bijlagen (.pdf) - FOD Sociale Zekerheid

socialsecurity.fgov.be

bijlagen (.pdf) - FOD Sociale Zekerheid

ijlagen

Beleidsmaatregelen op het vlak van actief ouder worden en solidariteit tussen

de generaties van de regeringen op het federaal niveau en op het niveau van de

Gemeenschappen en Gewesten in België


Inhoudstafel

Bijlage 1 : Rapport over de opvolging van de Regionale Implementatiestrategie (RIS) van het

Internationaal Actieplan van Madrid inzake Veroudering in België 2

Bijlage 2 : Het Vlaams Ouderenbeleidsplan 2010 – 2014 31

Bijlage

3 : Ouderenbeleid in het Waals Gewest 2010-2014 en Waals Actieprogramma voor de

ziekte van Alzheimer en aanverwante ziekten 34

Bijlage 4 : Bijdrage van de Franse Gemeenschapscommissie (COCOF) 42

Bijlage 5 : Toekomstproject “sociale diensten hand in hand”: doelstellingen van de Duitstalige

Gemeenschap 43

1


Bijlage 1 :

Rapport over de opvolging van de Regionale Implementatiestrategie (RIS) van het

Internationaal Actieplan van Madrid inzake Veroudering in i

België

Tweede onderzoekscyclus (2007 – 2012)

2


Samenvatting

Grootste verwezenlijkingen

Om ouderen de kans te bieden ten volle aan het maatschappelijke leven deel te nemen, wordt gestreefd naar

een geïntegreerd en ‘inclusief’ beleid, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende aspecten die

bepalend zijn voor hun levensomstandigheden.

In Vlaanderen heeft dit geleid tot een globale benadering, vastgelegd in het ‘Vlaams ouderenbeleidsplan 2010-

2014’ 1 . Dit plan heeft als doel:

- de toegang tot de sociale, economische en culturele rechten van ouderen te verzekeren;

- elke vorm van discriminatie en sociale uitsluiting op basis van leeftijd tegen te gaan, te verminderen en uit

te sluiten;

- de betrokkenheid van ouderen bij dit beleid mogelijk te maken en te bevorderen.

Het ‘woonzorgdecreet’ van 2009 2 wil daarnaast ook een zorgaanbod op maat van de patiënt organiseren met

garantie van zorgcontinuïteit tussen de verschillende verzorgingsinstellingen en thuiszorgverleners, om zo de

levenskwaliteit van en de zorg voor de ouderen te verbeteren.

Wat het maatschappelijke en culturele leven betreft, stellen we vast dat het behoud en de toename van

middelen bestemd voor verenigingen en initiatieven op het vlak van levenslang leren de kans op uitsluiting van

de oudste groepen in de maatschappij terugdringen en zelfs voorkomen.

Tijdens de voorbije jaren werd in België bijzondere aandacht geschonken aan de strijd tegen

ouderenmishandeling. In Brussel werd de Service d’écoute pour personnes âgées maltraitées (SEPAM) door

de Franse Gemeenschapscommissie erkend. Deze dienst werkt samen met zijn Nederlandstalige

tegenhanger, het Brussels Meldpunt Ouderenmis(be)handeling.

In Wallonië werd bij een Decreet van 3 juli 2008 het Waals Agentschap voor de bestrijding van

ouderenmishandeling (Respect Senior) opgericht. Dit agentschap heeft in principe een preventieve en helende

rol. Voor de zwaarste gevallen wordt samengewerkt met de administratie, waarvan de agenten het statuut van

officier van gerechtelijke politie hebben.

Het decreet van 30 april 2009 betreffende de opvang en huisvesting van oudere personen is bedoeld om de

kwaliteit van de dienstverlening van de ouderen te verbeteren (kwaliteitshandvest, levensproject, verslag over

de evolutie van de instelling) op basis van indicatoren die de administratie bij de instellingen zal invoeren. Hier

betreden we het domein van de goede behandeling.

Ook het besluit van 3 december 2009 gaat over de opvang en huisvesting van ouderen. Dit besluit beoogt de

oprichting van een participatieraad, legt normen vast voor verschillende huisvestingstypes en bepaalt de

regels voor de groepering en fusie van instellingen voor ouderen.

Ook in Vlaanderen bestaat er sinds 2007 een agentschap voor de preventie van ouderenmishandeling

(“Meldpunt Ouderenmis(be)handeling”). De structurele verankering biedt het preventieagentschap bijkomende

mogelijkheden om zijn werking te verbeteren.

Deze diensten staan in voor sensibilisering, preventie en het verspreiden van informatie over deze

problematiek. Daarnaast bekommeren ze zich ook om de slachtoffers.

Aspecten die voor verbetering vatbaar zijn

Er bestaat al een wettelijke basis voor de erkenning van alternatieve woonvormen voor ouderen, maar tal van

andere voorstellen van alternatieven voor rusthuizen moeten nog worden uitgewerkt om ouderen de

mogelijkheid te bieden een aantrekkelijke en financieel haalbare huisvesting te kiezen.

1

Vlaams Ouderenbeleidsplan 2010-2014, Regering van de Vlaamse Gemeenschap, 21 september 2010.

2

Dit decreet vervangt het decreet van 1985 over de residentiële zorg en het thuiszorgdecreet van 1998 houdende de

erkenning en de subsidiëring van verenigingen en welzijnsvoorzieningen in de thuiszorg.

3


Op beleidsniveau van elke Staat moet men ervoor trachten te zorgen dat de gevolgen van de demografische

veroudering niet langer als iets negatiefs wordt beschouwd, maar wel als een vanzelfsprekend aspect van de

politieke, sociale en economische werkelijkheid.

Met dit in het achterhoofd zouden we de kosten en baten anders moeten gaan afwegen en meer aandacht

schenken aan de voordelen van de vergrijzing van de bevolking in een maatschappij als de onze (wat onder

meer het ontwikkelen van nieuwe sociaaleconomische indicatoren veronderstelt). In dat opzicht kunnen de

sectoren onderzoek, opleiding en cultuur waardevolle instrumenten zijn die in tijden van crisis moeten worden

gehandhaafd en zelfs bijzondere aandacht verdienen.

4


Algemene informatie

België is een grondwettelijke monarchie bestaande uit de federale Staat, de Gemeenschappen en de

Gewesten. België kent drie officiële talen: Nederlands, Frans en Duits.

De bevoegdheidsverdeling bij de opeenvolgende staatshervormingen verliep volgens twee hoofdlijnen. De

eerste heeft te maken met zogenaamde ‘persoonsgebonden’ materies: taal, cultuur, onderwijs,

gezondheidsbevordering, enz. Voor deze materies zijn drie ‘gemeenschappen’ bevoegd: De Vlaamse

Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Duitstalige Gemeenschap, evenals de

gemeenschapscommissies in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De tweede lijn betreft de economische zaken: infrastructuur, ruimtelijke ordening, buitenlandse handel,

leefmilieu, enz. Voor deze materies zijn de ‘gewesten’ bevoegd: het Vlaamse Gewest, het Brussels

Hoofdstedelijk Gebied en het Waalse Gewest.

De Vlaamse Gemeenschap is evenwel met het Vlaamse Gewest samengesmolten omdat de bevoegdheden van

beide entiteiten in geografisch opzicht identiek zijn. Er is dan ook slechts één Ministerie van de Vlaamse

Gemeenschap.

Daarentegen heeft de Franse Gemeenschap in 1992 beslist een aantal van zijn bevoegdheden over te dragen

aan het Waalse Gewest en aan de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Het Waalse Gewest oefent zijn bevoegdheden uit in Wallonië, terwijl de Franse Gemeenschapscommissie

bevoegd is voor gemeenschapsaangelegenheden op het grondgebied van het tweetalige Brussels

Hoofdstedelijk Gewest. Bevoegdheden die volledig of gedeeltelijk aan het Waalse Gewest en de Franse

Gemeenschapscommissie zijn overgedragen, hebben voornamelijk te maken met culturele aangelegenheden

(onder meer sociale promotie) en persoonsgebonden materies (een deel van het gezondheidsbeleid, een deel

van het gezinsbeleid, het beleid inzake sociale steun, het onthaal en de integratie van migranten, het beleid

inzake personen met een handicap en het beleid in verband met de derde leeftijd).

In Brussel werden in 1989 samen met de gewestelijke instellingen ook drie gemeenschapscommissies in het

leven geroepen: de Vlaamse gemeenschapscommissie (VGC), de Commission communautaire française

(COCOF) en de Gemeenschappelijk Gemeenschapscommissie (GGC). De GGC is bevoegd voor Brusselse

instellingen die niet uitsluitend tot een van beide gemeenschappen behoren. Daarnaast is de GGC bevoegd

voor de rechtstreekse bijstand aan personen (zonder tussenkomst van een instelling), voor de goedkeuring

van normen die rechtstreekse verplichtingen voor natuurlijke personen inhouden en voor de uitoefening van

bevoegdheden als inrichtende macht wat aangelegenheden van algemeen belang betreft.

De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) keurt eigen wettelijke normen goed. Ze mag dat

alleen voor zogenaamde ‘bipersoonsgebonden’ aangelegenheden, dat wil zeggen sociale zaken en

gezondheidskwesties die beide gemeenschappen aanbelangen. Deze normen zijn van toepassing op de

instellingen die niet ressorteren onder de Vlaamse Gemeenschap of onder de Franse Gemeenschap (bv. de

OCMW’s, de openbare ziekenhuizen) of verband houden met de rechtstreekse bijstand aan personen.

De federale overheid blijft bevoegd voor onder meer defensie, justitie, financiën, sociale zekerheid en voor een

belangrijk deel van de volksgezondheid en binnenlandse zaken. Daarnaast zijn een aantal bevoegdheden

(economie, transport en leefmilieu) verdeeld tussen de federale overheid en de gewesten.

Elke entiteit heeft een eigen parlement en regering.

Het vergrijzingsbeleid valt onder de verschillende overheidsniveaus. De federale overheid is bevoegd voor de

sociale zekerheid en dus voor de betaling van de pensioenen en de terugbetaling van geneeskundige

verzorging, evenals voor de sociale bijstand. Daarentegen zijn de gemeenschappen bevoegd voor alle

persoonsgebonden materies, zoals het verzorgings- en welzijnsbeleid voor ouderen. De structuur van dit

verslag weerspiegelt deze situatie.

5


Gezien de bevoegdheidsverdeling in België met betrekking tot de materie die in de verslag aan bod komt, is er

in feite geen ‘nationaal plan’ waaraan de doelstellingen van Madrid zouden kunnen worden getoetst. Zowel op

federaal als op gemeenschapsniveau bestaan er verschillende bepalingen.

Verder dient te worden aangestipt dat er tijdens de periode in kwestie naast de ontwikkeling van nieuwe

initiatieven bijzondere aandacht werd geschonken aan de uitvoeringen van reeds eerder goedgekeurde

maatregelen. We denken onder meer aan de maatregelen van het generatiepact in 2005, de voortzetting van

de hervormingen van het pensioensysteem (met name het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd voor

vrouwen) of de wet op de aanvullende pensioenen van 2003.

6


Dit verslag werd opgesteld op basis van bijdragen van het Federaal Planbureau, de ministers van de Vlaamse

Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest en de Franse Gemeenschapscommissie van het

Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De volgende personen verleenden hun medewerking:

Nationaal contactpunt en redacteur van dit verslag:

De heer Dirk Moens

Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid

Finance Tower,

Kruidtuinlaan 50, bus 1

1000 Brussel

Dirk.Moens@minsoc.fed.be

Tel.: +32.2.528.63.26

Mevr. Micheline Lambrecht

Mevr. Nicole Fasquelle

Mevr. Greet De Vil

Federaal Planbureau

Kunstlaan, 47-49

1000 Brussel

email: ml@plan.be, nf@plan.be, gdv@plan.be

tel: 32-(0)2-507.73.11

fax: 32-(0)2-507.73.73

url: www.plan.be

Mevr. Lieve Vanderleyden

Studiedienst van de Vlaamse Regering

Boudewijnlaan 30

1000 Brussel

lieve.vanderleyden@dar.vlaanderen.be

Tel.: +32 (0)2 553 41 33

In samenwerking met: Lieve De Lathouwer, Eric Dekker, Mie Moerenhout, Anne Van Der Gucht

De heer Marien FAURE

Service Multilatéral mondial

Wallonie-Bruxelles International

Saincteletteplein 2

1080 Brussel

Tel.: +32 (0)2 421 85 70

Mevr. Joelle Philippot

Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie

Louisalaan 183

1050 Brussel

Tel. : +32 (0)2 502 60 01

Mevr. Françoise Renier

Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Karmelietenstraat 15

1000 Brussel

Francoise.Renier@diplobel.fed.be

Tel. : +32 (0)2 501 42 08

7


Demografische en economische context

Dit deel is gebaseerd op het Jaarverslag 2011 van de Studiecommissie voor de Vergrijzing, die jaarlijks een

verslag opstelt over de budgettaire en maatschappelijke gevolgen van de vergrijzing. Het schetst de macroeconomische

context en de voornaamste demografische ontwikkelen die België tegen 2060 mag verwachten.

Op basis van deze hypothesen worden ook de budgettaire kosten van de vergrijzing of de stijging van de sociale

uitgaven tussen 2010 en 2060 voorgesteld, uitgedrukt in het percentage van het BBP.

Tabel 1: 1 De demografische hypothesen van de “bevolkingsvooruitzichten 2010-2060”

2010 2030 2060

Vruchtbaarheidsgraad 1,85 1,86 1,86

Levensverwachting bij de geboorte: mannen (jaren) 77,93 81,87 86,24

Levensverwachting bij de geboorte: vrouwen (jaren) 83,23 85,82 88,78

Migratiesaldo (in duizendtallen) 63,8 24,3 32,6

Tabel 2: 2 Belangrijkste resultaten van de nieuwe demografische vooruitzichten 2010-2060

2010 2030 2060

Totale bevolking in duizendtallen 10884,1 12309,1 13537,2

Per leeftijdscategorie in duizendtallen

0-14 jaar 1841,9 2125,7 2275,1

15-64 jaar 7171,0 7456,1 7911,0

65 jaar en ouder 1871,1 2727,2 3351,1

Leeftijdsstructuur in %

0-14 jaar 16,9 17,3 16,8

15-64 jaar 65,9 60,6 58,4

65 jaar en ouder 17,2 22,2 24,8

Enkele indicatoren

Afhankelijkheid van de ouderen (65+/15-64) 26,1 36,6 42,4

Intensiteit van de vergrijzing (80+/65+) 29,0 28,9 38,9

De totale bevolking zou in 2060 meer dan 13,5 miljoen personen tellen, wat neerkomt op een stijging van meer

dan 25% ten opzichte van 2010. Terwijlde bevolkingsgroep van 0 tot 14 jaar relatief stabiel blijft tussen 2010 en

2060, daalt het aandeel personen tussen 15 en 64 ten voordele van het aandeel personen vanaf 65 jaar, wat

een aanzienlijke vergrijzing van de bevolking inhoudt. De totale afhankelijkheidsratio van de ouderen (of het

aandeel van de personen van 65 jaar en ouder ten opzichte van de bevolking op arbeidsleeftijd van 15 tot 64

jaar) stijgt van 26% in 2010 naar 42% in 2060, wat neerkomt op een stijging van 62%. De evolutie van de

indicator “intensiteit van de vergrijzing”, die het aantal 80-jarigen en ouder meet in de bevolking van 65 jaar en

ouder, wijst op een uitgesproken intensiteit van de vergrijzing die stijgt van 29 % in 2010 tot 39 % in 2060.

Bovendien gaat de vergrijzing gepaard met een duidelijke vervrouwelijking. Het aandeel van de vrouwen (en

weduwen) stijgt immers met de leeftijd: het bedraagt 56 % van de personen van 65 tot 69 jaar en 67 % van de

personen van 80 tot 84 jaar.

8


Tabel 3 : Macro-economische projectie 2010-2060, referentiescenario van juni 2011

Groeipercentage 2010-2016

2016 2016-2030

2030 2030-2060

2060 2010-2060

2060

Werkgelegenheid 1,0 0,3 0,2 0,3

Productiviteit per arbeidsplaats 1,2 1,5 1,5 1,5

BBP 2,2 1,8 1,7 1,8

BBP/hoofd 1,4 1,2 1,4 1,4

Het BBP stijgt gemiddeld 1,8% per jaar tussen 2010 en 2060. Dit volgt uit een hypothese over de groei van de

arbeidsproductiviteit met 1,5% per jaar op lange termijn en een stijging van de tewerkstelling met gemiddeld

0,3% per jaar.

Tabel 4: 4 De budgettaire kosten van de vergrijzing op middellange termijn volgens het SCvV-scenario van juni

2011

Componenten van de budgettaire kost

Referentiescenario SCvV van juni 2011

van de vergrijzing 2010 2016 2030 2050 2060 2010-2060

Pensioenen 9,7 10,5 13,3 14,3 14,0 4,3

Gezondheidszorg (acute en lange

termijn)

8,0 8,5 9,4 10,6 11,1 3,0

Arbeidsongeschiktheid 1,5 1,6 1,5 1,5 1,5 -0,1

Werkloosheid 2,2 1,9 1,4 1,3 1,3 -0,9

Brugpensioen 0,4 0,4 0,4 0,3 0,3 -0,1

Kinderbijslag 1,6 1,6 1,5 1,4 1,3 -0,3

Overige sociale uitgaven 3 1,7 1,7 1,6 1,5 1,5 -0,3

Totaal 25,3 26,2 29,1 30,9 30,9 5,6

Tussen 2010 en 2060 bedraagt de budgettaire kost van de vergrijzing 5,6% van het BBP. De uitgaven aan

pensioenen en aan gezondheidszorg stijgen respectievelijk met 4,3% en 3% tussen 2010 en 2060, terwijl het

geheel van andere uitgaven daalt met 1,7%.

