vrij downloadbaar - Bert Hellinger Instituut Nederland

hellingerinstituut.nl

vrij downloadbaar - Bert Hellinger Instituut Nederland

Nederlandse Wind

0. Over dit boekje

Nederlandse Wind is een boekje ter gelegenheid van de eerste conferentie

systemisch werk in Nederland. Voor mensen die een eerste kennismaking met

dit werk zoeken of hebben gehad. Voor hen die zich wat verder willen laten

meedrijven op de stroom. En ook voor hen, die vanaf de oever willen zien hoe

de rivier stroomt. Met een aantal opstellingen over Nederlandse situaties. De

Nederlandse wind. Dankbaar zijn we diegenen, die erin hebben toegestemd om

die opstellingen hier in een of andere vorm op te nemen, en voor de hen

dierbaren en familieleden, die op de achtergrond aanwezig zijn.

Daarnaast zijn er een aantal teksten die een toelichting geven op het systemisch

werk. Er is een tekst opgenomen van Bert Hellinger, ‘de kracht’, dat ter ere van

zijn vijfenzeventigste verjaardag verscheen in ‘Für meine Freunde’.

Bibi Schreuder maakte de tekeningen. Mieke Eberhard maakte naar aanleiding

van een opstelling een schilderij (blz…) Dymphie kies ondersteunde met haar

zorgvuldige adviezen. Het ontwerp is van Mirjam Strijbosch.

Januari 2001


1. Texel

De wind waait over de duinen. Daarachter staan ze, een groepje bomen, in de

decemberlucht. Hun kruinen geschoren in de wind. Dicht in elkaar verweven

alsof ze steun bij elkaar zoeken. En misschien doen ze dat ook wel. Maar hoe

zouden we kunnen weten, hoe bomen zoiets doen. Willen we dat überhaupt

weten?

Wat we kunnen zien is het effect van de wind, het zout en het zand en al die

andere invloeden waar we geen idee van hebben. Wat ik voel is ontzag, voor

deze bomen, die in al hun bescheidenheid er het beste van maken. En wat ik

bespeur is kracht, de kracht die misschien wel voortkomt uit leven op een

moeilijke standplaats.

Ze horen hier, achter de duinen, in de wind.

En ontroerd wandel ik verder.

Dankbaar geworteld te zijn in dit land.


2. Holocaust

Een deelnemer vertelt dat veel van zijn familieleden, joods, tijdens de holocaust

zijn omgekomen.

De begeleidster vraagt: ‘Wie precies?’

De deelnemer begint een aantal familieleden te noemen en zegt dan: ‘Er zijn er

nog meer, maar ik weet niet precies wie allemaal’.

De begeleidster: ‘Kun je daar achter komen?’

De deelnemer: ‘Één van mijn ouders woont in Israël’.

Die avond belt de deelnemer met deze ouder in Israël, die hij toevallig thuis

treft.

En met behulp van de informatie die hij zo krijgt maakt hij een stamboom.

De volgende dag worden alle omgekomen familieleden opgesteld. En de vader

en de moeder en de deelnemer.

De moeder voert de zoon naar ieder omgekomen familielid, en stelt zijn zoon

aan ieder van hen voor. Daarna buigen ze diep. Voor ieder. In stilte en met groot

respect. En elk omgekomen familielid kijkt naar de moeder, en naar de zoon, net

zolang totdat ze elkaar echt zien. De zoon huilt stille tranen.

Later worden de man en de vrouw opgesteld, bij wie één van de ouders

ondergedoken heeft gezeten. Dat geeft rust, en het is duidelijk: zij zijn met deze

familie verbonden.

Alle deelnemers zijn diep geraakt.

En daarna blijft het lang stil.

Eén van de deelnemers heeft, naar aanleiding van deze opstelling, later dit

schilderij gemaakt.


3. Opstellingen, een opmerkelijk verschijnsel

Veel mensen in Nederland hebben de afgelopen jaren kennis gemaakt met

familie- en organisatieopstellingen. Ze zijn naar seminars gekomen. Via mond

op mond reclame. Omdat iets hen daar bracht, soms onbenoembaar.

En daar is dan een kring van mensen, en een begeleider of soms twee. En terwijl

in de kring van deelnemers de een na de ander kort zegt wat hem of haar hier

brengt, wat hij of zij meer wil van het leven, bouwt de energie zich op. Wat is

hier aan de hand? Soms is het net alsof, wanneer iemand spreekt, de mensen in

de buurt de wind kunnen voelen die er waait in het systeem van de ander. En

dan ontrolt zich een opstelling. Degene die zijn of haar vraagstuk inbrengt kiest

uit de overige deelnemers mensen die zijn familieleden representeren: ‘Wil jij

mijn vader zijn?’. ‘Wil jij mijn oudste zus zijn?’.

En vervolgens worden die representanten door de cliënt opgesteld, in de ruimte,

naar een innerlijk beeld. En na enige momenten gebeurt er iets bijzonders: de

representanten krijgen toegang, lijkt het, tot wat er werkelijk in het systeem van

de cliënt speelt. Ze voelen dingen die ze niet eerder hebben gevoeld: warmte,

een koude arm, kracht, achterover getrokken worden, soms trillen. Ze voelen

zich soms groot of meer de neiging om te verdwijnen. En dat terwijl de

representanten niets weten over het systeem en degene die ze representeren.

Wat is hier aan de hand?

We kunnen dit fenomeen niet verklaren. Hooguit kunnen we vergelijkingen

gebruiken om wat we in opstellingen ervaren acceptabel te maken voor het

model van de wereld dat we hebben. Zoals het veld van de zwaartekracht, waar

we altijd in geleefd hebben, waar we mee hebben leren leven. De zwaartekracht

die ons beperkt in onze mogelijkheden van groei en beweging en die we hebben

leren accepteren, waarderen en gebruiken. En al die eeuwen wisten we niet

beter. Totdat Newton er een naam aan gaf. Maar daarmee veranderden de

effecten van de zwaartekracht nog niet.

Albrecht Mahr spreekt van ‘Wetende Velden’. Rupert Sheldrake van ‘Morfische

velden’. Weer anderen hebben het over energievelden of systemische velden.

