toegestaan. Deze uitzondering geldt uitsluitend voor<br />

organische peroxiden verpakt als “limited quantities” (LQ) (ADR 3.2.1 en 3.4). Daarnaast wordt het<br />

toestaan beperkt tot de peroxiden met UN-nummer 3103 t/m UN-nummer 3110 (type C t/m F zonder<br />

temperatuurbeheersing).<br />

(Opm: Er geldt dus een maximum <strong>van</strong> 1.000 kg organische peroxiden per inrichting. Ongeacht of dit<br />

verdeeld is over meerdere opslagvoorzieningen. Wanneer men meer dan 1.000 kg binnen een inrichting<br />

wil opslaan, dan geldt CPR 3).<br />

Hieronder wordt gemotiveerd aangegeven waarom afgeweken kan worden <strong>van</strong> de CPR 3. Het toestaan<br />

<strong>van</strong> organische peroxiden is bedoeld voor opslag <strong>van</strong> kleinverpakkingen (zoals tubes met hardener of<br />

twee-componenten lijm). Om deze reden worden voorwaarden gesteld. In het algemeen kunnen de<br />

gevaren <strong>van</strong> organische peroxiden als volgt worden omschreven:<br />

- ontledingsreactie bij temperatuurverhoging;<br />

- ontledingsreactie kan door contaminatie (verontreiniging) worden veroorzaakt;<br />

- hoge brandsnelheid;<br />

- moeilijk te ontsteken (eerst moet een ontledingsreactie in gang worden gezet).<br />

Het beperkt toestaan kan worden gemotiveerd door bovengenoemde gevaren te reduceren. Deze reductie<br />

<strong>van</strong> de gevaren wordt bereikt door:<br />

- alleen thermisch stabiele peroxiden (geen T c ) en opslag in aparte vakken of aparte<br />

opslagvoorzieningen toe te staan;<br />

- reductie <strong>van</strong> de verpakkingsgrootte. Reductie <strong>van</strong> de verpakkingsgrootte heeft twee effecten:<br />

o De brandsnelheid is afhankelijk <strong>van</strong> the type peroxide en afhankelijk <strong>van</strong> de gebruikte verpakking.<br />

De in de CPR 3 gehanteerde brandsnelheid is die voor de max. toegestane verpakkingsgrootte,<br />

vaak 50 kg. De max. verpakkingsgrootte voor LQ is 500 g voor vaste <strong>stoffen</strong> en 125 ml voor<br />

vloei<strong>stoffen</strong> (afhankelijk <strong>van</strong> UN-nummer).<br />

o De ontledingssnelheid zal worden geremd. Een langzame ontledingsreactie zal geen of slechts<br />

een langzame drukopbouw veroorzaken<br />

Genoemde organische peroxiden in LQ zijn voor het ADR <strong>van</strong>wege hun geringe gevaar vrijgesteld <strong>van</strong> de<br />

eisen die voor transport <strong>van</strong> klasse 5.2 <strong>van</strong> toepassing zijn (ADR 3.4.5).<br />

Organische peroxiden <strong>van</strong> type G kunnen worden vrijgesteld <strong>van</strong> de richtlijn CPR 3. Tevens zijn zij voor<br />

het ADR vrijgesteld <strong>van</strong> klasse 5.2 (ADR 2.2.52.1.6). Indien deze <strong>stoffen</strong> op basis <strong>van</strong> hun<br />

gevaarseigenschappen niet in een ander klasse <strong>van</strong> het ADR worden ingedeeld, vallen zij volgens ADR<br />

niet onder de noemer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Omdat type G peroxiden worden beschouwd als aanverwante<br />

<strong>stoffen</strong> is opslag in een opslagvoorziening toegestaan. De bepalingen <strong>van</strong> par. 9.2 zijn voor type G<br />

peroxiden niet <strong>van</strong> toepassing.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 57/84


Samenhang met hoofdstuk 3 Algemeen<br />

De voorschriften uit hoofdstuk 3 Algemeen zijn eveneens <strong>van</strong> toepassing op de opslag <strong>van</strong> een beperkte<br />

hoeveelheid organische peroxiden in een opslagvoorziening.<br />

9.2 Voorschriften Wm, AI<br />

9.2.1 In een opslagvoorziening die is uitgevoerd voor opslag <strong>van</strong> meer dan 10 ton <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

overeenkomstig hoofdstuk 4 dient:<br />

- opslag <strong>van</strong> organische peroxiden plaats te vinden in een apart vak gescheiden <strong>van</strong> andere <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> of in een uitsluitend daarvoor bestemde, gesloten, brandveiligheidsopslagkast die is voorzien<br />

<strong>van</strong> een nooddrukontlasting <strong>van</strong> 0.25 m 2 ;<br />

- de opslagvoorziening uitgevoerd te zijn conform beschermingsniveau 1;<br />

- bij het aparte vak of op de kast het peroxide-etiket (voor transport) te zijn aangebracht.<br />

9.2.2 Voor een opslagvoorziening die is uitgevoerd voor de opslag <strong>van</strong> minder dan 10 ton geldt dat:<br />

- deze uitpandig moet zijn;<br />

- deze voorzien moet zijn <strong>van</strong> een fysieke scheiding tussen organische peroxiden en andere producten;<br />

- de maximale toegestane hoeveelheid organische peroxiden in de opslagvoorziening gelimiteerd moet<br />

zijn tot 10% <strong>van</strong> de totale opslag in de opslagvoorziening;<br />

- bij de peroxide-opslag moet het peroxide-etiket (voor transport) zijn aangebracht;<br />

- om drukopbouw bij ontleding te voorkomen, moet de opslag zodanig geventileerd zijn dat dit<br />

overeenkomt met een nooddrukontlasting <strong>van</strong> 0,25 m 2 .<br />

Toelichting: De reden voor het aanbrengen <strong>van</strong> een fysieke scheiding is het voorkomen <strong>van</strong> eventuele<br />

compatibiliteitsproblemen. Vanwege de geringe hoeveelheid peroxiden, maximaal 10% <strong>van</strong> het totaal, is<br />

het effect <strong>van</strong> een peroxiden-ontleding of -brand gering. De fysieke scheiding is bedoeld om de kans op<br />

een incident als gevolg contact <strong>van</strong> peroxide met andere <strong>stoffen</strong> te voorkomen. Met andere woorden elke<br />

fysieke scheiding, bijvoorbeeld een aparte lekbak, die dit contact voorkomt is voldoende.<br />

9.2.3. Als verwarming in een opslag noodzakelijk is, bijvoorbeeld ten behoeve <strong>van</strong> vorstvrije opslag, dan<br />

moet deze voldoen aan paragraaf 4.1.2 <strong>van</strong> CPR 3.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 58/84


10 Begrippenlijst<br />

ADR<br />

Accord européen relatief aux transport internationaux de marchandises dangereuses par route<br />

AFFF<br />

Aqueous Film Forming Foam<br />

ARIE<br />

Aanvullende Risico-Inventarisatie en Evaluatie conform de Arbeidsomstandighedenwet<br />

BEVI<br />

Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen<br />

BDB<br />

Basis Document Brandbeveiliging<br />

Brzo ‘99<br />

Besluit risico’s zware ongevallen 1999<br />

CUR/PBV<br />

Stichting civieltechnisch centrum uitvoering, research en regelgeving/Projectbureau Plan<br />

Bodembeschermende Voorzieningen<br />

ICAO<br />

International Civil Aviation Organisation<br />

Eural<br />

Europese afval<strong>stoffen</strong>lijst<br />

IMDG-code<br />

International Maritime Dangerous Goods Code<br />

LQ<br />

Limited Quantities, Gelimiteerde hoeveelheden<br />

NRB<br />

Nederlandse Richtlijn Bodembescherming<br />

PBZO<br />

Preventie Beleid Zware Ongevallen<br />

PvE<br />

Programma <strong>van</strong> Eisen<br />

RIE<br />

Risico-Inventarisatie en Evaluatie conform de Arbeidsomstandighedenwet<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 59/84


VR<br />

Veiligheidsrapport<br />

VG<br />

Verpakkingsgroep<br />

Wms<br />

Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

---------<br />

Bouwwerk (Modelbouwverordening)<br />

Elke constructie <strong>van</strong> enige om<strong>van</strong>g <strong>van</strong> hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats <strong>van</strong><br />

bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in<br />

of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.<br />

Toelichting:<br />

Hoewel de Woningwet geen definitie geeft <strong>van</strong> het begrip bouwwerk wordt in de jurisprudentie<br />

aangesloten bij de definitie die de Modelbouwverordening geeft.<br />

Brandbare vloeistof (ADR)<br />

Een vloeistof vallend die, in <strong>verpakte</strong> vorm, volgens het ADR het etiket volgens model nr. 3 draagt.<br />

Brandbare vaste stof<br />

Een vaste stof vallend onder de klasse 4.1 <strong>van</strong> het ADR.<br />

Brandcompartiment (Bouwbesluit)<br />

Brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003 (gedeelte <strong>van</strong> één of meer gebouwen bestemd<br />

als maximaal uitbreidingsgebied <strong>van</strong> brand).<br />

Brandmeldinstallatie<br />

Een samenstelsel <strong>van</strong> detectoren, bekabeling, een brandmeldcentrale en een doormeldinstallatie, dat<br />

nodig is voor ontdekken <strong>van</strong> een brand, het melden <strong>van</strong> brand en het geven <strong>van</strong> stuursignalen ten<br />

behoeve <strong>van</strong> andere installaties.<br />

Brandmeldinstallatie met volledige bewaking<br />

Brandmeldinstallatie met automatische melders in alle ruimten met uitzondering <strong>van</strong> natte ruimten en<br />

dergelijke (zie NEN 2535).<br />

Brandwerendheid<br />

Brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie bepaald volgens NEN 6069.<br />

Brandveiligheidsopslagkast<br />

Een zelfstandige niet betreedbare opslagvoorziening voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Bijkomend gevaar<br />

Een stof of voorwerp wordt aan de hand <strong>van</strong> de grootste gevaarseigenschap ingedeeld in een<br />

gevarenklasse <strong>van</strong> het ADR. Heeft die stof of voorwerp nog bijkomende gevaren die <strong>van</strong> belang kunnen<br />

zijn maar niet het grootste gevaar is dan wordt dit als een bijkomend gevaar benoemd.<br />

CMR-<strong>stoffen</strong><br />

Stoffen of preparaten die volgens bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG geclassificeerd zijn als<br />

Kankerverwekkend categorie 1 of 2 en/of als Mutageen categorie 1 of 2 en/of als "voor de voortplanting<br />

giftig" categorie 1 of 2. Het handelt dus alleen om producten die het symbool "T" (Giftig) toegekend hebben<br />

gekregen.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 60/84


Toelichting: Voor een overzicht <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> wordt verwezen naar de volgende overzichten <strong>van</strong> het<br />

ministerie <strong>van</strong> Sociale Zaken en Werkgelegenheid :<br />

- SZW-lijst <strong>van</strong> kankerverwekkende <strong>stoffen</strong> en processen.<br />

- SZW-lijst <strong>van</strong> mutagene <strong>stoffen</strong>.<br />

- Niet-limitatieve lijst <strong>van</strong> voor de voortplanting giftige <strong>stoffen</strong>.<br />

Deze lijst is ook te vinden op de Internetpagina <strong>van</strong> het Nederlands Focal Point voor veiligheid en<br />

gezondheid op het werk: http://arbo.nl/topics/subject/bedrijfsgezondheidszorg/beroepsziekten1.stm onder<br />

giftige <strong>stoffen</strong>. Ook is de lijst verkrijgbaar bij de Informatietelefoon <strong>van</strong> het Ministerie <strong>van</strong> Sociale Zaken en<br />

Werkgelegenheid (0800 9051). Tweemaal per jaar wordt de meest recente versie gepubliceerd in de<br />

Staatscourant.<br />

Cryo-houder (ADR)<br />

Een cryo-houder is een verplaatsbare drukhouder met warmte-isolerende bescherming voor het vervoer<br />

<strong>van</strong> sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen met een inhoud <strong>van</strong> ten hoogste 1.000 liter.<br />

Drukhouder (ADR)<br />

Een drukhouder is een verzamelterm die flessen, grote cilinders, drukvaten, gesloten cryohouders en<br />

flessenbatterijen omvat.<br />

Drukvat (ADR)<br />

Een gelaste verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud <strong>van</strong> meer dan 150 liter en niet meer dan<br />

1000 liter (bijv. cilindervormige houders met rolbanden en bolvormige houders op sleden).<br />

Gas (ADR)<br />

Een stof die bij 50 °C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar), of bij 20 °C en de standaarddruk<br />

<strong>van</strong> 101,3 kPa volledig gasvormig is.<br />

(Gas)fles (cilinder) (ADR)<br />

Een verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud <strong>van</strong> niet meer dan 150 liter.<br />

Toelichting:<br />

Een gasfles voor een blusgasinstallatie valt buiten deze definitie. Voor veiligheidsaspecten <strong>van</strong><br />

blusgasinstallaties wordt verwezen naar het SVI blad ‘blusgasinstallaties, veiligheidsaspecten’,<br />

www.syntaxmedia.nl.<br />

(Gas)flessenbatterij (cilinderpakket) (ADR)<br />

Een verzameling flessen die aan elkaar zijn bevestigd en onderling door een verzamelleiding zijn<br />

verbonden en die als ondeelbare eenheid wordt vervoerd.<br />

Toelichting:<br />

De term “flessenbatterij” kan aanleiding geven tot misverstand. In deze richtlijn en in het ADR wordt<br />

hiermee een verpakking bedoeld zoals hier omschreven, vaak ook genoemd cilinderpakket, pakket of<br />

palletpakket. In andere publicaties is in het verleden de term “flessenbatterij” ook gebruikt voor de<br />

installatie waarbij één fles (of meerdere flessen) aangesloten staat (staan) op een aan de wand<br />

gemonteerde verzamelleiding met reduceertoestel waarmee een leidingwerk wordt gevoed.<br />

Gaspatroon (ADR)<br />

Zie Houders, klein, met gas.<br />

Gebouw (Woningwet)<br />

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten<br />

ruimte vormt.<br />

Gelimiteerde hoeveelheden (LQ)<br />

Dit zijn <strong>gevaarlijke</strong> goederen in kleine hoeveelheden verpakt in verpakkingen die overeenkomstig 3.4.3 t/m<br />

3.4.6 <strong>van</strong> het ADR worden gebruikt. De verpakkingen behoeven volgens het ADR (3.4.1) slechts te<br />

voldoen aan de algemene verpakkingsvoorschriften <strong>van</strong> 4.1.1.1, 4.1.12 en 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8 <strong>van</strong> het<br />

ADR.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 61/84


Indien het vervoer onder de gelimiteerde hoeveelheden valt dan zijn de voorschriften <strong>van</strong> alle<br />

hoofdstukken <strong>van</strong> het ADR, tenzij in hoofdstuk 3.4 <strong>van</strong> het ADR anders is bepaald, niet <strong>van</strong> toepassing op<br />

het vervoer <strong>van</strong> die stof of dat voorwerp.<br />

Toelichting: waar in de richtlijn melding is gemaakt <strong>van</strong> uitzonderingen voor gelimiteerde hoeveelheden,<br />

geldt dat uitsluitend indien de gelimiteerde hoeveelheden zich in de oorspronkelijke ADR-verpakking<br />

bevinden.<br />

Gesloten container<br />

Container die aan alle zijden gesloten is.<br />

Gevaarlijke stof<br />

Stoffen en voorwerpen, waar<strong>van</strong> het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin<br />

opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel <strong>stoffen</strong>, materialen en voorwerpen aangeduid in de<br />

IMDG-Code.<br />

Gevaarlijke afvalstof<br />

Afvalstof die als zodanig is aangewezen op grond <strong>van</strong> de Eural-regelgeving.<br />

Toelichting: De <strong>gevaarlijke</strong> afval<strong>stoffen</strong> zijn in de Eural-lijst aangegeven met een sterretje. Daarnaast zijn<br />

er in de Eural nog <strong>stoffen</strong> met een c achter de code. Dit zijn de complementaire <strong>stoffen</strong>. Dat betekent dat<br />

voor dat specifieke geval bepaald moet worden of het gaat om een <strong>gevaarlijke</strong> of een niet-<strong>gevaarlijke</strong><br />

afvalstof. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de VROM-publicatie Handreiking Eural <strong>van</strong><br />

september 2001. Code: VROM 010014/b/09-01 14264/174.<br />

Groot brandcompartiment (Bouwbesluit)<br />

Brandcompartiment met een gebruiksoppervlakte <strong>van</strong> meer dan 1.000 m², als bedoeld in afdeling 2.22<br />

<strong>van</strong> het Bouwbesluit 2003.<br />

Grote cilinder ('tube') (klasse 2) (ADR)<br />

Een naadloze verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud <strong>van</strong> meer dan 150 liter en niet meer dan<br />

3000 liter.<br />

Houder, klein, met gas (gaspatroon) (ADR)<br />

Een niet hervulbare houder, die een gas of gasmengsel onder druk bevat. De houder kan zijn voorzien <strong>van</strong><br />

een afsluitventiel.<br />

Houder (ADR)<br />

Een omhulsel, bestemd om <strong>stoffen</strong> of voorwerpen op te nemen en te bevatten met inbegrip <strong>van</strong> alle<br />

sluitingsmiddelen. Reservoirs vallen niet onder deze definitie.<br />

Inpandige opslagvoorziening<br />

In een (ander) bouwwerk gesitueerde opslagvoorziening.<br />

Intermediate Bulk Container (IBC) (ADR)<br />

Een stijve of flexibele verpakking die in hoofdstuk 6.5 <strong>van</strong> het ADR is genoemd.<br />

Journaal <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Een register <strong>van</strong> de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, die in een inrichting aanwezig zijn.<br />

Lege gasfles<br />

Gasfles waar<strong>van</strong> de druk dusdanig laag is dat de inhoud niet bruikbaar is.<br />

Lege gereinigde verpakking<br />

Een verpakking die gereinigd is dan wel schenk-, schrap- of schraapleeg is of waar<strong>van</strong> de inhoud is<br />

gepolymeriseerd dan wel oxidatief-fysisch is gedroogd dan wel chemisch heeft gereageerd (allen<br />

uitgehard) en waar<strong>van</strong> de gevaarsetikettering onzichtbaar is gemaakt.<br />

Lege ongereinigde verpakking<br />

Alle overige lege verpakkingen, niet zijnde lege gereinigde verpakkingen<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 62/84


Lekbak<br />

Vloeistofdichte voorziening met beperkte op<strong>van</strong>gcapaciteit, waar<strong>van</strong> de bodembeschermende werking<br />

door gericht toezicht en doelmatig ledigen wordt gewaarborgd. De lekbak moet zodanig zijn uitgevoerd<br />

dat deze bestand is tegen de inwerking <strong>van</strong> vloei<strong>stoffen</strong> die er boven worden opgeslagen.<br />

NEN normen<br />

Norm uitgegeven door het Nederlandse Normalisatie Instituut.<br />

Zie www.nen.nl<br />

Niet brandgevaarlijk<br />

Niet brandgevaarlijk bepaald volgens NEN 6063.<br />

Noodplan<br />

Een overzicht <strong>van</strong> de door een bedrijfsorganisatie genomen maatregelen en voorzieningen om effecten<br />

<strong>van</strong> calamiteiten te minimaliseren en te bestrijden.<br />

Onbrandbaar<br />

Onbrandbaar bepaald volgens NEN 6064<br />

Open opslagvoorziening<br />

Een open opslagvoorziening is een ruimte welke tenminste aan één zijwand geheel open is (al dan niet<br />

afgescheiden door een hek- of gaaswerk) zodat deze in vrij contact staat met de buitenlucht en geen<br />

gassen zich kunnen ophopen of zich vlak boven de vloer kunnen verzamelen.<br />

Open container<br />

Container die aan de bovenzijde open is. Er is geen dak aanwezig (meestal een zeil).<br />

<strong>Opslag</strong>voorziening<br />

Een voorziening bestemd voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Spuitbus (aërosol) (ADR)<br />

Een niet hervulbare houder <strong>van</strong> metaal, glas of kunststof die een samengeperst, vloeibaar gemaakt of<br />

opgelost gas bevat, al dan niet met een vloeibare, pasteuze of poedervormige stof, en voorzien <strong>van</strong> een<br />

aftapinrichting die het mogelijk maakt, dat de inhoud wordt uitgestoten in de vorm <strong>van</strong> een suspensie <strong>van</strong><br />

vaste of vloeibare deeltjes in een gas, in de vorm <strong>van</strong> schuim, pasta of poeder of in vloeibare of<br />

gasvormige toestand.<br />

Tankcontainer<br />

Een container met reservoir en uitrustingdelen conform ADR hoofdstuk 6.8.<br />

Transporttank<br />

Een multimodale tank conform ADR hoofdstuk 6.7.<br />

Toelichting: in de regelgeving <strong>van</strong> ADR/IMDG-code wordt zowel het begrip tankcontainer als transporttank<br />

gebruikt. In de toekomst zal uitsluitend nog het begrip transporttanks worden gebruikt.<br />

Uitpandige opslagvoorziening<br />

Een niet in een bouwwerk gesitueerde opslagvoorziening.<br />

Toelichting: een uitpandige opslagvoorziening kan wel aan een of meerdere zijden grenzen aan een<br />

bouwwerk.<br />

Vak<br />

<strong>Opslag</strong>gedeelte binnen een opslagvoorziening.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 63/84


Vaste stof (ADR)<br />

Een stof met een smeltpunt of een beginsmeltpunt hoger dan 20 °C bij een druk <strong>van</strong> 101,3 kPa, of<br />

een stof die volgens de beproevingsmethode ASTM D 4359-90 niet vloeibaar is en die volgens de criteria<br />

<strong>van</strong> de in 2.3.4 <strong>van</strong> het ADR beschreven beproevingsmethode voor de bepaling <strong>van</strong> het vloeigedrag<br />

(penetrometermethode) dikvloeibaar is.<br />

Verpakking<br />

Een verpakking die is toegelaten voor het vervoer <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, inclusief grote verpakking en<br />

IBC.<br />

Verpakkingsgroep<br />

Een groep, waarin bepaalde <strong>stoffen</strong> op grond <strong>van</strong> hun gevaarlijkheid tijdens<br />

het vervoer conform het ADR zijn ingedeeld voor verpakkingsdoeleinden.<br />

Verpakkingsgroep I: zeer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Verpakkingsgroep II: <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Verpakkingsgroep III: minder <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Viscositeitsregel ADR<br />

De viscositeitsregel in het ADR, onder 2.2.3.1.5. is als volgt:<br />

Niet giftige en niet bijtende oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt <strong>van</strong> 23 °C en hoger<br />

(viskeuze <strong>stoffen</strong>, zoals verven en lakken, uitgezonderd <strong>stoffen</strong> die meer dan 20% nitrocellulose bevatten,<br />

zie voorschrift 2.2.3.1.4 <strong>van</strong> de ADR) verpakt in houders met een inhoud <strong>van</strong> ten hoogste 450 liter, zijn niet<br />

onderworpen aan de voorschriften <strong>van</strong> het ADR indien bij de beproeving <strong>van</strong> afscheiding <strong>van</strong> oplosmiddel<br />

(zie het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 32.5.1) de hoogte <strong>van</strong> de afgescheiden laag<br />

oplosmiddel kleiner is dan 3% <strong>van</strong> de totale hoogte en indien deze <strong>stoffen</strong> in de uitloopbeker volgens ISOnorm<br />

2431:1993 met een uitloopopening <strong>van</strong> 6 mm diameter bij 23 °C een uitlooptijd:<br />

a. <strong>van</strong> ten minste 60 seconden, of<br />

b. <strong>van</strong> ten minste 40 seconden bezitten en niet meer dan 60% <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 3 bevatten.<br />

Vlampunt (ADR)<br />

De laagste temperatuur <strong>van</strong> een vloeistof, waarbij de damp daar<strong>van</strong> met lucht een ontvlambaar mengsel<br />

vormt.<br />

Vloeistof (ADR)<br />

Een stof die bij 50 °C een dampdruk heeft <strong>van</strong> ten hoogste 300 kPa (3 bar), en bij 20 °C en een druk <strong>van</strong><br />

101,3 kPa niet volledig gasvormig is, en die<br />

a) bij een druk <strong>van</strong> 101,3 kPa een smeltpunt of beginsmeltpunt heeft <strong>van</strong> 20 °C of lager, of<br />

b) die volgens de beproevingsmethode ASTM D 4359-90 vloeibaar is, of<br />

c) volgens de criteria <strong>van</strong> de in 2.3.4 <strong>van</strong> het ADR beschreven beproevingsmethode voor de bepaling <strong>van</strong><br />

het vloeigedrag (penetrometermethode) niet dikvloeibaar is.<br />

Vloeistofkerende vloer<br />

En verharding die voor een kortere periode in staat is om de vrijgekomen vloei<strong>stoffen</strong> op te <strong>van</strong>gen en te<br />

voorkomen dat deze in de bodem terechtkomen. Onder 'kortere' is dan te verstaan de periode die ligt<br />

tussen het vrijkomen <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> en het moment dat de opruimactiviteiten zijn afgerond.<br />

Toelichting: Om te voorkomen dat vrijgekomen vloei<strong>stoffen</strong> in de bodem geraken moet de<br />

vloeistofkerende vloer in ieder geval bestaan uit een aaneengesloten verharding. Een dergelijke vloer<br />

hoeft niet <strong>van</strong> een verklaring vloeistofdichte voorziening te zijn voorzien.<br />

WBDBO (Bouwbesluit)<br />

Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag in minuten volgens NEN 6068.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 64/84


BIJLAGE 1 Explosieveilig materieel<br />

1. Sinds 1 juli 2003 is paragraaf 2a Explosieve atmosferen met daarin de artikelen 3.5a tot en met<br />

3.5f in het Arbeidsomstandighedenbesluit <strong>van</strong> kracht. Hierdoor is de Europese richtlijn<br />

1999/92/EG, betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering <strong>van</strong> de<br />

gezondheidsbescherming en <strong>van</strong> de veiligheid <strong>van</strong> werknemers die door explosieve atmosferen<br />

gevaar kunnen lopen (ook ATEX 137 genoemd), in de Nederlandse wetgeving opgenomen.<br />

Gevolg <strong>van</strong> de nieuwe artikelen is, dat ook bedrijven die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> opslaan uiterlijk op 1<br />

juli 2006 ten aanzien <strong>van</strong> de gevaren in verband met potentiële explosierisico’s een<br />

gestructureerd en goed onderbouwd beleid moeten voeren met bijbehorende maatregelen.<br />

Nieuwe opslagvoorzieningen dienen per 1 juli 2003 te voldoen aan de genoemde regelgeving.<br />

2. De gevaren in verband met explosieve atmosferen en de bijzondere risico’s die daaruit kunnen<br />

voortvloeien, moeten in het kader <strong>van</strong> de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5<br />

<strong>van</strong> de Arbeidsomstandighedenwet, voor de aan<strong>van</strong>g <strong>van</strong> de arbeid en bij iedere belangrijke<br />

wijziging, uitbreiding of verbouwing <strong>van</strong> de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen of het<br />

arbeidsproces, in hun geheel beoordeeld en schriftelijk vastgelegd worden in een<br />

explosieveiligheidsdocument.<br />

3. Bij de beoordeling moet in ieder geval rekening gehouden worden met:<br />

a. De waarschijnlijkheid <strong>van</strong> het voorkomen en het voortduren <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> explosieve<br />

atmosferen.<br />

b. De waarschijnlijkheid dat ontstekingsbronnen, elektrostatische ontladingen daaronder<br />

begrepen, aanwezig zijn, actief worden en daadwerkelijk ontsteken.<br />

c. De aanwezige installaties, de gebruikte <strong>stoffen</strong>, de processen en hun mogelijke<br />

wisselwerkingen.<br />

d. De om<strong>van</strong>g <strong>van</strong> de te verwachten gevolgen.<br />

4. Bij de bepaling <strong>van</strong> de gevarenzones moet rekening worden gehouden met normale<br />

procesvoering, inclusief lekkages. Een lekkage <strong>van</strong> maximaal één vat (grootste vat) met het, uit<br />

oogpunt <strong>van</strong> explosiegevaar, meest risicovolle product is bepalend voor de zonering en<br />

zoneafmeting. Geen rekening hoeft te worden gehouden met calamiteiten zoals bijvoorbeeld het<br />

instorten <strong>van</strong> het dak waardoor meerdere vaten tegelijk kunnen bezwijken.<br />

Bij het bepalen <strong>van</strong> gevarenzones kan gebruik gemaakt worden <strong>van</strong> de Nederlandse<br />

praktijkrichtlijn (NPR) 7910-1 voor gasexplosie.<br />

5. Arbeidsmiddelen en al het installatiemateriaal dat gebruikt wordt binnen de gevarenzones moeten<br />

geschikt zijn voor het gebruik in de desbetreffende gevarenzone conform het Warenwetbesluit<br />

explosieveilig materieel.<br />

6. Vorkheftrucks en aanverwant materieel zijn ook arbeidsmiddelen. Vorkheftrucks die gebruikt<br />

worden in gezoneerde gebieden moeten in de gewenste explosieveilige uitvoering zijn<br />

uitgevoerd. Van deze vorkheftrucks moet een EG-verklaring <strong>van</strong> overeenstemming als bedoeld in<br />

bijlage 10 <strong>van</strong> EG richtlijn 94/9/EG aanwezig zijn. Deze verklaring moet aantonen dat de fabrikant<br />

geen bezwaar heeft dat de vorkheftruck gebruikt wordt in de betreffende zones.<br />

Vorkheftrucks die rijden op LPG kunnen niet explosieveilig worden uitgevoerd en worden<br />

derhalve niet in gezoneerde gebieden gebruikt. Dieseltrucks kunnen wel in de gewenste<br />

explosieveilige uitvoering worden uitgevoerd, echter zijn alleen geschikt voor gebruik in de<br />

buitenlucht. Elektrische vorkheftrucks kunnen in de gewenste explosieveilige uitvoering worden<br />

verkregen en zijn ook geschikt voor inpandig gebruik.<br />

7. Er dienen organisatorische maatregelen te worden getroffen op plaatsen waar technische<br />

maatregelen alleen de bescherming tegen explosiegevaar op de arbeidsplaats niet kunnen<br />

waarborgen en handhaven. De getroffen organisatorische maatregelen ter bescherming tegen<br />

explosiegevaar moeten in het explosieveiligheidsdocument worden vastgelegd.<br />

Als organisatorische maatregelen ter bescherming tegen explosiegevaar dienen de volgende<br />

punten gerealiseerd te worden:<br />

- opstellen <strong>van</strong> schriftelijke bedrijfsinstructies;<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 65/84


- instructie <strong>van</strong> de medewerkers over explosieveiligheid;<br />

- voldoende kwalificatie <strong>van</strong> de werknemers;<br />

- toepassing <strong>van</strong> een werkvergunningensysteem voor <strong>gevaarlijke</strong> werkzaamheden;<br />

- het in stand houden <strong>van</strong> de technische maatregelen ter bescherming tegen explosiegevaar<br />

door inspectie, onderhoud en reparatie.<br />

8. De plaatsen waar <strong>gevaarlijke</strong> explosieve atmosferen aanwezig kunnen zijn in een hoeveelheid<br />

die de veiligheid en de gezondheid <strong>van</strong> de werknemers in gevaar kan brengen, worden de<br />

toegangen tot deze plaatsen met het volgende waarschuwingsbord gemarkeerd:<br />

Herkenningsteken:<br />

- vorm: driehoekig,<br />

- vormgeving: zwarte letters op een gele ondergrond met zwarte rand (de veiligheidskleur geel<br />

moet ten minste 50% <strong>van</strong> het oppervlak <strong>van</strong> het bord beslaan);<br />

- wanneer niet de gehele ruimte, maar slechts een deel hier<strong>van</strong> een explosie<strong>gevaarlijke</strong> plaats<br />

is, kan dit gebied door een geelzwarte arcering, bijvoorbeeld op de vloer, worden<br />

gemarkeerd; bij de markering moet het waarschuwingsbord zijn geplaatst.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 66/84


BIJLAGE 2 Borden ten behoeve <strong>van</strong> de veiligheidsignalering<br />

1. Verbodsborden<br />

Intrinsieke kenmerken:<br />

- rond;<br />

- zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die <strong>van</strong> links naar rechts over het<br />

pictogram loopt onder een hoek <strong>van</strong> 45° ten opzichte <strong>van</strong> de horizontale lijn. De rode kleur<br />

beslaat ten minste 35% <strong>van</strong> het oppervlak <strong>van</strong> het bord.<br />

Verboden te roken<br />

Vuur, open vlam en roken<br />

verboden<br />

Verboden met water<br />

te blussen<br />

Geen toegang voor<br />

onbevoegden<br />

2. Waarschuwingsborden:<br />

Intrinsieke kenmerken:<br />

- driehoekig;<br />

- zwart pictogram op gele achtergrond, zwarte rand. De gele kleur beslaat ten minste 50% <strong>van</strong><br />

het oppervlak <strong>van</strong> het bord.<br />

Ontvlambare <strong>stoffen</strong> of<br />

hoge temperatuur<br />

Giftige <strong>stoffen</strong><br />

Bijtende <strong>stoffen</strong><br />

Oxiderende <strong>stoffen</strong><br />

Bord op deur bij opslagruimte<br />

organische peroxides<br />

(= vervoersetiket model 5.2)<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 67/84


BIJLAGE 3 Voorkomen <strong>van</strong> onverenigbare combinaties door <strong>stoffen</strong>scheiding<br />

1. Uitgangspunt scheiding <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Indien bij het gelijktijdig vrijkomen <strong>van</strong> twee <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> uit de verpakking er een groter<br />

(vervolg) effect ontstaat dan op grond <strong>van</strong> de eigenschappen <strong>van</strong> de afzonderlijke <strong>stoffen</strong> verwacht<br />

kan worden, moeten deze <strong>stoffen</strong> gescheiden worden opgeslagen.<br />

Bij deze beoordeling moeten alle eigenschappen <strong>van</strong> een <strong>gevaarlijke</strong> stof worden beschouwd, dus<br />

ook de bijkomende gevarenlabels conform het ADR.<br />

Het ontstaan <strong>van</strong> giftige verbrandingsgassen vormt geen onderdeel <strong>van</strong> dit uitgangspunt. De<br />

eigenschappen <strong>van</strong> een stof zijn immers niet bepalend voor de mate <strong>van</strong> toxiciteit <strong>van</strong> de<br />

verbrandingsproducten. Indien sprake is <strong>van</strong> zeer toxische <strong>stoffen</strong> (klasse 6.1 verpakkingsgroep I) of<br />

CMR-<strong>stoffen</strong> moet wel rekening worden gehouden met onverbrand product dat zich tezamen met de<br />

verbrandingsgassen zal verspreiden.<br />

Enkele voorbeelden <strong>van</strong> het gelijktijdig vrijkomen <strong>van</strong> twee <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

a. Een brandbare stof (klasse 3) zal indien deze vrijkomt en bij een brand betrokken raakt:<br />

- wel een groter effect opleveren als in hetzelfde vak brandbevorderende <strong>stoffen</strong> (klasse 5.1/2)<br />

worden opgeslagen → gescheiden opslaan (omdat de onverbrande producten wel een<br />

groter effect geven);<br />

- geen groter effect optreden als in hetzelfde vak brandbare <strong>stoffen</strong> (klasse 3) worden<br />

opgeslagen → geen gescheiden opslag noodzakelijk;<br />

- geen groter effect optreden als in hetzelfde vak natriumcarbonaat/soda (geen ADR stof)<br />

worden opgeslagen → geen gescheiden opslag noodzakelijk.<br />

b. Een bijtende stof (klasse 8, zuur) zal bij vrijkomen:<br />

- wel een groter effect opleveren als in hetzelfde vak een bijtende stof (klasse 8, base) worden<br />

opgeslagen → gescheiden opslaan;<br />

- geen groter effect optreden als in hetzelfde vak milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (klasse 9) worden<br />

opgeslagen → geen gescheiden opslag noodzakelijk.<br />

2. Categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die gescheiden moeten worden opgeslagen<br />

In onderstaande tabel is weergegeven welke combinaties zich kunnen voordoen, waarbij voor alle<br />

ADR-klassen voorbeelden zijn uitgewerkt. Van de tabel kan gemotiveerd worden afgeweken op basis<br />

<strong>van</strong> bijvoorbeeld veiligheidsinformatiebladen of indien de <strong>stoffen</strong> chemisch gezien wel kunnen<br />

reageren maar ten gevolge <strong>van</strong> de beperkte concentratie <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> er geen reacties hoeven te<br />

worden verwacht met excessieve warmteontwikkeling of andere bijzondere gevaren. Bij de opslag<br />

<strong>van</strong> gewasbeschermingsmiddelen, waarbij veel verschillende producten met meerdere<br />

gevaarsetiketten per product in kleine verpakkingseenheden worden opgeslagen in een<br />

opslagvoorziening die is uitgevoerd op beschermingsniveau 1, is het niet zinvol om deze<br />

scheidingsregels te hanteren.<br />

De tabel is niet <strong>van</strong> toepassing op:<br />

- klasse 2 (zie hiervoor hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7);<br />

- klasse 4 (zie hoofdstuk 8);<br />

- klasse 5.2 (zie hoofdstuk 9).<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 68/84


Gevaar conform de klasse zonder<br />

bijkomend gevaar<br />

Klasse<br />

3<br />

Klasse<br />

5.1<br />

Klasse<br />

6.1<br />

+ CMR<br />

Klasse<br />

8<br />

Klasse<br />

9<br />

Overige<br />

Chemicalië<br />

n (Wms +<br />

ongevaarlijk<br />

)<br />

Klasse 3 (brandbare vloei<strong>stoffen</strong>) - V B* of V B B -<br />

Klasse 5.1 (oxiderende <strong>stoffen</strong>) V - B* B B -<br />

Klasse 6.1 (giftige <strong>stoffen</strong>)<br />

CMR-<strong>stoffen</strong><br />

B* of V<br />

B*<br />

- B* B* -*<br />

Klasse 8 (bijtende <strong>stoffen</strong>) B B B* B B -<br />

Klasse 9 (alleen de milieu<strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong>)<br />

Overige Chemicaliën (Wms +<br />

ongevaarlijk)<br />

B B B* B - -<br />

- - -* - - -<br />

Toelichting:<br />

V: <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> te scheiden <strong>stoffen</strong> in aparte vakken.<br />

B: Gescheiden opslag tenzij is beoordeeld dat de <strong>stoffen</strong> niet met elkaar reageren of dat beide<br />

<strong>stoffen</strong> als vaste stof zijn ingedeeld. Voor de beoordeling (B) wordt in principe uitgegaan <strong>van</strong><br />

de informatie zoals die in de Veiligheidsinformatiebladen (VIB, SDS of MSDS) wordt vermeld;<br />

voor generieke producten kan ook gebruik worden gemaakt <strong>van</strong> informatie zoals vermeld in<br />

het Chemiekaartenboek.<br />

-: Gescheiden opslag niet noodzakelijk.<br />

*: Stoffen <strong>van</strong> klasse 6.1 verpakkingsgroep I moeten in een apart brandcompartiment, of een<br />

apart deel <strong>van</strong> een brandcompartiment (aan drie zijden afgescheiden met een muur met een<br />

WBDBO <strong>van</strong> ten minste 30 minuten) of met een 5 meter vrije zone worden opgeslagen. In<br />

afwijking hier <strong>van</strong> is opslag in aparte vakken toegestaan indien deze <strong>stoffen</strong> niet hoger dan<br />

1,80 m worden opgeslagen en indien het UN-goedgekeurde verpakking betreft (ADR schrijft<br />

voor deze verpakkingsgroep voor dat verpakkingen getest moeten zijn op een valhoogte <strong>van</strong><br />

1,80 m en dat de verpakking daarbij geen lekkage mag vertonen) en dat het vak waar deze<br />

<strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen zodanig moet zijn gekenmerkt dat de medewerkers zich extra bewust<br />

zijn <strong>van</strong> de gevaren.<br />

Voor de overige giftige <strong>stoffen</strong> is het gewenst om, waar mogelijk, vakscheiding aan te houden<br />

met <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 3.<br />

3. Methoden om scheiding <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> te realiseren<br />

In bovenstaande tabel worden drie scheidingsniveaus genoemd.<br />

<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> te scheiden <strong>stoffen</strong> in aparte vakken (V) zal in het algemeen alleen mogelijk zijn indien er<br />

sprake is <strong>van</strong> een opslagvoorziening voor meer dan 10 ton. Voor het begrip vak gelden de<br />

overeenkomstige voorschriften uit hoofdstuk 4 (maximaal 300 m², onderlinge afstand 3,5 m). Te<br />

scheiden <strong>stoffen</strong> mogen dus wel in dezelfde opslagvoorziening aanwezig zijn, maar moeten in aparte<br />

vakken worden opgeslagen. Indien geen vakken kunnen worden gerealiseerd (wat vaak het geval zal<br />

zijn bij opslagvoorzieningen kleiner dan 10 ton), moet opslag in een apart brandcompartiment<br />

plaatsvinden, m.a.w. een aparte opslagvoorziening.<br />

Indien gescheiden opslag noodzakelijk is (B) kan dit worden gerealiseerd door de te scheiden <strong>stoffen</strong><br />

op te slaan in aparte delen <strong>van</strong> een vak. Scheiding binnen een vak kan worden gerealiseerd door een<br />

vrije afstand <strong>van</strong> ten minste 2 meter of door een opslag een andere klasse <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> over<br />

een breedte <strong>van</strong> ten minste 2 m waarmee wel gezamenlijke opslag is toegestaan. Deze vorm <strong>van</strong><br />

scheiding zal in het algemeen in opslagvoorzieningen voor meer dan 10 ton worden toegepast (zie<br />

ook voorschrift 4.3.1). Ook kan scheiding worden gerealiseerd door de te scheiden <strong>stoffen</strong> op te slaan<br />

in aparte lekbakken. Deze methode zal in het algemeen worden gerealiseerd in opslagvoorzieningen<br />

tot 10 ton.<br />

Tenslotte kan scheiding worden gerealiseerd door de te scheiden <strong>stoffen</strong> op te slaan in aparte<br />

brandcompartimenten of door een stof op te slaan in een apart deel <strong>van</strong> een brandcompartiment dat<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 69/84


aan 3 zijden is afgescheiden door een muur met een WBDBO <strong>van</strong> ten minste 30 minuten. Het betreft<br />

hier de met een asterisk aangeduide situaties in bovenstaande tabel.<br />

Opmerking: Indien de beoordeling <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong>scheiding tot onoverkomelijke problemen leidt, kan ook<br />

gekozen worden voor het systeem om producten met verschillende gevaarseigenschappen (etiketten)<br />

in aparte opslagvoorzieningen op te slaan. Deze systematiek is echter niet mogelijk voor bijtende<br />

<strong>stoffen</strong> met etiket nr 8 wegens het feit dat die zowel zuur als basisch kunnen reageren; voor deze<br />

groep <strong>stoffen</strong> dient altijd beoordeeld te worden of ze onderling niet aan de criteria zoals vermeld in<br />

paragraaf 3.12 voldoen.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 70/84


BIJLAGE 4 Kenmerken <strong>van</strong> veiligheidsklassen <strong>van</strong> brandveiligheidsopslagkasten<br />

