WH-Contactteam - Inspectie Leefomgeving en Transport

ilent.nl

WH-Contactteam - Inspectie Leefomgeving en Transport

WH-Contactteam

Jaarverslag 2005


Inhoud

Voorzitter WH-Ct & voorzitter AGH

Handhaving luid en duidelijk laten doorklinken

Agenda WH-Ct 2005

Waarover spraken zij?

Professionalisering van de milieuwethandhaving

Slotfeestje en aftrap tegelijk

Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater

Oplossingsgericht handhaven?

RIZA en rol

Inspringen op behoeftes

RIZA laboratorium en logistiek

Mag het een beetje meer zijn?

Handhaven in Zeeland

Niks routinewerk!

Project nalevingsmeting

Weten te meten

Veldbezoek handhaving

Zeeuws reisje

Project Scheepsmilieucontroles

Vaart in milieucontroles binnenvaart

HAVIK

Handhaving en vergunningverlening gediend met ICT

Ketenhandhaving

Van objectgericht naar ketengericht handhaven

Integrale waterwet

Kanttekeningen bij de Waterwet

Interview met Jaap Rus

Voorheen: Wvo-Contactteam

Cijfers

Handhaving van de watergerelateerde milieuwetten door RWS en de

Inspectie V&W in de periode 2001-2005

Gegevens AGH

4

6

8

10

12

14

15

17

18

20

22

24

26

27

29

30

Het WH-Contactteam, zoals dat in 2005

in functie was.

In 2006 wordt dit team vervangen door

de nieuwe Adviesgroep Handhaving

(AGH). Meer informatie over de samenstelling

van de AGH kunt u vinden op

pagina 30.


Voorzitter WH-Ct & voorzitter AGH

Handhaving luid en duidelijk laten doorklinken

4

Tineke Cnossen, Unitmanager Handhaving bij de Inspectie, zocht als voorzitter

van het (oude) WH-Ct een voorzitter voor de (nieuwe) Adviesgroep

Handhaving (AGH). Ze bracht Eric Marteijn binnen, directeur Water en

Scheepvaart bij de regionale dienst Limburg.

Eric Marteijn, met een verleden bij

RWS RIZA en de regionale dienst

(RD) Zeeland, was net aan z’n

tweede jaar begonnen bij de

Dienst Limburg. Voor hem was na

het beginjaar de fase aangebroken

dat hij om zich heen kon kijken om

ook landelijk activiteiten voor RWS

op te pakken. “En dan neem ik,

om het boeiend te maken, het

liefst een onderwerp waarin ik juist

niet zo goed thuis ben. Toevallig

kwam handhaving langs: niet mijn

natuurlijke achtergrond, noch mijn

hobby, dus interessant”, zegt

Marteijn.

“Met de wijziging in de relatie

Inspectie-RWS , waardoor RWS

weer volledig zelf verantwoordelijkheid

draagt voor vergunningverlening

en handhaving richting

derden, vond ik dat de AGH-voorzitter

uit RWS-gelederen zou moeten

komen”, zegt Cnossen. Ze

zocht een energieke, enthousiaste

voorzitter die bovendien de aansluiting

zou vormen naar de

Voorbereidingsgroep Nat (VG-

Nat), de groep RWS-directeuren

waaraan AGH advies uitbrengt.

“Eric heeft die kwaliteiten, is directeur

- dus een mooie schakel naar

VG Nat èn hij had nog geen overvolle

agenda.”

En wat heeft Marteijn, volgens

hemzelf, de AGH te bieden? “Ik

ben een brononderzoeker met als

motto ‘beter goed gejat dan slecht

zelf bedacht’. Delen van kennis is

de rode draad in mijn leven en dat

zie ik ook als motto voor het AGH.

Binnen RWS hebben we de mond

vol over kennis delen, maar er

worden heel veel ballen niet ingeschoten.

Er is voor vergunningverlening

en handhaving nog steeds

een wereld te winnen.”

”Een persoon die een krachtige

stem kon laten horen leek me ook

niet gek”, zegt Cnossen, omdat -

althans tot voor kort - het idee

bestond dat er op vergunningverlening

en handhaving heel veel te

bezuinigen viel. Handhavers zullen

samen een stevig geluid moeten

laten horen, niet per se voor het

behoud van kwantiteit, maar wel

om de kwaliteit overeind te houden.”

“Ik zal ook het bestaansrecht

van deze groep verdedigen”,

zegt Marteijn, “want als je corporate

wilt werken kun je niet zonder.”

Teambuilding

Om de adviesgroep te laten functioneren

denkt Marteijn niet in de

eerste plaats aan hoge vergaderfrequenties

en lange zittingen.

“Heel belangrijk is dat de deelnemers

elkaar goed kennen, anders

kun je nog zo lang praten maar

lukt er niets. Ik wil daarom expliciet

aan de slag met teambuilding,

want dan bereik je sneller overeenstemming

op inhoud. We moeten

ook uitspreken welke onderlinge

bedreigingen we zien, anders zitten

we straks via de inhoud onze

menselijke trekjes uit te spelen. We

moeten elkaar zo goed kennen en

vertrouwen dat we ook niet meer

alles met z’n allen hoeven te

bespreken: dat je het kunt overlaten

aan kleinere werkgroepjes of

iemand een mandaat kunt geven

om namens AGH te spreken.”

Nog een punt om aan te werken is

de aansluiting met niet-milieuhandhavers

van RWS. Cnossen:

“AGH is er nu ook voor deze

handhaving, maar de aanspreekpunten

op dit terrein zijn nog niet

in beeld en ik vraag me af of in de

hoofden van de AGH-deelnemers

die knop al om is.”

“Bij mijn dienst zitten alle handhavers

- milieu- en niet milieu - in

één afdeling met één hoofd, zegt

Marteijn, maar verder om me heen

kijkend verbaasde het me bijvoor-

beeld te zien dat voor een aanstaande

handhavingsdag alleen

milieuwethandhavers waren uitgenodigd.

“Ik heb direct voorgesteld

dat iedere dienst uit eigen huis een

niet-milieuwet handhaver meeneemt,

die voor dit contact met

milieuwethandhaving openstaat.

Een volgende keer kunnen die

niet-milieuwet handhavers dan op

hun beurt hun collega’s naar zo’n

dag meenemen. We zijn vaak

meesters in het aanwijzen van verschillen,

maar ik zie altijd meer de

overeenkomsten. Handhaving van

bijvoorbeeld de Wbr of Wvo

maakt in principe niet veel uit.

Eventuele verschillen in aanpak

zou je ter verfrissing en inspiratie

moeten gebruiken, zeg ik als brononderzoeker.”

En de relatie met vergunningverlening?

Marteijn: “Ik heb met Annet

Augustijn, voorzitter van AGE, de

adviesgroep van vergunningverleners,

afgesproken dat we regelmatig

op dezelfde dag en locatie zullen

vergaderen. We kunnen dan

een gemeenschappelijk programmaonderdeel

organiseren, bijvoorbeeld

tijdens de lunch. De vergunningverleners

zijn toch te zien als

onze ‘brothers in arms’, onze partners

en ik wil graag bijdragen aan

een ontluikende liefde.”

Taken

Het doel van de AGH is het bereiken

van een professionele, uniforme

en corporate werkwijze. “Ten

aanzien van de corporate werkwijze

zullen we ons heel pro-actief

moeten opstellen”, zegt Marteijn.

“Je moet er niet tegenin gaan

zwemmen, maar met die stroom

mee. Je kunt dan samen bepalen

hoe je erin wilt zitten en verspilt

geen energie.”

Zoals eerder aangegeven zal AGH

de VG Nat (en op onderdelen VG

Droog) gaan adviseren op het

gebied van de handhaving milieuwetten

en niet-milieuwetten (met

uitzondering van de scheepvaartwet

en de Wet vervoer gevaarlijke

stoffen). De AGH is bedoeld voor

strategisch handhavingsoverleg,

waarbij de groep RD-overschrijdende

zaken kan (laten) oppakken.

RD-overschrijdende inhoudelijke

knelpunten kan de groep projectmatig

(laten) oppakken. Bij

voorkeur wordt de agenda niet

gevuld met ‘presentaties ter kennisname’

maar met bondig beschreven

punten met een duidelijke

vraagstelling.

“Ze hebben me al gevraagd wat

we precies gaan oppakken, zegt

Marteijn, maar dat is niet aan mij.

Ik zit er meer als procesbegeleider

bij de behandeling van zaken die zij

moeten aandragen. Wel vind ik dat

we als klantgerichte organisatie ook

moeten nagaan wat we volgens de

buitenwacht zouden moeten agenderen,

bijvoorbeeld door goed naar

de resultaten uit klanttevredenheidsonderzoeken

te kijken.”

Ook de Inspectie zal, zij het

bescheidener dan in het WH-Ct, in

de AGH vertegenwoordigd zijn.

Cnossen: “Het gaat ons erom mee

te kunnen denken over werkwijzen,

input te krijgen voor projecten,

en zaken voor te leggen zoals

inspectiekaders of concept-adviezen

met betrekking tot het

managementcontract van RWS

zoals we die aan de Secretaris

Generaal willen uitbrengen.”

“Omdat jij degene bent die me op

deze voorzittersplek heeft binnengehaald,

zul je me over - zeg twee

jaar- misschien ook nog op iets

willen afrekenen?”, vraagt Marteijn

aan Cnossen. “Ik zou willen

zien dat de stem van AGH luid en

duidelijk doorklinkt in VG Nat”,

zegt Cnossen. “Ik leg daarmee de

lat hoog, maar het zou mooi zijn.”

“Die ambitie moet je hebben”,

zegt Marteijn. “Zie de wielrennerij:

het helpt als Armstrong al vooraf

roept dat hij weer de Tour de

France wil winnen.”

Meer informatie:

Eric Marteijn

RWS Limburg

Tel. 043-3294924

e.c.l.marteijn@dlb.rws.minvenw.nl

Tineke Cnossen

Inspectie VenW

Tel 0320-299561

tineke.cnossen@ivw.nl

5


6

Agenda WH-Ct 2005

Waarover spraken zij?

“Het is toch wel een heel ander jaar geweest dan 2004”, zegt WH-Ct

secretaris Sebastian Jansen (Inspectie), terugkijkend op 2005. “In 2004 was

het ‘professionalisering en soms nog wat anders’, nu passeerden weer zeer

uiteenlopende onderwerpen de revue.”

Niet dat professionaliseringonderwerpen

ontbraken op de agenda.

Jansen: “Begin 2005 was er nog

van alles te doen rond de naderende

eindmeting. Hoe gingen we bijvoorbeeld

om met verassingen,

zoals het feit dat we toch geacht

werden om aan de hand van enkele

dossiers al voorbeelden te geven

van daadwerkelijke toepassing van

de beschreven processen? En er

waren nog wat projecten die tot in

2005 doorliepen, onder meer het

deelproject Opleidingen en een

vervolg op het project Kengetallen.

In dat vervolgproject is geprobeerd

producten nader te specificeren

om zo grip te krijgen op de bandbreedte

in de getallen. Immers, pas

als iedereen precies hetzelfde verstaat

onder een activiteit, zoals een

bedrijfsbezoek, kun je de hoeveelheden

tijd en geld die er bij verschillende

diensten mee gemoeid

zijn met elkaar vergelijken. We zijn

er nu redelijk uitgekomen. Ook

hebben we de oude discussie over

wel of niet tijd registreren achter

ons gelaten. Ook als je niet in tijd

maar in concrete producten denkt,

kun je voor de ontwikkeling van

kengetallen natuurlijk best tijd

registreren. Ik verwacht overigens

dat kengetallen nog regelmatig

opnieuw ter discussie zullen staan.

Als je zegt dat je anders en efficiënter

gaat werken zullen de kengetallen

gaandeweg ook moeten

veranderen, anders klopt er iets

niet.”

Recepten

En wat stond er verder op de

agenda? “Eigenlijk te veel om op

te noemen”, zegt Jansen. “Om de

diversiteit aan te geven: we hebben

het bijvoorbeeld gehad over

een plan voor een verbeterslag van

de ‘Risico Analyse Tool Handhaving’;

over een landelijke handhavingsactie

in 2006; over de

handhavingsuitvoeringsprogramma’s,

over de door de Inspectie

benoemde Landelijke prioriteiten

Sebastian Janssen

2006 (herkenden ook de Regionale

diensten deze als prioritair?);

over het Toezichtarrangement

Waterbeheer (hoe wil de Inspectie

bij de RWS-diensten inspecties

gaan uitvoeren?); en over knelpunten

in het gedoogbeleid. Ik

herinner me ook discussies over de

‘service level agreements’ die de

DG met HID’s overeenkomt en

dan met name over de daaraan

gekoppelde budgetverdeling over

de diensten. Ook is er gesproken

over nieuwe functiebeschrijvingen

in het ‘functiegebouw RWS’, omdat

handhavers zich daar niet in

konden vinden. Of neem zoiets

praktisch als de vraag van RWS

RIZA aan de regionale diensten om

de analysebehoefte voor het komende

jaar te schetsen, zodat ze,

de prognoses van iedereen overziend,

een goede planning kon

maken. Ook voor zoiets praktisch

is het prettig een WH-Ct te hebben.

Er werden in 2005 ook weer regelmatig

vragen van individuele

regionale diensten in het WH-Ct

besproken. Dit mede vanuit het

idee dat het kwesties betrof die

voor meer diensten interessant

zouden zijn. Jansen: “Zo was er de

vraag of je de KLPD in het informatiesysteem

WVO-info zou kunnen

toelaten en hoe je bedrijfsgevoelige

informatie in het systeem

technisch zou kunnen afschermen.

Een ander voorbeeld is de behandeling

van de vraag of waarschuwingen

aan de eigen dienst in

gevallen dat er nog geen sprake

is van een overtreding ook ondertekening

van de Inspectie behoeven“.

Leren van elkaar, gezamenlijk dingen

uitzoeken en kennisname van

nieuwe ontwikkelingen door presentaties

in het WH-Ct waren ook

in 2005 herkenbare elementen in

de activiteiten van het team. Zo

vond een inventarisatie plaats van

initiatieven op het gebied van uitbesteding

van de handhaving, ook

met het idee om dit gezamenlijk -

met een rol voor RWS RIZA - te

gaan vormgeven. In 2005 is ook

de traditie in ere hersteld om met

het gehele team in de keuken van

een RD te gaan kijken. Het tweedaagse

programma (overigens

inclusief een echte kookles) was

voor een groot deel gevuld met

presentaties en bespreking van

ICT-ontwikkelingen, ‘publieksgerichte

dienstverlening’ en ‘handhavingscommunicatie’

(zie ook het

project HAVIK, pag. 22).

Feedback

Een aantal projecten is in het WH-

Ct gebracht met de bedoeling

feedback uit het team te krijgen.

Zo is het project nalevingsmeting

van de Inspectie (zie pag. 17 in dit

verslag) besproken, wat verhelderende

vragen opleverde. Ook het

projectplan Ketenhandhaving is in

het WH-Ct gebracht om suggesties

te ontvangen voor een goede

‘natte keten’ die je in dit project

zou kunnen uitdiepen opdat de

exercitie meteen ook heel bruikbare

resultaten zou opleveren. Daarnaast

stond het WH-Ct ook zelf

aan de wieg van een aantal activiteiten,

bijvoorbeeld met het voorstel

om een werkgroep Binnen-

vaart op te richten om het toezicht

op de binnenvaart door RWS op

uniforme wijze vorm te geven. Een

ander voorbeeld is de formatie, op

initiatief van RWS Zuid-Holland,

van een werkgroep om de gevolgen

van de KRW voor de handhaving

te bekijken.

Speerpunt en pijnpunt

Het team was ook de plek om te

praten over implicaties van politieke

wensen en stil te staan bij (veranderingen

in) wet- en regelgeving.

Zo is in het WH-Ct een

standpunt geformuleerd om de

administratieve lasten voor bedrijven

te verminderen, bijvoorbeeld

door bedrijven toe te staan met

een lagere frequentie het eigen

afvalwater te bemonsteren.

