NJB-1425
NJB-1425
NJB-1425
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
NEDERLANDS JURISTENBLAD<br />
DE ANDERE KANT<br />
VAN ZSM<br />
Rechtsherstel voor Somaliërs<br />
Sancties zonder houdbaarheidsdatum<br />
‘Kiss of life’ voor de Grondwet<br />
The world according to overheid.nl<br />
P. 1664-1726 JAARGANG 89 27 JUNI 2014<br />
25<br />
10304677
VERMOGENSRECHT<br />
Onder redactie van:<br />
J.H. Nieuwenhuis<br />
C.J.J.M. Stolker<br />
W.L. Valk<br />
M.H. Wissink<br />
Boek:<br />
ISBN 978 90 13 112894<br />
7e druk<br />
2.900 pagina’s<br />
¤ 315 (incl. btw)<br />
Online:<br />
¤ 126 (excl. btw)<br />
E-book:<br />
¤ 267 (excl. btw) )<br />
KIES UIT:<br />
ONLINE<br />
E-BOOK<br />
BOEK<br />
IN 5 TOT 10 MINUTEN TOT<br />
DE KERN VAN DE ZAAK<br />
Tekst & Commentaar Vermogensrecht bevat een<br />
groot aantal Bijlagen met commentaar op relevante<br />
richtlijnen, aanverwante verdragen, wetten en<br />
verordeningen, welke van belang zijn voor de<br />
vermogensrechtpraktijk én voor onroerendgoedspecialisten.<br />
Daarnaast vindt u o.a. belangrijke<br />
internationaal privaatrechtelijke regelingen op het<br />
gebied van het vermogensrecht (inclusief uittreksel<br />
uit Boek 10 BW en commentaar op het ipr-verdrag<br />
vertegenwoordiging).<br />
Prijswijzigingen voorbehouden. Meer informatie en bestellen op www.kluwer.nl/tekstencommentaar<br />
TEKST & COMMENTAAR<br />
Kunt u zonder
Inhoud<br />
Vooraf 1224 1665<br />
Prof. mr. T. Barkhuysen<br />
Toetsing van procesbeslissingen<br />
in het bestuursrecht<br />
Focus 1225 1666<br />
Mr. dr. P.P.J. van der Meij<br />
De andere kant van de<br />
ZSM-medaille<br />
Het gebrek aan controle op beleid<br />
en beslissingen van het Openbaar<br />
Ministerie<br />
Praktijk 1226 1672<br />
Prof. mr. T.P. Spijkerboer<br />
Rechtsherstel voor Somaliërs<br />
Wetenschap 1227 1675<br />
Mr. dr. W.F. van Hattum<br />
Sancties zonder<br />
houdbaarheidsdatum<br />
Reactie op ‘Belangrijke<br />
beperkingen van de gerechtelijke<br />
onderzoekmethode’<br />
Focus 1228 1681<br />
Mr. K.E. Haan<br />
M.E. de Boer<br />
R. Dekker<br />
Prof. mr. R. Nehmelman<br />
Mr. J.W.C. van Rossem<br />
M. Vetzo<br />
De ‘kiss of life’ voor de Grondwet<br />
Een voorstel tot aanpassing van<br />
de wijzigingsprocedure van de<br />
Grondwet<br />
Opinie 1229 1685<br />
Mr. F.J. Fernhout<br />
The world according to<br />
www.overheid.nl<br />
Rubrieken<br />
1230-1245 Rechtspraak 1687<br />
1246 Boeken 1702<br />
1247-1250 Tijdschriften 1703<br />
1251-1262 Wetgeving 1707<br />
1263-1266 Nieuws 1719<br />
1267 Universitair nieuws 1724<br />
1268 Personalia 1726<br />
1269 Agenda 1726<br />
Het nader onder zoeken<br />
van de MOGELIJKHEID<br />
om een ZELFSTANDIGE<br />
TOETSING van<br />
PROCESBESLISSINGEN<br />
in te voeren is de MOEITE<br />
WAARD<br />
Pagina 1665<br />
In de meest NEGATIEVE zin<br />
uitgelegd is ZSM vooral een<br />
manier om ZOVEEL mogelijk<br />
VERDACHTEN zo efficiënt<br />
mogelijk te BESTRAFFEN en<br />
dan vallen maar WEINIG<br />
zaken van de WAGEN<br />
Pagina 1666<br />
Omdat ASIELAANVRAGEN<br />
worden beoordeeld naar het<br />
MOMENT van de meest<br />
RECENTE AANVRAAG,<br />
betekent dat dat SOMALIËRS<br />
die in de periode 2010-2013<br />
TEN ONRECHTE asiel is<br />
onthouden dat nu NIET meer<br />
krijgen<br />
Pagina 1673<br />
De TBS-MAATREGEL na<br />
vele jaren in gevangenisstraf<br />
WIJZIGEN komt in STRIJD<br />
met artikel 6 EVRM, de eis dat<br />
bij the determination of the<br />
charge, de RECHTER de straf<br />
VASTSTELT<br />
Pagina 1676<br />
10304677<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD<br />
DE ANDERE KANT<br />
VAN ZSM<br />
Rechtsherstel voor Somaliërs<br />
Sancties zonder houdbaarheidsdatum<br />
‘Kiss of life’ voor de Grondwet<br />
The world according to overheid.nl<br />
25<br />
P. 1664-1726 JAARGANG 89 27 JUNI 2014<br />
Het wetsvoorstel beoogt de<br />
WIJZIGINGSPROCEDURE<br />
van de GRONDWET zo te<br />
VERANDEREN dat alleen in<br />
geval van een wijziging die aan<br />
de ‘IDENTITEIT van het<br />
Nederlandse constitutionele<br />
BESTEL’ raakt, een TWEEDE<br />
lezing nodig is<br />
Pagina 1682<br />
OVERHEID.NL meent het<br />
ook BETER te WETEN dan<br />
de wetgever en heeft steeds<br />
haar EIGEN versies van de<br />
Nederlandse WET op de site<br />
geplaatst<br />
Pagina 1685<br />
In 2014 zijn er nog altijd<br />
TIENDUIZENDEN kinderen<br />
in NEDERLAND het<br />
SLACHTOFFER van ernstige<br />
kinderrechtenschendingen<br />
Pagina 1719<br />
Omslag: Ambulance © Mediscan/Corbis
NEDERLANDS JURISTENBLAD<br />
Opgericht in 1925 Eerste redacteur J.C. van Oven<br />
Erevoorzitter J.M. Polak<br />
Redacteuren Tom Barkhuysen, Ybo Buruma, Coen Drion,<br />
Ton Hartlief, Corien (J.E.J.) Prins (vz.), Taru Spronken,<br />
Peter J. Wattel<br />
Medewerkers Barend Barentsen, sociaal recht (socialezekerheidsrecht),<br />
Stefaan Van den Bogaert, Europees recht,<br />
Alex F.M. Brenninkmeijer, alternatieve geschillen -<br />
beslechting, Wibren van der Burg, rechtsfilosofie en<br />
rechtstheorie, G.J.M. Corstens, Europees strafrecht,<br />
Remy Chavannes, technologie en recht, Eric Daalder,<br />
bestuursrecht, Caroline Forder, personen-, familie- en<br />
jeugdrecht, Janneke H. Gerards, rechten van de mens,<br />
Ivo Giesen, burgerlijke rechtsvordering en rechts pleging,<br />
Aart Hendriks, gezondheidsrecht, Marc Hertogh, rechtssociologie,<br />
P.F. van der Heijden, internationaal arbeidsrecht,<br />
C.J.H. Jansen, rechtsgeschiedenis, Piet Hein van Kempen,<br />
straf(proces)recht, Harm-Jan de Kluiver, ondernemingsrecht,<br />
Willemien den Ouden, bestuursrecht, Stefan Sagel,<br />
arbeidsrecht, Nico J. Schrijver, volkenrecht en het recht der<br />
intern. organisaties, Ben Schueler, omgevingsrecht,<br />
Thomas Spijkerboer, migratierecht, T.F.E. Tjong Tjin Tai,<br />
verbintenissenrecht, F.M.J. Verstijlen, zakenrecht,<br />
Dirk J.G. Visser, auteursrecht en intellectuele eigendom,<br />
Inge C. van der Vlies, kunst en recht, Rein Wesseling,<br />
mededingingsrecht, Reinout Wibier, financieel recht,<br />
Willem J. Witteveen, staatsrecht<br />
Auteursaanwijzingen Zie www.njb.nl. Het al dan niet op<br />
verzoek van de redactie aanbieden van artikelen impliceert<br />
toestemming voor openbaarmaking en ver veelvoudiging<br />
t.b.v. de elektronische ontsluiting van het <strong>NJB</strong>.<br />
Logo Artikelen met dit logo zijn door externe peer<br />
reviewers beoordeeld.<br />
Citeerwijze <strong>NJB</strong> 2014/[publicatienr.], [afl.], [pag.]<br />
Redactiebureau Bezoekadres: Lange Voorhout 84,<br />
Den Haag, postadres: Postbus 30104, 2500 GC Den Haag,<br />
tel. (0172) 466399, e-mail njb@kluwer.nl<br />
Internet www.njb.nl en www.kluwer.nl<br />
Secretaris, nieuws- en informatie-redacteur Else Lohman<br />
Adjunct-secretaris Berber Goris<br />
Secretariaat Nel Andrea-Lemmers<br />
Vormgeving Colorscan bv, Voorhout, www.colorscan.nl.<br />
Uitgever Simon van der Linde<br />
Uitgeverij Kluwer, Postbus 23, 7400 GA Deventer.<br />
Op alle uitgaven van Kluwer zijn de algemene leveringsvoorwaarden<br />
van toepassing, zie www.kluwer.nl.<br />
Abonnementenadministratie, productinformatie Kluwer<br />
Afdeling Klantcontacten, www.kluwer.nl/klantenservice,<br />
tel. (0570) 673 555.<br />
Abonnementsprijs (per jaar) Tijdschrift: € 310 (incl. btw.).<br />
<strong>NJB</strong> Online: Licentieprijs incl. eerste gebruiker € 340 (excl.<br />
btw), extra gebruiker € 100 (excl. btw). Combinatieabonnement:<br />
Licentieprijs incl. eerste gebruiker € 340 (excl.<br />
btw). Prijs ieder volgende gebruiker € 100 (excl. btw). Bij<br />
dit abonnement ontvangt u 1 tijdschrift gratis en krijgt u<br />
toegang tot <strong>NJB</strong> Online. Zie voor details: www.njb.nl (bij<br />
abonneren). Studenten 50% korting. Losse nummers<br />
€ 7,50. Abonnementen kunnen op elk gewenst moment<br />
worden aangegaan voor de duur van minimaal één jaar<br />
vanaf de eerste levering, vooraf gefactureerd voor de volledige<br />
periode. Abonnementen kunnen schriftelijk tot drie<br />
maanden voor de aanvang van het nieuwe abonnementsjaar<br />
worden opgezegd; bij niet-tijdige opzegging wordt het<br />
abonnement automatisch met een jaar verlengd.<br />
Gebruik persoonsgegevens Kluwer BV legt de gegevens<br />
van abonnees vast voor de uitvoering van de (abonnements-)over<br />
eenkomst . De gegevens kunnen door Kluwer,<br />
of zorgvuldig geselecteerde derden, worden gebruikt om u te<br />
informeren over relevante producten en diensten. Indien u<br />
hier bezwaar tegen heeft, kunt u contact met ons opnemen.<br />
Media advies/advertentiedeelname Maarten Schuttél<br />
Capital Media Services<br />
Staringstraat 11, 6521 AE Nijmegen<br />
Tel. 024 - 360 77 10, mail@capitalmediaservices.nl<br />
ISSN 0165-0483 <strong>NJB</strong> verschijnt iedere vrijdag, in juli en<br />
augustus driewekelijks. Hoewel aan de totstandkoming van<br />
deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden de<br />
auteur(s), redacteur(en) en uitgever(s) geen aansprakelijkheid<br />
voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch<br />
voor gevolgen hiervan. Voor zover het maken van kopieën<br />
uit deze uitgave is toegestaan op grond van art. 16h t/m<br />
16m Auteurswet j°. Besluit van 29 december 2008, Stb.<br />
2008, 583, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde<br />
vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te<br />
Hoofd dorp (Postbus 3051, 2130 KB).<br />
de Tijdstroom<br />
www.tijdstroom.nl<br />
PROFILERING<br />
+<br />
NEW BUSINESS<br />
Mr. september<br />
Opleidingen<br />
Recruitment<br />
Bouwrecht<br />
Mr. oktober<br />
ICT<br />
Grote kantoren vs niche kantoren<br />
Intellectueel Eigendomsrecht (IE)<br />
Bel: 024 - 360 77 10 óf mail:<br />
mail@capitalmediaservices.nl
Vooraf<br />
1224<br />
Toetsing van procesbeslissingen in het bestuursrecht<br />
25<br />
Onwelgevallige procesbeslissingen zijn in het<br />
bestuursprocesrecht niet zelfstandig aanvechtbaar.<br />
Wanneer een bestuursrechter, bijvoor-<br />
beeld, tegen de zin van een partij een zaak verdaagt, een<br />
getuige niet oproept, bepaalde bewijsmiddelen niet accepteert<br />
of een pleidooi aan het begin van de zitting niet toestaat,<br />
kan daartegen alleen worden opgekomen in het<br />
kader van een hoger beroep. Wanneer dergelijke beslissingen<br />
in hoogste instantie aan de orde zijn, bestaat er in het<br />
geheel geen rechtsmiddel (de alleen in theorie bestaande<br />
mogelijkheid van een geslaagde civiele procedure uit<br />
onrechtmatige rechtspraak tegen de staat en het klachtrecht<br />
daargelaten).<br />
Op zich valt er het nodige te zeggen voor deze<br />
beperkte aanvechtbaarheid van procesbeslissingen. Het<br />
zou een procedure namelijk kunnen vertragen wanneer<br />
elke procesbeslissing zelfstandig aanvechtbaar is. Het streven<br />
naar een snelle en efficiënte rechtsgang zou daarmee<br />
in het gedrang kunnen komen. Dit geldt temeer nu misbruik<br />
niet uitgesloten kan worden. Ervaringen met de wel<br />
bestaande mogelijkheid een rechter te wraken wijzen ook<br />
in die richting, zij het dat er wel de nodige mogelijkheden<br />
bestaan hieraan paal en perk te stellen.<br />
Tegelijk laat de praktijk van de afgelopen jaren – met<br />
name sinds de invoering van de nieuwe zaaksbehandeling<br />
– zien dat er bij partijen wel een serieuze behoefte bestaat<br />
om procesbeslissingen te laten toetsen voordat een zaak<br />
verder wordt behandeld. Daarvoor wordt vaak gegrepen<br />
naar het instrument van de wraking. Gesteld wordt dan<br />
dat als gevolg van het nemen van een bepaalde procesbeslissing<br />
de partijdigheid van de betreffende rechter(s) is<br />
gebleken. Zo zijn er wrakingsverzoeken ingediend vanwege<br />
de rechterlijke beslissing: om een zitting te laten beginnen<br />
met het stellen van vragen en niet met een pleidooi<br />
(ECLI:NL:CRVB:2014:1518), om niet in te gaan op in een<br />
vertrouwelijke brief neergelegde verzoeken (ECLI:NL:<br />
RBZWB:2013:7031), het pas tijdens de zitting uitleggen<br />
van de gang van zaken in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling<br />
(ECLI:NL:RBAMS:2013:8995), het verdagen<br />
van een mondelinge behandeling (ECLI:NL:RBGRO:<br />
2012:BY8240), de weigering van toestemming een zitting<br />
met video op te nemen (ECLI:NL:RVS:2013BZ0709), de<br />
beslissing om getuigen op te roepen (ECLI:NL:RBARN:<br />
2012:BX2312), het tijdens de zitting niet ingaan op<br />
bepaalde beroepsgronden (ECLI:NL:RBZLY:2011:BW1437),<br />
het in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling betrekken<br />
van andere procedures bij de voorliggende zaak<br />
(ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6565) en het niet langer wachten<br />
op een advocaat alvorens met de mondelinge behandeling<br />
van een zaak te beginnen (ECLI:NL:RBROT:2013:CA2207).<br />
Al deze wrakingsverzoeken zijn – vanzelfsprekend<br />
– afgewezen. Volgens vaste jurisprudentie is het instrument<br />
van wraking namelijk niet bedoeld als rechtsmiddel<br />
tegen dit soort procesbeslissingen. Alleen in het hele uitzonderlijke<br />
geval dat processuele beslissingen zo onbegrijpelijk<br />
zijn dat daaruit een zwaarwegende aanwijzing kan<br />
worden afgeleid voor de partijdigheid van de betrokken<br />
rechter(s) is dat anders (ECLI:NL:RVS:2007:BA3209;<br />
ECLI:NL:CRVB:2004:AO5507).<br />
Toch komt de vraag op of er niet nagedacht zou moeten<br />
worden over het mogelijk maken van een zelfstandige<br />
toetsing van dergelijke procesbeslissingen hangende een<br />
procedure (zie ook Koenraad & Verbeek, JB-plus 2014, p. 54<br />
e.v.). Bij partijen blijkt er mede gelet op de hiervoor<br />
geschetste wrakingspraktijk een behoefte aan te bestaan,<br />
hetgeen logisch is omdat dergelijke beslissingen een<br />
belangrijke invloed kunnen hebben op de uitkomst van<br />
een zaak. Aan het verwijzen van deze toetsing naar het<br />
hoger beroep kleeft het bezwaar dat er dan een instantie<br />
‘verloren’ gaat met alle tijdverlies van dien. Daar komt bij<br />
dat toetsing van in hoogste instantie genomen procesbeslissingen<br />
nu helemaal niet aan de orde is. Verder heeft de<br />
rechter in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling een<br />
veel grotere vrijheid gekregen om de procedure naar<br />
eigen goeddunken in te richten (vergelijk de aanbevelingen<br />
van het Landelijk Symposium NZB d.d. oktober 2012).<br />
Het ligt in de lijn der verwachting dat er daardoor ook<br />
meer discussie zal ontstaan over procesbeslissingen. Zou<br />
deze grotere vrijheid van de rechter – die te prijzen is<br />
omdat daarmee maatwerk kan worden geleverd – niet<br />
gepaard moeten gaan met ruimere controlemogelijkheden<br />
ten aanzien van diens beslissingen Daarmee zou ook<br />
de legitimiteit van de procedure kunnen zijn gediend.<br />
Gelet daarop is het nader onderzoeken van de mogelijkheid<br />
om een zelfstandige toetsing van procesbeslissingen<br />
in te voeren de moeite waard. Daarmee is niet gezegd<br />
dat dit geen complexe afwegingen vraagt. Zo zou het<br />
vraagstuk van misbruik om procedures te frustreren de<br />
volle aandacht vergen. Tegelijkertijd zijn er best modaliteiten<br />
denkbaar waarmee problemen op dit punt kunnen<br />
worden voorkomen. Een denkrichting zou kunnen zijn het<br />
uitbreiden van de taken van de al bestaande wrakingskamers<br />
met de toetsing van een beperkt aantal in de wet op<br />
te sommen procesbeslissingen (deze zou dan wrakingsen<br />
procesinstructiekamer kunnen gaan heten). Daarbij<br />
zou het moeten gaan om beslissingen die daadwerkelijk<br />
de uitkomst van een procedure kunnen beïnvloeden. Dan<br />
zou, bijvoorbeeld, wel toetsbaar zijn de beslissing een<br />
bepaalde getuige al dan niet te horen terwijl dat niet aan<br />
de orde zou zijn als het gaat om het niet verlenen van toestemming<br />
om videopnamen van een zitting te maken.<br />
Eventueel zou deze kamer ook de bevoegdheid moeten<br />
krijgen om in het kader van de redelijke termijn instructies<br />
te geven aan de behandelende rechter(s). Idealiter<br />
zouden procesbeslissingen zoveel mogelijk plaatsvinden<br />
in het kader van een regiezitting die aan het begin van<br />
een procedure plaatsvindt en waarbij de rechter het dossier<br />
al moet hebben bestudeerd. Ontstaat daarbij discussie<br />
over een procesbeslissing dan zou de wrakings- en procesinstructiekamer<br />
snel beschikbaar moeten zijn, hetgeen<br />
overigens ook geldt bij beslissingen verderop in de procedure.<br />
Wellicht kan deze handschoen worden opgepakt in<br />
het kader van het KEI-project waarbij dan ook het civiele<br />
recht zou kunnen worden betrokken.<br />
Tom Barkhuysen<br />
Reageer op <strong>NJB</strong>log.nl op het Vooraf<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1665
1225<br />
Focus<br />
De andere kant van de<br />
ZSM-medaille<br />
Het gebrek aan controle op beleid en beslissingen van<br />
het Openbaar Ministerie<br />
Patrick van der Meij 1<br />
De speerpunten van het ZSM-beleid zijn snelheid, daadkracht en efficiëntie. Het beleid wordt gepresenteerd<br />
als succesverhaal in de categorieën lik-op-stuk, genoegdoening en capaciteitsbesparing. Het succes van het<br />
beleid lijkt echter mede te zijn ingegeven door een pragmatische aanpak aan de selectietafel, door het<br />
afhouden van effectieve rechtsbijstand en door de afwezigheid van controle door de strafrechter. Indien op<br />
deze punten niets verandert, raakt de efficiënte en daadkrachtige ZSM-aanpak al te gemakkelijk vele burgers<br />
die anders buiten het strafrecht, met alle bijbehorende negatieve consequenties, zouden zijn.<br />
Inleiding<br />
In 2012 is de ZSM-werkwijze met betrekking tot de afdoening<br />
van strafzaken landelijk uitgerold en zijn in alle<br />
arrondissementen ZSM-units aanwezig die dagelijks de<br />
instroom van nieuwe strafzaken beoordelen. De afkorting<br />
ZSM staat voor Zo Selectief, Snel, Samen, Slim, Simpel en<br />
Samenlevingsgericht Mogelijk. 2 Het aantal strafzaken dat<br />
langs deze weg wordt afgedaan, blijft groeien. Naar schatting<br />
zal het in 2014 uiteindelijk gaan om 200 000 zaken. 3<br />
Uitgangspunt bij ZSM is dat het OM en de politie na ruggespraak<br />
met ketenpartners als de reclassering en slachtofferhulp<br />
zo spoedig mogelijk beslissen over de afdoening<br />
van de zaak van een aangehouden verdachte.<br />
De ZSM-werkwijze kent ook voor verdachten positieve<br />
effecten, althans voor de verdachten die duidelijkheid<br />
en snelheid boven een trage afhandeling en onzekere uitkomst<br />
verkiezen. 4 Het is alleen de vraag of de meeste<br />
verdachten wel kunnen overzien welke weerslag een snelle<br />
afhandeling kan hebben in de toekomst. Het beeld van<br />
de mondige burger uit de 21ste eeuw wordt juist voor het<br />
strafrecht gelogenstraft door de ervaring dat de meeste<br />
verdachten niet-mondig en zelfs ronduit kwetsbaar zijn<br />
(beperkte verstandelijke vermogens, verslaafden, veelplegers,<br />
vreemdelingen). 5 Het uitgangspunt van ZSM dat<br />
meer dan voorheen een bewustere keuze wordt gemaakt<br />
om het strafrecht al dan niet toe te passen, 6 impliceert<br />
echter dat ook voor die kwetsbaren een zorgvuldige afweging<br />
kan worden gemaakt. ZSM faciliteert weliswaar dat<br />
meer zaken kunnen worden beoordeeld, maar ook dat<br />
meer zaken van de wagen afvallen door alternatieve oplossingen<br />
als buurtbemiddeling of mediation.<br />
Toch wordt vanuit het OM ook erkend dat bij een al<br />
te grote toestroom van zaken wel wordt teruggegrepen op<br />
de traditionele werkwijze waardoor de beoogde selectiviteit<br />
die ZSM kenmerkt, onder druk komt te staan. Dit leidt<br />
ertoe dat juist meer zaken via het strafrecht worden afgedaan.<br />
7 Als daarbij wordt betrokken dat de ZSM-werkwijze<br />
tot op heden steeds de nodige drukte met zich heeft<br />
gebracht en sterker nog: lijkt te zijn ingericht op het genereren<br />
van zoveel mogelijk drukte, boet het genoemde uitgangspunt<br />
aanzienlijk aan kracht in. In de meest negatieve<br />
zin uitgelegd is ZSM vooral een manier om zoveel<br />
mogelijk verdachten zo efficiënt mogelijk te bestraffen en<br />
dan vallen maar weinig zaken van de wagen. Onderbezetting<br />
op de ZSM-units kan voorts bijdragen aan het noodgedwongen<br />
teruggrijpen op de klassieke strafrechtelijke<br />
afdoening: nuance en creativiteit vergen tijd.<br />
In deze bijdrage wordt ten eerste geschetst welke<br />
afdoeningsmodaliteiten de officier van justitie ter<br />
beschikking staan in het kader van de ZSM-werkwijze en<br />
de respectieve gevolgen voor een verdachte. Vervolgens<br />
wordt iets dieper ingegaan op de haken en ogen aan de<br />
ZSM-werkwijze. Aan de hand van een schets van de ZSMbeslissingen<br />
in combinatie met de beperkingen van de<br />
strafrechtspraktijk, wordt geïllustreerd dat een snelle,<br />
efficiënte afdoening zeker niet in het belang van een verdachte<br />
hoeft te zijn. Daaruit volgt de noodzaak van meer<br />
controlemogelijkheden ten aanzien van het beleid en de<br />
beslissingen van de officier van justitie.<br />
Het selectief afdoen van strafzaken<br />
De officier van justitie, die in het Nederlandse strafproces<br />
belast is met het nemen van de vervolgingsbeslissing met<br />
inachtneming van het opportuniteitsbeginsel, heeft in het<br />
kader van ZSM een groot arsenaal aan afdoeningsmogelijkheden.<br />
Hij kan in de eerste plaats op gronden aan het<br />
1666 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
algemeen belang ontleend, beslissen af te zien van<br />
vervolging en de zaak te seponeren, al dan niet onder<br />
voorwaarden. Op dat moment worden geen consequenties<br />
verbonden aan een geconstateerde wetsovertreding. In dit<br />
verband staat de officier van justitie een groot aantal<br />
sepotcodes ter beschikking, uiteenlopend van technische<br />
sepots indien iemand ten onrechte als verdachte is aangemerkt<br />
(code 01) of indien het bewijs ontbreekt (code 02),<br />
tot beleidssepots indien sprake is van een gering feit of<br />
een gering aandeel in het feit (code 40 respectievelijk 41)<br />
of indien de verhouding tot de benadeelde is geregeld<br />
(code 70). 8 Hoewel het verschil in betekenis van de diverse<br />
sepotcodes soms klein lijkt, kunnen wel degelijk verstrekkende<br />
nadelige gevolgen kleven aan net de ‘verkeerde’<br />
sepotcode. Dit is niet alleen het geval in verband met de<br />
latere waardering van de justitiële documentatie van een<br />
verdachte, maar bijvoorbeeld ook bij het verkrijgen van<br />
een visum voor de Verenigde Staten.<br />
De officier van justitie kan de strafzaak tegen een<br />
verdachte uiteraard ook doorzetten, door over te gaan tot<br />
dagvaarden of te besluiten de zaak buitengerechtelijk af te<br />
doen. Het dagvaarden brengt met zich dat een strafrechter<br />
bij de zaak wordt betrokken die uiteindelijk vonnis zal wijzen.<br />
De officier van justitie kiest ingegeven door de ernst<br />
en de complexiteit van de zaak en door afwegingen rondom<br />
de hoogte van de te vorderen gevangenisstraf voor het<br />
aanbrengen van de zaak bij de meervoudige kamer dan wel<br />
bij de politierechter. Het aanbrengen van eenvoudige zaken<br />
met relatief lage strafeisen bij de politierechter zorgt voor<br />
weer een keuzemoment: gaat de zaak naar een ‘normale’<br />
politierechterzitting gepland over enkele weken, maanden<br />
of zelfs meer dan een jaar nadien; komt de zaak in aanmerking<br />
voor snelrecht, waarbij de zitting plaatsvindt tijdens<br />
de bewaring; of is het zelfs een supersnelrechtzaak waarbij<br />
de zaak nog binnen de termijn van de inverzekeringstelling<br />
kan worden berecht Het merendeel van deze beslissingen<br />
omtrent het dagvaarden van eenvoudige zaken wordt eveneens<br />
aan de ZSM-selectietafel genomen.<br />
De belangrijkste afdoeningsmogelijkheden aan de<br />
selectietafel betreffen die van de buitengerechtelijke<br />
afdoening. De officier van justitie kan eenvoudige zaken<br />
in plaats van aan de rechter voorleggen, zelfstandig<br />
afdoen. De buitengerechtelijke afdoening bestaat op dit<br />
moment nog in twee vormen, te weten in de transactie en<br />
de strafbeschikking. Deze modaliteiten zijn tot op zekere<br />
hoogte complementair omdat door de wetgever is bepaald<br />
dat de strafbeschikking gefaseerd wordt ingevoerd (met<br />
steeds een aanvulling van de strafbare feiten waarvoor die<br />
kan worden uitgevaardigd) met als uiteindelijke doel de<br />
vervanging van de transactie. 9 Toch is het mogelijk dat<br />
voor een bepaald strafbaar feit alsnog een keuze gemaakt<br />
mag worden tussen de transactie en de strafbeschikking,<br />
bijvoorbeeld bij het bestaan van contra-indicaties 10 tegen<br />
de strafbeschikking of omdat met een strafbeschikking<br />
anders dan bij een transactie nog niet alle sancties kunnen<br />
worden opgelegd waarin de wet voorziet. 11 Ook de<br />
keuze tussen strafbeschikking of transactie ligt als beslispunt<br />
op de selectietafel. Indien de verdachte een taakstraf<br />
aangeboden krijgt, volgt doorgaans een TOM-zitting waarop<br />
de parketsecretaris het aanbod afhandelt. Hier komt<br />
evenmin een rechter aan te pas.<br />
Hoewel de ene modaliteit tegen de andere wordt<br />
ingewisseld, verschillen de aard en consequenties van de<br />
strafbeschikking aanzienlijk van die van de transactie. Het<br />
aanvaarden van een transactie komt feitelijk neer op het<br />
afkopen of afwenden van een strafrechtelijke vervolging. Er<br />
is dan geen vaststelling van schuld door de strafrechter,<br />
waardoor als het ware nooit komt vast te staan dat de verdachte<br />
daadwerkelijk het strafbare feit heeft gepleegd.<br />
Indien de verdachte het transactieaanbod afwijst, dient het<br />
OM actie te ondernemen om de zaak alsnog voor de rechter<br />
te krijgen. Het direct betalen van een transactie betekent<br />
dat het feit onherroepelijk is afgedaan en dat geen<br />
rechtsmiddel meer kan worden ingesteld. Het uitvaardigen<br />
van een strafbeschikking is daarentegen wel een daad van<br />
vervolging. De straf in de beschikking behoeft in beginsel<br />
geen aanvaarding, die wordt gewoonweg opgelegd, met<br />
dien verstande dat ten aanzien van enkele sancties afhankelijk<br />
van aard en hoogte een plicht tot horen van de verdachte<br />
geldt (artikel 257c Sv). De officier van justitie stelt<br />
met de strafbeschikking de schuld van de verdachte vast.<br />
De bestrafte heeft door de bank genomen twee weken de<br />
tijd om verzet tegen de strafbeschikking te doen, waarbij<br />
het laten verstrijken van die termijn ervoor zorgt dat die<br />
strafrechtelijk onherroepelijk is geworden.<br />
Van de piketadvocaat wordt verwacht dat hij dit hele<br />
scala aan afdoeningsmodaliteiten tijdens de consultatieronde<br />
meegeeft aan zijn cliënt, aangezien hij niet weet welke<br />
weg de officier van justitie zal bewandelen en zelfs niet<br />
weet of het wel om een strafbaar feit gaat en wat de bijzonderheden<br />
van de zaak zijn. De gedachte dat de piketadvocaat<br />
als enige echt toegang heeft tot de aangehouden<br />
verdachte en rechtstreeks zijn informatie kan krijgen van<br />
de direct betrokkene, miskent dat de verdachte mogelijk<br />
niet betrokken is geweest bij het feit, dat hij onder invloed<br />
kan zijn of overweldigd door zijn verblijf op het politiebureau,<br />
of dat hij anderszins redenen heeft ook tegen zijn<br />
advocaat te zwijgen en de waarheid te verdraaien.<br />
Kanttekeningen bij de korte klap<br />
De kern van de overstap van transactie naar strafbeschikking<br />
is de aanpassing van de grondslag van de buitengerechtelijke<br />
afdoening: ‘[De strafbeschikking] strekt niet tot<br />
voorkoming van vervolging maar is een vorm waarin het<br />
Auteur<br />
Noten<br />
2. Zie onder meer het Jaarbericht OM 2011<br />
en www.om.nl/onderwerpen/<br />
zsm/@158586/factsheet-zsm/ (laatstelijk<br />
bezocht op 16 juni 2014). Zie voor de<br />
nadere invulling van de verschillende S-en J.<br />
Bac en M. Vink, ‘ZSM, Zo selectief mogelijk…<br />
Triage in de strafrechtsketen’, Proces<br />
2014/1, p. 80-81.<br />
2012, 26859.<br />
1. Mr. dr. P.P.J. van der Meij is strafrechtadvocaat<br />
bij Cleerdin & Hamer Advocaten<br />
te Amsterdam en is tevens als research<br />
fellow verbonden aan het Instituut voor<br />
Strafrecht & Criminologie van de Faculteit<br />
Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden.<br />
Met dank aan mr. L.M. Hartjes.<br />
3. J. Bac en M. Vink, a.w., p. 84.<br />
9. Aanwijzing OM-Afdoening, Stcrt. 2013,<br />
33003.<br />
10. Aanwijzing OM-Afdoening, Stcrt. 2013,<br />
33003, p. 1 en Bijlage 1A en 1B.<br />
11. Aanwijzing OM-Afdoening, Stcrt. 2013,<br />
33003, p. 2.<br />
4. I. van den Brûle, ‘Gezocht: rol voor de<br />
advocatuur bij ZSM’, Proces 2014/1, p. 92.<br />
5. I. van den Brûle, a.w., p. 92.<br />
6. J. Bac en M. Vink, a.w., p. 83.<br />
7. J. Bac en M. Vink, a.w., p. 85.<br />
8. Aanwijzing gebruik sepotgronden, Stcrt.<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1667
Focus<br />
Het oplossen van een verstopping door het creëren van meer<br />
capaciteit zal ruimte scheppen voor nieuwe vraag, waardoor de<br />
hypertrofie weer toeneemt en opnieuw verstopping ontstaat<br />
1668 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
OM de zaak kan vervolgen en bestraffen. Daarmee komt<br />
de strafbeschikking, wat haar rechtskarakter betreft, meer<br />
overeen met een rechterlijke veroordeling.’ 12 Al ten tijde<br />
van de parlementaire behandeling zijn principiële kanttekeningen<br />
geplaatst bij de aard en implicaties van de<br />
strafbeschikking. 13 Die kanttekeningen zien onder meer<br />
op het feit dat de strafbeschikking het gehele proces van<br />
opsporing-vervolging-berechting-executie exclusief in<br />
handen legt van het OM, zonder dat is voorzien in een<br />
controle door de strafrechter of een raadsman.<br />
Die kanttekeningen strekken zich eveneens uit tot de<br />
selectietafel, bijvoorbeeld als daarbij wordt betrokken dat<br />
het voor een verdachte wel degelijk uitmaakt of hij een<br />
transactie krijgt aangeboden of een strafbeschikking<br />
krijgt uitgevaardigd. De wetgever heeft echter expliciet<br />
overwogen dat de Richtlijnen van het OM met betrekking<br />
tot de wijze van afdoening er niet toe strekken de belangen<br />
van de verdachte te beschermen. ‘[De Richtlijnen] faciliteren<br />
de overgang van het ene naar het andere systeem;<br />
een overgang die noodzakelijkerwijs enige ongelijkheid in<br />
behandeling met zich brengt. Een verweer met de strekking<br />
dat een transactie had moeten worden aangeboden,<br />
en dat niet een strafbeschikking had moeten worden uitgevaardigd,<br />
heeft dan ook geen kans van slagen.’ 14<br />
Het beknopte overzicht van de keuzes die worden<br />
gemaakt aan de selectietafel en de schets van het verschil<br />
in consequenties voor de verdachte, maken duidelijk dat<br />
met de snelle, daadkrachtige en efficiënte afdoening grote<br />
belangen gemoeid zijn, ook al gaat het om relatief eenvoudige<br />
zaken. Belangen die verband houden met de toekomst<br />
van de verdachte na de afdoening, zoals bij het aanvragen<br />
van een VOG, bij het verlenen en controleren van<br />
vergunningen in het kader van de Wet Bibob of bij een<br />
eventuele ongewenstverklaring in het kader van de Vreemdelingenwet.<br />
Er kan met recht worden getwijfeld of al deze<br />
belangen bij de verdachten bekend zijn en of die bij de korte<br />
klap aan de selectietafel worden meegewogen. De drukte<br />
is immers ongekend: volgens twitterberichten worden<br />
op een doordeweekse dag wel 70 zaken beoordeeld. 15<br />
Het sneller en gemakkelijker afdoen van eenvoudige<br />
strafzaken heeft voorts als effect dat meer zaken kunnen<br />
worden afgedaan. Het vrijkomen van capaciteit in de<br />
handhaving als gevolg van ver doorgevoerde efficiëntie,<br />
kan betekenen dat de ontstane ruimte wordt opgevuld<br />
met strafzaken die anders vanwege capaciteitsproblemen<br />
niet zouden zijn opgepakt. Hoewel deze ontwikkeling vanuit<br />
de handhavingsgedachte positief is, draagt die ook het<br />
risico in zich dat ‘flutzaken’ ineens binnen het bereik van<br />
een strafrechtelijke afdoening vallen. 16 Daar komt bij dat<br />
vanaf het moment dat het OM - halverwege de jaren tachtig<br />
- beleid is gaan voeren, de vraag naar meer efficiëntie<br />
nooit is afgenomen en het handhavingsapparaat nooit<br />
toegerust is geweest op de niet-aflatende stroom aan<br />
zaken. Anders gezegd: het oplossen van een verstopping<br />
door het creëren van meer capaciteit zal ruimte scheppen<br />
voor nieuwe vraag, waardoor de hypertrofie weer toeneemt<br />
en opnieuw verstopping ontstaat. 17<br />
De vraag dringt zich op hoe de belangen aan de<br />
selectietafel of in de fase daarna worden gewaarborgd, als<br />
een burger vanwege ZSM eerder dan voorheen in aanraking<br />
kan komen met justitie en de gevolgen steeds verstrekkender<br />
worden. Aanvankelijk stelde het OM zich op<br />
het standpunt dat juist de officier van justitie vanuit zijn<br />
magistratelijke hoedanigheid goed in staat zou zijn de<br />
belangen van de verdachte te wegen. 18 Naast de zaaksorientatie<br />
van de officier van justitie (goed, snel en efficiënt<br />
afdoen) waarin diens magistratelijkheid zou kunnen worden<br />
getoond, benadrukt het OM juist in het beleidsstuk<br />
‘Perspectief op 2015’ dat de officier van justitie zich ook<br />
steeds meer zal oriënteren op zijn omgeving (sturen op<br />
instroom en selectiviteit). In die omgevingsoriëntatie<br />
functioneert de officier van justitie als gelijkwaardige<br />
partner die zich wil openstellen voor de belangen van de<br />
ketenpartners en zich door de prioriteiten en strategieën<br />
Hoe verenigt of verbindt de officier<br />
van justitie zijn rol als magistraat<br />
met zijn rol als ‘netwerkspeler’<br />
van die ketenpartners laat beïnvloeden. 19 Hoe verenigt of<br />
verbindt de officier van justitie zijn rol als magistraat met<br />
zijn rol als ‘netwerkspeler’ 20 ‘De officier van justitie opereert<br />
letterlijk op het politiebureau […]. De vraag is hoe<br />
binnen deze setting, waarin de officier van justitie dicht<br />
op het vuur van de opsporing zit, kan worden gewaarborgd<br />
dat met voldoende kritische distantie magistratelijke<br />
afdoeningsbeslissingen kunnen worden genomen.’ 21<br />
Het aannemen van magistratelijkheid van de officier van<br />
justitie als vaststaand gegeven bij intensieve beleidsvoering<br />
door het OM is mijns inziens misplaatst.<br />
De rol van de raadsman in de ZSM-praktijk<br />
Inmiddels lijkt ook het OM te zijn doordrongen van de<br />
noodzaak de advocatuur bij ZSM te betrekken. 22 Over de rol<br />
12. Kamerstukken II 2004/05, 29849, 3, p.<br />
13.<br />
13. Zie voor kritiek op de strafbeschikking<br />
in het kader van ZSM N.J.M. Kwakman,<br />
‘Snelrecht en de ZSM-aanpak’, DD<br />
2013/17.<br />
14. Kamerstukken II 2004/05, 29849, 3, p.<br />
88 (MvT bij de Wet OM-afdoening).<br />
15. Zie het bericht van woensdag 16 oktober<br />
2013 (@ZSMNoordNL). Het aantal van<br />
70 zaken op een woensdag steekt af tegen<br />
de schets van Bac en Vink, a.w., p. 85: ‘Op<br />
een gemiddelde zaterdag of zondag passeren<br />
vele tientallen zaken.’<br />
16. Y. Buruma, ‘Flutzaken, een pleidooi<br />
voor rechterlijke toetsing van vervolgingsbeslissingen’,<br />
DD 2006/22.<br />
lijk beleid’, Rechtsstaat en sturing, Zwolle:<br />
1987, p. 54.<br />
18. Zie hierover I. van den Brûle, a.w., p.<br />
90.<br />
19. Zie het beleidsstuk Perspectief op<br />
2015. Een zichtbaar, merkbaar en kenbaar<br />
Openbaar Ministerie, p. 4. (http://www.<br />
om.nl/actueel/@157877/perspectief-2015/<br />
(laatstelijk bezocht op 16 juni 2014)).<br />
20. J.H. Crijns, F.P. Ölçer en G.K. Schoep,<br />
‘De officier van justitie van de 21ste eeuw’,<br />
in: Roosachtig Strafrecht, Deventer: Kluwer<br />
2013, p. 158.<br />
21. J.H. Crijns, F.P. Ölçer en G.K.<br />
Schoep,a.w., p. 164.<br />
22. J.J.A. Lucas, ‘ZSM – een huis dat samen<br />
gebouwd wordt, staat steviger’, Strafblad<br />
2013, p. 282 e.v.<br />
17. Vergelijk A.C. ’t Hart reeds in 1987 ten<br />
aanzien van het beleid dat het OM destijds<br />
voerde in ‘Instrumentalisme en strafrechte-<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1669
Focus<br />
van de raadsman is echter bepaald nog niet nagedacht, laat<br />
staan dat die is opgenomen in de ZSM-werkwijze. Het kaatsen<br />
van de bal vanuit het OM dat het de advocatuur vrijstaat<br />
mee te denken over de eigen rol binnen ZSM, getuigt<br />
niet van realiteitszin. Het zijn de wetgever en beleidsmakers<br />
die de effectieve rechtsbijstand in het strafproces dienen<br />
te waarborgen en te organiseren, en het is aan de<br />
advocatuur om daar vervolgens uitvoering aan te geven.<br />
Omdat het bij ZSM doorgaans gaat om zaken waarin de<br />
verdachte afstand kan doen van het consultatierecht en hij<br />
pas bij een eventuele inverzekeringstelling de mogelijkheid<br />
van een piketadvocaat opnieuw krijgt voorgelegd, waarbij<br />
geldt dat die inverzekeringstelling door de geboekte tijdwinst<br />
vaak niet eens aan de orde is, is een voorlichting van<br />
een verdachte door een raadsman ten aanzien van de<br />
afdoening van de zaak gemakkelijk te omzeilen. Oftewel:<br />
ZSM is het perfecte antwoord van het OM op Salduz. 23<br />
De onbestemde rol van de strafrechtadvocaat binnen<br />
ZSM miskent dat aan de selectietafel diverse essentiële<br />
beslissingen worden genomen waarbij de belangen van de<br />
verdachte in het geding zijn en waarop van de kant van<br />
de verdediging invloed behoort te worden uitgeoefend.<br />
Het is onzinnig te veronderstellen dat een verdachte zonder<br />
raadsman zijn belangen kan overzien en weet hoe en<br />
wanneer hij de zaak in zijn belang kan bijsturen. De afwezigheid<br />
van de raadsman kan grote schade toebrengen<br />
aan de belangen van de verdachte. Niet voor niets spreekt<br />
de Commissie Innovatie Strafrechtadvocatuur van ‘een<br />
leemte in de rechtshulp’. 24<br />
Bac en Vink beschrijven de essentiële beslissingen<br />
die door de officier van justitie aan de selectietafel worden<br />
genomen. 25 In de eerste plaats dient de strafrechtelijke<br />
basis te worden vastgesteld: is er een strafbaar feit, is er<br />
genoeg bewijs en is de verdachte strafbaar Ten tweede zal<br />
worden beslist over de route van de zaak (binnen of buiten<br />
het strafrecht, buitengerechtelijk of naar de rechter).<br />
Een volgende beslissing die zou worden genomen is die<br />
met betrekking tot de wenselijkheid de zaak snel of langzaam<br />
af te doen. Aan de selectietafel wordt tot slot ook<br />
gekeken naar eventuele voorlopige maatregelen, zoals het<br />
contactverbod.<br />
Dit redelijk overzichtelijke beslismodel leidt af van<br />
het feit dat de meeste van die beslissingen niet zo gemakkelijk<br />
kunnen worden genomen. Bovendien zijn sommige<br />
van die beslissingen niet eens aan de officier van justitie.<br />
Zo komt de vraag naar de wenselijkheid van de snelheid<br />
van de afdoening als gekunsteld voor. Binnen ZSM zal de<br />
officier van justitie alle zaken snel willen afdoen en niet<br />
snel kiezen voor een inefficiënte langzame afdoening.<br />
Bovendien is de snelheid van de procedure vaak ironisch<br />
Capaciteit om die overvloed aan<br />
strafzaken daadkrachtig op te<br />
pakken is er nu al niet en met de<br />
aangekondigde bezuinigingen zal<br />
dat niet veranderen<br />
genoeg afhankelijk van factoren die buiten de beschikkingsmacht<br />
van de officier van justitie liggen. Elke advocaat<br />
weet dat indien wordt besloten tot dagvaarden en<br />
zich geen (super)snelrecht aandient, de zaak bij het OM op<br />
de plank komt te liggen. Capaciteit om die overvloed aan<br />
strafzaken daadkrachtig op te pakken is er nu al niet en<br />
met de aangekondigde bezuinigingen zal dat niet<br />
veranderen. In dat verband kan het pleidooi vanuit de<br />
advocatuur om de parketsecretaris te behouden voor de<br />
strafrechtspraktijk, hier als ingelast worden beschouwd. 26<br />
Juist in het allereerste begin van het onderzoek is het<br />
vaak lastig in te schatten hoeveel bewijs er tegen de verdachte<br />
ligt. In die fase is immers nog niets op schrift<br />
gesteld, laat staan dat een dossier over de strafzaak is<br />
samengesteld. Hoe voortvarend een zaak ook wordt opgepakt,<br />
er kan niet worden voorbijgegaan aan de omstandigheid<br />
dat het Nederlandse strafproces in belangrijke mate<br />
steunt op processen-verbaal. Het is wat mij betreft feitelijk<br />
onmogelijk een beoordeling te maken of er genoeg wettig<br />
en overtuigend bewijs is als dat niet naar voren komt uit<br />
het dossier. Bovendien is dat een beslissing waartoe de<br />
strafrechter het best is uitgerust, in plaats van de officier<br />
van justitie die gevoed door de mondelinge overdracht<br />
vanuit het politieapparaat wel aanneemt dat er genoeg<br />
ligt tegen de verdachte. Het is opmerkelijk dat vanuit het<br />
OM de bereidheid bestaat een beslissing te nemen puur<br />
op mondelinge informatie die vanwege de drukte en<br />
hectiek snel wordt gegeven. Een belangrijk struikelpunt in<br />
dezen is het recht van de verdediging op kennisneming<br />
van de processtukken (artikel 30 Sv), welk recht in elk<br />
geval bestaat na het eerste verhoor van de aangehouden<br />
verdachte. 27 Zelfs indien de raadsman een ingang heeft bij<br />
de organisatie van het OM (de zogenoemde servicepunten)<br />
duurt het na de ontvangstbevestiging op z’n minst enkele<br />
weken voordat het dossier wordt verstrekt.<br />
Het beslismoment rondom de juiste kwalificatie van<br />
het strafbare feit is ronduit intrigerend. De praktijk leert<br />
namelijk dat in het vroege stadium van het onderzoek de<br />
verdenking door de politie – dezelfde verbalisanten die<br />
ook de mondelinge overdracht van het bewijs faciliteren –<br />
doorgaans bij voorkeur zo zwaar mogelijk wordt aangezet<br />
met het oog op de eventuele noodzaak de verdachte aan<br />
de voorlopige hechtenis te onderwerpen. Dit wordt ook<br />
door Bac en Vink erkend: ‘Een poging tot doodslag is soms<br />
niet meer dan een eenvoudige mishandeling.’ 28 In de normale<br />
gang van het strafproces is het de raadsman die de<br />
tenlastelegging tracht te nuanceren, bijvoorbeeld al in de<br />
fase van de gevangenhouding in een uiterste poging de<br />
gemakkelijk toegepaste voorlopige hechtenis te doen<br />
opheffen of schorsen. Het valt mij op hoe stellig de officier<br />
van justitie in de meeste raadkamerprocedures zich<br />
hard blijft maken voor de gehele tenlastelegging. Het<br />
komt bovendien maar weinig voor dat voorafgaand aan<br />
de inhoudelijke behandeling door de officier van justitie<br />
wordt geschrapt in die tenlastelegging. Het is met deze<br />
ervaring in het achterhoofd mijns inziens gevaarlijk erop<br />
te vertrouwen dat aan de drukke selectietafel wel veel<br />
gelegenheid en bereidwilligheid bestaan tot overdenking<br />
en nuancering van de kwalificatie.<br />
De kanttekeningen bij het ZSM-beslismodel mogen<br />
duidelijk maken dat vanuit de advocatuur in elk geval<br />
geen behoefte bestaat aan de selectietafel aan te schuiven.<br />
1670 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
ZSM kan wel degelijk van meerwaarde zijn voor de verdediging,<br />
indien de officier van justitie eenmaal goed bereikbaar<br />
is voor de raadsman en hij de kanttekeningen bij de<br />
gang van zaken of bij de inhoud van de strafzaak kenbaar<br />
kan maken. Daarvoor geldt wel dat ZSM geen noodzakelijke<br />
voorwaarde is voor overleg tussen OM en verdediging.<br />
Communicatie is altijd mogelijk geweest, als maar duidelijk<br />
was welke officier van justitie kon worden gebeld. Zo<br />
bezien, met alle hierboven genoemde bezwaren, is er geen<br />
rol weggelegd voor de raadsman, laat staan als een van de<br />
ketenpartners van het OM binnen ZSM. ‘De strafrechtadvocatuur<br />
[moet] aan deze werkwijze geen schijn van<br />
legitimiteit geven door bijvoorbeeld aan de ZSM-afdoeningstafel<br />
plaats te nemen of door informatie in het<br />
kader van een videoconsult te verstrekken.’ 29<br />
Uitleiding<br />
De vraag rest nu op welke wijze de beslissingen en het<br />
beleid van het OM het beste kunnen worden gecontroleerd.<br />
Door de achterstand in informatie en zijn verantwoordelijkheid<br />
naar zijn cliënt toe om niet klakkeloos aan<br />
te nemen wat vanuit justitie over de verdachte en diens<br />
zaak mondeling wordt overgebracht, kan de advocaat zijn<br />
cliënt eigenlijk slechts adviseren de transactie niet te aanvaarden,<br />
zich tegen de strafbeschikking te verzetten en<br />
niet akkoord te gaan met supersnelrecht of snelrecht. Dit<br />
mag niet worden versleten voor onbereidwilligheid mee<br />
te werken aan een efficiënte afdoening in het belang van<br />
cliënt, omdat juist die belangen niet zijn te toetsen op het<br />
moment kort na de aanhouding.<br />
De grote afwezige in deze snelkookpan van beslismomenten<br />
is – gelukkig – de rechter. Dit terwijl vanuit het OM<br />
juist gemakkelijk wordt gedreigd met de gang naar de<br />
rechter in die zin dat bij het afwijzen van het transactievoorstel<br />
wordt voorspeld dat later op zitting een hogere<br />
taakstraf zal worden geëist. De ervaring leert echter dat<br />
indien de zaak eenmaal op zitting staat de rechter juist<br />
vanwege het tijdsverloop en andere nuancerende factoren<br />
al snel geneigd is de uiteindelijke straf naar beneden bij te<br />
stellen. Veel van de zaken die echter buitengerechtelijk worden<br />
afgedaan, halen nooit de zittingszaal omdat de transactie<br />
al is voldaan of omdat het verzet te laat is ingesteld.<br />
Indien de rechter uiteindelijk wel de zaak krijgt te<br />
beoordelen (na afwijzing van het aanbod of gedaan verzet),<br />
is het wat mij betreft geboden dat deze veel indringender<br />
dan tot op heden het geval is geweest, zal toetsen<br />
of de aan de selectietafel genomen beslissingen wel juist<br />
zijn. Hoewel van oudsher de rechter met het oog op het<br />
opportuniteitsbeginsel en de magistratelijkheid van het<br />
OM de uiterste terughoudendheid betracht in de beoordeling<br />
van de vervolgingsbeslissing, ben ik van mening dat<br />
het wellicht meest intensieve en alomvattende beleid van<br />
het OM sinds de historie van ons strafproces ook een verschuiving<br />
op dit punt rechtvaardigt. De stand van de jurisprudentie<br />
van de Hoge Raad houdt dit vooralsnog tegen, 30<br />
maar in elk geval één van de raadsheren lijkt hiervoor te<br />
voelen. 31 Het is immers geen rare gedachte dat bij een<br />
vastomlijnd beleid dat voortvloeit uit talrijke onderling<br />
consistente richtlijnen, aanwijzingen en beleidsstukken,<br />
de verdachte daadwerkelijk het vertrouwen kan ontlenen<br />
dat zijn zaak niet of anders wordt vervolgd. De gedachte<br />
dat de officier van justitie te allen tijde bepaalt hoe een<br />
strafzaak afloopt is op sommige punten zelfs in de wet al<br />
losgelaten, als wordt bedacht dat de rechter-commissaris<br />
de officier van justitie een uiterste termijn voor de opsporing<br />
kan stellen en zelfs het einde van de zaak in gang<br />
kan zetten (artikel 180 Sv).<br />
Wat mij betreft dient de rechter de terughoudendheid<br />
in de toets van het vervolgingsbeleid van het OM los<br />
te laten, zelfs met in het achterhoofd de jurisprudentie<br />
van de Hoge Raad. De feitenrechter heeft zijn eigen verantwoordelijkheid<br />
en daarbij hoort ook de beantwoording<br />
van de vraag of een strafzaak wel echt een strafzaak is. Dit<br />
wringt des te meer nu het OM door de ZSM-werkwijze<br />
meer zaken kan afdoen en zo ook de allerlichtste zaken<br />
binnen het bereik van het strafrecht komen, met alle consequenties<br />
van dien. Er zijn reeds voorbeelden te noemen<br />
uit de feitenrechtspraak waarbij de rechter goed gemotiveerd<br />
zijn weg zoekt in de beperkte mogelijkheden die de<br />
Hoge Raad-jurisprudentie biedt. 32 Ik durf zelfs te bepleiten<br />
dat de politierechters zich heel wat meer ruimte kunnen<br />
permitteren, omdat de kans dat een beslissing op een verzet<br />
tegen een strafbeschikking ooit de cassatiefase haalt,<br />
erg klein is. Wellicht dat aan de hand van de feitenrechtspraak<br />
duidelijk kan worden welke zaken nu echt ‘flutzaken’<br />
zijn. De officier van justitie kan dat dan weer<br />
meenemen bij zijn beoordeling van de stortvloed aan<br />
nieuwe zaken op de selectietafel.<br />
Wellicht dat aan de hand van de<br />
feitenrechtspraak duidelijk kan<br />
worden welke zaken nu echt<br />
‘flutzaken’ zijn<br />
23. Aldus I. van den Brûle, a.w., p. 93.<br />
27. En vaak eerder: ‘In de praktijk [vinden<br />
geregeld onderzoeken plaats] waarbij de<br />
verdachte pas laat in het onderzoekstraject<br />
wordt verhoord, terwijl hij veel eerder weet<br />
of vermoedt dat hij als verdachte wordt<br />
aangemerkt. […] Voor dit soort gevallen is<br />
het alleszins redelijk dat de verdachte, nog<br />
voordat hij als zodanig voor de eerste keer<br />
wordt verhoord, inzage kan krijgen in het<br />
procesdossier’, aldus de minister in Kamerstukken<br />
II, 32468, 3, p. 20-21.<br />
30. HR 6 november 2012,<br />
ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109.<br />
24. Zie het rapport Herbezinning op de rol<br />
van de raadsman in de voorfase van het<br />
strafproces, Den Haag 2012.<br />
31. Zie Y. Buruma, a.w.<br />
28. J. Bac en M. Vink, a.w., p. 83.<br />
32. Zie bijvoorbeeld<br />
ECLI:NL:GHARL:2013:5945 of het ronduit<br />
schrijnende ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4908.<br />
25. J. Bac en M. Vink, a.w., p. 82.<br />
29. A.A. Franken en P.T.C. van Kampen,<br />
‘Een herbezinning op de rol van de raadsman<br />
in het vooronderzoek’, in: Roosachtig<br />
strafrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 245.<br />
26. Zie het blog Red de parketsecretaris! op<br />
www.janvlug.com/151 (laatstelijk bezocht<br />
op 16 juni 2014).<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1671
1226<br />
Praktijk<br />
Rechtsherstel voor<br />
Somaliërs<br />
Thomas Spijkerboer 1<br />
Momenteel verblijven enige honderden Somaliërs in Nederland die tussen december 2010 en 2013 ten<br />
onrechte geen asiel in Nederland hebben gekregen. Hoe kan dit worden rechtgezet<br />
Het argument<br />
Van december 2010 tot februari 2013 oordeelde de staatssecretaris<br />
(in het voetspoor van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State, 2 later gevolgd door het<br />
Europese Hof voor de Rechten van de Mens 3 ) dat de situatie<br />