Overeenkomstig NEN 2678 NEN-EN-14470-1<br />

Type 30<br />

NEN-EN-14470-1<br />

Type 60<br />

NEN-EN-14470-1<br />

Type 90<br />

Brandwerendheid (veiligheidsperiode 40 min.) 30 min. 60 min. 90 min.<br />

Max. hoeveelheid (L) 150 150 250 250<br />

Toegestaan voor de<br />

opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> behorende tot de<br />

ADR klassen:<br />

Opstelling<br />

2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8 , 9 en<br />

CMR-<strong>stoffen</strong><br />

klasse 5.2 conform CPR 3<br />

Maximaal 1 per 50 m 2 (Alleen voor<br />

(licht) ontvlambare vloei<strong>stoffen</strong><br />

(klasse 3))<br />

Maximaal 2 per ruimte of<br />

brandcompartiment<br />

Niet in kelder, trappenhuis,<br />

souterrain of gang<br />

3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8, 9 en<br />

CMR-<strong>stoffen</strong><br />

klasse 5.2 conform CPR 3<br />

Maximaal 1 per 50 m 2<br />

Maximaal 2 per ruimte of<br />

brandcompartiment<br />

Niet in kelder, trappenhuis,<br />

souterrain of gang<br />

2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8, 9 en<br />

CMR-<strong>stoffen</strong><br />

klasse 5.2 conform CPR 3<br />

Maximaal 5 per 200 m 2<br />

Geen limiet in een 60 minuten<br />

brandcompartiment<br />

2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8, 9 en<br />

CMR-<strong>stoffen</strong><br />

klasse 5.2 conform CPR 3<br />

Geen limiet<br />

Opstelling op een<br />

verdieping<br />

Max. 1 per 200 m 2 vloeroppervlakte<br />

<strong>van</strong> een werkruimte of per<br />

brandcompartiment<br />

Max. 1 per 200 m 2 vloeroppervlakte<br />

<strong>van</strong> een werkruimte of per<br />

brandcompartiment.<br />

Max. 2 per 200 m 2 vloeroppervlakte<br />

<strong>van</strong> een werkruimte of per<br />

brandcompartiment.<br />

Max. 4 per 200 m 2 vloeroppervlakte<br />

<strong>van</strong> een werkruimte of per<br />

brandcompartiment.<br />

Op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

Tenminste 100% <strong>van</strong> de inhoud,<br />

indien het (licht) ontvlambare<br />

vloei<strong>stoffen</strong> betreft.<br />

In de overige gevallen tenminste<br />

de inhoud <strong>van</strong> de grootste<br />

verpakking vermeerderd met 10%<br />

<strong>van</strong> de inhoud <strong>van</strong> de overige<br />

verpakking.<br />

Tenminste 110% <strong>van</strong> de inhoud<br />

<strong>van</strong> de grootste emballage, doch<br />

(als dat méér is) ten minste 10%<br />

<strong>van</strong> de inhoud <strong>van</strong> de totale<br />

emballage (geldt alleen voor<br />

vloei<strong>stoffen</strong>)<br />

Tenminste 110% <strong>van</strong> de inhoud<br />

<strong>van</strong> de grootste emballage, doch<br />

(als dat méér is) ten minste 10%<br />

<strong>van</strong> de inhoud <strong>van</strong> de totale<br />

emballage (geldt alleen voor<br />

vloei<strong>stoffen</strong>)<br />

Tenminste 110% <strong>van</strong> de inhoud<br />

<strong>van</strong> de grootste emballage, doch<br />

(als dat méér is) ten minste 10%<br />

<strong>van</strong> de inhoud <strong>van</strong> de totale<br />

emballage (geldt alleen voor<br />

vloei<strong>stoffen</strong>)<br />

Compartimentering<br />

Kan plaats vinden door het<br />

plaatsen <strong>van</strong> de verschillende<br />

categorieën <strong>stoffen</strong> in afzonderlijke<br />

lekbakken.<br />

Voor iedere te compartimenteren<br />

categorie moet er een lekbak<br />

aanwezig zijn.<br />

Kan plaats vinden door het<br />

plaatsen <strong>van</strong> de verschillende<br />

categorieën <strong>stoffen</strong> in afzonderlijke<br />

lekbakken.<br />

Voor iedere te compartimenteren<br />

categorie moet er een lekbak<br />

aanwezig zijn.<br />

Kan plaats vinden door het<br />

plaatsen <strong>van</strong> de verschillende<br />

categorieën <strong>stoffen</strong> in afzonderlijke<br />

lekbakken.<br />

Voor iedere te compartimenteren<br />

categorie moet er een lekbak<br />

aanwezig zijn.<br />

Kan plaats vinden door het<br />

plaatsen <strong>van</strong> de verschillende<br />

categorieën <strong>stoffen</strong> in afzonderlijke<br />

lekbakken.<br />

Voor iedere te compartimenteren<br />

categorie moet er een lekbak<br />

aanwezig zijn.<br />

Toelichting:<br />

• Klasse 5.1: Oxiderende <strong>stoffen</strong> niet in combinatie met brandbare <strong>stoffen</strong><br />

• Klasse 2: Voor zover spuitbussen<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 71/84


BIJLAGE 5 Brandbeveiligingsinstallaties: kenmerken en parameters<br />

1. Inleiding<br />

Algemeen<br />

In deze bijlage zijn de brandbeveiligingsinstallaties beschreven die momenteel als stand der techniek<br />

worden beschouwd voor opslagvoorzieningen voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. In de inleiding zijn de<br />

<strong>van</strong> belang zijnde kenmerken en parameters toegelicht.<br />

Niet elk brandbeveiligingssysteem is geschikt voor alle categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Beperkingen in<br />

de toepassing zijn in de ontwerpnorm vastgelegd.<br />

De brandblussende of brandbeheersende prestaties <strong>van</strong> dergelijke brandbeveiligingsinstallaties zijn<br />

aan de hand <strong>van</strong> genormaliseerde testmethodieken (bijvoorbeeld de CEN/ISO/UL-brandproeven)<br />

vastgesteld door een daartoe geaccrediteerde certificatie-instelling. Voor brandbeveiligingssystemen<br />

zijn dit vooralsnog VdSZ, LPCB, FM, UL.<br />

In principe kunnen nieuwe blussystemen of blustechnieken worden geaccepteerd voor toepassing in<br />

een opslagvoorziening voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, indien aan navolgende voorwaarden is<br />

voldaan:<br />

a. Er moet voor de vaststelling <strong>van</strong> de blussende werking op specifieke <strong>stoffen</strong> een<br />

genormaliseerde testmethodiek vastgelegd zijn, en de test moet door een daartoe<br />

geaccrediteerde instelling zijn uitgevoerd.<br />

b. Er moet voor het systeem een (internationaal) geaccepteerde ontwerpnorm voor de beoogde<br />

blustechniek bestaan. Dit kunnen voorschriften zijn <strong>van</strong> bijvoorbeeld ISO, CEN, NFPA, FM<br />

Global, LPCB/ BRE, VdS of CEA.<br />

c. Berekenings- en ontwerpfactoren moeten door middel <strong>van</strong> expliciete testen vastgelegd zijn.<br />

d. Van voornoemde testen moeten rapportages beschikbaar zijn.<br />

Het systeem “droog blussysteem met lokale brandweer” is in deze bijlage niet meer behandeld. In het<br />

algemeen kan worden gesteld dat met name <strong>van</strong>wege de vereiste aanrijtijden voor de brandweer niet<br />

meer zonder meer kan worden voldaan aan de randvoorwaarden die voor een dergelijk systeem<br />

zouden moeten gelden. In voorkomende gevallen is het <strong>van</strong> belang dat bevoegd gezag, bedrijf en<br />

lokale brandweer in gezamenlijk overleg nagaan of er bijzondere omstandigheden zijn waarmee<br />

snelle aanrijtijden gegarandeerd kunnen worden.<br />

Bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

Bij de berekening <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit wordt onderscheid gemaakt tussen de nominale<br />

bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit en de werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit. De nominale<br />

bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit is de capaciteit, die op grond <strong>van</strong> het brandbeveiligingsinstallatie, het<br />

blusmiddel en de eventuele vakindeling wordt berekend.<br />

De werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit is de vereiste fractie <strong>van</strong> de nominale<br />

bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit, die afhankelijk is <strong>van</strong> het beschermingsniveau en de aard <strong>van</strong> de<br />

opgeslagen <strong>stoffen</strong> en de verpakking. Het type brandbeveiligingsinstallatie bepaalt hoeveel bluswater<br />

opge<strong>van</strong>gen moet worden. De capaciteit moet worden berekend aan de hand <strong>van</strong> de bij de<br />

brandbestrijdingssystemen vermelde parameters, waarbij bij de meeste systemen wordt uitgegaan<br />

<strong>van</strong> een <strong>van</strong>uit de PGS 15 opgelegde fictieve blustijd of ruimtevulling, die af kan wijken <strong>van</strong> de blustijd<br />

op basis <strong>van</strong> de gehanteerde ontwerpnorm <strong>van</strong> het brandbeveiligingsinstallatie.<br />

Vakindeling en veiligheidsfactoren<br />

Afhankelijk <strong>van</strong> de wijze waarop vakindeling is uitgevoerd moet voor het oppervlak waarop de<br />

bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit wordt gedimensioneerd, een veiligheidsfactor worden gehanteerd. De<br />

redenen hiervoor zijn dat brandoverslag naar een ander vak niet is uit te sluiten en een blussysteem in<br />

een ander vak onnodig in werking kan treden.<br />

De veiligheidsfactoren zijn:<br />

vak aan vier zijden omgeven door wanden en deur: factor 1;<br />

vak aan drie zijden omgeven door wanden en aan één zijde een gangpad: factor 2;<br />

vak aan twee of meer zijden omgeven door gangpaden: factor 3.<br />

De grondslag <strong>van</strong> de berekening <strong>van</strong> de nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit is het vermenigvuldigen<br />

<strong>van</strong> de blustijd met de sproeidichtheid en het te blussen oppervlak. Afhankelijk <strong>van</strong> de wijze waarop<br />

de vakindeling is gerealiseerd, moet voor het te blussen oppervlak een veiligheidsfactor in rekening<br />

worden gebracht.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 72/84


In formule:<br />

B n = b t ∗ s ∗o b ∗ v<br />

B n = nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />

b t = blustijd [min] volgens PGS 15<br />

s = sproeidichtheid of doseersnelheid [l/min/m 2 ] volgens de ontwerpnorm<br />

o b = blusoppervlak [m 2 ]<br />

v = veiligheidsfactor indien toepasbaar, afhankelijk <strong>van</strong> compartimentering<br />

De formule voor de berekening <strong>van</strong> de werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit is<br />

B w = f i ∗ B n<br />

B w = werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

f i = factor afhankelijk <strong>van</strong> beschermingsniveau en aard <strong>van</strong> de stof (zie paragraaf 4.6).<br />

B n = nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />

Opmerking:<br />

- Voor blusgas, hi-ex installaties en voor het systeem ‘Bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen<br />

(binnenaanval)’ geldt een afwijkende bepaling <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit (zie onder<br />

kenmerken <strong>van</strong> deze systemen);<br />

- Het product ‘o b * v’ bedraagt ten hoogste het maximum sproeivlak <strong>van</strong> de<br />

brandbeveiligingsinstallatie. Het is namelijk niet reëel rekening te houden met een brand groter<br />

dan het maximum sproeivlak (dit zou betekenen dat er een verkeerde brandbeveiligingsinstallatie<br />

is aangelegd) én boven het maximum sproeivlak is ook de parameter ‘s’ onbepaald.<br />

Detectie en doormelding<br />

Onafhankelijk <strong>van</strong> de gekozen brandbeveiligingsinstallatie is een doelmatig detectiesysteem alsmede<br />

een automatische doormelding naar de alarmcentrale <strong>van</strong> de overheids- of bedrijfsbrandweer of een<br />

daaraan gelijkwaardige voorziening (zie ook voorschrift 3.2.1.3). Hierbij wordt opgemerkt dat een<br />

doormeldinstallatie, behorende bij een automatische sprinklerinstallatie, wordt beschouwd als<br />

doelmatig detectiesysteem.<br />

Een doelmatig detectiesysteem dient een op het object afgestemd ontwerp te hebben, daarbij gebruik<br />

makend <strong>van</strong> de specifieke kenmerken <strong>van</strong> de toe te passen detectietechniek en de te detecteren<br />

brandverschijnselen in de geprojecteerde omgeving.<br />

Blustijd<br />

De blustijden die als parameter bij de verschillende systemen zijn genoemd, geven geen indicatie<br />

over de werkelijk te verwachten duur <strong>van</strong> een brand dan wel de effectiviteit <strong>van</strong> de brandbestrijding.<br />

De vermelde blustijden zijn fictief en dienen uitsluitend om de gewenste bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit te<br />

dimensioneren.<br />

Een automatisch werkende brandbeveiligingsinstallatie moet na inwerkingtreding na een bepaalde<br />

tijd handmatig worden afgesloten. In de regel zal dit tijdstip worden bepaald door de lokale<br />

brandweer. De brandweer moet zich in de ontwerpfase reeds verdiepen in de wijze hoe<br />

geconstateerd kan worden of de automatisch blusinstallatie uitgezet mag worden. Met andere<br />

woorden of de brand geblust is. Dit kan bijvoorbeeld bij een hi-ex installatie een inspectieluik zijn in<br />

het dak <strong>van</strong> de opslagvoorziening.<br />

In verband met aanrijtijd en beoordelingstijd is het noodzakelijk, er rekening mee te houden dat<br />

alvorens het brandbeveiligingsinstallatie kan worden uitgezet een termijn <strong>van</strong> 30 minuten kan<br />

verstrijken. De meeste brandbestrijdingssystemen (zoals bijv. sprinkler- en delugesystemen) moeten<br />

op basis <strong>van</strong> de ontwerpnorm al langer dan 30 minuten continu automatisch kunnen functioneren,<br />

zodat hieraan <strong>van</strong>zelf wordt voldaan. Bij andere systemen (zoals bijvoorbeeld de Hi-Ex systemen)<br />

wordt <strong>van</strong>uit de ontwerpnorm toegestaan automatisch intermitterend te functioneren gedurende meer<br />

dan 30 minuten, zodat op deze wijze ook invulling wordt gegeven aan het 30 minuten criterium. Hi-Ex<br />

installaties vragen om een standtijd <strong>van</strong> 60 minuten, te realiseren middels bijvoorbeeld intermitterend<br />

schuimen.<br />

Rook en warmte afvoerinstallatie<br />

Een rook- en warmteafvoer installatie is een samenstel <strong>van</strong> apparatuur, dat ertoe dient om in geval<br />

<strong>van</strong> brand <strong>van</strong>af een bepaald tijdstip de afvoer <strong>van</strong> rook en hete verbrandingsgassen in een bepaalde<br />

(aangenomen) hoeveelheid door rook- en warmteafvoer luiken in het dak zeker te stellen.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 73/84


Bij bepaalde brandbestrijdingssystemen heeft dit een positieve invloed op de effectiviteit <strong>van</strong> de<br />

brandbestrijding hetgeen leidt tot een geringere blustijd. Voor bepaalde brandbestrijdingssystemen is<br />

de aanwezigheid <strong>van</strong> een rook- en warmteafvoerinstallatie zelfs noodzakelijk. Voorwaarde is dat<br />

eerst de brandbeveiligingsinstallatie aanspreekt alvorens de rookluiken worden geopend. Er zijn<br />

echter ook brandbeveiligingsinstallaties waarbij het gebruik <strong>van</strong> een rook- en warmteafvoerinstallatie<br />

niet is toegestaan.<br />

Buitenopslag<br />

Indien er sprake is <strong>van</strong> een buitenopslag zonder overkapping, is als detectiesysteem uitsluitend een<br />

detectiesysteem op basis <strong>van</strong> vlammenmelders nog toepasbaar. Hiermee wordt systeem 8<br />

(bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen) uitvoerbaar. Als automatische brandbeveiligingsinstallatie<br />

kan daar een deluge systeem aan worden toegevoegd, al zal dit betekenen dat een aanzienlijke<br />

hulpconstructie temidden <strong>van</strong> de buitenopslag noodzakelijk is, om het deluge systeem te kunnen<br />

monteren. Hiermee worden de automatische deluge installatie, automatische monitor installatie en<br />

bedrijfsbrandweer met handbediende deluge installatie in principe uitvoerbaar.<br />

Indien er sprake is <strong>van</strong> een buitenopslag met overkapping, zijn (uiteraard) bovengenoemde systemen<br />

eveneens mogelijk. Door de overkapping wordt het ook mogelijk detectie systemen op basis <strong>van</strong><br />

temperatuurmeting toe te passen. Als brandbeveiligingsinstallatie is het ook mogelijk een<br />

automatische sprinklerinstallatie toe te passen. Dit systeem wordt dan als droog of pre-action<br />

systeem uitgevoerd, waardoor het leidingnet pas met water (of water/schuim mengsel) wordt gevuld<br />

als er daadwerkelijk brand wordt gedetecteerd. Kleine sprinklersystemen mogen ook als<br />

antivriessysteem worden uitgevoerd.<br />

Bij het (eventueel) toepassen <strong>van</strong> schuimvormend middel moet extra aandacht worden besteed aan<br />

de opslag, dan wel aan voldoende voorraad op mobiele apparatuur. Schuimvormende vloeistof is<br />

afhankelijk <strong>van</strong> type vorstbestendig (meestal tot -15 ºC). Vorstvrije opslag niet per se noodzakelijk,<br />

wel moet aandacht zijn besteed aan watervoerende delen.<br />

Geschiktheid brandbeveiligingsinstallatie voor verschillende categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Elke brandbeveiligingsinstallatie moet zodanig worden ontworpen dat een brand <strong>van</strong> de betreffende<br />

opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> adequaat kan worden bestreden. Dit vereist speciale aandacht voor<br />

het type goederen dat wordt opgeslagen. Geen <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallaties is geschikt voor<br />

alle categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. De effectiviteit <strong>van</strong> brandbestrijding verschilt per systeem en is<br />

daarenboven afhankelijk <strong>van</strong> de soort opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Elke ontwerpnorm, behorend<br />

bij een bepaalde brandbeveiligingsinstallatie, geeft inzicht en eisen met betrekking tot de opgeslagen<br />

goederen en de wijze <strong>van</strong> opslag. De meeste ontwerpnormen maken hiertoe gebruik <strong>van</strong> een eigen<br />

goederenclassificatie. Het is dus <strong>van</strong> belang de opgeslagen goederen, die doorgaans ADR of Wms<br />

zijn geclassificeerd, te classificeren op basis <strong>van</strong> de goederenclassificatie <strong>van</strong> de betreffende<br />

ontwerpnorm. Uitsluitend op deze wijze kunnen de ontwerpspecificaties <strong>van</strong> een<br />

brandbeveiligingsinstallatie goed worden vastgesteld. Het is evenzeer <strong>van</strong> belang deze vertaalslag<br />

eenduidig en traceerbaar vast te leggen in het PvE of BdB (“de door het bevoegd gezag goed te<br />

keuren uitgangspunten”).<br />

Soms is het reëler vast te leggen welke <strong>stoffen</strong> bij een bepaald brandbeveiligingsinstallatie niet<br />

mogen worden opgeslagen. Ook hier geldt dat de ontwerpnorm in nagenoeg alle gevallen daar<br />

stringente regels voor bevat en ook dit aspect moet in het PvE of BDB eenduidig en traceerbaar<br />

worden vastgelegd. Het verdient aanbeveling om dit ook in de vergunning als voorschrift op te<br />

nemen.<br />

Door deze materie in het PvE of BDB vast te leggen en door middel <strong>van</strong> inspecties de<br />

brandbeveiligingsinstallatie en de daarbij behorende opslag <strong>van</strong> goederen periodiek te toetsen aan dit<br />

document, wordt de kwaliteit <strong>van</strong> de totale brandbeveiliging gewaarborgd.<br />

2.Overzicht toepasbare brandbestrijdingssystemen bij beschermingsniveau 1<br />

Bij de keuze <strong>van</strong> een brandbeveiligingsinstallatie zijn een groot aantal aspecten <strong>van</strong> belang zoals de<br />

aard <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> die zullen worden opgeslagen, de afmetingen <strong>van</strong> de opslagvoorziening, de wijze<br />

<strong>van</strong> opslag en de opslaghoogte, de locatie <strong>van</strong> het gebouw, mogelijkheden voor bluswaterop<strong>van</strong>g,<br />

benodigde bouwkundige voorzieningen, bestaande voorzieningen, investeringskosten. In het<br />

overzicht in deze bijlage wordt een aantal kenmerken <strong>van</strong> brandbestrijdingssystemen gepresenteerd.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 74/84


1.Automatische sprinklerinstallatie (gesloten sprinklers)<br />

Principe:<br />

Een wijd vertakt met water gevuld en onder druk staand leidingnet is voorzien <strong>van</strong> sproeikoppen<br />

(sprinklers). Elke sprinkler wordt gesloten gehouden door een warmtegevoelig element. Indien dit<br />

element te warm wordt, zal het bezwijken, waarna water uit de sprinkler zal stromen.<br />

Beperkingen in toepassing:<br />

- het systeem is sterk afhankelijk <strong>van</strong> soort goederen en type opslag;<br />

- er zijn opslagconfiguraties denkbaar ( naar de huidige inzichten) die niet met sprinklers zijn te<br />

blussen (bijv. de combinatie <strong>van</strong> grote kunststof verpakking en (licht)ontvlambare vloei<strong>stoffen</strong>);<br />

- de ontwikkeling in sprinklerbeveiliging wordt bepaald door grootschalige testen. Dit kan in de<br />

toekomst leiden tot beperkingen en uitbreidingen <strong>van</strong> het toepassingsgebied <strong>van</strong><br />

sprinklerinstallaties.<br />

Kenmerken:<br />

1. te allen tijde temperatuurdetectie;<br />

als blusmiddel kan water of water met schuimtoevoeging (middel of zwaar) worden toegepast;<br />

2. maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening is 2.500 m 2 ;<br />

3. het systeem verlangt geen bijzondere bouwkundige voorzieningen ten aanzien <strong>van</strong> de WBDBO<br />

<strong>van</strong>uit de opslagvoorziening naar de omliggende ruimten en de buitenruimte;<br />

4. bij inwerkingtreding <strong>van</strong> de sprinklerinstallatie wordt alleen de oppervlakte onder de door de brand<br />

geactiveerde sprinklers besproeid;<br />

5. een automatische rook- en warmteafvoerinstallatie mag niet worden toegepast;<br />

6. indien brandbare vloei<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht,<br />

geldt een maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> 800 m².<br />

Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />

1. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale<br />

sproeidichtheid en het maximum sproeivlak, inclusief de nominale capaciteit <strong>van</strong> eventuele<br />

stellingsprinklers volgens de ontwerpnorm;<br />

2. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit kan worden gereduceerd door vakindeling; afhankelijk <strong>van</strong> de wijze<br />

<strong>van</strong> vakindeling moet een veiligheidsfactor worden gehanteerd;<br />

3. zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de ontwerpnorm;<br />

4. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op 60 minuten;<br />

5. met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.<br />

2. Automatische deluge-installatie<br />

Principe:<br />

Een wijd vertakt leidingnet is voorzien <strong>van</strong> open sproeikoppen (sproeiers). Het leidingnet wordt<br />

voorzien <strong>van</strong> water op basis <strong>van</strong> een brandalarm <strong>van</strong> een automatische brandmeldinstallatie, waarna<br />

water uit alle sproeiers tegelijk zal stromen. De installatie kan ook <strong>van</strong> sectieafsluiters worden<br />

voorzien.<br />

Kenmerken:<br />

1. alle detectiemethoden zijn toepasbaar, mits aan de norm wordt voldaan;<br />

2. als blusmiddel kan water of schuim (zwaar of AFFF) worden toegepast;<br />

3. maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening is 2.500 m 2 ;<br />

4. het systeem verlangt geen bijzondere bouwkundige voorzieningen ten aanzien <strong>van</strong> de WBDBO<br />

<strong>van</strong>uit de opslagvoorziening naar de omliggende ruimten en de buitenruimte;<br />

5. bij inwerkingtreding <strong>van</strong> de installatie wordt een gehele sectie (aantal en grootte afhankelijk <strong>van</strong><br />

ontwerp) besproeid, het sproeioppervlak wordt door de grootte <strong>van</strong> de sectie (vak) bepaald;<br />

6. indien brandbare vloei<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht,<br />

geldt een maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> 800 m² en dient de<br />

bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit te worden gedimensioneerd op het totale oppervlak <strong>van</strong> de<br />

opslagvoorziening.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 75/84


Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />

1. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale<br />

sproeidichtheid en het sproeivlak <strong>van</strong> de sectie(s);<br />

2. indien een sectie volledig bouwkundig is gescheiden <strong>van</strong> andere secties, behoeft geen<br />

veiligheidsfactor te worden gehanteerd;<br />

3. zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de ontwerpnorm;<br />

4. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op 60 minuten;<br />

5. met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.<br />

3. Automatische blusgasinstallatie<br />

Principe:<br />

Een ruimte wordt gevuld met blusgas op basis <strong>van</strong> een brandalarm <strong>van</strong> een automatische<br />

brandmeldinstallatie, waardoor de brand dooft door zuurstofverdringing of chemische beïnvloeding<br />

<strong>van</strong> de brandreactie en/of koeling, afhankelijk <strong>van</strong> het toegepaste blusgas.<br />

Beperkingen in toepassing:<br />

− de opslagvoorziening moet voldoende gasdicht zijn;<br />

− opgeslagen <strong>stoffen</strong> dicteren de blusgasconcentratie.<br />

Kenmerken:<br />

1. snelle detectie methode toepassen;<br />

2. als blusmiddel mogen alle blusgassen worden toegepast;<br />

3. toepasbaar in ruimten met een oppervlak <strong>van</strong> ten hoogste 2.500 m 2 ;<br />

4. de WBDBO <strong>van</strong> deuren, wanden en plafonds <strong>van</strong>uit de opslagvoorziening naar de omliggende<br />

ruimten en de buitenruimte moet overeenkomen met de WBDBO die in de ontwerpnorm of het<br />

PvE/BDB is vastgelegd, maar ten minste 30 minuten bedragen;<br />

5. een rook- en warmteafvoerinstallatie mag niet worden toegepast.<br />

Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />

bij een blusgassysteem hoort geen bluswaterop<strong>van</strong>g, tenzij het scenario voorziet in nablussing met<br />

water, dan gelden de volgende parameters:<br />

1. de benodigde bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit wordt uitsluitend bepaald door de nablustijd<br />

(nabluscapaciteit is 800 l/ minuut) gedurende 60 minuten;<br />

2. vakindeling geeft geen reductie op de benodigde bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit;<br />

3. in verband met eventuele kernbranden en daarop mogelijk volgende herontsteking moet rekening<br />

worden gehouden met een nablustijd <strong>van</strong> ten minste 20 minuten. De standtijd moet ten minste 30<br />

minuten bedragen in verband met de aanrijtijd <strong>van</strong> de brandweer.<br />

4. (Semi-) Automatische monitor installatie<br />

Principe:<br />

Vast opgestelde water / schuim kanonnen rondom een in de buitenlucht gesitueerde<br />

opslagvoorziening (vatenpark en dergelijke), die in een automatisch heen en weer gaande beweging<br />

de opslagvoorziening besproeien met als doel de brand te controleren of te blussen.<br />

Beperkingen in toepassing:<br />

- opgeslagen <strong>stoffen</strong> moeten met water of schuim geblust kunnen worden;<br />

- uitsluitend toepasbaar bij een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening, waarbij als<br />

criterium voor buitenopslag geldt dat de opslagvoorziening rondom aangesproeid moet<br />

kunnen worden;<br />

- personeel moet getraind zijn in het gebruik <strong>van</strong> de installatie.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 76/84


Kenmerken:<br />

1. als detectiemethoden zijn alleen warmtebeeld camera’s of UV/IR melders toepasbaar in<br />

combinatie met een 24/7 bemande controlekamer of volledig geautomatiseerd;<br />

2. als blusmiddel kan water of zwaar schuim worden toegepast;<br />

3. maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening is 2.500 m 2 , sproeipatroon <strong>van</strong> alle kanonnen<br />

samen bedekt de gehele opslagvoorziening;<br />

4. watertoevoer wordt automatisch of handmatig op afstand aangestuurd. Watertoevoer moet<br />

voldoende capaciteit hebben om minimaal twee kanonnen gelijktijdig in werking te hebben;<br />

5. de kanonnen sproeien in een automatisch heen en weer gaande beweging <strong>van</strong> de kanonnen<br />

volgens een vast patroon;<br />

6. het systeem verlangt geen bijzondere bouwkundige voorzieningen, afstand tot belendingen te<br />

bepalen met een warmtestralingberekening;<br />

7. bij inwerkingtreding <strong>van</strong> de installatie wordt een sectie (om<strong>van</strong>g afhankelijk <strong>van</strong> ontwerp, doch<br />

nooit kleiner dan een vak ) besproeid, het sproeioppervlak is gelijk aan de grootte <strong>van</strong> de sectie;<br />

8. indien <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de klasse 3 worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht,<br />

geldt een maximum oppervlakte <strong>van</strong> 800 m² en dient de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit te worden<br />

gedimensioneerd op het totale oppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening.<br />

Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />

1. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale<br />

sproeidichtheid en het sproeivlak <strong>van</strong> een sectie(s);<br />

2. indien een sectie volledig bouwkundig is gescheiden <strong>van</strong> andere secties, behoeft geen<br />

veiligheidsfactor te worden gehanteerd;<br />

3. zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de ontwerpnorm;<br />

4. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op 60 minuten;<br />

5. met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.<br />

5. Automatische hi-ex outside-air installatie:<br />

Principe:<br />

Na activering door een automatische brandmeldinstallatie wordt een opslagvoorziening<br />

volgeschuimd. De benodigde lucht om schuim te vormen wordt <strong>van</strong> buitenaf aangezogen. Om<br />

verstikking te bewerkstelligen moet de brand door het schuim ingekapseld kunnen worden.<br />

Beperkingen in toepassing:<br />

- niet alle <strong>stoffen</strong> kunnen worden opgeslagen (zie norm);<br />

- ruimte moet voldoende dicht zijn.<br />

Kenmerken:<br />

1. snelle detectie methode toepassen;<br />

2. als blusmiddel wordt licht schuim toegepast, expansievoud 500 tot 1.000;<br />

3. maximum oppervlakte <strong>van</strong> opslagvoorziening is 2.500 m 2 ;<br />

4. de WBDBO <strong>van</strong> deuren, wanden en plafonds <strong>van</strong>uit de opslagruimte naar de omliggende ruimten<br />

en de buitenruimte moet ten minste 30 minuten bedragen;<br />

5. bij inwerkingtreding <strong>van</strong> de installatie wordt een gehele ruimte overeenkomstig de ontwerpnorm<br />

binnen de vereiste tijd (vastgesteld in de NFPA 11) tot het vereiste niveau volgeschuimd;<br />

6. de toepassing <strong>van</strong> een luchtafvoerinstallatie (bijvoorbeeld dakluiken) is noodzakelijk;<br />

7. outside-air-schuimgeneratoren, waarbij de lucht die gebruikt wordt om het schuim te maken, <strong>van</strong><br />

buiten het gebouw wordt aangezogen.<br />

Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />

1. de doseersnelheid <strong>van</strong> het water/schuimmengsel moet worden bepaald aan de hand <strong>van</strong> de<br />

totale inhoud <strong>van</strong> de opslagvoorziening en het verschuimingsgetal <strong>van</strong> de betreffende<br />

schuimsoort waarbij als uitgangspunt het vereiste schuimniveau in de ruimte overeenkomstig de<br />

ontwerpnorm wordt gehanteerd;<br />

2. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit bedraagt 3 (ruimte)vullingen (volume berekend <strong>van</strong>uit de<br />

afmetingen <strong>van</strong> de opslagvoorziening)<br />

3. vakindeling geeft geen reductie op de benodigde bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 77/84


6. Automatische hi-ex inside-air installatie<br />

Principe:<br />

Na activering door een automatische brandmeldinstallatie wordt een opslagvoorziening<br />

volgeschuimd. De benodigde lucht om schuim te vormen wordt <strong>van</strong> binnen aangezogen. Om<br />

verstikking te bewerkstelligen moet de brand door het schuim ingekapseld kunnen worden.<br />

Beperkingen in toepassing:<br />

- niet alle goederen kunnen worden opgeslagen;<br />

- de opslagvoorziening moet voldoende dicht zijn;<br />

- afhankelijk <strong>van</strong> de gepleegde opslag kan het systeem gevoelig zijn voor verbrandingsproducten<br />

en rook;<br />

- de NFPA 11 met bijbehorend memorandum 61 gaat uitvoerig op de beperkingen in.<br />

Testen <strong>van</strong> de kwaliteit <strong>van</strong> het schuimvormend middel<br />

Aangetoond moet worden dat het toegepaste schuim kan worden gevormd onder zware condities.<br />

De testmethodiek is vastgelegd in brief IBP 31195002 <strong>van</strong> 31.1.1995 (Ministerie VROM).<br />

De testopzet voor deze grootschalige test moet tenminste worden voorgelegd aan<br />

onderzoeksinstituten zoals het RIVM (Centrum Externe Veiligheid en Vuurwerk) of het NIBRA.<br />

Tevens dient de uitvoering <strong>van</strong> de test in overleg met deze instanties plaats te hebben gevonden.<br />

Kenmerken:<br />

1. snelle detectie methode toepassen;<br />

2. als blusmiddel wordt een goedgekeurd schuimconcentraat toegepast, expansievoud volgens<br />

NFPA 11, dat zuurbestendig is en kan worden gevormd met zeer agressieve<br />

verbrandingsgassen;<br />

3. maximum oppervlakte <strong>van</strong> opslagvoorziening is 2.500 m 2 ;<br />

4. de WBDBO <strong>van</strong> deuren, wanden en plafonds <strong>van</strong> de opslagruimte naar de omliggende ruimten<br />

en de buitenruimte moet ten minste 30 minuten bedragen;<br />

5. bij inwerkingtreding <strong>van</strong> de installatie wordt een gehele ruimte overeenkomstig de ontwerpnorm<br />

binnen de vereiste tijd tot het vereiste niveau volgeschuimd;<br />

6. de toepassing <strong>van</strong> een rook- en warmteafvoerinstallatie is niet toegestaan;<br />

7. schuimgeneratoren moeten zijn opgesteld in de te beveiligen ruimte.<br />

Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />

1. de doseersnelheid <strong>van</strong> het water/schuimmengsel moet worden bepaald aan de hand <strong>van</strong> de<br />

totale inhoud <strong>van</strong> de opslagvoorziening en het verschuimingsgetal <strong>van</strong> de betreffende<br />

schuimsoort waarbij als uitgangspunt het vereiste schuimniveau in de ruimte overeenkomstig de<br />

ontwerpnorm wordt gehanteerd;<br />

2. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit bedraagt 3 (ruimte)vullingen (volume berekend <strong>van</strong>uit de<br />

afmetingen <strong>van</strong> de opslagvoorziening);<br />

3. vakindeling geeft geen reductie op de benodigde bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />

7. Bedrijfsbrandweer met handbediende deluge-installatie<br />

Principe:<br />

Een wijd vertakt leidingnet is voorzien <strong>van</strong> open sproeikoppen (sproeiers). Het leidingnet wordt door<br />

de bedrijfsbrandweer voorzien <strong>van</strong> water, nadat de bedrijfsbrandweer is gealarmeerd op basis <strong>van</strong><br />

een brandalarm <strong>van</strong> een automatische brandmeldinstallatie. Na aansluiting door de<br />

bedrijfsbrandweer zal er water uit alle sproeiers tegelijk stromen. De installatie kan ook <strong>van</strong> sectie<br />

afsluiters worden voorzien.<br />

Beperkingen in toepassing:<br />

1. toepassing om grote opslag (tanks) te koelen tegen brand <strong>van</strong> buitenaf;<br />

2. door afhankelijkheid <strong>van</strong> brandweer is deze uitvoering <strong>van</strong> een deluge installatie traag en daarom<br />

niet geschikt voor opslag <strong>van</strong> brandbare vloei<strong>stoffen</strong>.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 78/84


Kenmerken:<br />

1. alle detectie methoden zijn toepasbaar, mits aan de norm wordt voldaan;<br />

2. als blusmiddel kan water of schuim (middel of zwaar) worden toegepast;<br />

3. maximum oppervlakte <strong>van</strong> opslagvoorziening is 2.500 m²;<br />

4. de WBDBO <strong>van</strong> deuren, wanden en plafonds <strong>van</strong>uit de opslagvoorziening naar de omliggende<br />

ruimten en de buitenruimte moet 30 minuten bedragen;<br />

5. bij inwerking treden <strong>van</strong> de installatie wordt een gehele sectie (aantal en grootte afhankelijk <strong>van</strong><br />

ontwerp) besproeid, het sproeioppervlak wordt door de grootte <strong>van</strong> de sectie (vak) bepaald;<br />

6. zowel een bedrijfsbrandweer categorie 1 als een bedrijfsbrandweer categorie 2 kan worden<br />

toegepast;<br />

7. indien brandbare vloei<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht,<br />

geldt een maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> 600 m², en dient de<br />

bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit te worden gedimensioneerd op het totale oppervlak <strong>van</strong> de<br />

opslagvoorziening.<br />

Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />

1. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale<br />

sproeidichtheid en het sproeivlak <strong>van</strong> de sectie(s);<br />

2. indien een sectie volledig bouwkundig is gescheiden <strong>van</strong> andere secties, behoeft geen<br />

veiligheidsfactor te worden gehanteerd;<br />

3. zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de ontwerpnorm;<br />

4. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit worden gedimensioneerd op 40 minuten; de toepassing <strong>van</strong> een<br />

rook- en warmteafvoerinstallatie geeft een reductie <strong>van</strong> 5 minuten op de blustijd;<br />

5. met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.<br />

8. Bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen (binnenaanval)<br />

Principe:<br />

Bedrijfsbrandweer blust zelf, daartoe gealarmeerd door en automatische brandmeldinstallatie.<br />

Beperkingen in toepassing:<br />

− bestrijding afhankelijk <strong>van</strong> menselijke inzet. De ruimte moet dus wel bij brand benaderd en<br />

betreden kunnen worden, wat beperkingen met betrekking tot aard en om<strong>van</strong>g <strong>van</strong> de opslag met<br />

zich mee kan brengen.<br />

Kenmerken:<br />

1. een snelle detectie methode moet worden toegepast (geen temperatuurdetectie);<br />

2. als blusmiddel kan water of schuim (middel of zwaar) worden toegepast;<br />

3. maximum oppervlakte <strong>van</strong> opslagvoorziening is 1.500 m 2 ;<br />

4. de opslagvoorziening moet zijn verdeeld in vakken <strong>van</strong> ten hoogste 300 m 2 ;<br />

5. de WBDBO <strong>van</strong> deuren, wanden en plafonds <strong>van</strong>uit de opslagvoorziening naar de omliggende<br />

ruimten en de buitenruimte moet 60 minuten bedragen; voor een bestaande opslagvoorziening is<br />

30 minuten voldoende;<br />

6. de toepassing <strong>van</strong> een rook- en warmte-afvoerinstallatie is noodzakelijk;<br />

7. dit systeem is uitsluitend aanvaardbaar indien een bedrijfsbrandweer categorie 1 op het bedrijf<br />

aanwezig is;<br />

8. indien brandbare vloei<strong>stoffen</strong> worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht,<br />

geldt een maximum oppervlakte <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> 300 m 2 , en dient de<br />

bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit te worden gedimensioneerd op het totale oppervlak <strong>van</strong> de<br />

opslagvoorziening.<br />

Parameters voor het vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />

1. de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit in een opslagruimte die kleiner is dan 500 m 2 moet ten minste 100<br />

m 3 bedragen; indien de opslagruimte groter is dan 500 m 2 moet 10 m 3 per 100 m 2 vloeroppervlak<br />

extra bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit aanwezig zijn;<br />

2. Toepassing <strong>van</strong> snellere detectiemethoden geeft 10% reductie op de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 79/84


BIJLAGE 6 Overzicht ontwerpnormen brandbestrijdingsinstallaties<br />

De onderstaande tabel geldt als illustratie en dient indicatief te worden gehanteerd. Te allen tijde<br />

geldt dat normen <strong>van</strong> onder meer CEN, NEN, ISO, CENELEC en algemeen erkende voorschriften<br />

uitgegeven door instituten als NFPA, VdS, LPCB, DIN, CEA en FM kunnen worden gehanteerd. In de<br />

door het bevoegd gezag goed te keuren uitgangspunten voor de brandbeveiliging (BDB of PvE) dient<br />

te worden vastgelegd welke ontwerpnormen <strong>van</strong> toepassing zijn.<br />

CEN<br />

NEN<br />

ISO<br />

CENELEC<br />

NFPA<br />

VdS<br />

LPCB<br />

DIN<br />

CEA<br />

FM<br />

BDB<br />

PvE<br />

Comité Européen de Normalisation<br />

Nederlandse Norm<br />

International Standard Organisation<br />

Comité Européen de Normalisation Electrotechnique<br />

National Fire Protection Association<br />

Vertrauen durch Sicherheit (v.m. Verband der Schadenversicherer)<br />

Loss Prevention Certification Board<br />

Deutsche Industrie Norm<br />

Comité Européen des Assurances<br />

Factory Mutual<br />

Basis Document Brandbeveiliging<br />

Programma <strong>van</strong> Eisen<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 80/84


Brandbestrijdingssystemen type NEN(-EN)(-ISO) CEA NFPA standards eVdS FM Overige<br />

codes<br />

(uitgevende<br />

partij)<br />

Automatische brandmeldinstallatie -- 2535 2095, 2496<br />

Rook- en Warmte afvoerinstallatie<br />

(RWA)<br />

-- 6093, 6095, 12101 4020 204 2098<br />

Automatische sprinklerinstallatie (evt<br />

met schuimbijmenging)<br />

Automatische deluge installatie (evt.<br />

schuimbijmenging)<br />

Automatische monitor installatie (evt.<br />

met schuimbijmenging)<br />

ten behoeve <strong>van</strong><br />

de opslag <strong>van</strong><br />

standaard (basis)<br />

producten<br />

ten behoeve <strong>van</strong><br />

de opslag <strong>van</strong><br />

brand<strong>gevaarlijke</strong><br />

vloei<strong>stoffen</strong><br />

ten behoeve <strong>van</strong><br />

de opslag <strong>van</strong><br />

spuitbussen<br />

12845, 12259 4001 13 2092 8-9, 2-8(N) VAS (NCP)<br />

12845 30, 16 7-29 VAS (NCP)<br />

12845 30B 7-31 VAS (NCP)<br />

15, 16, 11 2109 4-1(N)<br />

11, 24<br />

Automatische blusgasinstallatie<br />

CO 2 4007, 4019 12 2093 4-11(N)<br />

chemische blusgas 14520, 12094 2001 2381<br />

inerte blusgassen 14520, 12094 4008 2001 2380 4-9<br />

SVI publicatie<br />

‘blusgasinstall<br />

aties,<br />

veiligheidsbep<br />

alingen’<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 81/84


Brandbestrijdingssystemen type NEN(-EN)(-ISO) CEA NFPA standards eVdS FM Overige<br />

codes<br />

(uitgevende<br />

partij)<br />

Hi-ex systeem<br />

Bedrijfsbrandweer<br />

Outside-air 11 4-3(N) Memorandum<br />

48 (NCP)<br />

Inside-air 11 4-3(N) Memorandum<br />

48en<br />

61(NCP),circu<br />

laire IBP<br />

31195002<br />

(VROM)<br />

artikel 13<br />

brandweerwet<br />

Noot:<br />

1. Schuimvormend middel moet aantoonbaar geschikt zijn voor het betrokken risico.<br />

2. Van de toe te passen normen dient de meest recente uitgave te worden toegepast.<br />

3. Waar <strong>van</strong> toepassing wordt in de meeste ontwerpnormen verwezen naar productnormen en onderhoudsnormen.<br />

4. Voor hoge opslag <strong>van</strong> goederen in emballage en toepassing <strong>van</strong> een deluge systeem dient naast NFPA 15 en/of 16 de NFPA 13 en/of 30 te worden toegepast.<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 82/84


BIJLAGE 7 Overzicht <strong>van</strong> veel voorkomende gassen<br />

VERPAKKING<br />

UN-NUMMER<br />

BENAMING EN<br />

BESCHRIJVING<br />

CLASSIFICATIE-<br />

CODE<br />

ETIKETTEN<br />

FLESSEN<br />

FLESSEN-<br />

BATTERIJEN<br />

CRYOHOUDER<br />

KEURINGS-<br />

INTERVAL<br />

JAREN<br />

1001 ACETYLEEN, OPGELOST 4F 2.1 X - 10<br />

1006 ARGON, SAMENGEPERST 1A 2.2 X - 10<br />

1072 ZUURSTOF, SAMENGEPERST 1O<br />

1049<br />

WATERSTOF,<br />

SAMENGEPERST<br />

2.2<br />

+<br />

5.1<br />

X - 10<br />

1F 2.1 X - 10<br />

1046 HELIUM, SAMENGEPERST 1A 2.2 X - 10<br />

1013 KOOLDIOXIDE (KOOLZUUR) 2A 2.2 X - 10<br />

1066 STIKSTOF, SAMENGEPERST 1A 2.2 X - 10<br />

1070 DISTIKSTOFOXIDE (LACHGAS) 2O<br />

1971<br />

METHAAN, SAMENGEPERST<br />

OF<br />

AARDGAS SAMENGEPERST<br />

(met hoog methaan gehalte)<br />

2.2<br />

+<br />

5.1<br />

X - 10<br />

1F 2.1 X - 10<br />

1962 ETHYLEEN (ETHEEN) 2F 2.1 X - 10<br />

1002 LUCHT, SAMENGEPERST 1A 2.2 X - 10<br />

1060<br />

1956<br />

MENGSELS VAN<br />

METHYLACETYLEEN EN<br />

PROPADIEEN,<br />

GESTABILISEERD (Mapp,<br />

Apachi, Tetreen)<br />

SAMENGEPERST GAS, N.E.G.<br />

(Argon/koolzuur gasmengsel,<br />

Argon/koolzuur/zuurstof<br />

gasmengsel, Stikstof/waterstof<br />

gasmengsel, Stikstof/koolzuur<br />

gasmengsel, Stikstof/argon<br />

gasmengsel, Stikstof/zuurstof<br />

gasmengsel)<br />

2F 2.1 X - 10<br />

1A 2.2 X - 10<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 83/84


OVERZICHT VAN VEEL VOORKOMENDE GASSEN<br />

VERPAKKING<br />

UN-NUMMER<br />

BENAMING EN<br />

BESCHRIJVING<br />

CLASSIFICATIE-<br />

CODE<br />

ETIKETTEN<br />

FLESSEN<br />

FLESSEN-<br />

BATTERIJEN<br />

CRYOHOUDER<br />

KEURINGS<br />

INTERVAL<br />

JAREN<br />

1954<br />

1965<br />

1965<br />

SAMENGEPERST GAS,<br />

BRANDBAAR, N.E.G.<br />

(Stikstof/waterstof gasmengsel,<br />

Argon/waterstof gasmengsel)<br />

MENGSELS VAN<br />

KOOLWATERSTOFGASSEN,<br />

VLOEIBAAR GEMAAKT, N.E.G.<br />

(mengsel C, propaan)<br />

MENGSELS VAN<br />

KOOLWATERSTOFGASSEN,<br />

VLOEIBAAR GEMAAKT, N.E.G.<br />

(Mengsel A0, A02, A01 of A, butaan)<br />

1005 AMMONIAK, WATERVRIJ 2TC<br />

1040<br />

3156<br />

1014<br />

ETHYLEENOXIDE OF<br />

ETHYLEENOXIDE MET STIKSTOF<br />

(tot een druk <strong>van</strong> ten hoogste 1 Mpa<br />

bij 50º C)<br />

SAMENGEPERST GAS,<br />

OXIDEREND, N.E.G. (mengsel<br />

zuurstof/lachgas)<br />

MENGSEL VAN ZUURSTOF EN<br />

KOOLDIOXIDE, SAMENGEPERST<br />

1F 2.1 X - 10<br />

2F 2.1 X - 10/15<br />

2F 2.1 X - 10/15<br />

2TF<br />

1O<br />

1O<br />

2.3 +<br />

8<br />

2.3 +<br />

2.1<br />

2.2 +<br />

5.1<br />

2.2 +<br />

5.1<br />

X - 5<br />

X - 5<br />

X - 10<br />

X - 10<br />

1033 DIMETHYLETHER (DME) 2F 2.1 X - 10<br />

1977<br />

1073<br />

1951<br />

STIKSTOF, STERK GEKOELD,<br />

VLOEIBAAR<br />

ZUURSTOF, STERK GEKOELD,<br />

VLOEIBAAR<br />

ARGON, STERK GEKOELD,<br />

VLOEIBAAR<br />

3A 2.2 - X 10<br />

3O<br />

2.2 +<br />

5.1<br />

- X 10<br />

3A 2.2 - X 10<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> Pagina 84/84