Jansen: “Dit politieke speerpunt is

een pijnpunt voor de handhavers:

zo vragen ze zich af of het zelf

nemen van monsters wel een

administratieve last betreft of dat

het gewoon als onderdeel van de

bedrijfsvoering mag worden

gezien. In ieder geval vrezen ze

een verzwaring van de bewijslast

voor handhavers.” Op het gebied

van wet- en regelgeving is aandacht

besteed aan onder meer het

Lozingenbesluit huishoudelijk

afvalwater (zie ook pag. 10 van dit

verslag), de AmvB kleine lozingen

en de aankomende integrale

Waterwet. Jansen: “Vooral rond

het Lozingenbesluit huishoudelijk

afvalwater was er in 2005 veel te

doen omdat de Inspectie met een

inspectiekader voor de handhaving

van dit besluit kwam, terwijl de

regionale diensten vanuit de uitvoeringpraktijk

moeite met de termijnen

hadden.” Ten aanzien van

de integrale Waterwet (zie ook

pag. 26 in dit verslag) is een conceptreactie

van de Inspectie over

de handhaafbaarheid van de wet

besproken. In de reactie naar DG

wilde de Inspectie namelijk graag

aansluiten op het oordeel van de

Kijkje in de keuken bij een RD

diensten over de uitvoerbaarheid.”

Ook bodemwetgeving stond in

2005 op de agenda. Jansen: “Hier

mocht ik zelf met een presentatie

in het team toelichting geven op

diverse veranderingen in de Wet

bodembescherming en het Bouwstoffenbesluit.”

Secretaris-af

Met regelmaat is gesproken over

de stand van zaken in de uitwerking

van de nieuwe relatie Inspectie-RWS

en - hoe kan het anders -

over de overgang van het WH-Ct

in het adviesorgaan AGH. “In het

AGH wordt onze rol kleiner”, zegt

Jansen. “Nog altijd houden we een

vaste vertegenwoordiging in de

persoon van Francisco Leus en we

zullen ad hoc meedraaien om specifieke

onderwerpen toe te lichten,

maar de Inspectie levert geen

voorzitter en secretaris meer.”

Op het moment van dit interview

heeft Jansen net zijn laatste vergadering

als secretaris van het WH-

Ct achter de rug. Hoe kijkt hij erop

terug? “Twee jaar was leerzaam en

boeiend: al die onderwerpen die ik

heb zien langskomen. Het waren

nuttige besprekingen en ik vond

het heel vaak moeilijk om niet uit

mijn rol te vallen en niet mee te

gaan discussiëren.”

Hij is positief over de transformatie

van WH-Ct tot adviesorgaan. “Het

zal wel vereisen dat de uitkomsten

van de besprekingen heel stevig en

concreet als advies op papier worden

gezet. Misschien is dat nog

even wennen, maar zo is er wel de

mogelijkheid om heel herkenbaar

als adviesgroep te functioneren en

te laten zien hoeveel je kunt toevoegen

aan de organisatie.”

Meer informatie:

Sebastian Jansen

Inspectie Verkeer en Waterstaat

Tel. 0320-299550

sebastian.jansen@ivw.nl

7


Professionalisering van de milieuwethandhaving

Michael Lunter (l) en Kitty van de Wall

8

Slotfeestje en aftrap tegelijk

Behoeft de professionaliseringsslag van de milieuwethandhaving nog uitleg?

Voor 2005 moest deze handhaving, ook die bij VenW, aan landelijke

kwaliteitscriteria voldoen. Kitty van de Wall (RWS RIZA) en Michael Lunter

(Inspectie) blikken terug en ….vooruit.

Beiden draaiden vanaf vrijwel het

begin mee in het regieteam van

het professionaliseringtraject. Kitty

van de Wall als secretaris vanuit

RWS RIZA; Lunter vanuit de

Inspectie, gedelegeerd opdrachtgever

voor dit project. Van de Wall:

“Tijdens het project heb ik al de

producten uit de diverse werkgroepen

gereed zien komen waarmee

we konden aantonen dat we de

handhaving goed georganiseerd

hadden. Gezien de goede score

van RWS-diensten en de Inspectie

bij een interne meting in 2004 -

zeg maar een generale repetitie

voor de externe verificatie - konden

we ons eindexamen met vertrouwen

tegemoet zien.” “Toch is

in de slotfase nog hard getraind”,

zegt Lunter, “want het is al een

kunst op zich om het verificatieproces

goed te doorlopen. Als je

goed bent komt dat in zo’n toets

nog niet automatisch uit de verf.”

Het regieteam zorgde voor training

en huurde in de eindfase zelf een

adviesbureau in om bij de externe

verificaties aanwezig te zijn en

daarover aan het regieteam te rapporteren.

Lunter: “Er kwam toch

een aantal punten uit naar voren

waarover we met de landelijke

projectorganisatie in discussie zijn

gegaan en waarop we gelijk hebben

gekregen. Met een ‘ik heb het

gevoel dat’-argumentatie kun je

achteraf moeilijk je gelijk halen,

maar wij konden dankzij de nauwkeurige

observatie heel precies de

aanvechtbare zaken aanwijzen.”

In de tweede helft van 2005 werd

duidelijk dat handhaving en inspectie

bij VenW goed door de

verificatie waren gekomen. Kon

het boek toen dicht? Van de Wall:

“Het betekent dat de milieuwetgeving

in ieder geval op papier op

orde is en dat wat in de landelijke

kwaliteitseisen is vastgelegd in

potentie aanwezig is. Nu komt het

aan op implementatie.” Het behalen

van de mijlpaal werd gevierd

met een slotdag te Zeist, die -

zoals zich laat raden - deels in het

teken stond van die implementatie.

Politiek als paardenziekte

Lunter: “Na een ochtend met

diverse presentaties speelden we in

Zeist met alle handhavers een

Handhavers in discussie

soort ‘Kolonisten van Catan’-spel.

We wilden het belang van een

‘plan do, check, act’-cyclus eens

op een originele manier voelbaar

te maken.” De aanwezigen werden

ingedeeld in groepen, die de

opdracht kregen het eigen ‘dorp’

zo welvarend en sterk mogelijk te

maken door handel te drijven op

een middeleeuwse markt. Van de

Wall: “Het spel besloeg een periode

van twee jaren, zodat in het

tweede jaar de eerder opgedane

ervaring benut kon worden. Als

een nabijgelegen dorp veel meer

had verdiend door bijvoorbeeld

paarden in plaats van graan in te

kopen - er liepen ook spionnen

over het terrein - werd daar snel

lering uit getrokken.” Lunter: “De

spelleiding introduceerde echter

ook onvoorziene gebeurtenissen,

zoals een paardenziekte die allerlei

mooie plannen doorkruiste.” De

link naar de praktijk is snel gemaakt.

Lunter: “Je moet van te

voren je plan trekken maar dat ook

snel kunnen bijstellen als er iets

onverwachts gebeurt. De ‘paardenziekte’

kan zich in onze wereld

bijvoorbeeld aandienen in de vorm

een politieke ontwikkeling die

inbreekt op onze eigen prioriteitstelling.”

Van de Wall: “We hoopten dat het

in het spel ook tot samenwerking

zou komen, toch niet onbelangrijk

in de corporate organisatie RWS,

maar dat werd aanvankelijk opvallend

vaak vergeten. Lunter: “De

groepen waren zeer bont samengesteld,

vanuit verschillende diensten

en hadden dus geen natuurlijke

cohesie. Geef ze echter een

jutezak voor inkopen en een vlag

en ze gaan gelijk voor de eigen

groep en de eigen aanpak en laten

kansen liggen om profijtelijk met

anderen samen te werken.” Van

de Wall: “Het was, kortom, een

dag vol boodschappen, letterlijk en

figuurlijk.”

Toeren

En hoe staat het inmiddels met de

implementatie? Van de Wall:

“Inmiddels zijn we gestart met een

vervolgproject ‘Handhaving: de

volgende stap’. Ter voorbereiding

is RWS RIZA eind 2005 onder

andere begonnen aan een toer

langs de regionale diensten om te

inventariseren waar de regionale

diensten knelpunten en verbeterpunten

zagen ten aanzien van de

producten uit het project professionalisering

van de handhaving.

Wij bezochten de werkvloer, terwijl

een adviesbureau voor ons ook

nog eens de hoofden bevroeg over

wat gewenst en nodig was om

werkelijk met de professionaliseringsproducten

te gaan werken.”

Voorbeelden van belangrijke dingen

die nu moeten worden opgepakt?

“Essentieel is bijvoorbeeld

dat de sanctiestrategie die we

gezamenlijk hebben afgesproken

overal en altijd wordt gevolgd”,

zegt Lunter, “tegen dat punt zijn

ook wij in een inspectieonderzoek

aangelopen.” “Een ander knelpunt

is bijvoorbeeld het Compendium

Handhaving, het grote naslagwerk

voor de handhaving”, zegt Van de

Wall. “Je ziet vaak dat het niet één

op één wordt gebruikt, maar dat

er een vertaling voor de ‘eigen

regio’ van wordt gemaakt. Men

doet dat omdat het naslagwerk

niet aansluit bij de eigen zoekvragen

of omdat men het voor de

eigen bedrijven nader wil invullen.

Behoorlijke kans dat zo’n vertaling

vervolgens een eigen leven gaat

leiden waarbij de link met het

Compendium wegvalt.”

“Een tweede probleem” zegt

Lunter, “is dat het kwaliteitsmanagementsysteem

als het ware

naast dit Compendium staat. Je

zou de ‘plan, do, check, act’-cyclus

in het Compendium willen terugzien.

Dat deze integratie ontbreekt,

is historisch zo gegroeid.

Het was goed geweest om bij het

kwaliteitsmanagement te beginnen,

maar we zijn - onlogisch -

aan de productenkant gestart

omdat er al het oude Protocol

Handhaving lag dat we konden

upgraden en updaten.” Van de

Wall: “Eén van de belangrijke

deelprojecten is daarom dit

Compendium te herschrijven zodat

een koppeling ontstaat met het

waterkwaliteitshandboek RWS.”

Op niveau

Lunter en Van de Wall willen ten

slotte niet onvermeld laten dat het

zal schelen dat het WH-Ct is omgebouwd

tot Advies Groep Handhaving

(AGH). Van de Wall: “In

het WH-Ct is veel gesproken over

professionalisering en implementatie,

maar het besprokene had in

die setting geen automatisch vervolg.

Nu opereert deze groep als

adviesgroep voor de Voorbereidingsgroep

Nat, het hoogste

bestuurlijke orgaan van RWS op

watergebied.” Lunter: “Ook dat is

belangrijk voor het welslagen van

het implementatieprogramma

2006. Je moet toch ‘op niveau’

steun verkrijgen want aan alles zit

uiteindelijk toch wel een politiek of

bestuurlijk prijskaartje.”

Meer informatie:

Kitty van de Wall

RWS RIZA

Tel. 0320-298453

k.vdwall@riza.rws.minvenw.nl

9


10

Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater

Oplossingsgericht handhaven?

Het jaar 2005 leek nog ver weg toen in 1997 het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk

afvalwater werd vastgesteld. Toch ging deze deadline behoorlijk

wringen bij de sanering van de lozingen in kwestie, waaronder de lozingen

vanuit woonboten. RWS Noord-Holland, met veel woonboten in het beheersgebied

en de Inspectie zijn belangrijke spelers in de operatie om de

zaak tot een goed eind te brengen.

“In de praktijk ligt het vrij gecompliceerd”,

zegt Hans Overbeek van

de afdeling Emissies van RWS

Noord-Holland “Neem de eis dat

de stroom huishoudelijk afvalwater

op het riool moet worden aangesloten

als dat rioolstelsel op minder

dan veertig meter afstand ligt. Als

dat riool er ligt en onze handhavers

zeggen dat de lozing vanuit

een woonboot op oppervlaktewater

afgelopen moet zijn, zou de

gemeente tegelijkertijd ‘aan de

walzijde’ druk moeten kunnen uitoefenen

en aansluiting moeten

kunnen afdwingen, maar ze hebben

daartoe weinig middelen in

handen. En wat doe je als een

dichtbijliggend rioolstelsel wel

gepland is, maar pas over twee

jaar zal worden aangelegd?”

“Daar doorheen spelen ook nog

aspecten van proportionaliteit”,

zegt Henny van Gellekom, jurist bij

Hans Overbeek (l) en Henny van Gellekom

RWS Noord-Holland. “Vergeleken

bij woonhuizen liggen de kosten

voor woonbootbewoners vaak veel

hoger, omdat aan boord eerst nog

een heel buizenstelsel moet worden

aangelegd om het afvalwater

te verzamelen. Als je als beheerder

zo graag wilt saneren, is er juridisch

gezien een grens aan wat je

van de lozer kunt verlangen. Je

zult bij onevenredig hoge kosten

toch ook zelf bij moeten springen.”

Overbeek: ”We kwamen tot

het inzicht dat we een subsidieregeling

moesten ontwerpen. Dat

is tegelijk mooie smeerolie in het

proces dat je met de mensen in

moet gaan om de sanering voor

elkaar te krijgen.” Van Gellekom:

“We hebben het in het begin wel

anders geprobeerd: met een zeer

rechtlijnige aanpak van woonboten

in Zeeburg. De woonbootbewoners

vormen echter een goed

georganiseerde groep die onmiddellijk

het beginsel van proportionaliteit

in stelling bracht. Toen een

lawine van juridische procedures

dreigde werd snel duidelijk dat een

andere benadering gewenst was.

We volgen nu een projectmatige

aanpak met gemeenten, andere

beheerders en de doelgroep en dat

blijkt de sleutel tot succes.”

Inspectiekader

Problemen van bovenbeschreven

aard met het Lozingenbesluit Wvo

huishoudelijk afvalwater waren

natuurlijk een uitnodiging aan de

kersverse IVW Divisie Water (nu:

Inspectie Verkeer en Waterstaat,

Toezichteenheid Waterbeheer) om

in een inspectiekader aan te geven

hoe aan dit besluit uitvoering

moest worden gegeven. Rijkswaterstaat

mocht meedenken over

een praktische aanpak en Overbeek

en Van Gellekom waren daar

nauw bij betrokken. Overbeek: “In

het uiteindelijke inspectiekader zijn

drie categorieën lozingen onderscheiden:

de eigen lozingen RWS,

die van derden en - als aparte

groep daaruit gelicht - de woonboten.

De eigen lozingen moesten

voor 2006 geregeld zijn, die van

de twee andere categorieën moeten

voor 2007 op orde zijn. Er

worden ook praktische aanwijzingen

gegeven, bijvoorbeeld dat je

de planning van de gemeente

moet natrekken en informeren of

er sprake was van een provinciale

ontheffing van de rioleringsverplichting.”

Van Gellekom: “Die

deadlines betekenden weliswaar

een versoepeling, maar het kader

liet zo toch weinig ruimte voor een

andere aanpak. Het standpunt van

de Inspectie was toch dat we het

allemaal ruim van te voren hadden

kunnen zien aankomen.” Het

inspectiekader dat er uiteindelijk

kwam te liggen stelde Overbeek

en Van Gellekom, met name voor

de knelpuntsituaties/woonboten,

dan ook wel enigszins teleur, ook

al beseffen ze dat de Inspectie

vanuit een eigen verantwoordelijkheid

voor een correcte uitvoering

een eigen positie koos.

Focus

“Onze insteek was inderdaad dat

er in het besluit al gigantische

overgangstermijnen waren opgenomen”,

zegt Sebastian Jansen

van de Inspectie, reagerend op

Overbeek en Van Gellekom. “Met

het uitstel dat we met het inspectiekader

hebben gegeven, is tegemoet

gekomen aan het argument

van RWS-diensten dat ze een

enorme bestuurslast door aangetekende

bezwaren verwachten.

Maar we willen nu toch wel actie

zien op handhavingsgebied.”

Jansen vindt de aanpak nu erg

oplossingsgericht. Dat je in een

project aan een lange-termijnoplossing

werkt, neemt niet weg dat

je lozers nu op hun verantwoordelijkheid

kunt aanspreken. Wie zegt

dat het niet voorlopig kan worden

opgelost met een IBA of septic

tank? De focus moet niet alleen op

de gezamenlijk te bereiken eindoplossing

liggen, dat is namelijk

iets anders dan handhaving.” Een

inspectiekader zal volgens hem

altijd wel een beetje ‘te streng’

worden gevonden. “Maar hoe zie

je anders waar mogelijke problemen

liggen? Een negatief oordeel

van de Inspectie is ook niet het

einde van de wereld, want een

dienst kan wel eens heel valide

redenen hebben om af te wijken.”

