Atelier Solidariteit tegen Armoede en Sociale Uitsluiting

vigez.be

Atelier Solidariteit tegen Armoede en Sociale Uitsluiting

Atelier

Solidariteit tegen Armoede en

Sociale Uitsluiting

27.04.2009

Workshop 4

Gezondheid en Welzijn

Expert: Bruno Buytaert

Voorzitter: Hilde Haerden

1


Focus van de werkgroep

Een toereikend basisinkomen blijft de belangrijkste pijler van een toegankelijke welzijns- en

gezondheidszorg. Een beperkt inkomen belemmert niet alleen de kans op curatieve

gezondheidszorg, maar ook op preventie. Als je je laat screenen op borstkanker, loop je het

risico om aan een dure behandeling te moeten beginnen. Als je geen schulden moet maken

voor woon- en energiekosten omwille van je beperkte uitkering, heb je geen

schuldbemiddeling nodig.

Maar het pleidooi om de financiële kant van armoede uit te sluiten, is themaoverschrijdend.

We werken het niet uit in deze werkwinkel.

Enkele uitgangspunten bepalen mee het perspectief van deze werkgroep:

Welzijn en gezondheid hangen sterk samen. Voor wie in armoede leeft – en eigenlijk

voor iedereen - is je goed in je vel kunnen voelen afhankelijk van de omstandigheden

waarin je leeft. Deze samenhang vraagt om aandacht voor gezondheid in

welzijnsvoorzieningen en om aandacht voor welzijn en geestelijke gezondheid in

gezondheidsbevordering en -zorg.

De verantwoordelijkheid voor gezondheid en voor welzijn ligt niet bij één domein of

sector, iedereen moet er aandacht voor hebben. Om in een gezonde woning in een

gezonde buurt kwaliteitsvol te kunnen leven, moeten verschillende beleidsdomeinen

samenwerken.

Prioritaire aandacht moet gaan naar jonge gezinnen met kinderen, zodat jonge

kinderen zoveel mogelijk kansen krijgen.

Ontwerp van doorbraken voor 2020

Een doorbraak van gelijke kansen op gezond leven kan gerealiseerd worden door:

meer mogelijkheden voor preventie, een gezonde omgeving en een gezond aanbod,

gezondheidscampagnes op maat en extra aandacht voor jonge gezinnen. Meer werk

maken van welzijn op jonge leeftijd vermindert de nood aan hulp- en dienstverlening op

latere leeftijd.

1. In 2020 hebben mensen die in armoede leven significant minder gezondheidsproblemen

door preventie op hun maat.

2. In 2020 voeren we een strategie uit die gezinnen en alleenstaanden in armoede een leven

in een gezonde buurt garandeert: een fysiek en sociaal gezonde leefomgeving, met een

toegankelijk en aantrekkelijk aanbod om gezond te kunnen leven en welzijn te verhogen.

3. In 2020 is geïnvesteerd in campagnes en lokale acties voor gezond leven die ook mensen

in armoede aanspreken en motiveren tot gezond gedrag.

4. In 2020 is een systeem ontwikkeld dat systematisch investeert in beschermende factoren

om de ontwikkeling van kinderen positief te stimuleren.

2


1. In 2020 hebben mensen in armoede significant minder

gezondheidsproblemen door preventie op hun maat.

Probleemsituering

Hoewel onze gezondheidszorg kwalitatief hoogstaand is, zijn de gezondheidsverschillen

tussen de sociaal-economische groepen veel groter en ernstiger dan algemeen wordt

aangenomen. De sociale gradiënt in gezondheid beperkt zich niet tot een kortere

levensverwachting of tot minder jaren in goede gezondheid. 1 Enkele voorbeelden: Vier op

de tien laaggeschoolden in Vlaanderen zijn ontevreden over hun gezondheid, tegenover

een gemiddelde van ongeveer twee op tien. Meerdere ziekten tegelijk treft vooral

laaggeschoolden. De impact op het dagelijks leven van langdurige ziekte en handicaps blijkt

bij laaggeschoolden veel sterker dan bij hoogopgeleiden. 2 De kans dat men thuis zal

overlijden ligt voor de zwakste klasse 24% lager dan voor de hoogste, terwijl de kans voor

opname in psychiatrie meer dan het dubbel is. 3 Kortom: niet enkel het wel of niet gezond

zijn, maar heel de levenskwaliteit die ermee samenhangt, vertoont een sociale ongelijkheid.

De verschillen in de grootte van de sociale gradiënt in gezondheid die er tussen de

Europese landen bestaan, brengt John Mackenbach tot het besluit dat deze verschillen ook

maakbaar zijn. 4 Politieke keuzes vergroten of verkleinen de verschillen in gezondheid en

levenskwaliteit.

De vraag die we ons moeten stellen is daarom: wat zijn de oorzaken van de sociale

ongelijkheid in gezondheid waar we invloed op kunnen hebben En wie zijn taak is dat

Uiteraard zijn er de verschillen in toegankelijkheid van zorg en preventie. Financiële maar

ook psychologische, sociale en materiële drempels blijven ervoor zorgen dat het groter

aantal zorgnoden bij verschillende sociaal zwakke groepen toch tot minder (juiste)

zorgconsumptie leidt. Ondanks onze sterk uitgebouwde gezondheidszorg. De zorgvraag

wordt uitgesteld, dikwijls met ernstigere problemen tot gevolg. Ook de preventieve zorg

vertoont een sociale gradiënt. Wie tot de zwakste sociale klasse behoort, heeft 21% minder

kans dan de hoogste klasse om een uitstrijkje voor de opsporing van baarmoederhalskanker

te laten doen. Voor screening op borstkanker gaat het om 17% minder kans 5 . Analyse van

de zorgconsumptie bij Vlamingen van vreemde herkomst levert een vergelijkbaar beeld op.