in Mogadishu zo ernstig was dat verwijdering van een<br />
ieder naar Mogadishu in strijd met artikel 3 EVRM zou<br />
zijn. Op grond daarvan meende de Afdeling dat ook uitzetting<br />
via Mogadishu (waarbij de vreemdeling zelf zou<br />
moeten doorreizen naar een veilig geacht deel van<br />
Somalie) in strijd met artikel 3 EVRM zou zijn. Omdat uitzetting<br />
naar Somalië alleen via Mogadishu mogelijk is,<br />
was uitzetting naar Somalië niet mogelijk. 4 Dus: in de<br />
periode december 2010 - februari 2013 was uitzetting van<br />
Somaliërs niet mogelijk, omdat Somaliërs bij uitzetting<br />
een reëel risico liepen om te worden onderworpen aan<br />
een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.<br />
Artikel 29 lid 1 onder b onder 2 Vreemdelingenwet<br />
2000 bepaalt dat een vreemdeling asiel krijgt als hij aannemelijk<br />
heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om<br />
aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt<br />
om te worden onderworpen aan een behandeling in strijd<br />
met artikel 3 EVRM. De Vreemdelingenwet is op dit punt in<br />
overeenstemming met Richtlijn 2011/95 van de EU. Op<br />
grond van het Nederlandse en Europese recht zou je verwachten<br />
dat Somaliërs tussen december 2010 en februari<br />
2013 asiel hadden gekregen, omdat de staatssecretaris en<br />
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State<br />
vastgesteld hadden dat zij bij uitzetting naar of via<br />
Mogadishu een reëel risico liepen om te worden onderworpen<br />
aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.<br />
Dat is echter niet gebeurd. Minister Leers was van<br />
In recente rechtspraak heeft de Raad<br />
van State het argument waarmee hij<br />
eerder Somaliërs asiel heeft<br />
onthouden verworpen in de context<br />
van het Vluchtelingenverdrag<br />
mening dat Somaliërs in deze periode wel vrijwillig<br />
terug konden, mits zij afkomstig waren uit een ander<br />
deel van Somalië dan Mogadishu. 5 Hij zei er niet bij hoe<br />
dat zou kunnen, en dat is dan ook onduidelijk gebleven.<br />
De enige mogelijke route – via Mogadishu – kon immers<br />
niet vanwege het risico op een behandeling in strijd met<br />
artikel 3 EVRM. De Afdeling bestuursrechtspraak van de<br />
Raad van State accepteerde echter dit argument. De<br />
Afdeling ging akkoord omdat niet de uitzetting zelf in<br />
strijd zou zijn met artikel 3 EVRM, maar slechts de wijze<br />
van uitzetting. 6 De achterliggende gedachte moet zijn<br />
dat slechts de reis naar het relatief veilige deel van<br />
Somalië in strijd met artikel 3 EVRM was (en niet het<br />
verblijf zelf in dat veilig geachte deel). De Afdeling<br />
bestuursrechtspraak maakte dus een onderscheid tussen<br />
de situatie dat de uitzetting zelf in strijd zou zijn met<br />
artikel 3 EVRM (wel recht op asiel) en de situatie dat<br />
slechts de wijze van uitzetting in strijd zou zijn met artikel<br />
3 EVRM (geen recht op asiel).<br />
Dit onderscheid is dubieus. Immers, de wijze van uitzetting<br />
kan in strijd zijn met artikel 3 EVRM zonder dat de<br />
uitzetting zelf dat is, als er bijvoorbeeld excessief geweld<br />
wordt gebruikt om de uitzetting te realiseren. In het geval<br />
van Somalië daarentegen was het wel degelijk de uitzetting<br />
zelf die in strijd was met artikel 3 EVRM, en niet<br />
slechts de wijze van uitzetting. Het was immers niet wat<br />
er dreigde te gebeuren tijdens de uitzetting dat strijd met<br />
artikel 3 EVRM opleverde, maar wat er dreigde te gebeuren<br />
na de uitzetting, zodra de Somaliërs voet zouden<br />
zetten in hun land van herkomst.<br />
In een vergelijkbare context (nl. die van het binnenlands<br />
vluchtalternatief) bepaalt artikel 8 lid 1 Richtlijn<br />
2011/95 dat een afgewezen asielzoeker “op een veilige en<br />
wettige manier” moet kunnen “reizen naar en zich toegang<br />
verschaffen tot dat (veilige, TS) deel van het land”. 7 Het ligt<br />
voor de hand dit beginsel niet alleen toe te passen op de<br />
reis naar het veilige deel van het land van herkomst waar<br />
de vreemdeling oorspronkelijk niet vandaan komt, maar<br />
ook naar het deel waar hij oorspronkelijk wel vandaan<br />
komt. De Afdeling bestuursrechtspraak had dit in ieder<br />
geval niet anders kunnen beslissen zonder prejudiciële vragen<br />
te stellen aan het Hof van Justitie van de EU.<br />
Bovendien heeft de Afdeling recentelijk in vergelijkbare<br />
zaken een oordeel gegeven dat niet gemakkelijk in<br />
1672 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
overeenstemming te brengen is met de hier besproken<br />
jurisprudentie.<br />
1) In een uitspraak van 18 februari 2014<br />
(ECLI:NL:RVS:2014:627) over een ICC getuige die asiel<br />
vroeg in Nederland overwoog de Afdeling dat een<br />
vreemdeling als vluchteling moet worden aangemerkt<br />
als hij bij terugkeer naar het land van herkomst<br />
gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat uitzetting<br />
nog niet aan de orde zou zijn 8 staat daarmee niet in de<br />
weg aan erkenning als vluchteling. Hoewel deze redenering<br />
over het Vluchtelingenverdrag ging, zijn er<br />
sterke paralellen met artikel 3 EVRM. Ook daar is de<br />
redenering immers: verwijdering zou in strijd met artikel<br />
3 EVRM zijn, maar u wordt nu even niet verwijderd<br />
dus u heeft geen aanspraak op asiel ondanks het feit<br />
dat artikel 29 lid 1 onder b, ten tweede Vreemdelingenwet<br />
2000 in het voetspoor van Europees recht bepaalt<br />
dat een vreemdeling asiel krijgt als bij uitzetting een<br />
schending van artikel 3 EVRM dreigt. Deze redenering<br />
is door de Raad van State nu verworpen in de context<br />
van het Vluchtelingenverdrag. Maar de argumentatie<br />
van de Afdeling betreft niet alleen het Vluchtelingenverdrag,<br />
maar ook artikel 2 onder d jo. artikel 13 Definitierichtlijn.<br />
Daarom ligt het voor de hand hem mutatis<br />
mutandis ook toe te passen op de parallelle artikelen 2<br />
onder f jo. 18 Definitierichtlijn.<br />
2) In uitspraken van 24 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1578<br />
en ECLI:NL:RVS:2014:1522) had de staatssecretaris<br />
m.b.t. Eritrea een standpunt bepleit dat vrijwel identiek<br />
is aan zijn standpunt m.b.t. Somalië. Het standpunt van<br />
de staatssecretaris kwam er op neer dat weliswaar<br />
gedwongen verwijdering naar Eritrea zou leiden tot een<br />
reëel risico van behandeling in strijd met artikel 3<br />
EVRM, maar dat vrijwillige terugkeer niet een dergelijk<br />
risico met zich mee bracht. 9 Deze zaken zijn ter zitting<br />
behandeld, waarbij de Afdeling de staatssecretaris vooraf<br />
gevraagd had aan te geven hoe het standpunt dat<br />
uitzetting in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM, maar<br />
toch geen asiel werd verleend, verenigbaar was met de<br />
tekst van de Vreemdelingenwet 2000. 10 In haar uitspraken<br />
van 24 april 2014 kwam de Afdeling aan deze principiële<br />
kwestie niet toe, omdat zij het standpunt van de<br />
staatssecretaris m.b.t. feiten niet sterk genoeg vond. De<br />
Raad van State vond onvoldoende overtuigend dat bij<br />
vrijwillige terugkeer geen reëel risico bestond op een<br />
behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.<br />
Dus: in recente rechtspraak heeft de Raad van State het<br />
argument waarmee hij eerder Somaliërs asiel heeft onthouden<br />
verworpen in de context van het Vluchtelingenverdrag.<br />
En in de Eritrese uitspraken heeft hij de vraag of<br />
Bewoner Vluchthaven @ Ton Hendriks / Hollandse Hoogte<br />
de door haar in Somalische zaken gehanteerde constructie<br />
wel houdbaar is in de loop van de procedure op tafel<br />
gelegd, maar is hij er in de einduitspraak omheen gelopen.<br />
Het argument waarmee hij eerder Somaliërs asiel<br />
heeft onthouden is evident in strijd met tekst en strekking<br />
van artikel 29 lid 1 onder b, ten tweede Vw 2000 en<br />
de artikelen 2 onder f jo. 18 Definitierichtlijn. Als de<br />
Afdeling de constructie desondanks wil gebruiken, moet<br />
hij middels prejudiciële vragen worden voorgelegd aan<br />
het Hof van Justitie van de EU.<br />
Probleem bij rechtsherstel; twee oplossingen<br />
Je zou dus denken dat Somaliërs die nu opnieuw asiel vragen<br />
rechtsherstel kunnen krijgen. Maar inmiddels wordt<br />
de situatie in Mogadishu niet meer zo gevaarlijk gevonden<br />
als voorheen. Daarom kunnen Somaliërs nu wel weer<br />
uitgezet worden. 11 Omdat asielaanvragen worden beoordeeld<br />
naar het moment van de meest recente aanvraag,<br />
Auteur<br />
11449/07, Sufi en Elmi vs. Verenigd<br />
Koninkrijk; EHRM 5 september 2013 in het<br />
arrest K.A.B. vs. Zweden, nr. 886/11.<br />
7. Deze bepaling is een positivering van<br />
rechtsoverweging 141 van EHRM 7 januari<br />
2007, 1948/04, Salah Sheekh vs. Nederland,<br />
zodat de norm ook in de periode<br />
2010-2013 al gold.<br />
8. Het Internationaal Strafhof zou bezig zijn<br />
een veilig derde land voor de vreemdeling<br />
te vinden.<br />
9. Brief van de Staatsscretaris van VenJ aan<br />
de Raad van State d.d. 9 december 2013,<br />
Vluchtweb.<br />
10. Brief van de Raad van State aan I.J.M.<br />
Oomen d.d. 27 november 2013, Vluchtweb.<br />
11. De Afdeling bestuursrechtspraak accepteerde<br />
dit in ABRvS 23 mei 2013, JV<br />
2013/241<br />
1. Prof. mr. T.P. Spijkerboer is hoogleraar<br />
Migratierecht aan de Vrije Universiteit<br />
Amsterdam.<br />
4. ABRvS 17 juli 2012, JV 2012/JV<br />
2012/362.<br />
5. Aanhangsel TK 2011/12, 3263<br />
Noten<br />
2. ABRvS 26 januari 2010, JV 2010/78; en<br />
ABRvS 9 september 2010, JV 2010/406.<br />
6. ABRvS 21 februari 2014, JV 2014/126,<br />
in het voetspoor van ABRvS 9 juni 2011, JV<br />
2011/336.<br />
3. EHRM 28 juni 2011, nr. 8319/07 en<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1673
Praktijk<br />
Immers, de staatssecretaris vindt de gestelde verbetering<br />
van de situatie in Mogadishu nog te onzeker om al tot<br />
intrekking van reeds verleende asielvergunningen te kunnen<br />
overgaan. Maar omdat de staatssecretaris in weerwil<br />
van nationaal en Europees recht heeft nagelaten asiel te<br />
verlenen, zouden Somaliërs die het slachtoffer zijn geweest<br />
van deze inbreuk op hun subjectieve recht geen rechtsherstel<br />
kunnen krijgen. Het Nederlandse bestuursrecht voorziet<br />
niet in de mogelijkheid om hen in de situatie te brengen<br />
waarin zij geweest zouden zijn als de staatssecretaris<br />
en de Raad van State geen beslissingen hadden genomen<br />
die in strijd zijn met het nationale en het Europese recht.<br />
Hiervoor zijn twee oplossingen denkbaar. De eerste<br />
is dat de staatssecretaris het er niet op aan laat komen,<br />
en aan alle Somaliërs die zich tussen december 2010 en<br />
februari 2013 aantoonbaar in Nederland bevonden asiel<br />
verleent (behoudens weigeringsgronden zoals Dublin en<br />
openbare orde). 13 Hierdoor wordt rechtsherstel bewerkstelligd.<br />
Als de staatssecretaris daartoe niet bereid is, zal<br />
de rechter in de procedures die hier uit voortkomen op<br />
dit punt prejudiciële vragen moeten stellen aan het Hof<br />
van Justitie, met als kern de vraag of het effectiviteitsbeginsel<br />
er aan in de weg staat dat vreemdelingen worden<br />
onttrokken aan de bescherming van artikel 3.37e VV<br />
2000 en artikel 11 lid 2 Definitierichtlijn. Door deze constructie<br />
wordt hen rechtsherstel onthouden, en wordt<br />
(anders gezegd) de staatssecretaris beloond voor handelen<br />
in strijd met het recht.<br />
Bewoonster Vluchthaven @ Ton Hendriks / Hollandse Hoogte<br />
betekent dat dat Somaliërs die in de periode 2010-2013<br />
ten onrechte asiel is onthouden dat nu niet meer krijgen<br />
omdat die periode niet meer relevant is vanwege de actuele,<br />
veiliger geachte situatie in Mogadishu.<br />
Het schrijnende is dat de staatsecretaris de asielvergunningen<br />
die in die periode wel zijn verleend thans nog<br />
niet herbeoordeelt (en dus ook niet intrekt) omdat hij<br />
vindt dat de door hem geconstateerde verbetering van de<br />
situatie in Somalië nog onvoldoende ingrijpend en nietvoorbijaand<br />
is. 12 Intrekking is pas mogelijk als er sprake is<br />
van een verbetering van de situatie in Mogadishu die een<br />
“voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter” heeft<br />
(artikel 3.37e VV 2000, artikel 11 lid 2 Definitierichtlijn), en<br />
daarvan is ook volgens de staatssecretaris nog geen sprake.<br />
Dit leidt tot de volgende situatie. Als de staatssecretaris<br />
wel asiel had verleend aan Somaliërs in de periode<br />
2010-2013 omdat hun uitzetting (zoals de staatssecretaris<br />
en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State<br />
zelf vaststelden) hen had blootgesteld aan een reëel risico<br />
op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, dan hadden<br />
deze Somaliërs nu nog steeds een vergunning gehad.<br />
Een pragmatische overweging<br />
De staatssecretaris is er nog maar in twee gevallen in<br />
geslaagd om Somaliërs daadwerkelijk uit te zetten. 14 Eén<br />
van deze twee raakte drie dagen na zijn uitzetting in<br />
Mogadishu gewond bij een bomaanslag. 15 De Somalische<br />
autoriteiten weigeren nu, net als voorheen, medewerking.<br />
Vrijwillige terugkeer komt in enkele gevallen voor. 16 Maar<br />
de aantallen mensen die vrijwillig terugkeren zullen klein<br />
blijven. Het idee dat veel mensen vrijwillig terugkeren<br />
naar Somalië is, voor wie even stil staat bij wat dat betekent,<br />
irreëel en dus ongeschikt als uitgangspunt van<br />
beleid. Ondertussen worden Somaliërs door lokale<br />
gemeenschappen (kerken, krakers, medici, activisten) en<br />
lokale overheden opgevangen, met meer of minder openlijke<br />
steun van lokale autoriteiten (en in het geval van de<br />
Amsterdamse Vluchthaven zelfs van de staatssecretaris).<br />
Deze opvang verloopt door zijn incidentele karakter (het<br />
gaat immers om vreemdelingen die geen formeel verblijfsrecht<br />
hebben) chaotisch en is belastend, zowel voor<br />
de Somaliërs zelf als voor lokale gemeenschappen en<br />
overheden. Als de staatssecretaris zelf besluit over te gaan<br />
tot rechtsherstel, kunnen de daarvoor bestaande faciliteiten<br />
voor opvang en inburgering worden gebruikt. Dat zou<br />
een aanmerkelijke beperking opleveren van de lokale<br />
opvangproblematiek.<br />
12. Vc 2000, C7/23.4.1.<br />
13. Op het eerste gezicht lijkt het voor de<br />
hand te liggen asielverlening te beperken<br />
tot Somaliërs die in deze periode in procedure<br />
waren. Dat zou echter onzuiver zijn<br />
omdat, als de staatssecretaris in deze periode<br />
wel in overeenkomst met het geldend<br />
recht asiel had verleend, ook Somaliërs die<br />
wel in Nederland waren maar die niet in<br />
procedure waren, asiel zouden hebben<br />
aangevraagd in de wetenschap dat ze dat<br />
ook hadden gekregen. Dat hebben velen nu<br />
niet gedaan, omdat een herhaalde aanvraag<br />
zinloos was omdat de staatssecretaris zich<br />
niet aan het geldend recht hield.<br />
14. Eén op 16 september en één op 5<br />
november 2013.<br />
15. Amnesty International, 29 november<br />
2013.<br />
16. Aanhangsel Handelingen 2013/14,<br />
900.<br />
1674 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Wetenschap 1227<br />
Sancties zonder<br />
houdbaarheidsdatum<br />
Reactie op ‘Belangrijke beperkingen van de gerechtelijke<br />
onderzoekmethode’<br />
Wiene van Hattum 1<br />
Gedragskundige rapportage die onder druk van de naderende terechtzitting tot stand komt, kent vaak<br />
zodanige beperkingen, is vaak dermate onvoldoende uitgewerkt en prematuur en kent zo’n foutmarge dat het<br />
de strafrechter voor de ‘onmogelijke taak’ stelt om - indien het feit bewezen is - de juiste keuze te maken tussen<br />
langdurige gevangenisstraf en TBS. Om tot een betere straftoemeting te komen, bepleitten de hoogleraren<br />
Anton Loonen (farmacologie), Peter van Panhuis (forensische psychiatrie), en Ronald Meester (wiskunde) in<br />
een eerder dit jaar in het <strong>NJB</strong> verschenen artikel een aantal veranderingen in het strafproces. Maar de oplossing<br />
voor de door de auteurs vastgestelde problemen bij de straftoemeting moeten niet worden gezocht in de<br />
heropening van onherroepelijke einduitspraken. Dat is in strijd met de rechtszekerheid. Ook bestaat er geen<br />
aanleiding de vaststelling van de mate van schuld, in casu de toerekening, anders vorm te geven dan nu het<br />
geval is. Hoe dan het gesignaleerde probleem van de foutmarge in de straftoemeting aan te pakken<br />
Gedragskundige rapportage die onder druk van de<br />
naderende terechtzitting tot stand komt, kent<br />
vaak zodanige beperkingen, is vaak dermate<br />
onvoldoende uitgewerkt en prematuur en kent zo’n foutmarge<br />
dat het de strafrechter voor de ‘onmogelijke taak’<br />
stelt om - indien het feit bewezen is - de juiste keuze te<br />
maken tussen langdurige gevangenisstraf en TBS. Dat is<br />
de boodschap van de hoogleraren Anton Loonen (farmacologie),<br />
Peter van Panhuis (forensische psychiatrie), en<br />
Ronald Meester (wiskunde) in hun artikel ‘Belangrijke<br />
beperkingen van de gerechtelijke onderzoekmethode’ in<br />
het <strong>NJB</strong>, aflevering 14, van dit jaar. 2<br />
Om tot een betere straftoemeting te komen, bepleiten<br />
zij drie veranderingen in het strafproces. Ten eerste<br />
zouden procedures ‘makkelijker heropend’ moeten kunnen<br />
worden, ten tweede zou de huidige wijze van toerekening<br />
moeten worden vervangen door één op basis van de<br />
in de medische wetenschap gehanteerde differentiële<br />
diagnostiek die gebaseerd is op kansberekening. Op deze<br />
twee voorstellen zal ik hieronder ingaan. De derde verandering<br />
die de auteurs voorstellen ziet op de wijziging van<br />
de juridische bewijsconstructie van opzet. Dit voorstel is<br />
gebaseerd op een opvatting over opzet en vrije wil (‘Het is<br />
vanzelfsprekend dat van opzet geen sprake kan zijn wanneer<br />
een persoon niet over een vrije wil beschikt’, p. 905,<br />
l.k.), die door de auteurs niet wordt onderbouwd en die<br />
overigens ook niet gedeeld wordt in de literatuur. Ik verwijs<br />
naar het proefschrift van A.A. van Dijk en de door<br />
hem geciteerde auteurs Arenella, Morse en Moore die er<br />
allen van uit gaan dat opzet en toerekening te onderscheiden<br />
begrippen zijn. 3 Tevens berust hun kritiek op de<br />
opzetleer van de Hoge Raad op een misvatting, dan wel<br />
een verkeerd begrip van het strafprocessuele model. 4 Dit<br />
derde punt zal ik daarom verder onbesproken laten.<br />
Auteur<br />
Noten<br />
2. A.J.M. Loonen, P.J.A. van Panhuis en<br />
R.W.J. Meester, ‘Belangrijke beperkingen<br />
van de gerechtelijke onderzoekmethode’,<br />
<strong>NJB</strong> 2014/721, afl. 14, p. 902-908.<br />
lijkheid heroverwogen. Over opzet, schuld,<br />
schulduitsluitingsgronden en straf (diss. c.l.<br />
Groningen), Maklu-Uitgevers: Apeldoorn/<br />
Antwerpen 2008, i.h.b. p. 298.<br />
4. Met het bewezen verklaren van opzet<br />
wordt nog niets ‘aangerekend’, zoals de<br />
auteurs betogen, p. 905, l.k.<br />
1. Mr. dr. W.F. van Hattum is universitair<br />
docent straf(proces)recht aan de Rijksuniversitieit<br />
Groningen en voorzitter van het<br />
Forum humane tenuitvoerlegging levenslange<br />
gevangenisstraf.<br />
3. A.A. van Dijk, Strafrechtelijk aansprake-<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1675
Wetenschap<br />
Aanleiding voor het artikel vormt de Baflose asielzoekerzaak.<br />
5 Loonen en nog een deskundige hebben in<br />
deze zaak naar voren gebracht, aldus het vonnis, dat de<br />
mogelijkheid bestaat dat de afbouw van het gebruik van<br />
het geneesmiddel Paroxetine ‘mogelijk als één van meerdere<br />
factoren bijgedragen zou kunnen hebben aan de<br />
gemoedstoestand van de verdachte in die zin dat hij<br />
daardoor minder stabiel zou kunnen zijn geweest.’ De<br />
rechtbank merkt vervolgens op dat de deskundigen niet<br />
kunnen zeggen ‘(o)f er daadwerkelijk invloed is geweest<br />
van de afbouw van Paroxetine op de stabiliteit van de verdachte’.<br />
‘Onder deze omstandigheden’, vervolgt de Rechtbank,<br />
kan zij ‘dan ook geen rekening houden met de theoretisch<br />
mogelijke gevolgen van de afbouw van Paroxetine’.<br />
Loonen c.s. leiden hieruit af dat de rechter alleen bij grote<br />
zekerheid rekening wil houden met door deskundigen<br />
aangedragen gegevens. Hierover straks meer, eerst ga ik in<br />
op de gesignaleerde kans op onjuiste straftoemeting.<br />
Het punt dat de auteurs hier aansnijden is niet onbelangrijk<br />
en strafrechtjuristen niet onbekend. 6 Het bestaan<br />
van een niet onderkende stoornis bij een gedetineerde in<br />
een penitentiaire inrichting kan levensgevaarlijk zijn. Ik<br />
breng in herinnering dat in 2003 in De Marwei een vrouwelijk<br />
teamlid door een gedetineerde met een beitel werd<br />
gedood. Hij was met haar alleen gelaten op ‘de crea’. Als<br />
gevolg van onbekendheid met de werkelijke psychische<br />
gesteldheid van de man - die overigens daar was geplaatst<br />
in afwachting van zijn overplaatsing naar een TBS-kliniek<br />
- had niemand van het personeel het gevaar gezien. De<br />
oplegging van de TBS was kennelijk juist geweest, de<br />
plaatsing in een gewone gevangenis niet. 7<br />
Ook wil ik wijzen op een casus waarin aan de verdachte<br />
wegens een dubbele moord en drie verkrachtingen<br />
een levenslange straf was opgelegd, zowel in eerste als in<br />
tweede instantie. Wegens een motiveringsgebrek in de<br />
bewezenverklaring van één van die verkrachtingen wees<br />
de Hoge Raad de zaak terug naar hetzelfde hof. 8 Daar<br />
kwam de zaak na drie en een half jaar terug. Het hof zag<br />
ditmaal af van ‘levenslang’ en legde in plaats daarvan een<br />
straf op van twintig jaar en TBS; 9 de deskundigen hadden<br />
inmiddels meer fiducie gekregen in de mogelijkheid van<br />
behandeling van de verdachte. Het gewijzigde inzicht in<br />
de straftoemeting was in dit geval dus ‘te danken’ aan het<br />
toeval dat het jaren had geduurd voordat de zaak weer bij<br />
de feitenrechter terugkwam. Het hoeft geen betoog dat in<br />
de huidige tijd ‘twintig jaar en TBS’ de verdachte meer perspectief<br />
biedt op invrijheidstelling dan de levenslange<br />
straf, een straf waarin ‘geen interventies mogen plaats<br />
vinden die zijn gericht op een succesvolle voorbereiding<br />
van de terugkeer in de samenleving’. 10<br />
Een derde voorbeeld is de oplegging van de levenslange<br />
gevangenisstraf aan ‘de schutter van het Koetsiertje’<br />
(zes doden, Delft 1983). Deze straf was - en is nog steeds -<br />
(mede) gebaseerd op het oordeel dat een terbeschikkingstelling<br />
van de regering (toen) gemiddeld vier jaar duurde<br />
en de rechtbank het niet aanvaardbaar achtte dat de verdachte<br />
‘na betrekkelijke korte tijd weer in de maatschappij<br />
zou terugkeren’. Een lange gevangenisstraf met TBR werd<br />
volgens de rechtbank ‘over het algemeen weinig zinvol<br />
geacht’. 11 Zestien jaar later werd ánders geoordeeld en<br />
werd de man alsnog overgebracht naar een behandelkliniek<br />
waar - na achttien jaar - aan zijn behandeling kon<br />
worden begonnen. 12<br />
Een voorbeeld van een onterecht opgelegde TBS<br />
kwam in 2009 aan het licht toen de Rechtbank Breda oordeelde<br />
dat er ten tijde van het delict toch niet sprake was<br />
geweest van een stoornis. 13 De man had inmiddels vijftien<br />
jaar in een behandelkliniek doorgebracht. Zo zijn er mogelijk<br />
meer gevallen van onjuiste inschatting van de geestelijke<br />
gesteldheid van de dader ten tijde van het delict. 14 Om<br />
redenen die de auteurs noemen is dit ongewenst. Onjuiste<br />
straftoemeting komt bovendien in strijd met artikel 5<br />
EVRM, het verbod van willekeurige vrijheidsbeneming 15 en<br />
kan zelfs schending van artikel 3 EVRM opleveren, het verbod<br />
van inhumane behandeling of bestraffing. 16<br />
Een oplossing voor deze problematiek binnen de structuur<br />
van het strafproces is niet eenvoudig. De rapporteurs<br />
sneller bedienen opdat zij meer tijd krijgen voor hun rapportage<br />
is kennelijk niet voldoende. Het komt volgens de<br />
auteurs regelmatig voor dat een diagnose ‘na het volgen<br />
van een beloop van een half jaar of langer’ althans na<br />
‘vele maanden’ moet worden bijgesteld (p. 902, r.k.). Waar<br />
deze termijnen wellicht nog kunnen worden ondervangen<br />
door de duur van het strafproces (twee instanties doorlopen<br />
duurt al snel meer dan een jaar) geldt dit niet voor<br />
situaties waarin nog meer tijd nodig is. Volgens de<br />
auteurs wordt de problematiek namelijk ook ‘regelmatig<br />
teruggezien’ bij de zesjaarlijkse onafhankelijke rapportage<br />
of nadat een patiënt in de kliniek is geplaatst. Dat betekent<br />
dat er jaren overheen kunnen gaan voordat er helderheid<br />
ontstaat omtrent het ziektebeeld (zoals in het<br />
geval van de schutter van het Koetsiertje). Zolang kan het<br />
strafproces niet wachten. Vandaar het pleidooi van de<br />
auteurs voor verruiming van de mogelijkheden van heropening<br />
van definitief geworden veroordelingen.<br />
Maar stellen wij ons dat eens voor: de TBS-maatregel<br />
na vele jaren in gevangenisstraf wijzigen. Dit komt in<br />
strijd met artikel 6 EVRM, de eis dat bij the determination<br />
of the charge, de rechter de straf vaststelt. 17 Of een vaste<br />
tijdelijke gevangenisstraf na jaren wijzigen in een TBS: dat<br />
berooft de veroordeelde van zijn perspectief op invrijheidstelling<br />
en komt in strijd met artikel 5 en/of 7 EVRM, de<br />
eis van voorzienbaarheid 18 en rechtszekerheid. 19 Juist in<br />
verband met deze rechtszekerheid zijn de mogelijkheden<br />
van wijziging beperkt en in beginsel alleen toegelaten<br />
indien die in het voordeel van de veroordeelde uitpakt.<br />
Het Nederlandse strafproces kent dan ook slechts twee<br />
middelen om de tenuitvoerlegging open te breken: het<br />
instituut van gratie en het bijzonder rechtsmiddel van<br />
herziening. Gratie wordt beschouwd als een gunst en is in<br />
beginsel dus niet geschikt om de tenuitvoerlegging bij te<br />
sturen. 20 Herziening kan alleen plaatsvinden - althans in<br />
de gevallen waar het hier om draait - indien de nieuwe<br />
Juist in verband met de<br />
rechtszekerheid zijn de<br />
mogelijkheden van wijziging<br />
beperkt<br />
1676 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Gespräch under Gelehrten © die Kleinert / Alamy<br />
5. Rb Noord-Nederland, 5 maart 2013,<br />
bord/16297770/herdenken-gewelddadige-<br />
is de strafmotivering overgenomen,<br />
gen (tariff) moet door de rechter worden<br />
ELCI:NL:RBNNE:2013:BZ3265. In deze zaak<br />
dood-van-collega-carien-hofman, geraad-<br />
Gerechtshof Den Haag, 15 oktober 1984,<br />
bepaald bij oplegging van de straf, en niet<br />
stond de verdachte terecht wegens het<br />
pleegd op 31 mei 2014.<br />
ECLI:NL:GHSGR:1984:1.<br />
pas na jaren door de secretary of state<br />
doden van zijn vriendin en van een politie-<br />
8. HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:BA9177.<br />
12. Rb Den Haag 28 april 2014,<br />
(EHRM 12 juni 2003, Easterbrook vs. VK).<br />
agent en pogingen nog anderen om het<br />
9. Gerechtshof ’s-Gravenhage 25 juni 2008,<br />
ECLI:NL:RBDHA:2014:5216.<br />
18. EHRM 17 december 2012 (M. vs.<br />
leven te brengen. De zaak is nog in hoger<br />
parketnummer 09-757123-4 (M.H.). Niet<br />
13. Rb Breda 20 maart 2009,<br />
Duitsland).<br />
beroep.<br />
gepubliceerd.<br />
ECLI:NL:RBBRE:2009:BH7053.<br />
19. De intrinsieke aard van de sanctie mag<br />
6. Zie bijvoorbeeld T. de Bont en S. Meijer,<br />
10. Brief van de Minister van Justitie Hirsch<br />
14. Zie bijvoorbeeld de klachten wegens ten<br />
niet met terugwerkende kracht worden<br />
‘Hoe te reageren op de allerergste misda-<br />
Ballin en Staatssecretaris van Justitie Albay-<br />
onrechte opgelegde TBS in: HR 13 juli<br />
gewijzigd, EHRM 17 december 2012, par.<br />
den. Over de rol van vergelding en beveili-<br />
rak, ‘Gratieprocedure en tenuitvoerlegging<br />
2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1023 en HR 12<br />
135 (M. vs. Duitsland) en EHRM 21 okto-<br />
ging bij de levenslange gevangenisstraf’, in:<br />
levenslange gevangenisstraf’, Kamerstukken<br />
juni 2007; ECLI:NL:HR:2007:BA6851.<br />
ber 2013 (Del Rio Prada vs. Spanje).<br />
J. Ouwerkerk e.a (red.), Hoe te reageren op<br />
II 2009/10, 32123 VI, nr. 10, o.m. bespro-<br />
15. EHRM 18 september 2012 (James,<br />
20. Tenzij het gaat om een levenslange<br />
misdaad. Op zoek naar de hedendaagse<br />
ken in: W.F. van Hattum, ‘Levenslang ‘post<br />
Wells and Lee vs.VK), par. 187-195.<br />
straf, zie W.F. van Hattum, ‘In de daad een<br />
betekenis van preventie, vergelding en<br />
Vinter’’, <strong>NJB</strong> 2013/1775, afl. 29, p. 1956-<br />
16. EHRM (GK) 9 juli 2013,Vinter e.a. vs.<br />
mens. De gratieprocedure levenslangge-<br />
herstel, Den Haag: SDU Uitgevers 2013, p.<br />
1964, i.h.b. p. 1961 l.k.<br />
VK, i.h.b. par. 83.<br />
straften: departementaal beleid en magis-<br />
119-130, i.h.b. 127.<br />
11. Rb Den Haag 13 maart 1984, parketnr.<br />
17. De minimale termijn die een levenslang-<br />
tratelijk toezicht, vroeger en nu’, DD 2009,<br />
7. http://gevangenis.startpagina.nl/prik-<br />
09.909.904.3 (niet gepubliceerd). In beroep<br />
gestrafte in de gevangenis moet doorbren-<br />
afl. 4, p. 325-352.<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1677
Wetenschap<br />
omstandigheid - indien die bij de stafoplegging aan de<br />
rechter bekend zou zijn geweest - zou hebben geleid tot<br />
‘eene minder zware strafbepaling’ (art. 457-1c Sv). Daaronder<br />
moet volgens vaste jurisprudentie worden verstaan<br />
‘een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt’ en<br />
dus niet de oplegging van een minder zware, of andere<br />
sanctie. 21 De huidige herzieningsregeling biedt derhalve<br />
geen uitkomst 22 en dat lijkt mij, met het oog op de rechtszekerheid,<br />
maar goed ook. Dat betekent dat wijziging<br />
alleen kan plaats hebben binnen de wijze van tenuitvoerlegging.<br />
Voorbeelden daarvan zijn de opname van een tot<br />
gevangenisstraf veroordeelde in een TBS-kliniek indien<br />
blijkt van een al bestaande of later ontstane geestelijke<br />
stoornis, en de niet-verlenging van een opgelegde TBS<br />
zodra de stoornis niet (meer) aanwezig blijkt te zijn.<br />
Om het aantal ‘fout’ opgelegde sancties terug te<br />
brengen is overigens nog winst is te behalen in het vooronderzoek.<br />
Aanhakend bij de situatie die voor de auteurs<br />
aanleiding was hun verontrusting te uiten, namelijk<br />
zaken waarin het gebruik of de afbouw van geneesmiddelen<br />
mogelijk een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming<br />
van het delict, kan gedacht worden aan een<br />
protocol op basis waarvan in alle gevallen van verdenking<br />
In de ons omringende landen zien<br />
we wel sancties die meer zijn<br />
toegesneden op de niet geheel<br />
duidelijke beginsituatie<br />
van een levensdelict bij de verdachte én bij het slachtoffer<br />
bloed- en maagmonsters worden genomen. Dan staan de<br />
feiten omtrent eventueel gebruik van medicijnen, alcohol<br />
en andere drugs, in elk geval (beter) vast. 23<br />
In de tweede plaats zou in geval van twijfel aan de<br />
(mate van) schuld, zoals in onderhavige zaak, eerder<br />
gedacht kunnen worden aan de oplegging van een combinatievonnis,<br />
dus gevangenisstraf en TBS. Snelle overplaatsing<br />
van gevangenis naar behandelkliniek is dan iets<br />
eenvoudiger. Bedacht moet echter worden dat de straffen<br />
tegenwoordig zwaar zijn, tijdens de behandeling álle risico’s<br />
op herhaling worden uitgesloten, de Fokkensregeling<br />
is afgeschaft 24 en in plaats daarvan slachtoffers een stem<br />
hebben gekregen in het moment van overplaatsing de<br />
TBS. 25 Onder deze omstandigheden kan de TBS lang duren.<br />
Heel aanlokkelijk is het combinatievonnis voor verdachten<br />
die toerekeningsvatbaar worden geacht, zoals de<br />
Baflose asielzoeker, dus niet. Complicerend in die zaak is<br />
bovendien het beleid dat aan vreemdelingen zonder verblijfspapieren<br />
verlof wordt onthouden. 26 Daarmee wordt<br />
hun behandeling onmogelijk gemaakt en is een zeer langdurig<br />
verblijf in de TBS verzekerd, tenzij er genoegzame<br />
opvang in het land van herkomst wordt gevonden, iets<br />
wat in de Baflose zaak niet direct aannemelijk lijkt.<br />
Kijken we buiten de bestaande mogelijkheden, dan<br />
zien we in de ons omringende landen wel sancties die<br />
meer zijn toegesneden op de niet geheel duidelijke beginsituatie.<br />
Te denken valt aan het Engelse tariff-systeem in<br />
geval van oplegging van een levenslange straf. De rechter<br />
splitst de straf in een vergeldend en een beveiligend deel.<br />
Het vergeldend deel, de tariff, ligt vast; de duur van het<br />
beveiligend deel is afhankelijk van de mate waarin de veroordeelde<br />
nog een gevaar vormt voor de samenleving. 27<br />
Het verschil met het Nederlandse combinatievonnis<br />
(gevangenisstraf en TBS) is, dat de stoornis ten tijde van<br />
het delict en de gevaarlijkheid voor de toekomst niet al bij<br />
oplegging hoeven te zijn vastgesteld, maar pas tijdens de<br />
tenuitvoerlegging van het vergeldende deel. Een enigszins<br />
vergelijkbaar model is de met maatregel verlengbare straf,<br />
zoals ooit door Rijksen ontvouwd. 28<br />
Een heroverweging van ons sanctiesysteem met<br />
betrekking tot langdurige opsluiting van daders van zeer<br />
ernstige geweldsdelicten lijkt op haar plaats. 29 Niet alleen<br />
het gesignaleerde probleem van de ‘onjuiste’ straftoemeting<br />
maar ook de kritiek op de tenuitvoerlegging van de<br />
levenslange straf 30 vormen daartoe aanleiding. Maar ik<br />
merk alvast op dat welk model men ook zal kiezen, vonnissen<br />
in zaken als de Baflose geen houdbaarheidsdatum<br />
hebben. De uitkomst van toekomstig gedragskundig<br />
onderzoek is immers niet te voorspellen en de mate van<br />
schuld blijft dus een onzekere factor. De conclusie moet<br />
zijn dat het met het onherroepelijk worden van het vonnis<br />
niet is afgelopen en de beoordeling van de juiste<br />
straftoemeting dus een vervolg moet krijgen in de tenuitvoerlegging.<br />
Als eerste stap op weg naar verbetering zou<br />
de vroegere Volgprocedure weer in het leven geroepen<br />
kunnen worden, een procedure waarin met regelmatige<br />
tussenpozen (levens)langgestraften worden onderzocht op<br />
de mogelijkheid van hun resocialiseerbaarheid. 31<br />
Nu het tweede punt, de vaststelling van de mate van toerekenbaarheid.<br />
Zoals ik hiervoor heb geopperd zou de<br />
lezer na bestudering van het vonnis tot de conclusie kunnen<br />
komen dat de rechter alleen met het bestaan van een<br />
schuldverminderende omstandigheid rekening wil houden<br />
indien hij over het bestaan van die grond (vrijwel)<br />
absolute zekerheid heeft gekregen. Zo begrijpen de<br />
auteurs het vonnis ook. Omdat zij dit een te zware eis vinden,<br />
bepleiten zij een andere ‘bewijsvoering’ van de toerekening.<br />
Zij leggen hieraan de stelling ten grondslag dat<br />
ook toerekening een vorm van waarheidsvinding is, ‘(h)et<br />
gaat er immers om zich een goed beeld te verwerven over<br />
de waarheid wat betreft de rol van eventuele pathologie’<br />
(p. 905, r.k.).<br />
Hoewel strafrechtjuristen hier niet spreken van ‘waarheidsvinding’<br />
bestaat over de noodzaak om zo dicht mogelijk<br />
bij ‘de waarheid’ te komen geen verschil van mening.<br />
Ook juristen zullen onmiddellijk beamen dat het belangrijk<br />
is dat de rechter zich een zo precies mogelijk beeld<br />
vormt van de geestelijke gezondheid van de verdachte tijdens<br />
het plegen van het delict. Anders dan de auteurs beredeneren,<br />
doét de rechter dit ook, 32 en wel aan de hand van<br />
de vraag ‘wat aannemelijk is geworden’. Hiertoe laat hij zich<br />
in het algemeen voorlichten door één of meer gedragskundigen.<br />
Indien die oordeelt dat er geen sprake is van enige<br />
schuld, bijvoorbeeld veroorzaakt door een psychose, en de<br />
rechter de deskundige deskundig acht, dan zal hij diens<br />
oordeel overnemen ‘omdat het ontbreken van de schuld<br />
1678 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
aannemelijk is geworden’. Dan zal hij de verdachte ontslaan<br />
van alle rechtsvervolging. Aan ons recht ligt immers het<br />
beginsel ‘geen straf zonder schuld´ ten grondslag. Onder<br />
omstandigheden kan hij in dat geval nog wel de maatregel<br />
TBS of plaatsing in een APZ bevelen.<br />
Indien de schuld verminderd aanwezig is, ligt de<br />
straftoemeting gecompliceerder. De rechter kan dan straf<br />
opleggen en heeft daarbij een zeer grote marge. Hij is<br />
slechts gebonden aan het algemene minimum (een dag)<br />
en het bijzondere maximum (bij moord is dit dertig jaar<br />
of levenslang). Daartussen is hij vrij. 33 De rechter kan kiezen<br />
voor een lagere of een hogere straf, of voor TBS en<br />
daarbij geheel afzien van straf (mits aan de voorwaarden<br />
van artikel 37a Sr is voldaan), of voor een combinatie van<br />
beide sancties. De maatstaf die hij daarbij hanteert is ‘de<br />
aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden<br />
waaronder het is begaan en de persoon van de<br />
verdachte, een en ander zoals ter zitting is gebleken’. Hij<br />
neemt dus ook eventuele verklaringen van gedragskundigen<br />
in aanmerking.<br />
Keren we terug naar de aanleiding voor het artikel, de<br />
Baflose zaak, dan moet worden geconstateerd dat de<br />
rechtbank zich door vijf deskundigen heeft laten voorlichten<br />
en dat zij zich door het rapport van twee van hen, beiden<br />
verbonden zijn aan het PBC, heeft laten overtuigen,<br />
kennelijk omdat zij deze deskundigen het meest deskundig<br />
acht. De rechtbank rekende de verdachte de feiten op<br />
basis van dit rapport volledig toe; er was met andere<br />
woorden naar het oordeel van het PBC en van de rechtbank<br />
geen verminderde mate van schuld. Dat oordeel lijkt<br />
een doorn in het oog van de auteurs. Volgens de auteurs<br />
was er sprake van ‘een man met recidiverende psychosen<br />
die daarvoor langdurig onder behandeling was van een<br />
ambulant werkend zogenoemd FACT-team van een instelling<br />
voor Geestelijke Gezondheidszorg ’ (p. 903 r.k.). Uit<br />
het vonnis blijkt dat de man onder behandeling stond van<br />
een psychiater, dat hij in de loop van de asielprocedure<br />
gediagnosticeerd was met PTSS vanwege traumatische<br />
gebeurtenissen in zijn jeugd en hij bezig was het in verband<br />
met die stoornis voorgeschreven gebruik van Haldol,<br />
en later Seroquel, af te bouwen. Onder de deskundigenverklaringen<br />
bevond zich ook het rapport van een forensisch<br />
psychiater die stelde dat het delict zulke trekken vertoonde<br />
dat er wel sprake moest zijn geweest van een psychose,<br />
ofwel, dat de man volledig ontoerekeningsvatbaar was<br />
geweest tijdens zijn daad. Het oordeel van deze deskundige<br />
volgde de rechtbank niet.<br />
Het lijkt de auteurs te verbazen dat deze gegevens bij<br />
elkaar niet genoeg waren om verminderde toerekening of<br />
misschien zelfs ontoerekeningsvatbaarheid aan te nemen.<br />
Zij wraken in elk geval de redenering die de rechter bij het<br />
aannemen van volledige toerekening hanteert, namelijk<br />
die van een afzonderlijke afweging - i.c. verwerping - van<br />
de bruikbaarheid van het overige materiaal. Zij betogen<br />
dat de rechter de verschillende gegevens bij elkaar zou<br />
moeten nemen. Daarbij zou als uitgangspunt moeten gelden<br />
dat statistisch gezien degene die een levensdelict<br />
pleegt een verhoogde kans op de aanwezigheid van een<br />
stoornis heeft. De statistische benadering zou een realistischer<br />
benadering van de toerekening geven, zo begrijp ik<br />
de auteurs, en ik voeg er aan toe: realistischer dus dan op<br />
basis van het rapport van het PBC.<br />
Allereerst merk ik op dat de kritiek van Loonen c.s.<br />
zich in feite richt op de deskundigen van het PBC (die<br />
immers de werking van toxische stoffen in hun rapportage<br />
kunnen verdisconteren en dit hier kennelijk in de ogen<br />
van de auteurs niet of te weinig hebben gedaan). Ten<br />
tweede zij aangetekend dat volgens het PBC de verdachte<br />
in het verleden niet bekend was met psychoses; dat is dus<br />
een ander feitelijk uitgangspunt dan de auteurs hebben<br />
ingenomen. Deze feitelijke vaststelling heeft de rechtbank<br />
uit het rapport van het PBC overgenomen. De auteurs verschillen<br />
dus met de rechtbank en met het PBC op een<br />
21. Deze voorwaarde is niet gewijzigd ter<br />
gelegenheid van de wetswijziging van 1<br />
oktober 2012, hierover: Kamerstukken II,<br />
32045, 3, 2008-09, p. 8 en 9.<br />
22. Herziening ten nadele, ingevoerd op 1<br />
oktober 2013, is niet aan de orde omdat<br />
het hier geen vrijspraken betreft of vonnissen<br />
tot stand gekomen door omkoping van<br />
de rechter, art. 482a leden 1 en 2 Sv.<br />
23. Momenteel is een wetsvoorstel in<br />
behandeling ‘in verband met het terugdringen<br />
van geweld onder invloed van middelen’,<br />
Kamerstukken II 33799, 2013/14. Het<br />
wil de verdachte van een geweldsdelict<br />
verplichten mee te werken aan een onderzoek<br />
naar het gebruik van alcohol of andere<br />
drugs met als doel de vaststelling van middelengebruik<br />
als zelfstandige strafverhogende<br />
factor bij de strafeis te kunnen betrekken.<br />
Dit wetsvoorstel zou zo kunnen<br />
worden omgebogen dat de politie in alle<br />
gevallen van ernstig geweld verplicht wordt<br />
om ten behoeve van de waarheidsvinding<br />
zo spoedig mogelijk na ontdekking van het<br />
misdrijf en de aanhouding van de verdachte<br />
direct een onderzoek in te stellen naar diens<br />
eventuele middelengebruik.<br />
24. De Fokkensregeling hield in dat een<br />
veroordeelde met een combinatievonnis in<br />
beginsel na een derde van zijn straf in aanmerking<br />
kwam voor overplaatsing naar een<br />
TBS-kliniek.<br />
25. BC 3 mei 2012, 11/3312/TR.<br />
26. Art. 2 lid 6 onder a Verlofregeling TBS,<br />
24 december 2010. In samenhang hiermee<br />
wordt in de ‘Aanwijzing TBS bij vreemdelingen’<br />
(2010A019) het OM aanbevolen<br />
tegen ongewenst verklaarde vreemdelingen<br />
geen TBS te vorderen.<br />
27. In 2005 heeft Engeland daarnaast, voor<br />
plegers van iets lichtere geweldsdelicten, de<br />
‘indeterminate sentences for the public<br />
protection (IPP sentences) ingevoerd. Zie<br />
voor een korte beschrijving EHRM 18 september<br />
2012 (James Wells and Lee vs. VK),<br />
par. 6 en par. 124-142.<br />
28. R. Rijksen, Vijf jaar tot levenslang.<br />
Langgestraften in de gevangenis te Breda.<br />
Alphen aan de Rijn: Samson 1967, p. 149<br />
e.v.<br />
29. Een nieuw model van een aan de<br />
omstandigheden aanpasbare sanctie is<br />
opgenomen in het wetsvoorstel ‘langdurig<br />
toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking’.<br />
Het richt zich in het bijzonder<br />
op zedendelinquenten. De tenuitvoerlegging<br />
van een opgelegde maatregel van<br />
toezicht is afhankelijk van de situatie op het<br />
moment dat de straf is ondergaan of de TBS<br />
wordt beëindigd. Een dergelijke onzekerheid<br />
lijkt toegelaten, omdat al op het<br />
moment van oplegging bekend is dat de<br />
maatregel van (levenslang) toezicht de<br />
veroordeelde boven het hoofd hangt. Vgl.<br />
de nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II,<br />
33816, 2013-14, 6, p. 20.<br />
30. J. Claessen en S. Meijer, ‘De levenslange<br />
gevangenisstraf: hoe lang nog’ Redactioneel<br />
NBSr, 2013, afl. 10.<br />
31. Zie over deze vroegere Volgprocedure<br />
punt 3 van de nota ‘Zorg behandeling en<br />
perspectief, de volgprocedure levenslanggestraften’,<br />
juni 2012, www.forumlevenslang.<br />
nl, onder ‘nieuws’(geraadpleegd 16 juni<br />
2014).<br />
32. De auteurs hebben slechts in zoverre<br />
gelijk dat zolang er geen verweer wordt<br />
gevoerd op dit punt, en het dossier of de<br />
verdachte geen aanleiding geven om te<br />
veronderstellen dat er met de toerekening<br />
iets loos is, de rechter uitgaat van de vrije<br />
wil.<br />
33. Zelfs bestaat er volgens de HR geen<br />
regel die de rechter verbiedt hoger te straffen<br />
dan de mate van schuld (HR 24 juli<br />
1967, NJ 1969, 63 (Amok op de Antillen).<br />
In de praktijk past de rechter de regel echter<br />
wel toe, al is dat niet steeds even consistent,<br />
J. Claessen en D. de Vocht, ‘Straf naar<br />
de mate van schuld’, DD 2012, 63.<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1679
Wetenschap<br />
cruciaal en feitelijk onderdeel van mening. Dat vertroebelt<br />
de discussie en wel zodanig dat toepassing van<br />
kansberekening daarom al niet voor de hand ligt.<br />
Er bestaat echter ook een fundamenteel bezwaar<br />
tegen toepassing van kansberekening zoals door Loonen<br />
c.s. voorgesteld. Dat bezwaar is gebaseerd op het juridische<br />
principe dat de rechter niet alle gegevens die voorhanden<br />
zijn, mag gebruiken. Hij wordt in zijn keuze<br />
beperkt door normatieve regels. Zo moet hij een verklaring<br />
die is verkregen met ernstige schending van de wet<br />
soms terzijde leggen, ook al is de inhoud ervan wellicht<br />
nog zo betrouwbaar. Denk aan een verklaring onder folter<br />
verkregen of met voorbijgaan aan andere grondrechten.<br />
En ook indien de kans negentig procent is dat deze verdachte<br />
het feit heeft gepleegd omdat hij behoort tot een<br />
groep van wie 90 procent dit soort delicten pleegt, dan<br />
nog moet de rechter dat gegeven terzijde laten omdat het<br />
niet bruikbaar is voor de vaststelling dat déze verdachte<br />
het feit heeft begaan. 34 Statistiek zou in dit geval leiden<br />
tot discriminatie. Hetzelfde uitgangspunt heeft te gelden<br />
voor de vraag naar de mate van toerekening. De rechter<br />
Statistiek zou in dit geval<br />
leiden tot discriminatie<br />
moet onderzoeken wat in déze zaak ter zake van déze verdachte<br />
‘aannemelijk’ is geworden. Dit is slechts anders<br />
indien de verdachte door toepassing van statistiek wordt<br />
ontlast, of, in juridische termen, hij ‘het voordeel van de<br />
twijfel’ krijgt. Of verminderde toerekening met de daaraan<br />
verbonden mogelijkheid van TBS in het voordeel van de<br />
Baflose asielzoeker is, staat echter, zoals hiervoor uitgelegd,<br />
te bezien.<br />
Het vonnis in de Baflose zaak moet nu zo worden<br />
gelezen dat de rechter het bestaan van de aangedragen<br />
mogelijkheid van instabiliteit als gevolg van afbouw van<br />
Paroxetine heeft verworpen op basis van de overige aanwezige<br />
informatie. Zo werden bij de verdachte 581 tabletten<br />
Seroquel aan getroffen. Daaruit werd afgeleid dat de<br />
verdachte al geruime tijd geen pillen meer slikte, terwijl<br />
dat geen negatieve bijwerkingen had gehad. Het was daarom<br />
in de ogen van de rechtbank niet aannemelijk dat het<br />
laten staan van dit geneesmiddel (mede) een psychose<br />
zou hebben veroorzaakt. Zo waren er meer gegevens voorhanden<br />
die de verminderde toerekening weerspraken. Het<br />
eindoordeel berust aldus, net als in de bètaonderzoeksmethoden,<br />
op het totaal van de gewogen bevindingen.<br />
Samenvatting en slot<br />
De oplossing voor de door de auteurs vastgestelde problemen<br />
bij de straftoemeting moeten niet worden gezocht in<br />
de heropening van onherroepelijke einduitspraken. Dat is<br />
in strijd met de rechtszekerheid. Er bestaat voorts geen<br />
aanleiding de vaststelling van de mate van schuld, in casu<br />
de toerekening, anders vorm te geven dan nu het geval is.<br />
De andersluidende mening van de auteurs is gebaseerd op<br />
een misvatting van het strafrechtelijk model. De rol van<br />
de statistiek kan voorts slechts beperkt zijn omdat het<br />
plakken van etiketten stigmatiseert en discrimineert.<br />
Kansberekening zou alleen ten gunste van een verdachte<br />
mogen worden toegepast.<br />
Hoe dan het gesignaleerde probleem van de foutmarge<br />
in de straftoemeting aan te pakken Allereerst moet er<br />
een protocol worden ontwikkeld dat de opsporing beter<br />
afstemt op mogelijk later opkomende informatie over<br />
middelengebruik. Bloed- en maagmonsters zouden standaard<br />
moeten worden afgenomen in alle gevallen waarin<br />
sprake is van een ernstig gewelds- c.q. levensdelict. Vervolgens<br />
zou in het kader van de gedragskundige rapportage<br />
een betere afstemming kunnen plaats vinden tussen de<br />
diverse rapporteurs. Ten derde, in gevallen van twijfel over<br />
de toerekening, zou er vaker gebruik kunnen worden<br />
gemaakt van een combinatievonnis, overigens met alle<br />
voorzichtigheid van dien. Dit ondervangt echter het probleem<br />
van gewijzigde inzichten niet. De conclusie moet<br />
dus zijn dat hoe weloverwogen het rechterlijk oordeel ook<br />
is, dit geen garantie is voor een blijvend passende straftoemeting.<br />
De administratie zal tijdens de tenuitvoerlegging<br />
de sanctie zo nodig moeten bijsturen. Daarom is het<br />
van belang om voor langgestraften en levenslanggestraften<br />
een zogenaamde Volgprocedure te ontwikkelen.<br />
34. Denk aan de uitglijder die is gemaakt in<br />
de strafzaak tegen Lucia de B., HR 14 maart<br />
2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496. Hierover<br />
R. Meester, ‘Lucia de B. en de statistiek’,<br />
2007, http://www.few.vu.nl/~rmeester/<br />
onderwijs/HOVO/Lucia_euclides.pdf.<br />
1680 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Focus 1228<br />
De ‘kiss of life’ voor de<br />
Grondwet<br />
Een voorstel tot aanpassing van de wijzigingsprocedure<br />
van de Grondwet<br />
Karin Haan, Mathilde de Boer, Rik Dekker, Remco Nehmelman,<br />
Jan Willem van Rossem en Max Vetzo 1<br />
In deze bijdrage wordt het winnende voorstel besproken van de Grondwetstrijd 2014, welke werd uitgeschreven<br />
door het Nationaal Comité in het kader van 200 jaar Koninkrijk. 2 Het idee achter de wedstrijd was burgers<br />
meer bewust te maken van het belang van de Grondwet en de Grondwet te laten herleven in de samenleving.<br />
1. Inleiding<br />
De Nederlandse Grondwet vervult een belangrijke rol in<br />
ons constitutionele bestel. Het constitueert de staatsinstellingen,<br />
attribueert aan deze instellingen bevoegdheden<br />
en reguleert deze bevoegdheden. Echter, er wordt al<br />
menig jaar op gewezen dat de Grondwet niet leeft onder<br />
burgers. 3 Het document is nu enkel een technisch instrument<br />
dat de verhoudingen tussen de staatsinstellingen<br />
en de samenleving regelt. 4 Er klinkt een roep om een<br />