Reparatieslag

Voor Van Gellekom en Overbeek

blijft het zonneklaar dat er voor

wat betreft woonboten zonder een

projectmatige aanpak nauwelijks

voortgang valt te boeken. Van

Gellekom: “En daarmee blijft er

een spanning bestaan met de termijnen

uit het inspectiekader.”

Overbeek: “Dat het op dat punt

wringt kun je al simpel afleiden uit

het feit dat we nu bij RWS een

subsidieregeling hebben met een

looptijd tot voorbij het moment

waarop alles op basis van besluit

en uitvoeringskader allang geregeld

zou moeten zijn.”

Er staat inmiddels een nieuw

Besluit lozing afvalwater huishoudens

op stapel. Nieuwe kansen?

Jansen: “Na de hele discussie over

het kader is de zaak aan de staatssecretaris

voorgelegd. Het is voor

haar ook belangrijk dat het ineens

goed geregeld wordt, zodat ze niet

twee keer naar de Kamer hoeft

met een verhaal over uitstel. Ze

heeft ons en RWS gevraagd te

komen met een onderbouwde

reële termijn. Van Gellekom: “Als

uitkomst van ons gezamenlijk

overleg is ruimte gecreëerd om

onder bepaalde voorwaarden tot

een aanpassing van de termijn te

komen. Het uitvoeringskader van

RWS zal invulling gegeven aan

deze bepaalde voorwaarden. Dit

zal ook weer met de Inspectie

moeten worden afgestemd omdat

zij zich daarin moet kunnen vinden.

Janssen: “We willen wel duidelijke

criteria: als vrijstelling wordt

gegeven omdat ‘binnen afzienbare

tijd’ een duurzame voorziening te

verwachten is, willen we wel helder

hebben of je het dan over vijf,

tien of vijftien jaar hebt” Overbeek:

“Ik zie het toch een beetje

als een reparatieslag die we gezamenlijk

kunnen maken. Met het

nieuwe Besluit krijgt de Inspectie

ook een grond om het inspectiekader

te wijzigen. Besluit, inspectiekader

en subsidieregeling kunnen

dan veel meer één geheel gaan

vormen.”

Meer informatie:

Hans Overbeek /

Henny van Gellekom

RWS Noord-holland

Tel. 023-5301417/ 023-5301875

h.overbeek@dnh.rws.minvenw.nl/

h.vgellekom@dnh.rws.minvenw.nl

Sebastian Jansen

Inspectie Verkeer en Waterstaat

Tel. 0320-299550

sebastian.jansen@ivw.nl

11


RIZA en rol

Inspringen op behoeftes

12

Bij de handhaving van watermilieuwetten door Rijkswaterstaat is voor RWS

RIZA een ‘ondersteunende, adviserende, faciliterende en coördinerende rol’

weggelegd. Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Jowi Bijsterbosch en Kirsten

van Dijk over de ‘Riza-rol’ en het doel dat zij willen dienen.

Een voorbeeld dat Kirsten van Dijk,

adviseur handhaving bij RWS RIZA,

desgevraagd direct uit de mouw

schudt is het lopende contact met

een regionale dienst waar men aan

het onderzoeken is of en hoe de

monsterneming kan worden uitbesteed.

“Omdat we ons vanouds

bezighouden met het analyseren

van monsters voor de regionale

diensten en het adviseren over de

controle ten behoeve van de verontreinigingsheffing,

hadden wij

ook altijd al contact over de wijze

van monstername, conservering en

transport. Ook hebben we, nu we

inmiddels 90% van de analyses buitenshuis

laten uitvoeren, veel ervaring

met uitbesteden en de kwaliteitsbewaking

daarbij. We kunnen

daarom de regionale dienst in zo’n

kwestie goed ondersteunen.” “Bij

die afweging spelen bovendien

meer dan alleen technische aspecten”,

zegt Jowi Bijsterbosch, hoofd

Handhaving en Heffing van RWS

RIZA. “Ook op die punten denken

we graag mee. Hoe regel je bijvoorbeeld

de bevoegdheden als iemand

in jouw plaats een bedrijfsterrein wil

betreden? En wat verlies je aan ‘oog

en oor’-functie’ bij zo’n uitbesteding?

Je haalt tijdens een bedrijfsbezoek

immers veel meer weg dan

alleen een monster: er ontstaat ook

een indruk van het reilen en zeilen

van een bedrijf en je kunt en passant

op de naleving van andere

milieuregels letten. Zo’n bredere

functie van een bedrijfsbezoek zal in

de uitbesteding van de monstername

grotendeels verloren gaan. Nu

hoeft dat geen onoverkomelijk

bezwaar te zijn, maar we maken

een regionale dienst wel graag

bewust van de mogelijke nadelen.“

”Uit dit voorbeeld blijkt hoe praktisch-technische

ondersteuning

vloeiend kan overgaan in organisatorische

advisering”, zegt Van Dijk.

“Ik zie het als onze kracht dat we

onderdeel zijn van de RWS-organisatie

en tegelijkertijd veel overzicht

hebben omdat we door ons ondersteunende

werk met veel onderdelen

daarvan te maken hebben.”

Lijnen naar ‘buiten

Vanouds adviseert RWS RIZA ook

het bureau Bureau Verontreinigingsheffing

Rijkswateren, bijvoorbeeld

door het bureau te assisteren in bezwaarprocedures

van bedrijven

tegen de aanslagen, of door handhavers

wegwijs te maken op heffingengebied.

Bijsterbosch: “Voor veel

rijkswaterstaters is de toezichtstaak

die ze hebben voor de heffing een

wat vreemde eend in de bijt. De

heffing valt onder belastingwetgeving

en onder verantwoordelijkheid

van dat speciale bureau. Toch is het

van cruciaal belang dat de handhavers

de heffing meenemen in hun

werk. Dat besef heeft constant

onderhoud nodig.“ Van Dijk: “Een

goede uitvoering is ook belangrijk

als je bedenkt dat we bij Rijkswaterstaat

allemaal uit de opbrengsten

van deze heffing betaald worden.”

RWS RIZA geeft ook regelmatig

ondersteuning aan de Inspectie, die

vraagt mee te denken over bijvoorbeeld

inspectiekaders en audits of

over risicomanagement, onder meer

in het proces om de landelijke handhavingsprioriteiten

vast te stellen.

De werkrelatie met de Inspectie, die

onder meer participeert in ALOM

en BLOM, verschaft RWS-RIZA

tegelijkertijd een mooi venster op

allerlei, voor Rijkswaterstaat mogelijk

relevante ontwikkelingen.

Oog voor ontwikkeling

“Ontwikkelingen bijhouden en

inschatten op consequenties is een

belangrijk aspect van mijn werk”,

zegt Bijsterbosch. “Denk bijvoorbeeld

aan de reorganisatie van RWS

met de vorming van een staf DG en

een corporate dienst of aan de veranderde

werkrelatie tussen Inspectie

en RWS. “Nu de Inspectie meer het

intrabestuurlijktoezicht doet, is RWS

aan zet om allerlei klussen op te

pakken om de uitvoering verder te

optimaliseren en te uniformeren.

Dat is een gat waar een regionale

dienst niet zo snel als trekker in zal

stappen. Vandaar dat we bijvoorbeeld

een stevige secretariaatsrol

aanbieden bij activiteiten waarmee

de diensten de corporate-benadering

verder handen en voeten kunnen

geven. Zo’n betrokkenheid

geeft ons ook direct inzicht in bestaande

behoeftes, waarop we dan

met specifieke ondersteuning kun-

Kirsten van Dijk (l) en Jowi Bijsterbosch

nen inspringen. Daar is geld voor:

een deel van het RIZA-budget voor

‘landelijke taken’ gaat weliswaar op

aan de afvalwateranalyses voor de

regionale diensten, maar het andere

deel is flexibel in te zetten, waarbij

ik zaken wil oppakken die voor alle

diensten van betekenis zijn.”

Illustratief voor de ondersteuning

die RWS RIZA kan leveren was de

rol in de afgelopen jaren in het verbetertraject

voor de professionalisering

van de milieuwethandhaving.

Voor dit proces leverde RWS RIZA

de projectleider en verzorgde het

projectsecretariaat. De succesvol

verlopen externe verificatie betekent

dat bij VenW de organisatie en

documentatie ten aanzien van de

handhaving nu perfect op orde is.

Het komt vervolgens aan op implementatie

op de werkvloer. RWS

RIZA is daarin onder meer actief als

opsteller van een implementatieplan.

Daarvoor maakte ze een toer

langs de regionale diensten om het

oor op de werkvloer te luisteren te

leggen. Ook zorgde RWS RIZA voor

een ‘foto RWS’, een opname die

een (kwantitatief) beeld geeft van

de handhaving. Niet alleen wat er

concreet uit de handhavingsprocessen

van de verschillende diensten

komt, maar ook wat er aan werk

ligt. “Ook is met deze opname na

te gaan in hoeverre wordt voldaan

aan het beginsel van uniformiteit uit

het Ondernemingsplan RWS”, zegt

Bijsterbosch. “Meer nog dan het

Besluit kwaliteitseisen handhaving

milieubeheer hamert het onderne-

mingsplan namelijk op een gelijkvormige

aanpak: dat bijvoorbeeld

een gelijksoortig bedrijf, ongeacht

de vestigingsplaats in het ene of

andere regionale beheersgebied,

dezelfde aanpak vanuit RWS

ervaart.” “De diensten staan best

goed op de foto”, zegt Van Dijk,

“maar zoals op elke portretfoto zie

je bij zo’n opname haarfijn de oneffenheden

en rimpeltjes, en daar

moet natuurlijk nog aan gewerkt

worden.”

Dienstbaar

Leveren al die activiteiten RWS RIZA

niet een interessante spin-in-hetweb

positie op, met de verleiding

om dingen te gaan beoordelen en

bewaken? “Dat is momenteel niet

onze rol ”, zegt Bijsterbosch. “Neem

de Handhavinguitvoeringsprogramma’s,

bekend als ‘HUPs’. In 2004

was dat nog een product dat de

regionale diensten ter goedkeuring

aan de Inspectie V&W moesten sturen,

maar waarover de inspectie zich

nu alleen nog maar adviserend uitspreekt.

Ik zie nu al die HUP’s bij

ons langskomen, maar geef daar

geen oordeel over. Ik zet ze wel op

een rij om een overzicht te maken

van wat er bij regionale diensten

aan handhaving gebeurt. Dat landelijke

plaatje kan dan namens de DG

aan de IG worden aangeboden. Bij

zo’n exercitie zie je natuurlijk verschillen.

Dat de RWS-aandacht voor

RWZI’s van één waterschap per

regionale dienst kan verschillen. Of

dat de ene dienst op- en overslag

sterk in de gaten houdt en een

Controle bij een RWZI

andere nauwelijks. Dat soort dingen

wil ik wel graag met de diensten

bespreken en analyseren. Je kunt

bijvoorbeeld denken aan een breed

project om de controle van RWZI’s

landelijk vorm te geven. Van Dijk:

“Wat me in de HUPs opvalt wil ik

met de diensten delen. Niet bij wijze

van commentaar maar om samen

de RWS-organisatie hecht en sterk

te maken, met één gezicht naar buiten.

Ik heb zeker oog voor de verschillen.

Vanuit wat ons bindt moeten

we niet nalaten om goed naar

die verschillen te kijken. Daar liggen

de kansen waarop je van elkaar

kunt leren en als grotere organisatie

winst kunt behalen.”

“Om daarbij te helpen willen we

graag bij de Adviesgroep Handhaving

(AGH) betrokken zijn”, zegt

Bijsterbosch. “En als er dan landelijk

dingen uitgezocht of opgeschreven

moeten worden kunnen wij dat op

ons nemen.” Van Dijk: “Meedoen is

voor ons belangrijk want we willen

graag de dingen doen waaraan

behoefte is en wat goed is voor

Rijkswaterstaat als organisatie,

waarvoor dus draagvlak bestaat.”

Meer informatie:

Jowi Bijsterbosch

RWS RIZA

Tel. 0320-298494

J.Bijsterbosch@riza.rws.minvenw.nl

Kirsten van Dijk

RWS RIZA

Tel. 0320-298922

k.a.vdijk@riza.rws.minvenw.nl

13


Handhaven in Zeeland

Niks routinewerk!

14

RIZA laboratorium en logistiek

Mag het een beetje meer zijn?

Sinds jaar en dag zorgt RWS RIZA er voor dat de monsters die de regionale

diensten nemen, bij haar in huis of via uitbesteding, worden geanalyseerd.

Maar RIZA kan en doet op dit terrein meer dan ‘draaien op verzoek’.

“In 2005 hebben we bij RWS RIZA

veel aandacht besteed aan het

onderwerp houdbaarheid”, zegt

Aadje Mugie, hoofd onderafdeling

Inklaring en Uitbesteding van het

RIZA laboratorium. “De NEN-norm

ter zake bestond al langer, maar

afwijkingen daarvan gingen steeds

zwaarder wegen.” “Het probleem

zit in enkele specifieke stoffen”,

zegt Herman Schuijn, samen met

Wout van Hemert coördinator

afvalwateronderzoek van het RIZA

laboratorium. “Als je, zoals het

gebruik was, de monsters twee à

drie keer per week bij de diensten

laat ophalen, valt bijvoorbeeld een

nitraatmeting mogelijk lager uit

door omzettingsprocessen die in

het monster zijn opgetreden. Daar

zullen de lozers het niet moeilijk

mee hebben, maar je wilt als

handhaver een bedrijf aanspreken

op de werkelijk geloosde hoeveelheden

van een bepaalde stof.

Hoewel de nitraatgehalten op het

moment van monstername waarschijnlijk

hoger waren dan op het

moment van de analytische meting,

vonden wij dat hierover in

juridische zin geen discussie mocht

ontstaan.” “We hebben het probleem

vrijwel geheel getackeld”,

zegt Mugie. “Monsters worden

nu dagelijks opgehaald. Met de

laboratoria hebben we afgesproken

dat ook op vrijdagavond en

zaterdagmorgen van zoveel mogelijk

monsters het gehalte wordt

zeker gesteld. Bij de presentatie

van de wijzigingen in het Wh-Ct

heb ik wel aangegeven dat we

voor bemonsteringen vlak voor of

tijdens het weekend niet kunnen

garanderen dat zich geen problemen

met de houdbaarheid voordoen.”

“Een specifiek probleem

met houdbaarheid rond verzamelmonsters

moesten we anders aanpakken”,

zegt Schuijn. “In WVO-

Info termen is een verzamelmonster

al een dag oud op het moment

van bemonsteren. Hier lag

de oplossing in strikt volgen van

de norm die zegt dat als datering

telt de datum van het afvullen van

het flesje, lees van het afvullen van

het verzamelmonster. We konden

simpelweg de ‘geboortedata’ in

het computersysteem aanpassen.”

Afvalwaterworkshop

“2005 was ook het jaar van een

workshop ‘Professionalisering

afvalwaterplanning’ voor handhavers

van regionale diensten”, vertelt

Mugie. “We spraken daar ook

over de dingen die ons opvallen:

bijvoorbeeld dat - waarschijnlijk uit

routine - steeds weer dezelfde

dure analyses worden gevraagd,

ook al liggen de analyseresultaten

keer op keer onder de rapportagegrens.

Of dat het per dienst kan

variëren welke parameters men

gemeten wil hebben in monsters

Herman Schuijn (l) en Aadje Mugie

van vergelijkbare herkomst, bijvoorbeeld

van RWZI’s.” Schuijn:

“Het lijkt ons goed om eens per

jaar - het handigst zou zijn rond

het moment dat een regionale

dienst bij ons de jaarplanning van

de monstername inlevert - met die

dienst aan tafel te gaan zitten.

Mogelijk is het nuttig nog eens

naar de precieze informatiebehoefte

te kijken en de manieren waarop

je daarin kunt voorzien. Mugie:

“Dit krijgt nu vorm in een deelproject

van het vervolgtraject van de

professionalisering.”

