Download het document

dod.eldoc.ub.rug.nl

Download het document

Jo , 102

cr

dl 1,

111111111~i[lllmmml ~~I~mlïmll~11111111

0272 7861


HERZIENING

VAN HET

WETBOEK V AN STRAFRECHT

DEEL II

Ontwerp van Wet tot WIJZIgmg en aan vulling van

het Wetboek van Strafrecht

MEMORIE VAN TOELICHTING

(van Zijne Excellentie den Minister van Justitie MI' .. 1. A. LOJi;FF)

's-Gn A VENHAGE

BOEIOl. Ylr. GRER. ERUNFANTR

='1904=


HERZIENING

'L\X I LE'f

WETBOEK V iN STRAFRECHT

DEEL II

Ontwerp van Wet tot WIJZIgmg en aanvulling van

het Wetboek van Strafrecht

MEMORIE VA N TOE LICHTING

(van Zijne Excellentie den Minister yau Justitie lUr. J. A, LOEFF)

BOEKH. VH. m~BR.

= H J0 4 =

BELINF ANTE


Gedrukt bij F. J. BELINFANTE,

.

voorh. : A. D. SCHINKEL

~ ...


VOORWOORD

In,·' aansluiting aan om:e uitgayen van de Ontwerpen-StaatscommisRie

van een 'Vethoek "an l:-\trafrecht (1875), van de Regeeringsontwerpen

van genoemd 'iVetboek, benevens van de Handelingen

daaromtrent in cle Beide KamerR der Staten-Generaal (1879-1886),

eindel~ik

van die der Olm-angrijke herziening daarvan onclemomen

door den toenmaligen Minister van .Justitie Mr, COR'i' VAN DJj;l~

LINDEN

(HlOO), geyen w~i thanR Ül deze afzonderlijke lutgaaf het Ontwerp tot '

aannllling en w~iziging van het 'Wetboek, met memorie yan toelichting

("an Z. Exc. Mr, LOK!;']') , om de kennisneming van dezen

helangr~jkell wetge"enclen arbeid te vergemakkel~jken.

Het is eveneenc; oni" voornemen het verhandelde in de Staten­

Generaal over dit Ontwerp volledig en onmiddellijk, naarmate de

behandeling vordert, in clenzelfden '\01'111 in het licht te geven.

Ook in dit rleel ic;, waar elit nooelig scheen, ten gerieve van de

bezitters van boyengenoemcle uitgaven, daarnaar in elit werk verwezen.

'R -(+RAY]~ Nl:TAGl":, October Hl04.

DE UITGEVJiJRS


INHOUD

Koninklijke Boodschap_ .. . . ...............

Ontwerp van Wet _ . _ . _ _

Hoofdstuk I. (Eerste Boek)

I)

»

Ir. (Tweede Boek)

UI. (Derde Boek)

Memorie van Toelichting'. . . _

Hoofdstuk L (Eerste Boek)

» U. (Tweede Boek)

»

lIL (Derde Boek)

3

3

-16

33

39

40

8(5

. '113


KONINKLIJKE BOODSCHAP

MIJNE HEEHEN!

",Vij bieden U hiernevens ter overweging aan een ontwerp van

wet tot wijziging en aanvulling van het vVetboek van Strafrecht.

De toelichtende memO'rie, die het wetsontweJ.1p vergezelt, bevat

de gronden waarop het rus>t.

En hiermede, Mijne Heeren, bevden ",Vij U in Godes heilige

be-scherming.

Het Loo, d!:'n 19 September 1904.

WILHELMIN .A..

Aan

de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Herziening Wetb. Straf]". Il.


ONTWERP VAN WET

WIJ WILHELMINA, bij de gmtie Gods, Koningin de' Nederlanden,

Prinses van Oranje· Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te

weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk

is eenig'e wijziging\en aan te brengen in hl"t. Wetboek van Strafrecht

en dat Wetboek op sommige lmnten aan te vullen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen

oyerleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan,

gelijk Wij goedvinden en ven


4

Artikel 3.

In a1,tikel 5, 1°, wordt in plaats v-an ,,237" gelezen: ,,237, 278bis."

Artikel 4.

Het slot van a1,tikel 7 word t gelezen als volgt:

"Rchuldig maken:

1 0 . aan een der Rtrafbill'e feiten omsehrevf>u in Titel XXIX van

het Tweede Boek en Titel IX van het Denle Boek;

2°. aan valschheid in scheepsverklaringen."

In TITEL Il.

(Straffen.)

Artikel 5.

In a;l'tikel 9, b, worden de nommerH 3 pn 4 gp]f>zen al. v-olgt:

,,3°. yerbelU'dverklaring yan bepaalde yoorwerpen of yan derzeher

waarde;

4°. openbaarmaking van de l'lf'chte-rlijke uitspraak op kosten van

den veroordeelde."

Artikel 6 •

.A1,tikel 10 wordt. gelezen als volgt:

"De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk.

De dum der t.ijdelijke gevangenisstraf is ten minste een dag. Hij

kan in geen ge,al den tijd van twintig jaren te boven ga.'Ul."

Artikel 7.

Na artikel 10 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

".A1,tikel lOb is.

Door het hoofd van het Departement van Justitie kan in buitengewone

geva]len aan hem die tijdelijke geyangenisstTaf ondergaat,

worden vergund tijdelijk het gesticht, wam'in hij is opgenomen, te

verlaten.

Indien dientengevolge de afwezigheid van den gevangene een

etmaal of langer duurt, wordt die straf geacht te zijn onderbroken

met den duur der afwezigheid.

Bij het vel'leenen van deze vergunning geeft het hoofd van genoemd

Departement de noodige voorschriften ten einde de afwezigheid aan

het daarmede beoogde doel beantwoorde en dit niet overschrijde en


5

tel' ye;r\oleke,ring van den t~idigen temg'keer van den geYlUlgpne in

h('t gesticht, alles oyereenkomstig' de regelen te stellen bij algemeenen

ml.Uttreg'f'l van bestllUr tel' uitvoering van dit mtikel."

Artikel 8.

K a artikel 10bis wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

"Artikel 1üte1'.

Bij veroordeeling tot lewnslange gevangenisstraf kunnen daarne\l,'llS

geene andere , haften worden opgelegd dan ontzetting nUl

bepaalde rechten, yel'beul'dverklaring van reeds in beslag genomen

voorwerpen en olwnbaannaking vau d~ rechterlijke uitspraak."

Artikel 9.

Artikel 11 wordt gelezen als volgt:

"Gevangenisstra.f va.n vijf jaren of minder wordt geheel in afzundering

ondergaan.

Gevangenisstraf van langeren dulU> en meerdere onmiddellijk na

elkander ten uitvoer gelegde gevangenisstraffen, welker gezamenlijke

dUlU> meer dan vijf jaren bedraagt, worden alleen gedmende de eerste

yijf jaren in afzondering- ondergaan, tenzij het hoofd van het Departement

van Justitie, op verzoek yan den ve,roordeelde, hem vergunt

ook den wrderen duur geheel of ten deele in afzondering door te

brengen.

De afzondering' van tot geyangenisstraf veroordeelden kan, overeenkomstig

de yool'Hcbriften ter uitvoering van artikel 2:2 gegeven,

gedeeltelijk ,,·orden opg('Jheven."

Artikel 10.

A."tikel 13 wordt gelezen als volgt :

"DE' tot gevangenisstraf veroordeelden, zoowel Uie hunne straf in

afzondering als die ham' in gemeenschap ondergaan, kunnen worden

verdeeld in klassen."

Artikel 11.

Na artikel 14 worden de v~jf

volgenG.e artikelen ingevoegd:

"A1,tikel 14bis.

Rij "el'oordeeliIlg wegem! misdrijf of wegens eene b~i het ,Vetboek

"all Nh'atrecht 'of eenig'(' anderel wet f\trafbaar gestelde overtrediug,

lllet uitzondering yan Je overtredingen bedoeld bij de artikelen 4;3~

en 43a yan voormeld wetboek, yan een persoon, die vóór het. begaan

van het :feit den leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, tot geyuu-


6

geni 'strar or hechtenis van zes maanden or miuder, kan de rechter,

indien hij daaI'toe termen vindt in den persoon van den veroordeelde

in verband met den aard van het reit en de omstandigheden waaronder

het werd gepleegd, bepalen, dat die st.rar niet zal worden ten

uitvoer gelegd, tenzij à:f wel de veroordeelde billllen een dool' den

rechter in de veroordeelende uitspraak te stellen termijn, voor mi -

chijven van ten minste twee en ten hoog te vijr jaren en voor overtredingen

van ten minste zes maanden en ten hoogste een j aar na

den dag, waarop die uitspraak onherroepelijk zal zijn geworden,

opnieuw bij onherroepelijke uitspraak weg-ens een gelijkso'ortig strarhaar

reit. is veroordeeld, Of wel de rechter die tenuitvoerlegging

binnen dien termijn nader mocht bevelen op gTond, dat de veroordeelde

zich lecht gedraagt.

A1,tikel 14tel'.

Indien binnen den in het vorige artikel bedoelden, in de veroordeelende

uit praak gestelden, termijn de overeenkomstig dat ru,tikel

veroordeelde opnieuw wegens een gelijksoortig straÎbaar reit onherroepelijk

i veroordeeld or zich slecht gedraagt, is de officier van

ju titie van het arrondissement waarin hij zich bevindt verplicht,

daarvan onverwijld kennis te geven aan den ambtenaar van het

openbaru' ministerie b~i het college or het kantongerecht, dat de niet

tenuitvoergelegde strar heeft opgelegd.

Gelijksoortig z~jn twee traÎbaI'e reiten indien zij beide zijn genoemd

in hetzelId€'r artikel van Titel XXXI van het 'l'weede Boek,

or beide zijn omscl1l'even in een van de in hetzelIde artikel van dien

Titel vermelde artikelen or in het.zelIde artikel yan het Derde Boek.

Artikel 14quatel'.

Dool' den ambtpuaar yau het openbaru' ministerie bij het college

or het kantongerecht dat de. niet tenuitvoerg'elegde straf heeft opg-elegd,

wordt de7.p tenuitvoergelegd, zoo poedig mogelijk nadat h~i,

hetzij uit eigen hoorde, hetzij ingevolge het vorige artikel, kennis

heeft bekomen van eene veroordeeling als in artikel 14tel' is omschreven.

Deze tenuitvoerlegging kan niet meer geschieden indien inmiddels

de ingevolge artikel 14bis gestelde termijn :LS verstreken.

A1'tikel 14qll1'nqnies,

Door den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het college

or het kantong'erecht, dat de niet tennitvoergelegde , trar heert opg'elegd,

die, hetr.ij uit eigen hoorde, hetzij ingevolge artikel 14tel',

kennis heeft bekomen van de omstandigheid, dat de veroordeelde

zich slecht g-ech'aagt, wordt, indien de ing'i}volge aI,tikel 14bis

gefltelde termijn al dan nog' niet is verfli:rpken, binnen zes dagf'n de

heslissing' gevraagd yan dat college or kantong'eI'echt or de opgelegde

straf zal wordf'n ten uitvoer gelegd,

Dezelfde ruubtenaUJ: is bevoegd, zoolang de iilgevolge artikel14bi~


7

gestelde termijn niet is yprstreken en het college nog geene bc.,;lissing

heeft gegeven of de opgelegde straf zal worden ten uitvoer geleg"(l,

de voorloopige aanhouding te bevelen ,an den veroordeelde ter zake

van eenig andeJ.> mi. w'ijf dan het bij art.ikel 314 strafbaaJ.' gestelde,

Dit bevel tot voorloopige aanhouding blijft van kracht totdat de

rechter zal hebben besli t of de opgelegde straf zal worden ten uitvoer

p.'elegd of totdat vóór die besli. sing de ingevolge artikel 14bis

gestelde termijn mocht verstrijken.

Artikel 14se,vies,

De rechter geeft z~ine overeenkomstig het yorige aJ.,tikel geHaagde

beslissing, indien de veroordeelde overeenkomstig het tweede lid nn

dat artikel is aangehouden en zich niet te,em uit anderen hoofde

in verzE'keTde bewaJ.'ing bevindt, binnen acht dag'en nadat zij is

gevraagd en ander. binnen eene maand daarna"

Beveelt de rechter dat de opgelegde straf zal worden ten uih'oer

geleg'd, dan geschiedt die tenuitvoerlegg'Ïng zoodra mogelijk. Be~list

de rechter in teg'enovE'rgestelden zin dan beveelt hij, indien de Yel'­

oordeelde is aangehouden, zijne onmiddellijke invrijheid telling ten

waJ.'e hij uit anderen hoofde in verzekerde bewaJ.'ing behoort

te blijven,

De tenuitvoerlegging kan niet meer worden bevolen indien inmiddels

de ingevolge artikel 14bis gestelde termijn is verstreken,

De tijd, door dE'n veroordeelde ingevolge het bevel tot voorloopige

aUllllOuding vóór dE' telluitvoerlE'gging' in veJ.'zekerde bewaring doorgebracht,

wordt bij die tenuitvoerlegg'ing in mindering gebracht,"

~lJ'tikel

Artikel 12.

15, eel'ste lid, wordt gelezen als volgt:

,,])e veroordeelde tot gevangenisstraf van ten minste één jaar kan,

wanneer hij ten minste drie yierden van zijn straf heeft ondergaan,

voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld, "

Artikel 13.

A1'tikel 15, derde lid, wordt gelezen als volgt:

"De t.ijd, verloopen tu chen de invrijheidstelling: en de verdere

uitvoeI'Ïng der straf teng'E'volge ,an het besluit ,an herroeping,

wordt niet in rekening gebracht op den duur der straf."

Artikel 14.

A I'tikel 1 G, derde lid, wordt gelezen al, volgt:

"Volgt daarna de hE'noeping, dan 'wordt de vel'dere uitYOerillg

yun de straf g"eüeht te zijn aangeva.ngen op den dag del' aanhouding."


8

Artikel 15.

AI·tikel 18 wordt gelezen als volg-t:

"De duur del' hechtenis is ten minste een dag. Hij kan in geen

geval den tijd van een jaar en vier maanden te boven gaa,n."

Artikel 16.

N a artikel 18 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

"A 1·tikel 18bis.

Artikell0bis is van toepassing op gevangenen die hechtenis onderg'aan,

vervangende en praeventieye hechtenis hieronder begrepen."

Artikel 17.

N a artikel 20 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

"Art1'kel 20bis.

In de gevallen van herhaling, omschreven in het Derde Boek,

kan de tot hechteni veroordeelde krachtens in het vonnis uitgedrukt

bevel van den rechter worden onderworpen aan de bepaling'

van m-tikel 14."

Artikel 18.

In aJ·tikel 22, tweede lid, wordt in plaat~ "all de woorden: "dp


waarbinnen de betaling zal geschieden. Deze termijn zal in geen

geyal den tijd van zes maanden te boven gaan.

De rechter kan bij zijne uitspraak tevens bepal,en, dat de boete

bij gedeelten, binnen door hem vast te stellen termijnen, gezamenlijk

niet den tijd van zes maanden te boven gaande, zal moeten worden

betaald, onverminderd de bevoegdheid te allen tijde tot betaling' van

de geheele boete,"

.Artikel 21.

Na artikel 23 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

"A. rtikel 23bis.

Bij gebreke van betaling billJ1Jen den termijn in het tweede of

binnen een der termijnen in het derde lid van het vorige artikel

bedoeld, de. earste gerekend van den dag waarop de rechterlijke

uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, wordt de boete vervangen

door hechtenis, en ten aanzien van een minderjarigen persoon, die

den leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, door plaatsing

in eene tuchtschool.

De duur der vel 'vangende hechteni,' is ten minste een dag' en ten

hoogste acht maanden en wordt oWTig'ens bij de l'echterlijke uitspraak

in dier voege bepaald, dat niet meel' dan een dag voor eIken

halven gulden der opgelegde boete in de plaat.s treedt.

De dmu' der plaatsing in eene tuchtschool ter v~rvanging van

geldboete is ten minste eene week en ten hoog'flte eene maand en

,.... ordt overigens bij de rechterlijke uitspraak bepaald."

.Artikel 22.

Artikel 24, derde lid, wordt gelezen als YOlgt:

"De betaling ,an een gedeelte der boete, hetzij vóór de uityoering'

der hechtenis of der plaatsing in eene tuchtschool, hetzij nadat

deze is aangevangen, bevriidt van een evenredig gedeelte der 'l"el).'­

yangende straf; dit gedeelte fltaat in dezelfde verhouding tot den

g1('heelen duur dier straf al het betaalde gedeelte der boete staat

tot de geheele boete,"

.Artikel 23.

Na :lliikel 24 wordt een nieuw M,tikel ingeyoegd, luidende:

"A /·f del 24bis.

YOOI' het geval, dat d{' veroordeelde vervangende hechtenis onde;rgaat,

kan de rechter de bepaling, bij artikel 20bis tel' zake van

herhaling' gemaakt, toepasselijk ve'l.'klaren, tenzij hij van oordeel i,s,

dat de veroordeelde niet in staat is de boete te betalen,"


10

Artikel 24.

In: a1'tdcel 25 vervallen de womuen: "ter vervangmg van de

boete."

Artikel 25.

Aan aJ,tikel 26 wordt een tweede lid toegevoegd, luidende:

"Zij worden voor dengene, die tijdens de uitspraak van het veroordeele.nd

4:'indvonnis in eersten aanleg voorloopig' in verzekerde

bewa,ring' is· en da.a.rin blijft tot dat dit vonnis ,onhenoepelijk is

g'ewoil.'{len, gerekend in te gaan op den dag dier uitspraak."

~an

Artikel 26.

artikel 26 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:

"De tijd op transport naar de gevangenis doorgebracht wordt niet

in ' den dmu' der straI beg,;repen, tenzij dit transport geschiedt uit

de koloniën OI bezittingen in andere werelddeelen naar het rijk in

Europa."

Artikel 27.

Aan a1,tikel 26 wOcl'dt een vierde lid toegevoegd, luidende:

"Bij ontvluchting van een veroordeelde uit het gesticht OI de

imichting waal"În hij zijn st.ra.Ï ondergaat, wordt de tijd daarbuiten

doorgebracht niet in den duur der straf begrepen."

Artikel 28.

De aanhe'I va.ll a1,tikel 27, eerste l1'd, wordt gelezen als volgt:

"Bij de rechterlijke lutspl'aak kan wordell bepaald dat de tijd,

door den veroQrdeelde vóór die uitspraak voorloopig " enz.

Artikel 29.

,

Aan het slot van a1,tikel 27,tweede lid, w01'den de volgende WOO1'­

den toegevoegd:

"OI bevonden heeft."

Artikel 30.

Aan het slot van artikel 27tC1' wordt een komma gl'plaa,tst Cll

wO'l'dell de volS'ende woorden toegevoegd:

"alsmede de bepalingen yan artikel lObiö, ook op ·de vel'vans'end~

plaatsing in eelle tLlChtschool."


11

ÄI'tikel 31.

A I'tikel 28 wordt gelezen aIR volgt:

"Die l'echten waarvan de ,schuldige, in de bij de wet bel)aalde

gevallen, bij rechterlijke uitspra,ak kan worden ontzet, zijn:

1°. het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden ;

2°. het recht om te dienen bij de gewapende macht;

3°. het bij wettelijk vO


]2

werpen niet worden uitgeleyenl of hunne geschatte waarde niet

wordt betaald, hetzij de verbem'dverklaarde en geschatte waarde yan

voorwerpen, die den chuldige hadden toebehoord, niet wordt bet.aald,

wordt de verbemdverklaring vervang-en dool' hechtenis en ten aanzien

van een minderjarigen persoon, die den leeftijd van achttien

jaren nog niet heeft bereikt, door plaat 'ing in eene tuchtschool."

Artikel 37.

Artikel 34. vool"laatste lid, wordt gelezen als ,olgt:

"Op deze hechtenis zijn artikel 24, artikel 24bis, tenzij de rechter

van oordeel is dat de veroordeelde niet in staat is de voorwerpen

uit te leveren of hunne geschatte waarde of de yerbemdverklaal'de

~n geschatte waarde te betalen, en artikel 25 van toepassing; op

deze plaatsing- in eene tuchtschool is artikel 24, tweede en derde lid,

van toepassing."

Artikel 38.

A1,tikel 36 wordt gelezen als volgt:

"In de gevallen, wam'in de rechter ]uachtens de wet de openbaarmaking

zijner uitspraak gelast, bepaalt hij tevens of die openbaarmaking

de geheele uitspraak of wel een door hem aan te wijzen

gedeelte of den zakelijken inhoud daarvan zal betreffen, en regp 1t.

hij de wijze waarop aan dien last uitvoering wmdt gegeven.

De rechter veroordeelt den schuldige tevens in de kosten del'

openbaarmaking, welke door hem bij zijne uit.'praak worden geschat.

'Vanneer binnen twee maanden 1w-eleg'd de gPIil'l1 tt{' kosten niet worden

betaald, wordt de verlJordeelillg in die j'Ol n vervangen door

hechtenis en ten aanzien van eell 11 inde Jllri/!fm persoon, die vóór

het begaan van hpt feit d{'n leeftIJd 'lUL .. .:htti n jaren nog niet

heeft bereikt, door plaatsing in eene tuchtschool.

Op deze hechteni, en plaatsing in eene tucht:;rhool is artikel 34,

tweede, derde, vierde en vijfde lid, van toepa~ing.'·

In TITEL lIl.

(Uitsluit'ing, vermindering en vel'hooging der stmfbaal'heid)

Artikel 39.

Artikel 41 wordt gelezen al volgt:

,.Niet ,-;tra±hull' 5B h~j die een feit. begaat, tro: verdediging' Y


13

Niet , trafbaar is de overschr~iding- der gren7.en van g-E'Oorloofde

vE'rdediging-, indien zij het onmiddellijk g-evolg- is g-eweest van eene

hevig-e gemoedsbeweging, door de aanranding of de dreigende

aanranding veroorzaakt."

A.rtikel 40.

A1,tiÁ"el 42 wordt g-ele7.en als volgt:

,.~iet strafbaar is h~i die een feit begaat, dat naar redelijk inzicht

is geboden of toegelaten ter uitvoering- van een wettelijk voorschrift.

Uet het wettelijk voorschrift zelf wordt g-elijk g-esteld het voorschrift,

dat naar redel\ik inr,Ïcht voor wettelijk kan worden ge~

houden."

A.rtikel 41.

Artikel 43 wordt g-elezen als volg-t:

"Niet strafbaar is hij die een feit begaat, dut naar redelijk inzicht

is geboden of toegelaten ter uitvoering \an een ambtelijk bevel,

gegeven door het bevoegd g-ezag.

Met bevoE'gd gezag wordt g-elijk gesteld het gezag, dat naar redel~ik

in7.i('ht voor heyoegd kan worden gehouden."

A1'fil,el 5~ vervalt.

In TITEL VI.

(Samenloop van strafbare feiten.)

Artikel 42.

Artikel 43.

In artikel 60 worden de bepaling- sub 3 u . en het laatste lid veTvang-en

door de volgende bepalingen:

"de stra:f!en van verbeludverklaringen worden, evenals de vervang-ende

hechtenis en plaatsing in eene tuchtschool, voor elk misdrijf

afzonderlijk en zonder vermindering opgelegd. De stra:f!en van veryang-ende

hechtenis mog-en gezamenlijk den tijd van acht maanden,

die van vervangende plaatsing iu eene tuchtschool gezamenlijk den

t,ijd van twee maanden niet te boven gaan.

4°. De stra:f!en van vervangende hechtenis voor betaling van de

kosten der openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak mogen

g-ezamenlijk den tijd van acht maanden, die van vervangende plaatsing

in eene tuchtschool yoor betaling- van de kosten der openbaarmaking

van de rechterl~ike uitspraak gezamenlijk den tijd van twee

maanden niet te boven gaan."


14

Artikel 44.

Artikel 62, tweede lid, WOiI'dt vervangen door de volgende hepalingen:

"De straffen van hechtenis, boeteveryang-ende hechtenis daaronder

begrepen, mogen voor de overtredingen gezamenlijk den tijd van

acht maanden niet te boven gaan.

De straffen van plaatsing in eene tuchtschool, boetevervangende

plaatsing daaronder begrepen, mogen voor de overtredingen gezamenlijk

den tijd van twee maanden niet te boven gaan.

De straffen van vervangende hE'Chtenis vaal' verbeurdverklaring en

voor betaling van de kosten der openbaarmaking van de rechterlijke

uitspraak mogen gezamenlijk den tijd van acht maanden niet te

boven gaan.

De straffen van vervangende plaatsing in eene tuchtschool voor

verbeurdve'rklal'ing en voor betaling van de kosten der openbaarmakllig

van de rechterlijke uitspraak moge,]), gezamenlijk den t~icl

van twee maandp.n niet te boven gaan."

In TITEL -VIII.

(Verval van het recht tot strafvordering en van de straf.)

Artikel 45.

In a1,tikel 71 wûirdt na de bepaling sub 2°. eene nieuwe bepaling

ingevoegd, luidende:

,,3°. bij het misdrijf omschreven in al,tikel 323, gepleegd door

voogden, curators of bewindvoerders, op den dag na dien waarop

de hoedanigheid waarin zij het goed, ten opûchte waarvan de handeling

is gepleegd, onder zich hadden, ophield;"

Artikel 46.

In a1't1'kel 71 wol'dt ,,3"!' veranderd in ,,4°." en worden na ,,467"

de volgende woorden ingevoegd: "van dit Wetboek en bij die strafbaar

gesteld in artikel 187, sub 1°., der wet betrekkelijk de nationale

militie!'.

In TITEL L~.

(Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdnbkkingen).

Artikel 47.

A1,tikel 82 wordt gelezen als volg·t:

"Onder zwaar lichamelijk le-ooel wordt verstaan:

ziekte of verwonding die geen uitzicht op volkomen genezing

overlaat of waardoor levenRgevaar ontRtaat;


15

voortdurende ongeschiktheid tot uitoe:/'ening van ambtR- o:/' bel'of'psbezigheden

;

verlies van het gebruik van eemg zintuig;

verminking;

verlamming;

storing der verstandelijke vermogens die langf'r dan vier weken

geduurd heeIt;

a:/'drijving o:/' dood van de vrucht eenel' Vl'ouw."

Artikel 48.

Ä1,tikel 83 wordt g'elezen als volgt:

"N ederlander is hij die dezen staat bezit volgens de wet, die ter

uitvoering van de Grondwet het N ededanderschap regelt.

Onder Nederlander wordt mede verstaan hij die in de N ederlandsche

koloniën o:/' bezittingen in andere werelddeelen uit aldaar ge­

,e~tigcle OUdNS is geboren."

Artikel 49.

Na a1't1'kel 83 wordt een nieuw artikel ingI:'Yoegd, luidende:

"Ärt'ikel 83bis.

Onder wettelijk voorschri:/'t en wettelijke stra:l'bepaling wordt verstaan

elk voorschri:l't en elke stra:/'bepaling door de wetgevende macht

gegeven o:/' bevoegdel~jk uitgegaan van eenige andere macht, aan

welke bij de gTondwet Ol bij de wet wetgevend vermogen is toegekend."

Artikel 50.

Aan het ,slot van artikel 84, eerste lid, worden de volg'ende woorden

toegevoegd:

"alsmede Vireeunde ambtenaren ,o:/' met hen gelijkgestelde personen,

die hier te lande krachtens wet o:/' tractaat ambtsvelTichtingen

uitoe:/'enen."

Artikel 51.

Ä1,tikel 85, tweede en de1,de lid, wordt gelezen als volgt:

,,'Opva;renden zijn allen die zich aan boord bevinden o:/' zich tijdelijk

van boord hebben verwijderd, met uitzondering van den schipper.

Schepelingen zijn allen die zich als scheepsofficieren o:/' scheepsgezellen

aan bomd bevinden o':/' zich als zoodallig voor eene reis

heb hen verbonden."


16

Artikel 52.

Het slot van a1,tikel 88 wordt gelezen als volgt:

"dom' maand een tijd van dertig dag1en, door jaar een tijd van

twaalÏ maanden."

Artikel 53.

Artikel 89 wordt gelezen als volgt:

"Onder inklimming wordt begrepen het ingaan door een bestaande

niet tot ingang bestemde of door een opzettelijk gegraven opening

in den gTond, alsmede het overschrijden van slooten of gTaohten tot

afsluiting bestemd, ook al ware water in de slooten of gTachten niet

aanwezig of bevrm':en."

Artikel 54.

Artikel 90 wOirdt gelezen als volgt:

"OndeT valsche sleutels wo-rden begrepen alle tot in werking

brengen van het slot wederrechtelijk gebezigde werktuigen".

Artikel 55.

Na artikel 90 wmdt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

A 1,tikel 90bis.

Met telegmafwerken en -inrichtingen wo:rden gelijk gesteld alle

tot overbrenging van electriciteit bestemde werken en inrichtingen."

HOOFDSTUK Il.

In !het Tweede Boek van het Wetboek van Stra.Îrecht worden de

volgende wijzigingen gebracht:

In TITEL r.

(Misdrijven tegen de veiligheid van den staat.)

Artikel 56.

In artikel 93 wOTdt in plaats van hpt wOOlrd: "rijk" gelezen:

"gTondge,bied van den staat".

Artikel 57.

Aan artikel 96 worden een tweede en een derde lid toegevoegd,

luidende:

"Tegen den deelnemer aan eenige in het vonge lid bedoelde


17

samenspanning die, vóórdat de O"erheid met het bes,ta.o'tn daaryan

bekend is, haar op zoodauige wijze daarvan kennis. geeft" dat dientengevolge

het plegen van het voorgenomen misdrijf worclt voorkomen,

is de strafvervolging uitgesloten.

Deze bepaling geldt niet voor hem van wien blijkt, dat hij aan­

I egger i ,".

Artikel 58.

Aan a1,tikel 103 wordt een tweede lid toegevoegd, luidende:

"De bepalingen van het tweede en het de'l:cle lid van a,rtikel 96

v.ijn op deze samenspanning' van toepassing'."

In TITEL IV.

(Misdrijven betre,tfende de uitoefening van staatsplichten en staatsr'echten.)

Artikel 59.

Artikel 126, tweede lid, wordt gelezen als volgt:

"Dezelfde s,traf wordt toegepast op den kiezer die opzettelijk de

met yoorschreven doel gedane gift of belofte aanneemt."

In TITEL V.

(Misdrijven tegen de openbm'e onle.)

Artikel 60.

A,'tikel131 wordt gelezen als volgt:

"Hij die, mondeling of bij geschrifte, in het openbaar tot eenig

stràfbaar feit, tot ongehoorzaam'heid hetzij aan een wettelijk voorschrift,

hetzij aan een krachtens wettelijk voorschrift gegeven ambtelijk

bevel, of tot een gewelddadig optreden tegen de openbm'e orde

opruit, wordt gestraft met g'evangenis,straf van ten hoog.ste vijf jaren

of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden:."

Artikel 61.

De aanhef van artikel 132 wordt gelezen als volgt:

"Hij die eenig geschrift, waarin tot gedragingen als in artikel

131 bed~ld ,",ol'dt opgel'lucl, met het oogmerk" . . . . enz..

Artikel 62.

De aanhef van artikel 136 wordt gelezen aIs. volgt:

"Hij die, kennis diJ.'agende van een voornemen tot het plegen van

een del' in de artikelen 02- 110, 115, 116, 121 en ]2:1 olllRChreyen

Hpl'z ipnlng 'Vetb. St,l'afl'. 11.


18

misdrijven, tot het plegen van desertie in tijd van oorlog, van militair

verraad, van verkrachting, van een de~> in Titel VII van dit

Boek o111schre",en mischijven, van eenig misdrijr, waarbij gevaar' vom'

ele perf>oonlijke vrijheid, levensg'e>ual' of zwaar lichmllelijk letsel te

duchten is, or van eenig misdrijf tegen den per 'oon or de eerbaal'­

heiel van mindeljarigen, krankzinnigen or bewusteloozell, op een

tijchtip" .... enz.

Artikel 63.

De aanher van Ct7,tikel 140 wordt gele7.en ab volgt:

"Hij die deel neemt aan eene vel'eeniging, "etende of redelijker

wijze moetende vel'moeden dat deze tot oogmerk heeft" .... enz.

Artikel 64.

De aanher van aJ'tikel 140, tweede lid, wordt gelezen als volgt:

"Hij die deel neemt aan eene vereeniging', wetende o.r redelijker

wij'ze moetende vermoeden dat deze bij de wet verboden is, wordt

gestrart met geYfwgenisstrar van ten hoogf>te zes maanden or geldboete

van ten hoogste driehonderd g1.11den."

In TITEL VII.

(Misdrijven waa7'dooj' de algemeene veiligheid van personen of goedeTen

wordt in gevaar gebracht.)

Artikel 65.

In Ct7 · ti"~ el 158, 3°., worden na het woord: "jaar" de ,olgende

woonlen ingevoegd: "or geldboete van ten hoogste negenhonderd

gu1den".

Artikel 66.

N a artikel 158 wo.rdell de twee volgende artikelen ingevoegd:

"A1,tilcel 158bis.

Hij die opzettelijk ontploffinglSmiddelen vervaardigt o'r inlichtingen

omtrent de vervaardiging van ontploffingsmiddelen verschart,

wetende of redelijker wijze moetende vermoeden, dat zij tot het plegen

van een strarbaar feit zullen worden bestemd, wordt gestraft met

gevangenisstraf van ten hoogste vijr jaren.