meer levende Grondwet. 5 Een levende Grondwet is<br />
richtinggevend voor de leden van de samenleving en<br />
biedt een sterk(er) maatschappelijk draagvlak voor de<br />
Grondwettelijke normen. 6 De Grondwet moet nieuw leven<br />
worden ingeblazen. Het statisch gegeven van de Grondwet<br />
wordt onder meer ingegeven door de ‘starre’ Grondwetsherzieningsprocedure<br />
zoals vastgelegd in artikel 137 van<br />
de Grondwet. Weliswaar wordt met deze starheid stabiliteit<br />
bewerkstelligd, maar de zware grondwetsherzieningsprocedure<br />
vormt veelal ook een barrière om de Grondwet<br />
voldoende bij de tijd te houden. Bovendien is de beoogde<br />
volksinvloed in de huidige procedure ‘onzichtbaar’. In deze<br />
bijdrage wordt daarom voorgesteld om de grondwetsherzieningsprocedure<br />
van artikel 137 van de Grondwet op<br />
een dergelijke manier te wijzigen dat stabiliteit behouden<br />
blijft maar tegelijkertijd de flexibiliteit en volksinvloed<br />
kunnen worden vergroot. Hieronder wordt eerst de problematiek<br />
omtrent de huidige wijzigingsprocedure uiteengezet,<br />
waarna vervolgens wordt ingegaan op de<br />
inhoud van het voorstel.<br />
2. Huidige wijzigingsprocedure<br />
De huidige wijzigingsprocedure bestaat uit twee lezingen<br />
door de Staten-Generaal. Na een relatief lichte lezing<br />
wordt eerst de Tweede Kamer ontbonden, waarop een<br />
zware tweede lezing volgt, waarbij beide Kamers met ten<br />
minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen<br />
met de voorgestelde grondwetswijziging moeten instemmen.<br />
De zwaarte van deze procedure draagt ertoe bij dat<br />
de Grondwet een stabiel document is, met historische<br />
wortels. 7 Het is niet voor niets dat onze Grondwet één van<br />
de oudste ter wereld is. 8 Dit brengt echter ook een zekere<br />
inflexibiliteit met zich mee. De betreffende procedure<br />
geldt voor alle wijzingen, ongeacht de grootte en zwaarte<br />
van de te dienen belangen. Hierdoor kan moeilijk op<br />
Auteurs<br />
Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit<br />
Utrecht. De auteurs zijn de schrijvers/<br />
bedenkers van het winnende voorstel.<br />
Grondwet als bron van normativiteit en identiteit’,<br />
Civis Mundi 2003, p. 127; W.J.M.<br />
Voermans, ‘Juist nu stabiliteit zo gewenst is,<br />
hebben we niets aan de Grondwet’, De<br />
Volkskrant 9 november 2013, p. 35.<br />
6. T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik,<br />
W.J.M. Voermans e.a., De Nederlandse<br />
Grondwet geëvalueerd, Alphen aan den<br />
Rijn: Kluwer 2009, p. 18.<br />
7. Kamerstukken II 2007/08, 31570, 3, p. 5.<br />
1. Mr. K.E. Haan heeft de Master Staats- en<br />
Bestuursrecht afgerond aan de Universiteit<br />
Utrecht. M.E. de Boer is masterstudent<br />
Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit<br />
Utrecht. R. Dekker is masterstudent Public<br />
International Law en Staats- en Bestuursrecht<br />
aan de Universiteit van Amsterdam.<br />
Prof. mr. R. Nehmelman en mr. J.W.C. van<br />
Rossem zijn verbonden aan de Universiteit<br />
Utrecht. M. Vetzo is bachelorstudent<br />
Noten<br />
2. http://www.acwet.nl/newsitem/winnaar-grondwetstrijd-flexibelere-herzieningsprocedure-met-volk.<br />
3. J.A. Peters, Wie beschermt onze Grondwet<br />
(inaugurele rede UvA), Amsterdam:<br />
Vossiuspress 2003; S.W. Couwenberg, ‘De<br />
4. Zie bijvoorbeeld de toespraak van oudminister<br />
G. ter Horst bij het symposium ‘De<br />
Onzichtbare Grondwet’, 27 februari 2008.<br />
5. J.A. Peters, Wie beschermt onze Grondwet<br />
(inaugurele rede UvA), Amsterdam:<br />
Vossiuspress 2003.<br />
8. W.J.M. Voermans, ‘Onze oude onbeminde<br />
Grondwet’, <strong>NJB</strong> 2014/623, afl. 12, p.<br />
776-780.<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1681
Focus<br />
3. Voorstel<br />
Het winnende team met de Minister voor BZK, foto op academievoorwetgeving.nl<br />
maatschappelijke ontwikkelingen worden ingespeeld.<br />
Gevolg is dat burgers zich niet kunnen identificeren met<br />
het document. Dit wringt omdat uit onderzoek is gebleken<br />
dat 94% van de Nederlanders de Grondwet belangrijk<br />
vindt. 9 Door het inflexibele karakter is de Grondwet voor<br />
burgers echter verworden tot een dode letter. 10 Een Grondwet<br />
die niet aansluit bij maatschappelijke, politieke en<br />
juridische ontwikkelingen dreigt aan kracht te verliezen<br />
en aan belang in te boeten. 11<br />
Een ander probleem van de huidige procedure is<br />
dat het daarin beoogde element van volksinvloed niet<br />
goed uit de verf komt. Artikel 137 van de Grondwet<br />
schept de mogelijkheid een voorstel tot wijziging inzet<br />
van parlementsverkiezingen te maken. Na een succesvolle<br />
eerste lezing volgt verplicht ontbinding van de Tweede<br />
Kamer. In de praktijk laat men deze ontbindingsverkiezingen<br />
echter samenvallen met reguliere verkiezingen<br />
na afloop van de vierjarige zittingstermijn of ontbindingsverkiezingen<br />
naar aanleiding van een politieke crisis.<br />
Actuele en maatschappelijk relevante voorstellen<br />
worden hierdoor niet snel verwerkt. Zij worden op de lange<br />
baan geschoven en niet zelden afgesteld. Vervroegde<br />
ontbinding van de Tweede Kamer speciaal voor een<br />
grondwetsherzieningsprocedure is sinds 1948 niet meer<br />
voorgekomen. Bij verkiezingen staan vrijwel altijd andere<br />
onderwerpen centraal in partijprogramma’s. De<br />
belangstelling voor herzieningsvoorstellen is nihil; het<br />
verkiezingsdebat gaat over de algemene politieke vragen<br />
en niet over een op handen zijnde herziening van de<br />
Grondwet. Gesteld kan dan ook worden dat in het huidige<br />
systeem daadwerkelijke volksinvloed ontbreekt bij een<br />
herziening van de Grondwet.<br />
De huidige wijzigingsprocedure biedt enerzijds stabiliteit,<br />
anderzijds vormt deze stabiliteit een te hoge barrière<br />
voor constitutionele vernieuwing. De procedure is te<br />
zwaar en te rigide, waardoor de Grondwet een inflexibel<br />
document wordt dat niet leeft onder de bevolking. Bovendien<br />
komt, zoals hiervoor is uiteengezet, het element van<br />
volksinvloed niet goed uit de verf. Voor deze problemen<br />
biedt ons inziens het volgende voorstel tot wijziging van<br />
artikel 137 Grondwet een goede oplossing:<br />
Artikel 137<br />
1. De Grondwet wordt bij wet gewijzigd. De kamers der Staten-Generaal<br />
kunnen voorstellen van wet ter zake alleen<br />
aannemen met ten minste twee derden van het aantal<br />
uitgebrachte stemmen.<br />
2. Indien een voorstel tot wijziging van de Grondwet een<br />
verandering aanbrengt in de identiteit van het Nederlandse<br />
constitutionele bestel, overweegt een daartoe<br />
ingestelde Grondwetskamer in tweede lezing het voorstel<br />
tot verandering bedoeld in het eerste lid. De Grondwetskamer<br />
kan dit voorstel alleen aannemen met ten minste<br />
drie vijfden van het aantal uitgebrachte stemmen.<br />
3. Indien de wetgever besluit uitsluitend de procedure van<br />
het eerste lid te volgen, wordt na indiening van een<br />
daartoe strekkend burgerinitiatief, getekend door minimaal<br />
tweeëneenhalf procent van de kiesgerechtigden,<br />
het voorstel alsnog in tweede lezing overwogen door een<br />
daartoe ingestelde Grondwetskamer. De procedure en<br />
formele vereisten van het burgerinitiatief worden bij wet<br />
bepaald.<br />
4. De Grondwetskamer bestaat uit de leden van de Staten-<br />
Generaal aangevuld met een gelijk aantal kiesgerechtigden.<br />
De procedure van selectie van deze kiesgerechtigden<br />
wordt bij wet vastgesteld.<br />
Het wetsvoorstel beoogt de wijzigingsprocedure van de<br />
Grondwet zo te veranderen dat alleen in geval van een<br />
wijziging die aan de ‘identiteit van het Nederlandse constitutionele<br />
bestel’ raakt, een tweede lezing nodig is. Als<br />
dit niet het geval is, is slechts één lezing met een twee<br />
derde meerderheid vereist. Dit is de zogenaamde ‘lichte<br />
In het huidige systeem<br />
ontbreekt daadwerkelijke<br />
volksinvloed bij een<br />
herziening van de Grondwet<br />
procedure’, die flexibiliteit van de Grondwet beoogt. Als<br />
een wijziging wel aan de identiteit van het constitutionele<br />
bestel raakt, dient de zogenaamde ‘zware procedure’ te<br />
worden gevolgd. Het is in eerste instantie aan de wetgever<br />
om te bepalen of daarvan sprake is. De zware procedure<br />
waarborgt de stabiliteit van de Grondwet. In tweede lezing<br />
oordeelt een Grondwetskamer over het voorstel. De Grondwetskamer<br />
bestaat uit de Staten-Generaal aangevuld met<br />
eenzelfde aantal burgers. In het geval dat de lichte procedure<br />
wordt gevolgd, kan via een bindend burgerinitiatief<br />
alsnog de zware procedure worden afgedwongen. Dit burgerinitiatief<br />
kan worden geïnitieerd indien een groep<br />
burgers van mening is dat er wel sprake is van een grondwetswijziging<br />
die aan de identiteit van het Nederlandse<br />
constitutionele bestel raakt en de zware procedure daarom<br />
alsnog moet worden gevolgd. Op deze manier hebben<br />
1682 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Of de zware procedure moet worden gevolgd is afhankelijk van het<br />
antwoord op de vraag of een wijziging raakt aan de identiteit van het<br />
constitutionele bestel van Nederland<br />
burgers invloed op en raken zij betrokken bij (wijzigingen<br />
van) de Grondwet.<br />
3.1. Flexibiliteit: de lichte procedure<br />
Om de flexibiliteit van de Grondwet te vergroten, moet het<br />
mogelijk zijn om een Grondwetswijziging in een enkele<br />
lezing door te voeren. In één lezing stemmen de beide<br />
Kamers dan met ten minste twee derden van de uitgebrachte<br />
stemmen in met de voorgestelde wijziging.<br />
Wanneer de wetgever het voorstel tot wijziging van de<br />
Grondwet niet ziet als een wijziging die een verandering<br />
aanbrengt in de identiteit van het Nederlandse constitutionele<br />
bestel, is deze procedure van toepassing. Er vindt dan<br />
één lezing plaats, waarin beide Kamers een voorstel aan<br />
kunnen nemen met twee derde meerderheid van de stemmen.<br />
Daarmee wordt voorzien in een flexibele procedure,<br />
die grondwettelijke vernieuwingen eenvoudiger maakt.<br />
3.2. Stabiliteit; de zware procedure<br />
De zware procedure moet worden gevolgd indien de wetgever<br />
hiertoe besluit of indien deze procedure door het<br />
hierna te bespreken burgerinitiatief wordt afgedwongen.<br />
Dan volgt na de eerste, lichte procedure een zware tweede<br />
lezing. Deze tweede lezing wordt gedaan door de Staten-<br />
Generaal, en een gelijk aantal burgers; de Grondwetskamer.<br />
12 Het wetsvoorstel dient te worden aangenomen met<br />
een drie vijfde meerderheid van de Grondwetskamer. Deze<br />
tweede lezing vormt een waarborg voor stabiliteit. Het<br />
voorkomt dat in eerste lezing haastig genomen beslissingen<br />
doorgang vinden en biedt een extra controle op de<br />
wenselijkheid van het doorvoeren van het voorstel. Ook<br />
het vereiste van de gekwalificeerde meerderheid in tweede<br />
lezing draagt bij aan deze controlefunctie. Tevens is<br />
deze zware procedure bedoeld om de volksinvloed op de<br />
grondwetsherzieningsprocedure aanzienlijk te vergroten.<br />
De geselecteerde burgers krijgen gedurende een aantal<br />
maanden een training waarna zij vervolgens goed geïnformeerd<br />
kunnen meestemmen over de aanhangige herziening.<br />
Deze burgers worden bovendien uitdrukkelijk aangemoedigd<br />
om aan het publieke debat over de op handen<br />
zijnde grondwetsherzieningsprocedure deel te nemen.<br />
Of de zware procedure moet worden gevolgd is, als<br />
gezegd, afhankelijk van het antwoord op de vraag of een<br />
wijziging raakt aan de identiteit van het constitutionele<br />
bestel van Nederland. De constitutionele identiteit is een<br />
inhoudelijk en naar zijn aard open criterium. Het begrip is<br />
ontleend aan het debat over Europese integratie en werd<br />
voor het eerst gebruikt in de jurisprudentie van constitutionele<br />
rechters in Duitsland en Italië in de jaren zeventig<br />
van de vorige eeuw. 13 Deze rechters gebruikten de notie ter<br />
afbakening van een nationale constitutionele sfeer die niet<br />
mag worden aangetast door Europese normen en handelingen.<br />
In de jaren negentig, bij de sluiting van het Verdrag<br />
van Maastricht, werd dit uitgangspunt vertaald in Europees<br />
recht. Vanaf dat moment bevatte het Unieverdrag namelijk<br />
een bepaling waarin de Europese Unie wordt verplicht om<br />
de ‘nationale identiteit’ van de lidstaten te eerbiedigen. 14 In<br />
het wetsvoorstel is niet gekozen voor het begrip ‘constitutionele<br />
identiteit’ om bepaalde grenzen te stellen ten aanzien<br />
van de Europese Unie. Deze keuze is ingegeven door<br />
de overtuiging dat de Grondwet baat heeft bij een flexibel<br />
begrip waaronder de essentialia van het constitutionele<br />
recht kunnen worden uitgelicht. Dat laat onverlet dat de<br />
keuze wel de gelegenheid biedt om meer aansluiting te<br />
zoeken bij het debat over Europese integratie.<br />
Er is bewust gekozen voor een open norm, omdat<br />
het vastleggen van een limitatieve opsomming kan leiden<br />
tot een wederom rigide Grondwet die niet aansluit bij de<br />
samenleving. Het is aan de wetgever en de burgers (door<br />
middel van een bindend burgerinitiatief) om te bepalen<br />
wat onder dit begrip valt. Gedacht kan hierbij worden aan<br />
bijvoorbeeld de monarchie, de kern van in de Grondwet<br />
opgenomen klassieke grondrechten, bijvoorbeeld artikel<br />
23 van de Grondwet (onderwijsvrijheid) en de organisatie<br />
van Nederland als gedecentraliseerde eenheidsstaat. Heel<br />
nadrukkelijk is het echter niet de bedoeling om hier een<br />
limitatieve opsomming te geven. Door inpassing van het<br />
criterium ‘constitutionele identiteit’ wordt een dynamisch<br />
element in de wijzigingsprocedure ingevoegd. Wat als<br />
onderdeel van de identiteit van het Nederlandse staatsbestel<br />
geldt, zal onderhevig zijn aan maatschappelijke ontwikkelingen<br />
en veranderende opvattingen. Anno 2014 zal<br />
de inrichting van de Staten-Generaal in twee Kamers misschien<br />
als een dergelijk onderdeel worden beschouwd. Het<br />
is echter denkbaar dat dit over een aantal decennia<br />
anders zal zijn. Het omgekeerde kan natuurlijk ook gebeuren.<br />
Neem bijvoorbeeld artikel 81 van de Grondwet, dat<br />
bepaalt dat de vaststelling van wetten door de regering en<br />
de Staten-Generaal gezamenlijk geschiedt. Mogelijk<br />
brengt het toevoegen van een bindend referendum aan<br />
9. Onderzoek van TNS-NIPO in opdracht<br />
van het Ministerie van Binnenlandse Zaken,<br />
De Grondwet: wat weet en vindt de Nederlander,<br />
2008.<br />
2013, p. 35.<br />
een verandering komt in het aantal Kamerleden<br />
in de toekomst, waaraan het aantal<br />
burgers in de Grondwetkamer wordt<br />
gespiegeld.<br />
13. BVerfGE 29 mei 1974, E37/271 (Solange<br />
I); Corte Costituzionale 27 december<br />
1973, zaak nr. 183/73 (Frontini).<br />
14. Art. 4 lid 2 VEU luidt: ‘De Unie eerbiedigt<br />
de gelijkheid van de lidstaten voor de<br />
Verdragen, alsmede hun nationale identiteit<br />
die besloten ligt in hun politieke en constitutionele<br />
basisstructuren, waaronder die<br />
voor regionaal en lokaal zelfbestuur. (…)’.<br />
11. Rapport Staatscommissie Grondwet van<br />
12 november 2010, p.15, bijlage bij Kamerstukken<br />
II 2012/13, 31570, D.<br />
10. W.J.M. Voermans, ‘Juist nu stabiliteit<br />
zo gewenst is, hebben we niets aan de<br />
Grondwet’, De Volkskrant 9 november<br />
12. Een Grondwetskamer zou nu bestaan<br />
uit 225 Kamerleden plus 225 burgers, dus<br />
in totaal 450 leden. Het is denkbaar dat er<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1683
Focus<br />
dit artikel op dit moment geen verandering aan in de<br />
Nederlandse constitutionele identiteit. Zou vervolgens<br />
later een voorstel worden gedaan om artikel 81 van de<br />
Grondwet weer in zijn oude staat terug te brengen, dan is<br />
het denkbaar dat deze wijziging wel aan de constitutionele<br />
identiteit raakt. Met de Grondwettelijke verankering<br />
van het begrip constitutionele identiteit wordt niet alleen<br />
gepoogd om de stabiliteit en continuïteit van de Grondwet<br />
te waarborgen, maar tevens de mogelijkheid geboden<br />
om deze dynamischer te maken.<br />
3.3. Volksinvloed; Grondwetskamer en burgerinitiatief<br />
Het wetsvoorstel beoogt op twee manieren volksinvloed te<br />
introduceren in de Grondwet; de Grondwetskamer en een<br />
bindend burgerinitiatief.<br />
Grondwetskamer<br />
De Grondwetskamer geeft burgers de mogelijkheid om<br />
volksinvloed uit te oefenen op voorgenomen Grondwetswijzigingen.<br />
De Grondwetskamer bestaat voor de helft uit<br />
willekeurig geselecteerde stemgerechtigde burgers. De<br />
Er is uitdrukkelijk niet gekozen<br />
voor een referendum<br />
precieze invulling hiervan dient nader bij wet te worden<br />
vastgesteld, maar de insteek voor de selectie van de burgers<br />
is dat zij willekeurig geselecteerd worden door middel<br />
van steekproeven. Van een compleet willekeurige<br />
samenstelling is echter geen sprake. Gestreefd wordt naar<br />
het selecteren van een groep personen die tezamen representatieve<br />
vertegenwoordiging van de Nederlandse kiesgerechtigden<br />
vormt. Geselecteerde burgers hoeven niet mee<br />
te doen, deelname is vrijwillig. De geselecteerde burgers<br />
krijgen, zoals reeds opgemerkt, gedurende een bepaalde<br />
periode een grondige training over de voorgenomen wijziging,<br />
waarna zij uiteindelijk goed geïnformeerd kunnen<br />
stemmen over het voorstel.<br />
Er is uitdrukkelijk niet gekozen voor een referendum.<br />
Belangrijke nadelen van een referendum over een<br />
Grondwetsherziening zijn dat het voorstel wordt gesimplificeerd<br />
en er kan om oneigenlijke redenen voor of tegen<br />
een voorstel worden gestemd. Door een willekeurige selectie<br />
van kiesgerechtigde burgers worden deze nadelen<br />
ondervangen. Zij krijgen gedurende een bepaalde periode<br />
een grondige voorlichting over het wijzigingsvoorstel.<br />
Bovendien worden zij actief aangespoord om het maatschappelijk<br />
debat over het voorstel in te luiden, waardoor<br />
er een brede maatschappelijke discussie zal ontstaan over<br />
het belang van Grondwet en de onderhavige wijziging in<br />
het bijzonder. In het buitenland, in het bijzonder in IJsland<br />
en Ierland, is gebleken dat met sterk vergelijkbare<br />
procedures voor herziening van de Grondwet of organieke<br />
wetten (bijvoorbeeld wijziging van de Kieswet) een nieuwe<br />
manier is gevonden voor volksinvloed op wijzigingen<br />
in het staatsbestel met onder andere als doel verhoging<br />
van de legitimiteit van het staatsgezag. 15<br />
Burgerinitiatief<br />
De Grondwetskamer vervult enkel een rol in de zware procedure.<br />
Wat nu als de wetgever besluit tot de lichte procedure<br />
terwijl een aanzienlijk deel van het Nederlandse volk<br />
meent dat alsnog de zware procedure moet worden<br />
gevolgd Dan kan via een bindend burgerinitiatief alsnog<br />
een tweede zware lezing worden afgedwongen. Het initiatief<br />
voor de te volgen procedure ligt dus in eerste instantie<br />
bij de wetgever. De wetgever kan echter worden ‘teruggefloten’<br />
door de bevolking. Het kiesgerechtigde deel kan<br />
door middel van een burgerinitiatief, getekend door<br />
minimaal tweeëneenhalf procent van de kiesgerechtigden,<br />
de zware procedure afdwingen als de wetgever daarvan<br />
heeft afgezien. Met het initiatief in handen van de<br />
wetgever en een correctiemogelijkheid in handen van de<br />
kiesgerechtigde bevolking, wordt met dit voorstel een ideaal<br />
en dynamisch midden gevonden tussen het principe<br />
van representatieve democratie en het principe van directe<br />
democratie. We leven in een tijd waarin burgers zich<br />
door gebruikmaking van ‘social media’ niet alleen gemakkelijker<br />
organiseren, maar zich ook steeds vaker waakzaam<br />
opstellen. Op dit organisatievermogen en op deze<br />
waakzaamheid van de burger wordt gerekend. Op deze<br />
manier houdt de burger altijd het laatste woord over welke<br />
procedure moet worden gevolgd om een wijziging in<br />
‘zijn’ Grondwet te bewerkstelligen.<br />
4. Conclusie<br />
In deze bijdrage is uiteengezet dat met een verandering<br />
van de wijzigingsprocedure de Grondwet nieuw leven in<br />
kan worden geblazen. Aan de ene kant wordt flexibiliteit<br />
gefaciliteerd, doordat met toepassing van de lichte procedure<br />
in een enkele lezing kan worden ingespeeld op maatschappelijke<br />
ontwikkelingen. Aan de andere kant wordt de<br />
stabiliteit van de Grondwet gewaarborgd, doordat wijzigingen<br />
die aan de identiteit van het constitutionele bestel<br />
raken langs een Grondwetkamer moeten. Het bindende<br />
burgerinitiatief vormt een vangnet in gevallen waarin<br />
onterecht de lichte procedure wordt toegepast. Met de<br />
Grondwetskamer en het burgerinitiatief geeft de Grondwet<br />
ruimte voor daadwerkelijke volksinvloed. Het voorstel<br />
draagt bij aan een flexibeler Grondwet, maar op de punten<br />
waarop dit door de wetgever of de Nederlandse bevolking<br />
nodig wordt geacht, zijn essentiële waarborgen<br />
ingebouwd voor behoud van de constitutionele stabiliteit.<br />
Daarmee wordt recht gedaan aan de Grondwet als een<br />
hogere regeling, maar wordt tegelijkertijd voorkomen dat<br />
dit hogere karakter van de Grondwet haar eigen ontwikkeling<br />
afremt. De inpassing van volksinvloed in de wijzigingsprocedure<br />
draagt bij aan een levendige Grondwet die<br />
voor burgers van wezenlijk maatschappelijk belang is.<br />
Hiermee wordt de Grondwet een nieuw leven ingeblazen.<br />
Dit is, niet in de laatste plaats vanwege het 200-jarig<br />
bestaan van het Koninkrijk, geen overbodige en ons<br />
inziens een noodzakelijke ontwikkeling.<br />
15. Zie o.a. http://vorige.nrc.nl/buitenland/<br />
article2644982.ece/IJsland_laat_burgers_<br />
grondwet_schrijven en https://www.constitution.ie/.<br />
Een parallel is ook te trekken met<br />
het Nederlandse Burgerforum kiesstelsel,<br />
http://www.parlement.com/id/vhnnmt7ltkw7/burgerforum_kiesstelsel.<br />
1684 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Opinie 1229<br />
The world according to<br />
www.overheid.nl<br />
Fokke Fernhout 1<br />
Overheid.nl plaatst haar eigen versies van de Nederlandse wet op de site. Dat is bijzonder onwenselijk, omdat<br />
het alleen aan de democratisch gelegitimeerde wetgever is om fouten te verbeteren. Tot overmaat van ramp is<br />
de communicatie over de inhoud van de site verbureaucratiseerd naar een mistige voorlichtingsinstantie.<br />
Met de jurisprudentie op www.rechtspraak.nl en de<br />
regelgeving (inclusief de kamerstukken) op<br />
www.overheid.nl heeft Nederland een juridische<br />
informatievoorziening waar de rest van de wereld alleen<br />
maar watertandend van kan dromen. Beide sites hebben<br />
een goede en begrijpelijke interface en zijn (afgezien van<br />
incidentele oprispingen) snel genoeg. Zonder dat daarnaar<br />
onderzoek is gedaan mag daarom worden aangenomen dat<br />
de juridische goegemeente inmiddels volledig op de<br />
inhoud van de sites vertrouwt. Bij rechtspraak.nl is dat<br />
geen probleem. De rechterlijke uitspraken zullen digitaal<br />
worden aangeleverd en worden integraal (na anonimisering)<br />
geplaatst. Dan kan er weinig mis gaan. Bij overheid.nl<br />
ligt dat kritischer, want de site publiceert geconsolideerde<br />
wetgeving. Daarbij kan van alles mis gaan en bovendien zal<br />
een redacteur moeten bepalen hoe de wijzigingen in de<br />
bestaande regelgeving moeten worden verwerkt.<br />
Dat is een lastig karwei, waarbij een dergelijke redacteur<br />
zelfs voor moeilijke keuzes kan komen te staan. Hoe<br />
ga je bijvoorbeeld om met een wet die ertoe leidt dat artikel<br />
111 lid 2 sub a Rv komt te luiden: ‘Naast de gegevens<br />
bedoeld in artikel 45, derde lid, vermeldt het exploot van<br />
dagvaarding: a. de door eiser gekozen woonplaats de door<br />
eiser gekozen woonplaats in Nederland’ (Stb. 2005, 455)<br />
Ga je dat verbeteren of doe je gewoon wat de wetgever<br />
zegt De uitgevers van wettenedities voerden een verschillend<br />
beleid. De Staatsuitgeverij voelde zich altijd al boven<br />
God en iedereen verheven en publiceerde een eigen versie<br />
van de wet; Kluwer wist tot 2013 haar plaats en publiceerde<br />
de wetten in de tekst zoals die door de wetgever was<br />
vastgesteld.<br />
En overheid.nl Overheid.nl meent het ook beter te<br />
weten dan de wetgever en heeft steeds haar eigen versies<br />
van de Nederlandse wet op de site geplaatst. Dat is bijzonder<br />
onwenselijk, want het is immers alleen aan de democratisch<br />
gelegitimeerde wetgever om fouten te verbeteren.<br />
Het valt echter weer mee als over de teksten op overheid.nl<br />
te communiceren valt. In het verleden was dat het geval. In<br />
2008 werd bijvoorbeeld op de site vermeld dat de artikelen<br />
14a t/m 14e van de Wet op de rechterlijke organisatie<br />
waren ingetrokken. Niet de eerste de beste regeling, want<br />
het ging juist om de mogelijkheid te klagen over rechterlijke<br />
ambtenaren bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad.<br />
Op grond van een overgangsregeling opgenomen in artikel<br />
XIII Wet organisatie bestuur en gerechten (Stb. 2001, 582)<br />
waren die bepalingen echter gehandhaafd in afwachting<br />
van de inwerkingtreding van een andere regeling, die er in<br />
2008 nog niet was (en pas jaren later zou komen). Het kostte<br />
een paar mailtjes (via het op de site opgenomen e-mailadres)<br />
met juridische argumenten, maar binnen een paar<br />
dagen waren de artikelen weer terug op de site en deze bleven<br />
daar staan totdat zij daadwerkelijk werden ingetrokken.<br />
Tot zover is er niets aan de hand.<br />
Het lijkt alsof overheid.nl een<br />
coupe heeft gepleegd en definitief<br />
de wetgever als primaire bron van<br />
recht heeft vervangen<br />
Onder de huidige bewindslieden zijn de zaken echter<br />
aan het ontsporen. Het lijkt alsof overheid.nl een coupe<br />
heeft gepleegd en definitief de wetgever als primaire bron<br />
van recht heeft vervangen. Ik kwam daar voor het eerst<br />
achter toen ik een onjuistheid vond bij het Wetboek van<br />
Burgerlijke Rechtsvordering. Via de site stuurde ik het volgende<br />
bericht: ‘Bij het i’tje op Rv vind ik als eerste aanhangige<br />
wetsontwerp 31714. Dit wetsontwerp is echter op 22<br />
november 2011 verworpen door de Iste Kamer. Dan is het<br />
toch niet meer aanhangig’. Het duurde een kleine drie<br />
weken, maar toen kwam het volgende bericht terug van<br />
een vriendelijke mevrouw: ‘U heeft een vraag gesteld via<br />
Auteur<br />
1. mr. F.J. Fernhout is UHD burgerlijk procesrecht aan de Universiteit Maastricht.<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1685
Opinie<br />
graag verzoeken om contact op te nemen met Informatie<br />
Rijksoverheid (voormalige Postbus 51) zie weten precies<br />
bij welke instantie u dient te zijn zodat zij hun tekst kunnen<br />
wijzigen.’ Communicatie over overheid.nl, dus over de<br />
primaire bron voor de inhoud van de Nederlandse wetgeving,<br />
is met andere woorden verbureaucratiseerd naar een<br />
mistige voorlichtingsinstantie, die hoge barrières inbouwt<br />
om überhaupt benaderd te kunnen worden, laat staan dat<br />
er veel van te verwachten valt.<br />
Intussen gaat overheid.nl<br />
onverstoorbaar verder met<br />
haar eigen versie van het<br />
Nederlandse recht<br />
Through the wrong holes © Sarah Jones / Ikon Images/Alamy<br />
Overheid.nl. De publieksvoorlichting van Overheid.nl is<br />
ondergebracht bij Informatie Rijksoverheid. U kunt<br />
hierom uw vraag stellen via de website https://www.rijksoverheid.nl/<br />
contact/contactformulier. Informatie Rijksoverheid<br />
(voorheen Postbus 51) Telefoonnummer: 1400<br />
(lokaal tarief) www.rijksoverheid.nl. Ik hoop dat ik uw<br />
vraag naar tevredenheid heb beantwoord.’ Dat laatste was<br />
zeker niet het geval, maar toen ik vroeg wat dit nu voor<br />
een malligheid was, antwoordde ditmaal een meneer in<br />
elegant Nederlands: ‘KOOP is een organisatie wat webapplicaties<br />
bouwt voor overheden om hun informatie op te<br />
publiceren. Wij gaan helaas niet inhoudelijk over de publicaties<br />
die u op overheid.nl aantreft. Hierom willen wij u<br />
Intussen gaat overheid.nl onverstoorbaar verder<br />
met haar eigen versie van het Nederlandse recht. Dat<br />
kwam pijnlijk aan het licht na mijn stukje in het Advocatenblad<br />
van mei 2014, Zijn de griffierechten 2014 echt<br />
verschuldigd (p. 31-32). Daarin werd gesignaleerd dat de<br />
Regeling (...) tot indexering van bedragen in (...) de Wet<br />
griffierechten burgerlijke zaken (...) (Stcrt. 2013, 35871)<br />
hetzij onverbindend is doordat wijzigingen worden aangebracht<br />
in een formele wet, hetzij bedragen wijzigt die<br />
er niet zijn en dus geen gevolg heeft. Overheid.nl blijkt<br />
hard terug te slaan door met een eigen visie op de<br />
genoemde regeling te komen en koelbloedig zelf te<br />
bedenken wat er volgens overheid.nl eigenlijk in de regeling<br />
had moeten staan.<br />
‘Kan dat zomaar in Nederland’, vragen wij ons af in<br />
het koor der leefbaren en verontruste burgers. Hopelijk<br />
niet. Het zal de advocaten enige moeite kosten om de<br />
rechters te overtuigen, maar dat moet op den duur toch<br />
gaan lukken. De rechters die moeten oordelen over een<br />
verzet tegen vaststelling van de griffierechten zullen in<br />
eerste instantie overheid.nl raadplegen en daar een Wet<br />
griffierechten burgerlijke zaken aantreffen, waarin keurig<br />
alle bedragen voor 2014 zijn aangepast. Met de originele<br />
tekst van de regeling in de hand moet het echter mogelijk<br />
zijn de rechters te laten zien dat de ‘world according to<br />
overheid.nl’ toch niet de wereld is waarin wij leven.<br />
En intussen hopen we dan maar dat overheid.nl wat<br />
meer respect gaat tonen voor de wetgever en weer open<br />
zal gaan staan voor redelijke opmerkingen vanuit het<br />
publiek.<br />
1686 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Rechtspraak<br />
Aanbevolen citeerwijze:<br />
<strong>NJB</strong> 2014/ … (nummer uitspraak)<br />
Eur. Hof v.d. Rechten v.d. Mens 1687<br />
Hof van Justitie EU 1688<br />
Hoge Raad (civiele kamer) 1690<br />
Hoge Raad (strafkamer) 1694<br />
Afd. Bestuursrechtspraak RvS 1698<br />
Europees Hof voor de<br />
Rechten van de Mens<br />
Deze rubriek wordt verzorgd door onderzoekers<br />
van de Universiteit Leiden, de VU<br />
Amsterdam en de RU Nijmegen. Onderstaande<br />
bewerking is verzorgd door mw. N.R. Koffeman<br />
LL.M. (Universiteit Leiden). Alle uitspraken<br />
van het EHRM staan op www.echr.coe.<br />
int; een selectie verschijnt uiteindelijk in<br />
Reports of Judgments and Decisions. De uitspraken<br />
van kamers van het EHRM worden<br />
drie maanden na de uitspraakdatum definitief,<br />
tenzij er intern appel wordt ingesteld bij<br />
de Grote Kamer van het Hof.<br />
1230<br />
11 maart 2014, appl.nr. 26827/08<br />
Art. 3 jo. 14 EVRM. Onderzoeksplicht naar<br />
racistisch motief bij geweldsmisdrijf.<br />
Schending.<br />
(EVRM art. 3 jo. 14)<br />
Abdu vs. Bulgarije<br />
A. Feiten<br />
Klager in deze zaak is de Soedanese heer<br />
Abdu. Hij is geboren in 1968 en woont in<br />
Sofia. Op 13 mei 2007 raakte hij, terwijl hij<br />
met een Soedanese vriend door het centrum<br />
van Sofia liep, verwikkeld in een vechtpartij<br />
met twee Bulgaarse jongeren. Volgens Abdu<br />
werd hij zonder aanleiding door een van hen<br />
tegen de grond geduwd en geschopt, terwijl<br />
de andere een mes trok en zijn vriend<br />
bedreigde. De twee Bulgaren riepen daarbij<br />
‘Vuile negers, wat doen jullie hier’ De aanvallers<br />
vluchtten, maar werden kort daarna<br />
door de politie gearresteerd. De twee, die in<br />
het politierapport werden omschreven als<br />
skinheads, bleken al vaker met de politie in<br />
aanraking te zijn geweest. Tijdens het politieonderzoek<br />
werden zowel de vier direct<br />
betrokkenen als een getuige gehoord. Volgens<br />
de twee Bulgaren was de vechtpartij<br />
uitgelokt door Abdu en zijn vriend, maar de<br />
getuige verklaarde te hebben gezien dat een<br />
van de Bulgaren een van de Soedanezen had<br />
doen struikelen waarna een vechtpartij tussen<br />
de vier ontstond. Een forensisch arts<br />
stelde vast dat Abdu diverse verwondingen<br />
had die konden zijn opgelopen tijdens een<br />
vechtpartij.<br />
De politie stuurde het bewijs door naar de<br />
openbaar aanklager zodat deze kon beslissen<br />
om al dan niet vervolging in te stellen voor<br />
een geweldpleging met racistisch motief,<br />
zoals strafbaar gesteld in art. 168 lid 2 van<br />
het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht. In juni<br />
2007 liet de openbaar aanklager weten dat er<br />
onvoldoende bewijs was voor het instellen<br />
van een dergelijke vervolging. Abdu stelde<br />
beroep in tegen deze beslissing. Hij voerde<br />
aan dat de politie de twee Bulgaren had moeten<br />
ondervragen over hun motieven en over<br />
hun kleding. Volgens Abdu droeg een van<br />
hen bijvoorbeeld een t-shirt met een naziteken.<br />
Het beroep werd, evenals een verzoek<br />
van de advocaat van Abdu tot inzage in het<br />
dossier, afgewezen.<br />
B. Procedure<br />
Abdu heeft op 15 april 2008 een klacht ingediend<br />
bij het EHRM. Met een beroep op art. 3<br />
EVRM (verbod op vernederende en onmenselijke<br />
behandeling) in combinatie met art. 14<br />
EVRM (verbod van discriminatie) klaagt hij<br />
dat de autoriteiten geen effectief onderzoek<br />
hebben ingesteld naar de racistische aard van<br />
de geweldpleging. Hij stelt bovendien dat een<br />
dergelijk onderzoek niet is ingesteld omdat<br />
de politieagenten niet onpartijdig waren.<br />
C. Uitspraak van het Hof<br />
(Vierde kamer: Ziemele (President), Hirvelä,<br />
Nicolaou, Bianku, Kalaydjieva, Mahoney,<br />
Wojtyczek).<br />
Het Hof herhaalt dat discriminatie op grond<br />
van ras in sommige omstandigheden op<br />
zichzelf als onmenselijke en vernederende<br />
behandeling in de zin van art. 3 EVRM kan<br />
worden aangemerkt. In ieder geval zijn discriminatoire<br />
opmerkingen of beledigingen<br />
met racistische ondertonen verzwarende<br />
omstandigheden bij het beoordelen van een<br />
klacht onder art. 3 EVRM. Staten hebben op<br />
grond van het EVRM de plicht te voorzien in<br />
een wettelijk kader dat individuen beschermt<br />
tegen onmenselijke en vernederende behandeling.<br />
Ook moeten zij zorgdragen voor een<br />
effectief onderzoek dat het mogelijk maakt<br />
daders te vervolgen. Bij het onderzoeken van<br />
geweldsdelicten met een mogelijk racistisch<br />
motief moeten de autoriteiten bovendien<br />
alle redelijke stappen nemen om vast te stellen<br />
of sentimenten van haat of vooroordelen<br />
jegens een bepaalde etniciteit inderdaad een<br />
rol hebben gespeeld. Het behandelen van<br />
dergelijke zaken op gelijke voet met zaken<br />
zonder met racistische connotaties is niet<br />
verenigbaar met art. 14 EVRM.<br />
De klacht van dhr. Abdu komt volgens het<br />
Hof binnen de reikwijdte van art. 3 EVRM. Hij<br />
heeft lichamelijk letsel opgelopen door de<br />
gewelddadige aanval. Daar komt bij dat hij<br />
vanaf het begin van het politieonderzoek<br />
gesteld heeft dat de twee aanvallers, die in<br />
het politierapport werden omschreven als<br />
skinheads, racistische opmerkingen maakten.<br />
Hoewel het vaak bijzonder moeilijk is een<br />
racistisch motief te bewijzen, hebben staten<br />
in ieder geval een inspanningsverplichting<br />
hier onderzoek naar te doen. Het Hof besluit<br />
de zaak te onderzoeken onder art. 3 zelfstandig,<br />
alsmede onder art. 3 EVRM in combinatie<br />
met art. 14 EVRM.<br />
Aangezien geweldpleging met een racistisch<br />
oogmerk in de Bulgaarse wetgeving strafbaar<br />
is gesteld, is voorzien in het vereiste<br />
wettelijk kader. De autoriteiten hebben echter<br />
niet alle redelijke stappen ondernomen<br />
om het geclaimde racistische motief van het<br />
delict te onderzoeken. Zij hebben zich met<br />
name gericht op de vraag wie de vechtpartij<br />
had uitgelokt. Bij het horen van de getuige<br />
hebben zij niet gevraagd of hij ook racistische<br />
uitlatingen had gehoord. Ook hebben<br />
zij nagelaten de twee Bulgaarse jongens te<br />
ondervragen over een mogelijk racistische<br />
motief voor hun daden. Dit terwijl Abdu<br />
vanaf het begin had aangevoerd dat het<br />
geweld een racistisch motief had en skinheads<br />
bovendien bekend staan om hun<br />
extremistische en racistische ideologie.<br />
Ondanks dat er aannemelijk bewijs voor een<br />
mogelijk racistisch motief lag, is de accuraatheid<br />
daarvan niet onderzocht. Het Hof verwerpt<br />
het argument van de Bulgaarse regering<br />
dat zij hadden kunnen voldoen aan hun<br />
procedurele verplichtingen als klager nog<br />
andere rechtsmiddelen had ingesteld, zoals<br />
het aansprakelijk stellen van de twee Bulgaarse<br />
jongeren.<br />
D. Slotsom<br />
Met vijf stemmen tegen twee stelt het Hof<br />
een schending vast van het procedurele<br />
aspect van art. 3 EVRM, zowel zelfstandig, als<br />
in combinatie met art. 14 EVRM. De klacht<br />
over vooringenomenheid van de politieagenten<br />
wordt wegens een gebrek onderbouwing<br />
kennelijk ongegrond verklaard. Het Hof kent<br />
aan een klager een billijke genoegdoening<br />
toe van € 4000. Aan de uitspraak is een partly<br />
dissenting opinion van rechters Mahoney<br />
en Wojtyczek gehecht.<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1687
Rechtspraak<br />
Hof van Justitie van de<br />
Europese Unie<br />
Deze rubriek is verzorgd door M. Bulterman,<br />
medewerker van de Directie Juridische Zaken,<br />
Afdeling Europees Recht van het Ministerie<br />
van Buitenlandse Zaken. De volledige uitspraken<br />
van het EU-Hof zijn beschikbaar via<br />
www.curia.europa.eu.<br />
1231<br />
Arrest van 8 april 2014, C-293/12 & C-594/12<br />
(Grote kamer: L: V. Skouris, president, K.<br />
Lenaerts, vicepresident, A. Tizzano, R. Silva<br />
de Lapuerta, T. von Danwitz (rapporteur), E.<br />
Juhász, A. Borg Barthet, C. G. Fernlund en J.<br />
L.da Cruz Vilaça, kamerpresidenten, A.<br />
Rosas, G. Arestis, J.-C. Bonichot, A.<br />
Arabadjiev, C. Toader en C. Vajda, rechters)<br />
Digital Rights Ireland Ltd vs. Minister for<br />
Communications e.a. en Kärntner Landesregierung<br />
vs. Michael Seitlinger e.a.<br />
Elektronische communicatie – Richtlijn<br />
2006/24/EG – Openbaar beschikbare elektronische<br />
communicatiediensten of openbare<br />
communicatienetwerken – Bewaring<br />
van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt<br />
in het kader van aanbieding van dergelijke<br />
diensten – Geldigheid – Artikelen 7,<br />
8 en 11 van het Handvest van de grondrechten<br />
van de Europese Unie<br />
Feiten en nationale procedure<br />
Voor de Ierse rechter wordt door Digital Rights<br />
Ireland de wettigheid van de bepalingen ter<br />
omzetting van richtlijn 2006/24 betreffende<br />
de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd<br />
of verwerkt in verband met het aanbieden<br />
van openbaar beschikbare elektronischecommunicatiediensten<br />
of van openbare<br />
communicatienetwerken en tot wijziging van<br />
richtlijn 2002/58/EG (PB L 105, blz. 54, hierna:<br />
de dataretentierichtlijn) aangevochten. Op<br />
grond van de dataretentierichtlijn geldt voor<br />
telecomaanbieders een bewaarplicht van door<br />
hen gegenereerde of verwerkte gegevens. Het<br />
gaat daarbij niet om de inhoud van de communicatie,<br />
maar om bijvoorbeeld de bestemming<br />
van een communicatie, het tijdstip en<br />
de duur van de communicatie en het type<br />
communicatie. Deze gegevens moeten tenminste<br />
6 maanden worden bewaard om ze in<br />
voorkomend geval ter beschikking te stellen<br />
van de bevoegde autoriteiten. De Ierse en Oostenrijkse<br />
rechter twijfelen of de dataretentierichtlijn<br />
verenigbaar is met de bepalingen van<br />
het Handvest en besluiten hierover vragen te<br />
stellen aan het Hof van Justitie.<br />
Prejudiciële vragen<br />
Het Hof van Justitie wordt gevraagd zich uit<br />
te spreken over de geldigheid van de dataretentierichtlijn<br />
in het licht van de artikelen 7,<br />
8 en 11 van het EU-Grondrechtenhandvest.<br />
De uitspraak van het Hof<br />
Het Hof merkt op dat telecomaanbieders op<br />
grond van de datarententierichtlijn gegevens<br />
moeten bewaren die nodig zijn om de bron<br />
en de bestemming van een communicatie te<br />
traceren en te identificeren, om de datum,<br />
het tijdstip en de duur van de communicatie<br />
en het type communicatie te bepalen, om de<br />
communicatieapparatuur van de gebruikers<br />
te identificeren en om de locatie van mobiele<br />
communicatieapparatuur te bepalen. Deze<br />
gegevens omvatten met name de naam en<br />
het adres van de gebruiker, het telefoonnummer<br />
van de oproeper en het opgeroepen<br />
nummer, alsook een IP-adres voor internetdiensten.<br />
Uit deze gegevens kunnen zeer precieze<br />
conclusies worden getrokken over het<br />
privéleven van de personen van wie de gegevens<br />
zijn bewaard, zoals hun dagelijkse<br />
gewoonten, hun permanente of tijdelijke verblijfplaats,<br />
hun dagelijkse of andere verplaatsingen,<br />
de activiteiten die zij uitoefenen, hun<br />
sociale relaties en de sociale kringen waarin<br />
zij verkeren. Het Hof concludeert dat hoewel<br />
de dataretentierichtlijn niet het recht verleent<br />
om de inhoud van de communicatie te<br />
bewaren, het dus niet is uitgesloten dat de<br />
bewaring van de betrokken gegevens een<br />
invloed heeft op de wijze waarop gebruikers<br />
communicatiemiddelen gebruiken en derhalve<br />
op de wijze waarop zij hun door artikel 11<br />
van het EU-Grondrechtenhandvest gewaarborgde<br />
vrijheid van meningsuiting uitoefenen.<br />
Ook de door de artikelen 7 (privéleven)<br />
en 8 van het EU-Grondrechtenhandvest (verwerking<br />
van persoonsgegevens) gewaarborgde<br />
rechten zijn in het geding. Volgens het<br />
Hof vormt de dataretentierichtlijn een zeer<br />
ruime en bijzonder zware inmenging in deze<br />
rechten. Het Hof merkt op dat deze inmenging<br />
voldoet aan een doel van algemeen<br />
belang, namelijk de bestrijding van ernstige<br />
criminaliteit en aldus uiteindelijk tot de<br />
openbare veiligheid. Vervolgens gaat het Hof<br />
na of deze inmenging evenredig is. Wat<br />
betreft het rechterlijk toezicht merkt het Hof<br />
op dat wanneer sprake is van een inmenging<br />
in fundamentele rechten, de omvang van de<br />
beoordelingsbevoegdheid van de wetgever<br />
van de Unie beperkt kan zijn. Dit hangt af<br />
van een aantal factoren, waaronder met<br />
name het betrokken domein, de aard van het<br />
door het EU-Grondrechtenhandvest gewaarborgde<br />
recht dat aan de orde is, alsook de<br />
aard, de ernst en het doel van de inmenging<br />
(zie naar analogie met betrekking tot artikel<br />
8 EVRM, arrest EHRM, S en Marper vs. Verenigd<br />
Koninkrijk, nrs. 30562/04 en 30566/04,<br />
§ 102, CEDH 2008-V). Gelet op de belangrijke<br />
rol die de bescherming van persoonsgegevens<br />
speelt in het licht van het fundamentele<br />
recht op bescherming van het privéleven,<br />
alsook op de omvang en de ernst van de door<br />
richtlijn 2006/24 veroorzaakte inmenging in<br />
dit recht is de beoordelingsbevoegdheid van<br />
de Uniewetgever volgens het Hof in casu<br />
beperkt, zodat een strikt toezicht moet worden<br />
uitgeoefend. De dataretentierichtlijn<br />
doorstaat deze strikte toets niet.<br />
Volgens het Hof kan een doelstelling van<br />
algemeen belang als criminaliteitbestrijding,<br />
hoe wezenlijk zij ook is, niet rechtvaardigen<br />
dat een bewaringsmaatregel zoals<br />
ingevoerd in de dataretentierichtlijn noodzakelijk<br />
wordt geacht voor het voeren van<br />
deze strijd. De richtlijn strekt zich uit tot<br />
alle elektronischecommunicatiemiddelen,<br />
die een steeds belangrijker plaats innemen<br />
in het dagelijkse leven van de mensen.<br />
Bovendien ziet deze richtlijn op alle abonnees<br />
en geregistreerde gebruikers. Zij leidt<br />
dus tot inmenging in de fundamentele rechten<br />
van bijna de gehele Europese bevolking.<br />
De richtlijn is om te beginnen algemeen van<br />
toepassing op alle personen die gebruikmaken<br />
van elektronischecommunicatiediensten,<br />
zonder dat de personen van wie de<br />
gegevens worden bewaard zich echter, zelfs<br />
niet indirect, in een situatie bevinden die<br />
aanleiding kan geven tot strafrechtelijke vervolging.<br />
Verder bevat de richtlijn geen objectieve<br />
criteria ter begrenzing van de toegang<br />
van de bevoegde nationale autoriteiten tot<br />
de gegevens en het latere gebruik ervan met<br />
het oog op het voorkomen, opsporen of<br />
strafrechtelijk vervolgen van inbreuken.<br />
Bovendien plaatst het Hof kanttekeningen<br />
bij de termijn van de bewaarplicht. Deze<br />
varieert van ten minste zes maanden tot ten<br />
hoogste vierentwintig maanden, zonder dat<br />
wordt gepreciseerd dat deze termijn op basis<br />
van objectieve criteria moet worden vastgesteld<br />
om te waarborgen dat hij beperkt is tot<br />
wat strikt noodzakelijk is. Het Hof concludeert<br />
dat de datarententierichtlijn geen duidelijke<br />
en precieze regels bevat betreffende<br />
de omvang van de inmenging in de door de<br />
artikelen 7 en 8 van het EU-Grondrechtenhandvest<br />
erkende fundamentele rechten.<br />
Vastgesteld moet dus worden dat deze richtlijn<br />
een zeer ruime en bijzonder zware<br />
inmenging in deze fundamentele rechten in<br />
de rechtsorde van de Unie impliceert, zonder<br />
dat deze inmenging nauwkeurig is omkaderd<br />
door bepalingen die kunnen waarborgen<br />
dat zij daadwerkelijk beperkt is tot het<br />
strikt noodzakelijke.<br />
1688 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Rechtspraak<br />
Conclusie<br />
De dataretentierichtlin is ongeldig.<br />
1232<br />
Arrest van 15 mei 2014, C-521/12<br />
(Tweede kamer: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident,<br />
J. L. da Cruz Vilaça, G. Arestis<br />
(rapporteur), J.C. Bonichot en A. Arabadjiev,<br />
rechters)<br />
T.C. Briels e.a. vs. Minister van Infrastructuur<br />
en Milieu<br />
Milieu – Richtlijn 92/43/EEG – Artikel 6,<br />
leden 3 en 4 – Instandhouding van natuurlijke<br />
habitats – Speciale beschermingszones<br />
– Beoordeling van gevolgen van plan of<br />
project voor beschermd gebied – Vergunning<br />
voor plan of project voor beschermd<br />
gebied – Compenserende maatregelen –<br />
Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven,<br />
Moerputten & Bossche Broek’ – Project voor<br />
tracé van Rijksweg A2, s-Hertogenbosch-<br />
Eindhoven<br />
Feiten en nationale procedure<br />
Op 6 juni 2011 heeft de minister van I&M<br />
een besluit betreffende de verbreding van<br />
het tracéproject Rijksweg A2 vastgesteld. Dit<br />
project heeft negatieve gevolgen voor het<br />
Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten<br />
en Bossche Broek’. Dit gebied is door de<br />
Nederlandse autoriteiten als een speciale<br />
beschermingszone aangewezen voor onder<br />
meer het habitattype ‘blauwgraslanden’. Om<br />
de impact van dit project op het milieu te<br />
verminderen wordt bij besluit van 25 januari<br />
2012 een aantal maatregelen genomen. Zo<br />
voorziet het tracéproject Rijksweg A2 in de<br />
verbetering van de hydrologische situatie in<br />
de zone ‘Vlijmens Ven’, waardoor de blauwgraslanden<br />
binnen dit gebied kunnen worden<br />
uitgebreid. Volgens de minister kan op<br />
die manier de omvang en de kwaliteit van de<br />
blauwgraslanden worden verhoogd ten<br />
opzichte van het bestaande areaal. Aan de<br />
instandhoudingsdoelstellingen voor dit type<br />
habitat wordt dus voldaan doordat nieuwe<br />
blauwgraslanden worden aangelegd. Briels<br />
e.a. zijn het hier niet mee eens en stellen<br />
beroep in tegen de twee besluiten van de<br />
minister bij de Afdeling bestuursrechtspraak<br />
van de Raad van State. Volgen hen kon de<br />
minister het tracéproject Rijksweg A2 niet<br />
vaststellen, gelet op de negatieve gevolgen<br />
van de verbreding van de snelweg A2 voor<br />
het betrokken Natura 2000-gebied. Zij betogen<br />
dat de ontwikkeling van nieuwe blauwgraslanden<br />
niet in aanmerking had mogen<br />
worden genomen ter beantwoording van de<br />
vraag of de natuurlijke kenmerken van dit<br />
gebied worden aangetast. De minister is<br />
daarentegen van mening dat ingeval een<br />
project negatieve gevolgen kan hebben voor<br />
een bestaand areaal van een beschermd<br />
habitattype in een Natura 2000-gebied, bij de<br />
beoordeling of er sprake is van aantasting<br />
van de natuurlijke kenmerken van dat gebied<br />
betekenis toekomt aan de omstandigheid dat<br />
in hetzelfde gebied een areaal van gelijke of<br />
grotere omvang van dat habitattype tot ontwikkeling<br />
zal worden gebracht op een locatie<br />
waar dit habitattype geen negatieve gevolgen<br />
van het project zal ondervinden. Kern van<br />
het geschil tussen Briels en de minister<br />
betreft de vraag op welke wijze dient te worden<br />
beoordeeld of de natuurlijke kenmerken<br />
van het gebied in kwestie worden aangetast<br />
in de zin van artikel 6, lid 3, van richtlijn<br />
92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992<br />
inzake de instandhouding van de natuurlijke<br />
habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206,<br />
blz. 7; hierna: habitatrichtlijn). De Raad van<br />
State besluit deze vraag aan het Hof van Justitie<br />
voor te leggen.<br />
Prejudiciële vragen<br />
De Raad van State legt de vraag voor of artikel<br />
6, lid 3, van de habitatrichtlijn aldus moet<br />
worden uitgelegd dat een plan of een project<br />
dat niet direct verband houdt met of nodig is<br />
voor het beheer van een gebied van communautair<br />
belang, dat negatieve gevolgen heeft<br />
voor een type natuurlijke habitat dat in dit<br />
gebied voorkomt, en dat voorziet in maatregelen<br />
voor de ontwikkeling van een areaal<br />
van gelijke of grotere omvang van dat habitattype<br />
in dit gebied, de natuurlijke kenmerken<br />
van dat gebied aantast, en of dergelijke<br />
maatregelen in voorkomend geval als ‘compenserende<br />
maatregelen’ in de zin van lid 4<br />
van dit artikel kunnen worden aangemerkt.<br />
De uitspraak van het Hof<br />
Het Hof verwijst naar zijn arrest Sweetman<br />