Bij de Turkse en Marokkaanse gemeenschap in Vlaanderen zien we, in vergelijking met

autochtonen, een dubbel aantal in het jaarlijks voorkomen van diabetes, maar wel 20%

minder controles op het bloedsuikergehalte. 6

Verfijningen aan de terugbetaling en de toegankelijkheid van de zorg volstaan niet. Er is

meer nodig dan dat. Mackenbach stelt dat levensstijl en levenssituatie de socioeconomische

verschillen in ziek of gezond zijn voor de helft verklaren. Ook in gezond

gedrag zien we immers een sociale gradiënt terugkeren. In leefstijl spelen waarden en

1 In de gezondheidsenquête van 2004 is het verschil in aantal gezonde levensjaren tussen laag- en hoogopgeleiden opgelopen

tot 18 jaar

2 K. De Boyser, in armoede en sociale uitsluiting, jaarboek 2006

3 Avalosse H., Gillis O., Cornelis K en Mertens R, sociale ongelijkheden op het vlak van gezondheid: vaststellingen op basis van

de gegevens van de ziekenfondsen, CM-informatie, september 2008

4 Mackenbach, J. Stirbu I., Roskam AJ., socioeconomic inequalities in health in 22 european countries. The new England

Journal of medecine 358, 2008

5 Avalosse et al., o.c., 2008

6 Levequecke et al., 2006

3


normen en vooral routines een doorslaggevende rol, zodat het vermoeden bestaat dat deze

indirecte invloed op gezondheid de meest blijvende is. 7 Willen we een duurzaam effect

hebben op gelijke gezondheidskansen, dan zullen we deze blijvende oorzaken op een

aangepaste manier moeten aanpakken. Klassiek voorbeeld is het veel groter aantal

dagelijkse en zware rokers bij laagopgeleiden, die doorgaans op jongere leeftijd begonnen

zijn. Ook qua voedingspatroon zien we duidelijke verschillen. Gedrag mag je echter nooit op

zich bekijken. Om te weten hoe je van gezond gedrag ‘de gemakkelijkste keuze’ maakt,

moet je vooral werken aan de omgeving. Zo gaat de aanwezigheid van stressfactoren in

bepaalde buurten samen met een grotere kans om te roken. Beschikbare en aantrekkelijke

gezonde maaltijden in het sociaal- of dorpsrestaurant verhogen aanzienlijk het gezonde

voedingspatroon.

Interventiestrategieën

Om de gelijke kansen op gezond (blijven) leven voor alle sociaal zwakke groepen te

vergroten, is vooreerst het verkleinen van de drempels tot de zorg nodig. Maar ook de

oorzaken waarom mensen in armoede meer ziek zijn moeten aangepakt worden. De

verkleining van de verschillen in gezondheid moet daarom tot een officieel beleidsdoel

verheven worden. 8 Een integraal beleid is nodig, dat de curatieve en preventieve

gezondheidszorg met elkaar verbindt, en de middelen voor preventie en

gezondheidsbevordering meer in evenwicht brengt met de investeringen in de zorg.

De toegang tot zorg en preventie kan nog verbeteren door maatregelen voor betaalbare,

bereikbare en kwaliteitsvolle eerstelijnszorg. Deze regelgeving, zoals bijvoorbeeld het

automatisch recht op een derdebetalers regeling, is federale materie en valt buiten het opzet

van deze werkgroep. We dienen overigens breder te kijken dan de medische zorg. Ook een

maximumfactuur voor ouderenzorg zou tegen 2020 ingeburgerd moeten zijn.

Toch kunnen we vanuit de drempels die mensen ervaren nog talloze verbeteringen

aanbrengen binnen de bestaande mogelijkheden van diensten en zorgverstrekkers. Zo

vormen niet-medische kosten - zoals vervoer en kinderopvang voor zieke mensen in

armoede - vaak extra redenen om de zorg die ze nodig hebben stop te zetten. Door

bestaande OCMW-diensten af te stemmen op de medische zorg werk je deze drempels in

praktijk weg. Waar curatieve en preventieve zorg op elkaar afgestemd worden, zoals in

wijkgezondheidscentra, moet extra ondersteuning voorzien worden.

We zien twee structurele voorwaarden. Om te beginnen is er een kanaal nodig waarlangs

sociaal zwakke groepen in hun buurt of gemeente drempels kunnen signaleren aan de

juiste verantwoordelijken. Het sociaal huis in al zijn vormen kan hier een belangrijke

opdracht krijgen. Daarnaast is voor de uitvoering van de verbeteringen een structurele

samenwerking nodig tussen de lokale welzijns- en gezondheidswerkers. Tussen de minder

mobielen centrale en het daghospitaal bijvoorbeeld.

Om niet te dweilen met de kraan open moeten we niet enkel de toegankelijkheid van zorg

vergroten. Er blijven dan immers steeds meer gezondheidsproblemen opduiken, met heel

wat sociale problemen als gevolg. Mensen in armoede hebben evenveel recht op minder

7 De Boyser K. in jaarboek armoede en sociale uitsluiting 2006

8 Koning Boudewijnstichting, Beleidsaanbevelingen voor de Vlaamse gemeenschap. Gezonde, betaalbare en lekkere voeding

voor iedereen, 2008

4


kans om ziek, gehandicapt of depressief te worden. Daarvoor moeten we ons toeleggen op

preventieve maatregelen die gezond leven in een gezonde omgeving voor de hand liggend

maken. Ook voor wie in armoede leeft, ook voor mensen van vreemde herkomst. Het

budget voor het bevorderen van gezond leven bedraagt nu nog geen honderdste van het

federale gezondheidszorgbudget. Een beter evenwicht tussen zorg en preventie betekent

dat er meer middelen nodig zijn voor strategieën die gezondheidsproblemen kunnen

voorkomen.