Wat het ook is, en hoe het ook werkt, het heeft er veel weg van dat met behulp

van deze velden naar voren kan komen wat er in een familiesysteem speelt. En

een opstelling is één methode om daarmee te werken. De grote verdienste van

Bert Hellinger is, dat hij deze methode heeft herkend en ontwikkeld. Maar veel

belangrijker is nog wat het werken met opstellingen ons aan inzichten heeft

gegeven. Een dieper begrip van hoe we ingebonden zijn in ons familiesysteem,

van de krachten die daar werken, buiten ons om, of we dat nu leuk vinden of

niet. En voor veel deelnemers aan seminars is het idee alleen al een bevrijding,

dat de worsteling in hun leven of relatie niet alleen te maken heeft met hun

karakter of persoonlijk onvermogen, maar wellicht met iets dat ze overgenomen

hebben uit hun familiesysteem. Uit liefde, vanuit een diepe verbondenheid met


de familie en een behoefte het systeem in evenwicht te houden. Zelfs als dat de

neiging betekent een gestorven familielid in de dood te volgen.

Een opstelling van je eigen vraagstuk is één van de manieren waarop

dynamieken in een familiesysteem naar voren kunnen komen. Waardoor er

misschien een nieuw perspectief kan groeien om in het leven te staan. Maar ook

een goed gesprek, een gedicht, het lezen van één van de vele inmiddels

verschenen boeken of het bekijken van een video van opstellingen kan ook zo’n

effect hebben. Het effect van een innerlijke beweging, een beweging van de ziel.


4. Ik ben Duits

Een deelneemster heeft moeite haar leven vol te nemen, en met haar zoon gaat

het niet altijd goed. Haar moeder is Nederlands. Haar vader is Duits en als baby

geadopteerd in een Nederlands gezin. Tijdens de tweede wereldoorlog ging

deze als jonge man naar Duitsland en vocht aan het oostfront. Na de oorlog

keerde hij terug naar Nederland en trouwde er zijn vrouw.

Aan het eind van de opstelling zegt de representant van de cliënt tegen haar

vader: ‘Ik ben Duits’, en na enige tijd; ‘net als jij’.

Deze uitspraak bracht veel commotie bij een aantal aanwezigen. Een zoon van

een verzetsman zei heftig: ‘Voor zoiets had de vader doodgeschoten moeten

worden’.

Systemisch gezien was het enige dat de jonge man kon doen, áls hij zich bij een

leger aansloot, om dat te doen bij het leger van zijn volk. En voor de dochter telt

het feit dat haar vader Duits is, en in de eerste plaats is hij haar vader.

Later vertelt de deelneemster dat haar vader werd verzwegen. ‘Ik hield zo veel

van hem, maar dat leek niet te mogen’.

Regelmatig komen in opstellingen situaties naar voren die te maken hebben met

de tweede wereldoorlog. Kinderen en kleinkinderen van ouders die

‘fout’ waren. Die zich innerlijk verscheurd voelen in hun liefde en

loyaliteit voor hun ouders en de gevolgen van de keuzes en daden van

diezelfde ouders. Die voortdurend de wind voelen van afkeuring door

anderen die ook gekwetst zijn. Die bereid zijn de last van schuld op zich

te nemen. Terwijl ze alleen maar het kind zijn.


5. Verschillende soorten emoties

Wanneer we erop letten als iemand tegen ons praat over iets wat hem of haar

beweegt, dan is het net alsof emoties vanuit verschillende innerlijke plekken

kunnen komen. En ze hebben ook een verschillend effect.

Primaire emoties komen naar voren als reactie op iets dat net is gebeurd:

verdriet om het verlies van een dierbare, boosheid omdat iemand je heeft

gekwetst, dankbaarheid om iets wat je toe valt. Die gevoelens zijn vaak intens

en nemen ook weer af wanneer ze hun functie hebben vervuld. Op anderen

hebben primaire emoties het effect dat ze sympathie en interesse opwekken, ook

al zijn ze rauw en heftig. Ze zijn ‘echt’, authentiek, en er gaat veel kracht van

uit.

Soms hebben emoties van iemand het effect dat je gedachten afdwalen. Ik voel

dan ook enige gêne, voel me onbeleefd omdat mijn aandacht verslapt en

verschuift. Eigenlijk lijkt het net alsof het over wat anders gaat. Deze secundaire

emoties zijn een ‘cover up’ voor primaire emoties. Ze dekken iets anders toe, dat

er onder ligt. Bijvoorbeeld boosheid die de onmacht er onder verbergt. In een

seminar is het vaak te merken wanneer secundaire emoties op de voorgrond

spelen. Deelnemers beginnen draaien en te schuifelen. In secundaire gevoelens

schuilt niet veel kracht. En als ze niet onderbroken worden kunnen ze lang door

gaan. Soms voelt het bot om ze te onderbreken. Veel van ons kennen eigenlijk

hun favoriete secundaire emoties wel. Een soort home-video.

Bij systeem-emoties of overgenomen gevoelens is het net alsof ze dóór iemand

heen komen, in plaats van uit iemand. Het lijkt wel alsof er opeens iemand

anders praat, van een andere leeftijd, met een andere kracht. Vaak heeft het op

anderen het effect dat ze de systeemenergie lichamelijk kunnen voelen.

Overgenomen gevoelens geven aanwijzingen voor wat er op de achtergrond in

de familie speelt. Er is ook dikwijls veel te zien, wanneer je preciezer naar

iemand kijkt en je opent voor wat er door iemand heen naar voren komt.

Bespeur je meer een vadersdochter of een moedersdochter? Komt de energie

meer vanuit vaders kant of moeders kant? Wat ontbreekt? Welke goede krachten

op de achtergrond zou iemand nog meer compleet maken?

Nogal wat mensen nemen makkelijk gevoelens van anderen over. Ze ervaren die

als hun eigen gevoelens. Het leren onderscheidt te maken tussen overgenomen

gevoelens en eigen gevoelens geeft soms in het begin verwarring en na verloop

van tijd helderheid.


6. De zee roept

Een deelnemer werkt enige jaren in een organisatie van een gemeenschap aan

zee. Zijn vraag is: ‘Als buitenstaander, niet uit deze gemeenschap afkomstig,

bespeur ik een pijn, waarvan ik niet weet of ik er wat mee moet’.

Begeleider: ‘Heb je de indruk dat er toestemming is vanuit het systeem om dit

op te stellen?’.