(C258/11, punt 39) waarin het heeft geoordeeld<br />
een ingreep geen aantasting van de<br />
natuurlijke kenmerken van een gebied meebrengt,<br />
indien dat gebied wordt bewaard in<br />
een gunstige staat van instandhouding, hetgeen<br />
neerkomt op het duurzame behoud van<br />
de bepalende kenmerken van het betrokken<br />
gebied die verband houden met de aanwezigheid<br />
van een type natuurlijke habitat waarvan<br />
de instandhoudingsdoelstelling rechtvaardigde<br />
dat dit gebied in de lijst van gebieden van<br />
communauteir belang (GCB) in de zin van de<br />
habitatrichtlijn werd opgenomen.<br />
In het hoofdgeding staat vast dat het betrokken<br />
Natura 2000-gebied door de Commissie<br />
als GCB en door het Koninkrijk der Nederlanden<br />
als speciale beschermingszone is aangewezen,<br />
met name wegens de aanwezigheid in<br />
dit gebied van het natuurlijke habitattype<br />
‘blauwgraslanden. Bovendien blijkt dat het<br />
tracéproject Rijksweg A2 significante negatieve<br />
gevolgen heeft voor de ‘blauwgraslanden’,<br />
wegens de uitdroging en de verzuring van de<br />
bodem door stikstofdepositie. Dit betekent<br />
volgens het Hof dat het project het duurzame<br />
behoud van de wezenlijke kenmerken<br />
van het betrokken Natura 2000-gebied in<br />
gevaar dreigt te brengen en bijgevolg de<br />
natuurlijke kenmerken van het gebied kan<br />
aantasten in de zin van artikel 6, lid 3, van de<br />
habitatrichtlijn. De door de minister voorgestelde<br />
beschermingsmaatregelen doen niet<br />
af aan die vaststelling. De beschermingsmaatregelen<br />
die in een project worden opgenomen<br />
om de schadelijke gevolgen van dit<br />
project voor een Natura 2000-gebied te compenseren,<br />
kunnen volgens het Hof bij de<br />
door artikel 6, lid 3, opgelegde beoordeling<br />
van de gevolgen van dit project niet in aanmerking<br />
worden genomen. Het Hof constateert<br />
dat de maatregelen van de minister er<br />
niet toe strekken om de significante negatieve<br />
gevolgen die voor het habitattype ‘blauwgraslanden’<br />
rechtstreeks uit het tracéproject<br />
Rijksweg A2 voortvloeien, te voorkomen of te<br />
verminderen, maar beogen deze gevolgen<br />
nadien te compenseren. In die omstandigheden<br />
kunnen die maatregelen niet garanderen<br />
dat het project de natuurlijke kenmerken van<br />
dit gebied niet zal aantasten in de zin van<br />
artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn. Het<br />
Hof wijst er bovendien op dat de eventuele<br />
positieve gevolgen van het achteraf tot ontwikkeling<br />
brengen van een nieuwe habitat<br />
waarmee het verlies aan oppervlakte en kwaliteit<br />
van ditzelfde type habitat in een<br />
beschermd gebied dient te worden gecompenseerd<br />
in de regel onzeker zijn, en dat deze<br />
gevolgen hoe dan ook slechts binnen enkele<br />
jaren zichtbaar zullen worden. Bijgevolg kan<br />
daarmee in het kader van de bij artikel 6, lid<br />
3, vastgestelde procedure geen rekening worden<br />
gehouden. Het ondermijnt volgens het<br />
Hof bovendien de nuttige werking van de in<br />
artikel 6 van de habitatrichtlijn indien de<br />
bevoegde nationale instantie via zogenoemde<br />
‘mitigerende’ maatregelen die in werkelijkheid<br />
compenserende maatregelen zijn, de in<br />
dit artikel vastgelegde specifieke procedures<br />
ontwijkt door krachtens lid 3 van dat artikel<br />
projecten toe te staan die de natuurlijke kenmerken<br />
van het betrokken gebied aantasten.<br />
Dit betekent dat de maatregelen van minister<br />
als compenserende maatregelen in de zin<br />
van artikel 6, lid 4 van de habitatrichtlijn<br />
kunnen worden aangemerkt, mits de bij deze<br />
bepaling gestelde voorwaarden zijn vervuld.<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1689
Rechtspraak<br />
Conclusie<br />
Artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn moet<br />
aldus worden uitgelegd dat een plan of een<br />
project dat niet direct verband houdt met of<br />
nodig is voor het beheer van een gebied van<br />
communautair belang, dat negatieve gevolgen<br />
heeft voor een in dit gebied voorkomend type<br />
natuurlijke habitat en dat voorziet in maatregelen<br />
voor het tot ontwikkeling brengen in<br />
dit gebied van een areaal van gelijke of grotere<br />
omvang van dit habitattype, de natuurlijke<br />
kenmerken van dat gebied aantast. Deze<br />
maatregelen kunnen in voorkomend geval<br />
slechts als ‘compenserende maatregelen’ in de<br />
zin van lid 4 van dit artikel worden aangemerkt,<br />
voor zover de bij deze bepaling gestelde<br />
voorwaarden vervuld zijn.<br />
Hoge Raad (civiele kamer)<br />
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. G.C.C.<br />
Lewin, lid van het Gemeenschappelijk Hof<br />
van Justitie van het Caribische deel van het<br />
Koninkrijk. De uitspraken zijn integraal in te<br />
zien op www.rechtspraak.nl.<br />
1233<br />
13 juni 2014, nr. 13/02097<br />
(Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, M.V.<br />
Polak, T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr.<br />
L.A.D. Keus)<br />
ECLI:NL:HR:2014:1402<br />
Curaçao. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap.<br />
Pensioenverrekening. HR: Naar<br />
het (toenmalige) recht van de Nederlandse<br />
Antillen geldt voor pensioenverrekening de<br />
Boon vs. Van Loon-maatstaf. Deze maatstaf<br />
laat de rechter een grote mate van vrijheid.<br />
Het hof heeft zijn oordeel dat pensioenverrekening<br />
achterwege moet blijven, gebaseerd<br />
op feiten en omstandigheden die dat<br />
oordeel kunnen dragen.<br />
(BW art. 1:100, 3:166 lid 3, 6 lid 2)<br />
De vrouw, adv. mr. M.E. Bruning, vs. de man,<br />
niet verschenen.<br />
Feiten en procesverloop<br />
Partijen zijn in 1993 in algehele gemeenschap<br />
van goederen gehuwd en in 2011<br />
gescheiden.<br />
In dit Curaçaose geding heeft de vrouw vaststelling<br />
van partneralimentatie en verdeling<br />
van de pensioenrechten van de man verzocht.<br />
Het gerecht heeft de verzoeken afgewezen.<br />
Het hof heeft de partneralimentatie alsnog<br />
vastgesteld op NAF 250 per maand en de<br />
beslissing over de pensioenrechten bevestigd.<br />
Hoge Raad<br />
Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt<br />
dat pensioenrechten - waaronder niet<br />
zijn begrepen aanspraken krachtens de AOV -<br />
in de huwelijksgoederengemeenschap vallen.<br />
Het (toenmalige) recht van de Nederlandse<br />
Antillen kent niet een met de in Nederland<br />
geldende Wet verevening pensioenrechten<br />
bij scheiding vergelijkbare wettelijke regeling.<br />
Derhalve geldt voor verrekening van<br />
pensioenrechten zoals hier aan de orde de<br />
maatstaf van HR 27 november 1981,<br />
ECLI:NL:HR:1981:AG4271, NJ 1982/503 (Boon<br />
vs. Van Loon). Deze maatstaf laat de rechter<br />
een grote mate van vrijheid bij de beantwoording<br />
van de vraag of en in hoeverre verrekening<br />
van pensioenrechten in een<br />
bepaald geval dient plaats te vinden. De<br />
eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen,<br />
gelet op de omstandigheden van het geval,<br />
meebrengen dat verrekening van pensioenrechten<br />
achterwege blijft. Het hof heeft zijn<br />
oordeel dat pensioenverrekening achterwege<br />
moet blijven, gebaseerd op de omstandigheden<br />
1. dat het hier gaat om een bescheiden<br />
pensioen, 2. dat tussen partijen een groot<br />
leeftijdsverschil bestaat, 3. dat van de man,<br />
die 62 jaar is, niet kan worden verwacht dat<br />
hij betaalde arbeid verricht, 4. dat de vrouw,<br />
die 48 jaar is, geacht wordt haar verdiencapaciteit<br />
te benutten, en 5. dat het hier geen eerste<br />
huwelijk betreft. Het hof heeft zijn oordeel<br />
aldus gegrond op een afweging van<br />
feiten en omstandigheden in hun onderlinge<br />
samenhang beschouwd. Deze feiten en<br />
omstandigheden kunnen het oordeel van het<br />
hof dragen.<br />
Volgt verwerping.<br />
De A-G concludeert tot vernietiging en terugwijzing.<br />
Hij meent dat het hof zijn oordeel dat<br />
pensioenverrekening achterwege moet blijven,<br />
heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden<br />
die dat oordeel niet zonder meer kunnen dragen<br />
(2.13).<br />
1234<br />
13 juni 2014, nr. 13/03768<br />
(Mrs. E.J. Numann, A.H.T. Heisterkamp, G.<br />
Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den<br />
Broek; A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent)<br />
ECLI:NL:HR:2014:1384<br />
Procesrecht. 1. Afwijking van rolbeslissing.<br />
Het hof heeft hetzij ten onrechte geconstateerd<br />
dat geïntimeerden een akte hebben<br />
genomen, hetzij nagelaten te vermelden dat<br />
en op welke grond het is afgeweken van de<br />
rolbeslissing waarbij de akte is geweigerd.<br />
2. Motivering. Het hof heeft niet kenbaar<br />
geoordeeld over een tegen de afwijzing van<br />
de reconventionele vordering gerichte grief.<br />
In zijn overwegingen ligt niet besloten dat<br />
die vordering diende te worden afgewezen.<br />
(Rv art. 19, 20, 82; RO art. 79 lid 1)<br />
A c.s., adv. mr. M.J. van Basten Batenburg, vs.<br />
Dudok v.s., adv. mr. B. Winters.<br />
Feiten en procesverloop<br />
In 1913 is een erfdienstbaarheid gevestigd<br />
waarin beperkingen worden gesteld aan de<br />
mogelijkheden tot bebouwing van een terrein.<br />
In 2007 hebben Dudok c.s. dat terrein<br />
verworven. A c.s. zijn eigenaren van een in de<br />
nabijheid gelegen perceel.<br />
In dit geding hebben Dudok c.s. primair een<br />
verklaring voor recht gevorderd dat A c.s. aan<br />
de erfdienstbaarheid geen rechten kunnen<br />
ontlenen en subsidiair opheffing van de erfdienstbaarheid.<br />
In reconventie hebben A c.s.<br />
schadevergoeding in verband met de opheffing<br />
van de erfdienstbaarheid gevorderd, op<br />
te maken bij staat. De rechtbank heeft de vorderingen<br />
van Dudok c.s. grotendeels toegewezen<br />
en de reconventionele vordering afgewezen.<br />
Het hof heeft bij tussenarrest de zaak<br />
naar de rol verwezen voor akte zijdens Dudok<br />
c.s. Bij eindarrest heeft het hof vermeld dat<br />
Dudok c.s. een akte hebben genomen en het<br />
vonnis van de rechtbank bekrachtigd.<br />
Hoge Raad<br />
Onderdeel 1 klaagt erover dat het hof de akte<br />
van Dudok c.s. in de beoordeling heeft<br />
betrokken. Het voert daartoe aan dat de rolraadsheer<br />
de akte heeft geweigerd. Het<br />
onderdeel slaagt. A c.s. hebben rolberichten<br />
van het hof overgelegd die geen andere conclusie<br />
toelaten dan dat de akte is geweigerd,<br />
dat de zaak naar de rol van 27 november<br />
2013 is verwezen om Dudok c.s. in de gelegenheid<br />
te stellen een gewijzigde akte te<br />
nemen en dat op die rol is geconstateerd dat<br />
Dudok c.s. de akte niet hebben genomen.<br />
Deze gang van zaken wordt bevestigd door<br />
de inlichtingen die de A-G ambtshalve bij het<br />
hof heeft ingewonnen. De overgelegde stukken<br />
en ingewonnen inlichtingen bieden geen<br />
aanknopingspunt voor de veronderstelling<br />
dat de rolraadsheer de akte slechts gedeeltelijk<br />
zou hebben geweigerd. Aldus heeft het<br />
hof hetzij ten onrechte geconstateerd dat<br />
Dudok c.s. een akte hebben genomen en vervolgens<br />
die akte in zijn beoordeling betrokken,<br />
hetzij nagelaten te vermelden dat en op<br />
welke grond het is afgeweken van de rolbeslissing<br />
waarbij de akte is geweigerd. Onderdeel<br />
2 verwijt het hof dat het niet, althans<br />
niet gemotiveerd, heeft beslist op grief VIII<br />
die opkwam tegen de afwijzing door de<br />
rechtbank van de vordering van A c.s. in<br />
1690 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Rechtspraak<br />
reconventie. Dit onderdeel slaagt eveneens. A<br />
c.s. hebben in de toelichting op grief VIII<br />
betoogd dat hun woning door realisatie van<br />
de bouwplannen in waarde zal dalen en hebben<br />
hiervan bewijs aangeboden. Het hof<br />
heeft niet kenbaar over deze grief geoordeeld<br />
en evenmin kan worden gezegd dat in de<br />
overwegingen van zijn arrest besloten ligt<br />
dat de vordering in reconventie, ook na de<br />
onderbouwing daarvan in hoger beroep,<br />
diende te worden verworpen. Na verwijzing<br />
dient zo nodig alsnog over deze vordering te<br />
worden geoordeeld.<br />
Volgt vernietiging en verwijzing, overeenkomstig<br />
de conclusie van de A-G.<br />
De A-G meent dat in de overwegingen van het<br />
hof besloten ligt dat de reconventionele vordering<br />
diende te worden afgewezen<br />
(ECLI:NL:PHR:2014:296, onder 2.13).<br />
13 juni 2014, nr. 13/03767<br />
(Mrs. E.J. Numann, A.H.T. Heisterkamp, G.<br />
Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den<br />
Broek; A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent)<br />
ECLI:NL:HR:2014:1383<br />
Procesrecht. Samenhang met HR 13 juni<br />
2014, nr. 13/03768, ECLI:NL:HR:2014:1384,<br />
hiervóór afgedrukt, met de eigenaren van<br />
een ander perceel als partij. HR: 1. Geen<br />
afwijking van rolbeslissing. In deze zaak<br />
heeft de rolraadsheer de akte van geïntimeerden<br />
niet geweigerd. 2. Motivering.<br />
Gelijke beslissing als in de andere zaak.<br />
(Rv art. 19, 20, 82; RO art. 79 lid 1).<br />
1235<br />
13 juni 2014, nr. 13/04169<br />
(Mrs. F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, C.E. Drion,<br />
G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek; A-G<br />
mr. E.M. Wesseling-van Gent)<br />
ECLI:NL:HR:2014:1403<br />
Enquêterecht. Onderzoeker. Inrichting van<br />
het onderzoek. Een belanghebbende verzoekt<br />
de ondernemingskamer de onderzoeker<br />
te bevelen a. een kopie te verstrekken<br />
van de opnames die de onderzoeker heeft<br />
gemaakt van interviews en b. gespreksverslagen<br />
aan te passen. HR: 1. Belanghebbende.<br />
De onderzoeker is niet te beschouwen<br />
als partij of belanghebbende. 2. Vastgelegde<br />
verklaringen. Van de onderzoeker die verklaringen<br />
van gehoorde personen vastlegt,<br />
mag worden verwacht dat hij de vastlegging<br />
doet toekomen aan de gehoorde persoon<br />
en deze gelegenheid biedt daarover<br />
opmerkingen te maken. De onderzoeker<br />
dient in zijn verslag te vermelden dat de<br />
gehoorde persoon opmerkingen heeft<br />
gemaakt. Indien de onderzoeker verklaringen<br />
vastlegt met audiovisuele middelen,<br />
mag in beginsel worden verwacht dat hij de<br />
gehoorde persoon desgevraagd gelegenheid<br />
geeft de opname te zien of te beluisteren,<br />
opdat deze opmerkingen kan maken. De<br />
gehoorde persoon heeft geen aanspraak op<br />
een kopie van de beeld- of geluidsopname,<br />
noch op aanpassing van het gespreksverslag.<br />
(BW art. 2:345 lid 1, 2:350 lid 4, 2:351, 2:352<br />
en 2:352a; Rv art. 426b lid 1)<br />
Energie Concurrent, adv. mr. J.W.H. van Wijk,<br />
vs. Eneco, adv. mrs. F.E. Vermeulen en B.F.<br />
Assink, en Greenchoice en X, niet verschenen.<br />
Procesverloop<br />
In dit geding heeft de ondernemingskamer<br />
op verzoek van Eneco een onderzoek bevolen<br />
naar het beleid en de gang van zaken van<br />
Greenchoice. De onderzoeker mr. P. Cronheim<br />
heeft A c.s. gehoord, die indirect bestuurders<br />
van Greenchoice zijn geweest. Energie Concurrent<br />
is bestuurder van Greenchoice en<br />
heeft de ondernemingskamer verzocht de<br />
onderzoeker te bevelen a. een kopie te verstrekken<br />
van de opnames die zijn gemaakt<br />
van de interviews met A c.s., en b. de verslagen<br />
van de gesprekken met A c.s. zodanig<br />
aan te passen dat alle opmerkingen die zij<br />
hebben gemaakt en na het beluisteren van<br />
de opnames nog zullen maken, en alle wijzigingen<br />
die zij hebben voorgesteld en na het<br />
beluisteren van de opnames nog zullen voorstellen,<br />
daarin zijn verwerkt. De ondernemingskamer<br />
heeft de verzoeken afgewezen.<br />
Hiertegen heeft Energie Concurrent cassatieberoep<br />
ingesteld. De A-G heeft in haar eerste<br />
conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:72) geconcludeerd<br />
tot rolverwijzing om de onderzoeker in<br />
de gelegenheid te stellen een verweerschrift<br />
in te dienen. De rolraadsheer heeft als beslissing<br />
van de Hoge Raad meegedeeld dat de<br />
onderzoeker niet wordt opgeroepen.<br />
Hoge Raad<br />
Voor de beslissing van de Hoge Raad dat de<br />
onderzoeker niet wordt opgeroepen is redengevend<br />
dat de onderzoeker zijn onderzoek<br />
verricht in opdracht en naar de aanwijzingen<br />
van de ondernemingskamer. Als een belanghebbende<br />
de ondernemingskamer vraagt aan<br />
de onderzoeker bepaalde aanwijzingen te<br />
geven, zal de ondernemingskamer alvorens<br />
te beslissen de onderzoeker in de gelegenheid<br />
kunnen stellen daarop te reageren. Als<br />
de onderzoeker hiervan gebruik maakt,<br />
brengt dat evenwel niet mee dat hij nadien,<br />
als een verzoeker of belanghebbende in cassatie<br />
komt van de beslissing van de ondernemingskamer,<br />
is te beschouwen als een partij<br />
of belanghebbende die in de vorige instantie<br />
is verschenen in de zin van art. 426b lid 1 Rv.<br />
Het voorgaande is niet anders onder het<br />
sinds 1 januari 2013 geldende enquêterecht,<br />
waarin is bepaald dat de ondernemingskamer<br />
bij de benoeming van de onderzoeker<br />
tevens een raadsheer-commissaris benoemt<br />
die aan de onderzoeker aanwijzingen kan<br />
geven met het oog op de goede gang van het<br />
onderzoek (art. 2:350 lid 4 BW).<br />
Bij de beoordeling van de cassatieklachten<br />
wordt het volgende vooropgesteld. De door de<br />
ondernemingskamer benoemde onderzoeker<br />
heeft op de voet van art. 2:345 lid 1 BW tot<br />
taak een onderzoek in te stellen naar het<br />
beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon.<br />
De onderzoeksbevoegdheden van de<br />
onderzoeker zijn in de wet summier geregeld<br />
(de art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). De onderzoeker<br />
is, behoudens eventuele aanwijzingen<br />
van de ondernemingskamer - en inmiddels<br />
ook: de raadsheer-commissaris (art. 2:351 lid 4<br />
BW) -, in beginsel vrij in de inrichting van het<br />
onderzoek en het verslag. Er zijn geen wettelijke<br />
voorschriften met betrekking tot de verslaglegging<br />
van verklaringen van personen<br />
die door de onderzoeker worden gehoord. De<br />
Ondernemingskamer heeft ‘Aandachtspunten,<br />
aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers’<br />
opgesteld (www.rechtspraak.nl; volgt een<br />
citaat daaruit). Verklaringen van door de<br />
onderzoeker gehoorde personen zijn in het<br />
algemeen van invloed op diens bevindingen<br />
in het verslag. Daarmee kunnen zij ook van<br />
invloed zijn op de oordeelsvorming van de<br />
ondernemingskamer indien een tweedefaseprocedure<br />
volgt. Tegen de achtergrond van het<br />
voorgaande mag van de onderzoeker die verklaringen<br />
van door hem gehoorde personen<br />
(schriftelijk of elektronisch) vastlegt, worden<br />
verwacht dat hij de vastlegging doet toekomen<br />
aan de gehoorde persoon en aan deze<br />
persoon gelegenheid biedt binnen een door<br />
de onderzoeker te stellen redelijke termijn<br />
daarover opmerkingen te maken. Indien de<br />
gehoorde persoon zodanige opmerkingen<br />
maakt, is het aan de onderzoeker om te bepalen<br />
of en in hoeverre hij deze in de vastlegging<br />
verwerkt. De onderzoeker dient in zijn<br />
verslag in elk geval melding te maken van het<br />
feit dat de gehoorde persoon opmerkingen<br />
over de vastlegging heeft gemaakt. Indien de<br />
onderzoeker aanleiding ziet verklaringen van<br />
door hem gehoorde personen vast te leggen<br />
met audiovisuele middelen, mag voorts in<br />
beginsel van de onderzoeker worden verwacht<br />
dat hij de gehoorde persoon desgevraagd gelegenheid<br />
geeft de opname te zien of te beluisteren,<br />
opdat de gehoorde persoon opmerkin-<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1691
Rechtspraak<br />
gen kan maken naar aanleiding van de<br />
vastgelegde verklaring. Behoudens andersluidende<br />
aanwijzingen van de ondernemingskamer<br />
of de raadsheer-commissaris, is het aan<br />
de onderzoeker om te bepalen op welke wijze<br />
hij hiertoe gelegenheid biedt. Op de onderzoeker<br />
rust in beginsel niet de verplichting om<br />
een kopie van de opname aan de gehoorde<br />
persoon ter beschikking te stellen. Gezien het<br />
voorgaande gaan de klachten uit van eisen die<br />
niet voortvloeien uit de wettelijke taak en<br />
bevoegdheden van de onderzoeker of de van<br />
de onderzoeker te verlangen zorgvuldigheid<br />
in de inrichting en verslaglegging van het<br />
onderzoek. Bovendien is het niet aan Energie<br />
Concurrent, maar aan A c.s. als gehoorde personen,<br />
om desgewenst bij de onderzoeker<br />
opmerkingen te maken naar aanleiding van<br />
de vastlegging van de eigen verklaring, al dan<br />
niet na het beluisteren van de opname daarvan.<br />
Ook A c.s. hebben echter, gelet op hetgeen<br />
hiervoor is vooropgesteld, geen aanspraak op<br />
een kopie van de geluidsopname van de eigen<br />
verklaring, noch op aanpassing van het verslag<br />
daarvan overeenkomstig ieders opmerkingen.<br />
De slotsom is dat de klachten falen.<br />
Volgt verwerping, overeenkomstig de tweede<br />
conclusie van de A-G (ECLI:NL:PHR:2014:287).<br />
De A-G bespreekt de taak van de onderzoeker<br />
(3.3-3.7), de inrichting van het onderzoek (3.8-<br />
3.16), de functie van gespreksverslagen (3.17-<br />
3.24) en de positie van de onderzoeker in vergelijking<br />
met die van de deskundige in een<br />
civiele procedure (3.25-3.27).<br />
1236<br />
13 juni 2014, nr. 13/04341<br />
(Mrs. E.J. Numann, C.A. Streefkerk, A.H.T.<br />
Heisterkamp, G. Snijders, T.H. Tanja-van den<br />
Broek; A-G mr. M.H. Wissink)<br />
ECLI:NL:HR:2014:1385<br />
Prejudiciële vraag. Koop op afbetaling.<br />
Dient een telefoonabonnement waarbij de<br />
consument een ‘gratis’ mobiele telefoon<br />
ontvangt, te worden aangemerkt als koop<br />
op afbetaling En tevens als krediettransactie/kredietovereenkomst<br />
HR: In beginsel<br />
wel, tenzij de aanbieder stelt en zo nodig<br />
aannemelijk maakt dat de verschuldigde<br />
abonnementskosten niet (mede) strekken<br />
tot afbetaling van de telefoon.<br />
(BW art. 3:41, 7:57 lid 1, 7:58 lid 2, 7:73 lid 2,<br />
7A:1576; Wck (oud) art. 1, 4 lid 1; Wft art.<br />
1:20, 4:32-34; Rv art. 392, 393)<br />
A, adv. mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, vs. B,<br />
adv. mr. K. Aantjes, met als indieners van<br />
schriftelijke opmerkingen: CAIW c.s., mr. E.M.<br />
Tjon-En-Fa.<br />
Feiten en procesverloop<br />
In 2010 heeft B in een belwinkel twee overeenkomsten<br />
(telefoonabonnementen) gesloten<br />
met KPN. In beide gevallen heeft zij bij<br />
het afsluiten van het abonnement een<br />
mobiele telefoon ontvangen met een verkoopwaarde<br />
van ongeveer € 475. B heeft de<br />
facturen ter zake van beide abonnementen<br />
gedeeltelijk onbetaald gelaten. In 2011 heeft<br />
B de vernietiging van de overeenkomsten<br />
ingeroepen op de grond dat deze niet voldoen<br />
aan de Wet op het consumentenkrediet<br />
(hierna: Wck). KPN heeft haar vordering op B<br />
overgedragen aan A.<br />
In dit geding heeft A betaling gevorderd van<br />
het onbetaald gebleven gedeelte van de facturen.<br />
De kantonrechter heeft een prejudiciële<br />
vraag gesteld aan de Hoge Raad.<br />
Hoge Raad<br />
De vraag heeft in het bijzonder betrekking<br />
op overeenkomsten<br />
a. die gesloten zijn tussen enerzijds een in<br />
het kader van zijn beroep of bedrijf handelende<br />
(rechts)persoon (hierna: de aanbieder)<br />
en anderzijds een natuurlijk persoon die<br />
handelt voor doeleinden die buiten zijn<br />
beroeps- of bedrijfsactiviteiten vallen (hierna:<br />
de consument),<br />
b. en waarbij een abonnement wordt afgesloten<br />
voor mobiele telefonie met eventuele<br />
daarmee verbonden diensten, met een<br />
bepaalde (minimum)looptijd van meer dan<br />
drie maanden,<br />
c. en waarbij gekoppeld aan het abonnement<br />
een mobiele telefoon ‘gratis’ (dat wil zeggen<br />
zonder dat daarvoor een bepaald bedrag als<br />
vergoeding tot uitdrukking is gebracht) ter<br />
beschikking van de consument wordt gesteld,<br />
welke telefoon eigendom van de consument<br />
wordt of (onder de opschortende voorwaarde<br />
van betaling van de overeengekomen termijnen)<br />
kan worden.<br />
Een dergelijke overeenkomst wordt hierna<br />
aangeduid als een ‘telefoonabonnement<br />
inclusief toestel’. De prejudiciële vraag stelt<br />
aan de orde of een telefoonabonnement<br />
inclusief toestel moet worden aangemerkt:<br />
1. als koop op afbetaling (in de zin van art.<br />
7A:1576 e.v. BW);<br />
2. als krediettransactie (in de zin van de Wck<br />
(oud));<br />
3. als kredietovereenkomst (in de zin van<br />
Titel 2A van Boek 7 BW).<br />
Voor een bevestigende beantwoording is telkens<br />
vereist dat de overeengekomen maandelijkse<br />
betalingen van de consument mede<br />
aangemerkt kunnen worden als (deel)betalingen<br />
ter zake van een koopsom voor de mobiele<br />
telefoon. De prejudiciële vraagstelling is<br />
kennelijk ingegeven door de omstandigheid<br />
dat, volgens de letterlijke tekst van de desbetreffende<br />
overeenkomst, de telefoon om niet<br />
ter beschikking wordt gesteld en de maandelijkse<br />
betalingen slechts betrekking hebben<br />
op het gebruik door de consument van de<br />
telecommunicatiediensten van de aanbieder.<br />
De vraag of een telefoonabonnement inclusief<br />
toestel aangemerkt kan worden als koop<br />
op afbetaling, krediettransactie of kredietovereenkomst<br />
ter zake van de mobiele telefoon,<br />
moet evenwel mede beoordeeld worden<br />
aan de hand van de strekking van de overeenkomst<br />
(of het samenstel van overeenkomsten).<br />
Nu het bij de hier bedoelde wettelijke<br />
regelingen gaat om bepalingen die ten doel<br />
hebben consumenten te beschermen, met<br />
name tegen overkreditering, komt bij het<br />
vaststellen van de strekking van de desbetreffende<br />
overeenkomsten bijzonder gewicht toe<br />
aan het perspectief en de belangen van de<br />
consument. De gebezigde vormgeving, benaming<br />
en formulering van de overeenkomsten<br />
- die door de aanbieder worden bepaald en<br />
niet door de consument - kunnen niet beslissend<br />
zijn, omdat anders de beoogde bescherming<br />
van de consument zou kunnen worden<br />
ontgaan. Voor een consument vertegenwoordigt<br />
een nieuwe mobiele telefoon in het algemeen,<br />
zowel in absolute zin als in verhouding<br />
tot de voor het gebruik van telecommunicatiediensten<br />
maandelijks te betalen kosten,<br />
een aanzienlijke waarde. Daarom moet worden<br />
aangenomen dat een consument doorgaans<br />
tot het afsluiten van een nieuw telefoonabonnement<br />
inclusief toestel overgaat<br />
mede met het oog op het in eigendom verkrijgen<br />
van een dergelijke mobiele telefoon.<br />
In het algemeen zal hij, gelet op de waarde<br />
van de telefoon, niet (mogen) verwachten dat<br />
hij deze daadwerkelijk geheel kosteloos verkrijgt,<br />
maar ermee rekening (moeten) houden<br />
dat in de overeengekomen maandelijkse<br />
betalingen een vergoeding voor de mobiele<br />
telefoon is verwerkt. Omgekeerd geldt ook<br />
voor de aanbieder dat de door hem gemaakte<br />
inkoopkosten voor de mobiele telefoon in het<br />
algemeen geheel of voor een (aanzienlijk)<br />
gedeelte terugverdiend zullen (moeten) worden<br />
uit de door de consument te betalen<br />
maandelijkse abonnementskosten. Gelet op<br />
het voorgaande is het het meest in overeenstemming<br />
met de financiële en bedrijfseconomische<br />
werkelijkheid, de verwachtingen<br />
die partijen mogen hebben en de consumentenbeschermende<br />
strekking van de hiervoor<br />
bedoelde wettelijke regelingen, om tot uitgangspunt<br />
te nemen dat de overeengekomen,<br />
door de consument te betalen maandbedragen<br />
niet alleen betrekking hebben op de vergoeding<br />
voor de door deze af te nemen tele-<br />
1692 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Rechtspraak<br />
communicatiediensten, maar mede strekken<br />
tot afbetaling van een koopprijs voor de<br />
mobiele telefoon. Dat brengt mee dat een<br />
telefoonabonnement inclusief toestel, zoals<br />
hiervoor omschreven, ter zake van de mobiele<br />
telefoon in beginsel is aan te merken als<br />
een koop op afbetaling, en tevens als een krediettransactie<br />
dan wel kredietovereenkomst.<br />
Het ligt op de weg van de aanbieder om feiten<br />
en omstandigheden te stellen en zo<br />
nodig aannemelijk te maken, waaruit volgt<br />
dat de maandelijkse betalingen van de consument<br />
ter zake van een bepaald telefoonabonnement<br />
inclusief toestel niet (mede) strekken<br />
tot vergoeding van de door de consument in<br />
eigendom te verkrijgen mobiele telefoon.<br />
Daartoe zal aannemelijk gemaakt moeten<br />
worden dat door de consument daadwerkelijk<br />
niet betaald behoeft te worden voor het verkrijgen<br />
van de mobiele telefoon. Ter zake van<br />
een telefoonabonnement inclusief toestel,<br />
gesloten op of na 25 mei 2011, zal de aanbieder<br />
bovendien kunnen stellen en aannemelijk<br />
maken dat het gaat om een kredietovereenkomst<br />
(goederenkrediet) met een<br />
zogenoemd ‘zacht krediet’ als omschreven in<br />
art. 7:58 lid 2, onder e, eerste gedeelte, BW<br />
(een krediet zonder rente en andere kosten).<br />
Dat geldt niet voor een telefoonabonnement<br />
inclusief toestel, gesloten vóór 25 mei 2011,<br />
nu dat zou ingaan tegen de duidelijke tekst<br />
van art. 4 lid 1, aanhef en onder a, Wck (oud)<br />
en de nationale rechter niet gehouden is tot<br />
richtlijnconforme uitleg contra legem. In<br />
voorkomend geval zal de consument een<br />
overeenkomst die aangemerkt kan worden<br />
als een telefoonabonnement inclusief toestel,<br />
kunnen vernietigen wegens strijd met de in<br />
verband met koop op afbetaling, krediettransactie<br />
dan wel kredietovereenkomst geldende<br />
wettelijke bepalingen. Opmerking verdient<br />
dat de overeenkomst in zodanig geval,<br />
indien aan de voorwaarden van art. 3:41 BW<br />
is voldaan (vgl. HR 20 december 2013,<br />
ECLI:NL:HR:2013:2123 (BP vs. Benschop)), in<br />
stand kan blijven voor zover deze betrekking<br />
heeft op de telecommunicatiediensten. Dat<br />
laatste geldt ook voor zover een telefoonabonnement<br />
inclusief toestel ingevolge art.<br />
7A:1576 lid 2 BW niet van kracht is geworden<br />
omdat de door de consument te betalen<br />
koopprijs voor de mobiele telefoon niet in de<br />
overeenkomst is bepaald; deze wetsbepaling<br />
ziet immers niet op het gedeelte van de overeenkomst<br />
dat betrekking heeft op het verlenen<br />
van telecommunicatiediensten. A heeft<br />
aangevoerd dat toepasselijkheid van de wettelijke<br />
regelingen inzake krediettransactie<br />
dan wel kredietovereenkomst, ingrijpende en<br />
kostbare gevolgen heeft voor aanbieders van<br />
telefoonabonnementen. Dit betoog kan niet<br />
tot een ander oordeel leiden. Het gaat de<br />
rechtsvormende taak van de rechter te buiten<br />
om op grond van die gestelde gevolgen generieke<br />
uitzonderingen op deze wettelijke regelingen<br />
te aanvaarden. Voor zover de minister<br />
niet bij algemene maatregel van bestuur<br />
afwijkt van bepaalde regels van de Wft of<br />
nadere regels stelt (zie bijv. art. 4:32-34 Wft),<br />
is het aan de (Europese dan wel Nederlandse)<br />
wetgever om te beoordelen of moet worden<br />
voorzien in generieke uitzonderingen.<br />
Volgt dienovereenkomstige beantwoording<br />
van de prejudiciële vraag.<br />
De A-G beantwoordt de vraag dienovereenkomstig<br />
(4.61). Hij geeft de juridische kaders<br />
onder 3.1-3.24.<br />
1237<br />
13 juni 2014, nr. 13/05774<br />
(Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T.<br />
Heisterkamp, C.E. Drion, M.V. Polak, T.H.<br />
Tanja-van den Broek;<br />
A-G mr. L. Timmerman)<br />
ECLI:NL:HR:2014:1404<br />
Faillissement. Vereenvoudigde afwikkeling.<br />
Voorrang. Een faillissement wordt afgewikkeld<br />
zonder verificatievergadering. Een<br />
schuldeiser komt in verzet tegen de uitdelingslijst<br />
met het betoog dat er geen rekening<br />
is gehouden met de voorrang van zijn<br />
vordering. De rechtbank verklaart hem<br />
niet-ontvankelijk. HR: In het systeem van<br />
vereenvoudigde afwikkeling past dat het<br />
aan de curator is om na te gaan welke vorderingen<br />
bevoorrecht zijn of zijn gedekt<br />
door pand, hypotheek of retentierecht, en<br />
daarover in geval van geschil in overleg te<br />
treden met de desbetreffende schuldeiser.<br />
De rechtbank heeft ten onrechte de schuldeiser<br />
de mogelijkheid onthouden om bij<br />
wege van verzet tegen de uitdelingslijst<br />
aanspraak te maken op voorrang.<br />
(Fw art. 121-122, 137a-137g, 184)<br />
Verzoeker, adv. mr. M.A.M. Essed, vs. mr. H.M.<br />
Eijking q.q., curator in het faillissement van<br />
A, niet verschenen.<br />
Procesverloop<br />
Verzoeker heeft op 9 september 2012 bij de<br />
curator in het faillissement van A een vordering<br />
ingediend van € 66 760, met de vermelding<br />
dat de vordering verband houdt met<br />
door hem betaalde belastingschulden van A.<br />
Bij beschikking van 19 augustus 2013 heeft<br />
de rechter-commissaris bepaald dat de<br />
behandeling van concurrente vorderingen<br />
achterwege blijft en dat geen verificatievergadering<br />
wordt gehouden. Op 9 september<br />
2013 is de (slot)uitdelingslijst in het faillissement<br />
van genoemde vennootschap ter griffie<br />
neergelegd. Verzoeker is op 19 september<br />
2013 in verzet gekomen tegen de uitdelingslijst<br />
en heeft aangevoerd dat in de uitdelingslijst<br />
ten onrechte geen bedrag is opgenomen<br />
voor de betaling van zijn vordering en dat hij<br />
is gesubrogeerd in het voorrecht van de fiscus.<br />
De rechtbank heeft verzoeker niet-ontvankelijk<br />
verklaard in zijn verzet en daartoe<br />
overwogen dat verzoeker zich in dit stadium<br />
niet meer kan beroepen op een recht van<br />
voorrang.<br />
Hoge Raad<br />
Ingevolge art. 137e Fw kan een schuldeiser in<br />
verzet komen tegen de uitdelingslijst die is<br />
opgemaakt in het kader van een vereenvoudigde<br />
afwikkeling van het faillissement (art.<br />
137a-137g Fw). Behoudens omstandigheden<br />
waarvan in het onderhavige geval geen sprake<br />
is, is bij de vereenvoudigde afwikkeling<br />
uitgangspunt dat geen verificatievergadering<br />
plaatsvindt. Een schuldeiser heeft dan ook<br />
geen mogelijkheid zich ter gelegenheid van<br />
zodanige vergadering op een recht van voorrang<br />
te beroepen. Evenmin kan een bevoorrechte<br />
vordering in een van zodanige vergadering<br />
op te maken proces-verbaal met<br />
kracht van gewijsde worden erkend of, in<br />
geval van betwisting van de voorrang, daarover<br />
eerder dan bij wege van verzet tegen de<br />
uitdelingslijst een beslissing van de rechter<br />
worden verkregen (vgl. art. 121-122 Fw). In<br />
dit systeem van vereenvoudigde afwikkeling<br />
past dat het aan de curator is om na te gaan<br />
welke vorderingen bevoorrecht zijn of zijn<br />
gedekt door pand, hypotheek of retentierecht,<br />
en daarover in geval van geschil in<br />
overleg te treden met de desbetreffende<br />
schuldeiser (art. 137b Fw). Hieruit volgt dat<br />
bij de vereenvoudigde afwikkeling van een<br />
faillissement waarin geen verificatievergadering<br />
is gehouden, geen sprake is van een<br />
situatie die op één lijn kan worden gesteld<br />
met die van HR 9 oktober 1998,<br />
ECLI:NL:HR:1998:ZC2728, NJ 1999/467 (Alsag<br />
vs. Kamphuisen q.q.). Voorts vindt de opvatting<br />
van de rechtbank dat de schuldeiser die<br />
meent een recht van voorrang te hebben,<br />
zich daarop bij de indiening van zijn vordering<br />
bij de curator moet beroepen, mede<br />
gelet op het bepaalde in art. 137b Fw, geen<br />
steun in de wet. De rechtbank heeft dan ook<br />
ten onrechte verzoeker de mogelijkheid onthouden<br />
om bij wege van verzet tegen de uitdelingslijst<br />
aanspraak te maken op voorrang,<br />
op de grond dat hij van zijn aanspraak op<br />
voorrang geen melding heeft gemaakt bij de<br />
indiening van zijn vordering.<br />
Volgt vernietiging en terugwijzing, overeenkomstig<br />
de conclusie van de A-G.<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1693
Rechtspraak<br />
De A-G noemt literatuur (2.5) en wetsgeschiedenis<br />
(2.6).<br />
1238<br />
13 juni 2014, nr. 13/05858<br />
(Mrs. F.B. Bakels, A.M.J. van Buchem-Spapens,<br />
C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G.<br />
Snijders; A-G mr. M.H. Wissink)<br />
ECLI:NL:HR:2014:1405<br />
Prejudiciële vraag. Buitengerechtelijke kosten.<br />
Veertiendagenbrief. HR: Indien de<br />
schuldeiser in redelijkheid tot het verrichten<br />
van incassohandelingen is overgegaan<br />
en de veertiendagenbrief heeft gestuurd,<br />
wordt de consument-schuldenaar bij uitblijven<br />
van de betaling binnen veertien dagen<br />
de genormeerde vergoeding voor buitengerechtelijke<br />
incassohandelingen verschuldigd<br />
zonder dat de schuldeiser gehouden is<br />
nadere incassohandelingen te verrichten.<br />
(BW art. 6:96 lid 5-7)<br />
Fa-Med, adv. mr. A.C. van Schaick, vs. A, niet<br />
verschenen, met als indiener van schriftelijke<br />
opmerkingen: Koninklijke Beroepsorganisatie<br />
van Gerechtsdeurwaarders, mr. M.A.J.G.<br />
Janssen.<br />
Feiten en procesverloop<br />
Aan Fa-Med zijn twee vorderingen gecedeerd<br />
van een zorgverlener die een kind van A<br />
heeft behandeld. A is ter zake van beide vorderingen<br />
in verzuim geraakt. A is vervolgens<br />
schriftelijk tot betaling gemaand, met aanzegging<br />
van kosten van € 173 respectievelijk<br />
van € 40 voor het geval zij de gevorderde<br />
bedragen niet binnen veertien dagen heeft<br />
betaald. De facturen zijn onbetaald gebleven.<br />
In de onderhavige procedure heeft Fa-Med<br />
betaling van de facturen gevorderd, te vermeerderen<br />
met de aangezegde buitengerechtelijke<br />
incassokosten. De kantonrechter heeft<br />
de volgende prejudiciële vraag gesteld aan de<br />
Hoge Raad: ‘Dient art. 6:96 lid 6 BW aldus te<br />
worden uitgelegd dat na het verzenden van<br />
de daarin genoemde veertiendagenbrief<br />
vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten<br />
is verschuldigd, dus zonder dat de<br />
crediteur na het verzenden van die (veertiendagen)brief<br />
nog een nadere incassohandeling<br />
verricht’<br />
Hoge Raad<br />
De vraag houdt verband met de toepassing<br />
van de leden 5-7 van art. 6:96 BW, die met<br />
ingang van 1 juli 2012 van kracht zijn geworden,<br />
tezamen met het in lid 5 bedoelde<br />
Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke<br />
incassokosten, Stb. 2012, 141 (het Besluit).<br />
Met deze nieuwe regelgeving heeft de wetgever<br />
beoogd houvast te bieden omtrent de<br />
hoogte van de in art. 6:96 lid 2, aanhef en<br />
onder c, BW genoemde redelijke kosten. De in<br />
art. 6:96 lid 6 BW bedoelde aanmaning wordt<br />
hierna aangeduid als de veertiendagenbrief.<br />
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van<br />
deze nieuwe regels blijkt dat de wetgever met<br />
name de ‘tweede redelijkheidstoets’ (de hoogte<br />
van de kosten) heeft willen normeren. Niet<br />
is beoogd ook de ‘eerste redelijkheidstoets’<br />
(de vraag of het redelijk is dat kosten zijn<br />
gemaakt) in te vullen (volgt een citaat uit<br />
Kamerstukken II 2010/11, 32418, 5, p. 5). Hieruit<br />
blijkt dat ook in de nieuwe wettelijke<br />
regeling pas recht bestaat op vergoeding van<br />
buitengerechtelijke incassokosten, indien<br />
daadwerkelijk incassohandelingen zijn verricht<br />
(zodat vermogensschade bestaat in de<br />
zin van art. 6:96 lid 1 BW). Niet beoogd is<br />
recht te geven op een vergoeding voor buitengerechtelijke<br />
incassokosten, wanneer in<br />
redelijkheid onvoldoende aanleiding bestond<br />
incassohandelingen te verrichten. Voor de<br />
verschuldigdheid van de vergoeding voor<br />
buitengerechtelijke incassokosten is niet relevant<br />
welke incassohandelingen de schuldeiser<br />
heeft verricht. De maximale hoogte van<br />
de vergoeding is immers uitsluitend gerelateerd<br />
aan de hoogte van de verschuldigde<br />
hoofdsom en niet aan de aard en omvang<br />
van de verrichte incassowerkzaamheden. De<br />
wetgever heeft uitdrukkelijk ervoor gekozen<br />
de schuldeiser vrij te laten in de manier<br />
waarop het incassotraject wordt ingekleed.<br />
Dit stelsel brengt mee dat, indien de schuldenaar<br />
in verzuim is en de schuldeiser incassohandelingen<br />
heeft verricht waartoe hij in<br />
redelijkheid kon overgaan, de volgens het<br />
Besluit genormeerde vergoeding door de<br />
schuldenaar verschuldigd is ongeacht de<br />
aard en omvang van de verrichte incassohandelingen.<br />
Alleen ten aanzien van een consument-schuldenaar<br />
is voorgeschreven dat de<br />
schuldeiser hem eerst nog een veertiendagenbrief<br />
moet sturen (art. 6:96 lid 6 BW).<br />
Daarmee is beoogd dat de consument niet<br />
wordt overvallen door het verschuldigd worden<br />
van incassokosten: hij krijgt na de waarschuwing<br />
in de veertiendagenbrief nog veertien<br />
dagen de gelegenheid het verschuldigde<br />
bedrag te betalen zonder dat incassokosten<br />
verschuldigd worden (volgt een citaat uit<br />
Kamerstukken II 2010/11, 32418, 5, p. 6). Dit<br />
brengt mee dat (ervan uitgaande dat de<br />
schuldeiser in redelijkheid tot het nemen<br />
van incassomaatregelen kon overgaan, hetgeen<br />
in de regel het geval is indien de schuldenaar<br />
in verzuim verkeert) de consumentschuldenaar<br />
de in het Besluit genormeerde<br />
incassokosten verschuldigd wordt indien hij,<br />
nadat de schuldeiser hem de veertiendagenbrief<br />
heeft gestuurd, zijn schuld niet binnen<br />
veertien dagen voldoet. Daartoe zijn geen<br />
nadere incassohandelingen van de zijde van<br />
de schuldeiser vereist.<br />
Volgt dienovereenkomstige beantwoording<br />
van de prejudiciële vraag.<br />
De A-G beantwoordt de vraag dienovereenkomstig<br />
(3.50). Hij deelt de conclusie als volgt<br />
in: het basisstelsel van art. 6:96 BW (3.4-3.8),<br />
het stelsel van de forfaitaire kosten in art.<br />
6:96 leden 5-7 BW (3.9-3.13), de totstandkomingsgeschiedenis<br />
van het nieuwe stelsel<br />
(3.14-3.27) en de standpunten in onder meer<br />
literatuur en feitenrechtspraak en de gebruiken<br />
in het buitenland (3.28-3.38.3). Onder<br />
3.39-3.49 bepaalt hij zijn eigen standpunt.<br />
Hoge Raad (strafkamer)<br />
Deze rubriek wordt verzorgd door prof. mr.<br />
P.H.P.H.M.C. van Kempen, hoogleraar<br />
straf(proces)recht Radboud Universiteit<br />
Nijmegen.<br />
1239<br />
3 juni 2014, nr. 13/01309<br />
(Mrs. W.A.M. van Schendel, B.C. de Savornin<br />
Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan)<br />
(Na conclusie van A-G mr. W.H. Vellinga,<br />
strekkende tot vernietiging en tot terugwijzing;<br />
adv. mr. M.G. Cantarella, ’s-Gravenhage)<br />
ECLI:NL:HR:2014:1307<br />
Medeplegen woninginbraak: in casu kan<br />
uit de bewijsvoering niet zonder meer worden<br />
afgeleid dat de verdachte ‘een zodanig<br />
significante bijdrage’ heeft geleverd aan de<br />
woninginbraak dat van bewuste en nauwe<br />
samenwerking tussen de verdachte en de<br />
mededaders kan worden gesproken, nu<br />
slechts is vastgesteld dat de verdachte een<br />
vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en<br />
dat het niet anders kan zijn dan dat over<br />
het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid<br />
van te voren door de verdachte en zijn<br />
mededaders afspraken zijn gemaakt.<br />
(Sr art. 47)<br />
Inleiding:<br />
Verdachte is veroordeeld wegens – kort<br />
gezegd – diefstal door twee of meer verenigde<br />
personen waarbij de schuldige zich de toegang<br />
tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft<br />
door middel van braak.<br />
In appel bepleit de raadsman van de verdachte<br />
vrijspraak. Daartoe voert hij aan dat op<br />
basis van de bewijsmiddelen niet kan worden<br />
1694 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Rechtspraak<br />
vastgesteld dat tussen de verdachte en de<br />
medeverdachten die in de woning zijn<br />
geweest, een nauwe en bewuste samenwerking<br />
is geweest, gericht op die woninginbraak<br />
en dat niet kan worden vastgesteld dat<br />
de verdachte een strafbare rol in het geheel<br />
heeft gespeeld.<br />
Het hof overweegt hierover onder meer:<br />
‘[Het hof stelt] vast dat een van de verdachten<br />
van de woninginbraak na die inbraak<br />
rechts achter in de auto is gesprongen en<br />
dat - zo blijkt uit hetgeen de verbalisant<br />
heeft waargenomen - op dat moment die<br />
auto met hoge snelheid wegreed. Het hof<br />
leidt uit de waarneming van de verbalisant<br />
af dat de auto daar met draaiende motor<br />
moet hebben gestaan en dat de bestuurder<br />
reeds achter het stuur moet hebben gezeten<br />
op het moment dat de medeverdachte in de<br />
auto stapte. De verdachte heeft erkend dat<br />
hij de auto heeft bestuurd. Verdachtes verklaring<br />
dat hij op de bijrijderstoel is gaan<br />
zitten om naar muziek te luisteren, dat hij<br />
pas achter het stuur heeft plaatsgenomen<br />
nadat de medeverdachte achter in de auto<br />
was gestapt en dat de motor van de auto op<br />
dat moment niet draaide, acht het hof dan<br />
ook niet aannemelijk. In samenhang met de<br />
in de bewijsmiddelen vermelde feiten en<br />
omstandigheden is naar het oordeel van het<br />
hof de gedraging van de verdachte, te weten:<br />
het plaatsnemen achter het stuur, het draaiend<br />
houden van de motor, het onmiddellijk<br />
met hoge snelheid wegrijden op het<br />
moment dat de medeverdachte achter in de<br />
auto springt, naar uiterlijke verschijningsvorm<br />
aan te merken als het door de verdachte<br />
faciliteren van de vluchtmogelijkheid<br />
bij die inbraak. Het kan niet anders zijn<br />
dan dat hierover van te voren door de verdachte<br />
en zijn medeverdachten afspraken<br />
zijn gemaakt. Door aldus te handelen heeft<br />
de verdachte naar ’s hofs oordeel een zodanig<br />
significante bijdrage geleverd dat sprake<br />
is van een bewuste, nauwe en volledige<br />
samenwerking tussen de verdachte en zijn<br />
mededaders welke gericht was op het plegen<br />
van de woninginbraak. Het hof verwerpt het<br />
verweer.’<br />
Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde<br />
diefstal met braak in vereniging niet uit de<br />
bewijsvoering kan volgen.<br />
Hoge Raad, onder meer:<br />
2.3. Anders dan het hof heeft geoordeeld, kan<br />
uit de bewijsvoering niet zonder meer worden<br />
afgeleid dat de verdachte ‘een zodanig<br />
significante bijdrage’ heeft geleverd aan de<br />
woninginbraak dat van bewuste en nauwe<br />
samenwerking tussen de verdachte en de<br />
mededaders kan worden gesproken, nu het<br />
hof ten aanzien van die samenwerking niet<br />
meer heeft vastgesteld dan dat de verdachte<br />
een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en<br />
dat het niet anders kan zijn dan dat over het<br />
verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van<br />
te voren door de verdachte en zijn mededaders<br />
afspraken zijn gemaakt. De bewezenverklaring<br />
is derhalve niet naar de eis der<br />
wet met redenen omkleed. Het middel is<br />
terecht voorgesteld.<br />
Volgen vernietiging en terugwijzing.<br />
1240<br />
3 juni 2014, nr. 12/05208<br />
(Mrs. A.J.A. van Dorst, V. van den Brink,<br />
E.S.G.N.A.I. van de Griend)<br />
(Na conclusie van A-G mr. T.N.B.M.<br />
Spronken, strekkende tot vernietiging en<br />
tot terugwijzig; adv. mr. J. Kuijper,<br />
Amsterdam)<br />
ECLI:NL:HR:2014:1301<br />
Medeplegen voorhanden hebben vuurwapens<br />
en munitie: in casu kan uit de bewijsvoering<br />
niet volgen dat de verdachte wat<br />
betreft het tezamen en in vereniging met<br />
anderen vuurwapens en munitie voorhanden<br />
hebben zo nauw en bewust met die<br />
anderen heeft samengewerkt dat sprake is<br />
van het medeplegen van die gedraging.<br />
(Sr art. 47)<br />
Inleiding:<br />
Verdachte is veroordeeld wegens – kort<br />
gezegd – medeplegen van handelen in strijd<br />
met art. 26 lid 1 WWM en het feit begaan<br />
met betrekking tot een vuurwapen van categorie<br />
III, meermalen gepleegd en handelen<br />
in strijd met art. 26 lid 1 WWM, meermalen<br />
gepleegd.<br />
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de<br />
raadsvrouw betoogd dat niet kan worden<br />
bewezen dat cliënt wetenschap van de aanwezigheid<br />
van de wapens had. Daartoe voert<br />
zij het volgende aan. Beide wapens zijn aangetroffen<br />
onder de bijrijdersstoel. De verdachte<br />
heeft niet gezien dat de medeverdachten<br />
wapens bij zich hadden. Er is volgens de<br />
raadsvrouw dan ook geen sprake van<br />
beschikkingsmacht. Bovendien stelt zij dat<br />
nergens uit af te leiden valt dat de verdachte<br />
eigenaar was van de wapens. De verdachte<br />
dient te worden vrijgesproken van het hem<br />
ten laste gelegde, aldus de raadsvrouw.<br />
Het hof verwerpt het verweer en komt tot<br />
een bewezenverklaring.<br />
Het middel klaagt over de bewijsvoering van<br />
het medeplegen van het voorhanden hebben<br />
van de in de bewezenverklaring omschreven<br />
vuurwapens en munitie.<br />
Hoge Raad, onder meer:<br />
3.2. Uit ’s hofs bewijsvoering kan niet volgen<br />
dat de verdachte wat betreft het bewezenverklaarde<br />
tezamen en in vereniging met anderen<br />
vuurwapens en munitie voorhanden hebben<br />
zo nauw en bewust met die anderen<br />
heeft samengewerkt dat sprake is van het<br />
medeplegen van die gedraging.<br />
De door het hof in dit verband in het bijzonder<br />
in aanmerking genomen omstandigheden<br />
dat (i) de verdachte de medeverdachten<br />
[betrokkene 2] en [betrokkene 1] al jaren kende,<br />
(ii) de verdachte, [betrokkene 2] en<br />
[betrokkene 1] op de hoogte waren van<br />
elkaars criminele antecedenten en (iii)<br />
[betrokkene 1] een kogelwerend vest bij zich<br />
had en droeg toen hij in de auto van de verdachte<br />
stapte, zijn onvoldoende om een dergelijke<br />
bewuste en nauwe samenwerking te<br />
kunnen aannemen. De bewezenverklaring is<br />
dus in zoverre ontoereikend gemotiveerd.<br />
3.3. Het middel is terecht voorgesteld.<br />
Volgen vernietiging en terugwijzing.<br />
1241<br />
3 juni 2014, nr. 11/00786<br />
(Mrs. G.J.M. Corstens, J. de Hullu, N. Jörg)<br />
(Na conclusie van A-G mr. G. Knigge, strekkende<br />
tot vernietiging wat betreft de aan<br />
feit 1 gegeven kwalificatie en tot verbetering<br />
daarvan, tot vernietiging wat betreft<br />
de strafoplegging, tot vermindering van de<br />
straf en tot verwerping voor het overige;<br />