Drie vereisten:

1. Sterkere integratie van preventie in de eerstelijnsgezondheidszorg.

Zorgverstrekkers die investeren in geschikte communicatie met patiënten in armoede

- om kansen te creëren en te motiveren voor een gezonde leefstijl.

Deskundigheidsbevordering bij huisartsen, diëtisten, tandartsen, thuiszorg is nodig.

Er moet ook een vergoedingssysteem voor effectief bereik van kansengroepen

ontwikkeld worden. Specifieke doelgroepen zoals mensen met een ontbrekend

verblijfsstatuut moeten hier ook beroep op kunnen doen.

2. ‘Gelijke kansen op een gezond leven’ activeren moet een duidelijke

verantwoordelijkheid zijn van het lokaal bestuur en OCMW. Ze kunnen hiervoor een

convenant afsluiten met de Vlaamse overheid, die hen toelaat te investeren in op

elkaar afgestemde interventies. Die interventies moeten mensen in armoede meer

mogelijkheden geven om gezonde keuzes te maken. Ze regisseren de

samenwerking tussen welzijns-, gezondheids- en andere diensten die een bijdrage

kunnen leveren aan een gezonde omgeving, een gezond aanbod of campagnes

voor gezond gedrag op maat van kinderen, gezinnen of senioren in armoede.

3. Het Vlaamse gezondheidsbeleid (op vlak van middelengebruik, voeding en

beweging, enzovoort) moet niet enkel een gemiddelde verbetering in gezond gedrag

in Vlaanderen beogen, maar moet ook een keuze inhouden om voor groepen met de

slechtste gezondheidstoestand extra inspanningen te leveren. Dit kan door een

specifieke gezondheidsdoelstelling die het verkleinen van de sociale gradiënt in

gezond gedrag beoogt, of door een prioritaire keuze voor strategieën die de kloof

tussen arm en rijk verkleinen.

Een gezonde leefstijl wordt letterlijk met de paplepel ingegeven. De vroege socialisatie van

jonge kinderen heeft vanuit preventief denken dan ook het meeste effect. Toch zien we zelfs

van voor de geboorte socio-economische verschillen in gezondheidskansen, ondanks de

bestaande inspanningen en het hoge bereik van begeleiding van jonge ouders.

De stressfactoren die leven in armoede met zich meebrengen, hebben niet alleen een

nefaste invloed op de gezondheid van het kind maar ook op de sociale

ontwikkelingskansen. De gezondheidstoestand als kind blijkt overigens een duidelijke

voorspeller te zijn van de gezondheid als volwassene.

Anderzijds is er een sterke motivatie aanwezig bij jonge ouders en andere

opvoedingsverantwoordelijken om hun kinderen meer gezonde kansen te geven.

Het is daarom des te belangrijker om de bovenstaande doorbraken voor een gezonde

omgeving, voor een gezond aanbod en voor het bevorderen van gezond gedrag, zeker bij

jonge gezinnen extra kansen te geven.

Om dit te realiseren zullen verschillende sporen naast elkaar moeten ontwikkeld worden:

- Jonge kinderen met gezond gedrag vertrouwd maken vraagt niet enkel kennis van

wat gezond is, maar ook de nodige opvoedingsvaardigheden om een gezond

5


gedrag te stimuleren. Voor laaggeschoolde ouders blijkt weerbaarheid t.o.v.

consumptiebevorderende reclame die op kinderen gericht is, bijvoorbeeld niet

eenvoudig. Initiatieven voor opvoedingsondersteuning kunnen een geschikt medium

zijn voor ondersteuning van ‘gezondheidsopvoeding’.

- Kinderopvang en onthaalouders en kleuter- en lager onderwijs dienen in hun

aandacht voor het bijbrengen van gezonde gewoonten voldoende in interactie te

gaan met –ook kansarme- ouders, zodat een gelijke boodschap en gelijke

realistische doelen tussen school en gezin kunnen gemaakt worden. De nodige

structuren en werkvormen volgens bovengenoemde criteria moeten ook hier

voorzien worden.

- Niet enkel gezondheidseducatie maar een integraal gezondheidsbeleid met

aandacht voor de voorbeeldfunctie (bijvoorbeeld het rookgedrag van de

werknemers) en voor een gezond aanbod moet in elke organisatie die met jonge

kinderen werkt doorgevoerd worden. In elke school of opvang moet elk kind gezond

kunnen eten en bewegen in een gezonde omgeving.

6


2. In 2020 is een strategie in uitvoering die gezinnen en alleenstaanden

in armoede een leven in een gezonde buurt garandeert: een fysiek en

sociaal gezonde leefomgeving met een toegankelijk en aantrekkelijk

aanbod om gezond te kunnen leven en welzijn te verhogen.

Vaak neemt men aan dat gezond leven louter een individuele keuze is. Je kiest zelf om nog

een sigaret op te steken of om dagelijks fruit te eten. Gedrag is echter ook het resultaat van

de context waarin je leeft en waarin je opgroeide. Als je afhankelijk bent van een

voedselbank die je vooral van mayonaise en spaghetti voorziet, is een gezonde maaltijd ver

weg. Als je niet op een sociaal netwerk kan rekenen dat je moed inspreekt om naast de

dagelijkse overlevingsstress ook nog eens de spanning van een rookstop aan te durven, is

wegvluchten in een sigaretje geen rationele keuze meer. Wie niet in een gezonde omgeving

met een gezond aanbod kan leven, ervaart elke manier van overtuigd worden voor gezond

gedrag als ‘blaming the victim’.

Vooraleer aan gezond gedrag te kunnen toekomen, moeten we daarom werk maken van

een gezonde omgeving voor iedereen. Deze doorbraak kunnen we realiseren door een

combinatie van drie strategieën:

1) Investeren in een fysiek gezonde leefomgeving. De dagelijkse leefomgeving heeft

een essentiële invloed op de lichamelijke en de geestelijke gezondheid van mensen.