Artikel 158ter.

Hij die opzettel~jk ontploffingsmiddelen onder zich neemt, bewaart

or aan anderen ter hanel stelt, wetende or reeleEjker wijze moetencle


19

vt'I'moeden, dat zij tot het plegen van een strafbaar feit zulh'n ,,'01'­


20

Artikel 74.

Aan hpt slot van artikel li3, tweede lid, wordpll dl' yolgpIHlp

woorden topgpvopgd: .,of gpldboete van ten hoogi'\te llf'g'enhoJ1Clpr


~1

Artikel 80.

Aan het slot Vlm

woorden toegevoegd:

gulden."

Mtikel 182, eerste lid, wmden de volgende

"Ol geldboete van ten hoogste zeishonderd

Artikel 81.


In a1,tikel 182, tweede lid, 1°., worden na de woorden: "zes

lllaauden" de volgende woorden ingevoegd: "or geldboete van ten

hoogste negenhonderd gulden".

Artikel 82.

A1'tikel 183 wordt gelezen als volgt:

..:Met ambtenaren worden t·en aanzien der artikelen 171 en 179- 182

gelijkgesteld :

1°. zij die, krachtens wettelijk voorschrirt, voortdurend or tijdelijk

met eenigen openbaren dienst zijn belast;

2°. de bestmu'ders benevens de beëedigde beambten en bedienden

YtUl máatschappijen or b~izondel'e personen welke het openbaar verkeer

te hnd bezorgen vom' zoover het veTvoer geschiedt dool' ",toom­

Yel'lnogen of andere mechanische beweegkracht."

Artikel 83.

Na artikel 184 wmdt eeu nieuw artikel ingevoegd, luidende:

"A1,tikel 184bis.

Hij die aan een bevel or eene vordering van het bevoegd gezag

tDt afgifte van ontploffingsmiddelen opzettelijk niet voldoet of hij

die, bij gelegenheid van oproerige beweging' or ven!let tegen het

openbaar gezag, aan een bevel or eene vOTdering van het bevoegd

gezag tot argifte van voorwerpen g'eschikt tot geweldpleging, opzettelijk

niet voldoet, wordt ge'Straft met gevangenisstraf van ten hoogste

viel' jal'en, in het laatste geval VOOTzoover hij niet wettelijk bevoegd

is die voorwerpen b~i zich te . hebben.

Indien: tijdens het plegen vall het misdl'Ïjr nog geen vijf jaren

zijn verloopen sedel't eene vroegere veroordeeling van den schuldige

wegens gelijk misdrijf onhenoepelijk is geworden, kan de straf met

een derde worden verhoogd."

Artikel 84:.

J 11 a,J·tikcl lR7 wonlen nu de woorden : "bevoegd gezag" de volgende

woorden ingevoegd: "of krachtens wettelijk vool'sclu·ift" .

Artikel 85.

Na artikel 20G wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:


2~

"A1,tikel 20Gbis.

Hij die opzettelijk uechiegelijke middelen aanwendt of laat aauwenden

met het oogmerk om zich aan zijn dienstplicht bij de militie,

de schutterij of de landweer geheel of gedeeltelijk te ontt.rekk.en,

wordt gestraft met gevang'enissh>af vaJl ten hoog,r."

In TITEL X.

(M untmisdl'ijven.)

Artikel 86.

In artikel 209 worden na de woorden: "lJl'keU(l wa.~" de volgende

woorden ingevoegd: "of die hij zelf lad nagemaakt of vel'valscht".

Artikel 87.

In aJ,tikel 211 worden na de woorden: .,bekend was" de volgende

woorden ingevoegd: "of die hij zelf in ,narde yel'mindE'rd had".

In TITEL XII.

(Val~chheicl

in ge/jchriftcn.)

Al'tikel 88.

Iu nrtikel ~3~ velTalt het woord "N ededa.uclsche", en wOl'den na

de woorden: "bekend was" de volg.ende ,,-oorden ingevoegd: "of die

hij zelf had nagemaakt of vervalscht".

Artikel 89.

In CLl'til"cl 230 vervalt het woord "N ededund:;


23

A.rtikel 92.

J I'likel '24:1 wordt gPlezen als volgt:

"Hij die buiteIl echt 'deeschelijke gemeenschap heeft met eene

'\1'OUW yan wie hij ,,'eet dat zij in ·staat. van bew'Us.teloosheid of

onmacht verkeert of dat z~i lijdende is aan ernstige sto01'1lis harer

geestvermogells, wordt gestraft met gevangenisstraf VtlU ten hoogste

acht jaren."

Artikel 93.

Ntt artikel 243 '''onIt een nieuw artikel ingevoegd, luidl'ndl':

"Al'tilcel 243bis.

Hti dil' 1>uitell echt vleesehelijke gemeenschap heeft met eene vrouw

opzettelijk daartoo dool' hem in 'taat van dronkenschap gebracht,

,,·onlt. gestraft met ge,-angemsstraf van ten hoogste zes jaren".

Artikel 94.

In (II'l del 24G worden ut\. het woord: "ti willgt." dl' yolgemll' woorden

ingl'Y(l('gd: "of doOl' listige kunstgrepen of lll'd1'Îcgelijke "001'­

'piegelillg-en ,erleidt"; wordt in plaats vau de woorden: "outuchlip:l'

ha1Hlelillgen" gelezen: "ontucht", en worden de woorden: "als

sehuldig aau feitelijke aanranding der eerbaa,rheid" weggelaten..

Artikel 95.

De aanhef ,all al'likel 247 wordt gelezen al:,; volgt:

"Hij die met iemand ,au wien hij weet da,t hij ill stna t van

bl'wusteloo. heid of onmacht yerkeert of dat hij lijdende is aan

ernstige stoornis zijner geestwrmogens, of met iemand beneden den

leeftijd van zestien jaren ontucht pleegt of laatstgemelden tot het

plegen of dulden van ontucht of" . . . . enz.

In ~ll,tdel

,,~..J.0,

Artikel 96.

248, eel'sle lid, wordt, in plaats van: ,,'24J" gelezen:

'240Uis".

Artikel 97.

In al'tikel 248, 4 u ., wordt in pla~ts yan "l'ijkswf'rkilll'ichtingen"

gelezen: "rijkswerkinrichtingen, tuchtscholen".

Artikel 98.

~\.an he


Artikel 99.

Artikel 250, 2°., wordt gelezen als volgt:

,,2°. met gevang-enisstrar van ten hoogste drie jaren, ieder ander

die aan een minderjarige opzettelijk tot het plegen ,an ontucht met

een derde gelegenheid or middelen verschaft, indien hij den minderjarige

als huisgenoot in zijne woning' heeft opgenomen en Hili het

teweegbrengen or beyorderen ,an ontucht eene gewoonte maakt;".

Artikel 100.

~""'an al'tikel 250 wordt een nieuw nommer toege,oegcl, luidpllllr:

,,3°. lllet g'evangenis traf van ten hoog,ste twee jaren, ieder and(~r

dan de onder 1°. g-en'oemde personen, die uit winstbejag iemand van

,,-jen hij weet or redel~iker wijze moet vermoeden dat hij minderjal'ig

is, opzettelijk tot het plegen yan ontucht met een derde grlcgenheid

or middelen ,erschaft ;".

Artikel 101.

Aan {(I·t ikel 250 word teen yiel'


25

het uitoefenen van bedelarij, van gevaarlijke kun,'tyerl'ichtingen of

vnn gevaarlijken of de ge.zondheid ondermijnenden arbeid zal worden

gebruikt. "

.btikel 104.

De aanhef van al'til.;el 254 wordt gelezen als volgt:

"Rij die opzettelijk een dier wreed behandelt of n:oodeloos pijnigt

of kwelt, wordt gestraft", .... enz.

In 'l'ITEL XVI.

(Beleediging . )

Artikel 105.

De Rlotwool'den van artikel 269 worden gelezen als volgt:

"behalve in het geval yan artikel 2G7 en behalye in het geval dat


2G

llemillg' mIl hanlll'l, ll~jn'rheia of lnJl(lhouw, bij welke hij Wl'l'kll,llIllJ

i;; of ge,,-eest is, bijzontlerhedell waanall hem geheimhouding is

opgelegd wurden bekend gemaakt, wordt geHtraft met hechtenis van

tl'n hoogste drie maanden of geldboete vau ten hoogste driehonderd

gulden.

Geene YE'l'volging heeft phats dan op klachte nm het UestUlU"

del' onderneming."

(lIIi~dn"jven

In 'lITEr. XVIII.

tegen de persoonlijlce vrUheid.)

Artikel 109.

~a mtikPI :2i8 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidelllk:

".Artikel 278bis.

Hij die eene minderjarige vrouw, zij het ook met hm'e t(){'stemming',

of, door bedriegelijke handelingen of met geweld, bedreiging,

misbruik yan gezag of eenig ander dwangmiddel, eene meerderjal'ige

vrouw, met het oogmerk het pleg'en vau ontueht door haar met een

derde teweeg te. brl'ngen of te bevorderen, heeft gl'l'OuseId, medrgevoerd

of verborgen, wordt gestraft met geyangeui 'straf Y


27

11.11'(' \T\\('lll or


28

Artikel 120.

Iu den aanhef ,an artikel 315 wordt in plaatR van .,ze:,;.tig" gdczen:

"driehonderd", terw~il in 1 u. het woord "wagens" ,enaIt.

In TITEL XXIII.

(Afpersing en afdr·eiging.)

Artikel 121.

lil ({I·tikc! J 18, eel'ste lid, wordt in plaat.s ,an de woorden:

"smaadschrift ot openbaring ,an eeu gdleim" g'elezen: "smaadochrift,

openbaring yan een geheim Ol lasterlijke aankbcht".

Iu TITEL XXv.

(Bedi'og.)

Artikel 122.

])e u


29

r,aken gekend had) WOl'dt ge"traît met gevangenisstraf van ten

hoogste een jaar,"

Artikel 125.

A1'iikel 3,28 wordt geler,ell als volgt:

"Hij die, met het oogmerk om ziC'h of een ander, ten nndeele vau

den verr.ekf'l'aar of van den wettigen houder van een bodemf'rijbrief,

wNlel"rechtelijk te bf'Yoordeelen, opzettelijk aan een voorwerp dat

yp]'r.f'kf'rd is of oudf'l' yerbaucl wa:U'YHn de bodemf'rij is aangf'ga~lD,

ot aan een yaartuig waaL'van elf' lading oi de te verdienen vrachtpenningen

zijn Yerzl:'kf'rd oi verbodemd, schade toebrengt of bij zich

zf'H of een ander lichamf'lijk letsel of ziekte wroorzaakt, wordt

gestraft mf't gevangellisst,raf van ten hoogste viN' jaren,"

Artikel 126.

Na al,tikel 328 wordt een llif'uW artikel ingevoegd, luidende:

"AI,tikel 328bis,

Hij die, met het oogmerk om zich of een ander, ten nadeele ,an

df'n ,erzf'keraar, wederrechtelijk te bevoordeelen, opr,ettelijk aan

cler,f'n eene ,erdichte of onjuiste opgave doet van schade aan het

Yf'l'r.ekf'l'(le goed gelet geYlc>zC>l1: "waarde, uitwerking of",

Artikel 129.

Ariikel :334 \,ordt gf'ler,en als volgt:

"Hij die, met hf't oogmerk om zich of een andf'r wf'derrechtf'lijk

1 e bc>,oordeelen, opr,ettel~ik een logenachtig bericht ,erspreidt strekkende

om den prijs ,un koopwurf'n, fonclSf'n of gelclR\yuurdig- pa.pier

tp doen stijgf'n of clalf'll, wordt, gestraft met geYUngeniA 'trui van ten

hoogAte twee jaren,"


30

Artikel 130.

A1,t11:.el 035 wordt g-e]er.eu als volgt:

"Hij die, zich belastende met of zijne lUeuew,etking v'el1eenende

tot het plaatsen 'of verhandelen van schuldbrie",·en van eenigen staat,

eemg'€I provincie, gemeente or openbme insteUing, or van aandeelen

in of schuldbrieven van eenige vE'reeniging, stichting or "Vennootschap,

opzettelijk, ten einde het publiek tot inschrijving, koop of deelneming

te bewegE'n, hem bekende feiten Ol omstandigheden verzwijgt Ol

verminkt Ol valsche leiten Ol omstandighE'den voorspiegelt Ol een

geschrift, waarin bekende leiten or Olmtandigheden worden VE'I'­

zwegen Ol ver1llinkt or valsche reiten Ol omstandigheden worden

vooèrgE'Rpiep:eld, verspl'E'idt, wordt gestraft met gevangenisstral "Van ten

hoogste d,rie jaren."

Artikel 131.

A1,tikel 337, eeJ'ste lid, wordt ver'VaJlgen door de twee volgendE'

leden:

,.,Met g'evangenis 'tral van ten hoogste drie maanden Ol geldboete

van ten hoogste zeshonderd gulden wordt gestraft hij die opzettelijk

war,en binnen het rijk in Europa invoert zonder klaarblijkelijke bestemming

om weder te worden uitgevoer'd of voor eigen gebruik te

worderr gE'bezigd, verkoopt, te koop aanbiE'dt, aaJJkondigt, uitdeelt

Ol ten 'Verkoop Ol ter uitdeeling in voorraad heeft, voor zoover hij

zulks doet onder eens anders naam, firma Ol m8'l:k waarop hij voor

die waren geen ;recht heeft, Ol onder een naam, firma Ol merk, in

hoofdzaak overeeustemmende, met den naam, de firma Ol het merk

van een ander waarop hij 'Voor die waren geen recht heeft, Ol onder

een g'ekozen naa,lU Ol firma 011 een merk, wijzende, niet op die waren

doch op uiterlijk daarop gelijkende van hoogere handelswaarde, Ol,

ter aanduiding va.n herkomst, onder dE'n naam eener bepaa.lde plaats

met bijvoeging van een verdichten uaam 'of een v'erdichte firma.

Met dezelIde s,tral wordt gestraft hij die een der in het eerste lid

vermelde handelingen pleegt, voor zoover hij zulks doet:

1°. onder een merk, waarvan de weigering door de bevoegde macht

tot insclu'ijving te zijnen name onhermepelijk is geworden, of onder

een met dat geweigerde in hooIdzaak o'Vei'eenstellllllend merk, tenzij

hij zijn recht bewijst op da.t mffi'k voor de waJ.'en, waarvoor hij het

bezigde;

2°. ondST een merk dat een woord Ol eene voors,telling bevat in

strijd met de goede zeden, Ol waardoor bet gebruik van het merk

in strijd is met de openbare orde."

In TITEL XXVI.

(Benadeeling van schuldeis..:hers of j'echthebbenden.)

Artikel 132.

N a artikel 347 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:


31

"A1'tikel 347bis.

Hij die opzettelijk verschillende e:xemplareu van denzelfden wissel

Ol hetzelfde cog'nossemellt m~n verschillende personen ov;erdraagt,

wordt g'e8traÏt met gevangenisstraf van ten hoogste vijl jaren."

Artikel 133.

A1,til.;el 348, eerste liel, wordt gelezen als ,01g1:

"Met g'evangenisfltl'af ,[\11 ten hoog te een jaar en zes maanden

worclt gestraÏt:

1°. hij die 0lJZettelijk zijue eigene zaak of, ten behoeve van den

eigenaar, eene Ilem niet toebehoorende zaak onttrpkt a.an een ander

die daarop een Techt van pand, terughoucling', ,ruchtgebruik of

gebruik heelt of daarop bodemerijpenningen heelt geschoten;

Zo. hij die opzettelijk zijne eig,ene !laak Ol, ten behoeve van den

eigenaar, eene hem niet toebehoorende zaak ten nadeele van deu

hypothecairen schuldeiBcher g'eheel Ol ten deels aan een daarop gevei'ltigcl

hY))othecair verband onttrekt;

3°. hij die opzettelijk zijn pigen schip of, ten behoeve van den

eigenaar, een hem niet toebehoorencl schip in het b'uitenland onttrekt

aan het verhaal dat de houder van pand- üI yerbandbrieven

o.aal'op heeÏt."

In 'l'rrEL XXVII.

( Vernieling of beschadiging van goederen.)

Artikel 134.

In al,tikel 352 worden na het woord: "toebehoort" de volgende

woorden illg'evoegd: "Ol b\i een ander in wettig gebruik is".

Artikel 135.

N a artikel 352 WOl"dt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

"A1,tilcel 352bis.

I

Hij aan wiens- schuld te wijten is dat eenig gebouw Ol vaartuig

dat geheel Ol ten deele aan een and8'l.' toebehoort, wordt vernield

Ol onbruikbaar gemaakt, wordt gestraIt met gevangenisstraf of

hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten

hoogste clriehonderd gulden".

In TITEL XXVIII.

(A mbtsmisdrijven.)

Artikel 136.

A1'tikel 376 wordt gelezen als volgt:

"De ambtenaar, die opzettelijk deelneemt, middellijk 0'1 onmid-


32

dellijk, aan aarule.mingen 01 le"Ver:mtiën waaro"Ver hem op het iijdstip

der handeling- geheel 01 ten deele het beHtum 01 toezicht is opgedragen,

wordt g-estralt met gevangeniRstrat "Van te.n hoogste zes

maauden of g'eldboete van ten hoogflte twaaHhondenl gulden."

In TITEL XXIX.

(Scheepvaartmisdrijven. )

Artikel 137.

In a/"til.;el 390, 2"., wordt in plaats yaLl de "'oorden: "eene maand"

gelezen: "twee maanden".

Artikel 138.

In aI,tikel ;:}!)l, 2"., wordt in plaats V:LU de woorden: "tw"ee weken"

gelezen: "zes weken",

Artikel 139.

Aan artikel 391 "'ordt een tweede lid toegevoegd, luidende:

"Indien de schuldig-e ter zake yan zijne yerbintenis een fooi of

een voorschot op zijn loon heeft ontY:Lngell, wordt hij gestraft mrt

gevangenisstraf van ten hoogste ze, maUJldell".

Artikel 140.

In aI,tilcel 302, 2"., ,yordt in plaats van de WOO1'de11: "een maand"

gelezen: "t\vee maanden".

In TITEL XXX.

(Beg llnstiging.)

Artikel 141.

Artikel 416 wordt gelezen als volgt:

"Hij die eenig' voorwerp, wetende of redelijker wijze moetende vermoeden

dat het door misdrijl is verkregen, koopt., inruilt, in panel

neemt, als geschenk aanneemt of uit wiu tbejag "Verkoopt, vervoert,

bewaaJ't of verbergt, wordt, als schuldig aan heling, gestraft met

gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren 01 geldboete van ten

hoogste vierhonderd y~j:ftig gulden.

Dezelfde straf wordt opgelegd aan hem die opzettelijk uit eemg

door misdrijl verkregen voorwerp 01 uit de opbrengst daar"Vall voordeel

trekt."


HOOFDSTUK lIl.

In het Derde Roek van het ,Vetboek ,an f.\trntrecbt wonlen de

,~()lg(,lHle ,,"\)7.1gmgf'n gehracht:

In TITEL 1.

(Overtredingen betj'effende de algemeene veilig heid 'van pe1'sonen

en goedeTen.)

Artikel 142.

In m 'til~el 4t24, ee1'ste liel, vervallen de woorden: "tegen pNsonen

of goederen", en wordt in plaats van de wOO'l.'den: "gevaar of nacIeel"

g'oelezen: "gevaar, nadeel of ongerief vo0'r personen of gOe


34

In TITEL Il.

(Ovett1'edingen betn~.tJende

de openbare Ol·de.)

Artikel 147.

In (l1'Ii!.·('l 4:11 won1en vóór het woord: "nnehtrm;t." (k volgrnr1r

woonlrll ing'f'yoeg-d: "opell bare ord word t verRtoord of (11"',

Artikel 148.

Na artikel ..taf) ,vordt eeu niemy artikrl ingevoegd, luideJl(l:

"Al'tikel 435bis.

Hij die, zonder daartoe g"€rechtigd te zijn, gebruik maakt, r,ij hrt

ook met eene geringe afwijking:

1 u . van het wapen des Kouings of Y(ul eeonig and!'r YOl'Kte-lijk

perRoon, van het r~jk, eene IH'ovineie, eene gemeente Ol een anr1pr

pllblie1..-rechtelijk lichaam;

2 u , van een door het openbaar gezag vastgesteld of I:'l'kencl onc1el'­

. hij ah zoorlanig te vervullen heeft".


35

Artikel 151.

In w't i kel 447 worden na de woorden: "bevoegxl gezag" ingeyopgcl

clp woorclf'u: "of kra('htens wettelijk yoorflchrift.".

In TI'l'ET. IV.

(Ovettr'ed'il1gen bette.ffende den burgel'li,jken stant. )

Artikel 152.

t

In aI,tikel 449, eerste lid, worden de woorden: "partijen hem hebhen

doen blijken dat hac'l!''' vervangen door het woord: "een".

In a1,tikel 449 wordt een nieuw tweede lid tus 'chenge,oegd,

luidende:

,,~iet

strafbaar is hij elie het feit begaat:

JO. indien tijden. het verrichten der godsdienstig-e ple


36

diens ondanks toezendt of aanbiedt, hetzij openlijk ten toon stelt

of aanslaat, of openlijk zijn dienste'll of middelen aanbiedt tot eene

met de eerbaarheid strijdige handeling of op eene voor de eerhaarheid

aau~tootel~jke wijze, wordt gestraft met hecht,enifl van ten

hoogi:lte r.ei! weken Ol geldboete van ten hoogste twee hOlHlpl'tl

p:nldE>n,

Artikel 451ter.

Hij die op de.n openbaren WP


37

{,(,liP], H'reeluglllg of \' 001' gl'ïlltt'oduceenlen, opricht of houdt, of ju

de ollderneming daarvan tleelueemt, illdipll tIe Yl'l'eeniging iJr ~elve

kans heeft op winst uit het 'pel Of deelt. in de win&t dool' anderen

uit h .. ,t spel behaald;",

.1 dil.:el 466, '2°" wordt g('le~eJl nls volgt:

,,:~ o , hij die iu een huis van ha~ardf;pel als in LO, of '!O, uetloeld

als baJlkier of opziehtl-'1' OYN' het spel werkZa


38

SlothepuiiJlg.

Het in wel'king treden van de~e

geregeld.

wet wonlt nwer bij lle wet

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatöblacl zal worden geplaa,tst,

en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, CoUeges en

Amhtenaren, wie zulks aa.ngaat, aan de nauwkeurig'e uitvoering de

hand ~ullen houden.

Gegeven

De M iniötel" van J wit'iIie,


Memorie van Toelichting

De drie bij de Tweede KUJller der f:ltatellrUene.l'aal aunhang'ig

gemaakte, door deu toeumaligen lIini&tel' COltT VAN BKR LINDEN

tiLllll engestelde ontWeI1)ell van wet tot hea:ziening van het ,Vet boek

nUl ~tnt.frecht, werden, kort na het optreden van den ondergeteekende

als hoofd vaJl het Departement van Justitie, ingevolge dOOl'

RaJ'e Majesteit de Koningin verleende maeh'tiging, ingetrokken.

Deze intrekking geschiedde geenszins omdat de ondergeteekende

yau oordeel zou zijn, dat eene meer of minder vèrstrekkende herziening

van het ,Vetboek niet of nog niet wenschelijk was.

~\an den eenen kant stemt hij volkomen in met de ,erklal'ing',

dool' zijnen ambtsyoorg'anger neergeschreven (I} in den aanhef del'

~Il'lIlorie ,an 'roelichting, b€hoOl'ende bij clipns ontwerp tot herziening

van het Epl'ste Boek van dat Wetboek, dat de ervaring van

de w{,l'king van het ,Vetboek van Strafrecht opgedaan, ontegenzPg'gelijk

de goede verwachtingen heeft bevestigd, die daarvan, na

het uitnemend ont,,'erp der Staa,t.~commissie en na de lIorgvuldige

voorbereiding aan dat ontwerp verder besteed, werden gekoesiRnl.

Ook volgens den ondergeteekende zijn de hoofdbeginsplen van dat

"\Yetboek bij de toepa. sing gebleken te beantwoordeu aan de eischen,

tijdens de totstandbrenging daarvan aan het moderne sh'afrecht

getiteld.

~\.aJl den anderen kant is echter ook hij niet blind gebleven voor

de wr&chillende gebreken eu leemten, door de practijk aan het licht

g('bracht., en acht hij evenzeer deu tijd gekomen tot voortziening'

unarin, t.hans te eerder, nu de werking' der Strafwet zich reeds over

een a.chttienjal'ig tijdvak heert uitgebreid, gedurf'ude hetwelk de

,,'ptellschap van het strafrecht zich bijzonder heeft ontwikkeld.

Wal'e die wetenschap tijdens de samenstelling van het Wetboek

reed: zoover gevorderd g'{'weoot als zij thans is, en ware op de

bedoelde gebreken en leemten l'eecls in hd t()elUnalig ontwerp de

aandacht gevallen, dan zouden ongetwijrelcl de snmeÏlstellers daarlUPClo

hun voordeel hpbbell gedaan en zou mpnig artikel anders zijn

g·predigeerd.

(1) Herziening van het Wetboek van Strafrecht, Deel I, Wetsontwerpen en

Toeliohting, Uitg.-BELINFANTE (1900); blz. 22.

[Waar in dit deel verder wordt verwezen naar deze uitgaaf, geschiedt dit,

zonder nadere aanduiding, als volgt: Uitg.-BELINFANTE, Herz., Dl. 1. blz .... ]


4U

])e onuCJ'geteekenue wenschtc echter, lllet volle waal'ueel'Ïng ,"an

den belangrijken wetenschappelijken arbeid van zijnen Yoorganger,

lIclf na te gaan of veranderingen op zoO' hreede schaal, als daarbij

waren voorgestelu, thans reeus nooollakelijk ziju, en welke wijlligingen

hij, indien hij zelf de ontwel1)8IJ.· van die wet 'voordracht

geweest ware, dam'in lIOU hebben opgenomen. Dam·toe WUB een tijd

yan nau';vgezette overweg'ing noodig.

Deze heeft geleid tot een wetsvoorstel aIrs hierbij WOl'dt aangeboden.

De bedoeling is hoofdzakelijk de in Je practijk noodzakelijk

gebleken verbeteringen in het ,Yetboek aan te brengen, met ter

z~jdeste11ing van :111e lIuiyer theoretische bepalingen en wijsgeerige

onderwerpen, die bij eene herûening mede de aandacht lIouden kunnen

vragen.

Evenmin als mr. CORT VAN DER LINDEN meent de ondergeteekenue

te moeten terugkomen op een aantal ge chilpunten, die bij de

samenstelling van het ,Vetboek, na grondige voorbereiding', in een

of anderen zin ziju beslist. Ook hij acht hl('t niet wenschelijk na

betrekkelijk korten tijd de debatten weel' te openen of weder het

recht en de rechtstoepassing op lo se sclU'oeven te zetten. Anders

is het, waar sel·

alinea, voor zoover beh'eft. de Y:lll Rijkswege uÏtg'egeven lIeg-els,

(1) Uitg.-BELINFANTE, Berz., Deel!.

(2) Mr. H. J. SMIDT, Bet Wetboek van Strafrecht, I, 2de druk, bladz. 133

vlgg.; - Uitgave-BELINFANTE, Ontwerp van een Wetboek van Strafreoht, met

toeliohting en bijlagen, deel IIr, blz. 13; - Verg. Uitg.-BEI.INFANTE, Berz"

dl. I, blz. 23.

[Waal' in dit deel verder wordt verwezen naar deze uitgaaf, gesohiedt dit,

zonder nadere aanduiding, als volgt: Uitg.-BELINFANTE, Dl. .., blz ...].

---------- -


41

ahu~ievelijk, nltha.1Hl wwdel' Yel'klual'hal'e l'f'delJ, de O(ll'tlpl'tikel ,an art. 5, 1°., lloo&zakelijk.

De bedoeling van de illt,ernationale overeenkomst tot wering van

den handel in vrouwen en meisjes, welke. arlt. 278bis van poenale

i;anct~e voorziet, is dat de strafbaarheid van N,ederlanders zich uitsh'ekt

tot ane lllet dat tractaat strijdige handelingen, zelfjs indien

deze in een ni et toegetreden sltaat zijn gepleegd. Hieraan voldoet

nO. 2 van art. 5 van het Wetboek niet geheel, want er kunnen en

zullen zeer zekeor zoodanige staten zijn, waa.r op die feiten g-een straÎ

is ges,teld. Daarom wordt voorgesteld die feiten, door Nederlanders

gepleegd, strafbaar te verklarf.>n, on,erschillig waar zij buiten het

Rijk in Emopa zijn hegaan.

(1) S~fIDT, I. c. bladz. 138 en 139; - Uitg.-BELINFANTE, dL IV, blz. 22 vlg.;­

Verg. Uitg.-BELINFANTE, Herz., dL I, blzl 23 vlg. - Prof. mr. H. v. D. HOEVEN,

De vraag: Mag het Wetboek van Strafrecht ongewijzigd ingevoerd worden

beantwoord, bladz. 100.


42

Arti keI 4:.

Art. 7. Het opmaken van eene valsche scheepsverklaring iti Yolgeus

de bestaande bepalingen, wanneer het door eenen vl'eemdeling

geschiedt, niet strafbaar Cl}. Art. 5, al. 1, 2°., toch is alleen toepasselijk

op gevallen, waarin de falsaris N ededander i8. ~Let het

oog op de bijzondere bewijskracht aan genoemd stuk toegekend

(art. 384 Wetb. v. Kooph.) en de daarvan afhankelijke gewichtige

belaJlgen WOl'dt voorge8telcl de va.1schheid in het afleggen eener

scheepsverkla,ring uitdrukkelijk stra.fbaUJ' te stellen, ook voor het

geval de schippe'r, en in vel'ba.ncl daarmede allicht het meerendeel

del' bemanning, eene vreemde nationaliteit bezit.

Artikel 5. (2)

A>l't. 9, b. In verband met het niemve vierde lill va.n art. a;!

(zie hieronder), dat ook verbeurdverklaring van cle wamde tIe,r

VOOl'werpen toelaat, is nU. 3 in dien zin aangevuld.

DoOl' eene bijvoeging tot .no. 4 wordt al dadelijk vooropgesteld,

dat de openbaarmaking geschiedt op kosten yan den veroorcleelde,

yan wf'Jlk beginsel dan art. 36 de uitwerking bevat.

Artikel 6. (3)

AA. 10. Ten gevo,lge van de schijnbaal' limitatieve redactie "


43

~tand van art. 3 van den herhaaldelijk te voren gewijzigden en aangevulden

algemeenen maatregel van be,stuur, vastgesteld bij Koninklijk

besluit van 31 Augustus 1886 (Staatsblad nO. 15D), ten

einde mogelijk te maken, dat in buitengewone gevallen, ter beoordeeling

van den Minister van Justitie, aan gevangenen en verpleegden,

met machtiging van dien Minist8iI" en onder door hem te stellen

waarbOTgen, vergund zou kunnen worden tijdelijk het gesticht,

waarin zij zijn opgenomen, te veJTlaten.

De ondergeteekende werd tot het voorstellen van die aanvulling

g'eleid door de gebleken wenschelijkheid van wettelijke regeling -

voor zoover mogelijk - ee~J.1stens voor de gevallen van algemeen

belïlllg, wam'in een wettelijk vomschrift de tegenwoordigheid van

den gevangene or verpleeg"de buiten het gesticht, waarin hij verblijrt,

eischt, zooals bijv. tot het afleggen van getuigenis, en verder

teneinde de mogelijkheid te openen een gevangene or verpleegde

voor korten tijd verlor te verleen en het gesticht te verlaten, ook ter

wille van enkel PM,ticuliere aangelegenheden van den persoon zeH

or vooral van dien beh'ekh.-ingen. Waar toch onmiskenbaa;r ernstige

en gewichtige belangen, het gezin van den gevang'ene rakende,

aandringen, mag de Overheid het oor niet gesloten houden voor de

stem der menschelijkheid.

J3ij den onde.rgeteekende bestaat echter nog altijd eenige twijrel,

or tegen de wijze, waarop toenmaals deze za,aok we[J:d geregeld, niet

bezwaren van wettelijken aan1 zijn aan te ,oeren. Daar deze echter

niet binnen zeel' korten tijd waren uit den weg te l'UÏmeu, omdat

daal'voor wetswijziging, met name wijziging VMl art. 10, tweede lid,

van het ,Vetboek van Strafrecht noodig was" waagde hij het, tel"

wille van de humaniteit, dest~ids een bescheiden sta,p te doen, die

bij een wedeT voorkomend geval in staat zou stellen althans. eenigel"­

mate ook met de alleszins g'ewichtige paI'ticuliCl'e belangen rekening

te houden.

N u zich intUJsschen de gelegenheid voordoet om deze belangrijke

aangelegenheden te regelen in het Strafwetboek zeH, maakt hij van

die gelegenheid met gretigheid gebruik.

Vanc1aal' de wijzigingen in eleze artikelen vOOl'gestelcl.

Het beginsel wordt uitgesproken in art. lObis, dat VOOl' de uitvoering

een algemeenen maatl'eg'8l van be\Sltuur voorschrijft. De~e

kaJ.l natuurlijk zijn de hierboven genoemde van 31 Augustus 1886.