TOP KWALITEIT DIRECT VAN PRODUCENT<br />

Handleiding PGS 15<br />

<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Een uitgave <strong>van</strong> VROM / InfoMill > Externe veiligheid<br />

December 2007


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Inhoud<br />

1 Algemene toelichting 6<br />

1.1 PGS 15 in het algemeen 6<br />

1.2 Onderdelen <strong>van</strong> PGS 15 6<br />

1.3 Kenmerken PGS 15 ten opzichte <strong>van</strong> CPR 15 richtlijnen 7<br />

1.4 De positie <strong>van</strong> PGS 15 in het werkveld 7<br />

1.5 Ontwikkelingen in wet- en regelgeving 8<br />

2 Werkingssfeer en systematiek 9<br />

2.1 De werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 9<br />

2.2 De systematiek <strong>van</strong> PGS 15 11<br />

3 Toelichting op specifieke aspecten 13<br />

3.1 Verpakkingen en gevarenklassen 13<br />

3.2 Regels voor <strong>stoffen</strong>scheiding 16<br />

3.3 Bouwkundige eisen aan opslagvoorzieningen 18<br />

3.4 <strong>Opslag</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 8 VG II en III 20<br />

3.5 Brandveiligheidsopslagkasten 20<br />

3.6 Tijdelijke opslag in overslag- of laad- en losgedeelte 21<br />

3.7 Aftap- en overtapwerkzaamheden 21<br />

3.8 Werkvoorraad 21<br />

3.9 Vakbekwaamheid 22<br />

3.10 Explosieveiligheid 22<br />

3.11 Documenten en administratie 23<br />

4 <strong>Opslag</strong> groter dan 10.000 kg of bij zeer giftige <strong>stoffen</strong> groter dan 1.000 kg 24<br />

4.1 Inleiding 24<br />

4.2 <strong>Opslag</strong> in vakken 24<br />

4.3 Beschermingsniveaus 25<br />

4.4 Product- en bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen 27<br />

4.5 Systematiek bij bepaling voorzieningen 28<br />

5 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> containers geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 30<br />

6 Gasflessen 31<br />

6.1 Inleiding 1<br />

6.2 <strong>Opslag</strong>voorziening 1<br />

6.3 Gasflessen aan verzamelleiding 2<br />

6.4 Inpandige opslag <strong>van</strong> gasflessen 2<br />

6.5 Kleurcodering gasflessen 2<br />

6.6 Hoe herken ik een goedgekeurde gasfles? 3<br />

7 <strong>Opslag</strong> spuitbussen en gaspatronen, al dan niet in combinatie met andere<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> 34<br />

7.1 Spuitbussenopslag kleiner of gelijk aan 10 ton 4<br />

7.2 Spuitbussenopslag groter dan 10 ton 6<br />

8 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3 37<br />

8.1 Inleiding 7<br />

8.2 Beschermingsniveau voor opslag klasse 4.x 7<br />

8.3 Noodzaak tot aparte opslag klasse 4.x 8<br />

9 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> kleine hoeveelheden organische peroxiden (klasse 5.2) 39<br />

Bijlagen 40<br />

Bijlage A SnelStart PGS 15 40<br />

Bijlage B Beslisschema: Werkingssfeer PGS 15 41<br />

Bijlage C Beslisschema: Welke eisen aan opslagvoorziening? 42<br />

Bijlage D Stappenplan vergunningverlening 43<br />

Bijlage E Verschillen met CPR 15 - richtlijnen 44<br />

Bijlage F Extra informatie 47


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Leeswijzer handleiding PGS 15<br />

Rele<strong>van</strong>te documenten<br />

PGS 15 "<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>", is in juni 2005 gepubliceerd als opvolger <strong>van</strong> de<br />

publicaties in de CPR 15 -reeks, en wordt sindsdien veelvuldig toegepast. Om gebruikers <strong>van</strong> PGS 15<br />

te ondersteunen bij de uitvoering is deze Handleiding PGS 15 ontwikkeld. De Handleiding is geen<br />

ver<strong>van</strong>ging voor PGS 15, en bevat geen volledige weergave <strong>van</strong> de eisen uit PGS 15. Wel geeft de<br />

Handleiding <strong>van</strong>uit een andere invalshoek uitleg over de inhoud <strong>van</strong> PGS 15 en geeft hulpmiddelen<br />

voor de toepassing en interpretatie <strong>van</strong> PGS 15. Naast deze Handleiding en PGS 15 zelf bestaat er<br />

de Checklist PGS 15. Deze kan worden gebruikt in bestaande situaties ter controle of een opslagvoorziening<br />

in overeenstemming met PGS 15 is ingericht en wordt gebruikt. Tot slot is er het ADR 1 ,<br />

de regels voor vervoer <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, waar in de PGS 15 regelmatig naar wordt verwezen.<br />

Hoofdstukindeling analoog aan PGS 15<br />

Deze Handleiding PGS 15 is onderverdeeld in hoofdstukken, waar<strong>van</strong> de nummering gelijk is aan<br />

de nummering <strong>van</strong> de overeenkomstige hoofdstukken in PGS 15. Hoofdstuk 1 geeft een algemene<br />

toelichting op PGS 15 en haar positie in het werkveld. Hoofdstuk 2 gaat in op de werkingssfeer en<br />

geeft uitleg over de systematiek <strong>van</strong> de eisen aan opslagvoorzieningen. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens<br />

een aantal veelvoorkomende begrippen en situaties toegelicht. De hoofdstukken 4 t/m 9 gaan<br />

achtereenvolgens in op opslagvoorzieningen voor meer dan 10.000 kg, opslag <strong>van</strong> containers, gasflessen,<br />

spuitbussen en gaspatronen, opslag <strong>van</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3 en opslag <strong>van</strong> organische peroxiden.<br />

In de bijlagen zijn enkele hulpmiddelen voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 en extra informatie opgenomen,<br />

waaronder een overzicht <strong>van</strong> de verschillen met de CPR 15 reeks.<br />

Afkortingen<br />

Voor de leesbaarheid <strong>van</strong> tabellen en beslisschema's is daarin regelmatig gebruik gemaakt <strong>van</strong><br />

afkortingen. Een overzicht <strong>van</strong> deze afkortingen en hun betekenis is opgenomen in Bijlage F.5.<br />

Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong><br />

PGS 15 is <strong>van</strong> toepassing op 'geclassificeerde <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> conform de vervoerswetgeving en<br />

CMR-<strong>stoffen</strong>'. Voor de leesbaarheid <strong>van</strong> de Handleiding is er voor gekozen om in de tekst uitsluitend<br />

'<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>' te noemen. Daar waar '<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>' staat vermeld, worden dus ook CRM<strong>stoffen</strong><br />

bedoeld, tenzij anders is aangegeven.<br />

<br />

ADR = Accord européen relatief aux transport internationaux de marchandises dangereuses par route


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

1 Algemene toelichting<br />

1.1 PGS 15 in het algemeen<br />

PGS 15 is deel 15 <strong>van</strong> de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, uitgegeven door het Ministerie <strong>van</strong> Volkshuisvesting,<br />

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) in samenwerking met het Ministerie <strong>van</strong> Verkeer<br />

en Waterstaat (V&W), het Ministerie <strong>van</strong> Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en het Ministerie <strong>van</strong><br />

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). De PGS 15 beschrijft de eisen voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu kan<br />

worden bereikt. Het is de opvolger <strong>van</strong> CPR 15-1, 15-2 en 15-3 en vormt het referentiekader voor het<br />

Activiteitenbesluit, de vergunningverlening in het kader <strong>van</strong> de Wet milieubeheer (Wm) en voor het<br />

toezicht op de naleving <strong>van</strong> wet- en regelgeving op het gebied <strong>van</strong> de arbeidsomstandigheden.<br />

Bij Wm-vergunningverlening voor bedrijven die vallen onder de IPPC-richtlijn moet PGS 15 op grond <strong>van</strong><br />

de Regeling Aanwijzing BBT-documenten verplicht in overweging worden genomen. Verder wordt PGS 15<br />

door de brandweer gebruikt, onder meer voor haar adviserende taken in het kader <strong>van</strong> de Wet milieubeheer.<br />

Sinds het verschijnen <strong>van</strong> PGS 15 in juni 2005 is de richtlijn op een tweetal punten gewijzigd. Deze<br />

wijzigingen zijn gepubliceerd in het erratum <strong>van</strong> 5 juli 2005. Daarnaast is een aantal onvolkomenheden en<br />

onduidelijkheden gesignaleerd, welke nog in errata zullen worden opgenomen. In bijlage F.3 staat een<br />

overzicht. In deze Handleiding is op deze aanpassingen geanticipeerd. De website <strong>van</strong> het ministerie <strong>van</strong><br />

VROM bevat de meest recente versie <strong>van</strong> de PGS 15 en errata (www.vrom.nl). Op de website <strong>van</strong> InfoMil<br />

(www.infomil.nl) zijn de Checklist PGS 15 en veel gestelde vragen over PGS 15 gepubliceerd.<br />

1.2 Onderdelen <strong>van</strong> PGS 15<br />

PGS 15 bevat 10 hoofdstukken en 7 bijlagen:<br />

Onderdeel PGS 15 Omschrijving<br />

Hoofdstuk 1<br />

Inleiding, met algemene uitleg, werkingssfeer en toepassingsgebied<br />

Hoofdstuk 2<br />

Leeswijzer<br />

Hoofdstuk 3<br />

Algemene voorschriften voor alle opslagvoorzieningen<br />

Hoofdstuk 4 Aanvullende voorschriften voor opslagvoorzieningen voor > 10.000 kg of ><br />

1.000 kg zeer giftige <strong>stoffen</strong><br />

Hoofdstuk 5<br />

Voorschriften voor bedrijven met containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Hoofdstuk 6<br />

Voorschriften voor opslag <strong>van</strong> gasflessen<br />

Hoofdstuk 7<br />

Voorschriften voor opslag <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen<br />

Hoofdstuk 8 Voorschriften voor opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in ADR klasse 4.1, 4.2 en 4.3<br />

(onder meer brandbare vaste <strong>stoffen</strong>)<br />

Hoofdstuk 9 Voorschriften voor opslag <strong>van</strong> organische peroxiden (ADR klasse 5.2)<br />

Hoofdstuk 10<br />

Begrippenlijst<br />

Bijlage 1<br />

Uitleg over explosieveilig materieel<br />

Bijlage 2<br />

Borden ten behoeve <strong>van</strong> de veiligheidsignalering<br />

Bijlage 3<br />

Voorkomen <strong>van</strong> onverenigbare combinaties door <strong>stoffen</strong>scheiding<br />

Bijlage 4<br />

Kenmerken <strong>van</strong> veiligheidsklassen <strong>van</strong> brandveiligheidsopslagkasten<br />

Bijlage 5<br />

Brandbeveiligingsinstallaties: kenmerken en parameters<br />

Bijlage 6<br />

Overzicht ontwerpnormen brandbestrijdingsinstallaties<br />

Bijlage 7<br />

Overzicht <strong>van</strong> veel voorkomende gassen


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

1.3 Kenmerken PGS 15 ten opzichte <strong>van</strong> CPR 15 richtlijnen<br />

PGS 15 wijkt op een aantal belangrijke punten af <strong>van</strong> de voormalie CPR 15 richtlijnen. In Bijlage E <strong>van</strong> deze<br />

Handleiding is een overzicht opgenomen <strong>van</strong> de verschillen. Belangrijkste verschil is dat de indeling <strong>van</strong><br />

<strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> gebaseerd is op de vervoerswetgeving (ADR), in plaats <strong>van</strong> op de Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> (Wms). De bepalingen uit PGS 15 zijn hierdoor beter inpasbaar in het logistieke<br />

management <strong>van</strong> bedrijven. Daarnaast ligt de nadruk meer op de eigen verantwoordelijkheid <strong>van</strong> het<br />

bedrijfsleven. Dit uit zich onder meer in het gelijkwaardigheidsbeginsel.<br />

1.3.1 Het gelijkwaardigheidsbeginsel<br />

PGS 15 is een richtlijn. Dat betekent onder meer dat gemotiveerd <strong>van</strong> de bepalingen kan worden afgeweken<br />

als het gelijkwaardigheidsbeginsel is toegepast. Dat houdt in, dat een bedrijf moet aangegeven welke<br />

alternatieve maatregelen en voorzieningen worden getroffen en welk veiligheidsniveau daarmee wordt<br />

bereikt. Het bevoegd gezag beoordeelt vervolgens of dit niveau gelijkwaardig is met het in PGS 15<br />

beschreven niveau. Het gelijkwaardigheidsbeginsel geldt ook voor niet-vergunningplichtige inrichtingen<br />

(zie artikel 1.8 <strong>van</strong> het Activiteitenbesluit of artikel 5 <strong>van</strong> de overige 8.40 amvb's).<br />

Een in de praktijk veel voorkomend voorbeeld <strong>van</strong> de toepassing <strong>van</strong> het gelijkwaardigheidsbeginsel is<br />

het plaatsen <strong>van</strong> gasflessen tegen een gevel waarin ramen of deuren zijn aangebracht. Voorschrift 6.2.4<br />

geeft aan dat de gevel tot 2 meter links en rechts en tot 4 meter boven de gasflessen een brandwerendheid<br />

moet bezitten <strong>van</strong> ten minste 60 minuten. Wanneer echter ramen en deuren in de gevel aanwezig<br />

zijn wordt niet meer aan deze eis voldaan. Door de gasflessen af te schermen met een zijwand of afdak<br />

met een gelijkwaardige brandwerendheid, wordt een gelijkwaardig veiligheidsniveau bereikt.<br />

1.4 De positie <strong>van</strong> PGS 15 in het werkveld<br />

1.4.1 Inleiding<br />

PGS 15 bevat richtlijnen voor de arbeidsveilige, milieuveilige en brandveilige opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong>. Dit betekent dat er <strong>van</strong>uit deze drie invalshoeken naar opslagvoorzieningen wordt gekeken,<br />

en ook wordt toegezien op de naleving <strong>van</strong> de richtlijn. PGS 15 is echter niet rechtstreeks <strong>van</strong> toepassing;<br />

de richtlijn heeft pas rechtskracht op het moment dat dit ergens anders juridisch is vastgelegd. Hiervoor<br />

zijn de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit, de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving en de<br />

Brandweerwet rele<strong>van</strong>t. Daarnaast heeft PGS 15 nauwe relatie met het Bouwbesluit 2003.<br />

1.4.2 De Wet milieubeheer (Wm)<br />

Voor niet-vergunningplichtige inrichtingen is het gehele Activiteitenbesluit met bijbehorende Ministeriële<br />

Regeling en/of eventueel één <strong>van</strong> de agrarische amvb's <strong>van</strong> toepassing. De Ministeriële Regeling bevat,<br />

behalve verwijzingen naar PGS 15, ook voorschriften die betrekking hebben op de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Voor vergunningplichtge inrichtingen is, behoudens enkele specifieke uitzonderingen, hoofdstuk 4 <strong>van</strong><br />

het Activiteitenbesluit niet <strong>van</strong> toepassing en is het nodig dat in de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer<br />

(Wm) expliciet de relatie met PGS 15 wordt gelegd. In het Stappenplan vergunningverlening (zie<br />

Bijlage D <strong>van</strong> deze Handleiding) wordt hier verder op ingegaan.<br />

Voor bedrijven die met het <strong>van</strong> kracht worden <strong>van</strong> het Activiteitenbesluit niet meer vergunningplichtig<br />

zijn, geldt dat de voorschriften <strong>van</strong> de vergunning gedurende drie jaar gelden als maatwerkvoorschrift,<br />

mits de voorschriften <strong>van</strong> die vergunning vallen binnen de bevoegdheid <strong>van</strong> het bevoegd gezag tot het<br />

stellen <strong>van</strong> maatwerkvoorschriften. Deze bevoegdheid is ten aanzien <strong>van</strong> de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> opgenomen in de artikelen 4.5 en 4.6 <strong>van</strong> de Ministeriële Regeling bij het Activiteitenbesluit.<br />

1.4.3 Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving<br />

De Arbeidsinspectie gebruikt PGS 15 bij het toezicht op de bepalingen in de Arbeidsomstandighedenwet,<br />

het Arbobesluit en de Arboregeling, die meestal als doelvoorschrift zijn geformuleerd. In relatie tot de<br />

opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> gaat het onder meer om correcte opslag gezien de eigenschappen<br />

<strong>van</strong> een stof, goede inrichting <strong>van</strong> de opslag (waaronder juiste scheiding <strong>van</strong> onverenigbare combinaties<br />

<strong>van</strong> <strong>stoffen</strong>, productop<strong>van</strong>g, ventilatie en vluchtwegen) en juiste organisatie <strong>van</strong> de werkzaamheden<br />

(deskundigheid, persoonlijke beschermingsmiddelen en noodmaatregelen).


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

1.4.4 Wet milieubeheer of Arbeidsomstandighedenwet?<br />

PGS 15 biedt voor zowel het Wm bevoegd gezag als voor de Arbeidsinspectie een toetsingkader voor<br />

opslagen <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Een groot deel <strong>van</strong> de voorschriften uit PGS 15 heeft een<br />

grondslag in zowel de milieuwetgeving als in de arbeidsomstandighedenwetgeving. Dit betekent dat<br />

zowel het Wm-bevoegd gezag als de Arbeidsinspectie toezicht kunnen houden op de naleving daar<strong>van</strong>.<br />

De voorschriften in PGS 15 zijn voorzien <strong>van</strong> een code (Wm, AI) die aangeeft welke overheidsdiscipline<br />

voorziet in de uitvoering, advisering, vergunningverlening of het houden <strong>van</strong> toezicht. Toch kan dit in de<br />

praktijk nog wel eens tot onduidelijkheden leiden, zeker wanneer voorschriften op een andere manier<br />

worden geïnterpreteerd. Om een en ander vroegtijdig af te stemmen, is het voor het Wm-bevoegd gezag<br />

en de Arbeidsinspectie aan te bevelen om afspraken te maken over de terugkoppeling <strong>van</strong> geconstateerde<br />

onrechtmatigheden. Daar waar repressieve handhaving noodzakelijk is, wordt aanbevolen om in onderling<br />

overleg de meest efficiënte werkwijze te kiezen. Algemeen geaccepteerd uitgangspunt in rechtspraak is<br />

namelijk, dat iemand niet via twee wegen voor dezelfde overtreding kan worden aangesproken.<br />

1.4.5 Brandweer<br />

De overheidsbrandweer kan de richtlijn gebruiken bij haar adviserende rol bij het verlenen <strong>van</strong> bouw- of<br />

milieuvergunningen. Daarnaast kan de brandweer over de beoordeling <strong>van</strong> opslagvoorzieningen op<br />

bijvoorbeeld bouwkundige aspecten adviseren aan toezichthouders die belast zijn met het controleren<br />

op de naleving <strong>van</strong> milieuvergunningen of het Activiteitenbesluit.<br />

1.4.6 Relatie PGS 15 met Bevi en Revi<br />

PGS 15 bevat geen bepalingen met minimale afstanden tot objecten buiten de inrichting. Vergunningplichtige<br />

inrichtingen met opslagvoorzieningen voor meer dan 10.000 kg <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> per opslagplaats<br />

vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (Bevi) en bijbehorende Regeling<br />

externe veiligheid inrichtingen milieubeheer (Revi). Bij vergunningverlening en andere door het bevoegd<br />

gezag te nemen besluiten, zoals bestemmingsplanwijzigingen, moeten de in het Bevi genoemde grenswaarden<br />

voor het plaatsgebonden risico dan wel de in het Revi genoemde afstanden tot (beperkt) kwetsbare<br />

objecten in acht worden genomen. De Revi gaat er <strong>van</strong> uit, dat wordt voldaan aan de eisen <strong>van</strong> PGS 15.<br />

Pas in dat geval gelden de genoemde afstanden. Dit betekent dat toezicht op de naleving <strong>van</strong> de voorschriften<br />

uit PGS 15 <strong>van</strong> belang is voor de juiste toepassing <strong>van</strong> de afstanden uit de Revi. Een inrichting met<br />

meerdere opslagvoorzieningen, elk bestemd voor minder dan 10.000 kg, valt overigens niet onder het Bevi.<br />

Het Bevi is <strong>van</strong> toepassing op <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zoals bedoeld in de Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (Wms).<br />

Dit betekent, dat voor opslag <strong>van</strong> uitsluitend irriterende, schadelijke of viskeuze <strong>stoffen</strong> (voor zover<br />

uitgesloten <strong>van</strong> het ADR) in opslagvoorzieningen voor meer dan 10.000 kg het Bevi geldt, terwijl PGS 15<br />

niet <strong>van</strong> toepassing is. Het criterium voor de aanwijzing <strong>van</strong> potentieel <strong>gevaarlijke</strong> inrichtingen in het Bevi<br />

is, dat de betreffende categorie <strong>van</strong> inrichtingen buiten de grens <strong>van</strong> de inrichting een plaatsgebonden<br />

risico veroorzaakt of kan veroorzaken dat hoger is dan 10-6 per jaar.<br />

1.4.7 Het Bouwbesluit<br />

Het Bouwbesluit 2003 vormt de basis voor de bouwkundige eisen aan opslagvoorzieningen. Daarbij geldt,<br />

dat de in de Regeling bouwbesluit 2003 geformuleerde prestatievoorschriften niet altijd toereikend zijn<br />

voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Om die reden zijn de bouwkundige eisen in PGS 15<br />

aanvullend op het bouwbesluit. Dit is in paragraaf 3.2 <strong>van</strong> PGS 15 en het bijhorende erratum <strong>van</strong> 5 juli<br />

2005, en in paragraaf 3.3 <strong>van</strong> deze Handleiding toegelicht.<br />

1.5 Ontwikkelingen in wet- en regelgeving<br />

1.5.1 Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en REACH<br />

REACH is een nieuwe Europese verordening voor chemische <strong>stoffen</strong>. De afkorting staat voor Registratie,<br />

Evaluatie, Autorisatie en beperkingen <strong>van</strong> CHemische <strong>stoffen</strong>. De kern <strong>van</strong> REACH is dat een bedrijf <strong>van</strong> alle<br />

<strong>stoffen</strong> die het produceert, verwerkt of doorgeeft aan klanten, de risico’s moet inventariseren en maatregelen<br />

moet aanbevelen (en voor het eigen bedrijf ook moet nemen) om die risico’s te beheersen bij het gebruik <strong>van</strong><br />

de stof. Met de invoering <strong>van</strong> REACH verschuift de verantwoordelijkheid voor een adequate risicobeheersing<br />

<strong>van</strong> chemische <strong>stoffen</strong> naar het bedrijfsleven. Het gevolg <strong>van</strong> deze ontwikkeling is dat de Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> (Wms) per 1 juni 2008 vervalt. Andere onderwerpen uit de Wms die niet in REACH worden<br />

geregeld (zoals etikettering) worden voorlopig opgenomen in hoofdstuk 9 <strong>van</strong> de Wet milieubeheer.<br />

1.5.2 Globally Harmonised System<br />

Er is een nieuw wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering <strong>van</strong> chemische<br />

<strong>stoffen</strong>: het VN-Globally Harmonised System (VN-GHS). Om het systeem in Europa in te voeren, zal de<br />

Europese Commissie een nieuwe EU-verordening opstellen (EU-GHS) die op termijn de bestaande regelgeving<br />

voor de indeling en etikettering <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> en mengsels zal ver<strong>van</strong>gen. De informatie die met<br />

REACH wordt verzameld en geregistreerd over <strong>stoffen</strong> en mengsels (preparaten) vormt mede de basis<br />

voor indeling en etikettering. EU-GHS wordt vermoedelijk eind 2008 vastgesteld.


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

2 Werkingssfeer en systematiek<br />

2.1 De werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15<br />

Met behulp <strong>van</strong> Bijlage B Beslisschema Werkingssfeer PGS 15? [A] kan worden vastgesteld of PGS 15<br />

<strong>van</strong> toepassing is.<br />

2.1.1 Indeling volgens vervoerwetgeving<br />

PGS 15 sluit voor de indeling <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aan bij de Wet vervoer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

De classificatie <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> vindt plaats conform het ADR . In de CPR-richtlijnen waren<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> ingedeeld volgens de Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (Wms). Dit betekent in de praktijk<br />

dat voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 naar de vervoersetiketten moet worden gekeken, in plaats <strong>van</strong> naar<br />

de Wms-etiketten. Paragraaf 3.1 <strong>van</strong> deze Handleiding geeft hierover uitleg.<br />

2.1.2 Welke <strong>stoffen</strong> vallen onder PGS 15?<br />

PGS 15 is <strong>van</strong> toepassing op <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een aantal ADR-klassen als de ondergrenzen<br />

uit tabel 2 en tabel 3 <strong>van</strong> PGS 15 worden overschreden. In de volgende tabel staan alle ADR-klassen<br />

genoemd, met daarbij of de PGS 15 <strong>van</strong> toepassing is. Is dit het geval, dan zijn de ondergrenzen vermeld.<br />

Is dit niet het geval, dan is de reden daarvoor aangegeven.<br />

ADR-klasse Omschrijving onder<br />

PGS 15 ?<br />

3, 4.1, 4.2,<br />

4.3, 5.1, 6.1,<br />

6.2 en 8 +<br />

CMR-<strong>stoffen</strong><br />

alle <strong>stoffen</strong> in verpakkingsgroep<br />

I<br />

<strong>gevaarlijke</strong> afval<strong>stoffen</strong> <strong>van</strong><br />

deze klassen vallen onder de<br />

werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15<br />

2 gasflessen, meest voorkomende<br />

gassen, zie bijlage 7<br />

<strong>van</strong> PGS 15<br />

ja 1 (VG I)<br />

ja<br />

ja<br />

Bijzonderheden / Ondergrens in kg/l 3 4<br />

zie ondergrens voor stof in betreffende<br />

ADR-klasse<br />

115 liter waterinhoud;<br />

het Activiteitenbesluit verwijst <strong>van</strong>af<br />

125 liter naar PGS 15; omdat een gasfles<br />

meestal 60 liter is, is dit een meer logische<br />

ondergrens.<br />

divers bestrijdingsmiddelen tot 400 kg nee De opslag <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> is geregeld in<br />

de Bestrijdingsmiddelenwet, voor zover<br />

minder dan 400 kg aanwezig is.<br />

1 ontplofbare <strong>stoffen</strong> en<br />

voorwerpen<br />

nee<br />

Deze <strong>stoffen</strong> vragen een specifieke aanpak<br />

en maatwerkoplossingen in de milieuvergunning.<br />

Een deel <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> uit deze<br />

klasse valt onder het regime <strong>van</strong> het<br />

Vuurwerkbesluit.<br />

2 spuitbussen en gaspatronen ja 50<br />

Bij opslag <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen<br />

in combinatie met andere <strong>verpakte</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> geldt geen ondergrens.<br />

2 meest voorkomende gassen,<br />

zie bijlage 7 PGS 15<br />

ja 50<br />

2 gasflessen met giftige of<br />

bijtende inhoud<br />

3 brandbare vloei<strong>stoffen</strong> ja 25 (VGII)<br />

50 (VGIII)<br />

4.1 brandbare vaste <strong>stoffen</strong> ja 50 (VG II en III)<br />

nee<br />

Voor gassen met deze specifieke gevaarsaspecten<br />

kan PGS 15 wel als basis voor de<br />

vergunningvoorschriften worden gebruikt,<br />

maar zijn afhankelijk <strong>van</strong> de situatie aanvullende<br />

voorschriften nodig.<br />

ADR = Accord européen relatief aux transport internationaux de marchandises dangereuses par route.<br />

3 Voor LQ (Limited Quantities) gelden de dubbele ondergrenzen, zie paragraaf 3.1.6 <strong>van</strong> deze Handleiding.<br />

4 Voor het vaststellen <strong>van</strong> hoeveelheden geldt voor vloei<strong>stoffen</strong> en samengeperste gassen, de nominale inhoud <strong>van</strong> houders in<br />

liters en voor overige <strong>stoffen</strong> de netto massa in kilogram.


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

ADR-klasse Omschrijving onder Bijzonderheden / Ondergrens in kg/l 3 4<br />

PGS 15 ?<br />

4.2 vatbaar voor zelfontbranding ja 50 (VG II en III)<br />

4.3 ontwikkelt brandbaar gas in ja 50 (VG II en III)<br />

contact met water<br />

5.1 oxiderende <strong>stoffen</strong> ja 50 (VG II en III)<br />

5.2 organische peroxiden (< 1.000<br />

kg in LQ-verpakking)<br />

ja geen ondergrens<br />

5.2 organische peroxiden, voor<br />

zover > 1.000 kg of niet LQ<br />

6.1 giftige <strong>stoffen</strong> ja 50 (VG II en III)<br />

6.2 cat I3, I4 infectueuze <strong>stoffen</strong>, uitsluitend<br />

ziekenhuisafval en diagnostische<br />

monsters<br />

ja 50 (VG II en III)<br />

6.2, niet cat<br />

I3 en I4<br />

nee<br />

Voor opslag <strong>van</strong> organische peroxiden<br />

geldt PGS 8, tenzij < 1.000 kg in LQverpakking.<br />

In dat geval kan hoofdstuk 9<br />

<strong>van</strong> PGS 15 worden gebruikt.<br />

infectueuze <strong>stoffen</strong> nee Vanwege de specifieke aspecten is hiervoor<br />

altijd een maatwerkoplossing nodig.<br />

7 radioactieve <strong>stoffen</strong> nee Deze <strong>stoffen</strong> vallen onder de Kernenergiewet.<br />

8 bijtende <strong>stoffen</strong> ja 250 (VG II en III)<br />

9 diverse <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en<br />

voorwerpen - uitsluitend de<br />

milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> vallen<br />

onder PGS 15<br />

9 de niet-milieu <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> en voorwerpen<br />

9 genetisch gemodificeerde<br />

organismen<br />

5.1, 9 nitraathoudende kunstmest<strong>stoffen</strong><br />

ja 250 (VG II en III)<br />

Vnl. vloeibare en vaste <strong>stoffen</strong> die het<br />

aquatisch milieu kunnen verontreinigen<br />

(UN 3077 en UN 3082), zoals kwik(I)chloride,<br />

difenylether, chloorhexidine, gechloreerde<br />

paraffinen en diisopropylbenzenen.<br />

nee Er is geen reden voor speciale opslagvoorzieningen,<br />

maar deze <strong>stoffen</strong> kunnen wel<br />

als 'aanverwante <strong>stoffen</strong>' in een<br />

opslagvoorziening worden bewaard (zie<br />

ook paragraaf 3.1.7 <strong>van</strong> deze Handleiding).<br />

nee Deze <strong>stoffen</strong> vallen onder het Besluit<br />

Genetisch Gemodificeerde Organismen.<br />

Daarnaast is een Wm-vergunning nodig,<br />

waarin maatwerkvoorschriften voor de<br />

opslag <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> moeten worden<br />

opgenomen.<br />

nee Hiervoor geldt PGS 7.<br />

Verder is PGS 15 niet <strong>van</strong> toepassing op de volgende <strong>stoffen</strong> en situaties:<br />

− De volgende <strong>stoffen</strong> die niet worden beschouwd als klasse 3:<br />

− alcoholhoudende dranken in consumentenverpakking;<br />

− dieselolie, gasolie en lichte stookolie met een vlampunt tussen 60°C en 100°C; deze <strong>stoffen</strong> vallen<br />

conform de criteria niet onder het ADR;<br />

− verwarmde brandbare vloeistof (UN-nummer 3256);<br />

− niet giftige en niet bijtende viscose oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt <strong>van</strong> 23°C<br />

en hoger (overeenkomstig artikel 2.2.3.1.5 <strong>van</strong> het ADR, de viscositeitsregel);<br />

− opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in verkoopruimten;<br />

− drukhouders/gasflessen met CO 2<br />

(koolzuurcilinders) die zijn voorzien <strong>van</strong> doelmatige drukontlasting;<br />

− verpakkingen die via leidingen zijn aangesloten op een installatie, zoals bijvoorbeeld een aangesloten<br />

IBC of een gasfles behorend bij een blusgasinstallatie.<br />

10


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

2.1.1 Toepassing ondergrenzen PGS 15<br />

Met het doorlopen <strong>van</strong> het beslisschema in Bijlage B kan worden vastgesteld of een opslag onder de<br />

werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 valt. Wanneer een combinatie <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> wordt opgeslagen waarvoor verschillende<br />

ondergrenzen gelden, moet volgens de toelichting bij tabel 3 <strong>van</strong> PGS 15 de ondergrens voor de<br />

totale hoeveelheid naar rato worden berekend. Deze 'naar rato' berekening geldt overigens niet voor<br />

gasflessen; de daarvoor geldende ondergrens staat op zichzelf. Een voorbeeld ter illustratie:<br />

Toepassing ondergrenzen bij kleine hoeveelheden verschillende <strong>stoffen</strong><br />

Aanwezig zijn:<br />

− ethanol, 20 liter, geen LQ, VG II<br />

− natriumhydroxide-oplossing, 200 liter, geen LQ, VG III<br />

Ethanol is ingedeeld in ADR klasse 3. De ondergrens voor <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 3, verpakkingsgroep II is<br />

25 kg of liter. Er is 20 liter aanwezig, hetgeen overeenkomt met 80% <strong>van</strong> de geldende ondergrens.<br />

Natriumhydroxide, zowel in vaste vorm als in opgeloste vorm, is een bijtende stof ingedeeld in ADR<br />

klasse 8. Voor verpakkingsgroep III is de ondergrens voor PGS 15 250 kg of liter. De aanwezige 200 liter<br />

komt overeen met 80% <strong>van</strong> de geldende ondergrens.<br />

In totaal wordt 80% + 80% = 160% <strong>van</strong> de ondergrens opgeslagen, hetgeen inhoudt dat PGS 15 <strong>van</strong><br />

toepassing is en dat beide <strong>stoffen</strong> overeenkomstig PGS 15 moeten worden opgeslagen. Daarbij geldt<br />

dat rekening moet worden gehouden met de regels voor <strong>stoffen</strong>scheiding (zie paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze<br />

Handleiding).<br />

De ondergrenzen <strong>van</strong> PGS 15 gelden niet per definitie voor het totaal aan <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong><br />

een bepaalde klasse dat in een inrichting aanwezig is. Afhankelijk <strong>van</strong> het karakter en de grootte <strong>van</strong> het<br />

bedrijf moet worden beoordeeld of de ondergrenzen voor de gehele inrichting, voor aparte gebouwen<br />

binnen de inrichting of voor andere te onderscheiden eenheden gelden. Het is denkbaar dat op diverse<br />

plaatsen binnen het bedrijf <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden bewaard in hoeveelheden beneden de<br />

ondergrens. Of een dergelijke situatie kan worden toegestaan moet in samenhang met het begrip<br />

werkvoorraad (zie paragraaf 3.8) worden beoordeeld, maar voorkomen moet worden dat verkapte<br />

opslagen ontstaan waarvoor geen PGS 15 opslagvoorzieningen zijn gerealiseerd. De noodzaak en functionaliteit<br />

hier<strong>van</strong> zal door het bedrijf moeten worden aangetoond.<br />

2.2 De systematiek <strong>van</strong> PGS 15<br />

De systematiek <strong>van</strong> PGS 15 kan als volgt worden samengevat:<br />

− Wordt de ondergrens overschreden dan zijn de algemene bepalingen <strong>van</strong> hoofdstuk 3 <strong>van</strong> toepassing;<br />

− Bij een opslagvoorziening voor meer dan 10.000 kg (of > 1.000 kg in geval <strong>van</strong> klasse 6.1 VG I dan wel<br />

klasse 8, VG I met aanvullend etiket 6.1) zijn ook de voorschriften <strong>van</strong> hoofdstuk 4 <strong>van</strong> toepassing.<br />

In dat geval geldt, afhankelijk <strong>van</strong> de aard <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> en het verpakkingsmateriaal, dat een bepaald<br />

beschermingsniveau (1, 2 of 3) moet zijn gerealiseerd.<br />

− Voor specifieke situaties of <strong>stoffen</strong> bevat PGS 15 een aantal hoofdstukken, met voorschriften die in de<br />

meeste gevallen aanvullend zijn op (delen <strong>van</strong>) hoofdstuk 3:<br />

− containers met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (hoofdstuk 5)<br />

− gasflessen (hoofdstuk 6)<br />

− spuitbussen (hoofdstuk 7)<br />

− <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3 (hoofdstuk 8) en<br />

− organische peroxiden klasse 5.2 voor zover < 1.000 kg in LQ-verpakking (hoofdstuk 9).<br />

11


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

In het volgende figuur is deze systematiek schematisch weergegeven.<br />

PGS 15 <strong>van</strong> toepassing?<br />

(zie Bijlage B)<br />

ja<br />

H3: algemene eisen, waaronder:<br />

bouwkundige eisen, ventilatie,<br />

verwarming<br />

brandpreventieve maatregelen<br />

maatregelen bij incidenten<br />

productop<strong>van</strong>g, kwaliteit <strong>van</strong><br />

vloeren en stellingen<br />

etikettering en verpakking<br />

preventieve handelingen bij<br />

incidenten<br />

<strong>stoffen</strong>scheiding<br />

administratie/documentatie<br />

bijzondere situaties (gasflessen,<br />

spuitbussen, klasse 4, klasse 5.2 of<br />

opslag in containers t.b.v. vervoer)<br />

nee<br />

ja<br />

Tevens H5 t/m H9: specifieke eisen<br />

H5: containers<br />

H6: gasflessen<br />

H7: spuitbussen en gaspatronen<br />

H8: klasse 4.1, 4.2 en 4.3<br />

H9: klasse 5.2 < 1.000 kg<br />

> 10.000 kg of >1.000 kg zeer giftig:<br />

beschermingsniveau 1, 2 of 3<br />

ja<br />

Tevens H4: extra preventieve eisen<br />

voor alle beschermingsniveaus:<br />

bereikbaarheid<br />

vakkenscheiding<br />

maximum oppervlak<br />

productop<strong>van</strong>g<br />

beschermingsniveau 3<br />

(kans op (om<strong>van</strong>grijke)<br />

brand klein; geen extra<br />

maatregelen)<br />

beschermingsniveau 2<br />

(beheersing en blussing<br />

door snelle detectie en goed<br />

voorbereide blusactie)<br />

beschermingsniveau 1<br />

(doelmatige detectie en kort<br />

daarop (semi-)automatisch<br />

blussen)<br />

12


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

3 Toelichting op specifieke aspecten<br />

3.1 Verpakkingen en gevarenklassen<br />

3.1.1 Verpakkingen algemeen<br />

PGS 15 gaat over <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Onder verpakking wordt hier onder andere verstaan:<br />

"Een verpakking die is toegelaten voor het vervoer <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, inclusief grote verpakking 5 en IBC 6 ". <br />

De vervoerswetgeving stelt uitdrukkelijke eisen aan de verpakking <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>:<br />

− De verpakking moet schoon, sterk en gesloten zijn.<br />

− De verpakking moet bestand zijn tegen normale vervoershandelingen.<br />

− De stof mag de verpakking niet aantasten.<br />

− De verpakking moet voorzien zijn <strong>van</strong> een 4-cijferig UN-nummer.<br />

− De verpakking moet een UN-kenmerk hebben, dat onder meer informatie geeft over het verpakkingsmateriaal<br />

en de verpakkingsgroep waarvoor het geschikt is.<br />

− De verpakking moet zijn voorzien <strong>van</strong> gevarenetiketten (zie paragraaf 3.1.3 <strong>van</strong> deze Handleiding).<br />

3.1.2 CMR-<strong>stoffen</strong><br />

CMR-<strong>stoffen</strong> zijn <strong>stoffen</strong> die volgens Europese normen zijn geclassificeerd als carcinogeen, mutageen of<br />

reprotoxisch. Aangezien de ADR-indeling uitgaat <strong>van</strong> acute effecten – en niet <strong>van</strong> gezondheidseffecten<br />

op de langere termijn - zijn deze <strong>stoffen</strong> niet als zodanig in het ADR geclassificeerd. Afhankelijk <strong>van</strong> de<br />

overige gevaarsaspecten kunnen deze <strong>stoffen</strong> in een ADR-klasse zijn ingedeeld of niet ADR-geclassificeerd<br />

zijn. CMR-<strong>stoffen</strong> vallen onder de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15, voor zover meer dan 1 liter of kg aanwezig is.<br />

CMR-<strong>stoffen</strong> zijn te herkennen aan het Wms-etiket voor giftige <strong>stoffen</strong> (zie paragraaf 3.1.3). Daarnaast is<br />

uit het veiligheidsinformatieblad altijd af te leiden of sprake is <strong>van</strong> een CMR-stof (zie bijlage F.3 voor<br />

een voorbeeld <strong>van</strong> een veiligheidsinfomatieblad). In het kader <strong>van</strong> het Globally Harmonised System<br />

(GHS, zie paragraaf 1.5.2 <strong>van</strong> deze Handleiding) zijn wereldwijd uniforme gevaarsetiketten ontwikkeld<br />

(www.unece.org/trans/danger/publi/ghs/pictograms.html). Hiernaast is het etiket voor CMR-<strong>stoffen</strong><br />

"Lange termijn gezondheidsschadelijk" weergegeven. Vooralsnog is dit etiket niet verplicht.<br />

3.1.3 Etikettering <strong>van</strong> verpakkingen conform het ADR<br />

PGS 15 gaat uit <strong>van</strong> de indeling <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in ADR-klassen. De ADR-klasse <strong>van</strong> een<br />

stof is af te lezen uit het etiket of uit het Veiligheidsinformatieblad (hoofdstuk 14 <strong>van</strong> een VIB geeft<br />

informatie met betrekking tot transport, zie ook Bijlage F.2). PGS 15 stelt, dat "de etikettering <strong>van</strong> de in<br />

een opslagvoorziening aanwezige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zodanig moet zijn dat de gevaarsaspecten <strong>van</strong> de<br />

<strong>gevaarlijke</strong> stof duidelijk tot uiting komen".<br />

Gevaarlijke <strong>stoffen</strong> in transportverpakkingen moeten als volgt zijn geëtiketteerd:<br />

− Met een gevarenetiket, dat het gevaar en de klasse weergeeft.<br />

− Met het UN-nummer voorafgegaan door de letters "UN".<br />

Hieronder staan de meest voorkomende ADR-gevarenetiketten afgebeeld.<br />

Klasse Omschrijving Etiket Voorbeelden<br />

2.1 brandbare gassen acetyleen<br />

waterstof<br />

2.2 niet-brandbare, nietgiftige<br />

gassen<br />

argon,<br />

stikstof<br />

helium<br />

2.3 giftige gassen ammoniak<br />

ethyleendioxide<br />

3 brandbare vloei<strong>stoffen</strong> bepaalde oplosmiddelen, aardolieproducten<br />

5 Het begrip 'grote verpakking' is in het ADR gedefinieerd als een verpakking die bestaat uit een buitenverpakking die<br />

voorwerpen of binnenverpakkingen bevat en die:<br />

a) ontworpen is voor behandeling met mechanische hulpmiddelen en<br />

b) een netto massa <strong>van</strong> meer dan 400 kg of een inhoud <strong>van</strong> meer dan 450 liter, maar een inhoud <strong>van</strong> ten hoogste 3,0 m ³ heeft.<br />

6 IBC = Intermediate Bulk Container, een stijve of flexibele verpakking die in hoofdstuk 6.5 <strong>van</strong> het ADR is genoemd.<br />

13


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Klasse Omschrijving Etiket Voorbeelden<br />

4.1 brandbare vaste <strong>stoffen</strong>,<br />

zelfontledende vaste<br />

<strong>stoffen</strong> en vaste ontplofbare<br />

<strong>stoffen</strong> in niet<br />

explosieve toestand<br />

4.2 voor zelfontbranding<br />

vatbare <strong>stoffen</strong><br />

wrijvingslucifers, zwavel, metaalpoeders<br />

fosfor (wit of geel), diethylzink<br />

4.2 <strong>stoffen</strong> die in contact met<br />

water brandbare gassen<br />

ontwikkelen<br />

magnesiumpoeder, natrium,<br />

calciumcarbide (carbid)<br />

5.1 oxiderende <strong>stoffen</strong> kaliumpermanganaat, natriumchloraat<br />