De samenhang tussen de kansarmoede indicatoren die buurten kenmerken, en de

gezondheidstoestand van de bewoners verwondert niemand meer. Het duidelijkst

aanwijsbaar zijn de gezondheidsbedreigende milieufactoren zoals sterkere lucht- en

bodemverontreiniging in de buurt of vochtige woningen. Maar ook onrechtstreekse

invloed van de omgeving eist zijn gezondheidstol. Te weinig groene en open ruimte

kenmerkt buurten waar veel depressie voorkomt. De straat kan zodanig worden

ingericht dat het aantal valincidenten van senioren vermindert. Om een gezonde

omgeving aan mensen in armoede te kunnen garanderen zijn volgehouden

inspanningen nodig van verschillende beleidsdomeinen. Een onaangepast beleid

inzake huisvesting, ruimtelijke ordening, milieu, en de afwezigheid van groen en

sportinfrastructuur in de wijken, kan het effect van gezondheidspromotie teniet doen;

een gepast beleid kan het effect flink versterken. 9 Een lokaal gezondheidsbeleid

beschikt daarom best over screenings- en adviesinstrumenten om op voorhand de

gevolgen voor gezondheid te meten van beleidskeuzes die andere beleidsdomeinen

maken. Ook op provinciaal en gemeenschapsniveau dient dit facetbeleid ingevoerd

te worden.

2) Bevorderen van een sociaal gezonde buurt. Sociale netwerken tussen mensen in

hun dagelijkse omgeving zijn broodnodig. Via sociale netwerken kan je impact

hebben op de buurt die je met anderen deelt. Voor mensen in armoede maakt de

woonbuurt daarenboven dikwijls een belangrijk deel van hun leefwereld uit.

Investeren in sociale cohesie in de verschillende gemeenschappen in een buurt,

bevorderen van communicatie tussen generaties en culturen en het bevorderen van

informele of formele participatie van de buurt in het lokaal beleid, heeft een

9 Koning Boudewijnstichting, memorandum Vlaamse gemeenschap rond ongelijkheid in gezondheid, 2009

7


echtstreekse impact op de subjectieve gezondheid. 10 Armoedeverenigingen,

samenlevingsopbouw, buurtwerk, dienstencentra en aanverwante welzijnssectoren

hebben hier sowieso een belangrijke opdracht. Ze moeten dit ook verder kunnen

uitbouwen in functie van sociale en geestelijke gezondheid. Leven in armoede

brengt immers heel wat stress en onzekerheid mee, met slaaptekort en depressies

als gevolg. In het sociaal netwerk dat de vereniging biedt, kan je terecht met wat er

op je lever ligt over je leefomgeving. Daarenboven blijkt uit onderzoek dat mensen in

armoede vooral door gebrek aan de steun van een sociaal netwerk het moeilijker

hebben om gezond gedrag vol te houden. Zo is er geen verschil in kennis over de

gezondheidsrisico’s van tabak tussen mensen in armoede en de gemiddelde

bevolking, maar wel een verschil in (te verwachten) sociale steun bij een poging tot

rookstop. 11

3) Voorzien van een toegankelijk gezond aanbod. Voor wie in armoede leeft is

gezondheid even belangrijk als voor elk ander. Waar het schoentje knelt is juist bij de

kans om deze motivatie ook in gedrag om te zetten. Doordat de verschillende

facetten van armoede elkaar beïnvloeden, hebben mensen in armoede nog te

dikwijls geen toegang tot een aanbod van betaalbare gezonde voeding, tot

bewegings- en sportactiviteiten in de eigen buurt, tot ontspannende activiteiten in

een rookvrije omgeving of alleen al maar tot vervoer naar het screeningscentrum.

Daarbij spelen niet enkel financiële drempels. Zonder een dure outfit voel je je niet

thuis in de fitness, ook al krijg je een gratis sportpas. Een echte doorbraak realiseren

we pas als voor iedereen in armoede het reguliere aanbod in eigen buurt en zonder

financiële en sociale drempels beschikbaar is. Als gezonde voeding via de

bestaande distributiesector haalbaar is voor iedereen. Als sport, ontspanning en

beweging via de bestaande organisaties en via een gemeentelijk aanbod, in een

gezonde –rookvrije- omgeving dichtbij beschikbaar én aantrekkelijk is. Extra

stimulansen vanuit het Vlaams beleid zijn nodig om deze sectoren tot een

laagdrempelig aanbod te verleiden. Bestaande werkvormen voor toegankelijkheid

zoals de verschillende ‘passen’ voor gratis deelname aan activiteiten moeten op hun

voor- en nadelen participatief geëvalueerd en verbeterd worden. Onderweg naar

deze doorbraak kunnen tussenstappen gezet worden. Zolang voedselbanken een

noodzakelijk kwaad blijven, dient alles geprobeerd te worden om het aanbod

minstens evenwichtig gezond te maken of om te evolueren in de richting van meer

menswaardige systemen zoals sociale kruideniers. Dorps- en sociale restaurants die

naast het vervullen van een sociale functie ook kunnen laten ervaren dat betaalbaar,

lekker en gezond kunnen samengaan, moeten meer verspreidingskansen krijgen.

10 Het Charter van Ottawa (1996) is de grondslag van gezondheidsbevordering en definieert deze als ‘Het proces waarbij

individuen en gemeenschappen in staat gesteld worden om controle te verwerven over de determinanten van gezondheid

en zo hun gezondheid te verbeteren

11 Peters, Pos en Bouwens, Bevorderen van stoppen met roken bij achterstandsgroepen en allochtonen op lokaal niveau, 2005

, NIGZ

8


3. In 2020 is geïnvesteerd in campagnes en lokale acties voor gezond

leven die ook mensen in armoede aanspreken en motiveren tot gezond

gedrag.