Nieuw is ten slotte ook, meldt

Mugie, dat RIZA vanuit haar informatiesysteem

veel frequenter en

toegespitst op de belangrijkste sturingsinformatie

aan diensten kan

laten zien waar ze staan in de realisatie

van de afvalwaterplanning

van dat jaar.

Schuijn: “Ik denk dat we ons in

het afgelopen jaar al met al sterker

hebben geprofileerd in de handhaving,

vanuit het idee dat wij daaraan

vanuit ons specifieke vakgebied

nog wat meer kunnen bijdragen.”

Meer informatie:

Aadje Mugie

Tel. 0320-298777

a.mugie@riza.rws.minvenw.nl

Herman Schuijn

Tel. 0320-298651

h.schuijn@riza.rws.minvenw.nl

Middelburg, donderdagochtend half tien. Zoals afgesproken hebben ze niet

op me gewacht. Na een treinreis uit de Randstad schuif ik aan tafel bij het

werkoverleg van de handhavers van RWS Zeeland.

Ik val midden in een levendige discussie

die is ontstaan rond de

administratieve lastenverlichting

voor bedrijven. “De politieke

belofte ligt er al veel langer”, zegt

Sandra Borowski, clusterleider

handhaving, “maar moet in het

zicht van de verkiezingen nu toch

echt waar worden waargemaakt.”

AGE, de adviesgroep van de RWSvergunningverleners,

heeft voorgesteld

alle bedrijven die niet onder

de Europese IPPC-richtlijn vallen te

ontslaan van de verplichting zelf

metingen te verrichten. Het is

overduidelijk een onderwerp dat

de handhavers recht in het milieuhart

treft: “Wil je echt bedrijven

het zicht op zichzelf, de mogelijkheid

om zich zelf verantwoordelijk

te voelen ontnemen?” “We zullen

toch brave, gehoorzame ambtenaren

moeten zijn”, stelt Borowski

tot slot, maar ze meldt dat deze

zaken zeker nog prominent op de

agenda zullen komen van de Adviesgroep

Handhaving.

Resultaat- en kwaliteitgericht

werken

Nog zo’n prikkelend onderwerp is

het project om in een paar weken

tijd aan te geven hoe het objectbeheersregime

(OBR) voor water als

‘beheersobjectcategorie’ eruit moet

gaan zien. Dit in navolging van de

vaststelling van de OBR’s voor alle

andere beheersobjectcategorieën

(zoals verkeersbruggen, sluizen of

primaire waterkeringen) waarbij

exact wordt aangegeven wat aan

onderhoud en vervanging nodig is.

De vaste prijs per object, vermenigvuldigd

met het aantal van die

objecten in het beheersareaal,

vormt daarna de onderbouwing

voor de budgettering, beter

bekend als PxQ. “Niet dat je dit

voor vergunningverlening en

handhaving als waterbeheeractiviteiten

niet zou moeten doen, maar

dit is niet iets om ‘even snel’ op

papier te zetten.” “Voor de financiering

van handhaving ben je er

echt nog niet als je enkel het aantal

Wvo-vergunningen gaat tellen,

vermenigvuldigd met een eenheidsprijs.

Volgens het nieuwe

bedrijfsmodel wordt het handhaven

van de niet-milieuwetten ook

een belangrijke taak die nu nog

helemaal niet in het PxQ-verhaal is

meegenomen.”

Borowski legt nog een volgend

probleempje op tafel: op basis van

een kwartaalrapportage rekent ze

voor dat de dienst dit jaar niet zal

uitkomen op het te halen quotum

aan 800 bedrijfsbezoeken. Gezien

de werklast, inclusief de inspanning

die intern nodig is om nieuwe

mensen op te leiden, is dit momenteel

ook een vrijwel onmogelijke

opgave, vinden de aanwezigen.

Het scheelt nog - hierover verschillen

de meningen aan tafel - als ook

monstername als een bedrijfsbezoek

mag meetellen. In ieder geval

maakt dit alarmsignaal van

Borowski duidelijk dat het zaak is

elk bezoek, ook bezoeken waar

niets inhoudelijks over te melden

valt, in WVO-info te registreren.

Van verbeterplan tot vogelgriep

De agenda voorziet ook in minder

tijdsintensieve agendapunten. Zo

wordt geattendeerd op het gereedkomen

van een ‘verbeterplan

reinigen en conserveren vaste

objecten’ of op een inspectierapport

over de implementatie van de

professionalisering door toepassing

van de nalevingsstrategie. Voorts is

er aandacht voor onder meer de

leidraad KRW, de veranderde procedure

bij melding AMvB eigen

werk, en de mogelijke consequenties

van het bedrijfsmodel RWS. En

was al bekend dat het WH-Ct

overgaat in AGH en welke statusverandering

dit inhoudt?

Wat meer tijd nemen de terugmeldingen

van handhavers over hun

specifieke activiteiten en projecten.

Zoals de laatste ontwikkelingen uit

het project HAVIK (digitalisering

van de handhaving) of de stand

van zaken m.b.t. de uitvoering van

het Lozingenbesluit huishoudelijke

lozingen. Aan tafel wordt onder

meer geconcludeerd dat het strategisch

en juridisch verstandig is om

lozers nu al aan te schrijven, los

van eventuele geplande acties van

gemeenten om riolen aan te leggen.

Borowski inventariseert aansluitend

wie zich heeft opgegeven of wil

opgeven voor een aantal komende

workshops, nieuwe activiteiten en

projecten. Het werkoverleg biedt

ten slotte ook gelegenheid voor

terugmeldingen uit milieuoverleg

in de provincie, waarin de RWShandhavers

meedraaien. Zo komt -

als een beetje een vreemde eend

in de bijt - ook het verzoek ter

tafel om in het veld en passant op

15


16

eventuele gevallen van vogelgriep

te letten.

Tijd voor een aantal meer huishoudelijke

zaken, zoals de ziekmeldingsprocedure,

het schoonhouden

van het laboratorium en een betere

roosterafstemming tussen handhavers.

De agenda blijkt te vol en

punten moeten worden doorgeschoven.

Als Borowski afsluit zijn

ook afspraken gemaakt over een

aantal te houden themabijeenkomsten.

Daarin kan - dieper dan in

het reguliere clusteroverleg mogelijk

is - inhoudelijk worden ingegaan

op een aantal zaken. Dit ten

behoeve van de kennisopbouw

van met name de vele nieuwe

mensen bij handhaving.

Van internetmedewerker

tot handhaver

Na afloop zit ik met Borowski en

senior handhaver Hans de Wit in

de kantine. “De helft van de mensen

is dit jaar nieuw”, zegt

Borowski, “met bij ons als complicerende

factor dat de vacatures

vooral zijn gevuld door mensen die

intern vanuit een totaal ander

werkveld hebben gesolliciteerd.

Toen veel taken naar de Corporate

Dienst RWS werden overgeheveld,

oriënteerden mensen zich op de

meest uiteenlopende functies bij

RWS-Zeeland om zo verhuizing te

voorkomen.” Het verklaart de

grote inspanning die gaat zitten in

opleiding van mensen. Van de vijf

‘oudgedienden’ gaat ook niet

iedereen door met wat ze vorig

jaar deden, vertelt Borowski, en

bovendien moeten zij veel energie

steken in de kennisoverdracht naar

de anderen. “Tel daar bij op de

voor iedereen nieuwe ontwikkelingen,

zoals de agentschapsvorming,

het bedrijfsmodel RWS en de

implementatie van de professionalisering,

en het zal duidelijk zijn dat

dit voor niemand van ons een routinejaar

is! Het zijn goede veranderingen

maar het is hard werken,

terwijl de winkel ook nog open

moet blijven.”

”Het zou niet goed zijn als onze

klanten er iets van zouden merken

in de vorm van verslapte aandacht

of een geringere klantgerichte

manier van werken”, zegt de Wit.

“Het ontgaat hen natuurlijk niet

dat er veel nieuwe gezichten zijn.

En soms vragen ze bezorgd of de

dossierkennis nog wel bij ons aanwezig

blijft.”

Is alles te ondervangen met opleiding?

Volgens Borowski moeten

het werk, de cultuur en het milieu

je wel liggen. “Het is een bijzondere

combinatie van binnen- en buitenwerk.

Als je graag in het veld

bezig bent moet je daarnaast toch

het nodige bureauwerk doen om

een zaak ook schriftelijk degelijk af

te handelen. “In het veld zijn

assertiviteit en communicatieve

vaardigheid belangrijk”, zegt De

Wit: “je moet slechte boodschappen

kunnen brengen. Stap maar

eens aan boord van een schip om

te praten over het morsen van

verf. Er staan zo tien andere schippers

‘belangstellend’ om je heen.

Als je het slecht aanpakt ligt je

GSM in het water voordat je even

naar Middelburg hebt kunnen bellen.”

Je kunt de nieuwe mensen

volgens hem niet in het diepe

gooien. “Vandaar dat we met een

soort mentorschap werken: duobezoeken

aan bedrijven, met een

evaluatie van het optreden van de

nieuwe handhaver achteraf door

de senior.”

Nieuwkomer Borowski

En hoe nieuw is handhaving voor

Borowski zelf? Ze studeerde industriële

scheikunde in België. Na

werk bij een adviesbureau en bij

RWS Zuid-Holland, waar ze zich

vooral bezig hield met gemeentelijke

rioleringsplannen, vertrok ze in

‘96 naar Zeeland. Ze ging aan de

slag als beleidsmedewerker voor

de internationale Scheldecommissie

(ISC). “Ik wilde altijd al wat met

‘milieu’, maar ging daarvoor naar

Nederland omdat het onderwerp

destijds in België niet erg leefde.

Dit werk was mijn kans om als cultuurbrug

te functioneren en - indirect

- toch wat aan de verbetering

van de waterkwaliteit in België te

doen.” Bij RWS-Zeeland zette ze

daarna haar ervaring met internationale

samenwerking in om samen

met Vlaanderen te komen tot

gemeenschappelijk nautisch beheer

van de Westerschelde. In een

voorlaatste functie ging ze aan het

werk bij infraproviding (beheer en

onderhoud van infrastructuur zoals

sluizen en wegen) en was daar

onder meer in de weer met de

begrotingsvoorbereiding, beheerplan

nat, het implementeren van

de SLA-monitoring en het op orde

brengen van areaalgegevens. “En

nu zit ik hier, in een interessante

periode voor iemand die graag

scheppend bezig is. Handhaving

heeft bovendien absoluut een

grote toegevoegde waarde voor

de maatschappij.”

Borowski kijkt met belangstelling

naar de nieuwe ontwikkelingen

binnen handhaving. Bijvoorbeeld

naar pilots, zoals bij RWS Limburg,

om monsternameactiviteiten in de

markt te zetten. “Wij zijn er hier

ook al mee bezig geweest maar

liepen vast op juridische gronden.

Waar ik me ook door wil laten

inspireren is de onconventionele

aanpak die ik van een gemeente

ken ten aanzien van dakkapellen.

Men geeft daarvoor geen vergunningen

meer af, wat een enorme

lastenverlichting voor de burger

betekent, maar hanteert een lijst

van uit te kiezen ‘goedgekeurde’

aannemers die alle regels precies

kennen. Steekproefsgewijs wordt

het werk gecontroleerd, met als

stok achter de deur dat het uitvoerende

bedrijf van die lijst kan vallen.

Op zo’n creatieve manier

moet je ook steeds over onze

handhaving blijven denken. De

werkwijze is niet heilig, het doel

staat voor mij voorop.”

Meer informatie:

Sandra Borowski

RWS Zeeland

Tel. 0118-622 431

s.borowski@dzl.rws.minvenw.nl

Sandra Borowski

Project nalevingsmeting

Weten te meten

Omdat het in handhaving draait om doen naleven, is het wel zo prettig

inzicht in dat effect te hebben. De Inspectie zocht geschikte methodes voor

nalevingsmeting.

Tjeerd de Jong, nu werkzaam bij

DG RWS, leidde tot voor kort bij

de Inspectie het project nalevingsmeting.

De aanleiding voor het

project? “De Algemene Rekenkamer

sprak ‘gij zult nalevingsniveau’s

bepalen’, maar natuurlijk

leeft ook bij jezelf de behoefte aan

dat inzicht omdat je verantwoording

wilt kunnen afleggen en prioriteiten

wilt stellen.” Nu hadden

Justitie en RWS in 2001/2002 al

eens de effectiviteit van de WVOhandhaving

gemeten. De aanpak,

met onder meer uitgebreide

enquêtes onder bedrijven en extra

monsternames, leidde tot een

goed beeld, maar was volgens De

Jong “te groot en te zwaar” om

met regelmaat te herhalen.

“Daarvoor heb je een snellere en

goedkopere methode nodig. We

zagen als Inspectie de mogelijkheid

om daarmee voor RWS aan de

slag te gaan. Vanuit het project

wilden we een ‘gereedschapskist’

met dergelijke instrumenten aanreiken.”

Het project resulteert in

een handleiding met praktische

‘gebruiksaanwijzingen’ om een

nalevingsmeting op te zetten en

de resultaten van deze meting te

gebruiken (hoe trek ik de conclusies

en hoe gebruik ik de resultaten

voor verantwoording of prioritering?).

Nuttig

“In de tijd dat het project startte

was de Inspectie nog eindverantwoordelijk

voor de uitvoering van

de handhaving en dus ook voor de

effectiviteit daarvan. Ze had er

daarom zelf alle belang bij dat

regionale diensten de naleving op

een goede manier gingen meten”,

zegt Daniël Clement, collega van

De Jong bij de Inspectie en diens

opvolger als projectleider. “Nalevingsmeting

is - zij het nu wat

indirecter - nog altijd belangrijk

voor ons. In onze rol als toezichthouder

op RWS willen we immers

graag weten op welke onderdelen

van de handhaving we ons toezicht

het beste kunnen toespitsen.”

Interessant is verder dat in

het ‘nalevingsbeeld’ dat wordt

opgesteld ook de motieven voor

(niet) naleving worden blootgelegd.

Clement: “Dat kan dingen

boven water brengen waarmee wij

als Inspectie iets moeten doen. Het

kan namelijk zijn dat de naleving in

grote mate wordt bepaald door

zaken waarop RWS weinig invloed

heeft. Bijvoorbeeld wanneer blijkt

dat de wet- en regelgeving niet

door de doelgroep worden begrepen.

Of als de sancties in het strafrechtelijke

traject te gering zijn om

effect te hebben.” De Jong: “In de

scheepvaart, waarmee ik me nu bij

DG RWS intensief bezig houd, zie

ik daar voorbeelden van: dat een

PV voor overbelading de schipper

op een boete van nog geen 100

euro komt te staan, terwijl er heel

veel meer wordt verdiend aan de

extra vracht. Niet dat de Inspectie

de hoogte van de boetes kan

bepalen, maar ze heeft wel regelmatig

overleg met het OM, waaraan

ze signalen kan afgeven.”

Ten slotte wil de Inspectie kijken of

ze het instrumentarium voor nalevingsmeting

ook zelf kan gebruiken

in het toezicht op handhaving

door RWS en medeoverheden

(provincies, gemeenten en waterschappen).

Clement: “Als een

instantie steken laat vallen in de

handhaving zou je dat immers ook

als een soort van niet-naleven

kunnen zien.”

Grasduinen

“We wisten al dat anderen, zoals

de VROM-Inspectie, het Expertisecentrum

Rechtshandhaving van

Justitie en de Voedsel en Waren

Autoriteit methoden voor nalevingsmeting

in gebruik hadden”,

zegt De Jong. “We hebben daar in

de keuken gekeken en hun methodes

vergeleken. Daarnaast hebben

we met veel ondersteuning vanuit

RWS RIZA een aantal pilotonderzoeken

gedaan, bijvoorbeeld naar

de bruikbaarheid van gegevens uit

het Waterbodem Informatiesysteem

(WIS) en WVO-Info en naar

de mogelijkheid om een quickscan-methode

te ontwikkelen.”

“Het is complexe materie”, zegt

Clement. “Het begint al met de

vraag in welke maat je de naleving

wilt uitdrukken: het percentage

van je doelgroep dat zich aan de

regels houdt? Of het percentage

monsters dat voldoet aan de normen?