Deelnemer, na een stilte: ‘Ja’.

Er is opgesteld: iemand voor de organisatie, iemand voor het grondgebied van

de gemeenschap, een man die de mannen representeert, een vrouw die de

vrouwen representeert, een vrouw die de kinderen representeert en een

representant voor de deelnemer.

In de opstelling kijkt de man in de verte. Het grondgebied begint na verloop van

tijd langzaam heen en weer te wiegen, op een manier die doet denken aan de

golven van de zee. De vrouw kijkt naar de man, met een kinderlijke energie, als

in een droomtoestand. Het kind is onrustig.

Een manlijke representant wordt opgesteld in de blikrichting van de man. Die

reageert onmiddellijk met: ‘Dat zijn mijn overleden en verdronken makkers op

zee’

Het is alsof de vrouw uit een trance ontwaakt, en ze is zeer geroerd. Nu ze

gehoord heeft wat de man zei, kan ze hem zien als een vrouw, die naar haar man

kijkt.

De vrouw zegt tegen het kind: ‘Ik blijf’.

Het kind: ‘Dan hoef ik hier niet meer weg’.

De organisatie: ‘Dit is grootser dan wij zijn, we voegen ons en staan hen

terzijde, in deemoed’.

De representant van de deelnemer: ‘Het is goed’.

En alle deelnemers zijn een tijdje stil.

Nederlanders varen al vele eeuwen, en velen zijn op zee gebleven. Monumenten

en gedenkstenen helpen wellicht om hen te zien, waarbij zij, die op zee gebleven

zijn, zich gezien voelen. Zodat ze zich terug kunnen trekken in het rijk waar de

doden zijn. In rust.

Enkele maanden later schrijft de deelnemer: ‘Ik kan vertellen dat de pijn erkend

en herkend is geworden door de opstelling en bij mij en mijn gevoel over de

gemeenschap en haar eigen grondgebied een verlichting heeft gegeven. De pijn

in mij is omgezet in een mooie, schone kracht’.


7. De kracht

(vertaling van Die Kraft, uit ‘Für meine Freunde’, een boekje door Bert

Hellinger. Uitgegeven ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag.)

Wanneer we mensen ontmoeten, bespeuren we meteen of ze kracht hebben en

hoe veel. Iemand, die zijn ouders lief heeft, heeft duidelijk meer kracht dan

iemand die één van beide ouders of zelfs beiden afwijst.

Mannen en vrouwen, die kinderen hebben en liefdevol voor hun kinderen

zorgen, hebben meer kracht dan mannen en vrouwen die kinderloos zijn. Ook

gehuwden hebben in de regel meer kracht en gewicht dan mensen die

alleenstaand zijn gebleven. Klaarblijkelijk hebben mensen, die met anderen

verbonden zijn, meer kracht dan mensen die zich voor anderen afsluiten, wat

daar ook de reden voor mag zijn.

De anderen, met wie we liefdevol, in achting, gevend en nemend verbonden

zijn, voegen aan het eigene wat toe, verbreden en verdiepen het, en geven ons

volheid en gewicht. Met hoe meer mensen we op deze wijze verbonden zijn, des

te groter wordt het gewicht van de eigen ziel en des te sterker de kracht, die we

hebben en uitstralen.

Uit het voorgaande volgt, dat we onze kracht kunnen vergroten en

vermeerderen, wanneer we ons onze familieleden, die er vóór ons zijn en waren,

toewenden. En met liefde en achting nemen wat ons van hen toestroomt, en hen

een plek in ons hart geven. Dat geldt in de eerste plaats voor onze ouders.

Soms zijn we van hen vervreemd, omdat er een vroege scheiding was, als één

van hen stierf of wanneer de ouders scheidden. Of ook wel omdat we ons naar

hen toe wilden bewegen, maar deze beweging onderbroken werd of door

omstandigheden werd verhinderd. Bijvoorbeeld omdat wij of één van de ouders

lange tijd ziek waren. Het kind beleeft deze scheiding met een zo diepe pijn, dat

hij deze niet anders kan uiten dan met afwijzing, vertwijfeling en woede. Wat de

ouders dan ook doen om het kind te helpen, bereikt het kind slechts moeizaam.

Ouders en kinderen lijden daar beiden onder, en beiden verliezen daardoor aan

kracht.

De oplossing is, dat het kind terug gaat naar de tijd vóór de scheiding, naar zijn

eerste liefde, en dat hij begrijpt, dat zijn vervreemding van zijn ouders in

gekwetste liefde wortelt, en dat hij met zijn oorspronkelijke liefde de beweging

naar zijn ouders toe nog een keer in gang zet, totdat die eindelijk bij zijn doel

aan komt. Dat gaat des te makkelijker, wanneer het nemen van de ouders terug

gaat tot aan het begin. Wanneer het kind innerlijk tegen zijn ouders zegt: ‘Ik

neem het leven van jullie, zoals jullie het van jullie ouders en verder terug van

alle voorouders hebt gekregen. Met alles wat dat met zich mee brengt aan

mogelijkheden en grenzen, aan vreugde en leed, aan lusten en lasten en voor de

prijs die het kost. Jullie zijn de enige mogelijke en de enige juiste ouders voor


mij. En ik neem jullie als mijn ouders, precies zoals jullie zijn, als de enige en de

voor mij beste ouders’. Op dat moment kan alle kracht van de ouders

overvloeien naar het kind. Het kind voelt zich door zijn ouders en de ouders

voelen zich door het kind rijk en vervuld.

Natuurlijk hebben ouders ook gebreken. Ook zij zijn, net als alle mensen, in hun

mogelijkheden door hun herkomst en hun geschiedenis beperkt, en vooral ook

door hun persoonlijke schuld. Maar dat maakt hen, hoe raar dat ook moge

klinken, niet kleiner, maar grootser. Want ouders met onvolkomenheden maken

hun kinderen eerder vertrouwd met de werkelijkheid van het leven dan

volmaakte ouders. Ze maken het hun kinderen niet makkelijk, maar bereiden

hun kinderen breder op het werkelijke leven voor. Wie dus zijn ouders toestemt,

zoals ze zijn, hen acht, zoals ze zijn, hen neemt ook met datgene wat ze ons

opleggen en van ons eisen, die verkrijgt door hen de volst mogelijke kracht.

