In de zachte hoek: Alex Brenninkmeijer - Gebiedsontwikkeling.nu

gebiedsontwikkeling.nu

In de zachte hoek: Alex Brenninkmeijer - Gebiedsontwikkeling.nu

In de zachte hoek: Alex Brenninkmeijer

„De overheid als systeem slaagt er vaak niet in om voldoende

rekening te houden met de menselijke factor.”. „De bureaucratie

kijkt naar binnen en ziet de gewone mensen niet meer, waar het

over gaat.”

Door: Folkert Jensma

Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer is, zegt hij, „activistischer”

geworden. Maar verliest hij zo niet aan invloed? Raken ombudsman en

politiek zo niet verder van elkaar vervreemd? Voor het eerst reageerde de

minister niet op zijn jaarverslag. „Geen goed teken.”

Franz Kafka, Verzameld Werk. Wie zich aan de vergadertafel bij de Nationale

Ombudsman mocht vervelen, kan er even in bladeren. Het ligt binnen

handbereik, als koffietafelboek. Het is typische Alex Brenninkmeijer-­‐ironie. Er

moeten aan deze tafel heel wat bureaucratische absurditeiten zijn besproken.

Vorig jaar werd hij herbenoemd door de Tweede Kamer. Hij is in het zevende

jaar van zijn aanstelling die twaalf jaar mag duren. Brenninkmeijer kiest in zijn

tweede termijn voor steviger taal, zo lijkt het. Tegen de Inspectie voor de

Gezondheidszorg zei hij „reikhalzend uit te kijken naar een spoor van

degelijkheid” in toekomstig werk. Boven het zoveelste kritische rapport over de

uitkeringsfabriek van de overheid zette hij: ‘Alleen het UWV kan kiezen voor een

beter UWV’. Vorige maand zei hij „ernstig teleurgesteld in de democratie” te zijn.

Dat betrof de manier waarop het kabinet de toegang tot de rechtspraak wil

beperken. Vorige week kwam zijn jaarverslag uit.

Is hij behalve ‘harder’ ook ‘politieker’ geworden? Brenninkmeijer geeft een

indirect antwoord. Hij zegt dat hij voor zijn herbenoeming heeft „lopen

nadenken”. „Ik wilde niet voorthobbelen, ik wilde een bewuste keuze maken –

waarom is het zinvol dat ik ombudsman ben.”

De wet geeft hem tot taak het oordeel ‘(on)behoorlijk’ uit te spreken. Daarmee

dreig je een „boekhouder van de behoorlijkheid te worden. Dat wil ik niet. Er is

een reden waarom de Nationale Ombudsman bestaat. Als er iets fundamenteel

misgaat, dan past daar verontwaardiging bij. De ombudsman moet echt de

werkelijkheid veranderen. Met kracht ertegenin gaan. Ik zou ook kunnen zeggen

– ach, het gaat daar niet goed. Maar met mijn kritiek houden ze wel rekening. Dat

worden slappe, grijze verhalen. Voor die term, onrecht, met die lading heb ik

gekozen”.

Brenninkmeijer is dus activistischer geworden. Maar als hij een zaak, met feiten

onderbouwd, op de agenda heeft gezet en ‘de politiek’ daarna keuzes maakt, „dan

laat ik los”. Aanvankelijk werkte hij vooral als de rechter die hij voorheen was.

Een klacht ‘netjes afdoen’. „Maar op een gegeven moment ontdek je: hé, bij de

belastingdienst is dat nodig en bij het UWV dat.”


Zo ging het ook met ‘baby Jelmer’ die zware hersenschade opliep na een

anesthesiefout. De minister en de inspectie bleven doof voor Brenninkmeijers

analyse. Die kwam erop neer dat deze zaak geen incident was maar gevolg van

een verkeerde structuur. En dat er méér klachten zijn. Nu werkt hij aan een

zwartboek, met het TROS-­‐programma Radar, dat maandag de eerste klachten op

tv behandelde. Een kwestie van ‘escaleren’ zegt hij, om zijn punt te maken.

In die zeven jaar is de ernst van de zaken veranderd. „Burgers melden ons meer

zware zaken en meer structurele problemen.” Vermoedelijk omdat zijn instituut

aan bekendheid heeft gewonnen, denkt hij. En effectiviteit, hoopt hij.

