27.06.2014 Views

NJB-1425

NJB-1425

NJB-1425

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

NEDERLANDS JURISTENBLAD<br />

DE ANDERE KANT<br />

VAN ZSM<br />

Rechtsherstel voor Somaliërs<br />

Sancties zonder houdbaarheidsdatum<br />

‘Kiss of life’ voor de Grondwet<br />

The world according to overheid.nl<br />

P. 1664-1726 JAARGANG 89 27 JUNI 2014<br />

25<br />

10304677


VERMOGENSRECHT<br />

Onder redactie van:<br />

J.H. Nieuwenhuis<br />

C.J.J.M. Stolker<br />

W.L. Valk<br />

M.H. Wissink<br />

Boek:<br />

ISBN 978 90 13 112894<br />

7e druk<br />

2.900 pagina’s<br />

¤ 315 (incl. btw)<br />

Online:<br />

¤ 126 (excl. btw)<br />

E-book:<br />

¤ 267 (excl. btw) )<br />

KIES UIT:<br />

ONLINE<br />

E-BOOK<br />

BOEK<br />

IN 5 TOT 10 MINUTEN TOT<br />

DE KERN VAN DE ZAAK<br />

Tekst & Commentaar Vermogensrecht bevat een<br />

groot aantal Bijlagen met commentaar op relevante<br />

richtlijnen, aanverwante verdragen, wetten en<br />

verordeningen, welke van belang zijn voor de<br />

vermogensrechtpraktijk én voor onroerendgoedspecialisten.<br />

Daarnaast vindt u o.a. belangrijke<br />

internationaal privaatrechtelijke regelingen op het<br />

gebied van het vermogensrecht (inclusief uittreksel<br />

uit Boek 10 BW en commentaar op het ipr-verdrag<br />

vertegenwoordiging).<br />

Prijswijzigingen voorbehouden. Meer informatie en bestellen op www.kluwer.nl/tekstencommentaar<br />

TEKST & COMMENTAAR<br />

Kunt u zonder


Inhoud<br />

Vooraf 1224 1665<br />

Prof. mr. T. Barkhuysen<br />

Toetsing van procesbeslissingen<br />

in het bestuursrecht<br />

Focus 1225 1666<br />

Mr. dr. P.P.J. van der Meij<br />

De andere kant van de<br />

ZSM-medaille<br />

Het gebrek aan controle op beleid<br />

en beslissingen van het Openbaar<br />

Ministerie<br />

Praktijk 1226 1672<br />

Prof. mr. T.P. Spijkerboer<br />

Rechtsherstel voor Somaliërs<br />

Wetenschap 1227 1675<br />

Mr. dr. W.F. van Hattum<br />

Sancties zonder<br />

houdbaarheidsdatum<br />

Reactie op ‘Belangrijke<br />

beperkingen van de gerechtelijke<br />

onderzoekmethode’<br />

Focus 1228 1681<br />

Mr. K.E. Haan<br />

M.E. de Boer<br />

R. Dekker<br />

Prof. mr. R. Nehmelman<br />

Mr. J.W.C. van Rossem<br />

M. Vetzo<br />

De ‘kiss of life’ voor de Grondwet<br />

Een voorstel tot aanpassing van<br />

de wijzigingsprocedure van de<br />

Grondwet<br />

Opinie 1229 1685<br />

Mr. F.J. Fernhout<br />

The world according to<br />

www.overheid.nl<br />

Rubrieken<br />

1230-1245 Rechtspraak 1687<br />

1246 Boeken 1702<br />

1247-1250 Tijdschriften 1703<br />

1251-1262 Wetgeving 1707<br />

1263-1266 Nieuws 1719<br />

1267 Universitair nieuws 1724<br />

1268 Personalia 1726<br />

1269 Agenda 1726<br />

Het nader onder zoeken<br />

van de MOGELIJKHEID<br />

om een ZELFSTANDIGE<br />

TOETSING van<br />

PROCESBESLISSINGEN<br />

in te voeren is de MOEITE<br />

WAARD<br />

Pagina 1665<br />

In de meest NEGATIEVE zin<br />

uitgelegd is ZSM vooral een<br />

manier om ZOVEEL mogelijk<br />

VERDACHTEN zo efficiënt<br />

mogelijk te BESTRAFFEN en<br />

dan vallen maar WEINIG<br />

zaken van de WAGEN<br />

Pagina 1666<br />

Omdat ASIELAANVRAGEN<br />

worden beoordeeld naar het<br />

MOMENT van de meest<br />

RECENTE AANVRAAG,<br />

betekent dat dat SOMALIËRS<br />

die in de periode 2010-2013<br />

TEN ONRECHTE asiel is<br />

onthouden dat nu NIET meer<br />

krijgen<br />

Pagina 1673<br />

De TBS-MAATREGEL na<br />

vele jaren in gevangenisstraf<br />

WIJZIGEN komt in STRIJD<br />

met artikel 6 EVRM, de eis dat<br />

bij the determination of the<br />

charge, de RECHTER de straf<br />

VASTSTELT<br />

Pagina 1676<br />

10304677<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD<br />

DE ANDERE KANT<br />

VAN ZSM<br />

Rechtsherstel voor Somaliërs<br />

Sancties zonder houdbaarheidsdatum<br />

‘Kiss of life’ voor de Grondwet<br />

The world according to overheid.nl<br />

25<br />

P. 1664-1726 JAARGANG 89 27 JUNI 2014<br />

Het wetsvoorstel beoogt de<br />

WIJZIGINGSPROCEDURE<br />

van de GRONDWET zo te<br />

VERANDEREN dat alleen in<br />

geval van een wijziging die aan<br />

de ‘IDENTITEIT van het<br />

Nederlandse constitutionele<br />

BESTEL’ raakt, een TWEEDE<br />

lezing nodig is<br />

Pagina 1682<br />

OVERHEID.NL meent het<br />

ook BETER te WETEN dan<br />

de wetgever en heeft steeds<br />

haar EIGEN versies van de<br />

Nederlandse WET op de site<br />

geplaatst<br />

Pagina 1685<br />

In 2014 zijn er nog altijd<br />

TIENDUIZENDEN kinderen<br />

in NEDERLAND het<br />

SLACHTOFFER van ernstige<br />

kinderrechtenschendingen<br />

Pagina 1719<br />

Omslag: Ambulance © Mediscan/Corbis


NEDERLANDS JURISTENBLAD<br />

Opgericht in 1925 Eerste redacteur J.C. van Oven<br />

Erevoorzitter J.M. Polak<br />

Redacteuren Tom Barkhuysen, Ybo Buruma, Coen Drion,<br />

Ton Hartlief, Corien (J.E.J.) Prins (vz.), Taru Spronken,<br />

Peter J. Wattel<br />

Medewerkers Barend Barentsen, sociaal recht (socialezekerheidsrecht),<br />

Stefaan Van den Bogaert, Europees recht,<br />

Alex F.M. Brenninkmeijer, alternatieve geschillen -<br />

beslechting, Wibren van der Burg, rechtsfilosofie en<br />

rechtstheorie, G.J.M. Corstens, Europees strafrecht,<br />

Remy Chavannes, technologie en recht, Eric Daalder,<br />

bestuursrecht, Caroline Forder, personen-, familie- en<br />

jeugdrecht, Janneke H. Gerards, rechten van de mens,<br />

Ivo Giesen, burgerlijke rechtsvordering en rechts pleging,<br />

Aart Hendriks, gezondheidsrecht, Marc Hertogh, rechtssociologie,<br />

P.F. van der Heijden, internationaal arbeidsrecht,<br />

C.J.H. Jansen, rechtsgeschiedenis, Piet Hein van Kempen,<br />

straf(proces)recht, Harm-Jan de Kluiver, ondernemingsrecht,<br />

Willemien den Ouden, bestuursrecht, Stefan Sagel,<br />

arbeidsrecht, Nico J. Schrijver, volkenrecht en het recht der<br />

intern. organisaties, Ben Schueler, omgevingsrecht,<br />

Thomas Spijkerboer, migratierecht, T.F.E. Tjong Tjin Tai,<br />

verbintenissenrecht, F.M.J. Verstijlen, zakenrecht,<br />

Dirk J.G. Visser, auteursrecht en intellectuele eigendom,<br />

Inge C. van der Vlies, kunst en recht, Rein Wesseling,<br />

mededingingsrecht, Reinout Wibier, financieel recht,<br />

Willem J. Witteveen, staatsrecht<br />

Auteursaanwijzingen Zie www.njb.nl. Het al dan niet op<br />

verzoek van de redactie aanbieden van artikelen impliceert<br />

toestemming voor openbaarmaking en ver veelvoudiging<br />

t.b.v. de elektronische ontsluiting van het <strong>NJB</strong>.<br />

Logo Artikelen met dit logo zijn door externe peer<br />

reviewers beoordeeld.<br />

Citeerwijze <strong>NJB</strong> 2014/[publicatienr.], [afl.], [pag.]<br />

Redactiebureau Bezoekadres: Lange Voorhout 84,<br />

Den Haag, postadres: Postbus 30104, 2500 GC Den Haag,<br />

tel. (0172) 466399, e-mail njb@kluwer.nl<br />

Internet www.njb.nl en www.kluwer.nl<br />

Secretaris, nieuws- en informatie-redacteur Else Lohman<br />

Adjunct-secretaris Berber Goris<br />

Secretariaat Nel Andrea-Lemmers<br />

Vormgeving Colorscan bv, Voorhout, www.colorscan.nl.<br />

Uitgever Simon van der Linde<br />

Uitgeverij Kluwer, Postbus 23, 7400 GA Deventer.<br />

Op alle uitgaven van Kluwer zijn de algemene leveringsvoorwaarden<br />

van toepassing, zie www.kluwer.nl.<br />

Abonnementenadministratie, productinformatie Kluwer<br />

Afdeling Klantcontacten, www.kluwer.nl/klantenservice,<br />

tel. (0570) 673 555.<br />

Abonnementsprijs (per jaar) Tijdschrift: € 310 (incl. btw.).<br />

<strong>NJB</strong> Online: Licentieprijs incl. eerste gebruiker € 340 (excl.<br />

btw), extra gebruiker € 100 (excl. btw). Combinatieabonnement:<br />

Licentieprijs incl. eerste gebruiker € 340 (excl.<br />

btw). Prijs ieder volgende gebruiker € 100 (excl. btw). Bij<br />

dit abonnement ontvangt u 1 tijdschrift gratis en krijgt u<br />

toegang tot <strong>NJB</strong> Online. Zie voor details: www.njb.nl (bij<br />

abonneren). Studenten 50% korting. Losse nummers<br />

€ 7,50. Abonnementen kunnen op elk gewenst moment<br />

worden aangegaan voor de duur van minimaal één jaar<br />

vanaf de eerste levering, vooraf gefactureerd voor de volledige<br />

periode. Abonnementen kunnen schriftelijk tot drie<br />

maanden voor de aanvang van het nieuwe abonnementsjaar<br />

worden opgezegd; bij niet-tijdige opzegging wordt het<br />

abonnement automatisch met een jaar verlengd.<br />

Gebruik persoonsgegevens Kluwer BV legt de gegevens<br />

van abonnees vast voor de uitvoering van de (abonnements-)over<br />

eenkomst . De gegevens kunnen door Kluwer,<br />

of zorgvuldig geselecteerde derden, worden gebruikt om u te<br />

informeren over relevante producten en diensten. Indien u<br />

hier bezwaar tegen heeft, kunt u contact met ons opnemen.<br />

Media advies/advertentiedeelname Maarten Schuttél<br />

Capital Media Services<br />

Staringstraat 11, 6521 AE Nijmegen<br />

Tel. 024 - 360 77 10, mail@capitalmediaservices.nl<br />

ISSN 0165-0483 <strong>NJB</strong> verschijnt iedere vrijdag, in juli en<br />

augustus driewekelijks. Hoewel aan de totstandkoming van<br />

deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden de<br />

auteur(s), redacteur(en) en uitgever(s) geen aansprakelijkheid<br />

voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch<br />

voor gevolgen hiervan. Voor zover het maken van kopieën<br />

uit deze uitgave is toegestaan op grond van art. 16h t/m<br />

16m Auteurswet j°. Besluit van 29 december 2008, Stb.<br />

2008, 583, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde<br />

vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te<br />

Hoofd dorp (Postbus 3051, 2130 KB).<br />

de Tijdstroom<br />

www.tijdstroom.nl<br />

PROFILERING<br />

+<br />

NEW BUSINESS<br />

Mr. september<br />

Opleidingen<br />

Recruitment<br />

Bouwrecht<br />

Mr. oktober<br />

ICT<br />

Grote kantoren vs niche kantoren<br />

Intellectueel Eigendomsrecht (IE)<br />

Bel: 024 - 360 77 10 óf mail:<br />

mail@capitalmediaservices.nl


Vooraf<br />

1224<br />

Toetsing van procesbeslissingen in het bestuursrecht<br />

25<br />

Onwelgevallige procesbeslissingen zijn in het<br />

bestuursprocesrecht niet zelfstandig aanvechtbaar.<br />

Wanneer een bestuursrechter, bijvoor-<br />

beeld, tegen de zin van een partij een zaak verdaagt, een<br />

getuige niet oproept, bepaalde bewijsmiddelen niet accepteert<br />

of een pleidooi aan het begin van de zitting niet toestaat,<br />

kan daartegen alleen worden opgekomen in het<br />

kader van een hoger beroep. Wanneer dergelijke beslissingen<br />

in hoogste instantie aan de orde zijn, bestaat er in het<br />

geheel geen rechtsmiddel (de alleen in theorie bestaande<br />

mogelijkheid van een geslaagde civiele procedure uit<br />

onrechtmatige rechtspraak tegen de staat en het klachtrecht<br />

daargelaten).<br />

Op zich valt er het nodige te zeggen voor deze<br />

beperkte aanvechtbaarheid van procesbeslissingen. Het<br />

zou een procedure namelijk kunnen vertragen wanneer<br />

elke procesbeslissing zelfstandig aanvechtbaar is. Het streven<br />

naar een snelle en efficiënte rechtsgang zou daarmee<br />

in het gedrang kunnen komen. Dit geldt temeer nu misbruik<br />

niet uitgesloten kan worden. Ervaringen met de wel<br />

bestaande mogelijkheid een rechter te wraken wijzen ook<br />

in die richting, zij het dat er wel de nodige mogelijkheden<br />

bestaan hieraan paal en perk te stellen.<br />

Tegelijk laat de praktijk van de afgelopen jaren – met<br />

name sinds de invoering van de nieuwe zaaksbehandeling<br />

– zien dat er bij partijen wel een serieuze behoefte bestaat<br />

om procesbeslissingen te laten toetsen voordat een zaak<br />

verder wordt behandeld. Daarvoor wordt vaak gegrepen<br />

naar het instrument van de wraking. Gesteld wordt dan<br />

dat als gevolg van het nemen van een bepaalde procesbeslissing<br />

de partijdigheid van de betreffende rechter(s) is<br />

gebleken. Zo zijn er wrakingsverzoeken ingediend vanwege<br />

de rechterlijke beslissing: om een zitting te laten beginnen<br />

met het stellen van vragen en niet met een pleidooi<br />

(ECLI:NL:CRVB:2014:1518), om niet in te gaan op in een<br />

vertrouwelijke brief neergelegde verzoeken (ECLI:NL:<br />

RBZWB:2013:7031), het pas tijdens de zitting uitleggen<br />

van de gang van zaken in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling<br />

(ECLI:NL:RBAMS:2013:8995), het verdagen<br />

van een mondelinge behandeling (ECLI:NL:RBGRO:<br />

2012:BY8240), de weigering van toestemming een zitting<br />

met video op te nemen (ECLI:NL:RVS:2013BZ0709), de<br />

beslissing om getuigen op te roepen (ECLI:NL:RBARN:<br />

2012:BX2312), het tijdens de zitting niet ingaan op<br />

bepaalde beroepsgronden (ECLI:NL:RBZLY:2011:BW1437),<br />

het in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling betrekken<br />

van andere procedures bij de voorliggende zaak<br />

(ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6565) en het niet langer wachten<br />

op een advocaat alvorens met de mondelinge behandeling<br />

van een zaak te beginnen (ECLI:NL:RBROT:2013:CA2207).<br />

Al deze wrakingsverzoeken zijn – vanzelfsprekend<br />

– afgewezen. Volgens vaste jurisprudentie is het instrument<br />

van wraking namelijk niet bedoeld als rechtsmiddel<br />

tegen dit soort procesbeslissingen. Alleen in het hele uitzonderlijke<br />

geval dat processuele beslissingen zo onbegrijpelijk<br />

zijn dat daaruit een zwaarwegende aanwijzing kan<br />

worden afgeleid voor de partijdigheid van de betrokken<br />

rechter(s) is dat anders (ECLI:NL:RVS:2007:BA3209;<br />

ECLI:NL:CRVB:2004:AO5507).<br />

Toch komt de vraag op of er niet nagedacht zou moeten<br />

worden over het mogelijk maken van een zelfstandige<br />

toetsing van dergelijke procesbeslissingen hangende een<br />

procedure (zie ook Koenraad & Verbeek, JB-plus 2014, p. 54<br />

e.v.). Bij partijen blijkt er mede gelet op de hiervoor<br />

geschetste wrakingspraktijk een behoefte aan te bestaan,<br />

hetgeen logisch is omdat dergelijke beslissingen een<br />

belangrijke invloed kunnen hebben op de uitkomst van<br />

een zaak. Aan het verwijzen van deze toetsing naar het<br />

hoger beroep kleeft het bezwaar dat er dan een instantie<br />

‘verloren’ gaat met alle tijdverlies van dien. Daar komt bij<br />

dat toetsing van in hoogste instantie genomen procesbeslissingen<br />

nu helemaal niet aan de orde is. Verder heeft de<br />

rechter in het kader van de nieuwe zaaksbehandeling een<br />

veel grotere vrijheid gekregen om de procedure naar<br />

eigen goeddunken in te richten (vergelijk de aanbevelingen<br />

van het Landelijk Symposium NZB d.d. oktober 2012).<br />

Het ligt in de lijn der verwachting dat er daardoor ook<br />

meer discussie zal ontstaan over procesbeslissingen. Zou<br />

deze grotere vrijheid van de rechter – die te prijzen is<br />

omdat daarmee maatwerk kan worden geleverd – niet<br />

gepaard moeten gaan met ruimere controlemogelijkheden<br />

ten aanzien van diens beslissingen Daarmee zou ook<br />

de legitimiteit van de procedure kunnen zijn gediend.<br />

Gelet daarop is het nader onderzoeken van de mogelijkheid<br />

om een zelfstandige toetsing van procesbeslissingen<br />

in te voeren de moeite waard. Daarmee is niet gezegd<br />

dat dit geen complexe afwegingen vraagt. Zo zou het<br />

vraagstuk van misbruik om procedures te frustreren de<br />

volle aandacht vergen. Tegelijkertijd zijn er best modaliteiten<br />

denkbaar waarmee problemen op dit punt kunnen<br />

worden voorkomen. Een denkrichting zou kunnen zijn het<br />

uitbreiden van de taken van de al bestaande wrakingskamers<br />

met de toetsing van een beperkt aantal in de wet op<br />

te sommen procesbeslissingen (deze zou dan wrakingsen<br />

procesinstructiekamer kunnen gaan heten). Daarbij<br />

zou het moeten gaan om beslissingen die daadwerkelijk<br />

de uitkomst van een procedure kunnen beïnvloeden. Dan<br />

zou, bijvoorbeeld, wel toetsbaar zijn de beslissing een<br />

bepaalde getuige al dan niet te horen terwijl dat niet aan<br />

de orde zou zijn als het gaat om het niet verlenen van toestemming<br />

om videopnamen van een zitting te maken.<br />

Eventueel zou deze kamer ook de bevoegdheid moeten<br />

krijgen om in het kader van de redelijke termijn instructies<br />

te geven aan de behandelende rechter(s). Idealiter<br />

zouden procesbeslissingen zoveel mogelijk plaatsvinden<br />

in het kader van een regiezitting die aan het begin van<br />

een procedure plaatsvindt en waarbij de rechter het dossier<br />

al moet hebben bestudeerd. Ontstaat daarbij discussie<br />

over een procesbeslissing dan zou de wrakings- en procesinstructiekamer<br />

snel beschikbaar moeten zijn, hetgeen<br />

overigens ook geldt bij beslissingen verderop in de procedure.<br />

Wellicht kan deze handschoen worden opgepakt in<br />

het kader van het KEI-project waarbij dan ook het civiele<br />

recht zou kunnen worden betrokken.<br />

Tom Barkhuysen<br />

Reageer op <strong>NJB</strong>log.nl op het Vooraf<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1665


1225<br />

Focus<br />

De andere kant van de<br />

ZSM-medaille<br />

Het gebrek aan controle op beleid en beslissingen van<br />

het Openbaar Ministerie<br />

Patrick van der Meij 1<br />

De speerpunten van het ZSM-beleid zijn snelheid, daadkracht en efficiëntie. Het beleid wordt gepresenteerd<br />

als succesverhaal in de categorieën lik-op-stuk, genoegdoening en capaciteitsbesparing. Het succes van het<br />

beleid lijkt echter mede te zijn ingegeven door een pragmatische aanpak aan de selectietafel, door het<br />

afhouden van effectieve rechtsbijstand en door de afwezigheid van controle door de strafrechter. Indien op<br />

deze punten niets verandert, raakt de efficiënte en daadkrachtige ZSM-aanpak al te gemakkelijk vele burgers<br />

die anders buiten het strafrecht, met alle bijbehorende negatieve consequenties, zouden zijn.<br />

Inleiding<br />

In 2012 is de ZSM-werkwijze met betrekking tot de afdoening<br />

van strafzaken landelijk uitgerold en zijn in alle<br />

arrondissementen ZSM-units aanwezig die dagelijks de<br />

instroom van nieuwe strafzaken beoordelen. De afkorting<br />

ZSM staat voor Zo Selectief, Snel, Samen, Slim, Simpel en<br />

Samenlevingsgericht Mogelijk. 2 Het aantal strafzaken dat<br />

langs deze weg wordt afgedaan, blijft groeien. Naar schatting<br />

zal het in 2014 uiteindelijk gaan om 200 000 zaken. 3<br />

Uitgangspunt bij ZSM is dat het OM en de politie na ruggespraak<br />

met ketenpartners als de reclassering en slachtofferhulp<br />

zo spoedig mogelijk beslissen over de afdoening<br />

van de zaak van een aangehouden verdachte.<br />

De ZSM-werkwijze kent ook voor verdachten positieve<br />

effecten, althans voor de verdachten die duidelijkheid<br />

en snelheid boven een trage afhandeling en onzekere uitkomst<br />

verkiezen. 4 Het is alleen de vraag of de meeste<br />

verdachten wel kunnen overzien welke weerslag een snelle<br />

afhandeling kan hebben in de toekomst. Het beeld van<br />

de mondige burger uit de 21ste eeuw wordt juist voor het<br />

strafrecht gelogenstraft door de ervaring dat de meeste<br />

verdachten niet-mondig en zelfs ronduit kwetsbaar zijn<br />

(beperkte verstandelijke vermogens, verslaafden, veelplegers,<br />

vreemdelingen). 5 Het uitgangspunt van ZSM dat<br />

meer dan voorheen een bewustere keuze wordt gemaakt<br />

om het strafrecht al dan niet toe te passen, 6 impliceert<br />

echter dat ook voor die kwetsbaren een zorgvuldige afweging<br />

kan worden gemaakt. ZSM faciliteert weliswaar dat<br />

meer zaken kunnen worden beoordeeld, maar ook dat<br />

meer zaken van de wagen afvallen door alternatieve oplossingen<br />

als buurtbemiddeling of mediation.<br />

Toch wordt vanuit het OM ook erkend dat bij een al<br />

te grote toestroom van zaken wel wordt teruggegrepen op<br />

de traditionele werkwijze waardoor de beoogde selectiviteit<br />

die ZSM kenmerkt, onder druk komt te staan. Dit leidt<br />

ertoe dat juist meer zaken via het strafrecht worden afgedaan.<br />

7 Als daarbij wordt betrokken dat de ZSM-werkwijze<br />

tot op heden steeds de nodige drukte met zich heeft<br />

gebracht en sterker nog: lijkt te zijn ingericht op het genereren<br />

van zoveel mogelijk drukte, boet het genoemde uitgangspunt<br />

aanzienlijk aan kracht in. In de meest negatieve<br />

zin uitgelegd is ZSM vooral een manier om zoveel<br />

mogelijk verdachten zo efficiënt mogelijk te bestraffen en<br />

dan vallen maar weinig zaken van de wagen. Onderbezetting<br />

op de ZSM-units kan voorts bijdragen aan het noodgedwongen<br />

teruggrijpen op de klassieke strafrechtelijke<br />

afdoening: nuance en creativiteit vergen tijd.<br />

In deze bijdrage wordt ten eerste geschetst welke<br />

afdoeningsmodaliteiten de officier van justitie ter<br />

beschikking staan in het kader van de ZSM-werkwijze en<br />

de respectieve gevolgen voor een verdachte. Vervolgens<br />

wordt iets dieper ingegaan op de haken en ogen aan de<br />

ZSM-werkwijze. Aan de hand van een schets van de ZSMbeslissingen<br />

in combinatie met de beperkingen van de<br />

strafrechtspraktijk, wordt geïllustreerd dat een snelle,<br />

efficiënte afdoening zeker niet in het belang van een verdachte<br />

hoeft te zijn. Daaruit volgt de noodzaak van meer<br />

controlemogelijkheden ten aanzien van het beleid en de<br />

beslissingen van de officier van justitie.<br />

Het selectief afdoen van strafzaken<br />

De officier van justitie, die in het Nederlandse strafproces<br />

belast is met het nemen van de vervolgingsbeslissing met<br />

inachtneming van het opportuniteitsbeginsel, heeft in het<br />

kader van ZSM een groot arsenaal aan afdoeningsmogelijkheden.<br />

Hij kan in de eerste plaats op gronden aan het<br />

1666 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


algemeen belang ontleend, beslissen af te zien van<br />

vervolging en de zaak te seponeren, al dan niet onder<br />

voorwaarden. Op dat moment worden geen consequenties<br />

verbonden aan een geconstateerde wetsovertreding. In dit<br />

verband staat de officier van justitie een groot aantal<br />

sepotcodes ter beschikking, uiteenlopend van technische<br />

sepots indien iemand ten onrechte als verdachte is aangemerkt<br />

(code 01) of indien het bewijs ontbreekt (code 02),<br />

tot beleidssepots indien sprake is van een gering feit of<br />

een gering aandeel in het feit (code 40 respectievelijk 41)<br />

of indien de verhouding tot de benadeelde is geregeld<br />

(code 70). 8 Hoewel het verschil in betekenis van de diverse<br />

sepotcodes soms klein lijkt, kunnen wel degelijk verstrekkende<br />

nadelige gevolgen kleven aan net de ‘verkeerde’<br />

sepotcode. Dit is niet alleen het geval in verband met de<br />

latere waardering van de justitiële documentatie van een<br />

verdachte, maar bijvoorbeeld ook bij het verkrijgen van<br />

een visum voor de Verenigde Staten.<br />

De officier van justitie kan de strafzaak tegen een<br />

verdachte uiteraard ook doorzetten, door over te gaan tot<br />

dagvaarden of te besluiten de zaak buitengerechtelijk af te<br />

doen. Het dagvaarden brengt met zich dat een strafrechter<br />

bij de zaak wordt betrokken die uiteindelijk vonnis zal wijzen.<br />

De officier van justitie kiest ingegeven door de ernst<br />

en de complexiteit van de zaak en door afwegingen rondom<br />

de hoogte van de te vorderen gevangenisstraf voor het<br />

aanbrengen van de zaak bij de meervoudige kamer dan wel<br />

bij de politierechter. Het aanbrengen van eenvoudige zaken<br />

met relatief lage strafeisen bij de politierechter zorgt voor<br />

weer een keuzemoment: gaat de zaak naar een ‘normale’<br />

politierechterzitting gepland over enkele weken, maanden<br />

of zelfs meer dan een jaar nadien; komt de zaak in aanmerking<br />

voor snelrecht, waarbij de zitting plaatsvindt tijdens<br />

de bewaring; of is het zelfs een supersnelrechtzaak waarbij<br />

de zaak nog binnen de termijn van de inverzekeringstelling<br />

kan worden berecht Het merendeel van deze beslissingen<br />

omtrent het dagvaarden van eenvoudige zaken wordt eveneens<br />

aan de ZSM-selectietafel genomen.<br />

De belangrijkste afdoeningsmogelijkheden aan de<br />

selectietafel betreffen die van de buitengerechtelijke<br />

afdoening. De officier van justitie kan eenvoudige zaken<br />

in plaats van aan de rechter voorleggen, zelfstandig<br />

afdoen. De buitengerechtelijke afdoening bestaat op dit<br />

moment nog in twee vormen, te weten in de transactie en<br />

de strafbeschikking. Deze modaliteiten zijn tot op zekere<br />

hoogte complementair omdat door de wetgever is bepaald<br />

dat de strafbeschikking gefaseerd wordt ingevoerd (met<br />

steeds een aanvulling van de strafbare feiten waarvoor die<br />

kan worden uitgevaardigd) met als uiteindelijke doel de<br />

vervanging van de transactie. 9 Toch is het mogelijk dat<br />

voor een bepaald strafbaar feit alsnog een keuze gemaakt<br />

mag worden tussen de transactie en de strafbeschikking,<br />

bijvoorbeeld bij het bestaan van contra-indicaties 10 tegen<br />

de strafbeschikking of omdat met een strafbeschikking<br />

anders dan bij een transactie nog niet alle sancties kunnen<br />

worden opgelegd waarin de wet voorziet. 11 Ook de<br />

keuze tussen strafbeschikking of transactie ligt als beslispunt<br />

op de selectietafel. Indien de verdachte een taakstraf<br />

aangeboden krijgt, volgt doorgaans een TOM-zitting waarop<br />

de parketsecretaris het aanbod afhandelt. Hier komt<br />

evenmin een rechter aan te pas.<br />

Hoewel de ene modaliteit tegen de andere wordt<br />

ingewisseld, verschillen de aard en consequenties van de<br />

strafbeschikking aanzienlijk van die van de transactie. Het<br />

aanvaarden van een transactie komt feitelijk neer op het<br />

afkopen of afwenden van een strafrechtelijke vervolging. Er<br />

is dan geen vaststelling van schuld door de strafrechter,<br />

waardoor als het ware nooit komt vast te staan dat de verdachte<br />

daadwerkelijk het strafbare feit heeft gepleegd.<br />

Indien de verdachte het transactieaanbod afwijst, dient het<br />

OM actie te ondernemen om de zaak alsnog voor de rechter<br />

te krijgen. Het direct betalen van een transactie betekent<br />

dat het feit onherroepelijk is afgedaan en dat geen<br />

rechtsmiddel meer kan worden ingesteld. Het uitvaardigen<br />

van een strafbeschikking is daarentegen wel een daad van<br />

vervolging. De straf in de beschikking behoeft in beginsel<br />

geen aanvaarding, die wordt gewoonweg opgelegd, met<br />

dien verstande dat ten aanzien van enkele sancties afhankelijk<br />

van aard en hoogte een plicht tot horen van de verdachte<br />

geldt (artikel 257c Sv). De officier van justitie stelt<br />

met de strafbeschikking de schuld van de verdachte vast.<br />

De bestrafte heeft door de bank genomen twee weken de<br />

tijd om verzet tegen de strafbeschikking te doen, waarbij<br />

het laten verstrijken van die termijn ervoor zorgt dat die<br />

strafrechtelijk onherroepelijk is geworden.<br />

Van de piketadvocaat wordt verwacht dat hij dit hele<br />

scala aan afdoeningsmodaliteiten tijdens de consultatieronde<br />

meegeeft aan zijn cliënt, aangezien hij niet weet welke<br />

weg de officier van justitie zal bewandelen en zelfs niet<br />

weet of het wel om een strafbaar feit gaat en wat de bijzonderheden<br />

van de zaak zijn. De gedachte dat de piketadvocaat<br />

als enige echt toegang heeft tot de aangehouden<br />

verdachte en rechtstreeks zijn informatie kan krijgen van<br />

de direct betrokkene, miskent dat de verdachte mogelijk<br />

niet betrokken is geweest bij het feit, dat hij onder invloed<br />

kan zijn of overweldigd door zijn verblijf op het politiebureau,<br />

of dat hij anderszins redenen heeft ook tegen zijn<br />

advocaat te zwijgen en de waarheid te verdraaien.<br />

Kanttekeningen bij de korte klap<br />

De kern van de overstap van transactie naar strafbeschikking<br />

is de aanpassing van de grondslag van de buitengerechtelijke<br />

afdoening: ‘[De strafbeschikking] strekt niet tot<br />

voorkoming van vervolging maar is een vorm waarin het<br />

Auteur<br />

Noten<br />

2. Zie onder meer het Jaarbericht OM 2011<br />

en www.om.nl/onderwerpen/<br />

zsm/@158586/factsheet-zsm/ (laatstelijk<br />

bezocht op 16 juni 2014). Zie voor de<br />

nadere invulling van de verschillende S-en J.<br />

Bac en M. Vink, ‘ZSM, Zo selectief mogelijk…<br />

Triage in de strafrechtsketen’, Proces<br />

2014/1, p. 80-81.<br />

2012, 26859.<br />

1. Mr. dr. P.P.J. van der Meij is strafrechtadvocaat<br />

bij Cleerdin & Hamer Advocaten<br />

te Amsterdam en is tevens als research<br />

fellow verbonden aan het Instituut voor<br />

Strafrecht & Criminologie van de Faculteit<br />

Rechtsgeleerdheid, Universiteit Leiden.<br />

Met dank aan mr. L.M. Hartjes.<br />

3. J. Bac en M. Vink, a.w., p. 84.<br />

9. Aanwijzing OM-Afdoening, Stcrt. 2013,<br />

33003.<br />

10. Aanwijzing OM-Afdoening, Stcrt. 2013,<br />

33003, p. 1 en Bijlage 1A en 1B.<br />

11. Aanwijzing OM-Afdoening, Stcrt. 2013,<br />

33003, p. 2.<br />

4. I. van den Brûle, ‘Gezocht: rol voor de<br />

advocatuur bij ZSM’, Proces 2014/1, p. 92.<br />

5. I. van den Brûle, a.w., p. 92.<br />

6. J. Bac en M. Vink, a.w., p. 83.<br />

7. J. Bac en M. Vink, a.w., p. 85.<br />

8. Aanwijzing gebruik sepotgronden, Stcrt.<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1667


Focus<br />

Het oplossen van een verstopping door het creëren van meer<br />

capaciteit zal ruimte scheppen voor nieuwe vraag, waardoor de<br />

hypertrofie weer toeneemt en opnieuw verstopping ontstaat<br />

1668 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


OM de zaak kan vervolgen en bestraffen. Daarmee komt<br />

de strafbeschikking, wat haar rechtskarakter betreft, meer<br />

overeen met een rechterlijke veroordeling.’ 12 Al ten tijde<br />

van de parlementaire behandeling zijn principiële kanttekeningen<br />

geplaatst bij de aard en implicaties van de<br />

strafbeschikking. 13 Die kanttekeningen zien onder meer<br />

op het feit dat de strafbeschikking het gehele proces van<br />

opsporing-vervolging-berechting-executie exclusief in<br />

handen legt van het OM, zonder dat is voorzien in een<br />

controle door de strafrechter of een raadsman.<br />

Die kanttekeningen strekken zich eveneens uit tot de<br />

selectietafel, bijvoorbeeld als daarbij wordt betrokken dat<br />

het voor een verdachte wel degelijk uitmaakt of hij een<br />

transactie krijgt aangeboden of een strafbeschikking<br />

krijgt uitgevaardigd. De wetgever heeft echter expliciet<br />

overwogen dat de Richtlijnen van het OM met betrekking<br />

tot de wijze van afdoening er niet toe strekken de belangen<br />

van de verdachte te beschermen. ‘[De Richtlijnen] faciliteren<br />

de overgang van het ene naar het andere systeem;<br />

een overgang die noodzakelijkerwijs enige ongelijkheid in<br />

behandeling met zich brengt. Een verweer met de strekking<br />

dat een transactie had moeten worden aangeboden,<br />

en dat niet een strafbeschikking had moeten worden uitgevaardigd,<br />

heeft dan ook geen kans van slagen.’ 14<br />

Het beknopte overzicht van de keuzes die worden<br />

gemaakt aan de selectietafel en de schets van het verschil<br />

in consequenties voor de verdachte, maken duidelijk dat<br />

met de snelle, daadkrachtige en efficiënte afdoening grote<br />

belangen gemoeid zijn, ook al gaat het om relatief eenvoudige<br />

zaken. Belangen die verband houden met de toekomst<br />

van de verdachte na de afdoening, zoals bij het aanvragen<br />

van een VOG, bij het verlenen en controleren van<br />

vergunningen in het kader van de Wet Bibob of bij een<br />

eventuele ongewenstverklaring in het kader van de Vreemdelingenwet.<br />

Er kan met recht worden getwijfeld of al deze<br />

belangen bij de verdachten bekend zijn en of die bij de korte<br />

klap aan de selectietafel worden meegewogen. De drukte<br />

is immers ongekend: volgens twitterberichten worden<br />

op een doordeweekse dag wel 70 zaken beoordeeld. 15<br />

Het sneller en gemakkelijker afdoen van eenvoudige<br />

strafzaken heeft voorts als effect dat meer zaken kunnen<br />

worden afgedaan. Het vrijkomen van capaciteit in de<br />

handhaving als gevolg van ver doorgevoerde efficiëntie,<br />

kan betekenen dat de ontstane ruimte wordt opgevuld<br />

met strafzaken die anders vanwege capaciteitsproblemen<br />

niet zouden zijn opgepakt. Hoewel deze ontwikkeling vanuit<br />

de handhavingsgedachte positief is, draagt die ook het<br />

risico in zich dat ‘flutzaken’ ineens binnen het bereik van<br />

een strafrechtelijke afdoening vallen. 16 Daar komt bij dat<br />

vanaf het moment dat het OM - halverwege de jaren tachtig<br />

- beleid is gaan voeren, de vraag naar meer efficiëntie<br />

nooit is afgenomen en het handhavingsapparaat nooit<br />

toegerust is geweest op de niet-aflatende stroom aan<br />

zaken. Anders gezegd: het oplossen van een verstopping<br />

door het creëren van meer capaciteit zal ruimte scheppen<br />

voor nieuwe vraag, waardoor de hypertrofie weer toeneemt<br />

en opnieuw verstopping ontstaat. 17<br />

De vraag dringt zich op hoe de belangen aan de<br />

selectietafel of in de fase daarna worden gewaarborgd, als<br />

een burger vanwege ZSM eerder dan voorheen in aanraking<br />

kan komen met justitie en de gevolgen steeds verstrekkender<br />

worden. Aanvankelijk stelde het OM zich op<br />

het standpunt dat juist de officier van justitie vanuit zijn<br />

magistratelijke hoedanigheid goed in staat zou zijn de<br />

belangen van de verdachte te wegen. 18 Naast de zaaksorientatie<br />

van de officier van justitie (goed, snel en efficiënt<br />

afdoen) waarin diens magistratelijkheid zou kunnen worden<br />

getoond, benadrukt het OM juist in het beleidsstuk<br />

‘Perspectief op 2015’ dat de officier van justitie zich ook<br />

steeds meer zal oriënteren op zijn omgeving (sturen op<br />

instroom en selectiviteit). In die omgevingsoriëntatie<br />

functioneert de officier van justitie als gelijkwaardige<br />

partner die zich wil openstellen voor de belangen van de<br />

ketenpartners en zich door de prioriteiten en strategieën<br />

Hoe verenigt of verbindt de officier<br />

van justitie zijn rol als magistraat<br />

met zijn rol als ‘netwerkspeler’<br />

van die ketenpartners laat beïnvloeden. 19 Hoe verenigt of<br />

verbindt de officier van justitie zijn rol als magistraat met<br />

zijn rol als ‘netwerkspeler’ 20 ‘De officier van justitie opereert<br />

letterlijk op het politiebureau […]. De vraag is hoe<br />

binnen deze setting, waarin de officier van justitie dicht<br />

op het vuur van de opsporing zit, kan worden gewaarborgd<br />

dat met voldoende kritische distantie magistratelijke<br />

afdoeningsbeslissingen kunnen worden genomen.’ 21<br />

Het aannemen van magistratelijkheid van de officier van<br />

justitie als vaststaand gegeven bij intensieve beleidsvoering<br />

door het OM is mijns inziens misplaatst.<br />

De rol van de raadsman in de ZSM-praktijk<br />

Inmiddels lijkt ook het OM te zijn doordrongen van de<br />

noodzaak de advocatuur bij ZSM te betrekken. 22 Over de rol<br />

12. Kamerstukken II 2004/05, 29849, 3, p.<br />

13.<br />

13. Zie voor kritiek op de strafbeschikking<br />

in het kader van ZSM N.J.M. Kwakman,<br />

‘Snelrecht en de ZSM-aanpak’, DD<br />

2013/17.<br />

14. Kamerstukken II 2004/05, 29849, 3, p.<br />

88 (MvT bij de Wet OM-afdoening).<br />

15. Zie het bericht van woensdag 16 oktober<br />

2013 (@ZSMNoordNL). Het aantal van<br />

70 zaken op een woensdag steekt af tegen<br />

de schets van Bac en Vink, a.w., p. 85: ‘Op<br />

een gemiddelde zaterdag of zondag passeren<br />

vele tientallen zaken.’<br />

16. Y. Buruma, ‘Flutzaken, een pleidooi<br />

voor rechterlijke toetsing van vervolgingsbeslissingen’,<br />

DD 2006/22.<br />

lijk beleid’, Rechtsstaat en sturing, Zwolle:<br />

1987, p. 54.<br />

18. Zie hierover I. van den Brûle, a.w., p.<br />

90.<br />

19. Zie het beleidsstuk Perspectief op<br />

2015. Een zichtbaar, merkbaar en kenbaar<br />

Openbaar Ministerie, p. 4. (http://www.<br />

om.nl/actueel/@157877/perspectief-2015/<br />

(laatstelijk bezocht op 16 juni 2014)).<br />

20. J.H. Crijns, F.P. Ölçer en G.K. Schoep,<br />

‘De officier van justitie van de 21ste eeuw’,<br />

in: Roosachtig Strafrecht, Deventer: Kluwer<br />

2013, p. 158.<br />

21. J.H. Crijns, F.P. Ölçer en G.K.<br />

Schoep,a.w., p. 164.<br />

22. J.J.A. Lucas, ‘ZSM – een huis dat samen<br />

gebouwd wordt, staat steviger’, Strafblad<br />

2013, p. 282 e.v.<br />

17. Vergelijk A.C. ’t Hart reeds in 1987 ten<br />

aanzien van het beleid dat het OM destijds<br />

voerde in ‘Instrumentalisme en strafrechte-<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1669