Mensen winnen ook aan kracht door hun lot, door moeilijkheden overwonnen te

hebben en leed te hebben doorgemaakt. Dan lijkt het wel, alsof vooral die

mensen, met wie zij verbonden waren en zijn en hen als een onzichtbare kring

omgeven, hen gewicht en kracht en grootsheid geven. Overlevenden van de

holocaust lijken bijvoorbeeld omgeven te zijn door de doden, met wie ze een

lotsverbondenheid hebben en zo aanwezig zijn als een stille kracht. En zo lijkt

het, alsof de overlevenden, terwijl ze leven, ook tot de doden horen. Alsof de

doden in hen herinnerd worden en zij ons op die manier herinneren aan die

andere, machtige, donkere werkelijkheid. Iets dergelijks bespeuren we bij hen

die in een oorlog vochten en hebben overleefd. Ook zij zijn met vele doden

verbonden, en door hen omringd, de gestorven vrienden en gestorven vijanden.

Kracht krijgen we ook door hen, die we bijstaan, die we door onze daden het

leven en verder leven mogelijk maken. Dat geldt niet alleen voor diegenen, die

direct in dienst staan van het leven, zoals bijvoorbeeld artsen, maar ook voor

allen, die voor anderen iets doen, op welk vlak dan ook.

Daar horen ook diegenen bij, die invloed op het leven van vele mensen hebben,

zoals bijvoorbeeld werkgevers, politici, legeraanvoerders en, in dit verband ook

rijke mensen, voor zover hun rijkdom veel anderen ten goede komt.

Ondernemers die dat doen krijgen daardoor ook een persoonlijk gewicht en een

bijzondere uitstraling en kracht.

Ook in de psychotherapie maakt het verschil, of de therapeut zich op een

individu alleen richt, of daar voorbij ook die mensen voor ogen heeft, met wie

de cliënt verbonden is. Wanneer een cliënt zich alleen met zichzelf bezig houdt,

met zijn innerlijke psychische dynamiek, dan heeft dat in de regel weinig kracht,

tenzij het om een persoonlijk trauma gaat. Maar wanneer de cliënt de anderen,

die bij hem horen, ook in zijn blikveld houdt, dan wint hij aan kracht. De

therapeut kan dan makkelijker en zuiverder met hem werken. Wanneer de cliënt

bijvoorbeeld zelfmoordneigingen heeft en daarover alleen vertelt met betrekking

tot zijn eigen gevoel, dan geeft dat weinig kracht, en de therapeut kan weinig

voor hem doen. Heeft de cliënt tegelijkertijd zijn familie voor ogen, en vertelt


dan bijvoorbeeld, dat zijn grootmoeder van moeders zijde in het kraambed

gestorven is, dan komt het probleem in een heel andere context te staan. Dat kan

nu samen met zijn moeder en grootmoeder gezien worden. Hij en zijn probleem

winnen daardoor aan gewicht en kracht.

Ook de therapeut wint aan kracht, wanneer hij samen met de cliënt voordurend

diens familie voor ogen heeft en hen allen een plek in zijn hart geeft.

Vooral diegenen die in deze familie misschien buitengesloten, vervloekt

of vergeten werden. Deze mensen sluiten zich dan bij de anderen aan,

die de therapeut vanuit zijn eigen familie kracht geven. Met deze kracht

en dit gewicht kan hij in het systeem van de cliënt ingrijpen, zonder

aanmatigend te zijn Zo kan hij een oplossing zoeken, die zowel de cliënt

als diens familieleden uitwegen uit hun verstrikkingen wijst en zich voor

hen nieuwe mogelijkheden openen voor een vervuld leven.


8. Indonesië

Een deelneemster, bij wie ‘het hoog zit’, als met een doodskreet, raakt

herhaaldelijk in een angstige, verkrampte toestand als van een klein kind.

Haar vader heeft als soldaat in Nederlands Indië vijf slachtoffers gemaakt, bij

één, misschien meer gezinnen.

De vader, de moeder, een representant voor de dochter (de deelneemster) en de

vijf slachtoffers worden opgesteld

De vijf slachtoffers staan op een rij, de vader er tegenover, de moeder staat

terzijde, op enige afstand.

De vader, zijn innerlijke beweging volgend, kijkt één voor één de slachtoffers

aan.

De moeder kijkt naar de grond, en trilt op haar benen.

De dochter zegt tegen haar moeder: ‘Als jij niet naar hen kijkt, doe ik dat wel’.

En dan, terwijl de vader leidt, voert hij zijn dochter naar elk van de slachtoffers

en zegt: ‘Dit is mijn dochter’.

De dochter kijkt het eerste slachtoffer aan. Ze huilt. De dochter maakt een lange,

diepe buiging.Vol respect en met liefde. Zo gaan ze, langzaam, langs alle vijf de

slachtoffers.

Één van de slachtoffers zegt tegen de dochter: ‘Hier heb jij niets mee te maken.

Leef alsjeblieft. Van mij uit ben je vrij’.

De begeleider plaatst de vader naast de slachtoffers. Daar blijkt hij zich het

meest op zijn plaats te voelen.

Dat de slachtoffers dood zijn, dat is nu eenmaal niet anders. Dat ze niet gezien

werden, dat was erg.

Later schrijft de deelneemster, de dochter, over zichzelf:

‘Nadat de dochter de slachtoffers heeft kunnen eren, raakt ze vrij van

angstdromen en heeft ze regelmatig de doden levend voor ogen als gids en

begeleider. Vanuit een innerlijk weten dat de doden bij haar zijn leeft ze nu haar

leven: nieuwgeboren en in het volle besef van het weten’.

Het gebeurt vaker dat we in opstellingen kunnen zien dat daders en slachtoffers

innig met elkaar verbonden zijn. Slachtoffers staan vaak vriendelijk tegenover

kinderen en kleinkinderen van de dader. Ze wensen hen alle goeds toe. En op

hun beurt zien de kinderen en kleinkinderen van de dader, dat ze met het dragen

van schuld of met boete doen de slachtoffers niet helpen.

Mondeling voegt de deelneemster er nog aan toe:

‘Dát de vader een plek heeft, dat telt…..’.