adv. mr. R.J. Baumgardt, Spijkenisse)<br />
ECLI:NL:HR:2014:1299<br />
Persoonlijk werkende strafverhogende<br />
omstandigheid art. 50 Sr: onjuist is de<br />
opvatting dat als zodanige omstandigheid<br />
dient te worden aangemerkt art. 11 lid 3<br />
Ow, welke bepaling betrekking heeft op het<br />
in de uitoefening van een beroep of bedrijf<br />
opzettelijk handelen in strijd met een verbod<br />
gegeven in art. 3, onder B, Ow.<br />
Toepasselijkheid art. 11 lid 3 Ow: deze<br />
bepaling is in een geval als het onderhavige<br />
alleen toepasselijk indien het opzet van de<br />
verdachte mede gericht is geweest op de<br />
omstandigheid dat zijn mededader in de<br />
uitoefening van een beroep of bedrijf heeft<br />
gehandeld.<br />
Kwalificatie als “medeplegen van in de uitoefening<br />
van een beroep of bedrijf opzettelijk<br />
handelen in strijd met een in artikel 3,<br />
onder B, van de Opiumwet gegeven verbod,<br />
meermalen gepleegd”: deze kwalificatie is<br />
onjuist nu de omstandigheid van het<br />
beroeps- of bedrijfsmatig handelen in strijd<br />
met een in art. 3, onder B, Ow gegeven verbod<br />
in het onderhavige geval reeds omvat<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1695
Rechtspraak<br />
dat het opzettelijk telen en/of verwerken<br />
en/of bewerken van hennepplanten meermalen<br />
heeft plaatsgevonden.<br />
(Sr art. 50; Opiumwet art. 3 en 11)<br />
Inleiding:<br />
Verdachte is veroordeeld wegens – kort<br />
gezegd – (feit 1) medeplegen van in de uitoefening<br />
van een beroep of bedrijf opzettelijk<br />
handelen in strijd met een in art. 3, onder B,<br />
Ow gegeven verbod, ‘meermalen gepleegd’,<br />
(feit 2) medeplegen van opzettelijk handelen<br />
in strijd met een in art. 3, onder B, Ow gegeven<br />
verbod, terwijl het feit betrekking heeft<br />
op een grote hoeveelheid van het middel en<br />
medeplegen van opzettelijk handelen in<br />
strijd met een in art. 3, onder B, Ow gegeven<br />
verbod, en (feit 3) deelnemen aan een organisatie<br />
die tot oogmerk heeft het plegen van<br />
een misdrijf als bedoeld in art. 11 lid 3 en lid<br />
5 Ow.<br />
Hoge Raad, onder meer:<br />
2.5. Het middel bevat in de eerste plaats de<br />
klacht dat het hof ten onrechte art. 11, derde<br />
lid, Ow heeft toegepast, nu het niet de verdachte,<br />
maar de medeverdachte is geweest<br />
die in de uitoefening van een beroep of<br />
bedrijf heeft gehandeld. De klacht berust op<br />
de opvatting dat art. 11, derde lid, Ow als een<br />
persoonlijk werkende strafverhogende<br />
omstandigheid in de zin van art. 50 Sr moet<br />
worden aangemerkt. Die opvatting is echter,<br />
gelet op het volgende, onjuist.<br />
2.6. Art. 50 Sr is blijkens de wetsgeschiedenis<br />
‘eener uitzondering op de gewone regelen<br />
van strafregtelijke verantwoordelijkheid’ (H.J.<br />
Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van<br />
Strafrecht, deel I, 1881, p. 419). De in de conclusie<br />
van de advocaat-generaal onder 14.4<br />
weergegeven wetsgeschiedenis van art. 11,<br />
derde lid, Ow wijst niet in de richting dat het<br />
in dit lid opgenomen beroeps- of bedrijfsmatige<br />
handelen als een uitzondering in de zin<br />
van art. 50 Sr dient te worden beschouwd.<br />
2.7. Opmerking verdient nog dat art. 11, derde<br />
lid, Ow in een geval als het onderhavige<br />
alleen toepasselijk is - hetgeen het hof ook<br />
niet heeft miskend - indien het opzet van de<br />
verdachte mede gericht is geweest op de<br />
omstandigheid dat zijn mededader in de uitoefening<br />
van een beroep of bedrijf heeft<br />
gehandeld (vgl. dezelfde wetsgeschiedenis<br />
over ‘de gewone regelen van strafregtelijke<br />
verantwoordelijkheid. Iedere mededader of<br />
medepligtige aan het misdrijf, die bekend<br />
was met en wiens opzet ook gerigt was op<br />
deze omstandigheid, moet in hare strafregtelijke<br />
gevolgen deelen, al betreft zij hem niet<br />
persoonlijk’, H.J. Smidt, o.c., p. 416, en HR 21<br />
juni 1926, NJ 1926, p. 955).<br />
2.8. In de tweede plaats klaagt het middel dat<br />
het hof het onder 1 bewezenverklaarde ten<br />
onrechte heeft gekwalificeerd als ‘medeplegen<br />
van in de uitoefening van een beroep of<br />
bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een<br />
in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven<br />
verbod, meermalen gepleegd’. De klacht<br />
is terecht voorgesteld. De in de bewezenverklaring<br />
tot uitdrukking gebrachte, aan art. 11,<br />
derde lid, Ow ontleende omstandigheid van<br />
het beroeps- of bedrijfsmatig handelen in<br />
strijd met een in art. 3, onder B, Ow gegeven<br />
verbod omvat in het onderhavige geval<br />
immers reeds dat het opzettelijk telen en/of<br />
verwerken en/of bewerken van hennepplanten<br />
meermalen heeft plaatsgevonden. Het<br />
Hof heeft daarom ten onrechte de kwalificatie<br />
‘meermalen gepleegd’ toegevoegd. De<br />
Hoge Raad zal de kwalificatie verbeteren als<br />
in het dictum te vermelden. Deze verbetering<br />
heeft, gelet op art. 57 Sr, geen invloed op<br />
het toepasselijke strafmaximum voor de ten<br />
laste van de verdachte bewezenverklaarde<br />
feiten tezamen.<br />
Beslissing: de Hoge Raad vernietigt de bestreden<br />
uitspraak uitsluitend wat betreft de kwalificatie<br />
van het onder 1 bewezenverklaarde<br />
en de duur van de opgelegde gevangenisstraf;<br />
kwalificeert het onder 1 bewezenverklaarde<br />
als ‘medeplegen van in de uitoefening<br />
van een beroep of bedrijf opzettelijk<br />
handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef<br />
en onder B, Opiumwet gegeven verbod’;<br />
vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf<br />
in die zin dat deze 27 maanden,<br />
waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een<br />
proeftijd van 2 jaren, beloopt; verwerpt het<br />
beroep voor het overige.<br />
A-G Knigge, onder meer:<br />
4.14. […] De memorie van toelichting bij het<br />
wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering<br />
van art. 11 lid 3 Opiumwet houdt onder meer<br />
het volgende in. 7<br />
‘Wij stellen voor het telen van hennep expliciet<br />
strafbaar te stellen en de strafmaat voor<br />
de verboden gedraging fors te verhogen, voor<br />
zover deze plaatsvindt in de uitoefening van<br />
een beroep of bedrijf.<br />
Gelet op het hierboven geschetste beeld van<br />
de grootschalige hennepteelt, stellen wij voor<br />
niet alleen de strafmaat voor de professionele<br />
hennepteelt te verhogen, maar ook de strafmaat<br />
voor het beroeps- of bedrijfsmatige<br />
bereiden, verwerken, verkopen en afleveren<br />
van hennepplanten. Daardoor wordt het<br />
mogelijk doeltreffend op te treden tegen de<br />
professionele en grootschalige hennepteelt en<br />
de gedragingen die daar doorgaans onlosmakelijk<br />
mee zijn verbonden. Met een verhoging<br />
van de strafmaat voor het kweken van hennepplanten,<br />
kan niet worden volstaan. Een<br />
effectieve aanpak van de grootschalige hennepteelt<br />
is slechts mogelijk als de strafmaat<br />
voor de daarbij behorende gedragingen, voor<br />
zover die beroeps- of bedrijfsmatig worden<br />
verricht, zoals het verwerken, verkopen en<br />
afleveren van deze planten, eveneens wordt<br />
verhoogd. Zou hierin niet worden voorzien<br />
dan zouden criminelen die zich hiermee bezig<br />
houden, het telen van hennep kunnen overlaten<br />
aan stromannen, zodat de strafmaatverhoging<br />
niet op hen van toepassing is.’<br />
De Nota naar aanleiding van het verslag<br />
houdt voorts onder meer het volgende in. 8<br />
‘Mede gelet op het feit dat een aantal vragen<br />
betrekking heeft op de effectiviteit van de<br />
voorgestelde wetswijziging, achten wij het<br />
van belang erop te wijzen dat het onderhavige<br />
wetsvoorstel een onderdeel vormt van het<br />
reeds ingezette proces van intensivering van<br />
de bestrijding van de professionele illegale<br />
teelt van hennep en handel in cannabis. Zo<br />
zijn mede naar aanleiding van de nota «Het<br />
Nederlands drugbeleid Continuïteit en verandering»<br />
(hierna te noemen: de drugnota) de<br />
richtlijnen van het Openbaar Ministerie voor<br />
het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake<br />
strafbare feiten van de Opiumwet aangepast<br />
(Stcrt. 1996, 187; voortaan te noemen: de<br />
OM-richtlijnen). Een van die wijzigingen<br />
betreft de expliciete aandacht voor de illegale<br />
hennepteelt. Deze is thans vervolgbaar als<br />
overtreding van het in artikel 3, eerste lid,<br />
onder C, van de Opiumwet gegeven verbod<br />
van het aanwezig hebben. Met het oog op de<br />
beoordeling van het karakter van de teelt zijn<br />
in de richtlijnen een aantal indicatoren vermeld<br />
voor bedrijfsmatige teelt. Zo zijn niet<br />
alleen het aantal planten maar ook de te<br />
behalen oogsten per jaar van belang. Voorts<br />
kan uit de wijze waarop de teelt in concreto<br />
plaatsvindt, zoals het gebruik van technische<br />
hulpmiddelen, het bedrijfsmatige karakter<br />
daarvan worden afgeleid.’<br />
7. Kamerstukken II, 1996/97, 25325, 3, p. 2.<br />
8. Kamerstukken II, 1997/98, 25325, 6, p. 1.<br />
1242<br />
3 juni 2014, nr. 13/00991<br />
(Mrs. A.J.A. van Dorst, N. Jörg V. van den<br />
Brink)<br />
(Na conclusie van A-G mr. F.W. Bleichrodt,<br />
strekkende tot verwerping van het beroep;<br />
adv. mr. R.J. Baumgardt, Spijkenisse)<br />
ECLI:NL:HR:2014:1306<br />
Door advocaat-generaal gewekt vertrouwen<br />
dat geen voordeelsontneming meer zou<br />
plaatsvinden In casu geen sprake van een<br />
te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen,<br />
1696 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Rechtspraak<br />
onder meer omdat de advocaat-generaal<br />
vrijwel onmiddellijk na zijn onjuiste uitlating<br />
een rectificatie heeft gestuurd aan de<br />
raadsman van de verdachte.<br />
(Sr art. 36e; Sv art. 311)<br />
Inleiding:<br />
Veroordeelde is de verplichting opgelegd tot<br />
betaling aan de Staat van een bedrag van<br />
€ 1 582 800 ter ontneming van wederrechtelijk<br />
verkregen voordeel.<br />
Door de verdediging is betoogd dat het<br />
Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient<br />
te worden verklaard vanwege schending van<br />
het vertrouwensbeginsel. De verdediging<br />
voert hiertoe aan dat de raadsman heeft aangevoerd<br />
dat de advocaat-generaal tijdens de<br />
behandeling van de strafzaak van veroordeelde<br />
in hoger beroep heeft meegedeeld dat er<br />
geen ontnemingsvordering meer aanhangig<br />
zou worden gemaakt. De advocaat-generaal<br />
heeft kort daarna deze mededeling door middel<br />
van een brief aan de raadsman van verdachte<br />
van 28 april 2008 herroepen. De verdediging<br />
stelt zich op het standpunt dat deze<br />
brief niet af doet aan het door de advocaatgeneraal<br />
ter zitting opgewekte vertrouwen<br />
dat er geen ontnemingsvordering meer zou<br />
komen.<br />
Het hof stelt onder meer het volgende vast:<br />
‘Het hof heeft kennis genomen van het dossier<br />
in de hoofdzaak. […] In dit dossier bevinden<br />
zich voorts de aantekeningen van de<br />
griffier waarbij als opmerking van de advocaat-generaal<br />
Frielink met betrekking tot de<br />
ontnemingsvordering is opgenomen: “Ontnemingsvordering<br />
is er niet gekomen en dat<br />
kan ook niet meer”. Ter terechtzitting op 18<br />
december 2012 is de advocaat-generaal Frielink<br />
als getuige gehoord en deze heeft<br />
alstoen, zakelijk weergegeven, verklaard dat<br />
hij voorafgaande aan de terechtzitting in<br />
hoger beroep van 23 april 2008 in de hoofdzaak<br />
heeft geprobeerd contact te krijgen met<br />
de zaaksofficier van justitie. Toen dit niet<br />
mogelijk bleek, heeft hij aan een medewerker<br />
van het functioneel parket gevraagd om in<br />
het automatiseringssysteem de stand van<br />
zaken met betrekking tot een eventuele ontnemingsvordering<br />
tegen verdachte na te zoeken.<br />
Deze medewerker gaf de advocaat-generaal<br />
te kennen hierover niets in het systeem<br />
te kunnen vinden. Naar aanleiding hiervan<br />
heeft hij op de zitting van het gerechtshof<br />
van 23 april 2008 op een daartoe strekkende<br />
vraag van de voorzitter de mededeling<br />
gedaan dat er geen ontnemingsvordering<br />
gedaan was of gedaan zou worden. Wat hij<br />
toen precies gezegd heeft weet hij niet meer.<br />
Direct na afloop van de zitting werd hij door<br />
een in de zittingszaal aanwezige FIOD-medewerker<br />
aangesproken met de mededeling dat<br />
er wel degelijk een ontnemingsvordering<br />
tegen de veroordeelde aanhangig zou worden<br />
gemaakt. Gelet hierop heeft hij toen de brief<br />
van 28 april 2008 aan de raadsman van verdachte<br />
geschreven.’<br />
Het hof overweegt omtrent het verweer<br />
betreffende schending van het vertrouwensbeginsel<br />
onder meer: ‘Slechts wanneer sprake<br />
is van een uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke<br />
toezegging door een tot het nemen van de<br />
vervolgingsbeslissing bevoegde autoriteit om<br />
van vervolging af te zien, kan vanwege een<br />
opgewekt vertrouwen een beroep op nietontvankelijkheid<br />
worden gehonoreerd. Bij de<br />
behandeling in hoger beroep van de hoofdzaak<br />
is ter zitting aan de advocaat-generaal<br />
door het gerechtshof naar de stand van<br />
zaken in de ontnemingsprocedure gevraagd.<br />
Deze heeft hierop naar achteraf bleek een<br />
foutieve mededeling gedaan, die hij kort<br />
daarna door middel van een brief aan de<br />
raadsman van verdachte heeft herroepen.<br />
Aan de uitlatingen van de advocaat-generaal,<br />
hoe deze ook precies hebben geluid, kon en<br />
mocht verdachte naar het oordeel van het<br />
hof in redelijkheid niet zonder meer het<br />
gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen van<br />
een toezegging dat er geen ontnemingsprocedure<br />
meer zou volgen, nu deze uitlatingen<br />
- gedaan naar aanleiding van een vraag van<br />
de voorzitter - informatief van aard waren en<br />
niet gezien kunnen worden als een formele<br />
toezegging van het openbaar ministerie<br />
jegens verdachte dat er geen ontnemingsprocedure<br />
(meer) zou volgen. Het feit dat door<br />
de officier van justitie eerder, te weten bij de<br />
behandeling van de hoofdzaak ter zitting<br />
van 24 februari 2006 aan verdachte is medegedeeld<br />
dat het Openbaar Ministerie voornemens<br />
was om een ontnemingsvordering in te<br />
dienen, het feit dat er een proces-verbaal SFO<br />
was opgemaakt, dat naar hetgeen de advocaat-generaal<br />
ter zitting van het hof onweersproken<br />
heeft gesteld ter hand was gesteld<br />
van veroordeelde, in welk proces-verbaal<br />
sprake is van een wederrechtelijk verkregen<br />
voordeel van ruim anderhalf miljoen euro<br />
met vermelding van een groot aantal goederen<br />
waarop beslag is gelegd tijdens de doorzoekingen<br />
op 14 april 2004, en het feit dat de<br />
uitlatingen weliswaar zijn gedaan door een<br />
vertegenwoordiger van het openbaar ministerie<br />
maar niet door de zaaksofficier van justitie<br />
als eerstverantwoordelijke, hadden in<br />
ieder geval voor verdachte aanleiding moeten<br />
zijn om de uitlatingen te verifiëren bij de<br />
zaaksofficier van justitie teneinde zekerheid<br />
te verkrijgen over de juistheid van de door de<br />
advocaat-generaal verstrekte informatie.<br />
Door dit na te laten kan er geen sprake zijn<br />
van een te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen.<br />
Van schending van het vertrouwensbeginsel<br />
is derhalve geen sprake.’<br />
Het middel bevat de klacht dat het hof het in<br />
hoger beroep gevoerde verweer dat het<br />
Openbaar Ministerie in zijn ontnemingsvordering<br />
niet-ontvankelijk moet worden verklaard,<br />
heeft verworpen op gronden die deze<br />
verwerping niet kunnen dragen.<br />
Hoge Raad, onder meer:<br />
2.3. Het hof heeft het verweer dat het Openbaar<br />
Ministerie in zijn ontnemingsvordering<br />
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard,<br />
verworpen op de grond dat ‘geen sprake [kan]<br />
zijn van een te honoreren gerechtvaardigd<br />
vertrouwen’. Dat oordeel geeft niet blijk van<br />
een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin<br />
onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad<br />
in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld<br />
(i) dat er een proces-verbaal van strafrechtelijk<br />
financieel onderzoek was opgemaakt hetwelk<br />
aan de betrokkene ter hand was gesteld,<br />
waarin melding werd gemaakt van een<br />
bedrag van ruim anderhalf miljoen euro aan<br />
wederrechtelijk verkregen voordeel, (ii) dat<br />
aan de betrokkene door de officier van justitie<br />
bij de behandeling van de strafzaak ter<br />
terechtzitting van 24 februari 2006 is medegedeeld<br />
dat het Openbaar Ministerie voornemens<br />
was om een ontnemingsvordering in te<br />
dienen, en (iii) dat de advocaat-generaal vrijwel<br />
onmiddellijk na zijn onjuiste uitlating<br />
een rectificatie heeft gestuurd aan de raadsman<br />
van de verdachte. Dat oordeel draagt de<br />
verwerping van het verweer zelfstandig,<br />
zodat hetgeen het hof voor het overige heeft<br />
overwogen, buiten bespreking kan blijven.<br />
2.4. Het middel faalt.<br />
1243<br />
3 juni 2014, nr. 12/04867<br />
(Mrs. A.J.A. van Dorst, N. Jörg, V. van den<br />
Brink)<br />
(Na conclusie van A-G mr. T.N.B.M.<br />
Spronken, strekkende tot vernietiging en<br />
tot terugwijzing; adv. mr. R.J. Baumgardt,<br />
Spijkenisse)<br />
ECLI:NL:HR:2014:1277<br />
Inhoud en motivering vonnis bij bekennende<br />
verdachte, art. 359 lid 3 Sv: met een opgave<br />
van de bewijsmiddelen kan slechts worden<br />
volstaan indien de verdachte het<br />
bewezenverklaarde ‘duidelijk en ondubbelzinnig’<br />
heeft bekend, tenzij hij nadien<br />
anders heeft verklaard dan wel hij of zijn<br />
raadsman vrijspraak heeft bepleit.<br />
Onjuist is de stelling dat geen sprake is van<br />
een zogenoemde bekennende verdachte als<br />
bedoeld in art. 359 lid 3 Sv vanwege de<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1697
Rechtspraak<br />
enkele omstandigheid dat blijkens het vonnis<br />
de bewezenverklaring niet (volledig)<br />
steunt op een opgave van bewijsmiddelen<br />
doch op een of meer – uitgewerkte –<br />
bewijsmiddelen, houdende de voor de<br />
bewezenverklaring redengevende feiten en<br />
omstandigheden.<br />
In casu terechte klacht dat ’s hofs kennelijke<br />
oordeel dat de verdachte de feiten heeft<br />
bekend in de zin van art. 359 lid 3 Sv onbegrijpelijk<br />
is, mede omdat de bekennende<br />
verklaringen van verdachte niet alle onderdelen<br />
van het bewezenverklaarde omvatten.<br />
Bewijsmotivering steunt op niet in de<br />
bewijsmiddelen vermelde gegevens: indien<br />
het gaat om feiten of omstandigheden die<br />
door de rechter redengevend worden geacht<br />
voor de bewezenverklaring, dient de rechter<br />
die zich aldus – al dan niet in reactie op<br />
een bewijsverweer – beroept op bepaalde<br />
niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens,<br />
met voldoende mate van nauwkeurigheid<br />
in zijn overweging a. die feiten of<br />
omstandigheden aan te duiden, en b. het<br />
wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan<br />
die feiten of omstandigheden zijn ontleend.<br />
In casu heeft hof hieraan niet voldaan door<br />
diens oordeel te doen steunen op ‘de<br />
gedingstukken en het verhandelde ter<br />
terechtzitting’.<br />
(Sv art. 359)<br />
Inleiding:<br />
Verdachte is veroordeeld wegens – kort<br />
gezegd – (feit 1) medeplegen van een beroep<br />
of gewoonte maken van het kopen van goederen<br />
met het oogmerk om zonder volledige<br />
betaling zich of een ander de beschikking<br />
over die goederen te verzekeren en (feit 2)<br />
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk<br />
heeft het plegen van misdrijven.<br />
Het hof heeft ten aanzien van feit 2 onder<br />
meer nog het volgende overwogen: ‘Op basis<br />
van de gedingstukken en het verhandelde ter<br />
terechtzitting is het hof van oordeel dat<br />
gedurende de tenlastegelegde periode sprake<br />
is van een organisatie die tot oogmerk had<br />
het plegen van misdrijven. Tot die organisatie<br />
behoorden in ieder geval verdachte en de<br />
medeverdachte [medeverdachte]. De organisatie<br />
was gericht op het kopen van goederen<br />
zonder deze te betalen Dat de organisatie een<br />
duurzaam karakter had, leidt het hof af uit<br />
het feit dat het samenwerkingsverband bijna<br />
een halfjaar heeft bestaan. Binnen de organisatie<br />
was voorts sprake van een zekere verdeling<br />
van de werkzaamheden. De rol van verdachte<br />
was onder andere gelegen in het<br />
bellen van winkeliers om onder valse voorwendselen<br />
en met gebruikmaking van valse<br />
namen goederen te bestellen, het zich voordoen<br />
als bankmedewerker naar de winkeliers<br />
met de mededeling dat de goederen betaald<br />
zouden zijn en het inschakelen van koeriersdiensten<br />
om de door hem bestelde goederen<br />
op te laten halen en naar een door hem<br />
opgegeven adres te laten brengen.’<br />
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring<br />
ontoereikend is gemotiveerd.<br />
Hoge Raad, onder meer:<br />
3.2.1. Art. 359, derde lid, Sv, dat ingevolge art.<br />
415 Sv ook in hoger beroep toepasselijk is,<br />
luidt - voor zover hier van belang - als volgt:<br />
‘De beslissing dat het feit door de verdachte<br />
is begaan, moet steunen op de inhoud van in<br />
het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende<br />
daartoe redengevende feiten en<br />
omstandigheden. Voor zover de verdachte<br />
het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een<br />
opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij<br />
hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij<br />
of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.’<br />
3.2.2. In het licht van de wetsgeschiedenis,<br />
die is weergegeven in HR 26 september 2006,<br />
ECLI:NL:HR:2006:AX5776, NJ 2006/542, moet<br />
art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan<br />
dat slechts kan worden volstaan met een<br />
opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte<br />
het bewezenverklaarde duidelijk en<br />
ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is<br />
van de aan het slot van die bepaling genoemde<br />
gevallen.<br />
3.3. Voor zover het middel steunt op de stelling<br />
dat uit de enkele omstandigheid dat blijkens<br />
het vonnis of arrest de bewezenverklaring<br />
niet (volledig) steunt op een opgave van<br />
bewijsmiddelen doch op een of meer – uitgewerkte<br />
– bewijsmiddelen, houdende de voor<br />
de bewezenverklaring redengevende feiten<br />
en omstandigheden, moet worden afgeleid<br />
dat geen sprake is van een zogenoemde<br />
bekennende verdachte als bedoeld in de<br />
tweede volzin van het derde lid van art. 359<br />
Sv, faalt het, aangezien die stelling geen<br />
steun vindt in het recht.<br />
3.4. Wat betreft het onder 1 in de zaken 1 en<br />
2 bewezenverklaarde klaagt het middel evenwel<br />
terecht dat ’s hofs kennelijke oordeel dat<br />
de verdachte deze feiten heeft bekend in de<br />
zin van voormelde wetsbepaling, onbegrijpelijk<br />
is. Immers, de tot het bewijs van het in<br />
die zaken tenlastegelegde gebezigde verklaringen<br />
van de verdachte houden in ‘Ik heb op<br />
25 april 2008 gebeld naar de drogist, het koeriersbedrijf<br />
en de koerier, daarbij gebruikmakend<br />
van het telefoonnummer 06-[0001]’<br />
(bewijsmiddel VI) en ‘Ik heb op 18 april 2008<br />
gebeld met telefoonnummer 06-[0001] en<br />
met het nummer 06-[0005] naar de computerzaak,<br />
het koeriersbedrijf en de koerier’<br />
(bewijsmiddel XIII). Deze verklaringen betreffen<br />
niet alle onderdelen van het onder 1 als<br />
zaken 1 en 2 bewezenverklaarde. Daarbij<br />
wordt voorts in aanmerking genomen dat<br />
- anders dan in de strafzaak die heeft geleid<br />
tot HR 6 november 2007,<br />
ECLI:NL:HR:2007:BB4938 - in het bestreden<br />
arrest noch in het daarbij bevestigde vonnis<br />
van de Politierechter het wettig bewijsmiddel<br />
is aangeduid waaraan een mogelijk bekennende<br />
verklaring van de verdachte is ontleend,<br />
zodat het hof wat betreft de zaken 1<br />
en 2 niet kon volstaan met een opgave van<br />
de bewijsmiddelen III-V onderscheidenlijk<br />
VIII-XI.<br />
3.5 Wat betreft feit 2 heeft het hof geoordeeld<br />
dat gedurende de in de tenlastelegging<br />
vermelde periode sprake was van een organisatie<br />
die tot oogmerk had het plegen van<br />
misdrijven. Het hof heeft dat oordeel doen<br />
steunen op ‘de gedingstukken en het verhandelde<br />
ter terechtzitting’. Aldus heeft het hof<br />
miskend dat indien het gaat om feiten of<br />
omstandigheden die door de rechter redengevend<br />
worden geacht voor de bewezenverklaring,<br />
de rechter die zich aldus - al dan niet<br />
in reactie op een bewijsverweer - beroept op<br />
bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde<br />
gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid<br />
in zijn overweging (a) die feiten of<br />
omstandigheden dient aan te duiden, en (b)<br />
het wettige bewijsmiddel dient aan te geven<br />
waaraan die feiten of omstandigheden zijn<br />
ontleend (vgl. HR 24 juni 2003,<br />
ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165). Ook<br />
in zoverre slaagt het middel.<br />
Volgen vernietiging en verwijzing.<br />
Raad van State<br />
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. B.<br />
Klein Nulent en mr. drs. J. de Vries werkzaam<br />
bij de directie bestuursrechtspraak van de<br />
Raad van State. Volledige versies van deze<br />
uitspraken zijn te vinden op www.raadvanstate.nl.<br />
1244<br />
7 mei 2014, nr. 201301534/1/A1<br />
(Mrs. Van Kreveld, Timmerman-Buck, Van<br />
den Broek)<br />
ECLI:NL:RVS:2014:1624<br />
Invordering dwangsom. Vraag wie overtreding<br />
heeft begaan kan bij beoordeling<br />
invorderingsbesluit niet meer aan de orde<br />
komen. Overdracht activa niet aangemerkt<br />
als bijzondere omstandigheid om van<br />
invordering af te zien.<br />
(Awb art. 5:37)<br />
1698 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Rechtspraak<br />
Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante<br />
A] en [appellante B], beide gevestigd te<br />
Opheusden, gemeente Neder-Betuwe, vs. de<br />
uitspraak van Rechtbank Arnhem van 18<br />
december 2012 in zaken nrs. 10/3547,<br />
10/3601 en 11/76 in het geding tussen:<br />
[appellante A] en [appellante B] en het college<br />
van burgemeester en wethouders van<br />
Neder-Betuwe.<br />
Procesverloop<br />
Bij besluit van 10 februari 2010, voor zover<br />
thans van belang, heeft het college [appellante<br />
B] gelast: 1. op het perceel aan de [locatie<br />
1] te Dodewaard: a. voor 1 maart 2010 de<br />
aldaar aanwezige afvalstoffen, zoals gebroken<br />
puin, asfalt, dakdekking, oud ijzer, bielzen,<br />
autobanden, sloophout en bouw- en sloopafval<br />
en groenafval te verwijderen en verwijderd<br />
te houden;<br />
b. uiterlijk op 1 november 2010 de gebouwde<br />
portable cabins, de keerwanden, de pakketteermachine<br />
en het hekwerk te verwijderen<br />
en verwijderd te houden;<br />
c. uiterlijk op 1 november 2010 de bedrijfsactiviteiten<br />
die in strijd zijn met het bestemmingsplan<br />
en die niet vallen onder de last<br />
onder a. te staken en gestaakt te houden;<br />
2. op het perceel [locatie 2] te Opheusden<br />
uiterlijk 1 mei 2010 alle bedrijfsactiviteiten<br />
die in strijd zijn met het bestemmingsplan<br />
(de stalling van vrachtwagens, shovels en kranen,<br />
alsmede het wassen van deze voertuigen<br />
en ook het onderhouden van deze voertuigen)<br />
te staken en gestaakt te houden<br />
(hierna: besluit 1).<br />
Bij afzonderlijk besluit van 10 februari 2010<br />
heeft het college dezelfde lasten onder gelijke<br />
dwangsommen opgelegd aan [appellante<br />
A] (hierna: besluit 2).<br />
Bij besluit van 2 februari 2010 heeft het college<br />
geweigerd aan [appellante A] bouwvergunning<br />
en vrijstelling te verlenen voor het<br />
plaatsen van vier portable cabins, keerwanden,<br />
hekwerk en romney-loods op het perceel<br />
[locatie 1] te Dodewaard (hierna: besluit 3).<br />
Bij besluit van 27 augustus 2010, voor zover<br />
thans van belang, heeft het college het door<br />
de [appellante B] tegen besluit 1 gemaakte<br />
bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (hierna:<br />
besluit 4).<br />
Bij afzonderlijk besluit van 27 augustus 2010,<br />
voor zover thans van belang, heeft het college<br />
het door [appellante A] tegen de besluiten<br />
2 en 3 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard<br />
(hierna: besluit 5).<br />
Bij besluit van 17 november 2010 heeft het<br />
college besloten tot invordering bij [appellante<br />
B] van verbeurde dwangsommen ten<br />
bedrage van € 90 000 ter zake van overtredingen<br />
van hetgeen is gelast bij besluit 1,<br />
onder 1.a (vier keer € 10 000) en van hetgeen<br />
daarbij is gelast onder 2 (€ 50 000) (hierna:<br />
besluit 6).<br />
Bij afzonderlijk besluit van 17 november<br />
2010 heeft het college besloten tot invordering<br />
bij [appellante A] van verbeurde dwangsommen<br />
van hetzelfde bedrag ter zake van<br />
dezelfde overtredingen (hierna: besluit 7).<br />
Bij uitspraak van 18 december 2012 heeft de<br />
rechtbank, voor zover thans van belang, de<br />
door [appellante B] tegen besluit 4 en door<br />
[appellante A] tegen besluit 5 en 7 ingestelde<br />
beroepen ongegrond verklaard, het door<br />
[appellante B] tegen besluit 6 ingestelde<br />
beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd<br />
voor zover daarbij is beslist tot invordering<br />
van € 50 000 ter zake van niet-nakoming<br />
van de bij besluit 1, onder 2, opgelegde<br />
last.<br />
(…)<br />
Overwegingen<br />
(…)<br />
9. [appellante B] betoogt dat de rechtbank<br />
ten onrechte heeft overwogen dat zij de haar<br />
bij besluit 1, onder 1a, opgelegde last niet<br />
heeft nageleefd. Hiertoe voert zij aan dat zij<br />
haar activa in januari 2010 aan [appellante<br />
A] heeft overgedragen en daarom de opgelegde<br />
lasten niet heeft overtreden. Het oordeel<br />
van de rechtbank dat [appellante B] niet aannemelijk<br />
heeft gemaakt dat zij al hetgeen<br />
redelijkerwijs in haar vermogen lag heeft<br />
gedaan om de verwijdering van de betreffende<br />
afvalstoffen te bevorderen, staat haaks op<br />
de overweging van de rechtbank dat [appellante<br />
B] de in besluit 1, onder 2, opgelegde<br />
last niet heeft overtreden nu niet aannemelijk<br />
is geworden dat [appellante B] na de<br />
begunstigingstermijn nog de in die last<br />
bedoelde bedrijfsactiviteiten heeft verricht,<br />
aldus [appellante B].<br />
9.1. Vast staat dat de afvalstoffen niet van het<br />
perceel aan de [locatie 1] zijn verwijderd,<br />
zoals [appellante B] was opgedragen bij de<br />
last die haar bij besluit 1, onder 1a was opgelegd<br />
en dat de aan die last verbonden dwangsommen<br />
zijn verbeurd.<br />
9.2. Voor zover [appellante B] heeft beoogd te<br />
betogen dat niet zij maar [appellante A] de<br />
overtreding heeft begaan, die tot het opleggen<br />
van deze last heeft geleid, overweegt de<br />
Afdeling dat dit bij de beoordeling van het<br />
terzake van die last genomen invorderingsbesluit<br />
niet meer aan de orde kan komen.<br />
9.3. Voor zover [appellante B] beoogt te betogen<br />
dat de omstandigheid dat zij haar activa<br />
aan [appellante A] had overgedragen, een<br />
bijzondere omstandigheid was, op grond<br />
waarvan het college van invordering van die<br />
dwangsommen had dienen af te zien, wordt<br />
overwogen dat de rechtbank die omstandigheid<br />
terecht niet als bijzondere omstandigheid<br />
heeft aangemerkt, nu [appellante B]<br />
door die overdracht niet was opgehouden te<br />
bestaan.<br />
9.4. Dat, zoals de rechtbank heeft vastgesteld,<br />
[appellante B] door het staken van activiteiten<br />
op het perceel [locatie 2] aan de bij<br />
besluit 1, onder 2, opgelegde last had voldaan<br />
zodat terzake geen dwangsommen zijn verbeurd,<br />
vormt evenmin een bijzondere<br />
omstandigheid op grond waarvan het college<br />
ook van invordering van de dwangsommen<br />
die terzake van de bij besluit 1, onder 1a,<br />
opgelegde last waren verbeurd, had dienen af<br />
te zien.<br />
9.5. Het betoog faalt.<br />
(…)<br />
1245<br />
4 juni 2014, nr. 201308060/1/A4<br />
(Mrs. Drupsteen, Helder en Michiels)<br />
ECLI:NL:RVS:2014:1982<br />
Hoewel handhavingsbeleid er niet toe mag<br />
strekken dat tegen overtredingen met een<br />
lage prioriteit nimmer wordt opgetreden,<br />
betekent dit niet dat bij de handhaving<br />
geen prioriteiten mogen worden gesteld.<br />
Wanneer door een belanghebbende om<br />
handhaving wordt verzocht, kan niet uitsluitend<br />
onder verwijzing naar de prioriteitstelling<br />
van handhaving worden afgezien.<br />
College van burgemeester en<br />
wethouders heeft afwijzing van verzoek om<br />
handhaving ten onrechte gebaseerd op prioriteringsbeleid.<br />
Het gelijkheidsbeginsel<br />
brengt niet met zich dat het college gehouden<br />
was om onjuist beleid toe te passen.<br />
(Gemeentewet art. 125; Wet algemene bepalingen<br />
omgevingsrecht art. 2.1, 5.2)<br />
Uitspraak op het hoger beroep van: het college<br />
van burgemeester en wethouders van<br />
Zaanstad, appellant, vs. de uitspraak van<br />
Rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2013<br />
in zaak nr. 12/5627 in het geding tussen:<br />
[wederpartij], wonend te Zaandam, gemeente<br />
Zaanstad, en het college.<br />
Procesverloop<br />
Bij besluit van 16 april 2012 heeft het college<br />
het verzoek van [wederpartij] om handhavend<br />
op te treden tegen een door [belanghebbende]<br />
in het verlengde van het perceel<br />
aan de [locatie] te Zaandam geplaatste meerpaal,<br />
afgewezen.<br />
Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft het college<br />
het door [wederpartij] daartegen<br />
gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.<br />
Bij uitspraak van 19 juli 2013 heeft de recht-<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1699
Rechtspraak<br />
bank het door [wederpartij] daartegen ingestelde<br />
beroep gegrond verklaard en het<br />
besluit van 29 oktober 2012 vernietigd. (…)<br />
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger<br />
beroep ingesteld.<br />
(…)<br />
Overwegingen<br />
1. Het college heeft het verzoek om handhaving<br />
bij besluit van 16 april 2012, gehandhaafd<br />
bij het besluit op bezwaar van 29 oktober<br />
2012, afgewezen, omdat de aanwezigheid<br />
van illegale bebouwingen rondom het water<br />
volgens het Beleidsplan Vergunningverlening,<br />
Toezicht en Handhaving 2012-2015,<br />
vastgesteld door de gemeenteraad (hierna:<br />
het Handhavingsbeleidsplan), en het Handhavingsprogramma,<br />
vastgesteld door het college,<br />
een lage prioriteit heeft en tegen overtredingen<br />
met een lage prioriteit vooralsnog<br />
niet handhavend wordt opgetreden. Daarbij<br />
is overwogen dat zich in dit geval geen zodanig<br />
bijzondere omstandigheden voordoen<br />
dat direct ingrijpen noodzakelijk is.<br />
2. Het college betoogt dat de rechtbank bij<br />
haar oordeel dat het verzoek om handhaving<br />
ten onrechte met verwijzing naar het Handhavingsbeleidsplan<br />
is afgewezen, heeft miskend<br />
dat een verzoek om handhaving er niet<br />
toe kan leiden dat wordt afgeweken van een<br />
algemene gedragslijn ten aanzien van vergelijkbare<br />
gevallen. Volgens het college is het<br />
niet juist en bovendien ongewenst om de<br />
beginselplicht tot handhaving zover op te<br />
rekken dat dit zou betekenen dat, ondanks<br />
de lage prioriteit die aan een overtreding in<br />
een bepaalde beleidsperiode wordt gegeven,<br />
er voor het einde van de looptijd van deze<br />
beleidsperiode hoe dan ook handhavend<br />
dient te worden opgetreden.<br />
2.1. De rechtbank heeft voorop gesteld dat zij<br />
het beleid van het college, waarin prioriteiten<br />
bij handhaving zijn gesteld, in beginsel<br />
niet onredelijk acht. Op alle momenten<br />
handhavend optreden tegen alle mogelijke<br />
overtredingen van wettelijke voorschriften<br />
kan, gelet op de beschikbare capaciteit, niet<br />
van het college worden gevergd. In dit geval<br />
wordt echter binnen de looptijd van het<br />
Handhavingsbeleidsplan volledig afgezien<br />
van handhavend optreden tegen overtredingen<br />
als hier aan de orde. Een dergelijke consequentie<br />
van een beleid is volgens de rechtbank<br />
niet redelijk. Gelet op de beginselplicht<br />
om te handhaven dient een burger, bijzondere<br />
omstandigheden daargelaten, uitzicht te<br />
hebben op handhaving binnen de looptijd<br />
van een beleidsplan, aldus de rechtbank. De<br />
rechtbank heeft voorts overwogen dat het<br />
gelijkheidsbeginsel niet meebrengt dat een<br />
bestuursorgaan naar aanleiding van een<br />
daartoe strekkend verzoek kan besluiten af<br />
te zien van handhavend optreden, omdat in<br />
vergelijkbare gevallen ook niet tot handhaving<br />
wordt overgegaan. Volgens de rechtbank<br />
dient het bestuursorgaan de verzoeker, gelet<br />
op de beginselplicht tot handhaving, dan ten<br />
minste een moment in het vooruitzicht te<br />
stellen waarop het verzoek om handhaving<br />
alsnog kan worden ingewilligd.<br />
2.2. Niet in geschil is dat het zonder vergunning<br />
plaatsen van de meerpaal in strijd is<br />
met artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen<br />
omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zodat<br />
het college bevoegd was ter zake handhavend<br />
op te treden.<br />
Gelet op het algemeen belang dat gediend is<br />
met handhaving, zal in geval van overtreding<br />
van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan<br />
dat bevoegd is om met een last onder<br />
bestuursdwang of dwangsom op te treden, in<br />
de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten<br />
maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden<br />
mag het bestuursorgaan weigeren<br />
dit te doen. Dit kan zich voordoen indien<br />
concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts<br />
kan handhavend optreden zodanig onevenredig<br />
zijn in verhouding tot de daarmee te dienen<br />
belangen dat van optreden in die concrete<br />
situatie behoort te worden afgezien.<br />
2.3. Uit het Handhavingsbeleidsplan volgt<br />
dat vooralsnog niet handhavend wordt opgetreden<br />
tegen het zonder omgevingsvergunning<br />
plaatsen van meerpalen in openbaar<br />
water, aan welke overtreding een lage prioriteit<br />
is toegekend. In het Handhavingsbeleidsplan<br />
is vermeld dat alsnog kan worden besloten<br />
om tegen laag geprioriteerde situaties<br />
handhavend op te treden indien deze in de<br />
toekomst meer prioriteit krijgen. Ook kan<br />
worden besloten om in het kader van een<br />
speciaal handhavingsproject op te treden<br />
tegen overtredingen die al jaren bestaan. Die<br />
projecten worden dan in het handhavingsprogramma<br />
vermeld. Blijkens het Handhavingsprogramma<br />
2012 en het Handhavingsprogramma<br />
2013 zou in de jaren 2012 en<br />
2013 in ieder geval nog niet projectmatig<br />
worden opgetreden tegen illegale bouwwerken<br />
met een lage prioriteit. Het college heeft<br />
gesteld dat dit ook in 2014 niet het geval zal<br />
zijn.<br />
2.4. Beleid dat inhoudt dat tegen overtredingen<br />
die in het handhavingsbeleid een lage<br />
prioriteit hebben in het geheel niet handhavend<br />
zal worden opgetreden, is rechtens niet<br />
aanvaardbaar, omdat daarmee het te handhaven<br />
wettelijk voorschrift wordt ondergraven.<br />
Dat het beleid van het college niet uitsluit<br />
dat tegen dergelijke overtredingen in de toekomst<br />
alsnog handhavend zal worden opgetreden,<br />
doet er niet aan af dat het beleid<br />
inhoudt dat tegen die overtredingen niet<br />
handhavend wordt opgetreden.<br />
2.4.1. Handhavingsbeleid mag er niet toe<br />
strekken dat tegen overtredingen met een<br />
lage prioriteit nimmer wordt opgetreden. Dit<br />
betekent niet dat bij de handhaving geen<br />
prioriteiten mogen worden gesteld. Prioriteitstelling<br />
is toegestaan om in het kader van<br />
doelmatige handhaving onderscheid te<br />
maken in de wijze waarop uitvoering wordt<br />
gegeven aan de handhavingstaak. Zo kan prioritering<br />
bepalend zijn voor de mate waarin<br />
toezicht wordt gehouden op de naleving van<br />
voorschriften. Ook mag prioritering inhouden<br />
dat bij bepaalde lichte overtredingen<br />
alleen naar aanleiding van een klacht of een<br />
verzoek van een belanghebbende wordt<br />
beoordeeld of handhavend moet worden<br />
opgetreden. Wanneer door een belanghebbende<br />
om handhaving wordt verzocht, kan<br />
echter niet uitsluitend onder verwijzing naar<br />
de prioriteitstelling van handhaving worden<br />
afgezien. Alleen onder bijzondere omstandigheden<br />
immers mag van handhaving worden<br />
afgezien. Zoals de Afdeling heeft overwogen<br />
in de uitspraak van 28 juli 2010, nr.<br />
200910268/1/H1, geldt de keuze van een<br />
bestuursorgaan om in verband met een<br />
beperkte handhavingscapaciteit een bepaalde<br />
overtreding een lage prioriteit toe te kennen,<br />
niet als een bijzondere omstandigheid.<br />
Het orgaan zal dus na een verzoek om handhaving<br />
een afweging moeten maken in het<br />
individuele geval, waarbij de belangen van de<br />
verzoeker worden betrokken. Bij deze afweging<br />
moet het bestuursorgaan bezien of het<br />
ondanks de prioritering in dit geval toch<br />
moet optreden.<br />
2.4.2. Het resultaat van die afweging kan zijn<br />
dat van handhaving wordt afgezien, gelet op<br />
het karakter van het overtreden voorschrift,<br />
het daarbij betrokken algemene belang en de<br />
belangen van de verzoeker. Leidt de naar aanleiding<br />
van een verzoek van een belanghebbende<br />
uitgevoerde beoordeling of handhavend<br />
moet worden opgetreden daarentegen<br />
tot het nemen van een sanctiebesluit, dan<br />
levert dat, anders dan het college veronderstelt,<br />
op zichzelf geen strijd met het gelijkheidsbeginsel<br />
op ten opzichte van gevallen<br />
waarin niet om handhaving is verzocht en<br />
geen sanctiebesluit is genomen. In die gevallen<br />
doet zich immers niet de omstandigheid<br />
voor dat een verzoek is gedaan waarmee in<br />
de bestuurlijke afweging rekening moet worden<br />
gehouden. De drie uitspraken van de<br />
Afdeling waarop het college ter verdediging<br />
van zijn standpunt heeft gewezen, zijn met<br />
het voorgaande verenigbaar en verhouden<br />
zich daartoe als volgt. De uitspraak van 11<br />
juni 2008, nr. 200707396/1 heeft betrekking<br />
op de noodzaak van een consistent en doordacht<br />
bestuursbeleid; het stellen van prioriteiten<br />
is daarmee niet in strijd. In de zaken<br />
1700 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Rechtspraak<br />
die leidden tot de uitspraken van 11 maart<br />
2009, nr. 200803658/1, en 11 juli 2012, nr.<br />
201110077/1/A1 werd handhavend optreden<br />
door de betrokken bestuursorganen slechts<br />
overwogen in de gevallen waarin daarom<br />
door derden werd verzocht, maar ontbrak<br />
een consistent en doordacht prioriteringsbeleid.<br />
In die uitspraken overwoog de Afdeling<br />
dat het enkele feit dat in bepaalde gevallen<br />
anders dan in het onderhavige geval door<br />
een derde niet om handhavend optreden was<br />
verzocht, het verschil in handelwijze van het<br />
bestuursorgaan niet kon rechtvaardigen. Het<br />
enkele feit dat een verzoek is gedaan, brengt<br />
inderdaad niet mee dat de belangenafweging<br />
reeds daarom tot een andere uitkomst moet<br />
leiden. Indien een consistent en doordacht<br />
bestuursbeleid wordt gevoerd, inhoudende<br />
dat bij overtredingen waaraan een lage prioriteit<br />
is toegekend alleen naar aanleiding van<br />
een klacht of een verzoek van een derde<br />
wordt beoordeeld of handhavend moet worden<br />
opgetreden, betekent een besluit tot<br />
handhaving naar aanleiding van een klacht<br />
of verzoek echter niet dat het college alsdan<br />
in alle vergelijkbare gevallen uit eigen beweging<br />
tot handhaving moet overgaan.<br />
2.5. Uit het voorgaande volgt dat het college<br />
de afwijzing van het verzoek om handhaving<br />
ten onrechte heeft gebaseerd op het prioriteringsbeleid,<br />
neergelegd in het Handhavingsbeleidsplan<br />
en het Handhavingsprogramma.<br />
Het beginsel om gelijke gevallen gelijk te<br />
behandelen brengt niet met zich dat het college<br />
gehouden was om onjuist beleid toe te<br />
passen.<br />
2.6. De conclusie is dat de rechtbank terecht,<br />
zij het op enigszins andere gronden, heeft<br />
geoordeeld dat het bestreden besluit niet<br />
berust op een deugdelijke motivering en derhalve<br />
in strijd is met artikel 7:12, eerste lid,<br />
van de Awb. Het betoog faalt derhalve.<br />
3. Het hoger beroep van het college is ongegrond.<br />
De aangevallen uitspraak dient te worden<br />
bevestigd, zij het met verbetering van de<br />
gronden waarop deze rust.<br />
(…)<br />
AANWIJZINGEN VOOR AUTEURS<br />
Het verdient aanbeveling vóór het inzenden van artikelen contact<br />
op te nemen met het redactiebureau; dit kan dubbel of vergeefs werk<br />
voorkomen.<br />
Het <strong>NJB</strong> kent verschillende soorten hoofdartikelen. Voor alle artikelen<br />
geldt dat de auteur in de eerste alinea’s duidelijk maakt aan de <strong>NJB</strong>lezers<br />
waarom dit artikel interessant is om verder te lezen.<br />
Wetenschappelijke artikelen: omvang inclusief notenapparaat<br />
3 000 tot maximaal 5 000 woorden. Uitgebreidere versies kunnen<br />
op de <strong>NJB</strong>-site worden geplaatst. Deze artikelen voldoen aan de<br />
maatstaven van het wetenschappelijk forum. Zij vermeerderen de<br />
bestaande kennis met relevante nieuwe inzichten die methodisch<br />
worden verantwoord.<br />
Auteurs van wetenschappelijke artikelen kunnen de redactie verzoeken<br />
hun artikel aan peer review te laten onderwerpen. Meer informatie<br />
op www.njb.nl onder Voor Auteurs<br />
Lessen voor de praktijk: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat<br />
2 500 woorden. Dit is een analyse van een expert met als<br />
doel de praktijk te informeren over ‘best practices’.<br />
Focus: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat 2500 woorden.<br />
Deze artikelen geven een schets en ordening van interessante<br />
actuele ontwikkelingen in een deelgebied.<br />
Essays: indicatie van de omvang 3 000 woorden. Dit is een prikkelende<br />
beschouwing over een breder onderwerp. Verwijzingen staan<br />
bij voorkeur in de tekst zelf.<br />
Opinies zijn in beginsel gebonden aan de omvang van één pagina.<br />
Dit is 800 woorden.<br />
O&M omvatten maximaal 1200 woorden.<br />
Reacties blijven binnen de 600 woorden<br />
en een naschrift binnen de 300 woorden.<br />
- Noten kunnen alleen bij artikelen worden geplaatst; daarin geen<br />
meningen, toelichtingen of andere uitweidingen, maar alleen<br />
vindplaatsen.<br />
- Meestal ontvangt de auteur binnen 1 maand bericht of de inzending<br />
zal worden geplaatst.<br />
- Artikelen of andere bijdragen die elders in dezelfde of vrijwel dezelfde<br />
vorm zijn of worden gepubliceerd worden niet aanvaard.<br />
Bij inzending dient vermeld te worden of en waar het artikel of de<br />
andere bijdrage eveneens ter plaatsing is aangeboden.<br />
- Auteurs die bij een zaak of onderwerp waarover zij in het <strong>NJB</strong> willen<br />
schrijven, betrokken zijn of zijn geweest, dienen dat in een voetnoot te<br />
vermelden met een korte uitleg van de aard van hun betrokkenheid.<br />
- Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen<br />
aan het <strong>NJB</strong> impliceert toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging<br />
t.b.v. de elektronische ontsluiting van het <strong>NJB</strong>.<br />
Een uitgebreide toelichting op het bovenstaande is te lezen in de<br />
brochure Schrijven voor het <strong>NJB</strong>, te vinden op www.njb.nl onder<br />
Voor Auteurs<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1701
1246<br />
Boeken<br />
Obstructionist Behavior in<br />
International Commercial<br />
Arbitration<br />
Legal Analysis and Measures<br />
Available to the Arbitral Tribunal<br />
Arbitration is still a time- and costefficient,<br />
professional way of resolving<br />
cross-border disputes. However,<br />
its advantages seem to vanish if one<br />
party is obstructive and tries to<br />
delay or even sabotage the proceedings.<br />
This work first deals with<br />
the obligations that arise from an<br />
arbitration agreement. Subsequently,<br />
the author introduces ‘obstructionist<br />
behavior’ as a generic term and identifies<br />
situations in which, according<br />
to case law, mere tactical behavior<br />
turns into obstructionist behavior.<br />
Finally, the author extensively discusses<br />
measures against obstructionist<br />
behavior such as adverse inferences,<br />
interim measures and<br />
astreintes. The author examines the<br />
jurisdictions of Switzerland, England,<br />
the US and France as well as<br />
the established arbitration rules. As<br />
this work relies to a substantial<br />
extent on unpublished ICC arbitral<br />
awards, the author provides a valuable<br />
insight in arbitral tribunals’ dealings<br />
with obstructionist parties.<br />
Alain Hosang<br />
Eleven International Publishing 2014, 318 p., € 45,00<br />
ISBN 978 94 6236 100 3<br />
175 jaar Hoge Raad der<br />
Nederlanden<br />
Bijdragen aan de samenleving<br />
Op 1 oktober 2013<br />
bestond de Hoge<br />
Raad der Nederlanden<br />
175 jaar. Tijdens<br />
een bijeenkomst in<br />
de Haagse Koninklijke<br />
Schouwburg is bij<br />
dit jubileum stilgestaan.<br />
‘Bijdragen aan de samenleving’<br />
was het thema van deze viering: welke<br />
rol vervult de hoogste nationale<br />
rechter binnen de samenleving<br />
Deze bundel bevat de bijdragen van<br />
de zes sprekers die dit thema vanuit<br />
verschillende invalshoeken hebben<br />
belicht.<br />
G.J.M. Corstens, Lord Mance, C.W.A.<br />
Timmermans, D.J.C. Aben, G. de<br />
Groot, J.W. Fokkens<br />
Boom Juridische Uitgevers 2014, 191 p., € 44,50<br />
ISBN 978 90 8974 867 6<br />
De vennootschap en de<br />
geconstrueerde<br />
werkelijkheid<br />
Op 24 oktober 2013 sprak prof. mr.<br />
C.D.J. (Claartje) Bulten haar oratie uit.<br />
Zij is als hoogleraar Ondernemingsrecht<br />
verbonden aan het Van der<br />
Heijden Instituut van de Radboud<br />
Universiteit Nijmegen. Dit boekje<br />