5.2 organische peroxiden<br />

tot 31-12-2010<br />

dicumyl peroxide,<br />

di-propionyl peroxide<br />

5.2 organische peroxiden<br />

6.1 giftige <strong>stoffen</strong> chloroform, arseen, kaliumcyanide,<br />

pesticiden<br />

6.2 Infectueuze <strong>stoffen</strong><br />

(besmettelijke <strong>stoffen</strong>)<br />

bacteriën, virussen, parasieten,<br />

schimmels, ziekenhuisafval<br />

8 bijtende <strong>stoffen</strong> natriumhydroxide, zwavelzuur,<br />

zoutzuur<br />

9 diverse <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

en voorwerpen<br />

polychloorfenolen, lithiumbatterijen,<br />

aquatoxische <strong>stoffen</strong>, genetisch<br />

gemodificeerde organismen<br />

Als twee of meer <strong>gevaarlijke</strong> goederen in één buitenverpakking zijn verpakt moet die buitenverpakking<br />

zijn voorzien <strong>van</strong> de etiketten en UN-nummers <strong>van</strong> beide <strong>stoffen</strong>. Als een stof naast het overwegende<br />

gevaar ook beschikt over bijkomende gevaren (zie paragraaf 3.1.4 <strong>van</strong> deze Handleiding), moeten beide<br />

klassen via etiketten kenbaar zijn gemaakt.<br />

Naast de vervoersetiketten op de buitenverpakking moeten, op grond <strong>van</strong> de Wms, ook de Wms etiketten<br />

aanwezig zijn op de binnenverpakking. Op de buitenverpakking is dat niet verplicht als deze conform de<br />

vervoerswetgeving is geëtiketteerd.<br />

Het kan voorkomen dat het ADR-etiket een ander gevaarsaspect weergeeft dan het Wms-etiket. Dit is<br />

mogelijk door de andere insteek <strong>van</strong> het ADR en de Wms: enerzijds veilig vervoer en anderzijds milieubescherming.<br />

In situaties waar de transportverpakking is verwijderd, en geen ADR-informatie op de<br />

binnenverpakking is vermeld, kan de Wms etikettering wel als indicatie voor de gevarenklasse worden<br />

gehanteerd. In een dergelijk geval geeft het veiligheidsinformatieblad uitsluitsel.<br />

14


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Een selectie <strong>van</strong> Wms-etiketten is hieronder weergegeven.<br />

(zeer) licht<br />

ontvlambaar<br />

oxiderend<br />

(zeer) giftige<br />

<strong>stoffen</strong><br />

bijtend<br />

Schadelijk of<br />

irriterend<br />

milieugevaarlijk<br />

Verpakking zonder UN-nummer<br />

Bij sommige bedrijven zijn <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in verpakking aanwezig, welke niet (hoeven te) voldoen<br />

aan de transportwetgeving, omdat deze nooit zullen worden vervoerd. Denk daarbij aan verffabrieken<br />

of de chemische industrie. Deze verpakkingen zijn meestal niet voorzien <strong>van</strong> een UN-nummer.<br />

De beoordeling <strong>van</strong> de eisen aan een opslagvoorzieningen moet in die gevallen worden uitgevoerd<br />

aan de hand <strong>van</strong> informatie in een vergunningaanvraag of beschikbare veiligheidsinformatiebladen.<br />

Daarnaast geldt, dat algemene eisen voor dergelijke verpakkingen in de milieuvergunning moeten<br />

worden opgenomen, bijvoorbeeld dat de verpakking sterk genoeg moet zijn, geschikt voor de daarin<br />

opgeslagen <strong>stoffen</strong> en dat de verpakkingen regelmatig moeten worden geïnspecteerd op lekkage<br />

(zie ook voorschrift 3.11.1 <strong>van</strong> PGS 15).<br />

3.1.4 Bijkomend gevaar<br />

Bij <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die meerdere gevaarseigenschappen bezitten, is het voor de beoordeling welke<br />

eisen <strong>van</strong> toepassing zijn <strong>van</strong> belang te weten welk aspect als overwegend gevaar wordt beschouwd en<br />

welke aspect het bijkomende gevaar is. Het begrip 'bijkomend gevaar' is rele<strong>van</strong>t voor de volgende<br />

onderwerpen in PGS 15:<br />

− vaststellen of de PGS 15 <strong>van</strong> toepassing is (ondergrenzen);<br />

− vaststellen <strong>van</strong> het beschermingsniveau;<br />

− vaststellen <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit;<br />

− het toepassen <strong>van</strong> de bepalingen over <strong>stoffen</strong>scheiding;<br />

− de indeling <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> in ADR klasse 4.x.<br />

Bij de tekstuele vermelding <strong>van</strong> de ADR-klasse op een verpakking wordt over het algemeen alleen het<br />

overwegende gevaar aangegeven. Het bijkomende gevaar moet echter wel via de etikettering zichtbaar<br />

zijn gemaakt. Daarnaast kan altijd het veiligheidsinformatieblad worden geraadpleegd voor informatie<br />

over een eventueel bijkomend gevaar. Tabel A uit hoofdstuk 3 <strong>van</strong> het ADR (zie Bijlage F.1 <strong>van</strong> deze<br />

Handleiding voor een gedeelte <strong>van</strong> die tabel) geeft informatie over welke gevaarsaspecten bij een<br />

bepaalde stof een rol spelen en welke etiketten op een verpakking moeten zijn aangebracht:<br />

het gevaarsaspect genoemd in de kolom "Klasse" is het overwegende gevaar, een eventuele<br />

vermelding <strong>van</strong> een andere ADR-klasse in de kolom "Etiketten" geeft het bijkomende gevaar.<br />

3.1.5 Verpakkingsgroep<br />

Naast een indeling in een gevarenklasse, is een aantal ADR-klassen (alles behalve 1, 2, 5.2, 6.2 en 7) ook<br />

ingedeeld in een bepaalde verpakkingsgroep (VG of PG, packing group). Deze indeling geeft, onafhankelijk<br />

<strong>van</strong> de klasse, een indicatie <strong>van</strong> de 'gevaarlijkheid' <strong>van</strong> een stof. De verpakkingsgroep is voor een groot<br />

aantal onderwerpen in PGS 15 rele<strong>van</strong>t, waaronder:<br />

− de toepassing <strong>van</strong> de ondergrenzen voor de werkingssfeer;<br />

− het toepassingsgebied <strong>van</strong> hoofdstuk 4 <strong>van</strong> PGS 15: klasse 6.1 VG I en 8.1 VG I (>1.000 kg);<br />

− de bepaling <strong>van</strong> het beschermingsniveau voor opslag <strong>van</strong> klasse 3 <strong>stoffen</strong>;<br />

− de toepassing <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong>scheidingsregels (zie paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze Handleiding);<br />

− het vaststellen <strong>van</strong> de eisen voor opslag <strong>van</strong> klasse 4.x (zie paragraaf 8 <strong>van</strong> deze Handleiding);<br />

− de aanwezigheid <strong>van</strong> een nooddouche en oogspoelvoorziening: dit is altijd verplicht wanneer <strong>stoffen</strong><br />

in verpakkingsgroep I aanwezig zijn.<br />

In de volgende tabel een overzicht <strong>van</strong> de verschillende verpakkingsgroepen:<br />

Verpakkingsgroep Gevaarlijkheid Aanduiding in UN-kenmerk<br />

VG I Stoffen met groot gevaar X<br />

VG II Stoffen met middelmatig gevaar X of Y<br />

VG III Stoffen met een gering gevaar. X of Y of Z<br />

15


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Verpakkingen moeten geschikt zijn voor de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> waarvoor zij worden gebruikt. Als een<br />

<strong>gevaarlijke</strong> stof is ingedeeld in VG II, betekent dit dat de verpakking ten minste moet voldoen aan de eisen<br />

voor deze verpakkingsgroep. Dit kan worden afgelezen uit het UN-kenmerk <strong>van</strong> een verpakking:<br />

− Z betekent: alleen geschikt voor <strong>stoffen</strong> met VG III;<br />

− Y betekent: geschikt voor <strong>stoffen</strong> met VG II en VG III;<br />

− X betekent: geschikt voor alle verpakkingsgroepen.<br />

Met uitzondering <strong>van</strong> code Z (VG III) geeft deze codering in veel gevallen geen uitsluitsel over de verpakkingsgroep<br />

<strong>van</strong> de opgeslagen stof. De verpakkingsgroep <strong>van</strong> een stof, indien <strong>van</strong> toepassing, staat<br />

vermeld in het veiligheidsinformatieblad (zie voorbeeld in Bijlage F.2 <strong>van</strong> deze Handleiding) en ook in de<br />

tabel <strong>van</strong> hoofdstuk 3.2 <strong>van</strong> het ADR (zie Bijlage F.1 <strong>van</strong> deze Handleiding).<br />

3.1.6 Gelimiteerde hoeveelheden<br />

Stoffen die in kleine hoeveelheden zijn verpakt en gezamenlijk in een tweede buitenverpakking aanwezig<br />

zijn vallen onder het regime <strong>van</strong> 'gelimiteerde hoeveelheden' (LQ). De vervoerswetgeving stelt andere<br />

eisen aan <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die onder het LQ-regime vallen. Voor PGS 15 is dit rele<strong>van</strong>t voor de volgende<br />

onderwerpen:<br />

− toepassing ondergrenzen werkingssfeer PGS 15: bij LQ-<strong>stoffen</strong> in transportverpakking gelden de<br />

dubbele hoeveelheden voor de ondergrenzen, zoals opgenomen in Tabel 3 <strong>van</strong> PGS 15 en toegelicht in<br />

paragraaf 2.1.2 <strong>van</strong> deze Handleiding;<br />

− toepassing <strong>stoffen</strong>scheidingsregels (voorschrift 3.12 en bijlage 3 <strong>van</strong> PGS 15 en paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze<br />

Handleiding): LQ-<strong>stoffen</strong> hoeven hier niet aan te voldoen wanneer deze in de transportverpakking zijn<br />

opgeslagen;<br />

− bepaling werkingssfeer ten aanzien <strong>van</strong> kleine hoeveelheden organische peroxiden (klasse 5.2).<br />

Verpakkingen die vallen onder het LQ-regime zijn te herkennen aan het LQ-etiket op de transportverpakking,<br />

dan wel het UN-nummer. Wanneer sprake is <strong>van</strong> een samengestelde verpakking dan moeten alle<br />

UN-nummers, voorafgaand door de letters “UN” of de letters “LQ” worden vermeld.<br />

3.1.7 Aanverwante <strong>stoffen</strong><br />

Op grond <strong>van</strong> voorschrift 3.1.1 <strong>van</strong> PGS 15 moeten <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in 'daarvoor bestemde'<br />

opslagvoorzieningen worden opgeslagen. In het verlengde hier<strong>van</strong> ligt, dat in die opslagvoorziening uitsluitend<br />

die <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> aanwezig mogen zijn. Uitzondering daarop vormen echter de 'aanverwante<br />

<strong>stoffen</strong>', waaronder grond<strong>stoffen</strong> of chemicaliën worden verstaan die niet onder het ADR vallen (dus ook<br />

niet onder de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15). Voorbeelden <strong>van</strong> aanverwante <strong>stoffen</strong> zijn grond- of hulp<strong>stoffen</strong> voor<br />

productieprocessen of reinigingsmiddelen. In de praktijk worden deze <strong>stoffen</strong> vaak wel in de opslagvoorziening<br />

bewaard, omdat dit over het algemeen aansluit bij de bedrijfsvoering of de logistieke processen in de inrichting.<br />

In een dergelijke situatie moet zijn gewaarborgd dat ten minste een vergelijkbaar veiligheidsniveau aanwezig<br />

is. Bij het vaststellen <strong>van</strong> de eisen aan een opslagvoorziening ten aanzien <strong>van</strong> productop<strong>van</strong>g, beschermingsniveau<br />

en bluswaterop<strong>van</strong>g moeten deze aanverwante <strong>stoffen</strong> wel in beschouwing worden genomen.<br />

3.2 Regels voor <strong>stoffen</strong>scheiding<br />

Sommige combinaties <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> kunnen, wanneer deze tegelijk vrijkomen een groter effect<br />

veroorzaken dan bij vrijkomen <strong>van</strong> de afzonderlijke <strong>stoffen</strong> het geval zou zijn. Dergelijke <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> moeten daarom gescheiden <strong>van</strong> elkaar worden opgeslagen. Stoffenscheiding is rele<strong>van</strong>t voor<br />

<strong>stoffen</strong> in ADR klasse 3, 5.1, 6.1, 8 en 9 en voor de CMR-<strong>stoffen</strong>, met uitzondering <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> in LQverpakking.<br />

Voor <strong>stoffen</strong> die zijn behandeld in de hoofdstukken 6, 7, 8 en 9 <strong>van</strong> PGS 15 (gasflessen,<br />

spuitbussen, organische peroxiden en <strong>stoffen</strong> in ADR klasse 4.1, 4.2 en 4.3) gelden afwijkende eisen,<br />

die in de betreffende hoofdstukken zijn toegelicht.<br />

3.2.1 Methoden voor <strong>stoffen</strong>scheiding<br />

Bijlage 3 <strong>van</strong> PGS 15 bevat een overzicht <strong>van</strong> combinaties <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, waarbij is aangegeven of en<br />

zo ja op welke manier scheiding moet plaatsvinden. Er zijn drie verschillende mogelijkheden:<br />

-- scheiding is niet nodig;<br />

V scheiding is altijd noodzakelijk;<br />

B scheiding is noodzakelijk tenzij is beoordeeld dat de <strong>stoffen</strong> niet met elkaar reageren of beiden in<br />

vaste vorm aanwezig zijn. Ook het bijkomend gevaar moet daarbij worden betrokken. Beoordeling kan<br />

plaatsvinden aan de hand <strong>van</strong> de veiligheidsinformatiebladen, tabel A uit het ADR of chemiekaarten.<br />

Gescheiden opslag klasse 6.2<br />

PGS 15 is ook <strong>van</strong> toepassing op opslag <strong>van</strong> infectueuze <strong>stoffen</strong> (klasse 6.2, cat I3 en I4). Het gaat<br />

uitsluitend om ziekenhuisafval en diagnostische monsters. Wanneer deze <strong>stoffen</strong> aanwezig zijn moet<br />

worden nagegaan of in de vergunning aandacht moet worden besteed aan de wijze <strong>van</strong> opslag. Gezien<br />

de bijzondere gevaarsaspecten <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> heeft gescheiden opslag de voorkeur, met duidelijke<br />

veiligheidsmarkeringen en de aanwezigheid <strong>van</strong> hulpmiddelen voor gebruik bij lekkages of incidenten.<br />

16


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Stoffenscheiding kan worden uitgevoerd op een aantal manieren, waarbij afhankelijk <strong>van</strong> de combinatie<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> één of meerdere methodes zijn toegestaan. Hierna zijn de verschillende scheidingsmethoden<br />

en de situaties waarvoor deze kunnen worden toegepast schematisch weergegeven.<br />

optie 1<br />

optie 2<br />

<strong>Opslag</strong> in aparte brandcompartimenten<br />

(BC).<br />

In alle gevallen toegestaan.<br />

Een apart gedeelte in een<br />

brandcompartiment:<br />

− aan drie zijden omgeven door<br />

een constructie met wbdbo <strong>van</strong><br />

ten minste 30 minuten;<br />

− opslag niet binnen 50 cm <strong>van</strong><br />

open zijde;<br />

− opslag niet dichter dan 50 cm<br />

<strong>van</strong> bovenzijde constructie.<br />

A A A B B B<br />

A A A B B B<br />

BC<br />

BC<br />

A A A BC B B B<br />

BC = brandcompartiment<br />

A A A B B B<br />

BC<br />

A A A<br />

BC<br />

A A A<br />

A A A<br />

B<br />

B<br />

AB<br />

AB<br />

A<br />

30 min<br />

wbdbo > 30 min BC<br />

wbdbo B > B30 min BC<br />

BC<br />

BC<br />

BC<br />

BC<br />

BC<br />

BC<br />

optie 3<br />

In alle gevallen toegestaan.<br />

Een opslagvrije zone <strong>van</strong> 5 meter in<br />

een brandcompartiment.<br />

In alle gevallen toegestaan.<br />

wbdbo<br />

B<br />

><br />

B<br />

30 min<br />

BC<br />

wbdbo > 30 min<br />

BC<br />

A A A<br />

A A A<br />

> 5 meter<br />

> opslagvrij 5 meter<br />

A A<br />

opslagvrij<br />

A<br />

A A > A5 meter<br />

B B opslagvrij B<br />

B B B<br />

> 5 meter BC<br />

opslagvrij BC<br />

BC<br />

B B B<br />

optie 4<br />

optie 5<br />

optie 6<br />

Binnen brandcompartiment<br />

scheiding door plaatsing in<br />

verschillende vakken. Een vak<br />

is niet groter dan 300 m ² en vakken<br />

zijn gescheiden door ten minste 3,5<br />

meter opslagvrije ruimte<br />

In alle gevallen toegestaan, met<br />

uitzondering <strong>van</strong> klasse 6.1 VG I,<br />

tenzij deze lager dan 1.80 m zijn<br />

opgeslagen en in UNgoedgekeurde<br />

verpakking.<br />

Binnen vak of brandcompartiment<br />

scheiding door afstand (minimaal 2<br />

meter) dan wel plaatsing <strong>van</strong> een<br />

andere stof C (welke zowel samen<br />

met A als met B mag worden<br />

opgeslagen) in de tussenruimte<br />

<strong>van</strong> minimaal 2 meter.<br />

Toegestaan voor de met 'B'<br />

(beoordeling scheiding) aangegeven<br />

situaties in<br />

Bijlage 3 <strong>van</strong> PGS 15.<br />

Binnen vak of brandcompartiment<br />

scheiding door beide <strong>stoffen</strong> elk in<br />

of boven een afzonderlijke lekbak<br />

te plaatsen.<br />

Toegestaan voor de met 'B'<br />

aangegeven situaties in<br />

Bijlage 3 <strong>van</strong> PGS 15.<br />

B B B BC<br />

A A A<br />

A A A<br />

BC<br />

3,5 > 3,5 meter<br />

A > A3,5 meter A<br />

BA BA BA<br />

> 3,5 meter<br />

B B B<br />

300 2<br />

BC<br />

vakken > < 3,5 300 meter m 2<br />

BC<br />

vakken B B< 300B<br />

m 2 BC<br />

B B B<br />

vakken < 300 m 2 BC<br />

A<br />

vakken A < 300 m 2<br />

A A<br />

BC<br />

C<br />

C<br />

> 2 meter<br />

CA<br />

CA<br />

> 2 meter<br />

B<br />

A<br />

BA<br />

CB<br />

CB<br />

> 2 meter<br />

vak<br />

of of<br />

BC<br />

BC<br />

C C vak > 2of meter BC<br />

B B<br />

B B vak of BC<br />

vak of BC<br />

A A A<br />

A A A<br />

lekbak<br />

lekbak<br />

BA BA BA<br />

B B B<br />

lekbak<br />

A A A lekbak<br />

lekbak<br />

B B B<br />

vak<br />

of of<br />

BC<br />

lekbak BC<br />

B B B vak of BC<br />

lekbak<br />

vak of BC<br />

vak of BC<br />

A<br />

A<br />

A<br />

BA<br />

B<br />

B<br />

B<br />

A<br />

A<br />

> 2 meter<br />

> 2A<br />

meter<br />

BA<br />

> 2B<br />

meter<br />

vak<br />

of of<br />

BC<br />

BC<br />

vak of BC<br />

> 2 meter<br />

B<br />

vak of BC<br />

B<br />

vak of BC<br />

17


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Samengevat komen de scheidingsregels op het volgende neer:<br />

− Klasse 6.1 VG I altijd gescheiden opslaan, volgens optie 1, 2 of 3. Optie 4 is uitsluitend toegestaan<br />

wanneer deze lager dan 1.80 m zijn opgeslagen en in UN-goedgekeurde verpakking.<br />

− Klasse 3 in combinatie met 5.1, 6.1 of 6.2: ten minste vakscheiding, optie 1, 2, 3 of 4.<br />

− Alle overige combinaties: na beoordeling <strong>van</strong> de noodzaak tot scheiding één <strong>van</strong> de bovenstaande opties.<br />

De <strong>stoffen</strong>scheidingsregels <strong>van</strong> PGS 15 gelden ook voor de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in<br />

brandveiligheidsopslagkasten. Compartimentring kan plaatsvinden door te scheiden <strong>stoffen</strong> in of<br />

boven aparte lekbakken te plaatsen.<br />

3.2.2 Stoffenscheiding zuren en basen<br />

Stoffen <strong>van</strong> klasse 8 (bijtend) kunnen zowel zuur als basisch zijn. Dit betekent, dat ook voor opslag <strong>van</strong><br />

uitsluitend klasse 8 moet worden beoordeeld of <strong>stoffen</strong>scheiding noodzakelijk is. De eigenschap kan in<br />

sommige gevallen uit de naam worden afgeleid (zoals mierezuur, natronloog of een hydroxide, wat altijd<br />

basisch is), maar meestal zullen de eigenschappen uit de classificatiecodes (ADR Tabel A of veiligheidsinformatieblad)<br />

moeten worden afgeleid. Een classificatiecode <strong>van</strong> C1 tot C4 betekent zuur, C5 tot C8<br />

betekent basisch. In principe moeten zure en basische <strong>stoffen</strong> gescheiden worden opgeslagen, tenzij uit<br />

de beoordeling blijkt dat de reactiviteit dermate gering is dat bij het mengen <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> zich geen<br />

warmte ontwikkelt. Informatie hiervoor kan worden verkregen bij een leverancier <strong>van</strong> een stof en in<br />

sommige gevallen ook uit het veiligheidsinformatieblad.<br />

3.3 Bouwkundige eisen aan opslagvoorzieningen<br />

3.3.1 Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag<br />

Belangrijk in relatie tot opslagvoorzieningen voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> is het begrip brandcompartiment<br />

(BC) en de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo), uitgedrukt in minuten.<br />

Basisbeginsel in PGS 15 is dat een inpandige opslagvoorziening wordt uitgevoerd als een brandcompartiment<br />

met een wbdbo <strong>van</strong> ten minste 60 minuten. Gedurende deze tijd moet een brand beperkt blijven tot<br />

het betreffende brandcompartiment. Achterliggende gedachte is dat de brandweer 60 minuten de tijd<br />

heeft om de brand te beheersen, zodat deze beperkt blijft tot het compartiment waar deze is ontstaan.<br />

Andersom betekent het dat het ten minste 60 minuten duurt voordat een brand <strong>van</strong> buiten kan doordringen<br />

tot in de opslagvoorziening.<br />

Als in een bestaande situatie een wbdbo of een brandwerendheid <strong>van</strong> 30 minuten is vergund, kan <strong>van</strong>uit<br />

PGS 15 (zie toelichting bij voorschrift 3.2.1) <strong>van</strong> de eis <strong>van</strong> 60 minuten worden afgeweken, mits binnen<br />

een afstand <strong>van</strong> 7,5 m <strong>van</strong> de opslagvoorziening geen brand<strong>gevaarlijke</strong> goederen aanwezig zijn. Deze<br />

uitzonderingsbepaling voor interne afstanden voorkomt dat voor bestaande reeds vergunde opslagvoorzieningen<br />

onevenredig hoge investeringen kunnen worden verlangd.<br />

wbdbo versus brandwerendheid<br />

De weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) is de kortste tijd die een brand nodig<br />

heeft voor de uitbreiding <strong>van</strong> de ene ruimte naar de andere:<br />

− via de buitenlucht (overslag), en<br />

− via scheidingsconstructies of ventilatiekanalen binnen het gebouw (doorslag).<br />

De brandwerendheid is een eigenschap <strong>van</strong> een scheidingsconstructie. Wanneer een wbdbo <strong>van</strong> 60<br />

minuten wordt voorgeschreven tussen twee ruimten, dan betekent dat, dat de vloeren, wanden en<br />

deuren die deze twee ruimten <strong>van</strong> elkaar scheiden constructies dienen te zijn en een brandwerendheid<br />

<strong>van</strong> 60 minuten moeten bezitten.<br />

De wbdbo moet volgens het Bouwbesluit 2003 worden bepaald overeenkomstig NEN 6068. Daarbij wordt<br />

voor uitleg <strong>van</strong> het begrip brandwerendheid <strong>van</strong> bouwdelen verwezen naar NEN 6069, waarin onder meer<br />

aparte eisen voor glazen bouwconstructies zijn opgenomen. Omdat een brand waarbij <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

zijn betrokken zich anders gedraagt dan de 'modelbrand' waarop NEN 6069 is gebaseerd, bevat PGS 15 de<br />

bepaling dat álle constructies aan álle criteria voor de brandwerendheid moeten voldoen. Dit is toegelicht<br />

in paragraaf 3.2 <strong>van</strong> PGS 15 (let op: deze paragraaf is in het Erratum PGS 15 <strong>van</strong> 5 juli 2005 gewijzigd).<br />

Voor uitpandige opslagvoorzieningen hoeft niet altijd een volledige berekening <strong>van</strong> de wbdbo te worden<br />

uitgevoerd, aangezien de PGS 15 het uitgangspunt hanteert dat de afstand tussen twee ruimten een<br />

bijdrage levert aan de wbdbo. Kort gezegd komt het erop neer dat een afstand <strong>van</strong> 10 meter (tussen<br />

opslagvoorziening en erfgrens, een bouwwerk behorend tot de inrichting of andere brandbare objecten)<br />

18


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

overeenkomt met een wbdbo <strong>van</strong> 60 minuten. Een afstand <strong>van</strong> 5 meter komt overeen met een wbdbo <strong>van</strong><br />

30 minuten. Dit geldt uitsluitend voor zover er binnen die afstand geen brand<strong>gevaarlijke</strong> goederen<br />

aanwezig zijn en geen brand<strong>gevaarlijke</strong> activiteiten plaatsvinden. Meer uitleg hierover is te vinden in<br />

paragraaf 3.2 <strong>van</strong> PGS 15.<br />

De wbdbo is samengesteld uit drie deelaspecten: vlamdichtheid, stabiliteit en thermische isolatie. NEN<br />

6069 geeft voor elk <strong>van</strong> deze aspecten de criteria aan, welke overeenkomen met een bepaalde wbdbo.<br />

Met de volgende afbeeldingen zijn deze aspecten verder toegelicht.<br />

vlamdichtheid stabiliteit thermische isolatie<br />

De beoordeling <strong>van</strong> de wbdbo is vaak niet eenvoudig, omdat rele<strong>van</strong>te onderdelen <strong>van</strong> een constructie,<br />

zoals een ventilatiekanaal door een verlaagd plafond, niet altijd zichtbaar zijn. Ondanks dat voor bouwdelen<br />

testverklaringen zijn afgegeven, kan het zijn dat deze onjuist zijn geïnstalleerd en derhalve afbreuk<br />

doen aan de wbdbo. Als vuistregel kan verder worden gehanteerd, dat een opening met een diameter <strong>van</strong><br />

meer dan 25 mm het einde <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> de constructie betekent.<br />

Bij de bouw <strong>van</strong> een opslagvoorziening moet informatie over de brandwerendheid <strong>van</strong> bouwdelen en de<br />

wbdbo bij de bouwaanvraag zijn overlegd. Voor bestaande opslagvoorzieningen is deze informatie echter<br />

niet altijd (meer) beschikbaar. Bij twijfel aan de eigenschappen <strong>van</strong> de gebruikte materialen of constructies<br />

zal een deskundige om advies moeten worden gevraagd. Afhankelijk <strong>van</strong> de situatie zal deze actie door<br />

het bedrijf of het bevoegd gezag moeten worden ondernomen.<br />

<strong>Opslag</strong>voorzieningen welke elders zijn gebouwd en in hun geheel zijn geplaatst, zoals brandveiligheidsopslagkasten,<br />

inloopkluizen of andere brandwerende opslagvoorzieningen zijn eenvoudiger op dit aspect<br />

te beoordelen. Voor dergelijke voorzieningen wordt veelal door de fabrikant een verklaring afgegeven<br />

met betrekking tot de eigenschappen.<br />

3.3.2 Ventilatie <strong>van</strong> opslagvoorzieningen<br />

PGS 15 stelt in voorschrift 3.7.1 dat een opslagvoorziening doelmatig moet zijn geventileerd, hetzij<br />

natuurlijk, hetzij mechanisch. Doel <strong>van</strong> ventilatie is het voorkomen <strong>van</strong> explosieve mengsels, stank en<br />

giftige dampen. Het is overigens niet altijd noodzakelijk om een opslagvoorziening te ventileren. Uit de<br />

risico inventarisatie & evaluatie of een advies <strong>van</strong> de brandweer kan blijken dat ventilatie niet nodig is.<br />

Het kan in dat geval <strong>van</strong>uit het oogpunt <strong>van</strong> energiebesparing of het beperken <strong>van</strong> een verhoogd risico in<br />

geval <strong>van</strong> een calamiteit buiten de opslagvoorziening, voorkeur verdienen <strong>van</strong> ventilatie af te zien.<br />

De ventilatie-eisen voor brandveiligheidsopslagkasten zijn opgenomen in de norm NEN‐EN 14470‐1 en<br />

NEN‐EN 14470‐2. Van belang is, dat wanneer aan een opslagvoorziening eisen ten aanzien <strong>van</strong> de wbdbo<br />

zijn gesteld, de ventilatie zodanig is uitgevoerd dat de wbdbo blijft behouden. Dit stelt eisen aan het<br />

ventilatiekanaal en de doorvoeren. Om te waarborgen dat noodzakelijke openingen en doorvoeren door<br />

constructiedelen <strong>van</strong> een opslagvoorziening geen afbreuk doen aan de brandwerendheid moet gebruik<br />

worden gemaakt <strong>van</strong> speciale manchetten, afsluitroosters en vulmaterialen. Daarnaast moeten ventilatieopeningen<br />

zijn afgedicht met vlamkerende roosters. Ventilatievoorzieningen kunnen ook zijn uitgerust<br />

met een voorziening welke het rooster vult met een brandwerend materiaal op het moment dat een<br />

bepaalde temperatuur wordt overschreden.<br />

3.3.3 Bodembescherming<br />

PGS 15 volgt voor wat betreft bodembeschermende voorzieningen de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming<br />

(NRB). De eisen zijn vastgelegd in paragraaf 3.3 <strong>van</strong> PGS 15. Het totaal aan voorzieningen<br />

en maatregelen moet leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico. Dit betekent dat in een opslagvoorziening<br />

en een overslag- of laad- en losgedeelte één <strong>van</strong> de volgende twee situaties moet zijn gerealiseerd:<br />

− de vloer moet vloeistofdicht zijn uitgevoerd en er moet een geldige PBV verklaring vloeistofdichte<br />

voorziening zijn afgegeven;<br />

− de vloer moet vloeistofkerend zijn uitgevoerd, waarbij toezicht en incidentenmanagement operationeel<br />

is en voldoet aan de eisen <strong>van</strong> de NRB.<br />

19


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

3.4 <strong>Opslag</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 8 VG II en III<br />

Stoffen die zijn ingedeeld in ADR klasse 8, VG II en III zijn bijtend of corrosief en hebben in het geval <strong>van</strong><br />

brand minder vergaande gevolgen voor de omgeving <strong>van</strong> het bedrijf dan wanneer bijvoorbeeld brandbare<br />

of giftige <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen. Als in een opslagvoorziening uitsluitend klasse 8, VG II en III<br />

(zonder bijkomend gevaar) aanwezig zijn, is een aantal bepalingen uit hoofdstuk 3 <strong>van</strong> PGS 15 niet <strong>van</strong><br />

toepassing.<br />

Voorschrift Aard opslagvoorziening Niet <strong>van</strong> toepassing voor<br />

klasse 8, VG II en III:<br />

3.2.1.1<br />

3.2.2.1<br />

inpandig<br />

uitpandig<br />

De eisen ten aanzien <strong>van</strong> de<br />

weerstand tegen branddoorslag<br />

en brandoverslag.<br />

3.2.1.2 inpandig De eis dat maximaal 2.500 kg<br />

in een inpandige opslagvoorzienig<br />

mag zijn opgeslagen.<br />

3.2.1.4 inpandig op verdieping De eis dat bij een opslagvoorziening<br />

voor meer dan 250<br />

kg de opslagvoorziening niet<br />

op verdieping mag zijn<br />

gelegen.<br />

3.2.1.5 inpandig op verdieping Het maximale aantal<br />

opslagvoorzieningen per<br />

oppervlak op een verdieping.<br />

Voor opslag <strong>van</strong> uitsluitend<br />

klasse 8, VG II en III geldt:<br />

Op grond <strong>van</strong> PGS 15 geen<br />

eis aan de wbdbo.<br />

Een maximale hoeveelheid<br />

<strong>van</strong> 10.000 kg.<br />

De opslag <strong>van</strong> meer dan<br />

> 250 kg op een verdieping<br />

is toegestaan.<br />

Onbeperkt aantal opslagvoorzieningen<br />

op verdieping<br />

toegestaan, tot een maximale<br />

opslaghoeveelheid <strong>van</strong> in<br />

totaal 10.000 kg.<br />

3.5 Brandveiligheidsopslagkasten<br />

Wanneer <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een brandveiligheidsopslagkast worden bewaard die na 1 januari<br />

2006 in gebruik is genomen moet deze kast voldoen aan NEN-EN-14470-1. Een kast die voor die datum in<br />

gebruik is genomen moet voldoen aan NEN 2678. De belangrijkste verschillen tussen deze normen zijn:<br />

− De productop<strong>van</strong>gcapaciteit wordt in de nieuwe norm op een andere manier berekend.<br />

− De nieuwe norm maakt onderscheid in veiligheidsklassen, gebaseerd op de brandwerendheid in<br />

minuten: type 15, 30, 60 en 90. Type 15 is ongeschikt voor opslag conform PGS 15.<br />

Bijlage 4 <strong>van</strong> PGS 15 geeft een overzicht <strong>van</strong> de kenmerken <strong>van</strong> de verschillende brandveiligheidsopslagkasten.<br />

Voor een uitleg <strong>van</strong> het verschil tussen wbdbo en brandwerendheid zie paragraaf 3.3.1 <strong>van</strong> deze<br />

Handleiding.<br />

PGS 15 stelt in voorschrift 3.2.1.1, dat opslagvoorzieningen een wbdbo moeten bezitten <strong>van</strong> ten minste<br />

60 minuten. Omdat een brandveiligheidsopslagkast valt onder de definitie <strong>van</strong> opslagvoorziening in<br />

PGS 15, zouden deze altijd <strong>van</strong> het type 60 of 90 moeten zijn. Deze typeaanduiding geeft de brandwerendheid<br />

in minuten aan. Voorschrift 3.10.1 en Bijlage 4 <strong>van</strong> PGS 15 geven aan, dat type 30 ook is<br />

toegestaan. Voor deze kasten gelden echter bepalingen, welke de soepelere eis voor de brandwerendheid<br />

rechtvaardigen:<br />

− maximaal 150 liter <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong>;<br />

− maximaal 1 per 50 m ² ;<br />

− maximaal twee per ruimte of brandcompartiment.<br />

Voordat tot de aanschaf <strong>van</strong> een brandveiligheidsopslagkast wordt overgegaan, is <strong>van</strong> belang vast te<br />

stellen wat de wensen en eisen zijn aan de opslagvoorziening. Welke <strong>stoffen</strong> zullen worden opgeslagen en<br />

in welke hoeveelheid? Als spuitbussen in de kast zullen worden opgeslagen, dan is minimaal een type 60<br />

kast vereist. Als voor de te bewaren <strong>stoffen</strong> <strong>stoffen</strong>scheiding noodzakelijk is, moet de kast met praktische<br />

voorzieningen (lekbakken) zijn uitgerust. Wanneer meerdere kasten nodig zijn, wordt het maximale aantal<br />

per oppervlak bepaald door de vraag of de brandveiligheidsopslagkast op een verdieping wordt geplaatst<br />

en of sprake is <strong>van</strong> een brandcompartiment. Wordt meer dan 150 liter opgeslagen, dan geldt ook dat<br />

minimaal een type 60 kast nodig is. Verder is nog belangrijk dat de kast moet kunnen worden aangesloten<br />

op een ventilatiesysteem dat geschikt is voor een brandveiligheidsopslagkast.<br />

20


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

3.6 Tijdelijke opslag in overslag- of laad- en losgedeelte<br />

3.6.1 <strong>Opslag</strong> ten behoeve <strong>van</strong> derden tot 48 uur<br />

PGS 15 bevat in voorschrift 3.1.6 een aantal bepalingen die <strong>van</strong> toepassing zijn op <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> welke korter dan 48 uur in een inrichting verblijven. Hiermee is aansluiting gezocht bij het voormalige<br />

Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, waar<strong>van</strong> de eisen nu zijn opgenomen in het<br />

Activiteitenbesluit. Kern <strong>van</strong> de bepalingen is, dat opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> welke tijdelijk<br />

in een inrichting aanwezig zijn ten behoeve <strong>van</strong> transport naar derden, mag plaatsvinden in een speciaal<br />

daarvoor gemarkeerd gedeelte, mits aan een aantal specifieke voorwaarden wordt voldaan. In de volgende<br />

figuur zijn de eisen aan een dergelijke opslag schematisch weergegeven.<br />

A A A<br />

> 2 meter<br />

> 2 meter<br />

BC<br />

BC = Brandcompartiment<br />

SORB = Absorptiemiddel<br />

SORB<br />

geadresseerd aan derden<br />

< 10.000 kg<br />

niet: VG I en klasse 1, 6.2<br />

(m.u.v. I3, I4) en 7<br />

Wanneer de locatie voor tijdelijke opslag in de buitenlucht is gesitueerd, moeten <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

daar<strong>van</strong> na afloop <strong>van</strong> de werkdag zijn verwijderd.<br />

3.6.2 Overslag ten behoeve <strong>van</strong> derden langer dan 48 uur<br />

Het Activiteitenbesluit bevat een bepaling ten aanzien <strong>van</strong> de tijdelijke opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> welke langer dan 48 uur in de inrichting aanwezig zijn, maar welke aan derden zijn geadresseerd.<br />

Dit is een aanvulling op voorschrift 3.1.6 <strong>van</strong> PGS 15. Kern <strong>van</strong> het voorschrift is dat deze <strong>stoffen</strong> worden<br />

neergezet in een gedeelte dat aan drie zijden is omgeven door wanden <strong>van</strong> ten minste 3 meter hoog met<br />

een wbdbo <strong>van</strong> ten minste 60 minuten. Daarnaast geldt onder meer, dat:<br />

− opslag niet plaatsvindt binnen 50 centimeter <strong>van</strong> de open zijde;<br />

− opslag niet plaatsvindt binnen 50 centimeter <strong>van</strong> de bovenrand <strong>van</strong> de constructie;<br />

− <strong>stoffen</strong> die heftig met elkaar kunnen reageren gescheiden <strong>van</strong> elkaar moeten worden opgeslagen;<br />

− maximaal 2.000 kg brandbare vloei<strong>stoffen</strong> in dit deel aanwezig mogen zijn.<br />

3.7 Aftap- en overtapwerkzaamheden<br />

PGS 15 bepaalt in voorschrift 3.1.4 dat in een opslagvoorziening geen aftap- of overtapwerkzaamheden<br />

mogen worden uitgevoerd, tenzij sprake is <strong>van</strong> monstername of ter bestrijding <strong>van</strong> een lekkage of<br />

calamiteit. PGS 15 geeft aan, dat wanneer in een ruimte zowel opslag als aftappen en/of overtappen<br />

plaatsvindt, geen sprake meer is <strong>van</strong> een opslagvoorziening. In de praktijk komt dit voor wanneer gronden<br />

hulp<strong>stoffen</strong> in grotere verpakkingseenheden zoals IBC-containers of drums worden ingekocht, en waar<br />

de benodigde werkvoorraad uit wordt afgetapt. Dit kan leiden tot verhoogde risico's ten opzichte <strong>van</strong> de<br />

situatie waar PGS 15 zich op richt. Dit vraagt een afzonderlijke maatwerk beoordeling <strong>van</strong> de maatregelen<br />

en voorzieningen die nodig zijn om een veilige situatie te waarborgen. De voorschriften kunnen voor een<br />

deel wel worden ontleend aan PGS 15, maar in veel gevallen zullen aanvullende voorschriften nodig zijn,<br />

bijvoorbeeld op het gebied <strong>van</strong> verhoogd brandgevaar en het omgaan met lekkages en morsingen. Het<br />

Activiteitenbesluit geeft eveneens de mogelijkheid om voor dergelijke situaties maatwerkvoorschriften<br />

op te stellen.<br />

3.8 Werkvoorraad<br />

Verpakte <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> welke als werkvoorraad worden beschouwd hoeven niet te worden bewaard<br />

in opslagvoorzieningen conform PGS 15. Werkvoorraad is echter een rekbaar begrip; de in een bepaalde<br />

situatie benodigde werkvoorraad is afhankelijk <strong>van</strong> de bedrijfsvoering <strong>van</strong> een individueel bedrijf. PGS 15<br />

geeft in voorschrift 3.1.3 enkele aanwijzingen om te beoordelen of een bepaalde opslag als werkvoorraad<br />

kan worden beschouwd. Principe <strong>van</strong> deze bepalingen is, dat een werkvoorraad strikt noodzakelijk moet<br />

zijn en dat de hoeveelheid is afgestemd op de hoeveelheid die in één dag of één productiebatch nodig is.<br />

21


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Voor het vaststellen of een bepaalde opslag als werkvoorraad kan worden beschouwd kunnen de<br />

volgende vuistregels worden gehanteerd:<br />

− een laskar met gasflessen (maximaal 2 per kar) kan als werkvoorraad worden beschouwd;<br />

− een reeks aangebroken verpakkingseenheden met verschillende soorten <strong>stoffen</strong> welke geregeld<br />

worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld verfblikken in een schilderswerkplaats, kan als werkvoorraad<br />

worden beschouwd;<br />

− een oliebar in een garagebedrijf kan als werkvoorraad worden beschouwd;<br />

− één eenheid verpakking die frequent wordt gebruikt maar met een inhoud groter dan de hoeveelheid<br />

welke voor één dag of batch nodig is kan als werkvoorraad worden beschouwd, indien deze situatie<br />

naar oordeel <strong>van</strong> het bevoegd gezag veiliger is dan het regelmatig transporteren <strong>van</strong> kleinere<br />

verpakkingen.<br />

Ondanks dat een werkvoorraad niet in een speciale voorziening hoeft te worden opgeslagen, moet de<br />

opslag <strong>van</strong> de werkvoorraad wel zorgvuldig plaatsvinden. Daarbij geldt onder meer, dat deze zich niet<br />

mag bevinden in een rijroute <strong>van</strong> vorkheftrucks of andere transportmiddelen en in een vluchtroute.<br />

verder moet de verpakking bestand zijn tegen de opgeslagen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Indien de werkvoorraad<br />

bestaat uit een hoeveelheid <strong>van</strong> meer dan 50 liter dan moet de verpakking zijn geplaatst boven een<br />

vloeistofdichte lekbak of een gelijkwaardige voorziening. Hier<strong>van</strong> kan worden afgeweken als (het betreffende<br />

deel <strong>van</strong>) de vloer <strong>van</strong> de betreffende productie/werkruimte ten minste vloeistofkerend is. Dit geldt<br />

niet voor brandbare vloei<strong>stoffen</strong>, daarvoor blijft een lekbak of gelijkwaardige voorziening wenselijk in het<br />

licht <strong>van</strong> beperken <strong>van</strong> het verdampingsoppervlak in geval <strong>van</strong> een lekkage. Afhankelijk <strong>van</strong> de risico's <strong>van</strong><br />

de <strong>stoffen</strong> kunnen aanvullende maatregelen nodig zijn, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot ventilatie<br />

en orde en netheid.<br />

In het vooroverleg over een vergunningaanvraag dan wel in kader <strong>van</strong> het toezicht op de naleving <strong>van</strong> het<br />

Activiteitenbesluit moet eenduidig worden vastgesteld welke <strong>stoffen</strong> in welke hoeveelheden op welke<br />

plaats in het bedrijf worden beschouwd als werkvoorraad. Ook <strong>van</strong>uit de Arbeidsomstandighedenregelgeving<br />

zijn noodzaak, hoeveelheden, maatregelen en plaatsing <strong>van</strong> de werkvoorraad <strong>van</strong> belang.<br />

3.9 Vakbekwaamheid<br />

PGS 15 schrijft in voorschrift 3.17.1 voor, dat wanneer meer dan 2.500 kg <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

worden opgeslagen, tijdens het uitvoeren <strong>van</strong> werkzaamheden met die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> een vakbekwaam<br />

persoon aanwezig moet zijn. Deze persoon moet speciale kennis hebben <strong>van</strong> het omgaan met<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en het bestrijden <strong>van</strong> calamiteiten met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. De vakbekwaamheid moet<br />

blijken uit gevolgde opleidingen of aanwezige certificaten. De risico inventarisatie & evaluatie moet hier<br />

aandacht aan besteden. Met werkzaamheden wordt in dit verband bedoeld werkzaamheden die worden<br />

uitgevoerd ten behoeve <strong>van</strong> de opslag, zoals bijvoorbeeld het in- en uit een opslagvoorziening plaatsen<br />

<strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

3.10 Explosieveiligheid<br />

Voor opslagvoorzieningen gelden de wettelijke eisen ten aanzien <strong>van</strong> explosieveiligheid. Een gevarenzone-indeling<br />

kan hier<strong>van</strong> onderdeel uitmaken. De eisen zijn opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit,<br />

artikel 3.5a t/m 3.5f. Vanwege onduidelijkheden in de noodzaak voor het opstellen <strong>van</strong> een<br />

gevarenzone-indeling voor opslagvoorzieningen, heeft de Arbeidsinspectie in het document "Explosieveiligheid<br />

in PGS 15-opslagen voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>" haar standpunt verwoord ten aanzien <strong>van</strong><br />

het feit of iedere verpakking <strong>van</strong> (zeer)(licht) ontvlambare <strong>stoffen</strong> gezien moet worden als mogelijke bron<br />