De vergunning wo'relt aUeen mogelijk gemaakt voor "buitengewone

gevallen", waarvan desnoods een norm in den algemeenen

maatreg"el zou kunnen würden aa.ngegeven, en voor veroordeelden

tot tijdelijke tra..l'; de aard der levenslange gevangenisstrar schijn t

haa.1' niet toe te laten.

Hoewel de dUlU' der afwezigheid buiten het gesticht in den regel

,üechil.'3 van eenige uren zal hehoe,en te ziju, kan, in bijzondCl'e

Olns tandighed en, een langer verblijr daarbuiten gewenscht en billijk

blijken; daartegenover eischt dan ook de billijkheid andCl,zijcls, dat

die tijd, een etmaal or meel' bedragende, niet medetelle als straftijd.

Dat de vergunning ' l

tot het geven: waarvan de Ministe'r van


44

Justitie wordt aangewezen, buiten lloolhmkelijkheid, niet Z(\,1 wordl'll

verleend zonder dat yan de zienswijze is gebleken van het gestichtHbestulll'

of van a.ndere ,.utoriteiten, die over hal'e wenschelijkheid en

caJsu quo over het daarmede samenhangend belang kunnen oordeel en,

zou in den algemeenen maatregel kunnen wm'den voo·rgeschreven.

Ook venlere vonrscluiften worden voor zooveel noodig aan dien

algemeenen maatregel overgelaten. In elk geval moet worden zorg

gedra.gen, eenerzijds dat het doel yan de afwetZigheid worde bereikt

en anderzijds dat deze niet meer dan de amxl van een verblijf buiten

het gesticht yan zelf medebrengt, den gevangene ten gerieve kome.

Eindelijk 7.ullen zoo'Veel mogelijk afdoende wam'borgen tegen ontvluchting

moeten w01'Clen genomen, waarvoor eveneens de algemeene

maatregel eenige vOOl'8Chriften als leiddraacl zou kunnen geven.

Niet alleen voO'r tot gevangenisstraf ve'l.'oordeehlen, maar ook voor

hen, die hechtenis ondergaan, voor verpleegden in eene Rijkswerkinrichting

en voor jeugdige personen, in een tuchtsctrool geplaatst,

kan de Vel'glUlning' noodig zijn; 7.elfs. mogen vervangende en preventieve

hechtenilig· en vervangende pla.."\,tsing in een tuchtschool niet

buiten deze bepalingen wO'rden gehouden.

Artikelen 8 en 42. (1)

A,t. lOte' en a't. 59. EerstgenDemd artikel, geheel overeenstemmende

met het bestaande art. 59, is, om reden van systematiek in

titel II O'vergebracht. Bij behoud toch van het artikel in den titel

over: "Samenloop van strafbare feiten" ZO'U in verband met de

inleidende bepalingen vau dien titel ten onrechte kunnen worden

aangenomen dat het voorschrift van art. 59 als eene consequentie

daarvan moet worden opgevat, met andere woorden dat er sprake

zou zijn van absorptie der t~idelijke vrijheidsstraffen door de levenslange

gevangenisstra.f. In het al·tikel is echter alleen sprake van

een voorschrift betreffende strafoplegging en strafuitvoel'ing, waal'bij

wordt bedoeld de theoretisch mogelijke doch practisch onmogelijke

tóevoeging te wraken van tijdelijke -vrijheiclstraffen aan de levenslange

gevangenisstraf; die toevoeging 7.0U, wiskunstig uitgedrukt,

beantwoorden aan vermeerdering van het begrip "oneindig'" met

een onnoembare grootheid.

Artikelen 9, 10 en 18. (2)

Á1'tt. 11, 13 en 2.2, tweede lid. Het komt herhaaldelijk voor, dat

op een veroordeelde onderscheidene stra.ffen onmiddellijk na elkander

worden geëxecuteerd. De vraag rijst dan, 01: iedere straf op zich

zeh"e moet wmden beschouwd dan wel of de gezMllenlijke duur der

Y~rschillende opgelegde straffen als één gp,heel is aan te merken.

Voor de toepassing van art. 11 is de beantwoording van die vraag

van belang. ~Ioet iedere straf als op zich 7.elve staand beschouwd

(1) Verg. Uitg .. BELINFAN'l·E, Herz., Dl. I, blz. 70.

(2) )) Dl. I, blz. 29 vlg., 48.

-- - ~ -


45

worden, dan zal elke, zoo zij vall niet langeren dUlU' is dan vijt

jaren, geheel in atzondering' moeten worden ondergaan ot ook ~

indien daal'bij ééne stra.t is van meel' dan vijt ja.ren ---. VOOl' de

daarop volgende executie dH!.' andere straften de veroOl'deelde weder

in de oeI moeten w0'n1:en te ~rugg~bracht. Worden de vel~schillende

straflen, welke achtel'eenvolgens worden ten uih"oer gelegd, als één

geheel beschouwd, dun zullen alleen de eerste vijt jal'en va,n den

g!'zamenlijken duur in afzonclering worden doo'l'gebracht.

Om eene beantwoording in eerst.bedoelden zin te voorkomen en

om althans dienaangaande gerezen twijfel weg te nemen, wordt

eene ,,"ijziging van art. 11 voorgesteld in overeenstemming met het

beginsel, hetwelk aan dat :1rtikel ten g'l'Ondslag ligt, namelijk als

reg'el geen langduriger eenzame opsluiting dan van vijt jart>n. Waar

het vast,staat, dat de wetgeYe'l' op psychische en 11hysische gronden,

welke nu nog geenszins hunne h.Ta.cht hebben verlmen, integendeel

door de ervaring sch~inen bevestigd te worden, de cel tot de eerste

vijf jaren heeft willen lwperken (behoudens het geval van het tweede

lid van art. 11), daar mag het er niet toe afdoen of de tijd, in

gevangenschap door tB bl'engen, gevormd wO'I.'dt door ééne of dool'

meerdere traflen.

Bij de behandeling' van het ~tra:l'wetboek is de uitbreiding van

het cellulaire 8telsel uitvoerig besproken, maal' over de wijze van

toepassing van dat stelsel is betrekkelijk weinig voorgevallen. Het

mag YTeemd schijnen, dat, waal' men blijkbaar een g\emitigeerd stelsel

beoogde, waar zom'er doenlijk individueele behandeling der delinquenten

op den vOOl'grond zou staan, aan de uitwe'l.'king van deze

grondgedachte weimg zorg is besteed. De klassenindeeling is zelfs

alleen op de gemeenschap toepasselijk verklaard. De oorzaak hiervan

ÎJs niet vel' te zoeken. Y OOreel\st werd de aandacht bijna geheel ingenomen

door de.n str~id om het stelsel zelf, tegen de gem een8Chap ,

en het zoogenaamde progressieve stelsel. Het lag dus ,oor de hand,

elat aan een lateren wetgever de uitwerking van het gekozen stelsel,

:in verband met de opg\edalle ervaring-, werd overgelaten. Bovendien

waren nog' groote algemeene, bee; waren , aan de werkelijke invoering

van het stelsel verbonden, te ove'l:winnen. Een kostbare gevangenisbouw,

over vele jaren verdeeld, moe'l:lt worden oncleirnomen en het

personeel hoofdzakelijk op het handhaven van tucht en veiligheid

berekend, moest, met het oog op de nieuwe taak die hen zou

wachten, g-eheel worden ge,rem'ganiseerd en van karakte;r.' veranderen.

Daar komt bij, dat men niet over het hoofd mag zien, dat de

beginselen, die aan de behandeling der gevangenen ten grondslag

behooren te liggen, sedert de invoering van het Strafwetboek veel

aan klaarheid en aan algemeene erkenning hebben gewOlmen. Zal

de gevangenis in het algemeen en dus ook de cel aan haar doel

beantwoorden: eene boete te zijn voor de verstoorde zedelijke mde,

een leed, eensdeels atschrikkend, a,nderdeels, VOO'l.' hem die het

ondergaa,t het middel tot verbete'lmg en verzoening, dan kan alleen

eene zooveel mogelijk indiviclueele behandeling doeltreflend zijn.


ln de eerste tijden na het in werking treden van het Strafwetboek

is, dit beginsel niet tot liIijn l'ooht gekomen. ,Vel werd ondenvijs

aan de g'evangmwn gegeven, werd door toelating van godlSdienstleeraars

en bezoeken van leden vaJl het Genootschap tot zedelijke

verbetering' en door den invloed van regenten ook de zedelijke vormiug

der gevangenen niet verwam'loosd, werd arbeid verstrekt 811

gmote Wl'g besteed aan voeding en gezondheid, mam' toch trad bij

de invoering van de celstraf het negatieve. vO()il'deel, de vermijding'

van besmetting, al te veel op den voorgTond. De indeeling in klassen

was door het wetboek zelf 11itgesloten, de arbeid was eentonig en

n,iet berekend voor individueele g'e>Schiktheid, de psychiatrische

on.del'scheiding was g'ebrekkig, eu men hield, niet zonder overdrijving,

vast aan het beginsel, in de praktijk nimmer geheel door te

voeren, van volkomen afzondering. Het kon moeilijk uitblijven of

klachten moesten vernomen wo ~rden, klachten uit den am'd der zaak

overdrev.en, maa,l' gerechtvaardigd. Echter men schreef aan het

stelsel zelf toe wat uitsluitend op rekening moet worden gesteld

vaJl eene gebrekkige toepassing. De celstraf heeft noodwendig op

verschillende inc1ividu® zeer verschillende uitwerking, en eene

eenvormige toepassing moest den beoogden invloed op ni,et weinigen

der veroordeelden geheel doen te 1001' gaan.

Intusschen heeft het cellulaire stelsel zelf seum'/; de invoering van

het Strafwetboek gestadig voo'rtgang gemaakt. In Italië werd door

het nieuwe Wetboek van Strafrecht van 30 Juni 1889 en de wet

van 14 Juli 1889 voor het onde'l'gaan der tuchthuisstraf het beginsel

van {)psh~iting in afzondering oveirgaande tot gemeenschap ing'evom;c1

(1) . Een dergelijk stelsel was in Hongarije aangenomen bij

de' invoering van het nieuwe Wetboek van Strafrecht van 1 Sept.

1880 (2). Bmzilië volgde Italië met de invoering van de celstraf

tot een maximum van 6 jm'en bij de wet van 11 October 1890 (3).

Portugal (4), Spanje (5), Rusland (6), Frankrijk (7) en Chili (8)

hebben do.m.' aanbouw van. gevang'enissen het reeds vroeger ingediende

cellulail'8 strafstelsel in werking gebracht. In Zweden. wel'Cl

dool' de wet van 29 Juli 1892 de toepassing


47

in afzondering ondergaan (I}. Het cellulaire stelsel wordt bovendien

z'00we1 voor het ondea:gaan der tuchthui&straf als der gevang1ffili"stl'af

in beginsel en zonder maximmll van d'nul.' vastgesteld

in het bekende avant-projet der Code Pénal ~uisse (editie van Juni

1903, a,lî'tl. 28, 2). Ook Ül het van 1899 dagteekenende ontwerp­

Strafwetboek voor Japan wordt het voorgesteld;. Uit dit alles blijkt

hoezeer het cellulaire stelsel zich steeds meer in de penitentiaire

wetg'evingen der voornaamste st.at,en in en buiten Emopa ontwikkelt.

Algemeen worden de nadeelen aan de g,emee!l1Jschappelijke opsluitjng

verbonden ingezien en wordt deze, voor zoover niet financieele

of andere bezwaren eene tijdige en doortastende hervo'l:ming belemmm'en,

vervangen doOl" invoering Of van het cellulaire ste1sel Of van

het progres8ü~ve (le1'8che) stelsel met de cel als eerste stadium. Ook

daar toch, waar laatstgenoemd ,stelsel sinds 1890 is inge,oerd (2),

of waar het reeds vóór dien tijd bestond, mag- deze invoering of

handhaving van den be taa.nden toestand: als een bewijs ten gunste

van de deugdelijkheid van het. cellulaire beginsel worden aangemerkt.

Het progressieve ,telsel toch met zijne onvermijdelijke eerste

étape van afzonderl~ike opsluiting staat niet tegenover doch naast

het cellulaire stetsel, of beter nog is als een uitvloeisel, een vertakking

daarvan te beschouwen met, in verband met de omstandigheid

dat het alleen in gevallen van langdurige straffen kan worden

toegepast, minder consequente doorvoering van het beginsel van

afzondering.

Consequente doorvoering van het promiscuïteitstelsel wordt llog

alleen ' 'gevonden in staten, die met de meeste Europeesche, wat

penitentiaire wetgeving of liever wat beschaving in het algemeen

betreft, niet op eene l~jn kunnen worden gesteld. Het laat zich evenwel

[t,anzieu dat, waar in sommige van die staten, welke blijkbaaa'

verlangen in meer dan een opzicht met de West-Europeesche in

heschaving t,e wedijv,eren, ,reeds de hand wordt geslagen aan het

verbeteren van de inrichting der gestichten voor gemeenschappelijke

opsluiting, deze vm'betm-mg de eerste stap zal blijkien te zijn tot

eene radicale hervoTming, welke eerst door verandering van stelsel

zal kunnen worden verkregen.

'Welke stelling behoort echter de N ederlandsche strafwetgever

van het begin der twintigste eeuw in te nemen ten aanzien van het

prog1.'essieve stels,el Deze stelling is hem reeds voor bijna twintig

jaren door den toenmaJigen wetgever aang'8,wezen. Afgezien van

alle theoretische vooroeelen of nadeel en, aan genoemd stelsel verbonden,

is reeds toen aangetoond dat een stelsel van progressie

GJlleen deugdelijk kan zijn bij langdmige vrijheidstraffen en dus ten

onzent bij. het zeldzaam vomkomen van dergelijke st['affen zijn

practisch doel zou missen (3). En dat deze toestand nog steeds

dezelfde is gebleven bewijst de G.erechtelijke Statistiek welke voo['

(1) NOllVeau Code pénal Norwégien, Traduction de Du Mouceau) Paris 1903)

§ 15, note 3. - j,;

(2) O. a. in Hongarije, Denemarken) Servië, Kroatië. . . ..

(3) SMlDT, I. o. bladz. 236 - Uitg .• BELINFANTE, dl. lI, blz. 396, 480.


48

de jaa:en 1896- 1901 achtereenvolgens als veroordeeld tot gevangenisstraf

van 5 jaren en da~,rbo'Ven opgeeft aantallen van 35, 19,

30, 19, 22 en 31 (I}, Het stelsel van progressie, gelijk dit allereerst

in Ierland is in praktijk gebracht, is eIus met het oog op de

toestanden ten onzent, niet uitvoerbaar.

Zal echter het celstelsel, het eenige dat vom> ons land mogelijk

is, aan zijn doel beantwoorden, dan zal 1 0 • eene classificatie moeten

worden ingevoerd wam'bij zoowe,l physische als psycllische motieven

gelden en waarbij ook met geschiktheid voor bepaalden arbeid moet

worden rekening g'ehouden en ~o. zal men niet stJ>eng moeten vasthouden

aan de volkomen doorvoering de:!.' afzondeI'Îng, maar in

bepaalde gevallen me,t verstandige voorzorgen zekere mitigatie

behoo ~l'en toe te staan. In verband met andere :faciliteiten eenerzijds

en strengere tucht anderz~ids zal daardoor het stelsel ook naar zijne

positieve zijde wo!rde-n opgebouv;-d. Aan eene bijz'ondere wet moet de

uitwerking dezer beg'Îm;e,le,n worden ove,rgelaten. Dool' de tiha.n.s, voorgestelde'

bepalingen wordt slechts die nadere wetgeving' voorbereid.

In art. 22, tweede lid, v;7I(l,rdt het terrein aigebakend der Beginselenwet,

waarop de h~i dat artikel voorg1el'SChreven a.lg,emeene

maatregel van bestuur berust.

In de limitatief bedoelde opsomming dezer u.linea is echter niet,

begl'epen de hevoegdheid tot gedeeltelijke opheffing deJ.· afzondering,

in art. 6 van voormelde wet eveneens als beginsel aangenomen en

uitgewerkt in al. 2 van art. 6 (§ 1) ,'an genoemden bestuUI'smaatregel.

N u art. 11, laatste lid, van het \Vetboek z,el:f de regeling

van die gedeeltelijke opheffing van de afzondering mogelijk maakt,

hehoort deze leemte te wo'rden aangevuld.

De terminologie "tot gevangenisstraf veroordeelde" is in ad. 11,

derde lid, te ,"ei'kiezen boven die van "gevangene". E,"e'nzoo in art.

13, waar alleen sprake is van gevangenisstraf, terwijl onder "gevangenen"

ook zij die hechtenis ondergaan zijn beg'pepen.

In a1l:t. 12, 3"., kan echter de bestaa,nde t&minologie worden behouden.

Dat OOOert' deze algemeene benaming ook zij zijn te verlstaan,

die hechtenis ondert'gaal1, levert·t juist VOOi]: art. 12 geen

bezwaar op, daa,!' dit artikel ook VOOi!.' heohtenis, geldt ingevolge

art. 19, laatste lid.

Ook in aJ't. 14 is de terminologie juist, da,aJ> ook de tot hechtenis

veJ.'oo'l:deelde ingevolge m't. 20 tot het vera.'ichten van bepaalden

arbeid kan verplicht worden en in elk geval is ond:erwOi'pen aan de

voorschriften ter uitvoering van aa:t. 2·2, gegeven.

Artikel 11.

Artt. 14bis- 14 se.vies. Voo1'waa1'delijlce niet-te1witvoel'leggil1g van

01Jgelegde stmt. Hoewel aangenomen mag worden, dat kaJ'akter en

f'!tJ.'ekking van dit rechtsins,tituut, welks invoe~.'ing in de N ederland-

(1) Gel'. Statistiek, 1896, bladz. 119; 1897, II, bladz 179; 1898, 1I, bladz. 177;

1899, 1I, bladz. 181; Bijdragen t. d. statistiek v. Nederland, N. Volgr. XVII

Gel;. Statistiek 1900, bladz. 167 en XXVII Gel'. Statistiek 1901, bladz. 215.


49

sche 'strafwetgeving, z~i het dan onder eene aJldere benaming, ook

van de zijde dell: Volksvertegenwoordiging meer dan eens. als desideratum

is aaJl de, orde, gesteld, in hooÏcltl'ekkeu van algemeene

bekendheid zijn, schijnt hert niet ondienstig aan de toelichting tot

bovengenoemde m~t.ikelen enkele opmerkingen .en gegevens van

meer algemeenen aard te doen voorafgaan.

A. Te1~minologie. Behoud van den tot dusver gebruikelijken

term "voorwaardelijke veroordeeling" "lVordt ongewenRCht geacht

omdat hij, volgen\~ den geest der ontworpen wetsartikelen, volsm-ekt

.onjuist is,. Niet de veroordeeling toch is aan eene voorwaarde

gebonden ~ haar wor!(lt zelfs in vele gevallen, zoo ook in art.

14bis, de eisch der onheT1'Üepelijkheid g'estekl ~ doch de niettenuitvoerlegging

delr c1aarb~j uitges'pl'oken straf.

V oorwaa1,delijke niet-tenw'tvoel'legging del' stmf is damom alt<

benmning' te verkiezen (1). Zulks te eerdN' omdat, waar omtrent

het doel van het instituut, ten aanzien delr hoofclpunten althaJls"

weiurig o,f geen verschil ,an meening bestaat, zeer stellig de benaming,

waaronder het in wetenfolchap en wetgeving- bmgerrecht heert

"erb'eg'en, aan zijne min of meer schee,e karakterbeomdeeling en

aan het wantrouwen, waarmede zijne in uitzicht gestelde opneming

in onze wetgeving' wel eens we:rd tegemoet getreden, niet geheel

vreemd iSI geweest.

n. Aard en stl'ekking. (2) Onde1' vOOl'waardelijke niet-tenuitvoerlegging

van ,elegd, aan te vullen, ~ ,oor zoo'ver betreft het

aangeboden ontweq) met cle nadere bepaling,en van de artt. 14bis

en 14te1'.

Het doel dat lllet de invoering dE'J' voorwaardeilijke niet-tenuitvoerlegging

van st,raÏ tvordt beoog'd is in de eerste plaats eene

beperking van de 'I.'eelvv.,ldige toepassing der korte vrijheidsstraffen.

Kmte vrijheids,


50

beide g'evaHe.n, afzonderlijk of vereenigd, het contact met medegevangenen,

dat zelfs bij afzonderlijke opsluiting' niet geheel is te

keel 1 en, de noodlottigste gevo,lgen kan hebben. Vervolgens heeft de

eerste korte vrijheidsstJ:a.f den ' delinquent met de gevangenis vertirouwd

gemaakt en bestaat b~j hem niet meer hetzij de vrees voor

het onbekencle, hetzij dat altijd eerhi,edwaardige schaamtegevoel,

die. in vele g'evallen nog van den misstap terughouden; de afschrikkende

kracht Tan de tra.f gaat verloren. Bovendien blijft, ondanks

de mogelijk geringe beteekenis van he,t. gepleegde feit, op clen veroordeelde,

die eenmaal "g~.let.en" heeft., in de volksmeening voor

altijd min of meer eene smet rusten, en hoewel de bestrijding ook

van dit dwaalbegrip op den w,eg Tan den. wetgever ligt, mag d·e

plicht claartoe niet terughoudein van een maatl'egel, die zóó heilzaam

werken kan als de ondergeteekende hoopt ten aanzien van het op

tie nemen instituut te kunnen aantoonen: het werkelijke belang van

zoovelen en ten slott


51

middel tot verzoening' met die zedelijke OTde, die de schuldige had

verstoord.

:Met v,el'stand lloe,gep::IJst, zal de vOOTwaaa'delijke lJliet-tenuitY0811-

legging van straf eene preventieve werking uitoeÏenen, die nimmeil'

van het ondergaan Yall korte vrijheidsstraffen t,e wachten is. Onge.­

twijfeld zullen er ook o:vertl'edeiJ.'s der strafwet zijn bij wie de verwachte

psychische werking uitblijft, doch het is be,ter dat enkeleI1

hunne gerechte stJra.Ï ontgaan, dan dat velen noodeloos gekweld

worden en gekrenkt.

,;Uet ver tand toegepast". Deze eà.sch worde vooml niet uit het

oog' veiI'loren. E.en vergelijking hlsschen de weil'king' illJ Frankrijk

en in :België bewijst, hoe een goed bedoelde en hoogst nuttige inst,elling

alleen bij verstandige toepassing zegenrijke gevolgen kan hebheu,

doch bij overru'€ven g~bruikmaking veel minder gunstige

resultaten oplevert. Het laatste wmdt aangetoond o.a. door den in

clezen tot oordeelen zeel' bevoe.gden advocaat-gene!t'ua.l bij het hof

van appèl te Brussel, l1ll'. TERLINDEN (1) . Aan het sJot van de hieronder

sub D volgende bespreking van de resultaten der voorwaardelijke

niet-tenuitvoerlegging' wmdt hierop teruggekomen.

·Ofschoon derhalve de ondergeteekende de hierboven vermelde

theoretische bedenking allerminst als juist kan erkennen, heeft hij

niettemin de vraag' of wellicht langs anderen weg dan dom' invoering

van het instituut der voorwaairdelijke ni·e,t-tenuitvoerlegging

van straf, de bijzondeil' yan die instelling verwachte heih'ijke gevolgen

te ve1rkrijgen waren, aan een ernstig ond·eiJ.·zoek onderwO'l:,pen. Dat

ondffl'Zoek heeft niet tot afdoende uitkomsten geleid: met name is

hij er niet in geslaagd de "vom'waardelijke niet-tenuitvoerlegging

van "stil'af" op bevredigende wijze om te scheppen in eene "voorwa.ardelijk€

g-ratie-verleening".

Bij deze toelichting- is met groote erkentelijkheid gebruik gemaakt

van een 'uitvoerig overzicht van de werking van het him' behandelde

instituut in België, alwaaa' het, evenals in Fra.nkrijk, den naam

draagt van "condamnation condi tionnelle", den onde!l.'geteekende

veIlStrekt door de bijzondere welwillendheid van zijnen hooggeacht.en

ambtg'lffiloot daar te lande, den heer VAN DEN HEUVEL.

Terloops mag nog worden gewezen op de helang'il'ijke ko·stenbesparing

die bij invoering van den nieuwen maatJ.'egel mag WOerden

verwacht. Weinige geg'evens staan wel is waa;r hieromtrent ten

clienst.e. In de kolonie Nieuw-Zeeland is bij eene jaarlijbche toepassing

op 80 à 90 person€n die besparing berekend op eB 2.503.4s.9d.

per jaar = Ï 30,000. Wanneer mag wü'l.'cleI1 aangenomen, dat de

tenuitvoerlegging der vrijheidsstraf ten onzent even kostbaa;r is als

in Nieuw-Zeeland, dan zou voor Nederland, waar jaarlijks ongeveer

6000 personen tot g,evangenisstraf van minder dan 3 maanden wm'­

den V'el"oordeeld, in veil'band met de bepaling van art. 14bis, bij

toepassing van den maatl'egel ook op de helft der Vffl'oo!l.'deelden,

(1) Discoul's . de rentrée de 1901: Un sièole de droit pénal.


52

eene jaarlijk'cbe besparing "'orden verkregell van 36 x 30,000

f 1,050,000.

Hoewel deze berekening iu zeer gro"e trekken is gl:'srhied en de

mogelijkheid allicht mag wordell aangenomen, dat het :,;telsel in

Xieuw-Zeelnnd in meerdere ge,allen, onder anderl:' op ,el'oordeeldell

tot lanA'ere straffl:'n, wordt tOl:'gepast dan ten onzent rasu quo zou

g~schil:'dl:'ll, schijnt uit de c~jfl:'ropA'an'n aIthan te mOg'en "'orc1e11

afgeleid, dat het finaneieele "oordeel in geenen deele gering lllag

''Oordell W' chat.

C. GescAiedenis; stelsels. Het instituut is het eerst ingeyoerd

ge"'ol'den in den i-ltaat :llassachu,


53

,,(\h(~ideJle Bonds~üüen, waarin 8aksell, Ressen en rl'UiRell voorg1.11-

gen in het jaar 18D5 (1). Alleen in Saksen-\Yeimar, Mecklellburg­

Ntrelitz, Brunswijk, Saksen-Altellburg en Heusz OUd8'l'8 en Heu~z

jonge~'e linie bestaat zoodanige regeling' nog' niet, maar behelpt

men zich dOGT aan he~ verleenen van gratie de voocnvaarde van g'oed

gedrag gedurende zekeren tijd te verbinden, bij welker niet-inachtneming'

de gratie vervalt (2).

Ret instituut heeft zich onder verschillende benamingen volgens

tweeërlei stelsel ontwikkeld:

lO. het Engelsch-~~merikaan 'che proefstelsel, waaTVan het hoofdkellll1,el'k

is, dat de veromdeelde gedurende den proeftijd hetzij ondm'

toezicht van een dam'toe aangesteld ambtenaar (probation officer)

staat, hetz~i door een borgtocht (recognizance), welken hij bij recidive

binnen den proeftijd veTbeurt, is gebonden.

2°. Ret Belgisch-Fransche, volgens hetwelk den veroordeelde

gedurende den proe~jd geen enkele band wordt aangelegd.

De uit eerstgenoemd stelsel voortvloeiende reg1elingen zijn zoo

specifiek Engelsch-Amerikaansch, dat bij een keuze tusschen beide

voor de in de NecIerlanclF;che strafwetgeving in te voegen artikelen

in hoofdzaak TI'ijwel uitsluitend het tweede stelsel is gevolgd; de

wetgeving van Fl'Unkr~ik en Be1g.ië is boyendi.en in mem' dan één

opzicht nauw aan de N ederlandsche verwa,nt.

D. Besultaten,. Ret in de laat~te alinea medegedeelde leidt er

toe, meer inzonderheid op de in België en FranJa:ijk verkregen

reliuJtaten de aa.ndacht te vestigen. .

België. Uit het rapport van den 30sten Juni 1897 betreffende

tIe l.utvoel'Î.ng', gedurende het jaar 1895, van de wet op de "conclamnatiO'll

conditiollllelle" dom deu UinÏl:;te


54

sel'va.tion est fóndée, mais qui ne sait com bien la, l'écic1ive 01'l1i11a il'C

est habituellement rapide

L'on pourra dire aUSIsi que la condamnation conditionnelle, appliquée

aux prévenus qui semblent présentel' Ie plus de garanties, doit

fatalement PToduire moins de récidives, Vérité d'évidence! Maïs Ie

but de la loi n'est-il pas précisément d'empêcher les délinquants

d' occasion de devellÎl~ des criminels d'habitude Et le résultat, on

peut l'affirmer, a dépassé les espéJrances. Car enfin, il ne faut 1'ien

exagérer,' les constatations relatives à l'inefficacité des COU1·tes peines

ne sont déjà que t1'op gra'ves et nul ne songe à souteni' qu'il suffimit

de dispenser les comdamnés de l' emprisonnement POU' red'esser les

'instincts mauvais et empécher toute récidive." (1)

Dit wordt geschreven na een ondervinding van ruim zeven jaren,

en ven'Ler:

'IJ e l'ai dit plus haut, les eft,ets de la condamna,tion conditionnelle

SUl' la criminalité générale commencent seulement à pouvoir être

appréciés, Trop de facteurs di:ffél'ents influent SUl' la criminalité pour

que Pon puisse tirer des conclusions précises et fOl"rnelles, du chiftre

total des condarnnations, En Belgique, par exemple, Ie développement

des règ'lements communalL'{ et provinciaux, la loi SUl' l'ivresse

pliblique etc, n' expliquent-ils pas dans une certaine mesure I' augmentation

du nombre des contraventions dans ces dernières années ~

TI faut une série de constatations log'liques, concordantes et persis~

tantes pOUJ: permettre de conclure, Disons tout'efois que dès à présent

les indications de la statistique paraissent favo,r-ables·, L'on devait

espérer, mais après un certain laps de temps se'lllement, qu'une diminution

du nombre des in:tractions seruit la cOonséquence du reclassemen

t dans, la vie honnête, de nom breux condamnés primaires" ,

Belangrijk zijn dez·e beschouwingen zoowel met het oog op het

onderwerp, naar aanleiding waarvan z~i WOorden gegeven, a.lsook in

zooverre daarin gewaarschuwd wordt tegen het trekken van snelle

conclusiën uit enkele c~jfeTs, zonder zich van de portée dier cijfers

rekenschap te geven, In de laatste zinsnede wordt het juiste licht

gewOorpen op de statistische gegevens, welke op de zoogenaamde

kleine criminaliteit betrekking hebben, ,,"'aal'op het instituut voor

een groot deel van toepassing is,

In verband met eene andC'l',e, in de ruerboven aangehaalde beschouwingen

vool'komende uiting, staat eene opmerking, gemaakt in

de reeds vei'melde redevoering van den advocaat-generaal TERLINDEN,

De bedoelde uiting is die, waarin de mogelijke tegenwerping, dat

alleen !l,ekening is gehouden met herhaling gedlll'encle den proeftijd,

wel als juist wordt erkend, mam' als niet. afdoencle wordt geoordeeld,

omdat de gewone l'ecidi,e in den regel spoedig volgt.

~jjr. TERLINDEN heeft onde~'zocht ten aanzien van hoe,eel der ; 11

1900 in het reS8O'rt van het Hof te Brussel veroordeelden wegens

wanbedrijf bij vroegere veroordeeling de 'opgelegde strar voorwaardelijk

niet was ten uitvoer gelegd. Op een get-a.l van 25,656 vond

(1) De oUl'siveering komt niet voor in het Rapport,


55

hij ('1' o,55:\, d. i. 1:J.85 peL, alzoo eeu vrij wat miJldl'r gumtige

Yl'l"houd.ing. Dat nog betrekkelijk velen, op wie ue maatregel Wl'TU

toegepast en die hunnen proeftijd met goed gevolg ten einde uraclhtpIl,

daarna toch weer een wanbech>ijf pleegden, bewijst intu~Rchen

niet tegen het instituut zelf, maar tegen zijne toepaSiling in België,

waar - - gelijk hieronder blijken zal - een te korte proeftijd pleeg-t

geg-even te worden; een van langeren duur zou wellicht de genezing

volkomen hebben doen worden.

In het boven vermeld overzicht, den cndergeteekende van zijn

ambtgenoot te Brussel ge"'orden, wordt eveneens gewezen op het

feit, uat de instelling schade lijdt door eene o,e1'd1'eyen toepassing,

uie uaarenbo,en het verkeerde denkbeeld doet ontstaan, dat een

eersü>, yerg"Tijp tegen de t1'a.fwet str::t:ffeloos "'ordt gehten.

Dat in Belg-ië die toepas~ing meer en meer aang'J."oeit, mogen de

onderstaande cijfers bewijzen:

Veroordeeling

tot gevangenisstraf van Percentsö

maanden en korter. gewijze Gevallen

verhouding

Daarvan

van recidive

Jaren.

van het cijfer

met voor- in kolom 3

gedurende

Totaal. waardelijke tot dat in den proeftijd.

niet-ten uit- kolom 2.

voerlegging

der straf.

1. 2. 3. 4. 5.