Veel campagnes en interventies die gezond gedrag willen bevorderen zijn nog te weinig op

maat van mensen in armoede. Ongewild dragen ze bij tot het vergroten van de

gezondheidskloof. Klassieke gezondheidsvoorlichting legt de nadruk te sterk op overtuigen

van het gezondheidsvoordeel dat je hebt als je gezond leeft. De invloed van informatie

wordt overschat. Wie in armoede moet leven, is echter teveel opgeslorpt door dagelijkse

zorgen om ook nog eens wakker te liggen van het risico om binnen 10 of 20 jaar longkanker

te krijgen.

Gezondheidsbevordering op maat van kansengroepen creëert positieve ervaringen met

gezond gedrag. Samen kokend, ondervind je dat gezond ook lekker en zelfs betaalbaar kan

zijn. Maatwerk houdt ook maximaal rekening met de context en de mogelijkheden van elke

groep. Voor wie een rookstop niet vol te houden lijkt, geeft samen één dag rookvrij blijven

het nodige zelfvertrouwen. Communicatie en informatie wordt verstaanbaar gebracht. En

maatwerk motiveert niet met beoogde percentages van gezonde Vlamingen, maar met wat

de mensen zelf bezighoudt. Jonge allochtone ouders zijn doorgaans sterk gemotiveerd om

hun kinderen kansen te geven en hen gezonde maaltijden voor te kunnen zetten.

Om op het vlak van gezond gedrag door mensen in armoede een doorbraak te bereiken is

het nodig om:

- Te zorgen dat gezondheidsbevorderende acties in de reguliere werking kunnen

opgenomen worden van alle welzijns- en socio-culturele organisaties die mensen in

armoede en specifiek mensen van vreemde herkomst bereiken. Zo kunnen

werkvormen op maat van de groep uitgevoerd worden en aansluiten bij de

aanwezige motivatie en bij de behoefte aan sociaal contact. Sociale restaurants

bieden ervaringsgerichte kooksessies ‘lekker en gezond' aan, in

armoedeverenigingen zoeken mensen oplossingen voor de psychologische

drempels bij borstonderzoek, cursussen voor budgetbegeleiding nemen kennis van

betaalbare voeding op, inloopteams bereiken zwangere allochtone moeders met een

gezamenlijke rookstop. Projecten die nu van externe projectsubsidiëring afhankelijk

zijn, moeten gecontinueerd kunnen worden.

- Methodieken en materialen voor gezondheidsbevordering te ontwikkelen en te

verspreiden die rekening houden met de context van mensen in armoede. De

materialen zijn toegankelijk in taal- en beeldgebruik, werken met onderbouwde

motivatievormen en bieden enkel die kennis die mensen als praktisch bruikbaar

ervaren. Deze ontwikkeling gebeurt best in samenwerking tussen de armoede- en

gezondheidssector en voor elke Vlaamse gezondheidsdoelstelling. De community

aanpak lijkt in andere landen tot vruchtbare resultaten te leiden mits de nodige

investering in een kwalitatief en vooral participatief proces. De implementatie van

deze methodieken en de verspreiding over verschillende sectoren moet

systematisch georganiseerd worden. Goede praktijken zoals het opleiden van

gezondheidsambassadeurs of intercultureel diabetesadvies moeten geëvalueerd

worden en ruime bekendheid krijgen. Deskundigheidsbevordering voor wie met deze

methodieken aan de slag gaat moet aangeboden en aangemoedigd worden. Van

9


sport- tot integratiesector wordt gemotiveerd om aan gelijke kansen op gezondheid

te werken en wordt gewapend met voor hen bruikbare instrumenten.

- Instrumenten te voorzien voor evaluatie en kwaliteitsbevordering van lokale

projecten. Met de ontwikkeling van een equity-toets of ‘gelijkheidsbril’ kunnen lokale

gezondheidsbevorderende acties gescreend en gestimuleerd worden tot meer

aandacht voor het kloofverkleinend effect van deze acties. Dit dient gekaderd te

worden in deskundigheidsbevordering om lokale kwalitatieve, onderbouwde

projecten op te zetten.

- Criteria op te stellen voor algemene gezondheidscampagnes.

Gezondheidsbevorderende campagnes voor de hele bevolking die geen rekening

houden met de materiële, sociale en psychologische drempels van mensen in

armoede, pakken geen verf. Multimediale campagnes zijn op zich onvoldoende om

volgehouden gedragsverandering te kunnen krijgen bij wie het moeilijk heeft. Ze

kunnen echter wel ondersteunend werken wanneer ook de bovengenoemde

interactieve werkvormen lokaal gebruikt worden. Daarom dienen criteria ontwikkeld

en toegepast te worden waaraan campagnes dienen te voldoen naar vorm en naar

inhoud. Zowel om rekening te houden met de socio-economische achtergrond als

om aanpasbaar te zijn voor verschillende etnisch-culturele gemeenschappen.

10


4. In 2020 is een systeem ontwikkeld dat systematisch investeert in

beschermende factoren om de ontwikkeling van kinderen positief te

stimuleren.

Doelstelling 13 van het Pact 2020 geeft aan dat de inspanningen om armoede en sociale

uitsluiting te bestrijden onder meer moet resulteren in de halvering van het aantal kinderen

dat in armoede geboren wordt.

Relevant hierbij zijn de gegevens van Kind & Gezin. Die tonen aan dat er de voorbije jaren

een stijging was.

Kinderarmoede – gegevens Kind & Gezin

Het aantal kinderen geboren in een kansarm gezin bij Kind en Gezin gekend nam over de

jaren toe. In onderstaande tabel zie je een overzicht.