3

Vooral de uitgaven voor arbeidsongevallen, beroepsziekten, Fondsen voor bestaanszekerheid, tegemoetkomingen aan

personen met een handicap en het leefloon.

9


1ste verbintenis: Op alle actiedomeinen rekening houden met de vergrijzing, om de maatschappij en de

economie aan te passen aan de demografische ontwikkelingen en werk te maken van een samenleving waarin

plaats is voor alle leeftijden.

Om ervoor te zorgen dat de verschillende overheden bij hun beleidsbeslissingen rekening zouden houden met

de verschillende aspecten van de vergrijzing, werden een aantal studiecommissies en adviesraden opgericht:

Studiecommissie voor de vergrijzing: deze commissie stelt jaarlijks een verslag op met een analyse van de

financiële gevolgen van de demografische evolutie voor de verschillende wettelijke pensioenstelsels, de

socialezekerheidsregeling voor werknemers en zelfstandigen en de regeling inzake de inkomensgarantie voor

ouderen. De commissie kan op eigen initiatief of op vraag van de overheid gerichte studies in verband met de

vergrijzing uitvoeren (armoede, tweedepijler pensioenen,…).

Federaal Planbureau (FPB):

Het FPB staat in voor de uitwerking van bevolkingsvooruitzichten in samenwerking met de Algemene Directie

Statistiek en economische informatie (voormalig Nationaal Instituut voor de Statistiek) en experts

(demografen, geografen, sociologen, economen, gezondheidsspecialisten, enz.).

In het kader van het technisch en administratief secretariaat van de Studiecommissie voor de Vergrijzing staat

het FPB in voor de analyse van de federale overheidsuitgaven die te maken hebben met de vergrijzing.

Op het niveau van de Europese Unie neemt het Federaal Planbureau mee deel aan de activiteiten van de

Ageing Working Group (AWG) van het Comité voor economische politiek, dat de internationale samenhang van

de demografische verwachtingen en van de analyse van de financiële houdbaarheid van de sociale uitgaven in

de lidstaten verzekert.

“Service de la prospective démographique” (Dienst Demografische Vooruitzichten):

In 2009 werd bij het Ministerie van de Franse gemeenschap een dienst Demografische Vooruitzichten (Service

de la prospective démographique) opgericht. Deze dienst biedt recente en geactualiseerde demografische

gegevens waarvan gebruik kan worden gemaakt bij de voorbereiding van transversale en pluridisciplinaire

maatregelen met betrekking tot de demografische ontwikkeling en het intergenerationeel beleid.

Vlaamse ouderenbeleidsplan:

Het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van de Vlaamse Gemeenschap coördineert het Vlaams

ouderenbeleidsplan 2010-2014, dat een globale visie ontwikkelt op de plaats van senioren in onze

maatschappij en hun participatie wil bevorderen volgens de visie van het Actieplan van de Verenigde Naties

(MIPAA). Dit plan werd opgesteld in samenwerking met de verschillende actoren, na advies van Vlaamse en

Brusselse ouderenraden, de seniorenverenigingen en vijf lokale raden.

Alle beheersdomeinen komen hierin aan bod: informatie, participatie, armoede en sociale bescherming,

diversiteit en discriminatie, gezondheid, sport en welzijn, actief en productief ouder worden, huisvesting en

energie, mobiliteit, toegankelijkheid en veiligheid, cultuur, verenigingsleven, levenslang leren, toerisme en

media. Concrete objectieven worden vooropgesteld, zelfs al zijn de voorgestelde acties en objectieven niet

altijd meetbaar.

“Vlaamse Conferentie Eerstelijnsgezondheidszorg”

Deze conferentie vond plaats in december 2010 en ging in eerste instantie over de mogelijkheden van de

directe omgeving, met name dankzij de inbreng van zelfstandige helpers, mantelzorgers en vrijwilligers in

samenwerking met de professionele sector. Zij kunnen ondersteund worden door ervaring uit de tweede- en

derdelijnshulp.

Brusselse interministeriële conferentie sociale zaken – gezondheid:

Het Brussels Gewest organiseerde in 2010 een interministeriële conferentie sociale zaken en gezondheid.

De volgende domeinen kwamen aan bod: begroting, sociale zekerheid en de verschillende pensioenstelsels

evenals de ziekteverzekering (geneeskundige verzorging), huisvesting, tewerkstelling, opleiding, mobiliteit,

10


stadsplanning, integratie en participatie, sociale en economische rechten, discriminatie enz. De

multidisciplinaire en multidimensionele aanpak maakt een omvattende en samenhangende benadering in een

brede economische, demografische en maatschappelijke context mogelijk.

Op gewestelijk en lokaal niveau zijn er tal van initiatieven die erop e

gericht zijn bij te dragen tot het

beantwoorden van de uitdaging van de vergrijzing:

- In het Brussels Gewest werd in 2011 een werkgroep over ouderen opgericht. Op het programma stonden de

problematiek van het thuis blijven wonen en van de dementies.

- De Vlaamse Gemeenschap heeft een maatregel ingevoerd in de strijd tegen discriminatie op basis van

leeftijd door de leeftijdsgrenzen in verschillende beleidsdomeinen gelijk te schakelen. Een oudere is een

persoon die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt (decreet van 30 april 2004). Toch moeten er nog heel wat

inspanningen worden geleverd:

- de leeftijdsgrens voor personen met een handicap is nog steeds 65 (wie ouder is en voor het eerst als

persoon met een handicap wordt erkend, kan geen beroep meer doen op het ‘Vlaams Agentschap van

Personen met een Handicap’ voor technische hulpmiddelen);

- Openbaar vervoer: enkel personen vanaf 65 hebben recht op gratis vervoer (De Lijn) of een

prijsvermindering (trein);

- In het “woonzorgdecreet” worden bestaande en nieuwe verzorgingsvormen in de thuiszorg, de

thuiszorgondersteunende en -aanvullende zorg en de residentiële ouderenzorg gecombineerd. Voor

de meeste van deze maatregelen wordt het doelpubliek niet begrensd op basis van leeftijd, ook al zijn

sommige verzorgingsvormen voorbehouden voor personen van 65 jaar en ouder;

- Participatie op de arbeidsmarkt: ondanks activeringsmaatregelen is het vanaf 50 jaar moeilijk een

nieuwe job te vinden. Het aantal tewerkstellingen van 50-plussers blijft dalen (- 5,7% tussen 2007 en

2008 (Sels 4 ))

Op het niveau van de plaatselijke overheden (steden en gemeenten) kan de verplichte oprichting van

adviescomité met de (lokale) ouderen worden vermeld.

In 2010 hebben het Waalse Gewest en de Franse Gemeensschapscommissie (FGC) ondersteuning geboden

aan een koepelorganisatie voor ouderenverenigingen die een studie heeft uitgevoerd over de werking van de

gemeenschappelijke ouderenadviesraden om na te gaan hoe deze kan worden verbeterd. In Vlaanderen werd

een gelijkaardige studie uitgevoerd over de werking van de ouderenadviesraden 5 .

4

De Standaard, Oud is nog te vaak out, dinsdag 30 maart 2010.

5

Messelis, E. (2011). Lokale ouderenadviesraden anno 2010: de visie van 173 voorzitters. Brussel: Hogere leergangen voor

Fiscale en Sociale Wetenschappen.

11


2de verbintenis: de volledige integratie van de ouderen in de maatschappij waarborgen. In het kader van deze

verbintenis dienen de volgende actiedoelstellingen worden bereikt:

- ontwikkelen van de maatschappelijke, economische, politieke en culturele participatie van de ouderen;

- bevorderen van de integratie van ouderen door hun actieve participatie aan de gemeenschap aan te

moedigen en intergenerationale relaties te ontwikkelen;

- bevorderen van een positief beeld van de vergrijzing;

Terwijl de federale overheid bevoegd is voor economische integratie (participatie op de arbeidsmarkt en

verlenging van het actieve leven (zie 3de verbintenis) en de sociale uitkeringen, valt het beleid inzake de

maatschappelijke integratie van ouderen grotendeels onder de bevoegdheid van de gemeenschappen.

Een goede integratie van ouderen in de maatschappij is ook een zaak van burgerinitiatief. Vrijwilligerswerk

door ouderen zou meer erkenning moeten krijgen en gevaloriseerd worden. Uit een recente studie blijkt dat

gepensioneerden die vrijwilligerswerk doen, doorgaans langer leven en een goede gezondheid genieten

dankzij een goede maatschappelijke integratie. Ook zorgt vrijwilligerswerk door ouderen voor een positiever

beeld van de vergrijzing.

In België is de zogenaamde ‘bottom up’-benadering geïnstitutionaliseerd. Ze typeert het beleid van de

deelgebieden zowel op vlak van de toekenning van toelagen als wat betreft het soort partnerschappen dat ze

ondersteunt of teweegbrengt. De taak van deze ouderenraden bestaat er in eerste instantie in advies te

verstrekken over elk beleid van de deelentiteiten dat de belangen van de ouderen raakt. Daarnaast spelen ze

onder meer een rol op gebied van informatieverstrekking, sensibilisering en de bevordering van initiatieven in

de sector van ouderenverenigingen en, meer algemeen, bij het middenveld. Deze raden hebben niet alleen een

adviserende functie; ze nemen ook eigen initiatieven. In Vlaanderen is er de “Vlaamse ouderenraad” (opgericht

in het kader van het decreet van 30 april 2004 houdende de stimulering van een inclusief Vlaams

ouderenbeleid in de beleidsparticipatie van ouderen), die niet alleen zijn adviezen voorlegt op vraag van de

bevoegde minister, maar ook zelf initiatieven heeft genomen rond dementie, sport en lichamelijke beweging,

en de verzorging van ouderen van vreemde oorsprong.). 6

Een aantal voorbeelden van de evolutie en de vooruitgang betreffende de activiteiten van deze verenigingen op

het vlak van 60-plussers of intergenerationele relaties:

- adviezen over de dementieproblematiek;

- sport en lichaamsbeweging voor senioren;

- verzorging van ouderen van vreemde origine;

- ontwerpen, maken en verspreiden van speciaal pedagogisch materiaal;

- sterke culturele verwezenlijkingen (publicatie van verhalen, tentoonstelling van foto’s en beeldhouwwerken,

theaterproducties) om aandacht te vragen en rechten te verdedigen;

- groeiende en regelmatige samenwerking met kunstenaars uit alle disciplines;

- samenwerking met sectoren als onderwijs, dienstverlening, gezondheid, onderzoek, radio en televisie, …

- ontwikkelen en doorgeven van welbepaalde vaardigheden (o.a. met betrekking tot permanente opleiding van

vakmensen) ;

- reconstructie van het collectieve, familie- of individuele geheugen; publicatie;

- oprichting van lokale en regionale seniorenraden;

- briefwisseling tussen schoolgaande kinderen en vereenzaamde ouderen;

- filosofieclubs voor jong en oud.

De volledige participatie van senioren (m/v) aan het leven en aan maatschappelijke ontwikkelingen en de

erkenning van hun bijdragen, is het werk van tal van verenigingen, maar vooral van twee soorten verenigingen:

ouderenverenigingen als dusdanig en verenigingen die zich inzetten voor de creatie en het behoud van een

dynamiek tussen verschillende generaties.

Er wordt actief beleid gevoerd om de maatschappelijke integratie en participatie van ouderen te

vergemakkelijken, in eerste instantie door de solidariteit tussen de generaties te bevorderen. Dit beleid streeft

tegelijk naar een betere beeldvorming rond ouderen om de stigmatisering van deze mensen (bv. als

‘zorgbehoevende personen’) tegen te gaan en naar meer mogelijkheden voor senioren om ten volle aan de

huidige maatschappij deel te nemen.

6

Moerenhout, M. (2011). Mee-spreken is een recht….ook voor ouderen. In: Van Leuven, N. & De Hert, P. (eds.)

Fundamentele rechten van ouderen. Antwerpen: Intersentia.

12


Bovendien worden een aantal gerichte initiatieven genomen:

Vlaamse Gemeenschap:

- Campagne (2010) om de beeldvorming over senioren te verbeteren: ‘Generatie nu – Jong van hart’, die een

actueel imago wil geven van de ouderen in de samenleving en in wil gaan tegen het stereotype beeld van

ouderen als zorgbehoevende personen.

- De campagne ‘Vergeet dementie, onthou mens’ is bedoeld om de stereotype beeldvorming rond personen

met dementie te veranderen en te nuanceren. Tegen 2020 zal hun aantal met 30% gestegen zijn, waardoor

een andere benadering noodzakelijk wordt. Het “Dementieplan 2010-2014’ moet het pad effenen voor een

maatschappij die positiever staat ten opzichte van demente personen.

Franse Gemeenschap:

- Het decreet van 26 mei 2011 tot inrichting van de Seniorencommissie van de Franse Gemeenschap, dat tot

doel heeft een speciaal instrument in het leven te roepen om bij de uitwerking van het beleid van de Franse

Gemeenschap een stem te geven aan en rekening te houden met de belangen van de senioren.

- In het “Plan 2010-2013 voor gelijkheid en diversiteit in de audiovisuele media van de Franse Gemeenschap”,

gecoördineerd door de “Conseil supérieur de l’audiovisuel”, wordt rekening gehouden met het

leeftijdscriterium. Aan de hand van een jaarlijkse “barometer” kan met name de aanwezigheid van ouderen in

televisieprogramma’s worden gemeten;

- Een “reglement betreffende de toegankelijkheid van programma’s voor personen met een zintuiglijke

handicap”, voornamelijk bedoeld om meer tegemoet te komen aan de reële omstandigheden en beperkingen

waarmee onze senioren te maken krijgen, werd in 2011 goedgekeurd door het “Conseil supérieur de

l’audiovisuel”. De invoering ervan (vanaf 2011) betekent in eerste instantie dat televisieprogramma’s

toegankelijk moeten zijn door middel van ondertitels, vertolking in gebarentaal, audiobeschrijvingen of andere

technische hulpmiddelen.

- dankzij het decreet van 17 juli 2003 met betrekking tot de steun aan het verenigingsleven op het gebied van

permanente opvoeding kunnen verenigingen worden gesubsidieerd die werken voor en met senioren, met het

oog op een betere participatie en inspraak van de burger. Andere instanties op verenigingsgebied worden

ondersteund door middel van meerjarenovereenkomst voor de realisatie van specifieke opdrachten, zoals de

coördinatie van de universiteiten voor senioren of de ondersteuning van en het verstrekken van informatie aan

ouderenverenigingen die deel uitmaken van een netwerk.

Brussels Gewest:

- De Franse Gemeenschapscommissie (FGC) heeft in 2011 samen met het Koning Boudewijn Stichting een

projectoproep gelanceerd voor initiatieven op basis van vrijwilligerswerk door senioren, bedoeld voor senioren

of andere leeftijdsgroepen.

- De FGC steunde in 2011 het project “mémoire vive”, dat getuigenissen van ouderen op DVD vastlegt. Het gaat

zowel om anonieme personen als om mensen die bijvoorbeeld een en ander hebben meegemaakt als

verzetstrijder of gedeporteerde.

- Om ouderen, en zeker bejaarde migranten, te helpen een rol te blijven spelen in onze maatschappij, moeten

we hen de nodige middelen geven. Zo werd in 2011 een onthaalbeleid ingevoerd voor nieuwkomers. In het

geval van oudere nieuwkomers gaat het vooral om mensen die via gezinshereniging of als vluchteling het land

zijn binnengekomen;

- Uitgaand van de vaststelling dat er in de zorgverlening, de thuiszorg en in rusthuizen geen rekening

gehouden wordt met de culturele achtergrond, werd in de Borinage een actie/onderzoek opgestart over ouder

worden bij de migrantenbevolking. In een eerste fase werden statistische gegevens verzameld en werd de

situatie van bejaarde migranten in de zorgverlening en in zorginstellingen onderzocht;

- In een rust- en verzorgingstehuis lopen momenteel proefprojecten: het personeel kreeg opleidingen over

interculturele communicatie om goede praktijken vast te leggen en in te voeren, rekening houdend met de

culturele achtergrond van de bejaarde migrant.

- Belangrijke aandachtspunten tijdens de periode 2005-2010 waren de vergrijzing van de bevolking en

intergenerationele initiatieven. In 2009 werden in het kader van het beleid inzake de sociale cohesie een

aantal intergenerationele projecten opgestart. De FGC, overtuigd van de noodzaak van een omvattende aanpak

van de vergrijzing van de bevolking, heeft de nadruk gelegd op initiatieven die de solidariteit tussen de

generaties bevorderen. Dit zijn immers niet alleen belangrijke pijlers van het sociale weefsel maar ook

positieve projecten zonder meer. In het Brussels Gewest werd op initiatief van de FGC de overkoepelende

organisatie “Courants d’âge” in het leven geroepen. Deze groepeert 28 verenigingen die zich op allerlei

gebieden (vrijwilligerswerk, tewerkstelling, huisvesting, het sociale en culturele vlak) inzetten voor

intergenerationele initiatieven. Sinds 2008 werkt de FGC samen met de Franse Gemeenschap aan het door de

Koning Boudewijn Stichting opgestarte project “Carrefours des Générations”, dat eveneens tot doel heeft

13


ontmoetingen tussen leeftijdsgroepen te bevorderen aan de hand van intergenerationele initiatieven. Intussen

hebben al bijna 100 gemeenten in de Franse Gemeenschap hieraan meegewerkt.