En stel dat je nalevingsmeting

wilt doen aan de hand van

toezichtgegevens: dat lijkt wel

objectief maar vergeet dan niet dat

de uitgevoerde controles geen

representatieve steekproef vormen.

Ze zijn uitgevoerd op basis van een

vooropgesteld idee over waar de

grootste risico’s zitten. Ze kunnen

daarom een te negatief beeld

opleveren omdat je risicobedrijven

bemonstert, of juist een te positieve

indruk geven omdat uitgerekend

die bedrijven erg op hun tellen

passen.”

‘Expert judgement’ is ook een

mogelijkheid, en een voor de hand

liggende in de gevallen waarin je

over weinig meetgegevens beschikt,

zegt Clement. “Elk instrument

heeft zijn goede en minder

goede kanten die - afhankelijk van

de situatie en de informatie die je

wilt genereren - meer of minder

zwaar kunnen wegen.”

Kookboek

Het WH-Contactteam is van de

activiteiten in het project op de

hoogte gehouden en de handleiding

nalevingsmeting is in conceptvorm

bij enkele van de regionale

diensten neergelegd. De

Inspectie wilde weten of deze

diensten in de praktijk met de

handleiding uit de voeten kunnen.

De Jong: “We kregen terug dat

17


18

het allemaal wel wat praktischer

mocht, ‘liever een paar A4tjes en

dan regelen we het wel’. Zo eenvoudig

is het helaas niet: ik zie het

meer als een kookboek met recepten

waarin je het recept opzoekt

dat je nodig hebt.” Clement: “We

zullen naar aanleiding van het

Veldbezoek handhaving

Zeeuws reisje

Daniël Clement (l) en Tjeerd de Jong

Het loopt tegen tweeën als we op de parkeerplaats diverse wagens met het

Rijkswaterstaatlogo voorbijlopen om in een neutraal blauw busje te stappen.

“Het is soms gewenst dat je zichtbaar aanwezig bent”, zegt Rien Mastenbroek,

handhaver bij RWS Zeeland, “maar vanmiddag hoeft dat niet.”

Mastenbroek is regio handhaver en -

“al ben je achtervang voor elkaar” -

thuis in Noord- en Midden Zeeland.

Een ronde zoals hij vandaag maakt,

doet hij minimaal een dagdeel per

week. Buiten Middelburg zet Mastenbroek

koers richting Industriegebied

Vlissingen-Oost. De grote

windmolens draaien er op volle toeren.

“Het waait altijd in Zeeland”

zegt Mastenbroek, ”vandaar dat

zo’n scheepswerf als je daar ziet

absoluut afschermende voorzieningen

nodig heeft. Zo moet voorkomen

worden dat de stoffen die vrijkomen

bij het slijpen, branden en

spuiten in het water terechtkomen.

En bij het leegpompen van de dokken

mag er natuurlijk geen olievlek

opduiken, daar controleren we vaak

op tijdens de milieuvluchten die we

uitvoeren, want vanuit de lucht is

zo’n verontreiniging goed te zien.”

En als Mastenbroek hier, zoals bij het

vorige bezoek, erg veel zwerfvuil

aantreft zegt hij er ook wat van.

“Met een beetje wind ligt het

immers zo in het water.” En die dichte

hal? De ultieme milieumaatregel?

“Dat zou ideaal zijn, maar die staat

er om een andere reden: de bouw

van marineschepen.”

Vergeten

We rijden langs een opgespoten terrein

waar nieuwe auto’s worden

neergezet voor de export. “Onlangs

is hier een riolering voor hemelwater

aangelegd”, weet Mastenbroek.

Tijdens de aanleg vond bronbemaling

plaats. “Dat hadden ze allemaal

keurig geregeld: toestemming voor

het oppompen van grondwater van

de provincie, zelfs gedacht aan de

verplichtingen voor de Verontreinigingsheffing

Rijkswateren. Alleen:

vergeten dat de lozing van het water

op de haven ook vanuit de Wvo

gedekt moest zijn. Een vergunningaanvraag

voor een eenvoudige

lozing had volstaan. Uit de monsters

die het bedrijf zelf had laten nemen

bleek dat deze lozing verder geen

vergunning nodig had. Dit werd

bevestigd door de monsters die ik ter

plekke nam. Ze zaten zelf erg met

deze misser in hun maag. Een collega

van vergunningverlening heeft zo

veel mogelijk vaart gezet achter de

procedure om het alsnog formeel te

regelen. Het bedrijf krijgt nog wel

een waarschuwingsbrief maar geen

PV, we zijn geen bonnenfabriek.”

Het inmiddels aangelegde riool loost

z’n inhoud overigens keurig mét

commentaar wel een verkorte

handleiding maken, al zullen de

onderliggende stukken noodzakelijkerwijs

wat academisch blijven.

We kregen nu al het commentaar

van onze collega’s in de projectgroep

dat het te los was gekomen

van de wetenschappelijke onderbouwing.

Het wordt dus een

kwestie van balans. En een beetje

ingewikkeld mag misschien ook

wel als je daarmee een reëler beeld

kunt krijgen van de naleving. Dat

is tenslotte waar het ons allemaal

om gaat.”

Meer informatie:

Tjeerd de Jong

Corporate Dienst RWS,

Tel. 070-3518267

t.djong@cod.RWS.minvenw.nl

Daniël Clement,

Inspectie Verkeer en Waterstaat

Tel.0320-299512

daniel.clement@ivw.nl

Wvo-vergunning. “Overigens geen

water waarmee je problemen hoeft

te verwachten”, zegt Mastenbroek.

“Nieuwe auto’s zullen niet snel olie

lekken.”

Lekkende olie

Anders is het gesteld met het

wagenpark dat op inscheping staat

te wachten bij een op- en overslagbedrijf,

onze volgende stop deze

middag. Een apart terreintje vormt

het tussenstation voor een bonte

verzameling zwaar materieel, zoals

bejaarde vrachtwagens, graafmachines,

oogstcombines en cementwagens.

De oude motoren en hydraulische

systemen lekken olie, zo merkte

Mastenbroek bij eerdere bezoeken.

De verbindingsweg naar het ponton

waar deze voertuigen aan boord

worden gezet was besmeurd met

olie. Ook zonder regenval dreigde er

al waterverontreiniging op te treden.

Een grote hoeveelheid olie had zich

verzameld in de laagst gelegen hoek

van het wegdek, hooguit nog anderhalve

meter van het water verwijderd.

“Heel link, ook voor het bedrijf

zelf”, volgens Mastenbroek. “Ze

hebben geen Wvo-vergunning, dus

bij de eerste druppel die in het water

belandt is het meteen foute boel.”

Als Mastenbroek me de plek in

kwestie aanwijst geeft deze weinig

ondersteuning meer aan zijn verhaal:

er ligt nu een keurig dammetje van

cement aan de rand van deze weg-

helft en het wegdek is brandschoon.

“De veegwagens waarover we met

het bedrijf hebben gesproken komen

hier nu duidelijk met regelmaat

langs.” Mastenbroek maakt foto’s en

aantekeningen en vat zijn bevindingen

samen: “Dit ziet er nu prima

uit!”.

Erts, zand, auto’s en kolen

In de auto doceert Mastenbroek en

passant over een ponton voor het

lossen van fosfaaterts dat aan de

overkant van het water zichtbaar is.

Boven een bepaalde windsnelheid

mag daar niet meer gelost worden

en ertsresten van het pontondek

afspoelen is uit den boze. Aan de

overkant ligt ook een overslagbedrijf

dat de laatste tijd steeds meer

scheepsreparaties lijkt uit te voeren

en daardoor zijn aandacht heeft.

“De huidige vergunning staat enig

reparatiewerk toe, maar er kan een

punt worden bereikt dat een nieuwe

Wvo-vergunning nodig is.” Op de

kade aan onze zijde doemt nu een

obstakel op in de vorm van een tijdelijke

zandberg. Deze staat bij

Mastenbroek ‘op de kaart’: “We

hebben er een melding van gekregen

en kennen de kwaliteit, wat

natuurlijk van belang is voor wat hier

eventueel van de kade afspoelt.”

Wat groter was de hoeveelheid zand

die tijdelijk in depot zou gaan voor

de aanleg van een spoorlijn in het

havengebied, vertelt Mastenbroek.

Dat was zonder twijfel een geval

voor een lozingsvergunning, want

het plan was om hier per schip direct

vanuit de winplaatsen drijfnat zand

in depot te brengen. Uiteindelijk

hebben ze er vanaf gezien en is

droog zand aangevoerd.”

Nog meer auto’s, op de volgende

plek waar Mastenbroek de wagen

stilzet. Maar met deze auto’s heeft

hij “in principe niets” De oude personenauto’s

op dit geïmproviseerde

parkeerterrein zullen als retourzending

meegaan met schepen die

lading uit ontwikkelingslanden aanvoeren.

“Geen idee of de olie eerst is

afgetapt, maar als ze zo op een

onverhard terrein staan is dat mogelijk

relevant voor de bodemkwaliteit

en zo interessant om te melden aan

de provincie. Er staan er soms ook

veel op de kade, zoiets geef ik dan

door aan het havenbedrijf vanwege

mogelijke belasting van het hemelwaterriool.

Zij hebben al een serieus

probleem met ons omdat ze de eisen

van hun WVO-vergunning voor het

nabijgelegen lozingspunt van hemelwater

niet halen.”

Nog even naar een kolenoverslag.

Nog altijd staat er een stevige bries

die je zonder meer doet geloven in

het nut van stuifbestrijding. Overtollig

water van de ‘zwarte bergen

loopt na passage van een zandfilter

via een lozingspunt de haven in.

“Daar is in het verleden eens een

probleem mee geweest. Een incident,

zo blijkt uit herbemonsteringen.

Ze zijn er zorgvuldig mee

omgegaan.”

Rien Mastenbroek

Bagger

We eindigen in de oude veerhaven

van Hoedekenskerke aan de Westerschelde.

Hier, in de luwte kabbelt het

water gemoedelijk tegen de oever.

Alsof het toch niet nodig zou zijn om

de kade van deze oude veerhaven te

gaan verheffen tot zeedijk van

moderne sterkte. Voor de constructie

moest eerst de teen van de dijk worden

vrij gegraven. Baggerwerk dus.

Het vrijkomend materiaal, in hoofdzaak

klei, wordt op de oever gezet

als bijdrage aan het nieuwe dijklichaam.

Daarvoor is de oever wel

eerst tot op het zandlichaam van zijn

oude toplaag ontdaan. Mastenbroek:

“Ook al is het opgebaggerde materiaal

hier relatief schoon en direct als

bouwstof inzetbaar; het Bouwstoffenbesluit

schrijft voor dat het in verband

met de terugneembaarheid

in de toepassing herkenbaar moet

blijven. Neergelegd op een zandlaag

ontstaat verticaal een hele duidelijke

begrenzing.” Voorts wijst Mastenbroek

op andere bouwstoffen op de

locatie, zoals het aangevoerde verhardingsmateriaal.

“Daarvoor moeten

wel de benodigde certificaten in

het dossier zitten”. En het baggerwerk

zelf, heeft hij daar ook toezicht

op gehouden? Klopt, maar niet

intensief. “Deze haven ligt in het

getijdengebied en dan gaat de aannemer

natuurlijk bij eb aan het werk,

als de teen van de dijk is drooggevallen.

Onnodige vertroebeling van het

water door slordig werk speelt hier

dus nauwelijks.” Mastenbroek maakt

zoals elders, weer aantekeningen van

de stand van zaken voordat we

wegrijden.

Moe?

Ik had niet kunnen raden dat ik vandaag

op pad ben geweest met

iemand die nog niet zo lang geleden

iets totaal anders deed: de besteksadministratie

bij een buitendienst,

zoals hij me vertelt. “Mijn hart ligt

ook eigenlijk bij milieu”, zegt hij. “Ik

deed ooit de opleiding PBNA

Milieukunde. Bij afronding van die

studie bleek echter dat de markt al

oververzadigd was. Toen zich anderhalf

jaar geleden de kans voordeed

hier bij handhaving aan de slag te

gaan, heb ik die met beide handen

aangegrepen om mijn wens om op

milieugebied werkzaam te zijn te

realiseren.” Mastenbroek volgde de

cursus Hamil en werd ook als BOA

beëdigd. “En nog altijd niet uitgeleerd.

Gisteren ben ik naar één van

de cursusdagen over monstername

geweest om nog eens de puntjes op

de ‘i’ te zetten over zaken als verzegeling,

transport en opslag. Ik vergezel

ook collega’s die langer in het vak

zitten bij hun bezoeken aan bedrijven

waarmee ik nog minder bekend

ben.” Hij blijft dit dus nog wel even

doen? “In mijn vorige functie had ik

vrij snel zo’n beetje alles gedaan wat

er te doen viel. Hier komt echter heel

veel langs. Vandaag rijd ik hier rond,

morgen overleg ik misschien met een

gemeente over acties in het kader

van het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk

afvalwater. En er komt nog

heel veel op ons af: wijzigingen in

het Bouwstoffenbesluit, bijvoorbeeld,

of veranderingen onder invloed van

de Kaderrichtlijn Water. Ik denk dat

ik sneller moe zou worden bij de

gedachte dat ik alles gezien heb en

dat er niets meer verandert.”

Meer informatie:

Rien Mastenbroek

RWS Zeeland

0118-622613

m.a.mastenbroek@dzl.rws.minvenw.nl

19


Project Scheepsmilieucontroles

Bart Hellings (l) en Chris Nieuwpoort

20

Vaart in milieucontroles binnenvaart

Milieucontrole in de binnenvaart gold binnen RWS lang als lastige tak van

sport. Kennisopbouw en coördinatie draaiden veelal op persoonlijk initiatief.

In het project Scheepsmilieucontrole binnenvaart is het onderwerp voor

RWS-breed opgepakt.

“Scheepsmilieucontroles lopen

altijd kans een beetje tussen wal

en schip te komen”, zegt Chris

Nieuwpoort, medewerker handhaving

van RWS Utrecht. “Bij zaken

als lozing van bilgewater, steenkoolteer

op de scheepshuid, ladingresten,

scheepsafval en emissies

uit de smering van schroefassen

en roeren heb je het over

waterkwaliteit, maar tegelijkertijd

over het domein van de scheepvaartdiensten

- tegenwoordig

Waterdistricten - die dit in hun

controles moeten meenemen. Het

wordt - anders gezegd - als milieuprobleem

ervaren maar is niet

direct vanuit waterkwaliteitsbeheer

aan te sturen.” De toezichthouders

vanuit RWS zijn de mensen op de

bekende gele boten, verkeersleiders

met een nautische opleiding.

Dat is overigens maar goed ook,

zegt Nieuwpoort. “Een schipper

heeft binnen drie minuten in de

gaten of je wel in zijn wereld

thuishoort, en als je met schoenen

aan zijn stuurhut inloopt heb je het

direct helemaal verbruid.” De toezichthouders

op de boten hebben

interesse in milieuaspecten en flink

wat kennis op dat gebied, maar

die moet je wel blijven voeden,

zegt Nieuwpoort. “Inspanningen

om de controles te ondersteunen,

uniformeren en coördineren waren

er jarenlang in de persoon van

handhaver Gerard Hendriks van

RWS Oost-Nederland. Eén van zijn

activiteiten was het organiseren

van een interne opleidingsdag bij

RWS Oost Nederland, één à twee

keer per jaar. Mensen uit de regionale

dienst Utrecht schoven daar

regelmatig bij aan.”

In kaart

“Het zet zoden aan de dijk om in

Nederland goed op milieuaspecten

in de binnenvaart te letten”, zegt

Bart Hellings, senior inspecteur van

de Inspectie Toezichteenheid

Waterbeheer. “Zo is 50 à 60 %

van de Rijnvloot van Nederlandse

herkomst.” Hij vindt het wel

logisch dat bij ‘rivierwaterbeheerder’

RWS Oost-Nederland veel

aandacht en kennis ter zake werd

opgebouwd, maar het onderwerp

was binnen RWS zo wel erg verbonden

met individueel en locaal

initiatief. “Toen Hendriks de dienst

ging verlaten tekende zich een gat

af en was het moment echt daar

om het gezamenlijk op te pakken

en RWS-breed te trekken.”