18g0 158.121 14.309 9.- 332

1891 192.296 21.193 11.- 705

1892 190277 37.510 19.7 1.326

18\)3 179.432 46.698 26.- 1.648

1894 186.625 51.248 27.5 1.761

1895 182.482 51.107 28.- 2.~60

1896 198.251 61.310 30.\) 2.730

1897(1 ) 183.387 64.454 35.1 2.572

-

PI·(lI/krijk. Blijken:> de door den :JIinister van .Tmtitie betrelfende

dp ;:trafrechtspleging gedurende het jaar 1895 verstrekte mededeelingen,

wordt allereerst de afneming der criminaliteit in het algellLeen

en der recidive in het bijzonder g'econsta,teeru (2). De VTaag

(1) De over latere jaren versohenen ver8lagen maken, dool' hunne geheel

andel'e inriohting, de voortzetting van dit staatje niet mogelijk.

(2) Joumal officiel, 9 Nov. 1897.


56

WOl'dt vel'v'olgens gesteld, waaraan dit verschijnsel anders kan worden

toegeschreven dan aan de werking deer voorwaardelijke niet-tenuitvoerlegging.

Ook de hiermede verband houdende beschouwingen

worden wegens hare belangrijkheid in haa,r geheel weergegeven:

"On n'aperçoit qU'Ulle innovation législative qui pomrait avec

quelque vraisemblance revendiquer cet honnem (nI. de daling der

criminaJiteit te hebben teweeggebracht): il s'agit de la loi de

1891 qui a autorisé les juges à acc'order Ie smsis conditionnel à

l'exécution des peines prononcées par eux. Oette mesUl'e excellente

n'a pas eu Ie temps d'agir sensiblement petndant l'année au cours

de laquelle elle a été inaugmée, ni même l'année suivante; mais,

peu à peu eUe oot entrée dans les mumrs judiciaires et dans les espérances

ou les appréhensions des justiciables. 11 n'est donc pas possible

qu',elle soit restée sans action sm In, marche générale de la crinun:ûiié

,et, en particulier, sm Ie mo'uvement de' In, récidive. Or, si l'on

compare au mombre t0'tal des smsis accmdés depuis 1891 jusqu'en

1895 Ie nombm des sm 'sis révoqués durant ces cinq années, 0'n es,t

:Brappé de l'exiguité de ce dernier, qui exprime la récidive spéciale

des bénéficiaires de la loi BÉRENGElt. Sm' 94,725 s'lU'sis aec0'rdé-s pendant

cette période, 4,159 seulement ont été suivis de lem révocation;

4 p. 100 environ Cl),. Si la récidive de 1890 à 1895 avait c0'ntinué à

croître du même pa,s que de 1880 à 1890, l10US am'ions dü compter,

en 1895, plus de 130,000 récidivistes"au lieu de 99,434. N'est-il pas

natmeI de supposer que les, 30,000 qui n'ont pas récidivé :tont partie

des 94,725 c0'ndamnés auxquels la loi du sursis a été appliquée La

menace de la peille, da,ns, l'état a.ctuel de notre régime pénitentaire,

semble donc se montrer plus efficace que 80'n exécution, du moins

en ce qui concer'lle les délinquants primaires,".

In Frankrijk was de verhouding yan hen, wier stra:t voorwa~U'­

delijk niet werd ten uib'oer gelegd, tot alle andere veroordeelden

tot vrijheidsstTa:t als. volgt (2):

In 1892 11 pct.

" 1893 13.6 "

" 1894 13.6 "

" 1895 15.2 "

" 1896 17,3 "

" 1897 17.7 "

" 1898 18.7 "

Een aa.nmerkelijk \,el'schil ahoo met België waal' die verhouding

in het jam.' 1888 niet minder dan 57 pct. bedroeg.

Niet Û'nwaal\schijnlijk is dit veel ruimer gebruik, dat in België

van het instituut gemaakt wordt, oorzaak van de minder gunstige

uitkomsten daa,r te lande clan in Prankrijk. 'l'el'wijl iJl Frankrijk de.

recidive sterk vermindm't, neemt zij in België steeds grootere verhoudingen

aan.

De meergenoemde advocaat-generaal 'l'ERLINDEN, die de uitkolll-

(1) Deze verhouding stemt overeen met de in België geoonstateerde (zie boven).

(2) Joumal officiel, 31 Janvier 1901.


57

sten der yoorwaunlelijke niet-tenuitvoerlegging' in België van een

vrij wat minder gunstige zijde doet kennen dan het zooeven aangehaalde

officieele Belgische !'apport van 1897 haM' doet voorkomen"

wijdt zullcs geenszins aan de instelling zelve, noch aan de Belgische

wet, die haar regelt, maar aau de wijze waarop men deze daM' te

lande toepa t. "La loi, telle qu'el1e a été conçue et votée, e't excellente

en elle-même, et no us devons féliciter Ia Belgique de l'ayon:

clans son arsenal législatif, :Mais qu'a-t-on fait dan la pratique de

cette loi excellente Je regrette de devoir Ie dire, une détestable

chose, Elle eût dû rester cl'une application exceptionnelle; on en a

URé et abusé à tout propos.

Pour certains Tribunaux, pom' certams magistrat,,>, la condamnation

conditionnelle est devenue la règle. Ils l'appliquent, non pa'

chaque fois qu'il fa,udrait l'appliquer, mais chaque fois que, légalement,

il y a moyeu de ]e faire. Ila l'appliquent à des ivrognes, à

des vagabonds, à de,; gens notoirement connus comme vivant dans

Ie désordre, à des gens déjà condamnés pom contraventions multipIes.

I1s l'appliquent, pom les infract.ions les plus graves et par Ie

~eul motif que c'e t Ie premier délit. Pour ces juges il n'exi te phU3

de circonstance aggravantes et nous les ,oyons invoquer les circonstances

atténuantes les plus inn'aisemblables, dan, Ie seul but d'aru'iver,

malgré la gravité et la nature pM'fois odieuse du fait, à ne

pa dépru er six mois d'emprisonnement" (1).

Dat een verkeerde toepassing de op zich zelve heilzame instelling

kan bederven, de daarvan verwac1hte g'oede uitkomsten terughoudt

en voor de algemeene veiligheid verderfelijke, VOM het zedelijk

'n'lzijn van een ,olk hoogst schadelijke toestanden in het leven

roept, werd reeds in ] 8D1 uitgesproken door den ~Iinister van

.1 uRtitie- I,F, J E"G~""E, die de wet yan 1888 had ontworpen en tot stand


58

t. 2. 3. 4. 5.

Toeg'epast Termijn nog Termijn geëindigd Termij n verdool'

overlijden, Straf ten streken zonder

op loopende voortv1 uch tigheid uitvoer tenuitvoerleggi ng

voor en amnestie voor gelegd op van straf vOOr

52.268 19.699 904 7.756 23.9U\J

Van het getal van kolom 1, vermiudercl lllet de som Villl kulommen

2 en 3, vormt het bedrag van kolom 5 ruim 75.5 pct. Berekend

alleen over de jaren na. 1899 blijkt de uitkoms,t in 80.7 pct. van de

gevallen. gunstig t.e zijn geweest.

Geen voorbeeld kan dan ook worden bijgebracht van eenen Staat,

die op de invoering der voorwaardelijke niet-tenuitvoerle'gging vanl

opgelegde straf wegens telemstellende resultaten is teruggekomen. (1).

,Vel zijn daa;rvoor ook de t.ijdperken van waarneming n'og veelal

te kort, maar de verkregen resultaten wijzen toch in geen geval

op het vooruitzicht, dat te eeniger tijd met het stelsel za,! worden

gebroken.

Die betrekkelijk nog korte dum van de werking van het stelsel

in verschillende landen mag toch, waa·r de gev'olgen reeds aanvankelijk

zoo gunstig mogen worden geacht, nielt langer met de invoering

hier te lande doen dralen; zulks zou gelijk staan met het zonder

noodzaak bestendigen van een wijze va·u strafrechtspleging : het

toepassen van korte VTijheidsstraften, welker ondeugdelijklheid door

niemand wordt betwist.

Er is geen reden om het instituut te beperken tot de zeer jeugdige

personen, met name tot hen op wie de meer aangehaalde wet,

houdende wijzigingen in de bepalingen betl'e:ffende het straffen en

de strafrechtspleging ten aanzien. van. jeugdige personen, betrekking

heeft. Met de artt.. 39ter, 39quatel', 39se.vzes en 39septies, waarVal-l

de terminologie b~i de invoering dezer wijzigingswet in overeenstemming

zal kunnen worden gebracht met de thans voorgestelde, iR eene

bijzondere regeling voor jeugdige personen i11 het Wetboek van

Strarrecht opgenomen. Doch daaJ:nevens warde de toepassing van

den maatregel mogelijk gemaakt ook voor andere delinquenten, voor

wie niet de mogelijkheid bestaa,t, dat zij. "tel[' bes0hikking van de

Reg'eering" worden gesteld or dat zij met "berisping" worden gestraft,

maar ten aanzien van wie in vele gevallen eene vrijheidsstraf

van betrekkelijk korten dulU' als eenige straf moet wOTdell uitgesl)l'okell.

(I) Uitgebreider gegevens kunnen worden geput uit het vanwege de Duitsche

Regeering nitgegeven werk : »Aüalandiacbe Gesetze betreffend die bedingte

Verurtheilung und amtlicbe Mittheilungen über die Anwendbarkeit dieses

Gesetzes", 2de druk. Berlin, 1898.


59

E. !Je voolfJcstelde (I/'lil.:clc/l. :Mag- nn. ,,1 ]l~t \"()omfgeg-mw de

urgeut.ie en hE'tt behtng" van de invoering der voorwaardelijke niettcnuitvoerleg'giug

van straf in de N ederlandsche strafwetgeving voldoende

zijn toegelicht, en mag in het algemeen worden aangenomen

dat die invoering in overeenstemming met de communis opinio zou

geschieden, dan kan thans worden afgezien ,au verdere meer algemeene

beschouwingen tf'r aanbeveling van dit in tituut en worden

overgegaan tot toelichting van de speciale bepalingen en van de

grenzen, welke bij de invoering, blijkens de redactie del' voorgest-elde

artikelen, zouden worden getrokken.

Art. 14bis. 1. Veroordeelingen wegens misdrijf en wegens overtredingen

van het Wetboek van Strafrecht en andere wetten. De

redenen, waarom sommige voorstanders van het instituut de veroordeelden

wegens overtreding niet in dat voorrecht wenschen te

doen deelen, worden minder juist geacht. 1Vat nam> aanleiding hier­

\ au in de vergadering der J mistenvereeniging van 1890 en elders

werd opgemerkt (1): bij overtredingen inzonderheid moet de straf

zoo . nel mogelijk volgen op het gepleegde feit, wil zij eenige preventieve

of repressieve kra.cht "uitoefenen, terwijl het bovendien met

het Oog op de zeer talrijke gevallen te moeilijk zou zijn na te gaan

(ook de trafregisters zouden hier niet helpen) of de veroordeelde

zich binnen den proeftijd al dan niet aan eene nieuwe overtreding

zou hebben schuldig g'('maakt, schijnt te veel te bewijzen. Deze opmerking

geldt in het algemeen alle kÜ'l'ie vrijheidsstraffen, ook die

tel' zake van misdr~jf opgelegd. Doch het mstituut der voorwaardelijke

uiet-tenuin-oerlegging van straf zoekt juist de preventieve en

de repressieve kracht der stra.f in ha1'e opschorting. ",Vam'om deze

opschorting> wel ten aanzi~n van misdrijven, niet ten aanzien van

o,ertreding-en aan het do~l zou beantwoorden is niet duidelijk, waar

dat doel toch in het algemeen is de toepassing van korte vrijheids­

~tl'a;ffen te vermijden.

Daarenboven lm:'ugt de billijkheid mede het aan de wegens mistlrijr

wroordeelden toegekende voorrecht niet te onthouden aan hen,

die zich aan een feit nn juricliek mindere beteekeni schuldig

maakten, voor zoowr het practisch mogelijk is ook dez~ daarin te

dopn deelen.

De practijk gebiedt ec]üpr eenige beperking. Het zal noodig zijn

lllaátreg>elen te nemen, waardoor iedere officier van ju. ti tie bek~nd

worde met elke veroordeeling, houdende de bepaling dat de opgelegde

sh'ui' ,oorwa..'l.rdel~jk ni~t zal worden ten uitvoer gelegd, opdat

hij zoo noodip: uitvoeTillg kmme geYen aan art. 14tel'. Dit zou echter

·ondoenlijk zijn voor de zeel' ta1r~jke gevallen van overtreding' vuu

yel'ordeuingen. Daarom wordt ten opzichte van ovel'tredingen beperking

Yoorge, teM tot die ,an het Wetboek van Rtrafrecht en

andere wetten.

(1) !lIl'. IIioM VISeEr in de vergadering van 1890, Handelingen lI, bladz. 162;

cf. ziin praeadvie3 ibid. I, bladz. 136, 137. Mr. SIMONS in Thel'l1is, 1890, bladz. 263.


60

Om uezelfde reden worut ook Yool'gestelü dl' veroordeelden wegens

bedelarij en la,lldloopel'ij VtUl de toepassing uit te sluiten,. Dam de

meellte bedelaar,' en landloopers recidivi 'ten zijn, is het toch niet

wen, chelijk hen voor eene voorwaardelijke niet-tenuitvoerlegging'

van opgelegde sh'ar in aanmerking te brengen.

Il. Gevangenisstraf of hechtenis. De mogelijkheid van voorwaardelijke

niet-tenuitvoerlegging yan opg'elegde geldboetestra.ffen behoort

niet te worden opengesteld (1). Voor deze ge,allen ,an ,eroordeeling

schijnt het instituut minder aangewezen; het gevaar voor

bederf door het ondergaan der korte vrijheid straf komt bij betalilIg

der boete te vervallen, terwijl, in zooyel'l'le het voor de gevallen van

ondergane subsidiaire hechtenis mocht blijven bestaan, rekening

moet worden gehouden met de tE'l' verg·emu.kkelijking van de beta.­

ling der geldboete in dit outwel'p voorgestelde wijzigingen en aanvullingen

(2}.

,",Taal' in dit artikel niet wordt gesproken owr de bijkomende

iJtraffen, moet hieruit worden opgemaakt, ook in verband met het

racultatief karakter der oplegging, dat deze geheel buiten het kader

van het instituut vallen.

lIl. V rijheidssfl'af valt zes maCUl(Zen of rmindCl'. De gevUJlgellÎsstraf

wordt in verreweg de meeste gevallen opgelegd voor minder

dan 3 maanden. De verhouding tot lu·t tota, I der opgelegcle gevangenisstraffen

toch bedraagt voor de jm'en 189G, 1897, 1898, 1899,

1900 en 1901 respectievel~jk 73, 74, 7~, 73, 7:2 en 71 pct,. Het aantal

veroordeelden, wier gevangenisstraf wisselde tu,'schen ;) en minder

dan 6 maanden bedraagt in den regel 1/6 nn het aa.ntal wiel' strai

nog geen 3 maanden be-Ioopt. Toeh - - en juist daa;rom - is het

l'aadZaUJll de grens hooger te ste-llen dan a maanden en wel op zes

ma.anden, omda.t ander ' de rechter menigma.al voor de moeilijkheid

:-Ia.! worden geplaatst om - waar h~j eene .'h'af van meer dan 3

maanden gerechtvaardigd acht, doch teyenS de yool'waardelijke llÎettenuitvoerlegging

der strar meE:'nt te mogE:'n toe.passen op den schuldige

- Of eene lichte straf op te leggE:'n, or nn het bedoelde rechtisinstituut.

geelJ gebruik te makE:'n. DezE:' lllopilijkheicl :-lal zich te minder

yoordoen naarmu te de gwns verdE:'l' wordt getrokken ,all den

meest ,oorkomenden chuu' del' strar. ,Yerd echter een langere tel1llijn

dan G maanden gestelel, :-100 zou de maatregel het doel voorbijsh'evell,

daar gevangenislltrar ,all meel' dan G maanden niet meer een korte

vrijheidsi'>traf kan genoE:'md worden.

Hechtenis yall meer dan G maanden komt. slechts bij uit:-londel'ing'

voor, maar zeHs hechtE:'ni .. van :3 maanden behoort 1'ee(1's tot de zeldzaamhedE:'ll.

De gren moet. du , met het oog op gevangenisstraf, niet

op hechtenis, worden bepaalcl.

(1) .Afwijkend art. 1 der LOl B~RENGER; § 1, al. 1 der Noorweegsohe wet

van 1894; ~ 52 van bet Noorweegscbe Strafwetboek.

(2) Zie de wijzigingen voorgesteld bij art. 23 en de voorgestelde toevoeging

van art 23bis.


61

IV. flf persoon van den l'e1'Oo1'{leelde. DE'n rechter moet het ter

heool'deeung overgelaten worden, of hij met het oog op de antecedenten

vau den dader, z~jne houding ten processe ""UZ., den maatregel

al dau niet wil toepassen. Deze ruime opvatting, zoo verschillende

yan de in de meeste wetten en ontwe11)('n be taande beperkingen,

lilag geheel in ovel'eenstt'mming geacht worden met het in de

X E'Clerlandsche ,vetge,-ülg gehuldigde verh'Ollwen in het arbitrium

judicis. Enkele wetgewrs hebben bijv. de toepasselijkheid t{)t de

jeugdige veroordeelden heperkt (C. I). X euchatelois, :ntt. 399-402).

~\.ndere stellen als vereischte berouw of voorafgaand goed gedrag

(ontwel'p-BÉREXGER yau 1884, art. 3), of meer generaliseerende

termen als : "beHonders rückHichtswiirdige Fälle" (00 Rtenr. Reg.­

ontwerp § ~5, al. 1, 1) of ,,:1l1~' extenuating circulllstances" (Eng't'lsrhe

w('>t) , hE't hebben van eene yaRte woonplaats vóór dl'> veroordee­

Jing (Engel che wet: ontwerp van dr. ArPELIUs, yoor Duitschland

met het oog op jeugdige personen salllengestdd, § 17), bekentenis

(C'. Il. N euchate-Iois, art. 39D} en in het biizonder een ol1bel'ispelijk

l'erleden.

Deze laatste eisch " 'ordt in bijna alle wetten en ontwerpen gestdd.

Y olgens sommige maakt eene YToegere yeroorcl'eeling wegens misdrijf

latere veroordeeling tot ~traf, die yool'\yaardelijk niet wordt ten uit­

",'oer gelegd, onmogelijk, volgens andere wordt dit zelfs uitgebreid tot

vroeg'ere yeroordeelingeu wegens owrtreding, yolgens sOlllmig·e is

een bepaald tijdsverloop tUf\schen de vroeg~re en de l:ltere veroordeelingen

wèl, yolgens anders die tusschenliggende tijd niet van

invloed. Onbillijk ware het echter yoor alle g\e~Tallen dezelfde dwingende

bepaling vast te stellen, vooml mpt het oog op het tijdperk

yan overgang nm het oude tot het nieuwe régime-. Niet altijd kan

yolge-lli'l de bestaa.nde strafbepalingen de rechter geldboete opleggen,

wam' het opleggen van geyangenisstraf, %ij deze ook nog zoo

kort vau duur, in het gegeven bijzondere g'eval eene buitengewone

hardheid chijnt, welke zich nog' meer zou doen gevoelen, wanneer

%ij den veroordeelde voor het vervolg van het voorrecht der veroo1'­

deeling tot straf, die voorwaardelijk niet wordt ten uitvoer gelegd,

:;;on uit'sluiten. Lieyer dan door het vas~stellen van eclecti_che bepalingen

practische Yragen heh'efl'ende de. toepassing daarvan te doen

rijzen en ook tot onbill~jkheid in die toepassing aanleiding te geven,

worde ook de beslissing in deze gevallen aan de prudentie van den

judex facti overgelaten in wien het N eclerlandsche volk steeds getoond

heeft vertrouwen te Rtellen.

De ondervinding' in België opgE'daan, da.t de rechterlijke macht

de ,.condamnation conditionnelle" toepast op het meerendeel van

hen, die voor de eerste maal terecht staan, zonder zich ernstig

genoeg af te vragen of de delinquent voldoende wu


mum-duur van den opgelegden pr'oeftijd kan echtoc 1100de in de

wet worden gemist. Niet dat ten aanzien van de beleidvolle toepassing

daarvan aan den r,echtm' het vertrouwen wordt ontzegd, maa,!.'

de wettelijke vasts,telling van den duur van den proeftijd mag als

een der essentialia worden beschouwd van eene behoodijke wettelijke

regeling.

Inzonderheid komt dit uit wanneer, gelijk uit de vergelijking' VUll

de termijnen van art. 14bis met die i11 de bllitenlandsche wetten

en ontwerpen aangenomen blijkt, ten deze een vl'ij streng beginsel

wordt ge:\"olgd.

Ondl"rstaand vergpl~ikend

overzicht toont dit aan:

State]}).

MassachuRetts

België ................ , . , ..

Frankrijk ., ...... : .. , .... ,.

00, temijk (Regeering\gontwerp)

.............. .

Ontwerp mr. DE SIT-

TER (1) ................. .

Neuchàtel, .. ,., .......... .

Genève ....... , ........... .

Zwitserland (Ontwerpstrafwb.

1903) ........

MinimlUll-proe.ftijcl.

2 maanclen,

ontbreekt,

"

1 ]Uar,

1

"

ontbreekt,

"

2 jaren,

ImxembLU'g .. ,............ ontb~'eekt,

Portugal .................. 2 jare}]"

N oorw,egen (1894) ...... ontbreekt,

" (Strafwb.) ... "

2 j M'en (misdrijven).

.AI't. 14bis v. h. ontw. 6

maan

d

en

(

ov,ertr .

)

.

12 maanclen.

5 ja,ren,

5

"


63

oefenen controle belangrijk bevorderd; bij lange termijnen vediest

men hem gaandeweg uit het oog:. Doch korte termijnen zijn aan

den anderen kant niet bevorderlijk om de 1)roefhoudenclheic1 van het

instituut ue doe'n kennen. Bij het stellen van een korten termijn

toch blijkt niet voldoende, of de velOordeeling op den duur van herhaling

terug·houdt. Ook de meest onverbete'rlijke gewoontemisdadiger

:-:al wel eens kans zien geclmende een korten tijd uit de handen

c11:'1" justitie te blijven; yoor hem is de termijn slechts eene zaak

van berekening, om na verloop daarvn.n opnieuw te beginnen; tegen

een langeren termijn zijn echter zijne kwade neigingen op den dum

niet bestand. Den werkelijk tot inkeer g'ekomen g·elegenheidsmiseIadiger

(en op deze categm1.e is het instituut inzonderheid toepas­

~elijk) is de termijnbepaling onverschillig; is het voorrecht der vel'­

oordeeling, met bepa.ling da,t de opgelegde straf voorwaardelijk niet

\zal worden ten uitvoer gelegd, eenmaal zijn deel geworden, dan zal

hij op den goeden weg blijven, zonder rekening te houden met hl:\t

al dan niet verstreken z~in van den termijn. Een lange termijn

schijnt du,g een zeer dooltreffendmiddel, bm den gewoontemisdadiger

vau den gelegenheidsmisdadiger te doen onderkennen.

Doch er is meer. Uit de c~jfers del' Gerechtelijke Statistiek, welke

sedert 1896 omtrent vel'!';chillende belangrijke punten betreffende de

recidive meer licht verschaffen, blijkt dat het meerendeel der reciclivisten

eerst na langen tijd en wel na een jaar of langert' tot herhaling

van misd,r~iÎ vel'valt. :Men raadplege slecht.s het navolgende

overr-icht, ontleend aan staat XIV van den jam'gang 1901.

Van de ontslagen gevangenen,

die de laatste maal

waren veroordeeld tot een

vrijheidsstraf van:

Maakten

zich schuldig aan

herhaling

binnen het jaar.

Maakten

zich schuldig aan

herhaling

na verloop van een

jaar of lctnger.

O--beneden 3 maanden.

3-beneden 6 maanden.

6 maanden-beneden 1 jaar.

. I-beneden 5 jaar

5 jaar en hooger.

Totaal

665

227

]36

135

1

1164

1412

287

153

125

5

1982

Ujt bovenstaande opg'aven, waarin die betreffende de voor de

/ttrrond~ssements-rechtbanken te berechten overt'edingen (in hoofdzaak

bedelarij, landlo'operij en provinciale Oof g'emeentelijke overtre-.

dingen), natumlijk buiten beschouwing zijn gebleven, moge blijken

dat de groote meerderheid der recidivisten eer'st na vedoop van een


64

Jaar of lang",r (1) zich aan herhaling van misdrijf sclmldig maal,­

ten. Inzonderheid is het verschil aanzienlijk, waal' het betreft de

voor de laatste maal tot vrijheidsstraf van minder dan a maanden

veroordeelden (GG5 en 1412), maar ook is het nog- van gewicht bij

de tllt a, 4 en 5 maanden veroordeelden; en jnist cleze beide categorieën

zouden in de termen van art. 14bis vallen. Restillleel'ende

komt men tot de slot.som, dat, ,,'il men zich van eene ruime en doeltreffende

toepassing van de voorwaardelijke niet-tenuitvoerlegging

der straf verzekeren, bij misdrijven niet kan worden volstaan met

eenen minimum proeft,ijd van één jaar (de minde/'heid toch recidiveert

binnen het jaar), ma..'tr deze grens hooger moet worden gesteld.

Blijkens de c~jfel's weet de meerderheid der delinquenten,

inzonderheid de tot de kortste vrijheidsstraffen veroordeelden, den

proe-ftijd van een jaM' met goed gE'Yolg te dOOl'staan, ook zonder

.lat het Damocles-zwaard der tenuitvoerlegging van de hun opgelegde

ilt,raÏ hun boven het hoofd hangt, reden dus om dien te ver­

'lengen, wa,lllleer dit wèl het geval is,

De ervaring in België verkregen bewijst, dat een te kort ge~telde

termijn de inst.elling in discrediet breng't. ,Vaar in 13elg"ië een

minimum-proeftijd in de wet ontbreekt, IS de rechterlijke- maclJt er

toe gekomen s,teecls een korteren termijn te bepalen. In den aanvang

nam zij den maximum-proeftijd veelal tot regel, doch allengs

werd de termijn niet meer op vijl maM' op drie jaren ~paald;

later werd gewoonlijk één jam' gesteld en thans is een tijd nu zps

:.uaanden regel (2).

:Met de bepaling van den minimum-telmijn hmlgt clie van dpn

maximum-termijn na,uw samE'n. De grem;bepaling van yijf jaren,

voor wat misdr~jven betreft, komt ook in de Bplgische, Fr::m, ('hp,

Heneefsche, Luxemburgsche en Portugeesche wetten VOOI', en (Welleens

in het ontw",rp van een Zwitsersch ,Vetboek van ~1:raD:echt.

])pze nog nader toe te lichten Rchijnt overbodig. Dpn rechter zij hpt

oyergelaten, in aanmerking nemende het gewicht van het gepleegde

feit en de qualiteiten (les daders, in bepaalde geyallen ook een

proeftijd yan vijf ja;reJl in het YOlllliR, te stellen.

Voor wegens overtreding veroordeelden 7.ijn de g-renzell van den

proe:ft.ijd nader bij elkam' ge.legd; voor ben wordt een minimum

'-all zes maanden en een maximlilll yan een jaar vOOTg.esteld. Voor

derge.lijke feiten van mindere beteekenis komt een zoodanige proef­

,tijd voldoende voor,

Artt. 14ter--14se.vies. De artikelen, waarin de wijze van procedeeren

in geval van recidive binnen den proeftijd wordt omschre­

,,'en, schijnen weinig of geen toelichting te behoeyell.

(1) Het bovenstaande blijft van kracht, ook al voegt men bij het eindcijfer

der tweede kolom het aantal van hen, die reeds v66r het uitspreken of ondergaan

eener vroegere veroordeeling zich aan een nieuw strafbaar feit schuldig maakten.

Ook deze zijn gewoontemisdadig€'l's, doch van minder gevaarlijk karakter.

(2) Mr. 'fERLINDEN, Discours de rentrée de 1901, die ook hieraan voor een

belangrijk deel de minder bevredigende uitkomsten van de instelling in België

toeschl'ij ft.


65

De officier van justitie van het arrondi,g,sernent waarin de veroordeelde

zich bevindt, is de aangewezen macht om den ambuenaar

van het Openbaar Ministerie bij het colleg~e (indien dit niet zijn

eigen coll!:"ge is) of het kantong,erecht, da,t de vel'ool'deeling tot de

niet ten uitvoer gelegde straf heeft uitgesproken, in kennis te

,'tellen met de nieuwe veroordeeling, die tot de tenuitvoerlegging

van die straf aanleicling zoude kunnen gevem

De tenuitvoerlegging van de straf behoeft niet te volgen na elk

opnieuw gepleegd strafbaar feit, van welken am'd ook; alleen bij

gelijksoortigheid van beide feiten is het duidelijk, dat de veroordeeling

tot eene s,traf, waarvan de tenuitvoerlegging is achterwege

gebleven, haar doel heeft gemist, :Mam' dan ook moet die tenuitvoerlegging

volgen en zou eeue nieuwe tusschenspraak des rechters geen

zin hebben. Art. 14quater sluit die dan ook uit. ~rel' aanwijzing. van

de gelijkooortigheicl dient het laatste lid van art. 14te1'.

De beslissing omtrent de al oef niet tenuitvoerlegging der stJ.'uf

behoort overigens, indien de v€'roordeelde zich gedurende zijn proeftijd

slecht gedraagt, te berusten bij het college of het kantongerecht,

dat de veroordeeling heeft uitgesproken. Deze rechter toch

is in staat alle omstandigheden in aanmffi'king te nemen, welke ten

deze van belang kunnen zijn. Groote spoed zal bij de berechting

b€hooren te worden in acht genomen. Binnen 6 dagen na de kennisneming

van de nieuwe veroordeeling, die tot de tenuitvoerlegging

'zou kunnen leiden, moet de ambtenaar van het Openbam' Ministerie

bij het college of het kantongerecht, dat de v6'roordeeling' tot de

istraf, die niet is ten uitvoer gelegd, heeft uitgesproken, de· beslis­

'sing dienaangaande aanvrag'en. Inmiddels kan clie ambtenam', inclien

hlj de officier van justitie i,s, de voorloopige aanhouding van

den verom'deelde gelas,ten, wat dus alleen kan geschieden als de

veroordeeling ter zake van misdrijf wem uitgesproke'l1. Den ambtenaar

bij een kantongerecht de bevoegdheid tot voorloopige aanhoud,ing

in dezen te verleenen, terwijl hem die in het algemeen

ontbreekt, schijnt niet geraden. Trouwens incli·en ook van wegens

overtredingen veroordeelden de voorloopige aanhouding werd toegelaten,

zou de duur daarvan allicht dien der straf overtJ.'effen. De

'vooil'loopige aanhouding kJan nooit langoc duren dan de tffi'lllijn

binnen welken op de aanvrage omtrent de al of niet temritvoedegging

moet zijn beslist, dus, ten hoogs,te 6 dagen, vermeerderd met

den tel'lllijn van 8 dagen, bij art. 14se.xies, eerste lid, voorgeschl'even.

Is de veroorç.eelde echter uit anderen hoofde gedetineerd en bef:taat

dus de urgentie der spoeclige berechtiging niet zooe;eer, dan

kan aan het college een langere termijn en wel van ééne maand, ter

beraadslaging worden gelaten. Het is billijk den tijd der voorloopige

aanhouding op de eventueel. uit te voeTen straf in mindering te brengen.

Artikel 12. (1)

A1't. 15, ee1'ste lid. n~i de eerste invoering van het st.elsel \7on

voorwaawlelijke invT~jlü~icl. t,el1ing was het zeel' nntuudijk, rla.t de

(1) Verg. Uitg.-BELINFANTE, ITcrz., dl. I: blz. 46.

Herziening Wetb. Strafr. Il. 5


66

wetgever voorzichtig te werk ging en niet terstond gelegenheid gaf

tot te ruime toepassing. Waar de voorwaardelijke. invrijheidstelling

.feit.elijk wijziging kan brengen in den door den rechte:r bepaalden

duur der straf en zulks inge,volge besluit van eene andere macht

dan me de straf oplegde, was het een blijk van v,erstandig beleid

de bevoegdheid daartoe slechts omler beperkende voorwaarden te

v-erleenen, vooralomclat alleen de ondeninding na verloop van

eenigen tijd uitspraak zou kunnen doen over de werking en de

rleugdelijkhe-id van het stelsel ten aanzien van N ederlandsche veroordeelden.

Bij de inderdaad karige toepassing is de werking bepaald

gunstig te noemen. In het geheel werd tot op het oogenblik,

waaI'op deze 'roelichting :werd geschreven, op 72 veiJ.'oordeelden de

vOOTwaardelijke inVI'ijh~idstelling toegepa&t en slechts in 6 van deze

g1evallen deden zich termen voor tot herroe'pi11fS', die' dan ook volgde,.

Dat een betrekkelijk slechts g'ering aantal malen vooifwaardelijke

invrijheidstelling werd verleend, is een noodzakelijk uitvloeisel van

den door art. 15 gestelden eisch, dat de vel'o!ordeelde ten minste

drie jaren in de gevangenis moet hebben doorgebracht. Allen, die

eene straÎ van korter,en duur dan een weinig meer dan drie jaJ:en

hebben te ondergaan, vaUen hierdom: buiten het bereik van het

.stelsel. En toch zijn er onder deze groote meerclerheid der tot gevangenisstraf

veroordeelden niet weinigen, op wie het met gerustheid

zou kunnen worden toegepast, lieden op wie de gevangenisstraf reeds

na hetrekkelijk korten tijd zoodanigen invloed ten goede blijkt te

oefenen, dat zij volkomen aan het doel beantwoordt, ook al wordt

z~j niet zoolang voortg '

ezet als waartoe de recht!er aanvankelijk

meende gelegenheid' te moeten g'even.