9. Bewegingen van de ziel.

Wanneer je Bert Hellinger nu ziet werken is dat heel anders dan een aantal jaren

geleden. Hij ziet, hij hoort steeds meer zonder veel vragen te stellen en zijn

opstellingen verdichten zich steeds meer in de richting van ‘Bewegingen van de

Ziel’.

Soms, in een seminar, wordt er door alle aanwezigen zo geconcentreerd gewerkt

en verdicht de energie zich zo, dat de begeleider, kijkend naar een cliënt, zich

alleen hoeft af te vragen, zonder een antwoord te willen: ’Wat heeft zijn of haar

ziel nodig?’. En dan kan er gewerkt worden met slechts het meest noodzakelijke

en maar heel weinig representanten. Bijvoorbeeld een representant voor de

dood, een representant voor het leven en een representant voor de cliënt. En

eenmaal opgesteld trekken de anderen, inclusief de begeleider, zich innerlijk wat

terug. En uit de opstelling komt dan, als vanzelf, van binnen uit, een beweging.

Een beweging bij één, soms meer representanten. En zij volgen die innerlijke

beweging, precies zoals die is. Zondere enige interventie van de begeleider. Niet

anders dan een intense, op de achtergrond teruggetrokken aanwezigheid. En dan

beweegt de representant van de cliënt zich naar de dood, die stevig staat. Het

lichaam van de representant van de cliënt begint te trillen, schudden en valt. En

na een beweging, die misschien wel een kwartier lang duurt, staat de

representant naast het leven, en kijkt naar de dood. Een dergelijke beweging

beroert de aanwezigen vaak diep.

Los van de vraag of we als persoon een ziel hebben, lijkt het alsof we deel

hebben aan een ziel, een familieziel of daar voorbij. Die ‘Grotere Ziel’ geeft

richting en beweging.

‘Bewegingen van de Ziel’ gaat voorbij de ordeningen van liefde, waarin een

plek hebben, rangorde en balans in geven en nemen een belangrijke rol spelen.

Bewegingen van de ziel zijn ook op een heel praktische manier bespeurbaar.

Bijvoorbeeld, wanneer je je de vraag stelt, vlak voordat je iets gaat doen: ‘Maakt

dat het geheel sterker of zwakker’. Het antwoord op die vraag is er veelal

onmiddellijk, maar niet altijd prettig onder ogen te zien.


10. De oorlog is voorbij

Bij een eerdere gelegenheid heeft een deelnemer verteld dat hij bijna elke nacht

over de oorlog droomt en daar last van heeft.

Deelnemer: ‘Ik ben iets verloren, toen ik heel klein was, een jaar of 4-5’.

Begeleider: ‘Wat gebeurde er toen?’

Deelnemer: ‘Er waren Duitsers in huis, en die molesteerden mijn moeder’.

Begeleider: ‘Dat is ook moeilijk, voor een kleine jongen om soldaten het huis uit

te krijgen’.

Deelnemer: ‘Ik kan heel erg boos zijn, hoor!’.

Begeleider: ‘Waar was je vader?’

Deelnemer: ‘Hij was soms thuis, soms niet. Hij moest in Duitsland werken maar

dook onder. Wanneer hij thuis was, sliep ik tussen mijn beide ouders in, zodat

bij een razzia ik op mijn vaders plek kon gaan liggen en ze geen warme lege

plek in bed zouden vinden’.

Aan het eind van de opstelling met vader, moeder, de zoon (deelnemer) en zijn

oudere en jongere zuster, zegt de vader tegen de zoon:

‘Het is míjn taak

jij bent mijn jonge zoon

ik draag de boosheid zelf

jij deed je best

jij bent de kleine, ik ben de grote’

Dan buigt de zoon diep voor zijn vader.

En de vader zegt:

‘De oorlog is voorbij’.

Enkele maanden later vertelt de deelnemer dat hij sindsdien niet meer over de

oorlog heeft gedroomd.

Soms zet een innerlijke plek, bijvoorbeeld van de kleine zoon die het denkt op te

kunnen nemen tegen een soldaat die zijn moeder bedreigt, zich zo vast, dat het

gaat lijken op leven in een illusie. Bert Hellinger spreekt hier van ‘blinde liefde’.

De liefde van een kind, dat niet bang is voor de dood. En door een paar

schijnbaar simpele woorden: ‘de oorlog is voorbij’, kan een verschuiving op

gang komen van blinde liefde naar ziende liefde. Van illusie naar werkelijkheid.

Van leven in een oorlog naar leven met de geschiedenis van de oorlog.


11. Nederland, bedrijvig land

Het is verrassend hoe ook in andere systemen dan in families dezelfde soort

krachten blijken te werken en hoe die naar voren komen door opstellingen.

Maar organisaties kennen ook een aantal fundamentele verschillen met familiesystemen.

Om toe te treden tot een organisatie is meestal een vrije keuze, zoals

die er bij een familie niet is. Wie tot een familie behoren en de rangorde

daarbinnen is bepaald door bloedverwantschap en de volgorde van geboorte, en

daardoor betrekkelijk eenvoudig. Wie tot een organisatie behoren en welke plek

ieder daarin heeft is vaak diffuus, en kan alleen al daarom onrust brengen. Horen

bijvoorbeeld de leerlingen bij een schoolorganisatie? En hun ouders?

Wat de ordening in een team bepaald is ook niet altijd meteen duidelijk. De

ervaring met opstellingen leert, dat de rangorde in een team beïnvloed wordt

door anciënniteit, maar ook door bekwaamheid voor de taak en de mate waarin

die taak bijdraagt aan het hoofddoel van de organisatie. Een leider die nieuw

komt in een bestaand team en die het vakmanschap van zijn collega’s en

datgene dat zij hebben bijgedragen aan de organisatie bespeurt, erkent en

waardeert, zo iemand brengt rust en ontleent daar aan gezag.

Wanneer een oprichter of een andere sleutelpersoon vertrekt is het voor zowel

haar of hem als voor de organisatie van belang dat hij erkend wordt voor wat hij

voor de organisatie heeft betekend. Wanneer dat niet gebeurt blijft dat veelal

doorwerken in de organisatie, soms jarenlang. Medewerkers bespeuren zoiets en

voelen zich onrustig en soms niet helemaal veilig.