- Sinds april 2011 is de vereniging “Courants d’âges” betrokken bij het project “Carrefours des générations”.

Daarnaast bestaat er sinds 2008 ook een website intergenerations.be.

- In het kader van het Europees Jaar van het vrijwilligerswerk in 2011 heeft de FGC haar medewerking

verleend aan een projectoproep van de Franse Gemeenschap om het engagement en de kennis van senioren

beter te laten renderen. Een honderdtal verenigingen actief in verschillende sectoren (gezondheid, sociaalculturele

sector, sociale cohesie, permanente vorming, jeugd) die een beroep doen op vrijwilligers van alle

leeftijden (meestal ouderen), zijn hierop ingegaan.

14


3de verbintenis: Een rechtvaardige en duurzame economische groei bevorderen om het hoofd te bieden aan de

vergrijzing van de bevolking, onder meer door de groeitrend te versterken

Verbintenissen 3 en 4 zijn nauw met elkaar verbonden. Sommige aspecten die zullen worden behandeld

gelden dan ook voor beide.

De doelstellingen van het Belgische economische beleid zijn gebaseerd op de doelstellingen van de Europese

Unie ‘EU2020’.

Sedert het vorige verslag hebben verschillende landen de gevolgen van de financiële en economische crisis

van 2008 en 2009 moeten ondervinden, onder meer op het vlak van werkloosheid en tewerkstelling. Er werden

inspanningen geleverd om de impact hiervan binnen de perken te houden.

België kent steevast een relatief lage werkzaamheidsgraad, in het bijzonder voor 55-plussers (37,3% in 2010

(concept Eurostat)). De effectieve pensioenleeftijd is wel gestegen van 56,8 jaar in 2000 naar 61,6 jaar in 2007.

Toch blijft de werkzaamheidsgraad voor mensen vanaf 55 onder het streefcijfer dat de Europese Unie

vooropstelt voor 2020. Daarom streeft de federale overheid ernaar de werkzaamheidsgraad en dus ook de

effectieve pensioenleeftijd te doen stijgen.

De volgende maatregelen werden genomen en versterkt tijdens de crisis:

- vermindering van de fiscale en parafiscale lasten;

- betere opvolging en begeleiding van werklozen;

- invoering van een systeem van tijdelijke werkloosheid voor bedienden.

Ten slotte heeft het in oktober 2005 door de federale regering aangekondigde Generatiepact (wet van 23

december 2005) dit beleid verder aangevuld met verschillende tewerkstellingsmaatregelen voor ouderen:

- de leeftijd voor het gewone brugpensioen werd in 2008 opgetrokken van 58 tot 60 jaar, de

loopbaanvoorwaarden in acht genomen;

- maatregel om pseudobrugpensioen (“canada dry”) te ontmoedigen door middel van de heffing van bijzondere

werkgeversbijdragen;

- in het pensioenstelsel voor werknemers wordt het geldende maximumloon bij de pensioenberekening in

twee gesplitst: het eerste geldt voor lonen en invaliditeitsuitkeringen en het tweede voor de

werkloosheidsuitkering, het brugpensioen en de loopbaanonderbrekingsvergoeding. Enkel het eerste

maximumbedrag zal om de twee jaar verhoogd worden. De aanpassing van het tweede zal afhangen van het

verschil tussen beide;

- de invoering vanaf 2007 van de pensioenbonus per werkdag gepresteerd vanaf de leeftijd van 62 jaar of op

basis van minstens 44 loopbaanjaren;

- de verhoging van het maximumbedrag voor de cumulatie toegelaten arbeid / pensioen na de wettelijke

pensioenleeftijd;

- verlaging van het maximumbedrag voor de cumulatie toegelaten arbeid / pensioen vóór de wettelijke

pensioenleeftijd;

- recht op 1/5 tijdskrediet voor 55-plusser;

- recht op tijdskrediet na een jaar arbeid voor nieuw aangeworven 55-plussers;

- werkhervattingstoeslag voor oudere werklozen die terug aan het werk gaan;

- het tweedepijlerpensioen van werknemers die blijven werken tot de wettelijke pensioenleeftijd wordt minder

belast;

- nieuw personeelsbeleid: ondernemingen aansporen om diversiteitsplannen in functie van leeftijd te

ontwikkelen; sensibiliseringscampagne om komaf te maken met leeftijdsgebonden vooroordelen, preventief

personeelsbeleid dat rekening houdt met de uitstapleeftijd van de werknemer; werknemers ouder dan 40

kunnen om de twee jaar samen met hun werkgever of met een personeelsconsulent hun

toekomstperspectieven bespreken;

- beroepsopleiding;

- nieuwe definitie van bedrijfsherstructureringen… ;

Maar ook de tewerkstelling van jonge werkzoekenden:

- vermindering van bepaalde lasten voor jongeren onder de 30;

- aanmoedigen van stages tijdens alternerend leren;

- verhoging van het aantal federale tewerkstellingspremies;

- begeleiding van jongeren die als zelfstandige aan de slag gaan;

- startbonus voor jongeren die hun stage met succes afronden.

15


Het meerbanenplan van de Vlaamse Regering (“Samen voor meer banen”) van januari 2006 bevat

verschillende maatregelen ter aanvulling bij de maatregelen van het Generatiepact (zie ook 4de verbintenis):

Beheersovereenkomst tussen de Vlaamse Regering en de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling voor de

periode 2005-2009: de nadruk ligt op een positieve oververtegenwoordiging in de trajectwerking van

kansengroepen zoals 50-plussers, allochtonen, mensen met een beroepshandicap, enz.:

- vanaf hun 3de werkloosheidsmaand worden werkzoekenden automatisch uitgenodigd voor een verplichte

gemeenschappelijke infosessie;

- oprichting van meerdere 50+ clubs (specifieke en exclusieve sollicitatieruimte waar 50-plussers steeds

terecht kunnen om het jobaanbod te doorzoeken);

- aanstelling van professionele begeleiders die mensen uit kansengroepen (o.m. oudere werknemers)

ondersteuning bieden tijdens het tewerkstellingsproces.

Tewerkstellingsbeleid

stellingsbeleid:

- Het departement Werk en Sociale Economie heeft een Expertisecentrum Leeftijd en Werk opgericht, onder

meer voor de ondersteuning, inventarisering en bevordering van goede praktijken met betrekking tot het

personeelsbeleid, waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van de werknemer en de ontwikkeling van

instrumenten en werkwijzen op het gebied;

- werknemers die een werkloze 50-plusser aanwerven die minstens 14 dagen werkzoekend geweest is,

genieten hiervoor een loonlastenverlaging gedurende een jaar;

- begeleiding: outplacement van ontslagen oudere werknemers;

Door rekening te houden met de leeftijd van de werknemer wil de Vlaamse Regering een voorbeeldfunctie

vervullen op het vlak van personeelsbeleid. Een aantal maatregelen bij wijze van voorbeeld:

- personeelsleden die zware en veeleisende arbeid in ploegendienst verrichten krijgen voorrang voor een

dagjob in het bedrijf;

- mogelijkheid van loopbaanonderbreking in de vorm van een vermindering van de prestaties met 1/4 of 1/5

(wordt een recht vanaf de leeftijd van 50 jaar),

- om werken vanaf een bepaalde leeftijd aan te moedigen (cf. Generatiepact) wordt vanaf januari 2008 een

anciënniteitsverlof toegekend aan personeelsleden ouder dan 55.

- een kader ontwikkelen waarbinnen telewerk mogelijk is, thuis of in een satellietkantoor.

Op het niveau van het Waalse Gewest bestaan er sinds 2005 herstelplannen (Marshall-plan ‘1’ en ‘2.Vert’) om

de Waalse economie en tewerkstelling een positiever elan tegen. Deze bevatten onder meer de volgende

maatregelen:

- Arbeidspotentieel ten volle benutten door middel van ‘levenslang leren’ / beroepsopleiding;

- bedrijfsnetwerken versterken;

- investeren in wetenschappelijk onderzoek;

- ondersteuning voor de oprichting van ondernemingen;

- ‘groene economie’ ontwikkelen;

- beroep en gezin (met name verzorgingstaken) helpen combineren door de ontwikkeling van buurtdiensten

en investering in onthaal- en rusthuisinfrastructuur.

16


4de verbintenis: het sociale beschermingssysteem aanpassen aan de demografische evolutie en de sociale en

economische gevolgen ervan. In het kader van deze verbintenis zouden volgende doelstellingen moeten

bereikt worden:

- de kernopdracht van de sociale bescherming handhaven en verder uitbouwen, met name door het

armoederisico te bestrijden en aan iedereen de nodige uitkeringen te bieden;

- een wettelijk kader invoeren of ontwikkelen voor het opbouwen van beroeps- en privépensioenen;

- de huidige sociale beschermingsystemen aanpassen aan de demografische ontwikkeling en aan

wijzigingen in verband met de gezinssamenstelling;

- meer aandacht schenken aan de sociale bescherming van vrouwen en mannen gedurende hun hele leven.

De sociale zekerheid is een federale bevoegdheid. De financiering van de pensioenen en de organisatie van het

langetermijnbeleid op dit vlak worden dan ook op federaal niveau gewaarborgd.

Terwijl de Belgische pensioenen gekenmerkt worden door een lage bruto vervangingsratio (bruto pensioen

gedeeld door het loon van het laatste jaar vóór het pensioen) in vergelijking met andere landen van de

Europese Unie, werden de laagste pensioenen de voorbije jaren verhoogd. Sinds het generatiepact is de

regering verplicht tweejaarlijks met de sociale partners overleg te plegen over aanpassing van de

minimumpensioenen.

De pensioenen (sociale zekerheid) worden aangevuld met sociale bijstand voor gepensioneerden met

bestaansmiddelen lager dan een bepaald minimumbedrag: de IGO (inkomensgarantie voor ouderen), die moet

bijdragen tot de bescherming tegen armoede. De toekenning ervan gebeurt automatisch voor nieuwe

gepensioneerden (ook voor vervroegd pensioen), maar er is nog te weinig informatie voor personen die al op

pensioen zijn, wat tot een onderbenutting van de tegemoetkoming zou kunnen leiden.

Daarnaast kent de federale overheid de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB) toe aan 65plussers

die zorgbehoevend zijn ten gevolge van gezondheidsproblemen. De tegemoetkoming dient om de bijkomende

kosten van noodzakelijke hulp te dekken, maar ook op dit vlak is er nog te weinig informatie.

In het kader van het regeerakkoord van 2008 organiseerde de Belgische regering een ‘Nationale

Pensioenconferentie’. De conclusies hiervan werden in 2010 gepubliceerd in het groenboek ‘Een toekomst

voor onze pensioenen’. Deze conferentie had tot doel de Belgische pensioenstelsels onder de loep te nemen

met het oog op de (voornamelijk demografische) uitdagingen die ons te wachten staan:

- Hoe kunnen we de betaling van de pensioenen in de toekomst garanderen (duurzaamheid)

- Hoe kunnen we de solidariteit tussen de generaties waarborgen

- Hoe waarborgen we een goed evenwicht tussen solidariteit en verzekering

In het kader van dit groenboek werden analyses uitgevoerd: de huidige situatie, sterkten en zwakten.

Dit groenboek moet uitmonden in een witboek met voorstellen en aanbevelingen om ons pensioensysteem te

hervormen en te moderniseren.

Het sociaal beleid dat in het Brussels Gewest gevoerd wordt door de FGC is een aanvulling op het federaal

sociale zekerheidsbeleid. Zo staat de federale overheid in voor de financiering van de verzorging in rust- en

verzorgingstehuizen, maar hoe die verzorging en de bijstand concreet worden georganiseerd, is een

bevoegdheid van de deelgebieden, en wat de Franstalige Brusselaars betreft dus van de FGC. In 2007 werd een

nieuw decreet goedgekeurd (inwerkingtreding 2009) om zowel de residentiële als de niet-residentiële

opvangstructuren voor ouderen (bvb. dagopvangdiensten) te verbeteren en te diversifiëren. Daarnaast zijn er

thuishulpdiensten die hulp bieden tegen een verminderd tarief in functie van het inkomen. Dit heeft ook

gevolgen voor de tweetalige Brusselaars die gebruik maken van huisvestingsinstellingen georganiseerd en

erkend door de GGC.

Verschillende diensten en instellingen bieden ondersteuning aan mantelzorgers die zich bekommeren om een

afhankelijke persoon:

- mogelijkheid van kort verblijf of nachtopvang (wettelijke basis bestaat, maar deze dienstverlening bestaat

nog niet);

- verzorgingsdiensten of dagopvang.

Al deze maatregelen zijn ook van toepassing in het Waalse Gewest (zie verder, decreet van 30 april 2009).

Vlaamse Gemeenschap:

Wat armoede bij ouderen betreft, heeft de Vlaamse Regering een specifieke doelstelling vooropgesteld:

17


- er is een voorstel ingediend om decreten te onderwerpen aan een ‘armoedetest’, waarbij zal worden

onderzocht of voorgestelde maatregelen voldoende toegankelijk zijn voor kwetsbare sociale groepen.

- Vlaanderen wil een ‘armoedebarometer’ ontwikkelen die een aantal indicatoren bevat om de toestand en de

evolutie van de armoede in Vlaanderen op te volgen. Momenteel leeft 23% van de 65-plussers onder de

armoedegrens (voor de totale bevolking van Vlaanderen is dit 12%). 7

Daarnaast biedt de ‘Vlaamse zorgverzekering’ een forfaitaire tussenkomst van € 130 / maand, ongeacht de

plaats waar de zorgverlening plaatsvindt. Voor thuiszorg moet de afhankelijkheid wel worden aangetoond,

terwijl gebruikers van de residentiële zorg de tussenkomst krijgen ongeacht hun afhankelijkheidgraad.

Hoewel de invoering ervoor heeft gezorgd dat meer mensen in aanmerking kwamen voor een verblijf in een

rusthuis, moeten we toegeven dat de kosten voor de verzorging van chronisch zieken en van personen die

intensieve verzorging nodig hebben, vaak nog zeer zwaar wegen op het budget van de patiënten.

Vlaanderen heeft een voorontwerp van decreet opgesteld over een Vlaamse sociale bescherming. Het is

bedoeld om het beleid inzake de sociale bescherming van de Vlamingen en de inwoners van het Brussels

Hoofdstedelijk Gewest die voor deze sociale bescherming kiezen. Het is de bedoeling de mogelijkheden van

zorgbehoevende personen verder uit te bouwen, ondersteuning te bieden aan gezinnen met kinderen en zo te

investeren in een zorgzamere maatschappij. Het decreet bestaat uit 5 onderdelen die de komende jaren stap

voor stap zullen worden ontwikkeld: 1. consolidatie van de “Vlaamse zorgverzekering” (2012); 2. invoering van

een maximumfactuur in de thuiszorg (2013); 3. nieuwe maatregelen voor financiële ondersteuning van

kinderen (2012); 4. een Vlaamse basishospitalisatieverzekering (2014); 5. een nieuw systeem van begrenzing

van de kosten voor residentiële zorg (2014).

7

Noppe, J. (2011). Vlaamse armoedemonitor. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering.

18


5e verbintenis: de arbeidsmarkten helpen zich aan te passen aan de economische en sociale gevolgen van de

vergrijzing. Om te voldoen aan deze verbintenis, moeten volgende doelstellingen bereikt worden:

- het werkloosheidspercentage aanzienlijk verminderen, in het bijzonder voor de ouderen;

- de inzetbaarheid van oudere werknemers verbeteren;

- de arbeidsparticipatie van alle mannen en vrouwen doen toenemen;

- maatregelen nemen om de gemiddelde effectieve pensioenleeftijd op te trekken en ervoor zorgen dat de

pensionering soepeler en geleidelijker verloopt.

Op het federale niveau voorziet het “Generatiepact” van 2005 in een aantal maatregelen om de oudere

leeftijdsgroepen in de actieve bevolking aan te moedigen en te stimuleren aan de slag te blijven:

- De“pensioenbonus”: ouderen die na hun 62e of na een loopbaan van 44 jaar aan de slag blijven, krijgen

aanvullende pensioenrechten;

- Beperking van de mogelijkheden tot vervroegde uitstap uit de arbeidsmarkt: de minimumleeftijd voor

een conventioneel brugpensioen werd opgetrokken van 58 naar 60 jaar (met uitzonderingen voor

“zware” beroepen). Bovendien moeten de bruggepensioneerden voortaan beschikbaar blijven voor de

arbeidsmarkt (en kunnen zij dus werkaanbiedingen krijgen). Door deze maatregelen en het optrekken

van de wettelijke pensioenleeftijd voor vrouwen is het aandeel van “jonge” bruggepensioneerden in

deze bevolkingsgroep gedaald;

- Uitwerking van tijdskredietformules die de mogelijkheid bieden minder te werken om werk- en

privéleven beter op elkaar af te stemmen, ook voor de 50-plussers.

Zoals hierboven aangegeven, beoogt het Marshall-Plan 2.Groen in het Waals Gewest – in het kader van zijn

doelstelling om het menselijke kapitaal te opwaarderen – een betere inzetbaarheid, onder andere van de

oudere werknemers, door “levenslang leren” te ondersteunen.