Focus<br />

van de raadsman is echter bepaald nog niet nagedacht, laat<br />

staan dat die is opgenomen in de ZSM-werkwijze. Het kaatsen<br />

van de bal vanuit het OM dat het de advocatuur vrijstaat<br />

mee te denken over de eigen rol binnen ZSM, getuigt<br />

niet van realiteitszin. Het zijn de wetgever en beleidsmakers<br />

die de effectieve rechtsbijstand in het strafproces dienen<br />

te waarborgen en te organiseren, en het is aan de<br />

advocatuur om daar vervolgens uitvoering aan te geven.<br />

Omdat het bij ZSM doorgaans gaat om zaken waarin de<br />

verdachte afstand kan doen van het consultatierecht en hij<br />

pas bij een eventuele inverzekeringstelling de mogelijkheid<br />

van een piketadvocaat opnieuw krijgt voorgelegd, waarbij<br />

geldt dat die inverzekeringstelling door de geboekte tijdwinst<br />

vaak niet eens aan de orde is, is een voorlichting van<br />

een verdachte door een raadsman ten aanzien van de<br />

afdoening van de zaak gemakkelijk te omzeilen. Oftewel:<br />

ZSM is het perfecte antwoord van het OM op Salduz. 23<br />

De onbestemde rol van de strafrechtadvocaat binnen<br />

ZSM miskent dat aan de selectietafel diverse essentiële<br />

beslissingen worden genomen waarbij de belangen van de<br />

verdachte in het geding zijn en waarop van de kant van<br />

de verdediging invloed behoort te worden uitgeoefend.<br />

Het is onzinnig te veronderstellen dat een verdachte zonder<br />

raadsman zijn belangen kan overzien en weet hoe en<br />

wanneer hij de zaak in zijn belang kan bijsturen. De afwezigheid<br />

van de raadsman kan grote schade toebrengen<br />

aan de belangen van de verdachte. Niet voor niets spreekt<br />

de Commissie Innovatie Strafrechtadvocatuur van ‘een<br />

leemte in de rechtshulp’. 24<br />

Bac en Vink beschrijven de essentiële beslissingen<br />

die door de officier van justitie aan de selectietafel worden<br />

genomen. 25 In de eerste plaats dient de strafrechtelijke<br />

basis te worden vastgesteld: is er een strafbaar feit, is er<br />

genoeg bewijs en is de verdachte strafbaar Ten tweede zal<br />

worden beslist over de route van de zaak (binnen of buiten<br />

het strafrecht, buitengerechtelijk of naar de rechter).<br />

Een volgende beslissing die zou worden genomen is die<br />

met betrekking tot de wenselijkheid de zaak snel of langzaam<br />

af te doen. Aan de selectietafel wordt tot slot ook<br />

gekeken naar eventuele voorlopige maatregelen, zoals het<br />

contactverbod.<br />

Dit redelijk overzichtelijke beslismodel leidt af van<br />

het feit dat de meeste van die beslissingen niet zo gemakkelijk<br />

kunnen worden genomen. Bovendien zijn sommige<br />

van die beslissingen niet eens aan de officier van justitie.<br />

Zo komt de vraag naar de wenselijkheid van de snelheid<br />

van de afdoening als gekunsteld voor. Binnen ZSM zal de<br />

officier van justitie alle zaken snel willen afdoen en niet<br />

snel kiezen voor een inefficiënte langzame afdoening.<br />

Bovendien is de snelheid van de procedure vaak ironisch<br />

Capaciteit om die overvloed aan<br />

strafzaken daadkrachtig op te<br />

pakken is er nu al niet en met de<br />

aangekondigde bezuinigingen zal<br />

dat niet veranderen<br />

genoeg afhankelijk van factoren die buiten de beschikkingsmacht<br />

van de officier van justitie liggen. Elke advocaat<br />

weet dat indien wordt besloten tot dagvaarden en<br />

zich geen (super)snelrecht aandient, de zaak bij het OM op<br />

de plank komt te liggen. Capaciteit om die overvloed aan<br />

strafzaken daadkrachtig op te pakken is er nu al niet en<br />

met de aangekondigde bezuinigingen zal dat niet<br />

veranderen. In dat verband kan het pleidooi vanuit de<br />

advocatuur om de parketsecretaris te behouden voor de<br />

strafrechtspraktijk, hier als ingelast worden beschouwd. 26<br />

Juist in het allereerste begin van het onderzoek is het<br />

vaak lastig in te schatten hoeveel bewijs er tegen de verdachte<br />

ligt. In die fase is immers nog niets op schrift<br />

gesteld, laat staan dat een dossier over de strafzaak is<br />

samengesteld. Hoe voortvarend een zaak ook wordt opgepakt,<br />

er kan niet worden voorbijgegaan aan de omstandigheid<br />

dat het Nederlandse strafproces in belangrijke mate<br />

steunt op processen-verbaal. Het is wat mij betreft feitelijk<br />

onmogelijk een beoordeling te maken of er genoeg wettig<br />

en overtuigend bewijs is als dat niet naar voren komt uit<br />

het dossier. Bovendien is dat een beslissing waartoe de<br />

strafrechter het best is uitgerust, in plaats van de officier<br />

van justitie die gevoed door de mondelinge overdracht<br />

vanuit het politieapparaat wel aanneemt dat er genoeg<br />

ligt tegen de verdachte. Het is opmerkelijk dat vanuit het<br />

OM de bereidheid bestaat een beslissing te nemen puur<br />

op mondelinge informatie die vanwege de drukte en<br />

hectiek snel wordt gegeven. Een belangrijk struikelpunt in<br />

dezen is het recht van de verdediging op kennisneming<br />

van de processtukken (artikel 30 Sv), welk recht in elk<br />

geval bestaat na het eerste verhoor van de aangehouden<br />

verdachte. 27 Zelfs indien de raadsman een ingang heeft bij<br />

de organisatie van het OM (de zogenoemde servicepunten)<br />

duurt het na de ontvangstbevestiging op z’n minst enkele<br />

weken voordat het dossier wordt verstrekt.<br />

Het beslismoment rondom de juiste kwalificatie van<br />

het strafbare feit is ronduit intrigerend. De praktijk leert<br />

namelijk dat in het vroege stadium van het onderzoek de<br />

verdenking door de politie – dezelfde verbalisanten die<br />

ook de mondelinge overdracht van het bewijs faciliteren –<br />

doorgaans bij voorkeur zo zwaar mogelijk wordt aangezet<br />

met het oog op de eventuele noodzaak de verdachte aan<br />

de voorlopige hechtenis te onderwerpen. Dit wordt ook<br />

door Bac en Vink erkend: ‘Een poging tot doodslag is soms<br />

niet meer dan een eenvoudige mishandeling.’ 28 In de normale<br />

gang van het strafproces is het de raadsman die de<br />

tenlastelegging tracht te nuanceren, bijvoorbeeld al in de<br />

fase van de gevangenhouding in een uiterste poging de<br />

gemakkelijk toegepaste voorlopige hechtenis te doen<br />

opheffen of schorsen. Het valt mij op hoe stellig de officier<br />

van justitie in de meeste raadkamerprocedures zich<br />

hard blijft maken voor de gehele tenlastelegging. Het<br />

komt bovendien maar weinig voor dat voorafgaand aan<br />

de inhoudelijke behandeling door de officier van justitie<br />

wordt geschrapt in die tenlastelegging. Het is met deze<br />

ervaring in het achterhoofd mijns inziens gevaarlijk erop<br />

te vertrouwen dat aan de drukke selectietafel wel veel<br />

gelegenheid en bereidwilligheid bestaan tot overdenking<br />

en nuancering van de kwalificatie.<br />

De kanttekeningen bij het ZSM-beslismodel mogen<br />

duidelijk maken dat vanuit de advocatuur in elk geval<br />

geen behoefte bestaat aan de selectietafel aan te schuiven.<br />

1670 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


ZSM kan wel degelijk van meerwaarde zijn voor de verdediging,<br />

indien de officier van justitie eenmaal goed bereikbaar<br />

is voor de raadsman en hij de kanttekeningen bij de<br />

gang van zaken of bij de inhoud van de strafzaak kenbaar<br />

kan maken. Daarvoor geldt wel dat ZSM geen noodzakelijke<br />

voorwaarde is voor overleg tussen OM en verdediging.<br />

Communicatie is altijd mogelijk geweest, als maar duidelijk<br />

was welke officier van justitie kon worden gebeld. Zo<br />

bezien, met alle hierboven genoemde bezwaren, is er geen<br />

rol weggelegd voor de raadsman, laat staan als een van de<br />

ketenpartners van het OM binnen ZSM. ‘De strafrechtadvocatuur<br />

[moet] aan deze werkwijze geen schijn van<br />

legitimiteit geven door bijvoorbeeld aan de ZSM-afdoeningstafel<br />

plaats te nemen of door informatie in het<br />

kader van een videoconsult te verstrekken.’ 29<br />

Uitleiding<br />

De vraag rest nu op welke wijze de beslissingen en het<br />

beleid van het OM het beste kunnen worden gecontroleerd.<br />

Door de achterstand in informatie en zijn verantwoordelijkheid<br />

naar zijn cliënt toe om niet klakkeloos aan<br />

te nemen wat vanuit justitie over de verdachte en diens<br />

zaak mondeling wordt overgebracht, kan de advocaat zijn<br />

cliënt eigenlijk slechts adviseren de transactie niet te aanvaarden,<br />

zich tegen de strafbeschikking te verzetten en<br />

niet akkoord te gaan met supersnelrecht of snelrecht. Dit<br />

mag niet worden versleten voor onbereidwilligheid mee<br />

te werken aan een efficiënte afdoening in het belang van<br />

cliënt, omdat juist die belangen niet zijn te toetsen op het<br />

moment kort na de aanhouding.<br />

De grote afwezige in deze snelkookpan van beslismomenten<br />

is – gelukkig – de rechter. Dit terwijl vanuit het OM<br />

juist gemakkelijk wordt gedreigd met de gang naar de<br />

rechter in die zin dat bij het afwijzen van het transactievoorstel<br />

wordt voorspeld dat later op zitting een hogere<br />

taakstraf zal worden geëist. De ervaring leert echter dat<br />

indien de zaak eenmaal op zitting staat de rechter juist<br />

vanwege het tijdsverloop en andere nuancerende factoren<br />

al snel geneigd is de uiteindelijke straf naar beneden bij te<br />

stellen. Veel van de zaken die echter buitengerechtelijk worden<br />

afgedaan, halen nooit de zittingszaal omdat de transactie<br />

al is voldaan of omdat het verzet te laat is ingesteld.<br />

Indien de rechter uiteindelijk wel de zaak krijgt te<br />

beoordelen (na afwijzing van het aanbod of gedaan verzet),<br />

is het wat mij betreft geboden dat deze veel indringender<br />

dan tot op heden het geval is geweest, zal toetsen<br />

of de aan de selectietafel genomen beslissingen wel juist<br />

zijn. Hoewel van oudsher de rechter met het oog op het<br />

opportuniteitsbeginsel en de magistratelijkheid van het<br />

OM de uiterste terughoudendheid betracht in de beoordeling<br />

van de vervolgingsbeslissing, ben ik van mening dat<br />

het wellicht meest intensieve en alomvattende beleid van<br />

het OM sinds de historie van ons strafproces ook een verschuiving<br />

op dit punt rechtvaardigt. De stand van de jurisprudentie<br />

van de Hoge Raad houdt dit vooralsnog tegen, 30<br />

maar in elk geval één van de raadsheren lijkt hiervoor te<br />

voelen. 31 Het is immers geen rare gedachte dat bij een<br />

vastomlijnd beleid dat voortvloeit uit talrijke onderling<br />

consistente richtlijnen, aanwijzingen en beleidsstukken,<br />

de verdachte daadwerkelijk het vertrouwen kan ontlenen<br />

dat zijn zaak niet of anders wordt vervolgd. De gedachte<br />

dat de officier van justitie te allen tijde bepaalt hoe een<br />

strafzaak afloopt is op sommige punten zelfs in de wet al<br />

losgelaten, als wordt bedacht dat de rechter-commissaris<br />

de officier van justitie een uiterste termijn voor de opsporing<br />

kan stellen en zelfs het einde van de zaak in gang<br />

kan zetten (artikel 180 Sv).<br />

Wat mij betreft dient de rechter de terughoudendheid<br />

in de toets van het vervolgingsbeleid van het OM los<br />

te laten, zelfs met in het achterhoofd de jurisprudentie<br />

van de Hoge Raad. De feitenrechter heeft zijn eigen verantwoordelijkheid<br />

en daarbij hoort ook de beantwoording<br />

van de vraag of een strafzaak wel echt een strafzaak is. Dit<br />

wringt des te meer nu het OM door de ZSM-werkwijze<br />

meer zaken kan afdoen en zo ook de allerlichtste zaken<br />

binnen het bereik van het strafrecht komen, met alle consequenties<br />

van dien. Er zijn reeds voorbeelden te noemen<br />

uit de feitenrechtspraak waarbij de rechter goed gemotiveerd<br />

zijn weg zoekt in de beperkte mogelijkheden die de<br />

Hoge Raad-jurisprudentie biedt. 32 Ik durf zelfs te bepleiten<br />

dat de politierechters zich heel wat meer ruimte kunnen<br />

permitteren, omdat de kans dat een beslissing op een verzet<br />

tegen een strafbeschikking ooit de cassatiefase haalt,<br />

erg klein is. Wellicht dat aan de hand van de feitenrechtspraak<br />

duidelijk kan worden welke zaken nu echt ‘flutzaken’<br />

zijn. De officier van justitie kan dat dan weer<br />

meenemen bij zijn beoordeling van de stortvloed aan<br />

nieuwe zaken op de selectietafel.<br />

Wellicht dat aan de hand van de<br />

feitenrechtspraak duidelijk kan<br />

worden welke zaken nu echt<br />

‘flutzaken’ zijn<br />

23. Aldus I. van den Brûle, a.w., p. 93.<br />

27. En vaak eerder: ‘In de praktijk [vinden<br />

geregeld onderzoeken plaats] waarbij de<br />

verdachte pas laat in het onderzoekstraject<br />

wordt verhoord, terwijl hij veel eerder weet<br />

of vermoedt dat hij als verdachte wordt<br />

aangemerkt. […] Voor dit soort gevallen is<br />

het alleszins redelijk dat de verdachte, nog<br />

voordat hij als zodanig voor de eerste keer<br />

wordt verhoord, inzage kan krijgen in het<br />

procesdossier’, aldus de minister in Kamerstukken<br />

II, 32468, 3, p. 20-21.<br />

30. HR 6 november 2012,<br />

ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109.<br />

24. Zie het rapport Herbezinning op de rol<br />

van de raadsman in de voorfase van het<br />

strafproces, Den Haag 2012.<br />

31. Zie Y. Buruma, a.w.<br />

28. J. Bac en M. Vink, a.w., p. 83.<br />

32. Zie bijvoorbeeld<br />

ECLI:NL:GHARL:2013:5945 of het ronduit<br />

schrijnende ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4908.<br />

25. J. Bac en M. Vink, a.w., p. 82.<br />

29. A.A. Franken en P.T.C. van Kampen,<br />

‘Een herbezinning op de rol van de raadsman<br />

in het vooronderzoek’, in: Roosachtig<br />

strafrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 245.<br />

26. Zie het blog Red de parketsecretaris! op<br />

www.janvlug.com/151 (laatstelijk bezocht<br />

op 16 juni 2014).<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1671


1226<br />

Praktijk<br />

Rechtsherstel voor<br />

Somaliërs<br />

Thomas Spijkerboer 1<br />

Momenteel verblijven enige honderden Somaliërs in Nederland die tussen december 2010 en 2013 ten<br />

onrechte geen asiel in Nederland hebben gekregen. Hoe kan dit worden rechtgezet<br />

Het argument<br />

Van december 2010 tot februari 2013 oordeelde de staatssecretaris<br />

(in het voetspoor van de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State, 2 later gevolgd door het<br />

Europese Hof voor de Rechten van de Mens 3 ) dat de situatie<br />

in Mogadishu zo ernstig was dat verwijdering van een<br />

ieder naar Mogadishu in strijd met artikel 3 EVRM zou<br />

zijn. Op grond daarvan meende de Afdeling dat ook uitzetting<br />

via Mogadishu (waarbij de vreemdeling zelf zou<br />

moeten doorreizen naar een veilig geacht deel van<br />

Somalie) in strijd met artikel 3 EVRM zou zijn. Omdat uitzetting<br />

naar Somalië alleen via Mogadishu mogelijk is,<br />

was uitzetting naar Somalië niet mogelijk. 4 Dus: in de<br />

periode december 2010 - februari 2013 was uitzetting van<br />

Somaliërs niet mogelijk, omdat Somaliërs bij uitzetting<br />

een reëel risico liepen om te worden onderworpen aan<br />

een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.<br />

Artikel 29 lid 1 onder b onder 2 Vreemdelingenwet<br />

2000 bepaalt dat een vreemdeling asiel krijgt als hij aannemelijk<br />

heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om<br />

aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt<br />

om te worden onderworpen aan een behandeling in strijd<br />

met artikel 3 EVRM. De Vreemdelingenwet is op dit punt in<br />

overeenstemming met Richtlijn 2011/95 van de EU. Op<br />

grond van het Nederlandse en Europese recht zou je verwachten<br />

dat Somaliërs tussen december 2010 en februari<br />

2013 asiel hadden gekregen, omdat de staatssecretaris en<br />

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State<br />

vastgesteld hadden dat zij bij uitzetting naar of via<br />

Mogadishu een reëel risico liepen om te worden onderworpen<br />

aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.<br />

Dat is echter niet gebeurd. Minister Leers was van<br />

In recente rechtspraak heeft de Raad<br />

van State het argument waarmee hij<br />

eerder Somaliërs asiel heeft<br />

onthouden verworpen in de context<br />

van het Vluchtelingenverdrag<br />

mening dat Somaliërs in deze periode wel vrijwillig<br />

terug konden, mits zij afkomstig waren uit een ander<br />

deel van Somalië dan Mogadishu. 5 Hij zei er niet bij hoe<br />

dat zou kunnen, en dat is dan ook onduidelijk gebleven.<br />

De enige mogelijke route – via Mogadishu – kon immers<br />

niet vanwege het risico op een behandeling in strijd met<br />

artikel 3 EVRM. De Afdeling bestuursrechtspraak van de<br />

Raad van State accepteerde echter dit argument. De<br />

Afdeling ging akkoord omdat niet de uitzetting zelf in<br />

strijd zou zijn met artikel 3 EVRM, maar slechts de wijze<br />

van uitzetting. 6 De achterliggende gedachte moet zijn<br />

dat slechts de reis naar het relatief veilige deel van<br />

Somalië in strijd met artikel 3 EVRM was (en niet het<br />

verblijf zelf in dat veilig geachte deel). De Afdeling<br />

bestuursrechtspraak maakte dus een onderscheid tussen<br />

de situatie dat de uitzetting zelf in strijd zou zijn met<br />

artikel 3 EVRM (wel recht op asiel) en de situatie dat<br />

slechts de wijze van uitzetting in strijd zou zijn met artikel<br />

3 EVRM (geen recht op asiel).<br />

Dit onderscheid is dubieus. Immers, de wijze van uitzetting<br />

kan in strijd zijn met artikel 3 EVRM zonder dat de<br />

uitzetting zelf dat is, als er bijvoorbeeld excessief geweld<br />

wordt gebruikt om de uitzetting te realiseren. In het geval<br />

van Somalië daarentegen was het wel degelijk de uitzetting<br />

zelf die in strijd was met artikel 3 EVRM, en niet<br />

slechts de wijze van uitzetting. Het was immers niet wat<br />

er dreigde te gebeuren tijdens de uitzetting dat strijd met<br />

artikel 3 EVRM opleverde, maar wat er dreigde te gebeuren<br />

na de uitzetting, zodra de Somaliërs voet zouden<br />

zetten in hun land van herkomst.<br />

In een vergelijkbare context (nl. die van het binnenlands<br />

vluchtalternatief) bepaalt artikel 8 lid 1 Richtlijn<br />

2011/95 dat een afgewezen asielzoeker “op een veilige en<br />

wettige manier” moet kunnen “reizen naar en zich toegang<br />

verschaffen tot dat (veilige, TS) deel van het land”. 7 Het ligt<br />

voor de hand dit beginsel niet alleen toe te passen op de<br />

reis naar het veilige deel van het land van herkomst waar<br />

de vreemdeling oorspronkelijk niet vandaan komt, maar<br />

ook naar het deel waar hij oorspronkelijk wel vandaan<br />

komt. De Afdeling bestuursrechtspraak had dit in ieder<br />

geval niet anders kunnen beslissen zonder prejudiciële vragen<br />

te stellen aan het Hof van Justitie van de EU.<br />

Bovendien heeft de Afdeling recentelijk in vergelijkbare<br />

zaken een oordeel gegeven dat niet gemakkelijk in<br />

1672 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


overeenstemming te brengen is met de hier besproken<br />

jurisprudentie.<br />

1) In een uitspraak van 18 februari 2014<br />

(ECLI:NL:RVS:2014:627) over een ICC getuige die asiel<br />

vroeg in Nederland overwoog de Afdeling dat een<br />

vreemdeling als vluchteling moet worden aangemerkt<br />

als hij bij terugkeer naar het land van herkomst<br />

gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat uitzetting<br />

nog niet aan de orde zou zijn 8 staat daarmee niet in de<br />

weg aan erkenning als vluchteling. Hoewel deze redenering<br />

over het Vluchtelingenverdrag ging, zijn er<br />

sterke paralellen met artikel 3 EVRM. Ook daar is de<br />

redenering immers: verwijdering zou in strijd met artikel<br />

3 EVRM zijn, maar u wordt nu even niet verwijderd<br />

dus u heeft geen aanspraak op asiel ondanks het feit<br />

dat artikel 29 lid 1 onder b, ten tweede Vreemdelingenwet<br />

2000 in het voetspoor van Europees recht bepaalt<br />

dat een vreemdeling asiel krijgt als bij uitzetting een<br />

schending van artikel 3 EVRM dreigt. Deze redenering<br />

is door de Raad van State nu verworpen in de context<br />

van het Vluchtelingenverdrag. Maar de argumentatie<br />

van de Afdeling betreft niet alleen het Vluchtelingenverdrag,<br />

maar ook artikel 2 onder d jo. artikel 13 Definitierichtlijn.<br />

Daarom ligt het voor de hand hem mutatis<br />

mutandis ook toe te passen op de parallelle artikelen 2<br />

onder f jo. 18 Definitierichtlijn.<br />

2) In uitspraken van 24 april 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1578<br />

en ECLI:NL:RVS:2014:1522) had de staatssecretaris<br />

m.b.t. Eritrea een standpunt bepleit dat vrijwel identiek<br />

is aan zijn standpunt m.b.t. Somalië. Het standpunt van<br />

de staatssecretaris kwam er op neer dat weliswaar<br />

gedwongen verwijdering naar Eritrea zou leiden tot een<br />

reëel risico van behandeling in strijd met artikel 3<br />

EVRM, maar dat vrijwillige terugkeer niet een dergelijk<br />

risico met zich mee bracht. 9 Deze zaken zijn ter zitting<br />

behandeld, waarbij de Afdeling de staatssecretaris vooraf<br />

gevraagd had aan te geven hoe het standpunt dat<br />

uitzetting in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM, maar<br />

toch geen asiel werd verleend, verenigbaar was met de<br />

tekst van de Vreemdelingenwet 2000. 10 In haar uitspraken<br />

van 24 april 2014 kwam de Afdeling aan deze principiële<br />

kwestie niet toe, omdat zij het standpunt van de<br />

staatssecretaris m.b.t. feiten niet sterk genoeg vond. De<br />

Raad van State vond onvoldoende overtuigend dat bij<br />

vrijwillige terugkeer geen reëel risico bestond op een<br />

behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.<br />

Dus: in recente rechtspraak heeft de Raad van State het<br />

argument waarmee hij eerder Somaliërs asiel heeft onthouden<br />

verworpen in de context van het Vluchtelingenverdrag.<br />

En in de Eritrese uitspraken heeft hij de vraag of<br />

Bewoner Vluchthaven @ Ton Hendriks / Hollandse Hoogte<br />

de door haar in Somalische zaken gehanteerde constructie<br />

wel houdbaar is in de loop van de procedure op tafel<br />

gelegd, maar is hij er in de einduitspraak omheen gelopen.<br />

Het argument waarmee hij eerder Somaliërs asiel<br />

heeft onthouden is evident in strijd met tekst en strekking<br />

van artikel 29 lid 1 onder b, ten tweede Vw 2000 en<br />

de artikelen 2 onder f jo. 18 Definitierichtlijn. Als de<br />

Afdeling de constructie desondanks wil gebruiken, moet<br />

hij middels prejudiciële vragen worden voorgelegd aan<br />

het Hof van Justitie van de EU.<br />

Probleem bij rechtsherstel; twee oplossingen<br />

Je zou dus denken dat Somaliërs die nu opnieuw asiel vragen<br />

rechtsherstel kunnen krijgen. Maar inmiddels wordt<br />

de situatie in Mogadishu niet meer zo gevaarlijk gevonden<br />

als voorheen. Daarom kunnen Somaliërs nu wel weer<br />

uitgezet worden. 11 Omdat asielaanvragen worden beoordeeld<br />

naar het moment van de meest recente aanvraag,<br />

Auteur<br />

11449/07, Sufi en Elmi vs. Verenigd<br />

Koninkrijk; EHRM 5 september 2013 in het<br />

arrest K.A.B. vs. Zweden, nr. 886/11.<br />

7. Deze bepaling is een positivering van<br />

rechtsoverweging 141 van EHRM 7 januari<br />

2007, 1948/04, Salah Sheekh vs. Nederland,<br />

zodat de norm ook in de periode<br />

2010-2013 al gold.<br />

8. Het Internationaal Strafhof zou bezig zijn<br />

een veilig derde land voor de vreemdeling<br />

te vinden.<br />

9. Brief van de Staatsscretaris van VenJ aan<br />

de Raad van State d.d. 9 december 2013,<br />

Vluchtweb.<br />

10. Brief van de Raad van State aan I.J.M.<br />

Oomen d.d. 27 november 2013, Vluchtweb.<br />

11. De Afdeling bestuursrechtspraak accepteerde<br />

dit in ABRvS 23 mei 2013, JV<br />

2013/241<br />

1. Prof. mr. T.P. Spijkerboer is hoogleraar<br />

Migratierecht aan de Vrije Universiteit<br />

Amsterdam.<br />

4. ABRvS 17 juli 2012, JV 2012/JV<br />

2012/362.<br />

5. Aanhangsel TK 2011/12, 3263<br />

Noten<br />

2. ABRvS 26 januari 2010, JV 2010/78; en<br />

ABRvS 9 september 2010, JV 2010/406.<br />

6. ABRvS 21 februari 2014, JV 2014/126,<br />

in het voetspoor van ABRvS 9 juni 2011, JV<br />

2011/336.<br />

3. EHRM 28 juni 2011, nr. 8319/07 en<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1673


Praktijk<br />

Immers, de staatssecretaris vindt de gestelde verbetering<br />

van de situatie in Mogadishu nog te onzeker om al tot<br />

intrekking van reeds verleende asielvergunningen te kunnen<br />

overgaan. Maar omdat de staatssecretaris in weerwil<br />

van nationaal en Europees recht heeft nagelaten asiel te<br />

verlenen, zouden Somaliërs die het slachtoffer zijn geweest<br />

van deze inbreuk op hun subjectieve recht geen rechtsherstel<br />

kunnen krijgen. Het Nederlandse bestuursrecht voorziet<br />

niet in de mogelijkheid om hen in de situatie te brengen<br />

waarin zij geweest zouden zijn als de staatssecretaris<br />

en de Raad van State geen beslissingen hadden genomen<br />

die in strijd zijn met het nationale en het Europese recht.<br />

Hiervoor zijn twee oplossingen denkbaar. De eerste<br />

is dat de staatssecretaris het er niet op aan laat komen,<br />

en aan alle Somaliërs die zich tussen december 2010 en<br />

februari 2013 aantoonbaar in Nederland bevonden asiel<br />

verleent (behoudens weigeringsgronden zoals Dublin en<br />

openbare orde). 13 Hierdoor wordt rechtsherstel bewerkstelligd.<br />

Als de staatssecretaris daartoe niet bereid is, zal<br />

de rechter in de procedures die hier uit voortkomen op<br />

dit punt prejudiciële vragen moeten stellen aan het Hof<br />

van Justitie, met als kern de vraag of het effectiviteitsbeginsel<br />

er aan in de weg staat dat vreemdelingen worden<br />

onttrokken aan de bescherming van artikel 3.37e VV<br />

2000 en artikel 11 lid 2 Definitierichtlijn. Door deze constructie<br />

wordt hen rechtsherstel onthouden, en wordt<br />

(anders gezegd) de staatssecretaris beloond voor handelen<br />

in strijd met het recht.<br />

Bewoonster Vluchthaven @ Ton Hendriks / Hollandse Hoogte<br />

betekent dat dat Somaliërs die in de periode 2010-2013<br />

ten onrechte asiel is onthouden dat nu niet meer krijgen<br />

omdat die periode niet meer relevant is vanwege de actuele,<br />

veiliger geachte situatie in Mogadishu.<br />

Het schrijnende is dat de staatsecretaris de asielvergunningen<br />

die in die periode wel zijn verleend thans nog<br />

niet herbeoordeelt (en dus ook niet intrekt) omdat hij<br />

vindt dat de door hem geconstateerde verbetering van de<br />

situatie in Somalië nog onvoldoende ingrijpend en nietvoorbijaand<br />

is. 12 Intrekking is pas mogelijk als er sprake is<br />

van een verbetering van de situatie in Mogadishu die een<br />

“voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter” heeft<br />

(artikel 3.37e VV 2000, artikel 11 lid 2 Definitierichtlijn), en<br />

daarvan is ook volgens de staatssecretaris nog geen sprake.<br />

Dit leidt tot de volgende situatie. Als de staatssecretaris<br />

wel asiel had verleend aan Somaliërs in de periode<br />

2010-2013 omdat hun uitzetting (zoals de staatssecretaris<br />

en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State<br />

zelf vaststelden) hen had blootgesteld aan een reëel risico<br />

op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, dan hadden<br />

deze Somaliërs nu nog steeds een vergunning gehad.<br />

Een pragmatische overweging<br />

De staatssecretaris is er nog maar in twee gevallen in<br />

geslaagd om Somaliërs daadwerkelijk uit te zetten. 14 Eén<br />

van deze twee raakte drie dagen na zijn uitzetting in<br />

Mogadishu gewond bij een bomaanslag. 15 De Somalische<br />

autoriteiten weigeren nu, net als voorheen, medewerking.<br />

Vrijwillige terugkeer komt in enkele gevallen voor. 16 Maar<br />

de aantallen mensen die vrijwillig terugkeren zullen klein<br />

blijven. Het idee dat veel mensen vrijwillig terugkeren<br />

naar Somalië is, voor wie even stil staat bij wat dat betekent,<br />

irreëel en dus ongeschikt als uitgangspunt van<br />

beleid. Ondertussen worden Somaliërs door lokale<br />

gemeenschappen (kerken, krakers, medici, activisten) en<br />

lokale overheden opgevangen, met meer of minder openlijke<br />

steun van lokale autoriteiten (en in het geval van de<br />

Amsterdamse Vluchthaven zelfs van de staatssecretaris).<br />

Deze opvang verloopt door zijn incidentele karakter (het<br />

gaat immers om vreemdelingen die geen formeel verblijfsrecht<br />

hebben) chaotisch en is belastend, zowel voor<br />

de Somaliërs zelf als voor lokale gemeenschappen en<br />

overheden. Als de staatssecretaris zelf besluit over te gaan<br />

tot rechtsherstel, kunnen de daarvoor bestaande faciliteiten<br />

voor opvang en inburgering worden gebruikt. Dat zou<br />

een aanmerkelijke beperking opleveren van de lokale<br />

opvangproblematiek.<br />

12. Vc 2000, C7/23.4.1.<br />

13. Op het eerste gezicht lijkt het voor de<br />

hand te liggen asielverlening te beperken<br />

tot Somaliërs die in deze periode in procedure<br />

waren. Dat zou echter onzuiver zijn<br />

omdat, als de staatssecretaris in deze periode<br />

wel in overeenkomst met het geldend<br />

recht asiel had verleend, ook Somaliërs die<br />

wel in Nederland waren maar die niet in<br />

procedure waren, asiel zouden hebben<br />

aangevraagd in de wetenschap dat ze dat<br />

ook hadden gekregen. Dat hebben velen nu<br />

niet gedaan, omdat een herhaalde aanvraag<br />

zinloos was omdat de staatssecretaris zich<br />

niet aan het geldend recht hield.<br />

14. Eén op 16 september en één op 5<br />

november 2013.<br />

15. Amnesty International, 29 november<br />

2013.<br />

16. Aanhangsel Handelingen 2013/14,<br />

900.<br />

1674 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Wetenschap 1227<br />

Sancties zonder<br />

houdbaarheidsdatum<br />

Reactie op ‘Belangrijke beperkingen van de gerechtelijke<br />

onderzoekmethode’<br />

Wiene van Hattum 1<br />

Gedragskundige rapportage die onder druk van de naderende terechtzitting tot stand komt, kent vaak<br />

zodanige beperkingen, is vaak dermate onvoldoende uitgewerkt en prematuur en kent zo’n foutmarge dat het<br />

de strafrechter voor de ‘onmogelijke taak’ stelt om - indien het feit bewezen is - de juiste keuze te maken tussen<br />

langdurige gevangenisstraf en TBS. Om tot een betere straftoemeting te komen, bepleitten de hoogleraren<br />

Anton Loonen (farmacologie), Peter van Panhuis (forensische psychiatrie), en Ronald Meester (wiskunde) in<br />

een eerder dit jaar in het <strong>NJB</strong> verschenen artikel een aantal veranderingen in het strafproces. Maar de oplossing<br />

voor de door de auteurs vastgestelde problemen bij de straftoemeting moeten niet worden gezocht in de<br />

heropening van onherroepelijke einduitspraken. Dat is in strijd met de rechtszekerheid. Ook bestaat er geen<br />

aanleiding de vaststelling van de mate van schuld, in casu de toerekening, anders vorm te geven dan nu het<br />

geval is. Hoe dan het gesignaleerde probleem van de foutmarge in de straftoemeting aan te pakken<br />

Gedragskundige rapportage die onder druk van de<br />

naderende terechtzitting tot stand komt, kent<br />

vaak zodanige beperkingen, is vaak dermate<br />

onvoldoende uitgewerkt en prematuur en kent zo’n foutmarge<br />

dat het de strafrechter voor de ‘onmogelijke taak’<br />

stelt om - indien het feit bewezen is - de juiste keuze te<br />

maken tussen langdurige gevangenisstraf en TBS. Dat is<br />

de boodschap van de hoogleraren Anton Loonen (farmacologie),<br />

Peter van Panhuis (forensische psychiatrie), en<br />

Ronald Meester (wiskunde) in hun artikel ‘Belangrijke<br />

beperkingen van de gerechtelijke onderzoekmethode’ in<br />

het <strong>NJB</strong>, aflevering 14, van dit jaar. 2<br />

Om tot een betere straftoemeting te komen, bepleiten<br />

zij drie veranderingen in het strafproces. Ten eerste<br />

zouden procedures ‘makkelijker heropend’ moeten kunnen<br />

worden, ten tweede zou de huidige wijze van toerekening<br />

moeten worden vervangen door één op basis van de<br />

in de medische wetenschap gehanteerde differentiële<br />

diagnostiek die gebaseerd is op kansberekening. Op deze<br />

twee voorstellen zal ik hieronder ingaan. De derde verandering<br />

die de auteurs voorstellen ziet op de wijziging van<br />

de juridische bewijsconstructie van opzet. Dit voorstel is<br />

gebaseerd op een opvatting over opzet en vrije wil (‘Het is<br />

vanzelfsprekend dat van opzet geen sprake kan zijn wanneer<br />

een persoon niet over een vrije wil beschikt’, p. 905,<br />

l.k.), die door de auteurs niet wordt onderbouwd en die<br />

overigens ook niet gedeeld wordt in de literatuur. Ik verwijs<br />

naar het proefschrift van A.A. van Dijk en de door<br />

hem geciteerde auteurs Arenella, Morse en Moore die er<br />

allen van uit gaan dat opzet en toerekening te onderscheiden<br />

begrippen zijn. 3 Tevens berust hun kritiek op de<br />

opzetleer van de Hoge Raad op een misvatting, dan wel<br />

een verkeerd begrip van het strafprocessuele model. 4 Dit<br />

derde punt zal ik daarom verder onbesproken laten.<br />

Auteur<br />

Noten<br />

2. A.J.M. Loonen, P.J.A. van Panhuis en<br />

R.W.J. Meester, ‘Belangrijke beperkingen<br />

van de gerechtelijke onderzoekmethode’,<br />

<strong>NJB</strong> 2014/721, afl. 14, p. 902-908.<br />

lijkheid heroverwogen. Over opzet, schuld,<br />

schulduitsluitingsgronden en straf (diss. c.l.<br />

Groningen), Maklu-Uitgevers: Apeldoorn/<br />

Antwerpen 2008, i.h.b. p. 298.<br />

4. Met het bewezen verklaren van opzet<br />

wordt nog niets ‘aangerekend’, zoals de<br />

auteurs betogen, p. 905, l.k.<br />

1. Mr. dr. W.F. van Hattum is universitair<br />

docent straf(proces)recht aan de Rijksuniversitieit<br />

Groningen en voorzitter van het<br />

Forum humane tenuitvoerlegging levenslange<br />

gevangenisstraf.<br />

3. A.A. van Dijk, Strafrechtelijk aansprake-<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1675


Wetenschap<br />

Aanleiding voor het artikel vormt de Baflose asielzoekerzaak.<br />

5 Loonen en nog een deskundige hebben in<br />

deze zaak naar voren gebracht, aldus het vonnis, dat de<br />

mogelijkheid bestaat dat de afbouw van het gebruik van<br />

het geneesmiddel Paroxetine ‘mogelijk als één van meerdere<br />

factoren bijgedragen zou kunnen hebben aan de<br />

gemoedstoestand van de verdachte in die zin dat hij<br />

daardoor minder stabiel zou kunnen zijn geweest.’ De<br />

rechtbank merkt vervolgens op dat de deskundigen niet<br />

kunnen zeggen ‘(o)f er daadwerkelijk invloed is geweest<br />

van de afbouw van Paroxetine op de stabiliteit van de verdachte’.<br />

‘Onder deze omstandigheden’, vervolgt de Rechtbank,<br />

kan zij ‘dan ook geen rekening houden met de theoretisch<br />

mogelijke gevolgen van de afbouw van Paroxetine’.<br />

Loonen c.s. leiden hieruit af dat de rechter alleen bij grote<br />

zekerheid rekening wil houden met door deskundigen<br />

aangedragen gegevens. Hierover straks meer, eerst ga ik in<br />

op de gesignaleerde kans op onjuiste straftoemeting.<br />

Het punt dat de auteurs hier aansnijden is niet onbelangrijk<br />

en strafrechtjuristen niet onbekend. 6 Het bestaan<br />

van een niet onderkende stoornis bij een gedetineerde in<br />

een penitentiaire inrichting kan levensgevaarlijk zijn. Ik<br />

breng in herinnering dat in 2003 in De Marwei een vrouwelijk<br />

teamlid door een gedetineerde met een beitel werd<br />

gedood. Hij was met haar alleen gelaten op ‘de crea’. Als<br />

gevolg van onbekendheid met de werkelijke psychische<br />

gesteldheid van de man - die overigens daar was geplaatst<br />

in afwachting van zijn overplaatsing naar een TBS-kliniek<br />

- had niemand van het personeel het gevaar gezien. De<br />

oplegging van de TBS was kennelijk juist geweest, de<br />

plaatsing in een gewone gevangenis niet. 7<br />

Ook wil ik wijzen op een casus waarin aan de verdachte<br />

wegens een dubbele moord en drie verkrachtingen<br />

een levenslange straf was opgelegd, zowel in eerste als in<br />

tweede instantie. Wegens een motiveringsgebrek in de<br />

bewezenverklaring van één van die verkrachtingen wees<br />

de Hoge Raad de zaak terug naar hetzelfde hof. 8 Daar<br />

kwam de zaak na drie en een half jaar terug. Het hof zag<br />

ditmaal af van ‘levenslang’ en legde in plaats daarvan een<br />

straf op van twintig jaar en TBS; 9 de deskundigen hadden<br />

inmiddels meer fiducie gekregen in de mogelijkheid van<br />

behandeling van de verdachte. Het gewijzigde inzicht in<br />

de straftoemeting was in dit geval dus ‘te danken’ aan het<br />

toeval dat het jaren had geduurd voordat de zaak weer bij<br />

de feitenrechter terugkwam. Het hoeft geen betoog dat in<br />

de huidige tijd ‘twintig jaar en TBS’ de verdachte meer perspectief<br />

biedt op invrijheidstelling dan de levenslange<br />

straf, een straf waarin ‘geen interventies mogen plaats<br />

vinden die zijn gericht op een succesvolle voorbereiding<br />

van de terugkeer in de samenleving’. 10<br />

Een derde voorbeeld is de oplegging van de levenslange<br />

gevangenisstraf aan ‘de schutter van het Koetsiertje’<br />

(zes doden, Delft 1983). Deze straf was - en is nog steeds -<br />

(mede) gebaseerd op het oordeel dat een terbeschikkingstelling<br />

van de regering (toen) gemiddeld vier jaar duurde<br />

en de rechtbank het niet aanvaardbaar achtte dat de verdachte<br />

‘na betrekkelijke korte tijd weer in de maatschappij<br />

zou terugkeren’. Een lange gevangenisstraf met TBR werd<br />

volgens de rechtbank ‘over het algemeen weinig zinvol<br />

geacht’. 11 Zestien jaar later werd ánders geoordeeld en<br />

werd de man alsnog overgebracht naar een behandelkliniek<br />

waar - na achttien jaar - aan zijn behandeling kon<br />

worden begonnen. 12<br />

Een voorbeeld van een onterecht opgelegde TBS<br />

kwam in 2009 aan het licht toen de Rechtbank Breda oordeelde<br />

dat er ten tijde van het delict toch niet sprake was<br />

geweest van een stoornis. 13 De man had inmiddels vijftien<br />

jaar in een behandelkliniek doorgebracht. Zo zijn er mogelijk<br />

meer gevallen van onjuiste inschatting van de geestelijke<br />

gesteldheid van de dader ten tijde van het delict. 14 Om<br />

redenen die de auteurs noemen is dit ongewenst. Onjuiste<br />

straftoemeting komt bovendien in strijd met artikel 5<br />

EVRM, het verbod van willekeurige vrijheidsbeneming 15 en<br />

kan zelfs schending van artikel 3 EVRM opleveren, het verbod<br />

van inhumane behandeling of bestraffing. 16<br />

Een oplossing voor deze problematiek binnen de structuur<br />

van het strafproces is niet eenvoudig. De rapporteurs<br />

sneller bedienen opdat zij meer tijd krijgen voor hun rapportage<br />

is kennelijk niet voldoende. Het komt volgens de<br />

auteurs regelmatig voor dat een diagnose ‘na het volgen<br />

van een beloop van een half jaar of langer’ althans na<br />

‘vele maanden’ moet worden bijgesteld (p. 902, r.k.). Waar<br />

deze termijnen wellicht nog kunnen worden ondervangen<br />

door de duur van het strafproces (twee instanties doorlopen<br />

duurt al snel meer dan een jaar) geldt dit niet voor<br />

situaties waarin nog meer tijd nodig is. Volgens de<br />

auteurs wordt de problematiek namelijk ook ‘regelmatig<br />

teruggezien’ bij de zesjaarlijkse onafhankelijke rapportage<br />

of nadat een patiënt in de kliniek is geplaatst. Dat betekent<br />

dat er jaren overheen kunnen gaan voordat er helderheid<br />

ontstaat omtrent het ziektebeeld (zoals in het<br />

geval van de schutter van het Koetsiertje). Zolang kan het<br />

strafproces niet wachten. Vandaar het pleidooi van de<br />

auteurs voor verruiming van de mogelijkheden van heropening<br />

van definitief geworden veroordelingen.<br />

Maar stellen wij ons dat eens voor: de TBS-maatregel<br />

na vele jaren in gevangenisstraf wijzigen. Dit komt in<br />

strijd met artikel 6 EVRM, de eis dat bij the determination<br />

of the charge, de rechter de straf vaststelt. 17 Of een vaste<br />

tijdelijke gevangenisstraf na jaren wijzigen in een TBS: dat<br />

berooft de veroordeelde van zijn perspectief op invrijheidstelling<br />

en komt in strijd met artikel 5 en/of 7 EVRM, de<br />

eis van voorzienbaarheid 18 en rechtszekerheid. 19 Juist in<br />

verband met deze rechtszekerheid zijn de mogelijkheden<br />

van wijziging beperkt en in beginsel alleen toegelaten<br />

indien die in het voordeel van de veroordeelde uitpakt.<br />

Het Nederlandse strafproces kent dan ook slechts twee<br />

middelen om de tenuitvoerlegging open te breken: het<br />

instituut van gratie en het bijzonder rechtsmiddel van<br />

herziening. Gratie wordt beschouwd als een gunst en is in<br />

beginsel dus niet geschikt om de tenuitvoerlegging bij te<br />

sturen. 20 Herziening kan alleen plaatsvinden - althans in<br />

de gevallen waar het hier om draait - indien de nieuwe<br />

Juist in verband met de<br />

rechtszekerheid zijn de<br />

mogelijkheden van wijziging<br />

beperkt<br />

1676 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Gespräch under Gelehrten © die Kleinert / Alamy<br />