Af en toe trekt Brenninkmeijer zelf een kwestie naar zich toe. Honderden

veteranen bleken in civiele procedures verwikkeld met Defensie over schade

door het posttraumatisch stress syndroom. „Dat liep heel miserabel. Toen heb ik

de minister gebeld en gezegd dat ik me ermee wilde bemoeien. Gelukkig bleek ik

welkom.” Nu komt er een regeling en is er een budget van 110 miljoen –

Brenninkmeijer is daar zichtbaar tevreden over. Hij wil een actieve houding van

zijn instituut. Hij houdt ‘redactievergaderingen’ met zijn medewerkers, zegt hij,

staand rond een tafel. „Om te horen wat er speelt, waar wat moet gebeuren.”

In het jaarverslag noemt hij negen overheidsdiensten waarvan er precies één een

compliment krijgt, de Sociale Verzekeringsbank. Daar zijn de brieven op orde, is

de website duidelijk en worden de klachten adequaat behandeld. En bovenal, de

bank gebruikt geen extern callcenter. Daardoor is er nog gewoon contact tussen

burger en overheid. De andere overheidsinstellingen – politie, CBR, UWV,

Rijkswaterstaat, CAK, IGZ, CVZ, DigiD – krijgen kritiek. Ze zijn te veel in zichzelf

gekeerd, niet oplossingsgericht, ze zien de burger en zijn belangen als

ondergeschikt, te lange en te onzekere procedures, zelf overbelast door te

complexe regels, onvoldoende beveiligd, niet in staat of niet bereid om te leren.

Wat is de gemeenschappelijke faalfactor?

„De overheid als systeem slaagt er vaak niet in om voldoende rekening te houden

met de menselijke factor.” De overheid is opgedeeld in deelsystemen die werken

volgens de logica van de wet, het budget en de eigen taak, legt hij uit. „De

bureaucratie kijkt naar binnen en ziet de gewone mensen niet meer, waar het

over gaat.”

Bureaucratieën kunnen vaak de vraag ‘voor wie doen we dit?’ niet meer

beantwoorden, zegt hij. „Wie zijn onze klanten – is dat de burger, of zijn we een

bestuurlijk systeem of de politiek aan het bedienen? De overheid moet juist

extern georiënteerd zijn.”

De Nationale Ombudsman kan niet de deurwaarder op pad sturen, de wet

veranderen of de dader opsluiten. Hij moet het hebben van zijn invloed. Maar

heeft hij die? Brenninkmeijer zegt dat zijn instituut in dezachte hoek’ zit. En dat

vindt hij niet erg. „Dat moet je niet hard willen maken. Met reflectie en dialoog

kun je meer bereiken. Hij schat dat rond de 95 procent van zijn aanbevelingen


wordt opgevolgd. „Als je me zou vragen: wil je meer invloed, dan zeg ik ‘nee’. Ik

ben heel tevreden zoals het nu is.”

Maar rijmt dat wel met zijn waarneming onlangs in het Nederlands Juristenblad?

Hij schreef „dat de onafhankelijke functie van de rechter, de Raad van State als

rechter én als wetgevingsadviseur, de Algemene Rekenkamer en de Nationale

ombudsman als toetsende instanties onder druk is komen te staan. Deze druk is

voor een belangrijk deel sluipend”. Hij noemt dat nu een ‘patroon van erosie’.

Aan de overkant van zijn kantoor is de Sociaal-­‐Economische Raad (SER)

gevestigd. „Die is al bijna buitenspel gezet”, zegt hij. Gaat de Nationale

Ombudsman dezelfde kant op? De Tweede Kamer heeft zijn vorige jaarverslag

niet behandeld. De minister van Binnenlandse Zaken wilde aanvankelijk geen

inhoudelijke reactie geven. Geen goed teken, erkent hij.

Raken ombudsman en ‘de politiek’ van elkaar vervreemd? In zijn eerste

zittingstermijn kreeg hij van vicepremier Wouter Bos scherpe kritiek. Die nam

hem een opmerking kwalijk over de schietpartij bij de strandrellen van Hoek van

Holland. Brenninkmeijer zou „ver over de schreef” zijn gegaan omdat hij bij een

lezing het „niet normaal” noemde dat de politie op burgers schiet. Dat is

uitgepraat. Maar het mijnenveld is niet weg.

Onlangs beantwoordde Brenninkmeijer vragen van de BBC World Service en de

Poolse tv over het ‘Polen meldpunt’ van de PVV. Dat bleef onopgemerkt in Den

Haag. „Ik kan dan niet zeggen dat zo’n meldpunt zondermeer discriminatoir is.

Dat is politiek. Maar ik kan wel zeggen dat het meldpunt aanzet tot wij/zij-­denken

en dat het maatschappelijk schadelijk en onjuist is. Als ombudsman merk

ik niet dat er veel extra problemen zijn rond mensen uit Oost-­‐Europa.”