Tegelijk werd in bepaalde sectoren voor maatschappelijke hulp aan personen (opvang van personen in sociale

moeilijkheden, opvang en huisvesting van personen met een handicap, …) het zogenoemde plan Tandem

uitgewerkt. Zoals de naam aangeeft, kunnen uitgebluste werknemers (onderwijzend personeel) op het einde

van hun loopbaan hun toekomstige vervangers opleiden en begeleiden. Het systeem financiert zichzelf

(verschil in lonen) en wordt beheerd binnen de paritaire comités (werkingskosten betaald door het Waals

Gewest).

Vlaamse Gemeenschap:

- “Vlaams meerbanenplan” (2006): vult het Generatiepact aan. Heeft een tewerkstellingspremie voor 50-

plussers ingevoerd, namelijk een financiële tegemoetkoming voor werkgevers die ingeschreven

werkzoekende 50-plussers in dienst nemen. Het bedrag van deze premie schommelt tussen € 400 en € 1.000

per maand en dekt tevens deeltijdwerk.

Tegelijk wordt de begeleiding van werkzoekende 50-plussers ontwikkeld: na een (verplichte) informatiesessie

kunnen werkzoekenden doorstromen naar de “50+ clubs”, waar gespecialiseerde consultants de

werkzoekenden sollicitatietechnieken aanleren en motivatie en werkattitude stimuleren.

Het plan voorziet tevens in specifieke communicatiekanalen voor beschikbare betrekkingen, in samenwerking

met de sociale partners, met name de werkgeversorganisaties (Voka, Unizo en VCSPO). Deze kanalen zijn

toegankelijk voor oudere werknemers, allochtonen en personen uit de risicogroepen.

Voorts werd een expertisecentrum opgericht om goede praktijken inzake HR-beleid voor oudere werknemers

en diversiteitsplannen te promoten.

Het akkoord "Samen op de bres voor 50+" van december 2008 versterkt dit plan: na de informatiesessies

gaat de werkzoekende verplicht op gesprek bij een consultant van de diensten voor arbeidsbemiddeling

voor 50- tot 52-jarigen. Zodoende krijgt de werkzoekende een specifiek begeleidings- of opleidingstraject,

dat meer gericht is op de aangepaste beoordeling van zijn vaardigheden.

Sinds 14 januari 2011 hebben de Vlaamse Regering en de sociale partners deze plannen uitgebreid tot de

oudere leeftijdsgroepen (tot 58 jaar) 8 . In dit kader zullen de sociale partners onder meer bewustmakingsen

motiveringscampagnes opzetten (“dejuistestoel.be”) om mensen aan het werk te blijven houden.

8

Voor meer informatie, zie: De Lathouwer, L. (2011). De activeringsaanpak van 50+werkzoekenden gewikt en gewogen,

L&W - berichten 6-2011, Brussel: Expertisecentrum Leeftijd en Werk.

19


Ook opleidingen gedurende de hele loopbaan zijn een belangrijk werkdomein. De diensten voor

arbeidsbemiddeling investeren dus in opleidings- en loopbaanbegeleidingsprogramma’s, met de steun

van de agentschappen van het Europees Sociaal Fonds.

Wie overweegt deeltijds te gaan werken om werk en privéleven beter op elkaar af te stemmen, kan

aanspraak maken op een aanmoedigingspremie om contact te houden met de arbeidsmarkt.

In het tewerkstellingsbeleid van de regering van de Vlaamse Gemeenschap wordt ook nog op verschillende

manieren gestreefd naar een langere beroepsactiviteit:

• EAD (Evenredige arbeidsdeelname): overeenkomsten met de subregio’s over de evenredige

arbeidsdeelname: uitwerking van “diversiteitsplannen”. In 2010 werden 750 diversiteitsplannen

ingevoerd, die voorzien in de werving, het behoud en de opleiding van werknemers uit alle kwetsbare

groepen (ook de ouderen).

o Jobkanaal van de werkgeversorganisaties VOKA, UNIZO, Verso en VKW combineert een

strategisch en kwaliteitsvol HR-beheer met het werk maken van vacante betrekkingen door

een netwerk uit te bouwen met organisaties voor arbeidsbemiddeling, in de eerste plaats met

de VDAB. In 2010 hebben de consultants 2.744 ondernemingen bezocht om vacante

betrekkingen te creëren en werden 3.896 personen uit kwetsbare groepen aan werk

geholpen. De doelstelling (5.000 banen scheppen) werd weliswaar niet bereikt, maar de

resultaten waren aanzienlijk beter dan in volle economische crisis in 2009.

o In het recente verleden kreeg het streven van 25 “diversiteitsconsultants” naar diversiteit in

de vakbonden een boost: de drie vakbonden hebben de handen ineen geslagen voor de

campagne “effe checken”, die opgestart werd in 2010 met een website, begeleiding en

opvolging op het terrein. Zodoende zijn zij erin geslaagd diversiteit ingang te doen vinden in de

sociale overlegorganen in meer dan 800 ondernemingen. Enkele duizenden

vakbondsafgevaardigden werden gesensibiliseerd in het kader van het huidige protocol met

de Vlaamse regering en hebben een opleiding gevolgd over diversiteitsbeleid in de

ondernemingen en de rol die de vakbonden op dat vlak kunnen spelen.

• Sectorale overeenkomsten: de Vlaamse overheidsinstanties sluiten akkoorden af met de economische

sectoren om acties uit te werken rond de problematiek van de vergrijzing van de actieve bevolking, de

knelpuntberoepen en de kwetsbare groepen onder de werklozen (ouderen, laaggeschoolden, …).

• Expertisecentrum

“Leeftijd en Werk” (eL&W): steunt de ondernemingen en organisaties bij hun

inspanningen om langer werken aantrekkelijker te maken door middel van goede praktijken, studies,

cijfers en instrumenten, ... (website: www.leeftijdenwerk.be).

• E-portfolio “Mijn loopbaan”: helpt bij het opstellen van cv’s door een digitale ruimte beschikbaar te

stellen waarin iedereen zijn loopbaangegevens kan invoeren (persoonlijke gegevens, ervaring,

vaardigheden, …).

• POP-project

(persoonlijk ontwikkelingsplan): een digitaal platform om de ontwikkelingsprocessen van

de vaardigheden van het individu te volgen, te ondersteunen en te organiseren door middel van een

samenwerking tussen het individu, arbeidsbemiddelaars (begeleiders) en ondernemingen. De

begeleiding behelst de opleiding, begeleiding tijdens de loopbaan (intern en extern), ontwikkeling van

de vaardigheden bij ontslag/reorganisatie, …).

• Universele dienstverlening aan werkzoekenden (VDAB): werknemers en werkgevers kunnen er

terecht met al hun vragen over opleidingen, loopbanen, … (“werkwinkels”).

• Vakbonden

akbonden: organiseren bijscholingen voor hun leden.

• Centra voor loopbaanbegeleiding: 19 centra worden gefinancierd door het agentschap van de ESF’s

(medegefinancierd door de Vlaamse regering). Zij bieden werknemers en zelfstandigen professionele

ondersteuning bij het nemen van keuzen en beslissingen voor hun loopbaanontwikkeling. Zij streven

er onder meer naar werknemers op het einde van hun loopbaan gemotiveerd te houden.

• “Ervaringsbewijs”

rvaringsbewijs”: hiermee kunnen ouderen hun verworven vaardigheden doen gelden. Ook ervaring

door de dagelijkse praktijk telt mee. Dit is in het bijzonder voor oudere werknemers een voordeel

omdat zij bepaalde vaardigheden al te vaak niet meer met een diploma kunnen staven. Vandaag

bestaat dit ervaringsbewijs voor ongeveer 60 beroepen en werden om en bij de 3.000 bewijzen

afgeleverd (85% daarvan aan personen uit kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt voor 50-plussers,

meer bepaald laaggeschoolden, allochtonen en personen met beperkingen).

20


6e verbintenis: permanente vorming promoten en het onderwijssysteem aanpassen om gelijke tred te kunnen

houden met de economische, sociale en demografische situatie. Om te voldoen aan deze verbintenis, moeten

volgende doelstellingen bereikt worden:

- permanente vorming vergemakkelijken en aanmoedigen;

- ervoor zorgen dat het onderwijssysteem ieders inzetbaarheid verbetert.

De ondersteuning van intergenerationele verenigingen die de participatie van ouderen opwaardeert, maakt

integraal deel uit van het beleid van de federale overheid. De participatie en het verenigingsleven blijken

belangrijke hefbomen voor ouderen om betrokken te worden bij de maatschappij. In Vlaanderen nemen 4 op 5

senioren deel aan het cultuur- of sportverenigingsleven.

In de Franse Gemeenschap kunnen de verenigingen die reeds in 2007 erkend waren, nog steeds steun krijgen

omdat er meer budgettaire middelen uitgetrokken worden voor de uitvoering van het Decreet van de Franse

Gemeenschap van 17 juli 2003 met betrekking tot de permanente vorming van volwassenen en de steun aan

het verenigingsleven. Acht verenigingen die in het decreet of bij overeenkomst erkend zijn, ondernemen

specifieke (intergenerationele) acties voor en met senioren (budget 2011: € 979.000). Daarnaast trokken drie

verenigingen in die periode profijt van een afzonderlijke overeenkomst die hen in staat stelde werk te maken

van een grotere participatie en emancipatie van de oudere of intergenerationele publieksgroepen (voor een

budget van € 88.000 in 2011).

Het Participatiedecreet legt in Vlaanderen het kader vast om voor de kwetsbare groepen (inclusief de

senioren) de drempels voor cultuurparticipatie en het verenigingsleven zo veel mogelijk weg te nemen, zelfs al

is het decreet niet uitsluitend voor hen bedoeld. Zo wordt een specifieke culturele programmatie voor

senioren op het lokale niveau ondersteund.

Het Decreet van 30 april 2009 van de Franse Gemeenschap betreffende de omkadering en de subsidiëring van

de federaties voor amateuristische kunstbeoefening, van de federaties die centra voor expressie en creativiteit

vertegenwoordigen en van de centra voor expressie en creativiteit voorziet in de erkenning en financiering van

lokale centra die gericht zijn op de creativiteit van alle publieksgroepen, inclusief de ouderen. De nadruk ligt

op de bijeenkomst van generaties en culturen naargelang van de plaatselijke situatie.

Leren is tevens een instrument voor integratie 9 . In de Franse Gemeenschap hebben alle verenigingen die

gericht zijn op ouderen en op de generationele verhoudingen hun ICT-leermiddelen en -leermethodes sinds

2007 uitgewerkt en uitgebreid. Deze verenigingen zetten aangepaste leermodules (o.a. gebruik van internet

thuis, om diensten te kunnen gebruiken en ter informatie of om werk te zoeken na 50 jaar; gebruik van een

gsm) en buurtinitiatieven voor bepaalde doelgroepen (bijv. Cyberbus van Espace seniors) op, en blijven

daarnaast proberen van de overheden te verkrijgen dat allerhande vormen van toegang tot ICT afgestemd

worden op de (economische, fysieke, …) mogelijkheden van de ouderen.

In Wallonië streeft het project “Papy et Mamy surfers” ernaar ouderen de grondbeginselen van

informaticatechnieken bij te brengen, door middel van paragemeentelijke diensten (in de steden), maar ook op

het platteland (rondreizende bus).

In Vlaanderen wordt het aanbod van educatieve programma’s voor ouderen actief gepromoot bij de

ouderenverenigingen en -raden; ze zijn erop gericht digitale ongeletterdheid uit de wereld te helpen 10 .

9

In 2006 heeft 13% van de 55- tot 64-jarigen in Vlaanderen deelgenomen aan een programma levenslang leren. De

deelname lijkt met de leeftijd af te nemen: 25% van de 55- tot 64-jarigen was geïnteresseerd, tegenover 13% van de 65- tot

74-jarigen en 4% van de 75- tot 85-jarigen. (Bron: Vanweddingen, M. (2008). Leren een leven lang in Vlaanderen

SVR-Rapport 2008/6).

10

Ontwerp Vlaams Ouderenbeleidsplan 2010-2014, Vlaamse Regering, 21 september 2010.

21


7e verbintenis: ernaar streven een goede levenskwaliteit op elke leeftijd te verzekeren en een zelfstandig

leven te behouden, ook op het vlak van gezondheid en welzijn. Om te voldoen aan deze verbintenis, moeten

volgende doelstellingen bereikt worden:

- gezondheid en welzijn op elke leeftijd bevorderen, door gezondheid op te nemen in het intersectorale

beleid;

- instaan voor gelijke toegang tot de sociale en gezondheidsdiensten, meer bepaald tot langdurige

verzorging voor mensen van alle leeftijden;

- een toereikende financiering van de gezondheidszorg en de sociale diensten waarborgen voor mensen van

alle leeftijden;

- mensen de kans geven te kiezen voor hun gezondheid.

Gezondheid en voldoende bestaansmiddelen bepalen in belangrijke mate de levenskwaliteit. Toch heeft in

Vlaanderen ongeveer 1 op 5 65-plussers, ondanks een goede fysieke gezondheid, te kampen met psychische

problemen. Levenskwaliteit krijgt bij 65-plussers een score van 7,74 op een schaal van 10 11 .

Burgerbetrokkenheid en vrijwilligerswerk kunnen ook de levenskwaliteit en de fysieke en sociale

zelfredzaamheid van ouderen verhogen. De meeste senioren mogen dan wel zelfstandig in een eigen huis

wonen, vaak nemen hun fysieke en psychologische gezondheidsproblemen – de voornaamste risico’s voor een

vroegtijdige opname van ouderen in een instelling – toe wegens een gebrek aan sociaal contact.

Het Rode Kruis van België organiseert acties om isolement en eenzaamheid bij ouderen te bestrijden,

bijvoorbeeld Hestia (waarbij vrijwilligers ouderen thuis bezoeken), gemeenschapsactiviteiten en

groepsbijeenkomsten voor alleenstaande ouderen.

Op het vlak van psychisch welzijn worden beleidslijnen voor de bestrijding van oudermishandeling (zowel thuis

als in instellingen) uitgewerkt. Meldpunten voor mishandeling werden opgericht. Deze contactpunten bieden

sinds 2007 structureel steun ter zake in Vlaanderen: er werden 502 gevallen gemeld in 2008, 503 in 2009 en

499 in 2010. Zij zullen eveneens zorgen voor doorverwijzing naar gespecialiseerde hulp en de opvolging,

sensibilisatie en ontwikkeling van expertise.

Voorts worden ook beleidsmaatregelen op het gebied van gezondheidspromotie en preventie genomen, ook al

zijn zij niet specifiek op senioren gericht: kankerscreeningprogramma’s worden opgezet, en hoewel deze

programma’s deels verder reiken dan de in het MIPAA vastgelegde oudere bevolkingsgroep, betreffen zij toch

vooral deze categorie (borstkanker: vrouwen tussen 50 en 69 jaar – colorectale kanker: mannen en vrouwen

tussen 50 en 74 jaar). Door beide kankers in een beslissende fase vast te stellen streven deze

beleidsmaatregelen naar een lager sterftecijfer door een vroegtijdige curatieve behandeling en naar een

kwalitatieve en kwantitatieve verbetering van de gezonde levensjaren. Toch bleek het doel om in 2012 75% van

de vrouwen te laten deelnemen aan borstkankerscreening te hoog gegrepen in Vlaanderen 12 .

Tevens worden beleidsmaatregelen voor valpreventie bij ouderen uitgevoerd. Zij voorzien in een begeleiding

om ouderen thuis te laten blijven in de beste omstandigheden wat comfort en veiligheid betreft (bijv. valrisico).

Bepaalde projecten betreffen de medewerking van ergotherapeuten: zij geven advies voor aanpassingen aan

de woning en de inrichting en werken specifieke normen uit.

De federale Staat heeft een kaderprotocol voor 6 jaar (2005 – 2011) afgesloten met de Gemeenschappen en

Gewesten, het “protocol 3”. Dit protocol legt een aantal gemeenschappelijke doelstellingen voor ouderenzorg

vast, waarbij de verscheidenheid tussen Gemeenschappen en Gewesten niet uit het oog verloren wordt.

Daarom vermeldt het de extra financiële middelen die de federale Staat met het oog op enige soepelheid in het

gebruik als “RVT-equivalenten” ter beschikking stelt van de Gemeenschappen en Gewesten. De

oorspronkelijke programmatie voor rust- (en verzorgings-)tehuizen werd uitgebreid tot transmurale

structuren en thuiszorgondersteunende zorgvernieuwing.

Afhankelijk van hun noden konden de deelgebieden met een budget voor een bepaald aantal nieuwe RVTbedden

uiteraard nieuwe RVT-plaatsen ter beschikking stellen, maar ook ROB-bedden tot RVT-bedden

omvormen, centra voor dagverzorging of kortverblijf oprichten, en zorgvernieuwing financieren voor ouderen

die thuis willen blijven wonen.

11

Vanderleyden, L. (2011). Vlaamse ouderen in cijfers en letters. In: Van Leuven, N. & De Herdt, P. (eds.).Fundamentele

rechten van ouderen, Antwerpen: Intersentia.