Het recht van gratie kan in dergelijke gevu,llen niet tot hulpmiddel

menen. Nog daargelaten, dat mt prerogatief der Kroon

-daardoor zou worden misbruikt, mist het ook het g'roote voordeel

'VaJl het voorwaruuelijk ka,rakter, dat het bij art. 15 bedoelde instituut

zoo bij uitstek geschikt maakt.

Ten einde dit ook te klwnen toepassen ten opzichte van ver'oordeelden

tot kortere g1evangenisstraf, wordt voorg1esteld het minimum

van drie jaT,en, in art. 15 gesteld, te doen vervallen en de invrijheidstelling

mogelijk te maken zoodra de vel'oordeelde drie vierden van

ûjn ,straf heeft ondeil'gaan, ook al heclraagt dat gedeelte minc1eiJ' dan

drie jaren. Al te kort mag echter de duur der werkelijk ondel'g'!1ne

"traf niet zijn. V oor eene gronmge beoordeeling of o-p een gevangene

de voorwaardelijke invrijheidstelling: met kans op goeden uitslag

kan worden toegepast, is een verblijf althans van eenige maanden

j'n de gevangenis noodig .. Er moeten tijd en gelegenheid zijn geweest

om den invloed der straf op den veroordeelde na .te gaan. Is daarvoor

een termijn van drie j aren veel meer dan noomg is, lager te

gaan dan negen maanden komt niet raadzaam voor, omdat gehuicheld

berouw dan maar al te licht voor oprecht zou kunnen worden gehouden,

en in elk geval ook een gedmende eenigen tijd voortgezet

verblijf in de gevangenis ollmisba.ar is om den veroordeelde werkelijk

de zwa::u.'te der straf te doen gevoelen.


G7

Daarom wordt, in vprband nH't den eisch, dat. drie vierden der

~traf zijn ondergaan, Vool'g!eflteld het instituut alleen toepasselijk

t.e maken op hen, die tot ten minste een jaar g'evangenisstraf zijn

'vE'roordeeld, Dit komt rationeeier voor dan (le toepassing der voorwaanlelijke

invrijheidstelling, gelijk de teg~nwoordige redactie van

het mtikel doet, sch~inb::uu· ,oor eIken tot gevangeni straf veroordeelde

open te stellen, maa.r toch olUniddellijk haa.r zoodanig te

hepE'rken, dat alleen 7.~i daarvan kunnen genieten, die tot eene straf

"HU meer dan drie jaren we.rden veroordeeld.

Artikel 13. (1)

A,·t. 15, derde liel. Het derde lid van art. 15 l!wert bij zijne

tegenwoordige redactie be7.waar op indien het besluit. van herroeping

der voorwaardelijke invrijheidstelling 'wordt genomen, terwijl

(Ie voorwaardelijk in ,'vr~iheid gestelde VOOl'tvluchtig is, wat licht

kan voorkomen; juist dat voortvluchtig zijn kan tot herroeping

a anleiding geven. Volgens de thans bestaande bepaling loopt (le

~haftijd dan weder onmiddell~ik van de dagteekening van het besluit

,an herroeping, hoewel de veroOl'deelde zich nog steeds in vrijheid

lH',indt. Zoo zou het kunnen gebem'en, dat eeu veroordeelde, ook

na de herroeping, z~in geheeleu ,enleren straftijd in vrijheid doorhracht

al. het hem maM' gelukte 7.ich nog eenigen tijd aan de nasporingen

"an ju, tit-ie en politie te onttrekken; daarop is als het

ware een premie ge teld. Door den dag der verdere uitvoering van

de ge~a ,ngenisstraf als dies a quo aan te nemen wordt in dit bezwaar

YOOt'Zlen.

Eerf!t wanneer aan het be, luit van herroeping g-evolg wordt gegevpn

doordien de vel'Ool'Cleeld~ wederom zijne gpvungenl,'stl'::tÏ begint

jp ondergaan, behoort de i~jdruil11te, welke niet op den duur del'

~;jrat in rekening wordt gpbmcht, te eindigen.

Artikel 14. (2)

Art. 1G. De WiJ7.1gll1g van het derde lid houdt ve,rban(l met die

VnJl het derde lid van het voorgaancl artikel. ,Vanll eer, zooals daarbij

woeelt voorgesteld, de datum van het b.esluit van herroeping ophoudt

~lls termijn beteekenis te hebbE'n, dan moet m1:. ] G, derde lid, dat

van een andere Ollllerstelling uitging', daarmede in oVE'reenstemllllng

wordE'n gebracht.

Artikel 15.

Art. 18. V E'reenvoudiging elE'r redactie cOlLtOrm de reeds bij art.

] 0 aanbevolen wijziging wordt voorgesteld. Evenals ten gevolge van

de gewijzigde redactie van art. Hl, 2de lid, elE' daarin opgenomen

algemeene maxinllunbepaling in verband ml:'t de oplegging der

(1) Verg. Uitg.-BELINFANTE, Herz., dl. I, blz. 47.

(2) "" dl. I, blz. 47.


6R

tijdelijke gev:mgenisstrar uitdrukkelijk imperatief wordt gesteld,

kan ook in art. 18 met eene algemeene maximumgrenF; worden volstaan.

De eontro,eJ'R8 tUR. ehen de bepaling van art. 18 en die yall

art. G'2 zou door de Yoo]'ge ,~telde wijziging teyenR worden beslist (1).

Artikel 17. (2)

A1't. 20bis. 'fen aanzien ,au tot hechte.nis ve-roordee-lde recidivisten

wordt eene ve-l' cherpende bepaling' ,oorgesteld, il1gevolgr

welke de l'E"Chtpr bevoegd zal zijn hp11 te ol1df'rwe-rpen aall vprplif'hten

arbeid.

Artikel 19. (3)

A1't. 22, de1'de lid. Als derde grollct~]ag yoor het beheer en elp

illl1.chting' der gesticMen gelden~ na de Beginselenwe-t en de algpmeene

maatregel, de llUishoudElI~jke reglementen. FA'ne vPl'gelij1:i.ng

van deze reglementen, voor de versrhillende gestichten geldende,

toont eene merkwaardige overeenkomst aan. Er zijn dan ook tal vall

onderwerpen, den dien t in de ge. tichten betreffende, die voor alle

op dezelfde wijze kunnen worden geregeld. Door samem-oeging van

die bepalingen in een or meer algemeene rpglementen kan derhalve

eene groote en in de praktijk doelmatige vereenvoudiging worden

y,erkregen.

N aast die algemeene reglementen kunnen dan bijzondere worden

in het leven geroepen, naar gelang de inrichting in eenig gesticht

die eischt. Het over elk gesticht gestelde college zal uit den aard

aangewezen zijn over de noodzakelijkheid daa.rtoe en over de wijze

llOe daaraan te voldoen te oordeelen.

Artikel 20. (4)

A1't. 23. Faciliteiten ten aanzien van de betaling de.r geldboete,

leidende tot beperking van het kwaad, gelegen in de veelvuldige

toepassing de.r vervangende hechte-nis, worden bij de wijzigillg van

mt. 23 voorgesteld.

Twee middelen worden hiertoe aanbevolen.

J. Verlenging van den term~jn van betaling in lid 2. Genoemde

termijn toch is veel te kort gesteld en leidt tot het hierboven aangeduide

kwaad. Wel wordt als hulpmiddel daartegen aangewend hei

verleenen van uitste-l voor de betaling, doch het "\Vetboek kent dit

niet en het Openbaar Ministerie is er niet wettelijk toe verplicht.

Er worden trouwens vele verzoeken om uit tel tot den ambtenaar

van het Openbaar Ministerie gericht, tot inwilliging waarvan geen

(1) Zie SMIDT. I. c. bladz. 307, 308; - Uitg.-BELINFANTE, {iI. IV, blz. 9~

vlg; - Verg. Uitg.-BELTNFANTE, Hel'z., dl. I, blz. 48.

(2) " " dl. I, blz. 48.

(3) dl. I, blz. 49.

(4)>> »" ril. I, blz. 49.


n'tkn blc\·taat, omdat ,;lechts h~izolltlere om tandig'hl'dt:>Ll, dio de bt:>taling'

binnen den wettel\jken termijn van twee maanden onmogelijk

maken, daartoe mogen leiden. Langer dan zes maanden na den dag

, "an de onherroepe~ikheid der rechterlijke uitspraak zal de ternl,.~n

€-chter niet kunnen worden gesteld, ook in verband met den yoor

jeugdige per onen voorgestelden verjaringstermijn van acht maandt:>n.

De thans voorge ·telde verlengde termijn geeft voldoende geleg'enheid

tot besparing van het bedrag der opgelegde boete, hetwelk

in den regel niet zoo hoog is, dat hiertoe meer dan een half jaar

1I00dig zou zijn. Zelfs heeft lang niet iedere veroordeelde behoeltC'

aan zoo langen tel'm~in. Dam'Om kan het den rechter wOl'den overgelaten,

naar gelang van de te zijner beoordeeling st.aande pe1'.'soonl~i

kc om tandigheden vall den veroordeelde, den dulU' van den term

ij tl bij vonnis te bepalen.

11. Betaling in term~illen. Dat de betaling' del' g'eldboetc bij

g'!'deeHen in bij het vonnis va t te stellen termijnen eeue gl'()otc

faciliteit voor df»n onvermogenden yeroOI'deelde zal opleveren ligt

YOOl' de hand (I).

Die gezamw~ike term~jnen mogen niet langer dun'u dan de

lallg.· te termijn, bij het tweede lid voor de betaling toegestaan.

])e regeling der veIyangende straf bij gebreke van beta.ling ü;

thalli'Y vervat in een a.fzonderlijk artikel, na art. 20 in te voegen.

IIienloor wordt weder eene verandering gebracht in art. 2ö, ZOIl­

~ils het luidt illge,'olge de wet, houdende wij:éging in de bepaling'l'U

lw treffende het. traffen en de strafrecht,~pleging ten aanziell vau

jeug'dige persouen (2); de verfl,ndcring betreft e


70

naar mate de opgelegde boete meer het bedreigde maximum naderde.

De vervangende hoohteni , bedoeld al. een indirect dwangmiddel om

tot betaling del' boeJte te nopeu, wordt veela.l een op zich zelf volstrekt

niet afschrikkend middel om de betaling der boete te ontgaan.

Aan de sneafbedreiging wordt zoodoende mam: al te vaak alle

kracht ontnomen. Rationeel schijnt daarom de vervanging 'Van het

maximum der bedreigde g~ldboete al maat taf door een alg'emeen

wettelijk ma.ximum, tot den reeds in het zesde lid van aa:t. 23 genoemden

teJ'mijn van 8 maanden. Het maximum te bepalen naar de

opgelegde geldboete (aa't. 23, 4°. ',etboek van Strafrecht) kan daarnevens

all> maat ta.f ter andere behouden blijven.

Artikel 22. (1)

A 'I,t. 24, derde lid. Ten einde de betaling van eene opg-Plegde

boete gemakkelijk te maken en daardoor het ondergaan van de ,e1'­

vangende hechtenis of plaatsing in eene tuchtschool (van deze laatste

"Werd reeds melding gemaa1..'i:, in het m'tikel zooals het in 1901 is

gewijzigd) te voorkomen, geeft art. 23 gelegenheid die boete in gedeelten

te voldoen. :Uocht nu de yeroordeelde na betaling van een

of meer termijnen in gebrl:'ke blijven het n'l'der nog verschuldigde

af te doen. dan. moet natumlijk op hem de yervan.gende straf worden

toegepast. De billijkheid brengt dan echter mede, dat daarbij l'l:'kemng

wordt g'('houden met het reeds gestortl:' deel der boete en dus

de hechtenis of pla.'l.tsing in eene tuchtschool met meer voor den

yollen uitgesproken duur, mam' slechts voor een eve1ll'edig gedeelte

wordt ten uitvoer gelegd. Dit beginsel is reeds thans uitgechukt ln

het laatste lid van art. 24 voor het geyal een yeroordeelde, 11Udat de

Ujitvoering der hechtenis is aan.gevang'Bn, zich van de verdere uitvoering

wil bevrijdeu door boetebetaling ; da.n heeft hij niet meer

het vo11e bedrag te voldoen, maa;!.' een gedeelte, geëvenH~digd aUll

de nog niet ondergane hechteni .

Doordien deze bepaling alleen melding maakt vall betaling nadat

de uitvoering' der verva.ngende traf i,; Mngevangen, bestaat gC'­

gTollde t,,'ijfel of omgekeerd ook de vroegerC' gedeeltelijke betaling

"an een evenredig deel dier straf ontheft.

Tot wegllC'ming' van. dipll twijfel strekt de; lliemn> redactie, wl'lkc

than, voor het laatste lid van art. 24 wordt voorgesteld.

Artikel 23. (2)

..t1J.t. 24bis. Het artikel beoogt dell rechtl:'r vrijheid te geven aun

de YNVang'elHle hecht~mis als dW:U1gmid(lel tot betaling del' bopte

een ernstiglO'l' km'akter toe te kennen. Verlellgillg van den dulll' (lip!,

heclJtenis is daartoe in vele gevallen onvoldoende. In het hij;l,OlHlst van zijn al'beid te

(1) Verg. Uitg.-BELINFANTE, Herz., dl. I, blz. 50 vlg.

(2) »» » »dl. I, blz. 51.


71

onthouden en hem ook in de keuze van arbeid niet Vl'ij te laten.

])e ",-ervangende hechtelli;; wordt door vele veroordeelden als een

YOOl·deel in plaats van een ernstig nadeel be!lChouwd. ,Valmeer (Ie

Ireehtl'r in verband met den vermogenstoestand de boete bepaald

heetft, is eI', behalve ingeva.l van onvermogen, geellerlei hal'cilieid

in geleg·en dat de hechtenis een streng karakter draagt. De vero01'­


72

uitspraak iJl eerste instantie tut die iJl huoger beroep niet in l'ekt'Jlillg'

mar! brengen (1).

Door imperatief de imputat.ie te bepalen van de voürloopige hechtenis,

welke voor den veroordeelde zoo goed als gelijk staat met do

hem nà vel'ool'cleeling opgelegde vrijheidsstraf, zou de billijkheid

bcter worden betracht en zou teven het noodzakelijk kwaad del'

preventieve hechteni belangrijk worden beperh.-t.

Dat tel el heeIt echter bij de tot stand brenging ,an het ,Vetbuek

geen ,oldoende instemming' ge,onden en inderdaad gelden daartegcll

gewichtige bczwaren, waarvan wel het voornaamste is, dat het gelijkelijk

ten goede komt aan hen, die door imulatie of hardnekkige

ontkentenis zelf den duur der prevcntie,e hechtenis aamuerkelijk

hcbben verlengd.

Daarom WIOrdt thans, tot wegneming va.n de hardheid, die hd

illf,.tdlen van hoog'er be~'oep voor den heklaagde medehl'ellgt in dell

vorlll ,lUl (tallZien~ik verlengde preventieve hechtenis, eelle redaeti('

yoorg-esteld, krachtens welke voor dClngeue, dïc tijdens de uitspraak

van het eindyoloo' in eersten aallleg YOOTloopig in ven:ekerde bewm'iup;

is cu daaruit krachtem; dat YOlUlis niet WOl'dt ontslagen,


73

aan het gesticht aanmelden; VOol' deze vangt de straftijd eerst aan

op he't oogenblik van insluiting.

Deze bestaande regeling steH dus in zekeren zin een premie up

het niet voldoen aan de oproeping tot straf ondergaan, ma,ar het

afwachten van de arrestatie, en zulks. nog te meer omdat zij, die

vl'ij"rilli g gehoor geven aan die 0lJrooping, op eigen kosten moeten

vüÇl'zien in hun ve·1"voe1' naar het aang.ewezen gesticht, terwijl de op

~l·ans.port gestelden vrij zijn ,an de betaling van reisko~tel1.

De toevoeging aaJl art. 26 van het v'oorgestelde derde licl heft de

genoemde bezwaren op.

Artikel 27. (1)

Art. 26, nieww t'iel'de lid. De vraag hoe in gev,


74

band tussehen preventieve heehtenis en gevangenis,straf niet dool'

hetzelfde feit te wmelen gevonnd. "'Vel wonlt eehter een verbl1lld

van tijd gevOi'derd: alleen die pl'event~eve heohtenis mag in mindering

worden gebTacht, waarin de veroOil'deelde zich op het tijd13tip

van de rechterlijke uitspraak bevindt.

In deze beperking kan een hardheid zijn gelegen. Het is voorgekomen,

dat een pel'soon achtm"eenvolgens wegens twee mischijyen

werd vervolgd en dat ter zake alleen yun het eerste zijne in Vel'zekarde

bewaringstelling werd' bevolen. Nog hangende de vervolging

van het eerste feit werd hij wegens het tweede veroordeeld, met bevel

tot gevangenneming en met toepassing van urt.27, tegen we,lke uitspraak

beklaagde zich in hoogel' beroep bega.i. Toen eenigen tijd later

ter zak,e van het em's,te feit vTijspraak 'l"olgdel, waarin werd berust,

werd het bevel tot gevange.nnemi.ng ten uitvoe~' gelegd. Vervolgen!:l

werd in appèl, met vernietiging van het vonnis a quo, de beklaagde

weder veroordeeld, ook met bepaling, clat de tijd, door hem VÓÓI' de

uitvoering van die uit'>praak in verzeke['de bewaring doorgebracht,

op de gevangenisstraf in mindffi'ing zou wordell gebracht. .Als zoodanig

kon alleen in aanmerking komen de tijd, verloopen sedert de

tenuitvoerlegging van het evengenoemde bevel tot gevangenneming,

omdat beklaagde zich tijdens de uit-spraak van 's Hofs arrest alleeu

luachteus dat bevel en voor het feit, waarVOOil' het Hof hem veroordeelde,

in preventieve hechtenis bevond. Het tweede lid van alt. 27

llloes,t buiten toepa,ssing blijven, omdat de tijd, wegeIlJS. het eerste

feit in vffi'zeke'rde bewaI'ing doorgebracht, reeds was geëindigd met

de vrijspraak deswege, en dus vaJl gelijktijdige vervolging wegens

meerdffi'e :feiten geell sprake meer was toen het Gerechtshof uitspTaak

deed.

Door ook als "een ander feit." aan te merken het misdrijf, tel'

zake waarvan de sedert geëindigde en onmiddellijk door eene andere

yerzekerde bewaring opgevolgde preventieve hechtenis het eerst wa.s

toegepast, wordt deze hardheid voorkomen. Met dat doel wordt VOorge~teld

aan het slot van art. 27 eenige woorden toe te voe'gen.

Artikel 31. (1)

A:rt. 28. In verba,nd met de b~jkolll~ll(le stntf van ontzetting vun

LepaaIde I'echten kunuen drie hoofdcategoáeën van rechten of bevoegdheden

worden onderscheiden:

1°. Bmgerschapsroohten, aangeduid III het nieuw "Voorgestelde

art. 28, 1°.- 3°.

2°. Burgedijke rechten, waarvan de ontzetting is ger.egeld in de

"iet, houdende wijziging en aanvulling \"an de be.palingen in het

Bmgm'lijk Wetboek omtrent de vaderlijke macht en de voogdij

enz. (2) Deze ontzetting is door genoemde wet materie van zuiver

(1) Verg. Uitg.-BELINFANTE, Herz., dl. I, blz. 54.

(2) Wet van 6 Februari 1901 (Staatsblad nO. 62).


75

bUl'gerrechtelijken aa,rd geworde.n en valt dus bulten het kader van

het Wetboek van Strafrecht. Dit laatste geldt ook vau de ontzetting

van het recht om raadsman of gerechtelijk bewindvoerder t,e

zijn. In zoover wordt derhalve weer wijziging gebracht in art.

28 1°., zooals het thans luidt (I}.

3°. Bffi'oelJen (geen rechten doch bevoegdheden) van welker uitoefening

de ontzetting mogelijk wordt door art. 28, 4°., welke nader

geregeld wordt in het nieuw g·erecligeerde aa"t. 30.

"Burgerschapsrechten". Herstel eener minder jui,ste redactie wordt

voorr~esteld. Het bekleeden van een -ambt toch is een "Ïeit", waarvan

men niet kmchtens rechterlijk vonnis kan wm'Clen ontzet; wel

van het recht tot het bekleeden van eenig ambt (2).. Gelijke verbe­

'tering wordt voorgesteld met betJ'ekking tot de rechten, aangeduid

in art. 28, sub 2°. en 3°.

'l'en aanzien van de redactie van aJ:t. 28, 3°. worden bovendien

nog enkele verbeteringen voo1'ge'31Jeld. Zoo wo;rdt het minder juist

geacht in het algemeen te spreken van "krachtens wettelijk voo1'­

IsclD:i:ft uitgeschreven verkiezingen". Eene' periodieke vffi'kiezing

wordt niet uitgeschreven, doch geschiedt krachtens wettelijk voorschl'ift

zonder meer (3); deelneming daaraan, actief of passief, zou

YOlgells de bestaande redactie op grond va,n aJ:t. 28 niet kunnen

worden vffi'boden.

In plaats van "het kiezen en de verkiesbaarheid" schijnt de voorgelstelde

ruimere redact.ie aan te bevelen, welke èn het recht. (kiesil'echt)

èn de uitoefening daaaTan (stemrecht.) omvat.

Y ffi'kozen of benoemd. BestUia t er inde:rdaad ver chil tusschen deze

beide staatsr-echtelijke t.ermen en zoo ja, heeft dit dan in zooverre

invloed, dat aang'ewezenen tot leden van colleges, die strikt genolllen

worden benoemd, niet verkozen, als, leden van Gedeputeerde

I::ltaten en Wethouders, buiten bereik van het voorschrift van het

thans ~eldende nommer 3 zouden vallen Yeerkozen en benoemde

-dignitUll:issen worden volgens de gewijzigde redactie op ééne lijn

gesteld, zoodat hiermede de vraag vervalt. Ook in vecI.'bancl met de

,tel'minologie der kieswet z~in beide uitdrukkingen nooclig. Nevens

,bel"oepen/' warden sub 4 Q • ook "bedrijven" vermeld, omdat het

ollder,scheicl hlsschen beide niet altijd vaststaat.

Het behoud der tweede aEnen, van art. 28 RChijnt niet te verdedigen,

waar de ontzetting va.n leden der rechterlijke macht, zeHstaaldig

en in voldoende mate is geregeld (4), zonde'l' dat hierbij de medewel'king

of tusschenkomst van den stra:fwetgeV'er noodzakelijk is.

(1) Zie art. 1 der wet van 12 Mei 1902 (Staatsblad nO. 61).

(2) M.r. NOYON, Het Wetboek van Strafrecht verklaard, I, bladz. 109.

l3) Mr. NOYON, 1. c. bladz. 117, nO. 13.

(4) Wet op de Rechterlüke Organisatie, art. 11.



Artikel :12. (1)

A I·t. ;JO. Volgens de terminologie van het beBütl:mde art. 'lG, (l D.,

kan de schuldige ontzet worden van de uitoefening van bepaalde

heroepen, zonder dat ergens het beginsel is vermeld, dat het feit in

de uitoefening- ,an het beroep moet zijn begaan of de be,oegdheden,

door het beroop verleend, tot het plegen van misdrijf zijn misbruikt.

De peciale wetsbepalingen, welke aan de overtreding daarvan de

bijkompnde straf der ontzetting uit het recht tot uitoefening van

het beroep of bedrijf verbinden, houden echter steed~ in dat hpt be­

'roep of Wrijf moet z~in dat, wam-in het misdrijf is g-epleegd en

heyatten dus eeu cOlTectief op de g'enoemde te ruime beginselomrl';chrijving'.

Intm\schen is van een vast si€1sd, waarom in SOlllluigp

gevallen deze b~jkomende stTaf wel, in andere niet mag worden

tûe-g'epa t, geen sprake. Het is wenschelijk den rechter veel grooterc

Yl"~jheid t.e geven.

,Vaar nommpr 4 "an het nieuwe art. '28 de mOb~lijkheid behou


77

van verbE'urclve-rklaring- van goederen den vel'OO1'deelde toebehoo­

)·E'nde.

AanvullE'nde bepaling'en zijn noodzakelijk voor de geva11en dat de

~la(ler na hE't plegE'n van het feit, doch vóór de veroordeeling, zich

van den E'igendom over de hierbedoelde VOOl'WE'l}len heeft ontdaan.

De delinquent heeft het thans al te vaak in de hand het voorschrift

der ~tra:fwet geheel illusoir te m'lken, hetzij het voorwerp een beL

kenden eIgenaar heeft E'11 dientengevolgE' in beslag genomen en in

jUdirio aanwezig is, hetz~i niet.

Het is rationeel, dat Ül beide gevallen de waarde dier voorwel1:>en

kan worden verbeurd verklam'd, waartoe alsnog' schatting noodig is;

deze ,mrdt alsdan aan dE'll l~hter opgedragen.

Artikel 36. (1)

Art. 34, eel'ste lid. DE' gew~izigde redactie van het eerste lid van

(ht artikel is als eE'l1. nOolc]u'Îk1.."i.ng voor anderen heilzaam kan werken.

De rE'dactie van art. 36 doet twijfel rijzen, of openbaarmaking

van een gedeelte der rechterlijke uitspraak WE'l geoorloofd i , en laat

(1) Verg. Uitg.-BEf,INFANTE, Hcrz., dl. I, blz. 56.

(2)"" " "dl. T, blz. 56.

(3) " " dl. 1, blz. 57.


78

in geen geval toe met een zakelijk resumé van den inhoud van het

vonnis te volstaan. De nu voorgedragen wijziging mtk'tkt dat alles

mogelijk.

De rechter wordt teven aangewezen om de kost,en der geheele

of gedeeltelijke openbaarmaking te schatten. Het is wenschelijk, dat

geen onzekerheid besta noch omtrent het be


79

Artikel 40. (1)

A1't. 42. Over de beteekenis der uit(hukking' "wettelijk voo~'­

,schrift" vgl. ue toelichting tot art. 83b-is.

Eet is gebleken dat de bepaling van art. 42" zooals, dit nu luidt,

tot verschil van int.e.rpretatie kan aanleiding g1even. Het behoort

echter va,st te staan, dat hij die middelen aanwendt, welke nam

redelijk inzicht zijn geboden oÎ toegelaten om tot de uitvoering van

een wettelijk voon~chriÎt te geraken, niet strafbaar is; kiest hij daartoe

andere middelen dan die naar redelijk inzicht zijn geboden of

toegelaJten, dan is h~j daardoor niet van schuld vrij te pleiten. Voor

,de niet-strafbaarheid is. derhalve noodig: l O. wettelijk vomschrift,

:2°. doelmatigheid der handeling, 3°. redelijk inzicht.

:Qe rechtvaardigheidsgrond "wettelijk voorschrift" zal volgens de

voorgestelde aanvulhng III tweeërlei gevallen h-unnen worden aangeyoerd:

10 . Wanneer het zonder dien rechtwaardigingsgrond strafbare #

.:feit in een wettelijk vomschrift is opgenomen;

2°. ,Vanneer het feit niet in een wettelijk voorschrift is opgenomen,

doch naaI' l'edelijk inzicht als in overeenstemming met een

flf'l'gelijk ,oorschrift kan worden aangemerkt.

Als voorbeeld van l O. zou kunnen worden aangehaald de vrijheidsberooving,

IstraÎbaa:1.' volgens art. 282 Wetboek van Strafrecht,

doeh ,stl'aHeloos in geval van uitvoering van het vool~sch:riÎt van art ..

41 ,Vetboek van Straivordering. Hier is het Îeit der vrijheidsbe­

~ 'ooving, de aanhouding, door de we,t zelve a,angewezen.

Als vOOl'beeld van 2°. zouden de gevallen kunnen worden aangehaald,

waarin de burgemeester ter handhaving van de openba:re orde

binnen de gemeente tot maatregelen va.n geweld ma.g overgaan,

welke maatregelen buiten de algemeene bevoegdheid, bij de artt.

184, t. 186 Geaneentewet gegeven·, tot gevolgen kunnen leiden, die

zou de:!.' toepassing dier artikelen strafwaardig zijn. Welke door de

omstandigheden gerechtvaardigde Îeiten krachtens die bevoegdheid

kunnen wmden gepleegd, vermelden de geno.emde wettelijke bepa-

1ingen niet.

Van de omstandigheid, dat eenig V00l1Sch)TIÎt, door de jurisprudentie

m~s>'3chien niet als "wettelijk" ZOoU worden beschouwd, mag

hij, die te g'Oeder trouw daarop steunde, niet het slachtoffer worden,

indien zijne meening omtrent de wettelijkheid maar in overeen­

.:'\temming is met redelijke inzichten. Vandaar het tweede lid van

dit artikel.

Artikel 41. (2)

A 1't. 43. De Yool'gestelde wijziging van art.. 43 is zooveel mogelijk

conÎorm aan de vOOl~gestelde aanvulling van art. 42. De thans

(1) Verg. Uitg.·BEJ,INFANTE, HeJ'z., dl. I, blz. 58.

(2)>> dl. r, blz. 59.


80

geldende bepa.ling, dat een bevoegd gegeven ambtelijk bevel de

,strafbaarheid niet opheft, tenzij het door den onderge chikte als

bevoegd gegeven wordt beschouwd, blijft ook bij de nieuwe redactie

gehandhaa.fd. 7,ij wordt alleen in zoover vel''Seherpt, dat van den

ondffi geschikte niet alleen goede trouw maar redelijk inzicht wordt

1

geë:Ïischt.

Daarentegen is het objectieve vereischte, dat de nakoming van

het bevel moet gelegen zijn binnen den kring der ondergel>('hiktheid,

prij gegeven. Een buiten den kring del' ondergeschiktheid gelegen

bevel is ongetwijfeld niet gegeven door het bevoegd gezag. Er be­

:staat echter geen gegronde reden, waarom juil t deze onbevoegdheid

als objectief oriteJ.'ium moet worden behouden, zoodat een te goeder

trouw opgevolgd bevel den ondergeschikte aan straf blootstelt, alleen

omdat later wordt uitgemaakt dat de kring der ondergeschiktheid

niet was inachtgenomen. ,Vaar de ambtenaar gesteld wordt voor

het moeilijk dilemma: dienstweigering of strafbaarheid, moet het

il'e


81

bij boetevervangende en andere vervangende hechtenis. Er is geenè

reden voor eene beperking der cUlllulatie bij hechtenis voor twee

g'eheel vel1schillende doeleinden vastgesteld. Het dwangmiddel zou

in vele gevallen te zwak worden.

Anders is het ten aanzien van hechte'n~s ter vervanging van verbeurdverklaring

en die voor de verom:deeling in de kosteu der openbaarmaking

van de rechterlijke uitspraak, die heide' bijkomende

straffen betreffen. Daarom is voor deze beide de cumulatie wel beperkt

in het nieuwe vierde lid van dit artikel. Wam' eenmaal een

maximum van acht maandeu is aangenomen, mag de vervangende

hechtenis voor verbemdverklaring niet feitelijk zoozeer verlengd

worden, dat dit maximum zou wordeu overschreden, enkel omdat de

veroOl'deelde de kos,ten der openbaarmaking van de uitspraak niet

heeft betaoald.

Dezelfde overwegingen hebben geleid tot bepeJ.'king in het niellwe

'vijfde lid van de cumulatie bij plaatsing iu een tuchtschool ter vervanging

van bijkomende straffen. (Zie verder ad art. 60.)

Artikel 45. (1)

A1't. 71) nie~t1V 3°. De uitzonderingen, in dit m'tikel gemaakt op

den in den aanhef gestelden regel betreffende den aanvang van den

termijn van verjaring van het recht tot strafvordering, zijn gegrond

op de wam',schijnlijkheid, dat het feit eerst korteren of langeren tijd

na den dag, waarop het is gepleegd, ontdekt wordt. Behalve de T'led",

in de drie nommers van het artikel vermelde feiten, is er nog een

ernstig misdrijf, dat niet zelden voorkomt, doch in den regel eerst

na verloop van jaren wordt ontdekt, namelijk dat van verduistering,

gepleegd door voog-den, curators of bewindvoerders. Gewoonlijk komt

een door hen gepleegde verduistering ten opzichte van een goed, dat

,zij als zoodanig onder zich hebben, niet aan het licht vóór het

afleggen van hunne rekening en verantwoording, dus eeI"st bij de

meerderjarigheid van hunne pupillen enz. Dan zijn veelal reeds mee\!.'

dan twaalf jaren verstreken sedert het feit gepleegd werd en is dus

het recht tot strafvordering deswege verjaard. Om dit te voorkomen

wordt de invoeging' van een nieuw nommer 3 voorgesteld, strekkende

om den verjaringstermijn eerst te doen aanvangen op den dag

na dien, wam'op hun beheer over het goed eindigde.

Artikel 46. (1)

A1't. 71, 3°. (nie~t1V 4".) Nog een tweede WIJZlgmg wordt in dit

artikel voorgesteld en wel in het laatste nommer, dat tengevolge

van de invoeging van het nieuwe nummer 3 thans nummer 4 zal

worden. Daarin behoort naast de artt. 465, 466 en 467 ook melding'

te worden gemaakt van de overtredingen, s'trafham' gesteld in aTt.