Provincie

Kinderen

geboren in een

kansarm gezin

2007

Geboorten

2007

2007

Geboorten

2003

Kinderen

geboren in een

kansarm gezin

- 2003

2003

Antwerpen 1956 19354 10,11 1476 17583 8,39

Vlaams Brabant 403 11147 3,62 248 10425 2,38

West-Vlaanderen 672 11332 5,93 508 10470 4,85

Oost-Vlaanderen 1030 15348 6,71 685 13848 4,95

Limburg 767 8508 9,02 471 7638 6,17

Vlaams Gewest 4828 65689 7,35 3388 59964 5,65

Het kansarmoedepercentage nam tussen 2003 en 2007 toe met 1,7 procent. We

beschouwen dat als een relatieve toename, dwz dat er zeer waarschijnlijk een effectieve

groei is.

De criteria waar Kind en Gezin zich op baseert zijn: beschikbaar maandinkomen, opleiding

ouders, arbeidssituatie ouders, laag stimulatieniveau, huisvesting en gezondheid.

We onderschrijven ten volle de doelstelling om naar een halvering te streven van kinderen

die geboren worden in kansarme gezinnen.

Immers, in het Jaarboek armoede en sociale uitsluiting 2008 toont men aan dat armoede de

ontwikkelingsscores van kinderen al vanaf het eerste levensjaar naar beneden haalt. Het

gaat hierbij om verschillende ontwikkelingsdomeinen: niet enkel cognities en taal, maar ook

motoriek, zelfredzaamheid en sociaal emotionele ontwikkeling. Zo blijken bvb. peuters uit

een kansarm milieu gemiddeld 400 woordjes te kennen, terwijl een even oud kind uit een

hoger opgeleide familie er 1200 kent. Driemaal méér woordenschat dus. Vaak kan de

achterstand nooit meer ingehaald worden, met als gevolg dat kansarme kinderen veelal

voortijdig uit het onderwijs stappen en kansarm blijven (Jan Peeters, UGent).

11


In het rapport van Unicef over ‘de transitie naar kinderopvang en onderwijs’ 12 is een

belangrijke vaststelling dat de interacties met anderen, en vooral met familieleden en

verzorgers, tijdens de vroegste kinderjaren bepalend zijn voor de patronen van neurale

verbindingen en chemische evenwichten die in sterke mate beïnvloeden wie we zullen

worden, waartoe we in staat zullen zijn en hoe we zullen reageren op de wereld rondom

ons. Van het grootste belang zijn de vroegste ervaringen die het menselijk brein vorm geven

en die de fundamenten en de structuur leggen voor de toekomstige ontwikkeling. "Alle

aspecten van het volwassen menselijk kapitaal, gaande van professionele vaardigheden tot

samenwerking en geoorloofd gedrag, bouwen verder op capaciteiten die ontwikkeld werden

tijdens de kindertijd, en dit reeds vanaf de geboorte," concludeert een recent rapport van de

US National Scientific Council. Met andere woorden: de neurowetenschap begint stilaan de

interne processen te bevestigen en te verklaren die al lang gemeengoed waren in de sociale

wetenschappen en de eigen ervaringen: dat liefhebbende, stabiele, veilige, stimulerende en

lonende relaties met familieleden en verzorgers tijdens de eerste levensmaanden en -jaren

van cruciaal belang zijn voor bijna alle aspecten in de ontwikkeling van het kind.

Overheidsinvesteringen in voorzieningen voor gezinnen met jonge kinderen zijn zowel

vanuit economisch, neurowetenschappelijk als vanuit kinderrechtenperspectief uitgebreid te

argumenteren. Het gaat hierbij om investeringen in kwalitatieve voorzieningen zoals

kinderopvang en preventieve gezinsondersteuning waaronder opvoedingsondersteuning.

Beleidsmatig is het tevens relevant aandacht te hebben voor onderzoeken die stilstaan bij

de relatieve budgettaire kost van deze (vroeg)tijdige interventies. Zo berekende bvb. de

Amerikaanse econoom James Heckman dat investeren op heel jonge leeftijd veel efficiënter

is dan remediëren en herscholen op oudere leeftijd. Elke overheidseuro die aan de jongste

leeftijdsgroep wordt gespendeerd, levert later zeven euro winst op.

Investeringen op deze verschillende domeinen betekent een uitbreiding en optimalisering

van het basisaanbod dat àlle kinderen ten goede komt met extra aandacht voor toeleiding

en deelname van kwetsbare kansengroepen.

De concrete sociale, psychologische (de eigen sterkten en zwakten van de ouder die zeer

bepalend zullen zijn voor zijn/haar opvoeden) en maatschappelijke context waarin het kind

opgroeit krijgt te weinig aandacht. Gerichte ondersteuning op dit vlak is idealiter een soort

van cirkel(benadering) rondom kinderen, jongeren en opvoeders.

Een belangrijk raamwerk voor dergelijke investeringen te kaderen is het zgn. balansmodel.

In het balansmodel maakt men een onderscheid tussen kind- en ouderfactoren op

microniveau, en ook meso- en macroniveaus meespelen. Om kinderen in kansarmoede te

bereiken moet men inderdaad rekening houden met al deze niveaus. Uit onderzoek van

bvb. Greet Geenen (KUL) bleken de ouderfactoren erg predictief.

12 Unicef (2008). The child care transition. Innocenti Report Card 8. Florence: UNICEF Innocenti Research

Centre.

12


DRAAGLAST

DRAAGKRACHT

moeilijk temperament

handicap

ontwikkelingsstoornis

kind

cognitieve vaardigheden

veerkracht

hechte band met ouders

psychische problemen

opvoedingsonmacht

negatieve jeugdervaringen

ouders

opvoedingscompetentie

betrokken opvoedingsstijl

psychisch welbevinden

isolement

gezinsconflicten

huiselijk geweld

gezin

stabiele partnerrelatie

werk en inkomen

sociaal netwerk

grote scholengemeenschap

zwarte school

geen binding met school

school

gestructureerde school

pedagogisch klimaat

ouderbetrokkenheid

afbraak van voorzieningen

weinig binding / criminaliteit

buurt

sociale cohesie

goede voorzieningen

recessie / politiek instabiel

sociale uitsluiting

samenleving

economisch stabiel

sociale zekerheid

Interventiestrategieën

Kwaliteitsvolle kinderopvang

In het reeds genoemde rapport van Unicef over ‘de transitie naar kinderopvang en

onderwijs’ 13 staat het volgende omschreven:

Gezond verstand – en vele onderzoeksresultaten – ondersteunen de idee dat het

openstellen van de voordelen van kwaliteitsvolle voorzieningen voor alle jonge kinderen,

helpt om kansarmoede te beperken.