5. Rb Noord-Nederland, 5 maart 2013,<br />

bord/16297770/herdenken-gewelddadige-<br />

is de strafmotivering overgenomen,<br />

gen (tariff) moet door de rechter worden<br />

ELCI:NL:RBNNE:2013:BZ3265. In deze zaak<br />

dood-van-collega-carien-hofman, geraad-<br />

Gerechtshof Den Haag, 15 oktober 1984,<br />

bepaald bij oplegging van de straf, en niet<br />

stond de verdachte terecht wegens het<br />

pleegd op 31 mei 2014.<br />

ECLI:NL:GHSGR:1984:1.<br />

pas na jaren door de secretary of state<br />

doden van zijn vriendin en van een politie-<br />

8. HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:BA9177.<br />

12. Rb Den Haag 28 april 2014,<br />

(EHRM 12 juni 2003, Easterbrook vs. VK).<br />

agent en pogingen nog anderen om het<br />

9. Gerechtshof ’s-Gravenhage 25 juni 2008,<br />

ECLI:NL:RBDHA:2014:5216.<br />

18. EHRM 17 december 2012 (M. vs.<br />

leven te brengen. De zaak is nog in hoger<br />

parketnummer 09-757123-4 (M.H.). Niet<br />

13. Rb Breda 20 maart 2009,<br />

Duitsland).<br />

beroep.<br />

gepubliceerd.<br />

ECLI:NL:RBBRE:2009:BH7053.<br />

19. De intrinsieke aard van de sanctie mag<br />

6. Zie bijvoorbeeld T. de Bont en S. Meijer,<br />

10. Brief van de Minister van Justitie Hirsch<br />

14. Zie bijvoorbeeld de klachten wegens ten<br />

niet met terugwerkende kracht worden<br />

‘Hoe te reageren op de allerergste misda-<br />

Ballin en Staatssecretaris van Justitie Albay-<br />

onrechte opgelegde TBS in: HR 13 juli<br />

gewijzigd, EHRM 17 december 2012, par.<br />

den. Over de rol van vergelding en beveili-<br />

rak, ‘Gratieprocedure en tenuitvoerlegging<br />

2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1023 en HR 12<br />

135 (M. vs. Duitsland) en EHRM 21 okto-<br />

ging bij de levenslange gevangenisstraf’, in:<br />

levenslange gevangenisstraf’, Kamerstukken<br />

juni 2007; ECLI:NL:HR:2007:BA6851.<br />

ber 2013 (Del Rio Prada vs. Spanje).<br />

J. Ouwerkerk e.a (red.), Hoe te reageren op<br />

II 2009/10, 32123 VI, nr. 10, o.m. bespro-<br />

15. EHRM 18 september 2012 (James,<br />

20. Tenzij het gaat om een levenslange<br />

misdaad. Op zoek naar de hedendaagse<br />

ken in: W.F. van Hattum, ‘Levenslang ‘post<br />

Wells and Lee vs.VK), par. 187-195.<br />

straf, zie W.F. van Hattum, ‘In de daad een<br />

betekenis van preventie, vergelding en<br />

Vinter’’, <strong>NJB</strong> 2013/1775, afl. 29, p. 1956-<br />

16. EHRM (GK) 9 juli 2013,Vinter e.a. vs.<br />

mens. De gratieprocedure levenslangge-<br />

herstel, Den Haag: SDU Uitgevers 2013, p.<br />

1964, i.h.b. p. 1961 l.k.<br />

VK, i.h.b. par. 83.<br />

straften: departementaal beleid en magis-<br />

119-130, i.h.b. 127.<br />

11. Rb Den Haag 13 maart 1984, parketnr.<br />

17. De minimale termijn die een levenslang-<br />

tratelijk toezicht, vroeger en nu’, DD 2009,<br />

7. http://gevangenis.startpagina.nl/prik-<br />

09.909.904.3 (niet gepubliceerd). In beroep<br />

gestrafte in de gevangenis moet doorbren-<br />

afl. 4, p. 325-352.<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1677


Wetenschap<br />

omstandigheid - indien die bij de stafoplegging aan de<br />

rechter bekend zou zijn geweest - zou hebben geleid tot<br />

‘eene minder zware strafbepaling’ (art. 457-1c Sv). Daaronder<br />

moet volgens vaste jurisprudentie worden verstaan<br />

‘een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt’ en<br />

dus niet de oplegging van een minder zware, of andere<br />

sanctie. 21 De huidige herzieningsregeling biedt derhalve<br />

geen uitkomst 22 en dat lijkt mij, met het oog op de rechtszekerheid,<br />

maar goed ook. Dat betekent dat wijziging<br />

alleen kan plaats hebben binnen de wijze van tenuitvoerlegging.<br />

Voorbeelden daarvan zijn de opname van een tot<br />

gevangenisstraf veroordeelde in een TBS-kliniek indien<br />

blijkt van een al bestaande of later ontstane geestelijke<br />

stoornis, en de niet-verlenging van een opgelegde TBS<br />

zodra de stoornis niet (meer) aanwezig blijkt te zijn.<br />

Om het aantal ‘fout’ opgelegde sancties terug te<br />

brengen is overigens nog winst is te behalen in het vooronderzoek.<br />

Aanhakend bij de situatie die voor de auteurs<br />

aanleiding was hun verontrusting te uiten, namelijk<br />

zaken waarin het gebruik of de afbouw van geneesmiddelen<br />

mogelijk een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming<br />

van het delict, kan gedacht worden aan een<br />

protocol op basis waarvan in alle gevallen van verdenking<br />

In de ons omringende landen zien<br />

we wel sancties die meer zijn<br />

toegesneden op de niet geheel<br />

duidelijke beginsituatie<br />

van een levensdelict bij de verdachte én bij het slachtoffer<br />

bloed- en maagmonsters worden genomen. Dan staan de<br />

feiten omtrent eventueel gebruik van medicijnen, alcohol<br />

en andere drugs, in elk geval (beter) vast. 23<br />

In de tweede plaats zou in geval van twijfel aan de<br />

(mate van) schuld, zoals in onderhavige zaak, eerder<br />

gedacht kunnen worden aan de oplegging van een combinatievonnis,<br />

dus gevangenisstraf en TBS. Snelle overplaatsing<br />

van gevangenis naar behandelkliniek is dan iets<br />

eenvoudiger. Bedacht moet echter worden dat de straffen<br />

tegenwoordig zwaar zijn, tijdens de behandeling álle risico’s<br />

op herhaling worden uitgesloten, de Fokkensregeling<br />

is afgeschaft 24 en in plaats daarvan slachtoffers een stem<br />

hebben gekregen in het moment van overplaatsing de<br />

TBS. 25 Onder deze omstandigheden kan de TBS lang duren.<br />

Heel aanlokkelijk is het combinatievonnis voor verdachten<br />

die toerekeningsvatbaar worden geacht, zoals de<br />

Baflose asielzoeker, dus niet. Complicerend in die zaak is<br />

bovendien het beleid dat aan vreemdelingen zonder verblijfspapieren<br />

verlof wordt onthouden. 26 Daarmee wordt<br />

hun behandeling onmogelijk gemaakt en is een zeer langdurig<br />

verblijf in de TBS verzekerd, tenzij er genoegzame<br />

opvang in het land van herkomst wordt gevonden, iets<br />

wat in de Baflose zaak niet direct aannemelijk lijkt.<br />

Kijken we buiten de bestaande mogelijkheden, dan<br />

zien we in de ons omringende landen wel sancties die<br />

meer zijn toegesneden op de niet geheel duidelijke beginsituatie.<br />

Te denken valt aan het Engelse tariff-systeem in<br />

geval van oplegging van een levenslange straf. De rechter<br />

splitst de straf in een vergeldend en een beveiligend deel.<br />

Het vergeldend deel, de tariff, ligt vast; de duur van het<br />

beveiligend deel is afhankelijk van de mate waarin de veroordeelde<br />

nog een gevaar vormt voor de samenleving. 27<br />

Het verschil met het Nederlandse combinatievonnis<br />

(gevangenisstraf en TBS) is, dat de stoornis ten tijde van<br />

het delict en de gevaarlijkheid voor de toekomst niet al bij<br />

oplegging hoeven te zijn vastgesteld, maar pas tijdens de<br />

tenuitvoerlegging van het vergeldende deel. Een enigszins<br />

vergelijkbaar model is de met maatregel verlengbare straf,<br />

zoals ooit door Rijksen ontvouwd. 28<br />

Een heroverweging van ons sanctiesysteem met<br />

betrekking tot langdurige opsluiting van daders van zeer<br />

ernstige geweldsdelicten lijkt op haar plaats. 29 Niet alleen<br />

het gesignaleerde probleem van de ‘onjuiste’ straftoemeting<br />

maar ook de kritiek op de tenuitvoerlegging van de<br />

levenslange straf 30 vormen daartoe aanleiding. Maar ik<br />

merk alvast op dat welk model men ook zal kiezen, vonnissen<br />

in zaken als de Baflose geen houdbaarheidsdatum<br />

hebben. De uitkomst van toekomstig gedragskundig<br />

onderzoek is immers niet te voorspellen en de mate van<br />

schuld blijft dus een onzekere factor. De conclusie moet<br />

zijn dat het met het onherroepelijk worden van het vonnis<br />

niet is afgelopen en de beoordeling van de juiste<br />

straftoemeting dus een vervolg moet krijgen in de tenuitvoerlegging.<br />

Als eerste stap op weg naar verbetering zou<br />

de vroegere Volgprocedure weer in het leven geroepen<br />

kunnen worden, een procedure waarin met regelmatige<br />

tussenpozen (levens)langgestraften worden onderzocht op<br />

de mogelijkheid van hun resocialiseerbaarheid. 31<br />

Nu het tweede punt, de vaststelling van de mate van toerekenbaarheid.<br />

Zoals ik hiervoor heb geopperd zou de<br />

lezer na bestudering van het vonnis tot de conclusie kunnen<br />

komen dat de rechter alleen met het bestaan van een<br />

schuldverminderende omstandigheid rekening wil houden<br />

indien hij over het bestaan van die grond (vrijwel)<br />

absolute zekerheid heeft gekregen. Zo begrijpen de<br />

auteurs het vonnis ook. Omdat zij dit een te zware eis vinden,<br />

bepleiten zij een andere ‘bewijsvoering’ van de toerekening.<br />

Zij leggen hieraan de stelling ten grondslag dat<br />

ook toerekening een vorm van waarheidsvinding is, ‘(h)et<br />

gaat er immers om zich een goed beeld te verwerven over<br />

de waarheid wat betreft de rol van eventuele pathologie’<br />

(p. 905, r.k.).<br />

Hoewel strafrechtjuristen hier niet spreken van ‘waarheidsvinding’<br />

bestaat over de noodzaak om zo dicht mogelijk<br />

bij ‘de waarheid’ te komen geen verschil van mening.<br />

Ook juristen zullen onmiddellijk beamen dat het belangrijk<br />

is dat de rechter zich een zo precies mogelijk beeld<br />

vormt van de geestelijke gezondheid van de verdachte tijdens<br />

het plegen van het delict. Anders dan de auteurs beredeneren,<br />

doét de rechter dit ook, 32 en wel aan de hand van<br />

de vraag ‘wat aannemelijk is geworden’. Hiertoe laat hij zich<br />

in het algemeen voorlichten door één of meer gedragskundigen.<br />

Indien die oordeelt dat er geen sprake is van enige<br />

schuld, bijvoorbeeld veroorzaakt door een psychose, en de<br />

rechter de deskundige deskundig acht, dan zal hij diens<br />

oordeel overnemen ‘omdat het ontbreken van de schuld<br />

1678 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


aannemelijk is geworden’. Dan zal hij de verdachte ontslaan<br />

van alle rechtsvervolging. Aan ons recht ligt immers het<br />

beginsel ‘geen straf zonder schuld´ ten grondslag. Onder<br />

omstandigheden kan hij in dat geval nog wel de maatregel<br />

TBS of plaatsing in een APZ bevelen.<br />

Indien de schuld verminderd aanwezig is, ligt de<br />

straftoemeting gecompliceerder. De rechter kan dan straf<br />

opleggen en heeft daarbij een zeer grote marge. Hij is<br />

slechts gebonden aan het algemene minimum (een dag)<br />

en het bijzondere maximum (bij moord is dit dertig jaar<br />

of levenslang). Daartussen is hij vrij. 33 De rechter kan kiezen<br />

voor een lagere of een hogere straf, of voor TBS en<br />

daarbij geheel afzien van straf (mits aan de voorwaarden<br />

van artikel 37a Sr is voldaan), of voor een combinatie van<br />

beide sancties. De maatstaf die hij daarbij hanteert is ‘de<br />

aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden<br />

waaronder het is begaan en de persoon van de<br />

verdachte, een en ander zoals ter zitting is gebleken’. Hij<br />

neemt dus ook eventuele verklaringen van gedragskundigen<br />

in aanmerking.<br />

Keren we terug naar de aanleiding voor het artikel, de<br />

Baflose zaak, dan moet worden geconstateerd dat de<br />

rechtbank zich door vijf deskundigen heeft laten voorlichten<br />

en dat zij zich door het rapport van twee van hen, beiden<br />

verbonden zijn aan het PBC, heeft laten overtuigen,<br />

kennelijk omdat zij deze deskundigen het meest deskundig<br />

acht. De rechtbank rekende de verdachte de feiten op<br />

basis van dit rapport volledig toe; er was met andere<br />

woorden naar het oordeel van het PBC en van de rechtbank<br />

geen verminderde mate van schuld. Dat oordeel lijkt<br />

een doorn in het oog van de auteurs. Volgens de auteurs<br />

was er sprake van ‘een man met recidiverende psychosen<br />

die daarvoor langdurig onder behandeling was van een<br />

ambulant werkend zogenoemd FACT-team van een instelling<br />

voor Geestelijke Gezondheidszorg ’ (p. 903 r.k.). Uit<br />

het vonnis blijkt dat de man onder behandeling stond van<br />

een psychiater, dat hij in de loop van de asielprocedure<br />

gediagnosticeerd was met PTSS vanwege traumatische<br />

gebeurtenissen in zijn jeugd en hij bezig was het in verband<br />

met die stoornis voorgeschreven gebruik van Haldol,<br />

en later Seroquel, af te bouwen. Onder de deskundigenverklaringen<br />

bevond zich ook het rapport van een forensisch<br />

psychiater die stelde dat het delict zulke trekken vertoonde<br />

dat er wel sprake moest zijn geweest van een psychose,<br />

ofwel, dat de man volledig ontoerekeningsvatbaar was<br />

geweest tijdens zijn daad. Het oordeel van deze deskundige<br />

volgde de rechtbank niet.<br />

Het lijkt de auteurs te verbazen dat deze gegevens bij<br />

elkaar niet genoeg waren om verminderde toerekening of<br />

misschien zelfs ontoerekeningsvatbaarheid aan te nemen.<br />

Zij wraken in elk geval de redenering die de rechter bij het<br />

aannemen van volledige toerekening hanteert, namelijk<br />

die van een afzonderlijke afweging - i.c. verwerping - van<br />

de bruikbaarheid van het overige materiaal. Zij betogen<br />

dat de rechter de verschillende gegevens bij elkaar zou<br />

moeten nemen. Daarbij zou als uitgangspunt moeten gelden<br />

dat statistisch gezien degene die een levensdelict<br />

pleegt een verhoogde kans op de aanwezigheid van een<br />

stoornis heeft. De statistische benadering zou een realistischer<br />

benadering van de toerekening geven, zo begrijp ik<br />

de auteurs, en ik voeg er aan toe: realistischer dus dan op<br />

basis van het rapport van het PBC.<br />

Allereerst merk ik op dat de kritiek van Loonen c.s.<br />

zich in feite richt op de deskundigen van het PBC (die<br />

immers de werking van toxische stoffen in hun rapportage<br />

kunnen verdisconteren en dit hier kennelijk in de ogen<br />

van de auteurs niet of te weinig hebben gedaan). Ten<br />

tweede zij aangetekend dat volgens het PBC de verdachte<br />

in het verleden niet bekend was met psychoses; dat is dus<br />

een ander feitelijk uitgangspunt dan de auteurs hebben<br />

ingenomen. Deze feitelijke vaststelling heeft de rechtbank<br />

uit het rapport van het PBC overgenomen. De auteurs verschillen<br />

dus met de rechtbank en met het PBC op een<br />

21. Deze voorwaarde is niet gewijzigd ter<br />

gelegenheid van de wetswijziging van 1<br />

oktober 2012, hierover: Kamerstukken II,<br />

32045, 3, 2008-09, p. 8 en 9.<br />

22. Herziening ten nadele, ingevoerd op 1<br />

oktober 2013, is niet aan de orde omdat<br />

het hier geen vrijspraken betreft of vonnissen<br />

tot stand gekomen door omkoping van<br />

de rechter, art. 482a leden 1 en 2 Sv.<br />

23. Momenteel is een wetsvoorstel in<br />

behandeling ‘in verband met het terugdringen<br />

van geweld onder invloed van middelen’,<br />

Kamerstukken II 33799, 2013/14. Het<br />

wil de verdachte van een geweldsdelict<br />

verplichten mee te werken aan een onderzoek<br />

naar het gebruik van alcohol of andere<br />

drugs met als doel de vaststelling van middelengebruik<br />

als zelfstandige strafverhogende<br />

factor bij de strafeis te kunnen betrekken.<br />

Dit wetsvoorstel zou zo kunnen<br />

worden omgebogen dat de politie in alle<br />

gevallen van ernstig geweld verplicht wordt<br />

om ten behoeve van de waarheidsvinding<br />

zo spoedig mogelijk na ontdekking van het<br />

misdrijf en de aanhouding van de verdachte<br />

direct een onderzoek in te stellen naar diens<br />

eventuele middelengebruik.<br />

24. De Fokkensregeling hield in dat een<br />

veroordeelde met een combinatievonnis in<br />

beginsel na een derde van zijn straf in aanmerking<br />

kwam voor overplaatsing naar een<br />

TBS-kliniek.<br />

25. BC 3 mei 2012, 11/3312/TR.<br />

26. Art. 2 lid 6 onder a Verlofregeling TBS,<br />

24 december 2010. In samenhang hiermee<br />

wordt in de ‘Aanwijzing TBS bij vreemdelingen’<br />

(2010A019) het OM aanbevolen<br />

tegen ongewenst verklaarde vreemdelingen<br />

geen TBS te vorderen.<br />

27. In 2005 heeft Engeland daarnaast, voor<br />

plegers van iets lichtere geweldsdelicten, de<br />

‘indeterminate sentences for the public<br />

protection (IPP sentences) ingevoerd. Zie<br />

voor een korte beschrijving EHRM 18 september<br />

2012 (James Wells and Lee vs. VK),<br />

par. 6 en par. 124-142.<br />

28. R. Rijksen, Vijf jaar tot levenslang.<br />

Langgestraften in de gevangenis te Breda.<br />

Alphen aan de Rijn: Samson 1967, p. 149<br />

e.v.<br />

29. Een nieuw model van een aan de<br />

omstandigheden aanpasbare sanctie is<br />

opgenomen in het wetsvoorstel ‘langdurig<br />

toezicht, gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking’.<br />

Het richt zich in het bijzonder<br />

op zedendelinquenten. De tenuitvoerlegging<br />

van een opgelegde maatregel van<br />

toezicht is afhankelijk van de situatie op het<br />

moment dat de straf is ondergaan of de TBS<br />

wordt beëindigd. Een dergelijke onzekerheid<br />

lijkt toegelaten, omdat al op het<br />

moment van oplegging bekend is dat de<br />

maatregel van (levenslang) toezicht de<br />

veroordeelde boven het hoofd hangt. Vgl.<br />

de nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II,<br />

33816, 2013-14, 6, p. 20.<br />

30. J. Claessen en S. Meijer, ‘De levenslange<br />

gevangenisstraf: hoe lang nog’ Redactioneel<br />

NBSr, 2013, afl. 10.<br />

31. Zie over deze vroegere Volgprocedure<br />

punt 3 van de nota ‘Zorg behandeling en<br />

perspectief, de volgprocedure levenslanggestraften’,<br />

juni 2012, www.forumlevenslang.<br />

nl, onder ‘nieuws’(geraadpleegd 16 juni<br />

2014).<br />

32. De auteurs hebben slechts in zoverre<br />

gelijk dat zolang er geen verweer wordt<br />

gevoerd op dit punt, en het dossier of de<br />

verdachte geen aanleiding geven om te<br />

veronderstellen dat er met de toerekening<br />

iets loos is, de rechter uitgaat van de vrije<br />

wil.<br />

33. Zelfs bestaat er volgens de HR geen<br />

regel die de rechter verbiedt hoger te straffen<br />

dan de mate van schuld (HR 24 juli<br />

1967, NJ 1969, 63 (Amok op de Antillen).<br />

In de praktijk past de rechter de regel echter<br />

wel toe, al is dat niet steeds even consistent,<br />

J. Claessen en D. de Vocht, ‘Straf naar<br />

de mate van schuld’, DD 2012, 63.<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1679


Wetenschap<br />

cruciaal en feitelijk onderdeel van mening. Dat vertroebelt<br />

de discussie en wel zodanig dat toepassing van<br />

kansberekening daarom al niet voor de hand ligt.<br />

Er bestaat echter ook een fundamenteel bezwaar<br />

tegen toepassing van kansberekening zoals door Loonen<br />

c.s. voorgesteld. Dat bezwaar is gebaseerd op het juridische<br />

principe dat de rechter niet alle gegevens die voorhanden<br />

zijn, mag gebruiken. Hij wordt in zijn keuze<br />

beperkt door normatieve regels. Zo moet hij een verklaring<br />

die is verkregen met ernstige schending van de wet<br />

soms terzijde leggen, ook al is de inhoud ervan wellicht<br />

nog zo betrouwbaar. Denk aan een verklaring onder folter<br />

verkregen of met voorbijgaan aan andere grondrechten.<br />

En ook indien de kans negentig procent is dat deze verdachte<br />

het feit heeft gepleegd omdat hij behoort tot een<br />

groep van wie 90 procent dit soort delicten pleegt, dan<br />

nog moet de rechter dat gegeven terzijde laten omdat het<br />

niet bruikbaar is voor de vaststelling dat déze verdachte<br />

het feit heeft begaan. 34 Statistiek zou in dit geval leiden<br />

tot discriminatie. Hetzelfde uitgangspunt heeft te gelden<br />

voor de vraag naar de mate van toerekening. De rechter<br />

Statistiek zou in dit geval<br />

leiden tot discriminatie<br />

moet onderzoeken wat in déze zaak ter zake van déze verdachte<br />

‘aannemelijk’ is geworden. Dit is slechts anders<br />

indien de verdachte door toepassing van statistiek wordt<br />

ontlast, of, in juridische termen, hij ‘het voordeel van de<br />

twijfel’ krijgt. Of verminderde toerekening met de daaraan<br />

verbonden mogelijkheid van TBS in het voordeel van de<br />

Baflose asielzoeker is, staat echter, zoals hiervoor uitgelegd,<br />

te bezien.<br />

Het vonnis in de Baflose zaak moet nu zo worden<br />

gelezen dat de rechter het bestaan van de aangedragen<br />

mogelijkheid van instabiliteit als gevolg van afbouw van<br />

Paroxetine heeft verworpen op basis van de overige aanwezige<br />

informatie. Zo werden bij de verdachte 581 tabletten<br />

Seroquel aan getroffen. Daaruit werd afgeleid dat de<br />

verdachte al geruime tijd geen pillen meer slikte, terwijl<br />

dat geen negatieve bijwerkingen had gehad. Het was daarom<br />

in de ogen van de rechtbank niet aannemelijk dat het<br />

laten staan van dit geneesmiddel (mede) een psychose<br />

zou hebben veroorzaakt. Zo waren er meer gegevens voorhanden<br />

die de verminderde toerekening weerspraken. Het<br />

eindoordeel berust aldus, net als in de bètaonderzoeksmethoden,<br />

op het totaal van de gewogen bevindingen.<br />

Samenvatting en slot<br />

De oplossing voor de door de auteurs vastgestelde problemen<br />

bij de straftoemeting moeten niet worden gezocht in<br />

de heropening van onherroepelijke einduitspraken. Dat is<br />

in strijd met de rechtszekerheid. Er bestaat voorts geen<br />

aanleiding de vaststelling van de mate van schuld, in casu<br />

de toerekening, anders vorm te geven dan nu het geval is.<br />

De andersluidende mening van de auteurs is gebaseerd op<br />

een misvatting van het strafrechtelijk model. De rol van<br />

de statistiek kan voorts slechts beperkt zijn omdat het<br />

plakken van etiketten stigmatiseert en discrimineert.<br />

Kansberekening zou alleen ten gunste van een verdachte<br />

mogen worden toegepast.<br />

Hoe dan het gesignaleerde probleem van de foutmarge<br />

in de straftoemeting aan te pakken Allereerst moet er<br />

een protocol worden ontwikkeld dat de opsporing beter<br />

afstemt op mogelijk later opkomende informatie over<br />

middelengebruik. Bloed- en maagmonsters zouden standaard<br />

moeten worden afgenomen in alle gevallen waarin<br />

sprake is van een ernstig gewelds- c.q. levensdelict. Vervolgens<br />

zou in het kader van de gedragskundige rapportage<br />

een betere afstemming kunnen plaats vinden tussen de<br />

diverse rapporteurs. Ten derde, in gevallen van twijfel over<br />

de toerekening, zou er vaker gebruik kunnen worden<br />

gemaakt van een combinatievonnis, overigens met alle<br />

voorzichtigheid van dien. Dit ondervangt echter het probleem<br />

van gewijzigde inzichten niet. De conclusie moet<br />

dus zijn dat hoe weloverwogen het rechterlijk oordeel ook<br />

is, dit geen garantie is voor een blijvend passende straftoemeting.<br />

De administratie zal tijdens de tenuitvoerlegging<br />

de sanctie zo nodig moeten bijsturen. Daarom is het<br />

van belang om voor langgestraften en levenslanggestraften<br />

een zogenaamde Volgprocedure te ontwikkelen.<br />

34. Denk aan de uitglijder die is gemaakt in<br />

de strafzaak tegen Lucia de B., HR 14 maart<br />

2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496. Hierover<br />

R. Meester, ‘Lucia de B. en de statistiek’,<br />

2007, http://www.few.vu.nl/~rmeester/<br />

onderwijs/HOVO/Lucia_euclides.pdf.<br />

1680 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Focus 1228<br />

De ‘kiss of life’ voor de<br />

Grondwet<br />

Een voorstel tot aanpassing van de wijzigingsprocedure<br />

van de Grondwet<br />

Karin Haan, Mathilde de Boer, Rik Dekker, Remco Nehmelman,<br />

Jan Willem van Rossem en Max Vetzo 1<br />

In deze bijdrage wordt het winnende voorstel besproken van de Grondwetstrijd 2014, welke werd uitgeschreven<br />

door het Nationaal Comité in het kader van 200 jaar Koninkrijk. 2 Het idee achter de wedstrijd was burgers<br />

meer bewust te maken van het belang van de Grondwet en de Grondwet te laten herleven in de samenleving.<br />

1. Inleiding<br />

De Nederlandse Grondwet vervult een belangrijke rol in<br />

ons constitutionele bestel. Het constitueert de staatsinstellingen,<br />

attribueert aan deze instellingen bevoegdheden<br />

en reguleert deze bevoegdheden. Echter, er wordt al<br />

menig jaar op gewezen dat de Grondwet niet leeft onder<br />

burgers. 3 Het document is nu enkel een technisch instrument<br />

dat de verhoudingen tussen de staatsinstellingen<br />

en de samenleving regelt. 4 Er klinkt een roep om een<br />

meer levende Grondwet. 5 Een levende Grondwet is<br />

richtinggevend voor de leden van de samenleving en<br />

biedt een sterk(er) maatschappelijk draagvlak voor de<br />

Grondwettelijke normen. 6 De Grondwet moet nieuw leven<br />

worden ingeblazen. Het statisch gegeven van de Grondwet<br />

wordt onder meer ingegeven door de ‘starre’ Grondwetsherzieningsprocedure<br />

zoals vastgelegd in artikel 137 van<br />

de Grondwet. Weliswaar wordt met deze starheid stabiliteit<br />

bewerkstelligd, maar de zware grondwetsherzieningsprocedure<br />

vormt veelal ook een barrière om de Grondwet<br />

voldoende bij de tijd te houden. Bovendien is de beoogde<br />

volksinvloed in de huidige procedure ‘onzichtbaar’. In deze<br />

bijdrage wordt daarom voorgesteld om de grondwetsherzieningsprocedure<br />

van artikel 137 van de Grondwet op<br />

een dergelijke manier te wijzigen dat stabiliteit behouden<br />

blijft maar tegelijkertijd de flexibiliteit en volksinvloed<br />

kunnen worden vergroot. Hieronder wordt eerst de problematiek<br />

omtrent de huidige wijzigingsprocedure uiteengezet,<br />

waarna vervolgens wordt ingegaan op de<br />

inhoud van het voorstel.<br />

2. Huidige wijzigingsprocedure<br />

De huidige wijzigingsprocedure bestaat uit twee lezingen<br />

door de Staten-Generaal. Na een relatief lichte lezing<br />

wordt eerst de Tweede Kamer ontbonden, waarop een<br />

zware tweede lezing volgt, waarbij beide Kamers met ten<br />

minste twee derden van het aantal uitgebrachte stemmen<br />

met de voorgestelde grondwetswijziging moeten instemmen.<br />

De zwaarte van deze procedure draagt ertoe bij dat<br />

de Grondwet een stabiel document is, met historische<br />

wortels. 7 Het is niet voor niets dat onze Grondwet één van<br />

de oudste ter wereld is. 8 Dit brengt echter ook een zekere<br />

inflexibiliteit met zich mee. De betreffende procedure<br />

geldt voor alle wijzingen, ongeacht de grootte en zwaarte<br />

van de te dienen belangen. Hierdoor kan moeilijk op<br />

Auteurs<br />

Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit<br />

Utrecht. De auteurs zijn de schrijvers/<br />

bedenkers van het winnende voorstel.<br />

Grondwet als bron van normativiteit en identiteit’,<br />

Civis Mundi 2003, p. 127; W.J.M.<br />

Voermans, ‘Juist nu stabiliteit zo gewenst is,<br />

hebben we niets aan de Grondwet’, De<br />

Volkskrant 9 november 2013, p. 35.<br />

6. T. Barkhuysen, M.L. van Emmerik,<br />

W.J.M. Voermans e.a., De Nederlandse<br />

Grondwet geëvalueerd, Alphen aan den<br />

Rijn: Kluwer 2009, p. 18.<br />

7. Kamerstukken II 2007/08, 31570, 3, p. 5.<br />

1. Mr. K.E. Haan heeft de Master Staats- en<br />

Bestuursrecht afgerond aan de Universiteit<br />

Utrecht. M.E. de Boer is masterstudent<br />

Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit<br />

Utrecht. R. Dekker is masterstudent Public<br />

International Law en Staats- en Bestuursrecht<br />

aan de Universiteit van Amsterdam.<br />

Prof. mr. R. Nehmelman en mr. J.W.C. van<br />

Rossem zijn verbonden aan de Universiteit<br />

Utrecht. M. Vetzo is bachelorstudent<br />

Noten<br />

2. http://www.acwet.nl/newsitem/winnaar-grondwetstrijd-flexibelere-herzieningsprocedure-met-volk.<br />

3. J.A. Peters, Wie beschermt onze Grondwet<br />

(inaugurele rede UvA), Amsterdam:<br />

Vossiuspress 2003; S.W. Couwenberg, ‘De<br />

4. Zie bijvoorbeeld de toespraak van oudminister<br />

G. ter Horst bij het symposium ‘De<br />

Onzichtbare Grondwet’, 27 februari 2008.<br />

5. J.A. Peters, Wie beschermt onze Grondwet<br />

(inaugurele rede UvA), Amsterdam:<br />

Vossiuspress 2003.<br />

8. W.J.M. Voermans, ‘Onze oude onbeminde<br />

Grondwet’, <strong>NJB</strong> 2014/623, afl. 12, p.<br />

776-780.<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1681


Focus<br />

3. Voorstel<br />

Het winnende team met de Minister voor BZK, foto op academievoorwetgeving.nl<br />

maatschappelijke ontwikkelingen worden ingespeeld.<br />

Gevolg is dat burgers zich niet kunnen identificeren met<br />

het document. Dit wringt omdat uit onderzoek is gebleken<br />

dat 94% van de Nederlanders de Grondwet belangrijk<br />

vindt. 9 Door het inflexibele karakter is de Grondwet voor<br />

burgers echter verworden tot een dode letter. 10 Een Grondwet<br />

die niet aansluit bij maatschappelijke, politieke en<br />

juridische ontwikkelingen dreigt aan kracht te verliezen<br />

en aan belang in te boeten. 11<br />

Een ander probleem van de huidige procedure is<br />

dat het daarin beoogde element van volksinvloed niet<br />

goed uit de verf komt. Artikel 137 van de Grondwet<br />

schept de mogelijkheid een voorstel tot wijziging inzet<br />

van parlementsverkiezingen te maken. Na een succesvolle<br />

eerste lezing volgt verplicht ontbinding van de Tweede<br />

Kamer. In de praktijk laat men deze ontbindingsverkiezingen<br />

echter samenvallen met reguliere verkiezingen<br />

na afloop van de vierjarige zittingstermijn of ontbindingsverkiezingen<br />

naar aanleiding van een politieke crisis.<br />

Actuele en maatschappelijk relevante voorstellen<br />

worden hierdoor niet snel verwerkt. Zij worden op de lange<br />

baan geschoven en niet zelden afgesteld. Vervroegde<br />

ontbinding van de Tweede Kamer speciaal voor een<br />

grondwetsherzieningsprocedure is sinds 1948 niet meer<br />

voorgekomen. Bij verkiezingen staan vrijwel altijd andere<br />

onderwerpen centraal in partijprogramma’s. De<br />

belangstelling voor herzieningsvoorstellen is nihil; het<br />

verkiezingsdebat gaat over de algemene politieke vragen<br />

en niet over een op handen zijnde herziening van de<br />

Grondwet. Gesteld kan dan ook worden dat in het huidige<br />

systeem daadwerkelijke volksinvloed ontbreekt bij een<br />

herziening van de Grondwet.<br />

De huidige wijzigingsprocedure biedt enerzijds stabiliteit,<br />

anderzijds vormt deze stabiliteit een te hoge barrière<br />

voor constitutionele vernieuwing. De procedure is te<br />

zwaar en te rigide, waardoor de Grondwet een inflexibel<br />

document wordt dat niet leeft onder de bevolking. Bovendien<br />

komt, zoals hiervoor is uiteengezet, het element van<br />

volksinvloed niet goed uit de verf. Voor deze problemen<br />

biedt ons inziens het volgende voorstel tot wijziging van<br />

artikel 137 Grondwet een goede oplossing:<br />

Artikel 137<br />

1. De Grondwet wordt bij wet gewijzigd. De kamers der Staten-Generaal<br />

kunnen voorstellen van wet ter zake alleen<br />

aannemen met ten minste twee derden van het aantal<br />

uitgebrachte stemmen.<br />

2. Indien een voorstel tot wijziging van de Grondwet een<br />

verandering aanbrengt in de identiteit van het Nederlandse<br />

constitutionele bestel, overweegt een daartoe<br />

ingestelde Grondwetskamer in tweede lezing het voorstel<br />

tot verandering bedoeld in het eerste lid. De Grondwetskamer<br />

kan dit voorstel alleen aannemen met ten minste<br />

drie vijfden van het aantal uitgebrachte stemmen.<br />

3. Indien de wetgever besluit uitsluitend de procedure van<br />

het eerste lid te volgen, wordt na indiening van een<br />

daartoe strekkend burgerinitiatief, getekend door minimaal<br />

tweeëneenhalf procent van de kiesgerechtigden,<br />

het voorstel alsnog in tweede lezing overwogen door een<br />

daartoe ingestelde Grondwetskamer. De procedure en<br />

formele vereisten van het burgerinitiatief worden bij wet<br />

bepaald.<br />

4. De Grondwetskamer bestaat uit de leden van de Staten-<br />

Generaal aangevuld met een gelijk aantal kiesgerechtigden.<br />

De procedure van selectie van deze kiesgerechtigden<br />

wordt bij wet vastgesteld.<br />

Het wetsvoorstel beoogt de wijzigingsprocedure van de<br />

Grondwet zo te veranderen dat alleen in geval van een<br />

wijziging die aan de ‘identiteit van het Nederlandse constitutionele<br />

bestel’ raakt, een tweede lezing nodig is. Als<br />

dit niet het geval is, is slechts één lezing met een twee<br />

derde meerderheid vereist. Dit is de zogenaamde ‘lichte<br />

In het huidige systeem<br />

ontbreekt daadwerkelijke<br />

volksinvloed bij een<br />

herziening van de Grondwet<br />

procedure’, die flexibiliteit van de Grondwet beoogt. Als<br />

een wijziging wel aan de identiteit van het constitutionele<br />

bestel raakt, dient de zogenaamde ‘zware procedure’ te<br />

worden gevolgd. Het is in eerste instantie aan de wetgever<br />

om te bepalen of daarvan sprake is. De zware procedure<br />

waarborgt de stabiliteit van de Grondwet. In tweede lezing<br />

oordeelt een Grondwetskamer over het voorstel. De Grondwetskamer<br />

bestaat uit de Staten-Generaal aangevuld met<br />

eenzelfde aantal burgers. In het geval dat de lichte procedure<br />

wordt gevolgd, kan via een bindend burgerinitiatief<br />

alsnog de zware procedure worden afgedwongen. Dit burgerinitiatief<br />

kan worden geïnitieerd indien een groep<br />

burgers van mening is dat er wel sprake is van een grondwetswijziging<br />

die aan de identiteit van het Nederlandse<br />

constitutionele bestel raakt en de zware procedure daarom<br />

alsnog moet worden gevolgd. Op deze manier hebben<br />

1682 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Of de zware procedure moet worden gevolgd is afhankelijk van het<br />

antwoord op de vraag of een wijziging raakt aan de identiteit van het<br />

constitutionele bestel van Nederland<br />

burgers invloed op en raken zij betrokken bij (wijzigingen<br />

van) de Grondwet.<br />

3.1. Flexibiliteit: de lichte procedure<br />

Om de flexibiliteit van de Grondwet te vergroten, moet het<br />

mogelijk zijn om een Grondwetswijziging in een enkele<br />

lezing door te voeren. In één lezing stemmen de beide<br />

Kamers dan met ten minste twee derden van de uitgebrachte<br />

stemmen in met de voorgestelde wijziging.<br />

Wanneer de wetgever het voorstel tot wijziging van de<br />

Grondwet niet ziet als een wijziging die een verandering<br />

aanbrengt in de identiteit van het Nederlandse constitutionele<br />

bestel, is deze procedure van toepassing. Er vindt dan<br />

één lezing plaats, waarin beide Kamers een voorstel aan<br />

kunnen nemen met twee derde meerderheid van de stemmen.<br />

Daarmee wordt voorzien in een flexibele procedure,<br />

die grondwettelijke vernieuwingen eenvoudiger maakt.<br />

3.2. Stabiliteit; de zware procedure<br />

De zware procedure moet worden gevolgd indien de wetgever<br />

hiertoe besluit of indien deze procedure door het<br />

hierna te bespreken burgerinitiatief wordt afgedwongen.<br />

Dan volgt na de eerste, lichte procedure een zware tweede<br />

lezing. Deze tweede lezing wordt gedaan door de Staten-<br />

Generaal, en een gelijk aantal burgers; de Grondwetskamer.<br />

12 Het wetsvoorstel dient te worden aangenomen met<br />

een drie vijfde meerderheid van de Grondwetskamer. Deze<br />

tweede lezing vormt een waarborg voor stabiliteit. Het<br />

voorkomt dat in eerste lezing haastig genomen beslissingen<br />

doorgang vinden en biedt een extra controle op de<br />

wenselijkheid van het doorvoeren van het voorstel. Ook<br />

het vereiste van de gekwalificeerde meerderheid in tweede<br />

lezing draagt bij aan deze controlefunctie. Tevens is<br />

deze zware procedure bedoeld om de volksinvloed op de<br />

grondwetsherzieningsprocedure aanzienlijk te vergroten.<br />

De geselecteerde burgers krijgen gedurende een aantal<br />

maanden een training waarna zij vervolgens goed geïnformeerd<br />

kunnen meestemmen over de aanhangige herziening.<br />

Deze burgers worden bovendien uitdrukkelijk aangemoedigd<br />

om aan het publieke debat over de op handen<br />

zijnde grondwetsherzieningsprocedure deel te nemen.<br />

Of de zware procedure moet worden gevolgd is, als<br />

gezegd, afhankelijk van het antwoord op de vraag of een<br />

wijziging raakt aan de identiteit van het constitutionele<br />

bestel van Nederland. De constitutionele identiteit is een<br />

inhoudelijk en naar zijn aard open criterium. Het begrip is<br />

ontleend aan het debat over Europese integratie en werd<br />

voor het eerst gebruikt in de jurisprudentie van constitutionele<br />

rechters in Duitsland en Italië in de jaren zeventig<br />

van de vorige eeuw. 13 Deze rechters gebruikten de notie ter<br />

afbakening van een nationale constitutionele sfeer die niet<br />

mag worden aangetast door Europese normen en handelingen.<br />

In de jaren negentig, bij de sluiting van het Verdrag<br />

van Maastricht, werd dit uitgangspunt vertaald in Europees<br />

recht. Vanaf dat moment bevatte het Unieverdrag namelijk<br />

een bepaling waarin de Europese Unie wordt verplicht om<br />

de ‘nationale identiteit’ van de lidstaten te eerbiedigen. 14 In<br />

het wetsvoorstel is niet gekozen voor het begrip ‘constitutionele<br />

identiteit’ om bepaalde grenzen te stellen ten aanzien<br />

van de Europese Unie. Deze keuze is ingegeven door<br />

de overtuiging dat de Grondwet baat heeft bij een flexibel<br />

begrip waaronder de essentialia van het constitutionele<br />

recht kunnen worden uitgelicht. Dat laat onverlet dat de<br />

keuze wel de gelegenheid biedt om meer aansluiting te<br />

zoeken bij het debat over Europese integratie.<br />

Er is bewust gekozen voor een open norm, omdat<br />

het vastleggen van een limitatieve opsomming kan leiden<br />

tot een wederom rigide Grondwet die niet aansluit bij de<br />

samenleving. Het is aan de wetgever en de burgers (door<br />

middel van een bindend burgerinitiatief) om te bepalen<br />

wat onder dit begrip valt. Gedacht kan hierbij worden aan<br />

bijvoorbeeld de monarchie, de kern van in de Grondwet<br />

opgenomen klassieke grondrechten, bijvoorbeeld artikel<br />

23 van de Grondwet (onderwijsvrijheid) en de organisatie<br />

van Nederland als gedecentraliseerde eenheidsstaat. Heel<br />

nadrukkelijk is het echter niet de bedoeling om hier een<br />

limitatieve opsomming te geven. Door inpassing van het<br />

criterium ‘constitutionele identiteit’ wordt een dynamisch<br />

element in de wijzigingsprocedure ingevoegd. Wat als<br />

onderdeel van de identiteit van het Nederlandse staatsbestel<br />

geldt, zal onderhevig zijn aan maatschappelijke ontwikkelingen<br />

en veranderende opvattingen. Anno 2014 zal<br />

de inrichting van de Staten-Generaal in twee Kamers misschien<br />

als een dergelijk onderdeel worden beschouwd. Het<br />

is echter denkbaar dat dit over een aantal decennia<br />

anders zal zijn. Het omgekeerde kan natuurlijk ook gebeuren.<br />

Neem bijvoorbeeld artikel 81 van de Grondwet, dat<br />

bepaalt dat de vaststelling van wetten door de regering en<br />

de Staten-Generaal gezamenlijk geschiedt. Mogelijk<br />

brengt het toevoegen van een bindend referendum aan<br />

9. Onderzoek van TNS-NIPO in opdracht<br />

van het Ministerie van Binnenlandse Zaken,<br />

De Grondwet: wat weet en vindt de Nederlander,<br />

2008.<br />

2013, p. 35.<br />

een verandering komt in het aantal Kamerleden<br />

in de toekomst, waaraan het aantal<br />

burgers in de Grondwetkamer wordt<br />

gespiegeld.<br />

13. BVerfGE 29 mei 1974, E37/271 (Solange<br />

I); Corte Costituzionale 27 december<br />

1973, zaak nr. 183/73 (Frontini).<br />

14. Art. 4 lid 2 VEU luidt: ‘De Unie eerbiedigt<br />

de gelijkheid van de lidstaten voor de<br />

Verdragen, alsmede hun nationale identiteit<br />

die besloten ligt in hun politieke en constitutionele<br />

basisstructuren, waaronder die<br />

voor regionaal en lokaal zelfbestuur. (…)’.<br />

11. Rapport Staatscommissie Grondwet van<br />

12 november 2010, p.15, bijlage bij Kamerstukken<br />

II 2012/13, 31570, D.<br />

10. W.J.M. Voermans, ‘Juist nu stabiliteit<br />

zo gewenst is, hebben we niets aan de<br />

Grondwet’, De Volkskrant 9 november<br />

12. Een Grondwetskamer zou nu bestaan<br />

uit 225 Kamerleden plus 225 burgers, dus<br />

in totaal 450 leden. Het is denkbaar dat er<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1683


Focus<br />

dit artikel op dit moment geen verandering aan in de<br />

Nederlandse constitutionele identiteit. Zou vervolgens<br />

later een voorstel worden gedaan om artikel 81 van de<br />

Grondwet weer in zijn oude staat terug te brengen, dan is<br />

het denkbaar dat deze wijziging wel aan de constitutionele<br />

identiteit raakt. Met de Grondwettelijke verankering<br />

van het begrip constitutionele identiteit wordt niet alleen<br />

gepoogd om de stabiliteit en continuïteit van de Grondwet<br />

te waarborgen, maar tevens de mogelijkheid geboden<br />

om deze dynamischer te maken.<br />

3.3. Volksinvloed; Grondwetskamer en burgerinitiatief<br />

Het wetsvoorstel beoogt op twee manieren volksinvloed te<br />

introduceren in de Grondwet; de Grondwetskamer en een<br />

bindend burgerinitiatief.<br />

Grondwetskamer<br />

De Grondwetskamer geeft burgers de mogelijkheid om<br />

volksinvloed uit te oefenen op voorgenomen Grondwetswijzigingen.<br />

De Grondwetskamer bestaat voor de helft uit<br />

willekeurig geselecteerde stemgerechtigde burgers. De<br />

Er is uitdrukkelijk niet gekozen<br />

voor een referendum<br />

precieze invulling hiervan dient nader bij wet te worden<br />

vastgesteld, maar de insteek voor de selectie van de burgers<br />

is dat zij willekeurig geselecteerd worden door middel<br />

van steekproeven. Van een compleet willekeurige<br />

samenstelling is echter geen sprake. Gestreefd wordt naar<br />

het selecteren van een groep personen die tezamen representatieve<br />

vertegenwoordiging van de Nederlandse kiesgerechtigden<br />

vormt. Geselecteerde burgers hoeven niet mee<br />

te doen, deelname is vrijwillig. De geselecteerde burgers<br />

krijgen, zoals reeds opgemerkt, gedurende een bepaalde<br />

periode een grondige training over de voorgenomen wijziging,<br />

waarna zij uiteindelijk goed geïnformeerd kunnen<br />

stemmen over het voorstel.<br />

Er is uitdrukkelijk niet gekozen voor een referendum.<br />

Belangrijke nadelen van een referendum over een<br />

Grondwetsherziening zijn dat het voorstel wordt gesimplificeerd<br />

en er kan om oneigenlijke redenen voor of tegen<br />

een voorstel worden gestemd. Door een willekeurige selectie<br />

van kiesgerechtigde burgers worden deze nadelen<br />

ondervangen. Zij krijgen gedurende een bepaalde periode<br />

een grondige voorlichting over het wijzigingsvoorstel.<br />

Bovendien worden zij actief aangespoord om het maatschappelijk<br />

debat over het voorstel in te luiden, waardoor<br />

er een brede maatschappelijke discussie zal ontstaan over<br />

het belang van Grondwet en de onderhavige wijziging in<br />

het bijzonder. In het buitenland, in het bijzonder in IJsland<br />

en Ierland, is gebleken dat met sterk vergelijkbare<br />

procedures voor herziening van de Grondwet of organieke<br />

wetten (bijvoorbeeld wijziging van de Kieswet) een nieuwe<br />

manier is gevonden voor volksinvloed op wijzigingen<br />

in het staatsbestel met onder andere als doel verhoging<br />

van de legitimiteit van het staatsgezag. 15<br />

Burgerinitiatief<br />

De Grondwetskamer vervult enkel een rol in de zware procedure.<br />

Wat nu als de wetgever besluit tot de lichte procedure<br />

terwijl een aanzienlijk deel van het Nederlandse volk<br />

meent dat alsnog de zware procedure moet worden<br />

gevolgd Dan kan via een bindend burgerinitiatief alsnog<br />

een tweede zware lezing worden afgedwongen. Het initiatief<br />

voor de te volgen procedure ligt dus in eerste instantie<br />

bij de wetgever. De wetgever kan echter worden ‘teruggefloten’<br />

door de bevolking. Het kiesgerechtigde deel kan<br />

door middel van een burgerinitiatief, getekend door<br />

minimaal tweeëneenhalf procent van de kiesgerechtigden,<br />

de zware procedure afdwingen als de wetgever daarvan<br />

heeft afgezien. Met het initiatief in handen van de<br />

wetgever en een correctiemogelijkheid in handen van de<br />

kiesgerechtigde bevolking, wordt met dit voorstel een ideaal<br />

en dynamisch midden gevonden tussen het principe<br />

van representatieve democratie en het principe van directe<br />

democratie. We leven in een tijd waarin burgers zich<br />

door gebruikmaking van ‘social media’ niet alleen gemakkelijker<br />

organiseren, maar zich ook steeds vaker waakzaam<br />

opstellen. Op dit organisatievermogen en op deze<br />

waakzaamheid van de burger wordt gerekend. Op deze<br />

manier houdt de burger altijd het laatste woord over welke<br />

procedure moet worden gevolgd om een wijziging in<br />

‘zijn’ Grondwet te bewerkstelligen.<br />

4. Conclusie<br />

In deze bijdrage is uiteengezet dat met een verandering<br />

van de wijzigingsprocedure de Grondwet nieuw leven in<br />

kan worden geblazen. Aan de ene kant wordt flexibiliteit<br />

gefaciliteerd, doordat met toepassing van de lichte procedure<br />

in een enkele lezing kan worden ingespeeld op maatschappelijke<br />

ontwikkelingen. Aan de andere kant wordt de<br />

stabiliteit van de Grondwet gewaarborgd, doordat wijzigingen<br />

die aan de identiteit van het constitutionele bestel<br />

raken langs een Grondwetkamer moeten. Het bindende<br />

burgerinitiatief vormt een vangnet in gevallen waarin<br />

onterecht de lichte procedure wordt toegepast. Met de<br />

Grondwetskamer en het burgerinitiatief geeft de Grondwet<br />

ruimte voor daadwerkelijke volksinvloed. Het voorstel<br />

draagt bij aan een flexibeler Grondwet, maar op de punten<br />

waarop dit door de wetgever of de Nederlandse bevolking<br />

nodig wordt geacht, zijn essentiële waarborgen<br />

ingebouwd voor behoud van de constitutionele stabiliteit.<br />

Daarmee wordt recht gedaan aan de Grondwet als een<br />

hogere regeling, maar wordt tegelijkertijd voorkomen dat<br />

dit hogere karakter van de Grondwet haar eigen ontwikkeling<br />

afremt. De inpassing van volksinvloed in de wijzigingsprocedure<br />

draagt bij aan een levendige Grondwet die<br />

voor burgers van wezenlijk maatschappelijk belang is.<br />

Hiermee wordt de Grondwet een nieuw leven ingeblazen.<br />

Dit is, niet in de laatste plaats vanwege het 200-jarig<br />

bestaan van het Koninkrijk, geen overbodige en ons<br />

inziens een noodzakelijke ontwikkeling.<br />

15. Zie o.a. http://vorige.nrc.nl/buitenland/<br />

article2644982.ece/IJsland_laat_burgers_<br />

grondwet_schrijven en https://www.constitution.ie/.<br />

Een parallel is ook te trekken met<br />

het Nederlandse Burgerforum kiesstelsel,<br />

http://www.parlement.com/id/vhnnmt7ltkw7/burgerforum_kiesstelsel.<br />

1684 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Opinie 1229<br />

The world according to<br />

www.overheid.nl<br />

Fokke Fernhout 1<br />

Overheid.nl plaatst haar eigen versies van de Nederlandse wet op de site. Dat is bijzonder onwenselijk, omdat<br />

het alleen aan de democratisch gelegitimeerde wetgever is om fouten te verbeteren. Tot overmaat van ramp is<br />

de communicatie over de inhoud van de site verbureaucratiseerd naar een mistige voorlichtingsinstantie.<br />