12

Ryssaert, L. e.a. (2011). Gezondheid en zorg in Vlaanderen, Europees gekaderd. In: Noppe, J., Vanderleyden, L. & Callens

M. In: De Sociale Staat van Vlaanderen 2011. Brussel: Studiedienst van de Vlaamse Regering.

22


Bedoeling hiervan is onder andere het uitwerken van alternatieve projecten voor huisvesting in rustoorden, en

de coördinatie van zorg en zorgondersteuning voor afhankelijke ouderen (zelfs al vloeit het grootste deel van

de financiële middelen naar de sector voor institutionele zorg). In 2010 werden 67 vernieuwingszorgprojecten

geselecteerd (waarvan 47 in Vlaanderen, 11 in het Waals Gewest, 8 in Brussel en 1 in de Duitstalige

Gemeenschap). Deze projecten beogen diversificatie van het bestaande residentiële zorgaanbod door middel

van nieuwe thuiszorgondersteunende zorgvormen (bijvoorbeeld nachthotels voor zwakke senioren,

crisiscentra voor noodgevallen met de patiënt zelf of zijn mantelzorger), diversificatie en betere coördinatie

van het thuiszorgaanbod (psychosociale begeleiding en ondersteuning, ergotherapie aan huis, case

management, …) of alternatief wonen.

In Vlaanderen werden in 2002 nog andere gezondheidsdoelstellingen geformuleerd:

- Programma’s ter preventie van infectieziekten efficiënter maken. Vaccinatie moet niet alleen bij kinderen

veralgemeend worden; ook bij senioren wordt ingezet op programma’s die erop gericht zijn vaccinatie

tegen pneumokokken (hersenvliesontsteking, sinusitis, longontsteking, …) te promoten, gecombineerd met

een regelmatige controle van de gekregen vaccinaties (ook bij personen in een instelling);

- Het aantal dodelijke ongevallen in het wegverkeer en in de privésfeer doen dalen;

- Tegen 2015 de gezondheid verbeteren door het gebruik van tabak, alcohol en andere drugs terug te

dringen;

- Het aantal mensen met voldoende beweging, een gezond en evenwichtig eetpatroon en een gezond

gewicht, doen toenemen. In het plan “Voeding en beweging” zijn specifieke acties erop gericht de senioren

aan te zetten tot fysieke activiteit (beter bewegen en minder stilzitten) en gezond eten. Het plan wil tegen

2015 het aantal personen met voldoende beweging doen stijgen van 17 tot 27% bij de mannen en van 11 tot

21% bij de vrouwen. Op het vlak van zwaarlijvigheid wordt gestreefd naar een gezond gewicht bij 38,0% van

de mannelijke 60-plussers en bij 43,5% van de vrouwelijke 60-plussers. In samenwerking met de

seniorenverenigingen zullen informatie- en sensibiliseringscampagnes georganiseerd worden.

In 2007 ging het actieplan voor zelfmoordpreventie in Vlaanderen van start (met de bedoeling het aantal

zelfmoorden met 8% te doen verminderen ten opzichte van 2000). In 2011 wordt het actieplan beoordeeld en

hernieuwd. Bijzondere aandacht zal naar zelfmoorden bij ouderen gaan. Anderzijds hebben het Waals Gewest

en de FGC samen een reflectie opgestart over de zelfmoordproblematiek bij ouderen.

In het Waals Gewest voorziet het Decreet van 30 april 2009 betreffende de opvang en huisvesting van ouderen

in gezinsopvang. Deze specifieke bepalingen zullen vanaf 1 januari 2013 van kracht zijn. In afwachting werd

een toelage voor actie / onderzoek toegekend aan de Vereniging van de steden en gemeenten van Wallonië om

het sociale en fiscale statuut van de opvangpersonen en de opgevangen personen te verfijnen. Zij gaat gepaard

met een projectoproep voor het instellen van 5 begeleidingsdiensten voor het opdoen en opvolgen van

concrete ervaringen van gezinsopvang.

Na de proefperiode van dit project moeten de conclusies van de verschillende begeleidingsdiensten resulteren

in aanbevelingen. Op basis van deze aanbevelingen zal de “gezinsopvang” eventueel bijgeschaafd worden,

zodat deze met de jaren vorm krijgt en de kwaliteit van het dienstverleningsaanbod voor onze ouderen

verbeterd wordt. Sommige van de volgende maatregelen dragen hiertoe bij: thuiszorgdiensten, alternatieve

woonvormen (naast rusthuizen proberen wij serviceflats en gemeenschapshuizen op te richten (3 projecten

waarvoor de erkenningsprocedure aan de gang is)) of SEPAM (hulp aan mishandelde ouderen).

In Wallonië en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt sinds 1999 het concept van serviceflats (opvang in

specifieke woningen van ouderen die in zekere mate zelfstandig kunnen leven, maar die baat zouden hebben

bij bepaalde ter plaatse georganiseerde diensten) uitgewerkt. Serviceflats bevinden zich voornamelijk in

handen van de commerciële privésector en zijn helaas duur. Het Waals Gewest heeft dus initiatieven

uitgewerkt om serviceflats open te stellen voor een groter doelpubliek:

- een projectoproep voor de openbare en verenigingssector beoogt de financiering van 60% van de

infrastructuurkosten door het Gewest; de operatoren leggen een redelijke maandhuur vast opdat de

serviceflats toegankelijk zouden zijn voor personen met een bescheiden inkomen;

- of nog een voorontwerp van decreet voor het invoeren van “sociale serviceflats“, dit zijn etablissementen die

als sociale huisvesting opgericht worden, die daartoe gefinancierd worden en uitsluitend voor personen met

recht op dergelijke huisvesting toegankelijk zijn, maar met de bedoeling een serviceflat te maken met een

aanvullende toelage om te voldoen aan de specifieke woningsvereisten.

In Brussel legt het besluit van de GGC van december 2009 werkingsnormen op aan de serviceflats en

serviceflats in mede-eigendom (onder andere participatieraad).

23


De Brusselse Interministeriële Conferentie Sociale Zaken - Gezondheid werkt een dementieplan uit voor een

betere preventie, opsporing en behandeling, en ook een betere ondersteuning van de mantelzorgers

(eveneens in Vlaanderen: zie campagne “Vergeet dementie, onthou mens”).

Sinds 2009 werd in de GGC een platform opgericht dat zich bezighoudt met de vraag welke maatschappelijke

hulp geboden kan worden aan dementen en hun naasten. Er werd beslist een “dag van de dementie en

maatschappelijke hulp” te organiseren in juni 2012 na een eerste colloquium over dit thema.

In Vlaanderen heeft de Vlaamse Gemeenschap het “Woonzorgdecreet” aangenomen. Dit decreet trad in

januari 2010 in werking en regelt de inschrijving, erkenning en subsidiëring van de thuiszorgdiensten en

verzorgingstehuizen voor ouderen. De provisies voor thuiszorg, de centra voor dagopvang en kortverblijf

worden uitgebreid en opengesteld voor personen die niet in de instelling wonen, om met name de ouderen

blijvend kwaliteitsvolle verzorging te kunnen aanbieden.

24


8e verbintenis: een strategie integreren waarbij rekening gehouden wordt met de noden en specifieke

eigenschappen van mannen en vrouwen in een vergrijzende maatschappij. Om te voldoen aan deze verbintenis

moeten volgende doelstellingen bereikt worden:

- volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen instellen;

- volledige gelijkheid tussen mannen en vrouwen instellen op het vlak van hun bijdrage aan de economie;

- zorgen voor gelijke toegang tot de socialebeschermings- en socialezekerheidssystemen;

- de verdeling van de taken tussen mannen en vrouwen in het gezin aanmoedigen.

In België is elke vorm van discriminatie op basis van leeftijd, geslacht, handicap of etnische afstamming bij wet

verboden.

Mannen en vrouwen hebben identieke sociale rechten, inclusief pensioenrechten. Indien de rechten toch

zouden verschillen, dan is dit, op het vlak van pensioen, grotendeels te wijten aan het verschillende

loopbaanparcours van mannen en vrouwen. Om hier een mouw aan te passen, worden zorgverloven

gelijkgesteld met gewerkte periodes voor de berekening van de pensioenrechten van personen die hun

loopbaan onderbreken om voor een kind, een ziek (palliatief) of bejaard gezinslid te zorgen (doorgaans betreft

het vrouwen).

Université des femmes heeft haar opleidingskader in 2010-2011 gericht op “De zenuw van de oorlog … van de

geslachten Sociale verhoudingen en geld”. Meerdere vrouwenverenigingen of vrouwenafdelingen van

ziekenfondsen hebben campagne gevoerd rond mobiliteit en hebben de overheden ondervraagd over de

toegankelijkheid en beschikbaarheid van openbaar vervoer, meer bepaald in landelijke gebieden, en over de

veiligheid.

Verschillende praktijken, die sinds 2007 toegenomen zijn, bevorderen de mondigheid en bewustwording van

vooral verzwakte vrouwelijke 55-plussers. Het verspreiden van de resultaten en van hun inhoud maken

integraal deel uit van deze acties.

“Empowerment” als middel om oudere vrouwen vertrouwd te maken met de openbare vervoersmiddelen en

hen aan te zetten deze te gebruiken, moet aangemoedigd en versterkt worden. In het Brussels Gewest biedt

de vzw Garance verschillende opleidingsniveaus aan (voor het betrokken vrouwelijke doelpubliek of voor hun

animatoren) op verzoek van de gemeentelijke sociale diensten, rust- en verzorgingstehuizen en/of plaatselijke

verenigingen o.a. uit het immigrantenmilieu.

25


9e verbintenis: gezinnen helpen die zorgen voor ouderen en de solidariteit tussen generaties en binnen

eenzelfde generatie bevorderen. Om te voldoen aan deze verbintenis, moeten volgende doelstellingen bereikt

worden:

- voldoen aan de noden van alle gezinsleden, rekening houdend met de evolutie van de rollen;

- de solidariteit tussen de generaties en binnen eenzelfde generatie bevorderen.

De sociologische evolutie van de Westerse samenlevingen toont aan dat het gezin zich beperkt tot het

kerngezin: echtgeno(o)t(e) (partner) en kinderen. Uit een recente studie blijkt dat slechts 11% van de Belgen

bereid is hun ouders met een verminderde zelfredzaamheid te huisvesten, zelfs al zorgt 1 op 5 personen

tussen 18 en 85 jaar in Vlaanderen regelmatig voor een zieke, gehandicapte of oudere persoon (gezinslid,

buur, kennis) 13 . Ook tussen de generaties bestaat solidariteit: 1 op 4 personen tussen 55 en 64 jaar vangt

regelmatig kinderen op (doorgaans hun kleinkinderen).

De intergenerationele solidariteit komt tot uiting in wederzijdse hulp tussen de generaties. Ook zijn de taken

vaak lastig en worden ze nauwelijks gewaardeerd, toch wordt een ondersteunend beleid voor mantelzorgers

uitgestippeld opdat ouderen zo lang mogelijk thuis opgevangen kunnen worden, of naar huis kunnen

terugkeren. Daarom wordt in België nagedacht over een specifiek en erkend sociaal statuut voor

mantelzorgers.

Specifieke ondersteuning is voorzien: respijthulp door middel van bijv. “zorghotels”, opvang en nachtzorg. In

bepaalde gevallen is deze hulp evenwel beperkt in tijd of omvang en wordt deze achteraf geëvalueerd. De

bijstand bestaat in een begeleiding van de mantelzorger bij zijn taken.

De bijstand voor mantelzorgers van personen die aan Alzheimer of aanverwante ziekten leiden, geniet

bijzondere aandacht (ongeveer 2/3 van de patiënten worden thuis verzorgd door mantelzorgers, doorgaans de

echtgeno(o)t(e) en kinderen). Een van de 13 voorgestelde acties is de bijstand voor mantelzorgers als

essentiële actoren in de begeleiding. Deze bijstand kan de vorm aannemen van psychologische hulp, het

opstellen van een gids of het invoeren van een groene telefoon. Interessant is dat er bij senioren meer vraag is

naar hulp (die zij ook krijgen), maar dat er zich onder de 75-plussers meer verzorgers dan patiënten bevinden.

Specifieke initiatieven:

- Sinds 2010 ondersteunt de FGC, in het Brussels Gewest, een vernieuwend intergenerationeel woonproject

“Un toit deux âges” (www.1toit2ages.be). Bedoeling van dit initiatief is de intergenerationele huisvesting uit te

breiden door studenten onder te brengen bij senioren in ruil voor diensten of een bescheiden huur. Thans

beheert de vereniging 45 dergelijke woningen in het Brussels en het Waals Gewest.

In Vlaanderen:

- opleiding voor verzorgers om de woning te leren evalueren (moeilijke punten opsporen, ergonomie van de

zorgverlening analyseren en verbeteren) met de bedoeling thuiszorg aan te moedigen;

- het project “vertrouwensburen” in de plaatselijke gemeenschap (dorp) om de maatschappelijke

verwevenheid op het lokale vlak te versterken;

- het project “Buren voor buren”, dat tot doel heeft de activiteiten van de professionele gezondheidswerkers

en de vrijwilligers te coördineren opdat hoogbejaarde buren zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving

kunnen blijven;

- vorming en sensibilisatie van de vertegenwoordigers van de plaatselijke overheden om het vrijwilligerswerk

in de residentiële ouderenzorg te verbeteren;

- erkende verenigingen van mantelzorgers: hierbij kunnen mantelzorgers terecht.

13

Vanderleyden, L. en Moons, D. (2010). Informele zorg in Vlaanderen. SVR-rapport 2010/3, Brussel: Studiedienst van de

Vlaamse Regering.

26


10e verbintenis: de toepassing en opvolging van de strategie bevorderen door middel van regionale

samenwerking

Vergrijzing is voor alle landen een uitdaging, zelfs al is dat niet altijd op hetzelfde ogenblik of in dezelfde mate.

Processen die wederzijdse leren (goede praktijken, expertise, ...) tussen landen en regio’s mogelijk maken,

zijn bijgevolg belangrijk. De verschillende Belgische overheidsinstanties nemen dus actief deel aan de

internationale processen.

Zo zal België in 2012 het Bureau van de UNECE-werkgroep rond vergrijzing ontvangen.

In Vlaanderen is het “Vlaams Europees Verbindingsagentschap” (VLEVA) een belangrijke schakel in de

contacten tussen het Vlaamse regionale niveau en de Europese processen. Ook de ouderenraad beoogt

toegang tot dit verbindingsagentschap.

In 2009 heeft “Wallonie-Bruxelles International” met de Raad van Europa een internationaal colloquium in

Brussel georganiseerd om de vergrijzing van immigranten niet uit het oog te verliezen bij het vorm geven aan

het nationale beleid.

In de Franse Gemeenschap zijn verschillende verenigingen die ijveren voor intergenerationele dynamiek,

actief en regelmatig betrokken bij projecten en programma’s in het Europese netwerk.

- Zo is de vzw “Courants d’âges” actief in het EMIL-netwerk (European Map of Intergenerational Learning),

dat opgestart werd in 2008 en dat de uitwisseling van goede praktijken over ontmoetingen en leren tussen

generaties wil bevorderen.

- De vzw “Entr’âges” maakte deel uit van het project InCReaSe (Intercultural Creativity by Seniors), dat, op

basis van het netwerk age-culture.net, de partnerinstellingen/-verenigingen van 8 Europese landen

(Duitsland (2), Oostenrijk, België, Schotland, Spanje, Hongarije, Nederland en Portugal) gedurende twee

jaar (2008 - 2010) bijeenbracht.

- Tussen 2007 en 2009 sloten verschillende Europese landen (Duitsland, België, Spanje, Frankrijk,

Griekenland, Italië en Slovenië) zich aan bij HiStory, een project waarin senioren hun verhalen over

gebeurtenissen in de 20e eeuw konden uitwisselen. Voor Franstalig België houdt “Entr’âges” zich hiermee

bezig.

Overigens nemen vertegenwoordigers van intergenerationele verenigingen in België (personen-hulpkrachten)

incidenteel of regelmatig deel aan universitaire onderzoeks- of hogere opleidingseenheden in verschillende

Europese landen.

Op te merken valt tevens dat de betrokkenheid in Europese projecten stimulerend werkt: ook na het officiële

einde van de projecten worden de uitwisselingen in het netwerk in stand gehouden en kunnen zij aanleiding

geven tot nieuwe projecten voor uitwisseling van kennis en knowhow.

De samenwerking kan ook op lokale geografische schaal grensoverschrijdend zijn. Zo heeft de werkgroep

“Dienstverlening aan de bevolking” van Eurometropool, een samenwerkingsverband tussen de regio Nord-

Pas-de-Calais, de provincie West-Vlaanderen en Wallonië, zich toegelegd op de problematiek van de

vergrijzing.

Na het seminarie van 23 mei 2011 werden drie werkdomeinen vastgelegd:

1. De overheidsinstanties/belanghebbenden bijeenbrengen voor een regelmatig overleg over de definitie en

opvolging van de gemeenschappelijke grens- en regio-overschrijdende projecten;

2. De voorlichting over de verschillende opvang-, huisvestings- en thuiszorgstructuren vergemakkelijken,

inclusief de juridische gevolgen, de gevolgen op het vlak van sociale zekerheid, de fiscale en

administratieve gevolgen voor de mobiliteit;

3. Projecten over de opvangstructuren, de eventuele uitwerking ervan, goede praktijken, … uitwisselen en

uitwerken, …

27


Conclusies en toekomstige aandachtspunten

Het is de taak van de overheid om een beleidsomgeving te creëren die de burger de mogelijkheid geeft zich ten

volle te ontwikkelen, maar daarnaast ook, waar nodig, ondersteuning te bieden.

De overheid moet een gunstig economisch kader creëren; er moeten echter ook socialebeschermingsystemen

worden ontwikkelend die het welzijn van de bevolking garanderen.

Omdat de burger ook inspraak moeten hebben met betrekking tot zaken die hem aanbelangen, is het de taak

van de overheid te zorgen voor participatiekanalen, impulsen te geven, een kansrijk klimaat creëren, enz.