In een gedetailleerde evaluatie van de kosten en de baten in OESO-landen, deden de

Canadese onderzoekers Cleveland en Krashinsky, bijvoorbeeld de volgende ontdekking:

"Hoewel kinderopvang en onderwijs voor jonge kinderen voordelig is voor alle kinderen,

blijkt uit de resultaten dat de kinderen uit de meest kansarme gezinnen er het meest baat bij

hebben. Goede kinderopvang kan, zeker gedeeltelijk, een kansarme gezinsomgeving sterk

ondersteunen."

Ook een rapport van de US National Research Council concludeerde dat

kinderopvang “kinderen kan beschermen tegen gezinsgebonden risico’s” en tegen de

“nadelige effecten van armoede en postnatale depressie" en tegen huiselijke conflicten.

Volgens het rapport hebben zorgvuldig geplande interventies "bewezen dat zij een invloed

hebben op het ontwikkelingstraject van kinderen wiens levensloop bedreigd wordt door

socio-economische kansarmoede, gebroken gezinnen en vastgestelde handicaps."

13 Unicef (2008). The child care transition. Innocenti Report Card 8. Florence: UNICEF Innocenti Research

Centre.

13


Tot dezelfde conclusie kwam de OESO-evaluatie van de kinderopvang voor jonge kinderen

in 2006: "Onderzoek in vele landen heeft aangetoond dat vroeg ontwikkelingsgericht

stimuleren in grote mate bijdraagt om kinderen uit gezinnen met lage inkomens op weg te

zetten naar een geslaagde schoolontwikkeling."

Vanuit bovenstaand uittreksel uit het Unicef-rapport formuleren we de volgende

interventiestrategie:

Investeren in een kwalitatieve en toegankelijke kinderopvang voor kinderen uit

maatschappelijk kwetsbare gezinnen

Goede en toegankelijke kinderopvang kan de bestaande kloof tussen maatschappelijk

kwetsbare gezinnen en de rest van de samenleving helpen dichten. De ontwikkelingskansen

van jonge kinderen uit maatschappelijk kwetsbare gezinnen kunnen aanzienlijk verhoogd

worden op verschillende domeinen.

Het belang van de sociale functie van kinderopvang dient nog sterker benadrukt te worden

door het beleid. Ook dienen er nog meer strategieën ingezet te worden om allochtone en

kansarme gezinnen toe te leiden naar kinderopvang. Uit cijfers van Kind en Gezin blijkt dat

immers dat 7 op 10 tien kinderen onder de 3 jaar uit net deze doelgroep geen gebruik

maken van kinderopvang, tegenover 3,4 op 10 bij alle kinderen van die leeftijd.

Om de kwaliteit van kinderopvang te verbeteren is een belangrijk werkpunt om de

opleidingsvereisten van het personeel in de kinderopvang te verbeteren én te verscherpen.

Het voorzien in een degelijke basisopleiding zou hier zeker toe bijdragen. Ook het uitwerken

van een gericht competentiebeleid, met trajecten van coaching en ondersteuning op de

werkvloer zelf, zal de kwaliteit van de kinderopvang sterk verbeteren.

Investeren in een toegankelijke en kwaliteitsvolle preventieve gezinsondersteuning

voor maatschappelijk kwetsbare gezinnen

Als overheid dient, naast de investering in kwaliteitsvolle kinderopvang, geïnvesteerd te

worden in een sterke preventieve gezinsondersteuning. Hierbij moet de ontwikkeling van

kinderen op alle domeinen gevolgd en positief gestimuleerd wordt. Het gaat hier zowel om

lichamelijke, sociaal-emotionele, cognitieve ontwikkeling als taalontwikkeling. De

toegankelijkheid van deze ondersteuning voor maatschappelijk kwetsbare gezinnen moet

voortdurend nagestreefd en verbeterd worden. Dit kan door het inzetten van effectieve

strategieën, methodieken en instrumenten.

Investeren in een diversiteit aan opvoedingsondersteunende maatregelen, is hiervoor

noodzakelijk. Op een niet-bedreigende manier daar aanwezig zijn waar de eerste noden

aan informatie en advies mbt het opvoeden de kop op steken, is essentieel. Hierbij zien we

drie aandachtspunten. Kansarme gezinnen met jonge kinderen zijn de prioritaire doelgroep.

Het ABC van het opvoeden moet zeker ook bij hen kunnen binnengebracht worden. Echter,

net dit is naar kansarme gezinnen niet evident. Ouders in kansarmoede zijn, vanuit hun

eigen kwetsbare geschiedenis en de actuele stresserende levensomgeving, vaak niet toe

aan een regelrechte focus op een ‘ABC van opvoeden’. Dit ondanks het feit dat het

verlangen dat hun kind het beter zal hebben dan zijzelf een belangrijke drijfveer vormt in

hun bestaan. Prof. Corveleyn (KUL) spreekt in dit verband van een verminderd

‘psychologisch kapitaal’. Ook bij opvoedingsondersteuning zal er voortdurend aandacht

moeten zijn om de ouder hierin te versterken. Gezien worden als te respecteren mens,

investeren in de opbouw van een vertrouwensrelatie zal hierbij essentieel zijn.