Met de jurisprudentie op www.rechtspraak.nl en de<br />

regelgeving (inclusief de kamerstukken) op<br />

www.overheid.nl heeft Nederland een juridische<br />

informatievoorziening waar de rest van de wereld alleen<br />

maar watertandend van kan dromen. Beide sites hebben<br />

een goede en begrijpelijke interface en zijn (afgezien van<br />

incidentele oprispingen) snel genoeg. Zonder dat daarnaar<br />

onderzoek is gedaan mag daarom worden aangenomen dat<br />

de juridische goegemeente inmiddels volledig op de<br />

inhoud van de sites vertrouwt. Bij rechtspraak.nl is dat<br />

geen probleem. De rechterlijke uitspraken zullen digitaal<br />

worden aangeleverd en worden integraal (na anonimisering)<br />

geplaatst. Dan kan er weinig mis gaan. Bij overheid.nl<br />

ligt dat kritischer, want de site publiceert geconsolideerde<br />

wetgeving. Daarbij kan van alles mis gaan en bovendien zal<br />

een redacteur moeten bepalen hoe de wijzigingen in de<br />

bestaande regelgeving moeten worden verwerkt.<br />

Dat is een lastig karwei, waarbij een dergelijke redacteur<br />

zelfs voor moeilijke keuzes kan komen te staan. Hoe<br />

ga je bijvoorbeeld om met een wet die ertoe leidt dat artikel<br />

111 lid 2 sub a Rv komt te luiden: ‘Naast de gegevens<br />

bedoeld in artikel 45, derde lid, vermeldt het exploot van<br />

dagvaarding: a. de door eiser gekozen woonplaats de door<br />

eiser gekozen woonplaats in Nederland’ (Stb. 2005, 455)<br />

Ga je dat verbeteren of doe je gewoon wat de wetgever<br />

zegt De uitgevers van wettenedities voerden een verschillend<br />

beleid. De Staatsuitgeverij voelde zich altijd al boven<br />

God en iedereen verheven en publiceerde een eigen versie<br />

van de wet; Kluwer wist tot 2013 haar plaats en publiceerde<br />

de wetten in de tekst zoals die door de wetgever was<br />

vastgesteld.<br />

En overheid.nl Overheid.nl meent het ook beter te<br />

weten dan de wetgever en heeft steeds haar eigen versies<br />

van de Nederlandse wet op de site geplaatst. Dat is bijzonder<br />

onwenselijk, want het is immers alleen aan de democratisch<br />

gelegitimeerde wetgever om fouten te verbeteren.<br />

Het valt echter weer mee als over de teksten op overheid.nl<br />

te communiceren valt. In het verleden was dat het geval. In<br />

2008 werd bijvoorbeeld op de site vermeld dat de artikelen<br />

14a t/m 14e van de Wet op de rechterlijke organisatie<br />

waren ingetrokken. Niet de eerste de beste regeling, want<br />

het ging juist om de mogelijkheid te klagen over rechterlijke<br />

ambtenaren bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad.<br />

Op grond van een overgangsregeling opgenomen in artikel<br />

XIII Wet organisatie bestuur en gerechten (Stb. 2001, 582)<br />

waren die bepalingen echter gehandhaafd in afwachting<br />

van de inwerkingtreding van een andere regeling, die er in<br />

2008 nog niet was (en pas jaren later zou komen). Het kostte<br />

een paar mailtjes (via het op de site opgenomen e-mailadres)<br />

met juridische argumenten, maar binnen een paar<br />

dagen waren de artikelen weer terug op de site en deze bleven<br />

daar staan totdat zij daadwerkelijk werden ingetrokken.<br />

Tot zover is er niets aan de hand.<br />

Het lijkt alsof overheid.nl een<br />

coupe heeft gepleegd en definitief<br />

de wetgever als primaire bron van<br />

recht heeft vervangen<br />

Onder de huidige bewindslieden zijn de zaken echter<br />

aan het ontsporen. Het lijkt alsof overheid.nl een coupe<br />

heeft gepleegd en definitief de wetgever als primaire bron<br />

van recht heeft vervangen. Ik kwam daar voor het eerst<br />

achter toen ik een onjuistheid vond bij het Wetboek van<br />

Burgerlijke Rechtsvordering. Via de site stuurde ik het volgende<br />

bericht: ‘Bij het i’tje op Rv vind ik als eerste aanhangige<br />

wetsontwerp 31714. Dit wetsontwerp is echter op 22<br />

november 2011 verworpen door de Iste Kamer. Dan is het<br />

toch niet meer aanhangig’. Het duurde een kleine drie<br />

weken, maar toen kwam het volgende bericht terug van<br />

een vriendelijke mevrouw: ‘U heeft een vraag gesteld via<br />

Auteur<br />

1. mr. F.J. Fernhout is UHD burgerlijk procesrecht aan de Universiteit Maastricht.<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1685


Opinie<br />

graag verzoeken om contact op te nemen met Informatie<br />

Rijksoverheid (voormalige Postbus 51) zie weten precies<br />

bij welke instantie u dient te zijn zodat zij hun tekst kunnen<br />

wijzigen.’ Communicatie over overheid.nl, dus over de<br />

primaire bron voor de inhoud van de Nederlandse wetgeving,<br />

is met andere woorden verbureaucratiseerd naar een<br />

mistige voorlichtingsinstantie, die hoge barrières inbouwt<br />

om überhaupt benaderd te kunnen worden, laat staan dat<br />

er veel van te verwachten valt.<br />

Intussen gaat overheid.nl<br />

onverstoorbaar verder met<br />

haar eigen versie van het<br />

Nederlandse recht<br />

Through the wrong holes © Sarah Jones / Ikon Images/Alamy<br />

Overheid.nl. De publieksvoorlichting van Overheid.nl is<br />

ondergebracht bij Informatie Rijksoverheid. U kunt<br />

hierom uw vraag stellen via de website https://www.rijksoverheid.nl/<br />

contact/contactformulier. Informatie Rijksoverheid<br />

(voorheen Postbus 51) Telefoonnummer: 1400<br />

(lokaal tarief) www.rijksoverheid.nl. Ik hoop dat ik uw<br />

vraag naar tevredenheid heb beantwoord.’ Dat laatste was<br />

zeker niet het geval, maar toen ik vroeg wat dit nu voor<br />

een malligheid was, antwoordde ditmaal een meneer in<br />

elegant Nederlands: ‘KOOP is een organisatie wat webapplicaties<br />

bouwt voor overheden om hun informatie op te<br />

publiceren. Wij gaan helaas niet inhoudelijk over de publicaties<br />

die u op overheid.nl aantreft. Hierom willen wij u<br />

Intussen gaat overheid.nl onverstoorbaar verder<br />

met haar eigen versie van het Nederlandse recht. Dat<br />

kwam pijnlijk aan het licht na mijn stukje in het Advocatenblad<br />

van mei 2014, Zijn de griffierechten 2014 echt<br />

verschuldigd (p. 31-32). Daarin werd gesignaleerd dat de<br />

Regeling (...) tot indexering van bedragen in (...) de Wet<br />

griffierechten burgerlijke zaken (...) (Stcrt. 2013, 35871)<br />

hetzij onverbindend is doordat wijzigingen worden aangebracht<br />

in een formele wet, hetzij bedragen wijzigt die<br />

er niet zijn en dus geen gevolg heeft. Overheid.nl blijkt<br />

hard terug te slaan door met een eigen visie op de<br />

genoemde regeling te komen en koelbloedig zelf te<br />

bedenken wat er volgens overheid.nl eigenlijk in de regeling<br />

had moeten staan.<br />

‘Kan dat zomaar in Nederland’, vragen wij ons af in<br />

het koor der leefbaren en verontruste burgers. Hopelijk<br />

niet. Het zal de advocaten enige moeite kosten om de<br />

rechters te overtuigen, maar dat moet op den duur toch<br />

gaan lukken. De rechters die moeten oordelen over een<br />

verzet tegen vaststelling van de griffierechten zullen in<br />

eerste instantie overheid.nl raadplegen en daar een Wet<br />

griffierechten burgerlijke zaken aantreffen, waarin keurig<br />

alle bedragen voor 2014 zijn aangepast. Met de originele<br />

tekst van de regeling in de hand moet het echter mogelijk<br />

zijn de rechters te laten zien dat de ‘world according to<br />

overheid.nl’ toch niet de wereld is waarin wij leven.<br />

En intussen hopen we dan maar dat overheid.nl wat<br />

meer respect gaat tonen voor de wetgever en weer open<br />

zal gaan staan voor redelijke opmerkingen vanuit het<br />

publiek.<br />

1686 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Rechtspraak<br />

Aanbevolen citeerwijze:<br />

<strong>NJB</strong> 2014/ … (nummer uitspraak)<br />

Eur. Hof v.d. Rechten v.d. Mens 1687<br />

Hof van Justitie EU 1688<br />

Hoge Raad (civiele kamer) 1690<br />

Hoge Raad (strafkamer) 1694<br />

Afd. Bestuursrechtspraak RvS 1698<br />

Europees Hof voor de<br />

Rechten van de Mens<br />

Deze rubriek wordt verzorgd door onderzoekers<br />

van de Universiteit Leiden, de VU<br />

Amsterdam en de RU Nijmegen. Onderstaande<br />

bewerking is verzorgd door mw. N.R. Koffeman<br />

LL.M. (Universiteit Leiden). Alle uitspraken<br />

van het EHRM staan op www.echr.coe.<br />

int; een selectie verschijnt uiteindelijk in<br />

Reports of Judgments and Decisions. De uitspraken<br />

van kamers van het EHRM worden<br />

drie maanden na de uitspraakdatum definitief,<br />

tenzij er intern appel wordt ingesteld bij<br />

de Grote Kamer van het Hof.<br />

1230<br />

11 maart 2014, appl.nr. 26827/08<br />

Art. 3 jo. 14 EVRM. Onderzoeksplicht naar<br />

racistisch motief bij geweldsmisdrijf.<br />

Schending.<br />

(EVRM art. 3 jo. 14)<br />

Abdu vs. Bulgarije<br />

A. Feiten<br />

Klager in deze zaak is de Soedanese heer<br />

Abdu. Hij is geboren in 1968 en woont in<br />

Sofia. Op 13 mei 2007 raakte hij, terwijl hij<br />

met een Soedanese vriend door het centrum<br />

van Sofia liep, verwikkeld in een vechtpartij<br />

met twee Bulgaarse jongeren. Volgens Abdu<br />

werd hij zonder aanleiding door een van hen<br />

tegen de grond geduwd en geschopt, terwijl<br />

de andere een mes trok en zijn vriend<br />

bedreigde. De twee Bulgaren riepen daarbij<br />

‘Vuile negers, wat doen jullie hier’ De aanvallers<br />

vluchtten, maar werden kort daarna<br />

door de politie gearresteerd. De twee, die in<br />

het politierapport werden omschreven als<br />

skinheads, bleken al vaker met de politie in<br />

aanraking te zijn geweest. Tijdens het politieonderzoek<br />

werden zowel de vier direct<br />

betrokkenen als een getuige gehoord. Volgens<br />

de twee Bulgaren was de vechtpartij<br />

uitgelokt door Abdu en zijn vriend, maar de<br />

getuige verklaarde te hebben gezien dat een<br />

van de Bulgaren een van de Soedanezen had<br />

doen struikelen waarna een vechtpartij tussen<br />

de vier ontstond. Een forensisch arts<br />

stelde vast dat Abdu diverse verwondingen<br />

had die konden zijn opgelopen tijdens een<br />

vechtpartij.<br />

De politie stuurde het bewijs door naar de<br />

openbaar aanklager zodat deze kon beslissen<br />

om al dan niet vervolging in te stellen voor<br />

een geweldpleging met racistisch motief,<br />

zoals strafbaar gesteld in art. 168 lid 2 van<br />

het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht. In juni<br />

2007 liet de openbaar aanklager weten dat er<br />

onvoldoende bewijs was voor het instellen<br />

van een dergelijke vervolging. Abdu stelde<br />

beroep in tegen deze beslissing. Hij voerde<br />

aan dat de politie de twee Bulgaren had moeten<br />

ondervragen over hun motieven en over<br />

hun kleding. Volgens Abdu droeg een van<br />

hen bijvoorbeeld een t-shirt met een naziteken.<br />

Het beroep werd, evenals een verzoek<br />

van de advocaat van Abdu tot inzage in het<br />

dossier, afgewezen.<br />

B. Procedure<br />

Abdu heeft op 15 april 2008 een klacht ingediend<br />

bij het EHRM. Met een beroep op art. 3<br />

EVRM (verbod op vernederende en onmenselijke<br />

behandeling) in combinatie met art. 14<br />

EVRM (verbod van discriminatie) klaagt hij<br />

dat de autoriteiten geen effectief onderzoek<br />

hebben ingesteld naar de racistische aard van<br />

de geweldpleging. Hij stelt bovendien dat een<br />

dergelijk onderzoek niet is ingesteld omdat<br />

de politieagenten niet onpartijdig waren.<br />

C. Uitspraak van het Hof<br />

(Vierde kamer: Ziemele (President), Hirvelä,<br />

Nicolaou, Bianku, Kalaydjieva, Mahoney,<br />

Wojtyczek).<br />

Het Hof herhaalt dat discriminatie op grond<br />

van ras in sommige omstandigheden op<br />

zichzelf als onmenselijke en vernederende<br />

behandeling in de zin van art. 3 EVRM kan<br />

worden aangemerkt. In ieder geval zijn discriminatoire<br />

opmerkingen of beledigingen<br />

met racistische ondertonen verzwarende<br />

omstandigheden bij het beoordelen van een<br />

klacht onder art. 3 EVRM. Staten hebben op<br />

grond van het EVRM de plicht te voorzien in<br />

een wettelijk kader dat individuen beschermt<br />

tegen onmenselijke en vernederende behandeling.<br />

Ook moeten zij zorgdragen voor een<br />

effectief onderzoek dat het mogelijk maakt<br />

daders te vervolgen. Bij het onderzoeken van<br />

geweldsdelicten met een mogelijk racistisch<br />

motief moeten de autoriteiten bovendien<br />

alle redelijke stappen nemen om vast te stellen<br />

of sentimenten van haat of vooroordelen<br />

jegens een bepaalde etniciteit inderdaad een<br />

rol hebben gespeeld. Het behandelen van<br />

dergelijke zaken op gelijke voet met zaken<br />

zonder met racistische connotaties is niet<br />

verenigbaar met art. 14 EVRM.<br />

De klacht van dhr. Abdu komt volgens het<br />

Hof binnen de reikwijdte van art. 3 EVRM. Hij<br />

heeft lichamelijk letsel opgelopen door de<br />

gewelddadige aanval. Daar komt bij dat hij<br />

vanaf het begin van het politieonderzoek<br />

gesteld heeft dat de twee aanvallers, die in<br />

het politierapport werden omschreven als<br />

skinheads, racistische opmerkingen maakten.<br />

Hoewel het vaak bijzonder moeilijk is een<br />

racistisch motief te bewijzen, hebben staten<br />

in ieder geval een inspanningsverplichting<br />

hier onderzoek naar te doen. Het Hof besluit<br />

de zaak te onderzoeken onder art. 3 zelfstandig,<br />

alsmede onder art. 3 EVRM in combinatie<br />

met art. 14 EVRM.<br />

Aangezien geweldpleging met een racistisch<br />

oogmerk in de Bulgaarse wetgeving strafbaar<br />

is gesteld, is voorzien in het vereiste<br />

wettelijk kader. De autoriteiten hebben echter<br />

niet alle redelijke stappen ondernomen<br />

om het geclaimde racistische motief van het<br />

delict te onderzoeken. Zij hebben zich met<br />

name gericht op de vraag wie de vechtpartij<br />

had uitgelokt. Bij het horen van de getuige<br />

hebben zij niet gevraagd of hij ook racistische<br />

uitlatingen had gehoord. Ook hebben<br />

zij nagelaten de twee Bulgaarse jongens te<br />

ondervragen over een mogelijk racistische<br />

motief voor hun daden. Dit terwijl Abdu<br />

vanaf het begin had aangevoerd dat het<br />

geweld een racistisch motief had en skinheads<br />

bovendien bekend staan om hun<br />

extremistische en racistische ideologie.<br />

Ondanks dat er aannemelijk bewijs voor een<br />

mogelijk racistisch motief lag, is de accuraatheid<br />

daarvan niet onderzocht. Het Hof verwerpt<br />

het argument van de Bulgaarse regering<br />

dat zij hadden kunnen voldoen aan hun<br />

procedurele verplichtingen als klager nog<br />

andere rechtsmiddelen had ingesteld, zoals<br />

het aansprakelijk stellen van de twee Bulgaarse<br />

jongeren.<br />

D. Slotsom<br />

Met vijf stemmen tegen twee stelt het Hof<br />

een schending vast van het procedurele<br />

aspect van art. 3 EVRM, zowel zelfstandig, als<br />

in combinatie met art. 14 EVRM. De klacht<br />

over vooringenomenheid van de politieagenten<br />

wordt wegens een gebrek onderbouwing<br />

kennelijk ongegrond verklaard. Het Hof kent<br />

aan een klager een billijke genoegdoening<br />

toe van € 4000. Aan de uitspraak is een partly<br />

dissenting opinion van rechters Mahoney<br />

en Wojtyczek gehecht.<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1687


Rechtspraak<br />

Hof van Justitie van de<br />

Europese Unie<br />

Deze rubriek is verzorgd door M. Bulterman,<br />

medewerker van de Directie Juridische Zaken,<br />

Afdeling Europees Recht van het Ministerie<br />

van Buitenlandse Zaken. De volledige uitspraken<br />

van het EU-Hof zijn beschikbaar via<br />

www.curia.europa.eu.<br />

1231<br />

Arrest van 8 april 2014, C-293/12 & C-594/12<br />

(Grote kamer: L: V. Skouris, president, K.<br />

Lenaerts, vicepresident, A. Tizzano, R. Silva<br />

de Lapuerta, T. von Danwitz (rapporteur), E.<br />

Juhász, A. Borg Barthet, C. G. Fernlund en J.<br />

L.da Cruz Vilaça, kamerpresidenten, A.<br />

Rosas, G. Arestis, J.-C. Bonichot, A.<br />

Arabadjiev, C. Toader en C. Vajda, rechters)<br />

Digital Rights Ireland Ltd vs. Minister for<br />

Communications e.a. en Kärntner Landesregierung<br />

vs. Michael Seitlinger e.a.<br />

Elektronische communicatie – Richtlijn<br />

2006/24/EG – Openbaar beschikbare elektronische<br />

communicatiediensten of openbare<br />

communicatienetwerken – Bewaring<br />

van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt<br />

in het kader van aanbieding van dergelijke<br />

diensten – Geldigheid – Artikelen 7,<br />

8 en 11 van het Handvest van de grondrechten<br />

van de Europese Unie<br />

Feiten en nationale procedure<br />

Voor de Ierse rechter wordt door Digital Rights<br />

Ireland de wettigheid van de bepalingen ter<br />

omzetting van richtlijn 2006/24 betreffende<br />

de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd<br />

of verwerkt in verband met het aanbieden<br />

van openbaar beschikbare elektronischecommunicatiediensten<br />

of van openbare<br />

communicatienetwerken en tot wijziging van<br />

richtlijn 2002/58/EG (PB L 105, blz. 54, hierna:<br />

de dataretentierichtlijn) aangevochten. Op<br />

grond van de dataretentierichtlijn geldt voor<br />

telecomaanbieders een bewaarplicht van door<br />

hen gegenereerde of verwerkte gegevens. Het<br />

gaat daarbij niet om de inhoud van de communicatie,<br />

maar om bijvoorbeeld de bestemming<br />

van een communicatie, het tijdstip en<br />

de duur van de communicatie en het type<br />

communicatie. Deze gegevens moeten tenminste<br />

6 maanden worden bewaard om ze in<br />

voorkomend geval ter beschikking te stellen<br />

van de bevoegde autoriteiten. De Ierse en Oostenrijkse<br />

rechter twijfelen of de dataretentierichtlijn<br />

verenigbaar is met de bepalingen van<br />

het Handvest en besluiten hierover vragen te<br />

stellen aan het Hof van Justitie.<br />

Prejudiciële vragen<br />

Het Hof van Justitie wordt gevraagd zich uit<br />

te spreken over de geldigheid van de dataretentierichtlijn<br />

in het licht van de artikelen 7,<br />

8 en 11 van het EU-Grondrechtenhandvest.<br />

De uitspraak van het Hof<br />

Het Hof merkt op dat telecomaanbieders op<br />

grond van de datarententierichtlijn gegevens<br />

moeten bewaren die nodig zijn om de bron<br />

en de bestemming van een communicatie te<br />

traceren en te identificeren, om de datum,<br />

het tijdstip en de duur van de communicatie<br />

en het type communicatie te bepalen, om de<br />

communicatieapparatuur van de gebruikers<br />

te identificeren en om de locatie van mobiele<br />

communicatieapparatuur te bepalen. Deze<br />

gegevens omvatten met name de naam en<br />

het adres van de gebruiker, het telefoonnummer<br />

van de oproeper en het opgeroepen<br />

nummer, alsook een IP-adres voor internetdiensten.<br />

Uit deze gegevens kunnen zeer precieze<br />

conclusies worden getrokken over het<br />

privéleven van de personen van wie de gegevens<br />

zijn bewaard, zoals hun dagelijkse<br />

gewoonten, hun permanente of tijdelijke verblijfplaats,<br />

hun dagelijkse of andere verplaatsingen,<br />

de activiteiten die zij uitoefenen, hun<br />

sociale relaties en de sociale kringen waarin<br />

zij verkeren. Het Hof concludeert dat hoewel<br />

de dataretentierichtlijn niet het recht verleent<br />

om de inhoud van de communicatie te<br />

bewaren, het dus niet is uitgesloten dat de<br />

bewaring van de betrokken gegevens een<br />

invloed heeft op de wijze waarop gebruikers<br />

communicatiemiddelen gebruiken en derhalve<br />

op de wijze waarop zij hun door artikel 11<br />

van het EU-Grondrechtenhandvest gewaarborgde<br />

vrijheid van meningsuiting uitoefenen.<br />

Ook de door de artikelen 7 (privéleven)<br />

en 8 van het EU-Grondrechtenhandvest (verwerking<br />

van persoonsgegevens) gewaarborgde<br />

rechten zijn in het geding. Volgens het<br />

Hof vormt de dataretentierichtlijn een zeer<br />

ruime en bijzonder zware inmenging in deze<br />

rechten. Het Hof merkt op dat deze inmenging<br />

voldoet aan een doel van algemeen<br />

belang, namelijk de bestrijding van ernstige<br />

criminaliteit en aldus uiteindelijk tot de<br />

openbare veiligheid. Vervolgens gaat het Hof<br />

na of deze inmenging evenredig is. Wat<br />

betreft het rechterlijk toezicht merkt het Hof<br />

op dat wanneer sprake is van een inmenging<br />

in fundamentele rechten, de omvang van de<br />

beoordelingsbevoegdheid van de wetgever<br />

van de Unie beperkt kan zijn. Dit hangt af<br />

van een aantal factoren, waaronder met<br />

name het betrokken domein, de aard van het<br />

door het EU-Grondrechtenhandvest gewaarborgde<br />

recht dat aan de orde is, alsook de<br />

aard, de ernst en het doel van de inmenging<br />

(zie naar analogie met betrekking tot artikel<br />

8 EVRM, arrest EHRM, S en Marper vs. Verenigd<br />

Koninkrijk, nrs. 30562/04 en 30566/04,<br />

§ 102, CEDH 2008-V). Gelet op de belangrijke<br />

rol die de bescherming van persoonsgegevens<br />

speelt in het licht van het fundamentele<br />

recht op bescherming van het privéleven,<br />

alsook op de omvang en de ernst van de door<br />

richtlijn 2006/24 veroorzaakte inmenging in<br />

dit recht is de beoordelingsbevoegdheid van<br />

de Uniewetgever volgens het Hof in casu<br />

beperkt, zodat een strikt toezicht moet worden<br />

uitgeoefend. De dataretentierichtlijn<br />

doorstaat deze strikte toets niet.<br />

Volgens het Hof kan een doelstelling van<br />

algemeen belang als criminaliteitbestrijding,<br />

hoe wezenlijk zij ook is, niet rechtvaardigen<br />

dat een bewaringsmaatregel zoals<br />

ingevoerd in de dataretentierichtlijn noodzakelijk<br />

wordt geacht voor het voeren van<br />

deze strijd. De richtlijn strekt zich uit tot<br />

alle elektronischecommunicatiemiddelen,<br />

die een steeds belangrijker plaats innemen<br />

in het dagelijkse leven van de mensen.<br />

Bovendien ziet deze richtlijn op alle abonnees<br />

en geregistreerde gebruikers. Zij leidt<br />

dus tot inmenging in de fundamentele rechten<br />

van bijna de gehele Europese bevolking.<br />

De richtlijn is om te beginnen algemeen van<br />

toepassing op alle personen die gebruikmaken<br />

van elektronischecommunicatiediensten,<br />

zonder dat de personen van wie de<br />

gegevens worden bewaard zich echter, zelfs<br />

niet indirect, in een situatie bevinden die<br />

aanleiding kan geven tot strafrechtelijke vervolging.<br />

Verder bevat de richtlijn geen objectieve<br />

criteria ter begrenzing van de toegang<br />

van de bevoegde nationale autoriteiten tot<br />

de gegevens en het latere gebruik ervan met<br />

het oog op het voorkomen, opsporen of<br />

strafrechtelijk vervolgen van inbreuken.<br />

Bovendien plaatst het Hof kanttekeningen<br />

bij de termijn van de bewaarplicht. Deze<br />

varieert van ten minste zes maanden tot ten<br />

hoogste vierentwintig maanden, zonder dat<br />

wordt gepreciseerd dat deze termijn op basis<br />

van objectieve criteria moet worden vastgesteld<br />

om te waarborgen dat hij beperkt is tot<br />

wat strikt noodzakelijk is. Het Hof concludeert<br />

dat de datarententierichtlijn geen duidelijke<br />

en precieze regels bevat betreffende<br />

de omvang van de inmenging in de door de<br />

artikelen 7 en 8 van het EU-Grondrechtenhandvest<br />

erkende fundamentele rechten.<br />

Vastgesteld moet dus worden dat deze richtlijn<br />

een zeer ruime en bijzonder zware<br />

inmenging in deze fundamentele rechten in<br />

de rechtsorde van de Unie impliceert, zonder<br />

dat deze inmenging nauwkeurig is omkaderd<br />

door bepalingen die kunnen waarborgen<br />

dat zij daadwerkelijk beperkt is tot het<br />

strikt noodzakelijke.<br />

1688 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Rechtspraak<br />

Conclusie<br />

De dataretentierichtlin is ongeldig.<br />

1232<br />

Arrest van 15 mei 2014, C-521/12<br />

(Tweede kamer: R. Silva de Lapuerta, kamerpresident,<br />

J. L. da Cruz Vilaça, G. Arestis<br />

(rapporteur), J.C. Bonichot en A. Arabadjiev,<br />

rechters)<br />

T.C. Briels e.a. vs. Minister van Infrastructuur<br />

en Milieu<br />

Milieu – Richtlijn 92/43/EEG – Artikel 6,<br />

leden 3 en 4 – Instandhouding van natuurlijke<br />

habitats – Speciale beschermingszones<br />

– Beoordeling van gevolgen van plan of<br />

project voor beschermd gebied – Vergunning<br />

voor plan of project voor beschermd<br />

gebied – Compenserende maatregelen –<br />

Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven,<br />

Moerputten & Bossche Broek’ – Project voor<br />

tracé van Rijksweg A2, s-Hertogenbosch-<br />

Eindhoven<br />

Feiten en nationale procedure<br />

Op 6 juni 2011 heeft de minister van I&M<br />

een besluit betreffende de verbreding van<br />

het tracéproject Rijksweg A2 vastgesteld. Dit<br />

project heeft negatieve gevolgen voor het<br />

Natura 2000-gebied ‘Vlijmens Ven, Moerputten<br />

en Bossche Broek’. Dit gebied is door de<br />

Nederlandse autoriteiten als een speciale<br />

beschermingszone aangewezen voor onder<br />

meer het habitattype ‘blauwgraslanden’. Om<br />

de impact van dit project op het milieu te<br />

verminderen wordt bij besluit van 25 januari<br />

2012 een aantal maatregelen genomen. Zo<br />

voorziet het tracéproject Rijksweg A2 in de<br />

verbetering van de hydrologische situatie in<br />

de zone ‘Vlijmens Ven’, waardoor de blauwgraslanden<br />

binnen dit gebied kunnen worden<br />

uitgebreid. Volgens de minister kan op<br />

die manier de omvang en de kwaliteit van de<br />

blauwgraslanden worden verhoogd ten<br />

opzichte van het bestaande areaal. Aan de<br />

instandhoudingsdoelstellingen voor dit type<br />

habitat wordt dus voldaan doordat nieuwe<br />

blauwgraslanden worden aangelegd. Briels<br />

e.a. zijn het hier niet mee eens en stellen<br />

beroep in tegen de twee besluiten van de<br />

minister bij de Afdeling bestuursrechtspraak<br />

van de Raad van State. Volgen hen kon de<br />

minister het tracéproject Rijksweg A2 niet<br />

vaststellen, gelet op de negatieve gevolgen<br />

van de verbreding van de snelweg A2 voor<br />

het betrokken Natura 2000-gebied. Zij betogen<br />

dat de ontwikkeling van nieuwe blauwgraslanden<br />

niet in aanmerking had mogen<br />

worden genomen ter beantwoording van de<br />

vraag of de natuurlijke kenmerken van dit<br />

gebied worden aangetast. De minister is<br />

daarentegen van mening dat ingeval een<br />

project negatieve gevolgen kan hebben voor<br />

een bestaand areaal van een beschermd<br />

habitattype in een Natura 2000-gebied, bij de<br />

beoordeling of er sprake is van aantasting<br />

van de natuurlijke kenmerken van dat gebied<br />

betekenis toekomt aan de omstandigheid dat<br />

in hetzelfde gebied een areaal van gelijke of<br />

grotere omvang van dat habitattype tot ontwikkeling<br />

zal worden gebracht op een locatie<br />

waar dit habitattype geen negatieve gevolgen<br />

van het project zal ondervinden. Kern van<br />

het geschil tussen Briels en de minister<br />

betreft de vraag op welke wijze dient te worden<br />

beoordeeld of de natuurlijke kenmerken<br />

van het gebied in kwestie worden aangetast<br />

in de zin van artikel 6, lid 3, van richtlijn<br />

92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992<br />

inzake de instandhouding van de natuurlijke<br />

habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206,<br />

blz. 7; hierna: habitatrichtlijn). De Raad van<br />

State besluit deze vraag aan het Hof van Justitie<br />

voor te leggen.<br />

Prejudiciële vragen<br />

De Raad van State legt de vraag voor of artikel<br />

6, lid 3, van de habitatrichtlijn aldus moet<br />

worden uitgelegd dat een plan of een project<br />

dat niet direct verband houdt met of nodig is<br />

voor het beheer van een gebied van communautair<br />

belang, dat negatieve gevolgen heeft<br />

voor een type natuurlijke habitat dat in dit<br />

gebied voorkomt, en dat voorziet in maatregelen<br />

voor de ontwikkeling van een areaal<br />

van gelijke of grotere omvang van dat habitattype<br />

in dit gebied, de natuurlijke kenmerken<br />

van dat gebied aantast, en of dergelijke<br />

maatregelen in voorkomend geval als ‘compenserende<br />

maatregelen’ in de zin van lid 4<br />

van dit artikel kunnen worden aangemerkt.<br />

De uitspraak van het Hof<br />

Het Hof verwijst naar zijn arrest Sweetman<br />

(C258/11, punt 39) waarin het heeft geoordeeld<br />

een ingreep geen aantasting van de<br />

natuurlijke kenmerken van een gebied meebrengt,<br />

indien dat gebied wordt bewaard in<br />

een gunstige staat van instandhouding, hetgeen<br />

neerkomt op het duurzame behoud van<br />

de bepalende kenmerken van het betrokken<br />

gebied die verband houden met de aanwezigheid<br />

van een type natuurlijke habitat waarvan<br />

de instandhoudingsdoelstelling rechtvaardigde<br />

dat dit gebied in de lijst van gebieden van<br />

communauteir belang (GCB) in de zin van de<br />

habitatrichtlijn werd opgenomen.<br />

In het hoofdgeding staat vast dat het betrokken<br />

Natura 2000-gebied door de Commissie<br />

als GCB en door het Koninkrijk der Nederlanden<br />

als speciale beschermingszone is aangewezen,<br />

met name wegens de aanwezigheid in<br />

dit gebied van het natuurlijke habitattype<br />

‘blauwgraslanden. Bovendien blijkt dat het<br />

tracéproject Rijksweg A2 significante negatieve<br />

gevolgen heeft voor de ‘blauwgraslanden’,<br />

wegens de uitdroging en de verzuring van de<br />

bodem door stikstofdepositie. Dit betekent<br />

volgens het Hof dat het project het duurzame<br />

behoud van de wezenlijke kenmerken<br />

van het betrokken Natura 2000-gebied in<br />

gevaar dreigt te brengen en bijgevolg de<br />

natuurlijke kenmerken van het gebied kan<br />

aantasten in de zin van artikel 6, lid 3, van de<br />

habitatrichtlijn. De door de minister voorgestelde<br />

beschermingsmaatregelen doen niet<br />

af aan die vaststelling. De beschermingsmaatregelen<br />

die in een project worden opgenomen<br />

om de schadelijke gevolgen van dit<br />

project voor een Natura 2000-gebied te compenseren,<br />

kunnen volgens het Hof bij de<br />

door artikel 6, lid 3, opgelegde beoordeling<br />

van de gevolgen van dit project niet in aanmerking<br />

worden genomen. Het Hof constateert<br />

dat de maatregelen van de minister er<br />

niet toe strekken om de significante negatieve<br />

gevolgen die voor het habitattype ‘blauwgraslanden’<br />

rechtstreeks uit het tracéproject<br />

Rijksweg A2 voortvloeien, te voorkomen of te<br />

verminderen, maar beogen deze gevolgen<br />

nadien te compenseren. In die omstandigheden<br />

kunnen die maatregelen niet garanderen<br />

dat het project de natuurlijke kenmerken van<br />

dit gebied niet zal aantasten in de zin van<br />

artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn. Het<br />

Hof wijst er bovendien op dat de eventuele<br />

positieve gevolgen van het achteraf tot ontwikkeling<br />

brengen van een nieuwe habitat<br />

waarmee het verlies aan oppervlakte en kwaliteit<br />

van ditzelfde type habitat in een<br />

beschermd gebied dient te worden gecompenseerd<br />

in de regel onzeker zijn, en dat deze<br />

gevolgen hoe dan ook slechts binnen enkele<br />

jaren zichtbaar zullen worden. Bijgevolg kan<br />

daarmee in het kader van de bij artikel 6, lid<br />

3, vastgestelde procedure geen rekening worden<br />

gehouden. Het ondermijnt volgens het<br />

Hof bovendien de nuttige werking van de in<br />

artikel 6 van de habitatrichtlijn indien de<br />

bevoegde nationale instantie via zogenoemde<br />

‘mitigerende’ maatregelen die in werkelijkheid<br />

compenserende maatregelen zijn, de in<br />

dit artikel vastgelegde specifieke procedures<br />

ontwijkt door krachtens lid 3 van dat artikel<br />

projecten toe te staan die de natuurlijke kenmerken<br />

van het betrokken gebied aantasten.<br />

Dit betekent dat de maatregelen van minister<br />

als compenserende maatregelen in de zin<br />

van artikel 6, lid 4 van de habitatrichtlijn<br />

kunnen worden aangemerkt, mits de bij deze<br />

bepaling gestelde voorwaarden zijn vervuld.<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1689