Dit mag de burger er echter niet van weerhouden zelf verantwoordelijkheid te nemen en in het bijzonder zo

lang mogelijk een zelfstandig leven te leiden.

Eerste verbintenis.

De bevoegde overheden:

- zullen oog hebben voor de positieve aspecten van de vergrijzing van de bevolking zoals de ontwikkeling van

spitstechnologie (o.m. in de chirurgie, domotica, communicatietechnologie, enz.). Dit houdt in: een oproep tot

sociale en technologische innovatie, uitbreiden van de sociaal-culturele sector, diversifiëren van het

vrijwilligerswerk, preventie inzake gezondheid, een oproep tot tewerkstelling in verschillende

dienstverleningssectoren, …);

- zullen inzien en onderstrepen dat elke maatregel die gunstig is voor een bepaalde groep begunstigden, dit in

feite ook is voor alle andere.

In Wallonië werden prioriteiten vastgelegd die te maken hebben met de evolutie van de behoeften op het vlak

van de thuiszorg en met het onderzoek, de verwachtingen en de financiering met betrekking tot de hulp voor

ouderen bij het dagelijkse leven. In Vlaanderen en Wallonië heeft de overheid bijkomende financiële middelen

voorzien om de mogelijkheden voor residentiële opvang verder uit te breiden. Wat de thuiszorg betreft, komt

er ook een verhoging van het aantal beschikbare uren verzorging.

De komende 12 maanden gaat de aandacht naar de lancering van het actieprogramma rond Alzheimer en

gerelateerde ziekten, de verhoging van het aantal prestaties zorg aan huis en, in het kader van de verhoging

van het thuiszorgaandeel, de verdere uitdieping en actualisering van het instrument voor de evaluatie van de

behoeften.

Tweede verbintenis

De bevoegde overheden zullen elke gelegenheid te baat nemen om in het publiek de aandacht te trekken op de

gunstige impact van (de activiteiten van) oudere bevolkingsgroepen op de gehele maatschappij.

Derde verbintenis

Wil de UNECE een eerlijke en duurzame economische groei ondersteunen, dan mag ze zich bij haar

beslissingen en engagementen niet laten leiden door een rampzalige logica die uitgaat van winst op korte

termijn.

In zijn niet-aflatend streven naar rechtvaardigheid en duurzaamheid, is het verenigings- en sociaal-culturele

leven een betrouwbare factor in het kader van de economische groei en de burgerlijke verantwoordelijkheid.

Daarom moeten de sectoren permanente vorming, gezondheid en hulp aan personen beschouwd worden als

instrumenten, als indicatoren en als actoren die bijdragen tot de economie, en niet alleen als passieve en dure

begunstigden van overheidstoelagen.

Vierde verbintenis

België beschikt over een sociale beschermingsregeling die ons land wat betreft de waarborg van ieders

rechten tot een van de beste in de EU maakt. In plaats van deze regeling te verzwakken streeft België ernaar

het levensvatbaar te houden in tijden van crisis. Daarom doen de beleidsmakers meer dan ooit een oproep aan

de sociaalpolitieke en economische verbeelding, wetende dat elke ernstige aantasting van ons ingenieus

28


systeem rampzalige gevolgen zou hebben voor de jongste generaties, zowel in de nabije als in de verdere

toekomst.

Om de levenskwaliteit van de mensen te verbeteren, is er absoluut nood aan een socialezekerheidsysteem dat

iedereen in gelijke mate toegang verschaft tot geneeskundige verzorging.

Vergrijzing is een opportuniteit, geen crisistoestand. Dit jaar moeten er acties in die zin worden opgestart die

kunnen worden opgenomen in het programma van het Europees Jaar van actief ouder worden en de

solidariteit tussen de generaties.

Vijfde verbintenis

In de overheidssector: maatregelen treffen (aanpassing van de werktijdregeling, aanpassing/verdeling van de

betrekkingen of taken, halftijds pensioen, …) om 50-plussers aan te moedigen een volledige loopbaan op te

bouwen daarbij gebruik makend van bijscholingsmogelijkheden en, binnen hun competenties en tegen

vergoeding, nieuwkomers op te leiden.

In de privésector: de (fiscale) incentives diversifiëren die werkgevers ertoe brengen 50-plussers in dienst te

nemen of te houden.

Zesde verbintenis

Hulpmiddelen voor toegang tot het hoger onderwijs (hogescholen of universiteiten) ontwikkelen voor de 60-

/70-plussers die (opnieuw) een opleiding willen volgen die afgestemd is op hun huidige projecten. Ook

bepaalde rollen en functies in het vrijwilligerswerk vergen gespecialiseerde vaardigheden, die direct of op

termijn nuttig kunnen zijn.

Zevende verbintenis

Leggen we de inhoud van deze verbintenis naast de definitie van de WGO (Ottawa), dan blijkt duidelijk dat

dergelijke verbintenis pas zinvol en efficiënt zal zijn indien zij gekoppeld wordt aan begeleidende maatregelen

op het vlak van milieu, transport, huisvesting, onderwijs, werkgelegenheid, sociale bescherming, …

Ongetwijfeld is deze verbintenis enkel houdbaar met een echt “mainstreamingbeleid”, m.a.w. een streng

beleid op het vlak van uitvoeringsbesluiten. In ieder geval veronderstelt zij een wettelijke erkenning en

bescherming van alle individuele, niet afgeleide rechten, dus een ingrijpende hervorming met de juiste

middelen.

Achtste verbintenis

Wij vinden het nuttig de aandacht te vestigen op eventuele ongewilde gevolgen van verschillende maatregelen

die een beter evenwicht tussen werk en privéleven beogen. Deze maatregelen worden als “geslachtsneutraal”

voorgesteld (bijv. deeltijds verlof om een zieke of naaste te verzorgen, palliatief verlof, …), maar vooral

vrouwen maken er gebruik van, waardoor zij geen of te weinig kans op promotie maken. Deze maatregelen

leiden dus tot een lager loon, en mogelijk ook een lager pensioen, waardoor ze discriminatie ten opzichte van

vrouwen versterken.

Tevens mogen de maatregelen voor een betere balans tussen werk en privéleven niet ten koste gaan van een

sociaal beleid dat voorziet in voldoende diensten voor gezinshulp en professionele zorg om gezinnen echt de

keuze te laten en de zorgtaak niet volledig te laten terechtkomen op de schouders van de gezinnen, meer

bepaald van de vrouwen, wat het geval zou zijn bij onvoldoende professionele dienstverlening.

Uiteraard is ook de wettelijke erkenning van de individuele rechten een bijzonder efficiënt beleid voor

vrouwen.

Negende verbintenis

Ingeval de overheden voor ouderen maatregelen (bijv. toegang tot thuiszorgdiensten, tijdelijke verkorting van

de werktijd zonder loonverlies, …) treffen om de solidariteit tussen gezinsleden te ondersteunen, dan moeten

deze toegankelijk zijn voor al wie door huwelijk, afstamming, een andere verwantschap in een of andere graad

of door een nieuwe samenstelling deel uitmaakt van eenzelfde gezin.

29


Tiende verbintenis

Zoals uit de gerealiseerde projecten blijkt, hebben de UNECE-lidstaten er alle belang bij de regionale

samenwerking op het vlak van goede praktijken te bevorderen opdat zij zich zouden kunnen uitbreiden en

vermenigvuldigen en zodoende hun geloofwaardigheid en hun impact binnen de regio kunnen verhogen.

30


Bijlage 2:

Het Vlaams ouderenbeleidsplan 2010 – 2014 14

De Vlaamse Regering wil in tijden van vergrijzing en verzilvering haar verantwoordelijkheid naar de groep van

oudere burgers opnemen. Dit uitgangspunt in het Vlaams Regeerakkoord en het decreet houdende de

stimulering van een inclusief Vlaams ouderenbeleid en de beleidsparticipatie van ouderen (30 april 2004),

vormen de basis van het Vlaams ouderenbeleidsplan voor de periode 2010-2014. Het plan past binnen het Pact

2020 waarin de Vlaamse Regering een warme samenleving wil tot stand brengen. Deze warme samenleving

moet resulteren in een hoge mate van sociale bescherming, in gelijke kansen, in een toegankelijk, betaalbaar

en kwaliteitsvol zorg- en dienstverleningsaanbod en in ruimte voor zelfontplooiing, ook voor de ouderen.

Het Vlaamse ouderenbeleid houdt rekening met het toenemende aantal zorgbehoevende ouderen, maar wil

zich hiertoe niet beperken. Het gaat uit van vertrouwen in de competenties van ouderen en van geloof in de

kracht van de ouder wordende mens. Het Vlaamse ouderenbeleidsplan 2010-2014 beoogt alle ouderen, wil

hun basisrechten borgen en maakt dit concreet via doelen en acties geordend volgens 8 algemene

beleidsdoelen:

1. Informatie, inspraak en participatie: Ouderen kunnen pas volwaardig aan de samenleving participeren

als ze voldoende geïnformeerd zijn. We ordenen de informatie en bieden ze op maat aan. We

stimuleren de participatie en inspraak van ouderen aan de besluitvormingsprocessen en verstevigen

zo het maatschappelijk draagvlak.

a. Een betere kennis en (zoveel mogelijk automatisch) toekennen van sociale rechten moet er

toe leiden dat ouderen beter op de hoogte zijn van de maatregelen die hun leven kunnen

verbeteren;

b. Publieke informatie dient voor iedereen verder leesbaar en verstaanbaar gemaakt. Het

actieplan leesbare en verstaanbare overheidsinformatie wordt uitgevoerd;

c. Participatie van ouderen in het Vlaams en lokaal beleid wordt bevorderd.

2. Armoede en sociale bescherming: : Om een waardig en onafhankelijk leven te leiden, is een minimum

aan financiële middelen noodzakelijk. In Vlaanderen leven te veel mensen in armoede, , onder hen heel

wat ouderen. Armoede leidt tot een lagere cultuurparticipatie, minder sociale contacten, een lagere

scholingsgraad, minder goede woonomstandigheden en uitstel van gezondheidszorgen. Vlaanderen

bestrijdt bestaansonzekerheid en armoede. We verruimen v

de sociale bescherming van de Vlamingen

zodat we hun grondrechten beter kunnen waarborgen.

a. Ouderen en stille armoede zijn vervat in het Vlaams actieplan armoedebestrijding.

b. De ‘armoedetoets’ wordt ontwikkeld als instrument om bij nieuwe decreten na te gaan of een

maatregel ook voor de zwakste doelgroepen in onze samenleving voldoende toegankelijk is.

c. Er komt een basisdecreet sociale bescherming met o.a.:

i. Behoud en indexatie van de zorgverzekering. Voor de zwaarst zorgbehoevenden komt

er een bijkomend forfait.

ii. Het principe van de maximumfactuur in de thuiszorg wordt ingevoerd.

iii. Een nieuw systeem van begrenzing van de kosten voor de residentiële

ouderenvoorzieningen wordt uitgewerkt.

iv. Een basishospitalisatieverzekering wordt uitgewerkt voor elke Vlaming.

d. Het aanbod aan woonzorgvoorzieningen moet meer ouderen in (stille) armoede bereiken (o.a.

gezinszorg, diensten maatschappelijk werk).

e. Ouderen die geconfronteerd worden met schulden, moeten terecht kunnen bij de

schuldbemiddelingsdiensten. De huidige organisatie van deze diensten wordt onderzocht met

het oog op het stimuleren van de kwaliteit en de mogelijke financieringspistes.

f. De thuislozenproblematiek in Vlaanderen en Brussel zal op een gestructureerde manier in

kaart gebracht worden. Een monitoringsysteem wordt ontwikkeld om het beschikbare aanbod

gerichter in te zetten.

3. Diversiteit en discriminatie: : De ouderengroep is geen homogene groep. Ouderen verschillen in

opvoeding, sociale achtergrond, seksuele geaardheid, religie, gezinssamenstelling, inkomen,

14

Het betreft een samenvatting. Het plan kan integraal geraadpleegd worden via de volgende website:

http://wvg.vlaanderen.be/welzijnengezondheid/ouderen/ouderenbeleidsplan.htm .

31


gezondheid, leefstijl... We staan open voor alle ouderen, stimuleren interculturalisering en bestrijden

discriminatie op grond van leeftijd, etnische afkomst, seksuele voorkeur of gender.

a. Discriminatie op grond van leeftijd wordt voorkomen en bestreden waarbij de Meldpunten

Discriminatie zich meer gaan toespitsen op ouderen (o.a. 2-jaarlijkse rapportage

leeftijdsdiscriminatie).

b. De impact van de leeftijdsgrens bij het aanbod voor personen met een handicap wordt

nagegaan en budgettair ingeschat;

c. Er worden acties opgezet die het zorgaanbod voor ouderen van etnisch-culturele

minderheden toegankelijker maken;

d. De aanpak ouderenmisbehandeling wordt geoptimaliseerd;

e. De Vlaams overheid stimuleert als voorbeeldwerkgever een open en respectvolle

arbeidsorganisatiecultuur met plaats voor ouderen (leeftijdsbewust personeelsbeleid).

4. Gezondheid, sport en welzijn: Zoals voor andere leeftijdsgroepen is gezondheid ook voor ouderen het

hoogste goed. Vlaanderen kiest voor het behoud van een autonoom en kwaliteitsvol leven en moedigt

een gezonde en sportieve leefstijl aan. Een passend, voldoende, op elkaar afgestemd en vernieuwend

zorgaanbod speelt in op lichamelijke, psychische en sociale noden. Hierbij wordt vertrokken van drie

uitgangspunten: 1. Zelfredzaamheid staat centraal; al; 2. Voorrang aan de meest kwetsbaren en zwaarst

zorgbehoevenden 3. Ondersteuning aan al wie zorg vraagt om zo lang mogelijk en zo zelfstandig

mogelijk in de vertrouwde thuisomgeving te blijven.

a. Bereiken van de gezondheidsdoelstellingen ‘Voeding en Beweging’ (o.a. stijging inname van

water, hogere inname van groenten en melkproducten, meer fysiek actief);

b. Seniorensport richt zich meer op ouderen (o.a. sensibilisatie, verhoging kennis van

sportaanbieders en begeleiders van seniorensport, projecten tot hogere sportparticipatie van

ouderen);

c. Preventie van infectieziekten en geneesmiddelengebruik (o.a. hogere vaccinatiestatus voor

griep, preventie ziekenhuisinfecties, vermindering overconsumptie van

geneesmiddelengebruik);

d. Voldoende, passend, op elkaar afgestemd en vernieuwend aanbod aan woonzorgvoorzieningen

(o.a. uitbreiding van de thuiszorg en thuiszorgondersteunende voorzieningen, verhoging

investeringkredieten voor residentiële ouderenzorgerkenning, realiseren van nieuwe

concepten zoals assistentiewoningen, …)

e. Uitdrukkelijk meer aandacht voor ouderen in het aanbod van geestelijke gezondheidszorg (o.a.

meer ouderenteams, ouderen erkend als doelgroep bij suïcidepreventie);

f. Gehandicaptenzorg met voldoende capaciteit die aangepast is aan de specifieke noden van

ouder wordende personen met een handicap;

g. Het Dementieplan Vlaanderen (2010-2014) omvat het totaalbeleid ten aanzien van personen

met dementie en hun omgeving.

5. Actief en productief ouder worden: : Ouderen zijn actief. Ze nemen allerlei rollen op en vervullen len op die

manier een belangrijke maatschappelijke functie. Vlaanderen wil het actief en productief ouder

worden bestendigen en stimuleren en zo de integratie in de samenleving en het welbevinden van

ouderen bevorderen;

a. Langer werken wordt gestimuleerd (o.a. door verhoging draagvlak voor leeftijdsbewust

personeelsbeleid, realisatie van minimaal 100 diversiteitsplannen Leeftijd & Werk, versterkte

begeleiding en loopbaanheroriëntatie voor 50+);

b. De rol van oudere ondernemers wordt meer onderkend en ondersteund;

c. Ouderen als mantelzorgers en vrijwilligers worden gevaloriseerd en meer ondersteund (o.a.

door specifieke regelgeving voor vrijwilligerswerk, betere subsidiëring voor erkende

organisaties met zorgvrijwilligers, betere omkadering voor de diensten voor oppashulp, ….).

6. Wonen en energie: : Naarmate mensen ouder worden, zijn ze in toenemende mate aangewezen op hun

directe leefomgeving, hun woning en de buurt waar ze wonen. Vlaanderen zorgt voor aanbod

aangepaste, betaalbare en duurzame woningen in een duurzame omgeving.

a. Actualisering van woonpremies en sociaal huurbesluit;

b. Stimulansen voor woningaanpassing;

c. De publieke ruimte wordt toegankelijker gemaakt;

d. Stedelijke kernen worden aantrekkelijker voor jong én oud;

e. Ook ouderen worden gestimuleerd tot het het nemen van energiebesparende maatregelen.

32


7. Mobiliteit, toegankelijkheid en veiligheid: : De mogelijkheid om je te verplaatsen is een noodzakelijke

voorwaarde om volwaardig te kunnen deelnemen aan het maatschappelijke leven. Vlaanderen maakt

daarom werk van een toegankelijke en veilige omgeving en bouwt de vervoersmogelijkheden voor

minder mobiele mensen uit.

a. Verbeteren van het vervoer van ouderen van en naar voorzieningen;

b. Verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid wordt bij ouderen verhoogd door campagnes en

educatieve projecten;

c. Het niet-dringend liggend ziekenvervoer wordt momenteel geëvalueerd en zal leiden tot

beleidsinitiatieven;

d. Inzetten op zorgtechnologie kan leiden tot verhoging van de veiligheid en mobiliteit van

zorgbehoevenden (cf. projecten Flanders Care, vermissingsprotocol personen met dementie,

…);

e. We verhogen de toegankelijkheid van voertuigen en haltes van De Lijn;

f. Er komen meer en betere fietspaden;

g. Aanpak 800 gevaarlijke verkeerspunten met aandacht voor de zwakke weggebruiker.