187, sub 1°., der wet betrekkelijk de nationale militie van 19

(1) Verg. Uitg.-BET,INFAN'fE, Hel'z., dl. T, blz, 76.

Herziening ·Wetb. StroS]', 11.

ti


82

AUO'UHtus 1861, welk artikel is geworden art. 168 der :Militiewet

H)(ll (1) . Dui artikel is b~i art. Hl, nO. 17, van de wct YHn 15 April

188G (Stantsvl(ul nO. (4) uitdrukkelijk gehandhaafd, op grond dat

het niet wordt verva.ngen doOl" a!'t. 465 Wet boek van Ntran'pch t,

daar dit alleen de burgerlijke wet ,ermeldt.

De yerjarillgf>termijll yall één jam', g'erekend van dell dag na dien

waarop het feit is gepleegd, is voor deze overtredingen te kort. Yoor

hei bepalen nUl een latel'eu dag- yan aallYUng vau dien termijn

geldt dezelfde re(len, welke geleid heen tot de aanyulling van art.

71 "r etbopk vau Nh'an'(-'cht mpt het batstp uommel' bij de wet yau

01 ])pcember 1887 (8üwtsblad n C).'2G5), omdat (Joh. de oyertredingen,

strafbaar gesteld b~i art. ] G8, ~ub I C). der ~Iilitiewet UJOl, in

den TegC'1 eerst kuuuen ontdekt worden hij het lUlûen yau de register'

van den burgeTl~ikeu stand, ingevolge art. :n lJurgel-lijk ,Yetboek

tpl' griffie van de betrokken aL'l"Onclissements-l'echthank gehracht,

weUee oYf'l'brenging- eerHt geschiedt in Jamla!'i van het jaar.

volgende op dat, waarin zij hehben geclil'nd. Dij het daarop volgend

onderzoek van (lie registers kan reeels meel' dan éE'n jaar zijn verloopell

sincls de insC'hrijving' van de acte.

Artikel 47. (2)

~·b·t . 8,2. In navolging ,an art. 90 van het Wetboek \::Ill Straf­

,recht voor de Europeanen in N ederlandsch-Indië is de enuntiatieve

bepaling' door eene limitatie,-e vervangen, welke in hoofdzaak oye1'­

eemtemt. met die, welke door de Nt::uttsconunissie " ra voorgesteld

en aanvankelijk door de Rt-geeriug in haar wetsontwerp was oye1'­

genomen. Een emmtiatieve vermelding nUl bepaalde onder deu­

.zl'lfde-n tel'minu. technicus gebrachte geyalleu doet meermalen de

waag rijJ'.en tot welke andere gevallen deze emmtiatie nog zou knulWll

worden uitgehreid. Het is gehleken dat a!·t. 82, zooals het nu

luidt in de practijk "tot groote moeilijk op te lossen bezwaren aanleiding'

heeft gegewn". Wat dienaangaande in de :Memorie van

Toelichting op genoemd ,Vetboek ad art. 90 wordt gezegd, kan de

Regeel'inp: ten volle beamen.

Artikel 48. (2)

-4.1't. 83. Na de vast.stelling van de wet van 12 December 1892

(Staatsblad n°. 268) op het Nederlanderschap en het ingezetenschap

is het raadzaam de verwijzing in art. 83 Wetboek van Strafrecht.

naar een, ook w::Lt, het nomlller betreft" in 1887 gewijzigd

'artikel der Grondwet te vervangen door eene meer algemeene uitdrukking],

die thans jui -ter i en de aanhaling" van een bepaald

artikel der Grondwet vermijdt.

De redactie van het tweede lid behoort mede te worden gewijzigd.

(1) Zie Kon. besluit van 17 September 1901 (Staatsblad no. 212).

(2) Verg. Uitg .. BELINFANTE, Herz., dl. I, blz. 81.


83

Het a.rtikel doelt niet o}J de personen wieT uitlevering bij art. 4

'en volgende del' Uitleverin~swet is verboden, maar op hen, die in

art. 22 dier wet zijn genoemd.

JlrtUkel 49. (1)

Art. 83bis. Sedert het arrest van den Hoogen Raad van 27 Juni

lS8î (TVeekblad van het Recht nO. 5447), bestaat er alle aanleiding

·tot eene aanduiding van het begrip "wettelijk voorschrift".

Bij dat ar''l'e'St werd beslist, dat een voorschrift alleen dan den

naam "wettelijk voor chrift" verdient, indien het gegeven is Of door

den Rijkswet.gever zelven, Of op zijn uitdrukkelijk bevel door een

ander gezag. Derhalve zouden in het algemeen voorschxiften in provinciale,

plaatselijke en waterschapsveTOrdening'en niet behooren tot

de wettelijke voorschliften.

Zoo werd bij genoemd aI11.'est de vraag, 0'f plaat,selijke politieverordeningen

gerangschikt kunnen w0'rden onder de wettelijke voor­

'schriften, van welke art. 184 Wetboek van Strafrecht gewaagt, ontkennend

beantwoord. Volgens deze leer zouden onder wettelijk voorschrift

niet begrepen zijn provinciale l , plaat.selijke en water'schapsverordeningen

- tenzij rechtstreeks door den Rijkswetgever bevolen,

wat slechts zelden voorkomt. Dit wij t op eene leemte in de strafwetgeving.

In het bijzonder' spreekt dit VOO'l.' de toepassing van aIot.

184. De politie t()ch kan vO'or de naleving van l~eglementen en ver­

crdeningen geen zorg dragen;, WaIlllecr zij in hare ambtelijke vera:ichtingen

straffeloos mag worden belemmerd.

Gelijk bekend is, heeft genoemd arrest van ve'l.'schillende zijden

ernstige bestrijding gevonden (2) en is de Hooge Raad zelf op zijne

meening van 1887 teruggekomen bij zijn arres.t van 26 Juni 1899

(TiVeekblad van het Recht nO. 7307). Deze beslissing maakt voorziening

mi&schien niet meel' zoo dringend noodig, maar wenscheLijk

blijft zij, vooreerst omdat het hoogste rechtscolbge te eenige'l' t~id

weder zijne twaalf jaren lang gehandhaafde zienswijze zou kunnen

toegedaan worden, en ten andere 0'mdat bij het gebleken verschil

van gevoelen over de beteekenis der uitdrukking "wettelijk voorschrift"

eene definitie in den Titel van het Wetboek niet misplaatst

kan zijn.

De eenvoudigs,te w~jze va·n voorziening is de overneming van de

omschrijving, nu laatstelijk door den Hoogen Raad zalven gegeven

bij zijn a'l.'rest van 26 Juni 1899.

Artikel 50. (3)

.4.1't. 84. Ofschoon in de practijk ten aa.nzien van de beteekenis

van den term "ambtenaar" geene moeilijkheden zijn gerezen, is het

(1) Verg. Uitg.-BELINFANTE, Herz., dl. I, blz. 8t.

(2) Zie prof. mr. J. T. Buys in Tijdschrift voor Stmf'. lI, bladz. 250 en L.

VAN PRAAG, De Beteekenis van "wettelijk voorsch1'ift" in het VVetb. van Straf/'echt.

Leiden 1890.

(3) Verg. Uitg.-BELINFANTE, Herz., dl. I, blz. 82.


4

echter de vraag, of hieronder ook de vreemde ambtenaar kon worden

begl'epen. De uitbreiding van het interuationaal -verkeer maakt

het wenschelijk de vraag uitdrukkelijk te besli' en. In het eerste lid

worden Vl'eemde ambtenareu, of daarmede gelijkgestelden, die hier

te lande krachtens wet of tractaat ambt verric.htingen uitoefenen,

met N ederlandsche ambtenaren gelijkgesteld. Dezelfde gronden voor

strafyel'hooging' bij het begaan yan stl'afual'e feiten eenerzijds en voor

bij7.ondeTe bescherming anderzijd. gel


85

.\.rtikcl 52. (1)

Art. 88. ,Vat onder een jaar moet worden verstaan, bepaalt de

',"ct niet; waarschijnlijk werd dit met het oog op het weinig "VODJ.' ­

komen van schrikkeljaren tel' bepaling niet noodzakelijk geacht. De

billijkheid g-ebiedt echter, dat hij, wiens straÏtijd in een schrikkeljaar

aanvangt, "Vóór 29 Februari oÏ binnen wiens straftijd een schrikkeljaar

"Valt, niet langer, al is het ook maar één dag, gevangen kan wor­

(len gehouden, dan wanneer geen schrikkeljaar ware ingeh'eden. Ook

moet "Torden "Voorkomen dat hij, die veroordeeld werd tot bijv. een

jam: en drie maanden, v~if dagen langer stmÏ zou ondergaan dan

de tot vijftien maanden veroordeelde. Met beide tijdsbepalingen, die

a,Ïwisselend door de rechterl~ike macht worden gebruikt, "ordt toch

eenzelfde tijdruimte bedoeld.

À..l,tikcl 53. (1)

A/·t. 8D. Een nauwkemiger redactie, tel' verYLlllging yan den

minder juisten teTm "ondergraving", wordt op voorbeeld "Van het

Indi ch Wetboek "Van Strafrecht ,oorgesteld (~). Immers niet zoolleer

het ondergrayen zelf al' wel het gebruik maken yan de gegraven

opening is het middel ter bereiking van het beoogde doel.

])aarbij ,,-ordt ook yau slooteu en grachten melding g'emaakt, waarbij

het geeu onderscheid maakt of zij met wnter genllcl dau wel droog

of met een ijskorst bedekt z~jn.

Al'tikel 54. (1)

.Art. DO. De bestaande omschrijving betreffende de "val'che

sleutels" in art . 90 van ]wt ',etboek mag als eenigszins elliptisch

worden beschouwd. In ycrband met de stJ:afbare Ïeiten, in de wet

genoemd, in welker omschrijving het gebruik maken yan een "Vnl­

,,'ehen leutel is opgenomen (bv. in ar tt. 108, 2°. en 3l1, 5°., "heelt

lzich den toegang ,erschaft") ,yordt steeds van de yeronderstelling

uitgegaan, dat van het yomwerp gebruik gemaakt is. De sleutel

yerkrijgt toch de eigenschap van valschheid niet doordien hij niet

tot opening van het slot bestemd is, maar eerst lH\. het onrechtmatig

gebruik. Beter is het ook niet te spreken van "opening", muar van

"in werking' brengen" van het slot, met het oog op de poging;

yoom! nu de vervanging yan ,.niet bestemde" door "wederrechtelijk

gebezigde" is dit nooelig. De invoeging van het woord "wederrech­

(telijk" i noodig, omdat alleen de rechthebbende op het lot een tot

het in werking brengel) daunan gebezigd werktuig rechtmatig kan

gebruiken; wel kan ook een ander daarvan met boven omschreven

doel gebruik maken, hetwelk dan evenwel onrechtmatig is.

Tevens wordt door (lie toevoeging uitdrukkelijk uitgemaakt, dat

-leutels valsch worden, wanneer ûj door den rechthebbende z~ln

(1) Verg Uitg.-BELINFANl'E, llerz., dl. 1, blz. 84 vlg.

(2) Art. 99 met ~lelD. van Toe!. op bladz. 131, 138.


86

vedol'l'1l of hpm ZIJll oilb.;tolt'll, PU de yiuder of dief el' w('dl'ITl'l'htelijk

gebruik van maakt . Na de niet-gewilde ve.nyisiieling van

eigenaa:l' verandert het werktuig yan bestemming en wordt in handen

yan den delinquent een 'wederrechteJijk o'ebruikt voorwerp, een

valsche sleutel (1).

Artikel 55. (2)

Art. 90bis. Hoewel de sh'afrechtelijke gelijkstelling van telegraaft'u

teleÏoolll'echt tengeyolge van de 'l'elegraaf- en Telefoonwet 190;3

(Staatsblad 1804, nO. 7) als Y


87

.\.rti keI 59. (1)

A1't. l26. Het woord "omkoopen" heeft volgens dp jurisprudentie

niet deze beteekenis, dat het strafbaar :feit niet aanwe--ûg zou zijn,

indien de omgekochte z~in stem na het aannemen van giften of

beloften uitbrel1gt op de wijze als hij oorspronkelijk voornemen

was. De Hooge Raad bE'sliste bij arrest van 15 .Juni 1896 (TV eekblad

'ran het Recht n". 6624), dat deze omstandigheid niet belet aan te

lH'men, dat omkooping i gepleegd. Het is echter wenschelijk de

"eclactie van het tweede lid van. dit a.rtikel in. overeenstemming met

uez~ alleszins juiste interpret:1tie te ,erduidelijken.

Artikelen 60 eu 61. (1)

.Artt. 131 en V12. De Hooge naad hesli ·te o. a. bij arrest nn

Ij NOYember 18HO (Weekblad van het Recht uO. 59G7}:

1°. dat bij aJ.'t. 1:31 niet ·trafbaar if! gesteld de opruiin ~ tot ongehoorzaamh(>id

aan de wet, tegen welker owrtreding geen stTaf i ..

hedreigd;

~ c . dat yoor tIe toepn~selijkheid van dit artikel bij de 0l)l'uiiug

l'rchtsh'eek ' een bepaald strafbaar feit, zij het ook niet door eigen

wool'd(>u der "\,et, mo(>t z~in aal1g~duid.

Yolkomell te1'erht. Ilpt a1'tikel handelt alleen owr opruiing tot

een stl'afba(l7' feit en de wetgeyel' wilde zelfs niet wrcler gaan, want

de Memorie van Toelichting tot dit artikf'lllegt (2}: "Het is ook niet

raadzaam afzonde;rl~jk melding te maken van opruiing' tot ongehoorzaamheid

aau de wettf'n, yerordeningen OI besrhikkingen van

het bevoegd gezag. Immf'rs ,oor zoo\"er dp niet-nale,il1g ,an deze

yoorschriften met eenige ~traf bf'dreigcl wordt, is elke daarmede

strijdige handeling een strafbaar feit. en hijgeyolg df' opruiing tot

lIoodanige handeling reeds kracHell'S mt. HO (J al) ;;h'nfwaardig.

En indien aan deze yoor, rlll'iftell de stTafbedreigillg ontbreekt, be-

111"hen zij geen dringend yerhod (leges 111lperfednf') en hehoOl't ook

de opruiing' tot ong'f'hoon:a:llullf'icl nan die ,ool'schrittcH straffeloos

te zijn. Er bestaat geen reC'htsgrrJlld onl stTaf ie hedJ'f'igen tegen

Je opruiing tot een daad, die 7.elve straifeloos is",

Bij de toelichting van :11't. 140 van het Wetboek YLUl I::ltraÏrecht

YOOl' de Europeanen in ~ edf'rlandsch-hdiii, dat in den hierbedoelden

zin eene uithreiding bevat yall art. 101 yall llet N ederlandsche

Rtra.fwethoek, wordt ait laatste argument heostl'cden mf't de yolgende

opmerkillg: "GenoenHl bezwaar, dat PI' geen rechtsgrond zoude

hestaan om in de bpdoelde geYallen straf te bedreigen, achten ,,-e

dan ook in de algemeenheid minder jui.'t. Waal' het toch geldt de

bestraffing ,an 11lisdrijwn tegf'n de "openbare orde" bega:1n, kan

het, ook uit een 7.uiver l'e


88

king IH'bhen ook de opl'1liillg tot ougehoOl'zaarnheid aan wettelijke

TOOI' chriften Ol wettelijk Yerbindende ambtsbeyelen tot een mi.sdrijr

te stempelen, zelfs dan als die ongehoorzaamheid op zich zelve

niet st>:a.fbaar is gesteld, indien slechts gegronde vrees be ·taat dnt

een ~lergelijke opruiing tot ernstige verstoring der openbare orde

.za 1 leiden".

En dit laatste is niet alleen in de Indische, maar ook in de

K ederlandsche maatschappij zeer wel mogelijk. De ervaring heeft

ook hier te lande geleerd, dat tot be cherming' del' orde in de samen­

Je,ing het begrip van opruiing te beperkt is gesteld. 1'egenover de

Imeest gena.rlijke opruiing, die strekt tot omverwerp~g der bestaande

maat\;chappel~jke rechtsorde, is het gezag thans niet zelden

maohteloos. Op allerlei ,,~jze kan de algemeene rechtsveiligheid

,,'orden bedreigd en in ge,aar gebracht door eene opruiing in algemeene

termen, zonder dat deze onder art. 131 valt.

Hoorin ligt een ardoende rechtsgrond voor de voorgestelde uitbreiding

van het artikel. 1'ot welk gewelddadig verzet in het openbaar

ook wordt opgestookt en aangezet, het blijft straffeloos indien

maar niet een bepaald strafbaar reit daarbij wordt aangeduid.

De voorgestelde wijziging heeft ten doel de opnliing strafbaar

1.e stellen niet alleen wanneer zij zich richt op een reit in shijd met

een artikel der wet, maar ook dan wanneer zij strekt tot het plegen

van daden in strijd met het geheel der wetgeving en met de bestaande

rechtsorde.

De redactie van het meer vermeld Indisch Strarwetboek is in

hoordzaak gevolgd, doch met bijyoeging' nog yan de woorden: "or

tot een gewelddadig optreden tegen de openbare orde", omdat de

openbare orde gewelddadig kan worden ver toord ook zonder dat

een uitdrukkelijk wettelijk voorRchrift wordt overtreden.

Met het oog op de voorgestelde aanvulli11g van het voorafgaand

artikel moet de redactie van art. 13'2 daarmede in overeenHtemmi11g

worden gebracht.

Artikel 62. (1)

AI,t. laG. De opsomming van misdrij,en in dit artikel is, trouwens

geheel owreenkomstig de beginselen welke aan de' thans

geldende bepaling ten grondslag liggen, uitgebreid . .fWereerst tot

die, welke tegen vreemde Rtaatshoorden mochten gericht zijn,

Terder tot wrkrachting en tolt alle, waa.rbij gevaar yoor de persoonlijke

vrijheid, leven gevaar or /Iwaar lichamelijk letsel te duch­

'ten is, alsmede tot die, welke eeue aauranding zijn van den persoon

or de eerbaarheid van lieden, die niet voortdurend or oogenblikkelijk

in staat zijn voor zich /l61ven te zorgen en dus meerdere bescherming

behoeven. 'l'en aanzien "an de in 'l'itel VII omschreven misdrijwn

is de voorwaarde, dat daardoor leYemlgevaar wordt yeroorzaakt, geschrapt,

omdat zulks voorar slechts /lelden vaststaat, doch van

bijkomende omstandigheden veelal afhankelijk is.

(1) Verg. Uitg.-BELINFAlITE, Herz., dl. I, blz. 122.


su

.\J'ti kclcn 63 cn 64. (1)

A/·t.. l4a. NdlUld en opzet wmden hil"r ge.lijk get\teld. Bij de

bepaling van de st.raf zal de rechter natuurlijk op de schuldgraad

hebben acht te ~laan. Eenerzijds zou het echter te \er gaan iedere

ueelneming aan een ,el'boden ,ereeniging of aan een yereeniging

(Iie tot oogmerk heeft het plegen ,an misdrij\E:'n strafbaar te stellen,

ook al was de deelnemer niet bekend met het ongeoorloofd karakter

der ,ereeniging, all(lerz~ids is het bewijs ,an het opzet in vele ge,allen

niet te le,eren, ter"·~il toch dl" schuld ,au den dader en claar­

UOOl' zijn geyaarlijk karakter vastst~t .

.Artikelen 65, 67, 70, 71, 72, 73, 74, 116 cn 117 •

. .. :b·tt. 158, 3°., lG3, 2°., lG5, tweede liel, lG7, 3°., lG9, ;2u., 171,

3°., 113, tweede lid, 307 en 308. Ook bij een zeer ernstig gevolg

kan de mate ,an schuld zeer gering zijn. Het subjectieve element

behoort meer op den yoorgrond te treden, terwijl aan den ei ch ,an

Ischulch-erband voor alle elementen van het strafbaar feit moet

worden yoldaan. Er is daarom geen reden waarom bij (rnstige geyolgen

van het gepleegde feit de straf van geldboete zou zijn

uitgesloten.

Op de'.len grond wordt voorgesteld voor de geYUllen dat een in de

hier vermelde artikelen omschreyen feit iemand. dood ten gevolge

heeft, geldboete facultatief te stellen naa,st ge\"angenisstraf en hech­

·tenis. Het verworpen amendement van mr. U. V.\N DE 'YEUK op

art. 158 wilde reeds de toepassing van geldboete mOg"plijk maken (2) .

.Artikel 66. (3)

Artt. 158bis en 158tel'. De algemeene veiligheid, zoowel internationale

als nationale, eischt dat reeds het \el'Taardigell ,an ontploÎfing'smiddelen

en het ver chaften vun inlichting omtrent dp

vervaardiging, indien de dader weet of redelijker wijze kan Yermoeden,

dat die middelen tot het plegen \an eeu su'afbaar feit zullen

worden bestemd, als zelfstandig misdrijf strafhaa.r zijn.

He.tzelfde geldt voor het ondeT zich n


90

.Ärtikl'lcn 6S cn 69. (1)

AI,tt. 164 en 165. Naa t "stoomvel'mogen" is ook "andere mecha.­

nische beweegkracht'" vermeld, ten einde de artikelen ook toepa _

selijk te maken op het ve:l'keer, waa.rbij als beweegkracht wordt

gebezigd electriciteit, saamgepel te lucht, gas enz.

Aan het woord "verkeer" is toeg'C,oegd "met openbare middelen

,an ,ervoer", omdat het blijkbam Iuet de bedoeling is deze bepa-

1ingen ook voor bijzonder wrkeer, hijv. ten lwhoe,e ,an een fahriek,

te doen gelden.

Onder het woord "spoorweg" kan ook een tramweg geacht worclen

begrepen te zijn. Toch iR het raadzaam hiel' het woord "spoorweg"

te vermijden, omdat ook verkeer te land door stoomvermogen

enz. zonder rails ,oorkomt. Daarom "ordt df' ['uimere uitdrukking

"te land" beter geacht, -waal'tegell te mimh'r bez-waar kan bE'iStaan

als het artikel tot "oppnba:l'e middelen van vervoer" wordt beperkt,

Artikel 75. (2)

Ad. Ij 4. De eigenlijke handelingen van yerkoopen, te koop

aanbieden, afleveren en uitdeelf'n zijn met altijd te constateeren.

Daarom wordt, in overeenstemming met de redactie van andere

artikelen, 0. a. (\.rt. 337, de b~jvoeging YOOl'gesteld ,an de woorden

"of ten vel'koop of ter uitdeeling in yoorraad heeft". Deze toestand

is gemakkelijker waar te nemen in yerballd met plaats en om Üludigheden

PU de betrokken "inkelier is f',en :;tl'i[\Dvaarrlig zoodra hij

"'illeus en " 'etells 'chadf'lijke wmen telt verkoop voorhanden heeft

'als wanneer hij ze aflevert; wanneer hij tot elf' laatste handf'ling zal

komen, hangt niet meer yan hem doch van auderen af.

Bij het "in ,ool'raad hebben" pa~t echter niet al element Yall

het mi. drijf het wrzwijgen yau het schadelijk karakler. Dit moet

dus 'N"'I'"allen, wat ook dit voordeel heeft, dat dan niet langer de

fa brikant en de grossier zich doOl' mededeeling van het schadelijk

karakter aan den winkelier ,oor RtraT kunnen nijwaren, terwijl de

"inkelier', die het llatu1U'l~ik YOOl' zijn klanten wl'zwijgt, de eenige

stl'a,fban> is,. ])f' wf'ghting ,Hol} dit plemcllt mna kt f'venwel hf't artikel

nog numf'r en onbepaalder dan ]wt nu l'eecb iH in strijd lllf't elf'

bedoeling. ])elle is toch alleen den yerkoop enz. tegen te gaan \'au

zoodanige wart'l1, die s('hadd~jk lI~jl1, doch waarvan men yprwnchten

moet (lat lIij onschadel~ik zijn wpg'en.c; hf'i gehruik WaaTYOO!' zij bestemd

zijn. (Zif' de rpde,oering van mr. Y.\N HOl' TEX hij de behandeling

van dit al'tikf'l In


91

waH, gaat te Yer; ollYel'óichilllgc nalatigheid om


92

Soortgelijke oyerwegingen gelden voor de èll'tt. 282 en 285. Et-ll­

YOlldige vl'ijheidsberooving kan van zóó weinig beteekelus en zelfs

zóó versohoonbaar z~in en de in het tweede artikel strafbaar gestelde

bedreigillgen knllnen, hoewel zij op den bed~'eigde indruk makell,

zóó weinig ernstig gemeend zijn, dat geT'angenisstraf eell te, zware

straf is. Daarom is het wenschel~ik den rechter TTijheid te laten

desgeraden een lichtere suaf van geldboete op te leggell.

In het tweede lid van art. 285 is de ge\angenissu'aÎ Imperatief

gehandhaafd, omdat de schriftelijke b€dreiging op een ..-ooraf overwogen

plan wijst en dns niet zoo losweg geuit wordt, en omdat (le

bedreiging onder eene bepaalde voorwaarde door deze omstandigheid

zelve reeds aantoont, dat zij ernstig gemeend is.

"'Vat art>. 314 (strooperij) betreft, kan het ook bij recidive welIschelijk

zijn geldboete op te leggen, vooral omdat ook in a;1't. 315

(strooperij onder verzwarende omstandigheden) deze straf alternatief

is g.esteld.

Àrtikel 82. (1)

A1't. 183. Meermalen worden bijzondere personen, hetzij voortdurend,

hetzij tijdelijk, met eenigen openbaTen dienst belast. Zij

treden clan op ter v8TVanging yan het openbaalr gezag zelf, omdat

dit, om welke reden dan ook, niet zelf in ·taat is de aan die bijzOlIdere

personen opgedragen werkzaamheid te vetlTichten. "'Vaar die

wà@zaamheicl door toedoen van derden gevaaT loopt niet of verkeerd

te kunnen wOl'den vel'l'icht, zijn die derden even 8tIaÎwaardig

.als wanneer het openbaar gezag zelf haar had ter hand genomen.

Voor de straÏbaal'heid van die eh-rden is inttUlschen de gelijkstelling

van die bijzondere personen met :ullhtenarell lloodig, en daartoe

strekt de YOOl'gestelde aan art. 104 van het Wetboek van I::ltraÎ:recht

voor de ElU'opeanen in N,edel'lamlsch -Indië ontleende uitbreiding

yan dit artikel tot allen, die krachtens wettelijk voorschrift met

eenigen op~nba['en dien,st zijn belast.

In zeker opzicht gaat het artikel van het ontwerp verder dan

genoemd Wetboek, door de gelijkstelling ook uit te strekken tot de

toepassing van art. 177, waarvan de ondervinding mede de well'schelijkheid

heeft aangetooncl. Immers de rechtbank te Rotterdam heeft

bij vonnis van 24 September 1892 niet straÎbaar moeten veI'klaTen

de poging om een loteling te doen ufkeuren door middel van geldaanbieding

aan den blU'gerlijken geneeskundige, die als keuringsdokter

voor de militie den militieraad tel' zijde staat. Zulk een

keuring: voor üe militie is het veITic hten van eenigen openbaren

dienst, zooebt de bedoelde poging onder het bereik yn,n het gewijzigde

artikel zou vallen.

Het tweede nommer bevat wat het tegenwoordige a.rtikel inhoudt,

doch eenig:s,zins gew~jzigd in vf>rband lllet de voorgestelde verandeu'ing

in artt. 164 en 165.

(1) Verg. Uitg.-BELlNFANTE, Herz., dl. I, blz. 128.


93

Artikel 83. (1)

..'hl. 184bis. De na.deellge gevolgen van het gemis van bepalingen

als in dit voorgesteld artikel vervat, zijn meermalen geblekelli

Het bezit van wapenen en andere in de in dit artikel bedoelde

om 'tandigheden even gevaarlijke voorwerpen en het dreigend voorhanden

hebben van dynamiet of andere ontplofbare en licht ont ....

ylmu bare stoften kan ~eer em tige gevolgen na zich sleepen.

Daarom moet de afgifte kunnen worden gevorderd en weigering

I traÎbaar zijn, natuurlijk tenzij de houder bevoegd is die voorwerpen

bij zich te hebben. Hem, die wettelijk bevoegd is een wapen te dTagen,

mag dit nict wmden ontnomen, enkel omdat hij het draag-t,

~oo]ang niet hlijkt yan mishruik. "VOOl' ontploffingsstoffen wordt aie

uibondering niet gemaakt, omdat de bevoegdheid een zekere hoeveelheid

huskruit voorhanden te hebben, niet amenhangt met den

persoon of de categorie van personen, waartoe de houder behoort;

hE't geldt hier niet een persoonlijke bevoegdheid gelijk hij het dragen

yan wapenen.

Hpt hooge maxillllUu van viel' jaren is hiel" gewettigd, omdat

weigering tot afgifte het voompmen in zich sluit om van de bedoelde

gevaarlijke stoften en voorwerpen een mi dadig gebruik te maken of

te laten maken, met het oog waarop het wensclu'lijk kan zijn den

wf'igerachtige vool'loopig te kunnen aanhouden.

Het artikel is beHtaanl)aar naast art. 184 van het "iVetboek.

Art. 184 straft in het algemeen het opzettelijk niet voldoen aan

een hpvel of een vordering luachtenR wettelijk voorRchl"ift gedaan

door een ambtenaar enz.; ad. 184bis bedreigt eeu hooger strafmaximum

voor het h~jzonder ernsti~· geoordeelde geval, dat de weigering

geldt de afgifte "an ont"damhul'e of ontplofbare stoffen,

welke afgifte wordt o'evorderd met het doel om gI'oote gewaren en

gewapend ver~et te voorkomen en te keer te gaan.

llI·tikel 84. (1)

A1't. 187. De woorden "of krachtens ,vettelijk yoo1'oohrift" worden

ingevoegd naar aanleiding van een arrest van den Roogen

Raad van 11 lIlaart 1889 (Weekblad van Aet Recht nO. 5694). Vgl.

' Vetboek van Strafrecht voor Europeanen ad ar11. 198. Bij dat arrest

werd dit artikel niet toepasselijk geacht op het afscheuren enz. van

eene bekpndmaking, in het openbaar aangeplakt door een deurwaarder

ter tenuitvoerlegging van een vonnis en ten verzoeke van

,den executant. Die bekendmaking was toch geschied h.,:achtens wettelijk

yoorsclU':i.ft (art. 464 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

De Hooge Raad meende een deurwaarder, waar deze de hier

bedoelde bekendmaking' doet, niet te moeten beschouwen als het

in deq;e bedoeld beyoegd gezag, omdat blijkens het opsc1u:ift van

Tit€ll VIII en de :Memorie van Toelichting tot dit artikel daaronder

alleen het openbaar gezag moet worden verstaan.

(1) Verg. Uitg.-BELINFANTE, llerz., dl. I, blz. 129.


94

Toch schijnt ook het artikel, \,';ooals het nu aangevuld wordt voorgesteld,

wel in dezen Titel te passen, althans eveng'oed ah art. 198;

in beide worden feite~ikheden tegen een daad van een deurwaarder,

handelende krachten8 wettelijk vom'sclu'ift, zij het ook op verzoek

,an een particulier persoon, aangemerkt als verzet tegen ht't openbaar

gezag.

Artikel 85. (1)

A·t. 20Gbü·. De be1)aling van art. 206 is gebleken niet voldoE'nde

te zijn tegen de in den laatsten tijd voorgekomen praktijken om

,zich of een ander aan den verplichten krijgsdienst te onttrekken.

Die praktijken beoogen niet het in het levt'n roepen van we'):kelijke

ongeschiktheid voor den dienst, doch het tijdelijk te vom'schijn roeren

in het organisme van een persoon van verschijnselen, die dezen

bij de keuring onge chikt deden oordeelen voor den dienst. Dat

oordeel was bij die verschijnselen volkomen g-ewettig'd, doch de vel'­

Ischijnselen zelve - vermoedelijk veroorzaakt door toediening van

bella donna - hielden spoedig na de keuring op. Het nieuwe artikel

yoorziet in navolging van § 143 van het nuits~he Wetboek van

Strafrecht tegen dergelijke bedrieglijke middelen.

Artikelen 86 en 87. (2)

A,tt. 208 en 211. Voor de strafbaarheid ingevolge deze artikelen,

zooa18 zij thans in het wetboek luiden, is het noodig, dat de dader

de mlUlt8peciën enz. vóór de uitgifte zelf had ontvang'en, want die

uitgifte is alleen dan strafbaar, indien hij op het oogenblik van

ontvangst met de valschheid of de schennis bekend was. Indien nu

hij die ze uitgeeft, zelf de vervalsching, de namaak of de schennis

heeft gepleegd, valt hij buiten het bereik van deze artikelen en

kan hij alleen l.'Tachtens art. 208 of art. 210 gestraft worden. VOOi!:

dit laatste zal echter het bewijs niet altijd te leveren zijn. De voorgestelde

toevoeging is daarom wenschelijk.

Artikelen 88 en 89. (3)

A,tt. 232 en 233. Uitbreiding van de hie')' omoohreven feiten

wordt voor'gesteld tot biljetten van vreemde cll.'culatiebanken, ten

einde ook deze tegen de verspreiding van val~che biljetten te be­

Ischermen en derden zooveel mogelijk te vrijwart'n voor het in betaling

nemen van zoodanige biljetteL..

Zie verder voor art. 232 de toelichting ad arttJ. 209 en 211.