Rechtspraak<br />

Conclusie<br />

Artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn moet<br />

aldus worden uitgelegd dat een plan of een<br />

project dat niet direct verband houdt met of<br />

nodig is voor het beheer van een gebied van<br />

communautair belang, dat negatieve gevolgen<br />

heeft voor een in dit gebied voorkomend type<br />

natuurlijke habitat en dat voorziet in maatregelen<br />

voor het tot ontwikkeling brengen in<br />

dit gebied van een areaal van gelijke of grotere<br />

omvang van dit habitattype, de natuurlijke<br />

kenmerken van dat gebied aantast. Deze<br />

maatregelen kunnen in voorkomend geval<br />

slechts als ‘compenserende maatregelen’ in de<br />

zin van lid 4 van dit artikel worden aangemerkt,<br />

voor zover de bij deze bepaling gestelde<br />

voorwaarden vervuld zijn.<br />

Hoge Raad (civiele kamer)<br />

Deze rubriek wordt verzorgd door mr. G.C.C.<br />

Lewin, lid van het Gemeenschappelijk Hof<br />

van Justitie van het Caribische deel van het<br />

Koninkrijk. De uitspraken zijn integraal in te<br />

zien op www.rechtspraak.nl.<br />

1233<br />

13 juni 2014, nr. 13/02097<br />

(Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, M.V.<br />

Polak, T.H. Tanja-van den Broek; A-G mr.<br />

L.A.D. Keus)<br />

ECLI:NL:HR:2014:1402<br />

Curaçao. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap.<br />

Pensioenverrekening. HR: Naar<br />

het (toenmalige) recht van de Nederlandse<br />

Antillen geldt voor pensioenverrekening de<br />

Boon vs. Van Loon-maatstaf. Deze maatstaf<br />

laat de rechter een grote mate van vrijheid.<br />

Het hof heeft zijn oordeel dat pensioenverrekening<br />

achterwege moet blijven, gebaseerd<br />

op feiten en omstandigheden die dat<br />

oordeel kunnen dragen.<br />

(BW art. 1:100, 3:166 lid 3, 6 lid 2)<br />

De vrouw, adv. mr. M.E. Bruning, vs. de man,<br />

niet verschenen.<br />

Feiten en procesverloop<br />

Partijen zijn in 1993 in algehele gemeenschap<br />

van goederen gehuwd en in 2011<br />

gescheiden.<br />

In dit Curaçaose geding heeft de vrouw vaststelling<br />

van partneralimentatie en verdeling<br />

van de pensioenrechten van de man verzocht.<br />

Het gerecht heeft de verzoeken afgewezen.<br />

Het hof heeft de partneralimentatie alsnog<br />

vastgesteld op NAF 250 per maand en de<br />

beslissing over de pensioenrechten bevestigd.<br />

Hoge Raad<br />

Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt<br />

dat pensioenrechten - waaronder niet<br />

zijn begrepen aanspraken krachtens de AOV -<br />

in de huwelijksgoederengemeenschap vallen.<br />

Het (toenmalige) recht van de Nederlandse<br />

Antillen kent niet een met de in Nederland<br />

geldende Wet verevening pensioenrechten<br />

bij scheiding vergelijkbare wettelijke regeling.<br />

Derhalve geldt voor verrekening van<br />

pensioenrechten zoals hier aan de orde de<br />

maatstaf van HR 27 november 1981,<br />

ECLI:NL:HR:1981:AG4271, NJ 1982/503 (Boon<br />

vs. Van Loon). Deze maatstaf laat de rechter<br />

een grote mate van vrijheid bij de beantwoording<br />

van de vraag of en in hoeverre verrekening<br />

van pensioenrechten in een<br />

bepaald geval dient plaats te vinden. De<br />

eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen,<br />

gelet op de omstandigheden van het geval,<br />

meebrengen dat verrekening van pensioenrechten<br />

achterwege blijft. Het hof heeft zijn<br />

oordeel dat pensioenverrekening achterwege<br />

moet blijven, gebaseerd op de omstandigheden<br />

1. dat het hier gaat om een bescheiden<br />

pensioen, 2. dat tussen partijen een groot<br />

leeftijdsverschil bestaat, 3. dat van de man,<br />

die 62 jaar is, niet kan worden verwacht dat<br />

hij betaalde arbeid verricht, 4. dat de vrouw,<br />

die 48 jaar is, geacht wordt haar verdiencapaciteit<br />

te benutten, en 5. dat het hier geen eerste<br />

huwelijk betreft. Het hof heeft zijn oordeel<br />

aldus gegrond op een afweging van<br />

feiten en omstandigheden in hun onderlinge<br />

samenhang beschouwd. Deze feiten en<br />

omstandigheden kunnen het oordeel van het<br />

hof dragen.<br />

Volgt verwerping.<br />

De A-G concludeert tot vernietiging en terugwijzing.<br />

Hij meent dat het hof zijn oordeel dat<br />

pensioenverrekening achterwege moet blijven,<br />

heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden<br />

die dat oordeel niet zonder meer kunnen dragen<br />

(2.13).<br />

1234<br />

13 juni 2014, nr. 13/03768<br />

(Mrs. E.J. Numann, A.H.T. Heisterkamp, G.<br />

Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den<br />

Broek; A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent)<br />

ECLI:NL:HR:2014:1384<br />

Procesrecht. 1. Afwijking van rolbeslissing.<br />

Het hof heeft hetzij ten onrechte geconstateerd<br />

dat geïntimeerden een akte hebben<br />

genomen, hetzij nagelaten te vermelden dat<br />

en op welke grond het is afgeweken van de<br />

rolbeslissing waarbij de akte is geweigerd.<br />

2. Motivering. Het hof heeft niet kenbaar<br />

geoordeeld over een tegen de afwijzing van<br />

de reconventionele vordering gerichte grief.<br />

In zijn overwegingen ligt niet besloten dat<br />

die vordering diende te worden afgewezen.<br />

(Rv art. 19, 20, 82; RO art. 79 lid 1)<br />

A c.s., adv. mr. M.J. van Basten Batenburg, vs.<br />

Dudok v.s., adv. mr. B. Winters.<br />

Feiten en procesverloop<br />

In 1913 is een erfdienstbaarheid gevestigd<br />

waarin beperkingen worden gesteld aan de<br />

mogelijkheden tot bebouwing van een terrein.<br />

In 2007 hebben Dudok c.s. dat terrein<br />

verworven. A c.s. zijn eigenaren van een in de<br />

nabijheid gelegen perceel.<br />

In dit geding hebben Dudok c.s. primair een<br />

verklaring voor recht gevorderd dat A c.s. aan<br />

de erfdienstbaarheid geen rechten kunnen<br />

ontlenen en subsidiair opheffing van de erfdienstbaarheid.<br />

In reconventie hebben A c.s.<br />

schadevergoeding in verband met de opheffing<br />

van de erfdienstbaarheid gevorderd, op<br />

te maken bij staat. De rechtbank heeft de vorderingen<br />

van Dudok c.s. grotendeels toegewezen<br />

en de reconventionele vordering afgewezen.<br />

Het hof heeft bij tussenarrest de zaak<br />

naar de rol verwezen voor akte zijdens Dudok<br />

c.s. Bij eindarrest heeft het hof vermeld dat<br />

Dudok c.s. een akte hebben genomen en het<br />

vonnis van de rechtbank bekrachtigd.<br />

Hoge Raad<br />

Onderdeel 1 klaagt erover dat het hof de akte<br />

van Dudok c.s. in de beoordeling heeft<br />

betrokken. Het voert daartoe aan dat de rolraadsheer<br />

de akte heeft geweigerd. Het<br />

onderdeel slaagt. A c.s. hebben rolberichten<br />

van het hof overgelegd die geen andere conclusie<br />

toelaten dan dat de akte is geweigerd,<br />

dat de zaak naar de rol van 27 november<br />

2013 is verwezen om Dudok c.s. in de gelegenheid<br />

te stellen een gewijzigde akte te<br />

nemen en dat op die rol is geconstateerd dat<br />

Dudok c.s. de akte niet hebben genomen.<br />

Deze gang van zaken wordt bevestigd door<br />

de inlichtingen die de A-G ambtshalve bij het<br />

hof heeft ingewonnen. De overgelegde stukken<br />

en ingewonnen inlichtingen bieden geen<br />

aanknopingspunt voor de veronderstelling<br />

dat de rolraadsheer de akte slechts gedeeltelijk<br />

zou hebben geweigerd. Aldus heeft het<br />

hof hetzij ten onrechte geconstateerd dat<br />

Dudok c.s. een akte hebben genomen en vervolgens<br />

die akte in zijn beoordeling betrokken,<br />

hetzij nagelaten te vermelden dat en op<br />

welke grond het is afgeweken van de rolbeslissing<br />

waarbij de akte is geweigerd. Onderdeel<br />

2 verwijt het hof dat het niet, althans<br />

niet gemotiveerd, heeft beslist op grief VIII<br />

die opkwam tegen de afwijzing door de<br />

rechtbank van de vordering van A c.s. in<br />

1690 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Rechtspraak<br />

reconventie. Dit onderdeel slaagt eveneens. A<br />

c.s. hebben in de toelichting op grief VIII<br />

betoogd dat hun woning door realisatie van<br />

de bouwplannen in waarde zal dalen en hebben<br />

hiervan bewijs aangeboden. Het hof<br />

heeft niet kenbaar over deze grief geoordeeld<br />

en evenmin kan worden gezegd dat in de<br />

overwegingen van zijn arrest besloten ligt<br />

dat de vordering in reconventie, ook na de<br />

onderbouwing daarvan in hoger beroep,<br />

diende te worden verworpen. Na verwijzing<br />

dient zo nodig alsnog over deze vordering te<br />

worden geoordeeld.<br />

Volgt vernietiging en verwijzing, overeenkomstig<br />

de conclusie van de A-G.<br />

De A-G meent dat in de overwegingen van het<br />

hof besloten ligt dat de reconventionele vordering<br />

diende te worden afgewezen<br />

(ECLI:NL:PHR:2014:296, onder 2.13).<br />

13 juni 2014, nr. 13/03767<br />

(Mrs. E.J. Numann, A.H.T. Heisterkamp, G.<br />

Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den<br />

Broek; A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent)<br />

ECLI:NL:HR:2014:1383<br />

Procesrecht. Samenhang met HR 13 juni<br />

2014, nr. 13/03768, ECLI:NL:HR:2014:1384,<br />

hiervóór afgedrukt, met de eigenaren van<br />

een ander perceel als partij. HR: 1. Geen<br />

afwijking van rolbeslissing. In deze zaak<br />

heeft de rolraadsheer de akte van geïntimeerden<br />

niet geweigerd. 2. Motivering.<br />

Gelijke beslissing als in de andere zaak.<br />

(Rv art. 19, 20, 82; RO art. 79 lid 1).<br />

1235<br />

13 juni 2014, nr. 13/04169<br />

(Mrs. F.B. Bakels, C.A. Streefkerk, C.E. Drion,<br />

G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek; A-G<br />

mr. E.M. Wesseling-van Gent)<br />

ECLI:NL:HR:2014:1403<br />

Enquêterecht. Onderzoeker. Inrichting van<br />

het onderzoek. Een belanghebbende verzoekt<br />

de ondernemingskamer de onderzoeker<br />

te bevelen a. een kopie te verstrekken<br />

van de opnames die de onderzoeker heeft<br />

gemaakt van interviews en b. gespreksverslagen<br />

aan te passen. HR: 1. Belanghebbende.<br />

De onderzoeker is niet te beschouwen<br />

als partij of belanghebbende. 2. Vastgelegde<br />

verklaringen. Van de onderzoeker die verklaringen<br />

van gehoorde personen vastlegt,<br />

mag worden verwacht dat hij de vastlegging<br />

doet toekomen aan de gehoorde persoon<br />

en deze gelegenheid biedt daarover<br />

opmerkingen te maken. De onderzoeker<br />

dient in zijn verslag te vermelden dat de<br />

gehoorde persoon opmerkingen heeft<br />

gemaakt. Indien de onderzoeker verklaringen<br />

vastlegt met audiovisuele middelen,<br />

mag in beginsel worden verwacht dat hij de<br />

gehoorde persoon desgevraagd gelegenheid<br />

geeft de opname te zien of te beluisteren,<br />

opdat deze opmerkingen kan maken. De<br />

gehoorde persoon heeft geen aanspraak op<br />

een kopie van de beeld- of geluidsopname,<br />

noch op aanpassing van het gespreksverslag.<br />

(BW art. 2:345 lid 1, 2:350 lid 4, 2:351, 2:352<br />

en 2:352a; Rv art. 426b lid 1)<br />

Energie Concurrent, adv. mr. J.W.H. van Wijk,<br />

vs. Eneco, adv. mrs. F.E. Vermeulen en B.F.<br />

Assink, en Greenchoice en X, niet verschenen.<br />

Procesverloop<br />

In dit geding heeft de ondernemingskamer<br />

op verzoek van Eneco een onderzoek bevolen<br />

naar het beleid en de gang van zaken van<br />

Greenchoice. De onderzoeker mr. P. Cronheim<br />

heeft A c.s. gehoord, die indirect bestuurders<br />

van Greenchoice zijn geweest. Energie Concurrent<br />

is bestuurder van Greenchoice en<br />

heeft de ondernemingskamer verzocht de<br />

onderzoeker te bevelen a. een kopie te verstrekken<br />

van de opnames die zijn gemaakt<br />

van de interviews met A c.s., en b. de verslagen<br />

van de gesprekken met A c.s. zodanig<br />

aan te passen dat alle opmerkingen die zij<br />

hebben gemaakt en na het beluisteren van<br />

de opnames nog zullen maken, en alle wijzigingen<br />

die zij hebben voorgesteld en na het<br />

beluisteren van de opnames nog zullen voorstellen,<br />

daarin zijn verwerkt. De ondernemingskamer<br />

heeft de verzoeken afgewezen.<br />

Hiertegen heeft Energie Concurrent cassatieberoep<br />

ingesteld. De A-G heeft in haar eerste<br />

conclusie (ECLI:NL:PHR:2014:72) geconcludeerd<br />

tot rolverwijzing om de onderzoeker in<br />

de gelegenheid te stellen een verweerschrift<br />

in te dienen. De rolraadsheer heeft als beslissing<br />

van de Hoge Raad meegedeeld dat de<br />

onderzoeker niet wordt opgeroepen.<br />

Hoge Raad<br />

Voor de beslissing van de Hoge Raad dat de<br />

onderzoeker niet wordt opgeroepen is redengevend<br />

dat de onderzoeker zijn onderzoek<br />

verricht in opdracht en naar de aanwijzingen<br />

van de ondernemingskamer. Als een belanghebbende<br />

de ondernemingskamer vraagt aan<br />

de onderzoeker bepaalde aanwijzingen te<br />

geven, zal de ondernemingskamer alvorens<br />

te beslissen de onderzoeker in de gelegenheid<br />

kunnen stellen daarop te reageren. Als<br />

de onderzoeker hiervan gebruik maakt,<br />

brengt dat evenwel niet mee dat hij nadien,<br />

als een verzoeker of belanghebbende in cassatie<br />

komt van de beslissing van de ondernemingskamer,<br />

is te beschouwen als een partij<br />

of belanghebbende die in de vorige instantie<br />

is verschenen in de zin van art. 426b lid 1 Rv.<br />

Het voorgaande is niet anders onder het<br />

sinds 1 januari 2013 geldende enquêterecht,<br />

waarin is bepaald dat de ondernemingskamer<br />

bij de benoeming van de onderzoeker<br />

tevens een raadsheer-commissaris benoemt<br />

die aan de onderzoeker aanwijzingen kan<br />

geven met het oog op de goede gang van het<br />

onderzoek (art. 2:350 lid 4 BW).<br />

Bij de beoordeling van de cassatieklachten<br />

wordt het volgende vooropgesteld. De door de<br />

ondernemingskamer benoemde onderzoeker<br />

heeft op de voet van art. 2:345 lid 1 BW tot<br />

taak een onderzoek in te stellen naar het<br />

beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon.<br />

De onderzoeksbevoegdheden van de<br />

onderzoeker zijn in de wet summier geregeld<br />

(de art. 2:351, 2:352 en 2:352a BW). De onderzoeker<br />

is, behoudens eventuele aanwijzingen<br />

van de ondernemingskamer - en inmiddels<br />

ook: de raadsheer-commissaris (art. 2:351 lid 4<br />

BW) -, in beginsel vrij in de inrichting van het<br />

onderzoek en het verslag. Er zijn geen wettelijke<br />

voorschriften met betrekking tot de verslaglegging<br />

van verklaringen van personen<br />

die door de onderzoeker worden gehoord. De<br />

Ondernemingskamer heeft ‘Aandachtspunten,<br />

aanbevelingen en suggesties voor onderzoekers’<br />

opgesteld (www.rechtspraak.nl; volgt een<br />

citaat daaruit). Verklaringen van door de<br />

onderzoeker gehoorde personen zijn in het<br />

algemeen van invloed op diens bevindingen<br />

in het verslag. Daarmee kunnen zij ook van<br />

invloed zijn op de oordeelsvorming van de<br />

ondernemingskamer indien een tweedefaseprocedure<br />

volgt. Tegen de achtergrond van het<br />

voorgaande mag van de onderzoeker die verklaringen<br />

van door hem gehoorde personen<br />

(schriftelijk of elektronisch) vastlegt, worden<br />

verwacht dat hij de vastlegging doet toekomen<br />

aan de gehoorde persoon en aan deze<br />

persoon gelegenheid biedt binnen een door<br />

de onderzoeker te stellen redelijke termijn<br />

daarover opmerkingen te maken. Indien de<br />

gehoorde persoon zodanige opmerkingen<br />

maakt, is het aan de onderzoeker om te bepalen<br />

of en in hoeverre hij deze in de vastlegging<br />

verwerkt. De onderzoeker dient in zijn<br />

verslag in elk geval melding te maken van het<br />

feit dat de gehoorde persoon opmerkingen<br />

over de vastlegging heeft gemaakt. Indien de<br />

onderzoeker aanleiding ziet verklaringen van<br />

door hem gehoorde personen vast te leggen<br />

met audiovisuele middelen, mag voorts in<br />

beginsel van de onderzoeker worden verwacht<br />

dat hij de gehoorde persoon desgevraagd gelegenheid<br />

geeft de opname te zien of te beluisteren,<br />

opdat de gehoorde persoon opmerkin-<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1691


Rechtspraak<br />

gen kan maken naar aanleiding van de<br />

vastgelegde verklaring. Behoudens andersluidende<br />

aanwijzingen van de ondernemingskamer<br />

of de raadsheer-commissaris, is het aan<br />

de onderzoeker om te bepalen op welke wijze<br />

hij hiertoe gelegenheid biedt. Op de onderzoeker<br />

rust in beginsel niet de verplichting om<br />

een kopie van de opname aan de gehoorde<br />

persoon ter beschikking te stellen. Gezien het<br />

voorgaande gaan de klachten uit van eisen die<br />

niet voortvloeien uit de wettelijke taak en<br />

bevoegdheden van de onderzoeker of de van<br />

de onderzoeker te verlangen zorgvuldigheid<br />

in de inrichting en verslaglegging van het<br />

onderzoek. Bovendien is het niet aan Energie<br />

Concurrent, maar aan A c.s. als gehoorde personen,<br />

om desgewenst bij de onderzoeker<br />

opmerkingen te maken naar aanleiding van<br />

de vastlegging van de eigen verklaring, al dan<br />

niet na het beluisteren van de opname daarvan.<br />

Ook A c.s. hebben echter, gelet op hetgeen<br />

hiervoor is vooropgesteld, geen aanspraak op<br />

een kopie van de geluidsopname van de eigen<br />

verklaring, noch op aanpassing van het verslag<br />

daarvan overeenkomstig ieders opmerkingen.<br />

De slotsom is dat de klachten falen.<br />

Volgt verwerping, overeenkomstig de tweede<br />

conclusie van de A-G (ECLI:NL:PHR:2014:287).<br />

De A-G bespreekt de taak van de onderzoeker<br />

(3.3-3.7), de inrichting van het onderzoek (3.8-<br />

3.16), de functie van gespreksverslagen (3.17-<br />

3.24) en de positie van de onderzoeker in vergelijking<br />

met die van de deskundige in een<br />

civiele procedure (3.25-3.27).<br />

1236<br />

13 juni 2014, nr. 13/04341<br />

(Mrs. E.J. Numann, C.A. Streefkerk, A.H.T.<br />

Heisterkamp, G. Snijders, T.H. Tanja-van den<br />

Broek; A-G mr. M.H. Wissink)<br />

ECLI:NL:HR:2014:1385<br />

Prejudiciële vraag. Koop op afbetaling.<br />

Dient een telefoonabonnement waarbij de<br />

consument een ‘gratis’ mobiele telefoon<br />

ontvangt, te worden aangemerkt als koop<br />

op afbetaling En tevens als krediettransactie/kredietovereenkomst<br />

HR: In beginsel<br />

wel, tenzij de aanbieder stelt en zo nodig<br />

aannemelijk maakt dat de verschuldigde<br />

abonnementskosten niet (mede) strekken<br />

tot afbetaling van de telefoon.<br />

(BW art. 3:41, 7:57 lid 1, 7:58 lid 2, 7:73 lid 2,<br />

7A:1576; Wck (oud) art. 1, 4 lid 1; Wft art.<br />

1:20, 4:32-34; Rv art. 392, 393)<br />

A, adv. mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, vs. B,<br />

adv. mr. K. Aantjes, met als indieners van<br />

schriftelijke opmerkingen: CAIW c.s., mr. E.M.<br />

Tjon-En-Fa.<br />

Feiten en procesverloop<br />

In 2010 heeft B in een belwinkel twee overeenkomsten<br />

(telefoonabonnementen) gesloten<br />

met KPN. In beide gevallen heeft zij bij<br />

het afsluiten van het abonnement een<br />

mobiele telefoon ontvangen met een verkoopwaarde<br />

van ongeveer € 475. B heeft de<br />

facturen ter zake van beide abonnementen<br />

gedeeltelijk onbetaald gelaten. In 2011 heeft<br />

B de vernietiging van de overeenkomsten<br />

ingeroepen op de grond dat deze niet voldoen<br />

aan de Wet op het consumentenkrediet<br />

(hierna: Wck). KPN heeft haar vordering op B<br />

overgedragen aan A.<br />

In dit geding heeft A betaling gevorderd van<br />

het onbetaald gebleven gedeelte van de facturen.<br />

De kantonrechter heeft een prejudiciële<br />

vraag gesteld aan de Hoge Raad.<br />

Hoge Raad<br />

De vraag heeft in het bijzonder betrekking<br />

op overeenkomsten<br />

a. die gesloten zijn tussen enerzijds een in<br />

het kader van zijn beroep of bedrijf handelende<br />

(rechts)persoon (hierna: de aanbieder)<br />

en anderzijds een natuurlijk persoon die<br />

handelt voor doeleinden die buiten zijn<br />

beroeps- of bedrijfsactiviteiten vallen (hierna:<br />

de consument),<br />

b. en waarbij een abonnement wordt afgesloten<br />

voor mobiele telefonie met eventuele<br />

daarmee verbonden diensten, met een<br />

bepaalde (minimum)looptijd van meer dan<br />

drie maanden,<br />

c. en waarbij gekoppeld aan het abonnement<br />

een mobiele telefoon ‘gratis’ (dat wil zeggen<br />

zonder dat daarvoor een bepaald bedrag als<br />

vergoeding tot uitdrukking is gebracht) ter<br />

beschikking van de consument wordt gesteld,<br />

welke telefoon eigendom van de consument<br />

wordt of (onder de opschortende voorwaarde<br />

van betaling van de overeengekomen termijnen)<br />

kan worden.<br />

Een dergelijke overeenkomst wordt hierna<br />

aangeduid als een ‘telefoonabonnement<br />

inclusief toestel’. De prejudiciële vraag stelt<br />

aan de orde of een telefoonabonnement<br />

inclusief toestel moet worden aangemerkt:<br />

1. als koop op afbetaling (in de zin van art.<br />

7A:1576 e.v. BW);<br />

2. als krediettransactie (in de zin van de Wck<br />

(oud));<br />

3. als kredietovereenkomst (in de zin van<br />

Titel 2A van Boek 7 BW).<br />

Voor een bevestigende beantwoording is telkens<br />

vereist dat de overeengekomen maandelijkse<br />

betalingen van de consument mede<br />

aangemerkt kunnen worden als (deel)betalingen<br />

ter zake van een koopsom voor de mobiele<br />

telefoon. De prejudiciële vraagstelling is<br />

kennelijk ingegeven door de omstandigheid<br />

dat, volgens de letterlijke tekst van de desbetreffende<br />

overeenkomst, de telefoon om niet<br />

ter beschikking wordt gesteld en de maandelijkse<br />

betalingen slechts betrekking hebben<br />

op het gebruik door de consument van de<br />

telecommunicatiediensten van de aanbieder.<br />

De vraag of een telefoonabonnement inclusief<br />

toestel aangemerkt kan worden als koop<br />

op afbetaling, krediettransactie of kredietovereenkomst<br />

ter zake van de mobiele telefoon,<br />

moet evenwel mede beoordeeld worden<br />

aan de hand van de strekking van de overeenkomst<br />

(of het samenstel van overeenkomsten).<br />

Nu het bij de hier bedoelde wettelijke<br />

regelingen gaat om bepalingen die ten doel<br />

hebben consumenten te beschermen, met<br />

name tegen overkreditering, komt bij het<br />

vaststellen van de strekking van de desbetreffende<br />

overeenkomsten bijzonder gewicht toe<br />

aan het perspectief en de belangen van de<br />

consument. De gebezigde vormgeving, benaming<br />

en formulering van de overeenkomsten<br />

- die door de aanbieder worden bepaald en<br />

niet door de consument - kunnen niet beslissend<br />

zijn, omdat anders de beoogde bescherming<br />

van de consument zou kunnen worden<br />

ontgaan. Voor een consument vertegenwoordigt<br />

een nieuwe mobiele telefoon in het algemeen,<br />

zowel in absolute zin als in verhouding<br />

tot de voor het gebruik van telecommunicatiediensten<br />

maandelijks te betalen kosten,<br />

een aanzienlijke waarde. Daarom moet worden<br />

aangenomen dat een consument doorgaans<br />

tot het afsluiten van een nieuw telefoonabonnement<br />

inclusief toestel overgaat<br />

mede met het oog op het in eigendom verkrijgen<br />

van een dergelijke mobiele telefoon.<br />

In het algemeen zal hij, gelet op de waarde<br />

van de telefoon, niet (mogen) verwachten dat<br />

hij deze daadwerkelijk geheel kosteloos verkrijgt,<br />

maar ermee rekening (moeten) houden<br />

dat in de overeengekomen maandelijkse<br />

betalingen een vergoeding voor de mobiele<br />

telefoon is verwerkt. Omgekeerd geldt ook<br />

voor de aanbieder dat de door hem gemaakte<br />

inkoopkosten voor de mobiele telefoon in het<br />

algemeen geheel of voor een (aanzienlijk)<br />

gedeelte terugverdiend zullen (moeten) worden<br />

uit de door de consument te betalen<br />

maandelijkse abonnementskosten. Gelet op<br />

het voorgaande is het het meest in overeenstemming<br />

met de financiële en bedrijfseconomische<br />

werkelijkheid, de verwachtingen<br />

die partijen mogen hebben en de consumentenbeschermende<br />

strekking van de hiervoor<br />

bedoelde wettelijke regelingen, om tot uitgangspunt<br />

te nemen dat de overeengekomen,<br />

door de consument te betalen maandbedragen<br />

niet alleen betrekking hebben op de vergoeding<br />

voor de door deze af te nemen tele-<br />

1692 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Rechtspraak<br />

communicatiediensten, maar mede strekken<br />

tot afbetaling van een koopprijs voor de<br />

mobiele telefoon. Dat brengt mee dat een<br />

telefoonabonnement inclusief toestel, zoals<br />

hiervoor omschreven, ter zake van de mobiele<br />

telefoon in beginsel is aan te merken als<br />

een koop op afbetaling, en tevens als een krediettransactie<br />

dan wel kredietovereenkomst.<br />

Het ligt op de weg van de aanbieder om feiten<br />

en omstandigheden te stellen en zo<br />

nodig aannemelijk te maken, waaruit volgt<br />

dat de maandelijkse betalingen van de consument<br />

ter zake van een bepaald telefoonabonnement<br />

inclusief toestel niet (mede) strekken<br />

tot vergoeding van de door de consument in<br />

eigendom te verkrijgen mobiele telefoon.<br />

Daartoe zal aannemelijk gemaakt moeten<br />

worden dat door de consument daadwerkelijk<br />

niet betaald behoeft te worden voor het verkrijgen<br />

van de mobiele telefoon. Ter zake van<br />

een telefoonabonnement inclusief toestel,<br />

gesloten op of na 25 mei 2011, zal de aanbieder<br />

bovendien kunnen stellen en aannemelijk<br />

maken dat het gaat om een kredietovereenkomst<br />

(goederenkrediet) met een<br />

zogenoemd ‘zacht krediet’ als omschreven in<br />

art. 7:58 lid 2, onder e, eerste gedeelte, BW<br />

(een krediet zonder rente en andere kosten).<br />

Dat geldt niet voor een telefoonabonnement<br />

inclusief toestel, gesloten vóór 25 mei 2011,<br />

nu dat zou ingaan tegen de duidelijke tekst<br />

van art. 4 lid 1, aanhef en onder a, Wck (oud)<br />

en de nationale rechter niet gehouden is tot<br />

richtlijnconforme uitleg contra legem. In<br />

voorkomend geval zal de consument een<br />

overeenkomst die aangemerkt kan worden<br />

als een telefoonabonnement inclusief toestel,<br />

kunnen vernietigen wegens strijd met de in<br />

verband met koop op afbetaling, krediettransactie<br />

dan wel kredietovereenkomst geldende<br />

wettelijke bepalingen. Opmerking verdient<br />

dat de overeenkomst in zodanig geval,<br />

indien aan de voorwaarden van art. 3:41 BW<br />

is voldaan (vgl. HR 20 december 2013,<br />

ECLI:NL:HR:2013:2123 (BP vs. Benschop)), in<br />

stand kan blijven voor zover deze betrekking<br />

heeft op de telecommunicatiediensten. Dat<br />

laatste geldt ook voor zover een telefoonabonnement<br />

inclusief toestel ingevolge art.<br />

7A:1576 lid 2 BW niet van kracht is geworden<br />

omdat de door de consument te betalen<br />

koopprijs voor de mobiele telefoon niet in de<br />

overeenkomst is bepaald; deze wetsbepaling<br />

ziet immers niet op het gedeelte van de overeenkomst<br />

dat betrekking heeft op het verlenen<br />

van telecommunicatiediensten. A heeft<br />

aangevoerd dat toepasselijkheid van de wettelijke<br />

regelingen inzake krediettransactie<br />

dan wel kredietovereenkomst, ingrijpende en<br />

kostbare gevolgen heeft voor aanbieders van<br />

telefoonabonnementen. Dit betoog kan niet<br />

tot een ander oordeel leiden. Het gaat de<br />

rechtsvormende taak van de rechter te buiten<br />

om op grond van die gestelde gevolgen generieke<br />

uitzonderingen op deze wettelijke regelingen<br />

te aanvaarden. Voor zover de minister<br />

niet bij algemene maatregel van bestuur<br />

afwijkt van bepaalde regels van de Wft of<br />

nadere regels stelt (zie bijv. art. 4:32-34 Wft),<br />

is het aan de (Europese dan wel Nederlandse)<br />

wetgever om te beoordelen of moet worden<br />

voorzien in generieke uitzonderingen.<br />

Volgt dienovereenkomstige beantwoording<br />

van de prejudiciële vraag.<br />

De A-G beantwoordt de vraag dienovereenkomstig<br />

(4.61). Hij geeft de juridische kaders<br />

onder 3.1-3.24.<br />

1237<br />

13 juni 2014, nr. 13/05774<br />

(Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, A.H.T.<br />

Heisterkamp, C.E. Drion, M.V. Polak, T.H.<br />

Tanja-van den Broek;<br />

A-G mr. L. Timmerman)<br />

ECLI:NL:HR:2014:1404<br />

Faillissement. Vereenvoudigde afwikkeling.<br />

Voorrang. Een faillissement wordt afgewikkeld<br />

zonder verificatievergadering. Een<br />

schuldeiser komt in verzet tegen de uitdelingslijst<br />

met het betoog dat er geen rekening<br />

is gehouden met de voorrang van zijn<br />

vordering. De rechtbank verklaart hem<br />

niet-ontvankelijk. HR: In het systeem van<br />

vereenvoudigde afwikkeling past dat het<br />

aan de curator is om na te gaan welke vorderingen<br />

bevoorrecht zijn of zijn gedekt<br />

door pand, hypotheek of retentierecht, en<br />

daarover in geval van geschil in overleg te<br />

treden met de desbetreffende schuldeiser.<br />

De rechtbank heeft ten onrechte de schuldeiser<br />

de mogelijkheid onthouden om bij<br />

wege van verzet tegen de uitdelingslijst<br />

aanspraak te maken op voorrang.<br />

(Fw art. 121-122, 137a-137g, 184)<br />

Verzoeker, adv. mr. M.A.M. Essed, vs. mr. H.M.<br />

Eijking q.q., curator in het faillissement van<br />

A, niet verschenen.<br />

Procesverloop<br />

Verzoeker heeft op 9 september 2012 bij de<br />

curator in het faillissement van A een vordering<br />

ingediend van € 66 760, met de vermelding<br />

dat de vordering verband houdt met<br />

door hem betaalde belastingschulden van A.<br />

Bij beschikking van 19 augustus 2013 heeft<br />

de rechter-commissaris bepaald dat de<br />

behandeling van concurrente vorderingen<br />

achterwege blijft en dat geen verificatievergadering<br />

wordt gehouden. Op 9 september<br />

2013 is de (slot)uitdelingslijst in het faillissement<br />

van genoemde vennootschap ter griffie<br />

neergelegd. Verzoeker is op 19 september<br />

2013 in verzet gekomen tegen de uitdelingslijst<br />

en heeft aangevoerd dat in de uitdelingslijst<br />

ten onrechte geen bedrag is opgenomen<br />

voor de betaling van zijn vordering en dat hij<br />

is gesubrogeerd in het voorrecht van de fiscus.<br />

De rechtbank heeft verzoeker niet-ontvankelijk<br />

verklaard in zijn verzet en daartoe<br />

overwogen dat verzoeker zich in dit stadium<br />

niet meer kan beroepen op een recht van<br />

voorrang.<br />

Hoge Raad<br />

Ingevolge art. 137e Fw kan een schuldeiser in<br />

verzet komen tegen de uitdelingslijst die is<br />

opgemaakt in het kader van een vereenvoudigde<br />

afwikkeling van het faillissement (art.<br />

137a-137g Fw). Behoudens omstandigheden<br />

waarvan in het onderhavige geval geen sprake<br />

is, is bij de vereenvoudigde afwikkeling<br />

uitgangspunt dat geen verificatievergadering<br />

plaatsvindt. Een schuldeiser heeft dan ook<br />

geen mogelijkheid zich ter gelegenheid van<br />

zodanige vergadering op een recht van voorrang<br />

te beroepen. Evenmin kan een bevoorrechte<br />

vordering in een van zodanige vergadering<br />

op te maken proces-verbaal met<br />

kracht van gewijsde worden erkend of, in<br />

geval van betwisting van de voorrang, daarover<br />

eerder dan bij wege van verzet tegen de<br />

uitdelingslijst een beslissing van de rechter<br />

worden verkregen (vgl. art. 121-122 Fw). In<br />

dit systeem van vereenvoudigde afwikkeling<br />

past dat het aan de curator is om na te gaan<br />

welke vorderingen bevoorrecht zijn of zijn<br />

gedekt door pand, hypotheek of retentierecht,<br />

en daarover in geval van geschil in<br />

overleg te treden met de desbetreffende<br />

schuldeiser (art. 137b Fw). Hieruit volgt dat<br />

bij de vereenvoudigde afwikkeling van een<br />

faillissement waarin geen verificatievergadering<br />

is gehouden, geen sprake is van een<br />

situatie die op één lijn kan worden gesteld<br />

met die van HR 9 oktober 1998,<br />

ECLI:NL:HR:1998:ZC2728, NJ 1999/467 (Alsag<br />

vs. Kamphuisen q.q.). Voorts vindt de opvatting<br />

van de rechtbank dat de schuldeiser die<br />

meent een recht van voorrang te hebben,<br />

zich daarop bij de indiening van zijn vordering<br />

bij de curator moet beroepen, mede<br />

gelet op het bepaalde in art. 137b Fw, geen<br />

steun in de wet. De rechtbank heeft dan ook<br />

ten onrechte verzoeker de mogelijkheid onthouden<br />

om bij wege van verzet tegen de uitdelingslijst<br />

aanspraak te maken op voorrang,<br />

op de grond dat hij van zijn aanspraak op<br />

voorrang geen melding heeft gemaakt bij de<br />

indiening van zijn vordering.<br />

Volgt vernietiging en terugwijzing, overeenkomstig<br />

de conclusie van de A-G.<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1693


Rechtspraak<br />

De A-G noemt literatuur (2.5) en wetsgeschiedenis<br />

(2.6).<br />

1238<br />

13 juni 2014, nr. 13/05858<br />

(Mrs. F.B. Bakels, A.M.J. van Buchem-Spapens,<br />

C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G.<br />

Snijders; A-G mr. M.H. Wissink)<br />

ECLI:NL:HR:2014:1405<br />

Prejudiciële vraag. Buitengerechtelijke kosten.<br />

Veertiendagenbrief. HR: Indien de<br />

schuldeiser in redelijkheid tot het verrichten<br />

van incassohandelingen is overgegaan<br />

en de veertiendagenbrief heeft gestuurd,<br />

wordt de consument-schuldenaar bij uitblijven<br />

van de betaling binnen veertien dagen<br />

de genormeerde vergoeding voor buitengerechtelijke<br />

incassohandelingen verschuldigd<br />

zonder dat de schuldeiser gehouden is<br />

nadere incassohandelingen te verrichten.<br />

(BW art. 6:96 lid 5-7)<br />

Fa-Med, adv. mr. A.C. van Schaick, vs. A, niet<br />

verschenen, met als indiener van schriftelijke<br />

opmerkingen: Koninklijke Beroepsorganisatie<br />

van Gerechtsdeurwaarders, mr. M.A.J.G.<br />

Janssen.<br />

Feiten en procesverloop<br />

Aan Fa-Med zijn twee vorderingen gecedeerd<br />

van een zorgverlener die een kind van A<br />

heeft behandeld. A is ter zake van beide vorderingen<br />

in verzuim geraakt. A is vervolgens<br />

schriftelijk tot betaling gemaand, met aanzegging<br />

van kosten van € 173 respectievelijk<br />

van € 40 voor het geval zij de gevorderde<br />

bedragen niet binnen veertien dagen heeft<br />

betaald. De facturen zijn onbetaald gebleven.<br />

In de onderhavige procedure heeft Fa-Med<br />

betaling van de facturen gevorderd, te vermeerderen<br />

met de aangezegde buitengerechtelijke<br />

incassokosten. De kantonrechter heeft<br />

de volgende prejudiciële vraag gesteld aan de<br />

Hoge Raad: ‘Dient art. 6:96 lid 6 BW aldus te<br />

worden uitgelegd dat na het verzenden van<br />

de daarin genoemde veertiendagenbrief<br />

vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten<br />

is verschuldigd, dus zonder dat de<br />

crediteur na het verzenden van die (veertiendagen)brief<br />

nog een nadere incassohandeling<br />

verricht’<br />

Hoge Raad<br />

De vraag houdt verband met de toepassing<br />

van de leden 5-7 van art. 6:96 BW, die met<br />

ingang van 1 juli 2012 van kracht zijn geworden,<br />

tezamen met het in lid 5 bedoelde<br />

Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke<br />

incassokosten, Stb. 2012, 141 (het Besluit).<br />

Met deze nieuwe regelgeving heeft de wetgever<br />

beoogd houvast te bieden omtrent de<br />

hoogte van de in art. 6:96 lid 2, aanhef en<br />

onder c, BW genoemde redelijke kosten. De in<br />

art. 6:96 lid 6 BW bedoelde aanmaning wordt<br />

hierna aangeduid als de veertiendagenbrief.<br />

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van<br />

deze nieuwe regels blijkt dat de wetgever met<br />

name de ‘tweede redelijkheidstoets’ (de hoogte<br />

van de kosten) heeft willen normeren. Niet<br />

is beoogd ook de ‘eerste redelijkheidstoets’<br />

(de vraag of het redelijk is dat kosten zijn<br />

gemaakt) in te vullen (volgt een citaat uit<br />

Kamerstukken II 2010/11, 32418, 5, p. 5). Hieruit<br />

blijkt dat ook in de nieuwe wettelijke<br />

regeling pas recht bestaat op vergoeding van<br />

buitengerechtelijke incassokosten, indien<br />

daadwerkelijk incassohandelingen zijn verricht<br />

(zodat vermogensschade bestaat in de<br />

zin van art. 6:96 lid 1 BW). Niet beoogd is<br />

recht te geven op een vergoeding voor buitengerechtelijke<br />

incassokosten, wanneer in<br />

redelijkheid onvoldoende aanleiding bestond<br />

incassohandelingen te verrichten. Voor de<br />

verschuldigdheid van de vergoeding voor<br />

buitengerechtelijke incassokosten is niet relevant<br />

welke incassohandelingen de schuldeiser<br />

heeft verricht. De maximale hoogte van<br />

de vergoeding is immers uitsluitend gerelateerd<br />

aan de hoogte van de verschuldigde<br />

hoofdsom en niet aan de aard en omvang<br />

van de verrichte incassowerkzaamheden. De<br />

wetgever heeft uitdrukkelijk ervoor gekozen<br />

de schuldeiser vrij te laten in de manier<br />

waarop het incassotraject wordt ingekleed.<br />

Dit stelsel brengt mee dat, indien de schuldenaar<br />

in verzuim is en de schuldeiser incassohandelingen<br />

heeft verricht waartoe hij in<br />

redelijkheid kon overgaan, de volgens het<br />

Besluit genormeerde vergoeding door de<br />

schuldenaar verschuldigd is ongeacht de<br />

aard en omvang van de verrichte incassohandelingen.<br />

Alleen ten aanzien van een consument-schuldenaar<br />

is voorgeschreven dat de<br />

schuldeiser hem eerst nog een veertiendagenbrief<br />

moet sturen (art. 6:96 lid 6 BW).<br />

Daarmee is beoogd dat de consument niet<br />

wordt overvallen door het verschuldigd worden<br />

van incassokosten: hij krijgt na de waarschuwing<br />

in de veertiendagenbrief nog veertien<br />

dagen de gelegenheid het verschuldigde<br />

bedrag te betalen zonder dat incassokosten<br />

verschuldigd worden (volgt een citaat uit<br />

Kamerstukken II 2010/11, 32418, 5, p. 6). Dit<br />

brengt mee dat (ervan uitgaande dat de<br />

schuldeiser in redelijkheid tot het nemen<br />

van incassomaatregelen kon overgaan, hetgeen<br />

in de regel het geval is indien de schuldenaar<br />

in verzuim verkeert) de consumentschuldenaar<br />

de in het Besluit genormeerde<br />

incassokosten verschuldigd wordt indien hij,<br />

nadat de schuldeiser hem de veertiendagenbrief<br />

heeft gestuurd, zijn schuld niet binnen<br />

veertien dagen voldoet. Daartoe zijn geen<br />

nadere incassohandelingen van de zijde van<br />

de schuldeiser vereist.<br />

Volgt dienovereenkomstige beantwoording<br />

van de prejudiciële vraag.<br />

De A-G beantwoordt de vraag dienovereenkomstig<br />

(3.50). Hij deelt de conclusie als volgt<br />

in: het basisstelsel van art. 6:96 BW (3.4-3.8),<br />

het stelsel van de forfaitaire kosten in art.<br />

6:96 leden 5-7 BW (3.9-3.13), de totstandkomingsgeschiedenis<br />

van het nieuwe stelsel<br />

(3.14-3.27) en de standpunten in onder meer<br />

literatuur en feitenrechtspraak en de gebruiken<br />

in het buitenland (3.28-3.38.3). Onder<br />

3.39-3.49 bepaalt hij zijn eigen standpunt.<br />

Hoge Raad (strafkamer)<br />

Deze rubriek wordt verzorgd door prof. mr.<br />

P.H.P.H.M.C. van Kempen, hoogleraar<br />

straf(proces)recht Radboud Universiteit<br />

Nijmegen.<br />

1239<br />

3 juni 2014, nr. 13/01309<br />

(Mrs. W.A.M. van Schendel, B.C. de Savornin<br />

Lohman, H.A.G. Splinter-van Kan)<br />

(Na conclusie van A-G mr. W.H. Vellinga,<br />

strekkende tot vernietiging en tot terugwijzing;<br />

adv. mr. M.G. Cantarella, ’s-Gravenhage)<br />

ECLI:NL:HR:2014:1307<br />

Medeplegen woninginbraak: in casu kan<br />

uit de bewijsvoering niet zonder meer worden<br />

afgeleid dat de verdachte ‘een zodanig<br />

significante bijdrage’ heeft geleverd aan de<br />

woninginbraak dat van bewuste en nauwe<br />

samenwerking tussen de verdachte en de<br />

mededaders kan worden gesproken, nu<br />

slechts is vastgesteld dat de verdachte een<br />

vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en<br />

dat het niet anders kan zijn dan dat over<br />

het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid<br />

van te voren door de verdachte en zijn<br />

mededaders afspraken zijn gemaakt.<br />

(Sr art. 47)<br />

Inleiding:<br />

Verdachte is veroordeeld wegens – kort<br />

gezegd – diefstal door twee of meer verenigde<br />

personen waarbij de schuldige zich de toegang<br />

tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft<br />

door middel van braak.<br />

In appel bepleit de raadsman van de verdachte<br />

vrijspraak. Daartoe voert hij aan dat op<br />

basis van de bewijsmiddelen niet kan worden<br />

1694 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Rechtspraak<br />

vastgesteld dat tussen de verdachte en de<br />

medeverdachten die in de woning zijn<br />

geweest, een nauwe en bewuste samenwerking<br />

is geweest, gericht op die woninginbraak<br />

en dat niet kan worden vastgesteld dat<br />

de verdachte een strafbare rol in het geheel<br />

heeft gespeeld.<br />

Het hof overweegt hierover onder meer:<br />

‘[Het hof stelt] vast dat een van de verdachten<br />

van de woninginbraak na die inbraak<br />

rechts achter in de auto is gesprongen en<br />

dat - zo blijkt uit hetgeen de verbalisant<br />

heeft waargenomen - op dat moment die<br />

auto met hoge snelheid wegreed. Het hof<br />

leidt uit de waarneming van de verbalisant<br />

af dat de auto daar met draaiende motor<br />

moet hebben gestaan en dat de bestuurder<br />

reeds achter het stuur moet hebben gezeten<br />

op het moment dat de medeverdachte in de<br />

auto stapte. De verdachte heeft erkend dat<br />

hij de auto heeft bestuurd. Verdachtes verklaring<br />

dat hij op de bijrijderstoel is gaan<br />

zitten om naar muziek te luisteren, dat hij<br />

pas achter het stuur heeft plaatsgenomen<br />

nadat de medeverdachte achter in de auto<br />

was gestapt en dat de motor van de auto op<br />

dat moment niet draaide, acht het hof dan<br />

ook niet aannemelijk. In samenhang met de<br />

in de bewijsmiddelen vermelde feiten en<br />

omstandigheden is naar het oordeel van het<br />

hof de gedraging van de verdachte, te weten:<br />

het plaatsnemen achter het stuur, het draaiend<br />

houden van de motor, het onmiddellijk<br />

met hoge snelheid wegrijden op het<br />

moment dat de medeverdachte achter in de<br />

auto springt, naar uiterlijke verschijningsvorm<br />

aan te merken als het door de verdachte<br />

faciliteren van de vluchtmogelijkheid<br />

bij die inbraak. Het kan niet anders zijn<br />

dan dat hierover van te voren door de verdachte<br />

en zijn medeverdachten afspraken<br />

zijn gemaakt. Door aldus te handelen heeft<br />

de verdachte naar ’s hofs oordeel een zodanig<br />

significante bijdrage geleverd dat sprake<br />

is van een bewuste, nauwe en volledige<br />

samenwerking tussen de verdachte en zijn<br />

mededaders welke gericht was op het plegen<br />

van de woninginbraak. Het hof verwerpt het<br />

verweer.’<br />

Het middel klaagt dat de bewezenverklaarde<br />

diefstal met braak in vereniging niet uit de<br />

bewijsvoering kan volgen.<br />

Hoge Raad, onder meer:<br />

2.3. Anders dan het hof heeft geoordeeld, kan<br />

uit de bewijsvoering niet zonder meer worden<br />

afgeleid dat de verdachte ‘een zodanig<br />

significante bijdrage’ heeft geleverd aan de<br />

woninginbraak dat van bewuste en nauwe<br />

samenwerking tussen de verdachte en de<br />

mededaders kan worden gesproken, nu het<br />

hof ten aanzien van die samenwerking niet<br />

meer heeft vastgesteld dan dat de verdachte<br />

een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en<br />

dat het niet anders kan zijn dan dat over het<br />

verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van<br />

te voren door de verdachte en zijn mededaders<br />

afspraken zijn gemaakt. De bewezenverklaring<br />

is derhalve niet naar de eis der<br />

wet met redenen omkleed. Het middel is<br />

terecht voorgesteld.<br />

Volgen vernietiging en terugwijzing.<br />

1240<br />

3 juni 2014, nr. 12/05208<br />

(Mrs. A.J.A. van Dorst, V. van den Brink,<br />

E.S.G.N.A.I. van de Griend)<br />

(Na conclusie van A-G mr. T.N.B.M.<br />

Spronken, strekkende tot vernietiging en<br />

tot terugwijzig; adv. mr. J. Kuijper,<br />

Amsterdam)<br />

ECLI:NL:HR:2014:1301<br />

Medeplegen voorhanden hebben vuurwapens<br />

en munitie: in casu kan uit de bewijsvoering<br />

niet volgen dat de verdachte wat<br />

betreft het tezamen en in vereniging met<br />

anderen vuurwapens en munitie voorhanden<br />

hebben zo nauw en bewust met die<br />

anderen heeft samengewerkt dat sprake is<br />

van het medeplegen van die gedraging.<br />

(Sr art. 47)<br />

Inleiding:<br />

Verdachte is veroordeeld wegens – kort<br />

gezegd – medeplegen van handelen in strijd<br />

met art. 26 lid 1 WWM en het feit begaan<br />

met betrekking tot een vuurwapen van categorie<br />

III, meermalen gepleegd en handelen<br />

in strijd met art. 26 lid 1 WWM, meermalen<br />

gepleegd.<br />

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de<br />

raadsvrouw betoogd dat niet kan worden<br />

bewezen dat cliënt wetenschap van de aanwezigheid<br />

van de wapens had. Daartoe voert<br />

zij het volgende aan. Beide wapens zijn aangetroffen<br />

onder de bijrijdersstoel. De verdachte<br />

heeft niet gezien dat de medeverdachten<br />

wapens bij zich hadden. Er is volgens de<br />

raadsvrouw dan ook geen sprake van<br />

beschikkingsmacht. Bovendien stelt zij dat<br />

nergens uit af te leiden valt dat de verdachte<br />

eigenaar was van de wapens. De verdachte<br />

dient te worden vrijgesproken van het hem<br />

ten laste gelegde, aldus de raadsvrouw.<br />

Het hof verwerpt het verweer en komt tot<br />

een bewezenverklaring.<br />

Het middel klaagt over de bewijsvoering van<br />

het medeplegen van het voorhanden hebben<br />

van de in de bewezenverklaring omschreven<br />

vuurwapens en munitie.<br />

Hoge Raad, onder meer:<br />

3.2. Uit ’s hofs bewijsvoering kan niet volgen<br />

dat de verdachte wat betreft het bewezenverklaarde<br />

tezamen en in vereniging met anderen<br />

vuurwapens en munitie voorhanden hebben<br />

zo nauw en bewust met die anderen<br />

heeft samengewerkt dat sprake is van het<br />

medeplegen van die gedraging.<br />

De door het hof in dit verband in het bijzonder<br />

in aanmerking genomen omstandigheden<br />

dat (i) de verdachte de medeverdachten<br />

[betrokkene 2] en [betrokkene 1] al jaren kende,<br />

(ii) de verdachte, [betrokkene 2] en<br />

[betrokkene 1] op de hoogte waren van<br />

elkaars criminele antecedenten en (iii)<br />

[betrokkene 1] een kogelwerend vest bij zich<br />

had en droeg toen hij in de auto van de verdachte<br />

stapte, zijn onvoldoende om een dergelijke<br />

bewuste en nauwe samenwerking te<br />

kunnen aannemen. De bewezenverklaring is<br />

dus in zoverre ontoereikend gemotiveerd.<br />

3.3. Het middel is terecht voorgesteld.<br />

Volgen vernietiging en terugwijzing.<br />

1241<br />

3 juni 2014, nr. 11/00786<br />

(Mrs. G.J.M. Corstens, J. de Hullu, N. Jörg)<br />

(Na conclusie van A-G mr. G. Knigge, strekkende<br />

tot vernietiging wat betreft de aan<br />

feit 1 gegeven kwalificatie en tot verbetering<br />

daarvan, tot vernietiging wat betreft<br />

de strafoplegging, tot vermindering van de<br />

straf en tot verwerping voor het overige;<br />

adv. mr. R.J. Baumgardt, Spijkenisse)<br />

ECLI:NL:HR:2014:1299<br />

Persoonlijk werkende strafverhogende<br />

omstandigheid art. 50 Sr: onjuist is de<br />

opvatting dat als zodanige omstandigheid<br />

dient te worden aangemerkt art. 11 lid 3<br />

Ow, welke bepaling betrekking heeft op het<br />

in de uitoefening van een beroep of bedrijf<br />

opzettelijk handelen in strijd met een verbod<br />

gegeven in art. 3, onder B, Ow.<br />

Toepasselijkheid art. 11 lid 3 Ow: deze<br />

bepaling is in een geval als het onderhavige<br />

alleen toepasselijk indien het opzet van de<br />

verdachte mede gericht is geweest op de<br />

omstandigheid dat zijn mededader in de<br />

uitoefening van een beroep of bedrijf heeft<br />

gehandeld.<br />

Kwalificatie als “medeplegen van in de uitoefening<br />

van een beroep of bedrijf opzettelijk<br />

handelen in strijd met een in artikel 3,<br />

onder B, van de Opiumwet gegeven verbod,<br />

meermalen gepleegd”: deze kwalificatie is<br />

onjuist nu de omstandigheid van het<br />

beroeps- of bedrijfsmatig handelen in strijd<br />

met een in art. 3, onder B, Ow gegeven verbod<br />

in het onderhavige geval reeds omvat<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1695