Dat deden Inspectie, DGTL en

RWS gezamenlijk in het project

Strategie milieutoezicht binnenvaart.

Ze brachten de problematiek

in kaart door wet- en regelgeving,

emissies, milieugedrag en ontwikkelingen

op een rij te zetten. Ook

zijn in het project de organisatorische

hiaten rond deze controles in

kaart gebracht. Doel van dit alles

was om een impuls te geven aan

de uitvoering van het toezicht op

emissies naar water vanuit de binnenvaart.

Wegwijs

De wet- en regelgeving, één van

de onderwerpen waarop het project

zich richtte, vormt een ingewikkelde

materie, waarin bewegwijzering

wel op zijn plaats is.

Bepalingen verschillen bijvoorbeeld

al naar gelang soort en leeftijd van

het schip en de rivier waarop

wordt gevaren. En het gaat om

heel veel regelgeving. Deze is van

zowel nationale als internationale

origine (zo geldt alleen in Nederland

een verbod op het gebruik

van PAK-houdende coating zoals

steenkoolteer) en is bovendien versnipperd

aanwezig in zowel milieuwetten

als scheepvaartwetgeving.

In het rijtje hoort ook het Scheepsafvalstoffenverdrag

thuis, een

overeenkomst tussen de Beneluxlanden,

Duitsland, Frankrijk en

Zwitserland (zijnde de leden van

de Centrale Commissie Rijnvaart)

over de wijze waarop in de binnenvaart

moet worden omgegaan

met onder meer olie- en vethoudende

afvalstromen, ladingresten

en klein gevaarlijk afval. Dit besluit

is echter nog niet door alle landen

geratificeerd. Het is wel regelgeving

om naar uit te kijken. Zo

wordt onder meer de betaling van

de inzameling van olie- en vethoudende

afvalstoffen geregeld via

een heffing op gebunkerde brandstof.

Daarbij is er sprake van een

eventuele kortingsmogelijkheid

wanneer preventietechnieken worden

ingezet zoals een schroefasafdichtingssysteem.

Een ander deel

van het verdrag gaat in op een

goede inzameling van scheepsafvalstoffen

aan de wal. “Voor mij

zit de crux echter vooral in het

deel over ladingsresten”, zegt

Hellings. “Je ziet nu vaak dat

schippers machteloos staan tegenover

het overslagbedrijf dat ze

vaak al wegstuurt voordat ze goed

en wel gelost zijn. De ladingrest

gaat dan vervolgens bij het varen

overboord. Het verdrag maakt de

ontvanger verantwoordelijk voor

het nalossen.” Nieuwpoort: “Met

zo’n regel ben je straks in het toezicht

niet meer afhankelijk van een

heterdaadje waarbij je de ladingrest

daadwerkelijk over boord ziet

spoelen.”

Pet af

Met literatuuronderzoek en aanvullend

onderzoek zijn emissies en

milieugedrag in beeld gebracht.

Hellings: “Neem de circa vijftig

procent daling die DGTL zag

optreden in de cijfers over ingezamelde

hoeveelheden bilgewater op

het moment dat de afgifte daarvan

geld ging kosten. We hebben nu

inzicht in de oorzaken: een combinatie

van meer preventie, afgifte in

het buitenland en - helaas - meer

lozingen.” De vraag over bilgewater

kwam onder meer aan de orde

in een interviewronde die Nieuwpoort

hield onder schippers. Zo

moest de problematiek ook vanuit

de praktijkkant goed in beeld worden

gebracht. Nieuwpoort: “Ik

voerde daar - met de handhavingspet

af en de benen op tafel -

open gesprekken om te horen hoe

het er aan toe gaat op de schepen.

Schippers vertelden me onder

meer dat ze bilgewater veel selectiever

waren gaan afgeven. Na het

wegpompen en lozen van de

onderstaande waterlaag, die in

hun beleving ‘schoon’ was, leverden

ze minder, maar wel sterker

oliehoudend bilgewater in. Zo zie

je maar: cijfers over ingezamelde

volumes zeggen ook niet alles.”

Goed geregeld?

Naast de inhoudelijke oriëntatie

behelsde het project ook een kritische

blik op wat Hellings ‘de binnenwereld’

noemt. “We hebben

gekeken wat al wel en wat nog

niet goed geregeld was rond de

scheepsmilieucontroles. Er is in

2005 bijvoorbeeld een grote workshop

gehouden waar de meest

uiteenlopende deelnemers - van

Directeuren Water tot mensen op

de vaartuigen - daarover hun

mening konden geven.” Omdat er

vooral in de uitvoering veel werk

te verzetten is, lijkt het Hellings en

Nieuwpoort logisch dat RWS straks

het voortouw zal gaan nemen.

Maar hoe ging het ondertussen -

lopende deze grondige aanpak -

met de praktische ondersteuning

en coördinatie van scheepsmilieucontroles?

Nieuwpoort nam het

stokje van Hendriks over: “We

hebben nu voor elkaar gekregen

dat toezichthouders bij scheepsmilieucontroles

standaard contact

opnemen met de Centrale Post

Scheepvaart van mijn dienst om

informatie op te halen. Stel: je ziet

de ‘Wilhelmina’ varen en overweegt

controle. Je kunt dan via die

centrale verkeerspost te weten

komen of het schip in de afgelopen

twaalf maanden al eens door

andere toezichthouders is bezocht

en of de bevindingen aanleiding

zijn voor een snelle herhaling. De

gegevens uit alle controles worden

op de post ‘ingeklopt’ in een databestand.

We werken zo ook veel

klantvriendelijker en lossen de

belofte aan de branche in dat we

zullen voorkomen dat een schipper

zonder reden om de haverklap

controleurs aan boord krijgt.” De

coördinatie reikt tot buiten RWS:

ook de andere partijen die ‘milieu’

meenemen in hun scheepscontroles

(KLPD/ Zeehavenpolitie en de

Rotterdam Port Authority) kunnen

namelijk aanhaken. “En dat gebeurt

ook al”, zegt Nieuwpoort,

“al speelden aanvankelijk hier en

daar nog wel juridische kwesties

rond de uitwisseling van gegevens.”

Op het gebied van training staan

voor 2006 twee opleidingsdagen

gepland, waaraan behalve toezichthouders

RWS-breed ook

medewerkers van de Rotterdam

Port Authority zullen meedoen.

Nieuwpoort: “Op zo’n dag nodig

ik bijvoorbeeld ook een bedrijf uit

dat uitleg kan geven over de

watergesmeerde schroefas. Klantgericht

opereren betekent ook dat

je aan boord voorlichting kunt

geven en dat gaat natuurlijk moeilijk

als je zo’n ding zelf nog nooit

gezien hebt.”

Schone taken

Rust het voorlopig dus toch nog

even op de schouders van personen?

Hellings en Nieuwpoort

hopen dat de tactische en praktische

coördinatie stevig in de organisatie

verankerd worden. Nieuwpoort:

“Die taken kunnen dan best

bij regionale diensten worden uitgevoerd,

maar mensen moeten

daarvoor dan wel worden vrijgemaakt,

zodat ze dit echt in dienst

van de gehele corporate-organisatie

kunnen gaan doen. Voorkomen

moet worden dat dit gaat leiden

tot het betere zwartepietenwerk

tussen regionale diensten.”

Nu we toch spreken over de corporate-benadering

wil Hellings nog

een laatste puntje kwijt: over de

RWS–vaartuigen. Naar hij heeft

vernomen is er sinds kort een

coördinatiepunt voor de gehele

RWS-vloot. Het lijkt hem dat ze

daar de schone taak hebben om

voor al die schepen het scheepsmilieuplan

in te voeren. VenW

heeft het plan, dat aanzet tot

milieuzorg aan boord, immers zelf

gesubsidieerd, samen met de

branche opgesteld en ook omgebouwd

voor gebruik op eigen

schepen. “Mee eens”, zegt

Nieuwpoort, “al zal ik je niet verrassen

met de mededeling dat op

de schepen van mijn dienst milieuzorg

al ver is doorgevoerd.”

Meer informatie:

Bart Hellings

Inspectie Verkeer en Waterstaat

Tel. 0320-299526

bart.hellings@ivw.nl

Chris Nieuwpoort

RWS Utrecht

Tel. 030-6009313

chris.nieuwpoort@dut.rws.

minvenw.nl

21


HAVIK

Handhaving en vergunningverlening gediend met ICT

In 2003 werd Frank van den Heuvel van RWS Limburg, zoals hij zegt, “losgepeuterd”

uit de groep Natte informatievoorziening die bij zijn dienst al

enkele jaren actief was met informatievoorziening voor de natte werk-processen.

Als leider van het project HAVIK (Handhaving Vergunningverlening

Internet en Klantgerichtheid) ging hij aan de slag voor een landelijke uniforme

digitalisering.

De HID van RWS Zeeland, portefeuillehouder

voor digitalisering

Beheer en Onderhoud Nat binnen

RWS, gaf HAVIK opdracht vast te

stellen welke ICT-ondersteuning

vergunningverlening en handhaving

nodig hebben. Om dat voor

een werkproces te kunnen zeggen,

moet zo’n proces eerst uniform

voor heel RWS worden uitgeschreven

in stappen waarbij specifieke

ondersteuning aan de orde kan

zijn. Die uitwerking vond, om te

beginnen voor de Wet beheer

rijkswaterstaatswerken (Wbr),

plaats in het UPP-onderdeel (Uniforme

Primaire Proces) van het

project. Na een analyse was het

aan HAVIK om ondersteunende

middelen, inclusief kosten en

baten, voor te stellen aan het

RWS-bestuur, dat vervolgens zou

besluiten wat er voor RWS-breed

moest worden geconcretiseerd en

ingevoerd. “Sneller dan verwacht

kwam het echter toch al tot een

uitwerking van een paar middelen”,

vertelt Van den Heuvel. “Het

Bestuur RWS vroeg namelijk om

bij wijze van test onderdelen te

leveren voor het procesondersteunend

systeem SAP - kort voor

‘Systemen Applicaties Productensysteem’

- dat VenW-breed wordt

ingevoerd.”

Verlanglijstje

“Omdat we een klantgerichte organisatie

zijn, wegen de wensen

van onze klanten zwaar in wat we

willen realiseren”, zegt Van den

Heuvel. “Uit externe enquêtes

weten we dat een centraal elektronisch

loket voor het digitaal aanvragen

van een vergunning bovenaan

hun verlanglijstje staat. Daarom

maken we nu één portaal in de

vorm van een speciale pagina op

de RWS-site. De klant kan daar

door het invullen van een standaardformulier

de aanvraag indienen,

inclusief bijlagen zoals tekeningen

en onderzoeksrapporten.

Wanneer in een latere fase de overige

RWS-wetten gedigitaliseerd

zijn, kan via een ‘wizzard’, die aan

deze SAP-module ‘gelinkt’ wordt,

de bezoeker overigens ook eerst

nog een beslisboom op het scherm

oproepen om vast te stellen welke

wetten en - daarmee - vergunningaanvragen

in zijn of haar geval

aan de orde zijn.” De site zal volgens

Van den Heuvel ook de gelegenheid

moeten bieden om elektronisch

een afspraak voor vooroverleg

te maken. Het ingevulde

aanvraagformulier komt, gekoppeld

aan de locatie die de aanvrager

heeft ingevuld, automatisch bij

de juiste regionale dienst terecht

voor verdere afhandeling. Belangrijk

in de dienstverlening is ook dat

klanten vervolgens hun aanvraag

op de site kunnen blijven volgen,

zodat ze steeds kunnen zien in

welk stadium de procedure is. Van

den Heuvel: “Om te weten of het

allemaal werkt, zullen we straks

ook klanten naar het portaal laten

kijken, en aan hen vragen bij wijze

van proef met het systeem te werken.”

Deze plek op de site biedt

ook gelegenheid om - naast de

geijkte weg van publicaties in

gedrukte media - bekendheid te

geven aan vergunningaanvragen

en (ontwerp)beschikkingen, in dit

geval dan direct vergezeld van de

integrale teksten. En handhavingsgegevens?

“Ook dat zou kunnen”,

zegt van den Heuvel, “al is

het niet aan mij om beleid op dat

punt te maken.”

Geleid proces

Voor vergunningverleners en

handhavers ligt het voordeel van

de ondersteuning vooral in een

geringere administratieve last en

het halen van de termijnen die

voor een correcte afhandeling

staan. Op dat laatste worden zij,

intern en vanuit de ‘mondige’

samenleving, steeds meer afgerekend.

Van den Heuvel: “Per klant

komen alle stukken in een digitaal

dossier te zitten. De bedoeling is

de dossiers zo overzichtelijk te

maken, waardoor ze indien nodig

ook eenvoudiger door een collega

kunnen worden overgenomen.

Om processen voortaan digitaal te

begeleiden en te bewaken, gaat

HAVIK voor het SAP een ‘workflow’-systeem

maken. Dit geeft de

gebruiker automatisch aan wat er

gedaan moet worden - ‘vandaag

taak x uitvoeren’ - en laat alarmbellen

rinkelen als een deadline

overschreden dreigt te worden.”

En zo worden nog meer praktische

elementen ingebouwd, zoals de

onmogelijkheid om een dossier

aan een volgende partij in de procesketen

over te dragen zolang

niet alle informatie verzameld is

die in dat vervolgtraject nodig is.

Van den Heuvel: “Anders loop je

kans dat een incompleet dossier

ergens als onbruikbaar blijft liggen,

terwijl de klok voor de termijn

doortikt.” Handhavers zullen in de

toekomst digitaal ook direct standaardbrieven

aangereikt krijgen

voor de waarschuwingsbrieven en

beschikkingen. Met daarbij bovendien

begeleidende brieven die ze

naar de klant kunnen sturen om in

begrijpelijke taal tekst en uitleg te

geven bij de formele brieven.

men die al bedacht waren? “Daar

wordt scherp op gelet”, zegt Van

den Heuvel. “RWS had al gesignaleerd

dat er in huis maar liefst

4.000 systemen in gebruik waren

en een programma gestart - het

‘traject consolidatie’ - om dit aantal

tot tien procent terug te brengen.

Als HAVIK een ondersteunend

systeem biedt, zal ik direct de

relatie met bestaande systemen,

zoals WVO-info of WIS moeten

aangeven. Als er niets ouds geschrapt

kan worden, zal ik het

bestaan van meerdere, op elkaar

lijkende systemen goed moeten

motiveren. ”

Op locatie

Nu zijn die digitale dossiers en

workflow-documenten praktisch

als je op kantoor zit, maar wat heb

je eraan als je in het veld staat?

“HAVIK gaat ook voor de mobiele

werkplek een module leveren”,

zegt Van den Heuvel. “Je haalt ter

plekke met een handzaam, draagbaar

apparaat de aan die specifieke

coördinaten gebonden informatie

op uit een databestand dat op

kantoor wordt beheerd.” Zo beschik

je volgens Van den Heuvel

altijd over de meest recente, bijgewerkte

informatie en voorkom je

dat je hele hebben en houden aan

informatie ‘op een laptop op de

achterbank ligt’.

22 23

Wat, bij al deze vernieuwing, te

doen met de diverse oude syste-

“Ook de inbreng van de Inspectie

VenW, waarmee we samenwerken,

is interessant”, zegt Van den

Heuvel. “ Bij hen leefde de

behoefte om de toezichthouder

een ‘inspectietool’ mee te geven.

Deze ontwikkelen we nu gezamenlijk

in de vorm van een wizzard

die via het apparaat kan worden

ingezet. Uit alle informatie

wordt dan een lijst van punten

gedestilleerd waarop het toezicht

zich in dat concrete geval moet

richten. Bijvoorbeeld dat je een

scheepsnaam intypt en direct ziet

hoeveel reddingsboten en andere

voorzieningen er op zo’n schip

aanwezig moeten zijn. De toezichthouder

kan vervolgens digitaal

de score op die punten invoeren,

waarna automatisch een eindoordeel

wordt gegenereerd en vervolgstappen

worden aangegeven.”