Artikel 90. (4)

A'b. 240. Er be .. taa,t wel geen verschil van meening bij de bea.ntwoording

der vraag of de vrijheid van drukpers gedoogt de ver-

(1) Verg. Uitg.-BFlLINFANTE, Hel'z., dl. I, blz. 131.

(2) " " " dl. I, blz. 132.

(3) "" dl. I, blz. J 34.

(4) " "" dl. I, blz. 135.


91)

spreiding van pOl'J)ographi chp geschriften tegen tp gaan. Doch het

iK lliet zoo gemakkel~ik (Ic grenslijn juist te trekken. Eenerzijds mag

de wetgever geelt censor monUll zijn, anderzijd~ dient hij aanslagen

tegen de zedelijkheid krachtig te ondenlrukken. Unze wetgever heeÏt

g'('llleend een ,oldoend criterium te ,inclen in de uitclrukking "vlieg!:'I1d

blaaclj e or afbeelding" voor de eerbaaTheicl aanstootelijk". Ten

omechte: de afmeting of omvang V ~lll het stuk kamkteriseert den

inllOud niet. Bovendien z~in er obscene Y()ol'werpen even zedekwetscnel

als afbeeldingen or grsehriHell, en in de laats.te jaren heeft de

uitstalling ,an dergelijke Yool'\Yerpen, aaubenllcn ter he,ordering

yall de toepassing ,all lH't :Neo-1falthusiHnislllc, een lwdenkelijken

OIllYD.ng aangenomen. lIet keJllllprkentl onderscheid ligt niet in den

uiterlijken vorm, maur in de sh'ekking der publi.catie. Er zijn

klpine g'esehriften clip wellicht l\


96

hi!"!' bNloelde misdrijf. En inderdaad komt dit wel voor, (Z1


97

minc}erjarigen in di.t m.'iikel genoemd, bnder die van de daarbij

vermelde personen. Vandaar het nieuwe nommer 5.

In verbandme,t de wet va,n 12 Februari 1901 (Staatsblad na. 63},

h~hoOl'(>n in 4 0 • ook tucht.scholen te worden vermeld.

Artikelen 99 en 100. (1)

.A1't,. 250, 2". en 3 0 • Volgens de tegenwocrdige redactie van na. 2

beheerscht het woord "opzettelijk" ook het daarna geplaat,>te woord

"minderjarig-e", zoodat voor de strafbaarheid wordt gevorderd het

bestaan van de wetenschap bij den beklaagéLe, tlat personen, wien

hij de gelegenheid verschafte tot het plegen van ontucht met elkander,

waren, of een van hen was, minderja,rig. Het komt meermalen

vom, dat de beklaagde zich beroept op zijne meer o.f mindeer gest.aa.îde

meening" du,t beide pe'l.'sonen meerdei.'j arig- waJ.'en, hoewel een van

beiden blijkt den gevoil'derden leeftijd nog niet te hebben bereikt;

niet zelden verlaat men ûch daarbij op de onware verklaring van

de betrokkene zelve, al dan niet bevestigd door een vriend OI

vriendin van deze. Zoo kan de beklaagde zich maM' a.1 te gemakkelijk

voor straf vrijwaren.

Deze misstand is alleen te vermijden, indien men, zich rekenschap

gevend van de praktijk, verschillende gevallen onderscheidt. Hij die

een minderjarige als huisgenoot opneemt in een huis van ontucht,

kan zich zekerheid verschaffen omtrent den leeftijd. Hij behoort dus

steeds straÏbaar te zijn wegens het hier bedoelde misdrijf ten aanzien

van een minderjarige, indien de persoon die hij heelt opgenomen en

te wiens aanzien hij het misdrijf pleegde, nog niet meerdel'jarig was,

onverschillig OI hij het wist OI niet.

Voor andere gevallen geldt de praesumtie van schuld op grond

. van de minderjarigheid redelijkerwijze niet. Het is feitelijk een onmogelijke

eisch, dat men zich omtTent ieder die zijn huis VOOT enkele

uren of enkele oogenblikken bezoekt, nauwkemig op de hoogte stelle

van zijn leeftijéL. Vandaar dat in nO. 3 alleen stTafbaar wordt gesteld

hij die geweten heeft of red.elijkerwijze moest vermoeden, dat hij met

een minderjarige te doen had. Bij de hier bedoelde feiten is het

echtel' niet noodig, dat men van koppelarij een gewoonte maakt. Een

enkel feit is voldoende. Het spreekt niettemin van zelf, dat ook de

gewone bordeelhouder onder het bereik van deze strafbepaling valt.

De laatste zinsnede van het tegenwoordige nummer 2 kan evenwel

veilig wegvallen, omdat een gewoonte zonder winstbejag wel uitsluitend

zal voorkomen ten aanzien van dienstboden oÎ pensionaires,

die thans afzonderlijk en veel meer afdoende zullen worden beschermd.

De uitdrukking "ontucht teweeg b11engen of bevorderen" is in

nos'. 2 en 3 vervangen door een ande.re: "tot het plegen van ontucht

gelegenheid of middelen verscha.ffen". De uitdrukking "teweeg

brengen" is ongetwijfeld te eng, ook indien geen ontuoht te weeg is

(1) Verg. Uitg. -BELIN~' ANTE, Herz., dl. I, blz. 136 vlg.

Herziening Vletb, Strafr. Il,


98

, gebracht moet de koppelaa;r strafbaar zijn. De uitdrukking "bevorderen"

is daarentegen te num, tenzij he,t reit bedreven wordt door

ouders of voogden.

Artikel 101.

A1't. 250, 4°. Het komt well8chelijk voor, het uit winstbejag opzettelijk

verschaffen van gelegenheId of middelen tot het plegen van

ontucht ook dan strafbaar te stellen indien dit opzichtens meerderjarigen

geschiedt. De taak van den wetgever i& in dezen niet geëindigd

met de bescherming van minderjarigen; het geheele bedrijf,

d,at in een huis van ontucht of bo'rdeel wordt uitgeoefend, zij het

ook alleen met meerderjarigen en ten dienste van alleen meerderjarige

bezoekers, behoort onder het bereik der strafwet te worden

gebracht.

De strijd tegen de huizen van onhlCht in het algemeen, door zooy,elen

gevoerd en in eenige gemeenten reeds met een pktatselij'k

verbod van zoodanige gelegenheid bekrooncl. mag bekend worden

geacht. De nadeelen, waaraan dam' verblijvende vrouwen, ook al zijn

ûj meerdel'jarig', bloot staan, de, belemmeringen in haar persoonlijke

vrijheid daar zoo dikwijl& ondervonden, de "menschen-handel",

waartoe de inrichtingen aanleiding geven, de gevaren, die han!'

bestaan oplevert voor mannen van eIken leeftijd, de ondermijning

der g'oede zeden, waartop zij noodwendig leiden - dit alles reeht~

vam'digt een verbod van overheidswege, geldende vom het geheele

Rijk, tot uitoerening van het schandelijk en voor zoo\'elen schadelijk

bedrijf van den bordeelhouder.

Daar v-ele van de gevolgen, die huizen van ontucht met zich

brengen, zich ook opdoen al wordt het bedrijf niet geregeld en in

een bepaald huis uitgêoefend, is de hier vooirgestelde nieuwe bepaling

algemeen, als eenig eriterium, voor de h'afbam'heid van IlPt

opzettelijk verschaffen van de' hier bedoelde gelegenheid of middelen,

eisühende het da.arbij ha,ndelen uit. winstbejag'.

Artikel 102. (1)

A1't, 250bis. Het ail:tikel beoogt twee zeer yprschillendp feiten

str~fuaar te stellen.

De wetgever, die zieh de bescherming bovenal van minderjm'igen

ten doel stelt., dient er tegen te wak:pn dat deze niet door prostituép!:,

in verleiding worden gebracht. Het hier su'afbaa.r gestelde feit i~

strpng' onderscheiden van de koppelail:ij. Het geldt hipr niet hpt

pleg'en van ontucht door del'den, ma.ar het uit10kken tot. ontucht met

den dader zPlf. Terecht is, er op gewezen, dat het zonderlinge anomalie

is, dat de houdster van een bordeel. die minderjUJ'Îgen toelaat

tnt pem,ionaires, strafbaaJ' is, maal' st.ra:ffe1loos uitg'aat. indien zij zif'h

zelve aanbiedt. Ditzelfde g'eldt ook van anderp pprsonell, lllpt JHllue

(1) Verg. Uitg.-BELTNFANTE, Herz" dJ. I, blz. 137.


99

V::Ln de . traat.prostituées of van de afzonderlijk wonende prostituées,

die op eigen risico hun bedrijf uitoefenen. Het verbod van bordeelen,

uit art. 250, 4°., voortvloeiende, maakt derhalve deze bepaling geenszins

overbodig.

Het onder nO. 2 omschreven :lOeit is van geheel anderen o:lOschoon

niet minder ergerlijken aard. Minderj a1"igen dienen ook beschermd

te worden tegen de verleiding, welke den bepaalden vorm aanneemt

i11 het al,tikel g·enoemd.

Artikel 103. (1)

A1't. 253. Er is geen reden waaJ.'om alleen het afstaan of ove.rlaten

van een kind aa·n een ander tot de hier vermelde doeleinden

i'traÎbaar zou zijn en h~j, die zelÏ het kind daartoe gebruikt, straffelOOf;

zou blijven. Om in die leemte te voorzien wordt dit artikel, in

twee uommers gesplitst, voorgesteld.

Artikel 104. (1)

A1't. 254. Ofschoon in het bestaande artikel en in art. 300 hetzelÏde

woord "mishandeling'" wordt gebruikt, wordt daal'aan in de

praktijk een verschillende beteekenis gehecht naar gelang het dieren

of mensohen geldt. Zulks is een gevolg van het verschil in de toelichting

van de beide artikelen.

Voor het mischijf van art. 300 werd het voldoende geacht opzettelijk

"leed te doen"', terwijl voor strafbare dierenmishandeling'

het opzet gezegd werd te moeten gericht zijn op eene "wreede

behandeling" .

Reeds in deze verschillende uitlegging van hetzelÏde woord in één

wetboek, is aanleiding gelegen tot wijziging van een der beide artikelen,

en dan ligt het voor de hand dat al'iikel te veranderen hetwelk

gebleken is tal van handelingen, die naar het doel waarmede

het a1ttel in het wetboek werd opgenomen - het voorkomen van

aanstoot en· kwetsing der zedelijkheid - strafbaar moesten zijn,

ongestraît te laten.

Niet alleen het opzettelijk wreed behandelen van een dier, maar

ook het met opzet noodeloos pijnigen of kwellen is met dat doel in

strijd. Niet slechts de eerstgenoemde omschrij'ving van het begrip

"mishandeling", zooals die bij het tot stand brengen van het artikel

werd gegeven, maar ook het opzettelijk noodeloos pijnigen of kwellen

van een dier behoort derhalve in de plaats te worden gesteld van

de uitdrukking "mishandeling". Eene handeling', onder het laatste

begrip va.llende, is nog niet altijd opzettelijk wreede behandeling;

het opzet behoeft daarbij niet rechtstreeros op zoodanige behandeling

gericht te zijn; het is voldoende als de dader opzettelijk en zonder

noodzaak het dier pijnigt of kwelt.. Het woord "noodeloos" brengt

handelingen, in het werkelijk belang der wetenschap ondernomen,

buiten het bereik van dit artikel.

(1) Verg. Uitg.-BELINFANTE, Hprz., dl. I, hlz. 138.


100

Artikel 105.

Art. 269. Ten aanzien van sommige beleedigingen, in Titel XVI

voorzien, gaat de eisch van eene klDcht tH ver. Zoodra dH beleediging,

door de wjjze waarop zij is aangedaan, noodwendig ruchtbaarheid

heeft verkregen, eischt het publiek belang de strafvervolging

niet a.:fhunkelijk te stellen van den wensch vaJl een enkel persoon.

Artikelen 106 en 108. (1)

A1,tt. 272bis en 273bis. Sedert in de Äxbeidswet, oorspronkelijk

van 5 Mei 1888 (Staatsblad nO. 48} en in navolging' daarvan in

eenige latere wetten, de openbaring van ambts- of beroeps- en zoogenaamde

fahrieksgeheimen ook door schuld strafbaar is gesteld,

behoo'J:t zulks algemeen te geschieden. Er is geen reden waarom

bepaalde ambtenaren ten deze aan strengere regelen zouden onder­

WOTpen moeten zijn dan andere, en evenmin waarom dan undere

personen, werkzaam in een bedrijf, alleen voor opzettelijke schending'

van fabrieksgeheimen ~trafbaar zouden moeten wezeu.

Artikel 107.

Art. 273, eerste lid. De grens tusschen landbouw en nijverheid is,

vooral bij, de wijze waarop de eerste tegenwoordig hier en daar

wordt beoefend, niet alt~jd juist aan te geven. Maar ook al draagt

een onderneming uitsluitend het karakter van landbouw, niet. ook

dat van nijverheid, dan i,s e'r toch geen reden, waarom haar betreffende

bijzonderheden, waanall geheimhouding is opgelegd, niet

, evenzeer tegen bekendmaking zouden " 'orden beschermd.

Artikel 109.

A1't. 278bis. In het ontwerp-truc' aat der Internationale conferentie

tot het tegengaan van den hauclel in Yl'ouwen en meisjes,

in Juli 1902 te Par~is gehouden, van welke overeenkomst vermoedelijk

binnenkort de goedkeuring door de Staten-Generaal zal worden

gevraagd, zijn de beide volgende artikelen opgenomen:

"A1'ticle premier. Doit être puni quiconque, pom' satisfaire les

passions d'autrui, a embauché, entra.Îl1é ou détourné, même avec

son cOl1sentement, unl:ll femme ou fille mineure en vue d~ la débauche,

alors même que les divers aetes qui sont les éléments constitutifs de

l'illfraction auraient été aceomplis dans des pays di:fférents.

A1,ticle 2. Doit être aussi puni quieonque, pour satisfaire les

passions d'autrui, a, par fraude ou à l'aide de violenees, menacoo"

abus d'autorité, ou tout autre moyel1 de contrainte, embauehé,

entraîné ou détotu'né un8< lemme on fille majeme en vue' de la

(1) Verg. Uitg.-BELINFANTE, Herz., dl. I, blz. 141.


101

débt"Luche, 0101'& ruêrne que les di,en; aetes qui sunt les élérnents

const.itutirs de l'inrraction uuraient été accomplis duns des pays

différent&."

Bij art. 3 nemen de contracteel'ende partijen de verplichting Ol)

zich de noodige maatregelcn te zullen nemen or aan de wetgevende

macht ,oorstellen te zullen doen ter bes.traIfing ,un de reiten, \"001'­

zien bij de artt. 1 en 2.

'1'er voldoening aan deze vel])lichting worclt, in a,Ïwachting van

de goedkeuring van het tractaat, art. 278bis voorgesteld.

Dit ru:tikel, dat in den Titel \an de "Misru:ij,en tegen de persoonlijke

nijheid" thuis behoort, sluit zich zoo,eel mogelijk aan

bij de twee artikelen ,an de conventie, wam'aan het poenale sanctie

bedoelt te geven.

Volgens. litterra C van een bij het tractaat behoorend slotprotocol

moet de strar een vrijheidsstraf zijn; een maximum van twa,alÏ jaren

komt voor in verhouding te zijn met de ande're strafbedr'eigingen

in 'l.'itel XVIII van het Wetboek.

Het tweede lid, dat een hooger straÏmaximum stelt, indien het

reit ten aanzien van een minderjm'ige onder bepaalde omstandigheden

is gepleegd, mitsgaden; indien het reit, tlrgescheiden van den

leeftijd der Vl'OllW, het plegen van ontucht door haar heert ten

ge,olg{' gehad, i,s een gevolg mede van Jitt. C van het slotprotocol,

waarbij is bepaald, dat de StraÏwet rekening moet houden,

onalhankelijk van den leertijd van het slachtoffer, met verzwarende

omstandigheden, als die g'ffiloemd in art. 2 vun de overeenkomst,

en het g'eval dat de vrouw werkelijk aan cle ontucht 1S overgelevercl.

De slotwoorden van de beide artt. 1 en 2 leveren eenige moeilijkheid

op. Zij bedoelen, dat de reiten in eIken toegetreden Sta3.t

stmrbaar zullen JI~jn, ook al r.~in zij buit.en het grondg.ehied van dien

Staat en zelÏs door hamlelillgen in vel'srhillemle landen gepleegd.

De \Taag is gerezen, or hier ook Tekening is te houden met handelingen

in een niet contracteerenden Staat vel'l'icht. Voor zoover

het reit. ook in zoodanigen Staat strafbaar mocht zijn, kan tegen

een Nederlander hier te lande ter r.ake een straÏvervolguJg woerden

lngeHtelcl, ten gevolge van het bepaalde i.n art. f), 2°., van ons Wethoek

van StTaÏrecht. Een vreemdeling wegens een, hetzij geheel,

hetzij gedeeltelijk buitf'n de verclrag,sstaten gepleegd feit stTairechtelijk

te vervolgen, zou de N ederlandsche jmisdictie ongetwijfeld te

ver uitRtrekken. Tegen de noodzakelijkheid daar,an wordt dan ook

gewaakt fIool' eene deshetreffende verklaring onJlerzijds, in het

proce -verbaal van onderteekening' van het tractaa.t. StTaÏvervolging

hier te lande van een vreemdeling, die het reit pleegde in een der

andere toegetreden statf'n is onnoodig; de zaak kan aan de justitie

van dien staat ,vorden overgelaten. Wel dient gezorgd te worden,

dat een N ec1erlander hiel' te lande strarbaar is, ook al kan de justitie

hem niet, ing'evolge art. 5, 2°., van het wethoek, hereiken. Daartoe

is in a.rt. 5,1°., van het wetboek eene aanvulling voorgesteld, daarin

bestaande, dat zullen worden ingelascht de woorden: "m'tikel

278bis" .


102

À.I'tikel 111. (1)

Árt. 284. Het ontb~~eken van de hiel" ingevoegde wuorden ,,lasterlijke

aanklacht" wOTdt een leemte geacht. In het stelsel van het

m-tikel passen zij volkomen. Bij de beraadslaging had de Minister

nUl tTut:ltitie dan ook inde'l.'tijd geen principieel b ez wa al", doch hij

za.g de lloollzakelijkheid der bij,oeging niet in en meende o,erigeuH

dat in de opellbare zitting dergelijke vroeger niet besproken veranderingen

niet moesten worden gemaakt. In art. 294 ,an het

nieuwe Indische \'i T etboek is die leemte op dezeHde wij'ze aangevuld.

In navolging ,an a;rt.. 318 is hier mede ingevol'gd "openbaring'

yan een geheim"; eveuzeer als bij de ufcheiging kan dit middel

vau dwang ook hier gebruikt worden.

À.rtikelen' 113, 114 en 115. (2)

AI·tt. 295, 296, 297 eu 298. Er bestaat twijfel of ouder het woord

.;vrucht" in deze artikelen te ,erstaan is een levend wezen. Is dit

zoo, clan kan daaronder niet -worden begrepen een dood lichaam,

wel na de concept.ie in de vrouw ontstaan, doch afgestorven zonder

kiem van leven. Voor de toepassing ,an deze artikelen is du noodig

het bewijs, dat de vrucht le,end ,',as tijdens de handeling van afdrij­

TIng. (Zie o.a. vonnis rechtbank '8 Gravenha.ge van 22 Februari

1892, Weekblad van het RecM, na. 6158; arrest HOI Amsterdam

van 9 Februail'i 1897, Weelcblad van het Recht, na. 6960; arrest

Hbogen Raad \an 24 Uei 1897, Weekblad van lzet Recht, n O, 6978).

Dat hier ge,orderde bew~is is intu s ~chen bijna nooit. te leveren, in

h~t bijzonder bij zwangerschap van 2 en :::l maanden of minder. Op

die wij.ze missen deze artikelen b~ina geheel hun doel. Wel is waar

is bij arre·st van het gerechtshof te Amsterdam van 22 December

1897, Weekblad van het Recht, n". 70G4, aangenomen dat voor toepa:ssing

van art.. 295 oI 297 geen vereischte is dat de \Tucht hebhe

geleefd: doch dit neemt niet weg dat het wenschelijk is, dat dit

- zeer betwijfelbaTe punt door den wetgever worde beslist. Alsdan zal

de strafbepaling toeipasselijk zijn in elk geval van aborhls proV'ocatus.

De e~~vaJ:ing, o.a. in groote ziekenhuizen en andere tot verpleging'

van kraamvrouwen bestemde inrichÛngen opgedf),an, brengt

hoe lang'ecr hoe meer aan het licht dat 7.oodanig'e gevallen veelvuldig

,oOl'komen, terwijl b\i voortduring' advertellt.ien in sommige nieuwsbladen

aanbiedingen hehelzen, die, hoewpl niet rechtstreeks het

plege·n van dien abortus aanbe,elende" toch in menig geval er toe

leiden, dat eene vrouw of een meisje dit middel op zich bat toepassen.

Het formeel bezwaar dat het miRc1r~jf in zijn nieuwen vorm wellicht

niet tE' rangschikken is onder de mi8drijven tegen het leven

gericht, heeft ten slotte b~i ondergeteekende niet overwog'en.

(1) Verg. Uitg.-BElLINl


103

Artikel 118. (1)

~-I/'t . 310. In deu regel 7,a1 geldboete eene voor iliefstal minder

geëigende straf zijn, daar de schuldigen meestal niet in staat zijn te

b€talen. IntUJSschen komen er gevallen van diefstal vO'or, waarbij

het den dader niet zoozeer te doen was om zich geldelijk te veirrijken

ah; wel om zich den eigendom VaJ.l een bepaald voorwerp te vert\ehaften,

dat hij anders niet gemakkelijk kon ,erkrijgen, en evenzeer

gevallen, waaiJ:in de dader, hoewel niet behoeftig', voor de verleiding

is bezweken. Voor een dergelijken diefstal ï gevangenisstraf

soms niet noodig en dus, verwerpelijk; wil echter de geldboete

,oor een niet onbemieldelden elief een eenigszins gevoelige straf zijn,

dan moet zij tot een vr~j aall7,ienlijk bedrag kunnen worden opgelegd.

Om deze reden is het maximmn van ze.stig gulden te laag, waarom

verhooging wordt voorgesteld.

Niet alleen goederen, die vatbaar zijn voor wegneming, hlnnen

het voorwerp zijn van diefstal. Men kan zich ook wederrechtelijk

meester maken van een kracht door deze te onttrekken aan de be­

Hehikking die een ander daarover rechtmatig heeft, bijv. van elec- '

tTisehe kracht door deze af te leiden; dan 1.., van wegneming geen

sprake en zekP'r niet van een \'oOYlYerp, dat weggenomen wordt. Ten

einde ook dergelijke handelingen, die het karakter ,an diefstal het

meest nabijkomen, als 7.oodanig sU'afbaar te stellen, is dit artikel

uitgpbl'eic1, met splitsing in twee nommers.

Artikel 120. (1)

~-4.1't. 315. In Yel'bancl met de bedJ'eiging Y3n geldboetf', ook bij

Tf'eidive in ru:t. 314, is het maximum in ffi't. 315 verhoogd. Strooperij,

yooml gequalificeerde, kan ook worden gepleegd door Eleergegoeden,

die wel in staat zijn eene eenig zins aanzicnlijke boete te betalen.

Het beg-rip ,.wagen. " is veel te ruinl. Er iS' geen reden waarom

8trooperij met behulp ,an een kruiwagen z'ooveel z,,'aarder zou

moeten gestTaÏt en door de rechtbank berecht worden. De invoeging

yau het. woord "wagens" geschiedde naai!.' aanleiding van het Verslag

van de Tweede Kamer, waarin de opneming van "handwagens." werd

gevraagd. (2). Bl~ikbaa ,l.' wilde de Regeering niet zoover gaan, waar zij

ook niet van manden en zakken wilde weten; zij scheen das meer

bijzonder aange


104

met. zelden als een middel tot chantage aangewend. Zij behoort niet

minder dan de reeds in het artikel genoemde bedreigingen strafbam'

te zijn. In het "\Vetboek Vlm Strafrecht voor ElU'opeanen in

N ederlandsch-Indië is dit middel van a:fdreiging dan ook bij art.

328 strafbaar ge telcl. Indien de bedrei gde niet- toegeeft, is 1. et artikel

met toep a selijk, zoodat het dan in geenen deele de aangiÏte van

h'afbare feiten in den weg stuat; df'gene "'ien poging tot afdreiging

mislukt i, en die daarna de klachte of aangifte doet, loopt

voor zich zehen geen gevaar. Maar al, de afdreiging met het beoogde

gevolg wordt toegepast, wat uit den aard der zaak bij hen,

die aan een mi 'drijf of eene ernstige overtreding zich chuldig

weten, dikwijls het geval lIal zijn, wordt daardoor juist aan het beyoegd

gezag de kennisneming Vlm een "trafbaar feit onthouden.

Evenals in art. 284 is hier "lasterlijke aanklacht" ingevoegd.

Artikel 122. (1)

Art. 326. Herhaaldelijk komt het voor, dat, ook zonder gebruik­

. making van een del' middelen in mi. 026 genoemd, iemand wordt

bewogen tot de afgifte van eenig goed, hetzij koopwaar of geld, op

eene wijze, die ook den normaal nadenkenden mensch daartoe leidt.

De gevallen van zoogenaamde ftesschentrekkerij, die buiten het bereik

van dit artikel vallen, zijn vele.

Daaraan zoo mogelijk paal en perk te , tellen zou een weldaad

voor den handel zijn. Afdoende voorziening tegen benadeeling door

ftesschentrekkers is niet mogelijk, omdat de wet niet hare bescherming

ook tot roekeloozen en zorgeloozen mag uitsü'ekken. Doch

meermalen wordt tot handelsoperatiëll overgegaan, die in de gegeven

omstandigheden niet lichtvaardig mogen heeten, maur toch door

de niet-credietwaarcligheid van eene der llartijen tot schade voor de

andere uitloopen.

Indien de eer tbedoelde pmi~j die opemtie ' heeft uitgelokt, niet

door een der in het tegenwoorchge art. 3:26 genoemde middelen,

maar Of door het yel'l~wijgen van een ','aren Haam of een ware hoedanigheid,

Of dool' het vermoeden te wekken op anlere w~ize van

eene credietwaardigheid, die niet bestaat, behoort zij toch strafbaar

te zijn.

Een nader onderzoek naar jemall


105

bijv. de woning ,an een volkomen solied per,goon - wat nog geen

"samenweefsel van verdichtsels," oplervert - beweegt de onbekende

meermalen zijn s,laohtofter tot afgifte van goederen, welke de dader

dan wel door slinksche middelen, die nog niet altijd "listige kunstg'l'('pen"

behoeven te zijn, in zijn bereik weet te krijgen.

Artikel 123. (1)

A1't. 326bis. Het stelsel van vrije conclll'r,entie erkent ieders

re


106

KoophandE'l, het vE'l'zE'kerE'll vall een belang, terwijl dE' Yf'rzekenlE'

weet dat de schadl\ tegen welke vE'l'zE'kE'rd wordt, reeds bestaat. De

tE'legl'aphisehe gemeenschap maakt dit. mi~bl'Uik gemald;:E'lijk en het

bewijs, dat de ,chade reedN hestond E'll hekend waR, is llloeilijk te

lweren (1),

Niet enkel echter tegen dit misbruik - het verzwijgen van bekende

leiten - biedt het gewijzigde artikE'1 "'aarborgen, maar in het

algemeen ook tegen opgave van valRche leiten, die den verzekeraar

in dwaling brengen. De woorden van het heRfaande artikel "cloor

li>;tige kunstgl'epE'1l ,. zijn daar,oor tE' beperkt.

Artikel ] 2;). (2)

Art. 328. De op~omming va.n bijzolJ(lcl'E' wijzE'u, waarop schadE'

aan een verzekerd goed kan "'orden toegebracht, is onvolledig en

darurom verkeerd. Zoo valt vernieling van verbodemde lading buiten

het bestaande artikel. ZeHs beperkt zich het artikel ten onrechte

tot brand- en zee-assurantie. Beter is het daarom in :D.et algemeen

te preken van "schade toebrengeu", onder bijvoeging - lllet het

oog op de levensverzf'kf'ring - van het veroorzaken van lichamelijk

let el Ol ziekte (3).

Ärtikel 126. (2)

A1,t. 328bis. Een bepaling, waarbij het verdichten Ol te kwader

trouw overdrijven va.n schade ter verkrijgen van assurantiepenningen

wordt strafbaar gesteld, ontbreekt. '1'ooh moet de verzekeraar vaak

zich verlaten op de opgaven van den verzekerde en al doet deze

opzettelijk onjuiste opgaven, hij zal in den regel niet schuldig zijn

aan 'ValRchheid Ol bedrog. Een bijzondere traf'bedreiging is hiE'l'

g'('wenscht.

Artikelen 127 en 128.

A1't. 3:)0. Evenals in de artt. 174 en 175 wordt ook hier VOO1'­

gel>tE'ld de woordf'n "Ol ten verkoop jn voorraad heeft" in te voegl('l1,

PH wel op de daar aangevoerde gronden.

DC'/'e jnvoeging moet ook llÏer ten ge"olge hebbrn ae sclnappillg'

van het yerzwijgpll van de vervalsching ab elplllent van het misdrijf.

wat kau geschieden zonder dat de in dp anllg'E'haalde artikelen aangebrachte

beperking hier noodzakE'lijk wordt; vPl'TalschiI1g is altijcl

en h~i alle wa.ren al te kemen.

Ook hipr wordt hE't "redelijker wijze moetE'n vermoeden" met. 11f'1

"WE'tf'U" gelijk gesteld; b~i twijfel i.' onderzoek plicht. De o]))schl'~j­

-Villg' van verval. chillg js uitgebreid (1001' ülvOE'g'ing' vall het woord

"uitwerking", vooral met het oog op p;011pesmiclclp]en. 'l'en :lflllZipll

(1) Mr. ASSER, Tijdscltl'ift voo,' Stm("echl, I, bladz, 57.

(2) Verg. Oïtg.-BELTNFANTE, Herz" dl. I, blz, 147.

(3) 1\Ir. ASSER, t. a. p., bladz. 59,


107

Ylm deze is vervalsehing, zoodra de uitwerking' daanlolll' verIllllldE'rd

i~, strafwaardig, ook al bleef de waarde dezelfde; vau meerdere of

miudere bruikbaal"heid blijkt bij het aanwenden va·n een geneesmiddel

in den regel niet.

A.rtikel 129. (1)

A /·t. 334. Niet het doen stijgen of dalen Yan den prijs is het

:>ti'afbaar feit, mam het met dat doel ,ers.preidell YHU een logenaehtig-

bericht, met het oogmerk om zich of een andE'r wederrechtelijk

te bevoordeeleu. De redactie is daarom gewijzigd.

A.rtikel 130. (1)

. ,:b ,t. 335. Ook hiel' is de redactie gewijzigd, omdat het strafbal'e

felit niet is het trachten het publiek tot inschrijving enz. te

bewegen, maar helt met dat doel verzwijgen of verwisselen vau bekende

feiten enz., of het ,oorspiegelen vau ,alsche.

Niet alleen bij het plaatsen (bij een uitgifte) doch ook bij het

,erhanclelen van schuldbl'ieven komen dergelijke prakt~jken voor.

Hij die het geschrift vau zoodauig bedriegelijken inhoud 1'01'­

"pn,jdt, moet ewnzeer strafbaar zijn. Naast inschrijving en deelneming

is 'ook "koop" te vel'melden, (2)

Al'ti keI 131. (3)

A/'l. 0~lj. Ven;ehillend(' l'edenen maken 'rijzigiug' n\1I dil artikel

Hllodzakelijk.

Rpt is niet Ïll oYeI'eeuHtemming mE't de bepn.li.ngeu del' WE't yan

:lO SE'ptE'mber 189=1 (Stnatsblad nU. 14(î} op de fa'bl'iE'k s- en handehmerken

cin zal zulk nog minder zijn, indien de daarop "I00l'gE' telde,

Uwos bij de rr"eede Kamer aanhangige wijzig'ingE'n, wet zullen ziju

g'E',,·onlE'n. De vl'oegE:'re wet, dit ondE'rwerp beüdl'E'udE', ,an 25 Mei

1880 (Staatsblcul nO. 85) ging uit ,an dit stelsel, dat el' "an naboot­

~inp: van eens anders merk geen sprake kon zijn, zooelm de afwijking

ynn dat merk maar zo'odanig wa.s, dat zij niet meer "gel'ing" kon

worelen genoerncl. De tf'genwool'dige wet waakt E'chter, billJlen de

([oor haal' zel,e VOOl' hal'e weJ.·killg g~stelde g'l'E'llZen, tegen het gf'­

lH'uik ,t111 een mel'k, het"'elk "in hooltlzaak oyereen·st,emt" met dat,

\YHlIl'Op een ander l'echt heeft. De afwijking' kan lang niet gE'l'ing

7.\i n zouder de hoof(lzaak "an het merk te rakell. ,Yaal' nu ,an zoodanig-

in hoofdzaak mrt eeu ander o"lel'eenstemmend merk de in­

~e1HiJving door het Bul'E'uU "lOOI' den industrieelen eigendom b'achtE'll

de wet pleegt geweigel'Cl te worden, mag hij, die ách niet aan

die \wigering blootsltelt, maar het merk, zondel' inschrijvillg te Vl'a­

).\'I'U , gebruikt, niet straffeloos wordE'n gelaten.