<strong>van</strong> explosieve atmosferen (in de terminologie <strong>van</strong> de normen voor gevarenzone-indeling als een secundaire<br />

gevarenbron). Het volledige standpunt <strong>van</strong> de Arbeidsinspectie is ter informatie als bijlage F.4 bij<br />

deze Handleiding opgenomen.<br />

Samengevat komt het standpunt er op neer dat bij het indelen <strong>van</strong> een PGS 15 opslagvoorzieningen in<br />

gevarenzones verpakkingen zonder ontluchtingsventiel die voldoen aan het UN-keur of vallen onder het<br />

LQ-regime niet gezien worden als secundaire gevarenbron. Dit is een verduidelijking <strong>van</strong> de NPR 7910-1<br />

(2001). In het geval <strong>van</strong> een PGS 15 opslag met alleen verpakkingen die voldoen aan de UN-keur, kan dit<br />

leiden tot een indeling in “niet gevaarlijk gebied”. Het belangrijkste gevolg hier<strong>van</strong> is dat tijdens normaal<br />

bedrijf geen explosieveilig materieel gebruikt hoeft te worden (zoals heftrucks).<br />

Deze aanpak is in lijn met de ATEX-regelgeving rond explosieveiligheid uit het Arbobesluit. Het blijft voor<br />

bedrijven echter altijd noodzakelijk om in het kader <strong>van</strong> explosieveiligheid rekening te houden met<br />

calamiteiten, zoals het lek steken <strong>van</strong> een vat met de lepels <strong>van</strong> een heftruck of het vallen <strong>van</strong> een vat uit<br />

een stelling.<br />

22


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

3.11 Documenten en administratie<br />

Op grond <strong>van</strong> PGS 15 gelden voor verschillende opslagvoorzieningen administratieve verplichtingen.<br />

In het algemeen geldt dat documenten beschikbaar moeten zijn voor inzage door het bevoegd gezag<br />

en gedurende een aantal jaren moeten worden bewaard. Hierna een overzicht:<br />

Toepassingsgebied Omschrijving document Doel document Voorschrift<br />

brandveiligheidsopslagkast productcertificaat bewijs dat de kast voldoet<br />

aan NEN-EN 14470-1<br />

brandveiligheidsopslagkast testrapport bewijs dat kast getest is<br />

voor de aangegeven<br />

brandwerendheidsprestatie<br />

opslagvoorzieningen met<br />

een gebruiksoppervlakte<br />

<strong>van</strong> meer dan 1.000 m²<br />

vloeistofdichte vloeren<br />

vloeistofkerende vloer<br />

> 2.500 kg <strong>verpakte</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in opslag<br />

opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>:<br />

− > 10.000 kg<br />

− > 1.000 kg 6.1, VG I<br />

− > 250 liter gasflessen<br />

giftig/bijtend<br />

stellingen<br />

onderzoeksrapport<br />

volgens de "Methode<br />

Beheersbaarheid <strong>van</strong><br />

Brand"<br />

PBV-verklaring<br />

vloeistofdichte<br />

voorziening<br />

procedure incidentenmanagement<br />

journaal<br />

intern noodplan<br />

verklaring <strong>van</strong> toegestaan<br />

gebruik<br />

aantonen dat gelijkwaardig<br />

veiligheidsniveau is bereikt<br />

bewijs dat bodembeschermende<br />

voorziening<br />

vloeistofdicht is<br />

bevat organisatorische<br />

maatregelen ter voorkoming<br />

en bestrijding <strong>van</strong> bodemverontreiniging<br />

inzicht in aard en hoeveelheid<br />

aanwezige <strong>verpakte</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> op enig<br />

moment<br />

bevat organisatorische en<br />

technische maatregelen ter<br />

bestrijding <strong>van</strong> een ongeval<br />

of incident<br />

bewijs dat stellingen<br />

geschikt zijn voor het doel<br />

waarvoor ze worden<br />

gebruikt<br />

stellingen registratie jaarlijkse inspectie bewijs dat stellingen jaarlijks<br />

worden gecontroleerd<br />

opslag containers handboek gebundeld overzicht <strong>van</strong><br />

vergunningen, werkinstructies,<br />

procedures<br />

opslag containers<br />

rapportage meting<br />

brandkranen<br />

bewijs voor vereiste<br />

waterdruk en wateropbrengst<br />

brandbeveiligingsinstallatie Programma <strong>van</strong> Eisen vaststellen uitgangspunten<br />

brandbeveiligingsinstallatie<br />

brandbeveiligingsinstallatie<br />

brandbeveiligingsinstallatie<br />

Basisdocument Brandbeveiliging<br />

certificaat/goedkeurend<br />

inspectierapport voor<br />

ingebruikneming<br />

vaststellen uitgangspunten<br />

brandbeveiligingsinstallatie<br />

bewijs dat brandbeveiligingsinstallatie<br />

in orde is<br />

brandbeveiligingsinstallatie rapport jaarlijkse inspectie bewijs dat brandbeveiligingsinstallatie<br />

in orde is<br />

3.10.2<br />

3.10.2<br />

4.4.2<br />

§ 3.2<br />

3.3.1<br />

3.3.3<br />

3.18.1<br />

3.19.1<br />

3.4.1<br />

3.4.4<br />

5.2.3<br />

5.3.4<br />

4.8.2.1<br />

4.8.2.1<br />

4.8.2.2<br />

4.8.2.3<br />

23


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

4 <strong>Opslag</strong> groter dan 10.000 kg of bij zeer giftige <strong>stoffen</strong> groter<br />

dan 1.000 kg<br />

4.1 Inleiding<br />

Hoofdstuk 4 <strong>van</strong> PGS 15 geeft aanvullende eisen voor opslagvoorzieningen waarin meer dan 10.000 kg<br />

<strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong> wordt opgeslagen, dan wel meer dan 1.000 kg zeer giftige<br />

<strong>stoffen</strong> in verpakking (ADR klasse 6.1, VG I of klasse 8, VG I met bijkomend gevaar 6.1). Voor meerdere<br />

opslagvoorzieningen binnen een inrichting met elk minder dan de hiervoor genoemde ondergrenzen<br />

gelden de eisen uit hoofdstuk 3 <strong>van</strong> PGS 15 voor elke opslagvoorziening. Hoofdstuk 4 voegt voor de<br />

opslagvoorzieningen ten opzichte <strong>van</strong> de algemene eisen <strong>van</strong> hoofdstuk 3 de volgende aspecten toe:<br />

− bereikbaarheid;<br />

− gebruik <strong>van</strong> opslagvakken;<br />

− vereiste beschermingsniveaus;<br />

− bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen;<br />

− brandbeveiligingsinstallaties.<br />

In de volgende paragrafen worden de belangrijkste aspecten toegelicht.<br />

Op deze opslagvoorzieningen is hoofdstuk 4 <strong>van</strong> het Activiteitenbesluit niet <strong>van</strong> toepassing, zodat in<br />

alle gevallen een milieuvergunning nodig is met voorschriften die een nadere uitwerking zijn <strong>van</strong> de<br />

voorschriften uit PGS 15. Bij die uitwerking moet aandacht worden besteed aan de aard en hoeveelheid<br />

<strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>, het op basis daar<strong>van</strong> vastgestelde noodzakelijke beschermingsniveau, de<br />

bijbehorende minimale productop<strong>van</strong>g- en bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit en de eisen aan een eventuele<br />

brandbeveiligingsinstallatie. Paragraaf 4.5 <strong>van</strong> deze Handleiding gaat in op de systematiek voor het<br />

bepalen <strong>van</strong> de voorzieningen.<br />

PGS 14: Handboek brandbestrijdingssystemen ("supplement PGS 15")<br />

PGS 14 "Handboek brandbestrijdingssystemen" is een supplement op PGS 15 en heeft als doel de<br />

kenmerken <strong>van</strong> de verschillende brandbestrijdingssystemen zoals opgenomen in Bijlage 5 <strong>van</strong><br />

PGS 15 toegankelijker en beter hanteerbaar te maken. Het Handboek geeft achtergrondinformatie<br />

over aspecten <strong>van</strong> branddetectie en brandbestrijding, bijvoorbeeld in relatie tot vereiste beschermingsniveaus.<br />

Daarnaast bevat het voorbeelden <strong>van</strong> de toepassing <strong>van</strong> PGS 15, onder meer voor de<br />

berekening <strong>van</strong> bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit. PGS 14 moet naast PGS 15 worden gebruikt.<br />

Het Handboek brandbestrijdingssystemen is echter nog geënt op de CPR 15-reeks, reden waarom<br />

op termijn een geactualiseerde versie zal worden gepubliceerd.<br />

4.2 <strong>Opslag</strong> in vakken<br />

In opslagvoorzieningen voor > 10.000 kg moeten <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong> worden<br />

opgeslagen in vakken. Vakken worden <strong>van</strong> elkaar gescheiden door een afstand <strong>van</strong> 3,5 meter dan wel<br />

door een fysieke scheidingsconstructie. Een vak is nooit groter dan 300 m 2 , waarbij voor bepaalde situaties<br />

(beschermingsniveau 2) kleinere oppervlakten gelden. Verder geldt bij opslag <strong>van</strong> klasse 3 of vloei<strong>stoffen</strong><br />

met een vlampunt tussen de 60°C en 100°C in een niet-metalen verpakking, dat voorkomen moet worden<br />

dat lekvloeistof en bluswater naar een ander vak kunnen stromen. Indien vakscheiding is gerealiseerd<br />

door het aanbrengen <strong>van</strong> een scheidingsconstructie, gelden hiervoor de volgende eisen:<br />

− vak is aan drie zijden omgeven door een constructie met wbdbo <strong>van</strong> ten minste 30 minuten;<br />

− opslag vindt niet plaats niet binnen 50 cm <strong>van</strong> de open zijde;<br />

− opslag niet dichter dan 50 cm <strong>van</strong> bovenzijde constructie.<br />

Deze eisen aan opslagvakken zijn grafisch weergegeven in paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze Handleiding, waarin de<br />

<strong>stoffen</strong>scheidings-regels worden toegelicht.<br />

<strong>Opslag</strong> in vakken is naast een algemene eis voor opslagvoorzieningen waarop hoofdstuk 4 <strong>van</strong> toepassing<br />

is ook rele<strong>van</strong>t voor de volgende situaties:<br />

− scheiding <strong>van</strong> onverenigbare combinaties (Bijlage 3 <strong>van</strong> PGS 15, paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze Handleiding)<br />

− scheiding <strong>van</strong> klasse 4.x <strong>van</strong> andere ontvlambare <strong>stoffen</strong>;<br />

− opslag <strong>van</strong> klasse 5.2 in opslagvoorzieningen voor meer <strong>van</strong> > 10.000 kg;<br />

− opstelling vorkheftruck die niet explosieveilig is (toelichting voorschrift 3.13.4 <strong>van</strong> PGS 15)<br />

− vaststellen beschermingniveau bij opslag niet ADR-geclassificeerde <strong>stoffen</strong> in dezelfde opslagvoorziening<br />

(voorschrift 4.5.1 <strong>van</strong> PGS 15);<br />

− wijze <strong>van</strong> vakscheiding bepaalt veiligheidsfactor bij berekening bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

(voorschrift 4.6.1 en 4.6.2 <strong>van</strong> PGS 15);<br />

− vakgrootte bepaalt maximale oppervlak opslagvoorziening bij beschermingsniveau 2<br />

(voorschrift 4.8.1.2 <strong>van</strong> PGS 15).<br />

24


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

4.3 Beschermingsniveaus<br />

Voor het realiseren <strong>van</strong> een veilige opslag bij hoeveelheden > 10.000 kg (of meer dan 1.000 kg zeer giftige<br />

<strong>stoffen</strong>) zijn drie beschermingsniveaus gedefinieerd.<br />

− Beschermingsniveau 3 heeft als uitgangspunt dat de kans op brand gering is; de eisen zijn preventief.<br />

− Beschermingsniveau 2 gaat uit <strong>van</strong> een snelle detectie <strong>van</strong> een brand en vervolgens een snelle<br />

beheersing en blussing door een goed voorbereide blusactie <strong>van</strong> ofwel de bedrijfsbrandweer ofwel<br />

de overheidsbrandweer.<br />

− Bij beschermingsniveau 1 staat een snelle detectie en kort daarop het inzetten <strong>van</strong> een (semi‐)<br />

automatische blusactie centraal.<br />

De preventieve eisen voor beschermingniveau 3 zijn ook <strong>van</strong> toepassing op beschermingsniveau 1 en 2.<br />

Hierna zijn de belangrijkste kenmerken <strong>van</strong> de drie beschermingsniveaus weergegeven:<br />

beschermingsniveau 3<br />

(preventieve eisen)<br />

preventieve eisen:<br />

bereikbaarheid<br />

vakkenscheiding<br />

maximum oppervlak<br />

productop<strong>van</strong>g<br />

beschermingsniveau 1<br />

(doelmatige detectie en kort daarop<br />

(semi-) automatisch blussen)<br />

beschermingsniveau 2<br />

(beheersing en blussing door goed<br />

voorbereide blusactie)<br />

bluswaterop<strong>van</strong>g afhankelijk <strong>van</strong><br />

aard brandbeveiligingsinstallatie;<br />

vakkenscheiding;<br />

aard <strong>stoffen</strong>.<br />

bluswaterop<strong>van</strong>g afhankelijk <strong>van</strong><br />

inzettijd brandweer;<br />

vakkenscheiding;<br />

aard <strong>stoffen</strong>.<br />

brandbeveiligingsinstallatie:<br />

bedrijfsgereed;<br />

geschikt voor opgeslagen <strong>stoffen</strong>;<br />

overeenkomstig Bijlage 5;<br />

PvE/BdB goedgekeurd door bevoegd gezag;<br />

gecertificeerd en jaarlijks geïnspecteerd.<br />

brandbeveiligingsinstallatie (voorschrift 4.8.1.2):<br />

bedrijfsgereed;<br />

snelle detectie;<br />

bedrijfsbrandweer dan wel inzettijd < 15 min;<br />

rookwarmteafvoer voorziening;<br />

voorraad schuimvormend middel;<br />

maximale oppervlakte.<br />

Voor het vaststellen <strong>van</strong> het noodzakelijke beschermingsniveau zijn Tabel 4 en 5 uit hoofdstuk 4 <strong>van</strong><br />

PGS 15 <strong>van</strong> belang. Tabel 5 bevat de grenswaarden, waaronder niet met een bepaalde stof rekening hoeft<br />

te worden gehouden. Uit Tabel 4 kan aan de hand <strong>van</strong> de gevarenklasse, de brandbaarheid/vlampunt en<br />

het verpakkingsmateriaal het beschermingsniveau worden afgeleid.<br />

25


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Om na te gaan wat het noodzakelijke beschermingsniveau is voor een opslagvoorziening kunnen de<br />

volgende stappen worden doorlopen.<br />

Stap 1:<br />

Stap 2:<br />

Stap 3:<br />

Maak een overzicht <strong>van</strong> aanwezige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> per klasse en verpakking (metaal of nietmetaal).<br />

Brandbare vloei<strong>stoffen</strong> moeten nog verder worden onderverdeeld naar vlampunt (vlampunt<br />

≤ 60°C, > 60°C en ≤ 100 °C, > 100 °C) 7 . Houdt hierbij ook rekening met bijkomende gevaren.<br />

Ga na of de hoeveelheid <strong>van</strong> een bepaalde klasse de in Tabel 5 <strong>van</strong> PGS 15 genoemde<br />

grenswaarde overschrijdt. Deze grenswaarden lopen op <strong>van</strong> 400 kg (klasse 3), via 1.000 kg<br />

(brandbare vloei<strong>stoffen</strong> met vlampunt tussen 60°C en 100°C) tot 2.500 kg (alle overige klassen).<br />

Daarbij moeten ook de volgende totale hoeveelheden worden getoetst aan de grenswaarde<br />

<strong>van</strong> 2.500 kg:<br />

− totale hoeveelheid brandbare <strong>stoffen</strong> (vast + vloeibaar);<br />

− totale hoeveelheid klasse 6.1, 8, 9 en CMR-<strong>stoffen</strong>;<br />

− totale hoeveelheid <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in niet-metalen verpakking.<br />

Laat <strong>stoffen</strong> onder de grenswaarden buiten beschouwing voor het bepalen <strong>van</strong> het<br />

beschermingsniveau.<br />

Bepaal met behulp <strong>van</strong> de resultaten <strong>van</strong> stap 1 en 2 aan de hand <strong>van</strong> het volgende schema het<br />

noodzakelijke beschermingsniveau.<br />

Bij opslag overeenkomstig hoofdstuk 4 altijd minimaal beschermingsniveau 3<br />

Indien opslag overeenkomstig hoofdstuk 4 moet plaatsvinden, geldt in alle gevallen dat ten minste<br />

beschermingsniveau 3 moet zijn gerealiseerd, ook wanneer de totale hoeveelheid <strong>stoffen</strong> kleiner is dan<br />

de grenswaarde voor het vaststellen <strong>van</strong> het beschermingsniveau. Dit kan het geval zijn bij opslag <strong>van</strong><br />

klasse 6.1 VG I, die aan hoofdstuk 4 moet voldoen wanneer meer dan 1.000 kg aanwezig is. De<br />

grenswaarde voor het vaststellen <strong>van</strong> het beschermingsniveau is voor deze klasse echter 2.500 kg.<br />

VP < 60 °C ?<br />

nee<br />

ja<br />

klasse 6.1 of<br />

CMR-<strong>stoffen</strong>?<br />

nee<br />

ja<br />

1<br />

klasse 3 VG II of III<br />

of klasse 8 en < 100 ton<br />

ja<br />

2<br />

maatwerk*<br />

nee<br />

1<br />

VP > 60 °C en<br />

< 100 °C ?<br />

ja<br />

klasse 6.1/6.2/9 of<br />

CMR-<strong>stoffen</strong>?<br />

ja<br />

niet-metalen<br />

verpakking?<br />

ja<br />

nee<br />

nee<br />

nee<br />

2<br />

VP > 100 °C ?<br />

ja<br />

niet-metalen<br />

verpakking?<br />

ja<br />

nee<br />

nee<br />

3<br />

brandbare vaste<br />

stof?<br />

ja<br />

klasse 6.1 of<br />

CMR-<strong>stoffen</strong>?<br />

ja<br />

ja<br />

niet-metalen<br />

verpakking? 2<br />

nee<br />

nee<br />

nee<br />

3<br />

* Klasse 2 als maatwerkoplossing is alleen mogelijk na beoordeling door bevoegd gezag en brandweer.<br />

7 In PGS 15 staat nog de 'oude' ADR-grens <strong>van</strong> 61°C.<br />

26


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

4.4 Product- en bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen<br />

4.4.1 Inleiding<br />

De noodzakelijke product- en bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen zijn afhankelijk <strong>van</strong> het te realiseren<br />

beschermingsniveau, de aard <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>, de vakindeling en de eventueel aanwezige<br />

brandbeveiligingsinstallatie. Voor het vaststellen <strong>van</strong> de totale op<strong>van</strong>gcapaciteit moeten de noodzakelijke<br />

op<strong>van</strong>gcapaciteiten voor product en bluswater bij elkaar worden opgeteld.<br />

4.4.2 Productop<strong>van</strong>g<br />

Tabel 6 <strong>van</strong> paragraaf 4.7 <strong>van</strong> PGS 15 geeft aan hoe de productop<strong>van</strong>gcapaciteit moet worden berekend.<br />

Deze is afhankelijk <strong>van</strong> het beschermingsniveau en het vlampunt <strong>van</strong> de aanwezige <strong>stoffen</strong>. Achterliggende<br />

gedachte hierbij is, dat:<br />

− de op<strong>van</strong>gcapaciteit groter moet zijn naarmate verwacht wordt dat een brand langere tijd voortduurt<br />

(beschermingsniveau 2 ten opzichte <strong>van</strong> beschermingsniveau 3);<br />

− de op<strong>van</strong>gcapaciteit groter moet zijn wanneer <strong>stoffen</strong> met een lager vlampunt worden opgeslagen;<br />

− de op<strong>van</strong>gcapaciteit kleiner kan zijn wanneer uitsluitend metalen verpakkingen worden opgeslagen.<br />

Voor een opslagvoorziening met beschermingsniveau 3 is uitsluitend productop<strong>van</strong>g noodzakelijk. De<br />

capaciteit <strong>van</strong> de productop<strong>van</strong>gvoorziening bedraagt in dat geval ten minste 10% <strong>van</strong> de in het grootste<br />

vak aanwezige vloei<strong>stoffen</strong>.<br />

4.4.3 Bluswaterop<strong>van</strong>g<br />

De eisen aan de noodzakelijke bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen zijn beschreven in paragraaf 4.6 <strong>van</strong><br />

PGS 15 en in Bijlage 5 <strong>van</strong> PGS 15, waarin de kenmerken en parameters <strong>van</strong> diverse brandbeveiligingsinstallaties<br />

zijn opgenomen. De noodzakelijke capaciteit is afhankelijk <strong>van</strong>:<br />

− het beschermingsniveau;<br />

− de aard <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>;<br />

− de vakindeling;<br />

− de aanrijdtijd <strong>van</strong> de brandweer;<br />

− de logistieke uitvoering indien bij meerdere opslagvoorzieningen gebruik wordt gemaakt <strong>van</strong> een<br />

gecombineerde bluswaterop<strong>van</strong>g.<br />

Bij de bepaling <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>g wordt uitgegaan <strong>van</strong> een nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit, welke<br />

wordt gecorrigeerd om te komen tot de werkelijke op<strong>van</strong>gcapaciteit. De berekening is als volgt:<br />

1. Berekening nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

Het principe achter de berekening is het vermenigvuldigen <strong>van</strong> de blustijd met de sproeidichtheid en het<br />

te blussen oppervlak. Afhankelijk <strong>van</strong> de vakindeling geldt vervolgens nog een veiligheidsfactor met oog<br />

op brandoverslag. Wordt een vak aan alle zijden omgeven door wanden en deuren dan is deze factor 1.<br />

Is dit drie zijden, dan geldt een factor <strong>van</strong> 2 en wanneer een vak aan twee of meer zijden is gelegen aan<br />

een gangpad dat is de factor 3. Dit is beschreven in de inleiding <strong>van</strong> Bijlage 5 <strong>van</strong> PGS 15.<br />

Voor beschermingsniveau 1 zijn de blustijd en sproeidichtheid afhankelijk <strong>van</strong> het toegepaste brandbestrijdingssysteem.<br />

Bijlage 5 <strong>van</strong> PGS 15 geeft de parameters waarmee de nominale capaciteit kan worden berekend.<br />

Voor beschermingsniveau 2 hangt de nominale bluscapaciteit af <strong>van</strong> de inzettijd <strong>van</strong> de overheidsbrandweer<br />

of bedrijfsbrandweer. Is deze minder dan 6 minuten, dan bedraagt deze 0,3 m³ per m² vak. Bij een<br />

inzettijd <strong>van</strong> minder dan 15 minuten moet met 0,5 m³ bluswater per m² vak rekening worden gehouden.<br />

Hierbij geldt dat wanneer het mogelijk is dat bluswater en brandend product uit het vak kan stromen (bij<br />

opslag <strong>van</strong> klasse 3 of vloei<strong>stoffen</strong> met een vlampunt tussen de 60°C en 100°C in niet-metalen verpakking)<br />

de nominale bluswatercapaciteit moet worden gedimensioneerd op de totale opslagvoorziening.<br />

2. Van nominale tot werkelijke op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

De werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit wordt vervolgens berekend uit de nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit,<br />

vermenigvuldigd met een percentage (zie volgende tabel) dat afhankelijk is <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong><br />

(zie PGS 15 voorschrift 4.6.1 en 4.6.1).<br />

Klasse Beschermingsniveau 1 Beschermingsniveau 2<br />

3 25% 100%<br />

6.1 (incl. bijkomend gevaar) 100% 100%<br />

8 50% 50%<br />

9 100% 100%<br />

CMR-<strong>stoffen</strong> 100% 100%<br />

27


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

VOORBEELD Berekening op<strong>van</strong>gcapaciteit beschermingsniveau 2<br />

In een opslagvoorziening wordt 400.000 liter klasse 8 met een vlampunt <strong>van</strong> > 100°C, in kunststof<br />

verpakkingen opgeslagen. De <strong>stoffen</strong> zijn verdeeld over 4 opslagvakken, elk met een oppervlak <strong>van</strong><br />

60 m². Elk opslagvak is omgeven door gangpaden. De aanrijdtijd <strong>van</strong> de overheidsbrandweer wordt<br />

ingeschat op 10 minuten. De wijze <strong>van</strong> berekenen in opgenomen in voorschrift 4.6.2 en Bijlage 5,<br />

paragraaf 1 <strong>van</strong> PGS 15.<br />

Berekening nominale bluswaterop<strong>van</strong>g: Met een inzettijd <strong>van</strong> > 6 minuten is de op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

0,5 m³ per m² opslagvak (zie voorschrift 4.6.2). Omdat de vakken zijn gelegen aan twee of meer<br />

gangpaden, geldt een veiligheidsfactor (V) <strong>van</strong> 3 (zie Bijlage 5). De totale nominale bluswaterop<strong>van</strong>g<br />

(Bn) wordt als volgt berekend:<br />

B n<br />

= B X O b X V<br />

Bn = nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

B = de opslagcapaciteit per m²<br />

Ob = het oppervlak <strong>van</strong> een opslagvak<br />

V = de veiligheidsfactor (3)<br />

De nominale bluswaterop<strong>van</strong>g is dus 90 m³( 0,5 * 60 * 3) en geldt voor de gehele op<strong>van</strong>gvoorziening.<br />

Berekening werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>g: Bij opslag <strong>van</strong> uitsluitend klasse 8 bedraagt de werkelijke<br />

op<strong>van</strong>gcapaciteit 50% <strong>van</strong> de nominale op<strong>van</strong>gcapaciteit: 45 m³ (zie PGS 15 voorschrift 4.6.2).<br />

B w<br />

= f i X B n<br />

Bw = werkelijke op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

fi = factor afhankelijk <strong>van</strong> beschermingsniveau en aard <strong>van</strong> de stof<br />

Bn = nominale bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

Berekening productop<strong>van</strong>g: Bij beschermingsniveau 2 en <strong>stoffen</strong> met een vlampunt <strong>van</strong> > 100°C<br />

bedraagt de productop<strong>van</strong>g ten minste 10% <strong>van</strong> de aanwezige vloei<strong>stoffen</strong> in de opslagvoorziening.<br />

Dit betekent 10% <strong>van</strong> 400.000 liter = 40.000 liter = 40 m³ (zie PGS 15 voorschrift 4.7.1).<br />

Berekening totale op<strong>van</strong>gcapaciteit: som <strong>van</strong> de werkelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit en productop<strong>van</strong>gcapaciteit:<br />

45 m³+ 40 m³ = 85 m³.<br />

4.5 Systematiek bij bepaling voorzieningen<br />

Voor het vaststellen <strong>van</strong> de eisen is een interpretatie <strong>van</strong> de voorschriften en bepalingen <strong>van</strong> hoofdstuk 4 en<br />

Bijlage 5 <strong>van</strong> PGS 15 vereist. Dit vergt een maatwerk aanpak, waarbij de in het vooroverleg over een vergunningaanvraag<br />

dan wel de in een conceptaanvraag verstrekte informatie als uitgangspunt wordt gehanteerd.<br />

Allereerst moet aan de hand <strong>van</strong> de aard en hoeveelheid <strong>van</strong> de <strong>stoffen</strong> die worden opgeslagen het<br />

beschermingsniveau (1, 2 of 3) worden vastgesteld. Voor alle opslagvoorzieningen gelden de algemene<br />

bepalingen uit hoofdstuk 4 <strong>van</strong> PGS 15 (bereikbaarheid opslagvoorziening, scheiding tussen de vakken,<br />

maximaal oppervlak vakken en opslagvoorzienig en productop<strong>van</strong>g).<br />

<strong>Opslag</strong>voorzieningen met beschermingsniveau 1 of 2 moeten vervolgens zijn voorzien <strong>van</strong> een brandbeveiligingsinstallatie.<br />

Een dergelijke installatie moet voordat de opslagvoorziening in gebruik wordt<br />

genomen, zijn gecertificeerd. Daarbij spelen het Programma <strong>van</strong> Eisen (PvE) en het Basisdocument<br />

Brandbeveiliging (BdB) een belangrijke rol. Het PvE bevat de uitgangspunten voor ontwerp, aanleg,<br />

onderhoud, beheer en inspecties <strong>van</strong> een brandbeveiligingsinstallatie. Tijdens en na aanleg moet de<br />

brandbeveiligingsinstallatie door een inspectie-instelling worden goedgekeurd. De inspecteur maakt<br />

daarvoor op basis <strong>van</strong> het PvE een BdB, aan de hand waar<strong>van</strong> de inspectie <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallatie<br />

planmatig kan worden uitgevoerd.<br />

28


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Het PvE en het BdB vormen de door het bevoegd gezag goed te keuren uitgangspunten voor de brandbeveiligingsinstallatie.<br />

Deze documenten moeten onderdeel uitmaken <strong>van</strong> de vergunningaanvraag en<br />

worden beoordeeld aan de hand <strong>van</strong> daarin opgenomen informatie over aard en hoeveelheid <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong>. Geen <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallaties is geschikt voor alle categorieën <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Dit is in de betreffende ontwerpnorm voor de installatie vastgelegd. Het PvE en BdB moet daarom<br />

informatie bevatten over de geschiktheid <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallatie in relatie tot de opgeslagen<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

In het gehele proces <strong>van</strong> ontwerp, vergunningverlening en aanleg <strong>van</strong> de installatie worden de volgende<br />

stappen doorlopen:<br />

1. Het bedrijf stelt een PvE op, waarin de uitgangspunten voor het ontwerp <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallatie<br />

zijn vastgelegd.<br />

2. Het bedrijf overlegt met het bevoegd gezag, aan de hand <strong>van</strong> het PvE en een concept vergunningaanvraag.<br />

3. Het PvE wordt voorgelegd aan een onafhankelijke inspectie-instelling, welke op basis daar<strong>van</strong> een<br />

BdB opstelt.<br />

4. Het PvE wordt, samen met het BdB, ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag.<br />

5. Na goedkeuring wordt de vergunningaanvraag definitief ingediend.<br />

6. Vergunningprocedure; in de vergunning worden op basis <strong>van</strong> het PvE, het BdB en PGS 15 maatwerk<br />

voorschriften opgenomen.<br />

7. De opslagvoorziening wordt gebouwd en de brandbeveiligingsinstallatie wordt aangelegd; inspecties<br />

tijdens aanleg en certificering na realisatie.<br />

8. Ingebruikneming opslagvoorziening.<br />

9. Periodieke inspectie brandbeveiligingsinstallatie.<br />

Bij de beoordeling <strong>van</strong> het PvE door de vergunningverlener moet ten minste aandacht worden besteed<br />

aan de volgende aspecten:<br />

− Is de voorgestelde brandbeveiligingsinstallatie geschikt voor het vereiste beschermingsniveau en<br />

de opgeslagen <strong>stoffen</strong>?<br />

− Is de voorgestelde opslagconfiguratie in overeenstemming met de eisen ten aanzien <strong>van</strong><br />

compartimentering en <strong>stoffen</strong>scheiding?<br />

− Is de voorgestelde product- en bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit op de juiste manier berekend?<br />

Op basis <strong>van</strong> het goedgekeurde PvE en BdB kunnen de voorschriften voor de vergunning worden<br />

opgesteld. Van belang hierbij is dat deze zijn toegesneden op de feitelijke situatie. In de voorschriften<br />

moeten in ieder geval de volgende aspecten worden vastgelegd:<br />

− aard en hoeveelheid <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>;<br />

− vereiste beschermingsniveau;<br />

− capaciteit product- en bluswaterop<strong>van</strong>gvoorzieningen;<br />

− type brandbeveiligingsinstallatie, inclusief systeem <strong>van</strong> brandmelding;<br />

− eisen ten aanzien <strong>van</strong> certificering brandbeveiligingsinstallatie en periodieke inspecties daar<strong>van</strong>.<br />

In de considerans <strong>van</strong> de vergunning moeten alle overwegingen die bij het vaststellen <strong>van</strong> de voorschriften<br />

zijn gemaakt, zijn toegelicht. Het gaat dan bijvoorbeeld om de uitgangspunten voor het vaststellen<br />

<strong>van</strong> het beschermingsniveau of om de berekening <strong>van</strong> de noodzakelijke bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />

Met andere woorden<br />

Verwijs in een vergunning niet rechtstreeks naar PGS 15, het PvE en het BdB, maar neem voorschriften<br />

op die zijn toegespitst op de feitelijke situatie en leg uit hoe deze voorschriften tot stand zijn gekomen.<br />

Bestaande opslagvoorzieningen overeenkomstig CPR 15-2<br />

Voor bestaande opslagvoorzieningen geldt analoog aan kleinere opslagen dat wanneer deze<br />

overeenkomstig CPR 15-2 zijn ingericht hiermee wordt voldaan aan de stand der techniek.<br />

Uitzondering vormt de Hi-Ex inside Air brandbestrijdingsinstallatie waarvoor nieuwe inzichten<br />

hebben geleerd dat deze niet voor alle situaties geschikt is. Een toelichting hierop is te vinden in<br />

paragraaf 1.3 <strong>van</strong> PGS 15.<br />

29


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

5 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> containers geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Hoofdstuk 5 <strong>van</strong> PGS 15 beschrijft de opslag <strong>van</strong> containers, geladen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, voor zover<br />

sprake is <strong>van</strong> het zogenaamde ‘nederleggen tijdens transport’. Deze activiteit komt voor bij bedrijven<br />

waar overslag <strong>van</strong> containers plaatsvindt tussen verschillende typen vervoersmodaliteiten, zoals zee- en<br />

binnenvaartschepen, treinen en vrachtwagens.<br />

Het hoofdstuk is niet <strong>van</strong> toepassing op de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in stationair opgestelde<br />

containers en ook niet op de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> ten behoeve <strong>van</strong> de eigen<br />

bedrijfsactiviteiten binnen de hiervoor genoemde typen bedrijven. Dergelijke opslagvoorzieningen<br />

moeten voldoen aan de algemene eisen <strong>van</strong> PGS 15.<br />

De voorschriften in hoofdstuk 5 zijn gebaseerd op de “Leidraad voor vergunningverlening voor opslag <strong>van</strong><br />

<strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> bij stuwadoorsbedrijven”. De voorschriften en bijbehorende toelichtingen<br />

zoals opgenomen in hoofdstuk 5 spreken voor zich. Daarom is er in deze Handleiding verder geen aandacht<br />

aan besteed.<br />

30


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

6 Gasflessen<br />

6.1 Inleiding<br />

PGS 15 is <strong>van</strong> toepassing op de opslag <strong>van</strong> gasflessen met veelvoorkomende gassen, voor zover meer<br />

dan 115 liter 8 in opslag aanwezig is. Het gaat om gassen met de algemene gevaarseigenschappen:<br />

verstikkend, oxiderend en brandbaar, en daarnaast de volgende specifieke gassen: samengeperste lucht,<br />

ammoniak, koelgassen en ethyleenoxide. Bijlage 7 <strong>van</strong> PGS 15 bevat een overzicht <strong>van</strong> gassen waarop<br />

PGS 15 <strong>van</strong> toepassing is. Op het moment dat gassen worden opgeslagen die niet in Bijlage 7 zijn<br />

genoemd, is maatwerk nodig bij het vaststellen <strong>van</strong> de vergunningvoorschriften.<br />

Hoofdstuk 6 <strong>van</strong> PGS 15 geeft in paragraaf 6.1 uitleg over de keuringsvereisten voor gasflessen. Deze eisen<br />

zijn in veel gevallen rechtstreeks in wetgeving (zoals de Regeling vervoerbare drukapparatuur) vastgelegd.<br />

Paragraaf 6.2 beschrijft vervolgens de eisen aan opslagvoorzieningen voor gasflessen. Uitgangspunt<br />

hierbij is, dat gasflessen in een speciaal daarvoor bestemde opslagvoorziening moeten worden opgeslagen.<br />

Uitzondering hierop vormen de volgende situaties:<br />

− opslag <strong>van</strong> uitsluitend CO 2<br />

cilinders met drukontlasting bij distributiebedrijven of drankengroothandels;<br />

− gasflessen ten behoeve <strong>van</strong> een blusgasinstallatie;<br />

− een werkvoorraad of op een laskar geplaatste gasflessen (het aantal gasflessen of laskarren dat als<br />

werkvoorraad mag worden beschouwd is afhankelijk <strong>van</strong> de specifieke situatie binnen een bedrijf );<br />

− gasflessen welke zijn aangesloten op een verzamelleiding of leidingnet.<br />

6.2 <strong>Opslag</strong>voorziening<br />

Voor een opslagvoorziening voor gasflessen gelden voor een groot deel de eisen ten aanzien <strong>van</strong> de<br />

opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> uit hoofdstuk 3 <strong>van</strong> PGS 15, met uitzondering <strong>van</strong>:<br />

− voorschriften voor bodembescherming (kwaliteit vloeren, productop<strong>van</strong>g, paragraaf 3.3 en 3.9);<br />

− voorschriften ter voorkoming <strong>van</strong> verontreiniging <strong>van</strong> hemelwater (paragraaf 3.8);<br />

− voorschriften voor brandveiligheidsopslagkasten (paragraaf 3.10);<br />

− voorschriften voor <strong>stoffen</strong>scheiding (paragraaf 3.12) en<br />

− voorschriften voor incidenten met gemorste <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (paragraaf 3.14).<br />

Paragraaf 6.2 <strong>van</strong> PGS 15 geeft vervolgens aanvullende voorschriften, specifiek voor gasflessen.<br />

Deze voorschriften zijn met name bedoeld om de gasflessen te beschermen tegen invloeden <strong>van</strong> buitenaf,<br />

en bepalen in hoofdzaak het volgende:<br />

− gasflessen moeten bij voorkeur uitpandig worden opgeslagen;<br />

− gasflessen moeten tegen omvallen en aanrijden zijn beschermd;<br />

− de vloer <strong>van</strong> de opslagvoorziening mag niet lager zijn dan omliggende vloeren en het maaiveld;<br />

− gassen met vergelijkbare gevaarseigenschappen moeten bij elkaar worden geplaatst;<br />

− bij opslag <strong>van</strong> brandbare gassen die zwaarder zijn dan lucht (zoals propaan en butaan) moet een<br />

afstand tot kelderopeningen en aanzuigopeningen <strong>van</strong> ventilatiesystemen worden aangehouden;<br />

− tussen een gasflessenopslag en de erfgrens, bouwwerken en brandbare objecten binnen de inrichting<br />

moet voldoende weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) aanwezig zijn, waarbij het<br />

aanhouden <strong>van</strong> afstand bijdraagt aan de vereiste wbdbo (zie tabel 8 <strong>van</strong> paragraaf 6.2 in PGS 15). Bij<br />

een wbdbo <strong>van</strong> 60 minuten kan de afstand in alle gevallen worden teruggebracht tot 0 meter. Bij een<br />

afstand <strong>van</strong> meer dan 10 meter vervallen de eisen ten aanzien <strong>van</strong> de wbdbo. De afstandseisen zijn<br />

verder afhankelijk <strong>van</strong> de totale inhoud <strong>van</strong> de gasflessen.<br />

Indien gasflessen tegen een gevel zijn geplaatst (en de afstand derhalve 0 meter is) moet de gevel een<br />

brandwerendheid bezitten zoals in de volgende figuur is aangegeven. Indien de gevel lager is dan de<br />

hoogte <strong>van</strong> de gasflessen plus vier meter, dan geldt de eis voor de brandwerendheid tot aan de daklijn.<br />

Indien in de gevel ramen, deuren of andere objecten aanwezig zijn welke afbreuk doen aan de brandwerendheid,<br />

kan door middel <strong>van</strong> het aanbrengen <strong>van</strong> een brandwerend afdak of brandwerende<br />

zijschotten een situatie met gelijkwaardig veiligheidsniveau worden verkregen.<br />

Op grond <strong>van</strong> PGS 15 is het niet noodzakelijk om gasflessen tegen weersinvloeden te beschermen.<br />

Dit is een wijziging ten opzichte <strong>van</strong> vroegere inzichten. Reden hiervoor is, dat de risico’s <strong>van</strong> gasflessen<br />

hoofdzakelijk worden bepaald door hitteaanstraling als gevolg <strong>van</strong> een brand in de omgeving.<br />

Weersinvloeden vormen een verwaarloosbaar risico.<br />

8 Het Activiteitenbesluit verwijst naar PGS 15 op het moment dat meer dan 125 liter aanwezig is. Reden hiervoor is dat gasflessen<br />

meestal een inhoud hebben <strong>van</strong> 60 liter, en dat PGS 15 dan <strong>van</strong> toepassing is bij twee of meer gasflessen.<br />

31


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

6.3 Gasflessen aan verzamelleiding<br />

PGS 15 geldt niet voor gasflessen die zijn aangesloten op een verzamelleiding, tenzij deze verzamelleiding<br />

is gesitueerd in een opslagvoorziening waar ook niet aangesloten gasflessen aanwezig zijn. Voor de<br />

aangesloten gasflessen gelden ten aanzien <strong>van</strong> plaatsing, ruimtelijke scheiding en dergelijke dezelfde<br />

voorschriften als voor gasflessen welke niet aan het leidingnet zijn gekoppeld. Daarnaast gelden voor<br />

gasflessen aan een leidingnet aanvullende eisen met betrekking tot appendages en het leidingwerk.<br />

Dit valt echter buiten de reikwijdte <strong>van</strong> PGS 15. Voorschrift 6.2.10 <strong>van</strong> PGS 15 met betrekking tot het<br />

verbod tot het openen <strong>van</strong> afsluiters geldt dan echter niet.<br />

6.4 Inpandige opslag <strong>van</strong> gasflessen<br />

Gasflessen moeten bij voorkeur buiten worden opgeslagen. In situaties dat inpandige opslag nodig is,<br />

geldt op grond <strong>van</strong> voorschrift 6.2.17 <strong>van</strong> PGS 15 dat ten minste één wand een buitenmuur moet zijn<br />

met ten minste één deur. Het komt in de praktijk echter regelmatig voor, dat het voor de bedrijfsvoering<br />

noodzakelijk is dat gasflessen inpandig dan wel op een inpandige verdieping worden opgeslagen, waar<br />

niet kan worden voldaan aan voorschrift 6.2.17. Voorbeelden hier<strong>van</strong> zijn bijvoorbeeld ziekenhuizen,<br />

universiteiten of laboratoria. Een dergelijke situatie kan worden toegestaan indien wordt voldaan aan het<br />

gelijkwaardigheidbeginsel (zie ook paragraaf 1.3.1 <strong>van</strong> deze Handleiding). Dit is het geval wanneer de<br />

opslag plaatsvindt in een brandveiligheidsopslagkast, welke voldoet aan de norm NEN-EN 14470-2.<br />

Deze norm geeft productspecificaties voor brandveiligheidsopslagkasten geschikt voor de opslag <strong>van</strong><br />

gasflessen, waaronder constructie-eisen (onder meer draagvermogen bodemplaat) en eisen ten aanzien<br />

<strong>van</strong> brandwerendheid. Deze laatste komen overeen met die uit NEN-EN 14470-1, de norm voor brandveiligheidsopslagkasten<br />

voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Het gaat hierbij overigens uitsluitend om de opslag <strong>van</strong> de voorraad gasflessen, dus niet om de gasflessen<br />

die zijn aangesloten op apparatuur of aan een leidingnet. Deze gasflessen worden beschouwd als werkvoorraad.<br />

6.5 Kleurcodering gasflessen<br />

Gasflessen, uitgezonderd die voor propaan, butaan of koelgassen, zijn op de schouder <strong>van</strong> de fles voorzien<br />

<strong>van</strong> een laag verf in een bepaalde kleur, welke het gevaarsaspect <strong>van</strong> het aanwezige gas aangeeft.<br />

Daarnaast hebben sommige specifieke gassen hun eigen kleur. Deze kleurcodering is vastgelegd in<br />

NEN‐EN 1089-3. Er is geen wettelijke verplichting voor deze kleurcodering, echter in de praktijk volgen de<br />

gasleveranciers de vermelde norm. Deze kleurcodering vormt echter een belangrijk hulpmiddel voor de<br />

opslag <strong>van</strong> gasflessen. Op grond <strong>van</strong> PGS 15 moeten gasflessen met gelijksoortige gevaarsaspecten bij<br />

elkaar worden opgeslagen. De kleurcodering vereenvoudigt dit. Daarnaast voorkomt de kleurcodering<br />

dat per vergissing een verkeerde gasfles wordt opgepakt en gebruikt.<br />

Hierna zijn de kleurcoderingen <strong>van</strong> de meest voorkomende gevaarsaspecten weergegeven:<br />

helder groen<br />

rood<br />

licht blauw<br />

geel<br />

verstikkend<br />

brandbaar<br />

brandbevorderend<br />

giftige en/of corrosief<br />

Daarnaast zijn aan sommige gassen vaste kleuren toegekend:<br />

− Argon: donkergroen<br />

− Helium: lichtbruin<br />

− Acetyleen: donkerbruin<br />

− Zuurstof: wit<br />

− Stikstof: zwart<br />

− Stikstofdioxide (lachgas): donkerblauw<br />

− Koolzuur: grijs<br />

32


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Een brochure met kleurencodes <strong>van</strong> gasflessen is te downloaden via www.lindegasbenelux.com<br />