Rechtspraak<br />

dat het opzettelijk telen en/of verwerken<br />

en/of bewerken van hennepplanten meermalen<br />

heeft plaatsgevonden.<br />

(Sr art. 50; Opiumwet art. 3 en 11)<br />

Inleiding:<br />

Verdachte is veroordeeld wegens – kort<br />

gezegd – (feit 1) medeplegen van in de uitoefening<br />

van een beroep of bedrijf opzettelijk<br />

handelen in strijd met een in art. 3, onder B,<br />

Ow gegeven verbod, ‘meermalen gepleegd’,<br />

(feit 2) medeplegen van opzettelijk handelen<br />

in strijd met een in art. 3, onder B, Ow gegeven<br />

verbod, terwijl het feit betrekking heeft<br />

op een grote hoeveelheid van het middel en<br />

medeplegen van opzettelijk handelen in<br />

strijd met een in art. 3, onder B, Ow gegeven<br />

verbod, en (feit 3) deelnemen aan een organisatie<br />

die tot oogmerk heeft het plegen van<br />

een misdrijf als bedoeld in art. 11 lid 3 en lid<br />

5 Ow.<br />

Hoge Raad, onder meer:<br />

2.5. Het middel bevat in de eerste plaats de<br />

klacht dat het hof ten onrechte art. 11, derde<br />

lid, Ow heeft toegepast, nu het niet de verdachte,<br />

maar de medeverdachte is geweest<br />

die in de uitoefening van een beroep of<br />

bedrijf heeft gehandeld. De klacht berust op<br />

de opvatting dat art. 11, derde lid, Ow als een<br />

persoonlijk werkende strafverhogende<br />

omstandigheid in de zin van art. 50 Sr moet<br />

worden aangemerkt. Die opvatting is echter,<br />

gelet op het volgende, onjuist.<br />

2.6. Art. 50 Sr is blijkens de wetsgeschiedenis<br />

‘eener uitzondering op de gewone regelen<br />

van strafregtelijke verantwoordelijkheid’ (H.J.<br />

Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van<br />

Strafrecht, deel I, 1881, p. 419). De in de conclusie<br />

van de advocaat-generaal onder 14.4<br />

weergegeven wetsgeschiedenis van art. 11,<br />

derde lid, Ow wijst niet in de richting dat het<br />

in dit lid opgenomen beroeps- of bedrijfsmatige<br />

handelen als een uitzondering in de zin<br />

van art. 50 Sr dient te worden beschouwd.<br />

2.7. Opmerking verdient nog dat art. 11, derde<br />

lid, Ow in een geval als het onderhavige<br />

alleen toepasselijk is - hetgeen het hof ook<br />

niet heeft miskend - indien het opzet van de<br />

verdachte mede gericht is geweest op de<br />

omstandigheid dat zijn mededader in de uitoefening<br />

van een beroep of bedrijf heeft<br />

gehandeld (vgl. dezelfde wetsgeschiedenis<br />

over ‘de gewone regelen van strafregtelijke<br />

verantwoordelijkheid. Iedere mededader of<br />

medepligtige aan het misdrijf, die bekend<br />

was met en wiens opzet ook gerigt was op<br />

deze omstandigheid, moet in hare strafregtelijke<br />

gevolgen deelen, al betreft zij hem niet<br />

persoonlijk’, H.J. Smidt, o.c., p. 416, en HR 21<br />

juni 1926, NJ 1926, p. 955).<br />

2.8. In de tweede plaats klaagt het middel dat<br />

het hof het onder 1 bewezenverklaarde ten<br />

onrechte heeft gekwalificeerd als ‘medeplegen<br />

van in de uitoefening van een beroep of<br />

bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een<br />

in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven<br />

verbod, meermalen gepleegd’. De klacht<br />

is terecht voorgesteld. De in de bewezenverklaring<br />

tot uitdrukking gebrachte, aan art. 11,<br />

derde lid, Ow ontleende omstandigheid van<br />

het beroeps- of bedrijfsmatig handelen in<br />

strijd met een in art. 3, onder B, Ow gegeven<br />

verbod omvat in het onderhavige geval<br />

immers reeds dat het opzettelijk telen en/of<br />

verwerken en/of bewerken van hennepplanten<br />

meermalen heeft plaatsgevonden. Het<br />

Hof heeft daarom ten onrechte de kwalificatie<br />

‘meermalen gepleegd’ toegevoegd. De<br />

Hoge Raad zal de kwalificatie verbeteren als<br />

in het dictum te vermelden. Deze verbetering<br />

heeft, gelet op art. 57 Sr, geen invloed op<br />

het toepasselijke strafmaximum voor de ten<br />

laste van de verdachte bewezenverklaarde<br />

feiten tezamen.<br />

Beslissing: de Hoge Raad vernietigt de bestreden<br />

uitspraak uitsluitend wat betreft de kwalificatie<br />

van het onder 1 bewezenverklaarde<br />

en de duur van de opgelegde gevangenisstraf;<br />

kwalificeert het onder 1 bewezenverklaarde<br />

als ‘medeplegen van in de uitoefening<br />

van een beroep of bedrijf opzettelijk<br />

handelen in strijd met een in artikel 3, aanhef<br />

en onder B, Opiumwet gegeven verbod’;<br />

vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf<br />

in die zin dat deze 27 maanden,<br />

waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een<br />

proeftijd van 2 jaren, beloopt; verwerpt het<br />

beroep voor het overige.<br />

A-G Knigge, onder meer:<br />

4.14. […] De memorie van toelichting bij het<br />

wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering<br />

van art. 11 lid 3 Opiumwet houdt onder meer<br />

het volgende in. 7<br />

‘Wij stellen voor het telen van hennep expliciet<br />

strafbaar te stellen en de strafmaat voor<br />

de verboden gedraging fors te verhogen, voor<br />

zover deze plaatsvindt in de uitoefening van<br />

een beroep of bedrijf.<br />

Gelet op het hierboven geschetste beeld van<br />

de grootschalige hennepteelt, stellen wij voor<br />

niet alleen de strafmaat voor de professionele<br />

hennepteelt te verhogen, maar ook de strafmaat<br />

voor het beroeps- of bedrijfsmatige<br />

bereiden, verwerken, verkopen en afleveren<br />

van hennepplanten. Daardoor wordt het<br />

mogelijk doeltreffend op te treden tegen de<br />

professionele en grootschalige hennepteelt en<br />

de gedragingen die daar doorgaans onlosmakelijk<br />

mee zijn verbonden. Met een verhoging<br />

van de strafmaat voor het kweken van hennepplanten,<br />

kan niet worden volstaan. Een<br />

effectieve aanpak van de grootschalige hennepteelt<br />

is slechts mogelijk als de strafmaat<br />

voor de daarbij behorende gedragingen, voor<br />

zover die beroeps- of bedrijfsmatig worden<br />

verricht, zoals het verwerken, verkopen en<br />

afleveren van deze planten, eveneens wordt<br />

verhoogd. Zou hierin niet worden voorzien<br />

dan zouden criminelen die zich hiermee bezig<br />

houden, het telen van hennep kunnen overlaten<br />

aan stromannen, zodat de strafmaatverhoging<br />

niet op hen van toepassing is.’<br />

De Nota naar aanleiding van het verslag<br />

houdt voorts onder meer het volgende in. 8<br />

‘Mede gelet op het feit dat een aantal vragen<br />

betrekking heeft op de effectiviteit van de<br />

voorgestelde wetswijziging, achten wij het<br />

van belang erop te wijzen dat het onderhavige<br />

wetsvoorstel een onderdeel vormt van het<br />

reeds ingezette proces van intensivering van<br />

de bestrijding van de professionele illegale<br />

teelt van hennep en handel in cannabis. Zo<br />

zijn mede naar aanleiding van de nota «Het<br />

Nederlands drugbeleid Continuïteit en verandering»<br />

(hierna te noemen: de drugnota) de<br />

richtlijnen van het Openbaar Ministerie voor<br />

het opsporings- en strafvorderingsbeleid inzake<br />

strafbare feiten van de Opiumwet aangepast<br />

(Stcrt. 1996, 187; voortaan te noemen: de<br />

OM-richtlijnen). Een van die wijzigingen<br />

betreft de expliciete aandacht voor de illegale<br />

hennepteelt. Deze is thans vervolgbaar als<br />

overtreding van het in artikel 3, eerste lid,<br />

onder C, van de Opiumwet gegeven verbod<br />

van het aanwezig hebben. Met het oog op de<br />

beoordeling van het karakter van de teelt zijn<br />

in de richtlijnen een aantal indicatoren vermeld<br />

voor bedrijfsmatige teelt. Zo zijn niet<br />

alleen het aantal planten maar ook de te<br />

behalen oogsten per jaar van belang. Voorts<br />

kan uit de wijze waarop de teelt in concreto<br />

plaatsvindt, zoals het gebruik van technische<br />

hulpmiddelen, het bedrijfsmatige karakter<br />

daarvan worden afgeleid.’<br />

7. Kamerstukken II, 1996/97, 25325, 3, p. 2.<br />

8. Kamerstukken II, 1997/98, 25325, 6, p. 1.<br />

1242<br />

3 juni 2014, nr. 13/00991<br />

(Mrs. A.J.A. van Dorst, N. Jörg V. van den<br />

Brink)<br />

(Na conclusie van A-G mr. F.W. Bleichrodt,<br />

strekkende tot verwerping van het beroep;<br />

adv. mr. R.J. Baumgardt, Spijkenisse)<br />

ECLI:NL:HR:2014:1306<br />

Door advocaat-generaal gewekt vertrouwen<br />

dat geen voordeelsontneming meer zou<br />

plaatsvinden In casu geen sprake van een<br />

te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen,<br />

1696 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Rechtspraak<br />

onder meer omdat de advocaat-generaal<br />

vrijwel onmiddellijk na zijn onjuiste uitlating<br />

een rectificatie heeft gestuurd aan de<br />

raadsman van de verdachte.<br />

(Sr art. 36e; Sv art. 311)<br />

Inleiding:<br />

Veroordeelde is de verplichting opgelegd tot<br />

betaling aan de Staat van een bedrag van<br />

€ 1 582 800 ter ontneming van wederrechtelijk<br />

verkregen voordeel.<br />

Door de verdediging is betoogd dat het<br />

Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient<br />

te worden verklaard vanwege schending van<br />

het vertrouwensbeginsel. De verdediging<br />

voert hiertoe aan dat de raadsman heeft aangevoerd<br />

dat de advocaat-generaal tijdens de<br />

behandeling van de strafzaak van veroordeelde<br />

in hoger beroep heeft meegedeeld dat er<br />

geen ontnemingsvordering meer aanhangig<br />

zou worden gemaakt. De advocaat-generaal<br />

heeft kort daarna deze mededeling door middel<br />

van een brief aan de raadsman van verdachte<br />

van 28 april 2008 herroepen. De verdediging<br />

stelt zich op het standpunt dat deze<br />

brief niet af doet aan het door de advocaatgeneraal<br />

ter zitting opgewekte vertrouwen<br />

dat er geen ontnemingsvordering meer zou<br />

komen.<br />

Het hof stelt onder meer het volgende vast:<br />

‘Het hof heeft kennis genomen van het dossier<br />

in de hoofdzaak. […] In dit dossier bevinden<br />

zich voorts de aantekeningen van de<br />

griffier waarbij als opmerking van de advocaat-generaal<br />

Frielink met betrekking tot de<br />

ontnemingsvordering is opgenomen: “Ontnemingsvordering<br />

is er niet gekomen en dat<br />

kan ook niet meer”. Ter terechtzitting op 18<br />

december 2012 is de advocaat-generaal Frielink<br />

als getuige gehoord en deze heeft<br />

alstoen, zakelijk weergegeven, verklaard dat<br />

hij voorafgaande aan de terechtzitting in<br />

hoger beroep van 23 april 2008 in de hoofdzaak<br />

heeft geprobeerd contact te krijgen met<br />

de zaaksofficier van justitie. Toen dit niet<br />

mogelijk bleek, heeft hij aan een medewerker<br />

van het functioneel parket gevraagd om in<br />

het automatiseringssysteem de stand van<br />

zaken met betrekking tot een eventuele ontnemingsvordering<br />

tegen verdachte na te zoeken.<br />

Deze medewerker gaf de advocaat-generaal<br />

te kennen hierover niets in het systeem<br />

te kunnen vinden. Naar aanleiding hiervan<br />

heeft hij op de zitting van het gerechtshof<br />

van 23 april 2008 op een daartoe strekkende<br />

vraag van de voorzitter de mededeling<br />

gedaan dat er geen ontnemingsvordering<br />

gedaan was of gedaan zou worden. Wat hij<br />

toen precies gezegd heeft weet hij niet meer.<br />

Direct na afloop van de zitting werd hij door<br />

een in de zittingszaal aanwezige FIOD-medewerker<br />

aangesproken met de mededeling dat<br />

er wel degelijk een ontnemingsvordering<br />

tegen de veroordeelde aanhangig zou worden<br />

gemaakt. Gelet hierop heeft hij toen de brief<br />

van 28 april 2008 aan de raadsman van verdachte<br />

geschreven.’<br />

Het hof overweegt omtrent het verweer<br />

betreffende schending van het vertrouwensbeginsel<br />

onder meer: ‘Slechts wanneer sprake<br />

is van een uitdrukkelijke en onvoorwaardelijke<br />

toezegging door een tot het nemen van de<br />

vervolgingsbeslissing bevoegde autoriteit om<br />

van vervolging af te zien, kan vanwege een<br />

opgewekt vertrouwen een beroep op nietontvankelijkheid<br />

worden gehonoreerd. Bij de<br />

behandeling in hoger beroep van de hoofdzaak<br />

is ter zitting aan de advocaat-generaal<br />

door het gerechtshof naar de stand van<br />

zaken in de ontnemingsprocedure gevraagd.<br />

Deze heeft hierop naar achteraf bleek een<br />

foutieve mededeling gedaan, die hij kort<br />

daarna door middel van een brief aan de<br />

raadsman van verdachte heeft herroepen.<br />

Aan de uitlatingen van de advocaat-generaal,<br />

hoe deze ook precies hebben geluid, kon en<br />

mocht verdachte naar het oordeel van het<br />

hof in redelijkheid niet zonder meer het<br />

gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen van<br />

een toezegging dat er geen ontnemingsprocedure<br />

meer zou volgen, nu deze uitlatingen<br />

- gedaan naar aanleiding van een vraag van<br />

de voorzitter - informatief van aard waren en<br />

niet gezien kunnen worden als een formele<br />

toezegging van het openbaar ministerie<br />

jegens verdachte dat er geen ontnemingsprocedure<br />

(meer) zou volgen. Het feit dat door<br />

de officier van justitie eerder, te weten bij de<br />

behandeling van de hoofdzaak ter zitting<br />

van 24 februari 2006 aan verdachte is medegedeeld<br />

dat het Openbaar Ministerie voornemens<br />

was om een ontnemingsvordering in te<br />

dienen, het feit dat er een proces-verbaal SFO<br />

was opgemaakt, dat naar hetgeen de advocaat-generaal<br />

ter zitting van het hof onweersproken<br />

heeft gesteld ter hand was gesteld<br />

van veroordeelde, in welk proces-verbaal<br />

sprake is van een wederrechtelijk verkregen<br />

voordeel van ruim anderhalf miljoen euro<br />

met vermelding van een groot aantal goederen<br />

waarop beslag is gelegd tijdens de doorzoekingen<br />

op 14 april 2004, en het feit dat de<br />

uitlatingen weliswaar zijn gedaan door een<br />

vertegenwoordiger van het openbaar ministerie<br />

maar niet door de zaaksofficier van justitie<br />

als eerstverantwoordelijke, hadden in<br />

ieder geval voor verdachte aanleiding moeten<br />

zijn om de uitlatingen te verifiëren bij de<br />

zaaksofficier van justitie teneinde zekerheid<br />

te verkrijgen over de juistheid van de door de<br />

advocaat-generaal verstrekte informatie.<br />

Door dit na te laten kan er geen sprake zijn<br />

van een te honoreren gerechtvaardigd vertrouwen.<br />

Van schending van het vertrouwensbeginsel<br />

is derhalve geen sprake.’<br />

Het middel bevat de klacht dat het hof het in<br />

hoger beroep gevoerde verweer dat het<br />

Openbaar Ministerie in zijn ontnemingsvordering<br />

niet-ontvankelijk moet worden verklaard,<br />

heeft verworpen op gronden die deze<br />

verwerping niet kunnen dragen.<br />

Hoge Raad, onder meer:<br />

2.3. Het hof heeft het verweer dat het Openbaar<br />

Ministerie in zijn ontnemingsvordering<br />

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard,<br />

verworpen op de grond dat ‘geen sprake [kan]<br />

zijn van een te honoreren gerechtvaardigd<br />

vertrouwen’. Dat oordeel geeft niet blijk van<br />

een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin<br />

onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad<br />

in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld<br />

(i) dat er een proces-verbaal van strafrechtelijk<br />

financieel onderzoek was opgemaakt hetwelk<br />

aan de betrokkene ter hand was gesteld,<br />

waarin melding werd gemaakt van een<br />

bedrag van ruim anderhalf miljoen euro aan<br />

wederrechtelijk verkregen voordeel, (ii) dat<br />

aan de betrokkene door de officier van justitie<br />

bij de behandeling van de strafzaak ter<br />

terechtzitting van 24 februari 2006 is medegedeeld<br />

dat het Openbaar Ministerie voornemens<br />

was om een ontnemingsvordering in te<br />

dienen, en (iii) dat de advocaat-generaal vrijwel<br />

onmiddellijk na zijn onjuiste uitlating<br />

een rectificatie heeft gestuurd aan de raadsman<br />

van de verdachte. Dat oordeel draagt de<br />

verwerping van het verweer zelfstandig,<br />

zodat hetgeen het hof voor het overige heeft<br />

overwogen, buiten bespreking kan blijven.<br />

2.4. Het middel faalt.<br />

1243<br />

3 juni 2014, nr. 12/04867<br />

(Mrs. A.J.A. van Dorst, N. Jörg, V. van den<br />

Brink)<br />

(Na conclusie van A-G mr. T.N.B.M.<br />

Spronken, strekkende tot vernietiging en<br />

tot terugwijzing; adv. mr. R.J. Baumgardt,<br />

Spijkenisse)<br />

ECLI:NL:HR:2014:1277<br />

Inhoud en motivering vonnis bij bekennende<br />

verdachte, art. 359 lid 3 Sv: met een opgave<br />

van de bewijsmiddelen kan slechts worden<br />

volstaan indien de verdachte het<br />

bewezenverklaarde ‘duidelijk en ondubbelzinnig’<br />

heeft bekend, tenzij hij nadien<br />

anders heeft verklaard dan wel hij of zijn<br />

raadsman vrijspraak heeft bepleit.<br />

Onjuist is de stelling dat geen sprake is van<br />

een zogenoemde bekennende verdachte als<br />

bedoeld in art. 359 lid 3 Sv vanwege de<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1697


Rechtspraak<br />

enkele omstandigheid dat blijkens het vonnis<br />

de bewezenverklaring niet (volledig)<br />

steunt op een opgave van bewijsmiddelen<br />

doch op een of meer – uitgewerkte –<br />

bewijsmiddelen, houdende de voor de<br />

bewezenverklaring redengevende feiten en<br />

omstandigheden.<br />

In casu terechte klacht dat ’s hofs kennelijke<br />

oordeel dat de verdachte de feiten heeft<br />

bekend in de zin van art. 359 lid 3 Sv onbegrijpelijk<br />

is, mede omdat de bekennende<br />

verklaringen van verdachte niet alle onderdelen<br />

van het bewezenverklaarde omvatten.<br />

Bewijsmotivering steunt op niet in de<br />

bewijsmiddelen vermelde gegevens: indien<br />

het gaat om feiten of omstandigheden die<br />

door de rechter redengevend worden geacht<br />

voor de bewezenverklaring, dient de rechter<br />

die zich aldus – al dan niet in reactie op<br />

een bewijsverweer – beroept op bepaalde<br />

niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens,<br />

met voldoende mate van nauwkeurigheid<br />

in zijn overweging a. die feiten of<br />

omstandigheden aan te duiden, en b. het<br />

wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan<br />

die feiten of omstandigheden zijn ontleend.<br />

In casu heeft hof hieraan niet voldaan door<br />

diens oordeel te doen steunen op ‘de<br />

gedingstukken en het verhandelde ter<br />

terechtzitting’.<br />

(Sv art. 359)<br />

Inleiding:<br />

Verdachte is veroordeeld wegens – kort<br />

gezegd – (feit 1) medeplegen van een beroep<br />

of gewoonte maken van het kopen van goederen<br />

met het oogmerk om zonder volledige<br />

betaling zich of een ander de beschikking<br />

over die goederen te verzekeren en (feit 2)<br />

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk<br />

heeft het plegen van misdrijven.<br />

Het hof heeft ten aanzien van feit 2 onder<br />

meer nog het volgende overwogen: ‘Op basis<br />

van de gedingstukken en het verhandelde ter<br />

terechtzitting is het hof van oordeel dat<br />

gedurende de tenlastegelegde periode sprake<br />

is van een organisatie die tot oogmerk had<br />

het plegen van misdrijven. Tot die organisatie<br />

behoorden in ieder geval verdachte en de<br />

medeverdachte [medeverdachte]. De organisatie<br />

was gericht op het kopen van goederen<br />

zonder deze te betalen Dat de organisatie een<br />

duurzaam karakter had, leidt het hof af uit<br />

het feit dat het samenwerkingsverband bijna<br />

een halfjaar heeft bestaan. Binnen de organisatie<br />

was voorts sprake van een zekere verdeling<br />

van de werkzaamheden. De rol van verdachte<br />

was onder andere gelegen in het<br />

bellen van winkeliers om onder valse voorwendselen<br />

en met gebruikmaking van valse<br />

namen goederen te bestellen, het zich voordoen<br />

als bankmedewerker naar de winkeliers<br />

met de mededeling dat de goederen betaald<br />

zouden zijn en het inschakelen van koeriersdiensten<br />

om de door hem bestelde goederen<br />

op te laten halen en naar een door hem<br />

opgegeven adres te laten brengen.’<br />

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring<br />

ontoereikend is gemotiveerd.<br />

Hoge Raad, onder meer:<br />

3.2.1. Art. 359, derde lid, Sv, dat ingevolge art.<br />

415 Sv ook in hoger beroep toepasselijk is,<br />

luidt - voor zover hier van belang - als volgt:<br />

‘De beslissing dat het feit door de verdachte<br />

is begaan, moet steunen op de inhoud van in<br />

het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende<br />

daartoe redengevende feiten en<br />

omstandigheden. Voor zover de verdachte<br />

het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een<br />

opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij<br />

hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij<br />

of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.’<br />

3.2.2. In het licht van de wetsgeschiedenis,<br />

die is weergegeven in HR 26 september 2006,<br />

ECLI:NL:HR:2006:AX5776, NJ 2006/542, moet<br />

art. 359, derde lid, Sv aldus worden verstaan<br />

dat slechts kan worden volstaan met een<br />

opgave van de bewijsmiddelen indien de verdachte<br />

het bewezenverklaarde duidelijk en<br />

ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is<br />

van de aan het slot van die bepaling genoemde<br />

gevallen.<br />

3.3. Voor zover het middel steunt op de stelling<br />

dat uit de enkele omstandigheid dat blijkens<br />

het vonnis of arrest de bewezenverklaring<br />

niet (volledig) steunt op een opgave van<br />

bewijsmiddelen doch op een of meer – uitgewerkte<br />

– bewijsmiddelen, houdende de voor<br />

de bewezenverklaring redengevende feiten<br />

en omstandigheden, moet worden afgeleid<br />

dat geen sprake is van een zogenoemde<br />

bekennende verdachte als bedoeld in de<br />

tweede volzin van het derde lid van art. 359<br />

Sv, faalt het, aangezien die stelling geen<br />

steun vindt in het recht.<br />

3.4. Wat betreft het onder 1 in de zaken 1 en<br />

2 bewezenverklaarde klaagt het middel evenwel<br />

terecht dat ’s hofs kennelijke oordeel dat<br />

de verdachte deze feiten heeft bekend in de<br />

zin van voormelde wetsbepaling, onbegrijpelijk<br />

is. Immers, de tot het bewijs van het in<br />

die zaken tenlastegelegde gebezigde verklaringen<br />

van de verdachte houden in ‘Ik heb op<br />

25 april 2008 gebeld naar de drogist, het koeriersbedrijf<br />

en de koerier, daarbij gebruikmakend<br />

van het telefoonnummer 06-[0001]’<br />

(bewijsmiddel VI) en ‘Ik heb op 18 april 2008<br />

gebeld met telefoonnummer 06-[0001] en<br />

met het nummer 06-[0005] naar de computerzaak,<br />

het koeriersbedrijf en de koerier’<br />

(bewijsmiddel XIII). Deze verklaringen betreffen<br />

niet alle onderdelen van het onder 1 als<br />

zaken 1 en 2 bewezenverklaarde. Daarbij<br />

wordt voorts in aanmerking genomen dat<br />

- anders dan in de strafzaak die heeft geleid<br />

tot HR 6 november 2007,<br />

ECLI:NL:HR:2007:BB4938 - in het bestreden<br />

arrest noch in het daarbij bevestigde vonnis<br />

van de Politierechter het wettig bewijsmiddel<br />

is aangeduid waaraan een mogelijk bekennende<br />

verklaring van de verdachte is ontleend,<br />

zodat het hof wat betreft de zaken 1<br />

en 2 niet kon volstaan met een opgave van<br />

de bewijsmiddelen III-V onderscheidenlijk<br />

VIII-XI.<br />

3.5 Wat betreft feit 2 heeft het hof geoordeeld<br />

dat gedurende de in de tenlastelegging<br />

vermelde periode sprake was van een organisatie<br />

die tot oogmerk had het plegen van<br />

misdrijven. Het hof heeft dat oordeel doen<br />

steunen op ‘de gedingstukken en het verhandelde<br />

ter terechtzitting’. Aldus heeft het hof<br />

miskend dat indien het gaat om feiten of<br />

omstandigheden die door de rechter redengevend<br />

worden geacht voor de bewezenverklaring,<br />

de rechter die zich aldus - al dan niet<br />

in reactie op een bewijsverweer - beroept op<br />

bepaalde niet in de bewijsmiddelen vermelde<br />

gegevens, met voldoende mate van nauwkeurigheid<br />

in zijn overweging (a) die feiten of<br />

omstandigheden dient aan te duiden, en (b)<br />

het wettige bewijsmiddel dient aan te geven<br />

waaraan die feiten of omstandigheden zijn<br />

ontleend (vgl. HR 24 juni 2003,<br />

ECLI:NL:HR:2003:AF7985, NJ 2004/165). Ook<br />

in zoverre slaagt het middel.<br />

Volgen vernietiging en verwijzing.<br />

Raad van State<br />

Deze rubriek wordt verzorgd door mr. B.<br />

Klein Nulent en mr. drs. J. de Vries werkzaam<br />

bij de directie bestuursrechtspraak van de<br />

Raad van State. Volledige versies van deze<br />

uitspraken zijn te vinden op www.raadvanstate.nl.<br />

1244<br />

7 mei 2014, nr. 201301534/1/A1<br />

(Mrs. Van Kreveld, Timmerman-Buck, Van<br />

den Broek)<br />

ECLI:NL:RVS:2014:1624<br />

Invordering dwangsom. Vraag wie overtreding<br />

heeft begaan kan bij beoordeling<br />

invorderingsbesluit niet meer aan de orde<br />

komen. Overdracht activa niet aangemerkt<br />

als bijzondere omstandigheid om van<br />

invordering af te zien.<br />

(Awb art. 5:37)<br />

1698 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Rechtspraak<br />

Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante<br />

A] en [appellante B], beide gevestigd te<br />

Opheusden, gemeente Neder-Betuwe, vs. de<br />

uitspraak van Rechtbank Arnhem van 18<br />

december 2012 in zaken nrs. 10/3547,<br />

10/3601 en 11/76 in het geding tussen:<br />

[appellante A] en [appellante B] en het college<br />

van burgemeester en wethouders van<br />

Neder-Betuwe.<br />

Procesverloop<br />

Bij besluit van 10 februari 2010, voor zover<br />

thans van belang, heeft het college [appellante<br />

B] gelast: 1. op het perceel aan de [locatie<br />

1] te Dodewaard: a. voor 1 maart 2010 de<br />

aldaar aanwezige afvalstoffen, zoals gebroken<br />

puin, asfalt, dakdekking, oud ijzer, bielzen,<br />

autobanden, sloophout en bouw- en sloopafval<br />

en groenafval te verwijderen en verwijderd<br />

te houden;<br />

b. uiterlijk op 1 november 2010 de gebouwde<br />

portable cabins, de keerwanden, de pakketteermachine<br />

en het hekwerk te verwijderen<br />

en verwijderd te houden;<br />

c. uiterlijk op 1 november 2010 de bedrijfsactiviteiten<br />

die in strijd zijn met het bestemmingsplan<br />

en die niet vallen onder de last<br />

onder a. te staken en gestaakt te houden;<br />

2. op het perceel [locatie 2] te Opheusden<br />

uiterlijk 1 mei 2010 alle bedrijfsactiviteiten<br />

die in strijd zijn met het bestemmingsplan<br />

(de stalling van vrachtwagens, shovels en kranen,<br />

alsmede het wassen van deze voertuigen<br />

en ook het onderhouden van deze voertuigen)<br />

te staken en gestaakt te houden<br />

(hierna: besluit 1).<br />

Bij afzonderlijk besluit van 10 februari 2010<br />

heeft het college dezelfde lasten onder gelijke<br />

dwangsommen opgelegd aan [appellante<br />

A] (hierna: besluit 2).<br />

Bij besluit van 2 februari 2010 heeft het college<br />

geweigerd aan [appellante A] bouwvergunning<br />

en vrijstelling te verlenen voor het<br />

plaatsen van vier portable cabins, keerwanden,<br />

hekwerk en romney-loods op het perceel<br />

[locatie 1] te Dodewaard (hierna: besluit 3).<br />

Bij besluit van 27 augustus 2010, voor zover<br />

thans van belang, heeft het college het door<br />

de [appellante B] tegen besluit 1 gemaakte<br />

bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (hierna:<br />

besluit 4).<br />

Bij afzonderlijk besluit van 27 augustus 2010,<br />

voor zover thans van belang, heeft het college<br />

het door [appellante A] tegen de besluiten<br />

2 en 3 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard<br />

(hierna: besluit 5).<br />

Bij besluit van 17 november 2010 heeft het<br />

college besloten tot invordering bij [appellante<br />

B] van verbeurde dwangsommen ten<br />

bedrage van € 90 000 ter zake van overtredingen<br />

van hetgeen is gelast bij besluit 1,<br />

onder 1.a (vier keer € 10 000) en van hetgeen<br />

daarbij is gelast onder 2 (€ 50 000) (hierna:<br />

besluit 6).<br />

Bij afzonderlijk besluit van 17 november<br />

2010 heeft het college besloten tot invordering<br />

bij [appellante A] van verbeurde dwangsommen<br />

van hetzelfde bedrag ter zake van<br />

dezelfde overtredingen (hierna: besluit 7).<br />

Bij uitspraak van 18 december 2012 heeft de<br />

rechtbank, voor zover thans van belang, de<br />

door [appellante B] tegen besluit 4 en door<br />

[appellante A] tegen besluit 5 en 7 ingestelde<br />

beroepen ongegrond verklaard, het door<br />

[appellante B] tegen besluit 6 ingestelde<br />

beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd<br />

voor zover daarbij is beslist tot invordering<br />

van € 50 000 ter zake van niet-nakoming<br />

van de bij besluit 1, onder 2, opgelegde<br />

last.<br />

(…)<br />

Overwegingen<br />

(…)<br />

9. [appellante B] betoogt dat de rechtbank<br />

ten onrechte heeft overwogen dat zij de haar<br />

bij besluit 1, onder 1a, opgelegde last niet<br />

heeft nageleefd. Hiertoe voert zij aan dat zij<br />

haar activa in januari 2010 aan [appellante<br />

A] heeft overgedragen en daarom de opgelegde<br />

lasten niet heeft overtreden. Het oordeel<br />

van de rechtbank dat [appellante B] niet aannemelijk<br />

heeft gemaakt dat zij al hetgeen<br />

redelijkerwijs in haar vermogen lag heeft<br />

gedaan om de verwijdering van de betreffende<br />

afvalstoffen te bevorderen, staat haaks op<br />

de overweging van de rechtbank dat [appellante<br />

B] de in besluit 1, onder 2, opgelegde<br />

last niet heeft overtreden nu niet aannemelijk<br />

is geworden dat [appellante B] na de<br />

begunstigingstermijn nog de in die last<br />

bedoelde bedrijfsactiviteiten heeft verricht,<br />

aldus [appellante B].<br />

9.1. Vast staat dat de afvalstoffen niet van het<br />

perceel aan de [locatie 1] zijn verwijderd,<br />

zoals [appellante B] was opgedragen bij de<br />

last die haar bij besluit 1, onder 1a was opgelegd<br />

en dat de aan die last verbonden dwangsommen<br />

zijn verbeurd.<br />

9.2. Voor zover [appellante B] heeft beoogd te<br />

betogen dat niet zij maar [appellante A] de<br />

overtreding heeft begaan, die tot het opleggen<br />

van deze last heeft geleid, overweegt de<br />

Afdeling dat dit bij de beoordeling van het<br />

terzake van die last genomen invorderingsbesluit<br />

niet meer aan de orde kan komen.<br />

9.3. Voor zover [appellante B] beoogt te betogen<br />

dat de omstandigheid dat zij haar activa<br />

aan [appellante A] had overgedragen, een<br />

bijzondere omstandigheid was, op grond<br />

waarvan het college van invordering van die<br />

dwangsommen had dienen af te zien, wordt<br />

overwogen dat de rechtbank die omstandigheid<br />

terecht niet als bijzondere omstandigheid<br />

heeft aangemerkt, nu [appellante B]<br />

door die overdracht niet was opgehouden te<br />

bestaan.<br />

9.4. Dat, zoals de rechtbank heeft vastgesteld,<br />

[appellante B] door het staken van activiteiten<br />

op het perceel [locatie 2] aan de bij<br />

besluit 1, onder 2, opgelegde last had voldaan<br />

zodat terzake geen dwangsommen zijn verbeurd,<br />

vormt evenmin een bijzondere<br />

omstandigheid op grond waarvan het college<br />

ook van invordering van de dwangsommen<br />

die terzake van de bij besluit 1, onder 1a,<br />

opgelegde last waren verbeurd, had dienen af<br />

te zien.<br />

9.5. Het betoog faalt.<br />

(…)<br />

1245<br />

4 juni 2014, nr. 201308060/1/A4<br />

(Mrs. Drupsteen, Helder en Michiels)<br />

ECLI:NL:RVS:2014:1982<br />

Hoewel handhavingsbeleid er niet toe mag<br />

strekken dat tegen overtredingen met een<br />

lage prioriteit nimmer wordt opgetreden,<br />

betekent dit niet dat bij de handhaving<br />

geen prioriteiten mogen worden gesteld.<br />

Wanneer door een belanghebbende om<br />

handhaving wordt verzocht, kan niet uitsluitend<br />

onder verwijzing naar de prioriteitstelling<br />

van handhaving worden afgezien.<br />

College van burgemeester en<br />

wethouders heeft afwijzing van verzoek om<br />

handhaving ten onrechte gebaseerd op prioriteringsbeleid.<br />

Het gelijkheidsbeginsel<br />

brengt niet met zich dat het college gehouden<br />

was om onjuist beleid toe te passen.<br />

(Gemeentewet art. 125; Wet algemene bepalingen<br />

omgevingsrecht art. 2.1, 5.2)<br />

Uitspraak op het hoger beroep van: het college<br />

van burgemeester en wethouders van<br />

Zaanstad, appellant, vs. de uitspraak van<br />

Rechtbank Noord-Holland van 19 juli 2013<br />

in zaak nr. 12/5627 in het geding tussen:<br />

[wederpartij], wonend te Zaandam, gemeente<br />

Zaanstad, en het college.<br />

Procesverloop<br />

Bij besluit van 16 april 2012 heeft het college<br />

het verzoek van [wederpartij] om handhavend<br />

op te treden tegen een door [belanghebbende]<br />

in het verlengde van het perceel<br />

aan de [locatie] te Zaandam geplaatste meerpaal,<br />

afgewezen.<br />

Bij besluit van 29 oktober 2012 heeft het college<br />

het door [wederpartij] daartegen<br />

gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.<br />

Bij uitspraak van 19 juli 2013 heeft de recht-<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1699


Rechtspraak<br />

bank het door [wederpartij] daartegen ingestelde<br />

beroep gegrond verklaard en het<br />

besluit van 29 oktober 2012 vernietigd. (…)<br />

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger<br />

beroep ingesteld.<br />

(…)<br />

Overwegingen<br />

1. Het college heeft het verzoek om handhaving<br />

bij besluit van 16 april 2012, gehandhaafd<br />

bij het besluit op bezwaar van 29 oktober<br />

2012, afgewezen, omdat de aanwezigheid<br />

van illegale bebouwingen rondom het water<br />

volgens het Beleidsplan Vergunningverlening,<br />

Toezicht en Handhaving 2012-2015,<br />

vastgesteld door de gemeenteraad (hierna:<br />

het Handhavingsbeleidsplan), en het Handhavingsprogramma,<br />

vastgesteld door het college,<br />

een lage prioriteit heeft en tegen overtredingen<br />

met een lage prioriteit vooralsnog<br />

niet handhavend wordt opgetreden. Daarbij<br />

is overwogen dat zich in dit geval geen zodanig<br />

bijzondere omstandigheden voordoen<br />

dat direct ingrijpen noodzakelijk is.<br />

2. Het college betoogt dat de rechtbank bij<br />

haar oordeel dat het verzoek om handhaving<br />

ten onrechte met verwijzing naar het Handhavingsbeleidsplan<br />

is afgewezen, heeft miskend<br />

dat een verzoek om handhaving er niet<br />

toe kan leiden dat wordt afgeweken van een<br />

algemene gedragslijn ten aanzien van vergelijkbare<br />

gevallen. Volgens het college is het<br />

niet juist en bovendien ongewenst om de<br />

beginselplicht tot handhaving zover op te<br />

rekken dat dit zou betekenen dat, ondanks<br />

de lage prioriteit die aan een overtreding in<br />

een bepaalde beleidsperiode wordt gegeven,<br />

er voor het einde van de looptijd van deze<br />

beleidsperiode hoe dan ook handhavend<br />

dient te worden opgetreden.<br />

2.1. De rechtbank heeft voorop gesteld dat zij<br />

het beleid van het college, waarin prioriteiten<br />

bij handhaving zijn gesteld, in beginsel<br />

niet onredelijk acht. Op alle momenten<br />

handhavend optreden tegen alle mogelijke<br />

overtredingen van wettelijke voorschriften<br />

kan, gelet op de beschikbare capaciteit, niet<br />

van het college worden gevergd. In dit geval<br />

wordt echter binnen de looptijd van het<br />

Handhavingsbeleidsplan volledig afgezien<br />

van handhavend optreden tegen overtredingen<br />

als hier aan de orde. Een dergelijke consequentie<br />

van een beleid is volgens de rechtbank<br />

niet redelijk. Gelet op de beginselplicht<br />

om te handhaven dient een burger, bijzondere<br />

omstandigheden daargelaten, uitzicht te<br />

hebben op handhaving binnen de looptijd<br />

van een beleidsplan, aldus de rechtbank. De<br />

rechtbank heeft voorts overwogen dat het<br />

gelijkheidsbeginsel niet meebrengt dat een<br />

bestuursorgaan naar aanleiding van een<br />

daartoe strekkend verzoek kan besluiten af<br />

te zien van handhavend optreden, omdat in<br />

vergelijkbare gevallen ook niet tot handhaving<br />

wordt overgegaan. Volgens de rechtbank<br />

dient het bestuursorgaan de verzoeker, gelet<br />

op de beginselplicht tot handhaving, dan ten<br />

minste een moment in het vooruitzicht te<br />

stellen waarop het verzoek om handhaving<br />

alsnog kan worden ingewilligd.<br />

2.2. Niet in geschil is dat het zonder vergunning<br />

plaatsen van de meerpaal in strijd is<br />

met artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen<br />

omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zodat<br />

het college bevoegd was ter zake handhavend<br />

op te treden.<br />

Gelet op het algemeen belang dat gediend is<br />

met handhaving, zal in geval van overtreding<br />

van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan<br />

dat bevoegd is om met een last onder<br />

bestuursdwang of dwangsom op te treden, in<br />

de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten<br />

maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden<br />

mag het bestuursorgaan weigeren<br />

dit te doen. Dit kan zich voordoen indien<br />

concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts<br />

kan handhavend optreden zodanig onevenredig<br />

zijn in verhouding tot de daarmee te dienen<br />

belangen dat van optreden in die concrete<br />

situatie behoort te worden afgezien.<br />

2.3. Uit het Handhavingsbeleidsplan volgt<br />

dat vooralsnog niet handhavend wordt opgetreden<br />

tegen het zonder omgevingsvergunning<br />

plaatsen van meerpalen in openbaar<br />

water, aan welke overtreding een lage prioriteit<br />

is toegekend. In het Handhavingsbeleidsplan<br />

is vermeld dat alsnog kan worden besloten<br />

om tegen laag geprioriteerde situaties<br />

handhavend op te treden indien deze in de<br />

toekomst meer prioriteit krijgen. Ook kan<br />

worden besloten om in het kader van een<br />

speciaal handhavingsproject op te treden<br />

tegen overtredingen die al jaren bestaan. Die<br />

projecten worden dan in het handhavingsprogramma<br />

vermeld. Blijkens het Handhavingsprogramma<br />

2012 en het Handhavingsprogramma<br />

2013 zou in de jaren 2012 en<br />

2013 in ieder geval nog niet projectmatig<br />

worden opgetreden tegen illegale bouwwerken<br />

met een lage prioriteit. Het college heeft<br />

gesteld dat dit ook in 2014 niet het geval zal<br />

zijn.<br />

2.4. Beleid dat inhoudt dat tegen overtredingen<br />

die in het handhavingsbeleid een lage<br />

prioriteit hebben in het geheel niet handhavend<br />

zal worden opgetreden, is rechtens niet<br />

aanvaardbaar, omdat daarmee het te handhaven<br />

wettelijk voorschrift wordt ondergraven.<br />

Dat het beleid van het college niet uitsluit<br />

dat tegen dergelijke overtredingen in de toekomst<br />

alsnog handhavend zal worden opgetreden,<br />

doet er niet aan af dat het beleid<br />

inhoudt dat tegen die overtredingen niet<br />

handhavend wordt opgetreden.<br />

2.4.1. Handhavingsbeleid mag er niet toe<br />

strekken dat tegen overtredingen met een<br />

lage prioriteit nimmer wordt opgetreden. Dit<br />

betekent niet dat bij de handhaving geen<br />

prioriteiten mogen worden gesteld. Prioriteitstelling<br />

is toegestaan om in het kader van<br />

doelmatige handhaving onderscheid te<br />

maken in de wijze waarop uitvoering wordt<br />

gegeven aan de handhavingstaak. Zo kan prioritering<br />

bepalend zijn voor de mate waarin<br />

toezicht wordt gehouden op de naleving van<br />

voorschriften. Ook mag prioritering inhouden<br />

dat bij bepaalde lichte overtredingen<br />

alleen naar aanleiding van een klacht of een<br />

verzoek van een belanghebbende wordt<br />

beoordeeld of handhavend moet worden<br />

opgetreden. Wanneer door een belanghebbende<br />

om handhaving wordt verzocht, kan<br />

echter niet uitsluitend onder verwijzing naar<br />

de prioriteitstelling van handhaving worden<br />

afgezien. Alleen onder bijzondere omstandigheden<br />

immers mag van handhaving worden<br />

afgezien. Zoals de Afdeling heeft overwogen<br />

in de uitspraak van 28 juli 2010, nr.<br />

200910268/1/H1, geldt de keuze van een<br />

bestuursorgaan om in verband met een<br />

beperkte handhavingscapaciteit een bepaalde<br />

overtreding een lage prioriteit toe te kennen,<br />

niet als een bijzondere omstandigheid.<br />

Het orgaan zal dus na een verzoek om handhaving<br />

een afweging moeten maken in het<br />

individuele geval, waarbij de belangen van de<br />

verzoeker worden betrokken. Bij deze afweging<br />

moet het bestuursorgaan bezien of het<br />

ondanks de prioritering in dit geval toch<br />

moet optreden.<br />

2.4.2. Het resultaat van die afweging kan zijn<br />

dat van handhaving wordt afgezien, gelet op<br />

het karakter van het overtreden voorschrift,<br />

het daarbij betrokken algemene belang en de<br />

belangen van de verzoeker. Leidt de naar aanleiding<br />

van een verzoek van een belanghebbende<br />

uitgevoerde beoordeling of handhavend<br />

moet worden opgetreden daarentegen<br />

tot het nemen van een sanctiebesluit, dan<br />

levert dat, anders dan het college veronderstelt,<br />

op zichzelf geen strijd met het gelijkheidsbeginsel<br />

op ten opzichte van gevallen<br />

waarin niet om handhaving is verzocht en<br />

geen sanctiebesluit is genomen. In die gevallen<br />

doet zich immers niet de omstandigheid<br />

voor dat een verzoek is gedaan waarmee in<br />

de bestuurlijke afweging rekening moet worden<br />

gehouden. De drie uitspraken van de<br />

Afdeling waarop het college ter verdediging<br />

van zijn standpunt heeft gewezen, zijn met<br />

het voorgaande verenigbaar en verhouden<br />

zich daartoe als volgt. De uitspraak van 11<br />

juni 2008, nr. 200707396/1 heeft betrekking<br />

op de noodzaak van een consistent en doordacht<br />

bestuursbeleid; het stellen van prioriteiten<br />

is daarmee niet in strijd. In de zaken<br />

1700 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Rechtspraak<br />

die leidden tot de uitspraken van 11 maart<br />

2009, nr. 200803658/1, en 11 juli 2012, nr.<br />

201110077/1/A1 werd handhavend optreden<br />

door de betrokken bestuursorganen slechts<br />

overwogen in de gevallen waarin daarom<br />

door derden werd verzocht, maar ontbrak<br />

een consistent en doordacht prioriteringsbeleid.<br />

In die uitspraken overwoog de Afdeling<br />

dat het enkele feit dat in bepaalde gevallen<br />

anders dan in het onderhavige geval door<br />

een derde niet om handhavend optreden was<br />

verzocht, het verschil in handelwijze van het<br />

bestuursorgaan niet kon rechtvaardigen. Het<br />

enkele feit dat een verzoek is gedaan, brengt<br />

inderdaad niet mee dat de belangenafweging<br />

reeds daarom tot een andere uitkomst moet<br />

leiden. Indien een consistent en doordacht<br />

bestuursbeleid wordt gevoerd, inhoudende<br />

dat bij overtredingen waaraan een lage prioriteit<br />

is toegekend alleen naar aanleiding van<br />

een klacht of een verzoek van een derde<br />

wordt beoordeeld of handhavend moet worden<br />

opgetreden, betekent een besluit tot<br />

handhaving naar aanleiding van een klacht<br />

of verzoek echter niet dat het college alsdan<br />

in alle vergelijkbare gevallen uit eigen beweging<br />

tot handhaving moet overgaan.<br />

2.5. Uit het voorgaande volgt dat het college<br />

de afwijzing van het verzoek om handhaving<br />

ten onrechte heeft gebaseerd op het prioriteringsbeleid,<br />

neergelegd in het Handhavingsbeleidsplan<br />

en het Handhavingsprogramma.<br />

Het beginsel om gelijke gevallen gelijk te<br />

behandelen brengt niet met zich dat het college<br />

gehouden was om onjuist beleid toe te<br />

passen.<br />

2.6. De conclusie is dat de rechtbank terecht,<br />

zij het op enigszins andere gronden, heeft<br />

geoordeeld dat het bestreden besluit niet<br />

berust op een deugdelijke motivering en derhalve<br />

in strijd is met artikel 7:12, eerste lid,<br />

van de Awb. Het betoog faalt derhalve.<br />

3. Het hoger beroep van het college is ongegrond.<br />

De aangevallen uitspraak dient te worden<br />

bevestigd, zij het met verbetering van de<br />

gronden waarop deze rust.<br />

(…)<br />

AANWIJZINGEN VOOR AUTEURS<br />

Het verdient aanbeveling vóór het inzenden van artikelen contact<br />

op te nemen met het redactiebureau; dit kan dubbel of vergeefs werk<br />

voorkomen.<br />

Het <strong>NJB</strong> kent verschillende soorten hoofdartikelen. Voor alle artikelen<br />

geldt dat de auteur in de eerste alinea’s duidelijk maakt aan de <strong>NJB</strong>lezers<br />

waarom dit artikel interessant is om verder te lezen.<br />

Wetenschappelijke artikelen: omvang inclusief notenapparaat<br />

3 000 tot maximaal 5 000 woorden. Uitgebreidere versies kunnen<br />

op de <strong>NJB</strong>-site worden geplaatst. Deze artikelen voldoen aan de<br />

maatstaven van het wetenschappelijk forum. Zij vermeerderen de<br />

bestaande kennis met relevante nieuwe inzichten die methodisch<br />

worden verantwoord.<br />

Auteurs van wetenschappelijke artikelen kunnen de redactie verzoeken<br />

hun artikel aan peer review te laten onderwerpen. Meer informatie<br />

op www.njb.nl onder Voor Auteurs<br />

Lessen voor de praktijk: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat<br />