(1) Verg', Uitg.-BELINE:AN'rE, Herz" dl. I, blz, 147 vlg.

(2) ASSER, t. a. p, 61.

(3) Verg. Uitg.-BELIN~'ANTE, Herz., dl. I, blz. 148 vlg.


108

Het artikel liet ook in twijfel of de nabootsing yan een merk,

zij het ook met een geringe afwijking, Yalschelijk moest zijn geschied

om strafbaar te zijn, De jmisprudentie ten deze liep uiteen, en ",a:ll'

de Hooge Raad bij arrest van 17 December 1888 (Weekblad van het

Recht n O , 5G51} besliste, dat voor de coepasselijkheid van dit gedeelte

van het artikel de \yaren afkomstig moeten zijn van een ander dan

yan den rechthebbende op het merk, ",e1'(1 ongetwijfeld meer gelet

op de bedoeling, blijkende uit de geschiedenis yan het artikel en uit

de plaatsing' c1aar-van in clen Tit.el "Bedrog", dan op de woorden,

daar immers het womd "Yalsehel~ik" niet mede kan beheersehen de

,,'oorden "op welke of op wiel' verpakking' zoodanige naam, firma

of mel'k , , , , , , z~in nagebootst"; en alleen indien dit wel zoo

ware, z'ou hiel' het gebruik door een derde yan eell& anders merk

op "Waren, van del>:Pn zelf afkomstig', lmitell de bepalillg vallen,

De redactie "un het bestaande artikel is ook onjuist, door in het

algemeen de nabootRing op waren of hare verpakking -van een '

anders merk strafbaar te stellen, wuder te eisehen, dat het gebruik

dezelfde waren betreft, wam'yooI' een andel' recht op dat mprk heeft-.

De naag behoort nipt alleell te Z~ill of een ander recht heeft op

het mpl'k, maal' tewllR of de gebl'uikel' J\plf daarop een recht kan

doen gelden, Zoodra dit 1nat~te hpt gpval i~, moet hij hui ten het

bereik del' l'>trafwet bl~iypll, ook al heeft een allelE'r fiE'de recht op

het mpl'k. De oplm;,


109

gt~tm al degenen, die op dergelijke wijze eens anders merk gebruiken,

vrij ·uit.

Niet zeldzaam is het verhandelen van waren opzettelijk onder een

met voordacht gekozen naam Û't firma ot onde:!.' een merk, waa:rdoor

het verm'oeden wOé!.'dt gewekt., dat men met WM'en van hoogere

handelswaarde te doen 4eett. Wanneer beide SQorten uiterlijk op

elkaar gelijken, kan daardoor beclrog worden gepleegd. Verkoop van

mai!.''garine onder een naam of een firma" d~e u.itsluitend op een

zuiveEnTÎchting wijst, ot onder een merk, voorstellende een koe,

le'\' ering ,an niet van druiven a:fko~stigen wijn 'onder een merk

.,clruiventros", zijn voorbeelden daal'va.n, aan de practijk ontleend.

'l'egen derge4jke misbruiken voorziet het tegenwoordig art,ikel niet;

eerst wamleer het dit deed, zou de inschrijving van zoodanige merken

voor ISlU'rogaten van de daardoOT aangeduide wam.' kunnen geweigm'd

"orden wegens st'rijcl met de o:penbare orde.

Op al deze omstandighf>den is hij het ontweJ ~pen van het nieuwe

artikel gelet.

Xog zijn, in nayolging' van art. 348 van het meel' aangehaald

Indisch WetboE'k, nevens de woorden "zondert> klaarblijkelijke becloeling

om weder te "orden uitgevoerd", de woorden "ot voor eigen

gebruik te worden gebezigd" ingevoegd.

Een tweede lid is aan het artikel toegevoeg"d. Kommer 1 bedoelt

bOiVen twijtel te stellen, dat hij, die een merk gebruikt, in weel'wil

dat hem de insclll'ijving daarvan ot ,an een in hoo:fclzaak daarmede

ovel'eenstemmend nH'1'k dool' het Bmeau voor den industrieelen

eigendom is geweigerd, strafbaar zal zijn, natuurlijk echter eerst dan

als die weigering onherroepelijk is geworden, d. w. z. niet meer dool'

een 'opvolgencl bevel tot inschl'~jving van den rechter kan 'Worden

tenietgedaan. Al beRtaat het recht cp een merk onafhankelijk van

de inschrijving', waar deze niet kon verkregen ,""orden wegens een

vroeger depot ,an hptzelfcle ot een in hootdzaak overeenstemmend

merk ten name van een audpl', mag vel'moec1 worden, dat geen recht

bestaat; het bewij::; ,an het tegendeel, ondanks de inschrij,ing ten

name van een ander, bl~jft, in overeenstemming met hetgeen hierbo,en

werd gezegd, intuRschen toegelaten. Het opzettelijke van het

gebruik schijnt uit de omstandig'heid der weigering zelve te volgen,

maar toch neemt de rechter ook )n zoodanig geval meermalen, hoewel

het recht ontkpl1nende, de kwade trouw niet aan. Het nieuwe

nommer 1 bevat ook dumom niet het woord "ol)Zettelijk".

Ook het gehruik ,an een merk, dat een ""oorel ot eene voorstelling

bevat in strijd met de goede zpelen, of waal·dO'ol' het gebruik

van het merk in str~id is met de openbare orde, op grond waar,an

,olgens het wijziging. ,00l'stel op art. 4 der ~Ierkenwet inschrijving

zal kunnen wmden ge,,-eigenl, is in weerwil c1aaI'Yan sh'affeloos,

vool' ZOOWl' het niet valt onder aJ.~t. VU e. " 'ot art. 240. Deze

leemte behoort te worelen weggenomen, wat eveneenR hpt nieuwe

tweedp, liel beoogt door z~jn nummer 2.

Tegen een enkel andel' misbruik, dat ten aanzien van ingeschl'even

merken pleegt voor te komen, namelijk lle bijvoeging van bij de


110

Merkenwet verboden wapens, wordt voorzien bij art. 435bis, dnal'

het niet onder bedrog, maar eerder onder de overtredingen betre.ffende

de open bare oirde is te rangschikken.

Artikel 132. (1)

A1't. 347bis. Het hier strafbaar gestelde endosseeren van verschillende

exemplaren van del1'zelfden wissel of hetzelfde cognossement

aan verschillende personen - een voor het verkeer hoogst

gevaarlijke handeling - is, thans straffeloos. Toch verdient de

overdracht van exemplaren als waren zij zelfstandige titels, straf.

Alleen de houder van een geëndoDseerd exemplaar is tot het ontvangen

van meeQ'dere exemplaren gerechtigd. Toch wordt meermalen

niet juist hij door het misbruik benadeeld, maar bijvoorbeeld

degene, wien later een e:x:emplaar van een reeds aan een ander

geëndosseerden wi'ssel geëndosseerd wordt.

Artikel 133. (1)

A1't. 348. Het is voorgekomen, dat de eigenaar van een ye1'11ypothpkeercl

goed, ten nadeele van den hypothecairen schuldeischl'r,

daarvan gedeelten losmaakte, die wegvoerde en vm'kocht, zelfs eeu

getimmerte geheel afbrak.

Voor een bepaald geval, namelijk iudien volgens nTt. 1223 Bul'­

geTlijk Wetboek onherroepelijke voJmncht was verleend, is than,s

tegeln dergelijke handelwijze voorzien bij art. 198 Wetboek van Strafrecht.

Doch ook indipn van die bevoegdheid, bij het, Burgerlijk Wetboek

verleend, geen gebrtuk is gemaakt, moet zoodanige opzettelijklbenadeeling

vau den schuldeischer strn:fbaar zijn'.

Het artikel moest daaJ.'voo~' gei plitst "orden, omdat de tegen­

\yoorclige redactie de enkele· invoeging van de yereischte bepaling

ltlet toeliet; deze toch beschermt niet, gelijk het bestaande artikel,

den houder van ue zaak, mum.' integendeel een ander, die daUJ.'op

l'echthebbende is.

Tevens wordt in een derde nommer, ter bescherming van den

houder van een pancl- of verpandbrief op een schip, strafbaar gesteld

de verkoOop van dit schip ten behoeve "nn den eigenaar in het

buitenland.

BiunenJandsche verkoop kan het privilegie doen te niet gaall,

doch alleen als het h~i art. 31G Wetboek van Koophanch-'l bedoelde

p'l'otest verzuimd is, wat cle. chuldeischer zich zelwn heeft. te wijteIl.

~Iaar vel'koop en overclracht in het buitenland behoeft hij Hiet te

keunen,en al kent h~i die, het baat hem weinig, want feitelijk kan

hij clan zijn voorrecht' toch niet meel' uitoefenen, gesteld al dat de

rechter het vOQi,tbes,ta::\ll buiten Nederland van het priyilegic

erkent, ook nog nadat het schip dool' verkoop aan Yl'eemdelingell

ollfler de heffi"scliapp~j eener vreemde wet is gebracht.

N °. 1 van dit al,tikel is g.elijk aan het eerste lid van het be"taanc1e

(1) Verg. Uitg,·BELINFANTE, Herz" dl. I, blz. 150 vlg.


111

artikel, behoiudel1s de b~jvoeg1.ng aan het slot van dat nommer van

de woorden "Ol daarol) bodemerijpenningen heelt geschoten". Deze

bijvoeging is wen8chel~jk, omdat d,e bodemerijgever evenzeer aanspraak

heelt als de pandhouder, vTuchtgebruiker en7.. op bescherming

tegen het misbruik om het schip, waarop hij die penningen

heelt g'eschoten, aan hem te onttrekkt'n.

Artikel 134. (1)

Art. 352. V f'rhuurders van huizen gaan meermalen bij wanbetaling

van de humpenningen Ol om andere reden, bij voorbeeld

ontslag va,n den huurder uit hun dienst, e'L' toe over de woning onhruikbaal'

te maken door weg'neming van dakpannen, vensters enz.,

ook al is de huurtijd nog niet verntreken. Deze daden van eigen:­

richting dienen te worden tegengegaan. Vandaal' de invoeging in

dit artikel.

"Wettig gebruik" wil zeggen zoolang de huurtijd Ol de tijd, gedurende

welken het gebruik is toegestaan, nog niet is verstreken.

Yergi,Rt de eigenaar' zich tI' dezen opzicht.e, het. g'eschiedt suo pe1'irndo.

Artikel 135. (1)

Art. 352bis. N aast de opzettelijke vernieling van eens anders

gebouw Ol vaa.rtuig·, welke art. 352 strafbaar stelt, behoort ook

zoodanige vernieling door schuld onder het bereik der strafwet te

wOTden gebracht.

Artikel 136.

A1't. 376. Het bepaalde sub 2°. van het bestaande artikel is overbodig'

geworden, nu de bevoegdheid van militieplichtigen, om zich

in den militiedienst door een plaatsvervanger Ol nummerV'erwisselaar

te doen vervangen, ten gevolge van de wet van 2 Juli 1898

(StrLatsblad nO. 170), is vervallen. Vandaar de nieuwe redactie vau

ult. ~~7G, waarin alleen het thans sub 1°. bepaalde is behouden.

Artikelen 137-140.

A1,tt. 390, 391 en 39.2. De stral thans op desertie van 7.eevisschers

"


112

rekening pleegt te houden, vermoedelijk omdat de Memo:rie van Toelichting

bij art. 390e'. v., (1)iveddam'de da.t met opzet geen onderscheid

in s.traÎ is gemaakt naar mate er al dan niet gagie of handgeld is

ontvangen. Voor die gelijks.telling werd echter geen enkel argument

aangevoerd en de ondergeteekende acht haar "erkeerd, vO::Jra.l nu de

ervaring leert dat juist de voorschotten een aanleiding zijn tot het

misdrijf.

Terugkeer tot het beginsel van het tweede lid van art. 2 der wet

van 7 }lei 1856 (Staat~blad nU. 32)1 is daarom wenschelijk. Hpt

nieuw voorgestelde tweedè lid van airt. 391 voorziet in de aangew~r.en

leemte, zoowel ten behoeve ,an de koopyaardij-, als van de

zeevÏsschersv loot.

De verr.wa~'ing van strar enkel voor het geval een rooi o·r een VOO'l'­

schot op het loon is ontvangen, is intusschen onvoldoende, want er

wordt ook meermalen desert.ie gepleegd ten aanzien van eene verbintenis

ter r.ake waarvan geen voorschot of rooi was gegeven, juist

ter wille van een tweede monstering, waarbij wel zulk voordeel

wordt toegekend. En het nadeel voor de reedeI'ij is niet alleen gelegen

in het verlies van het uitbetaa.lde bedrag, dat zelden of nooit

op den deserteur is te verhalen, maar ook in de groote m oe.ilijkheid

nog tijdig vóór het bepaalde tijdstip van vertrek vaJ1 het vaartuig

een geschikten plaatsvervanger te vinden. DeJ:halve is ook verhoo.­

ging van het strarmaximum in art. 391, 2°., noodig.

"\Vordt dit Oop zes weken gesteld, dan is ook in de nommers 2

vaJ1 de artt. 390 en 392 straÏverzwaring noodzakelijk, ten einde de

evenredigheid tUf;schen de verschillende maxima te bewru:en.

Artikel 141. (2)

Art. 41G. Het begrip "heling" is in Yl'l'schillende opzichten nil't

ruim genoeg omschreven·. Ook andere handelwij;zen dan de hier

genoemde zijn als heling te beschouwen, al houdt men vast aan

aen in de Memorie van Toelichting tot ru:t. 471 (3) van het oorspronkelijk

Regeeringsontwerp gestelden ~'egel "geen heling zonder winstbejag".

Ten aanzien van door misdrijf verkregen vOOl~werpen kan

winstbejag ook het doel zijn van verkoop, vervOel'eIl en bewaren,

en door deze handelwijze kan het tot klaa,rheid brengen van het

misdrijf evenzeer worden bellloeil~jkt nl" door de thans in het aftikl'l

genoemde daden.

IV aar verschillendE' misdrijven, die hier in aanmerking kunnen

komen, ook met geldboete strafbaar zijn, met nallle hij voorbeeld

dief. tal, moet, ook b~j heling deze str'af facultatief gesteld worden.

Het tweede lid is in zoover onvolledig, dat het alleen strafbaar

stelt het opzl'ttel~jk ,oordeel trekken uit de opbrengst van het VOO1'­

wel1) en niet ook het yoordeel trekken uit het voorwerp zelf, wat

bij voorbeeld met betrekk-ing tot dieren zee~' wel mogelijk is.

(1) Uitg.-BELINFANTE, dl. II, blz. 338.

(2) Verg. Uitg.-BELINFANTE, Herz., dl. I, blz. 153.

(3) Uitg.-BELINFANTE, dl. lI, blz. 345.


113

HOOlWSTUK 111. (Dercle Bock.)

Artikel 142. (1)

AI,t. 424. Bij de behundeEng van het oor~pl"onkelijk artikel in

de 'rweede Kamer "cilde de Commissie van Rappol'teurs ook gewagen

van "last" of "schrik" (2}. Deze woorden werden evenwel te ruim

geoordeeld. Intusschen kunnen er baldadigheden worden gepleegd,

die, hoewel geen gevfu'U· of nadeel kunnende teweegbrengen, toch

sb:ufbaar behooren te zijn. De toenemende baldadigheid van de

jeugd, waarover zooveel wordt geklaagd, wettigt zeker eene wat

ruimere omschrijving. Tenzij men aan de uitdrukking "hinder" de

voorke'lU' zoude willen geven, schijnt het woord "ongerief", opgenomen

in art. 437 van het ,Vetboek van Strafrecht voor de European,en

in Nedel'landsch-Indië, de meest geëigende uitdrukking, ook

om de lichtere vormen van baldadigheid te omvatten, met name het

werpen van vuil.

Daar het bij dit artikel te doen moet zijn om alle baldadigheid,

waardoor gevaar enz. voor personen of goederen kan worden teweeggebracht,

te straffen, ook al is zij niet bepaald tegen per,sonen of

goederen gericht, b~jv. het in het wilde werpen met steenen in een

beyolkte of door wODnhuizen begrensde straat, behooren de woorden

"tegen personen of goederen" ter plaatse waar zij nu staan te vervallen.

Duidelijkheidshalve, hoewel misschien ten overvloede, is nu

vóór "kan worden teweeggebracht" ingevoegd "voor persDnen of

goederen" .

In het tweede lid is voor het geval van herhaling uiet alleen

alternatief hechtenis ge,steld, maar ook het maxl.m1.Un del' geldboete

verdubbeld, ten eincle zwaaTCler te kunnen ,,,traffen zonder nog

da.delijk tot het opleggen nu vrijheidsstraf te moeten overgaan.

De invoeging van de "oorden "of de opgelegde boete is betaald"

in dit artikel en ln verschillellCle andere is een gevolg \an de

jurisprudentie van den Roogen Raa.d, volgens welke tegen een

yonnis, bij verstek gewezen, oDk na betaling van de daarbij opgelegde

boete nog verzet kan worden gedaan. Zoodanige veroordeeling

kan dus niet worden g'8acht onherroepelijk te zijn geworden

dool' het voldoen van de boete.

Toch bestaat na, de voldoening van de opgelegde geldboete evenyeel

reden tot strafverzwUJ.'ing in geval van herhaling als wanneer

de vel'oordeeling in hechtenis bestond en deze was ondergaan.

Artikel 143. (3)

A7·t. 425. Bij de oYE"l'lleming van nO. Ivan dit artikel heelt art.

4aS vall meergenoemd Indisch Wetboek daaraan eenige uitbreiding

g'ege"lPll dool' het aanhitsen ook op een die~', dat bereden wordt of

(1) Verg. Uitg.·BELINFANTE, Herz., dl. I, blz. 162.

(2) Uitg.-BELINFANTE, lIl, blz. 241 vlg.

(3) Verg. Uitg.-BEI.lNFAN'fE, Herz.) dl. I, blz. 162 vlg.


aang-


115

A.l'tikel 148. (1)

.A1't. 435bis. Bij art. 887 werd gewezen op een mislmrik, dat ten

aanzien van ingeschreven fabrieks- of ha,ndelsmerken pleegt voor

te komen en waartegen onder de overtredingen betreffende de openbare

orde zou worden voorzien.

Dit misbnrik bestaat hierin. In ,erband met de yerbocLsbepaling

der :Merkenwet, om in een ter inschrijving aan het Bureau yoor

den industrieel en eigendom aangeboden fabrieks- of handelsmerk

het wapen van het rijk of een wapen yan een publiekrechtelijk

lichaam op te nemen, worden aan dat B-m'eau meermalen merken

ingezonden, waarin eene ruimte is opengelaten, welke bij het aanwenden

van het merk op de waaJ.' wordt aangevuld met zoodanig

Wiapen. Op die wijze ontgaat men de kans van weigering van het

merk door genoemd Bmeau en bereikt men toch zijn doel om aan

het publiek zijn waren aan te dienen als het wme onder besche'l.'­

ming yan het rijkswapen. De bedoelde verbodsbepaling wordt daardoor

geheel illusoir gemaakt. Ten einde nu die verbodsbepaling aan

haar doel te doen beantwoorden, moet die ontduiking- sb.'aÏbaar

worden gesteld.

Het komt gewenscht voor daarnaast uitehukkelijk ook van het

wapen des Konings het onrechtmatig gebruik te verbieden, vooral

omdat dit ook wel op andere wijze pleegt aangewend te worden clan

in veTband met hanclelfnvaren. Zonder daartoe uitdrukkelijk gerechtigd

te zijn, is niemand bevoegd 's Konings wapen te \'oer811. Hetzelfde

geldt van de wapens van anclere vorstelijke personen.

De bepaling sub 2°. strekt t,er beteugeling van het misbrrik, dat

nu en dan wordt gemaakt van een door het opentaar gezag vastge:o:telcl

of erkend onderscheieling-steeken eener vereeniging, b~iv.

van het roode kruis, het teeken van onzijdigheid, vastgesteld bij

art. 7 der Conventie ,an Genève ,an 23 AUi1:u~tus lflG4 (Staatsblad

1865, nO. 85} ,oor de yerbetel'ing- van het ~ot der gewonde krijgslieden

in de legel'S te velde, welk teeken bij Kon. besluit van 6

NOYember 1895 (Staatsblad nC). 175). is verklaard te zijn het onder­

Rcheidingsteeken van de vereeniging "het N ededandsche Roode

Kruis".

B~j hetzelfde Koninkl~jk be.sluit zijn de personen aangewezen,

g't"l'echtigd dat teeken te dragen, en wordt be,paaId elat 11.et op de

goederen, va"n de genoemde vereeniging uitgaande, zal worden

aangebracht.

Intus c11.en wordt hetzelfde teeken door vele anderen, dus onbevoegden,

gebruikt aL middel 'Van reclame yoor hun handelswaren,

ten gevolge waarvan de ya, tstelling yan dat teeken ten behoeve der

vereenigingen van het Ronde Kruis, haar doel te eenenmale mist.

Zelfs kan het becloelclmlflbruik in tijd van oorlog g-roote en gevaarlijke

verwarring scheppen. Daarom behoort. het te worden tegengegaan.

(1) Verg. Uitg.-BELIN~' ANTE, Herz., dl. I, blz. 165 vlg.


116

De YOOl'getltelde bepaliugspl'eekt algcmeen yan dool' het openbaar

gezag vastgestelde of erkende, onderscheidingsteekenen van vereenigingen,

omdat ook ander·e dan die van het Roode ru'uis denkbanl'

zijn, "elke eVeJlleens donr het openbaar gezag zijn vastgesteld

of erkend en gelijkelijk bescherming behoeven. Voor die bescherming

is natuurlijk zoodanige vaststelling of erkenning een vereischte.

Al'tikel 149.

Ä1't. 441. Deze bepaling bevat de strafrechtelijke sanctie ,an het

,erbod, nedergelegd in het t"eede lid van art. 1638k van het Ontwerp,

houdende de wettel~jke regeling' van de arbeidsove,reenkomst

(Kamel1stukken, Zitting 1903-1904, nO. 137. Zie de toelichting bij

dat artikel.). De gestelde straf is uitsluitend hechtenis, daar het feit,

dat in den regel teil.' wille van een geldelijk voordeel, en dus opzettelijk,

wordt gepleegd, niet onder zóó verzachtende omstandigheden

denkbaar is, dat de lichtere straf van I!eldboete voldoende zou zijn.

Indien het dom de Tweede Kamer aangenomen ontwerp van wet

tot herziening van de Drankwet tot wet zal zijn verheven, zal in

het daarin voorkomende art. 15k eenige verandering moeten "orden

gebracht ten gevolge van dit nieuwe artikel in het Strafwetboek.

Zulks zal bij de invoering van deze wet kunnen g·e,'lchieden.

(Zie de slotbepaling van dit ontwerp.}

Artikel 150. (1)

Art. 444. Aan een deskunJige ~s somtijds de veTplichtin~; opgelegd

om niet alleen te ver chijnen op t~jd en plaats, bij zijne oproeping

aangewezen, maar om vooraf zeker onderzoek in te stellen.

De tegenwoordige redactie van dit artikel stelt evenwel het verzuim

daarvan niet strafbaar. Toch is dit zeer noodig, omdat het bij

de verschijning van den deskundige j ui st te doen kan zijn om de

uitkomst van zoodunig noodzakf'lijk vooraf te doene onderzoek te

Yernemen.

Al'tik~l 151. (1)

A1,t. 441. Om dezelfde reden, die voor de invoeging in art. 187

is aangeyoerd, zijn de woorden "of kTachtens wettel~ik 'Voorschrift"

ook hier opgenomen.

Artikel 152. (1)

Art. 449. De wijziging, voorgesteld in het eel'ste lid van dit

artikel, is hierop gegrond, dat het niet nooelig is, dat juist partijen

zelve den bedienaar van den godsdienst hebben doen blijken van

hun huwelijk, mits h~j maar wete, dat het behoorlijk volt110kken is..

Aan het bezwaar, dat dit artikel in sommige gevallen leiden kan

to,t gewetensdwang, wil de ondergeteekende trachten zooveel mogelijk

(1) Verg. Uitg.-BELINFANTE, Herz., dl. I, blz. 167.


I

I

j

117

tegemoet te komen. Daarom wordt met st.rafbaar gesteld het verrichten

van godsdienstige plechtigheden, ~ ot een kerkelijk huwelijk

betrekkelijk, vóór het burgerlijk huwelijk, in de eerste plaats indien

een der partijen op dat oogenblik in onmiddellijk levensgevaar verkeE~rt,

wat uit eene schriftel~ike geneeskundige verklaring moet

blijken. In de tweede plaats wordt


118

Eveneen~ wOl'dt dOOi' zeer velen terecht aanstoot gf'lllomen aan

de zoo vaak in sommige nieuwsbladen tegenwoordig voorkomende

advel'tentiën, waarbij diens,ten, middelen of inlichtingen worden

aangeboden tot handelingen, in strijd met de eerbaarheid; niet

zelden is ook de wijze, waarop de aanbiedingen worden gedaan, de

vorm, waarin zij gekleed zijn, voor!' de eerbaarheid aanstootelijk.

Ook hier mag de bewering het algemeen belang "te dienen, geen

vrijbrief zijn, te minder, waar die advertentiën, naar de eenparige

getuigenis van tot oordeelen bevoegde personen, niet slechts op

moreel maar ook op physiek tenein, dagelijks gI'ooter onheil stichten.

rregen al deze zedekwetsende, vaak in hare gevolgen zoo verderfelijke,

handelingen wil dit artikel voorzien .

.Art. 451te1'. (1). Tegen de handelingen, in dit aTtikel bedoeld, 'Voorzien

tha.ns op meel' of minder volledige en afdoende wijze verordeningen

van ver,schillende gemeenten. Zij behooren echteil.' overal

stTafbaar t,e zijn en bet.reffen dus de taak van den Rijkswetgever,

Ártikel 155 .

.A1't. 452 moet ,el'Vallen ten gevolge van de onder art. lOl voorgestelde

aanvulling van art. 250.

Artikel 156. (2)

.A1't, 453, In het tweede lid wordt. eene w:gzlgmg voo~gesteld,

omdat het wenschelijk kan zijn ook bij ee.rste herhaling nog met

geldboete te straffen; dan moet die boete echter hooger kunnen zijn

dan het bedrag, dat b~i eerste overtreding mag worden opgelegd.

De redactie van het bestaande derde lid van dit artikel laat aan

duidelijkheid te wenschen ov·er en geeft daardoor tot verschil van

opva tting aanleiding. Vandaar de redactieverbetel'ing ..

Äl'tikel 157. (2)

.Art. 4.55. Het gebruiken van kreupele OI in ver gevordm'den

.staat van drachtigheid verkeerende of gewonde tl'ek- of lastdieren

is lang ni~ z·eldzaam.

Dat daardoor evenzeer' als door de reeds bij dit artikel voorziene

handelingen het zedelijk gevoel van anderen kan gekwetst worden,

behoeft geen betoog. Elke stap van een kreupel dier veroorzaakt

nieuwe pijn, en het vaak voorkomend trekken of dragen van een

last door een dier, dat gewond IS, bijvoorbeeld aan de borst door

drukking van het gaTeel, houdt die wond open en vermeerdert

voortd'mend de pijn; in geval zich een wond aan een ander hchaamsdeel

bevindt, bijvoorbeeld aan het been, kan het gebruik die wond

(1) Verg. Uitg.-BELINFANTE, J-Ierz., dl. I, blz. 168 (lid art. 451bis).

(2) "" " " dl. I, blz. 168.


119

pijlllijk doen wOl'CIE'll. Ook YOOl' drachtige diPH'1l kan hpt hier bedoelde

gebruik in hooge mate hinderlijk en kwelleud ûju, Daar niet

elk dier, in dien toeHtand verkeer ende, terstond buiten gebruik behoeft

gesteld te worden, kan de gl'ens tusschen nug' geoorloofd en

verboden gebruik worden gesteld op het t~idstip, waarop het dier

kenlijk niet meel' in staat is den last te trekken of te dragen,

Deze hanclelingen zijn tham, behalve volgen ' eenige politieyel'­

ordeningen, niE't strafbaar, daal' het vervoer dool' kreupele, drachtige

of gewonde dieren nipt kan gezegd worden wegen die Olllst.undigheid

der dieren op eene noodeloos pijnlijke wijzE' te geschieden;

alleen het yervoer zelf is misschien noodeloo ',

Artikel 158. (1)

A,'t, 456, De bepaling van n O , 1 van dit artikel wordt meermalen

ontdoken door schijnbaar het huis !lÏe.t voor het publiek toegankelijk

te stellen, doch voor den toegang het lidmaatschap eener

\'Iereeuiging te eischen, welk lidmaa.tschap dan in den regel zeer

gemakkelijk en terstond ,eJ.'h.'Tijgbaar is,

Ook tegen dergel~ike huizen vau hazardspel dient gewaakt te

worden, 'l'en einde eyemyel daal'bij niet het doel yoorbij te sheven

en de vrijheid yan handelen in een werkelijk besloten kring niet

aan banden te leggen, wonU voor de strafbaarheid ten aanzien van

zoodauig huis van haztmlspel in n O , 2 (nieuw) geëischt, dat de

vel'eeniging zelve kans op wiust heeft, dus door iemand van hal'entwe.ge.

aan het ,r,;pe,} doet deelnemen, of wel deelt in de winst dooit'

anderen uit het spel behaald, bijv, dool' een ewnrefug deel daarvan

voor zich te bedingen.

De in,oeging van een nieuw nOlllmer 2 maakt wijziging' van het

oude Hommer 2 noodzakelijk.

De wijziging in n", 4 (oud 3) brengt mede dat niet langer strafbaar

zal zijn degene, die te goeder trouweene localiteit verhuurt

zonder zelfs te kunnen vermoeden, dat deze tot verboden huis van

hazardRpel zal worden gebruikt, indien dit toch blijkt het geval

te zijn,

In "aIR in 1°, of 2", bedoeld", heteekent ,,2°," natuurlijk de

lli~mïP, onder dat nOllnUl-'l' voorgoestelde bepaling',

Artikel 159.

rb -t, 456biR, B~j de beperkte uitlegging door den Hoogen Ranel

gegHen aan het begrip "hazard&pel" bij arre t, van 29 December

lHO:2 (TVeekblad vall !zet Recht n O , 7&56) iH het ,wnRchelijk Ül het

alg'emeen het geven uit winstbejag van .gelegenheid tot spel Rtrafbaar

te stellen, Hie;l'toe "trekt n O , 1 ,an dit nieu"w artikel.

N°, 2 bedoelt weddingschappen tegen te gaan, welke in den laatslRn

tijd ook in om land plegen te worden aange~'aan door tusschen-

(1) Verg. Uitg.-BEL1NFANTE, Uerz" dl. I, blz, 168 vlg,


120

komst van daartoe opgerichte ondernemingen. Die wecic1ingschappen

betreffen vooral den afloop van pam'den-wedrennen en worden niet

alleen ter plaatse van die courses aangegaan, in welk geval alleen

de betaling van entrée of het lidmaatschap eener ,ereeniging' het

pariëeren mogelijk maakt, doch ook en zelfs veelal schriftelijk of

telegraphisch bij een zich daarmede belastend kantoor; zij betrerfen

wedrennen in allerlei landen.

Dergelijke ondernemingen zijn reeds in meerdere naburige Staten

verboden. wat juist ten ge,olge heert., dat zij zich in N ederIand

vestigen.

Uit een stran:echtel~jk oogpunt zijn zij zeker ten mill'lte ge1ijk te

stellen met hazardspel.

Al'tikel 160. (1)

A1't. 457. De hier in te voegen nieuwe bepaling, die verandering

van het bestaande nommer 2 Ül nommer a medebl'eugt, is eenc

noodzakelijke aan,ulling ,an het lueuwe nO. :2 van art. 456.

Verder schijnt verhooging van de op overtn~ding van dit artikel

gestelde, zeer lage boete wenschelijk.

Slotbepaling.

Eene bepaling van dezen inhoud komt gewcnscht voor, opdat alsdan,

desgeraden, nog een aantal artikelen uit bijzondere wetten,

voor zoover zij niet van zelf zullen vervallen, in het Strafwetboek

zouden kunnen worden opgenomen ter bevordering van de eenheid

van codificatie. 1Vellicht zullen ook enkele speciale strafbepalingen

uitdrukkelijk moeten worden ingetrokken, andere mi schien gehandhaafd.

Een en ander kan thans nog niet volledig worden overzien.

Bij de invoering\swet zal tevens eene nieuwe officieele uitgave ,an

het gewijzigde ,Yetboek yan Rtrafrecht kunnen worden bevolen.

De Minister van J1lstitie,

J. A. LOEFF.

(1) Verg. Uitg.-BF.T.1NFANTF., Herlli., dl. I, hilli. 1G!!.


-- --- ------- --


Bibliotheek Juridische Faculteit

Oude Kijk in 't Jatstraat 26

Postbus 716, 9700 AS Groningen

Telefooll: (050)363 5663

E-mail: Bibliotheek@rechten.rug.nl

Illtemet: http://www.rug.nl/rechtenlbibliotheek

Uitleentermijn:

Raadpleeg onze boekenlegger voor de vervaldatum

en de mogelijkheden tot verlenging.

Opmerkingen:

J

More magazines by this user
Similar magazines