Een oprichter of leider, die erkend is voor wat hij heeft bijgedragen aan de

organisatie, blijft soms nog vele jaren na zijn vertrek als een goede kracht op de

achtergrond aanwezig. Ook de klanten bespeuren dat.

Een organisatie heeft een doel, een opgave. Een heldere opgave richt en geeft

kracht. Wanneer van een afdeling of organisatie het doel uit beeld raakt zien we

vaak dat de cohesie verdwijnt, en goed leiderschap op zich kan dat lang niet

altijd te verhelpen.

Het gewicht van iemand die een organisatie lange tijd goed heeft geleid is groot.

Zo iemand straalt waardigheid uit, zonder zich beter te voelen dan de

medewerkers.

Het was laatst verrassend om te horen dat in aantal 80% van de Nederlandse

bedrijven familiebedrijven zijn. Familiebedrijven blijken te verschillen van

andere bedrijven. Ze zijn in perioden van tegenwind veel langer bereid om

verlies te nemen. De binding van medewerkers is er sterk. Ze hebben als het

ware de gezinnen achter de medewerkers en achter de klanten en andere

betrokken in beeld.

Veel mensen besteden een groot deel van hun leven en energie in hun werk,

veelal in een organisatie. De krachten die in het systeem van een organisatie

werken doen niet onder voor die in een familie. Het systemisch werk in


organisaties komt net kijken, en de belangstelling groeit. Wellicht kan dat

bijdragen aan de ontwikkeling van organisaties tot plaatsen, waar mensen voluit

het werk dat ze graag doen kunnen doen.


12. Het kindertehuis

Een deelnemer van een jaar of vijfenveertig is directeur van een kindertehuis.

Een deel van de kinderen is daar geplaatst op aanwijzing van justitie. Hij vertelt

dat er al langere tijd wrijving is tussen de teamleiders en medewerkers.

Medewerkers zijn bovendien moe en klagen over hoge werkdruk. De afgelopen

jaren hebben ze er al van alles aan proberen te doen, maar met matig gevoeld

succes.

Met een opstelling wil hij graag kijken wat er speelt.

Opgesteld worden de directeur, een vertegenwoordiger voor de teamleiding, een

manlijke medewerker, een vrouwelijke medewerker, en twee bewoners, een

jongen en een meisje.

De medewerkers kijken allemaal naar verschillende kanten en hebben een

zwaarte over zich. De bewoners, de jongen en het meisje staan met hun

bovenlichaam heen en weer te draaien en zeggen niet te weten wat ze hier

eigenlijk doen.

Binnen deze opstelling is, wat de begeleider ook probeert, geen goede oplossing

te vinden, en hij breekt de opstelling af.

Op dat moment komt er een idee. De ouders van de kinderen worden opgesteld,

een vader en een moeder. En dat verandert alles.

Even later in de opstelling zeggen de medewerkers tegen de ouders, één voor

één: ‘Jij bent de moeder, en jij bent de vader. Ik ben de medewerker van dit

tehuis. Jouw plaats kunnen we niet innemen. En ik acht je als de moeder en ik

acht je als de vader van dit kind, dat ons tijdelijk is toevertrouwd’.

Dan beginnen de kinderen te stralen. En ze beginnen weer geïnteresseerd te

raken in de medewerkers en leiding van het tehuis. En de medewerkers kijken

weer naar hen.

De directeur zucht diep en is zichtbaar onder de indruk.

Hulpverleners voelen zich soms beter dan de ouders van hun cliënt. We hebben

in opstellingen kunnen zien dat zoiets de cliënt makkelijk in een

loyaliteitsconflict brengt. Ongeacht hoe pijnlijk het voor het kind soms bij de

ouders was.


13. Dynamieken

Wat drijft ons toch, en dan nog vaak buiten ons bewustzijn om, om ons te

beperken in onze levensmogelijkheden? Wat brengt ons ertoe iets te willen

dragen voor iemand in onze familie die we misschien zelfs helemaal niet

kennen? Het lijkt of we ingebonden zijn in een onzichtbaar web, waar we de

draden niet van kunnen zien maar de effecten wel merken. Een web, dat ons aan

de ene kant steunt en waar goede krachten ons ondersteunen in ons leven. Een

grootmoeder, die we als het ware achter ons voelen staan en die haar zegen geeft

over wat we willen doen. Een web ook van waaruit beperkingen voortkomen,

omdat we bereid zijn liever te verdwijnen en onzichtbaar te worden dan dat één

van onze ouders verdwijnt.

Zulk soort innerlijke bewegingen, dynamieken, komen voort uit liefde en

verbondenheid. Blinde liefde, een diepe, schijnbaar onbewuste behoefte om het

systeem in stand te houden. Dat betekent bijvoorbeeld te willen boeten voor wat

iemand anders heeft gedaan, ook al is de persoonlijke prijs daarvoor hoog.

Uit de duizenden opstellingen die in de loop van de jaren zijn gedaan worden

een aantal wetmatigheden zichtbaar, die kennelijk van belang zijn voor de

balans in een familiesysteem.

De eerste is: Ieder heeft evenveel recht op een plek. Dat geldt voor de levenden

en ook voor de doden. Wanneer iemand doodgezwegen is of op een andere

manier geen plek heeft gehad zie je dat soms generaties later iemand anders dat

als het ware wil compenseren en bijvoorbeeld de neiging heeft om het leven van

degene die is doodgezwegen te leiden.

Een tweede hoofdlijn is: er is een rangorde in het systeem. Een rangorde zoals

het leven vloeit. Van grootouders naar ouders naar kinderen naar kleinkinderen

en zo verder. Soms, als er geen kinderen zijn, dan stroomt het door naar een

andere levensvervulling, bijvoorbeeld een maatschappelijk doel waar iemand

zich zeer aan wijdt. Binnen een gezin komt eerst het oudste kind, dan het tweede

enzovoorts. Het oudere kind geeft meer en de jongste krijgt meer. Soms zie je

dan dat het jongste kind, om te compenseren dat hij meer gekregen heeft, later

wat meer voor de ouders wil doen, wanneer die zorg nodig hebben.