2 500 woorden. Dit is een analyse van een expert met als<br />

doel de praktijk te informeren over ‘best practices’.<br />

Focus: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat 2500 woorden.<br />

Deze artikelen geven een schets en ordening van interessante<br />

actuele ontwikkelingen in een deelgebied.<br />

Essays: indicatie van de omvang 3 000 woorden. Dit is een prikkelende<br />

beschouwing over een breder onderwerp. Verwijzingen staan<br />

bij voorkeur in de tekst zelf.<br />

Opinies zijn in beginsel gebonden aan de omvang van één pagina.<br />

Dit is 800 woorden.<br />

O&M omvatten maximaal 1200 woorden.<br />

Reacties blijven binnen de 600 woorden<br />

en een naschrift binnen de 300 woorden.<br />

- Noten kunnen alleen bij artikelen worden geplaatst; daarin geen<br />

meningen, toelichtingen of andere uitweidingen, maar alleen<br />

vindplaatsen.<br />

- Meestal ontvangt de auteur binnen 1 maand bericht of de inzending<br />

zal worden geplaatst.<br />

- Artikelen of andere bijdragen die elders in dezelfde of vrijwel dezelfde<br />

vorm zijn of worden gepubliceerd worden niet aanvaard.<br />

Bij inzending dient vermeld te worden of en waar het artikel of de<br />

andere bijdrage eveneens ter plaatsing is aangeboden.<br />

- Auteurs die bij een zaak of onderwerp waarover zij in het <strong>NJB</strong> willen<br />

schrijven, betrokken zijn of zijn geweest, dienen dat in een voetnoot te<br />

vermelden met een korte uitleg van de aard van hun betrokkenheid.<br />

- Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen<br />

aan het <strong>NJB</strong> impliceert toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging<br />

t.b.v. de elektronische ontsluiting van het <strong>NJB</strong>.<br />

Een uitgebreide toelichting op het bovenstaande is te lezen in de<br />

brochure Schrijven voor het <strong>NJB</strong>, te vinden op www.njb.nl onder<br />

Voor Auteurs<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1701


1246<br />

Boeken<br />

Obstructionist Behavior in<br />

International Commercial<br />

Arbitration<br />

Legal Analysis and Measures<br />

Available to the Arbitral Tribunal<br />

Arbitration is still a time- and costefficient,<br />

professional way of resolving<br />

cross-border disputes. However,<br />

its advantages seem to vanish if one<br />

party is obstructive and tries to<br />

delay or even sabotage the proceedings.<br />

This work first deals with<br />

the obligations that arise from an<br />

arbitration agreement. Subsequently,<br />

the author introduces ‘obstructionist<br />

behavior’ as a generic term and identifies<br />

situations in which, according<br />

to case law, mere tactical behavior<br />

turns into obstructionist behavior.<br />

Finally, the author extensively discusses<br />

measures against obstructionist<br />

behavior such as adverse inferences,<br />

interim measures and<br />

astreintes. The author examines the<br />

jurisdictions of Switzerland, England,<br />

the US and France as well as<br />

the established arbitration rules. As<br />

this work relies to a substantial<br />

extent on unpublished ICC arbitral<br />

awards, the author provides a valuable<br />

insight in arbitral tribunals’ dealings<br />

with obstructionist parties.<br />

Alain Hosang<br />

Eleven International Publishing 2014, 318 p., € 45,00<br />

ISBN 978 94 6236 100 3<br />

175 jaar Hoge Raad der<br />

Nederlanden<br />

Bijdragen aan de samenleving<br />

Op 1 oktober 2013<br />

bestond de Hoge<br />

Raad der Nederlanden<br />

175 jaar. Tijdens<br />

een bijeenkomst in<br />

de Haagse Koninklijke<br />

Schouwburg is bij<br />

dit jubileum stilgestaan.<br />

‘Bijdragen aan de samenleving’<br />

was het thema van deze viering: welke<br />

rol vervult de hoogste nationale<br />

rechter binnen de samenleving<br />

Deze bundel bevat de bijdragen van<br />

de zes sprekers die dit thema vanuit<br />

verschillende invalshoeken hebben<br />

belicht.<br />

G.J.M. Corstens, Lord Mance, C.W.A.<br />

Timmermans, D.J.C. Aben, G. de<br />

Groot, J.W. Fokkens<br />

Boom Juridische Uitgevers 2014, 191 p., € 44,50<br />

ISBN 978 90 8974 867 6<br />

De vennootschap en de<br />

geconstrueerde<br />

werkelijkheid<br />

Op 24 oktober 2013 sprak prof. mr.<br />

C.D.J. (Claartje) Bulten haar oratie uit.<br />

Zij is als hoogleraar Ondernemingsrecht<br />

verbonden aan het Van der<br />

Heijden Instituut van de Radboud<br />

Universiteit Nijmegen. Dit boekje<br />

bevat de uitgebreide schriftelijke<br />

tekst van haar rede, getiteld ‘De vennootschap<br />

en de geconstrueerde werkelijkheid’.<br />

De gedachte die aan haar<br />

prikkelende verhaal ten grondslag<br />

ligt, is dat de wil, de keuzes en het<br />

handelen van betrokkenen door kunnen<br />

werken in de vennootschap. Aan<br />

de hand van voorbeelden, zoals de<br />

wijziging van het BV-recht, betoogt<br />

zij dat de partijautonomie en de contractsvrijheid<br />

weer meer ruimte in<br />

het ondernemingsrecht krijgen.<br />

Claartje Bulten<br />

Uitgeverij Kluwer B.V. 2014, 36 p., € 24,50<br />

ISBN 978 90 1312 295 4<br />

Realistische en pragmatische<br />

rechtsvinding<br />

Taak en taakopvatting van de rechter<br />

in de westerse wereld<br />

In dit boek vergelijkt<br />

de auteur, emeritushoogleraar<br />

burgerlijk<br />

recht en Anglo-Amerikaans<br />

recht, de wijze<br />

van rechtsvinding in<br />

vijf landen van de westerse<br />

wereld, te weten<br />

de Verenigde Staten, Nederland,<br />

Duitsland, Engeland en Frankrijk, en<br />

bepleit de noodzaak van een meer<br />

pragmatische rechtsvinding. Pragmatisme<br />

houdt in dat gestreefd moet<br />

worden naar beslissingen met een<br />

aanvaardbare uitkomst. De realisten<br />

predikten in de jaren dertig hun rule<br />

and fact scepticism en voorzagen het<br />

pragmatisme van een theoretisch<br />

kader. Na de oorlog is het pragmatisme<br />

vanuit de VS overgewaaid naar<br />

Duitsland. Sinds 1970 oordeelt de<br />

Nederlandse rechter meer en meer<br />

pragmatisch, waarmee een einde lijkt<br />

te zijn gekomen aan een tijdperk<br />

waarin Scholtens “Algemeen Deel”<br />

min of meer als maatstaf gold. Langzaam<br />

werd ingezien dat taal, geschiedenis<br />

en systeem van de wet teveel<br />

een barrière vormden voor de rechter<br />

om te komen tot een bevredigende<br />

beslissing. Het denken vanuit<br />

beginselen is steeds belangrijker<br />

geworden, mede onder invloed van<br />

het publiekrecht, het Europees recht<br />

en de mensenrechten. Op basis van<br />

zijn onderzoek, waarbij ook aandacht<br />

voor de rechtsfilosofie en Wittgensteins<br />

taalfilosofie is voor de auteur<br />

maar één conclusie mogelijk: het<br />

recht moet dienstbaar zijn aan een<br />

maatschappij die altijd in beweging<br />

is en niet angstvallig vasthouden aan<br />

de wettekst.<br />

H.C.F. Schoordijk<br />

Wolf Legal Publishers 2014, 352 p., € 27,50<br />

ISBN 978 94 6240 130 3<br />

Contract Law in Russia<br />

The book explains Russian contract<br />

law in a form understandable to<br />

lawyers qualified in other countries,<br />

especially common law countries.<br />

The introduction gives a concise<br />

overview of the Russian legal system<br />

in general and contract law in particular<br />

as well as a brief insight into<br />

the history of contract law in Russia.<br />

Then the main concepts of Russian<br />

contract law are explained, using the<br />

conceptual framework of English<br />

contract law to make them accessible<br />

to someone not familiar with the<br />

codified Russian system.<br />

The book not only considers the<br />

legislation regulating Russian contractual<br />

relations but also includes<br />

appropriate case law to show how<br />

the legislation is interpreted. The<br />

focus is on contract law in Russia as<br />

it actually operates, rather than<br />

merely the legislative texts, so that it<br />

will be directly relevant to legal<br />

practitioners and others who wish to<br />

acquire knowledge of the practical<br />

application of an important element<br />

of the Russian legal system, as well<br />

as those seeking an insight into the<br />

realities of codified law in action.<br />

The target readership therefore includes<br />

legal practitioners who have to<br />

deal with Russian law, academics and<br />

students with an interest in Russian<br />

law, the law of contract and comparative<br />

civil law, as well as scholars of<br />

comparative legal systems and<br />

Russian area studies.<br />

Maria Yefremova, Svetlana Yakovleva,<br />

Jane Henderson<br />

Hart Publishing 2014, 326 p., € 32,50<br />

ISBN 978 18 4946 299 0<br />

1702 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Tijdschriften<br />

1247<br />

Burgerlijk (proces)recht<br />

Tijdschrift voor Civiele<br />

Rechtspleging<br />

Nr. 2, juni 2014<br />

F.J.P. Lock<br />

Ambtshalve toetsing in hoger<br />

beroep. Over de omvang van het<br />

hoger beroep en het door de grieven<br />

ontsloten gebied.<br />

– Op 13 september 2013 (Heesakkers/Voets)<br />

heeft de Hoge Raad<br />

geoordeeld dat de appelrechter<br />

gehouden is ambtshalve na te gaan<br />

of een beding uit het oogpunt van de<br />

in de Richtlijn oneerlijke bedingen in<br />

consumentenovereenkomsten gegeven<br />

criteria onredelijk bezwarend is.<br />

Met dit arrest is de vraag onder de<br />

aandacht gekomen welke plaats<br />

ambtshalve toetsing inneemt in het<br />

Nederlandse appelprocesrecht en<br />

meer in het bijzonder hoe die toetsing<br />

zich verhoudt tot het grievenstelsel.<br />

Het antwoord op de vraag in<br />

hoeverre de rechter in hoger beroep<br />

buiten de grieven om tot ambtshalve<br />

toetsing gehouden is, blijkt subtiel te<br />

liggen en kan gemakkelijk tot verwarring<br />

leiden. Volgens schr. heeft de<br />

Hoge Raad met het oordeel in Heesakkers/Voets<br />

recht gedaan aan de wijze<br />

waarop het arrest Asbeek Brusse<br />

van het Hof van Justitie moet worden<br />

toegepast in het Nederlandse<br />

appelprocesrecht. Er is bewustzijn<br />

van de Europeesrechtelijke normen<br />

vereist die gelijkwaardig zijn aan<br />

regels van openbare orde en een alertheid<br />

om daaraan ambtshalve te<br />

toetsen. Het is duidelijk dat aan consumenten<br />

de bescherming moet worden<br />

geboden, maar schr. van deze bijdrage<br />

wil ook in andere gevallen de<br />

bevoegdheid aan de appelrechter<br />

zien om in te grijpen, indien er sprake<br />

is van een ongelijkheid tussen<br />

partijen.<br />

WPNR<br />

145e jrg. nr. 7023, 14 juni 2014<br />

Prof. dr. S. Perrick<br />

Aandelen in het BV<br />

in het erfrecht<br />

– Schr. analyseert<br />

enkele bepalingen<br />

van het flex-BVrecht<br />

vanuit het<br />

algemeen vermogensrecht,<br />

waaronder het erfrecht, en<br />

beziet voorts hoe het algemeen vermogensrecht<br />

op aandelen in een BV<br />

moet worden toegepast.<br />

Mr. S.H. Barten<br />

Het Verdrag van Kaapstad: een<br />

nieuw eenvormig regime voor<br />

schepen<br />

– Besproken worden de mogelijke<br />

juridische knelpunten verbonden<br />

aan de door UNIDROIT verkende<br />

introductie van een maritiem protocol<br />

bij het Verdrag van Kaapstad vanuit<br />

een Nederlands perspectief.<br />

WPNR<br />

145e jrg. nr. 7024, 21 juni 2014<br />

Themanummer: Nieuw IPR-<br />

Erfrecht: de Erfrechtverordening<br />

Met ingang van 17 augustus 2015<br />

wordt de Erfrechtverordening van<br />

toepassing in de lidstaten van de EU.<br />

Voor Nederland brengt deze verordening<br />

belangrijke wijzigingen met<br />

zich wat betreft de behandeling van<br />

nalatenschappen met grensoverschrijdende<br />

aspecten. Niet langer zullen<br />

daarop de bepalingen van het<br />

Haagse Erfrechtverdrag van toepassing<br />

zijn maar die van de verordening.<br />

In de themanummer worden<br />

de verschillende onderdelen van de<br />

Erfrechtverordening gedetailleerd<br />

besproken en wordt ook ingegaan op<br />

de praktische toepassing ervan voor<br />

het notariaat. De tekst van de verordening<br />

is in het nummer opgenomen.<br />

Het nummer bevat de volgende<br />

bijdragen: Prof. mr. P. Vlas, Het notariaat<br />

en de Erfrechtverordening -<br />

het aftellen is begonnen; Mr. F. Ibili,<br />

Procederen over internationale<br />

nalatenschappen; Mr. E.N. Frohn, Art.<br />

21 Erfrechtverordening: de objectieve<br />

verwijzingsregel nader belicht;<br />

Prof. mr. F.W.J.M. Schols, De Europese<br />

erfrechtelijke rechtskeuze - Een<br />

enkel stapje terug, maar een reuzenstap<br />

vooruit; Mr. J.G. Knot, Internationale<br />

boedelafwikkeling volgens<br />

de regels van de<br />

Erfrechtverordening: vereffening,<br />

verdeling en Näherberechtigung<br />

vanaf 17/8/2015; Prof. dr. J.H.M. van<br />

ERp, LLM, De Europese erfrechtverklaring;<br />

prof. mr. T.J. Mellema-Kranenburg,<br />

mr. C. Van der Plas, In hoeverrre<br />

lost de ERfrechtverodening<br />

praktische problemen voor het<br />

notariaat bij internationale nalatenschappen<br />

op<br />

1248<br />

Handels- & economisch recht<br />

Bedrijfsjuridische berichten<br />

Nr. 12, 19 juni 2014<br />

Mr. M. Mussche, Bb 2014/34<br />

De invloed van het arrest Spaanse<br />

villa: een tussenbalans<br />

– Schr. beoordeelt in deze bijdrage<br />

de invloed die het arrest Spaanse villa<br />

heeft op de lagere jurisprudentie.<br />

Hij bespreekt daartoe de gepubliceerde<br />

uitspraken waarin naar dit arrest<br />

is verwezen.<br />

Mr. G.H. Lankhorst, Bb 2014/35<br />

Evaluatie wetswijziging<br />

schuldsaneringsregeling<br />

– Op 24 april jl. heeft de Staatssecretaris<br />

van Veiligheid en Justitie een<br />

evaluatie van de Wsnp aan de Eerste<br />

Kamer aangeboden. Hieruit blijkt dat<br />

een aantal wetswijzigingen die in<br />

2008 zijn doorgevoerd (zoals het<br />

dwangakkoord, minnelijk moratorium<br />

en voorlopige voorziening) naar<br />

behoren functioneert.<br />

Juridisch up to Date<br />

Nr. 12, 12 juni 2014<br />

Mr. ing. J. Bessems<br />

EU richtlijn inzake schadevorderingen<br />

wegens inbreuken op<br />

het mededingingsrecht. Een<br />

welkome aanvulling voor slachtoffers<br />

van mededingingsinbreuken<br />

– In juni 2013 bracht de Commissie<br />

het richtlijnvoorstel uit betreffende<br />

bepaalde regels voor schadevorderingen<br />

volgens nationaal recht wegens<br />

inbreuken op de bepalingen van het<br />

mededingingsrecht van de Europese<br />

lidstaten. Op 17 april 2014 stemde<br />

het Europees Parlement met dit<br />

voorstel in. Schr. bespreekt deze<br />

richtlijn waarbij onder meer wordt<br />

ingegaan op het doel en de reikwijdte<br />

van de richtlijn en op bepalingen<br />

met betrekking tot bewijsgaring, verjaring,<br />

aansprakelijkheid en schadeberekening.<br />

Deze richtlijn dient volgens<br />

schr. de uniformering van de<br />

schadevorderingsprocedure binnen<br />

de verschillende lidstaten. De impact<br />

voor Nederland is beperkt, omdat het<br />

Nederlands procesrecht al dergelijke<br />

regels kent. Daarnaast verschaft de<br />

richtlijn een kader voor de civiele en<br />

publieke handhaving. De richtlijn<br />

lijkt volgens schr. een welkome aanvulling<br />

voor slachtoffers van mede-<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1703


Tijdschriften<br />

dingingsinbreuken. De Raad moet<br />

deze richtlijn nog aannemen en vaststellen<br />

waarna de lidstaten deze binnen<br />

twee jaar, naar verwachting in<br />

het najaar van 2016, moeten hebben<br />

geïmplementeerd.<br />

Ondernemingsrecht<br />

Nr. 8, 12 juni 2014<br />

Mr. E. Schmieman,<br />

Ondernemingsrecht 2014/77<br />

De aanbeveling van de Europese<br />

Commissie inzake een nieuwe<br />

aanpak van faillissement en<br />

insolventie<br />

– Schr. geeft een update van de<br />

onderhandelingen over de wijziging<br />

van de Europese Insolventieverordening<br />

en bespreekt de aanbeveling<br />

‘Faillissement en insolventie’ van de<br />

Europese Commissie. Deze is gericht<br />

op het bevorderen van vroegtijdige<br />

herstructurering, zoveel mogelijk<br />

buiten faillissement. Aangegeven<br />

wordt dat de herijking van het Nederlandse<br />

faillissementsrecht goed aansluit<br />

bij de aanbeveling. Voorts wordt<br />

bezien hoe zij met het aangekondigde<br />

wetsvoorstel ‘Dwangakkoord buiten<br />

faillissement’ verder kan worden<br />

ingevuld.<br />

C.M. Harmsen,<br />

Ondernemingsrecht 2014/78<br />

De curator en de bestrijding van<br />

fraude<br />

– In het kader van het wetgevingsprogramma<br />

‘herijking van het faillissementsrecht’<br />

zijn drie wetsvoorstellen<br />

voorzien in het kader van de<br />

pijler fraudebestrijding. Deze drie<br />

wetsvoorstellen worden besproken<br />

en van enkele kritische kanttekeningen<br />

voorzien.<br />

Prof. mr. J.J. van Hees,<br />

Ondernemingsrecht 2014/79<br />

Stille bewindvoering: pre-packen en<br />

wegwezen<br />

– De voorbereide doorstart van een<br />

onderneming uit faillissement met<br />

behulp van een door de rechtbank<br />

aangestelde stille bewindvoerder, de<br />

‘pre-pack’, is de laatste jaren sterk in<br />

opkomst. Belicht worden de achtergronden<br />

van deze figuur, de bestaande<br />

praktijk alsmede het voorstel voor<br />

een wettelijke regeling daarvan.<br />

M.L.H. Reumers,<br />

Ondernemingsrecht 2014/80<br />

Wijziging van de Insolventieverordening:<br />

de voorstellen van de Commissie<br />

en het Europees Parlement<br />

– In december 2012 heeft de Commissie<br />

een voorstel gepubliceerd tot<br />

wijziging van de Insolventieverordening.<br />

Het Europees Parlement heeft<br />

recentelijk aangegeven het Commissievoorstel<br />

grotendeels te steunen.<br />

Deze bijdrage bespreekt diverse wijzigingsvoorstellen,<br />

inclusief het standpunt<br />

van het Parlement dienaangaande.<br />

R.J. van Galen,<br />

Ondernemingsrecht 2014/81<br />

Knelpunten in ons insolventierecht<br />

– De Nederlandse insolventiepraktijk<br />

doet het helemaal niet zo slecht,<br />

maar de Faillissementswet kent een<br />

aantal knelpunten, die onder meer in<br />

de weg staan aan geavanceerde reorganisatiescenario’s.<br />

De belangrijkste<br />

wijzigingen die moeten plaatsvinden,<br />

zijn invoering van een effectievere<br />

akkoordprocedure, oplossing van de<br />

lege boedelproblematiek en invoering<br />

van de UNCITRAL Modelwet.<br />

Tijdschrift voor de<br />

Ondernemingsrechtpraktijk<br />

Nr. 4, juni 2014<br />

J. van Bekkum, R.B. van Hees<br />

De internationaal bevoegde rechter<br />

bij aansprakelijkheid van in het<br />

buitenland wonende bestuurders<br />

en commissarissen<br />

– In procedures over aansprakelijkheid<br />

van bestuurders en commissarissen<br />

van Nederlandse rechtspersonen<br />

is er vaak een internationale<br />

component omdat veel Nederlandse<br />

ondernemingen buitenlandse functionarissen<br />

hebben. Regelmatig komt<br />

de vraag aan bod welke rechter internationaal<br />

bevoegd is van een geschil<br />

kennis te nemen. Een civielrechtelijke<br />

vordering tegen een functionaris<br />

van een Nederlandse rechtspersoon<br />

kan worden ingesteld door de rechtspersoon,<br />

zijn aandeelhouder(s), de<br />

curator en de crediteuren van de<br />

rechtspersoon. In een dergelijke procedure<br />

is het niet eenvoudig om vast<br />

te stellen welke rechter internationaal<br />

bevoegd is. In deze bijdrage<br />

wordt beoogd een handvat te bieden<br />

aan de praktijkbeoefenaar die in een<br />

niet zuiver Nederlandse context te<br />

maken krijgt met (de wens tot) aansprakelijkstelling<br />

van functionarissen<br />

van Nederlandse rechtspersonen<br />

voor de Nederlandse rechter.<br />

S. Rietveld<br />

Verschillende toepassingen van<br />

de limiteringsregeling nader<br />

beschouwd<br />

– Bij het voorstellen van kandidaten<br />

voor (her)benoeming als bestuurder<br />

of toezichthouder dienen bepaalde<br />

rechtspersonen aandacht te besteden<br />

aan de vraag of deze bestuurders en<br />

toezichthouders niet te veel functies<br />

tegelijkertijd bekleden. Dit heet overboarding.<br />

Om overboarding tegen te<br />

gaan worden steeds meer regelingen<br />

ingevoerd die zien op de limitering<br />

van het aantal functies. In Nederland<br />

worden vanaf 1 juli 2014 vier verschillende<br />

limiteringsregelingen<br />

naast elkaar geldend. In deze bijdrage<br />

wordt ingegaan op de vier limiteringsregelingen.<br />

De vraag is of de<br />

beoogde doelstelling om de kwaliteit<br />

van bestuur en toezicht te bevorderen<br />

wordt gehaald. Volgens schr. is<br />

het al de vraag of de keuze voor weten<br />

regelgeving de juiste is. Bovendien<br />

is de wijze van regulering hier en<br />

daar gebrekkig. Een basisregeling in<br />

Boek 2 BW met aanvullingen in specifieke<br />

wetgeving lijkt de bezwaren te<br />

kunnen wegnemen.<br />

E. Loesberg<br />

Hoe gaat het met de pre-pack<br />

– In deze bijdrage worden de vooren<br />

nadelen van de pre-pack behandeld.<br />

Volgens schr. kan dat een nuttig<br />

reorganisatiemiddel zijn. De stille<br />

bewindvoerder dient bij de voorbereiding<br />

van de na de faillietverklaring<br />

van de schuldenaar te effectueren<br />

doorstart van de onderneming<br />

vanuit het perspectief van de schuldeisers<br />

mee te denken en aan te geven<br />

wat mogelijk wel en wat in ieder<br />

geval niet kan, zonder dat hij de curator<br />

kan binden. Pre-pack is wettelijk<br />

(nog) niet geregeld, zodat in theorie<br />

ook de schuldenaar zelf de rechtbank<br />

een verzoek om aanstelling van een<br />

stille bewindvoerder kan doen. Er is<br />

inmiddels een wetsvoorstel Wet continuïteit<br />

van ondernemingen I opgesteld.<br />

Schr. bespreekt in deze bijdrage<br />

de voors en tegen van de pre-pack en<br />

de voorstellen zoals verwoord in het<br />

wetsvoorstel.<br />

1249<br />

Sociaal Recht<br />

ArbeidsRecht<br />

21e jrg. nr. 6/7, juni/juli 2014<br />

Mr. C.C. Zillinger Molenaar,<br />

ArbeidsRecht 2014/30<br />

1704 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Tijdschriften<br />

Jaaroverzicht jurisprudentie<br />

concurrentiebeding<br />

en<br />

onrechtmatige concurrentie<br />

- In dit artikel geeft<br />

schr. een overzicht<br />

van de meest interessante en belangrijke<br />

uitspraken over het non-concurrentiebeding<br />

en onrechtmatige concurrentie<br />

uit 2013. Schr. bespreekt de<br />

geldigheidsvereisten, gehele of<br />

gedeeltelijke<br />

vernietiging, boetebeding en matigingsrecht,<br />

billijke vergoeding,<br />

onrechtmatige concurrentie en het<br />

wetsvoorstel Werk en Zekerheid.<br />

Mr. B. Degelink CPL,<br />

ArbeidsRecht 2014/31<br />

Bestuurdersaansprakelijkheid voor<br />

pensioenpremie<br />

– Bestuurders zijn op grond van de<br />

wet hoofdelijk aansprakelijk voor de<br />

betaling van pensioenpremies door<br />

hun onderneming aan een verplicht<br />

bedrijfstakpensioenfonds. Deze wettelijke<br />

aansprakelijkheid geldt niet voor<br />

de betaling van pensioenpremies aan<br />

andere soorten pensioenuitvoerders<br />

zoals verzekeraars, ondernemingspensioenfonden<br />

of niet-verplichte bedrijfstakpensioenfondsen.<br />

Het bijzondere<br />

karakter van pensioen kan echter in<br />

die gevallen sneller leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid<br />

uit onrechtmatige<br />

daad. Schr. bespreekt in dit artikel<br />

de bestuurdersaansprakelijkheid, de<br />

verplichte bedrijfstakpensioenfondsen,<br />

de hoofdelijke aansprakelijkheid van<br />

bestuurders, de rechtvaardiging van<br />

deze hoofdelijke aansprakelijkheid en<br />

het begrip bestuurder. Vervolgens<br />

komen de mededeling van betalingsonmacht,<br />

verwijtbaar niet-nakomen<br />

van de mededelingsplicht, de positie<br />

van de nieuwe bestuurder en de positie<br />

van de gewezen bestuurder aan de<br />

orde, alsmede de positie van andere<br />

soorten pensioenuitvoerders. Schr.<br />

concludeert dat de hoofdelijke aansprakelijkheid<br />

de bestuurder ertoe aanspoort<br />

om de premieschuld niet te<br />

hoog te laten oplopen, precies zoals de<br />

wetgever beoogde met deze wet.<br />

Mr. A. Avci, mr. N. Koene,<br />

ArbeidsRecht 2014/32<br />

Wet arbeid vreemdelingen: Alert<br />

anno 2014!<br />

– De Wet arbeid vreemdelingen<br />

(WAV) is bij werkgevers niet altijd<br />

even goed bekend, terwijl de boete<br />

bij tewerkstelling van een vreemdeling<br />

zonder tewerkstellingsvergunning<br />

fors kan zijn. Aangezien de WAV<br />

per 1 januari 2014 op diverse onderdelen<br />

strikter en formeler is geworden,<br />

verwachten schrs. dat het aantal<br />

boeteopleggingen toeneemt. Mede<br />

aan de hand van de rechtspraak<br />

schetsen schrs. de essentiële aandachtspunten<br />

voor werkgevers die te<br />

maken hebben of kunnen krijgen<br />

met de (gewijzigde) WAV. Schrs<br />

bespreken achtereenvolgens het juridisch<br />

kader, boeteoplegging, boetevoorkoming<br />

en de gevolgen van de<br />

wijzigingen per 1 januari 2014.<br />

Mr. S. Schmeetz, mr. I. van<br />

Kronenburg, ArbeidsRecht 2014/33<br />

Wat brengt de Afroomregeling voor<br />

bestuurders van beursgenoteerde<br />

vennootschappen (in mindering)<br />

– Op 1 januari 2014 is de Wet claw<br />

back in werking getreden. Naast een<br />

redelijkheidstoets en een claw back<br />

bevoegdheid is met de inwerkingtreding<br />

van de Wet claw back in Nederland<br />

een regeling geïntroduceerd om<br />

een meer zuivere belangenafweging<br />

door bestuurders in overnamesituaties<br />

te bewerkstelligen: de Afroomregeling.<br />

Nederland is (vooralsnog) het<br />

enige land dat een regeling in deze<br />

vorm kent. In dit artikel geven schrs.<br />

een uitgebreide beschouwing over de<br />

afroomregeling zoals neergelegd in<br />

art. 2:135 lid 7 BW. Onder andere<br />

komen de geschiedenis, de techniek,<br />

en de toegevoegde waarde van de<br />

Afroomregeling ten opzichte van de<br />

tegenstrijdigbelangregeling uit de<br />

Wet bestuur en toezicht aan de orde.<br />

Vervolgens bespreken schrs. de effectiviteit<br />

en de arbeidsrechtelijke consequenties<br />

van de regeling.<br />

– Mr. F.M. Dekker, ArbeidsRecht<br />

2014/34<br />

De formulering van een<br />

boetebeding<br />

– De regeling van het boetebeding in<br />

artt. 7:650 en 7:651 BW doet bij eerste<br />

lezing ouderwets aan. Dat komt doordat<br />

deze artikelen sinds 1909 vrijwel<br />

ongewijzigd zijn gebleven. Het verouderde<br />

systeem van art. 7:650 BW is<br />

moeilijk werkbaar en kent tal van<br />

onduidelijkheden. Met een zorgvuldige<br />

formulering van het boetebeding<br />

in een arbeidsovereenkomst meent<br />

schr. evenwel dat nietigheid ervan<br />

moet worden voorkomen. In dit artikel<br />

beoogt schr. daartoe enkele praktische<br />

tips te geven. In de volgende<br />

paragraaf wordt in dat kader eerst<br />

kort de regeling van art. 7:650 en<br />

7:651 BW geschetst. Daarna wordt<br />

aandacht besteed aan een drietal<br />

aspecten die blijkens de jurisprudentie<br />

vaak tot discussie leiden.<br />

Mr. P.G. Vestering,<br />

ArbeidsRecht 2014/35<br />

Clawback en contractuele afspraken<br />

met de bestuurder<br />

– Op 1 januari 2014 is de Wet claw<br />

back in werking getreden. Deze wet<br />

biedt vennootschappen onder meer<br />

de mogelijkheid excessieve bonussen<br />

en ontslagvergoedingen voor de<br />

bestuurder aan te passen, of terug te<br />

vorderen indien deze onterecht<br />

betaald blijken te zijn. Hoewel het de<br />

vraag is of deze wet juridisch veel<br />

toevoegt aan al bestaande bevoegdheden<br />

op dat vlak, zet de wet deze<br />

bevoegdheden wel nadrukkelijker ‘op<br />

de kaart’ en moet (meestal) de raad<br />

van commissarissen over de toepassing<br />

hiervan verantwoording afleggen<br />

in het jaarverslag. Indien commissarissen<br />

hierdoor meer aandacht<br />

krijgen voor de clawback-mogelijkheden<br />

komt ook de vraag op wat deze<br />

wet betekent voor de bestaande beloningsafspraken<br />

of vertrekafspraken<br />

met de bestuurder. Moet bijvoorbeeld<br />

de raad van commissarissen<br />

zich altijd de aanpassings- of terugvorderbevoegdheid<br />

voorbehouden,<br />

ook in een beëindigingsovereenkomst<br />

Of kan de bestuurder juist<br />

contractueel bedingen dat hij niet<br />

meer wordt ‘lastig gevallen’ met deze<br />

bevoegdheden Dit artikel gaat in op<br />

de vraag wat partijen contractueel<br />

hierover kunnen afspreken.<br />

Bedrijfsjuridische berichten<br />

Nr. 12, 19 juni 2014<br />

Mr. T.L.C.W. Noordoven, Bb 2014/33<br />

Naar een nieuw<br />

ontslagrecht (3):<br />

arbeidsovereenkomst<br />

voor bepaalde<br />

tijd en ketenregeling<br />

– De inwerkingtreding<br />

van de eerste<br />

onderdelen van de Wet Werk en<br />

Zekerheid (WWZ) per 1 juli 2014<br />

komt steeds naderbij. Daarom worden<br />

de belangrijkste aanpassingen<br />

die deze wet meebrengt in een reeks<br />

artikelen uiteengezet. In Bb 2014/26<br />

is een overzichtsartikel verschenen.<br />

In Bb 2014/29 is vervolgens ingegaan<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1705


Tijdschriften<br />

op de gevolgen die de WWZ heeft<br />

voor de loondoorbetalingsverplichting,<br />

proeftijd en het concurrentiebeding.<br />

In dit derde artikel van de reeks<br />

wordt ingegaan op de arbeidsovereenkomst<br />

voor bepaalde tijd en de<br />

beëindiging daarvan en worden de<br />

gevolgen die de WWZ heeft voor de<br />

ketenregeling besproken.<br />

PIV Bulletin<br />

Nr. 3, juni 2014<br />

Mr. R. Meelker<br />

De Gedragscode Persoonlijk<br />

Onderzoek; wel of geen fraude<br />

– De uitspraak van de Hoge Raad op<br />

18 april betrof een geschil over een<br />

arbeidsongeschiktheidsverzekering.<br />

Verzekerde meldde zich 8 april 2003<br />

arbeidsongeschikt. Vervolgens volgden<br />

drie jaren waarin Interpolis uitkering<br />

deed aan verzekerde op basis<br />

van arbeidsongeschiktheidspercentages<br />

die varieerden van 50 tot 100%.<br />

In juli 2006 heeft Interpolis een persoonlijk<br />

onderzoek als bedoeld in de<br />

Gedragscode Persoonlijk Onderzoek<br />

(GPO) laten instellen. Aan verzekerde<br />

heeft zij gevraagd een vragenlijst in<br />

te vullen en gedurende een week een<br />

dagboek van zijn activiteiten bij te<br />

houden. Voorts is hij in september<br />

2006 gedurende acht dagen geobserveerd.<br />

In het onderzoeksrapport is<br />

als conclusie vermeld dat verzekerde<br />

bewust onjuiste informatie aan Interpolis<br />

heeft verstrekt.<br />

Mr. H.W.M. Nacinovic<br />

Schadevergoeding en de Wet werk<br />

en bijstand<br />

– Met enige regelmaat wordt de<br />

vraag voorgelegd wat ‘de gemeente<br />

gaat doen met de schadevergoeding’.<br />

Bedoeld wordt of de gemeente op<br />

grond van de Wet maatschappelijke<br />

ondersteuning (Wmo) en/of de Wet<br />

werk en bijstand (WWB) een claim op<br />

de te betalen letselschadevergoeding<br />

kan leggen.<br />

Praktijkblad<br />

Salarisadministratie<br />

16e jrg. nr. 9, 13 juni 2014<br />

Mr. B. Agerbeek<br />

Inlenersbeloning voor ingeleende<br />

arbeidskrachten. Loonverhoudingsvoorschrift<br />

uit WAADI<br />

– Uitzendkrachten moeten dezelfde<br />

beloning krijgen als reguliere werknemers<br />

in de onderneming en branche<br />

van de inlenende onderneming.<br />

In dit artikel wordt aandacht besteed<br />

aan het spanningsveld dat in de<br />

praktijk ontstaat omdat verplichtingen<br />

worden opgelegd aan de inlenende<br />

onderneming en de uitlenende<br />

uitzendorganisatie. Ook als een werkgever<br />

arbeidskrachten inleent (en<br />

niet alleen van uitzendbureaus) kan<br />

de op de onderneming toepasselijke<br />

cao regels bevatten ter waarborg van<br />

betaling van de inlenersbeloning<br />

door de uitlenende organisatie.<br />

W. Bolderman<br />

Tegemoetkomingen partner- en<br />

wezen en premievrijstelling bij<br />

arbeidsongeschiktheid<br />

– De wijzigingen in de Wet verhoging<br />

AOW- en pensioenrichtleeftijd<br />

kunnen fikse gevolgen hebben voor<br />

partner- en wezenpensioenen en premievrijstelling<br />

bij arbeidsongeschiktheid.<br />

In een besluit van 20 december<br />

2013 geeft de Staatssecretaris van<br />

Financiën een aantal tegemoetkomingen<br />

hiervoor.<br />

S. Schijf<br />

Personeelsdossier bij outsourcing.<br />

Denk aan de privacybelangen van<br />

werknemers<br />

– Welke regels gelden bij de overdracht<br />

van personeelsdossiers ter<br />

bescherming van de privacy van<br />

werknemers<br />

J. Boulet<br />

Omvang loondoorbetalingsplicht<br />

tijdens het derde ziektejaar<br />

Hoe zit het met de omvang van de<br />

loondoorbetalingsverplichting van<br />

de werkgever bij een loonsanctie tijdens<br />

het derde ziektejaar De kantonrechter<br />

in Rotterdam is hier recent<br />

op ingegaan.<br />

Rechtskundig Weekblad<br />

77e jrg. nr. 40, 7 juni 2014<br />

P. Waterschoot<br />

De CAO nr. 81 en de<br />

privacybescherming van de<br />

werknemer, een afdwingbare norm<br />

of een papieren tijger<br />

– (België) In deze openingsrede uitgesproken<br />

door de advocaat-generaal<br />

op de openingszitting van het<br />

Arbeidshof te Gent op 3 september<br />

2013 onderzoekt de spreker aan de<br />

hand van een aantal onuitgegeven<br />

arresten van het Arbeidshof te Gent<br />

de stand van zaken in verband met<br />

de waarde van het bewijsmateriaal,<br />

verkregen door de controle van internet-<br />

en e-mailgebruik van de werknemers<br />

door de werkgever in zaken van<br />

ontslag om dringende redenen. Hij<br />

stelt vast dat in de meeste uitspraken<br />

de Antigoonleer ten volle wordt<br />

toegepast, op twee dissidente uitspraken<br />

na. Zijn conclusie is dan ook<br />

dat de cao nr. 81 verworden is tot wat<br />

hij noemt “een papieren tijger”.<br />

1250<br />

Staats- & bestuursrecht<br />

Bedrijfsjuridische berichten<br />

Nr. 12, 19 juni 2014<br />

Mr. dr. C.N.J. Kortmann, Bb 2014/36<br />

Chemie-Pack, doorbraakjurisprudentie<br />

van de bestuursrechter<br />

– In een aantal recente uitspraken<br />

naar aanleiding van de brand bij Chemie-Pack<br />

te Moerdijk in 2011 heeft de<br />

Afdeling bestuursrechtspraak van de<br />

Raad van State niet alleen verhaal van<br />

de saneringskosten op de drijver van<br />

de inrichting mogelijk geacht, maar<br />

ook op diverse andere vennootschappen<br />

uit het concern. De hoogste<br />

bestuursrechter lijkt daarbij beduidend<br />

verder te gaan dan tot nu toe<br />

volgde uit de jurisprudentie van de<br />

strafrechter over functioneel daderschap<br />

en van de civiele rechter over<br />

bestuurdersaansprakelijkheid. Met<br />

name eigenaren van industriële gronden<br />

en opstallen moeten op hun tellen<br />

passen.<br />

Nieuw Juridisch Weekblad<br />

13e jrg. nr. 304, 11 juni 2014<br />

E. Brewaeys<br />

Raad van State. Procesrechtelijke<br />

vernieuwingen (deel 2)<br />

– (België) De wetgever<br />

heeft de Raad<br />

van State grondig<br />

hervormd bij wet<br />

van 20 januari 2014<br />

houdende hervorming<br />

van de<br />

bevoegdheid, de<br />

procedureregeling en de organisatie<br />

van de Raad van State. Deze tweedelige<br />

bijdrage bespreekt minutieus de<br />

procesrechtelijke vernieuwingen<br />

voor de Raad van State. In het eerste<br />

deel komt de wettelijke hervorming<br />

aan bod. Het tweede deel behandelt<br />

de inwerkingtreding van de procedurevoorschriften,<br />

de kosten, de burgerlijke<br />

bevoegdheid, enkele organisatorische<br />

maatregelen en de<br />

elektronische procesvoering.<br />

1706 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Wetgeving<br />

Een overzicht van aanhangige wetsvoorstellen<br />

en gepubliceerde staatsbladen<br />

met links naar de integrale<br />

Kamerstukken is opgenomen op de<br />

<strong>NJB</strong>-site www.njb.nl<br />

Staatsblad<br />

Dublinclaimanten<br />

1251 - Besluit tot wijziging van het<br />

Vreemdelingenbesluit 2000, houdende<br />

een nadere regeling inzake de<br />

rust- en voorbereidingstermijn bij<br />

asielaanvragen<br />

– In dit besluit wordt geregeld dat<br />

vreemdelingen ten aanzien van wie<br />

eerder is vastgesteld dat een andere<br />

lidstaat op grond van de Dublinverordening<br />

verantwoordelijk is voor de<br />

behandeling van een asielverzoek<br />

geen rust- en voorbereidingstermijn<br />

wordt gegeven indien zij vanuit<br />

bewaring een (volgend) asielverzoek<br />

indienen. Verder wordt de mogelijkheid<br />

geschrapt om bij ministeriële<br />

regeling te bepalen dat de rust- en<br />

voorbereidingstermijn niet van toepassing<br />

is indien de aanvraag wordt<br />

ingediend in het Aanmeldcentrum<br />

Schiphol. Nu het Justitiecomplex op<br />

Schiphol inmiddels tot stand is gekomen,<br />

is dit overbodig. Tot slot wordt<br />

geregeld dat een vreemdeling die in<br />

afwachting is van overdracht op<br />

grond van de Dublinverordening<br />

zich periodiek moet melden bij de<br />

korpschef.<br />

Inwerkingtreding 13-06-2014.<br />

Besluit van 02-06-2014, Stb. 2014, 199<br />

(Kamerstukken 33 610)<br />

Modernisering arbitrage<br />

1252 - Wet tot wijziging van Boek 6<br />

en Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek<br />

en het vierde Boek van het Wetboek<br />

van Burgerlijke Rechtsvordering<br />

in verband met de modernisering<br />

van het Arbitragerecht<br />

– Deze wet tot wijziging van de<br />

Nederlandse arbitrageregels is één<br />

van de maatregelen in het kader van<br />

de Innovatieagenda. Deze innovatiemaatregel<br />

brengt wijziging in het<br />

arbitragerecht op verschillende fron-<br />

ten, die er alle toe bijdragen dat<br />

bepaalde belemmeringen voor het<br />

gebruik van arbitrage worden weggenomen.<br />

De arbitrageprocedure wordt<br />

waar mogelijk vereenvoudigd en<br />

administratieve lasten worden verlicht,<br />

bijvoorbeeld door afschaffing<br />

van de verplichting tot deponering<br />

van het arbitrale vonnis. Ook wordt<br />

nadrukkelijk de mogelijkheid geschapen<br />

om ook gebruik te maken van<br />

eigentijdse elektronische middelen.<br />

Verder worden ‘best practices’ uit de<br />

bestaande arbitragepraktijk gecodificeerd,<br />

zoals de regels over de schriftelijke<br />

fase in een arbitragegeding en<br />

de plaatsopneming en bezichtiging.<br />

Onduidelijkheden in de wet worden<br />

opgehelderd door bijvoorbeeld alle<br />

bepalingen betreffende het hoger<br />

beroep in één overzichtelijke afdeling<br />

te plaatsen. Het beleid van het<br />

kabinet om de rechter zo gericht<br />

mogelijk in te zetten leidt tot een<br />

aantal aanpassingen die de tussenkomst<br />

van de gewone rechter in de<br />

arbitrageprocedure betreffen. Zo<br />

komen er ruimere mogelijkheden<br />

voor – al dan niet voorlopige –<br />

bewijsmaatregelen in de arbitrageprocedure.<br />

Slechts bij uitzondering<br />

ligt hier een rol voor de gewone rechter.<br />

De procedure tot vernietiging<br />

van een arbitraal vonnis is teruggebracht<br />

tot een rechtsgang in één<br />

instantie, namelijk bij het gerechtshof.<br />

Ten slotte regelt de wet dat partijen<br />

ruimere mogelijkheden krijgen<br />

om zelf afwijkende afspraken voor<br />

hun arbitrageprocedure te maken.<br />

Dit geldt bijvoorbeeld voor de bewijsvoering<br />

en het hoger beroep, waar de<br />

meeste bepalingen in het voorstel<br />

van regelend recht zijn. Afwijkende<br />

afspraken kunnen dan zowel blijken<br />

uit het door partijen gekozen arbitragereglement<br />

als uit door partijen<br />

zelf gemaakte afspraken. Het arbitraal<br />

beding wordt op de zwarte lijst<br />

van onredelijke bezwarende bedingen<br />

geplaatst. Dit zorgt ervoor dat<br />

een geschil tussen een consument<br />

en een ondernemer niet ‘zomaar’<br />

door middel van arbitrage kan worden<br />

beslecht.<br />

Naast het uitvoeren van de Innovatieagenda<br />

is het verbeteren van de<br />

concurrentiepositie van Nederland<br />

ook een aanleiding voor deze wet.<br />

Het bieden van een hoogwaardige<br />

geschilbeslechting zowel bij de overheidsrechter<br />

als in arbitrage is daarvoor<br />

essentieel. In de wet worden de<br />

Nederlandse arbitrageregels daarom,<br />

nog meer dan nu het geval is,<br />

geschoeid op de internationale leest<br />

van de modelwet van de Verenigde<br />

Naties op dit terrein (de Uncitral<br />

Model Law voor arbitrage) en gemoderniseerd.<br />

De wet maakt ook institutionele<br />

wraking mogelijk. Dit sluit<br />

aan bij de internationale arbitragepraktijk.<br />

Inwerkingtreding op een bij kb te<br />

bepalen tijdstip.<br />

Wet van 02-06-2014, Stb. 2014, 200<br />

(Kamerstukken 33 611)<br />

Verruiming fouilleerbevoegdheden<br />

Inwerkingtreding<br />

1253 - Besluit tot vaststelling van het<br />

tijdstip van inwerkingtreding van de<br />

artikelen I en II van de Wet van 21<br />

mei 2014 tot wijziging van de<br />

Gemeentewet, de Wet wapens en<br />

munitie en de Politiewet 2012 (verruiming<br />

fouilleerbevoegdheden) (Stb.<br />

2014, 191)<br />

– Deze artikelen treden in werking<br />

met ingang van 1 juli 2014.<br />

Inwerkingtredingsbesluit van 05-06-2014, Stb. 2014, 201<br />

Legalisatie handtekeningen<br />

notarissen<br />

1254 - Wet tot wijziging van de Wet<br />

op het notarisambt en enkele andere<br />

wetten in verband met onder meer<br />

een gewijzigde regeling van de<br />

legalisatie van handtekeningen van<br />

notarissen<br />

– De aanleiding voor deze wet is<br />

gelegen in de gewijzigde regeling van<br />

de legalisatie van handtekeningen<br />

van notarissen, zoals voorzien in de<br />

Wet van 29 september 2011 tot wijziging<br />

van de Wet op het notarisambt<br />

naar aanleiding van de evaluatie van<br />

die wet, alsmede regeling van enkele<br />

andere onderwerpen in die wet en<br />

wijziging van de Wet op het centraal<br />

testamentenregister en van de Wet<br />

ter voorkoming van witwassen en<br />

financieren van terrorisme (Stb. 2011,<br />

470) (hierna: de evaluatiewet). In die<br />

wet was geregeld dat de Koninklijke<br />

Notariële Beroepsorganisatie (KNB)<br />

voortaan de handtekeningen van de<br />

notarissen zou legaliseren. Deze<br />

regeling blijkt op zodanige prakti-<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1707