Toekomst

Vooralsnog wordt in HAVIK de

digitale ondersteuning voor alleen

de Wbr opgepakt. Andere wetten

zullen volgen, nadat dit spoor nog

verder is uitgewerkt en uitgetest.

Om nader te bepalen welke informatiebehoeften

er zijn, zal HAVIK

nog nauw met vergunningverleners

en handhavers samenwerken.

Ook is in de implementatiefase,

die naar schatting oktober 2006

van start zal gaan, nog een tussenstap

ingebouwd, waarin vier pilotdiensten

(de RWS-diensten Zuid-

Holland, Noord-Holland, Zeeland

en Limburg) hun ervaringen in de

praktijk zullen verzamelen. “Ook

op het gebied van opleidingen zal

Frank van de Heuvel

nog wel het één en ander nodig

zijn”, weet van den Heuvel. “Een

hele investering, maar omdat we

de behoefte goed in kaart hebben

gebracht en oplossingen goed uittesten,

weten we zeker dat dit een

hele nuttige is.”

Meer informatie:

Frank van de Heuvel

RWS Limburg

Tel. 043-3294111

f.h.e.vdheuvel@dlb.rws.minvenw.nl


Ketenhandhaving

Van objectgericht naar ketengericht handhaven

In 2005 vroeg de Inspectie het WH-Ct aan te geven welke ‘natte keten’ in

een project ketenhandhaving zou kunnen worden uitgediept om met deze

exercitie direct ook een nuttige casus uit te werken. Een gesprek met Irma

Philips van de Inspectie over ketenhandhaving, en met Michel Serné (RWS

Noord-Holland) over ‘ontschotting’ in het Noordzeekanaalgebied.

“De aanleiding was om toch eens

naar andere manieren van toezicht

te kijken”, zegt Philips. “Als

Inspectie willen we graag een

instrument voor de ketenhandhaving

aanreiken.” Op basis van

advies uit het WH-Ct en informatie

uit het landelijke risicobeeld

kwam de baggerketen als interessante

casus naar voren. Philips:

“Deze keten - van bodemonderzoek,

baggeren, verwerken tot en

met toepassing - werd daarom de

eerste die we met een aantal

waterbeheerders gingen uitwerken.

Daarvoor was al een theoretisch

model beschikbaar in de

vorm van de handreiking ketenhandhaving

van het Landelijk

Overleg Milieu. Dit model

beschrijft de methodiek, de stappen

die doorlopen kunnen worden

om ketenhandhaving in te

vullen. Het project heeft het model

als aanknopingspunt gebruikt

bij de uitwerking. Belangrijk is dat

ketenhandhaving zich verplaatst

van inrichtingsgebonden toezicht

naar toezicht op de gehele keten

en daarbij de relatie met andere

toezichthouders in kaart brengt.

Overdrachtsmomenten

Wanneer je de weg die baggerspecie

aflegt bekijkt wordt duidelijk

dat het in tal van schakels mis

kan gaan. Nadat waterbodemonderzoek

heeft plaatsgevonden,

moet wel worden gebaggerd wat

bemonsterd is. En als dan de specie

per schip wordt afgevoerd zou

je willen weten of de lading bij

aankomst op bestemming nog

wel dezelfde is als die er bij vertrek

in zat. Vaak volgt een slibontwatering

en ook tijdens de

opslag in die fase moeten partijen

niet door elkaar raken. Verandering

van samenstelling kan overigens

sowieso optreden door processen

tijdens het drogen. Die

wijzigingen in (chemische en

technische) eigenschappen zijn

natuurlijk relevante informatie die

je moet kunnen leveren aan de

eindgebruiker die het slib als

bouwstof wil toepassen. Ook bij

eventueel vervoer over de weg

Irma Philips (l) en Michel Serné

speelt weer de vraag of er geen

ladingen verwisseld of gemengd

worden. Het zal duidelijk zijn dat

er bij zo’n keten diverse partijen

betrokken zijn, zoals de waterbeheerder,

degenen die scheepvaartinspecties

uitvoeren (dat

kunnen behalve RWS ook de politie

of havendienst zijn), het bevoegd

gezag voor het depot (provincie

of gemeente) en (VROM-)

inspecteurs voor het wegvervoer.

“Het gaat erom”, zegt Philips,

“dat je met anderen in de keten

in gesprek gaat, deze ketendeelnemers

leert kennen en weet

welke informatie en gegevens een

andere toezichthouder in de keten

nodig heeft en waarom. Na een

goede ketenanalyse kun je een

gezamenlijke toezichts- en interventiestrategie

werken uitstippelen.

Overigens gaat het ook om

preventie: voorkómen dat er dingen

in die keten misgaan.” Nu zie

je volgens Philips vaak dat partijen

elkaars taal niet spreken, niet

het besef hebben dat bepaalde

informatie in de keten moet meelopen

opdat de mensen in de volgende

schakel over gegevens

beschikken waarmee zij hún vragen

beantwoord kunnen krijgen.

“Op de overdrachtsmomenten in

de keten gaat het dan fout.”

Samenwerking

“We hebben als verschillende

bevoegde gezagen in het Noordzeekanaalgebied

de afgelopen

jaren al heel erg geleerd om naar

elkaar te kijken en voor elkaar te

kijken”, zegt handhaver Michel

Serné van RWS Noord-Holland.

“Ook al gebeurt dat niet zozeer

in het kader van ketenhandhaving,

maar meer om door samenwerking

de werklast te verminderen.”

Dit speelt volgens Serné

onder meer bij de ‘cacaovemen’,

opslaghallen waar grote hoeveelheden

bonen liggen opgeslagen,

en schrootbedrijven. Serné: “De

Milieudienst IJmond, de gezamenlijke

dienst van de gemeenten

in het gebied, ziet toe op de eisen

vanuit de Wm-vergunning, maar

kijkt ook naar opvangvoorzieningen

voor bluswater, een Wvobelang.

Medewerkers van die

dienst zijn voor dat werk onbezoldigd

ambtenaar van RWS Noord-

Holland. Omgekeerd zijn er bedrijven

in de op- en overslag waar

wij op onze beurt de Wm meenemen.

De ervaringen zijn zeer positief.”

In principe is de samenwerking die

Serné schetst een prima opmaat

voor een ketenbenadering. Het

lijkt Serné echter wel lastig als één

partij heel veel inspanning moet

gaan leveren om het elders in de

keten goed te laten lopen. “Wat

als dat het effect vanuit het waterbeheer

gezien helemaal niet relevant

is? Hoe verhoudt een ketenbenadering

zich tot de prioriteitstelling

met RiAnTH; hoe komt het

werk voor een keten in onze HUP

terecht?” “Vooralsnog wordt van

de regionale diensten alleen inzet

op projectbasis gevraagd”, zegt

Philips, “maar werken aan een

ketenbenadering komt inderdaad

ook neer op een zoektocht naar

draagvlak. Er moeten daarvoor op

bestuurlijk- en managementniveau

afspraken worden gemaakt.”

Op de korrel

De baggerketen is in eerste instantie

geanalyseerd vanuit het

waterbeheer met enkele specialisten

uit RWS en Waterschappen.

Het project is nu zover dat ook de

andere partijen in de keten gepolst

kunnen worden: is de ketenuitwerking

goed of zijn er dingen

over het hoofd gezien? En hoe

zijn preventie en toezicht gezamenlijk

aan te pakken? Hoe organiseer

je de informatiestroom in

de keten? Hoe bouw je garanties

in dat er niet geknoeid wordt met

ladingen? “Typisch zaken die je

niet in je eentje moet gaan bedenken”,

zegt Philips. Er zullen

vervolgens pilots gaan lopen,

maar ook wordt gezocht naar

goede praktijkvoorbeelden op

kleine schaal. Ondertussen zullen

in het project meer ketens bij de

kop worden genomen. Philips:

“Mogelijk worden dat heel andersoortige

ketens. We zijn nu ‘de

zandkorrel aan het volgen’, maar

je zou je kunnen voorstellen dat

je dat ook voor bijvoorbeeld bepaalde

producten van bedrijven

kunt doen.”

Meer informatie:

Irma Philips

Inspectie Verkeer en Waterstaat

Tel. 0320-299548

Irma.philips@ivw.nl

Michel Serné

RWS Noord-Holland

Tel. 023-5301749

m.c.serne@dnh.rws.minvenw.nl

24 25


Integrale waterwet

Herman Heegstra (l) en Saskia van Gool

26

Kanttekeningen bij de Waterwet

In de aanloop naar één integrale waterwet kijken de Inspectie VenW en

RWS naar handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. Zo’n kritische blik wordt

tegenwoordig standaard gevraagd wordt bij nieuwe wet- en regelgeving.

“Belangrijke beweegreden om tot

één waterwet te komen is de gewenste

vereenvoudiging van de

regelgeving”, zegt Saskia van Gool

van de Inspectie. “Daarin komen

acht, nu nog afzonderlijke wetten

samen, zoals de Wvo, de Wet op

de waterhuishouding, de Wet

Droogmakerijen en Indijkingen en

de Grondwaterwet.” “Je ziet ook

dat de waterbodem uit de Wbb

wordt gelicht en onder de waterwet

komt te hangen”, zegt Herman

Heegstra, hoofd vergunningverlening

van RWS Zuid-Holland.

“Een goede ontwikkeling, want

met de zeven wijzigingsvoorstellen

die er speelden was de Wbb zelfs

voor deskundigen binnen RWS

inmiddels nauwelijks meer te volgen.”

Het is volgens hem ook een

kans om de moderne inzichten in

bestuurlijke verhoudingen in één

keer tot uitdrukking te brengen,

terwijl je dat anders in heel veel

verschillende wetten zou moeten

doen. Belangrijk pluspunt is volgens

Van Gool en Heegstra ook de

aansluiting bij de KRW die wordt

bereikt door de termijncyclus voor

alle plannen gelijk te maken aan

de cyclus van zes jaar die de

stroomgebiedbeheersplannen voor

de KRW doorlopen. Ook is de

doorwerking van waterplannen

naar ruimtelijke ordening nu wettelijk

vastgelegd. “En natuurlijk is

het ineenschuiven van wetten

tekenend voor de onlosmakelijkheid

van waterkwantiteit en -kwaliteit,

het integraal waterbeheer”,

zegt Van Gool.

Kaderwet

De Waterwet is volgens Van Gool

en Heegstra vooral een kaderwet

die nog invulling moet krijgen door

het opstellen van een groot aantal

AmvB’s. Van Gool: “Op heel veel

punten in de wettekst staat dat

één en ander nog nader te regelen

is in die algemene regels van bestuur.

Iemand bij ons is na veertig

van dergelijke verwijzingen in de

tekst opgehouden met verder tellen.

Heel veel hangt dus af van de

kwaliteit van die AmvB’s en ook

daar zullen we nog sterk op moeten

letten.”

Wordt het op deze manier niet een

ogenschijnlijk eenvoudige wet die

bij het ‘uitpakken’ toch weer heel

complex blijkt te zijn? Heegstra:

“Het ligt nog wel in de bedoeling

om het aantal AmvB’s nog te verminderen

door veel samen te voegen

in een overkoepelende AmvB,

het Waterbesluit, maar inhoudelijk

kun je het natuurlijk toch nog altijd

heel ingewikkeld maken.” “Een

vergelijkbaar risico zie je bij de vorming

van één loket ten behoeve

van een grotere klantvriendelijkheid,”

zegt Van Gool. “Grote kans

dat er achter het loket geen sprake

is van vereenvoudiging, maar dat

het, integendeel, zelfs veel meer

energie gaat kosten om de afstemming

tussen alle partijen te bereiken.

Ik zeg niet dat je het daarom

niet zou moeten doen, maar houd

er rekening mee dat dit soort operaties

niet per se een vereenvoudiging

inhouden. Tenzij iemand knopen

doorhakt om het achter de

schermen werkbaar te houden.”

“Ik vind dat ook een behoorlijk

aandachtspunt”, zegt Heegstra.

“Natuurlijk moet de waterwet met

goede AmvB’s worden uitgewerkt,

maar als je zaken in algemene

regels wilt regelen moet je het ook

een beetje kunnen loslaten. Dat is

wennen. Ik zie bij Rijkswaterstaters

een enorme betrokkenheid bij het

milieu en specialistische kennis van

waaruit ze alles vergaand zouden

willen dichttimmeren en zelfs veel

activiteiten liefst nog buiten de

veel bredere AmvB’s zouden willen

houden.”

Toets

In 2008 moet de Waterwet in werking

treden en zullen de AmvB’s

gereed moeten zijn. Het voorontwerp

van de wet is eind juli 2005

al een consultatieronde ingegaan.

In deze fase zijn ook de Inspectie

en RWS betrokken doordat zij

toetsen op handhaafbaarheid respectievelijk

uitvoerbaarheid van de

nieuwe wet. Van Gool: “De afspraak

is dat wet- en regelgeving

die de besluitvorming ingaat tegenwoordig

altijd eerst zo’n toetsing

ondergaat. Nadat onze IG

daartoe een schriftelijk verzoek

heeft gekregen, wordt intern een

werkgroep samengesteld. De leden

ploegen, elk vanuit een eigen specialisme

- denk aan invalhoeken als

planvorming, interbestuurlijk toezicht

of nalevingstrategieën- de

tekst door. En we gaan ‘shoppen

bij de uitvoeringspraktijk. Dat laatste

is voor mij heel belangrijk: als

iets niet uitvoerbaar is dan is het

ook niet handhaafbaar en kun je

op problemen wáchten. Dit betekent

dat ik goed heb gekeken naar

de uitvoerbaarheidstoets zoals die

bij RWS is uitgevoerd.” Heegstra:

“Voor inzicht in effecten op uitvoerbaarheid

en handhaafbaarheid

zijn we via workshops ook extern,

bij waterschappen en provincies, te

rade gegaan. Implicaties voor de

handhaving zijn door de Inspectie

ook in het WH-Ct ingebracht en

besproken.”

Schaduwkanten?

En hoe zit het dan met de mogelijke

schaduwkanten voor de handhaving?

“Veel meer activiteiten

zullen in plaats van met vergunningen

door middel van AmvB’s

geregeld worden”, zegt Van Gool.

“Met de grote bedrijven zal de

aloude relatie via een vergunning

dan nog wel blijven bestaan, maar

ten aanzien van veel kleinere bedrijven

wordt het toch meer handhaven

zonder die vanzelfsprekende

relatie, enigszins vanuit de losse

pols zoeken naar overtredingen

van AmvB’s.” “Vermindering van

het aantal vergunningen heeft

overigens ook goede kanten, zegt

Heegstra: “Wij hebben in ons

beheersgebied veel op- en overslag

bedrijven met allemaal min of

meer dezelfde vergunning. Vanuit

vergunningverlening gezien vinden

we het niet zo erg die ‘kwijt’ te

raken, want dan kunnen we de

aandacht op mogelijk meer relevante

activiteiten richten. Voor de

handhavers zie ik wel het gevolg

dat ze met zo’n veel omvattende

waterwet van heel veel markten

tegelijk thuis moeten zijn, want ze

moeten op van alles kunnen

inspringen.”

Een groot probleem dat vanuit de

praktijk werd gemeld was volgens

Van Gool en Heegstra de harde

‘knip’ die er vanuit de nieuwe

waterwet wordt gelegd tussen

directe lozingen op oppervlaktewater

en lozingen op het riool. De

directe lozingen blijven, zoals nu,

een zaak van Waterschappen en

RWS, afhankelijk van het water

waarop wordt geloosd. De lozingen

op het riool zullen voortaan

echter in alle gevallen onder het

beheer van de gemeenten vallen.

Heegstra: “Heel veel waterbeheerders

hebben daar problemen mee.

Ze vinden dat ze op die manier

hun grip kwijtraken op lozingen

Interview met Jaap Rus

Voorheen: Wvo-Contactteam

die indirect van invloed zijn op de

waterkwaliteit in hun beheersgebied.

En op die kwaliteit worden ze

wel aangesproken, zeker straks

vanuit de KRW met z’n harde resultaatverplichtingen.

Van Gool:

“Dat bezwaar hebben we in de

toetsbrief opgenomen. Als de vergunningverlening

bij de gemeenten

ligt, moet daar ook de kennis

en capaciteit liggen om die te

handhaven en daar kun je in veel

gevallen vraagtekens bij zetten.”