Gasflessen moeten, net als andere verpakkingen, zijn voorzien <strong>van</strong> de ADR-gevaarsetiketten (zie paragraaf<br />

3.1.3 <strong>van</strong> deze Handleiding). Daarbij kan het voorkomen dat <strong>van</strong>wege de combinatie <strong>van</strong> gevaarsaspecten<br />

twee etiketten aanwezig zijn. Een voorbeeld is een gasfles met zuurstof, een niet brandbaar oxiderend gas,<br />

met zowel etiket 2.2 als 5.1.<br />

6.6 Hoe herken ik een goedgekeurde gasfles?<br />

PGS 15 schrijft voor, dat uitsluitend goedgekeurde gasflessen in een inrichting aanwezig mogen zijn.<br />

Een gasfles is goedgekeurd wanneer het 'eerste onderzoek' is uitgevoerd en de gasfles vervolgens overeenkomstig<br />

het keuringsinterval (zie bijlage 7 PGS 15) is herkeurd. De herkeuringstermijn is voor de<br />

meeste veelvoorkomende gassen 10 jaar, met uitzondering <strong>van</strong> ammoniak en ethyleenoxide (5 jaar).<br />

Wanneer een leverancier aan bepaalde voorwaarden voldoet kan de herkeurtermijn voor LPG/propaan/<br />

butaan flessen worden verlengd <strong>van</strong> 10 naar 15 jaar. Deze termijnen zijn vastgelegd in de Europese<br />

Richtlijn voor Transportabele Drukapparatuur (TPED), en in Nederland geïmplementeerd via de regeling<br />

transportabele drukapparatuur. Gasflessen welke overeenkomstig de Europese Richtlijn zijn vervaardigd,<br />

zijn voorzien <strong>van</strong> het 'pi'-teken.<br />

Voor het beantwoorden <strong>van</strong> de vraag of een gasfles is goedgekeurd, hoeft uitsluitend naar de ‘datum <strong>van</strong><br />

herkeur’ te worden gekeken. Voor een keuringsinterval <strong>van</strong> 5 jaar moet de maand/jaarcombinatie zijn<br />

aangegeven. Voor overige keuringsintervallen kan worden volstaan met het jaar. Is deze maand of het<br />

jaar verstreken, dan is de gasfles niet goedgekeurd. Deze datum <strong>van</strong> herkeur moet onuitwisbaar op de<br />

schouder <strong>van</strong> de gasfles zijn aangebracht, dan wel zijn aangebracht op een ring of etiket dat duidelijk<br />

zichtbaar en duurzaam aan de gasfles is bevestigd.<br />

33


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

7 <strong>Opslag</strong> spuitbussen en gaspatronen, al dan niet in combinatie<br />

met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Spuitbussen en gaspatronen 9 zijn ingedeeld in klasse 2 <strong>van</strong> het ADR. De inhoud mag voor houders <strong>van</strong><br />

metaal niet meer bedragen dan 1.000 ml en 500 ml voor houders <strong>van</strong> kunststof of glas.<br />

<strong>Opslag</strong>eisen voor spuitbussen wijken af <strong>van</strong> opslagvereisten voor <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in 'gewone' verpakking,<br />

<strong>van</strong>wege de specifieke gevaarsaspecten <strong>van</strong> spuitbussen. Een bij een brand betrokken spuitbus kan<br />

exploderen, waarbij een vuurbal en/of drukgolf kan ontstaan. Doordat de inhoud <strong>van</strong> een spuitbus onder<br />

druk staat, is het mogelijk dat een spuitbus bij brand wegschiet ('rocketing'), met het risico <strong>van</strong> dominoeffecten.<br />

Op het moment dat spuitbussen in combinatie met andere <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden opgeslagen,<br />

geldt er geen ondergrens voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15. Worden spuitbussen apart opgeslagen, dan<br />

gelden de algemene eisen ten aanzien <strong>van</strong> de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 (zie schema 1). Bij het vaststellen<br />

<strong>van</strong> de aanwezige hoeveelheid spuitbussen, geldt dat de totale inhoud <strong>van</strong> de spuitbus bepalend is,<br />

de verpakking zelf telt niet mee.<br />

De eisen aan de opslag <strong>van</strong> spuitbussen zijn afhankelijk <strong>van</strong> de volgende factoren:<br />

− worden spuitbussen in combinatie met andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> opgeslagen en zo ja hoeveel<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn aanwezig?<br />

− wat is de gezamenlijke inhoud <strong>van</strong> de spuitbussen en wat is de ADR-klasse <strong>van</strong> de inhoud daar<strong>van</strong>?<br />

− wat is het oppervlak <strong>van</strong> de opslagplaats?<br />

− wat is de hoogte <strong>van</strong> de opslagplaats?<br />

De belangrijkste eisen voor de opslag voor spuitbussen zijn:<br />

− opslag <strong>van</strong> spuitbussen moet in alle gevallen in een brandcompartiment. Bij open opslagen is in een<br />

vergunning maatwerk noodzakelijk;<br />

− bij een combinatie met <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moeten spuitbussen worden afgeschermd door<br />

een hekwerk, tenzij het oppervlak <strong>van</strong> de opslagvoorziening kleiner is dan 100 m²;<br />

− bij een combinatie met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> is het spuitbusoppervlak beperkt;<br />

− opwarming <strong>van</strong> spuitbussen mag niet mogelijk zijn;<br />

− de ruimte tussen spuitbussen en plafond/dak moet in alle gevallen meer dan 50 centimeter zijn.<br />

7.1 Spuitbussenopslag kleiner of gelijk aan 10 ton<br />

Aan de hand <strong>van</strong> de volgende schema's kan worden vastgesteld aan welke specifieke eisen de spuitbussenopslag<br />

moet voldoen. Deze eisen zijn aanvullend op de algemene eisen voor opslagvoorzieningen,<br />

zoals opgenomen in hoofdstuk 3 <strong>van</strong> PGS 15. Deze schema's zijn <strong>van</strong> toepassing wanneer maximaal<br />

10.000 kg spuitbussen wordt opgeslagen. Deze schema’s worden vegolgd door drie afbeeldingen die<br />

verschillende eisen aan de opslag <strong>van</strong> spuitbussen grafisch weergeven.<br />

Schema 1: Spuitbussen: is PGS 15 <strong>van</strong> toepassing?<br />

combi met <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong>?<br />

ja<br />

nee<br />

inhoud of drijfgas (zeer)<br />

(licht) ontvlambaar, toxisch,<br />

corrosief of oxiderend?<br />

nee<br />

ja<br />

> 50 kg<br />

nee<br />

ja<br />

PGS 15 is <strong>van</strong> toepassing<br />

opslag in brandcompartiment;<br />

voorkomen <strong>van</strong> opwarming;<br />

verpakkingen gesloten;<br />

ruimte tussen spuitbussen en<br />

plafond/dak minimaal 50 cm;<br />

maximale opslaghoogte (zie<br />

schema 3).<br />

PGS 15 is niet <strong>van</strong><br />

toepassing<br />

verder naar schema 2 (uitvoering<br />

en oppervlak opslag) en schema 3<br />

(opslaghoogten)<br />

9 Hierna wordt met spuitbussen bedoeld "spuitbussen en gaspatronen".<br />

oppervlak < 100 m 2 ja<br />

34<br />

nee<br />

gezamenlijke opslag <strong>van</strong> SB<br />

en GS toegestaan (afb. 1)


nee<br />

PGS 15 is niet <strong>van</strong><br />

toepassing<br />

PGS 15 is niet <strong>van</strong><br />

toepassing<br />

verder schemanaar 3). schema 2 (uitvoering<br />

en oppervlak opslag) en schema 3<br />

(opslaghoogten)<br />

Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

verder naar schema 2 (uitvoering<br />

en oppervlak opslag) en schema 3<br />

(opslaghoogten)<br />

Schema 2: Spuitbussen (SB) al dan niet samen met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (GS): opslagconfiguraties<br />

oppervlak < 100 m 2 ja<br />

gezamenlijke opslag <strong>van</strong> SB<br />

en GS toegestaan (afb. 1)<br />

nee<br />

oppervlak < 100 m 2 ja<br />

gezamenlijke opslag <strong>van</strong> SB<br />

en GS toegestaan (afb. 1)<br />

SB en GS gescheiden door:<br />

nee<br />

- apart brandcompartiment of<br />

- gaasconstructie<br />

SB en GS gescheiden door:<br />

- apart brandcompartiment of<br />

- gaasconstructie<br />

in totaal ><br />

10.000 kg GS?<br />

ja<br />

2<br />

SB op max 300 m (afb. 3)<br />

in totaal nee ><br />

10.000 kg GS?<br />

> 400 kg<br />

nee<br />

SB<br />

ja<br />

ja<br />

SB in apart brandcompartiment?<br />

ja<br />

2<br />

SB op max 300 m (afb. 3)<br />

nee<br />

> 400 kg SB<br />

ja<br />

nee<br />

SB in apart brandcompartiment?<br />

ja<br />

nee<br />

nee<br />

2<br />

SB op max 100 m (afb. 2)<br />

2<br />

SB op max 100 m (afb. 2)<br />

Schema 3: Spuitbussen: maximale opslaghoogte<br />

hoogte < 2,4 m<br />

nee<br />

hoogte < 2,4 m<br />

nee<br />

< 400 kg spuitbussen<br />

nee<br />

< 400 kg spuitbussen<br />

nee<br />

oppervlak < 100 m 2<br />

oppervlak <<br />

nee<br />

100 m 2<br />

nee<br />

ja<br />

ja<br />

ja<br />

ja<br />

ja<br />

ja<br />

opslaghoogte 1,8 m (afb. 1)<br />

opslaghoogte 1,8 m (afb. 1)<br />

opslaghoogte 2,4 m (afb. 2)<br />

opslaghoogte 2,4 m (afb. 2)<br />

opslaghoogte 3,6 m, tenzij<br />

stellingen (geen beperking)<br />

opslaghoogte 3,6 m, tenzij<br />

stellingen (geen beperking)<br />

Afbeelding 1<br />

35


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Afbeelding 2<br />

Afbeelding 3<br />

7.2 Spuitbussenopslag groter dan 10 ton<br />

Als meer dan 10.000 kg spuitbussen aanwezig zijn, is hoofdstuk 4 <strong>van</strong> PGS 15 <strong>van</strong> toepassing. De grenswaarden<br />

voor het vaststellen <strong>van</strong> het beschermingsniveau uit tabel 5 <strong>van</strong> PGS 15 zijn gebaseerd op het<br />

gevaarsaspect dat op de spuitbus is vermeld. Spuitbussen met een brandbare inhoud (alle vlampunten)<br />

gelden daarbij als ADR klasse 3 (grenswaarde 400 kg). Spuitbussen met een inhoud die niet brandbaar is,<br />

moeten worden beoordeeld aan de hand <strong>van</strong> hun ADR-classering.<br />

Voor het opslaan <strong>van</strong> meer dan 10.000 kg spuitbussen geldt in alle gevallen dat de uitvoering en eventuele<br />

compartimentering <strong>van</strong> de opslagvoorziening moet worden uitgewerkt in een Programma <strong>van</strong> Eisen,<br />

zoals bedoeld in voorschrift 4.8.2.1 <strong>van</strong> PGS 15.<br />

36


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

8 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> klasse 4.1, 4.2 en 4.3<br />

8.1 Inleiding<br />

Stoffen die zijn ingedeeld in ADR klasse 4.1, 4.2 en 4.3 (samengevat: klasse 4.x) hebben zodanige eigenschappen<br />

dat de voorschriften uit hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 <strong>van</strong> PGS 15 een onvoldoende veiligheidsniveau<br />

realiseren. Hoofdstuk 8 <strong>van</strong> PGS 15 bevat daarom aanvullende bepalingen voor:<br />

− brand<strong>gevaarlijke</strong> vaste <strong>stoffen</strong> (klasse 4.1, onderverdeeld in 16 gevaarsaspecten);<br />

− voor zelfontbranding vastbare <strong>stoffen</strong> (klasse 4.2, onderverdeeld in 17 gevaarsaspecten);<br />

− <strong>stoffen</strong> die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen (klasse 4.3, onderverdeeld<br />

15 gevaarsaspecten).<br />

Wanneer klasse 4.x in brandveiligheidsopslagkasten worden opgeslagen, gelden overigens uitsluitend de<br />

eisen <strong>van</strong> hoofdstuk 3 <strong>van</strong> PGS 15.<br />

De eisen die op grond <strong>van</strong> hoofdstuk 8 aan de opslag <strong>van</strong> deze <strong>stoffen</strong> worden gesteld, zijn aanvullend<br />

aan de bepalingen in hoofdstuk 3 en in hoofdstuk 4 (voor zover > 10.000 kg wordt opgeslagen) en zijn<br />

afhankelijk <strong>van</strong> een aantal factoren:<br />

− de verpakkingsgroep;<br />

− de hoeveelheid (< 2.500 kg, > 2.500 kg en > 10.000 kg);<br />

− de gevaarsaspecten.<br />

De gevaarsaspecten zijn te herleiden uit het ADR, tabel A, kolom "classificatiecode" (zie ook Bijlage F.1),<br />

of uit het Veiligheidsinformatieblad.<br />

De opslageisen kenmerken zich door enerzijds een vereist beschermingsniveau en anderzijds de noodzaak<br />

tot gescheiden opslag in bepaalde situaties. In de volgende paragrafen worden deze twee aspecten<br />

toegelicht. Hierbij geldt dat voor de opslag <strong>van</strong> klasse 4.1 VG I in alle gevallen maatwerk nodig is.<br />

8.2 Beschermingsniveau voor opslag klasse 4.x<br />

Aan de hand <strong>van</strong> het volgende schema kan worden vastgesteld welk beschermingsniveau in welke<br />

situatie ten minste moet zijn gerealiseerd.<br />

klasse 4.1, VG I<br />

*<br />

nee<br />

ja<br />

maatwerk<br />

> 10.000 kg<br />

ja<br />

verpakkingsgroep I, II<br />

ja<br />

beschermingsniveau 1<br />

nee<br />

nee<br />

klasse 4.3<br />

(W1, WF1, WF2, WS,<br />

WT1, WC1) **<br />

ja<br />

nee<br />

klasse 4.1, 4.2 of<br />

4.3 (geen vaste <strong>stoffen</strong>)<br />

ja<br />

beschermingsniveau 3<br />

+ detectie en doormelding<br />

nee<br />

beschermingsniveau 3<br />

+ doelmatige ventilatie en<br />

droge opslag<br />

> 2.500 kg<br />

ja<br />

verpakkingsgroep I<br />

ja<br />

nee<br />

nee<br />

4.1 VG II of 4.2 VG II<br />

nee<br />

ja<br />

beschermingsniveau 3<br />

+ detectie en doormelding<br />

op basis <strong>van</strong> maatwerk<br />

beschermingsniveau 3<br />

37


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

* VG = Verpakkingsgroep<br />

** W1 = Vloei<strong>stoffen</strong><br />

WF1 = Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, vloeibaar, brandbaar<br />

WF2 = Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, vast, brandbaar<br />

WS = Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, voor zelfverhitting vatbaar, vast<br />

WT1 = Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, giftig, vloeibaar<br />

WC1 = Stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen, bijtend, vloeibaar<br />

8.3 Noodzaak tot aparte opslag klasse 4.x<br />

In een groot aantal gevallen moeten <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 4.x apart worden opgeslagen <strong>van</strong> (bepaalde)<br />

andere <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Daarbij geldt dat voor <strong>stoffen</strong> in klasse 4.1, VG I in alle gevallen maatwerk nodig<br />

is. Voor de overige klassen en verpakkingsgroepen geeft de volgende tabel een overzicht:<br />

Klasse VG Gevaarsaspect 3 Hoeveelheid Apart?<br />

4.1 II, III D, DT 1 , SR2 n.v.t. X<br />

altijd<br />

II niet D, DT, SR2 n.v.t. X<br />

III niet D, DT, SR2 >10.000 kg X<br />

niet bij<br />

klasse 3<br />

niet bij klasse<br />

3, (zeer) licht<br />

ontvlambaar<br />

III niet D, DT, SR2 10.000 kg X X 2<br />

4.3 I, II alle alle X<br />

III >10.000 kg X X 2<br />

X<br />

hoeft<br />

niet<br />

1 Klasse 4.1, D en DT mogen wel gezamenlijk worden opgeslagen.<br />

2 Bij beschermingsniveau 1 en opslag <strong>van</strong> klasse 4.x in apart vak <strong>van</strong> max 300 m², aan drie zijden omgeven door wbdbo<br />

30 minuten (zie ook paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze Handleiding).<br />

D = Ontplofbare <strong>stoffen</strong> in niet explosieve toestand zonder bijkomend gevaar.<br />

DT = Ontplofbare <strong>stoffen</strong> in niet explosieve toestand, giftig.<br />

SR2 = Zelfontledende <strong>stoffen</strong> waarvoor temperatuurbeheersing is vereist.<br />

38


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

9 <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> kleine hoeveelheden organische peroxiden<br />

(klasse 5.2)<br />

<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> in ADR klasse 5.2 (organische peroxiden) valt over het algemeen onder PGS 8.<br />

Organische peroxiden worden gebruikt in een scala aan toepassingen, zoals in tweecomponentenlijm of<br />

als harder voor verftoepassingen. In de praktijk komen deze <strong>stoffen</strong> daarom in kleine hoeveelheden voor,<br />

al dan niet in combinatie met opslag <strong>van</strong> de 'bijbehorende' stof. Om een dergelijke opslag onder PGS 15<br />

condities mogelijk te maken, bevat hoofdstuk 9 <strong>van</strong> PGS 15 voorschriften voor de kleinschalige opslag<br />

<strong>van</strong> organische peroxiden. Samengevat gelden de voorschriften <strong>van</strong> hoofdstuk 9 indien sprake is <strong>van</strong> de<br />

volgende situaties:<br />

− er is uitsluitend sprake <strong>van</strong> LQ-hoeveelheden, en<br />

− er is uitsluitend sprake <strong>van</strong> UN-nummer 3103 t/m 3110 (type C t/m F, thermostabiel), en<br />

− er is maximaal 1.000 kg per inrichting aanwezig; bij meer dan 1000 kg <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong> in klasse 5.2 geldt PGS 8.<br />

Als aan deze voorwaarden wordt voldaan zijn de voorschriften uit paragraaf 9.2 <strong>van</strong> PGS 15 <strong>van</strong> toepassing<br />

in plaats <strong>van</strong> de PGS 8. Deze voorschriften bepalen dat:<br />

− opslag uitsluitend uitpandig in een brandcompartiment mag plaatsvinden, en<br />

− eventuele verwarming overeenkomstig paragraaf 4.1.2 <strong>van</strong> PGS 8 moet zijn uitgevoerd.<br />

Daarnaast hangen de eisen af <strong>van</strong> de grootte <strong>van</strong> de opslagvoorziening. Deze eisen zijn in de volgende<br />

twee figuren schematisch weergegeven:<br />

Figuur 1. <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> klasse 5.2 in opslagvoorziening voor minder dan 10.000 kg <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

lekbak of<br />

ommuurd<br />

lekbak of<br />

5.2 ommuurd<br />

5.2<br />

10%<br />

< 10%<br />

A B C<br />

− uitpandig;<br />

− fysieke scheiding (om contact <strong>van</strong> peroxiden met andere <strong>stoffen</strong><br />

te voorkomen, bijvoorbeeld door een lekbak of een bouwkundige<br />

afscherming);<br />

− maximaal 10% <strong>van</strong> totale opslag;<br />

− ventilatie overeenkomstig nooddrukontlasting <strong>van</strong> 0,25 m²;<br />

− peroxide-etiket bij opslag.<br />

BC<br />

BC<br />

Figuur 2. <strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> klasse 5.2 in opslagvoorziening geschikt voor meer dan 10.000 kg <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

5.2 5.2<br />

5.2 5.2<br />

3,5 meter<br />

> 3,5 meter<br />

A A A<br />

bvok (5.2)<br />

bvok (5.2)<br />

A A A<br />

− beschermingsniveau 1;<br />

− in apart opslagvak, minimaal<br />

3,5 meter <strong>van</strong> andere <strong>verpakte</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>, of<br />

in brandveiligheidsopslagkast<br />

(bvok) met uitsluitend<br />

klasse 5.2;<br />

− peroxide-etiket bij opslagvak.<br />

BC<br />

BC<br />

BC<br />

BC<br />

Wanneer sprake is <strong>van</strong> een dubbele verpakking, zoals bijvoorbeeld bij een tweecomponentenlijm, moet<br />

bij het vaststellen <strong>van</strong> de opslageisen worden uitgegaan <strong>van</strong> de hoeveelheid <strong>van</strong> de peroxide-component<br />

in de verpakking.<br />

Bij de opslag <strong>van</strong> klasse 5.2 moet het gele peroxide-etiket goed zichtbaar aanwezig zijn. Dit gele etiket<br />

mag nog tot 31 december 2010 worden gebruikt; na die datum moet op grond <strong>van</strong> het ADR 2007 het half<br />

geel-half rode etiket worden toegepast. Het nieuwe etiket mag overigens nu al worden gebruikt.<br />

Tot en met 2010<br />

Altijd<br />

39


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Bijlagen<br />

Bijlage A SnelStart PGS 15<br />

Stap Wat? Hoe?<br />

Stap 1<br />

Stap 2<br />

Stap 3<br />

Stap 4<br />

Bepaal of PGS 15 <strong>van</strong><br />

toepassing is.<br />

Ga na welke onderdelen <strong>van</strong><br />

PGS 15 <strong>van</strong> toepassing zijn.<br />

Ga na welk soort opslagvoorziening<br />

aanwezig is en bepaal<br />

welke voorschriften gelden<br />

voor de opslagvoorziening.<br />

Bepaal de eisen aan de<br />

opslagvoorziening en leg<br />

deze vast in de milieuvergunning.<br />

Gebruik het Stappenplan Vergunningverlening (Bijlage D<br />

<strong>van</strong> deze Handleiding) voor uitleg over het vastleggen in<br />

de milieuvergunning.<br />

Gebruik het schema in Bijlage B "Beslisschema Werkingssfeer<br />

PGS 15 <strong>van</strong> deze Handleiding, of kijk in paragraaf 1.4 <strong>van</strong><br />

PGS 15.<br />

Voor het beantwoorden <strong>van</strong> deze vraag is informatie nodig<br />

over de aard, hoeveelheden en verpakkingswijze <strong>van</strong> de<br />

<strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>.<br />

Gebruik het schema "Systematiek PGS 15" <strong>van</strong> paragraaf 2.2<br />

<strong>van</strong> deze Handleiding.<br />

Gebruik het schema in Bijlage C "Welke eisen aan opslagvoorziening"<br />

<strong>van</strong> deze Handleiding.<br />

Aan de hand <strong>van</strong> de gegevens in een vergunningaanvraag,<br />

de rele<strong>van</strong>te voorschriften in PGS 15 en de uitleg in deze<br />

Handleiding kunnen de eisen voor een specifieke situatie<br />

worden vastgesteld.<br />

40


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Bijlage B Beslisschema: Werkingssfeer PGS 15<br />

klasse 1, 7, 6.2 (muv cat I3, I4), genetisch<br />

gemodificeerde organismen, nitraathoudend kunstmest<br />

(PGS 7) of < 400 kg bestrijdingsmiddelen<br />

PGS 15 is niet <strong>van</strong><br />

toepassing op <strong>stoffen</strong><br />

in deze klassen<br />

klasse 5.2<br />

ja<br />

LQ < 1.000 kg<br />

ja<br />

nee<br />

PGS 8<br />

spuitbussen/<br />

gaspatronen<br />

ja<br />

samen met <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> of > 50 kg/liter [D]<br />

ja<br />

nee<br />

nee<br />

gasflessen met meest ja<br />

voorkomende gassen [A] waterinhoud > 115 liter<br />

nee<br />

nee<br />

ja<br />

verpakkingsgroep I of<br />

CMR-<strong>stoffen</strong><br />

nee<br />

ja<br />

> 1 kg/liter<br />

nee<br />

ja<br />

klasse 3 VG II<br />

ja<br />

> 25 kg/liter<br />

ja<br />

nee<br />

totaal <strong>van</strong> de klassen<br />

3 [C] , 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1<br />

en 6.2 cat I3/I4<br />

ja<br />

nee<br />

> 50 kg/liter<br />

nee<br />

ja<br />

opslag valt onder<br />

werkingssfeer PGS 15<br />

nee<br />

totaal klasse 8 + 9<br />

ja<br />

> 250 kg/liter<br />

ja<br />

nee<br />

nee<br />

combinatie <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong> met verschillende<br />

ondergrenzen<br />

nee<br />

ja<br />

totaal > 100% <strong>van</strong> de<br />

ondergrens [B]<br />

nee<br />

ja<br />

PGS 15 is niet <strong>van</strong><br />

toepassing<br />

NB<br />

Bij LQ-verpakkingen gelden de dubbele hoeveelheden als ondergrens.<br />

[A] Zie hoofdstuk 6 en Bijlage 7 <strong>van</strong> PGS 15.<br />

[B] Zie paragraaf 2.1.2 <strong>van</strong> deze Handleiding voor een voorbeeld.<br />

[C] Klasse 3, VG III kent een aantal uitzonderingen, zie paragraaf 2.1.2 <strong>van</strong> deze Handleiding.<br />

[D] Voor vloei<strong>stoffen</strong> en samengeperste gassen geldt de inhoud in liters. Voor vaste <strong>stoffen</strong> en overige gassen geldt de inhoud<br />

in kilogrammen.<br />

41


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Bijlage C<br />

Beslisschema: Welke eisen aan opslagvoorziening?<br />

brandveiligheidsopslagkast<br />

nee<br />

gasflessen<br />

nee<br />

ja<br />

ja<br />

§ 3.1, vrs 3.2.1.6, § 3.6, 3.10<br />

t/m 3.16, 3.24 t/m 3.27<br />

§ 3.1, 3.2, 3.4 t/m 3.7, 3.11,<br />

3.15 t/m 3.23, 6.2.1 t/m 6.2.17<br />

spuitbussen of<br />

gaspatronen<br />

nee<br />

ja § 3.1, 3.2, 3.4 t/m 3.7, 3.11, 3.12, ja ja ja ja<br />

> 10.000 kg<br />

> 2.500 kg<br />

> 400 kg<br />

3.13, 3.15 t/m 3.23, 7.3<br />

nee nee nee<br />

§ 7.2 + 7.7 § 7.6<br />

§ 7.5<br />

§ 7.4<br />

opslag in containers tbv<br />

transport?<br />

nee<br />

ja<br />

§ 3.6, 3.17 t/m 3.20, 3.24 t/m 3.26<br />

Hoofdstuk 5<br />

algemene eisen voor<br />

overige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

§ 3.1, 3.2.3, 3.2.4, 3.3 t/m<br />

3.9, 3.11 t/m 3.27<br />

inpandig?<br />

ja<br />

§ 3.2.1<br />

nee<br />

§ 3.2.2<br />

ja<br />

klasse 4.1, 4.2, 4.3? Hoofdstuk 8<br />

nee<br />

klasse 5.2?<br />

nee<br />

ja<br />

LQ < 1.000 kg<br />

nee<br />

ja<br />

Hoofdstuk 9<br />

nee<br />

PGS 8<br />

> 10.000 kg of >1.000<br />

kg 6.1 VG I of 8 VG I<br />

met etiket 6.1<br />

ja<br />

Hoofdstuk 4<br />

nee<br />

geen verdere eisen <strong>van</strong> toepassing<br />

42


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Bijlage D<br />

Stappenplan vergunningverlening<br />

Hierna is kort beschreven volgens welke stappen de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 bij vergunningverlening kan<br />

worden aangepakt.<br />

Stap 1: Is sprake <strong>van</strong> een nieuwe of bestaande situatie?<br />

Voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 is <strong>van</strong> belang of sprake is <strong>van</strong> een nieuwe of bestaande situatie. Bij nieuwe<br />

situaties (oprichtings- of uitbreidingsvergunningen) is PGS 15 direct <strong>van</strong> toepassing.<br />

Wanneer een vergunning wordt verleend voor een opslagvoorziening waarvoor al eerder vergunning is<br />

verleend, kan het zijn dat deze voorziening niet voldoet aan de eisen zoals die voor nieuwbouw gelden.<br />

Dan moet worden bezien of het redelijk is of voor deze voorziening wordt verlangd dat deze in de nieuw<br />

af te geven vergunning wel op dat niveau wordt gebracht. Een en ander hangt af <strong>van</strong> de kosten, in<br />

verhouding tot het te bereiken hogere veiligheidsniveau. In het kader <strong>van</strong> het Bouwbesluit is bepaald dat<br />

er een gegronde reden moet zijn om <strong>van</strong> een bestaande bouwkundige voorziening te verlangen dat deze<br />

wordt gebracht op het niveau <strong>van</strong> nieuwbouw. Tussenoplossingen zijn ook mogelijk, waarbij enige<br />

bouwkundige verbeteringen worden aangebracht zonder dat geheel aan de eisen voor nieuwbouw wordt<br />

voldaan. Daarbij is <strong>van</strong> belang na te gaan in hoeverre de eisen op grond <strong>van</strong> PGS 15 verschillen <strong>van</strong> die uit<br />

CPR 15. Een voorbeeld is de situatie dat uitsluitend klasse 8, VG II en III wordt opgeslagen. De eisen ten<br />

aanzien <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> een opslagvoorziening zijn daarvoor komen te vervallen. Het is<br />

derhalve niet redelijk om <strong>van</strong> een inrichtinghouder te verwachten dat de brandwerendheid in stand wordt<br />

gehouden.<br />

Stap 2: Gegevens in vergunningaanvraag<br />

Om op grond <strong>van</strong> de vergunningaanvraag te kunnen beoordelen of en zo ja welke eisen uit PGS 15 <strong>van</strong><br />

toepassing zijn moet de vergunningaanvraag informatie bevatten over de aanwezige <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong>. Voor alle <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> geldt, dat ten minste de volgende gegevens moeten worden<br />

verstrekt:<br />

− omschrijving <strong>van</strong> de stof;<br />

− ADR-klasse (plus bijkomend gevaar en classificatie);<br />

− aard <strong>van</strong> de verpakking, het verpakkingsmateriaal en inhoud <strong>van</strong> de verpakking;<br />

− maximaal aanwezige totale hoeveelheid;<br />

− wijze en locatie <strong>van</strong> de opslag of opslagvoorziening.<br />

Bij opslagvoorzieningen voor meer dan 10.000 kg is altijd maatwerk nodig. Zie daarvoor hoofdstuk 4 <strong>van</strong><br />

PGS 15 of hoofdstuk 4 <strong>van</strong> deze Handleiding.<br />

Stap 3: Voorschriften in de vergunning<br />

Aan de hand <strong>van</strong> de verstrekte gegevens moet allereerst worden beoordeeld of PGS 15 <strong>van</strong> toepassing is.<br />

Vervolgens kan worden vastgesteld welk soort opslagvoorziening nodig is (het bedrijf zal dit in de vergunningaanvraag<br />

hebben omschreven) en welke eisen daar aan worden gesteld. De rele<strong>van</strong>te voorschriften<br />

uit PGS 15 kunnen in de vergunning worden opgenomen, waarbij de overwegingen die bij het vaststellen<br />

<strong>van</strong> die voorschriften een rol hebben gespeeld in de considerans kunnen worden vermeld.<br />

De voorschriften uit PGS 15 kunnen op verschillende manieren via de milieuvergunning <strong>van</strong> toepassing<br />

worden verklaard. Elk bevoegd gezag hanteert hiervoor zijn/haar eigen aanpak, uiteenlopend <strong>van</strong> een<br />

algemene verwijzing 'dat de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moet voldoen aan PGS 15' tot het<br />

overnemen <strong>van</strong> letterlijke teksten uit PGS 15 in de milieuvergunning. Uitgangspunt moet hierbij altijd zijn,<br />

dat de voorschriften eenduidig en handhaafbaar zijn en dat het voor de inrichtinghouder ondubbelzinnig<br />

duidelijk is welke eisen er aan de opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> worden gesteld.<br />

Aanbevolen wordt om in een milieuvergunning te verwijzen naar de voor de Wet milieubeheer rele<strong>van</strong>te<br />

bepalingen uit PGS 15.<br />

Gelijkwaardigheidsbeginsel<br />

Maatwerk moet worden toegepast voor situaties waar een interpretatie <strong>van</strong> een voorschrift nodig is om<br />

de eisen vast te kunnen stellen, dan wel waar de feitelijke situatie afwijkt <strong>van</strong> PGS 15. Het is dan aan de<br />

vergunningaanvrager om gegevens te overleggen waaruit blijkt dat met de afwijkende situatie een<br />

minimaal gelijkwaardige bescherming kan worden bereikt. Het bevoegd gezag bepaalt uiteindelijk of<br />

dit ook daadwerkelijk het geval is en of voor de afwijkende situatie vergunning kan worden verleend.<br />

43


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Bijlage E<br />

Verschillen met CPR 15 - richtlijnen<br />

Deze bijlage geeft een overzicht <strong>van</strong> de belangrijkste verschillen tussen de met de voormalige CPR 15 -<br />

richtlijnen en PGS 15.<br />

Aspect Toelichting op het verschil tussen CPR 15 en PGS 15<br />

Indeling <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

ADR indeling <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in plaats <strong>van</strong> Wms<br />

stofcategorieën (met uitzondering <strong>van</strong> de CMR-<strong>stoffen</strong>).<br />

Meer <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> onder de<br />

werkingssfeer<br />

Minder <strong>stoffen</strong> onder werkingssfeer<br />

Meer situaties onder werkingssfeer<br />

Aanpassing ondergrenzen<br />

Bodembescherming<br />

Hoeveelheden in kg of liter<br />

Aanpassing <strong>van</strong> de eisen voor<br />

<strong>stoffen</strong>scheiding<br />

Gelijkwaardigheidsbeginsel<br />

Werkvoorraad nader gespecificeerd<br />

Inpandige en uitpandige opslagvoorzieningen<br />

De werkingssfeer is uitgebreid met de volgende categorieën<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>:<br />

− gasflessen, spuitbussen en gaspatronen<br />

− zeer licht ontvlambare <strong>stoffen</strong><br />

− brand<strong>gevaarlijke</strong> vaste <strong>stoffen</strong><br />

− voor zelfontbranding vatbare <strong>stoffen</strong><br />

− <strong>stoffen</strong> die in contact met water brandbare gassen<br />

ontwikkelen<br />

− organische peroxiden (klasse 5.2, tot 1.000 kg)<br />

− infectueuze <strong>stoffen</strong> (ziekenhuisafval en diagnostische<br />

monsters).<br />

− carcinogene, mutagene en reproductietoxische <strong>stoffen</strong><br />

(CMR-<strong>stoffen</strong>)<br />

Schadelijke en irriterende <strong>stoffen</strong> (Xn en Xi volgens Wms)<br />

vielen wel onder de werkingssfeer <strong>van</strong> CPR 15, maar niet meer<br />

onder PGS 15.<br />

<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> containers gevuld met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> valt<br />

onder werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15. Hierbij is aangesloten bij de<br />

"Leidraad voor vergunningverlening voor opslag <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> bij stuwadoorsbedrijven". De voorschriften<br />

staan in hoofdstuk 5 <strong>van</strong> PGS 15.<br />

De ondergrenzen <strong>van</strong> de werkingssfeer zijn voor de meeste<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> verruimd. Uitzondering vormen de CMR<strong>stoffen</strong><br />

en <strong>stoffen</strong> in verpakkingsgroep I.<br />

In PGS 15 is ten aanzien <strong>van</strong> voorschriften over bodembescherming<br />

aangesloten bij de Nederlandse Richtlijn<br />

Bodembescherming (NRB).<br />

Bij het vaststellen <strong>van</strong> hoeveelheden, grenzen en dergelijke<br />

is aangesloten bij de terminologie <strong>van</strong> het ADR.<br />

Het ADR hanteert twee termen:<br />

1. Nominale inhoud <strong>van</strong> houders in liters (voor vloei<strong>stoffen</strong> en<br />

samengeperste gassen).<br />

2. Netto massa in kilogrammen (voor vaste <strong>stoffen</strong> en overige<br />

gassen).<br />

De voorschriften voor compartimentering zijn praktischer<br />

geworden en geven een bedrijf de mogelijkheid een<br />

opslagconfiguratie te kiezen die past bij de bedrijfsvoering.<br />

PGS 15 geeft bij bepaalde <strong>stoffen</strong> de mogelijkheid om de<br />

noodzaak <strong>van</strong> <strong>stoffen</strong>scheiding af te laten hangen <strong>van</strong> een<br />

beoordeling <strong>van</strong> de feitelijke opslagsituatie.<br />

PGS 15 bevat het gelijkwaardigheidbeginsel, op grond<br />

waar<strong>van</strong> andere maatregelen kunnen worden getroffen dan<br />

die in PGS 15 zijn voorgeschreven mits wordt aangetoond dat<br />

een minstens vergelijkbaar beschermingsniveau wordt<br />

gerealiseerd.<br />

PGS 15 geeft een omschrijving <strong>van</strong> het begrip werkvoorraad,<br />

zodat de kans op verschillende interpretatie door bevoegd<br />

gezag en bedrijf kleiner is.<br />

PGS 15 gaat over inpandige en uitpandige opslagvoorzieningen,<br />

in tegenstelling tot de termen losse kast, bouwkundige kast,<br />

kluis, opslaggebouw en vatenpark uit de CPR 15 reeks. Deze<br />

aanpassing geeft meer flexibiliteit en ruimte voor nieuwe<br />

ontwikkelingen op het gebied <strong>van</strong> kant-en-klare opslagvoorzieningen.<br />

44


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Aspect Toelichting op het verschil tussen CPR 15 en PGS 15<br />

Grotere opslaghoeveelheid in<br />

inpandige opslag voorzieningen<br />

Verplichting tot nooddrukontlasting<br />

is vervallen<br />

Introductie begrip 'vakbekwaamheid'<br />

Meerdere opslagvoorzieningen<br />

met elk < 10.000 kg onder het<br />

algemeen regime<br />

Eisen productop<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

gewijzigd<br />

Veranderingen met betrekking tot<br />

opslag <strong>van</strong> gasflessen<br />

Certificatie en beoordeling brandbeveiligingsinstallaties<br />

De eisen voor inpandige opslag zijn, onder bepaalde<br />

omstandigheden, versoepeld. Beschikt een inpandige<br />

opslagvoorziening over een brandmeldinstallatie met<br />

doormelding (of gelijkwaardig), dan mag 10.000 kg (in plaats<br />

<strong>van</strong> 2.500 kg) worden opgeslagen. De beperking tot 2.500 kg<br />

geldt overigens niet voor klasse 8, VG II en III.<br />

Op grond <strong>van</strong> CPR 15-1 moest een kluis of opslaggebouw.<br />

Waar (licht) ontvlambare vloei<strong>stoffen</strong> zijn voorzien <strong>van</strong> een<br />

drukontlastvoorziening welke een plotseling optredende<br />

drukgolf kan op<strong>van</strong>gen zonder dat de gehele constructie<br />

bezwijkt. PGS 15 stelt deze eis niet meer. Reden hiervoor is, dat<br />

op grond <strong>van</strong> PGS 15 zodanige preventieve voorzieningen zijn<br />

voorgeschreven, dat de noodzaak voor een dergelijke<br />

maatregel is komen te vervallen.<br />

Daar waar in de CPR 15 reeks werd gesproken in termen <strong>van</strong><br />

voorlichting en instructie, moet op grond <strong>van</strong> PGS 15 tijdens<br />

het verrichten <strong>van</strong> werkzaamheden met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in<br />

opslagvoorzieningen <strong>van</strong> meer dan 2.500 kg een vakbekwaam<br />

persoon aanwezig zijn. Wat onder vakbekwaam wordt<br />

verstaan, is toegelicht in paragraaf 3.17 <strong>van</strong> PGS 15.<br />

Voor meerdere opslagvoorzieningen binnen een inrichting<br />

met elk minder dan de hiervoor genoemde ondergrenzen<br />

gelden voor elke opslagvoorziening de eisen uit hoofdstuk 3<br />

<strong>van</strong> PGS 15. Hoofdstuk 4 is dan niet <strong>van</strong> toepassing. Vroeger<br />

was CPR 15-2 <strong>van</strong> toepassing.<br />

CPR 15 eiste een productop<strong>van</strong>gcapaciteit <strong>van</strong> 100% bij<br />

brandbare <strong>stoffen</strong> en 100% <strong>van</strong> de grootste emballage plus<br />

10% <strong>van</strong> totale emballage bij niet brandbare <strong>stoffen</strong>.<br />

In PGS 15 wordt een andere aanpak gehanteerd:<br />

− bij een opslag <strong>van</strong> < 10.000 kg geldt 110% <strong>van</strong> de grootste<br />

verpakking of (als dat meer is) 10% <strong>van</strong> de totale verpakkingen;<br />

− bij een opslag <strong>van</strong> > 10.000 kg gelden andere eisen, welke<br />

afhankelijk zijn <strong>van</strong> het beschermingsniveau en het<br />

vlampunt <strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong>. Naast de productop<strong>van</strong>g<br />

gelden bij een opslag <strong>van</strong> meer dan 10 ton ook<br />

eisen ten aanzien <strong>van</strong> de bluswaterop<strong>van</strong>g. De totale<br />

op<strong>van</strong>gcapaciteit wordt bepaald door de som <strong>van</strong> de<br />

bluswaterop<strong>van</strong>gcapaciteit en de productop<strong>van</strong>gcapaciteit.<br />

In de meeste 8.40 amvb’s werd voor de opslag <strong>van</strong> gasflessen<br />

verwezen naar de CPR 15-1. In vergelijking hiermee stelt de<br />

PGS-15 op een aantal punten geen eisen meer. Zo hoeft er<br />

geen afdak tegen de weersinvloeden te worden gerealiseerd,<br />

omdat risico’s <strong>van</strong> gasflessen hoofdzakelijk worden bepaald<br />

door oververhitting als gevolg <strong>van</strong> een brand in de omgeving.<br />

Voor het onderhoud <strong>van</strong> de gasflessen is het echter wel aan te<br />

bevelen deze tegen weersinvloeden te beschermen. Verder<br />

zijn een vloeidichte vloer en productop<strong>van</strong>g niet meer<br />

verplicht. Ook is er geen scheiding meer vereist of een<br />

brandwerendheid <strong>van</strong> 60 minuten tussen brandbare en<br />

brandbevorderende gassen. Het Activiteitenbesluit verwijst<br />

naar PGS 15.<br />

PGS 15 speelt in op de nieuwe accreditatie- en certificatiemethode<br />

voor brandbeveiligingsinstallaties. De systematiek<br />

blijft wel vergelijkbaar:<br />

− een brandbeveiligingsinstallatie moet zijn ontworpen<br />

volgens een bepaalde norm;<br />

− het bevoegd gezag moet de installatie hebben<br />

goedgekeurd;<br />

− certificatie bij oplevering en jaarlijkse inspectie na<br />

ingebruikname.<br />

45


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Aspect Toelichting op het verschil tussen CPR 15 en PGS 15<br />

Brandbeveiligingsinstallatie geschikt<br />

voor opgeslagen <strong>stoffen</strong><br />

Verplichting tot opstellen intern<br />

noodplan<br />

Versoepelde eisen voor kortdurende<br />

opslag<br />

Bij beschermingsniveau 1 is een brandbeveiligingsinstallatie<br />

noodzakelijk. Verschillende typen zijn beschreven in bijlage 5<br />

<strong>van</strong> PGS 15. Voordat een keuze voor een bepaald type wordt<br />

gemaakt moet echter nadrukkelijk worden nagegaan of deze<br />

geschikt is voor de <strong>stoffen</strong> die zullen worden opgeslagen.<br />

PGS 15 bevat een verplichting tot het opstellen <strong>van</strong> een intern<br />

noodplan, voor opslagen <strong>van</strong>:<br />

− meer dan 10.000 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>;<br />

− meer dan 1.000 kg zeer giftige <strong>stoffen</strong> (klasse 6.1, VG I);<br />

− giftige of giftig/bijtende gassen in gasflessen met een<br />

waterinhoud <strong>van</strong> > 250 liter.<br />

De voorschriften <strong>van</strong> PGS 15 (paragraaf 3.19) sluiten aan bij<br />

het Brzo en de ARIE-regeling.<br />

Vergelijkbaar met de eisen in het Activiteitenbesluit voor<br />

op- en overslagbedrijven, bevat PGS 15 in voorschrift 3.1.6<br />

versoepelde eisen voor kortdurende opslagen. Het voorschrift<br />

is <strong>van</strong> toepassing op <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die aan<br />

derden zijn geadresseerd.<br />

46


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Bijlage F<br />

Extra informatie<br />

F.1 Gedeelte <strong>van</strong> Tabel A <strong>van</strong> hoofdstuk 3.2 <strong>van</strong> het ADR<br />