bevat de uitgebreide schriftelijke<br />
tekst van haar rede, getiteld ‘De vennootschap<br />
en de geconstrueerde werkelijkheid’.<br />
De gedachte die aan haar<br />
prikkelende verhaal ten grondslag<br />
ligt, is dat de wil, de keuzes en het<br />
handelen van betrokkenen door kunnen<br />
werken in de vennootschap. Aan<br />
de hand van voorbeelden, zoals de<br />
wijziging van het BV-recht, betoogt<br />
zij dat de partijautonomie en de contractsvrijheid<br />
weer meer ruimte in<br />
het ondernemingsrecht krijgen.<br />
Claartje Bulten<br />
Uitgeverij Kluwer B.V. 2014, 36 p., € 24,50<br />
ISBN 978 90 1312 295 4<br />
Realistische en pragmatische<br />
rechtsvinding<br />
Taak en taakopvatting van de rechter<br />
in de westerse wereld<br />
In dit boek vergelijkt<br />
de auteur, emeritushoogleraar<br />
burgerlijk<br />
recht en Anglo-Amerikaans<br />
recht, de wijze<br />
van rechtsvinding in<br />
vijf landen van de westerse<br />
wereld, te weten<br />
de Verenigde Staten, Nederland,<br />
Duitsland, Engeland en Frankrijk, en<br />
bepleit de noodzaak van een meer<br />
pragmatische rechtsvinding. Pragmatisme<br />
houdt in dat gestreefd moet<br />
worden naar beslissingen met een<br />
aanvaardbare uitkomst. De realisten<br />
predikten in de jaren dertig hun rule<br />
and fact scepticism en voorzagen het<br />
pragmatisme van een theoretisch<br />
kader. Na de oorlog is het pragmatisme<br />
vanuit de VS overgewaaid naar<br />
Duitsland. Sinds 1970 oordeelt de<br />
Nederlandse rechter meer en meer<br />
pragmatisch, waarmee een einde lijkt<br />
te zijn gekomen aan een tijdperk<br />
waarin Scholtens “Algemeen Deel”<br />
min of meer als maatstaf gold. Langzaam<br />
werd ingezien dat taal, geschiedenis<br />
en systeem van de wet teveel<br />
een barrière vormden voor de rechter<br />
om te komen tot een bevredigende<br />
beslissing. Het denken vanuit<br />
beginselen is steeds belangrijker<br />
geworden, mede onder invloed van<br />
het publiekrecht, het Europees recht<br />
en de mensenrechten. Op basis van<br />
zijn onderzoek, waarbij ook aandacht<br />
voor de rechtsfilosofie en Wittgensteins<br />
taalfilosofie is voor de auteur<br />
maar één conclusie mogelijk: het<br />
recht moet dienstbaar zijn aan een<br />
maatschappij die altijd in beweging<br />
is en niet angstvallig vasthouden aan<br />
de wettekst.<br />
H.C.F. Schoordijk<br />
Wolf Legal Publishers 2014, 352 p., € 27,50<br />
ISBN 978 94 6240 130 3<br />
Contract Law in Russia<br />
The book explains Russian contract<br />
law in a form understandable to<br />
lawyers qualified in other countries,<br />
especially common law countries.<br />
The introduction gives a concise<br />
overview of the Russian legal system<br />
in general and contract law in particular<br />
as well as a brief insight into<br />
the history of contract law in Russia.<br />
Then the main concepts of Russian<br />
contract law are explained, using the<br />
conceptual framework of English<br />
contract law to make them accessible<br />
to someone not familiar with the<br />
codified Russian system.<br />
The book not only considers the<br />
legislation regulating Russian contractual<br />
relations but also includes<br />
appropriate case law to show how<br />
the legislation is interpreted. The<br />
focus is on contract law in Russia as<br />
it actually operates, rather than<br />
merely the legislative texts, so that it<br />
will be directly relevant to legal<br />
practitioners and others who wish to<br />
acquire knowledge of the practical<br />
application of an important element<br />
of the Russian legal system, as well<br />
as those seeking an insight into the<br />
realities of codified law in action.<br />
The target readership therefore includes<br />
legal practitioners who have to<br />
deal with Russian law, academics and<br />
students with an interest in Russian<br />
law, the law of contract and comparative<br />
civil law, as well as scholars of<br />
comparative legal systems and<br />
Russian area studies.<br />
Maria Yefremova, Svetlana Yakovleva,<br />
Jane Henderson<br />
Hart Publishing 2014, 326 p., € 32,50<br />
ISBN 978 18 4946 299 0<br />
1702 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Tijdschriften<br />
1247<br />
Burgerlijk (proces)recht<br />
Tijdschrift voor Civiele<br />
Rechtspleging<br />
Nr. 2, juni 2014<br />
F.J.P. Lock<br />
Ambtshalve toetsing in hoger<br />
beroep. Over de omvang van het<br />
hoger beroep en het door de grieven<br />
ontsloten gebied.<br />
– Op 13 september 2013 (Heesakkers/Voets)<br />
heeft de Hoge Raad<br />
geoordeeld dat de appelrechter<br />
gehouden is ambtshalve na te gaan<br />
of een beding uit het oogpunt van de<br />
in de Richtlijn oneerlijke bedingen in<br />
consumentenovereenkomsten gegeven<br />
criteria onredelijk bezwarend is.<br />
Met dit arrest is de vraag onder de<br />
aandacht gekomen welke plaats<br />
ambtshalve toetsing inneemt in het<br />
Nederlandse appelprocesrecht en<br />
meer in het bijzonder hoe die toetsing<br />
zich verhoudt tot het grievenstelsel.<br />
Het antwoord op de vraag in<br />
hoeverre de rechter in hoger beroep<br />
buiten de grieven om tot ambtshalve<br />
toetsing gehouden is, blijkt subtiel te<br />
liggen en kan gemakkelijk tot verwarring<br />
leiden. Volgens schr. heeft de<br />
Hoge Raad met het oordeel in Heesakkers/Voets<br />
recht gedaan aan de wijze<br />
waarop het arrest Asbeek Brusse<br />
van het Hof van Justitie moet worden<br />
toegepast in het Nederlandse<br />
appelprocesrecht. Er is bewustzijn<br />
van de Europeesrechtelijke normen<br />
vereist die gelijkwaardig zijn aan<br />
regels van openbare orde en een alertheid<br />
om daaraan ambtshalve te<br />
toetsen. Het is duidelijk dat aan consumenten<br />
de bescherming moet worden<br />
geboden, maar schr. van deze bijdrage<br />
wil ook in andere gevallen de<br />
bevoegdheid aan de appelrechter<br />
zien om in te grijpen, indien er sprake<br />
is van een ongelijkheid tussen<br />
partijen.<br />
WPNR<br />
145e jrg. nr. 7023, 14 juni 2014<br />
Prof. dr. S. Perrick<br />
Aandelen in het BV<br />
in het erfrecht<br />
– Schr. analyseert<br />
enkele bepalingen<br />
van het flex-BVrecht<br />
vanuit het<br />
algemeen vermogensrecht,<br />
waaronder het erfrecht, en<br />
beziet voorts hoe het algemeen vermogensrecht<br />
op aandelen in een BV<br />
moet worden toegepast.<br />
Mr. S.H. Barten<br />
Het Verdrag van Kaapstad: een<br />
nieuw eenvormig regime voor<br />
schepen<br />
– Besproken worden de mogelijke<br />
juridische knelpunten verbonden<br />
aan de door UNIDROIT verkende<br />
introductie van een maritiem protocol<br />
bij het Verdrag van Kaapstad vanuit<br />
een Nederlands perspectief.<br />
WPNR<br />
145e jrg. nr. 7024, 21 juni 2014<br />
Themanummer: Nieuw IPR-<br />
Erfrecht: de Erfrechtverordening<br />
Met ingang van 17 augustus 2015<br />
wordt de Erfrechtverordening van<br />
toepassing in de lidstaten van de EU.<br />
Voor Nederland brengt deze verordening<br />
belangrijke wijzigingen met<br />
zich wat betreft de behandeling van<br />
nalatenschappen met grensoverschrijdende<br />
aspecten. Niet langer zullen<br />
daarop de bepalingen van het<br />
Haagse Erfrechtverdrag van toepassing<br />
zijn maar die van de verordening.<br />
In de themanummer worden<br />
de verschillende onderdelen van de<br />
Erfrechtverordening gedetailleerd<br />
besproken en wordt ook ingegaan op<br />
de praktische toepassing ervan voor<br />
het notariaat. De tekst van de verordening<br />
is in het nummer opgenomen.<br />
Het nummer bevat de volgende<br />
bijdragen: Prof. mr. P. Vlas, Het notariaat<br />
en de Erfrechtverordening -<br />
het aftellen is begonnen; Mr. F. Ibili,<br />
Procederen over internationale<br />
nalatenschappen; Mr. E.N. Frohn, Art.<br />
21 Erfrechtverordening: de objectieve<br />
verwijzingsregel nader belicht;<br />
Prof. mr. F.W.J.M. Schols, De Europese<br />
erfrechtelijke rechtskeuze - Een<br />
enkel stapje terug, maar een reuzenstap<br />
vooruit; Mr. J.G. Knot, Internationale<br />
boedelafwikkeling volgens<br />
de regels van de<br />
Erfrechtverordening: vereffening,<br />
verdeling en Näherberechtigung<br />
vanaf 17/8/2015; Prof. dr. J.H.M. van<br />
ERp, LLM, De Europese erfrechtverklaring;<br />
prof. mr. T.J. Mellema-Kranenburg,<br />
mr. C. Van der Plas, In hoeverrre<br />
lost de ERfrechtverodening<br />
praktische problemen voor het<br />
notariaat bij internationale nalatenschappen<br />
op<br />
1248<br />
Handels- & economisch recht<br />
Bedrijfsjuridische berichten<br />
Nr. 12, 19 juni 2014<br />
Mr. M. Mussche, Bb 2014/34<br />
De invloed van het arrest Spaanse<br />
villa: een tussenbalans<br />
– Schr. beoordeelt in deze bijdrage<br />
de invloed die het arrest Spaanse villa<br />
heeft op de lagere jurisprudentie.<br />
Hij bespreekt daartoe de gepubliceerde<br />
uitspraken waarin naar dit arrest<br />
is verwezen.<br />
Mr. G.H. Lankhorst, Bb 2014/35<br />
Evaluatie wetswijziging<br />
schuldsaneringsregeling<br />
– Op 24 april jl. heeft de Staatssecretaris<br />
van Veiligheid en Justitie een<br />
evaluatie van de Wsnp aan de Eerste<br />
Kamer aangeboden. Hieruit blijkt dat<br />
een aantal wetswijzigingen die in<br />
2008 zijn doorgevoerd (zoals het<br />
dwangakkoord, minnelijk moratorium<br />
en voorlopige voorziening) naar<br />
behoren functioneert.<br />
Juridisch up to Date<br />
Nr. 12, 12 juni 2014<br />
Mr. ing. J. Bessems<br />
EU richtlijn inzake schadevorderingen<br />
wegens inbreuken op<br />
het mededingingsrecht. Een<br />
welkome aanvulling voor slachtoffers<br />
van mededingingsinbreuken<br />
– In juni 2013 bracht de Commissie<br />
het richtlijnvoorstel uit betreffende<br />
bepaalde regels voor schadevorderingen<br />
volgens nationaal recht wegens<br />
inbreuken op de bepalingen van het<br />
mededingingsrecht van de Europese<br />
lidstaten. Op 17 april 2014 stemde<br />
het Europees Parlement met dit<br />
voorstel in. Schr. bespreekt deze<br />
richtlijn waarbij onder meer wordt<br />
ingegaan op het doel en de reikwijdte<br />
van de richtlijn en op bepalingen<br />
met betrekking tot bewijsgaring, verjaring,<br />
aansprakelijkheid en schadeberekening.<br />
Deze richtlijn dient volgens<br />
schr. de uniformering van de<br />
schadevorderingsprocedure binnen<br />
de verschillende lidstaten. De impact<br />
voor Nederland is beperkt, omdat het<br />
Nederlands procesrecht al dergelijke<br />
regels kent. Daarnaast verschaft de<br />
richtlijn een kader voor de civiele en<br />
publieke handhaving. De richtlijn<br />
lijkt volgens schr. een welkome aanvulling<br />
voor slachtoffers van mede-<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1703
Tijdschriften<br />
dingingsinbreuken. De Raad moet<br />
deze richtlijn nog aannemen en vaststellen<br />
waarna de lidstaten deze binnen<br />
twee jaar, naar verwachting in<br />
het najaar van 2016, moeten hebben<br />
geïmplementeerd.<br />
Ondernemingsrecht<br />
Nr. 8, 12 juni 2014<br />
Mr. E. Schmieman,<br />
Ondernemingsrecht 2014/77<br />
De aanbeveling van de Europese<br />
Commissie inzake een nieuwe<br />
aanpak van faillissement en<br />
insolventie<br />
– Schr. geeft een update van de<br />
onderhandelingen over de wijziging<br />
van de Europese Insolventieverordening<br />
en bespreekt de aanbeveling<br />
‘Faillissement en insolventie’ van de<br />
Europese Commissie. Deze is gericht<br />
op het bevorderen van vroegtijdige<br />
herstructurering, zoveel mogelijk<br />
buiten faillissement. Aangegeven<br />
wordt dat de herijking van het Nederlandse<br />
faillissementsrecht goed aansluit<br />
bij de aanbeveling. Voorts wordt<br />
bezien hoe zij met het aangekondigde<br />
wetsvoorstel ‘Dwangakkoord buiten<br />
faillissement’ verder kan worden<br />
ingevuld.<br />
C.M. Harmsen,<br />
Ondernemingsrecht 2014/78<br />
De curator en de bestrijding van<br />
fraude<br />
– In het kader van het wetgevingsprogramma<br />
‘herijking van het faillissementsrecht’<br />
zijn drie wetsvoorstellen<br />
voorzien in het kader van de<br />
pijler fraudebestrijding. Deze drie<br />
wetsvoorstellen worden besproken<br />
en van enkele kritische kanttekeningen<br />
voorzien.<br />
Prof. mr. J.J. van Hees,<br />
Ondernemingsrecht 2014/79<br />
Stille bewindvoering: pre-packen en<br />
wegwezen<br />
– De voorbereide doorstart van een<br />
onderneming uit faillissement met<br />
behulp van een door de rechtbank<br />
aangestelde stille bewindvoerder, de<br />
‘pre-pack’, is de laatste jaren sterk in<br />
opkomst. Belicht worden de achtergronden<br />
van deze figuur, de bestaande<br />
praktijk alsmede het voorstel voor<br />
een wettelijke regeling daarvan.<br />
M.L.H. Reumers,<br />
Ondernemingsrecht 2014/80<br />
Wijziging van de Insolventieverordening:<br />
de voorstellen van de Commissie<br />
en het Europees Parlement<br />
– In december 2012 heeft de Commissie<br />
een voorstel gepubliceerd tot<br />
wijziging van de Insolventieverordening.<br />
Het Europees Parlement heeft<br />
recentelijk aangegeven het Commissievoorstel<br />
grotendeels te steunen.<br />
Deze bijdrage bespreekt diverse wijzigingsvoorstellen,<br />
inclusief het standpunt<br />
van het Parlement dienaangaande.<br />
R.J. van Galen,<br />
Ondernemingsrecht 2014/81<br />
Knelpunten in ons insolventierecht<br />
– De Nederlandse insolventiepraktijk<br />
doet het helemaal niet zo slecht,<br />
maar de Faillissementswet kent een<br />
aantal knelpunten, die onder meer in<br />
de weg staan aan geavanceerde reorganisatiescenario’s.<br />
De belangrijkste<br />
wijzigingen die moeten plaatsvinden,<br />
zijn invoering van een effectievere<br />
akkoordprocedure, oplossing van de<br />
lege boedelproblematiek en invoering<br />
van de UNCITRAL Modelwet.<br />
Tijdschrift voor de<br />
Ondernemingsrechtpraktijk<br />
Nr. 4, juni 2014<br />
J. van Bekkum, R.B. van Hees<br />
De internationaal bevoegde rechter<br />
bij aansprakelijkheid van in het<br />
buitenland wonende bestuurders<br />
en commissarissen<br />
– In procedures over aansprakelijkheid<br />
van bestuurders en commissarissen<br />
van Nederlandse rechtspersonen<br />
is er vaak een internationale<br />
component omdat veel Nederlandse<br />
ondernemingen buitenlandse functionarissen<br />
hebben. Regelmatig komt<br />
de vraag aan bod welke rechter internationaal<br />
bevoegd is van een geschil<br />
kennis te nemen. Een civielrechtelijke<br />
vordering tegen een functionaris<br />
van een Nederlandse rechtspersoon<br />
kan worden ingesteld door de rechtspersoon,<br />
zijn aandeelhouder(s), de<br />
curator en de crediteuren van de<br />
rechtspersoon. In een dergelijke procedure<br />
is het niet eenvoudig om vast<br />
te stellen welke rechter internationaal<br />
bevoegd is. In deze bijdrage<br />
wordt beoogd een handvat te bieden<br />
aan de praktijkbeoefenaar die in een<br />
niet zuiver Nederlandse context te<br />
maken krijgt met (de wens tot) aansprakelijkstelling<br />
van functionarissen<br />
van Nederlandse rechtspersonen<br />
voor de Nederlandse rechter.<br />
S. Rietveld<br />
Verschillende toepassingen van<br />
de limiteringsregeling nader<br />
beschouwd<br />
– Bij het voorstellen van kandidaten<br />
voor (her)benoeming als bestuurder<br />
of toezichthouder dienen bepaalde<br />
rechtspersonen aandacht te besteden<br />
aan de vraag of deze bestuurders en<br />
toezichthouders niet te veel functies<br />
tegelijkertijd bekleden. Dit heet overboarding.<br />
Om overboarding tegen te<br />
gaan worden steeds meer regelingen<br />
ingevoerd die zien op de limitering<br />
van het aantal functies. In Nederland<br />
worden vanaf 1 juli 2014 vier verschillende<br />
limiteringsregelingen<br />
naast elkaar geldend. In deze bijdrage<br />
wordt ingegaan op de vier limiteringsregelingen.<br />
De vraag is of de<br />
beoogde doelstelling om de kwaliteit<br />
van bestuur en toezicht te bevorderen<br />
wordt gehaald. Volgens schr. is<br />
het al de vraag of de keuze voor weten<br />
regelgeving de juiste is. Bovendien<br />
is de wijze van regulering hier en<br />
daar gebrekkig. Een basisregeling in<br />
Boek 2 BW met aanvullingen in specifieke<br />
wetgeving lijkt de bezwaren te<br />
kunnen wegnemen.<br />
E. Loesberg<br />
Hoe gaat het met de pre-pack<br />
– In deze bijdrage worden de vooren<br />
nadelen van de pre-pack behandeld.<br />
Volgens schr. kan dat een nuttig<br />
reorganisatiemiddel zijn. De stille<br />
bewindvoerder dient bij de voorbereiding<br />
van de na de faillietverklaring<br />
van de schuldenaar te effectueren<br />
doorstart van de onderneming<br />
vanuit het perspectief van de schuldeisers<br />
mee te denken en aan te geven<br />
wat mogelijk wel en wat in ieder<br />
geval niet kan, zonder dat hij de curator<br />
kan binden. Pre-pack is wettelijk<br />
(nog) niet geregeld, zodat in theorie<br />
ook de schuldenaar zelf de rechtbank<br />
een verzoek om aanstelling van een<br />
stille bewindvoerder kan doen. Er is<br />
inmiddels een wetsvoorstel Wet continuïteit<br />
van ondernemingen I opgesteld.<br />
Schr. bespreekt in deze bijdrage<br />
de voors en tegen van de pre-pack en<br />
de voorstellen zoals verwoord in het<br />
wetsvoorstel.<br />
1249<br />
Sociaal Recht<br />
ArbeidsRecht<br />
21e jrg. nr. 6/7, juni/juli 2014<br />
Mr. C.C. Zillinger Molenaar,<br />
ArbeidsRecht 2014/30<br />
1704 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Tijdschriften<br />
Jaaroverzicht jurisprudentie<br />
concurrentiebeding<br />
en<br />
onrechtmatige concurrentie<br />
- In dit artikel geeft<br />
schr. een overzicht<br />
van de meest interessante en belangrijke<br />
uitspraken over het non-concurrentiebeding<br />
en onrechtmatige concurrentie<br />
uit 2013. Schr. bespreekt de<br />
geldigheidsvereisten, gehele of<br />
gedeeltelijke<br />
vernietiging, boetebeding en matigingsrecht,<br />
billijke vergoeding,<br />
onrechtmatige concurrentie en het<br />
wetsvoorstel Werk en Zekerheid.<br />
Mr. B. Degelink CPL,<br />
ArbeidsRecht 2014/31<br />
Bestuurdersaansprakelijkheid voor<br />
pensioenpremie<br />
– Bestuurders zijn op grond van de<br />
wet hoofdelijk aansprakelijk voor de<br />
betaling van pensioenpremies door<br />
hun onderneming aan een verplicht<br />
bedrijfstakpensioenfonds. Deze wettelijke<br />
aansprakelijkheid geldt niet voor<br />
de betaling van pensioenpremies aan<br />
andere soorten pensioenuitvoerders<br />
zoals verzekeraars, ondernemingspensioenfonden<br />
of niet-verplichte bedrijfstakpensioenfondsen.<br />
Het bijzondere<br />
karakter van pensioen kan echter in<br />
die gevallen sneller leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid<br />
uit onrechtmatige<br />
daad. Schr. bespreekt in dit artikel<br />
de bestuurdersaansprakelijkheid, de<br />
verplichte bedrijfstakpensioenfondsen,<br />
de hoofdelijke aansprakelijkheid van<br />
bestuurders, de rechtvaardiging van<br />
deze hoofdelijke aansprakelijkheid en<br />
het begrip bestuurder. Vervolgens<br />
komen de mededeling van betalingsonmacht,<br />
verwijtbaar niet-nakomen<br />
van de mededelingsplicht, de positie<br />
van de nieuwe bestuurder en de positie<br />
van de gewezen bestuurder aan de<br />
orde, alsmede de positie van andere<br />
soorten pensioenuitvoerders. Schr.<br />
concludeert dat de hoofdelijke aansprakelijkheid<br />
de bestuurder ertoe aanspoort<br />
om de premieschuld niet te<br />
hoog te laten oplopen, precies zoals de<br />
wetgever beoogde met deze wet.<br />
Mr. A. Avci, mr. N. Koene,<br />
ArbeidsRecht 2014/32<br />
Wet arbeid vreemdelingen: Alert<br />
anno 2014!<br />
– De Wet arbeid vreemdelingen<br />
(WAV) is bij werkgevers niet altijd<br />
even goed bekend, terwijl de boete<br />
bij tewerkstelling van een vreemdeling<br />
zonder tewerkstellingsvergunning<br />
fors kan zijn. Aangezien de WAV<br />
per 1 januari 2014 op diverse onderdelen<br />
strikter en formeler is geworden,<br />
verwachten schrs. dat het aantal<br />
boeteopleggingen toeneemt. Mede<br />
aan de hand van de rechtspraak<br />
schetsen schrs. de essentiële aandachtspunten<br />
voor werkgevers die te<br />
maken hebben of kunnen krijgen<br />
met de (gewijzigde) WAV. Schrs<br />
bespreken achtereenvolgens het juridisch<br />
kader, boeteoplegging, boetevoorkoming<br />
en de gevolgen van de<br />
wijzigingen per 1 januari 2014.<br />
Mr. S. Schmeetz, mr. I. van<br />
Kronenburg, ArbeidsRecht 2014/33<br />
Wat brengt de Afroomregeling voor<br />
bestuurders van beursgenoteerde<br />
vennootschappen (in mindering)<br />
– Op 1 januari 2014 is de Wet claw<br />
back in werking getreden. Naast een<br />
redelijkheidstoets en een claw back<br />
bevoegdheid is met de inwerkingtreding<br />
van de Wet claw back in Nederland<br />
een regeling geïntroduceerd om<br />
een meer zuivere belangenafweging<br />
door bestuurders in overnamesituaties<br />
te bewerkstelligen: de Afroomregeling.<br />
Nederland is (vooralsnog) het<br />
enige land dat een regeling in deze<br />
vorm kent. In dit artikel geven schrs.<br />
een uitgebreide beschouwing over de<br />
afroomregeling zoals neergelegd in<br />
art. 2:135 lid 7 BW. Onder andere<br />
komen de geschiedenis, de techniek,<br />
en de toegevoegde waarde van de<br />
Afroomregeling ten opzichte van de<br />
tegenstrijdigbelangregeling uit de<br />
Wet bestuur en toezicht aan de orde.<br />
Vervolgens bespreken schrs. de effectiviteit<br />
en de arbeidsrechtelijke consequenties<br />
van de regeling.<br />
– Mr. F.M. Dekker, ArbeidsRecht<br />
2014/34<br />
De formulering van een<br />
boetebeding<br />
– De regeling van het boetebeding in<br />
artt. 7:650 en 7:651 BW doet bij eerste<br />
lezing ouderwets aan. Dat komt doordat<br />
deze artikelen sinds 1909 vrijwel<br />
ongewijzigd zijn gebleven. Het verouderde<br />
systeem van art. 7:650 BW is<br />
moeilijk werkbaar en kent tal van<br />
onduidelijkheden. Met een zorgvuldige<br />
formulering van het boetebeding<br />
in een arbeidsovereenkomst meent<br />
schr. evenwel dat nietigheid ervan<br />
moet worden voorkomen. In dit artikel<br />
beoogt schr. daartoe enkele praktische<br />
tips te geven. In de volgende<br />
paragraaf wordt in dat kader eerst<br />
kort de regeling van art. 7:650 en<br />
7:651 BW geschetst. Daarna wordt<br />
aandacht besteed aan een drietal<br />
aspecten die blijkens de jurisprudentie<br />
vaak tot discussie leiden.<br />
Mr. P.G. Vestering,<br />
ArbeidsRecht 2014/35<br />
Clawback en contractuele afspraken<br />
met de bestuurder<br />
– Op 1 januari 2014 is de Wet claw<br />
back in werking getreden. Deze wet<br />
biedt vennootschappen onder meer<br />
de mogelijkheid excessieve bonussen<br />
en ontslagvergoedingen voor de<br />
bestuurder aan te passen, of terug te<br />
vorderen indien deze onterecht<br />
betaald blijken te zijn. Hoewel het de<br />
vraag is of deze wet juridisch veel<br />
toevoegt aan al bestaande bevoegdheden<br />
op dat vlak, zet de wet deze<br />
bevoegdheden wel nadrukkelijker ‘op<br />
de kaart’ en moet (meestal) de raad<br />
van commissarissen over de toepassing<br />
hiervan verantwoording afleggen<br />
in het jaarverslag. Indien commissarissen<br />
hierdoor meer aandacht<br />
krijgen voor de clawback-mogelijkheden<br />
komt ook de vraag op wat deze<br />
wet betekent voor de bestaande beloningsafspraken<br />
of vertrekafspraken<br />
met de bestuurder. Moet bijvoorbeeld<br />
de raad van commissarissen<br />
zich altijd de aanpassings- of terugvorderbevoegdheid<br />
voorbehouden,<br />
ook in een beëindigingsovereenkomst<br />
Of kan de bestuurder juist<br />
contractueel bedingen dat hij niet<br />
meer wordt ‘lastig gevallen’ met deze<br />
bevoegdheden Dit artikel gaat in op<br />
de vraag wat partijen contractueel<br />
hierover kunnen afspreken.<br />
Bedrijfsjuridische berichten<br />
Nr. 12, 19 juni 2014<br />
Mr. T.L.C.W. Noordoven, Bb 2014/33<br />
Naar een nieuw<br />
ontslagrecht (3):<br />
arbeidsovereenkomst<br />
voor bepaalde<br />
tijd en ketenregeling<br />
– De inwerkingtreding<br />
van de eerste<br />
onderdelen van de Wet Werk en<br />
Zekerheid (WWZ) per 1 juli 2014<br />
komt steeds naderbij. Daarom worden<br />
de belangrijkste aanpassingen<br />
die deze wet meebrengt in een reeks<br />
artikelen uiteengezet. In Bb 2014/26<br />
is een overzichtsartikel verschenen.<br />
In Bb 2014/29 is vervolgens ingegaan<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1705
Tijdschriften<br />
op de gevolgen die de WWZ heeft<br />
voor de loondoorbetalingsverplichting,<br />
proeftijd en het concurrentiebeding.<br />
In dit derde artikel van de reeks<br />
wordt ingegaan op de arbeidsovereenkomst<br />
voor bepaalde tijd en de<br />
beëindiging daarvan en worden de<br />
gevolgen die de WWZ heeft voor de<br />
ketenregeling besproken.<br />
PIV Bulletin<br />
Nr. 3, juni 2014<br />
Mr. R. Meelker<br />
De Gedragscode Persoonlijk<br />
Onderzoek; wel of geen fraude<br />
– De uitspraak van de Hoge Raad op<br />
18 april betrof een geschil over een<br />
arbeidsongeschiktheidsverzekering.<br />
Verzekerde meldde zich 8 april 2003<br />
arbeidsongeschikt. Vervolgens volgden<br />
drie jaren waarin Interpolis uitkering<br />
deed aan verzekerde op basis<br />
van arbeidsongeschiktheidspercentages<br />
die varieerden van 50 tot 100%.<br />
In juli 2006 heeft Interpolis een persoonlijk<br />
onderzoek als bedoeld in de<br />
Gedragscode Persoonlijk Onderzoek<br />
(GPO) laten instellen. Aan verzekerde<br />
heeft zij gevraagd een vragenlijst in<br />
te vullen en gedurende een week een<br />
dagboek van zijn activiteiten bij te<br />
houden. Voorts is hij in september<br />
2006 gedurende acht dagen geobserveerd.<br />
In het onderzoeksrapport is<br />
als conclusie vermeld dat verzekerde<br />
bewust onjuiste informatie aan Interpolis<br />
heeft verstrekt.<br />
Mr. H.W.M. Nacinovic<br />
Schadevergoeding en de Wet werk<br />
en bijstand<br />
– Met enige regelmaat wordt de<br />
vraag voorgelegd wat ‘de gemeente<br />
gaat doen met de schadevergoeding’.<br />
Bedoeld wordt of de gemeente op<br />
grond van de Wet maatschappelijke<br />
ondersteuning (Wmo) en/of de Wet<br />
werk en bijstand (WWB) een claim op<br />
de te betalen letselschadevergoeding<br />
kan leggen.<br />
Praktijkblad<br />
Salarisadministratie<br />
16e jrg. nr. 9, 13 juni 2014<br />
Mr. B. Agerbeek<br />
Inlenersbeloning voor ingeleende<br />
arbeidskrachten. Loonverhoudingsvoorschrift<br />
uit WAADI<br />
– Uitzendkrachten moeten dezelfde<br />
beloning krijgen als reguliere werknemers<br />
in de onderneming en branche<br />
van de inlenende onderneming.<br />
In dit artikel wordt aandacht besteed<br />
aan het spanningsveld dat in de<br />
praktijk ontstaat omdat verplichtingen<br />
worden opgelegd aan de inlenende<br />
onderneming en de uitlenende<br />
uitzendorganisatie. Ook als een werkgever<br />
arbeidskrachten inleent (en<br />
niet alleen van uitzendbureaus) kan<br />
de op de onderneming toepasselijke<br />
cao regels bevatten ter waarborg van<br />
betaling van de inlenersbeloning<br />
door de uitlenende organisatie.<br />
W. Bolderman<br />
Tegemoetkomingen partner- en<br />
wezen en premievrijstelling bij<br />
arbeidsongeschiktheid<br />
– De wijzigingen in de Wet verhoging<br />
AOW- en pensioenrichtleeftijd<br />
kunnen fikse gevolgen hebben voor<br />
partner- en wezenpensioenen en premievrijstelling<br />
bij arbeidsongeschiktheid.<br />
In een besluit van 20 december<br />
2013 geeft de Staatssecretaris van<br />
Financiën een aantal tegemoetkomingen<br />
hiervoor.<br />
S. Schijf<br />
Personeelsdossier bij outsourcing.<br />
Denk aan de privacybelangen van<br />
werknemers<br />
– Welke regels gelden bij de overdracht<br />
van personeelsdossiers ter<br />
bescherming van de privacy van<br />
werknemers<br />
J. Boulet<br />
Omvang loondoorbetalingsplicht<br />
tijdens het derde ziektejaar<br />
Hoe zit het met de omvang van de<br />
loondoorbetalingsverplichting van<br />
de werkgever bij een loonsanctie tijdens<br />
het derde ziektejaar De kantonrechter<br />
in Rotterdam is hier recent<br />
op ingegaan.<br />
Rechtskundig Weekblad<br />
77e jrg. nr. 40, 7 juni 2014<br />
P. Waterschoot<br />
De CAO nr. 81 en de<br />
privacybescherming van de<br />
werknemer, een afdwingbare norm<br />
of een papieren tijger<br />
– (België) In deze openingsrede uitgesproken<br />
door de advocaat-generaal<br />
op de openingszitting van het<br />
Arbeidshof te Gent op 3 september<br />
2013 onderzoekt de spreker aan de<br />
hand van een aantal onuitgegeven<br />
arresten van het Arbeidshof te Gent<br />
de stand van zaken in verband met<br />
de waarde van het bewijsmateriaal,<br />
verkregen door de controle van internet-<br />
en e-mailgebruik van de werknemers<br />
door de werkgever in zaken van<br />
ontslag om dringende redenen. Hij<br />
stelt vast dat in de meeste uitspraken<br />
de Antigoonleer ten volle wordt<br />
toegepast, op twee dissidente uitspraken<br />
na. Zijn conclusie is dan ook<br />
dat de cao nr. 81 verworden is tot wat<br />
hij noemt “een papieren tijger”.<br />
1250<br />
Staats- & bestuursrecht<br />
Bedrijfsjuridische berichten<br />
Nr. 12, 19 juni 2014<br />
Mr. dr. C.N.J. Kortmann, Bb 2014/36<br />
Chemie-Pack, doorbraakjurisprudentie<br />
van de bestuursrechter<br />
– In een aantal recente uitspraken<br />
naar aanleiding van de brand bij Chemie-Pack<br />
te Moerdijk in 2011 heeft de<br />
Afdeling bestuursrechtspraak van de<br />
Raad van State niet alleen verhaal van<br />
de saneringskosten op de drijver van<br />
de inrichting mogelijk geacht, maar<br />
ook op diverse andere vennootschappen<br />
uit het concern. De hoogste<br />
bestuursrechter lijkt daarbij beduidend<br />
verder te gaan dan tot nu toe<br />
volgde uit de jurisprudentie van de<br />
strafrechter over functioneel daderschap<br />
en van de civiele rechter over<br />
bestuurdersaansprakelijkheid. Met<br />
name eigenaren van industriële gronden<br />
en opstallen moeten op hun tellen<br />
passen.<br />
Nieuw Juridisch Weekblad<br />
13e jrg. nr. 304, 11 juni 2014<br />
E. Brewaeys<br />
Raad van State. Procesrechtelijke<br />
vernieuwingen (deel 2)<br />
– (België) De wetgever<br />
heeft de Raad<br />
van State grondig<br />
hervormd bij wet<br />
van 20 januari 2014<br />
houdende hervorming<br />
van de<br />
bevoegdheid, de<br />
procedureregeling en de organisatie<br />
van de Raad van State. Deze tweedelige<br />
bijdrage bespreekt minutieus de<br />
procesrechtelijke vernieuwingen<br />
voor de Raad van State. In het eerste<br />
deel komt de wettelijke hervorming<br />
aan bod. Het tweede deel behandelt<br />
de inwerkingtreding van de procedurevoorschriften,<br />
de kosten, de burgerlijke<br />
bevoegdheid, enkele organisatorische<br />
maatregelen en de<br />
elektronische procesvoering.<br />
1706 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Wetgeving<br />
Een overzicht van aanhangige wetsvoorstellen<br />
en gepubliceerde staatsbladen<br />
met links naar de integrale<br />
Kamerstukken is opgenomen op de<br />
<strong>NJB</strong>-site www.njb.nl<br />
Staatsblad<br />
Dublinclaimanten<br />
1251 - Besluit tot wijziging van het<br />
Vreemdelingenbesluit 2000, houdende<br />
een nadere regeling inzake de<br />
rust- en voorbereidingstermijn bij<br />
asielaanvragen<br />
– In dit besluit wordt geregeld dat<br />
vreemdelingen ten aanzien van wie<br />
eerder is vastgesteld dat een andere<br />
lidstaat op grond van de Dublinverordening<br />
verantwoordelijk is voor de<br />
behandeling van een asielverzoek<br />
geen rust- en voorbereidingstermijn<br />
wordt gegeven indien zij vanuit<br />
bewaring een (volgend) asielverzoek<br />
indienen. Verder wordt de mogelijkheid<br />
geschrapt om bij ministeriële<br />
regeling te bepalen dat de rust- en<br />
voorbereidingstermijn niet van toepassing<br />
is indien de aanvraag wordt<br />
ingediend in het Aanmeldcentrum<br />
Schiphol. Nu het Justitiecomplex op<br />
Schiphol inmiddels tot stand is gekomen,<br />
is dit overbodig. Tot slot wordt<br />
geregeld dat een vreemdeling die in<br />
afwachting is van overdracht op<br />
grond van de Dublinverordening<br />
zich periodiek moet melden bij de<br />
korpschef.<br />
Inwerkingtreding 13-06-2014.<br />
Besluit van 02-06-2014, Stb. 2014, 199<br />
(Kamerstukken 33 610)<br />
Modernisering arbitrage<br />
1252 - Wet tot wijziging van Boek 6<br />
en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek<br />
en het vierde Boek van het Wetboek<br />
van Burgerlijke Rechtsvordering<br />
in verband met de modernisering<br />
van het Arbitragerecht<br />
– Deze wet tot wijziging van de<br />
Nederlandse arbitrageregels is één<br />
van de maatregelen in het kader van<br />
de Innovatieagenda. Deze innovatiemaatregel<br />
brengt wijziging in het<br />
arbitragerecht op verschillende fron-<br />
ten, die er alle toe bijdragen dat<br />
bepaalde belemmeringen voor het<br />
gebruik van arbitrage worden weggenomen.<br />
De arbitrageprocedure wordt<br />
waar mogelijk vereenvoudigd en<br />
administratieve lasten worden verlicht,<br />
bijvoorbeeld door afschaffing<br />
van de verplichting tot deponering<br />
van het arbitrale vonnis. Ook wordt<br />
nadrukkelijk de mogelijkheid geschapen<br />
om ook gebruik te maken van<br />
eigentijdse elektronische middelen.<br />
Verder worden ‘best practices’ uit de<br />
bestaande arbitragepraktijk gecodificeerd,<br />
zoals de regels over de schriftelijke<br />
fase in een arbitragegeding en<br />
de plaatsopneming en bezichtiging.<br />
Onduidelijkheden in de wet worden<br />
opgehelderd door bijvoorbeeld alle<br />
bepalingen betreffende het hoger<br />
beroep in één overzichtelijke afdeling<br />
te plaatsen. Het beleid van het<br />
kabinet om de rechter zo gericht<br />
mogelijk in te zetten leidt tot een<br />
aantal aanpassingen die de tussenkomst<br />
van de gewone rechter in de<br />
arbitrageprocedure betreffen. Zo<br />
komen er ruimere mogelijkheden<br />
voor – al dan niet voorlopige –<br />
bewijsmaatregelen in de arbitrageprocedure.<br />
Slechts bij uitzondering<br />
ligt hier een rol voor de gewone rechter.<br />
De procedure tot vernietiging<br />
van een arbitraal vonnis is teruggebracht<br />
tot een rechtsgang in één<br />
instantie, namelijk bij het gerechtshof.<br />
Ten slotte regelt de wet dat partijen<br />
ruimere mogelijkheden krijgen<br />
om zelf afwijkende afspraken voor<br />
hun arbitrageprocedure te maken.<br />
Dit geldt bijvoorbeeld voor de bewijsvoering<br />
en het hoger beroep, waar de<br />
meeste bepalingen in het voorstel<br />
van regelend recht zijn. Afwijkende<br />
afspraken kunnen dan zowel blijken<br />
uit het door partijen gekozen arbitragereglement<br />
als uit door partijen<br />
zelf gemaakte afspraken. Het arbitraal<br />
beding wordt op de zwarte lijst<br />
van onredelijke bezwarende bedingen<br />
geplaatst. Dit zorgt ervoor dat<br />
een geschil tussen een consument<br />
en een ondernemer niet ‘zomaar’<br />
door middel van arbitrage kan worden<br />
beslecht.<br />
Naast het uitvoeren van de Innovatieagenda<br />
is het verbeteren van de<br />
concurrentiepositie van Nederland<br />
ook een aanleiding voor deze wet.<br />
Het bieden van een hoogwaardige<br />
geschilbeslechting zowel bij de overheidsrechter<br />
als in arbitrage is daarvoor<br />
essentieel. In de wet worden de<br />
Nederlandse arbitrageregels daarom,<br />
nog meer dan nu het geval is,<br />
geschoeid op de internationale leest<br />
van de modelwet van de Verenigde<br />
Naties op dit terrein (de Uncitral<br />
Model Law voor arbitrage) en gemoderniseerd.<br />
De wet maakt ook institutionele<br />
wraking mogelijk. Dit sluit<br />
aan bij de internationale arbitragepraktijk.<br />
Inwerkingtreding op een bij kb te<br />
bepalen tijdstip.<br />
Wet van 02-06-2014, Stb. 2014, 200<br />
(Kamerstukken 33 611)<br />
Verruiming fouilleerbevoegdheden<br />
Inwerkingtreding<br />
1253 - Besluit tot vaststelling van het<br />
tijdstip van inwerkingtreding van de<br />
artikelen I en II van de Wet van 21<br />
mei 2014 tot wijziging van de<br />
Gemeentewet, de Wet wapens en<br />
munitie en de Politiewet 2012 (verruiming<br />
fouilleerbevoegdheden) (Stb.<br />
2014, 191)<br />
– Deze artikelen treden in werking<br />
met ingang van 1 juli 2014.<br />
Inwerkingtredingsbesluit van 05-06-2014, Stb. 2014, 201<br />
Legalisatie handtekeningen<br />
notarissen<br />
1254 - Wet tot wijziging van de Wet<br />
op het notarisambt en enkele andere<br />
wetten in verband met onder meer<br />
een gewijzigde regeling van de<br />
legalisatie van handtekeningen van<br />
notarissen<br />
– De aanleiding voor deze wet is<br />
gelegen in de gewijzigde regeling van<br />
de legalisatie van handtekeningen<br />
van notarissen, zoals voorzien in de<br />
Wet van 29 september 2011 tot wijziging<br />
van de Wet op het notarisambt<br />
naar aanleiding van de evaluatie van<br />
die wet, alsmede regeling van enkele<br />
andere onderwerpen in die wet en<br />
wijziging van de Wet op het centraal<br />
testamentenregister en van de Wet<br />
ter voorkoming van witwassen en<br />
financieren van terrorisme (Stb. 2011,<br />
470) (hierna: de evaluatiewet). In die<br />
wet was geregeld dat de Koninklijke<br />
Notariële Beroepsorganisatie (KNB)<br />
voortaan de handtekeningen van de<br />
notarissen zou legaliseren. Deze<br />
regeling blijkt op zodanige prakti-<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1707
Wetgeving<br />
1258 - Voorstel van rijkswet (05-06-<br />
2014) houdende regeling voor Nederland<br />
en Curaçao tot het vermijden<br />
van dubbele belasting en het voorkomen<br />
van het ontgaan van belasting<br />
met betrekking tot belastingen naar<br />
het inkomen en een woonplaatsfictie<br />
ter zake van erf- en schenkbelasting<br />
(Belastingregeling Nederland<br />
Curaçao)<br />
– De regeling bevat bepalingen ter<br />
vermijding van dubbele belasting en<br />
tegen het ontgaan van belasting.<br />
Vanwege de staatkundige verhouding<br />
tussen Nederland en Curaçao heeft<br />
deze regeling de vorm van een rijkswet.<br />
De structuur, inhoud en bewoorsche<br />
bezwaren te stuiten verband<br />
houdende met de grote aantallen<br />
legalisaties, de samenhang met de<br />
afgifte van apostilles door de rechtbanken<br />
en de toegankelijkheid van<br />
deze dienstverlening voor de burger,<br />
dat aanpassing is geboden. Door deze<br />
wet blijkt legalisatie van de handtekening<br />
van de notaris mogelijk bij de<br />
president van de rechtbank in het<br />
arrondissement waar de kamer voor<br />
het notariaat is gevestigd waaronder<br />
de notaris ressorteert. Verder wordt<br />
er op verzoek van de KNB in voorzien<br />
dat de versoepeling van de<br />
verplichte stageduur voor kandidaatnotarissen<br />
die in deeltijd werken ook<br />
wordt toegepast bij de eisen voor de<br />
benoeming tot notaris en de benoeming<br />
tot waarnemer.<br />
Inwerkingtreding op een bij kb te<br />
bepalen tijdstip, deels met terugwerkende<br />
kracht tot en met 1 januari<br />
2013.<br />
Wet van 02-06-2014, Stb. 2014, 202<br />
(Kamerstukken 33 569)<br />
Limitering aansprakelijkheid<br />
luchtvaart<br />
1255 - Besluit houdende vaststelling<br />
van een algemene maatregel van<br />
bestuur als bedoeld in artikel 110<br />
van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek<br />
(Tijdelijk besluit limitering aansprakelijkheid<br />
voor terrorismeschade<br />
luchtvaart)<br />
– Op 23 juli 2004 is het Tijdelijk<br />
besluit limitering aansprakelijkheid<br />
voor terrorismeschade in verband<br />
met wijziging van de Luchtvaartwet<br />
(Stb. 2004, 358) in werking getreden.<br />
Ingevolge het derde artikel van dit<br />
besluit vervalt het tien jaar na inwerkingtreding,<br />
te weten op 24 juli 2014.<br />
Het besluit bevat een beperking van<br />
de aansprakelijkheid van luchthavenexploitanten<br />
en luchtvervoerders<br />
voor terrorismeschade. De kans op<br />
een terroristische aanslag, de onmogelijkheid<br />
om volledig waterdichte<br />
veiligheidscontroles uit te voeren en<br />
de beperkte mogelijkheid van luchthavenexploitanten<br />
en luchtvervoerders<br />
zich te verzekeren tegen aansprakelijkheid<br />
voor terrorismeschade,<br />
zijn ten opzichte van de situatie in<br />
2004 niet zodanig veranderd dat<br />
luchthavenexploitanten en luchtvervoerders<br />
het nu zonder beperking<br />
van hun aansprakelijkheid kunnen<br />
stellen. Gelet daarop wordt het aangewezen<br />
geacht om de aansprakelijkheidsbeperking<br />
te verlengen en wel<br />
weer met een termijn van tien jaar.<br />
Inwerkingtreding m.i.v. 23-07-2014<br />
en verval tien jaar na die datum.<br />
Besluit van 5 juni 2014, Stb. 2014, 203<br />
Modernisering<br />
huurcommissie<br />
1256 - Wet tot wijziging van Boek 7<br />
van het Burgerlijk Wetboek en de<br />
Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte<br />
in verband met de modernisering<br />
en vereenvoudiging van de<br />
werkwijze van de huurcommissie<br />
– Gezien het streven naar een goedkoper,<br />
flexibeler en efficiënter werkende<br />
overheid en een meer efficiënte<br />
en doeltreffende ondersteuning<br />
van huurders en verhuurders bevat<br />
deze wet een aantal samenhangende<br />
maatregelen, op basis van signalen<br />
uit de uitvoeringspraktijk, om te<br />
komen tot transparantere en eenvoudiger<br />
procedures binnen de huurprijsregelgeving.<br />
Dit leidt tegelijkertijd<br />
tot een efficiëntere uitvoering<br />
van de beslechting van geschillen<br />
over de huurprijs. De in deze wet<br />
opgenomen maatregelen betreffen<br />
de vereenvoudiging van: – de legesregeling<br />
bij de huurcommissie; – de<br />
huurprijsregeling indien een zogenaamde<br />
all-in prijs is overeengekomen;<br />
– de beoordeling van de servicekosten<br />
door de huurcommissie;<br />
– de beoordeling van onderhoudsgebreken<br />
door de huurcommissie; – de<br />
zogenaamde rappelprocedure inzake<br />
de huurverhoging.<br />
Wet van 04-06-2014, Stb. 2014, 205<br />
(Kamerstukken 33 698)<br />
Nieuwe<br />
wetsvoorstellen<br />
Europees Beschermingsbevel<br />
1257 - Wetsvoorstel (05-06-2014) tot<br />
implementatie van richtlijn 2011/99/<br />
EU van het Europees parlement en<br />
de Raad van de Europese Unie van 13<br />
december 2011 betreffende het Europees<br />
beschermingsbevel (PbEU L 338)<br />
– De richtlijn Europees Bescher-<br />
mingsbevel (hierna: de richtlijn)<br />
beoogt maatregelen die een slachtoffer<br />
beschermen en zijn opgelegd in<br />
de ene lidstaat, te kunnen uitbreiden<br />
naar een andere lidstaat. Een Europees<br />
beschermingsbevel kan alleen<br />
worden uitgevaardigd indien in de<br />
beslissingsstaat al een nationale<br />
beschermingsmaatregel is vastgesteld.<br />
Het moet daarbij gaan om<br />
beslissingen in strafzaken. Drie<br />
typen beschermingsmaatregelen<br />
kunnen worden omgezet in een<br />
Europees beschermingsbevel: locatieverboden,<br />
contactverboden en<br />
benaderingsverboden. Andere maatregelen<br />
kunnen niet worden overgedragen<br />
op basis van de richtlijn.<br />
Nederland heeft een taak als uitvoerende<br />
lidstaat, als Nederland een EB<br />
uit een andere lidstaat ontvangt.<br />
Hiernaast heeft Nederland een rol als<br />
uitvaardigende lidstaat, in het geval<br />
een Nederlandse autoriteit een EB<br />
uitvaardigt en een andere lidstaat dit<br />
EB tenuitvoer moet leggen.<br />
De richtlijn laat een aantal punten<br />
expliciet over aan de nationale wetgever.<br />
Bovendien wordt een aantal<br />
aspecten niet geregeld in de richtlijn<br />
en is op nationaal niveau aanvullende<br />
regelgeving nodig met het oog op<br />
de zorgvuldigheid van procedures en<br />
op de uitvoerbaarheid in de praktijk.<br />
Een voorbeeld hiervan betreft het<br />
kennisgeven van beslissingen die de<br />
bevoegde autoriteit heeft genomen,<br />
aan alle betrokken partijen en de wijze<br />
waarop dit moet geschieden.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nrs. 1-4<br />
Belastingregeling Nederland<br />
Curaçao<br />
1708 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Wetgeving<br />
dingen van de regeling stemmen<br />
echter in grote mate overeen met<br />
hetgeen bij belastingverdragen<br />
gebruikelijk is. De belangrijkste<br />
onderwerpen waar beide landen<br />
vooraf verschillende standpunten<br />
over innamen en die tijdens de<br />
besprekingen uitgebreid aan de orde<br />
zijn gekomen, hadden betrekking op:<br />
de behandeling van deelnemingsdividenden,<br />
de artikelen die zien op<br />
het voorkomen van oneigenlijk<br />
gebruik van de in de regeling opgenomen<br />
bepalingen, de verdeling van<br />
heffingsrechten over pensioenen en<br />
hoe om te gaan met de waarborging<br />
van nationale successie- en schenkingsheffingen<br />
en heffingsrechten<br />
over voordelen uit aanmerkelijk<br />
belang na emigratie van een natuurlijk<br />
persoon. Verder is een belangrijk<br />
onderwerp van de regeling de uitwisseling<br />
van informatie tussen de<br />
belastingdiensten van beide landen.<br />
In zijn algemeenheid kan hierover<br />
worden opgemerkt dat Nederland en<br />
Curaçao op dit punt aansluiting zoeken<br />
bij de mondiale ontwikkelingen.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 955 (R2032), nrs. 1-3<br />
Elektronisch bekendmaken<br />
1259 - Wetsvoorstel (05-06-2014) tot<br />
wijziging van het Wetboek van Burgerlijke<br />
Rechtsvordering en enige<br />
andere wetten in verband met<br />
bekendmakingen aan personen zonder<br />
bekende woon- of verblijfplaats<br />
– Met dit wetsvoorstel wordt mogelijk<br />
gemaakt dat bekendmakingen<br />
aan personen zonder bekende woonof<br />
verblijfplaats elektronisch worden<br />
gedaan. Deze publicaties vinden<br />
thans in dagbladen plaats.<br />
Het wetsvoorstel ziet op vier categorieën<br />
publicaties aan personen zonder<br />
bekende woon- of verblijfplaats<br />
die via het internet zullen worden<br />
gedaan. Het betreft ten eerste de uittreksels<br />
van exploten op grond van<br />
artikel 54 van het Wetboek van Burgerlijke<br />
Rechtsvordering (Rv), de<br />
zogenoemde openbare exploten. In<br />
de tweede plaats betreft het de<br />
bekendmakingen van oproepingen<br />
van verkeersovertreders in het kader<br />
van gijzeling op grond van artikel 28<br />
Wet administratiefrechtelijke handhaving<br />
verkeersvoorschriften (Wahv).<br />
Met betrekking tot de uittreksels van<br />
openbare exploten is door de<br />
Koninklijke Beroepsorganisatie van<br />
Gerechtsdeurwaarders (KBvG) geadviseerd<br />
om deze elektronisch te<br />
publiceren. Voorts betreft het de<br />
oproepingen aan personen zonder<br />
bekend adres in het kader van gijzeling<br />
van degenen aan wie in een<br />
strafbeschikking een geldboete is<br />
opgelegd (art. 578b Wetboek van<br />
Strafvordering) en de oproepingen<br />
van belanghebbenden zonder bekende<br />
woon- of verblijfplaats in civiele<br />
verzoekschriftprocedures (art. 272<br />
Rv). Tevens wordt in verband met het<br />
voorgaande een wijziging in de<br />
Bekendmakingswet voorgesteld,<br />
strekkend tot het in rekening kunnen<br />
brengen van kosten van publicaties<br />
in de Staatscourant.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 956, nrs. 1-4<br />
Financieel toezicht<br />
1260 - Wetsvoorstel (05-06-2014) tot<br />
wijziging van de Wet bekostiging<br />
financieel toezicht in verband met de<br />
afschaffing van de overheidsbijdrage,<br />
de invoering van Europees bankentoezicht<br />
en de bestemming van door<br />
de Autoriteit Financiële Markten en<br />
de Nederlandsche Bank opgelegde<br />
dwangsommen en boetes<br />
– De Wet bekostiging financieel toezicht<br />
(Wbft) dient op een aantal<br />
punten te worden gewijzigd. Directe<br />
aanleiding hiervoor is het voornemen,<br />
vastgelegd in het regeerakkoord<br />
‘Bruggen slaan’ van 29 oktober<br />
2012, tot afschaffing van de overheidsbijdrage<br />
voor het door de<br />
Autoriteit Financiële Markten (AFM)<br />
en De Nederlandsche Bank (DNB) uit<br />
te oefenen toezicht op de financiële<br />
markten. Daarnaast is rekening te<br />
houden met de nieuwe toezichttaken<br />
van de Europese Centrale Bank<br />
(ECB) die voortvloeien uit verordening<br />
(EU) nr. 1024/2013 van de Raad<br />
van 15 oktober 2013 waarbij aan de<br />
Europese Centrale Bank specifieke<br />
taken worden opgedragen betreffende<br />
het beleid inzake het prudentieel<br />
toezicht op kredietinstellingen<br />
(PbEU 2013, L 287). Tevens voorziet<br />
het wetsvoorstel in de mogelijkheid<br />
om een bepaald deel van de<br />
opbrengsten uit dwangsommen en<br />
bestuurlijke boetes toe te laten<br />
komen aan de Staat.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 957, nrs. 1-4<br />
1261<br />
Vervolgstukken<br />
Winstuitkering<br />
medisch-specialistische<br />
zorgaanbieders<br />
Nota n.a.v. het verslag (17-06-2014)<br />
bij het wetsvoorstel tot wijziging van<br />
de Wet cliëntenrechten zorg en enkele<br />
andere wetten om het mogelijk te<br />
maken dat aanbieders van medischspecialistische<br />
zorg, mits zij aan een<br />
aantal voorwaarden voldoen, winst<br />
uitkeren (voorwaarden voor winstuitkering<br />
aanbieders medisch-specialistische<br />
zorg).<br />
Kamerstukken I 2013/14, 33 168, nr. 18<br />
Verticale integratie zorg<br />
Brief van Minister van VWS (04-06-<br />
2014) over het wetsvoorstel tot wijziging<br />
van de Wet marktordening<br />
gezondheidszorg en enkele andere<br />
wetten, teneinde te voorkomen dat<br />
zorgverzekeraars zelf zorg verlenen<br />
of zorg laten aanbieden door zorgaanbieders<br />
waarin zij zelf zeggenschap<br />
hebben.<br />
– Brief met reactie op bericht inzake<br />
uitspraken over verschillende polissen<br />
en vergoeding van niet-gecontracteerde<br />
zorg in verhouding tot het<br />
aanhangige wetsvoorstel.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 362, nr. 22<br />
Flexibel cameratoezicht<br />
Voorlopig verslag van de vaste commissie<br />
voor Veiligheid en Justitie (16-<br />
06-2014) over het wetsvoorstel tot<br />
wijziging van de Gemeentewet in<br />
verband met de verruiming van de<br />
bevoegdheid van de burgemeester<br />
tot de inzet van cameratoezicht.<br />
Kamerstukken I 2013/14, 33 582, A<br />
Financieel-economische<br />
criminaliteit<br />
Nota van wijziging (16-06-2014) bij<br />
het wetsvoorstel tot wijziging van<br />
het Wetboek van Strafrecht, het<br />
Wetboek van Strafvordering en de<br />
Wet op de economische delicten<br />
met het oog op het vergroten van<br />
de mogelijkheden tot opsporing,<br />
vervolging, alsmede het voorkomen<br />
van financieel-economische criminaliteit<br />
(verruiming mogelijkheden<br />
bestrijding financieel-economische<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1709
Wetgeving<br />