Vanaf de derde bijeenkomst zat Jaap Rus in het Wvo-Contactteam. Het

werd een duurzame relatie: hij maakte als deelnemer aan dit overleg bijna

een periode van twee decennia vol.

Het is midden jaren ’80 als schandalen

(Uniser) en de daarop volgende

politieke en maatschappelijke

ophef ertoe leiden dat elke

regionale directie een eigen club

handhavers krijgt die los staat van

de vergunningverleners. Rus: “Tot

die tijd hadden vooral de heffingcontroleurs

van het RIZA de bedrijven

bezocht. Ze controleerden hoe

deze de gegevens over het afvalwater

verzamelden ten behoeve

van het vaststellen van de verontreinigingsheffing

en als ze dan een

onregelmatigheid tegenkwamen,

meldden ze dat aan de afdeling

Een moeilijk punt is verder dat de

afname van het aantal vergunningen

doorwerkt in de gegevensstroom

van bedrijven naar de waterbeheerder.

Geen vergunning

betekent ook dat de meetverplichting

voor een bedrijf zal wegvallen.

Van Gool: “Je moet concluderen

dat straks de waterbeheerder veel

meer toezichtsinspanning zal moeten

plegen. Handhavers moeten

toch informatie hebben om hun

werk te kunnen doen en over dat

meerwerk moet je wel eerlijk zijn.”

“Ook door deze verandering dreigen

we grip te verliezen terwijl we

dat voor de KRW juist heel sterk

zouden moeten hebben”, zegt

Heegstra. “We zullen hier vanuit

de handhaving op moeten anticiperen

door nog meer te focussen

op risicostoffen en de risicosituaties,

veel meer ‘risicogestuurd

handhaven’.”

Helder in beeld

Al met al gelukkig met de nieuwe

waterwet? Heegstra: “Met de uitvoeringstoets

hebben we aangegeven

in hoeverre het naar ons idee

zal werken. Het was niet de bedoeling

om beleid over te gaan

doen. Ik zie duidelijke pluspunten,

maar al met al zou ik het nog geen

kans voor open doel willen noemen;

wel een uitdaging.” Van

Gool: “Bij een handhavingstoets

gaat het er niet om te zeggen of je

deze weg al dan niet zou moeten

gaan. Bepaalde discussies, bijvoorbeeld

over deregulering, zijn politiek

ook al een gepasseerd station.

Wel is het zaak de mogelijke consequenties

voor alle betrokkenen

helder vooraf in beeld te brengen

en daar is zo’n toetsbrief voor bedoeld.”

Meer informatie:

Saskia van Gool

Inspectie VenW

Tel. 0320-299541

saskia.van.gool@ivw.nl

Herman Heegstra

RWS Zuid-Holland

Tel. 010-4026399

h.heegstra@dzh.rwsminvernw.nl

vergunningverlening van de regionale

directie van Rijkswaterstaat.”

Met de formatie van duidelijk te

onderscheiden afdelingen handhaving,

bij elk van de - destijds

twaalf - regionale directies - was

tegelijkertijd een eilandenrijk geschapen

waarin uniformiteit in

handhaving geenszins gewaarborgd

was. Daarom werd in 1986

op initiatief van het Hoofdkantoor

RWS besloten om een landelijk

27


28

team van hoofden handhaving op

te richten, dat periodiek contact

had over de Wvo- handhavingswerkzaamheden

van Rijkswaterstaat

(= het Wvo-Contactteam). Bij

het RIZA kwam ook een landelijk

coördinator handhaving en die

coördinator - in de persoon van

Jaap Rus - kon meteen aan de slag

in het Wvo-Contactteam.

Uitstraling

Rus stuurde er vanaf het begin op

aan dat er naast de voor de hand

liggende informatieuitwisseling en

afstemming vanuit het team ook

zou worden gewerkt aan de opleiding

van RWS-handhavers en aan

publiciteit rond hun werk. Zo werd

in 1987 een eerste Voorlichtingsdag

gehouden, voorloper van de

latere symposia. Rus: “We rekenden

op circa 200 deelnemers, maar

het programma sprak blijkbaar zo

aan dat we de ‘vraag’ - ca. 400

deelnemers - niet aankonden.

Mede omdat zich veel deelnemers

vanuit politie en justitie aandienden

die lucht hadden gekregen

van het interessante programma.”

Publiciteit rond de handhaving

kwam er ruimschoots met de eerste

landelijke handhavingsactie

(1987): een gezamenlijke 24-uurs

actie door alle regio’s, met inzet

van vliegtuigen en vaartuigen. “De

media besteedden er ruim aandacht

aan”, vertelt Rus. ”En binnen

de kortste keren waren we

binnen en buiten RWS hartstikke

bekend en was duidelijk dat handhaving

er niet ‘effe bij gedaan

werd’. De preventieve werking, de

uitstraling van deze acties is enorm

geweest. En het effect werd versterkt

omdat we in Noord-Holland

met Ton Fransen een echte milieuofficier

hadden die werk maakte

van het strafrechtelijke spoor.”

Terugkijkend telt Rus tien landelijke

handhavingssymposia, diverse

werkconferenties samen met

VROM, IPO, UvW en VNG, en de

productie van zes voorlichtingsfilms

over de Wvo, milieucriminaliteit

Wvo, milieuproblematiek van

de scheepvaart, het Bouwstoffenbesluit

en het werk van de handhavers.

Ook de landelijke controleactie

werd een terugkerend fenomeen.

Tot 2002 zijn er zeven stuks

gehouden.

Rustiger

Het contactteam mocht dan ‘stoer’

aan de weg timmeren, het stak

ondertussen veel energie in een

verdere ontwikkeling van de handhaving.

Zo ging het zich in de

jaren negentig intensief bezighouden

met nieuwe strategieën, andere

slimmere werkwijzen voor de

handhaving. Naar buiten toe werd

het gaandeweg rustiger. Meer recentelijk

was er als intern gerichte

ontwikkeling de ‘groeispurt’ in het

kader van de professionalisering

van de milieuwethandhaving (zie

pag. 8 in dit verslag). Het contactteam

vormde een mooi platform

om allerlei producten uit dit traject

te bespreken. In deze tijd deed ook

de Divisie Water van de Inspectie

Verkeer en Waterstaat zijn intrede

in het team. Deze divisie (nu Toezichteenheid

Waterbeheer) was

inmiddels opgericht om toe te zien

op de correcte uitvoering van de

handhaving door de natte RWSpoot

en om als bevoegd gezag op

te treden voor eigen werk van

RWS. Rus: “De Inspectie ging

inspectiekaders opstellen, handhavingsinstrumenten

aanreiken en

zorgen voor de nodige kennisontwikkeling.

Ik zag ook een

behoorlijk deel van mijn werkpakket

bij het RIZA naar deze inspectie

overgaan. Nadat ik vanuit het

RIZA als kwartiermaker bij de

inspectie had gewerkt, ben ik

daarom ingegaan op het verzoek

om daar in dienst te treden als

coördinator kennisoverdracht en

communicatie.”

Nu de Inspectie in de nieuwe

‘Adviesgroep Handhaving’ (zie

pag. 4) een stapje terugdoet, zal

Rus - voor het eerst in bijna twintig

jaar - niet meer automatisch bij

dit handhavingsoverleg betrokken

zijn. Jammer? “Het betekent gelukkig

geen afscheid van de handhaving

en binnen de Inspectie kan

ik mijn in de afgelopen jaren opgebouwde

‘bagage’ prima inzetten.

Zo ben ik als projectleider samen

met RWS RIZA en regionale diensten

bezig met het ontwikkelen

van maatlat voor de HUP’s. Ook

werk ik mee aan een inspectiekader

illegale lozingen, waarbij ik

mijn ervaring met diverse justitiële

onderzoeken in het verleden mooi

kan inbrengen. En voor de bespreking

van dergelijke zaken zullen ze

me best zo af en toe terugzien in

het team.”

Winst

Wat is in grofweg twintig jaar

bereikt? “Handhavers zijn veel

professioneler geworden”, zegt

Rus, “en hebben het ‘Calimerogevoel’

van weleer achter zich

gelaten. Ik vang wel geluiden op

dat ze nog maar weinig buiten

komen. Dat heeft te maken met

alle investeringen in de professionalisering,

gevoegd bij veranderingen

in de RWS-organisatie die

energie kosten en de inspanning

die in een aantal directies met veel

personeelswisselingen gaat zitten

in het opleiden van nieuwe handhavers.

Ik heb het ook zelf gemerkt

bij de voorbereidingen van

een landelijke actie 2006. Er is

nauwelijks tijd voor zoiets ‘extra’s’

en de ervaring met het organiseren

en uitvoeren van grote landelijke

controleacties is aardig weggezakt.

Wat we naar mijn mening in de

gaten moeten houden: zorg dat je

als handhavingsorganisatie zichtbaar

blijft. Zo mag je wat mij betreft

bij de keuze van onderwerpen

voor landelijke acties ook best

meewegen wat onze klanten en de

burgers zal aanspreken.”

Meer informatie:

Jaap Rus

Inspectie Verkeer en Waterstaat

Tel. 0320-299562

Jaap.rus@ivw.nl

Cijfers

Handhaving watergerelateerde milieuwetten door Rijkswaterstaat en

de Inspectie Verkeer en Waterstaat in de periode 2001-2005

Vergunningverlening Wvo 2001 2002 2003 2004 2005 Eigen werken

in 2005

Aantal vigerende vergunningen op 1 januari 2.800 2.757 2.701 2.578 2.577 105

Aantal verleende vergunningen

(inclusief wijzigingen) 176 167 159 199 211 15

Aantal verleende tijdelijke ontheffingen = aantal

verleende gedoogbeschikkingen 51 47 29 42 57 0

Wbb en overige besluiten 2001 2002 2003 2004 2005 Eigen werken

in 2005

Aantal beschikkingen Wbb n.g. n.g. n.g. 67 116 34

Gesignaleerde overtredingen Wbb n.g. n.g. n.g. 39 38 n.b.

Aantal meldingen Art 8.19 Wm n.g. n.g. n.g. n.g. 32 0

Aantal meldingen Bsb n.g. n.g. n.g. 350 395 n.b.

Aantal meldingen BRZO n.g. n.g. n.g. n.g. 39 0

Toezicht Wvo 2001 2002 2003 2004 2005 Eigen werken

in 2005

Bedrijfscontroles 7.463 6.909 7.825 7.072 6.472 n.b.

Luchtsurveillance 148 129 122 137 124 n.v.t.

Scheepsmilieucontroles n.g. n.g. n.g. 454 572 n.b.

Meldingen van derden 1.009 286 464 480 782 n.v.t.

Gesignaleerde overtredingen Wvo 1.409 748 1.017 1.123 988 10

● waarvan ernstig 511 n.b.

● overtreding kernbepaling n.g. 515 597 518 372 n.b.

Strafrechtelijk vervolg (proces verbaal,

kort geding) Totaal 153 152 160 165 116 n.b.

Aantal (WM) inrichtingen strafrechtelijk vervolg n.g. n.g. n.g. n.g. 65 n.v.t.

Bestuur(srechte)lijk vervolg


aanmaningen/waarschuwingen (met en

zonder verplichte reactie) 540 406 433 371 251 n.b.

● intrekken vergunning 60 1 0 0 0 n.b.

● legaliseren (incl. vergunning wijzigen) 12 5 2 2 47 n.b.

● bestuursdwang 4 3 2 2 1 n.b.

● dwangsom 76 13 23 22 17 n.b.

● actief gedogen 7 13 15 16 45 n.b.

Aantal inrichtingen bestuursrechtelijk vervolg n.g. n.g. n.g. n.g. 96 n.b.

n.b. = niet bekend

n.g. = niet gevraagd. Er heeft een aantal aanpassingen aan de Enquête emissiebeheer 2005 plaatsgevonden om

gegevens te verkrijgen die beter aansluiten op rapportages aan de Tweede Kamer. Hierdoor is voor 2005 een aantal

gegevens voor het eerst verzameld.

29


Adressen leden Adviesgroep Handhaving in 2006

VOORZITTER AGH

Rijkswaterstaat Dienst Limburg

dhr. E.C.L. Marteijn

Postbus 25

6200 MA Maastricht

Telefoon: 043-3 294 924

E-mail:

e.c.l.marteijn@dlb.rws.minvenw.nl

Rijkswaterstaat Dienst Limburg

mw. N.M.H. Hendrix

Postbus 25

6200 MA Maastricht

Telefoon: 043-3 294 136

E-mail:

n.m.h.hendrix@dlb.rws.minvenw.nl

Rijkswaterstaat Dienst Utrecht

dhr. R. van der Plaat

Postbus 650

3430 AR Nieuwegein

Telefoon: 030-6 009 488

E-mail:

rob.vdplaat@

dut.rws.minvenw.nl

Bureau Verontreinigingsheffing

Rijkswateren

dhr. L. Otten

Postbus 20906

2500 EX Den Haag

Telefoon: 070-3 518 950

E-mail:

l.otten@cdr.rws.minvenw.nl

SECRETARIS AGH

RWS RIZA

mw. K. van de Wall

Postbus 17

8200 AA Lelystad

Telefoon: 0320-29 84 53

E-mail:

k.vdwall@riza.rws.minvenw.nl

Rijkswaterstaat Dienst Noord-

Brabant

dhr. L.C. Dekkers

Postbus 90157

5200 MJ Den Bosch

Telefoon: 073-6 817 792

E-mail:

l.c.dekkers@dnb.rws.minvenw.nl

Rijkswaterstaat Dienst Zeeland

mw. S. Borowski

Postbus 5014

4330 KA Middelburg

Telefoon: 0118-6 22 431

E-mail:

s.borowski@dzl.rws.minvenw.nl

Rijkswaterstaat RIZA

mw. J.W. Bijsterbosch

Postbus 17

8200 AA Lelystad

Telefoon: 0320-29 84 94

E-mail:

j.bijsterbosch@riza.rws.minvenw.nl

30

Inspectie Verkeer en Waterstaat

Toezichteenheid Waterbeheer

dhr. F.M.R. Leus

Postbus 61

8200 AB Lelystad

Telefoon: 0320-29 95 64

E-mail: francisco.leus@ivw.nl

Rijkswaterstaat Dienst Noord-

Holland

dhr. F.B. van Baar

Postbus 3119

2001 DC Haarlem

Telefoon: 023-5 301 576

E-mail:

f.b.vbaar@dnh.rws.minvenw.nl

Geen foto

beschikbaar

Rijkswaterstaat Dienst

Noordzee

dhr. J. de Jong

Postbus 5807

2280 HV Rijswijk

Telefoon: 070-3 366 610

E-mail:

J.djong@dnz.rws.minvenw.nl

Rijkswaterstaat Dienst

IJsselmeergebied

dhr. J. Jonkhoff

Postbus 600

8200 AP Lelystad

Telefoon: 0320-29 70 33

E-mail:

j.jonkhoff@rdij.rws.minvenw.nl

Rijkswaterstaat Dienst Noord-

Nederland

mw. S. Dingenouts-Koops

Postbus 2301

8901 JH Leeuwarden

Telefoon: 058-2 344 361

E-mail:

s.dingenouts@dnn.rws.minvenw.nl

Rijkswaterstaat Dienst Oost-

Nederland

dhr. P.C. Bielen

Postbus 9070

6800 ED Arnhem

Telefoon: 026-3 688 214

E-mail:

p.bielen@don.rws.minvenw.nl

Rijkswaterstaat Dienst Zuid-

Holland

dhr. W.D.M. Bogaert

Postbus 556

3000 AN Rotterdam

Telefoon: 010-4 026 956

E-mail:

w.d.m.bogaert@

dzh.rws.minvenw.nl


Colofon

Uitgave:

Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Inspectie Verkeer en Waterstaat

Rijkswaterstaat

Adviesgroep Handhaving

Tekst en productie:

Maurits Groen Milieu & Communicatie, Haarlem (Wim Verhoog)

Fotografie:

Michel Roggo (omslag), Wim Verhoog, Design & Art Reclame, AxiPress, RIZA

Vormgeving en drukwerk:

Design & Art Reclame, Amsterdam

More magazines by this user
Similar magazines