Tabel A uit hoofdstuk 3.2 vormt de kern <strong>van</strong> het ADR en geeft voor <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> informatie over de<br />

classificering, verpakkingsgroep, etikettering en een groot aantal andere zaken die voor het transport <strong>van</strong><br />

een bepaalde <strong>gevaarlijke</strong> stof <strong>van</strong> belang zijn. Hierna zijn de gegevens voor methanol, mierenzuur en<br />

natronloog vermeld.<br />

UN-nr<br />

Benaming en beschrijving<br />

Klasse<br />

Classificatiecode<br />

Verpakkingsgroep<br />

Etiketten<br />

Bijzondere bepalingen<br />

Gelimiteerde hoeveelheden<br />

instructies<br />

bijzondere bepalingen<br />

Verpakkingen<br />

gezamenlijke<br />

verpakking<br />

instructies<br />

bijzondere bepalingen<br />

UN-transporttanks<br />

6.1, II<br />

tankcode<br />

bijzondere bepalingen<br />

RID tanks 8, I<br />

Vervoerscategorie<br />

colli<br />

losgestort<br />

laden, lossen en<br />

behandeling<br />

Bijzondere<br />

bepaling voor<br />

het vervoer<br />

Expres-goed<br />

Gevaarsidentificatienummer<br />

ADRartikel<br />

3.1.2 2.2 2.2 2.1.1.3 5.2.2 3.3 3.4.6 4.1.4 4.1.4 4.1.10 4.2.4.2 4.2.4.3 4.3 4.3.5<br />

6.8.4<br />

1.1.3.1c 7.2.4 7.3.3 7.5.11 7.6 5.3.2.3<br />

kolom nr [1] [2] [3a] [3b] [4] [5] [6] [7] [8] [9a] [9b] [10] [11] [12] [13] [15] [16] [17] [18] [19] [20]<br />

1230 methanol 3 FT1 II 3+6.1 279 LQ0 P001<br />

IBC02<br />

MP19 T7 TP2 L4BH TU15<br />

TE1<br />

TE15<br />

2 CW13 CE7 336<br />

CW28<br />

1779 mierenzuur 8 C3 II 8 LQ22 P001<br />

IBC02<br />

MP15 T7 TP2 L4BN 2 CE6 80<br />

1824 natriumhydroxide,<br />

oplossing<br />

(natronloog)<br />

8 C5 II 8 LQ23 P001<br />

IBC02<br />

MP15 T7 TP2 L4BN 2 CE6 80<br />

Voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 zijn met name de volgende kolommen <strong>van</strong> Tabel A <strong>van</strong> belang:<br />

Kolom Omschrijving Rele<strong>van</strong>tie<br />

[1] UN-nummer Unieke identificatie <strong>van</strong> een stof of preparaat.<br />

[2] benaming/omschrijving Chemische benaming <strong>van</strong> de stof of handelsnaam.<br />

[3a] ADR-klasse Rele<strong>van</strong>t voor werkingssfeer en vaststellen eisen; kern <strong>van</strong> PGS 15.<br />

Bij meerdere gevaarsaspecten geeft de klasse het grootste gevaar aan.<br />

[3b] classificatiecode Geeft gevaarsaspect aan, rele<strong>van</strong>t voor hoofdstuk 8 (opslageisen<br />

voor <strong>stoffen</strong> klasse 4.x), Bijlage 7 (meest voorkomende gassen) en<br />

de <strong>stoffen</strong>scheidingsregels.<br />

[4] verpakkingsgroep De verpakkingsgroep (I, II of III) is onder meer <strong>van</strong> belang voor<br />

de toepassing <strong>van</strong> de ondergrenzen en het vaststellen <strong>van</strong> opslageisen<br />

en beschermingsniveaus.<br />

[5] etikettering Deze kolom geeft aan welke ADR-vervoersetiketten op een<br />

verpakking moeten zijn aangebracht. Als sprake is <strong>van</strong> meerdere<br />

gevaarsaspecten, moet voor elk aspect een etiket aanwezig zijn.<br />

[7] LQ (Limited Quantities) LQ betekent in dit geval dat voor methanol het LQ-regime niet <strong>van</strong><br />

toepassing is. Als een andere LQ vermelding is aangegeven geeft<br />

ADR voorschrift 3.4.6 informatie over welke LQ zijn bedoeld.<br />

De gelimiteerde hoeveelheden zijn rele<strong>van</strong>t voor:<br />

− de toepassing <strong>van</strong> de ondergrenzen (bij LQ-verpakkingen worden<br />

de ondergrenzen voor de werkingssfeer <strong>van</strong> PGS 15 verdubbeld);<br />

− de mogelijkheid voor opslag <strong>van</strong> een kleine hoeveelheid <strong>van</strong><br />

ADR klasse 5.2 onder PGS 15-condities;<br />

− bij uitsluitend LQ-verpakkingen zijn de <strong>stoffen</strong>scheidingsregels<br />

niet <strong>van</strong> toepassing.<br />

47


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

F.2 Voorbeeld <strong>van</strong> een veiligheidsinformatieblad voor Methanol<br />

Voor de toepassing <strong>van</strong> PGS 15 zijn niet alle onderdelen <strong>van</strong> een veiligheidsinformatieblad even rele<strong>van</strong>t.<br />

In het volgende voorbeeld zijn uitsluitend de meest rele<strong>van</strong>te (onderdelen <strong>van</strong>) hoofdstukken weergegeven.<br />

Hoofdstuk 1<br />

Onderwerp<br />

Synoniemen<br />

Gebruik <strong>van</strong> de stof<br />

Identificatie <strong>van</strong> de stof of het preparaat en <strong>van</strong> de vennootschap/onderneming<br />

Informatie<br />

CAS-nr 67-56-1<br />

EG-index-nr<br />

methylalcohol, houtgeest<br />

oplosmiddel, brandstof<br />

603-001-00-X<br />

EINECS-nr 200-659-6<br />

RETCS-nr<br />

NFPA-code 1-3-0<br />

Molecuulmassa 32.04<br />

Brutoformule<br />

PC1400000<br />

CH3OH<br />

Hoofdstuk 2<br />

Gevaarlijke<br />

Bestanddelen<br />

Samenstelling en informatie over de bestanddelen<br />

CAS-nr.<br />

EINECS-nr.<br />

methanol 67-56-1<br />

200-659-6<br />

Concentratie in % Gevaarsymbool Risico’s (R-zinnen)<br />

99.9 % F; T R11<br />

R23/24/25<br />

R39/23/24/25<br />

Hoofdstuk 3<br />

Hoofdstuk 4<br />

Hoofdstuk 5<br />

Hoofdstuk 6<br />

Hoofdstuk 7<br />

Hoofdstuk 8<br />

Gevaren<br />

Eerste-hulp maatregelen<br />

Brandbestrijdingsmaatregelen<br />

Maatregelen bij accidenteel vrijkomen <strong>van</strong> de stof of het preparaat<br />

Hanteren en opslag<br />

Maatregelen ter beheersing <strong>van</strong> blootstelling/ persoonlijke bescherming<br />

Hoofdstuk 9 Fysische en chemische eigenschappen<br />

Eigenschap<br />

Waarde<br />

Voorkomen (bij 20°C)<br />

Helder vloeibaar<br />

Geur<br />

Zwakke alcoholgeur<br />

Kleur<br />

Kleurloos<br />

Eigenschap<br />

Waarde<br />

pH-waarde<br />

N.B.<br />

Kookpunt/kooktraject 64.5 °C<br />

Vlampunt<br />

11 °C (TCC)<br />

Explosiegrenzen<br />

6 - 36 vol%<br />

Dampdruk (bij 20°C)<br />

127 hPa<br />

Dampdruk (bij 50°C)<br />

535 hPa<br />

Relatieve dichtheid (bij 20°C) 0.792<br />

Wateroplosbaarheid<br />

Volledig<br />

Oplosbaar in<br />

Ethanol, ether, aceton, chloroform<br />

Relatieve dampdichtheid 1.1<br />

Viscositeit<br />

0.0006 Pa.s<br />

Verdelingscoëfficiënt n-octanol/water -0.82/-0.66<br />

Verdampingssnelheid<br />

− t.o.v. butylacetaat<br />

− t.o.v. ether<br />

5.9<br />

5.3<br />

Smeltpunt/smelttraject - 97.8 °C<br />

Zelfontbrandingstemperatuur 385 °C<br />

Verzadigingsconcentratie<br />

166 g/m³<br />

48


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

Hoofdstuk 10<br />

Hoofdstuk 11<br />

Hoofdstuk 12<br />

Hoofdstuk 13<br />

Stabiliteit en reactiviteit<br />

Toxicologische informatie<br />

Ecologische informatie<br />

Instructies voor verwijdering<br />

Hoofdstuk 14 Informatie met betrekking tot het vervoer<br />

Onderwerp Landvervoer (ADR/RID) Informatie<br />

ADR-klasse 3<br />

ADR Classificatie Code<br />

FT1<br />

ADR/RID verpakkingsgroep<br />

II<br />

Stofaanduiding nummer 1230<br />

UN nummer 1230<br />

RID-klasse 3<br />

Gevaarsaanduiding nummer. 336<br />

TREM-kaart<br />

CEFIC TEC(R)- 30S1230<br />

’Proper shipping name’<br />

Methanol<br />

Andere informatie Transport label(s): 3 + 6.1<br />

Hoofdstuk 15<br />

Wettelijk verplichte informatie<br />

Licht ontvlambaar (F)<br />

Giftig (T)<br />

R-waarschuwingszinnen<br />

R11<br />

R23/24/25<br />

R39/23/24/25<br />

Licht ontvlambaar<br />

Giftig bij inademing, opname door de mond en aanraking met de huid<br />

Vergiftig: gevaar voor ernstige onherstelbare effecten bij inademing,<br />

aanraking met de huid en opname door de mond<br />

S-veiligheidsaanbevelingen<br />

S(01/02)<br />

S07<br />

S16<br />

(Achter slot en buiten bereik <strong>van</strong> kinderen bewaren)<br />

Verpakking goed gesloten houden<br />

Verwijderd houden <strong>van</strong> ontstekingsbronnen - niet roken<br />

S36/37 Draag geschikte handschoenen en beschermende kleding<br />

S45<br />

In geval <strong>van</strong> ongeval of als men zich onwel voelt, onmiddellijk een arts<br />

raadplegen (indien mogelijk de arts dit veiligheidsinformatieblad tonen)<br />

Hoofdstuk 16:<br />

Overige informatie<br />

49


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

F.3 Errata PGS 15<br />

Sinds de publicatie <strong>van</strong> PGS 15 in juni 2005 is de richtlijn op een tweetal punten gewijzigd. Daarnaast is<br />

een aantal onvolkomenheden gesignaleerd. In deze bijlage staat een overzicht <strong>van</strong> aanpassingen. De<br />

eerste twee zijn opgenomen in het "Errata bij PGS 15 d.d 5 juli 2005", zie www.vrom.nl. De overige zullen in<br />

de toekomst worden gepubliceerd.<br />

Onderdeel in PGS 15<br />

Hoofdstuk 3.2: Bouwkundige eisen<br />

aan een opslagvoorziening<br />

Hoofdstuk 3.2, voorschrift 3.2.4.4<br />

Bijlage 4, onder NEN 2678<br />

Paragraaf 7.1, derde alinea, tweede<br />

streepje<br />

Tabel 2<br />

Voorschrift 3.7.1<br />

Bijlage 3: <strong>stoffen</strong>scheiding<br />

Voorschrift 5.3.3<br />

Voorschrift 5.6.8<br />

Diverse onderdelen<br />

Omschrijving<br />

De paragraaf is in zijn geheel ver<strong>van</strong>gen door de paragraaf in<br />

het erratum. Het gaat in hoofdzaak om de volgende wijzigingen:<br />

− een aanpassing <strong>van</strong> de tekst voor wat betreft de interpretatie<br />

<strong>van</strong> het Bouwbesluit.<br />

− een aanpassing <strong>van</strong> de paragraaf "Eigenschappen toegepaste<br />

materialen in de gebouwconstructie"; het begrip<br />

onbrandbaar is aangepast.<br />

Aan dit voorschrift is toegevoegd dat bij de beoordeling <strong>van</strong><br />

de onbrandbaarheid moet worden gekeken naar ten minste de<br />

eerste 10 mm.<br />

Bij "Toegestaan voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>" moet<br />

klasse 2 worden verwijderd.<br />

Wijzigen in:<br />

<strong>Opslag</strong> <strong>van</strong> spuitbussen en gaspatronen met een gezamenlijke<br />

inhoud die groter is dan de voor de inhoud <strong>van</strong> de spuitbus<br />

<strong>van</strong> toepassing zijnde ondergrens volgens tabel 3, waar<strong>van</strong> de<br />

inhoud (zowel het drijfgas als de stof die verneveld moet<br />

worden) in de zin <strong>van</strong> de Wms aangemerkt moet worden als<br />

een zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare, ontvlambare,<br />

toxische, corrosieve of oxiderende stof.<br />

Onder klasse 2 moeten ook 'gaspatronen' worden vermeld.<br />

De eisen ten aanzien <strong>van</strong> ventilatie <strong>van</strong> opslagvoorzieningen<br />

gelden ook voor brandveiligheidsopslagkasten. Er zal worden<br />

geanticipeerd op NEN‐EN 14470-1 en NEN‐EN 14470-2.<br />

Er zal expliciet worden vermeld dat er geen noodzaak is voor<br />

compartimentering <strong>van</strong> gasflessen.<br />

De norm voor ondergrondse brandkranen is ver<strong>van</strong>gen door<br />

NEN‐EN 14339.<br />

Dit voorschrift wordt aangepast voor wat betreft de plaatsing<br />

<strong>van</strong> tankcontainers met klasse 3 <strong>stoffen</strong>.<br />

Aanpassing naar aanleiding <strong>van</strong> wijzigingen in het ADR:<br />

− wijziging <strong>van</strong> vlampunt 61°C naar 60°C;<br />

− UN 2005 is vervallen (Tabel 8 <strong>van</strong> hoofdstuk 8);<br />

− UN 1014 is vervallen (Bijlage 7);<br />

− nieuw etiket voor klasse 5.2 (verplicht na 31-12-2010).<br />

50


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

F.4 Standpunt Arbeidsinspectie over explosieveiligheid in PGS 15 opslagvoorzieningen<br />

Explosieveiligheid in PGS 15-opslagen voor <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

Standpunt Arbeidsinspectie betreffende UN-gekeurde verpakkingen en verpakkingen onder het<br />

LQ-regime<br />

Samenvatting<br />

Dit standpunt is alleen geldig voor opslagen <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die voldoen aan de beheersmaatregelen<br />

<strong>van</strong> de PGS 15 richtlijn of haar voorganger de CPR 15 en voor verpakkingen zonder ontluchtingsventiel<br />

die voldoen aan het UN-keur of vallen onder het LQ-regime.<br />

Sinds juni 2005 is voor bedrijven en overheden de PGS 15 richtlijn beschikbaar voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong>. Daarnaast is per 1 juli 2006 de ATEX-richtlijn, de Europese richtlijn voor explosieveiligheid, via<br />

het Arbobesluit <strong>van</strong> kracht. De samenloop <strong>van</strong> deze richtlijnen hebben gezorgd voor een aantal vragen<br />

over explosiegevaar, gevarenzone-indeling en explosieveilig materieel in PGS 15 opslagen.<br />

De Arbeidsinspectie heeft nu een standpunt ingenomen ten aanzien <strong>van</strong> explosieveiligheid en UNgekeurde<br />

verpakkingen zonder ontluchtingsventiel. Deze verpakkingen zijn beproefd en goedgekeurd<br />

voor transportdoeleinden. Ook voor verpakkingen die vallen onder het LQ-regime is dit standpunt <strong>van</strong><br />

toepassing. Het standpunt is alleen geldig voor opslagen die voldoen aan de voorschriften uit de PGS 15<br />

waarop de Arbeidsinspectie het toezicht heeft of aan de voorschriften <strong>van</strong> haar voorganger, de CPR 15.<br />

Het standpunt luidt dat bij het indelen <strong>van</strong> een PGS 15 opslag in gevarenzones dergelijke verpakkingen<br />

niet worden gezien als secundaire gevarenbron. Dit is een verduidelijking <strong>van</strong> de NPR 7910-1 (2001). In het<br />

geval <strong>van</strong> een PGS 15 opslag met alleen verpakkingen die voldoen aan de UN-keur, kan dit leiden tot een<br />

indeling in Niet Gevaarlijk Gebied. Het belangrijkste gevolg hier<strong>van</strong> is dat tijdens normaal bedrijf geen<br />

explosieveilig materieel hoeft te worden gebruikt (zoals heftrucks).<br />

Deze aanpak is in lijn met de ATEX-regelgeving rond explosieveiligheid uit het Arbobesluit. Het blijft voor<br />

bedrijven altijd noodzakelijk om in het kader <strong>van</strong> explosieveiligheid rekening te houden met calamiteiten,<br />

zoals het lek steken <strong>van</strong> een vat met de lepels <strong>van</strong> een heftruck of het vallen <strong>van</strong> een vat uit een stelling.<br />

Over twee jaar kan dit standpunt worden geëvalueerd.<br />

1. Inleiding<br />

Sinds juni 2005 is voor bedrijven en overheden de PGS 15 richtlijn beschikbaar voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong>. Daarnaast is per 1 juli 2006 de ATEX-richtlijn, de Europese richtlijn voor explosieveiligheid, via<br />

het Arbobesluit onverkort <strong>van</strong> kracht (artikelen 3.5a tot en met 3.5g). De samenloop <strong>van</strong> deze richtlijnen<br />

hebben gezorgd voor een aantal vragen over explosiegevaar, gevarenzone-indeling en explosieveilig<br />

materieel in PGS 15 opslagen.<br />

Na de implementatie <strong>van</strong> de ATEX 137 regelgeving in de Nederlandse wetgeving is door de Arbeidsinspectie<br />

geconstateerd dat bedrijven die <strong>gevaarlijke</strong> licht ontvlambare <strong>stoffen</strong> in emballage in loodsen<br />

opslaan (in de volksmond de zogenaamde CPR 15-2 loodsen), niet voldeden aan de letter <strong>van</strong> richtlijnen<br />

en normen. Hierbij betrof het voornamelijk de indeling in zone 2 voor gasexplosiegevaar en het daardoor<br />

noodzakelijke gebruik <strong>van</strong> explosieveilig materieel <strong>van</strong> categorie 3. In het bijzonder vormden de interne<br />

transportmiddelen zoals heftrucks een struikelblok.<br />

De branche heeft beargumenteerd dat onder normaal bedrijf het explosierisico verwaarloosbaar is.<br />

Het gebruik <strong>van</strong> explosieveilige heftrucks zou niet nodig zijn, omdat in de opslag brandbare <strong>stoffen</strong> in<br />

UN goedgekeurde verpakkingen (cans, vaten of IBC-containers) worden vervoerd.<br />

De essentie <strong>van</strong> dit argument is dat verpakkingen die voldoen aan de eisen uit de transportwetgeving<br />

voor vervoer <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> waar het gaat om verpakking en etikettering, zoals verwoord in<br />

de "Recommendations on the Transport of Dangerous Goods", niet behoeven te worden gezien als<br />

secundaire gevarenbron als bedoeld in de Nederlandse Praktijk Richtlijn (NPR) 7910 deel 1 (2001).<br />

Deze notitie geeft aan welk standpunt de Arbeidsinspectie op dit terrein inneemt. In deze notitie wordt<br />

gesproken over brandbare <strong>stoffen</strong> waarbij het vooral zal gaan om brandbare vloei<strong>stoffen</strong> omdat dat de<br />

grootste groep producten is. Het standpunt is echter ook <strong>van</strong> toepassing op gassen verpakt in reguliere<br />

gasflessen en op spuitbussen. Tevens geldt dit regime ook voor de UN <strong>verpakte</strong> brandbare vaste <strong>stoffen</strong>,<br />

waarvoor de NPR 7910-2 wordt gebruikt.<br />

51


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

2. Regelgeving rond explosieveiligheid en gevarenzone-indeling<br />

Sinds 1 juli 2003 is §2a Explosieve atmosferen in het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen met<br />

daarin de artikelen 3.5a tot en met 3.5f. Hierdoor is de Europese richtlijn 1999/92/EG, betreffende minimumvoorschriften<br />

voor de verbetering <strong>van</strong> de gezondheidsbescherming en <strong>van</strong> de veiligheid <strong>van</strong> werknemers<br />

die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (ook ATEX 137 genoemd), in de Nederlandse<br />

wetgeving geïmplementeerd. Gevolg <strong>van</strong> de nieuwe artikelen is, dat ook bedrijven die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

opslaan, uiterlijk op 1 juli 2006 de gevaren <strong>van</strong> explosieve atmosferen en de bijzondere risico’s die daaruit<br />

kunnen voortvloeien hebben beoordeeld en schriftelijk hebben vastgelegd.<br />

Als uit de beoordeling blijkt dat er bij normaal bedrijf explosieve atmosferen <strong>van</strong> gasmengsels kunnen<br />

voorkomen, moeten de gebieden waar deze atmosferen kunnen heersen, worden ingedeeld in zogenaamde<br />

gevarenzones. Voor deze zones moeten dan speciale voorzieningen worden getroffen ten<br />

aanzien <strong>van</strong> ontstekingsbronnen (naast het treffen <strong>van</strong> allerlei andere algemene preventieve beheersmaatregelen<br />

die zijn vermeld in de PGS 15 of in nog voorkomende gevallen uit de CPR 15-1/2). Afhankelijk<br />

<strong>van</strong> de hoeveelheden en aanwezigheidsduur zijn er drie zones te onderscheiden: zone 0, 1 of 2. Uitgangspunt<br />

voor deze gevarenzone-indeling zijn de plaatsen waar brandbare stof kan vrijkomen. In vakjargon<br />

worden dit de gevarenbronnen genoemd, waarbij drie vormen zijn te onderscheiden:<br />

− een continue gevarenbron, dwz. een plaats waar tijdens normaal bedrijf brandbare stof meer dan<br />

1.000 uur per jaar vrijkomt;<br />

− een primaire gevarenbron, dwz. een plaats waar tijdens normaal bedrijf brandbare stof tussen 10 en<br />

1.000 uur per jaar regelmatig of incidenteel vrijkomt;<br />

− een secundaire gevarenbron, dwz. een plaats waar het vrijkomen <strong>van</strong> brandbare stof tijdens normaal<br />

bedrijf niet waarschijnlijk is, in elk geval minder dan 10 uur per jaar.<br />

Uitgangspunt <strong>van</strong> de zone-indeling is zone 0 bij een continue gevarenbron, zone 1 bij een primaire en<br />

zone 2 in het geval <strong>van</strong> een secundaire gevarenbron. Afhankelijk <strong>van</strong> de ventilatieomstandigheden in de<br />

omgeving <strong>van</strong> de gevarenbron, kan de zone-indeling zwaarder of lichter uitvallen dan de overeenkomstige<br />

zone. In gebieden waarbinnen tijdens normaal bedrijf geen explosieve atmosfeer kan ontstaan,<br />

zijn geen specifieke maatregelen ten aanzien <strong>van</strong> ontstekingsbronnen nodig. Een dergelijk gebied<br />

wordt aangemerkt als NGG (Niet Gevaarlijk Gebied).<br />

De zonering kan worden uitgevoerd met behulp <strong>van</strong> de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 7910-1<br />

"Gevarenzone-indeling met betrekking tot ontploffingsgevaar – Deel 1: Gasontploffingsgevaar",<br />

gebaseerd op NEN-EN-IEC 60079-10. De Arbeidsinspectie hanteert deze richtlijn als norm: bedrijven die<br />

in noodzakelijke gevallen maatregelen nemen in overeenstemming met deze praktijkrichtlijn en tot<br />

gevarenzone-indelingen komen, voldoen hiermee aan de vereisten uit de arbeidsomstandighedenregelgeving.<br />

3. Standpunt over het opslaan <strong>van</strong> brandbare <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in UN goedgekeurde verpakking<br />

Zoals in de inleiding aangegeven, zijn betrokken bedrijven <strong>van</strong> mening dat brandbare <strong>stoffen</strong> die conform<br />

de UN regels zijn verpakt niet als secundaire gevarenbron moet worden beschouwd (verpakkingen <strong>van</strong><br />

dergelijke <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in opslagloodsen zijn gezien de definities zeker niet te beschouwen als een<br />

continue of primaire gevarenbron).<br />

In NPR 7910-1 worden blikken en vaten met brandbare vloei<strong>stoffen</strong> gewoonlijk als secundaire gevarenbronnen<br />

gezien (hoofdstuk 7.3 Secundaire gevarenbronnen). Echter UN verpakkingen worden aan een<br />

strenge aantoonbare typekeur onderworpen (in Nederland o.a. verzorgd door TNO Certification B.V.).<br />

Verpakkingen die aan UN-eisen moeten voldoen, ondergaan de volgende testen:<br />

− Valproeven <strong>van</strong>af een hoogte <strong>van</strong> 0,8 – 1,8 meter.<br />

− Lekdichtheidstesten bij een druk <strong>van</strong> 0,2 - 0,3 bar overdruk.<br />

− Inwendige hydraulische drukproeven tot 1,75 maal de dampspanning <strong>van</strong> de vloeistof bij minimaal<br />

50°C gedurende 5 – 30 minuten.<br />

− Stapelproeven tot een hoogte <strong>van</strong> minimaal 3 meter.<br />

52


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

In hoofdstuk 7.4 <strong>van</strong> NPR 7910-1 wordt een overzicht gegeven <strong>van</strong> onderdelen die niet als gevarenbron<br />

behoeven te worden beschouwd. Voor de onderhavige problematiek gaat het om de volgende tekst uit<br />

dit hoofdstuk (de aanhef in combinatie met het derde aandachtsstreepje), namelijk: “Onderdelen waarbij<br />

goede constructie, goed onderhoud en goede bedrijfsvoering de kans op vrijkomen <strong>van</strong> brandbare stof<br />

ook onder abnormale bedrijfsomstandigheden en bij storingen verwaarloosbaar klein wordt geacht, zijn<br />

geen gevarenbronnen. Hiertoe behoren:<br />

− flens-schroefdraad- en knelverbindingen die niet aan (grote) temperatuurvariaties, drukschommelingen<br />

of trillingen onderhevig zijn en die door ontwerp, uitvoering en beproeving als geheel dicht kunnen<br />

worden beschouwd”,<br />

Gezien het voorgaande (het gaat bij de verpakkingen die onder het UN-keur vallen immers om de schroefdraad-<br />

en knelverbindingen) en gegeven de eisen waaraan de UN gekeurde verpakkingen voor brandbare<br />

<strong>stoffen</strong> voldoen en de aard <strong>van</strong> de normale bedrijvigheid met die verpakkingen (opslag en transport),<br />

is de Arbeidsinspectie <strong>van</strong> mening dat de UN gekeurde verpakkingen voor brandbare <strong>stoffen</strong> zonder<br />

ontluchtingsventiel in opslagloodsen niet als secundaire bron behoeven te worden aangemerkt.<br />

In loodsen met uitsluitend opslag <strong>van</strong> brandbare <strong>stoffen</strong> in dergelijke UN gekeurde verpakkingen, hoeft<br />

dus geen gebruik te worden gemaakt <strong>van</strong> explosieveilige heftrucks tijdens normale bedrijfsomstandigheden.<br />

Ook zijn andere maatregelen ter beperking <strong>van</strong> explosiegevaar in geval <strong>van</strong> het normale bedrijf<br />

niet noodzakelijk.<br />

De uitzondering geldt ook voor de kleinverpakkingen (veelal consumentenproducten) die volgens het<br />

zogenaamde LQ-regime (Limited Quantities regime) zijn verpakt. Deze verpakkingen zijn weliswaar niet<br />

getest, maar door hun kleine volume (25 ml tot maximaal 5 liter per binnenverpakkingen afhankelijk <strong>van</strong><br />

de gevaarszetting <strong>van</strong> het product) en wegens het feit dat die dubbel verpakt zijn, kunnen die slechts een<br />

klein effect (risico) veroorzaken bij een lekkage. In hoofdstuk 3.4 <strong>van</strong> het ADR is deze vrijstelling in detail<br />

uitgewerkt.<br />

In alle andere vormen <strong>van</strong> opslag <strong>van</strong> brandbare <strong>stoffen</strong> zoals de opslag <strong>van</strong> aanstekers; UN-gekeurde<br />

verpakkingen met ontluchtingsventiel; IBC-verpakkingen die buiten de beproevingstermijn worden<br />

gebruikt en andere niet gekeurde verpakkingen is sprake <strong>van</strong> secundaire gevarenbronnen. Deze bronnen<br />

zullen leiden tot een gevarenzone en de daaruit voortvloeiende noodzakelijke veiligheidsmaatregelen<br />

moeten worden uitgevoerd. De maatregelen in NPR 7910‐1 zijn gebaseerd op het principe <strong>van</strong> ‘normale<br />

bedrijfsvoering’ (zie paragraaf 3.12.3 en 1.3) en niet op een calamiteit, zoals het leksteken <strong>van</strong> een vat door<br />

de lepels <strong>van</strong> een heftruck of het vallen <strong>van</strong> een vat uit een stelling.<br />

Het is altijd noodzakelijk dat bedrijven in het kader <strong>van</strong> explosieveiligheid (en/of andere bepalingen in<br />

het Arbobesluit) nadenken hoe om te gaan met calamiteiten waarbij explosiegevaar kan ontstaan en<br />

dat ze daarvoor ook preventief maatregelen nemen. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat een bedrijf toch<br />

explosieveilige materieel (zoals een pomp en/of verlichting) moet inzetten om lekgeraakte verpakkingen<br />

te verwijderen.<br />

53


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

F.5 Overzicht <strong>van</strong> in deze Handleiding gebruikte afkortingen<br />

Afkorting<br />

ADR<br />

AI<br />

ARIE<br />

Omschrijving<br />

Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses<br />

par Route<br />

Arbeidsinspectie<br />

Aanvullende Risico Inventarisatie en Evaluatie<br />

BC Brandcompartiment, Brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003<br />

(gedeelte <strong>van</strong> één of meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied<br />

<strong>van</strong> brand).<br />

BdB<br />

Bevi/Revi<br />

Basisdocument Brandbeveiliging<br />

Besluit externe veiligheid inrichtingen/regeling externe veiligheid inrichtingen<br />

Brzo Besluit risico's zware ongevallen 1999<br />

CMR-<strong>stoffen</strong><br />

CPR<br />

GHS<br />

GS<br />

GF<br />

Carcinogene, mutagene of reproductietoxische <strong>stoffen</strong><br />

Commissie Preventie <strong>van</strong> Rampen<br />

Globally Harmonised System<br />

Gevaarlijke stof<br />

Gasfles<br />

IBC Intermediate Bulk Container, een stijve of flexibele verpakking die in hoofdstuk 6.5<br />

<strong>van</strong> het ADR is genoemd.<br />

IPPC-richtlijn<br />

LQ<br />

NEN<br />

NPR 7910-1<br />

PGS<br />

PvE<br />

Reach<br />

RI&E<br />

SB<br />

TPED<br />

UN<br />

VG<br />

VIB<br />

Wbdbo<br />

Wm<br />

Europese Richtlijn 96/61/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding <strong>van</strong><br />

verontreiniging<br />

Limited Quantities, Gelimiteerde Hoeveelheden<br />

Nederlandse Norm<br />

Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 7910-1 "Gevarenzone-indeling met betrekking tot<br />

ontploffingsgevaar – Deel 1: Gasontploffingsgevaar"<br />

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen<br />

Programma <strong>van</strong> Eisen<br />

Registratie, evaluatie en autorisatie <strong>van</strong> chemische <strong>stoffen</strong><br />

Risico Inventarisatie & Evaluatie<br />

Spuitbus<br />

Transportable Pressure Equipment Directive<br />

United Nations (In Nederlands “VN”)<br />

Verpakkingsgroep (in Engels “PG” : Packing Group)<br />

Veiligheidsinformatieblad<br />

Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag<br />

Wet milieubeheer<br />

Wms Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (vervalt per 1 juni 2008)<br />

Voor overige in deze Handleiding gebruikte begrippen wordt verwezen naar de begrippenijst in<br />

hoofdstuk 10 <strong>van</strong> PGS 15.<br />

54


Handleiding PGS 15 - InfoMil - December 2007<br />

F.6 Meer informatie nodig?<br />

Organisatie Welke informatie? Vindplaats<br />

ministerie <strong>van</strong> VROM − digitale versie PGS 15 en errata internet: www.vrom.nl<br />

InfoMil − checklist PGS 15;<br />

− downloaden <strong>van</strong> deze<br />

Handleiding PGS 15;<br />

− veelgestelde vragen PGS 15;<br />

− helpdesk PGS 15.<br />

Postbus PGS<br />

Voor het melden <strong>van</strong> tekortkomingen<br />

in PGS 15.<br />

Ministerie <strong>van</strong> SZW<br />

Arbeidsinspectie<br />

Nederlandse<br />

Vereniging voor<br />

Brandweerzorg en<br />

Rampenbestrijding<br />

(NVBR)<br />

Inspectie Verkeer &<br />

Waterstaat<br />

UN-ECE<br />

Europese Unie<br />

Informatie over arbeidsomstandighedenwet-<br />

en regelgeving<br />

en interpretatie daar<strong>van</strong>.<br />

Informatie over arbeidsomstandighedenwet-<br />

en regelgeving en<br />

interpretatie daar<strong>van</strong>.<br />

Informatie over de ATEX<br />

richtlijnen.<br />

Informatie over brandpreventie en<br />

brandbestrijding.<br />

Informatie en informatiebladen<br />

over vervoer <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong><br />

<strong>stoffen</strong>.<br />

ADR-tekst in het Engels<br />

(versie 2007).<br />

ADR-tekst in het Nederlands<br />

(versie 2003, niet actueel).<br />

internet: www.infomil.nl<br />

Helpdesk: telefoon: (070) 373 55 75<br />

(<strong>van</strong> 9 tot 12 uur)<br />

e-mail: info@infomil.nl<br />

internet: via www.infomil.nl<br />

postadres:<br />

Beheergroep Publicatiereeks<br />

Gevaarlijke Stoffen<br />

p/a InfoMil<br />

Postbus 93144<br />

2509 AC Den Haag<br />

internet: www.szw.nl<br />

telefoon: (070) 333 44 44 of<br />

0800 - 9051<br />

internet: www.arbeidsinspectie.nl<br />

telefoon: (070) 304 45 00 of<br />

0800 - 9051<br />

internet: www.nvbr.nl<br />

telefoon: (026) 355 24 55<br />

telefoon: (070) 305 24 44<br />

internet: www.ivw.nl/nl/<strong>gevaarlijke</strong><strong>stoffen</strong>/<br />

Goederenvervoer/regels/index.jsp<br />

www.unece.org/trans/danger/publi/adr/<br />

adr2007/07ContentsE.html<br />

http://eur‐lex.europa.eu/LexUriServ/site/nl/<br />

oj/2004/l_121/l_12120040426nl00010864.pdf<br />

of zoek op Publicatieblad L121 uit 2004<br />

via http://europa.eu.int/eur-lex/lex/<br />

55


InfoMil is een initiatief <strong>van</strong> de ministeries <strong>van</strong> VROM en Economische<br />

Zaken, in samenspraak met Interprovinciaal Overleg (IPO), Vereniging<br />

<strong>van</strong> Nederlandse Gemeenten ( VNG) en de Unie <strong>van</strong> Waterschappen.<br />

InfoMil is een opdracht <strong>van</strong> het ministerie <strong>van</strong> VROM en een onderdeel<br />

<strong>van</strong> SenterNovem.<br />

InfoMil<br />

Juliana <strong>van</strong> Stolberglaan 3<br />

2595 CA Den Haag<br />

Postbus 93144<br />

2509 AC Den Haag<br />

Telefoon 070 373 55 75<br />

Telefax 070 373 56 00<br />

info@infomil.nl<br />

www.infomil.nl<br />

Een publicatie <strong>van</strong> InfoMil,<br />

december 2007<br />

3IMV0708 © InfoMil, Den Haag 2007<br />

Hoewel deze publicatie met de grootst mogelijke zorg is samengesteld, kan SenterNovem geen<br />

enkele aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele fouten. Bij publicaties <strong>van</strong> SenterNovem die<br />

informeren over subsidieregelingen geldt dat de beoordeling <strong>van</strong> subsidieaanvragen uitsluitend<br />

plaatsvindt aan de hand <strong>van</strong> de officiële publicatie <strong>van</strong> het besluit in de staatscourant.


Errata bij PGS 15 d.d 28 juni 2005<br />

Errata hoofdstuk 3.2: Bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening<br />

In de inleiding <strong>van</strong> hoofdstuk 3.2 (pagina 17) worden de teksten <strong>van</strong> de alinea’s ‘Uitvoering<br />

weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag <strong>van</strong> een opslagvoorziening’ (pagina 17) en<br />

‘Eigenschappen toegepaste materialen in de gebouwconstructie’ (pagina 18) ver<strong>van</strong>gen door<br />

onderstaande teksten. Tevens wordt paragraaf 3.2.4.4 (pagina 22) ver<strong>van</strong>gen door een<br />

onderstaande tekst.<br />

Uitvoering weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag <strong>van</strong> een opslagvoorziening<br />

De WBDBO moet volgens het Bouwbesluit 2003 worden bepaald overeenkomstig NEN 6068. Een<br />

brandcompartiment moet worden gezien als een kubus die “rondom” (wanden, gevels en afdekking)<br />

dezelfde WBDBO heeft. Het begrip weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) bevat<br />

twee aspecten: de weerstand tegen branddoorslag en de weerstand tegen brandoverslag. De weerstand<br />

tegen branddoorslag wordt praktisch gezien bereikt door brandwerende (scheidings)constructies. Voor de<br />

experimentele bepalingsmethode <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> bouwdelen is NEN 6069 <strong>van</strong> toepassing.<br />

Indien brandwerende scheidingsconstructies worden toegepast dient de draagconstructie waaraan de<br />

scheidingsconstructie bevestigd is dezelfde brandwerendheid te hebben, of dient een voorziening te<br />

worden getroffen dat het bezwijken <strong>van</strong> een draagconstructie niet leidt tot het bezwijken <strong>van</strong> een<br />

scheidingsconstructie. De weerstand tegen brandoverslag wordt praktisch gezien bereikt door afstand<br />

tussen ruimten.<br />

Er is echter op een aantal punten binnen de reikwijdte <strong>van</strong> deze richtlijn aanvulling nodig met betrekking tot<br />

de uitvoering <strong>van</strong> de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, hetgeen neerkomt op:<br />

- De brandwerendheid als bedoeld in NEN 6069 wordt bepaald aan de hand <strong>van</strong> de standaard- of<br />

gereduceerde brandkromme. Een brand waarbij brandbare vloei<strong>stoffen</strong> betrokken zijn, zal zich anders<br />

gedragen dan deze gemodelleerde brand. Dit zou kunnen betekenen dat bij zo’n brand niet altijd de<br />

gewenste tijdsduur <strong>van</strong> brandwerendheid <strong>van</strong> een scheidingsconstructie wordt behaald. Dit noodzaakt<br />

een aanvullend voorschrift met betrekking tot de uitvoering <strong>van</strong> brandwerende constructies;<br />

- Binnen de reikwijdte <strong>van</strong> de NEN 6069 zou het mogelijk zijn om glazen puiconstructies toe te passen<br />

in wanden en afdekking <strong>van</strong> een opslagvoorziening. Glazen puiconstructies worden echter volgens<br />

NEN 6069 niet op dezelfde criteria getest als wandconstructies (Uitleg TNO). Een belangrijk criterium<br />

waaraan glasconstructies niet hoeven te voldoen is het criterium ‘thermische isolatie betrokken op<br />

temperatuur’. Bij het toepassen <strong>van</strong> brandwerende beglaasde puiconstructies zou dus niet de<br />

brandwerendheid worden verkregen die met het voorschrift is beoogd. Hoewel <strong>van</strong> toepassing zou ook<br />

het criterium ‘thermische isolatie betrokken op warmtestraling’ onvoldoende waarborgen bieden, daar<br />

als grenswaarde voor de maximale stralingsintensiteit 15 kW/m 2 wordt aangehouden terwijl de<br />

grenswaarde <strong>van</strong> 10 kW/m 2 bij opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> wordt gehanteerd. Met betrekking tot de<br />

WBDBO cq. de brandwerendheid moet daarom voor alle constructies aan alle criteria <strong>van</strong> de NEN<br />

6069, uitgave 1996 en NEN 6069/1A uitgave 2001 worden voldaan;<br />

- Om te voorkomen dat bij elke opslagvoorziening een volledige berekening moet worden gemaakt <strong>van</strong><br />

de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (NEN 6068), is een praktische benadering te<br />

hanteren met betrekking tot de mate waarin de afstand tussen ruimten kan bijdragen aan de<br />

weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag:<br />

• indien de afstand <strong>van</strong> de uitpandige opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk<br />

dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 5 meter bedraagt, en binnen<br />

deze 5 meter geen opslag <strong>van</strong> brand<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of goederen en geen brand<strong>gevaarlijke</strong><br />

activiteiten plaatsvinden, kan worden volstaan met een brandwerendheid <strong>van</strong> wanden en dak <strong>van</strong><br />

de opslagvoorziening <strong>van</strong> ten minste 30 minuten. De daarvoor noodzakelijke draagconstructie <strong>van</strong><br />

de opslagvoorziening moet een brandwerendheid <strong>van</strong> ten minste 30 minuten bezitten;<br />

• indien de afstand <strong>van</strong> de uitpandige opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk<br />

dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 meter bedraagt, en<br />

binnen deze 10 meter geen opslag <strong>van</strong> brand<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>/goederen en geen<br />

brand<strong>gevaarlijke</strong> activiteiten plaatsvinden, is er ten aanzien <strong>van</strong> de brandwerendheid <strong>van</strong> wanden<br />

en dak <strong>van</strong> de opslagvoorziening en de brandwerendheid <strong>van</strong> de noodzakelijke draagconstructie<br />

geen eis <strong>van</strong> toepassing.


Rijnstraat 8<br />

Postbus 30945<br />

2500 GX Den Haag<br />

Erratum PGS 15 d.d 11 december 2008<br />

Voorschrift 4.8.2.1 komt te luiden:<br />

4.8.2.1 De uitgangspunten voor ontwerp, aanleg, onderhoud, beheer, opleveringsinspectie en periodieke<br />

inspectie <strong>van</strong> de brandbeveiligingsinstallatie moeten zijn beoordeeld door een op basis <strong>van</strong> NEN-EN-<br />

ISO/EC 17020 door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde inspectie-instelling. Bij deze beoordeling<br />

moet worden nagegaan of de uitgangspunten in overeenstemming zijn met de voor de betreffende<br />

brandbeveiligingsinstallatie geldende ontwerpnorm. Het uitgangspuntendocument alsmede de beoordeling<br />

er<strong>van</strong> moet zijn goedgekeurd door het bevoegd gezag, voordat met de aanleg <strong>van</strong> de<br />

brandbeveiligingsinstallatie wordt begonnen. Het uitgangspuntendocument moet iedere 5 jaar door een op<br />

basis <strong>van</strong> NEN-EN-ISO/EC 17020 door een door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerde inspectieinstelling<br />

op actualiteit worden beoordeeld. De resultaten <strong>van</strong> deze beoordeling moeten binnen inrichting<br />

aanwezig zijn.<br />

Toelichting: In CPR 15-2 werd in plaats <strong>van</strong> “uitgangspunten” de term “Programma <strong>van</strong> Eisen” gebruikt.<br />

Momenteel wordt door betrokken partijen en in overleg met de Raad voor de Accreditatie een nieuwe<br />

accreditatie- en certificatiemethodiek voorbereid. Zodra deze methodiek in de praktijk werkt, zal de<br />

terminologie in deze voorschriften worden aangepast. De uitgangspunten moeten onder meer zijn<br />

gebaseerd op de ontwerpnorm die voor de betreffende brandbeveiligingsinstallatie <strong>van</strong> toepassing is. Als<br />

het bevoegd gezag de uitgangspunten heeft goedgekeurd, stelt zede houder <strong>van</strong> de inrichting daar<strong>van</strong><br />

schriftelijk op de hoogte. Bijlage 6 bevat een overzicht <strong>van</strong> ontwerpnormen voor<br />

brandbeveiligingsinstallaties.<br />

Met dit erratum is aan voorschrift 4.8.2.1 een bepaling toegevoegd dat, voordat het<br />

uitgangspuntendocument aan het bevoegd gezag ter goedkeuring wordt voorgelegd, er een beoordeling<br />

door een geaccrediteerde inspectie-instelling moet plaatsvinden. De beoordeling heeft als doel dat wordt<br />

nagegaan of het uitgangspuntendocument in overeenstemming is met de voor de<br />

brandbeveiligingsinstallatie geldende ontwerpnorm.<br />

Met dit erratum is voorschrift 4.8.2.1 in overeenstemming gebracht met de soortgelijke bepaling<br />

(voorschrift 5.2 <strong>van</strong> bijlage 1) in het Vuurwerkbesluit over sprinklerinstallaties in vuurwerkopslagplaatsen.<br />

Tevens is met dit erratum toegevoegd dat het uitgangspuntendocument elke 5 jaar op actualiteit moet<br />

worden beoordeeld. In het Vuurwerkbesluit is dit niet expliciet in voorschrift 5.2 opgenomen maar in de<br />

onderliggende ontwerpnorm memorandum 60. Omdat het in PGS 15 om meerdere soorten<br />

brandbeveiligingsinstallaties gaat, en dus om veel meer ontwerpnormen, is deze vijfjaarlijkse<br />

beoordelingsplicht in voorschrift 4.8.2.1 vastgelegd. Het is mogelijk dat op basis <strong>van</strong> deze beoordeling het<br />

bevoegd gezag <strong>van</strong> mening is dat een nieuw uitgangspuntendocument moet worden opgesteld. Een<br />

dergelijk nieuw uitgangspuntendocument kan in goed overleg met het bedrijf tot stand komen, dan wel<br />

bijvoorbeeld met een wijziging <strong>van</strong> de vergunning op basis <strong>van</strong> artikel 8.23 Wm worden verplicht gesteld.<br />

Een nieuw uitgangspuntendocument zal volgens de stappen beschreven in voorschrift 4.8.2.1 weer<br />

moeten leiden tot beoordeling, goedkeuring, mogelijke aanpassing <strong>van</strong> de installatie en inspectie.