criminaliteit).<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 685, nr. 10<br />
Digitale handhaving<br />
Memorie van Antwoord (17-06-2014)<br />
bij het wetsvoorstel tot wijziging van<br />
de Wet administratiefrechtelijke<br />
handhaving verkeersvoorschriften,<br />
het Wetboek van Strafvordering en<br />
de Gemeentewet in verband met de<br />
digitalisering van de handhaving van<br />
veelvoorkomende overtredingen (Wet<br />
digitale handhaving veelvoorkomende<br />
overtredingen).<br />
Kamerstukken I 2013/14, 33 697, B<br />
Versobering kindregelingen<br />
Brief van de Minister van SZW (16-<br />
06-2014) over het wetsvoorstel tot<br />
wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet,<br />
de Wet op het kindgebonden<br />
budget, de Wet werk en bijstand, de<br />
Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet<br />
studiefinanciering 2000 en enige<br />
andere wetten in verband met hervorming<br />
en versobering van de kindregelingen<br />
(Wet hervorming kindregelingen).<br />
– Brief inzake de toezegging van de<br />
uitbreiding van het extra overgangsvan<br />
alleenstaande ouders in de bijstand.<br />
Kamerstukken I 2013/14, 33 716, H<br />
Voortgezette<br />
tenuitvoerlegging<br />
Eindverslag (17-06-2014) over het<br />
wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet<br />
overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen<br />
in verband met aanvulling<br />
van de bepaling over de procedure<br />
van voortgezette tenuitvoerlegging.<br />
Kamerstukken I 2013/14, 33 742, A<br />
Wet maatschappelijke<br />
ondersteuning 2015<br />
Memorie van antwoord (13-06-2014)<br />
bij het wetsvoorstel houdende regels<br />
inzake de gemeentelijke ondersteuning<br />
op het gebied van zelfredzaamheid,<br />
participatie, beschermd wonen<br />
en opvang (Wet maatschappelijke<br />
ondersteuning 2015).<br />
Kamerstukken I 2013/14, 33 841, G<br />
Kapitaalvereisten<br />
Memorie van antwoord (13-06-2014)<br />
en eindverslag (17-06-2014) bij het<br />
wetsvoorstel voor een implementatiewet<br />
richtlijn en verordening kapitaalvereisten.<br />
Kamerstukken I 2013/14, 33 849, C en D<br />
Verzamelwet pensioenen<br />
2014<br />
Brief van de Staatssecretaris van<br />
Sociale Zaken en Werkgelegenheid<br />
(10-06-2014) en de tweede nota van<br />
wijziging (13-06-2014) bij het<br />
wetsvoorstel tot wijziging van de<br />
Pensioenwet, de Wet verplichte<br />
beroepspensioenregeling en enkele<br />
andere wetten in verband met het<br />
van toepassing worden van de Kaderwet<br />
zelfstandige bestuursorganen op<br />
De Nederlandsche Bank en de Autoriteit<br />
Financiële Markten en in verband<br />
met enkele andere wijzigingen<br />
(Verzamelwet pensioenen 2014).<br />
– Brief met het verzoek de plenaire<br />
behandeling van de Verzamelwet<br />
pensioenen 2014 uit te stellen, zodat<br />
de Tweede Kamer over het gehele<br />
wetsvoorstel, inclusief deze nota van<br />
wijziging, kan debatteren.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 863, nr. 11-12<br />
Wijziging Statuut van Rome<br />
inzake het Internationaal<br />
Strafhof<br />
Nota n.a.v. het verslag (11-06-2014)<br />
bij Voorstel van Rijkswet houdende<br />
Goedkeuring en uitvoering voor de<br />
wetgeving op Koninkrijksniveau van<br />
de op 10 en 11 juni 2010 te Kampala<br />
aanvaarde wijzigingen van het Statuut<br />
van Rome inzake het Internationaal<br />
Strafhof (Trb. 2011, 73).<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 865 (R2024), nr. 6<br />
Langdurige Zorg<br />
Nota van wijziging (06-06-2014) bij<br />
het wetsvoorstel met Regels inzake<br />
de verzekering van zorg aan mensen<br />
die zijn aangewezen op langdurige<br />
zorg (Wet langdurige zorg).<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 10<br />
Kiesrecht niet-Nederlandse<br />
ingezetenen BES-eilanden<br />
Nota naar aanleiding van het verslag<br />
Wetsvoorstel (18-06-2014) bij de wijziging<br />
van de Kieswet en de Wet<br />
openbare lichamen Bonaire, Sint<br />
Eustatius en Saba, houdende aanpassing<br />
van de regeling met betrekking<br />
tot het kiesrecht van niet-Nederlanders<br />
bij eilandsraadsverkiezingen.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 900, nr. 6<br />
CO2 opslag in zee<br />
Goedkeuring<br />
Eindverslag (17-06-2014) over het<br />
wetsvoorstel tot Goedkeuring van de<br />
op 30 oktober 2009 te Londen tot<br />
stand gekomen wijziging van artikel<br />
6 van het Protocol van 1996 bij het<br />
Verdrag inzake de voorkoming van<br />
verontreiniging van de zee ten<br />
gevolge van het storten van afval en<br />
andere stoffen van 1972, zoals opgenomen<br />
in Resolutie LP.3(4) (Trb.<br />
2011, 72)<br />
Kamerstukken I 2013/14, 33 906, A<br />
CO2 opslag in zee<br />
Uitvoering<br />
Eindverslag (17-06-2014) over het<br />
wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet<br />
milieubeheer en de Wet volkshuisvesting,<br />
ruimtelijke ordening en milieubeheer<br />
BES in verband met de uitvoering<br />
van de op 30 oktober 2009<br />
tot stand gekomen wijziging van artikel<br />
6 van het op 7 november 1996 te<br />
Londen tot stand gekomen Protocol<br />
van 1996 bij het Verdrag inzake de<br />
voorkoming van de verontreiniging<br />
van de zee ten gevolge van het storten<br />
van afval en andere stoffen van<br />
1972, zoals opgenomen in Resolutie<br />
LP.3(4) (Trb. 2011, 72)<br />
Kamerstukken I 2013/14, 33 907, A<br />
Kaderwet zelfstandige<br />
bestuursorganen<br />
Verslag (12-06-2014) over het wetsvoorstel<br />
tot wijziging van de Kaderwet<br />
zelfstandige bestuursorganen in<br />
verband met het aansluiten van zelfstandige<br />
bestuursorganen op de<br />
rijksinfrastructuur en enkele technische<br />
aanpassingen.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 912, nr. 5<br />
Wijzigingswet financiële<br />
markten 2015<br />
Verslag (16-06-2014) over het wetsvoorstel<br />
tot wijziging van de Wet op<br />
het financieel toezicht en enige<br />
andere wetten op het terrein van de<br />
financiële markten (Wijzigingswet<br />
financiële markten 2015).<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 918, nr. 7<br />
Elektronische vispas<br />
Verslag (16-06-2014) over het wetsvoorstel<br />
tot wijziging van de Visserijwet<br />
1963 om de mogelijkheid op te<br />
nemen om gegevens van de schriftelijke<br />
toestemming voor sportvisserij<br />
op de binnenwateren elektronisch te<br />
kunnen verstrekken in plaats van<br />
uitsluitend op schrift.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 947, nr. 4<br />
1710 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Wetgeving<br />
1262<br />
Nota’s,<br />
rapporten &<br />
verslagen<br />
Informatie herkomstlanden<br />
asielzoekers<br />
Brief van de Staatssecretaris van VenJ<br />
en de Minister van BuZa (27-05-2014)<br />
over de Europese samenwerking op<br />
het gebied van het verzamelen en<br />
publiceren van landeninformatie<br />
over herkomstlanden van asielzoekers.<br />
– de Europese samenwerking op het<br />
gebied van landeninformatie moet<br />
gezien worden in het licht van harmonisatie<br />
van het Europees asielsysteem.<br />
De komende jaren zullen<br />
vooral in het teken staan van de<br />
implementatie van de tweede fase<br />
van het gemeenschappelijk Europees<br />
asielstelsel (GEAS) zoals dat in verschillende<br />
Europese richtlijnen en<br />
verordeningen is vorm gegeven. De<br />
ontwikkeling naar een GEAS zou er<br />
in de visie van Nederland uiteindelijk<br />
toe moeten leiden dat een vergelijkbaar<br />
asielverzoek in alle lidstaten<br />
tot dezelfde uitkomst leidt. Vanuit de<br />
gedachte van verdere harmonisatie is<br />
het gewenst dat parallel aan het<br />
implementatietraject gestreefd wordt<br />
naar gezamenlijke Europese ambtsberichten<br />
op basis waarvan uiteindelijk<br />
een gezamenlijk Europees<br />
beleidsoordeel kan worden gegeven<br />
over de situatie in relevante landen<br />
van herkomst van asielzoekers. Het<br />
Ministerie van BuZa is, zoals bekend,<br />
verantwoordelijk voor het opstellen<br />
van algemene en thematische ambtsberichten<br />
op het gebied van herkomstlanden<br />
van asielzoekers. Het<br />
Ministerie van VenJ is verantwoordelijk<br />
voor het bepalen van het<br />
asielbeleid, mede gebaseerd op deze<br />
ambtsberichten. In de huidige praktijk<br />
is de wijze van het opstellen van<br />
ambtsberichten zeer uiteenlopend in<br />
de verschillende lidstaten. In sommige<br />
lidstaten mag alleen gebruik worden<br />
gemaakt van openbare bronnen<br />
terwijl in andere lidstaten (waaronder<br />
Nederland) ook gebruik wordt<br />
gemaakt van vertrouwelijke bronnen.<br />
Andere verschillen zijn gelegen in de<br />
inhoudelijke diepgang van de informatie,<br />
het al dan niet publiceren van<br />
landenrapportages en de Terms of<br />
Reference (TOR), het betrekken van<br />
het maatschappelijk middenveld bij<br />
de TOR en het trekken van conclusies<br />
in de landenrapportage (dit laatste<br />
is geen gebruik in Nederland). Het<br />
Europees Ondersteuningsbureau<br />
voor asielzaken (EASO) heeft<br />
bevoegdheid op het terrein van het<br />
verzamelen en verspreiden van<br />
informatie over landen van herkomst<br />
van asielzoekers vanuit een Europees<br />
perspectief. Het ligt dus voor de<br />
hand om vanuit het EASO de Europese<br />
samenwerking van lidstaten op<br />
het gebied van landeninformatie verder<br />
te versterken. De door EASO in<br />
2012 opgestelde thematische ambtsberichten<br />
over Afghanistan zijn een<br />
eerste aanzet van wat op termijn kan<br />
uitgroeien tot Europese ambtsberichten.<br />
Nederland is voorstander van<br />
het verder ontwikkelen van algemene<br />
ambtsberichten via EASO en is<br />
uiteraard bereid zijn expertise daarvoor<br />
beschikbaar te stellen. In EASOverband<br />
zijn inmiddels drie expertnetwerken<br />
opgericht waarin<br />
landeninformatie wordt gedeeld met<br />
alle lidstaten op de specifieke landen<br />
Somalië, Syrië en Pakistan. Ook met<br />
betrekking tot Iran, Afghanistan en<br />
de Russische Federatie zullen in de<br />
loop van 2014 expertnetwerken worden<br />
opgericht binnen welke op gelijke<br />
wijze informatie zal worden<br />
gedeeld. Parallel aan de activiteiten<br />
die binnen EASO vorm krijgen, heeft<br />
Nederland Noorwegen, Zweden en<br />
België benaderd om te bekijken of er<br />
een nauwere samenwerking mogelijk<br />
is bij het ontwikkelen van gezamenlijke<br />
algemene ambtsberichten die<br />
direct kunnen dienen als substituut<br />
voor de nationale berichten van deze<br />
landen. EASO is bij de totstandkoming<br />
hiervan niet betrokken aangezien<br />
de inhoudelijke eisen die de<br />
genoemde landen stellen aan een<br />
zodanige rapportage niet aansluiten<br />
bij de behoefte/wens van een groot<br />
aantal lidstaten. Tussen de samenwerkende<br />
landen is afgesproken om<br />
nog dit jaar gezamenlijk een algemeen<br />
ambtsbericht op te stellen over<br />
Libië. Indien het resultaat positief is<br />
en aan de kwaliteitseisen voldoet die<br />
voor Nederland van belang zijn, is<br />
het de bedoeling dat dit ambtsbericht<br />
dienst zal doen als een regulier<br />
ambtsbericht.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 19 637, nr. 1830<br />
Asielbeleid voor LHBT’s<br />
Brief van de Staatssecretaris van VenJ<br />
(04-06-2014) over het eventueel<br />
schrappen van een passage inzake de<br />
wijze waarop de vreemdeling voornemens<br />
is in het land van herkomst<br />
zijn seksuele gerichtheid te uiten en<br />
de aannemelijkheid daarvan in de<br />
Vreemdelingencirculaire (Vc).<br />
– De bewindsman heeft eerder toegezegd<br />
te bezien of de passage in de Vc<br />
inzake de wijze waarop de vreemdeling<br />
voornemens is in het land van<br />
herkomst zijn seksuele gerichtheid te<br />
uiten en de aannemelijkheid daarvan,<br />
verwijderd kan worden. De huidige<br />
passage in de Vc luidt als volgt:<br />
‘Bij de beoordeling van de individuele<br />
situatie van de vreemdeling<br />
betrekt de IND ook de wijze waarop<br />
de vreemdeling voornemens is in<br />
zijn land van herkomst zijn seksuele<br />
gerichtheid te uiten en de aannemelijkheid<br />
daarvan. Hiertoe onderzoekt<br />
de IND hoe de vreemdeling in het<br />
verleden en heden, in Nederland of<br />
elders, invulling heeft gegeven aan<br />
zijn seksuele gerichtheid’. Punt van<br />
kritiek vanuit de Kamer was dat deze<br />
formulering in de Vc in strijd zou<br />
zijn met het beginsel dat geen terughoudendheid<br />
mag worden gevraagd.<br />
Daarom zou deze passage geschrapt<br />
moeten worden. De vraag naar de<br />
wijze van uiten wordt echter gesteld<br />
om te kunnen beoordelen of de persoon<br />
bij terugkeer zal worden blootgesteld<br />
aan vervolging en is zeker<br />
geen verkapte terughoudendheidstoets.<br />
De toetsing als opgenomen in<br />
de Vc volgt ook uit de uitspraak van<br />
de Afdeling bestuursrechtspraak van<br />
de Raad van State. De Afdeling overweegt<br />
dat bij de beoordeling of een<br />
vreemdeling een gegronde vrees<br />
voor vervolging heeft ook de verklaringen<br />
van een vreemdeling betrokken<br />
moeten worden over de wijze<br />
waarop hij na terugkeer in zijn land<br />
van herkomst invulling aan zijn seksuele<br />
gerichtheid zal geven. De Afdeling<br />
geeft met deze uitspraak uitleg<br />
aan de uitspraak van het Europese<br />
Hof van Justitie over de door de Afdeling<br />
gestelde prejudiciële vragen. Ook<br />
al zou de betreffende passage uit de<br />
Vc geschrapt worden, dan nog zouden<br />
de rechtbanken en de Afdeling<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1711
Wetgeving<br />
asielverzoeken van LHBT’s in voorkomende<br />
gevallen blijven toetsen zoals<br />
in de uitspraak van de Afdeling vermeld<br />
staat. Dat is immers blijkens de<br />
rechtspraak de juiste uitleg van de<br />
EU-kwalificatierichtlijn. In de praktijk<br />
toetst de IND in een gehoor van een<br />
asielzoeker die stelt dat hij lesbisch,<br />
homo, biseksueel of transgender is,<br />
allereerst of het geloofwaardig is dat<br />
de vreemdeling LHBT is. Op basis van<br />
de tekst in de Vc waar het in deze<br />
brief om gaat zullen, met het doel te<br />
kunnen vaststellen of de (geloofwaardige)<br />
LHBT asielzoeker een reële<br />
vrees voor vervolging heeft, aan de<br />
vreemdeling vragen worden gesteld<br />
over de beleving van zijn LHBT-zijn<br />
en de wijze waarop hij voornemens<br />
is die gerichtheid bij terugkeer te<br />
uiten. Bij de individuele toetsing<br />
wordt het relaas beoordeeld tegen<br />
het licht van de situatie van LHBT’s<br />
in het land van herkomst. Bij die<br />
toetsing hanteert de IND een bepaalde<br />
‘ondergrens’ die voor iedereen<br />
geldt. Dit betekent dat iemand invulling<br />
aan zijn gerichtheid moet kunnen<br />
geven op een manier die niet<br />
wezenlijk anders is dan van heteroseksuelen<br />
in het betreffende land<br />
van herkomst wordt geaccepteerd.<br />
Juist in een situatie waarin een asielzoeker<br />
aangeeft zijn gerichtheid op<br />
een manier te zullen gaan uiten die<br />
aanzienlijk verder gaat dan de<br />
genoemde ‘ondergrens’, is het van<br />
belang om ten aanzien van de individuele<br />
vreemdeling te kunnen beoordelen<br />
of hij vanwege de invulling van<br />
zijn gerichtheid risico loopt op vervolging.<br />
Indien de IND het aannemelijk<br />
acht dat hij inderdaad op een<br />
extreme manier uiting zal geven aan<br />
zijn seksuele gerichtheid en dit een<br />
reëel risico op vervolging meebrengt,<br />
zal een vergunning verstrekt worden.<br />
Indien de asielzoeker stelt zijn<br />
gerichtheid te gaan uiten op een<br />
manier die niet strookt met de beleving<br />
van de gerichtheid in Nederland<br />
of elders, voorafgaand aan het vertrek<br />
naar Nederland, kunnen de verklaringen<br />
hierover ongeloofwaardig<br />
worden geacht. Indien de verklaringen<br />
hieromtrent ongeloofwaardig<br />
worden geacht zullen deze ongeloofwaardige<br />
uitingen verder buiten de<br />
beoordeling worden gelaten en zal<br />
worden beoordeeld welk risico de<br />
vreemdeling in zijn land loopt als hij<br />
een ‘normaal leven’ zal gaan leiden.<br />
Als hij in die situatie een risico loopt<br />
op vervolging, krijgt hij een verblijfsvergunning.<br />
Dit betekent dus geen<br />
eis om zich terughoudend op te stellen.<br />
Voorts zal de IND niet afzien van<br />
het verlenen van een vergunning<br />
omdat een LHBT asielzoeker aangeeft<br />
zijn gerichtheid vanwege de sociale<br />
druk of schaamte, bijvoorbeeld voor<br />
zijn ouders, verborgen te zullen houden,<br />
terwijl het tot vervolging zou<br />
leiden als hij dat niet zou doen. De<br />
jurisprudentie lijkt die ruimte wel<br />
te bieden, maar van deze ruimte<br />
wordt geen gebruik gemaakt. De<br />
huidige tekst van de Vc sluit goed<br />
aan bij de uitspraak van de Afdeling<br />
naar aanleiding van de uitspraak van<br />
het Europese Hof van Justitie.<br />
Nu de tekst van de Vc blijkbaar tot<br />
onduidelijkheid leidt is besloten om<br />
deze als volgt aan te passen:<br />
‘De IND moet beoordelen of de aannemelijk<br />
geachte uitingen van de<br />
seksuele gerichtheid van de vreemdeling<br />
in het land van herkomst tot<br />
vervolging zullen leiden. Hiertoe<br />
toetst de IND of de wijze waarop de<br />
vreemdeling aangeeft zijn seksuele<br />
gerichtheid te zullen uiten na<br />
terugkeer in het land van herkomst<br />
aannemelijk wordt geacht. Indien<br />
een deel van die verklaringen als<br />
onaannemelijk moet worden gezien,<br />
bijvoorbeeld omdat deze niet stroken<br />
met de uitingen in Nederland of<br />
elders voorafgaand aan zijn vertrek<br />
naar Nederland, zullen de gestelde<br />
uitingen niet bij de beoordeling worden<br />
betrokken. De IND beoordeelt de<br />
wel aannemelijk geachte uitingen<br />
tegen het licht van de situatie in het<br />
land van herkomst. De IND verlangt<br />
van de vreemdeling geen terughoudendheid<br />
bij de invulling van zijn<br />
seksuele gerichtheid en hanteert om<br />
die reden, bij de beoordeling van het<br />
risico op vervolging, steeds een zekere<br />
‘ondergrens’. Uitgangspunt is dat<br />
iemand zijn gerichtheid zal uiten en<br />
relaties zal aangaan op een manier<br />
die niet wezenlijk anders is dan van<br />
heteroseksuelen in het betreffende<br />
land van herkomst is geaccepteerd.<br />
Voorts gaat de IND er bij de beoordeling<br />
van het risico op vervolging<br />
vanuit dat de directe omgeving van<br />
de vreemdeling op de hoogte is of<br />
zou kunnen geraken van de seksuele<br />
gerichtheid.’<br />
Kamerstukken II 2013/14, 19 637, nr. 1848<br />
Eritrea<br />
Brief van de Staatssecretaris van VenJ<br />
(03-06-2014) over betrokkenheid van<br />
de Eritrese overheid bij mensensmokkel<br />
en bij de afpersing van<br />
vluchtelingen.<br />
– Berichten over de betrokkenheid<br />
van de Eritrese overheid bij mensensmokkel<br />
en afpersing van vluchtelingen<br />
zijn bij de bewindsman<br />
bekend en hebben zijn aandacht. Op<br />
dit moment worden alle signalen van<br />
mensensmokkel, binnen de ter<br />
beschikking staande juridische<br />
kaders, nader onderzocht. De heffing<br />
van de zogenoemde ‘diaspora belasting’<br />
is op zichzelf niet illegaal. Dit<br />
geldt ook voor het onthouden van<br />
overheidsdiensten door Eritrea bij<br />
een weigering om te betalen. Als de<br />
heffing echter onder dwang of intimidatie<br />
gebeurt, is dit wel illegaal en<br />
kunnen er stappen worden ondernomen<br />
tegen de betrokkenen. Voor het<br />
vaststellen of misdrijven als afpersing<br />
en soortgelijke delicten aan de<br />
orde zijn, zijn politie en OM in<br />
belangrijke mate afhankelijk van<br />
aangifte en melding door de slachtoffers.<br />
Zodra er aangifte is gedaan<br />
zal de politie onder leiding van het<br />
OM daar onderzoek naar doen.<br />
Lopende een onderzoek worden geen<br />
mededelingen daarover gedaan. Dit<br />
probleem wordt overigens door<br />
Nederland ook in EU-verband<br />
geagendeerd. De Nederlandse ambassade<br />
in Eritrea is sinds december<br />
2011 gesloten. De Eritrese ambassade<br />
in Nederland wordt al enige jaren<br />
geleid op niveau van tijdelijk zaakgelastigde.<br />
Vanwege de economische<br />
situatie en het slechte investeringsklimaat<br />
van Eritrea is er nauwelijks<br />
sprake van bilaterale economische<br />
betrekkingen tussen beide landen.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 19 637, nr. 1849<br />
Schaliegas<br />
Brief van de Minister van BuZa (28-<br />
05-2014) met een fiche inzake een<br />
Mededeling en aanbeveling minimumbeginselen<br />
exploratie en<br />
productie schaliegas.<br />
– Aardgas uit schalielagen kan volgens<br />
de Commissie een mogelijk<br />
alternatief zijn voor meer koolstofintensieve<br />
fossiele brandstoffen welke<br />
de afhankelijkheid van energieleveranciers<br />
van buiten de EU vermindert.<br />
Er zijn echter ook onzekerheden<br />
en risico’s te benoemen bij het explo-<br />
1712 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Wetgeving<br />
reren en winnen van schaliegas. De<br />
voornaamste zorg van de Commissie<br />
is het risico op verontreiniging van<br />
grond- en oppervlaktewateren, mede<br />
in relatie tot de drinkwaterwinning.<br />
Daarnaast heeft de Commissie zorgen<br />
over bodemverontreiniging, de<br />
verwerking van afvalstoffen,<br />
gevolgen voor de leefomgeving (verkeersbewegingen,<br />
infrastructurele<br />
aanpassingen) en transparante<br />
besluitvorming. De Commissie geeft<br />
in haar mededeling aan dat de lidstaten<br />
verantwoordelijk zijn voor de<br />
besluitvorming over hun energiemix.<br />
Het is dan ook aan de lidstaten om<br />
te beslissen of zij de exploratie of<br />
productie van aardgas uit schalieformaties<br />
of andere niet-conventionele<br />
bronnen van koolwaterstoffen toestaan.<br />
De lidstaten die dat doen, zullen<br />
er echter voor moeten zorgen dat<br />
aan voorwaarden is voldaan met<br />
betrekking tot duidelijkheid en voorspelbaarheid<br />
voor exploitanten en<br />
burgers over toelating van schaliegaswinning<br />
en de eisen waaronder<br />
de toelating wordt gegeven, en dat er<br />
terdege rekening wordt gehouden<br />
met de uitstoot van broeikasgassen<br />
en klimaat- en milieurisico’s. De Commissie<br />
geeft in de mededeling aan<br />
met minimumbeginselen voor<br />
milieubescherming en publieksparticipatie<br />
te komen voor die landen die<br />
tot schaliegasboringen overgaan.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 22 112, nr. 1858<br />
Socialezekerheidsverdrag<br />
Marokko, woonlandbeginsel<br />
Brief van de Minister van SZW (03-<br />
06-2014) over de laatste stand van<br />
zaken met betrekking tot de<br />
verdragsonderhandelingen met<br />
Marokko over aanpassing van het<br />
bilaterale socialezekerheidsverdrag.<br />
Ook wordt ingegaan op de recente<br />
rechterlijke uitspraken over de toepassing<br />
van het woonlandbeginsel.<br />
– Er dienen 19 bilaterale sociale<br />
zekerheidsverdragen te worden aangepast<br />
met het oog op het stopzetten<br />
van de export van kinderbijslag en<br />
kindgebonden budget. Bij een deel<br />
van deze verdragen, waaronder het<br />
verdrag met Marokko, dient het verdrag<br />
ook te worden aangepast met<br />
het oog op het beëindigen van de<br />
werelddekking bij tijdelijk verblijf in<br />
het kader van de Zorgverzekeringswet.<br />
Naar aanleiding van deze wens<br />
zijn Nederland en Marokko sinds 1<br />
jaar in overleg over aanpassing van<br />
het verdrag. In april van dit jaar<br />
heeft de laatste onderhandelingsronde<br />
met Marokko plaatsgevonden. Het<br />
overleg met Marokko heeft nog niet<br />
tot resultaten geleid. De standpunten<br />
liggen nog steeds ver uit elkaar.<br />
Afgesproken is om in principe in<br />
september van dit jaar de onderhandelingen<br />
voort te zetten. Dit in de<br />
veronderstelling dat tegen die tijd<br />
het wetsvoorstel Herziening exportbeperking<br />
kinderbijslag (Whek) is<br />
aangenomen en de meest relevante<br />
vonnissen inzake het woonlandbeginsel<br />
zijn gewezen. De minister<br />
geeft in deze brief ook een overzicht<br />
van de jurisprudentie die tot nu toe<br />
gewezen is inzake de toepassing van<br />
het woonlandbeginsel. Gelet op deze<br />
jurispudentie wil de minister aan het<br />
woonlandbeginsel als zodanig<br />
vasthouden. Met betrekking tot de<br />
Anw-uitkering naar Turkije en<br />
Marokko ziet hij ruimte om onderscheid<br />
te maken tussen ‘oude en<br />
nieuwe’ gevallen. Wat betreft de<br />
overige (verdrags)landen is de SVB in<br />
overleg met het departement doende<br />
per land te bezien wat de gevolgen<br />
van de uitspraken van de CRvB over<br />
de Turkse en Marokkaanse zaken zijn<br />
voor de toepassing van het woonlandbeginsel<br />
op Anw-uitkeringen.<br />
Niet uitgesloten wordt dat voor meer<br />
landen geldt dat hetzelfde onderscheid<br />
moet gelden tussen oude en<br />
nieuwe gevallen als bij Marokko en<br />
Turkije. Daarnaast worden op dit<br />
moment de rechtszaken afgewacht<br />
over de AKW en de WGA-vervolguitkering.<br />
Daarnaast kan de onderhoudseis<br />
zo nodig via wetswijziging worden<br />
gerepareerd. Waarbij wordt<br />
opgemerkt dat de uitspraken van de<br />
CRvB weliswaar worden gevolgd<br />
maar nog niet gecodificeerd. Tot slot<br />
geeft de minister aan waarom het<br />
zijns inziens niet verstandig is om<br />
tot opzegging van het bilaterale verdrag<br />
met Marokko over te gaan.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 26 448, nr. 517<br />
Biotechnologie<br />
Brief van de Staatssecretaris van<br />
IenM (27-05-2014) over het voorstel<br />
van de Europese Commissie (EC) over<br />
de nationale bevoegdheid om de<br />
teelt van genetisch gemodificeerde<br />
gewassen (gg-gewassen) op eigen<br />
grondgebied geografisch te beperken<br />
of te verbieden.<br />
– Dit voorstel werd besproken tijdens<br />
de Milieuraad van 12 juni 2014. In de<br />
huidige situatie is het zo dat gggewassen<br />
in de gehele EU mogen<br />
worden geteeld als deze gewassen de<br />
Europese toelatingsprocedure hebben<br />
doorlopen. Aan de toelating van<br />
gg-gewassen gaat een uitvoerige en<br />
zorgvuldige veiligheidsbeoordeling<br />
vooraf. Lidstaten kunnen echter<br />
andere redenen dan veiligheid hebben<br />
om de teelt van gg-gewassen te<br />
willen weren. Nederland zet zich<br />
daarom al een aantal jaren ervoor in,<br />
dat lidstaten de mogelijkheid krijgen<br />
de teelt van in de EU toegelaten gggewassen<br />
op eigen grondgebied geografisch<br />
te beperken of te verbieden.<br />
Het voorstel omvat twee fasen. Direct<br />
nadat een aanvraag voor toelating<br />
voor teelt in de EU van een gg-gewas<br />
is gepubliceerd, kan een lidstaat in<br />
de eerste fase de aanvrager verzoeken<br />
(een deel van) het grondgebied<br />
van die lidstaat uit te sluiten van de<br />
aanvraag. De aanvrager kan er dan<br />
voor kiezen om zijn aanvraag aan te<br />
passen. Wil de aanvrager dit niet, dan<br />
kan een lidstaat in de tweede fase<br />
zelf een nationale beperkingsmaatregel<br />
nemen om alsnog de teelt van<br />
het Europees toegelaten gg-gewas<br />
geografisch te beperken of te verbieden<br />
op eigen grondgebied. Een<br />
nationale beperkingsmaatregel mag<br />
pas in werking treden vanaf het<br />
moment van toelating van het gggewas.<br />
Een belangrijke conclusie uit<br />
de eerdere analyses is, dat lidstaten<br />
de juridische validiteit zelf in de<br />
hand hebben bij het nemen van een<br />
beslissing over het gebruik maken<br />
van de mogelijkheid die door het<br />
voorstel wordt geboden. Of een<br />
maatregel die een lidstaat op grond<br />
van het voorstel neemt juridisch<br />
valide is, is afhankelijk van de<br />
onderbouwing die de lidstaat voor<br />
die maatregel geeft. In de juridische<br />
analyses is tevens aandacht besteed<br />
aan de voorwaarden waaraan een<br />
nationale maatregel moet voldoen<br />
om juridisch valide en WTO conform<br />
te zijn. Deze voorwaarden zijn,<br />
kort gezegd: een maatregel moet<br />
proportioneel, non-discriminatoir<br />
en goed onderbouwd zijn, en moet<br />
gebaseerd zijn op een specifieke,<br />
case-by-case afweging, dat wil zeggen<br />
gericht op één gg-gewas of<br />
gericht op één gebied.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 27 428, nr. 282<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1713
Wetgeving<br />
Integriteit overheid<br />
Brief van de Minister van BZK (03-06-<br />
2014) bij de aanbieding van het Jaarverslag<br />
van de Onderzoeksraad Integriteit<br />
Overheid 2013.<br />
– Het jaarverslag is als bijlage bij<br />
deze brief te vinden.<br />
In 2013, het eerste volle jaar van het<br />
bestaan van de Onderzoeksraad, hebben<br />
drie activiteiten centraal<br />
gestaan: 1. Allereerst het doen van<br />
onderzoeken naar aanleiding van<br />
meldingen van vermoedens van<br />
misstanden. 2.Daarnaast heeft de<br />
Onderzoeksraad de aansluiting<br />
van de gemeenten en waterschappen<br />
voorbereid, samen met betrokken<br />
koepelorganisaties VNG en UVW. Het<br />
hebben van één loket voor het<br />
melden van misstanden, één begrippenkader,<br />
één meldprocedure en één<br />
methode van onderzoek voor het<br />
openbaar bestuur, schept voor iedereen<br />
duidelijkheid en expertise wordt<br />
gedeeld. 3. Tot slot heeft de Onderzoeksraad<br />
gewerkt aan de verhoging<br />
van de naamsbekendheid bij de sectoren<br />
en binnen de politiek.<br />
In 2013 konden ambtenaren van<br />
Rijk, Politie, Defensie, Provincies en<br />
een aantal zelfstandige bestuursorganen<br />
melding doen bij de Onderzoeksraad<br />
Integriteit Overheid van vermoedens<br />
van een misstand, zij het<br />
nadat in beginsel eerst intern<br />
was gemeld. In het verslagjaar 2013<br />
hebben in totaal 74 personen<br />
een beroep gedaan op de Onderzoeksraad.<br />
Met deze meldingen is<br />
het volgende gebeurd:<br />
delen<br />
verzoeken: 3<br />
<br />
advies: 62<br />
<br />
2012 in portefeuille: 4<br />
<br />
<br />
advies zijn als volgt geklassificeerd:<br />
<br />
<br />
<br />
tie:<br />
33<br />
<br />
anders: 3<br />
torenorganisaties:<br />
4<br />
De afhandeling verliep als volgt:<br />
<br />
<br />
<br />
Eind 2013 is de Onderzoeksraad<br />
gestart met de ontwikkeling van een<br />
onderzoeksprotocol. Dit protocol<br />
heeft tot doel de kwaliteit van onderzoeken<br />
en het verloop van het onderzoeksproces<br />
te waarborgen.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 28 844, nr. 77<br />
Agentenoperaties AIVD<br />
<br />
2014) over een onderzoek door Commissie<br />
van Toezicht betreffende de<br />
Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten<br />
<br />
van enkele langlopende agentenoperaties<br />
door de Algemene Inlichtingenen<br />
Veiligheidsdienst (AIVD).<br />
– Naar aanleiding van dit onderzoek<br />
heeft de CTIVD een toezichtsrapport<br />
vastgesteld (rapportnummer 37). Dit<br />
rapport is deels openbaar, deels<br />
geheim. Het openbare deel van het<br />
toezichtsrapport wordt als bijlage bij<br />
deze brief aangeboden. De minister<br />
geeft tevens zijn reactie. De geheime<br />
bijlage van het rapport is aan de<br />
Commissie voor de Inlichtingen- en<br />
Veiligheidsdiensten van de Tweede<br />
Kamer toegezonden. Het onderzoek<br />
van de Commissie heeft zich toegespitst<br />
op vijf agentenoperaties<br />
met een looptijd van meer dan een<br />
jaar, die in het kader van de veiligheidstaak<br />
van de AIVD zijn ingezet,<br />
meer specifiek in het kader van het<br />
onderzoek naar terrorisme, radicalisering<br />
en extremisme. Daarbij is in<br />
het bijzonder gekeken naar de vragen<br />
omtrent de instructie en de aansturing<br />
van agenten door de AIVD.<br />
Onderzocht is hoe de AIVD de regie<br />
houdt over de inzet van de agent,<br />
hoe de belangen van de agent<br />
en de AIVD tegen elkaar worden<br />
afgewogen en hoe wordt gestuurd op<br />
de doelen die men beoogt te bereiken.<br />
De Commissie stelt vast dat in<br />
alle gevallen sprake lijkt te zijn van<br />
een samenwerkingsrelatie waarbij de<br />
AIVD de controle heeft over hoe de<br />
agent wordt ingezet in de targetomgeving<br />
en dat de veiligheid van de<br />
agenten ten gevolge van hun inzet<br />
door de AIVD niet in gevaar is gekomen.<br />
Daarnaast is veel aandacht<br />
besteed aan de wijze waarop er bij de<br />
inzet van langlopende agentenoperaties<br />
wordt omgegaan met de betrokkenheid<br />
van agenten bij het plegen<br />
van strafbare feiten. Het uitgangspunt<br />
van de dienst is dat een agent<br />
slechts bij uitzondering strafbare feiten<br />
pleegt. De agenten in de onderzochte<br />
operaties hebben slechts dan<br />
een instructie gekregen voor het plegen<br />
van strafbare feiten, wanneer dit<br />
noodzakelijk was in het kader van de<br />
goede taakuitvoering van de dienst<br />
dan wel de veiligheid van de agent.<br />
De agenten hebben evenmin andere<br />
personen aangezet tot het plegen<br />
van strafbare feiten. De CTIVD heeft<br />
in het rapport geen onrechtmatigheden<br />
geconstateerd. Wel heeft zij een<br />
aantal kritiekpunten en heeft zij<br />
daartoe een aantal aanbevelingen<br />
gedaan waar de minister zich in kan<br />
vinden. De belangrijkste kritiekpun-<br />
breken<br />
van evaluaties bij langlopende<br />
operaties, zowel tussentijds als na<br />
<br />
agent niet altijd duidelijk welke strafbare<br />
feiten hij mag plegen, onder<br />
welke omstandigheden hij dat mag<br />
doen en wat de gevolgen kunnen zijn<br />
wanneer hij door zijn handelen in<br />
aanraking komt met politie en justi-<br />
zien<br />
van operaties waarbij strafbare<br />
feiten (voorzienbaar) een rol spelen<br />
<br />
Openbaar Ministerie moeten goede<br />
en toetsbare afspraken worden<br />
gemaakt over de toestemming voor<br />
het plegen van strafbare feiten door<br />
agenten van de AIVD. Met deze laatste<br />
aanbeveling worden eventuele<br />
bezwaren inzake het niet opstellen<br />
van een AMvB over strafbare feiten,<br />
waartoe het kabinet heeft besloten<br />
(Kamerstuk 33 820, nr. 2, p. 7), weggenomen.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 29 924, nr. 108<br />
Lokale democratie<br />
<br />
2014) over de uitkomsten van de<br />
monitoring van Nederland over de<br />
toepassing en naleving van het Europees<br />
handvest inzake lokale autonomie<br />
en het aanvullend protocol burgerparticipatie.<br />
– In mei 2013 bracht een monitoringscomité<br />
van het Congres van<br />
lokale en regionale overheden (kortweg<br />
Congres), onderdeel van de Raad<br />
van Europa (RvE), voor de derde maal<br />
een bezoek aan Nederland (eerdere<br />
<br />
toepassing en naleving van het<br />
Europees handvest inzake lokale<br />
autonomie en het aanvullend protocol<br />
burgerparticipatie. Het als bijlage<br />
1714 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Wetgeving<br />
meegestuurde eindrapport is op 26<br />
maart 2014 vastgesteld tijdens de<br />
plenaire vergadering van het Congres.<br />
Het congres is van mening dat<br />
het goed gesteld is met de lokale en<br />
regionale autonomie in Nederland en<br />
kijkt met tevredenheid naar de in<br />
zijn algemeenheid goede verhouding<br />
en samenwerking tussen de nationale<br />
overheid en de decentrale overheden.<br />
In de vorm van zeven aanbevelingen<br />
zijn aandachtsgebieden voor<br />
Nederland geformuleerd. Deze aanbevelingen<br />
richten zich op de verankering<br />
van het begrip lokale autonomie<br />
in de grondwet, de balans tussen<br />
autonomie en medebewind, de financiële<br />
middelen van gemeenten en<br />
provincies, de interbestuurlijke dialoog<br />
en de uitzonderingen die<br />
Nederland destijds heeft gemaakt bij<br />
de ratificatie van het handvest.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 30 184, nr. 35<br />
Matchfixing<br />
Brief van de Minister van VWS (02-<br />
06-2014) over o.a. de stand van zaken<br />
omtrent matchfixing.<br />
– Recent is gestart met de inrichting<br />
van een nationaal platform om een<br />
structureel overleg te realiseren<br />
tussen de opsporingspartners,<br />
toezichthouder(s), de sportsector en<br />
de kansspelsector. Het doel van dit<br />
nationale platform is om de informatiepositie<br />
van alle stakeholders te<br />
verbeteren, zodat meer signalen worden<br />
gedetecteerd, meer signalen tijdig<br />
via de juiste kanalen bij de juiste<br />
stakeholders terecht komen en de<br />
meest passende interventie kan worden<br />
ingezet om matchfixing te<br />
bestrijden. Het kan de sportsector<br />
helpen om adequate maatregelen te<br />
nemen op persoons- en clubniveau<br />
en anderzijds de justitiële partners<br />
helpen om meer concrete signalen<br />
binnen te krijgen en inkomende signalen<br />
beter te beoordelen door een<br />
verbeterde informatiepositie.<br />
Het Functioneel Parket (FP) coördineert<br />
dit overleg, bereidt het inhoudelijk<br />
voor en is tevens voorzitter.<br />
Verder nemen aan dit overleg deel:<br />
Belastingdienst Doelgroep sport,<br />
FIOD, Kansspelautoriteit, Politie,<br />
KNVB, integriteitsloket NOC*NSF,<br />
KNLTB en de Lotto. Er wordt gestart<br />
met de voetbalsector, omdat dit de<br />
grootste sport is in Nederland. Dit<br />
platform zal vier keer per jaar bijeen<br />
komen. Voor de opsporing en vervolging<br />
van matchfixing – en daaraan<br />
gerelateerde risico’s als fraude, witwassen<br />
en illegaal gokken – is een<br />
goede informatiepositie belangrijk.<br />
De samenwerking in het nationaal<br />
platform draagt daaraan bij. Naast<br />
het operationele platform is een strategisch<br />
beraad matchfixing ingesteld.<br />
Het doel van dit platform is om de<br />
aanpak van matchfixing te<br />
besturen, toe te zien op goede informatiedeling<br />
en samenwerking te<br />
realiseren tussen betrokken partijen.<br />
Onderwerp van gesprek zijn ontwikkelingen<br />
op beleidsniveau, majeure<br />
incidenten, de samenwerking tussen<br />
de partijen en de internationale<br />
ontwikkelingen zoals implementatie<br />
van het verdrag ter bestrijding van<br />
matchfixing van de Raad van Europa.<br />
Bij het Vertrouwenspunt Sport kunnen<br />
onder andere sporters, topsporters,<br />
scheidsrechters, coaches en<br />
managers vanaf 20 mei 2014 terecht<br />
met vertrouwelijke kwesties en meldingen<br />
over matchfixing, doping en<br />
grensoverschrijdend gedrag.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 30 234, nr. 99<br />
Crisis- en herstelwet<br />
Brief van de Minister van IenM (02-<br />
06-2014) bij de aanbieding van de<br />
rapportage ‘Praktijkervaringen Crisisen<br />
herstelwet; Voortgangsrapport<br />
2013-2014’.<br />
– Tijdens de parlementaire behandeling<br />
van de Crisis- en herstelwet is<br />
toegezegd om vinger aan de pols te<br />
houden bij de implementatie van de<br />
wet en jaarlijks te rapporteren over<br />
de voortgang. De vierde rapportage<br />
over 2013–2014 wordt als bijlage bij<br />
deze brief toegezonden.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 32 127, nr. 198<br />
Hulp bij zelfdoding<br />
Brief van de Ministers van VWS en<br />
VenJ (03-06-2014) over instelling van<br />
een commissie van wijzen die zich<br />
zal buigen over de juridische mogelijkheden<br />
en de maatschappelijke<br />
dilemma’s met betrekking tot hulp<br />
bij zelfdoding aan mensen die hun<br />
leven voltooid achten.<br />
– Kern van het onderzoek van deze<br />
commissie zal zijn hoe invulling kan<br />
worden gegeven aan de wens van<br />
een toenemende groep Nederlanders<br />
om meer zelfbeschikkingsrecht in de<br />
vorm van te ontvangen hulp wanneer<br />
zij hun leven voltooid achten.<br />
Tegelijkertijd is van wezenlijk belang<br />
dat misbruik wordt voorkomen en<br />
mensen zich veilig voelen. De uitkomsten<br />
van dit onderzoek staan<br />
niet op voorhand vast. Het kan zo<br />
zijn dat dit leidt tot eventuele voorstellen<br />
voor nieuwe regelgeving,<br />
maar er kan ook sprake zijn van het<br />
herbevestigen van bestaande wettelijke<br />
grenzen. Een zorgvuldige aanpak<br />
is daarbij uitgangspunt. Daarnaast<br />
wordt de commissie gevraagd<br />
hoe kan worden voorkomen dat mensen<br />
hun leven voltooid achten. De<br />
commissie richt zich niet op gerelateerde<br />
onderwerpen rond het levenseinde,<br />
zoals euthanasie bij psychiatrisch<br />
patiënten en bij dementie.<br />
De focus is hulp bij zelfdoding aan<br />
mensen die hun leven voltooid achten.<br />
Het vertrekpunt van de commissie<br />
is de bestaande wet- en regelgeving;<br />
artikel 294 lid 2 van het<br />
Wetboek van Strafrecht aan de ene<br />
kant en aan de andere kant het kader<br />
van de Euthanasiewet. Bij de analyse<br />
zullen ook de dilemma’s worden<br />
betrokken die in het standpunt van<br />
het kabinet op de evaluatie van de<br />
Euthanasiewet zijn benoemd, zoals<br />
de mogelijke gevolgen van een systeem<br />
van hulp bij zelfdoding door<br />
een ander dan een arts (Kamerstuk<br />
31 036, nr. 7). De volgende personen<br />
zullen in de commissie worden<br />
benoemd: Prof. dr. P. Schnabel (voorzitter),<br />
universiteitshoogleraar,<br />
Universiteit Utrecht; Prof. dr. B.<br />
Meyboom-de Jong, em. hoogleraar<br />
huisartsengeneeskunde, Universiteit<br />
Groningen; Prof. dr. W.J. Schudel, em.<br />
hoogleraar klinische en sociale psychiatrie,<br />
Erasmus Universiteit Rotterdam;<br />
Prof. dr. C.P.M. Cleiren, hoogleraar<br />
straf- en strafprocesrecht,<br />
Universiteit Leiden; Prof. mr. P.A.M.<br />
Mevis, hoogleraar straf- en strafprocesrecht,<br />
Erasmus Universiteit Rotterdam;<br />
Prof. dr. M.J. Verkerk, hoogleraar<br />
reformatorische wijsbegeerte,<br />
Technische Universiteit Eindhoven;<br />
Prof. dr. A. van der Heide, hoogleraar<br />
Besluitvorming en zorg rond het<br />
levenseinde, Erasmus Universiteit<br />
Rotterdam; Mw. G. Hesselmann, RN,<br />
MSc, consulent palliatieve zorg Universitair<br />
Medisch Centrum Utrecht.<br />
De bewindslieden verwachten in het<br />
voorjaar van 2015 de resultaten van<br />
de commissie te kunnen ontvangen.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 32 647, nr. 26<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1715
Wetgeving<br />
EU nabuurschap, mensenrechten<br />
en vluchtelingen<br />
Brief van de Minister van BuZa (06-<br />
06-2014) over de wijze waarop de EU<br />
de naleving van mensenrechten van<br />
migranten en vluchtelingen inbrengt<br />
in de gesprekken en relaties met<br />
buurlanden, in het bijzonder waar<br />
het Marokko betreft.<br />
– Bescherming van mensenrechten<br />
van migranten en vluchtelingen is<br />
een dwarsdoorsnijdend thema in de<br />
door de EU nagestreefde migratiesamenwerking<br />
met derde landen, waaronder<br />
nabuurlanden. Tijdens de EU-<br />
Marokko Associatieraad op 16<br />
december 2013 kwamen onderwerpen<br />
als migratie, mobiliteit en mensenrechten<br />
aan de orde. In de EU-verklaring<br />
stelt de EU besluiten te<br />
verwelkomen die leiden tot een<br />
nieuw asiel en migratiebeleid, in<br />
overeenstemming met mensenrechten<br />
en de aanbevelingen van de<br />
Marokkaanse nationale mensenrechtenraad<br />
CNDH). In het EU-Marokko<br />
actieplan wordt het bevorderen<br />
van bescherming van migranten en<br />
het versterken van het asielbeleid<br />
specifiek genoemd. Hierbij wordt verwezen<br />
naar specifieke aanbevelingen<br />
van de CNDH op dit gebied, evenals<br />
rapportages van internationale organisaties,<br />
waaronder Artsen zonder<br />
Grenzen. Mede op basis hiervan is<br />
een algemeen beleidskader geformuleerd<br />
en is een aantal interministeriele<br />
en ad-hoc commissies opgericht<br />
om onder andere een nieuw juridisch<br />
en institutioneel kader op te<br />
zetten, in regionaal en internationaal<br />
verband activiteiten op te zetten en<br />
om de individuele status van een<br />
groot aantal vluchtelingen vast te<br />
stellen. In afwachting van de aanbevolen<br />
wetgeving, blijft de uitvoering<br />
van de bestaande wetgeving echter<br />
nog een uitdaging volgens de EU. De<br />
Marokkaanse overheid is in september<br />
2013 begonnen met verstrekken<br />
van vluchtelingenidentiteitsbewijzen<br />
en verblijfsvergunningen aan vluchtelingen<br />
erkend door UNHCR. Ook<br />
biedt Marokko gedurende het jaar<br />
2014 illegaal in Marokko verblijvende<br />
migranten de mogelijkheid om<br />
onder bepaalde voorwaarden in aanmerking<br />
te komen voor regularisatie<br />
van hun situatie. Niettegenstaande<br />
deze positieve beleidsontwikkelingen,<br />
moet ook geconstateerd worden<br />
dat de toestroom van migranten uit<br />
Sub-Sahara landen aanzienlijke druk<br />
legt op de Marokkaanse samenleving<br />
en de beschikbare voorzieningen alsmede<br />
op de grensbewaking in het<br />
bijzonder in de Middellandse Zee<br />
regio en bij de Spaanse enclaves.<br />
Marokko verwijdert illegaal aangetroffen<br />
migranten in het gebied<br />
rondom de Spaanse enclaves Ceuta<br />
en Melilla vanwaar migranten zeer<br />
tegen hun zin verwijderd worden en<br />
teruggebracht naar de grote steden.<br />
Dit gaat niet zelden met fel verzet<br />
gepaard waar (zwaar) gewonden bij<br />
vallen. De Europese Unie heeft de<br />
Marokkaanse overheid daarop aangesproken;<br />
Marokko ontkent het niet,<br />
maar laat het bieden van opvang en<br />
andere hulp over aan de NGO-sector.<br />
Het recent door de EU met Marokko<br />
overeengekomen mobiliteitspartnerschap,<br />
waarbij Nederland een van de<br />
deelnemende EU lidstaten is, biedt<br />
een goed kader om Marokko te<br />
ondersteunen bij de ontwikkeling<br />
van zijn migratie- en asielbeleid. Ook<br />
in de relatie met andere buurlanden<br />
is er aandacht voor de bescherming<br />
van mensenrechten van migranten.<br />
Zo stelde de Europese Commissie in<br />
het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid<br />
eind 2013 een bedrag<br />
van 10 mln. euro beschikbaar voor<br />
het ontwikkelen van een op mensenrechten<br />
gebaseerd migratie- en asielbeleid<br />
dat in lijn in met internationale<br />
standaarden. Het gaat hierbij<br />
om steun aan de Libische overheid<br />
en NGO’s om instrumenten en capaciteiten<br />
te ontwikkelen om migratie<br />
in goede banen te leiden en de leefomstandigheden<br />
van migranten te<br />
verbeteren. In Tunesië heeft de EU<br />
een studie gefinancierd naar onder<br />
andere grensbewaking, migratie en<br />
bescherming van migranten. Dit rapport<br />
moet het begin zijn van intensievere<br />
samenwerking op deze terreinen.<br />
Het Europees Agentschap voor<br />
Asiel (EASO) en Frontex hebben een<br />
project opgezet om samenwerking<br />
tussen de EU, lidstaten en Tunesië,<br />
Marokko en Jordanië te verbeteren<br />
op het terrein van asiel en migratie<br />
in het kader van de externe dimensie<br />
van het Gemeenschappelijk Europees<br />
Asielsysteem. Dit project wordt financieel<br />
ondersteund vanuit het Europees<br />
Nabuurschapsbeleid.<br />
Kamerstukken I 2013/14, 33 750 V, H<br />
Europese samenwerking<br />
Brief van de Minister van BuZa (13-<br />
06-2014) met de kabinetsreactie op<br />
het AIV advies ‘Naar een gedragen<br />
Europese samenwerking; werken aan<br />
vertrouwen’.<br />
– Op 24 april jl. verscheen het AIV<br />
advies. Middels deze brief reageert<br />
het kabinet op de conclusies en aanbevelingen<br />
van de AIV. Daarnaast is<br />
in deze kabinetsappreciatie opgenomen<br />
de aanvullende reactie op het<br />
verzoek van de vaste Commissie voor<br />
Europese Zaken over de rol van nationale<br />
parlementen in het besluitvormingsproces<br />
en een overzicht van<br />
het krachtenveld op het terrein van<br />
democratische legitimiteit en institutionele<br />
hervormingen. Daarnaast<br />
wordt ingegaan op een aantal aangenomen<br />
moties op het terrein van de<br />
Europese Unie. De AIV schetst in zijn<br />
rapport een herkenbaar beeld van<br />
het afnemend vertrouwen en draagvlak<br />
voor de EU, onderzoekt mogelijke<br />
oorzaken daarvoor en doet aanbevelingen<br />
voor de versterking van de<br />
democratische legitimiteit van de EU.<br />
Daarbij benadrukt de AIV dat enkel<br />
institutionele maatregelen onvoldoende<br />
oplossing voor de geconstateerde<br />
problemen bieden. De AIV<br />
staat een meersporenbeleid voor,<br />
zowel op nationaal niveau als op EUniveau,<br />
variërend van het optimaliseren<br />
van bestaande instrumenten, het<br />
doen van voorstellen voor nieuwe<br />
instrumenten, tot politisering en versterking<br />
van burgerparticipatie. De<br />
AIV doet in het bijzonder ook aanbevelingen<br />
op het terrein van het economische<br />
en monetair beleid omdat<br />
de AIV op dit terrein specifieke knelpunten<br />
identificeert. De bevindingen<br />
leveren een interessante bijdrage aan<br />
de gedachtevorming van het kabinet<br />
over hoe de EU dichter bij de mensen<br />
kan worden gebracht en het draagvlak<br />
voor de EU kan worden vergroot.<br />
Het kabinet is het met de AIV eens<br />
dat er geen simpele remedie voor de<br />
geconstateerde problemen is en dat<br />
een breed scala aan maatregelen<br />
nodig is om de EU te laten ontwikkelen<br />
tot een democratisch breed<br />
gedragen bestuurslaag.<br />
Kamerstukken I 2013/14, 33 750 V, I<br />
1716 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Wetgeving<br />
Gemeenten, decentralisaties<br />
en persoonsgegevens<br />
Brief van de Minister van BZK (27-05-<br />
2014) bij de aanbieding van een<br />
beleidsvisie met richtlijnen voor het<br />
zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens<br />
in de gemeentelijke praktijk<br />
in het kader van de decentralisaties.<br />
– Bij de totstandkoming van deze<br />
visie is vooralsnog geconcludeerd dat<br />
er voor het mogelijk maken van de<br />
gewenste gegevensdeling geen noodzaak<br />
is voor een nieuw juridisch<br />
kader voor gegevensverwerking en<br />
privacy in het sociaal domein. De<br />
(toekomstige) wettelijke kaders, bieden<br />
ruimte om de noodzakelijke<br />
gegevensdeling te kunnen realiseren<br />
en tegelijkertijd de privacy te borgen.<br />
Met deze visie wordt daarin een eerste<br />
stap gezet. Minstens zo belangrijk<br />
zijn de vervolgacties die al worden<br />
aangekondigd bij de verschillende<br />
uitgangspunten. Die vervolgacties<br />
zullen de komende maanden verder<br />
worden uitgewerkt en in gang gezet.<br />
Het gaat om de volgende acties: privacy<br />
impact assessments (PIA’s), op<br />
basis van deze PIA’s kunnen de<br />
dienstverleningsmodellen doorontwikkeld<br />