Brenninkmeijer neemt de ruimte om ook „over het geheel” van het bestuur te

spreken, zónder dat hij eerst onderzoek deed. Dat doet hij dan als ‘speler in het

constitutionele theater’, zegt hij. Als Hoog College van Staat heeft de ombudsman

spreekrecht, vindt hij. Soms vraagt de Kamer zijn mening. Bovendien stoort hij

zich aan de ‘code’ in politiek en bestuurlijk Den Haag – bemoei je niet met mij,

dan bemoei ik me niet met jou. „Die code negeer ik. Op een beleefde, nette

manier. We moeten altijd kritisch blijven op het onderhoud aan de

democratische rechtsstaat.” De politiek van nu nodigt daar toe uit, vindt hij. „Die

is te weinig zelfkritisch is.” Hij herinnert aan de ‘zelfreflectie’ van de Tweede

Kamer in 2009. Uit onvrede over de scoringsdrift, de mediabelustheid en het

gebrek aan aandacht voor langetermijnontwikkelingen. „Dat is als een

nachtkaars uitgegaan. Het denken lijkt nu stil te staan.”

Dat het kabinet minder luistert naar adviezen ziet Brenninkmeijer als het gevolg

van een keuze uit begin jaren negentig. Toen eiste ‘de politiek’ het primaat op.

„Opeens moest alle aandacht naar het Binnenhof. Uit de Kamer hoorde je dan –

wij hebben de laatste stem, wij moeten beslissen, wij maken de keuzes. Daarvoor

hoorde je dat eigenlijk niet.”

Het idee dat we in een ‘pluriforme rechtsorde’ leven, waarin onafhankelijke

adviezen, inzichten van wetenschappers of maatschappelijke organisaties


invloed hebben, is op z’n retour, denkt hij. Die tendens is door dit kabinet

versterkt. „Je ziet het bij een aantal wetsvoorstellen die vooral symbolisch zijn.

Denk aan het boerkaverbod, de dubbele nationaliteit, misschien ook wel de

dierenpolitie. Die zijn afgesproken in het regeerakkoord. Maar die voorstellen

hebben maar weinig verbinding met wat er in de werkelijkheid gebeurt. Als de

Raad van State dan zeer negatief adviseert blijkt er politiek geen ruimte meer.

Dat vind ik zorgwekkend.”

U zei over de verhoging van de eigen bijdrage aan de rechtspraak dat u

‘ernstig teleurgesteld’ was in de democratie.

„Op dat punt, ja”, zegt hij gauw. Vooral door de wijze van totstandkoming. Een

ambtelijke werkgroep verzint 240 miljoen bezuinigingen binnen Justitie, die

prompt in het regeerakkoord verschijnen. Zonder enige reflectie. „In de Kamer

werd zó duidelijk dat de coalitie zich hier ernstig op had verkeken. Daarna ging

het alleen maar om het vinden van een alternatieve bezuiniging van 240 miljoen.

Als je die kadaverdiscipline zó merkt rond een regeerakkoord… dat we niet meer

mogen nadenken, dat vind ik problematisch”.

Dit kabinet noemt u een ‘wonderlijke constructie’. Waarom?

„Het gedoogakkoord zorgt voor veel symboolwetgeving, waarvan je aanvoelt dat

het evident minderheidsvoorstellen zijn, die langs deze route

meerderheidsvoorstellen worden. Dat vind ik raar. De Raad van State zegt heel

gefundeerd: dat moet je niet doen. Dan is het cynisch om te zeggen: we weten dat

we 76 stemmen binnenhalen, dus op basis daarvan gaan we gewoon verder. Van

een inhoudelijke discussie trekken we ons niks aan. In een democratie moet je

toch steeds uitgaan van een redelijke discussie die tot een redelijke uitkomst

leidt? Dit is een erosie van moraliteit.”

U zegt dat de overheid te veel regels produceert. Niemand kan het

bijhouden, alleen nog een enkele specialist.

„Het zou een zegen zijn als we minder wetten en regels hadden, ook voor de

economie. We schieten nu door. Eén stap terug doen en zeggen, waar zijn we nou

eigenlijk mee bezig, dat ontbreekt. Met veel enthousiasme maakt men wetten die

te groot, te zwaar, te onoverzichtelijk zijn. Ik begrijp het wel -­‐– het politiek-­bestuurlijke

complex drukt zich nu eenmaal uit met ‘nieuw beleid en nieuwe

wetgeving’. Dat soort technocratie is de manier waarop je je kennelijk profileert.”