Opvoedingsondersteuning mag in deze gezinnen niet de vorm aannemen van een

praktijkwerker die vanuit een expertpositie adviezen gaat geven. De focus moet liggen op

14


het verbeteren van de interactie ouder-kind. In die zin is het verwerven van de positie van

een vertrouwenspersoon essentieel, omdat hieruit een stuk betrokkenheid spreekt én dit

een basis is om in de ouder-kindrelatie op te treden. Het stimuleren van een kwalitatieve

ouder-kindrelatie is hierbij het doel.

Een ander aandachtspunt zijn de allochtone gezinnen die in armoede leven. Ook voor hen

dient gezocht te worden naar aangepaste kanalen om inzichten in en ondersteuning van het

opvoeden te realiseren.

Een derde aandachtspunt is ervoor zorgen dat zoveel mogelijk actoren de visie op het

belang van positief ouderschap delen. Dit werkt versterkend en zorgt er ook voor dat

gezinnen voortdurend dezelfde boodschap te horen kunnen krijgen.

Opvoedingsondersteuning vanuit positief ouderschap kan ouders handvatten bieden om de

liefhebbende, stabiele, veilige, stimulerende en lonende relatie die van cruciaal belang zijn

voor de ontwikkeling van hun kinderen te kunnen realiseren. Voor maatschappelijk

kwetsbare gezinnen moet gezocht worden naar de meest effectieve methodieken om deze

doelstelling te realiseren.

Een opvoeding waarin het kind vertrouwen en basisveiligheid kan vinden, is een belangrijke

voorwaarde op een goede ontwikkeling. Ondersteuning bij het opvoeden mag niet

bedreigend zijn. Opvoeden én vragen bij het opvoeden moet terug meer deel uitmaken van

onze maatschappij.

Hierbij wijst Hermanns 14 erop dat alle Amerikaanse bewezen effectieve programma’s zonder

uitzondering ‘community based’ zijn en zich richten op maximale empowerment van de

cliënten.

Dit betekent de garantie van kansen, inzichten en structuren die participatie en educatie van

àlle burgers mogelijk maakt, te beginnen de gezinnen met jonge kinderen.

Zelfs voor aanstaande ouders kunnen laagdrempelige initiatieven (homebased of

centerbased) van groot belang zijn (cfr inloopteams, bezoekmoeders, ….)

Dergelijke gezins- en opvoedingsondersteuning kan allerlei variaties aannemen: men kan

aan de slag gaan met professionals, paraprofessionals of vrijwilligers. Dit kan vanuit een

perspectief van sociale netwerkversterking (Babbel’ma, steungezinnen,

ontmoetingsplaatsen), van ontwikkelingsstimulering, van opvoedingsondersteuning,….

Belangrijke praktijkervaringen leren ons dat dit in een ‘pril stadium’ best kan gebeuren door

medewerkers die herkenbaar zijn voor de gezinnen waardoor acceptatie ontstaat of groeit

(bvb afkomstig zijn uit dezelfde etnische groep).

Methoden als de inloopteams of de netwerken opvoedingsondersteuning leveren

inspanningen om de draagkracht van het hele gezin, in functie van de opvoeding, te

versterken. Op deze integrale benadering, met oog voor het belang van sociale netwerken,

moet sterker worden ingezet.

Blijvende monitoring vanuit de overheid naar voortgang en effect van

welzijnsbevorderende maatregelen en de samenhang hiermee met het

armoedebestrijdingsbeleid

14 Toespraak Jo Hermanns : “Ten principles of het wraparound process”, Bruns, Adams

en collega’s, Portland 2004.

15


Monitoren van effecten van armoedebestrijdingsbeleid

In het onderzoeksrapport dat OASeS 15 in opdracht van de Vlaamse Overheid uitwerkte

vinden we volgende vaststelling terug:

‘Er is nood aan een zichtbare, effectieve meting, toetsing en evaluatie van het beleid op

haar potentiële en reële effecten op armoede die deel uitmaken van de planmatige aanpak

van het armoedebeleid. De evaluatie van beleidsmaatregelen is in elk beleidsdomein

cruciaal. Ook in het kader van het armoedebestrijdingsbeleid rijzen vaak vragen over de

noodzaak en reikwijdte van bepaalde maatregelen, naar de basis van hun ontwerp, naar

hun implementatie, naar hun resultaten en effectiviteit. Ook internationale organisaties als

de EU, de UN en de Wereldbank, wijzen op het belang van het monitoren van armoede,

waarbij men niet alleen veranderingen in het armoedepeil weergeeft, maar ook de effecten

van (beleids)maatregelen en acties zo goed als mogelijk opvolgt, evalueert en

beleidsmakers en het brede publiek hierover informeert.’

Voor de overheid is het van groot belang een overzicht te hebben van genomen

maatregelen waarvan we weten of ze echt effectief zijn. Het zou heel zinvol zijn om de

komende jaren werk te maken van een databank of –bron zodat coherente en uitgebreide

informatie beschikbaar is om een effectief beleid te kunnen voeren. Op die manier kan

opgevolgd worden wat de voortgang is van het armoedebestrijdingsbeleid.

Formuleren van welzijnsdoelstellingen via het opzetten van welzijnsconferenties

Naar analogie met de gezondheidsconferentie zetten we een syteem van

welzijnsconferenties op, waarbij eenduidige welzijnsdoelstellingen bepaald worden.

Deze doelstellingen worden zorgvuldig voorbereid met betrokkenen vanuit zowel de

armoedebewegingen, de academici, het maatschappelijke middenveld én de overheid.

Deze welzijnsdoelstellingen kunnen dan subdoelstellingen zijn van de hier geformuleerde

doorbraak, met de focus op preventieve gezinsondersteuning en opvoedingsondersteuning.

Deze doelstellingen willen we prioritair in kansarme gezinnen met jonge kinderen realiseren.

15 Onderzoeksrapport armoedebeleid: ‘Naar een doelmatigere armoedebestrijding’, OASeS, 2008.

16

More magazines by this user
Similar magazines