Een derde principe is de balans in geven en nemen. In een bloeiende relatie is te

zien hoe beide partners steeds aan elkaar geven. En wel steeds zoveel, dat de

ander in staat is om een zelfde hoeveelheid terug te geven, en dan net ietsje

meer. Daardoor ontstaat een soort schommel van geven en nemen, waarop de

relatie zich steeds verder verdiept. Wanneer één van de partners de ander

onrecht heeft aangedaan, dan kan de andere partner ook iets doen of vragen, dat

de eerste bijna net zoveel kost als dat het de gekwetste partner heeft gekost. En

doordat dat net iets minder is, komt er weer een balans in geven en nemen.

Vergeven van de partner die onrecht heeft aangedaan kan een averechtse


uitwerking hebben. Dat is ook te voelen. Wanneer je iemand vergeeft maakt dat

de ander eerder kleiner dan groter. En dat kan de onbalans vergroten.

Deze wetmatigheden lijken de diepere patronen te weven in het web van een

familiesysteem. Ingrijpende gebeurtenissen, vroeg overlijden van iemand, een

ongeluk of oorlog kunnen die wetmatigheden verstoren. Vaak zie je dat ieder lid

van de familie op zijn of haar manier het web weer probeert te herstellen, zo

goed en zo kwaad als dat gaat. En in die poging verstrikt of ingebonden raakt.

Ieder web is weer anders, en even goed als ieder ander web.

Soms lijkt het er op dat het doel is om met behulp van familieopstellingen

zogenaamde verstrikkingen op te lossen. Maar daar onder ligt eigenlijk nog een

andere laag. Je familiesysteem nemen zoals het is. Het is het voor jou enige

mogelijke en enige juiste. Met alles erop en er aan. En het onder ogen zien van

het lot, ook al is dat zwaar, geeft vaak veel innerlijke kracht. Soms geeft een

familieopstelling een nieuw perspectief. En dat kan werken, wanneer het lot en

de dynamieken in een familiesysteem geacht worden, en genomen, precies zoals

ze zijn.


14. De klompvoet

De laatste deelnemer die in een tweedaags seminar aan de beurt komt is een

jonge man. Wanneer hij wat te begint te vertellen over zijn familiesituatie

onderbreekt hij zichzelf en zegt: ‘Ik ben geboren met een klompvoet’.

‘Ik ben daar aan geopereerd toen ik klein was en er is een deel weggehaald’.

Hij begint zacht te huilen en kruipt in zichzelf weg.

Er is iemand opgesteld voor hemzelf en iemand die datgene dat bij hem is

weggehaald representeert.

De deelnemer, geconcentreerd, stelt beide representanten op, op ongeveer drie

meter afstand van elkaar en met de gezichten naar elkaar toegewend.

Dan heffen ze langzaam de ogen naar elkaar op. Het is alsof de blikken zich in

elkaar vasthaken. Na verloop van tijd doet de representant van ‘datgene dat

weggehaald is’ langzaam enkele stappen naar voren, totdat ze vlak tegenover

elkaar staan. De blik nog steeds vast in elkaars ogen. Zo blijven ze lang staan.

De deelnemer, die heeft toegekeken, begint opnieuw te huilen. Door zijn tranen

heen zegt hij: ‘Dit zijn tranen van dankbaarheid. Eindelijk erkenning voor wat ik

al zo lang voelde. Er is ingegrepen in mijn lot. Liever had ik mijn klompvoet

gehouden’.

Soms zien we hoeveel kracht een moeilijk lot met zich mee kan brengen en hoe

voorzichtig we moeten zijn met daarin in te grijpen. De medische wetenschap

maakt steeds meer mogelijk. En dat is te achten. Tegelijkertijd kunnen de

gevolgen van onze keuzes voor medische handelingen voor de ziel en het

systeem aanzienlijk zijn. Wanneer bijvoorbeeld voor een zwangerschap of bij in

vitro fertilisatie sperma wordt gebruikt van een donor, anders dan de partner van

de vrouw, ontstaat er een nieuw systeem. Dat van de vrouw en de man die het

sperma leverde. En daarmee eindigt dikwijls de eerste partnerschap.


15. Na een opstelling, en dan?

Het deelnemen aan een seminar familieopstellingen is soms beangstigend. Soms

is het alsof er een geest uit de fles komt en vooraf weet je niet wat er uit een

opstelling naar voren komt.

Wat deelnemers met een opstelling doen, daarover gaat de begeleider niet. Die

vertrouwt het toe aan de kracht van de deelnemer en zijn dierbaren.

Soms hoor of zie je een onmiddellijke werking, wanneer iemand bevrijd is van

een last of wanneer er helende tranen vloeien.

Wanneer er een innerlijke beweging op gang komt kan dat ook een hele tijd

onprettig en vreemd voelen. ‘De grond is onder me weg, er gebeurt van alles, en

het lijkt voorbij identiteit te gaan, maar daar heb ik geen woorden voor’, vertelt

een deelneemster een maand na een opstelling die raakte aan de grens van leven

en dood. Haar stem klinkt evenwel, door de verwarring heen, krachtig.

Ook zijn er voorbeelden bekend waarbij mensen na een opstelling een tijd lang

lichamelijke ongemakken voelen: een stijve nek of last van een been. De

effecten zijn dus niet te onderschatten en nopen ons tot zorgvuldigheid, zowel de

deelnemers als de begeleider.

Er kwam een vrouw in het winkeltje van God. En God zei: ‘Wat mag het zijn?’.

De vrouw antwoordde: ‘Ach, ik zou graag voor mijn kinderen en voor mijn

zuster en ook voor mij een beetje geluk hebben’. God keek haar aan en

antwoordde vriendelijk: ‘Dan bent u hier eigenlijk verkeerd. We verkopen hier

namelijk geen vruchten, alleen zaden’.

Een zaailing gedijt het best door er voor te zorgen dat er geen anderen komen

grazen, een zaailing heeft rust nodig en koestering. Het is belangrijk om na een

opstelling niet meteen van alles te gaan doen, maar het laten bezinken.

Niet iets doen, niet niets doen, maar niet doen.

Waar een innerlijke beweging groeit zien mensen er na verloop van tijd anders

uit. Hun gezicht wordt anders, er komt soms een glans op de huid. Deelnemers

vertellen, na verloop van tijd terugkijkend, dat er een aantal dingen gebeurd zijn

en nu anders gaan zonder dat ze dat zo bewust in gang gezet hebben. Eigenlijk

zijn ze verbaasd over zichzelf, met een rustige ingetogen kracht.