Is de samenleving nog wel stuurbaar met wetten?

„Daar hebben we overdreven verwachtingen van. We hebben de maakbare

samenleving gehad. Dat was al funest. Nu zoeken we naar een volledige

beheersing van de samenleving. Alles wat er mis kan gaan moet onder controle.

„Maar mensen houden zich ergens aan, omdat men erin gelooft. Natuurlijk,

sommigen hebben de wet nodig als sanctie. Maar dat is maar een heel klein deel

van de samenleving. We denken nu dat we alles met sancties en repressie


moeten vastleggen. En dat alles wat afwijkend is en onwelkom, geregeld moet

worden. Die overbelasting van het juridische is niet verstandig. Mijn antwoord

op de overjuridisering is: ga met elkaar aan tafel zitten. Probeer niet alles vast te

leggen. Kom er samen maar uit. Daar heb je geen rechter voor nodig.”

U was rechter, wetenschapper – een technicus van het recht. Als

ombudsman zegt u iets heel anders. Bel de burger op, ga met elkaar praten.

Is de rechter nog nodig?

„Medio jaren 90 vroeg ik me als rechter al af: waarom duurt het zo lang, waarom

is het zo ingewikkeld en lost dit wel wat op? Toen ben ik uitgekomen bij

mediation, bemiddeling. Daar zie ik wegen om er uit te komen. Het bij elkaar

brengen van partijen heeft meer betekenis. Ook in het strafrecht – en dat is nu

zeker niet bespreekbaar. We zitten in een hype rond steeds sterkere vergelding.

Terwijl er modellen zijn, in het buitenland, waar bemiddeling, ook in het

strafrecht, een grote rol speelt.

„Rechtspraak vind ik nog steeds heel belangrijk, vooral als het om

mensenrechten gaat. Maar voor een belangrijk deel is de rechtspraak

technocratisch geworden, onderdeel van de bureaucratische machine. Daar ben

ik niet voor.”

Hoe beoordeelt u de veel hogere eigen bijdrage van de burger aan de

rechtspraak?

„Dat is ressentiment tegen de rechtspraak. Men vindt het politiek wel prettig om

die rechter terug te drukken. Dat vind ik nog het meest zorgwekkende. Er is een

gevoel dat ‘we’ die rechter eigenlijk niet kunnen gebruiken. Ongehoord, eigenlijk.

Rechtspraak is een onverwachte factor, die kennelijk niet past in het

economische model. Die rechter komt ook met andere waarden te voorschijn.

Goede trouw, behoorlijkheid, redelijkheid, mensenrechten. Dat komt minder uit.

„Dat men de rechter wil terugdringen is al langer gaande. Ik zag het al in nieuwe

wetten over de sociale zekerheid. De sanctieregimes voor burgers met een

uitkering zijn strak en ze worden nog veel strakker. Mensen kunnen straks

enorm in de problemen komen door één kleine fout. De rechter mag dat al niet

meer afwegen. De wetgever heeft de rol van de rechter voor een belangrijk deel

afgeschaft. De politiek dreigt de rechtspraak nu zo te beperken dat de vraag rijst

of er nog wel wat over blijft.”

Trok de rechter te veel macht naar zich toe?

„Dat denk ik niet. Een verrassend rechterlijk oordeel wordt tegenwoordig

gewaardeerd als een misser of een dwaling. In de technocratie is de

onafhankelijke rechter een storende factor.”

Alex Brenninkmeijer (1951) is Nationaal Ombudsman sinds 2005. Daarvoor was

hij hoogleraar, bestuursrechter en wetenschapper. Hij is geboren in Amsterdam

en studeerde rechten in Groningen.


Brenninkmeijer begon in Nijmegen als wetenschapper. Hij promoveerde in

Tilburg bij toenmalig hoogleraar staats-­‐ en bestuursrecht (en later minister van

Justitie en Binnenlandse Zaken) Ernst Hirsch Ballin op de toegang tot de

rechtspraak.

Midden jaren tachtig werd Alex Brenninkmeijer bestuursrechter in Arnhem,

later raadsheer bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht en bij het gerechtshof

in Den Bosch. Hij is specialist op het gebied van methoden van

conflictbemiddeling en mediation. Hij werkte als hoogleraar in Leiden

(staatsrecht, arbeidsverhoudingen) en Amsterdam (burgerlijk procesrecht).

Getrouwd met Sacha Prechal, twee zoons.

Bron: NRC Handelsblad, Folkert Jensma, 7 april 2012, pagina 28 -­‐ 29

More magazines by this user
Similar magazines