worden tot voorbeeldmodellen<br />
waarin de privacy goed is<br />
geborgd. Gemeenten kunnen hierop<br />
hun eigen praktijk enten; ondersteuningsprogramma’s<br />
voor gemeenten<br />
om hun beleid en uitvoering privacyproof<br />
te maken; ontwikkelen van een<br />
helpdesk voor gemeenten om vragen<br />
te stellen over privacy in het sociaal<br />
domein; en versterking van de positie<br />
van de burger door het instellen<br />
van een laagdrempelig loket waar<br />
men terecht kan indien men meent<br />
dat de gemeente onzorgvuldig met<br />
de persoonsgegevens omgaat.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 32 761, nr. 62<br />
Rondreisvisum<br />
Brief van de Minister van BuZa (28-<br />
05-2014) met een fiche inzake een<br />
Verordening rondreisvisum.<br />
– Dit voorstel heeft als doel een<br />
nieuw type visum in te voeren, een<br />
zogenaamd rondreisvisum Het rondreisvisum<br />
maakt het mogelijk om<br />
in twee of meer lidstaten tot maximaal<br />
een jaar in het Schengengebied<br />
te verblijven, te verlengen tot maximaal<br />
twee jaar, zolang men niet langer<br />
dan 90 dagen binnen een periode<br />
van 180 dagen in dezelfde lidstaat<br />
verblijft. Het rondreisvisum kan bijvoorbeeld<br />
worden aangevraagd door<br />
zakenlieden, rondreizende artiesten,<br />
sporters en toeristen. De Commissie<br />
stelt tevens voor om de Schengenuitvoeringsovereenkomst<br />
zodanig te<br />
wijzigen dat Nederland, en andere<br />
lidstaten, verplicht zullen zijn bilaterale<br />
overeenkomsten, die betrekking<br />
hebben op visumvrij kort verblijf,<br />
met een tiental bevriende staten buiten<br />
werking te stellen. Ten aanzien<br />
van de introductie van een rondreisvisum<br />
kan Nederland de subsidiariteit<br />
van dit voorstel positief beoordelen.<br />
Het betreft een visum dat in alle<br />
lidstaten geldig is; dit kan niet op<br />
nationaal niveau worden gerealiseerd.<br />
Nederland beoordeelt de proportionaliteit<br />
deels positief, deels<br />
negatief. Nederland vindt de handhaving<br />
in de verordening onvoldoende<br />
gewaarborgd. Die aandacht is van<br />
belang, bijvoorbeeld met het oog op<br />
mogelijke risico’s van illegale immigratie<br />
die het voorstel met zich kan<br />
brengen. Nederland is bereid in te<br />
stemmen met de introductie van het<br />
rondreisvisum, mits de handhaving<br />
en controle kan worden gewaarborgd.<br />
Nederland oordeelt vooralsnog negatief<br />
ten aanzien van de proportionaliteit<br />
van de gedeeltelijke intrekking<br />
van artikel 20, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.<br />
Dit<br />
artikel vormt de grondslag voor<br />
geldigheid van oude bilaterale<br />
overeenkomsten met bevriende,<br />
niet-risicolanden die zien op het<br />
recht van kort verblijf.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 943, nr. 2<br />
Visumcode<br />
Brief van de Minister van BuZa (28-<br />
05-2014) met een fiche inzake een<br />
Herschikking en wijziging verordening<br />
Visumcode.<br />
– Met dit voorstel wordt de in 2009<br />
in werking getreden Visumcode<br />
vervangen. Het doel van het voorstel<br />
is om de procedures voor bonafide<br />
reizigers die voor een kort verblijf<br />
naar de EU willen komen te bekorten<br />
en te vereenvoudigen. Dit moet de<br />
economie en werkgelegenheid in het<br />
Schengengebied stimuleren en leiden<br />
tot minder kosten en minder<br />
bureaucratie. Hiertoe wordt onder<br />
meer voorgesteld verkorte beslistermijnen<br />
te introduceren, verplichte<br />
vertegenwoordiging in te voeren en<br />
sneller over te gaan tot het verstrekken<br />
van meervoudige visa aan regel-<br />
matige reizigers. Tegelijkertijd blijft<br />
de veiligheid aan de buitengrenzen<br />
van het Schengengebied gehandhaafd.<br />
Het subsidiariteitsoordee is<br />
positief, omdat visumbeleid in de<br />
Schengenzone per definitie gemeenschappelijk<br />
is. Het proportionaliteitsoordeel<br />
is positief met kanttekeningen:<br />
er dient wat Nederland betreft<br />
in het voorstel meer aandacht te<br />
komen voor handhaving om illegale<br />
migratie tegen te gaan en onder<br />
meer de door de Commissie voorgestelde<br />
beperking van de mogelijkheid<br />
nationale luchthaventransitvisa<br />
in te voeren, de invoering van zgn.<br />
‘verplichte vertegenwoordiging’ en de<br />
voorgestelde verkorting van de<br />
beslistermijnen gaan wat Nederland<br />
betreft te ver.<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 943, nr. 3<br />
Nationale Fraude Autoriteit<br />
Geleidende brief bij (nr. 1) en Initiatiefnota<br />
(nr. 2) (17-06-2014) van het<br />
lid Gesthuizen ‘Naar een Nationale<br />
Fraude Autoriteit (NFA)’.<br />
– Fraude is een hardnekkig verschijnsel<br />
dat voorkomt in alle sectoren en<br />
alle lagen van de samenleving. Om<br />
de fraudebestrijding naar een hoger<br />
plan te tillen wordt voorgesteld een<br />
Nationale Fraude Autoriteit op te<br />
richten, naar Brits voorbeeld. Deze<br />
Autoriteit krijgt doorzettingsmacht<br />
en bepaalde bevoegdheden die nodig<br />
zijn om de haar opgedragen taken te<br />
vervullen. De Fraudehelpdesk, die<br />
zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld<br />
tot een belangrijke kennisbank<br />
en aanjager van fraudebestrijding,<br />
zou op termijn kunnen opgaan<br />
in de Nationale Fraude Autoriteit.<br />
Een apart loket voor slachtoffers zal<br />
immers nodig blijven. De doelstellingen<br />
en taken van deze op te richten<br />
Nationale Fraude Autoriteit zouden<br />
in ieder geval, maar mogelijk<br />
niet uitsluitend, kunnen zijn:<br />
<br />
financieel-economische criminaliteit;<br />
<br />
omvang van fraude;<br />
schuivingen<br />
in criminaliteit;<br />
<br />
fraudebestrijding, zoals knelpunten<br />
in wetten en regels, maar ook gebrekkige<br />
samenwerking tussen betrokken<br />
partijen;<br />
<br />
omvang van fraude, verschuivingen,<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1717
Wetgeving<br />
-<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
-<br />
-<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 958, nrs. 1 en 2<br />
Overnemen moties<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
-<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
Kamerstukken II 2013/14, 33 959, nrs. 1 en 2<br />
Overnames en nationale<br />
veiligheid<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
-<br />
-<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
-<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
-<br />
<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
Kamerstukken I 2013/14, C, S<br />
Cyberintelligence en publiek<br />
belang<br />
-<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
<br />
-<br />
<br />
Thema 1 – Technologische<br />
ontwikkelingen<br />
<br />
<br />
<br />
-<br />
-<br />
Thema 2 – Toezicht:<br />
<br />
<br />
Thema 3 – Bedrijfsspionage:<br />
<br />
<br />
<br />
<br />
Thema 4 – Rechtspositie burger:<br />
<br />
<br />
Kamerstukken I 2013/14, CVIII, C<br />
1718 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Nieuws<br />
1263<br />
Kinderrechten in Nederland<br />
Werk aan de winkel<br />
Wat betreft de naleving van<br />
kinderrechten is in Nederland al<br />
veel bereikt, maar toch zijn er ook<br />
hier nog altijd tienduizenden<br />
kinderen het slachtoffer van<br />
(ernstige) kinderrechtenschendingen.<br />
Juist voor kwetsbare kinderen<br />
verbetert er weinig.<br />
Dat melden UNICEF Nederland en<br />
Defence for Children naar aanleiding<br />
van de presentatie van het Jaarbericht<br />
Kinderrechten 2014. Het Jaarbericht<br />
Kinderrechten werd op 17 juni<br />
aangeboden aan de Vaste Kamercommissie<br />
van Veiligheid en Justitie. Het<br />
analyseert de kinderrechtensituatie<br />
van vijf groepen kwetsbare kinderen<br />
in Nederland: kinderen in de jeugdzorg,<br />
slachtoffers van kindermishandeling<br />
en van uitbuiting, kinderen<br />
die te maken hebben met het jeugd<br />
strafrecht en met het migratierecht.<br />
Per onderwerp worden vanuit het<br />
VN-Kinderrechtenverdrag beginselen<br />
vastgesteld die het uitgangspunt<br />
moeten vormen voor het desbetreffende<br />
beleidsterrein.<br />
Op basis van de beginselen zijn<br />
meetbare indicatoren vastgesteld.<br />
Om ontwikkelingen in de kinderrechtensituatie<br />
te kunnen signaleren<br />
zijn, waar mogelijk, de indicatoren<br />
door de jaren heen hetzelfde gehouden.<br />
Het VN-Kinderrechtenverdrag<br />
bestaat dit jaar 25 jaar. Samen met<br />
vijf vakdeskundigen wordt in het<br />
rapport teruggeblikt op de winst die<br />
op het terrein van kinderrechten is<br />
geboekt en vooruit op de agenda<br />
voor de toekomst.<br />
De cijfers<br />
Het Jaarbericht Kinderrechten zet elk<br />
jaar de belangrijkste cijfers over de<br />
kinderrechtensituatie in Nederland<br />
op een rij. In 2014 zijn er nog altijd<br />
tienduizenden kinderen in Nederland<br />
het slachtoffer van ernstige kinderrechtenschendingen.<br />
Juist voor<br />
kwetsbare kinderen verbetert er weinig:<br />
- 260 minderjarige slachtoffers van<br />
uitbuiting, een toename van 17% ten<br />
opzichte van 2012 en ruim een verdubbeling<br />
sinds 2009.<br />
- 10.587 meldingen over kinderporno.<br />
In 2010 ging het nog om 1.260<br />
meldingen. Het gaat om kinderpornografie<br />
die in Nederland op servers<br />
staat, daarmee staat Nederland in de<br />
top 3 van landen waar kinderporno<br />
wordt gehost, op basis van cijfers van<br />
gemeld strafbaar materiaal.<br />
- Van alle strafrechtelijk opgesloten<br />
kinderen in justitiële jeugdinrichtingen<br />
zit 74% in voorarrest in afwachting<br />
van een uitspraak van de rechter<br />
over hun zaak. Bijna 7.000<br />
Uitbuiting<br />
Indicatoren 2009 2010 2011 2012 2013<br />
Aantal minderjarige slachtoffers<br />
uitbuiting (jongens-meisjes)<br />
118<br />
(7j-111m)<br />
152<br />
(7j-145m)<br />
195<br />
(10j-185m)<br />
223<br />
(25j-198m)<br />
260<br />
(32j-228m)<br />
Verschil<br />
met 2012<br />
+17%<br />
Aantal minderjarige slachtoffers<br />
seksuele uitbuiting (jongensmeisjes)<br />
49 117 125<br />
113<br />
(8j-105m)<br />
111<br />
(5j-106m)<br />
-2%<br />
Aantal<br />
minderjarige<br />
slachtoffers<br />
overige uitbuiting<br />
(jongensmeisjes)<br />
Aantal minderjarige<br />
slachtoffers<br />
criminele<br />
uitbuiting<br />
Aantal slachtoffers<br />
economische<br />
uitbuiting<br />
4 7 4 12 (4j-8m)<br />
6<br />
2<br />
-33%<br />
Aantal buitenlandse minderjarige<br />
slachtoffers uitbuiting (m-v)<br />
50 63 64<br />
82<br />
(21-61)<br />
94<br />
(30-65)<br />
+15%<br />
Top 2 herkomstlanden (naast<br />
Nederland)<br />
Nigeria,<br />
Guinee<br />
Nigeria,<br />
Guinee<br />
Guinee,<br />
Sierra<br />
Leone<br />
Guinee,<br />
Sierra<br />
Leone<br />
Guinee,<br />
Sierra<br />
Leone<br />
Aantal mogelijke minderjarige<br />
slachtoffers dat een tijdelijke<br />
vergunning heeft gekregen (m-v)<br />
20 30 30 20 10 -50%<br />
Bron: Jaarbericht Kinderrechten 2014<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1719
Nieuws<br />
kinderen zijn in verzekering gesteld,<br />
waarbij de meeste een nacht of meer<br />
doorbrengen in een politiecel.<br />
- In 2013 werd er van 2.368 minderjarigen<br />
DNA-materiaal opgeslagen in<br />
de DNA-databank voor Strafzaken.<br />
Eind 2013 stonden er in deze databank<br />
maar liefst 22.649 DNA-profielen<br />
geregistreerd op basis van een<br />
jeugdveroordeling. Dat is bijna een<br />
verdubbeling ten opzichte van 2009.<br />
- 2.511 kinderen uit het buitenland<br />
mochten niet naar hun vader of<br />
moeder komen die legaal in Nederland<br />
woont door de bijzonder kindonvriendelijke<br />
gezinsmigratieregels.<br />
De aanbevelingen<br />
Hieronder volgen – in het kort – de<br />
aanbevelingen uit het rapport.<br />
Uitbuiting<br />
1. Zorg dat alle medewerkers bij<br />
instanties die contact hebben met<br />
(potentiële) minderjarige slachtoffers<br />
van uitbuiting getraind zijn in het<br />
herkennen van signalen en deze melden<br />
bij CoMensha.<br />
2. Werk aan de (h)erkenning van uitbuiting<br />
van bedelarij/criminaliteit.<br />
3. Stel het belang van het kind voorop<br />
bij beslissingen over verblijfsrecht<br />
van buitenlandse minderjarige<br />
slachtoffers van mensenhandel en<br />
pas de B8/3- procedure toe.<br />
4. Stimuleer de ICT-sector, met name<br />
(hosting) providers, om de verspreiding<br />
van kinderpornografie tegen te<br />
gaan en (internationaal) online kindermisbruik<br />
te bestrijden.<br />
Jeugdstrafrecht<br />
1. Zorg dat de speciale rechtspositie<br />
van minderjarigen in het strafrecht<br />
ook bij de ZSM-werkwijze (Zo Simpel,<br />
Selectief, Slim en Samenlevingsgericht<br />
Mogelijk) gewaarborgd is en dat<br />
politie, Openbaar Ministerie en rechterlijke<br />
instanties voldoende gespecialiseerd<br />
zijn in het werken met minderjarigen.<br />
2. Zorg dat minderjarigen tot maximaal<br />
drie dagen in een politiecel verblijven.<br />
Onderzoek of de plaatsing<br />
van minderjarigen in voorarrest in<br />
justitiële jeugdinrichtingen een<br />
uiterste maatregel is.<br />
3. Sluit 12- en 13-jarigen niet in justitiële<br />
jeugdinrichtingen op, maar pas<br />
alternatieven toe.<br />
4. Maak een niet-ontvankelijkverklaring<br />
mogelijk indien de redelijke termijn<br />
in zaken van minderjarigen<br />
ruim overschreden wordt.<br />
5. Schaf het voorbehoud van Nederland<br />
af, dat toepassing van volwassenstrafrecht<br />
bij 16- en 17-jarigen<br />
mogelijk maakt. Pas de wet aan zodat<br />
een pij-maatregel niet omgezet kan<br />
worden in een TBS-maatregel die<br />
levenslang kan duren.<br />
6. Betrek jongeren bij het nazorg- en<br />
resocialisatiebeleid.<br />
7. Maak herstelrechtinterventies toegankelijk<br />
voor alle jongeren in het<br />
jeugdstrafrecht.<br />
8. Neem een aparte bepaling op voor<br />
minderjarigen in de Wet DNA-onderzoek<br />
bij veroordeelden.<br />
Jeugdzorg<br />
1. Waarborg de continuïteit van alle<br />
jeugdhulp in het nieuwe jeugdstelsel<br />
en waak ervoor dat er geen ongerechtvaardigde<br />
landelijke verschillen<br />
ontstaan in de toegang tot en de<br />
kwaliteit van jeugdhulp.<br />
2. Garandeer dat alle minderjarigen<br />
de jeugdhulp krijgen die ze nodig<br />
hebben en stel hiervoor landelijk<br />
uniforme minimumeisen.<br />
3. Pas de Jeugdwet zo aan dat deze<br />
geen onderscheid maakt tussen rechtmatig<br />
en niet-rechtmatig in Nederland<br />
verblijvende minderjarigen.<br />
4. Zie erop toe dat een plaatsing in<br />
een instelling voor gesloten jeugdzorg<br />
een uiterste middel is en plaats<br />
geen minderjarigen in de gesloten<br />
jeugdzorg zonder voorafgaande rechterlijke<br />
toets.<br />
5. Zie erop toe dat de besluitvorming<br />
over een ondertoezichtstelling en/of<br />
uithuisplaatsing van een kind zorgvuldiger<br />
plaatsvindt.<br />
6. Verbeter de zorg aan zestien-plussers<br />
die een pleeggezin of instelling<br />
verlaten.<br />
Jeugdstrafrecht<br />
Indicatoren 2009 2010 2011 2012 2013<br />
Totaal aantal door de politie gehoorde<br />
minderjarige verdachten<br />
Verschil<br />
met 2012<br />
54.048 50.969 46.477 41.601 34.772 -16%<br />
Totaal aantal inverzekeringstellingen<br />
minderjarigen<br />
Totaal aantal minderjarigen in justitiële<br />
jeugdinrichtingen<br />
8.059 9.234 8.240 7.603 6.963 -8%<br />
2.557 2.406 2.136 1.999 1.520 -24%<br />
% minderjarigen in voorlopige hechtenis in<br />
justitiële jeugdinrichting op peildatum<br />
73%<br />
(=265)<br />
79%<br />
(-252)<br />
74%<br />
(=219)<br />
75%<br />
(=171)<br />
74%<br />
(=137)<br />
-1%<br />
Gemiddeld aantal dagen voorlopige hechtenis 36 38 40 40 38 -5%<br />
Totaal aantal minderjarigen met een<br />
pij-maatregel op peildatum<br />
64 47 42 40 30 -25%<br />
Opname 12- en 13-jarigen in een justitiële<br />
jeugdinrichting<br />
Aantal als minderjarige opgenomen personen<br />
in de DNA databank voor strafzaken<br />
Bron: Jaarbericht Kinderrechten 2014<br />
Niet<br />
bekend<br />
11.693<br />
(peildatum<br />
23/09)<br />
33 43 23 27 +17%<br />
14.800 17.313 20.281 22.649 +12%<br />
1720 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Nieuws<br />
In 2014 zijn er nog altijd tienduizenden<br />
kinderen in Nederland het slachtoffer van<br />
ernstige kinderrechtenschendingen<br />
Kindermishandeling<br />
1. Voer landelijke regie over de preventie<br />
en aanpak van kindermishandeling<br />
door gemeenten te sturen in<br />
het beschikken over een gedegen<br />
beleid en de monitoring daarvan.<br />
2. Betrek het perspectief van kinderen<br />
in de ontwikkeling en uitvoering<br />
van beleid gericht op de preventie en<br />
aanpak van kindermishandeling.<br />
3. Geef specifieke aandacht aan kinderen<br />
die extra risico lopen om<br />
slachtoffer te worden van mishandeling.<br />
4. Maak vaart met het toezicht op de<br />
implementatie van de meldcode huiselijk<br />
geweld en kindermishandeling.<br />
5. Investeer in het vergroten van de<br />
deskundigheid en vaardigheden van<br />
(toekomstige) beroepskrachten over<br />
kindermishandeling en zorg voor<br />
structurele aandacht voor kindermishandeling<br />
in beroepsopleidingen.<br />
6. Zorg dat ieder mishandeld kind<br />
een zorgvuldig en deskundig diagnostisch<br />
multidisciplinair onderzoek<br />
en gespecialiseerde hulp kan krijgen.<br />
7. Verbeter de rechtspositie van minderjarige<br />
slachtoffers en getuigen en<br />
investeer in de strafrechtelijke aanpak<br />
van kindermishandeling.<br />
Migratie<br />
1. Pas het Kinderpardon toe op alle<br />
kinderen en jongeren die voor hun<br />
achttiende levensjaar langer dan vijf<br />
jaar in Nederland waren en een verblijfsprocedure<br />
hebben doorlopen.<br />
2. Zet geen kinderen in vreemdelingendetentie<br />
en creëer een wettelijk<br />
verbod op het toepassen van grensdetentie<br />
en vreemdelingenbewaring<br />
bij kinderen.<br />
3. Stop het voortdurend verhuizen<br />
van asielzoekerskinderen.<br />
4. Vang gezinnen met kinderen op in<br />
kindvriendelijke asielzoekerscentra,<br />
schaf de gezinslocaties af, regel<br />
terugkeer vanuit reguliere asielzoekerscentra.<br />
5. Creëer een speciale kindervergunning<br />
voor alleenstaande minderjarige<br />
vreemdelingen als zij (nog) niet<br />
terug kunnen keren naar hun land<br />
van herkomst.<br />
6. Sluit de grootschalige opvangcentra<br />
voor alleenstaande minderjarige<br />
vreemdelingen en vang hen zoveel<br />
mogelijk op in pleeggezinnen of in<br />
kleine woongroepen.<br />
7. Geef achtergebleven jongeren die<br />
eerder nadeel ondervonden van<br />
inmiddels hersteld gezinsherenigingsbeleid<br />
maar die nu volwassen<br />
zijn, een nieuwe kans om zich bij<br />
hun ouders in Nederland te voegen.<br />
Migratie<br />
Indicatoren 2009 2010 2011 2012 2013<br />
Aantal alleenstaande<br />
300 220 90 70 30<br />
minderjarigen in vreemdelingenbewaring/<br />
grensdetentie<br />
Aantal kinderen in<br />
gezinnen vreemdelingenbewaring/<br />
grensdetentie<br />
Aantal aanvragen verblijf<br />
van kind bij ouder in<br />
Nederland<br />
Aantal afgehandelde<br />
aanvragen kind bij<br />
ouder in Nederland<br />
Percentage afwijzingen<br />
aanvragen verblijf van<br />
kind bij ouder in<br />
Nederland<br />
Aantal minderjarigen<br />
langer dan vijf jaar in<br />
Ne-derland en in<br />
procedure<br />
Aantal minderjarigen<br />
langer dan vijf jaar in de<br />
asielopvang<br />
Bron: Jaarbericht Kinderrechten 2014<br />
- 230 320 350 280<br />
9.210 8.450 9.619 9.840 8.890<br />
8.450 10.410 8.800 9.980 9.300<br />
39% 48% 59% 57% 27%<br />
700 860 810 X 600<br />
290 200 110 170 180<br />
Verschil<br />
met<br />
2012<br />
-57%<br />
-20%<br />
-10%<br />
-7%<br />
-30%<br />
+6%<br />
Gezinshereniging<br />
Wat betreft de laatste aanbeveling:<br />
de verbeteringen die in de vorige<br />
kabinetsperiode zijn doorgevoerd<br />
voor nareizende biologische kinderen<br />
die zich willen herenigen met<br />
hun vluchtelingenouder(s) in Nederland,<br />
zijn voor het eerst zichtbaar in<br />
de cijfers. Sinds 16 juli 2012 mogen<br />
zij hun familieband aantonen met<br />
een DNA-test (Kamerstukken II<br />
2011/12, 19637, nr. 1568). Voorheen<br />
werden de kinderen onderworpen<br />
aan voor hen moeilijke en lange<br />
interviews. Het percentage afwijzingen<br />
van deze specifieke groep daalde<br />
daarmee van 78% in 2012 tot<br />
37% in 2013.<br />
Voor kinderen die gedurende voorgaande<br />
jaren nog wel te maken hadden<br />
met de moeilijke interviews op<br />
de ambassade, en die inmiddels achttien<br />
jaar zijn geworden, wordt geen<br />
rechtsherstel geboden (Kamerstukken<br />
II 2013/14, 19 637, nr. 1797). UNI-<br />
CEF Nederland en Defence for Children<br />
vinden dat zij recht hebben op<br />
een tweede kans om eindelijk naar<br />
hun ouders te kunnen komen.<br />
Bron: Jaarbericht Kinderrechten 2014,<br />
www. defenceforchildren.nl<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1721
Nieuws<br />
1264<br />
Nieuw Wetboek van Strafvordering<br />
Minister Opstelten (Veiligheid en<br />
Justitie) is begonnen aan een ambitieus<br />
wetgevingsprogramma met<br />
als inzet een nieuw Wetboek van<br />
Strafvordering dat beter aansluit bij<br />
een moderne, digitale samenleving<br />
en toegankelijker is voor de rechtspraktijk<br />
en de burger. Ook moet het<br />
de prestaties van de strafrechtsketen<br />
verbeteren. De bewindsman<br />
ontvouwde zijn plannen bij de opening<br />
van het congres Modernisering<br />
Wetboek van Strafvordering op 19<br />
juni in Amersfoort. Hij wil het wetgevingsprogramma<br />
nog deze kabinetsperiode<br />
afronden.<br />
Het congres vormde een eerste<br />
stap naar een serie wetsvoorstellen<br />
dat het Wetboek van<br />
Strafvordering een ander aanzien zal<br />
geven, maar niet zal leiden tot een<br />
stelselwijziging. De inbreng vanuit het<br />
congres wordt meegenomen bij de<br />
voorbereiding van de uiteindelijke<br />
wetsvoorstellen die vanaf eind dit jaar<br />
formeel in consultatie zullen gaan.<br />
Het pakket<br />
Het gaat om in totaal 19 wetsvoorstellen.<br />
De meeste zijn in voorbereiding,<br />
maar 2 wetsvoorstellen liggen<br />
al voor advies bij de Raad van State,<br />
het wetsvoorstel digitale processtukken<br />
en de herziening van de tenuitvoerlegging<br />
van straffen. Streven is<br />
de overige 17 wetsvoorstellen in<br />
2015 voor advies bij de Raad van<br />
State hebben. Voorop staat dat de<br />
uitgangspunten en beginselen van<br />
de Nederlandse strafvordering niet<br />
worden gewijzigd. Al langer wordt<br />
gepleit voor een herziening van het<br />
Wetboek van Strafvordering. Zowel<br />
vanuit de wetenschap als de rechtspraktijk<br />
is de wens geuit een inzichtelijk<br />
en goed hanteerbaar wetboek<br />
te maken en om knelpunten weg te<br />
werken. In het huidige wetboek<br />
staan niet alleen verouderde, onnodige<br />
of complexe procedures, maar<br />
door de vele wijzigingen in de afgelopen<br />
jaren - 323 keer sinds 1926 - is<br />
de rek eruit. Het wordt steeds moeilijker<br />
om de juiste regels te vinden<br />
Door de vele wijzigingen in de afgelopen<br />
jaren - 323 keer sinds 1926 - is de rek<br />
eruit.<br />
in het oerwoud van wettelijke maatregelen<br />
en oplossingen. Ook valt het<br />
niet mee om Europese richtlijnen in<br />
te passen.<br />
De administratieve belasting is volgens<br />
de bewindsman ook te ver doorgeschoten<br />
vanwege verplichtingen<br />
die geen toegevoegde waarde hebben,<br />
maar wel het opsporingsproces<br />
sterk belasten.<br />
Het nieuwe Wetboek van Strafvordering<br />
moet straks duidelijk de taken<br />
en bevoegdheden weergeven van de<br />
verschillende organen van de strafrechtspleging,<br />
zoals de politie, het<br />
openbaar ministerie en de rechter.<br />
Ook beschrijft het de positie van de<br />
verdachte en het slachtoffer en van<br />
andere personen die incidenteel<br />
betrokken kunnen zijn bij een strafrechtelijke<br />
procedure, zoals de getuigen<br />
en de deskundige. De belangen<br />
van deze personen worden afgewogen<br />
tegen het belang van het onderzoek<br />
en de opsporing. Er komen<br />
geen nieuwe algemene bevoegdheden<br />
voor de opsporing. Het wetboek<br />
moet (zoveel mogelijk) techniekonafhankelijk<br />
en toekomstbestendig<br />
worden en de ruimte bieden om in<br />
te spelen op nieuwe nationale en<br />
internationale ontwikkelingen.<br />
bron: persbericht VenJ<br />
1265<br />
Rechter moet juist afstand houden<br />
In tegenstelling tot wat rechters<br />
denken, pleiten mensen juist voor<br />
een zekere afstand tussen rechters<br />
en samenleving.<br />
Dat blijkt uit onderzoek van<br />
SSR, het opleidingsinstituut<br />
van Rechtspraak en Openbaar<br />
Ministerie. Voor het onderzoek<br />
werd eerder onderzoek uit 2004<br />
naar de mening van burgers en<br />
rechters over elkaar, over gedaan.<br />
Uit dat onderzoek bleek in grote lijnen<br />
ook al dat rechters denken dat<br />
zij hun oren meer te luisteren moeten<br />
leggen in de samenleving, terwijl<br />
die samenleving dat juist niet<br />
wil. “Rechters denken, ten onrechte,<br />
dat burgers willen dat de rechter<br />
dichter bij hen op schoot komt zitten”,<br />
zegt onderzoeker Albert Klijn<br />
in een toelichting op de site van<br />
SSR.<br />
1722 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Nieuws<br />
Spagaat<br />
Het door rechters zichzelf toedichten<br />
van opvattingen die in de samenleving<br />
zouden spelen, kan problematisch<br />
zijn, legt Klijn uit. “Dat verkeerd<br />
percipiëren veroorzaakt schadelijke<br />
kortsluitingen en miscommunicatie.<br />
De rechter krijgt hierdoor het gevoel<br />
in een spagaat te zitten tussen zijn<br />
eigen onafhankelijkheid en hetgeen<br />
de samenleving zou willen. Rechters<br />
gaan doen wat ze denken dat de burger<br />
wil, terwijl de burger zélf iets<br />
heel anders wenst’, aldus Albert Klijn.<br />
Afstandelijkheid<br />
Uit het onderzoek, dat het doel had<br />
eventuele kloven tussen burgers en<br />
rechters inzichtelijk te krijgen, blijkt<br />
voorts dat er een klein verschil van<br />
mening is over de invulling van het<br />
begrip ‘afstandelijkheid’ door de<br />
rechter. Waar rechters denken dat zij<br />
een open oor hebben voor geluiden<br />
in de samenleving en dat tot uitdrukking<br />
laten komen in hun uitspraken,<br />
ervaren burgers dat niet zo.<br />
Maar dat vinden zij niet erg, omdat<br />
Rechters gaan doen wat ze denken dat de<br />
burger wil terwijl de burger zélf iets heel<br />
anders wenst<br />
zij van mening zijn dat rechters in<br />
hun werk juist een zekere afstand<br />
moeten bewaren.<br />
Reputatie<br />
De conclusie van het SSR-onderzoek<br />
vertoont overeenkomsten met een<br />
onderzoek van de Nederlandse<br />
School voor Openbaar Bestuur, die in<br />
2012 in opdracht van de Raad voor<br />
de rechtspraak opinieleiders ondervroeg<br />
over de reputatie van de Rechtspraak.<br />
De conclusie van dat onderzoek<br />
was dat de Rechtspraak aan<br />
haar beeldvorming moest werken,<br />
juist door afstand te houden van de<br />
samenleving.<br />
Deelname<br />
Het onderzoek werd gehouden onder<br />
ruim 500 burgers en slechts enkele<br />
tientallen rechters. ‘Teleurstellend’,<br />
vindt Albert Klijn. ‘Als er méér rechters<br />
hadden meegedaan dan was ook<br />
wat hen betreft deze steekproef<br />
representatief geweest. Nu was het<br />
aantal deelnemende rechters te laag<br />
om, wat hen betreft, steekhoudende<br />
resultaten te kunnen opleveren. Terwijl<br />
toch ook uit dit onderzoek blijkt<br />
dat er interessante en leerzame conclusies<br />
getrokken kunnen worden. Ik<br />
wil er dan ook erg voor pleiten dat<br />
rechters méér zouden moeten deelnemen<br />
aan wetenschappelijke onderzoeken.<br />
Dat is in het belang van henzelf,<br />
de rechterlijke organisatie en de<br />
samenleving’.<br />
bronnen: rechtspraak.nl en ssr.nl, op<br />
beide plekken is het onderzoek te<br />
vinden<br />
1266<br />
Nederland, Aruba, Curacao en Sint-<br />
Maarten gaan DNA profielen delen<br />
Nederland, Aruba, Curacao en Sint-Maarten<br />
hebben afspraken gemaakt om vergelijkingen<br />
van DNA daderprofielen te vergemakkelijken.<br />
De landen krijgen rechtstreeks toegang tot<br />
elkaars databanken waardoor vergelijkingen<br />
sneller tot stand komen.<br />
Minister Opstelten heeft dit met zijn<br />
justitiecollega’s afgesproken tijdens<br />
het Justiteel Vierpartijenoverleg in<br />
Willemstad (Curaçao) op 11 juni j.l. De benodigde<br />
wijzigingen van wetgeving in de landen<br />
wordt met voorrang behandeld om deze uitwisselingen<br />
van gegevens mogelijk te maken. In<br />
Nederland wordt het DNA-besluit aangepast en<br />
nog dit jaar in consultatie gebracht.<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1723
1267<br />
Universitair Nieuws<br />
Wilt u dat uw (juridische) proefschrift<br />
of dat van iemand die u kent<br />
aangekondigd wordt in deze rubriek<br />
dan kunt u het proefschrift en een<br />
samenvatting sturen naar het redactiebureau;<br />
zie colofon.<br />
Oratie<br />
On 24 June 2014, Prof. Giuseppe<br />
Falcone gave his solemn address marking<br />
his acceptance of the H.J. Scheltema-chair<br />
of Byzantine Law at the University<br />
of Groningen. Preceding this<br />
festive occasion, the Department of<br />
Legal History in cooperation with the<br />
University of Palermo (Italy) hosted a<br />
Symposium on Byzantine Law in Groningen.<br />
The aim of the symposium<br />
was to present the results of the two<br />
year cooperation between Groningen<br />
and Palermo following the establishment<br />
of the H.J. Scheltema-chair.<br />
The beauty of the laws, proclaimed by<br />
Justinian in the constitutions which<br />
introduce his juridical monument (the<br />
Digest), far from being an empty rhetoric<br />
image, is a fundamental propaganda-motif.<br />
It alludes to the result<br />
achieved through the grandiose work<br />
of compilation concerning both the<br />
imperial constitutions and the texts of<br />
the classical jurists: result, which does<br />
not relate to the external form of the<br />
texts, but to a substantial characteristic.<br />
Such a reference to beauty is<br />
expression of a precise Byzantine conception<br />
of the law and of the imperial<br />
power; and the dimension of mysteriousness<br />
calls into question, from a<br />
particular point of view, the peculiar<br />
perspective of sacralisation of legal<br />
texts. The re-reading, in the modern<br />
age, of the relationship between beauty<br />
and mystery in relation to the laws<br />
marks a radical change of perspective:<br />
it is an example of that encounter<br />
between Byzantine propositions and<br />
ideas, on the one hand, and Western<br />
legal culture, on the other, which is one<br />
of the components, yet little explored,<br />
of the European legal tradition.<br />
Promoties<br />
Publicity in Secured<br />
Transactions Law<br />
Er wordt in toenemende mate gepleit<br />
voor de invoering van<br />
een Europees openbaar<br />
register voor zekerheidsrechten<br />
op verschillende<br />
typen goederen,<br />
naar het voorbeeld<br />
van het Amerikaanse<br />
notice filing-systeem<br />
(Art. 9 van de Uniform Commercial<br />
Code, ‘Art. 9 UCC’). Een voorstel voor<br />
de invoering van een dergelijk register<br />
is opgenomen in Book IX van de<br />
Draft Common Frame of Reference<br />
(‘Book IX DCFR’), dat een veelomvattend<br />
raamwerk van regels ten aanzien<br />
van zekerheidsrechten op roerende<br />
goederen biedt. Het doel van dit<br />
proefschrift van Dewi Hamwijk is te<br />
onderzoeken of het raadzaam is een<br />
Europees notice filing systeem voor<br />
zekerheidsrechten op roerende zaken<br />
in te voeren en zo ja, in hoeverre Art.<br />
9 UCC hierbij als voorbeeld zou moeten<br />
dienen. Bij het formuleren van<br />
een antwoord op deze vraag ligt de<br />
focus op de belangen van verschillende<br />
partijen die doorgaans betrokken<br />
zijn bij zekerheidstransacties met<br />
betrekking tot roerende zaken binnen<br />
de grenzen van de Europese Unie.<br />
Centraal staat de vraag of het waarschijnlijk<br />
is dat deze partijen “beter<br />
af” zijn in een systeem waarin een<br />
openbaar notice filing-systeem is ingevoerd,<br />
gelet op de effectiviteit en kosten-efficiëntie<br />
van de voorgestelde<br />
oplossing. Bij deze evaluatie is van de<br />
vooronderstelling uitgegaan dat het<br />
wenselijk is om een openbaar register<br />
in te voeren als het register (i) de problemen<br />
en risico’s vermindert waaraan<br />
partijen blootstaan wanneer<br />
publiciteit afwezig is, en (ii) dit doet<br />
op een wijze die kosten-efficiënt is<br />
voor de betrokken partijen; oftewel in<br />
lijn met een (positief uitvallende) kosten-batenanalyse.<br />
De uitkomst van dit onderzoek is dat<br />
de invoering van een Europees registerstelsel<br />
zinvol kan zijn; het succes<br />
ervan zal echter in grote mate afhangen<br />
van de vraag hoe dit wordt ingericht<br />
en geïmplementeerd. Het notice<br />
filing-systeem zoals (in concept) opgenomen<br />
in Book IX DCFR, the European<br />
Register for Proprietary Security<br />
(‘ERPS’), is veelbelovend in verschillende<br />
opzichten. Dit proefschrift doet<br />
enkele suggesties voor verbetering.<br />
Hamwijk verdedigde haar proefschrift<br />
op 16 mei jl. aan de Universiteit<br />
van Amsterdam. Haar promotoren<br />
waren Prof. dr. A.F. Salomons en<br />
dr. G.J.P. de Vries.<br />
D. Hamwijk<br />
Publicity in Secured Transactions<br />
Law – Towards a European public<br />
notice filing system for non-possessory<br />
security rights in movable assets<br />
Een commerciële uitgave van het proefschrift zal binnenkort<br />
verschijnen<br />
Barred from employment<br />
Een gevangenisstraf is in<br />
Nederland de zwaarste<br />
straf die kan worden<br />
opgelegd. Over de<br />
bedoelde en onbedoelde<br />
effecten van deze straf is<br />
echter weinig bekend.<br />
De algemene doelstelling<br />
van dit proefschrift van Anke<br />
Ramakers is om de ervaringen op de<br />
arbeidsmarkt voor en na detentie in<br />
kaart te brengen. Meer specifiek is<br />
getracht inzicht te krijgen in het effect<br />
van detentie op arbeidsmarktervaringen.<br />
Daarnaast is onderzocht in hoeverre<br />
een baan ex-gedetineerden<br />
ervan weerhoudt opnieuw delicten te<br />
plegen. Vrijwel alle gedetineerden<br />
keren terug in de vrije maatschappij<br />
en hun recidivecijfers zijn hoog. Veel<br />
ex-gedetineerden lijken er dus niet in<br />
te slagen te re-integreren. Behalve de<br />
hoge recidivecijfers is echter weinig<br />
bekend over de levensomstandigheden<br />
na detentie en effectieve methoden<br />
om de re-integratie te verbeteren.<br />
Daarnaast is onbekend in hoeverre<br />
detentie de oorzaak is van deze relatief<br />
slechte maatschappelijke positie<br />
van ex-gedetineerden. Werk wordt<br />
door gedetineerden en professionals<br />
belangrijk geacht voor een succesvolle<br />
re-integratie. Een detentie maakt reguliere<br />
arbeid echter tijdelijk onmogelijk<br />
en kan de arbeidsmarktperspectieven<br />
na afloop verder beperken.<br />
In dit proefschrift is gebruikgemaakt<br />
van een longitudinale dataverzameling<br />
(het Prison Project) over ongeveer<br />
2.000 mannelijke gedetineerden om<br />
de arbeidsmarktperspectieven voor<br />
en na detentie te onderzoeken. Deze<br />
rijke data maken het ook mogelijk om<br />
het effect van detentie op werk en het<br />
effect van werk op recidive te onderzoeken.<br />
Eerder onderzoek impliceert<br />
dat veel gedetineerden al voorafgaand<br />
aan detentie kenmerken bezitten die<br />
conventionele deelname aan de maatschappij<br />
bemoeilijken (o.a. laag opge-<br />
1724 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Universitair Nieuws<br />
leid, psychische problematiek). Dit<br />
compliceert het vaststellen van de<br />
causaliteit (oorzaak-gevolg relaties) in<br />
onderzoek naar straffen. De vraag is<br />
namelijk in hoeverre de relatief slechte<br />
positie van ex-gedetineerden veroorzaakt<br />
wordt door een periode van<br />
detentie, of dat de ex-gedetineerden<br />
sowieso lagere kansen hebben in de<br />
maatschappij en die dus ook al hadden<br />
voorafgaand aan detentie. In dit<br />
proefschrift wordt getracht het effect<br />
van detentie op werk (en het effect<br />
van werk op recidive) te “isoleren”<br />
door te controleren voor een uitgebreide<br />
reeks aan kenmerken van de<br />
gedetineerden. Begeleiding naar werk<br />
is, naast het strafrechtssysteem, één<br />
van de weinige beleidsinstrumenten<br />
die de overheid in kan zetten om criminaliteit<br />
te verminderen. Kennis<br />
over arbeidsmarktervaringen kan leiden<br />
tot een meer doelgerichte hulpverlening.<br />
Daarnaast geeft dit proefschrift<br />
inzicht in twee bedoelde<br />
effecten van detentie: resocialisatie<br />
en specifieke preventie.<br />
De resultaten wijzen uit dat gedetineerden<br />
al lang voorafgaand aan<br />
detentie een marginale positie innemen<br />
op de arbeidsmarkt. Ook na vrijlating<br />
blijken velen niet te (re-)integreren<br />
op de arbeidsmarkt: ongeveer<br />
de helft vindt werk in het eerste half<br />
jaar na detentie en meer dan een<br />
vijfde recidiveert. Criminologische<br />
theorieën stellen dat detentie een<br />
negatief effect heeft op arbeidsmarktperspectieven<br />
doordat (a)<br />
detentie conventionele bindingen<br />
aantast (o.a. werkcontract), (b) detentie<br />
de accumulatie van werkervaring<br />
onmogelijk maakt en (c) het detentie-stigma<br />
ex-gedetineerden onaantrekkelijk<br />
maakt op de arbeidsmarkt.<br />
In dit proefschrift wordt gevonden<br />
dat niet iedere detentie zorgt voor<br />
een verslechtering van werkkansen.<br />
Een detentieduur van meer dan zes<br />
maanden zorgt echter wél voor een<br />
achteruitgang in arbeidsmarktperspectieven<br />
bovenop de bestaande<br />
achterstand. Werk zorgt volgens theorieën<br />
voor recidivevermindering<br />
door het inkomen, de sociale controle<br />
en conventionele bindingen die<br />
een baan opleveren. De resultaten<br />
wijzen uit dat ex-gedetineerden met<br />
een baan minder recidiveren indien<br />
zij in staat zijn om hun nieuwe baan<br />
voor langere tijd te behouden of naar<br />
een vorige werkgever terugkeren.<br />
Ramakers promoveerde op donderdag<br />
19 juni jl. aan de Universiteit Leiden.<br />
Haar promotor was Prof.dr. P.<br />
Nieuwbeerta.<br />
A.A.T. Ramakers<br />
Barred from employment A study of<br />
labor market prospects before and<br />
after imprisonment<br />
Meijers Reeks 2014<br />
ISBN 978 94 6259 178 3<br />
Scriptie<br />
Met boeven vang je boeven<br />
Onder het mom van het politie<br />
gezegde - ‘met boeven vang je boeven’<br />
- heeft minister Opstelten van<br />
Veiligheid en Justitie het voorstel<br />
gedaan het verbod op de inzet van<br />
criminele burgerinfiltranten op te<br />
heffen (Kamerstukken II 2012-2013,<br />
29 911, nr. 83. Het verbod op de inzet<br />
van criminele burgerinfiltratie<br />
is opgenomen in de motie Kalsbeek,<br />
zie Kamerstukken II 1998-1999, 25<br />
403 en 23 251, nr 33). Dit heeft geleid<br />
tot de aanname van de motie<br />
Recourt in de Tweede Kamer (Kamerstukken<br />
II 2013-2014, 29 279, nr. 192).<br />
Als gevolg daarvan is het sinds kort<br />
(weer) toegestaan dat politie en justitie<br />
gebruik maken van criminele burgerinfiltratie<br />
bij de bestrijding van de<br />
georganiseerde criminaliteit.<br />
In deze scriptie van Oscar Pluimer<br />
staat de vraag centraal in hoeverre de<br />
risico’s van criminele burgerinfiltratie<br />
als opsporingsbevoegdheid worden<br />
ondervangen door de voorwaarden en<br />
waarborgen, zoals opgenomen in het<br />
voorstel van de minister en in de<br />
motie Recourt. De scriptie handelt<br />
over zowel de rechtspolitieke keuze<br />
criminele burgerinfiltranten in te zetten<br />
– waarbij de vraag centraal staat<br />
of het wenselijk is dat politie en justitie<br />
bij de opsporing van strafbare feiten<br />
nauw samenwerken met criminelen<br />
– als de juridische problemen van<br />
criminele burgerinfiltratie – waarbij<br />
de aandacht vooral is gericht op het<br />
strafvorderlijk legaliteitsbeginsel en<br />
het instigatieverbod. In antwoord op<br />
de onderzoeksvraag wordt geconcludeerd<br />
dat de voorwaarden en waarborgen<br />
uit het voorstel van de minister<br />
en uit de motie Recourt, in<br />
onvoldoende mate de risico’s van criminele<br />
burgerinfiltratie ondervangen.<br />
Daarvoor is mede van belang dat de<br />
argumentatie van de minister – om<br />
het verbod op te heffen – niet overtuigt<br />
en innerlijk tegenstrijdig is. Derhalve<br />
wordt de scriptie afgesloten met<br />
enkele aanbevelingen. Zo wordt onder<br />
meer een wetswijziging aanbevolen,<br />
waarbij een specifieke wettelijke bepaling<br />
ten aanzien van criminele burgerinfiltratie<br />
wordt opgesteld en het<br />
verbod op de zogenoemde groei-infiltrant<br />
een expliciete, wettelijke basis<br />
krijgt. Voorts wordt een toetsing door<br />
de rechter(-commissaris) voorafgaand<br />
aan het infiltratie-traject, voorgesteld.<br />
Deze aanbevelingen moeten voorkomen<br />
dat de inzet van criminele burgerinfiltranten<br />
opnieuw uit de hand<br />
loopt en de integriteit van de opsporing<br />
wederom wordt aangetast, met<br />
een mogelijke nieuwe IRT-affaire als<br />
gevolg.<br />
Oscar Pluimer<br />
Een oude bekende in het Nederlandse<br />
strafproces, de criminele burgerinfiltrant.<br />
Met boeven vang je boeven.<br />
Masterscriptie Strafrecht<br />
Universiteit Utrecht<br />
Beoordeling: 8,5<br />
Begeleider: prof. mr. A.A. Franken<br />
De gehele scriptie is te lezen op ons blog: njblog.nl<br />
Scripties<br />
De redactie biedt aan studenten de<br />
mogelijkheid om met een korte<br />
samenvatting van hun masterscriptie<br />
in dit tijdschrift te komen. Hiernaast<br />
wordt de gehele versie van<br />
het document op het blog van het<br />
<strong>NJB</strong> geplaatst (www.njblog.nl). De<br />
redactie wil graag een podium bieden<br />
voor de vele mooie juridische<br />
teksten en innovatieve opvattingen<br />
van studenten die tot nu toe nog te<br />
weinig onder de aandacht komen<br />
van de vele juristen die in ons land<br />
werkzaam zijn. Heb je belangstelling<br />
om te worden geselecteerd<br />
voor opname van een samenvatting<br />
van je masterscriptie in het<br />
<strong>NJB</strong> Stuur dan je scriptie, voorzien<br />
van een samenvatting van maximaal<br />
200 woorden, het eindcijfer<br />
(minimaal een acht) dat je voor de<br />
scriptie hebt ontvangen en ook je<br />
afstudeerrichting en de naam van<br />
je scriptiebegeleider, naar het<br />
redactiebureau van het <strong>NJB</strong>, postbus<br />
30104, 2500 GC Den Haag of<br />
e-mail: njb@kluwer.nl.<br />
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1725
1268<br />
Personalia<br />
NJV-prijs 2014<br />
De Nederlandse<br />
Juristen-Vereniging<br />
heeft op 13 juni<br />
2014 aan prof. dr.<br />
E.M.H. Hirsch<br />
Ballin de NJV-prijs<br />
2014 uitgereikt. De prijs is in het<br />
leven geroepen om juristen te eren<br />
die metterdaad door hun werkzaamheden<br />
een bijzondere bijdrage hebben<br />
geleverd aan de rechtsontwikkeling<br />
en/of rechtstoepassing in het<br />
Koninkrijk der Nederlanden. Uit het<br />
rapport van de jury, bestaande uit<br />
prof. mr. J.E. Goldschmidt, mr. C.A.<br />
Fonteijn en mr. G.J. Kemper: “Door<br />
het combineren van een bijzonder<br />
scherp wetenschappelijk inzicht, die<br />
zich uit in een groot aantal vernieuwende<br />
publicaties over actuele<br />
vraagstukken (zoals recent zijn boek<br />
over burgerschap), met een grote<br />
maatschappelijke betrokkenheid en<br />
integriteit is hij een van de belangrijkste<br />
woordvoerders geworden op<br />
het terrein van het verdedigen en<br />
versterken van de rechtsstaat,<br />
grondrechten en internationale en<br />
Europese rechtsvorming, juist waar<br />
deze onder druk komen te staan. Hij<br />
schroomt daarbij niet om tegen de<br />
stroom in te gaan, waar de genoemde<br />
waarden dat vereisen. In het bijzonder<br />
mogen met lof zijn inspanningen<br />
worden genoemd om<br />
duidelijk te maken dat begrippen<br />
als ‘democratie’ en ‘rechtsstaat’ verder<br />
strekken dan de eenvoudige<br />
notie dat ‘de meerderheid beslist’.”<br />
Hirsch Ballin is hoogleraar Nederlands<br />
en Europees constitutioneel<br />
recht aan de Universiteit Tilburg en<br />
hoogleraar mensenrechten aan de<br />
Universiteit van Amsterdam. Daarvoor<br />
was hij onder meer Minister<br />
van Justitie, lid van de Tweede en<br />
Eerste Kamer, lid van de Raad van<br />
State en hoogleraar staats- en<br />
bestuursrecht in Tilburg. Verder is<br />
Hirsch Ballin lid van de KNAW en lid<br />
van de Adviesraad Internationale<br />
Vraagstukken (AIV), voorzitter van de<br />
Commissie mensenrechten van die<br />
raad en lid van de Raad van Toezicht<br />
van Cordaid. In het verleden heeft hij<br />
talloze functies bekleed op maatschappelijk<br />
terrein ten behoeve van<br />
uiteenlopende soorten organisaties<br />
werkzaam op het terrein van speciaal<br />
onderwijs, mensenrechten en<br />
internationale samenwerking.<br />
Voor het plaatsen van berichten<br />
in deze rubriek kunt u uw tips<br />
en informatie sturen naar<br />
njb@kluwer.nl.<br />
NFI<br />
Dr. ir. Reinout Woittiez wordt per 1<br />
september de nieuwe algemeen directeur<br />
van het Nederlands Forensisch<br />
Instituut (NFI). Woittiez is op dit<br />
moment algemeen directeur Omgevingsdienst<br />
Noordzee-kanaalGebied.<br />
ILO<br />
Dr. Paul van der<br />
Heijden is voor een<br />
nieuwe periode<br />
(2014-2017) verkozen<br />
tot onafhankelijk<br />
Voorzitter van<br />
het Committee on Freedom of Associationvan<br />
de International Labour<br />
Organization. Het is tamelijk uniek<br />
dat een Nederlander lange tijd zo’n<br />
belangrijke post in de VN bekleedt.<br />
Van der Heijden is oud-rector magnificus<br />
van de Universiteit Leiden en<br />
oud-redacteur van het Nederlands<br />
Juristenblad.<br />
1269<br />
Agenda<br />
2 t/m 4 07 2014<br />
Congres informatierecht<br />
Van de NSA tot Wikileaks; van Spotify<br />
tot Facebook. Stuk voor stuk<br />
onderwerpen die de laatste jaren volop<br />
in de belangstelling hebben gestaan.<br />
Deze en vele andere thema’s<br />
komen aan de orde tijdens het internationale<br />
congres ‘Information<br />
Influx’, ter viering van het 25-jarige<br />
bestaan van het IViR.<br />
De centrale vraag van het congres is<br />
hoe het informatierecht zich in de<br />
komende 25 jaar zal ontwikkelen.<br />
Naast Yochai Benkler, die in zijn<br />
keynote speech ‘Degrees of Freedom’<br />
zal spreken over recht en vrijheid in<br />
de internetsamenleving, biedt het<br />
congres een platform voor circa zestig<br />
sprekers en tweehonderd deelnemers<br />
uit wetenschap, politiek,<br />
bedrijfsleven, de kunstwereld en<br />
online activisme. Andere hoofdsprekers<br />
zijn Fred von Lohmann (Google)<br />
die ingaat op de toekomst van het<br />
auteursrecht. Prof. Deirdre Mulligan<br />
(UC Berkeley) laat haar licht schijnen<br />
op privacy.<br />
Naast de keynote-lezingen van deze<br />
internationale topwetenschappers,<br />
behandelen 14 panels het gehele<br />
spectrum van het informatierecht.<br />
Zo zijn er panels over intellectuele<br />
eigendomsrechten rondom het WK<br />
voetbal, de (il)legalisering van file<br />
sharing en het blokkeren van The<br />
Pirate Bay, over de privacyaspecten<br />
van online adverteren en natuurlijk<br />
over de terugkomst van ‘Big Brother’<br />
en de Snowden-onthullingen.<br />
Tijd: Woensdag 2 juli van 13.00 tot 18.30 uur, donderdag<br />
3 juli van 9.00 tot 18.00 uur, vrijdag 4 juli van 9.00 tot<br />
17.30 uur.<br />
Plaats: De opening en de keynote speech van prof. Benkler<br />
zijn op woensdag 2 juli om 17 uur in de Aula (aan de<br />
Singel 411) van de UvA en is vrij toegankelijk. Het congres<br />
wordt gehouden op 3 en 4 juli in De Rode Hoed<br />
(Keizersgracht 102) Amsterdam.<br />
Inlichtingen: via: http://informationinflux.org/, e-mail:<br />
congres@uva.nl Kosten voor deelname (v.a.) € 295,- (incl.<br />
lunch en diner)<br />
Aanmelding: via: http://www.aanmelder.nl/ivir/subscribe<br />
1726 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25
Algemeen overeenkomstenrecht<br />
Verbintenissenrecht, deel 6 -III<br />
ASSER-SERIE<br />
Met de Asser-serie bent u verzekerd van<br />
hoge kwaliteit, dankzij topauteurs en<br />
kwaliteitsbewaking door de Asser Adviesraad.<br />
De voorzitter van de Adviesraad<br />
is prof.mr. A.S. Hartkamp. Assertiviteit<br />
is voor u als jurist een belangrijke<br />
eigenschap. Bent u werkzaam binnen<br />
het civiele recht dan is ‘Assertiviteit’<br />
minstens zo belangrijk. De Asser-serie<br />
is de onmisbare kennisbron van civielrechtelijk<br />
Nederland en biedt sinds jaar<br />
en dag toonaangevend commentaar op<br />
het burgerlijk recht. Op papier en online<br />
(uiteraard ook in Kluwer Navigator Collecties)<br />
verkrijgbaar.<br />
Recent verschenen in deze serie:<br />
• Asser 4 Erfrecht en schenking<br />
ISBN: 9789013107258<br />
• Asser 3-IV Algemeen goederenrecht<br />
ISBN: 9789013044478<br />
• Asser 7-VI Aanneming van werk<br />
ISBN: 9789013069358<br />
Dit Asser-deel behandelt het algemene overeenkomstenrecht.<br />
Aan de orde komen:<br />
overeenkomst en eenzijdige rechtshandeling;<br />
totstandkoming van de overeenkomst;<br />
inhoud van de overeenkomst;<br />
gevolgen van de overeenkomst ten aanzien van derden;<br />
nietigheid, vernietigbaarheid en ontbinding van de overeenkomst.<br />
Veel nieuwe rechtspraak verwerkt<br />
Sinds de dertiende druk besteedt dit Asser-deel meer aandacht aan Europees<br />
recht en rechtsvergelijking. In deze veertiende druk zijn de sinds de vorige druk<br />
verschenen rechtspraak (waaronder ruim vijftig nieuwe arresten van de Hoge<br />
Raad) en literatuur op de gebruikelijke wijze verwerkt. De auteurs hebben<br />
het hoofdstuk over de nulliteiten in verband met recente ontwikkelingen in<br />
de rechtspraak ingrijpend bewerkt. Korte cursieve introductietekstjes en een<br />
uitgebreide inhoudsopgave vergroten voor u de toegankelijkheid van de uitgave.<br />
Auteurs:<br />
prof.mr.drs. C.H. Sieburgh<br />
prof.mr. A.S. Hartkamp<br />
Druk: 14<br />
ISBN: 9789013107944<br />
ISBN e-book: 9789013107951<br />
Verschijningsdatum: 3 juli 2014<br />
Aantal pagina’s: 776<br />
Prijs:<br />
€ 139,- incl. btw.<br />
www.kluwer.nl/shop<br />
in onze shop bestelt u zonder verzendkosten