Rijnstraat 8<br />

Postbus 30945<br />

2500 GX Den Haag<br />

Erratum PGS15 d.d. 21 november 2008<br />

Een passage in de PGS 15 kan leiden tot onduidelijkheden bij het gebruik <strong>van</strong> de PGS publicatie. De<br />

hieronder opgenomen tekst ver<strong>van</strong>gt de tekst zoals opgenomen in de PGS 15 en het op 4 oktober 2007<br />

gepubliceerde erratum over dit voorschrift.<br />

3.7 Vrijkomende dampen <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

AI<br />

3.7.1 Als er noodzaak is om vrijkomende dampen af te voeren uit een opslagvoorziening, moeten<br />

doeltreffende maatregelen worden genomen.<br />

Toelichting:<br />

Het is mogelijk dat bij normaal gebruik <strong>van</strong> <strong>verpakte</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> en CMR-<strong>stoffen</strong> er onbedoeld<br />

dampen kunnen vrijkomen, die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid <strong>van</strong> gebruikers <strong>van</strong> de<br />

opslagvoorziening of eventueel zelfs kunnen zorgen voor een explosieve atmosfeer. Dit moet worden<br />

voorkomen. Het is aan de eigenaar <strong>van</strong> de opslagvoorziening om na te gaan of er schadelijke dampen<br />

kunnen vrijkomen en welke maatregelen moeten worden genomen. Het bepalen <strong>van</strong> de noodzaak om na<br />

te gaan of er dampen kunnen vrijkomen is gelegen in het Arbeidsomstandighedenbesluit, waarin is<br />

aangegeven dat risicobronnen moeten worden onderzocht en, indien noodzakelijk, maatregelen moeten<br />

worden genomen (RI&E). Voor het nemen <strong>van</strong> maatregelen kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het<br />

ventileren <strong>van</strong> een opslagvoorziening.<br />

Het nemen <strong>van</strong> maatregelen ter voorkoming <strong>van</strong> de aantasting <strong>van</strong> de gezondheid <strong>van</strong> werknemers is<br />

geregeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Dit geldt ook voor het nemen <strong>van</strong> maatregelen ter<br />

voorkoming of beperking <strong>van</strong> een explosieve omgeving (zie Bijlage 1). De Arbeidsinspectie heeft haar<br />

standpunt gepubliceerd over de noodzaak voor voor het nemen <strong>van</strong> maatregelen om een explosieve<br />

atmosfeer te voorkomen bij de opslag <strong>van</strong> UN-gekeurde verpakkingen en verpakkingen onder het LQregime.<br />

Dit voorschrift geldt voor bouwkundige opslagvoorzieningen en losse brandveiligheidsopslagkasten. De<br />

milieurele<strong>van</strong>tie <strong>van</strong> de vrijkomende dampen is zeer beperkt. De verwachting is dat in verrreweg de<br />

meeste situaties er geen noodzaak is om maatregelen te nemen ter voorkoming <strong>van</strong> emissie naar de lucht<br />

op grond <strong>van</strong> de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (NeR). Om die reden is het woord ‘Wm’ verwijderd.<br />

Overigens is voor de opslag <strong>van</strong> gasflessen in losse brandveiligheidsopslagkasten altijd ventilatie<br />

noodzakelijk. In de rele<strong>van</strong>te norm voor dergelijke brandveiligheidsopslagkasten (NEN-EN 14470-2) is<br />

aangegeven welke ventilatievoud noodzakelijk is.<br />

De hieronder opgenomen tekst ver<strong>van</strong>gt de tekst zoals opgenomen in de PGS 15 en de rele<strong>van</strong>te errata<br />

hierop.<br />

1. 1.10 Toepassing <strong>van</strong> normen en andere vormen <strong>van</strong> pseudoregelgeving<br />

1.10.1 Voor zover een norm (zoals NEN of ISO) of andere vormen <strong>van</strong> pseudoregelgeving (zoals de<br />

NRB) waarnaar in een voorschrift in deze richtlijn wordt verwezen betrekking heeft op de uitvoering <strong>van</strong><br />

constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de uitgegeven publicatie inclusief aanvullingen of<br />

correctiebladen, zoals die ten tijde <strong>van</strong> het aanbrengen of vernieuwen/veranderen <strong>van</strong> die constructie e.d.<br />

luidde, tenzij toepassing <strong>van</strong> die norm tot een zodanig laag veiligheidsniveau zou leiden dat in redelijkheid<br />

een hoger niveau kan worden verlangd.<br />

Toelichting: normen, richtlijnen e.d. worden regelmatig herzien. De wijzigingen zijn vaak beperkt, maar<br />

wanneer alle bestaande bedrijven toch altijd direct aan de nieuwste versie moeten voldoen kan dat grote<br />

(financiële) gevolgen hebben terwijl dit niet direct hoeft te leiden tot een beduidende verbetering <strong>van</strong> het<br />

veiligheidsniveau. Voor nieuw op te richten constructies e.d, maar ook het veranderen/vernieuwen<br />

daar<strong>van</strong>, is het uitgangspunt dat voldaan moet worden aan de meest recente versie <strong>van</strong> een norm,<br />

richtlijn e.d. In bestaande situaties kan uitgegaan worden <strong>van</strong> de norm, richtlijn e.d. zoals deze <strong>van</strong> kracht


norm, richtlijn e.d. een (veiligheids)niveau wordt behaald dat onaanvaardbaar laag is. In dat geval kan het<br />

bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift (bij een AMvB-bedrijf) of vergunningvoorschrift (in de Wmvergunning)<br />

een hoger niveau verlangen, met als bovengrens de meest recente versie <strong>van</strong> de norm,<br />

richtlijn e.d. Wat in een concreet geval als redelijk/noodzakelijk moet worden aangemerkt, is maatwerk.<br />

Een en ander sluit aan bij wat al vele jaren gangbare praktijk is bij Wm-vergunningen en is grotendeels een<br />

uitwerking <strong>van</strong> het gelijkwaardigheidsbeginsel zoals genoemd in paragraaf 1.8 <strong>van</strong> deze richtlijn. Voor<br />

deze constructie (oudere normen kunnen op basis <strong>van</strong> het gelijkwaardigheidsbeginsel veelal als<br />

toereikend worden beoordeeld) is ook gekozen in het Gebruiksbesluit.<br />

2. Paragraaf 3.2 (5 de alinea, tweede aandachtstreepje)<br />

- Constructies die getest zijn op het criterium <strong>van</strong> straling, zoals glazen puiconstructies, zijn dus niet<br />

geschikt voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (de grenswaarde voor de maximale stralingsintensiteit <strong>van</strong><br />

15 kW/m2, is hoger dan de 10 kW/m2, die bij opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> wordt gehanteerd). Voor de<br />

WBDBO cq. de brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie moet daarom de volgende<br />

criteria <strong>van</strong> de NEN 6069:2005, worden aangehouden:<br />

* R: Voor draagconstructies zowel onder, boven als ten behoeve <strong>van</strong> de opslag zelf<br />

* REI Voor dragende wanden<br />

* EI Voor niet-dragende wanden<br />

* EI 1 Voor deuren<br />

Toelichting:<br />

De normbladen NEN 6069, uitgave 1996 en NEN 6069/1A uitgaven 2001 door de NEN 6069:2005 welke is<br />

afgestemd op de Europese beproevingsmethode. De NEN 6069:2005 kent zelf als bijlage de oude<br />

beproevingsnorm voor bestaande situaties.<br />

3. Paragraaf 3.2 (7 de alinea)<br />

Eigenschappen toegepaste materialen in de gebouwconstructie<br />

Het Bouwbesluit 2003 biedt met de verwijzing naar de NEN 6068 en de NEN 6069 de mogelijkheid dat<br />

brandwerende constructies worden opgebouwd uit brandbare materialen. Omdat dit voor de opslag <strong>van</strong><br />

bepaalde klassen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> niet intrinsiek veilig is, is in PGS 15 bepaald dat voor de ruimten<br />

waarin die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen, de eventueel noodzakelijke afdekkingen <strong>van</strong> de<br />

hoofddraagconstructie (om de hoofddraagconstructie te laten voldoen aan het criterium bezwijken binnen<br />

NEN 6069), alsmede de afdekking aan de binnenzijde <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> wanden en dak<br />

moeten zijn vervaardigd <strong>van</strong> materiaal, beoordeeld over ten minste de eerste 10 mm <strong>van</strong> die afdekking,<br />

dat tenminste voldoet aan Euroklasse A volgens NEN-EN 13501-1. Een vloer <strong>van</strong> een opslagvoorziening<br />

moet altijd zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal.<br />

Het Bouwbesluit 2003 biedt voor sommige situaties de mogelijkheid dat een dak <strong>van</strong> een bouwwerk niet<br />

niet-brandgevaarlijk hoeft te worden uitgevoerd. Het is niet wenselijk dat dit voor opslagvoorzieningen <strong>van</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> ook zou mogen. Daarom wordt hier bij de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> expliciet<br />

voorgeschreven dat het dak moet zijn geconstrueerd <strong>van</strong> niet brandgevaarlijk materiaal,.bepaald volgens<br />

de NEN 6063


4. Artikel 3.2.1.1<br />

Toelichting:<br />

Een opslagvoorziening waarin <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong>, m.u.v. de klasse 8 worden opgeslagen,<br />

wordt in beginsel gelijkgesteld met een brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003. Het<br />

bedoelde brandcompartiment heeft “rondom” dezelfde “WBDBO”. Voor de WBDBO cq. de<br />

brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie moet daarom de volgende criteria <strong>van</strong> de NEN<br />

6069:2005, worden aangehouden:<br />

* R: Voor draagconstructies zowel onder, boven als ten behoeve <strong>van</strong> de opslag zelf<br />

* REI Voor dragende wanden<br />

* EI Voor niet-dragende wanden<br />

* EI 1 Voor deuren<br />

Het normenkader voor losse brandveiligheidsopslagkasten is anders opgebouwd de eisen waar<br />

bouwkundige voorzieningen aan moeten voldoen. Om die reden kunnen genormeerde<br />

brandveiligheidsopslagkasten niet voldoen aan de eisen voor WBDBO. Het belangrijkste<br />

criterium bij genormeerde brandveiligheidsopslagkasten is de mate <strong>van</strong> brandwerendheid.<br />

Indien in een bestaande situatie een WBDBO of een brandwerendheid met betrekking tot scheidende<br />

functie <strong>van</strong> 30 minuten is vergund, kan <strong>van</strong> de eis <strong>van</strong> 60 minuten worden afgeweken, mits binnen een<br />

afstand <strong>van</strong> 7,5 m <strong>van</strong> de opslagvoorziening geen brand<strong>gevaarlijke</strong> goederen aanwezig zijn.<br />

5. Artikel 3.2.4.4<br />

3.2.4.4 De vloer <strong>van</strong> een opslagvoorziening moet zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal. Een<br />

eventueel noodzakelijke afdekking <strong>van</strong> de hoofddraagconstructie, alsmede de afdekking aan de<br />

binnenzijde <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> wanden en dak moeten zijn vervaardigd <strong>van</strong> materiaal,<br />

beoordeeld over ten minste de eerste 10 mm <strong>van</strong> die afdekking dat tenminste voldoet aan Euroklasse A1<br />

(onbrandbaar) volgens NEN-EN 13501-1.


Rijnstraat 8<br />

Postbus 30945<br />

2500 GX Den Haag<br />

Erratum PGS 15 d.d. september 2008<br />

De nieuwe tekst <strong>van</strong> de ADR (ADR 2007) en het vervallen <strong>van</strong> de Wet milieu<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> (Wms)<br />

hebben consequenties voor de PGS 15. Met onderstaande wijzigingen is de PGS 15 hierop aangepast.<br />

Voorschrift Aanpassing aan voorschrift<br />

Toelichting/reden<br />

PGS 15<br />

1.5 Vlampuntcriterium 60°C ipv 61°C Overeenkomstig ADR 2007<br />

2007<br />

3.11.2 In de toelichting, laatste alinea, moet De Wms is vervallen<br />

“Wms” worden ver<strong>van</strong>gen door<br />

“Hoofdstuk 9 <strong>van</strong> de Wm”<br />

3.16.1 Aan de reeks gevarensymbolen a t/m d Er is een nieuw etiket<br />

wordt toegevoegd: “e. organische<br />

peroxides”<br />

3.16.2 Richtlijn 91/155/EG<br />

(Veiligheidsinformatiebladen) moet<br />

Richtlijn is ingetrokken na<br />

invoering REACH<br />

worden ver<strong>van</strong>gen door verordening<br />

(EG) nr 1907/2006 (REACH)<br />

4.3.2 Vlampuntcriterium 60°C ipv 61 °C Overeenkomstig ADR 2007<br />

4.5.1 Vlampuntcriterium 60°C ipv 61°C Overeenkomstig ADR 2007<br />

4.5.2 Vlampuntcriterium 60°C ipv 61°C Overeenkomstig ADR 2007<br />

5.6.13 Vlampuntcriterium 60°C ipv 61 °C Overeenkomstig ADR 2007<br />

6.1, pag. 45 Aan de paragraaf over gevaarsetiketten<br />

wordt het volgende toegevoegd:<br />

“Deze combinaties zijn voorbeelden.<br />

Andere combinaties zijn mogelijk. ”<br />

De opgegeven lijst is niet<br />

uitputtend<br />

7.1 Wms ver<strong>van</strong>gen door Hoofdstuk 9 Wm De Wms is vervallen<br />

7.2 Vlampuntcriterium 60°C ipv 61°C<br />

“Wms” ver<strong>van</strong>gen door “Hoofdstuk 9<br />

Wm”<br />

Overeenkomstig ADR 2007<br />

Wms is vervallen<br />

7.3.1 Temperatuur in de toelichting wordt 50°C Temperatuur in de toelichting<br />

gelijk aan temperatuur in<br />

voorschrift<br />

Bijlage 3, tabel<br />

onverenigbare<br />

combinaties<br />

“Wms” ver<strong>van</strong>gen door “Hoofdstuk 9<br />

Wm”<br />

Bijlage 5, pg. 74 “Wms” ver<strong>van</strong>gen door “Hoofdstuk 9<br />

Wm”<br />

Bijlage 2 Onder 2 bord voor organische peroxides<br />

ver<strong>van</strong>gen door nieuwe versie<br />

De Wms is vervallen<br />

De Wms is vervallen<br />

Nieuw etiket


Rijnstraat 8<br />

Postbus 30945<br />

2500 GX Den Haag<br />

Erratum PGS 15 d.d 25 juni 2008<br />

De tekst <strong>van</strong> paragraaf 3.2.1 wordt ver<strong>van</strong>gen door onderstaande tekst:<br />

3.2.1 Voorschriften inpandige opslagvoorziening Wm<br />

3.2.1.1 De WBDBO <strong>van</strong> een bouwkundige inpandige opslagvoorziening naar een andere ruimte en <strong>van</strong><br />

een andere ruimte naar een opslagvoorziening moet ten minste 60 minuten bedragen. De wanden, het dak<br />

en de draagconstructie <strong>van</strong> de opslagvoorziening moeten een brandwerendheid <strong>van</strong> ten minste 60<br />

minuten bezitten. Bij opslag in een losse brandveiligheidsopslagkast moet de opslagvoorziening voldoen<br />

aan de eisen <strong>van</strong> paragraaf 3.10.<br />

Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep II<br />

of III, zonder bijkomend gevaar, tot een gezamenlijke hoeveelheid <strong>van</strong> ten hoogste 10 ton, worden<br />

opgeslagen.<br />

Toelichting:<br />

Een opslagvoorziening waarin <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong>, m.u.v. de klasse 8 worden opgeslagen,<br />

wordt in beginsel gelijkgesteld met een brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003. Het<br />

bedoelde brandcompartiment heeft “rondom” dezelfde “WBDBO”. Met betrekking tot de WBDBO c.q. de<br />

brandwerendheid moet voor alle constructies aan alle criteria <strong>van</strong> de NEN 6069, uitgave 1996 en NEN<br />

6069/1A uitgave 2001 worden voldaan. Het normenkader voor losse brandveiligheidsopslagkasten is<br />

anders opgebouwd de eisen waar bouwkundige voorzieningen aan moeten voldoen. Om die reden kunnen<br />

genormeerde brandveiligheidsopslagkasten niet voldoen aan de eisen voor WBDBO. Het belangrijkste<br />

criterium bij genormeerde brandveiligheidsopslagkasten is de mate <strong>van</strong> brandwerendheid.<br />

Indien in een bestaande situatie een WBDBO of een brandwerendheid <strong>van</strong> 30 minuten is vergund, kan <strong>van</strong><br />

de eis <strong>van</strong> 60 minuten worden afgeweken, mits binnen een afstand <strong>van</strong> 7,5 m <strong>van</strong> de opslagvoorziening<br />

geen brand<strong>gevaarlijke</strong> goederen aanwezig zijn.<br />

3.2.1.2 In de inpandige opslagvoorziening mag ten hoogste 2.500 kg <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong><br />

aanwezig zijn.<br />

Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep II<br />

of III, zonder bijkomend gevaar tot een gezamenlijke hoeveelheid <strong>van</strong> ten hoogste 10 ton, worden<br />

opgeslagen.<br />

Toelichting: zie toelichting 3.2.1.3<br />

3.2.1.3 In afwijking <strong>van</strong> voorschrift 3.2.1.2 mag in een inpandige opslagvoorziening ten hoogste 10.000 kg<br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong> aanwezig zijn indien in de opslagvoorziening een brandmeldinstallatie<br />

aanwezig is met doormelding naar de alarmcentrale <strong>van</strong> de overheids- of bedrijfsbrandweer, of een<br />

daaraan gelijkwaardige voorziening. De brandmeldinstallatie moet voldoen aan NEN 2535, uitgave 1996<br />

en NEN 2535/A1 uitgave 2002.<br />

Wm, AI<br />

Toelichting: zie ook bijlage 6 voor ontwerpnormen <strong>van</strong> brandmeldinstallaties. Voor de duidelijkheid moet<br />

hier worden opgemerkt dat de beperkingen tot respectievelijk 2.500 kg (in voorschrift 3.2.1.2) en 10.000 kg<br />

gelden voor inpandig gesitueerde opslagvoorzieningen die niet zijn uitgevoerd met voorzieningen als<br />

bedoeld in hoofdstuk 4 (opslagvoorzieningen groter dan 10.000 kg).<br />

Een permanent bezette meldpost <strong>van</strong> een daartoe gecertificeerde bewakingsdienst kan als gelijkwaardig<br />

worden beschouwd, waarbij met name aspecten als alarmeringstijd een rol spelen. Tevens is het <strong>van</strong><br />

belang dat ook de plaatselijke bouwverordening bepalingen kan bevatten omtrent de wijze <strong>van</strong><br />

doormelding. De norm NEN 2654 geeft de eisen voor het beheer, de controle en het onderhoud <strong>van</strong><br />

dergelijke brandmeldinstallaties.<br />

3.2.1.4 Op een verdieping <strong>van</strong> een gebouw mag maximaal 500 kg of l <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong><br />

worden opgeslagen. Hierbij wordt een kelder wel als een verdieping beschouwd en de begane grond <strong>van</strong><br />

een gebouw niet..


Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep II<br />

of III, zonder bijkomend gevaar, worden opgeslagen.<br />

Toelichting: conform voorschrift 3.2.1.1 moeten ook deze beperkte hoeveelheden in een constructief<br />

zelfstandig brandcompartiment met een WBDBO naar andere ruimten <strong>van</strong> ten minste 60 minuten worden<br />

opgeslagen. Bij opslag in een losse brandveiligheidsopslagkast moet deze voorziening voldoen aan de<br />

voorschriften <strong>van</strong> 3.2.1.1, 3.10 en aan de voorwaarden <strong>van</strong> bijlage 4..<br />

3.2.1.5 In afwijking <strong>van</strong> voorschrift 3.2.1.4 mogen er maximaal twee brandveiligheidsopslagkasten worden<br />

opgesteld per brandcompartiment. De brandveiligheidsopslagkasten moeten voldoen aan voorschrift 3.10<br />

en aan de voorwaarden <strong>van</strong> bijlage 4.<br />

Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing indien uitsluitend <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> klasse 8, verpakkingsgroep II<br />

of III, zonder bijkomend gevaar worden opgeslagen.<br />

Toelichting: Als op een verdieping meerdere brandcompartimenten zijn gerealiseerd is het toegestaan om<br />

meer dan twee brandveiligheidsopslagkasten te gebruiken. Als er bijvoorbeeld vier brandcompartimenten<br />

zijn gerealiseerd, is het toegestaan om acht brandveiligheidsopslagkasten te gebruiken voor de opslag <strong>van</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong>. Hiermee is het mogelijk dat er meer dan 500 kg of l <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> of CMR-<strong>stoffen</strong><br />

wordt opgeslagen. In dit voorschrift is de faalkans meegenomen dat er een calamiteit ontstaat terwijl de<br />

deur(en) <strong>van</strong> een brandveiligheidskast op dat moment open staat (n). Volledigheidshalve wordt opgemerkt<br />

dat het brandcompartiment moet voldoen aan de eisen <strong>van</strong> het Bouwbesluit. Dit kan betekenen dat de<br />

WBDBO <strong>van</strong> een brandcompartiment ten minste 20 30 of 60 minuten moet bedragen, afhankelijk <strong>van</strong> de<br />

hoogte <strong>van</strong> verdiepingsvloer en de leeftijd <strong>van</strong> het bouwwerk (niveau bestaande bouw of nieuwbouw).<br />

3.2.1.5a Door middel <strong>van</strong> het opnemen <strong>van</strong> maatwerkvoorschriften in de milieuvergunning of bij bedrijven<br />

waarvoor algemene regels gelden op grond <strong>van</strong> de Wet milieubeheer, kan worden afgeweken <strong>van</strong> de<br />

voorschrift 3.2.1.4 en 3.2.1.5. De voorwaarde is dat m.b.v. de maatwerkvoorschriften aanvullende eisen<br />

worden gesteld aan de brandwerende voorzieningen of branddetectie en de aanwezigheid <strong>van</strong> opgeleid en<br />

getraind deskundig personeel dat binnen de inrichting aanwezig moet zijn.<br />

Toelichting: Met dit voorschrift wordt onder voorwaarden ruimte geboden om maatwerk toe te passen. De<br />

verwachting is dat dit bij een beperkt aantal bedrijven <strong>van</strong> toepassing zal zijn. Bij dergelijke bedrijven gaat<br />

het dan vnl. om grote en complexe bedrijven waar men gewend is om te werken met interne<br />

werkprocedures voor arbeids- en milieuveiligheid. Bij de beoordeling <strong>van</strong> de maatwerkvoorschriften spelen<br />

ook de staat <strong>van</strong> onderhoud <strong>van</strong> het gebouw, de brandcompartimenten de losse brandveiligheidskasten,<br />

maar ook de installaties en organisatie <strong>van</strong> het bedrijf een rol. Voor de toetsing en borging <strong>van</strong> de<br />

maatwerkvoorschriften kan bijvoorbeeld worden aangesloten bij de ontwikkelingen <strong>van</strong> de IBB (Integrale<br />

Borging Brandveiligheid)<br />

3.2.1.6 Een opslagvoorziening mag niet in een vluchtroute zijn gelegen en mag het vluchten niet<br />

belemmeren.<br />

AI<br />

Bron:Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.<br />

De tekst <strong>van</strong> 3.10.1 wordt ver<strong>van</strong>gen door onderstaande tekst:<br />

3.10.1 Een brandveiligheidsopslagkast waar<strong>van</strong> het eerste gebruik heeft plaatsgevonden na 1 januari 2006<br />

moet aan NEN-EN-14470-1 voldoen. Een brandveiligheidsopslagkast waar<strong>van</strong> het eerste gebruik dateert<br />

<strong>van</strong> vóór die datum moet ten minste voldoen aan NEN 2678. Bij het gebruik <strong>van</strong> de<br />

brandveiligheidsopslagkasten moet tevens worden voldaan aan de eisen <strong>van</strong> bijlage 4.<br />

Toelichting: De norm NEN-EN-14470-1 kent 4 categorieën <strong>van</strong> brandwerendheid, te weten 15, 30, 60 en<br />

90 minuten. Afhankelijk <strong>van</strong> de toepassing <strong>van</strong> een brandveiligheidsopslagkast moet gekozen worden voor<br />

een bepaalde veiligheidsklasse (30, 60 of 90). In bijlage 4 is ingegaan op de verschillende eisen die bij de<br />

betreffende veiligheidsklassen behoren. Voor de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> die onder PGS 15 vallen is<br />

het type met 15 minuten brandwerendheid niet geschikt.<br />

Bijlage 4 wordt ver<strong>van</strong>gen door onderstaande tabel:<br />

Bijlage 4<br />

Kenmerken <strong>van</strong> veiligheidsklassen <strong>van</strong> brandveiligheidsopslagkasten<br />

Ministerie <strong>van</strong> VROM 25 juni 2008 Pagina 2/3


Overeenkomstig NEN 2678 NEN-EN-14470-1<br />

Type 30<br />

NEN-EN-14470-1<br />

Type 60<br />

NEN-EN-14470-1<br />

Type 90<br />

Brandwerendheid (veiligheidsperiode 40<br />

min.)<br />

30 min. 60 min. 90 min.<br />

Max. hoeveelheid (L) 150 150 250 250<br />

opslag <strong>van</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong><br />

behorende tot de<br />

ADR klassen:<br />

2**, 3, 4.1, 4.2, 4.3,<br />

5.1*, 6.1, 8 , 9 en<br />

CMR-<strong>stoffen</strong><br />

klasse 5.2 conform<br />

PGS 8<br />

3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1*,<br />

6.1, 8 , 9 en CMR<strong>stoffen</strong><br />

klasse 5.2 conform<br />

PGS 8<br />

2**, 3, 4.1, 4.2, 4.3,<br />

5.1*, 6.1, 8 , 9 en<br />

CMR-<strong>stoffen</strong><br />

klasse 5.2 conform<br />

PGS 8<br />

2**, 3, 4.1, 4.2, 4.3,<br />

5.1*, 6.1, 8 , 9 en<br />

CMR-<strong>stoffen</strong><br />

klasse 5.2 conform<br />

PGS 8<br />

Op<strong>van</strong>gcapaciteit<br />

Compartimentering<br />

Tenminste 100% <strong>van</strong><br />

de inhoud, indien het<br />

(licht) ontvlambare<br />

vloei<strong>stoffen</strong> betreft. In<br />

de overige gevallen<br />

tenminste de inhoud<br />

<strong>van</strong> de grootste<br />

verpakking<br />

vermeerderd met<br />

10% <strong>van</strong> de inhoud<br />

<strong>van</strong> de overige<br />

verpakking<br />

Kan plaats vinden<br />

door het plaatsen <strong>van</strong><br />

de verschillende<br />

categorieën <strong>stoffen</strong> in<br />

afzonderlijke<br />

lekbakken. Voor<br />

iedere te<br />

compartimenteren<br />

categorie moet er een<br />

lekbak aanwezig zijn<br />

Tenminste 110% <strong>van</strong><br />

de inhoud <strong>van</strong> de<br />

grootste emballage,<br />

doch (als dat méér is)<br />

ten minste 10% <strong>van</strong><br />

de inhoud <strong>van</strong> de<br />

totale emballage<br />

(geldt alleen voor<br />

vloei<strong>stoffen</strong>)<br />

Kan plaats vinden<br />

door het plaatsen <strong>van</strong><br />

de verschillende<br />

categorieën <strong>stoffen</strong> in<br />

afzonderlijke<br />

lekbakken. Voor<br />

iedere te<br />

compartimenteren<br />

categorie moet er een<br />

lekbak aanwezig zijn.<br />

Tenminste 110% <strong>van</strong><br />

de inhoud <strong>van</strong> de<br />

grootste emballage,<br />

doch (als dat méér is)<br />

ten minste 10% <strong>van</strong><br />

de inhoud <strong>van</strong> de<br />

totale emballage<br />

(geldt alleen voor<br />

vloei<strong>stoffen</strong><br />

Kan plaats vinden<br />

door het plaatsen <strong>van</strong><br />

de verschillende<br />

categorieën <strong>stoffen</strong> in<br />

afzonderlijke<br />

lekbakken. Voor<br />

iedere te<br />

compartimenteren<br />

categorie moet er een<br />

lekbak aanwezig zijn.<br />

Tenminste 110% <strong>van</strong><br />

de inhoud <strong>van</strong> de<br />

grootste emballage,<br />

doch (als dat méér is)<br />

ten minste 10% <strong>van</strong><br />

de inhoud <strong>van</strong> de<br />

totale emballage<br />

(geldt alleen voor<br />

vloei<strong>stoffen</strong>)<br />

Kan plaats vinden<br />

door het plaatsen <strong>van</strong><br />

de verschillende<br />

categorieën <strong>stoffen</strong> in<br />

afzonderlijke<br />

lekbakken.Voor<br />

iedere te<br />

compartimenteren<br />

categorie moet er een<br />

lekbak aanwezig zijn.<br />

Toelichting:<br />

* Klasse 5.1: Oxiderende <strong>stoffen</strong> niet in combinatie met brandbare <strong>stoffen</strong><br />

** Klasse 2: Voor zover spuitbussen<br />

Toelichting bij dit erratum:<br />

In de uitvoeringspraktijk is gebleken dat de eisen voor de opslag op verdiepingen tot interpretatiekwesties<br />

kan leiden (o.a. doordat er geen definitie <strong>van</strong> het begrip ‘ruimte’ is opgenomen). Daarnaast bleek het<br />

gebruik <strong>van</strong> genormeerde brandveiligheidsopslagkasten, formeel gezien, niet goed mogelijk te zijn, omdat<br />

de normering <strong>van</strong> dergelijke kasten anders is dan die <strong>van</strong> Bouwbesluit (mate <strong>van</strong> brandwerendheid i.p.v.<br />

WBDBO). Met dit erratum is dit hersteld.<br />

Ministerie <strong>van</strong> VROM 25 juni 2008 Pagina 3/3


Rijnstraat 8<br />

Postbus 30945<br />

2500 GX Den Haag<br />

Erratum PGS 15 d.d 15 mei 2008<br />

Voorschrift 5.6.8 komt te luiden:<br />

Voor tankcontainers gevuld met <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> de ADR-klassen 3, 5.1 en 5.2 geldt het volgende. Voornoemde<br />

tankcontainers gevuld met <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> dezelfde ADR-klasse mogen boven elkaar worden gestapeld en<br />

direct naast elkaar worden geplaatst.<br />

Voornoemde tankcontainers gevuld met <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong> verschillende ADR-klassen mogen niet boven elkaar<br />

worden gestapeld of direct naast elkaar worden geplaatst.<br />

Toelichting:<br />

De plaatsing <strong>van</strong> tankcontainers, beladen met een <strong>gevaarlijke</strong> stof <strong>van</strong> de ADR klasse 3 of 5.1 of 5.2 dient<br />

dusdanig te zijn, dat deze tankcontainers onderling niet boven elkaar en ook niet direct naast elkaar staan.<br />

Niet direct naast elkaar betekent minimaal (horizontaal gemeten) een containerbreedte (2,50 meter) <strong>van</strong><br />

elkaar gescheiden.<br />

Het stapelen en/of direct naast elkaar plaatsen <strong>van</strong> tankcontainers, gevuld met <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> <strong>van</strong><br />

dezelfde klasse, is toegestaan.


Rijnstraat 8<br />

Postbus 30945<br />

2500 GX Den Haag<br />

Erratum PGS 15 d.d 3 april 2008<br />

Voorschrift 3.5.1 <strong>van</strong> PGS 15 is vervallen.<br />

Toelichting bij deze wijziging:<br />

Bliksembeveiliging komt via de Arbeidsomstandighedenregelgeving alleen aan de orde bij<br />

explosieveiligheid. Bij PGS 15 opslagen, met inachtneming <strong>van</strong> de beheersmaatregelen, is in het<br />

ongunstigste geval sprake <strong>van</strong> zone 2 voor gasexplosiegevaar. In een dergelijke zone is bliksem als<br />

ontstekingsbron onwaarschijnlijk. Op basis hier<strong>van</strong> is een apart voorschrift ten aanzien <strong>van</strong><br />

bliksembeveiliging in de PGS 15 niet noodzakelijk.<br />

Ook <strong>van</strong>uit het bouwwerk gezien, door het toepassen <strong>van</strong> onbrandbare materialen (voorschrift<br />

3.2.4.4), is er geen directe aanleiding voor een specifieke eis. Wel kan, middels een PvE/BdB, om<br />

brandbeveiligingsinstallaties te beschermen tegen overspanningbeveiliging e.d. er redenen zijn voor<br />

het aanbrengen <strong>van</strong> een bliksembeveiliging.<br />

Vanuit milieuwetgeving en bijbehorende jurisprudentie gezien, is bliksembeveiliging op de opslag zelf<br />

niet in alle gevallen noodzakelijk. De noodzaak bliksembeveiliging aan te brengen is onder meer<br />

afhankelijk <strong>van</strong> de kans op blikseminslag op het gebouw waar de opslag zich bevindt. Er moet dus<br />

binnen de inrichting worden bekeken welke plaats het meest geschikt is om bliksembeveiliging aan te<br />

brengen.<br />

Onderstaande tekst ver<strong>van</strong>gt de tekst <strong>van</strong> voorschrift 3.11.1:<br />

3.11.1 De verpakking <strong>van</strong> de in een opslagvoorziening aanwezige <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> moet zodanig<br />

zijn dat:<br />

- niets <strong>van</strong> de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen;<br />

- het materiaal <strong>van</strong> de verpakking niet door <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> kan worden aangetast, dan wel met<br />

die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen;<br />

- de verpakking tegen normale behandeling bestand is.<br />

Aan dit voorschrift wordt in ieder geval voldaan indien de <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn verpakt conform de<br />

bepalingen <strong>van</strong> de Verenigde Naties zoals verwoord in de “Manual of tests and criteria” (Oranje<br />

Boek).<br />

Toelichting:<br />

Over het algemeen bevinden <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> in een opslagvoorziening zich in de zogenaamde<br />

UN-gekeurde verpakking. Daarnaast zijn er consumentenomverpakkingen die zijn verpakt volgens het<br />

regime <strong>van</strong> de zogenaamde gelimiteerde hoeveelheden (limited quantities / LQ) In deze verpakkingen<br />

is een dermate geringe hoeveelheid <strong>gevaarlijke</strong> stof aanwezig dat er slechts een beperkt risico ontstaat<br />

indien deze hoeveelheid vrijkomt. (ADR sectie 3.4 behandelt de wijze waarop gelimiteerde<br />

hoeveelheden behandeld moeten worden en welke vrijstellingen daarvoor gelden.)<br />

Breekbare verpakking moet in een opslagvoorziening (m.u.v. de werkvoorraad) zoveel mogelijk<br />

conform de vervoersregelgeving opgeslagen worden als samengestelde verpakking (zie ADR<br />

subsectie 1.2.1 en 4.1.1.5).<br />

Toelichting bij deze wijziging:<br />

Dit betreft geen inhoudelijke wijziging. Het Oranje Boek als bedoeld in de PGS 15 is niet de ADR<br />

zelf, maar de handleiding met bovengenoemde titel. Met deze aanpassing is de juiste titel vermeld.


Rijnstraat 8<br />

Postbus 30945<br />

2500 GX Den Haag<br />

Erratum PGS 15 d.d 7 januari 2008<br />

De in PGS 15 opgenomen norm voor bovengrondse brandkranen (opgenomen in 5.3.3) is ver<strong>van</strong>gen door<br />

een nieuwe norm. De hieronder opgenomen tekst ver<strong>van</strong>gt de tekst zoals opgenomen in de PGS 15.<br />

5.3.3. Ondergrondse brandkranen moeten voldoen aan NEN 947. Bovengrondse brandkranen die na 1<br />

maart 2008 worden geinstalleerd moeten voldoen aan NEN-EN 14384:2005. Bovengrondse brandkranen<br />

welke zijn geïnstalleerd vóór deze datum moeten voldoen aan DIN 3222 of NEN-EN 14384:2005.<br />

Toelichting:<br />

Bij ver<strong>van</strong>ging (al of niet als gevolg <strong>van</strong> onderhoud) <strong>van</strong> een bovengrondse brandkraan na 1 maart 2008,<br />

moet een een brandkraan worden geinstalleerd die voldoet aan NEN-EN 14384:2005.


Rijnstraat 8<br />

Postbus 30945<br />

2500 GX Den Haag<br />

Erratum PGS 15 d.d. 4 oktober 2007<br />

Een passage in de PGS 15 kan leiden tot onduidelijkheden bij het gebruik <strong>van</strong> de PGS publicatie. De<br />

hieronder opgenomen tekst ver<strong>van</strong>gt de tekst zoals opgenomen in de PGS 15.<br />

3.7 Ventilatie Wm, AI<br />

3.7.1 Een opslagvoorziening moet doelmatig zijn geventileerd. Afvoer <strong>van</strong> ventilatielucht moet opde<br />

buitenlucht plaatsvinden. Indien natuurlijke ventilatie op de buitenlucht aanwezig is, moeten<br />

ventilatieopeningen zo ver mogelijk <strong>van</strong> elkaar (diametraal) zijn aangebracht. De laagste ventilatieopening<br />

mag niet lager liggen dan de hoogte <strong>van</strong> de drempel. De ventilatie moet continu zijn en de ventilatievoud<br />

<strong>van</strong> de ruimte per uur moet te allen tijde minimaal 1 bedragen. Een grotere ventilatievoud kan noodzakelijk<br />

zijn, afhankelijk <strong>van</strong> de gevaarsaspecten<strong>van</strong> de opgeslagen <strong>stoffen</strong> (explosieveiligheid /<br />

arbeidshygiënische omstandigheden). Indien een ventilatieopening is aangebracht in een bouwkundige<br />

constructie waaraan op basis <strong>van</strong> paragraaf 3.2 <strong>van</strong> deze richtlijn eisen m.b.t. WBDBO of<br />

brandwerendheid zijn gesteld, moeten vlamkerende roosters zijn aangebracht en mag door het<br />

aanbrengen <strong>van</strong> de ventilatie geen afbreuk worden gedaan aan de WBDBO <strong>van</strong> de opslagvoorziening.<br />

Toelichting:<br />

Ventilatie heeft ten doel te voorkomen dat door een lekkage anders dan ten gevolge <strong>van</strong> een calamiteit,<br />

een explosief damp/luchtmengsel ontstaat. Zoneklassen en zoneafmetingen worden mede bepaald door<br />

het ventilatieontwerp (zie NPR 7910-1). Tevens heeft ventilatie ten doel schadelijke of hinderlijke gassen of<br />

dampen af te voeren (arbeidshygiënische aspecten). In hoeverre er sprake is <strong>van</strong> schadelijke of<br />

hinderlijke dampen kan bepaald worden met behulp <strong>van</strong> de RI&E. De gevaarseigenschappen <strong>van</strong> de<br />

opgeslagen stof(fen) moeten hierbij nadrukkelijk betrokken worden. Afhankelijk <strong>van</strong> de vraag of de<br />

opgeslagen <strong>stoffen</strong> een vluchtig, hinderlijk en/of giftig karakter hebben moet worden bezien of ventilatie<br />

geïndiceerd is en zo ja met welk ventilatievoud (aantal malen per uur dat de lucht in de ruimte wordt<br />

ververst).Verder moet uit het RI&E blijken of er, bij het gebruik <strong>van</strong> mechanische ventilatie, noodzaak is<br />

voor het plaatsen <strong>van</strong> een signaleringssysteem in geval er storing optreedt.<br />

Indien beveiligingen worden aangebracht (te denken valt aan detectieapparatuur) kan afgeweken worden<br />

<strong>van</strong> de ventilatie-eisen. Dit kan <strong>van</strong> belang zijn bij bijvoorbeeld gekoelde of verwarmde opslag. Indien een<br />

rookluik (rook- en warmteafvoer) zodanig is geïnstalleerd dat deze onder normale omstandigheden is<br />

geopend, kan een rookluik worden gezien als een ventilatiekanaal. Bij bepaalde<br />

brandbeveiligingsinstallaties worden eisen gesteld aan de uitvoering <strong>van</strong> ventilatiekanalen.<br />

Toelichting op dit erratum<br />

Met dit erratum wordt duidelijk dat de eis voor doelmatige ventilatie <strong>van</strong> een opslagvoorziening ook geldt<br />

voor brandveiligheidsopslagkasten. In de nieuwe tekst is een klein aantal verduidelijkingen angebracht en<br />

zijn onderstaande passages geschrapt:<br />

In het voorschrift de zin:<br />

- Dit voorschrift is niet <strong>van</strong> toepassing op een brandveiligheidsopslagkast.<br />

In de toelichting de zinnen:<br />

- Afhankelijk <strong>van</strong> de uitkomst dient doelmatige ventilatie aangebracht te worden.<br />

- In de norm voor brandveiligheidsopslagkasten (NEN-EN 14470-1) zijn eisen m.b.t. ventilatie<br />

opgenomen.


Rijnstraat 8<br />

Postbus 30945<br />

2500 GX Den Haag<br />

Erratum PGS 15 d.d. 12 december 2008<br />

Een passage in de PGS 15 kan leiden tot onduidelijkheden bij het gebruik <strong>van</strong> de PGS publicatie. De<br />

hieronder opgenomen tekst is een aanvulling op bijlage 3 (paragraaf 2) <strong>van</strong> PGS 15.<br />

Aanvulling op paragraaf 2 <strong>van</strong> bijlage 3:<br />

De kans op domino-effecten bij gasflessen is niet uitgesloten, maar de kans hierop is gering. Om die reden<br />

is voorschrift 3.12 uitgezonderd voor de opslag <strong>van</strong> gasflessen en is er ook geen noodzaak voor het<br />

plaatsen <strong>van</strong> gasflessen met verschillende inhoud in gescheiden vakken of compartimenten. Dit is mede<br />

gebaseerd op TNO-rapport: 2006-A-R0140/B.<br />

Bij calamiteiten met gasflessen bestaat in principe de mogelijkheid op domino-effecten. Als er sprake is<br />

<strong>van</strong> fragmentatie dan kan elk type gassoort een domino-effect veroorzaken tot op relatief grote afstand.<br />

Overigens is de trefkans door een fragment <strong>van</strong> een cilinder gering wat, ook geldt voor het vrijkomen <strong>van</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> stof uit de getroffen cilinder. De domino-effecten worden voornamelijk veroorzaakt door<br />

verhitting <strong>van</strong> naastgelegen gasflessen (wanneer de warmtestraling hoog genoeg is lang genoeg duurt en<br />

koeling niet plaatsvindt). Dit kan dus ook bij brandbare gassen onderling. De enige maatregel hiertegen is<br />

koeling wat veelal moet geschieden door de brandweer. Hierom gaat de voorkeur uit naar een<br />

buitenopslag en moet de locatie goed bereikbaar zijn (artikel 6.1).<br />

In voorschrift 6.2.12 is opgenomen dat gasflessen die gevuld zijn met gassen met gelijksoortige<br />

eigenschappen, bij elkaar moeten worden opgeslagen. Dit is echter uitsluitend bedoeld om de kans op<br />

verwisseling bij gebruik te voorkomen en het bevorderen <strong>van</strong> het optreden bij calamiteiten en sluit dus niet<br />

uit dat verschillende soorten gassen dicht bij elkaar worden opgeslagen.


Eigenschappen toegepaste materialen in de gebouwconstructie<br />

Het Bouwbesluit 2003 biedt met de verwijzing naar de NEN 6068 en de NEN 6069 de mogelijkheid dat<br />

brandwerende constructies worden opgebouwd uit brandbare materialen. Omdat dit voor de opslag <strong>van</strong><br />

bepaalde klassen <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> niet intrinsiek veilig is, is in PGS 15 bepaald dat voor de ruimten<br />

waarin die <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> zijn opgeslagen, de eventueel noodzakelijke afdekkingen <strong>van</strong> de<br />

hoofddraagconstructie (om de hoofddraagconstructie te laten voldoen aan het criterium bezwijken binnen<br />

NEN 6069), alsmede de afdekking aan de binnenzijde <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> wanden en dak<br />

moeten zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal, beoordeeld over ten minste de eerste 10 mm <strong>van</strong> die<br />

afdekking. Een vloer <strong>van</strong> een opslagvoorziening moet altijd zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal.<br />

Het Bouwbesluit 2003 biedt voor sommige situaties de mogelijkheid dat een dak <strong>van</strong> een bouwwerk niet<br />

niet-brandgevaarlijk hoeft te worden uitgevoerd. Het is niet wenselijk dat dit voor opslagvoorzieningen <strong>van</strong><br />

<strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> ook zou mogen. Daarom wordt hier bij de opslag <strong>van</strong> <strong>gevaarlijke</strong> <strong>stoffen</strong> expliciet<br />

voorgeschreven dat het dak moet zijn geconstrueerd <strong>van</strong> niet brandgevaarlijk materiaal.<br />

3.2.4.4 De vloer <strong>van</strong> een opslagvoorziening moet zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar materiaal. Een<br />

eventueel noodzakelijke afdekking <strong>van</strong> de hoofddraagconstructie, alsmede de afdekking aan de<br />

binnenzijde <strong>van</strong> de opslagvoorziening <strong>van</strong> wanden en dak moeten zijn vervaardigd <strong>van</strong> onbrandbaar<br />

materiaal, beoordeeld over ten minste de eerste 10 mm <strong>van</strong> die afdekking.<br />

Den Haag, 5 juli 2005<br />

Ministerie <strong>van</strong> VROM Pagina 2/2

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!