8. Cultuur, verenigingsleven, levenslang leren, toerisme en media: : Deelname aan cultuur en aan het

verenigingsleven zijn hefbomen voor deelname aan de samenleving. Onze samenleving verandert

snel. We investeren in levenslang en levensbreed leren nodig opdat ouderen kunnen bijblijven. We

moedigen de media aan om bij te dragen tot een genuanceerde beeldvorming over ouderen.

a. Erkenning en verdere ondersteuning van het verenigingsleven;

b. Maatregelen worden genomen om de participatie van ouderen in het cultuuraanbod te

verhogen;

c. Intergenerationele initiatieven in de cultuur- en gemeenschapscentra worden geëvalueerd en

gestimuleerd;

d. Culturele competenties bij ouderen wordt gestimuleerd;

e. Inzetten op levenslang leren voor ouderen met ondermeer het dichten van de digitale kloof

(o.a. via acties van lokale bibliotheken, specifieke seniorenprogrammering, drempels

wegwerken in het volwassenenonderwijs);

f. Verdere uitbouw van een toegankelijk reisaanbod voor ouderen en zorgbehoevenden;

g. Oprichting kenniscentrum mediawijsheid met o.a. aandacht voor ouderen;

h. De maatschappelijke return van de VRT moet centraal staan, ook voor ouderen.

33


Bijlage 3:

Ouderen

uderenbeleid in het Waals Gewest 2010-2014 2014 en

Waals actieprogramma voor de ziekte van Alzheimer en aanverwante ziekten

Eliane Tillieux, Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen

1. Ouderenbeleid in het Waals Gewest 2010-2014

2014

Ouderen zijn een uiterst belangrijke groep voor onze maatschappij. De langere levensverwachting, de

vergrijzing en het samenleven van vier of vijf generaties zullen de grote uitdagingen voor onze maatschappij in

de 21e eeuw zijn.

De aanwezigheid van steeds meer senioren is een rijkdom en biedt onze maatschappij de mogelijkheid te

veranderen, een ongekende kans om na te denken over de keuzes van onze maatschappij en deze zo te

formuleren dat alle generaties, ook de ouderen, erbij gebaat zijn en zich goed erbij voelen.

Pensioen is geenszins synoniem met inactiviteit. Senioren zijn actief op allerlei vlakken in onze maatschappij:

onderwijs, gezondheid, cultuur, verenigingsleven, huishoudelijke activiteiten. Zij beschikken over een unieke

ervaring en zijn, in die zin, essentieel om de jongeren hun kennis en raad over te dragen. Ouderen vervullen

een cruciale rol in de maatschappij.

Tijdens deze regeerperiode wil ik een ouderenbeleid uitstippelen dat op fundamentele waarden berust:

• nu en in de toekomst een centrale plaats voor de oudere bij beslissingen en levenskeuzen die

betrekking op hem hebben;

• respect voor de persoon in alle fasen van zijn leven;

• wil om de ouderen als een rijkdom en niet als een last te beschouwen;

• wil om de ouderen aan te moedigen volop deel te nemen aan het sociale, economische, politieke en

gezinsleven;

• erkenning en opwaardering van de rol van de ouderen in de maatschappij;

• wil om de wens in te willigen van al wie zo lang mogelijk thuis van een goede levenskwaliteit wil

genieten; voor deze prioriteit wordt een algemene doelstelling voor het behoud van een zo groot

mogelijke zelfredzaamheid geformuleerd;

• vindingrijkheid om ouderen tijdens hun levensloop te begeleiden door hun gevarieerde, soepele

oplossingen en een coherente en omkeerbare overgang tussen de voorgestelde oplossingen te

bieden.

Om vorm te geven aan een globaal, coherent en multifactorieel ouderenbeleid, hebben wij gekozen voor vier

aanvullende actiedomeinen:

• Het eerste actiedomein beoogt een geschikt kader voor een betere integratie van de ouderen in onze

maatschappij.

• In het tweede actiedomein wordt ernaar gestreefd wie dat wil, zo lang mogelijk en in de beste

omstandigheden thuis te laten blijven. Bijgevolg moeten zij gevarieerde, toegankelijke en

kwaliteitsvolle thuiszorg en -hulp tot hun beschikking krijgen wanneer zij wegens tijdelijke of

onomkeerbare problemen minder zelfredzaam beginnen te worden.

• Neemt hun zelfredzaamheid verder af en kunnen ze niet langer thuis blijven, dan moeten er – en dit is

het doel van het derde actiedomein – kwaliteitsvolle onthaal- en huisvestingsmogelijkheden geboden

worden.

• Het vierde actiedomein behelst gerichte acties op het vlak van aandoeningen of leeftijdsgebonden

problemen, zoals de ziekte van Alzheimer en andere aanverwante ziekten, ondervoeding of

oudermishandeling. Deze specifieke acties moeten logischerwijze in de lijn van de eerste drie

actiedomeinen liggen.

34


Elk actiedomein bestaat uit operationele doelstellingen, waarin gedefinieerd moet worden welke specifieke

acties ontwikkeld of uitgebreid moeten worden.

Actiedomein 1: voor het opwaarderen van de ouderen als essentiële actoren in onze maatschappij

Doelstelling 1: de actieve participatie patie van de ouderen aan onze maatschappij aanmoedigen en opwaarderen

In het dagelijkse leven vervullen ouderen meerdere rollen in onze maatschappij: gezinsondersteuning, oppas

voor de kleinkinderen, vrijwilligersactiviteiten, ... Dit moet op verschillende manieren aangemoedigd en

opgewaardeerd worden, bijvoorbeeld door:

• de vaardigheden van de ouderen te promoten via verschillende communicatiekanalen;

• de vrijwilligersactiviteiten aan te moedigen door gericht te informeren en te oriënteren;

• de deelname van ouderen in verschillende lokale structuren aan te moedigen, bijvoorbeeld door de

adviesraden voor ouderen te veralgemenen;

• te zorgen voor meer ontmoetingsplaatsen: gepensioneerdenclubs, gemeenschapshuizen,

intergenerationele ontmoetingsplaatsen, …

• onze ouderen aan te moedigen zich de elektronische informatie- en communicatiemogelijkheden

eigen te maken.

Doelstelling 2: de coördinatie en coherentie van de lokale initiatieven ondersteunen

Cruciaal element in deze algemene doelstelling – namelijk de ouderen de mogelijkheid bieden ten volle deel

te nemen aan het economische, sociale, politieke en gezinsleven – is de coördinatie en coherentie van de

concrete lokale initiatieven van de verenigingssector, de openbare sector en de plaatselijke politieke

overheden.

Bijgevolg willen wij de Waalse gemeenten voorstellen zich in te schrijven voor het project “leeftijdvriendelijke

stad/gemeente”, naar het WHO-model. De gemeente of stad in kwestie zou zodoende, met de steun van de

Regering, vrijwillig een vernieuwende aanpak kunnen ontwikkelen, met respect voor de autonomie van de

gemeente.

Doelstelling 3: intergenerationele initiatieven ondersteunen en ontwikkelen

Voor het eerst in de geschiedenis van onze maatschappijen leven drie, vier, soms zelfs vijf generaties samen.

Zelfs al is deze evolutie het gevolg van betere levensomstandigheden, toch lijkt het alsof de generatiekloof nog

nooit zo groot en de uitwisselingen nog nooit zo complex geweest zijn. Behalve het grote aantal generaties

speelt namelijk nog een fenomeen een rol: de diversiteit van de generaties. Meer dan ooit zijn de generaties

gekenmerkt door verschillende normen, cultuurpatronen, voorstellingen, waarden en ambities, die

samenhangen met de steeds snellere veranderingen in onze maatschappijen.

Bijgevolg moeten constructieve sociale banden tussen de generaties gestimuleerd, ontwikkeld en bevorderd

worden – constructief in die zin dat sociale banden een echte dynamiek van wederzijdse solidariteit tot stand

moeten brengen. Het gaat niet langer om hulp van de jongeren aan de ouderen, maar wel om wederzijdse

hulp, een opwaardering van de vaardigheden en bestaansmiddelen, de uitwisseling, aanvaarding en erkenning

van de verschillen.

Concreet komt het er met name op aan:

• te zorgen voor coherente, lokale of gewestelijke vernieuwende initiatieven, meer bepaald door

initiatieven zoals de “Intergenerationele Dag” te ondersteunen;

• initiatieven voor nieuwe intergenerationele woonvormen te helpen uitwerken;

• de dynamische solidariteit binnen gezinnen te steunen.

35


Doelstelling 4: de bepalende factoren voor de mobiliteit van ouderen beïnvloeden

Voor ouderen is mobiliteit een noodzakelijke voorwaarde om te kunnen deelnemen aan onze maatschappij.

Het is belangrijk te bepalen welke factoren bepalend zijn voor de mobiliteit en deze te beïnvloeden.

Een eerste doorslaggevende factor is de fysieke conditie van ouderen. Wij stellen voor de regelmatige

beoefening van fysieke, op ouderen afgestemde activiteiten aan te moedigen, met name door lokale en

gerichte initiatieven te ondersteunen. Naast de fysieke activiteiten moet beslist aandacht besteed worden aan

het evenwicht, om onder andere valincidenten – waarvan de vele negatieve consequenties gekend zijn

(invaliditeit, vroegtijdige opname in een instelling, wegglijden, …) – te voorkomen; er moeten initiatieven als

evenwichtscursussen georganiseerd worden zodat zo veel mogelijk ouderen bereikt kunnen worden.

Een tweede factor is de kwaliteit en aanpassing van de openbare zones; initiatieven voor veiligere en

aangenamere openbare zones zijn nodig: voetpaden in goede staat, veel openbare banken, vlot toegankelijke

culturele plaatsen, cafés en restaurants, …

Het aanbod van vervoermiddelen is een derde bepalende factor voor de mobiliteit van ouderen. Bijgevolg is het

belangrijk de aanpassing en uitbreiding van vervoermiddelen voor ouderen te steunen: afstemming van het

openbaar vervoer op de specifieke noden van de ouderen (frequentie van de bediening, haltes, traject,

toegankelijkheid van de vervoermiddelen voor personen met een handicap, halte op verzoek, bushokjes, beter

toegankelijke treden in de trein, onderhoud van de roltrappen in de metro’s, …), initiatieven als “taxi’s voor

ouderen”, …

Actiedomein 2: voor een beleid ter ondersteuning van een goede levenskwaliteit in de thuisomgeving

Doelstelling 5: de diensten voor gezins- en bejaardenhulp uitbreiden

De diensten voor gezins- en bejaardenhulp zijn essentieel voor ouderen. Thans worden in Wallonië jaarlijks

meer dan 6 miljoen uur dagelijkse hulp verleend. In deze sector wordt het volgende nagestreefd:

• door middel van voldoende financiële middelen de sector uitbreiden om gepast te antwoorden op de

toenemende noden van de ouderen;

Deze noden moeten geobjectiveerd kunnen worden: samen met het Waalse Waarnemingscentrum

inzake gezondheid zal een instrument uitgewerkt worden om de noden en de evolutie van de noden

van de rechthebbenden van dergelijke dienstverlening te kunnen beoordelen.

• de aangeboden diensten toegankelijk maken door het deel ten laste van de rechthebbende te

verlagen;

• de kwaliteit van de dienstverlening verhogen, door onder andere te voorzien in een continue opleiding

voor de professionele gezondheidswerkers en de informatisering van de diensten;

• de zichtbaarheid van deze sector vergroten opdat mogelijke rechthebbenden geïnformeerd worden

over de specifieke hulp waarop zij een beroep kunnen doen;

• de beroepen in de sector opwaarderen om mensen voor dit werk aan te trekken en de huidige

aanwervingsproblemen te verhelpen.

Doelstelling 6: de ontwikkeling van aanvullende hulp h

ondersteunen

Er moet dringend nagedacht worden over het ontwikkelen van diensten voor thuisopvang en respijtvormen

waarnaar steeds meer vraag is, voornamelijk om te voorzien in een actieve en deskundige aanwezigheid bij de

zwaarst zorgbehoevenden.

Een voorbeeld van aanvullende thuiszorg die zijn deugdelijkheid bewezen heeft, is biomonitoring. Met dit

systeem kan iemand in moeilijkheden snel zijn naaste omgeving of een professionele gezondheidswerker

waarschuwen. Gezien het belang en de exponentiële uitbreiding van deze diensten is het wenselijk de

werkingscriteria ervan vast te leggen en ervoor te zorgen dat ze voor iedereen toegankelijk zijn.

Doelstelling 7: de rol van de coördinatiecentra voor thuiszorg en -hulp versterken

36


De coördinatiecentra voor thuiszorg en -hulp vervullen een cruciale rol in het kader van het zo lang mogelijk

thuis blijven wonen: zij organiseren en coördineren de hulp van verschillende professionele

gezondheidswerkers wanneer dit nodig is, bijvoorbeeld wanneer iemand na een ziekenhuisopname weer naar

huis gaat.

Thans geldt een nieuw regelgevend kader en na een procedure in 2010 zullen nieuwe erkenningen verleend

worden. Vanaf 2011 zullen, naast het huidige aanzienlijke werk door de informatisering van de centra, grootse

inspanningen geleverd moeten worden om de zichtbaarheid van de coördinatiecentra te vergroten opdat al wie

in Wallonië problemen heeft, weet welke dienstverlening er bestaat.

Doelstelling 8: voor een platform ter ondersteuning van de zelfredzaamheid thuis

Thuis wonen veronderstelt dat het huis zo veilig mogelijk is en afgestemd op de problemen van de persoon. De

inrichting en beveiliging van het huis zijn bedoeld om valincidenten met ingrijpende medische en sociale

gevolgen te voorkomen, maar ook om personen die het als gevolg van een ziekte moeilijk hebben, te helpen

een zekere zelfredzaamheid te behouden. Voor doeltreffende aanpassingen moet een beroep gedaan worden

op professionele adviesorganen, maar tevens op hulp voor het uitvoeren van de aanbevolen aanpassingen.

Doelstelling 9: solidariteit en niet-professionele hulp aan ouderen opwaarderen en ondersteunen, en in het

bijzonder de mantelzorgers ondersteunen

Vaak geeft de omgeving van een oudere met een verminderde zelfredzaamheid de doorslag of hij al dan niet

thuis kan blijven wonen, vooral bij een groot verlies van zelfredzaamheid. Het is dus van essentieel belang dat

de mantelzorgers opgewaardeerd en ondersteund worden door middel van:

• de beoordeling en eventuele aanpassing van de specifieke hulp voor de mantelzorgers waarin het

nieuwe decretale kader voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp voorziet;

• toegang tot informatie over bestaande professionele hulp, meer bepaald via de coördinatiecentra voor

thuiszorg en -hulp;

• sociale en psychologische begeleiding in het kader van patiëntenverenigingen en sociale

dienstencentra;

• mogelijkheden om “op adem te komen” dankzij verschillende respijtvormen: thuisoppas, specifieke

initiatieven voor bepaalde aandoeningen, dagcentra, …

Actiedomein 3: voor een kwaliteitsvol beleid inzake het onthaal en de huisvesting van ouderen

Doelstelling 10: de ontwikkeling van de ROB- en RVT-sector verzekeren

Gezien de vergrijzing moet het aantal plaatsen in de ROB’s en RVT’s uitgebreid worden. Alleen al uit het aantal

80-plussers blijkt dat er tegen 2020 nood is aan minstens 6.000 extra plaatsen. Er moet dus opnieuw

onderhandeld worden over het moratorium op het aantal bedden en vastgelegd worden met welke parameters

rekening gehouden moet worden om een tijdschema op te stellen voor de uitbreiding van het aantal plaatsen

in de komende jaren.

Daarnaast moeten middelen vrijgemaakt worden om de ROB’s en RVT’s tegen 2015 in overeenstemming te

brengen. Deze noden stoelen op verschillende elementen:

• de algemene evolutie van de noden;

• de naleving van de gewestelijke en federale regels;

• de brandveiligheid;

• de evolutie van de vraag: steeds meer eenpersoonskamers met toilet;

• specifieke noden, bijv. van verwarde ouderen (met name Alzheimer);

• betere arbeidsomstandigheden van het personeel.

37


Om de ingrijpende aanpassingen voor het in overeenstemming brengen van de instellingen tegen 2015 te

kunnen uitvoeren, zullen minstens 250 miljoen € gewestelijke subsidies extra nodig zijn. Op 11 maart 2010

heeft de Waalse Regering 117 miljoen € vrijgemaakt voor deze doelstelling, een eerste cruciale stap.

Doelstelling 11: instaan voor de kwaliteitsontwikkeling van de ROB- en RVT-sector

Direct na de inwerkingtreding van het decreet van 30 april 2009 zal de kwaliteit van het huisvestingsaanbod

verder verbeterd worden:

• invoer van een label voor de ROB’s/RVT’s dat past in een leefproject voor de bewoners, waarbij de

kwaliteitsnormen inzake de noden van de bewoners nageleefd worden;

• hervorming van de inspectie: eenvormige werkwijzen, betere opleiding en begeleiding van de

inspecteurs, werk meer gericht op advies aan de instellingen waarbij het belang van de bewoners

centraal staat;

• waakzaamheid voor misbruik en vaak torenhoge tariefsupplementen voor nochtans fundamentele

noden.