16. Het Verre Oosten

Man tegen Hellinger: ‘Ik zou wel met haar willen trouwen, maar iets weerhoudt

me’. Samen zitten de man en de vrouw naast Bert.

Opgesteld worden de man, de vrouw en hun beide kinderen, een zoon en een

dochter.

In de familie van de man is iets als van een familiegeheim. Zijn overgrootvader

was beroepsmilitair en kapitein van een oorlogsschip dat tijdens een

Nederlandse missie op de Jangtsekiang aan de grond liep. Later heeft hij zich

door zijn hoofd geschoten, overleefde dat, werd gek en overleed enkele jaren

later. Over hem werd niet meer gesproken.

Hellinger stelt de overgrootvader op en vier mannen, soldaten, slachtoffers. De

representant van de overgrootvader heeft het gevoel dat hij voor een moeilijke

beslissing staat en als hij naar de soldaten kijkt voelt dat als een doodvonnis over

hen.

De representant van de man, met piepende stem: ‘Ik heb ze niet gedood, ik weet

niet wie het zijn, ik voel me schuldig’.

Later zegt de man, bewogen: ‘Ik geef jullie een plek in mijn hart en ik laat jullie

in vrede bij de doden’. Daarna buigt de man, langzaam en diep, voor de eerste

soldaat. Hij zit op zijn knieën, zijn handpalmen opzij en zijn voorhoofd raakt de

grond. Voor wat een eeuwigheid lijkt te duren. Daarna buigt hij op dezelfde

wijze voor de andere soldaten.

Na een tijdje plaatst Hellinger de man bij de vrouw en hun kinderen. De man en

de vrouw kijken elkaar aan, langdurig. Ze kijken en wachten respectvol. De man

legt dan zacht zijn hand op haar rug. Zij wacht en kijkt hem aan. De man zegt

vragend: ‘Alsjeblieft’. Dan omhelst de vrouw de man voluit. En hij omhelst haar

voluit.

Intussen heeft hun zoon zijn arm om zijn zus geslagen. De atmosfeer is vol

liefde en rust.

Bert Hellinger: ‘Is het zo in orde?

De representanten van de man en de vrouw blijven elkaar omhelzen.

Bert Hellinger tegen de hen: ‘Jullie moeten nu wel uit je rol’.

Vanuit het publiek klinkt gelach.

Anderhalf jaar later trouwen de man en vrouw.


17. De begeleider

Weinig opleidingen, studies of nieuwe banen waren zo’n grote stap in mijn

leven als het gaan begeleiden van opstellingen. Jaren heb ik er mee geworsteld

voordat ik mijn eerste opstelling durfde te begeleiden. En er is geen weg terug.

Opstellingen begeleiden betekent innerlijk naast de dood kunnen staan, of naast

een moordenaar. Het betekent datgene benoemen dat in een opstelling naar

voren komt, ook al is het verschrikkelijk. Het betekent tegen een vriend kunnen

zeggen: ‘Uit datgene wat we hier kunnen zien is de relatie over’. Het betekent er

tegen kunnen om geen enkel idee te hebben hoe het verder moet. Het betekent

ook ontroering, wanneer een vader naar zijn zoon kijkt alsof hij naar zijn pas

geboren baby kijkt.

Het is werk dat me vervult, en dat ik graag doe. Mijn innerlijk beeld is, dat via

de cliënt en gedragen door de overige deelnemers en de begeleider, het

familiesysteem naar voren kan komen, bereidwillig, en eigenlijk altijd

vriendelijk. Dat ontroert me regelmatig, dat dit überhaupt kan en mag. En als de

indruk is dat het niet mag, omdat er bijvoorbeeld een familiegeheim is, dan

respecteren we dat en werken niet.

Steeds verbaast het me ook dat ik na korte tijd de opstellingen bijna volledig ben

vergeten. Dat schijnt me in orde toe, dat het systeem of zo je wil de ziel van de

familie van de cliënt zich terugtrekt. Dan voel ik me klein, dankbaar en vol

ontzag.


18. Nederlandse wind

Familie-opstellingen geven een inzicht in wat werkt in familiesystemen. Het

gaat daarbij niet speciaal over onze familie. Die is zoals ze is. Het gaat over

leven. En over datgene dat ons kan steunen om het leven te nemen zoals het is

en er wat goeds van te maken.

Organisatie-opstellingen leren ons over krachtenvelden die op de achtergrond in

organisaties spelen en hoe er een plek gevonden kan worden van waaruit we ons

werk goed kunnen doen.

We hebben onze geschiedenis, als volk, als land. We hebben onze sporen

nagelaten op en in wat nu het Nederlandse grondgebied is. En we hebben sporen

nagelaten op andere plaatsen in de wereld. We hebben gevochten met onze

buurlanden. We hebben zee tot land gemaakt. We hebben koloniën gesticht en

ons daar weer goedschiks of kwaadschiks uit teruggetrokken. We hebben slaven

verhandeld en omdat die zielloos waren verklaard konden ze verhandeld worden

als goederen. Steeds vaker blijkt in opstellingen de geboortegrond of ‘de plek

waar de familie vandaan komt’ van belang te zijn. Waar we anderen beschermd

en gered hebben leidt dat vaak tot een diepe verbondenheid. Maar ook waar we

slachtoffer geworden zijn of waar we dader zijn geweest blijkt daardoor een

band te kunnen ontstaan. Waar ons onrecht is aangedaan of waar wij onrecht

hebben aangedaan is de balans in geven en nemen verstoord en zet die zich soms

voort in volgende generaties. Dat kan honderden jaren terug gaan. En dat is ons

allemaal eigen en stijgt uit voorbij de familiesystemen.

Op dit moment vriest het buiten en is de wereld wit. We hebben geschaatst op de

meren, voor het eerst sinds jaren. De stemming onder de mensen op het ijs, oud

en jong, is opgewekt en vriendelijk. Twee mensen zakken door het ijs, en

worden eruit gehaald. Door anderen, zomaar.

En nergens waait de wind zoals hier, nergens zijn de luchten zoals in Nederland.


Eerste druk: januari 2001

Oplage: 500

Druk: Doorn, Groningen

Deze uitgave is mede mogelijk gemaakt door Auer & Ohler,

Congressbuchhandlung Heidelberg Duitsland

More magazines by this user
Similar magazines