Doelstelling 12: de voorgestelde alternatieven voor de ROB’s/RVT’s diversifiëren

Het aantal serviceflats, een kwaliteitsvol alternatief voor rustoorden, moet verder uitgebreid worden. Tegen

het einde van de regeerperiode moeten er 1.000 woningen ingericht zijn. Belangrijk is dat dit huisvestingstype

toegankelijk blijft voor de minstbedeelden.

Op 11 maart 2010 heeft de Waalse Regering beslist € 22.000.000 uit te trekken voor de alternatieve

financiering van medisch-sociale infrastructuren. Dit budget moet de bouw of inrichting van 500 nieuwe

woningen in serviceflats in de openbare en verenigingssector mogelijk maken.

In het kader van de laatste fase van de uitvoering van het protocol nr. 3 van 13 juni 2006 kunnen er 600 nieuwe

bedden voor kortverblijf gecreëerd worden.

Proefprojecten zullen georganiseerd worden om nieuwe alternatieven voor de ROB’s/RVT’s, zoals

gemeenschapshuizen, gezinsopvang en kangoeroewonen, uit te werken en te evalueren.

Actiedomein 4: voor concrete beleidslijnen rond aandoeningen of leeftijdsgebonden problemen

Doelstelling 13: een Waals actieprogramma voor de ziekte van Alzheimer en aanverwante ziekten uitwerken

In het licht van de vergrijzing zijn de verschillende vormen van dementie een van de grote uitdagingen voor de

komende decennia. Thans lijden naar schatting tussen 6,3% en 9,3% 65-plussers aan een bepaalde vorm van

dementie; voor Wallonië zijn dit tussen 35.782 en 52.822 personen. Voor 85-plussers loopt dit percentage op

tot 26,4%.

De Waalse Regering wil, in het raam van zijn bevoegdheden, een actieprogramma uitwerken voor het

ontwikkelen en intensiveren van oplossingen voor de personen die lijden aan deze aandoeningen en voor hun

omgeving, en zal zich hiervoor baseren op de aanbevelingen in de resolutie die het Waals Parlement ter zake

aangenomen heeft op 28 november 2008.

Dit programma, dat in samenspraak met de verschillende betrokken sectoren op het terrein ontworpen moet

worden, heeft tot doel gepaste antwoorden te vinden voor de verschillende stadia van de ziekte, meer bepaald

de getroffen personen en hun omgeving thuis te ondersteunen, de opleiding van professionele

gezondheidswerkers te verzekeren, respijtzorg te ontwikkelen, de oprichting van meer gespecialiseerde

eenheden voor de huisvesting van dergelijke bewoners in rustoorden en rust- en verzorgingstehuizen te

bevorderen.

Doelstelling 14: een strategie uitwerken voor het behoud van een aangepaste kwaliteitsvolle voeding en

ondervoeding van ouderen bestrijden

38


Thans is er ruimschoots bewijs voorhanden dat de voeding en voedingstoestand van ouderen wezenlijk

bijdragen tot gezond ouder worden. Door gevarieerd, evenwichtig en voldoende te eten, voornamelijk om in

hun energie- en eiwitbehoeften te voorzien, kunnen ouderen een goede gezondheidstoestand en een betere

levenskwaliteit behouden, of zelfs hun zelfredzaamheid verlengen.

Ondervoeding daarentegen, een wijdverbreid maar onderschat fenomeen, jaagt het ziekte- en sterftecijfer, het

risico op ziekenhuisopname en de kosten voor verzorging de hoogte in. Het is belangrijk zowel onze ouderen

als de professionele gezondheidswerkers bewust te maken van dit fenomeen, dat zo vroeg mogelijk aangepakt

moet worden om de vicieuze cirkel “ondervoeding – aandoening – ondervoeding” te voorkomen. Bijgevolg

moet een beleid ter zake uitgestippeld worden dat tot doel heeft:

• geschikte informatie over de voedingsbehoeften van ouderen en de evolutie ervan te verspreiden,

zowel onder de ouderen zelf als onder het thuiszorgpersoneel en de onthaal- en huisvestingsplaatsen;

• de voedingswaarde te verbeteren van thuis geleverde maaltijden of maaltijden in de onthaal- en

huisvestingsplaatsen;

• vernieuwende initiatieven te promoten: “finger food”, keukenateliers, …

Doelstelling 15: specifieke initiatieven promoten die streven naar een verbetering van de gezondheidsfactoren

die een invloed hebben op de levenskwaliteit en de zelfredzaamheid van de ouderen

Om te kunnen voldoen aan de gezondheidsbeleidslijnen op het federale en gemeenschapsniveau, is het van

belang dat Wallonië meehelpt de leeftijdsgebonden gezondheidsfactoren met een wezenlijke invloed op de

levenskwaliteit en zelfredzaamheid van ouderen te beïnvloeden, zoals:

• gezondheidsproblemen die leiden tot isolement, zoals doofheid of spreekproblemen;

• overmatig gebruik van geneesmiddelen, meer bepaald psychotrope geneesmiddelen, wat onder

andere het valrisico verhoogt;

• slechtere mond- en tandgezondheid van ouderen, bijvoorbeeld door initiatieven als tandartsen aan

huis aan te moedigen;

• leeftijdsgebonden depressie.

Doelstelling 16: ouderen

enmishandeling blijven bestrijden

Sinds 1 mei 2009 is er een erkend Waals agentschap, Respect Seniors, dat ouderenmishandeling bestrijdt.

Wallonië beschikt zodoende over een belangrijk instrument voor een coherente en overlegde aanpak van de

problematiek en voor het bereiken van de gemeenschappelijke doelstellingen van de verschillende antennes

op het volledige grondgebied van het Waalse Gewest, zoals het invoeren van één gratis telefoonnummer, de

organisatie van info- en bewustmakingscampagnes voor het grote publiek of de organisatie van opleidingen

voor professionele gezondheidswerkers op het terrein.

Nu moet de ontwikkeling ervan ondersteund en beoordeeld worden en, afhankelijk van hoe de context

evolueert, eventuele bijkomende opdrachten gedefinieerd worden.

2. Waals W

actieprogramma voor de ziekte van Alzheimer en aanverwante ziekten

Om een Waals programma voor 2011 en later te kunnen uitwerken, moeten actiedomeinen en doelstellingen

gedefinieerd worden die stoelen op een aantal principes waarmee de interventies verankerd en de coherentie

en deugdelijkheid ervan gewaarborgd kunnen worden. Het betreft de volgende principes:

de persoon in zijn geheel, zijn omgeving en zijn relatie met zijn mantelzorgers centraal stellen;

de personen en hun mantelzorgers het liefst bekijken als actoren met vat op hun leven;

het behoud van de zelfredzaamheid en de best mogelijke levenskwaliteit in elk stadium van de ziekte

bevorderen;

de verschillende aspecten van zorg aan de personen holistisch en ruim bekijken;

39


voorrang geven aan de acties die een persoonlijke afstemming op de bestaansmiddelen van de zieke

en zijn mantelzorgers en een persoonlijke afstemming op de verschillende stadia van de ziekte

mogelijk maken;

de acties waarbij de zorg- en hulpverstrekkers en de rechthebbenden van deze dienstverlening

respectvol met elkaar omgaan, bevorderen.

Uit te voeren actiedomeinen en doelstellingen

Actiedomein 1: zorgen voor meer inzicht en relevante aandacht voor deze aandoeningen in de maatschappij

• Doelstelling 1: 1 bij het grote publiek een genuanceerde en niet-karikaturale kijk op deze ziekten

promoten

• Doelstelling 2: het opzetten van lokale projecten bevorderen om de maatschappelijke verwevenheid op

het lokale vlak te versterken

Actiedomein 2: de levenskwaliteit van de zieken en hun omgeving in de verschillende stadia van de ziekte

verbeteren

• Doelstelling 3: 3 in elk stadium van de ziekte zorgen voor kwaliteitsvolle informatie voor de zieken en

hun mantelzorgers

• Doelstelling 4: 4 de mantelzorgers als essentiële actoren van de begeleiding ondersteunen

• Doelstelling 5: 5 zorgen voor aangepaste professionele thuiszorg

• Doelstelling 6: 6 een aangepaste opvang in de onthaal- en huisvestingsstructuren waarborgen

• Doelstelling 7: 7 het ziekenhuisnetwerk beter afstemmen op deze aandoeningen

• Doelstelling 8: 8 de zieken palliatief begeleiden

• Doelstelling 9: 9 continuïteit en coherentie in de interventies bevorderen

• Doelstelling 10: de specifieke opleiding van de professionele gezondheidswerkers uitwerken

• Doelstelling 11: aangepaste antwoorden voor subgroepen zoals jongeren uitwerken

Actiedomein 3: meer inzicht krijgen in de ziekte en de dynamiek op het gewestelijke niveau bevorderen

• Doelstelling 12: komen tot betrouwbare gegevens op het gewestelijke niveau

• Doelstelling 13: de handelingsgerichte onderzoeken naar de niet-medicamenteuze aspecten van deze

aandoeningen ondersteunen

Operationele doelstellingen d

voor 2011

Lancering van een projectoproep voor innoverende initiatieven voor niet-medicamenteuze behandeling van

zieken en hun mantelzorgers

In september 2011 organisatie van een Waals colloquium in Namen voor alle betrokken sectoren, met de

nadruk op de zieken en best practices voor een netwerk

40


Voorbereiding van de oprichting van een Alzheimercentrum Wallonië dat bepaalde opdrachten zal uitvoeren

die profijt zullen trekken uit de gewestelijke dimensie, meer bepaald:

1) voorlichting en bewustmaking van het grote publiek, inclusief een eerste voorlichting en oriëntatie

voor de personen die aan een aandoening lijden: groen nummer, bewustmakingscampagnes,

Alzheimerdag in Wallonië, …

2) vastleggen van de inhoud van de opleiding en organisatie van bijscholingscursussen

voor de

actoren op het terrein: ROB-/RVT-personeel, thuiszorgpersoneel, …

3) samen met het Waalse Waarnemingscentrum inzake gezondheid en de professionele

gezondheidswerkers op het terrein inzameling van gegevens om te kunnen kiezen welke

initiatieven uitgewerkt worden en om ze te kunnen beoordelen;

4) methodologische expertise en stuwende kracht voor vernieuwing, bijvoorbeeld: praktijken

verzamelen die hun deugdelijkheid bewezen hebben bij het heractiveren van Alzheimerpatiënten

in rustoorden; methodologische ondersteuning van de gemeenten die lokale projecten wensen uit

te werken; inzameling van gegevens over de specifieke noden van subgroepen zoals patiënten

jonger dan 60 jaar, …

5) overleg tussen de verschillende actoren op Waals grondgebied: wetenschappelijk comité,

vergaderingen over specifieke dimensies, …

41


Bijlage 4:

Bijdrage van de Franse Gemeenschapscommissie (COCOF)

• Wat betreft tewerkstelling bestaan er in de gereglementeerde non-profit sector (sociale sector,

gezondheid, gehandicaptenbeleid en sociaalprofessionele insluiting) van de FGC sinds 2001

maatregelen inzake werktijdvermindering en loopbaaneinde (36 uur/week vanaf de leeftijd van 45, 34

uur/week vanaf 50 jaar en 32 uur/week vanaf 55 jaar), waardoor men werknemers betere

arbeidsvoorwaarden kan bieden.

• Maatschappelijke participatie

Deze doelstelling staat centraal bij tal van voorzieningen waarvoor de FGC instaat, onder meer op het

vlak van permanente vorming. Verenigingen die intergenerationele activiteiten organiseren, worden in

dit kader ondersteund (bv. Courants d’âges)

Er staat een project in de steigers met betrekking tot ‘cre-actief’ ouder worden. Dit project heeft als

doel de artistieke creaties van ouderen in de kijker te plaatsen, met name tijdens kunstworkshops die

door de FGC worden georganiseerd.

In 2011 werd vrijwilligerswerk van ouderen ondersteund na een projectoproep in samenwerking met

Koning Boudewijnstichting. De projecten uitgevoerd in 2011 zullen worden geëvalueerd met het oog op

een eventuele voortzetting of bestendiging in 2012.

Op 15 juni 2012 (de dag van de oudermishandeling) organiseren we een colloquium over de

maatschappelijke participatie en in het bijzonder de uitoefening van de individuele rechten en het

beslissingsrecht bij afhankelijke hoogbejaarde personen.

• Zelfstandig wonen

Wat de mogelijkheid betreft om zelfstandig te wonen trachten we de ouderen verschillende

huisvestingsvormen aan te bieden. Alternatieven voor de traditionele huisvesting (rusthuizen of

serviceresidenties) worden aangemoedigd. Het gaat hier bv. om gemeenschappelijk wonen of

familieopvang

42


Bijlage 5:

Toekomstproject “sociale diensten hand in hand”: doelstellingen van de Duitstalige Gemeenschap

Een van de hoofddoelstellingen van het toekomstproject “Sociale Diensten hand in hand” bestaat erin het

netwerk van de sociale diensten die vandaag in de Duitstalige Gemeenschap (DG) bestaan, beter uit te bouwen.

Het kwalitatief hoogstaande aanbod van sociale diensten voor alle mogelijke levenssituaties, van de opvang

van jonge kinderen tot thuishulp voor ouderen, moet worden behouden en verbeterd. Dit vergt de uitwerking

van samenwerkingsverbanden en een betere organisatie. Het aantal aanspreekpunten voor personen die een

beroep willen doen op de verschillende diensten moet tot een minimum worden beperkt zodat alles

overzichtelijk blijft.

Er moet worden nagegaan of de overheidsdoelstellingen inzake gezondheidsbevordering en preventie nog

actueel zijn. De zwaartepunten ervan moeten worden gewogen en ze moeten op een efficiënte en coherente

manier worden uitgevoerd als onderdeel van een netwerk. Tevens moeten de bestaande methodes in de

verschillende organisatie gecontroleerd en eventueel aangepast worden. Bovendien dienen de methodes

regelmatig te worden geëvalueerd. Om de zwaartepunten bij de herstructurering te bepalen dient men uit te

gaan van de belangrijkste leeftijdsgroepen: kinderen en adolescenten, volwassenen, ouderen van de derde en

de vierde leeftijd.

Belangrijk is dat ook de doelgroep van de kansarme gezinnen wordt bereikt. Bovendien dient door het creëren

en waarborgen van een kwaliteitsvol aanbod afgestemd op de behoeften van de verschillende levensfasen, in

het bijzonder die van ouderen, een gepast antwoord te worden gevonden op de huidige maatschappelijke

ontwikkelingen. Daartoe moet informatie worden verstrekt en indien mogelijk ook de toegang tot dit aanbod

verzekerd worden, ook bij een wijziging van de levensomstandigheden en in het bijzonder van de

gezondheidstoestand van de rechthebbende. Daarenboven moet men het geografisch evenwicht bewaren en

private samenwerkingsverbanden de kans geven verstrekkingen aan te bieden. Gezien de toenemende

behoeften in de ouderenzorg is het tevens van belang in de DG nieuwe huisvestings- en begeleidingsvormen te

ontwikkelen.

Een voorbeeld van de manier waarop het dienstenaanbod in een netwerk wordt samengebracht, is de geriatrie

in ziekenhuizen, waarbij steeds meer aandacht geschonken wordt aan de koppeling van de therapie in het

ziekenhuis met de thuissituatie van de oudere en ambulante verzorgingsvormen. Daardoor worden de

dienstverlening in het ziekenhuis en de ondersteuning thuis op elkaar afgestemd. Het is dan ook belangrijk dat

er duidelijke en eenvoudige criteria worden vastgelegd voor de toegang tot de dienstverlening. Dit zou in het

bijzonder ook ten goede komen van ouderen in een toestand van afhankelijkheid.

De solidariteit van alle burgers in de DG, en in het bijzonder de familieleden van zorgbehoevende personen, is

zeer belangrijk voor de intergenerationele cohesie. In die optiek moet onderzocht worden hoe familieleden die

zich intensief inzetten voor de verzorging van ouderen, ondersteund kunnen worden.

Om deze doelstellingen in de DG te kunnen verwezenlijken zal een totaalconcept worden uitgewerkt, waarbij

rekening zal worden gehouden zowel met de actuele gerontologische kennis als met het oogpunt van de

ouderen zelf, hun familie, de professionele hulpverleners en de vrijwilligers van de diensten en organisaties,

de beleidsmakers en het administratief personeel van de DG en de gemeenten. Eerst zal de bestaande situatie

worden onderzocht zodat er een planning kan worden opgesteld en de nodige dienstverlening en

infrastructuurprojecten systematisch kunnen worden ingevoerd. In een tweede fase zal vervolgens door

middel van een doelgroepenanalyse worden nagegaan hoe de demografische spreiding van ouderen in de DG

en de verwachte demografische evolutie eruit zien.

Deze twee fasen moeten het mogelijk maken te bepalen welke organisatorische maatregelen nodig zijn op de

volgende actieterreinen: leefomgeving, levenswijze, advies en informatie, maatschappelijke participatie,

maatschappelijk engagement, gezondheid en verzorging, ondersteuning van familieleden die verzorging

verstrekken, voorstellen voor specifieke doelgroepen, samenwerkings- en netwerkstructuren.

43

More magazines by this user
Similar magazines