Wetgeving<br />

1258 - Voorstel van rijkswet (05-06-<br />

2014) houdende regeling voor Nederland<br />

en Curaçao tot het vermijden<br />

van dubbele belasting en het voorkomen<br />

van het ontgaan van belasting<br />

met betrekking tot belastingen naar<br />

het inkomen en een woonplaatsfictie<br />

ter zake van erf- en schenkbelasting<br />

(Belastingregeling Nederland<br />

Curaçao)<br />

– De regeling bevat bepalingen ter<br />

vermijding van dubbele belasting en<br />

tegen het ontgaan van belasting.<br />

Vanwege de staatkundige verhouding<br />

tussen Nederland en Curaçao heeft<br />

deze regeling de vorm van een rijkswet.<br />

De structuur, inhoud en bewoorsche<br />

bezwaren te stuiten verband<br />

houdende met de grote aantallen<br />

legalisaties, de samenhang met de<br />

afgifte van apostilles door de rechtbanken<br />

en de toegankelijkheid van<br />

deze dienstverlening voor de burger,<br />

dat aanpassing is geboden. Door deze<br />

wet blijkt legalisatie van de handtekening<br />

van de notaris mogelijk bij de<br />

president van de rechtbank in het<br />

arrondissement waar de kamer voor<br />

het notariaat is gevestigd waaronder<br />

de notaris ressorteert. Verder wordt<br />

er op verzoek van de KNB in voorzien<br />

dat de versoepeling van de<br />

verplichte stageduur voor kandidaatnotarissen<br />

die in deeltijd werken ook<br />

wordt toegepast bij de eisen voor de<br />

benoeming tot notaris en de benoeming<br />

tot waarnemer.<br />

Inwerkingtreding op een bij kb te<br />

bepalen tijdstip, deels met terugwerkende<br />

kracht tot en met 1 januari<br />

2013.<br />

Wet van 02-06-2014, Stb. 2014, 202<br />

(Kamerstukken 33 569)<br />

Limitering aansprakelijkheid<br />

luchtvaart<br />

1255 - Besluit houdende vaststelling<br />

van een algemene maatregel van<br />

bestuur als bedoeld in artikel 110<br />

van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek<br />

(Tijdelijk besluit limitering aansprakelijkheid<br />

voor terrorismeschade<br />

luchtvaart)<br />

– Op 23 juli 2004 is het Tijdelijk<br />

besluit limitering aansprakelijkheid<br />

voor terrorismeschade in verband<br />

met wijziging van de Luchtvaartwet<br />

(Stb. 2004, 358) in werking getreden.<br />

Ingevolge het derde artikel van dit<br />

besluit vervalt het tien jaar na inwerkingtreding,<br />

te weten op 24 juli 2014.<br />

Het besluit bevat een beperking van<br />

de aansprakelijkheid van luchthavenexploitanten<br />

en luchtvervoerders<br />

voor terrorismeschade. De kans op<br />

een terroristische aanslag, de onmogelijkheid<br />

om volledig waterdichte<br />

veiligheidscontroles uit te voeren en<br />

de beperkte mogelijkheid van luchthavenexploitanten<br />

en luchtvervoerders<br />

zich te verzekeren tegen aansprakelijkheid<br />

voor terrorismeschade,<br />

zijn ten opzichte van de situatie in<br />

2004 niet zodanig veranderd dat<br />

luchthavenexploitanten en luchtvervoerders<br />

het nu zonder beperking<br />

van hun aansprakelijkheid kunnen<br />

stellen. Gelet daarop wordt het aangewezen<br />

geacht om de aansprakelijkheidsbeperking<br />

te verlengen en wel<br />

weer met een termijn van tien jaar.<br />

Inwerkingtreding m.i.v. 23-07-2014<br />

en verval tien jaar na die datum.<br />

Besluit van 5 juni 2014, Stb. 2014, 203<br />

Modernisering<br />

huurcommissie<br />

1256 - Wet tot wijziging van Boek 7<br />

van het Burgerlijk Wetboek en de<br />

Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte<br />

in verband met de modernisering<br />

en vereenvoudiging van de<br />

werkwijze van de huurcommissie<br />

– Gezien het streven naar een goedkoper,<br />

flexibeler en efficiënter werkende<br />

overheid en een meer efficiënte<br />

en doeltreffende ondersteuning<br />

van huurders en verhuurders bevat<br />

deze wet een aantal samenhangende<br />

maatregelen, op basis van signalen<br />

uit de uitvoeringspraktijk, om te<br />

komen tot transparantere en eenvoudiger<br />

procedures binnen de huurprijsregelgeving.<br />

Dit leidt tegelijkertijd<br />

tot een efficiëntere uitvoering<br />

van de beslechting van geschillen<br />

over de huurprijs. De in deze wet<br />

opgenomen maatregelen betreffen<br />

de vereenvoudiging van: – de legesregeling<br />

bij de huurcommissie; – de<br />

huurprijsregeling indien een zogenaamde<br />

all-in prijs is overeengekomen;<br />

– de beoordeling van de servicekosten<br />

door de huurcommissie;<br />

– de beoordeling van onderhoudsgebreken<br />

door de huurcommissie; – de<br />

zogenaamde rappelprocedure inzake<br />

de huurverhoging.<br />

Wet van 04-06-2014, Stb. 2014, 205<br />

(Kamerstukken 33 698)<br />

Nieuwe<br />

wetsvoorstellen<br />

Europees Beschermingsbevel<br />

1257 - Wetsvoorstel (05-06-2014) tot<br />

implementatie van richtlijn 2011/99/<br />

EU van het Europees parlement en<br />

de Raad van de Europese Unie van 13<br />

december 2011 betreffende het Europees<br />

beschermingsbevel (PbEU L 338)<br />

– De richtlijn Europees Bescher-<br />

mingsbevel (hierna: de richtlijn)<br />

beoogt maatregelen die een slachtoffer<br />

beschermen en zijn opgelegd in<br />

de ene lidstaat, te kunnen uitbreiden<br />

naar een andere lidstaat. Een Europees<br />

beschermingsbevel kan alleen<br />

worden uitgevaardigd indien in de<br />

beslissingsstaat al een nationale<br />

beschermingsmaatregel is vastgesteld.<br />

Het moet daarbij gaan om<br />

beslissingen in strafzaken. Drie<br />

typen beschermingsmaatregelen<br />

kunnen worden omgezet in een<br />

Europees beschermingsbevel: locatieverboden,<br />

contactverboden en<br />

benaderingsverboden. Andere maatregelen<br />

kunnen niet worden overgedragen<br />

op basis van de richtlijn.<br />

Nederland heeft een taak als uitvoerende<br />

lidstaat, als Nederland een EB<br />

uit een andere lidstaat ontvangt.<br />

Hiernaast heeft Nederland een rol als<br />

uitvaardigende lidstaat, in het geval<br />

een Nederlandse autoriteit een EB<br />

uitvaardigt en een andere lidstaat dit<br />

EB tenuitvoer moet leggen.<br />

De richtlijn laat een aantal punten<br />

expliciet over aan de nationale wetgever.<br />

Bovendien wordt een aantal<br />

aspecten niet geregeld in de richtlijn<br />

en is op nationaal niveau aanvullende<br />

regelgeving nodig met het oog op<br />

de zorgvuldigheid van procedures en<br />

op de uitvoerbaarheid in de praktijk.<br />

Een voorbeeld hiervan betreft het<br />

kennisgeven van beslissingen die de<br />

bevoegde autoriteit heeft genomen,<br />

aan alle betrokken partijen en de wijze<br />

waarop dit moet geschieden.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 954, nrs. 1-4<br />

Belastingregeling Nederland<br />

Curaçao<br />

1708 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Wetgeving<br />

dingen van de regeling stemmen<br />

echter in grote mate overeen met<br />

hetgeen bij belastingverdragen<br />

gebruikelijk is. De belangrijkste<br />

onderwerpen waar beide landen<br />

vooraf verschillende standpunten<br />

over innamen en die tijdens de<br />

besprekingen uitgebreid aan de orde<br />

zijn gekomen, hadden betrekking op:<br />

de behandeling van deelnemingsdividenden,<br />

de artikelen die zien op<br />

het voorkomen van oneigenlijk<br />

gebruik van de in de regeling opgenomen<br />

bepalingen, de verdeling van<br />

heffingsrechten over pensioenen en<br />

hoe om te gaan met de waarborging<br />

van nationale successie- en schenkingsheffingen<br />

en heffingsrechten<br />

over voordelen uit aanmerkelijk<br />

belang na emigratie van een natuurlijk<br />

persoon. Verder is een belangrijk<br />

onderwerp van de regeling de uitwisseling<br />

van informatie tussen de<br />

belastingdiensten van beide landen.<br />

In zijn algemeenheid kan hierover<br />

worden opgemerkt dat Nederland en<br />

Curaçao op dit punt aansluiting zoeken<br />

bij de mondiale ontwikkelingen.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 955 (R2032), nrs. 1-3<br />

Elektronisch bekendmaken<br />

1259 - Wetsvoorstel (05-06-2014) tot<br />

wijziging van het Wetboek van Burgerlijke<br />

Rechtsvordering en enige<br />

andere wetten in verband met<br />

bekendmakingen aan personen zonder<br />

bekende woon- of verblijfplaats<br />

– Met dit wetsvoorstel wordt mogelijk<br />

gemaakt dat bekendmakingen<br />

aan personen zonder bekende woonof<br />

verblijfplaats elektronisch worden<br />

gedaan. Deze publicaties vinden<br />

thans in dagbladen plaats.<br />

Het wetsvoorstel ziet op vier categorieën<br />

publicaties aan personen zonder<br />

bekende woon- of verblijfplaats<br />

die via het internet zullen worden<br />

gedaan. Het betreft ten eerste de uittreksels<br />

van exploten op grond van<br />

artikel 54 van het Wetboek van Burgerlijke<br />

Rechtsvordering (Rv), de<br />

zogenoemde openbare exploten. In<br />

de tweede plaats betreft het de<br />

bekendmakingen van oproepingen<br />

van verkeersovertreders in het kader<br />

van gijzeling op grond van artikel 28<br />

Wet administratiefrechtelijke handhaving<br />

verkeersvoorschriften (Wahv).<br />

Met betrekking tot de uittreksels van<br />

openbare exploten is door de<br />

Koninklijke Beroepsorganisatie van<br />

Gerechtsdeurwaarders (KBvG) geadviseerd<br />

om deze elektronisch te<br />

publiceren. Voorts betreft het de<br />

oproepingen aan personen zonder<br />

bekend adres in het kader van gijzeling<br />

van degenen aan wie in een<br />

strafbeschikking een geldboete is<br />

opgelegd (art. 578b Wetboek van<br />

Strafvordering) en de oproepingen<br />

van belanghebbenden zonder bekende<br />

woon- of verblijfplaats in civiele<br />

verzoekschriftprocedures (art. 272<br />

Rv). Tevens wordt in verband met het<br />

voorgaande een wijziging in de<br />

Bekendmakingswet voorgesteld,<br />

strekkend tot het in rekening kunnen<br />

brengen van kosten van publicaties<br />

in de Staatscourant.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 956, nrs. 1-4<br />

Financieel toezicht<br />

1260 - Wetsvoorstel (05-06-2014) tot<br />

wijziging van de Wet bekostiging<br />

financieel toezicht in verband met de<br />

afschaffing van de overheidsbijdrage,<br />

de invoering van Europees bankentoezicht<br />

en de bestemming van door<br />

de Autoriteit Financiële Markten en<br />

de Nederlandsche Bank opgelegde<br />

dwangsommen en boetes<br />

– De Wet bekostiging financieel toezicht<br />

(Wbft) dient op een aantal<br />

punten te worden gewijzigd. Directe<br />

aanleiding hiervoor is het voornemen,<br />

vastgelegd in het regeerakkoord<br />

‘Bruggen slaan’ van 29 oktober<br />

2012, tot afschaffing van de overheidsbijdrage<br />

voor het door de<br />

Autoriteit Financiële Markten (AFM)<br />

en De Nederlandsche Bank (DNB) uit<br />

te oefenen toezicht op de financiële<br />

markten. Daarnaast is rekening te<br />

houden met de nieuwe toezichttaken<br />

van de Europese Centrale Bank<br />

(ECB) die voortvloeien uit verordening<br />

(EU) nr. 1024/2013 van de Raad<br />

van 15 oktober 2013 waarbij aan de<br />

Europese Centrale Bank specifieke<br />

taken worden opgedragen betreffende<br />

het beleid inzake het prudentieel<br />

toezicht op kredietinstellingen<br />

(PbEU 2013, L 287). Tevens voorziet<br />

het wetsvoorstel in de mogelijkheid<br />

om een bepaald deel van de<br />

opbrengsten uit dwangsommen en<br />

bestuurlijke boetes toe te laten<br />

komen aan de Staat.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 957, nrs. 1-4<br />

1261<br />

Vervolgstukken<br />

Winstuitkering<br />

medisch-specialistische<br />

zorgaanbieders<br />

Nota n.a.v. het verslag (17-06-2014)<br />

bij het wetsvoorstel tot wijziging van<br />

de Wet cliëntenrechten zorg en enkele<br />

andere wetten om het mogelijk te<br />

maken dat aanbieders van medischspecialistische<br />

zorg, mits zij aan een<br />

aantal voorwaarden voldoen, winst<br />

uitkeren (voorwaarden voor winstuitkering<br />

aanbieders medisch-specialistische<br />

zorg).<br />

Kamerstukken I 2013/14, 33 168, nr. 18<br />

Verticale integratie zorg<br />

Brief van Minister van VWS (04-06-<br />

2014) over het wetsvoorstel tot wijziging<br />

van de Wet marktordening<br />

gezondheidszorg en enkele andere<br />

wetten, teneinde te voorkomen dat<br />

zorgverzekeraars zelf zorg verlenen<br />

of zorg laten aanbieden door zorgaanbieders<br />

waarin zij zelf zeggenschap<br />

hebben.<br />

– Brief met reactie op bericht inzake<br />

uitspraken over verschillende polissen<br />

en vergoeding van niet-gecontracteerde<br />

zorg in verhouding tot het<br />

aanhangige wetsvoorstel.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 362, nr. 22<br />

Flexibel cameratoezicht<br />

Voorlopig verslag van de vaste commissie<br />

voor Veiligheid en Justitie (16-<br />

06-2014) over het wetsvoorstel tot<br />

wijziging van de Gemeentewet in<br />

verband met de verruiming van de<br />

bevoegdheid van de burgemeester<br />

tot de inzet van cameratoezicht.<br />

Kamerstukken I 2013/14, 33 582, A<br />

Financieel-economische<br />

criminaliteit<br />

Nota van wijziging (16-06-2014) bij<br />

het wetsvoorstel tot wijziging van<br />

het Wetboek van Strafrecht, het<br />

Wetboek van Strafvordering en de<br />

Wet op de economische delicten<br />

met het oog op het vergroten van<br />

de mogelijkheden tot opsporing,<br />

vervolging, alsmede het voorkomen<br />

van financieel-economische criminaliteit<br />

(verruiming mogelijkheden<br />

bestrijding financieel-economische<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1709


Wetgeving<br />

criminaliteit).<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 685, nr. 10<br />

Digitale handhaving<br />

Memorie van Antwoord (17-06-2014)<br />

bij het wetsvoorstel tot wijziging van<br />

de Wet administratiefrechtelijke<br />

handhaving verkeersvoorschriften,<br />

het Wetboek van Strafvordering en<br />

de Gemeentewet in verband met de<br />

digitalisering van de handhaving van<br />

veelvoorkomende overtredingen (Wet<br />

digitale handhaving veelvoorkomende<br />

overtredingen).<br />

Kamerstukken I 2013/14, 33 697, B<br />

Versobering kindregelingen<br />

Brief van de Minister van SZW (16-<br />

06-2014) over het wetsvoorstel tot<br />

wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet,<br />

de Wet op het kindgebonden<br />

budget, de Wet werk en bijstand, de<br />

Wet inkomstenbelasting 2001, de Wet<br />

studiefinanciering 2000 en enige<br />

andere wetten in verband met hervorming<br />

en versobering van de kindregelingen<br />

(Wet hervorming kindregelingen).<br />

– Brief inzake de toezegging van de<br />

uitbreiding van het extra overgangsvan<br />

alleenstaande ouders in de bijstand.<br />

Kamerstukken I 2013/14, 33 716, H<br />

Voortgezette<br />

tenuitvoerlegging<br />

Eindverslag (17-06-2014) over het<br />

wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet<br />

overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen<br />

in verband met aanvulling<br />

van de bepaling over de procedure<br />

van voortgezette tenuitvoerlegging.<br />

Kamerstukken I 2013/14, 33 742, A<br />

Wet maatschappelijke<br />

ondersteuning 2015<br />

Memorie van antwoord (13-06-2014)<br />

bij het wetsvoorstel houdende regels<br />

inzake de gemeentelijke ondersteuning<br />

op het gebied van zelfredzaamheid,<br />

participatie, beschermd wonen<br />

en opvang (Wet maatschappelijke<br />

ondersteuning 2015).<br />

Kamerstukken I 2013/14, 33 841, G<br />

Kapitaalvereisten<br />

Memorie van antwoord (13-06-2014)<br />

en eindverslag (17-06-2014) bij het<br />

wetsvoorstel voor een implementatiewet<br />

richtlijn en verordening kapitaalvereisten.<br />

Kamerstukken I 2013/14, 33 849, C en D<br />

Verzamelwet pensioenen<br />

2014<br />

Brief van de Staatssecretaris van<br />

Sociale Zaken en Werkgelegenheid<br />

(10-06-2014) en de tweede nota van<br />

wijziging (13-06-2014) bij het<br />

wetsvoorstel tot wijziging van de<br />

Pensioenwet, de Wet verplichte<br />

beroepspensioenregeling en enkele<br />

andere wetten in verband met het<br />

van toepassing worden van de Kaderwet<br />

zelfstandige bestuursorganen op<br />

De Nederlandsche Bank en de Autoriteit<br />

Financiële Markten en in verband<br />

met enkele andere wijzigingen<br />

(Verzamelwet pensioenen 2014).<br />

– Brief met het verzoek de plenaire<br />

behandeling van de Verzamelwet<br />

pensioenen 2014 uit te stellen, zodat<br />

de Tweede Kamer over het gehele<br />

wetsvoorstel, inclusief deze nota van<br />

wijziging, kan debatteren.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 863, nr. 11-12<br />

Wijziging Statuut van Rome<br />

inzake het Internationaal<br />

Strafhof<br />

Nota n.a.v. het verslag (11-06-2014)<br />

bij Voorstel van Rijkswet houdende<br />

Goedkeuring en uitvoering voor de<br />

wetgeving op Koninkrijksniveau van<br />

de op 10 en 11 juni 2010 te Kampala<br />

aanvaarde wijzigingen van het Statuut<br />

van Rome inzake het Internationaal<br />

Strafhof (Trb. 2011, 73).<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 865 (R2024), nr. 6<br />

Langdurige Zorg<br />

Nota van wijziging (06-06-2014) bij<br />

het wetsvoorstel met Regels inzake<br />

de verzekering van zorg aan mensen<br />

die zijn aangewezen op langdurige<br />

zorg (Wet langdurige zorg).<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 891, nr. 10<br />

Kiesrecht niet-Nederlandse<br />

ingezetenen BES-eilanden<br />

Nota naar aanleiding van het verslag<br />

Wetsvoorstel (18-06-2014) bij de wijziging<br />

van de Kieswet en de Wet<br />

openbare lichamen Bonaire, Sint<br />

Eustatius en Saba, houdende aanpassing<br />

van de regeling met betrekking<br />

tot het kiesrecht van niet-Nederlanders<br />

bij eilandsraadsverkiezingen.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 900, nr. 6<br />

CO2 opslag in zee<br />

Goedkeuring<br />

Eindverslag (17-06-2014) over het<br />

wetsvoorstel tot Goedkeuring van de<br />

op 30 oktober 2009 te Londen tot<br />

stand gekomen wijziging van artikel<br />

6 van het Protocol van 1996 bij het<br />

Verdrag inzake de voorkoming van<br />

verontreiniging van de zee ten<br />

gevolge van het storten van afval en<br />

andere stoffen van 1972, zoals opgenomen<br />

in Resolutie LP.3(4) (Trb.<br />

2011, 72)<br />

Kamerstukken I 2013/14, 33 906, A<br />

CO2 opslag in zee<br />

Uitvoering<br />

Eindverslag (17-06-2014) over het<br />

wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet<br />

milieubeheer en de Wet volkshuisvesting,<br />

ruimtelijke ordening en milieubeheer<br />

BES in verband met de uitvoering<br />

van de op 30 oktober 2009<br />

tot stand gekomen wijziging van artikel<br />

6 van het op 7 november 1996 te<br />

Londen tot stand gekomen Protocol<br />

van 1996 bij het Verdrag inzake de<br />

voorkoming van de verontreiniging<br />

van de zee ten gevolge van het storten<br />

van afval en andere stoffen van<br />

1972, zoals opgenomen in Resolutie<br />

LP.3(4) (Trb. 2011, 72)<br />

Kamerstukken I 2013/14, 33 907, A<br />

Kaderwet zelfstandige<br />

bestuursorganen<br />

Verslag (12-06-2014) over het wetsvoorstel<br />

tot wijziging van de Kaderwet<br />

zelfstandige bestuursorganen in<br />

verband met het aansluiten van zelfstandige<br />

bestuursorganen op de<br />

rijksinfrastructuur en enkele technische<br />

aanpassingen.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 912, nr. 5<br />

Wijzigingswet financiële<br />

markten 2015<br />

Verslag (16-06-2014) over het wetsvoorstel<br />

tot wijziging van de Wet op<br />

het financieel toezicht en enige<br />

andere wetten op het terrein van de<br />

financiële markten (Wijzigingswet<br />

financiële markten 2015).<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 918, nr. 7<br />

Elektronische vispas<br />

Verslag (16-06-2014) over het wetsvoorstel<br />

tot wijziging van de Visserijwet<br />

1963 om de mogelijkheid op te<br />

nemen om gegevens van de schriftelijke<br />

toestemming voor sportvisserij<br />

op de binnenwateren elektronisch te<br />

kunnen verstrekken in plaats van<br />

uitsluitend op schrift.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 947, nr. 4<br />

1710 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Wetgeving<br />

1262<br />

Nota’s,<br />

rapporten &<br />

verslagen<br />

Informatie herkomstlanden<br />

asielzoekers<br />

Brief van de Staatssecretaris van VenJ<br />

en de Minister van BuZa (27-05-2014)<br />

over de Europese samenwerking op<br />

het gebied van het verzamelen en<br />

publiceren van landeninformatie<br />

over herkomstlanden van asielzoekers.<br />

– de Europese samenwerking op het<br />

gebied van landeninformatie moet<br />

gezien worden in het licht van harmonisatie<br />

van het Europees asielsysteem.<br />

De komende jaren zullen<br />

vooral in het teken staan van de<br />

implementatie van de tweede fase<br />

van het gemeenschappelijk Europees<br />

asielstelsel (GEAS) zoals dat in verschillende<br />

Europese richtlijnen en<br />

verordeningen is vorm gegeven. De<br />

ontwikkeling naar een GEAS zou er<br />

in de visie van Nederland uiteindelijk<br />

toe moeten leiden dat een vergelijkbaar<br />

asielverzoek in alle lidstaten<br />

tot dezelfde uitkomst leidt. Vanuit de<br />

gedachte van verdere harmonisatie is<br />

het gewenst dat parallel aan het<br />

implementatietraject gestreefd wordt<br />

naar gezamenlijke Europese ambtsberichten<br />

op basis waarvan uiteindelijk<br />

een gezamenlijk Europees<br />

beleidsoordeel kan worden gegeven<br />

over de situatie in relevante landen<br />

van herkomst van asielzoekers. Het<br />

Ministerie van BuZa is, zoals bekend,<br />

verantwoordelijk voor het opstellen<br />

van algemene en thematische ambtsberichten<br />

op het gebied van herkomstlanden<br />

van asielzoekers. Het<br />

Ministerie van VenJ is verantwoordelijk<br />

voor het bepalen van het<br />

asielbeleid, mede gebaseerd op deze<br />

ambtsberichten. In de huidige praktijk<br />

is de wijze van het opstellen van<br />

ambtsberichten zeer uiteenlopend in<br />

de verschillende lidstaten. In sommige<br />

lidstaten mag alleen gebruik worden<br />

gemaakt van openbare bronnen<br />

terwijl in andere lidstaten (waaronder<br />

Nederland) ook gebruik wordt<br />

gemaakt van vertrouwelijke bronnen.<br />

Andere verschillen zijn gelegen in de<br />

inhoudelijke diepgang van de informatie,<br />

het al dan niet publiceren van<br />

landenrapportages en de Terms of<br />

Reference (TOR), het betrekken van<br />

het maatschappelijk middenveld bij<br />

de TOR en het trekken van conclusies<br />

in de landenrapportage (dit laatste<br />

is geen gebruik in Nederland). Het<br />

Europees Ondersteuningsbureau<br />

voor asielzaken (EASO) heeft<br />

bevoegdheid op het terrein van het<br />

verzamelen en verspreiden van<br />

informatie over landen van herkomst<br />

van asielzoekers vanuit een Europees<br />

perspectief. Het ligt dus voor de<br />

hand om vanuit het EASO de Europese<br />

samenwerking van lidstaten op<br />

het gebied van landeninformatie verder<br />

te versterken. De door EASO in<br />

2012 opgestelde thematische ambtsberichten<br />

over Afghanistan zijn een<br />

eerste aanzet van wat op termijn kan<br />

uitgroeien tot Europese ambtsberichten.<br />

Nederland is voorstander van<br />

het verder ontwikkelen van algemene<br />

ambtsberichten via EASO en is<br />

uiteraard bereid zijn expertise daarvoor<br />

beschikbaar te stellen. In EASOverband<br />

zijn inmiddels drie expertnetwerken<br />

opgericht waarin<br />

landeninformatie wordt gedeeld met<br />

alle lidstaten op de specifieke landen<br />

Somalië, Syrië en Pakistan. Ook met<br />

betrekking tot Iran, Afghanistan en<br />

de Russische Federatie zullen in de<br />

loop van 2014 expertnetwerken worden<br />

opgericht binnen welke op gelijke<br />

wijze informatie zal worden<br />

gedeeld. Parallel aan de activiteiten<br />

die binnen EASO vorm krijgen, heeft<br />

Nederland Noorwegen, Zweden en<br />

België benaderd om te bekijken of er<br />

een nauwere samenwerking mogelijk<br />

is bij het ontwikkelen van gezamenlijke<br />

algemene ambtsberichten die<br />

direct kunnen dienen als substituut<br />

voor de nationale berichten van deze<br />

landen. EASO is bij de totstandkoming<br />

hiervan niet betrokken aangezien<br />

de inhoudelijke eisen die de<br />

genoemde landen stellen aan een<br />

zodanige rapportage niet aansluiten<br />

bij de behoefte/wens van een groot<br />

aantal lidstaten. Tussen de samenwerkende<br />

landen is afgesproken om<br />

nog dit jaar gezamenlijk een algemeen<br />

ambtsbericht op te stellen over<br />

Libië. Indien het resultaat positief is<br />

en aan de kwaliteitseisen voldoet die<br />

voor Nederland van belang zijn, is<br />

het de bedoeling dat dit ambtsbericht<br />

dienst zal doen als een regulier<br />

ambtsbericht.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 19 637, nr. 1830<br />

Asielbeleid voor LHBT’s<br />

Brief van de Staatssecretaris van VenJ<br />

(04-06-2014) over het eventueel<br />

schrappen van een passage inzake de<br />

wijze waarop de vreemdeling voornemens<br />

is in het land van herkomst<br />

zijn seksuele gerichtheid te uiten en<br />

de aannemelijkheid daarvan in de<br />

Vreemdelingencirculaire (Vc).<br />

– De bewindsman heeft eerder toegezegd<br />

te bezien of de passage in de Vc<br />

inzake de wijze waarop de vreemdeling<br />

voornemens is in het land van<br />

herkomst zijn seksuele gerichtheid te<br />

uiten en de aannemelijkheid daarvan,<br />

verwijderd kan worden. De huidige<br />

passage in de Vc luidt als volgt:<br />

‘Bij de beoordeling van de individuele<br />

situatie van de vreemdeling<br />

betrekt de IND ook de wijze waarop<br />

de vreemdeling voornemens is in<br />

zijn land van herkomst zijn seksuele<br />

gerichtheid te uiten en de aannemelijkheid<br />

daarvan. Hiertoe onderzoekt<br />

de IND hoe de vreemdeling in het<br />

verleden en heden, in Nederland of<br />

elders, invulling heeft gegeven aan<br />

zijn seksuele gerichtheid’. Punt van<br />

kritiek vanuit de Kamer was dat deze<br />

formulering in de Vc in strijd zou<br />

zijn met het beginsel dat geen terughoudendheid<br />

mag worden gevraagd.<br />

Daarom zou deze passage geschrapt<br />

moeten worden. De vraag naar de<br />

wijze van uiten wordt echter gesteld<br />

om te kunnen beoordelen of de persoon<br />

bij terugkeer zal worden blootgesteld<br />

aan vervolging en is zeker<br />

geen verkapte terughoudendheidstoets.<br />

De toetsing als opgenomen in<br />

de Vc volgt ook uit de uitspraak van<br />

de Afdeling bestuursrechtspraak van<br />

de Raad van State. De Afdeling overweegt<br />

dat bij de beoordeling of een<br />

vreemdeling een gegronde vrees<br />

voor vervolging heeft ook de verklaringen<br />

van een vreemdeling betrokken<br />

moeten worden over de wijze<br />

waarop hij na terugkeer in zijn land<br />

van herkomst invulling aan zijn seksuele<br />

gerichtheid zal geven. De Afdeling<br />

geeft met deze uitspraak uitleg<br />

aan de uitspraak van het Europese<br />

Hof van Justitie over de door de Afdeling<br />

gestelde prejudiciële vragen. Ook<br />

al zou de betreffende passage uit de<br />

Vc geschrapt worden, dan nog zouden<br />

de rechtbanken en de Afdeling<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1711


Wetgeving<br />

asielverzoeken van LHBT’s in voorkomende<br />

gevallen blijven toetsen zoals<br />

in de uitspraak van de Afdeling vermeld<br />

staat. Dat is immers blijkens de<br />

rechtspraak de juiste uitleg van de<br />

EU-kwalificatierichtlijn. In de praktijk<br />

toetst de IND in een gehoor van een<br />

asielzoeker die stelt dat hij lesbisch,<br />

homo, biseksueel of transgender is,<br />

allereerst of het geloofwaardig is dat<br />

de vreemdeling LHBT is. Op basis van<br />

de tekst in de Vc waar het in deze<br />

brief om gaat zullen, met het doel te<br />

kunnen vaststellen of de (geloofwaardige)<br />

LHBT asielzoeker een reële<br />

vrees voor vervolging heeft, aan de<br />

vreemdeling vragen worden gesteld<br />

over de beleving van zijn LHBT-zijn<br />

en de wijze waarop hij voornemens<br />

is die gerichtheid bij terugkeer te<br />

uiten. Bij de individuele toetsing<br />

wordt het relaas beoordeeld tegen<br />

het licht van de situatie van LHBT’s<br />

in het land van herkomst. Bij die<br />

toetsing hanteert de IND een bepaalde<br />

‘ondergrens’ die voor iedereen<br />

geldt. Dit betekent dat iemand invulling<br />

aan zijn gerichtheid moet kunnen<br />

geven op een manier die niet<br />

wezenlijk anders is dan van heteroseksuelen<br />

in het betreffende land<br />

van herkomst wordt geaccepteerd.<br />

Juist in een situatie waarin een asielzoeker<br />

aangeeft zijn gerichtheid op<br />

een manier te zullen gaan uiten die<br />

aanzienlijk verder gaat dan de<br />

genoemde ‘ondergrens’, is het van<br />

belang om ten aanzien van de individuele<br />

vreemdeling te kunnen beoordelen<br />

of hij vanwege de invulling van<br />

zijn gerichtheid risico loopt op vervolging.<br />

Indien de IND het aannemelijk<br />

acht dat hij inderdaad op een<br />

extreme manier uiting zal geven aan<br />

zijn seksuele gerichtheid en dit een<br />

reëel risico op vervolging meebrengt,<br />

zal een vergunning verstrekt worden.<br />

Indien de asielzoeker stelt zijn<br />

gerichtheid te gaan uiten op een<br />

manier die niet strookt met de beleving<br />

van de gerichtheid in Nederland<br />

of elders, voorafgaand aan het vertrek<br />

naar Nederland, kunnen de verklaringen<br />

hierover ongeloofwaardig<br />

worden geacht. Indien de verklaringen<br />

hieromtrent ongeloofwaardig<br />

worden geacht zullen deze ongeloofwaardige<br />

uitingen verder buiten de<br />

beoordeling worden gelaten en zal<br />

worden beoordeeld welk risico de<br />

vreemdeling in zijn land loopt als hij<br />

een ‘normaal leven’ zal gaan leiden.<br />

Als hij in die situatie een risico loopt<br />

op vervolging, krijgt hij een verblijfsvergunning.<br />

Dit betekent dus geen<br />

eis om zich terughoudend op te stellen.<br />

Voorts zal de IND niet afzien van<br />

het verlenen van een vergunning<br />

omdat een LHBT asielzoeker aangeeft<br />

zijn gerichtheid vanwege de sociale<br />

druk of schaamte, bijvoorbeeld voor<br />

zijn ouders, verborgen te zullen houden,<br />

terwijl het tot vervolging zou<br />

leiden als hij dat niet zou doen. De<br />

jurisprudentie lijkt die ruimte wel<br />

te bieden, maar van deze ruimte<br />

wordt geen gebruik gemaakt. De<br />

huidige tekst van de Vc sluit goed<br />

aan bij de uitspraak van de Afdeling<br />

naar aanleiding van de uitspraak van<br />

het Europese Hof van Justitie.<br />

Nu de tekst van de Vc blijkbaar tot<br />

onduidelijkheid leidt is besloten om<br />

deze als volgt aan te passen:<br />

‘De IND moet beoordelen of de aannemelijk<br />

geachte uitingen van de<br />

seksuele gerichtheid van de vreemdeling<br />

in het land van herkomst tot<br />

vervolging zullen leiden. Hiertoe<br />

toetst de IND of de wijze waarop de<br />

vreemdeling aangeeft zijn seksuele<br />

gerichtheid te zullen uiten na<br />

terugkeer in het land van herkomst<br />

aannemelijk wordt geacht. Indien<br />

een deel van die verklaringen als<br />

onaannemelijk moet worden gezien,<br />

bijvoorbeeld omdat deze niet stroken<br />

met de uitingen in Nederland of<br />

elders voorafgaand aan zijn vertrek<br />

naar Nederland, zullen de gestelde<br />

uitingen niet bij de beoordeling worden<br />

betrokken. De IND beoordeelt de<br />

wel aannemelijk geachte uitingen<br />

tegen het licht van de situatie in het<br />

land van herkomst. De IND verlangt<br />

van de vreemdeling geen terughoudendheid<br />

bij de invulling van zijn<br />

seksuele gerichtheid en hanteert om<br />

die reden, bij de beoordeling van het<br />

risico op vervolging, steeds een zekere<br />

‘ondergrens’. Uitgangspunt is dat<br />

iemand zijn gerichtheid zal uiten en<br />

relaties zal aangaan op een manier<br />

die niet wezenlijk anders is dan van<br />

heteroseksuelen in het betreffende<br />

land van herkomst is geaccepteerd.<br />

Voorts gaat de IND er bij de beoordeling<br />

van het risico op vervolging<br />

vanuit dat de directe omgeving van<br />

de vreemdeling op de hoogte is of<br />

zou kunnen geraken van de seksuele<br />

gerichtheid.’<br />

Kamerstukken II 2013/14, 19 637, nr. 1848<br />

Eritrea<br />

Brief van de Staatssecretaris van VenJ<br />

(03-06-2014) over betrokkenheid van<br />

de Eritrese overheid bij mensensmokkel<br />

en bij de afpersing van<br />

vluchtelingen.<br />

– Berichten over de betrokkenheid<br />

van de Eritrese overheid bij mensensmokkel<br />

en afpersing van vluchtelingen<br />

zijn bij de bewindsman<br />

bekend en hebben zijn aandacht. Op<br />

dit moment worden alle signalen van<br />

mensensmokkel, binnen de ter<br />

beschikking staande juridische<br />

kaders, nader onderzocht. De heffing<br />

van de zogenoemde ‘diaspora belasting’<br />

is op zichzelf niet illegaal. Dit<br />

geldt ook voor het onthouden van<br />

overheidsdiensten door Eritrea bij<br />

een weigering om te betalen. Als de<br />

heffing echter onder dwang of intimidatie<br />

gebeurt, is dit wel illegaal en<br />

kunnen er stappen worden ondernomen<br />

tegen de betrokkenen. Voor het<br />

vaststellen of misdrijven als afpersing<br />

en soortgelijke delicten aan de<br />

orde zijn, zijn politie en OM in<br />

belangrijke mate afhankelijk van<br />

aangifte en melding door de slachtoffers.<br />

Zodra er aangifte is gedaan<br />

zal de politie onder leiding van het<br />

OM daar onderzoek naar doen.<br />

Lopende een onderzoek worden geen<br />

mededelingen daarover gedaan. Dit<br />

probleem wordt overigens door<br />

Nederland ook in EU-verband<br />

geagendeerd. De Nederlandse ambassade<br />

in Eritrea is sinds december<br />

2011 gesloten. De Eritrese ambassade<br />

in Nederland wordt al enige jaren<br />

geleid op niveau van tijdelijk zaakgelastigde.<br />

Vanwege de economische<br />

situatie en het slechte investeringsklimaat<br />

van Eritrea is er nauwelijks<br />

sprake van bilaterale economische<br />

betrekkingen tussen beide landen.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 19 637, nr. 1849<br />

Schaliegas<br />

Brief van de Minister van BuZa (28-<br />

05-2014) met een fiche inzake een<br />

Mededeling en aanbeveling minimumbeginselen<br />

exploratie en<br />

productie schaliegas.<br />

– Aardgas uit schalielagen kan volgens<br />

de Commissie een mogelijk<br />

alternatief zijn voor meer koolstofintensieve<br />

fossiele brandstoffen welke<br />

de afhankelijkheid van energieleveranciers<br />

van buiten de EU vermindert.<br />

Er zijn echter ook onzekerheden<br />

en risico’s te benoemen bij het explo-<br />

1712 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Wetgeving<br />

reren en winnen van schaliegas. De<br />

voornaamste zorg van de Commissie<br />

is het risico op verontreiniging van<br />

grond- en oppervlaktewateren, mede<br />

in relatie tot de drinkwaterwinning.<br />

Daarnaast heeft de Commissie zorgen<br />

over bodemverontreiniging, de<br />

verwerking van afvalstoffen,<br />

gevolgen voor de leefomgeving (verkeersbewegingen,<br />

infrastructurele<br />

aanpassingen) en transparante<br />

besluitvorming. De Commissie geeft<br />

in haar mededeling aan dat de lidstaten<br />

verantwoordelijk zijn voor de<br />

besluitvorming over hun energiemix.<br />

Het is dan ook aan de lidstaten om<br />

te beslissen of zij de exploratie of<br />

productie van aardgas uit schalieformaties<br />

of andere niet-conventionele<br />

bronnen van koolwaterstoffen toestaan.<br />

De lidstaten die dat doen, zullen<br />

er echter voor moeten zorgen dat<br />

aan voorwaarden is voldaan met<br />

betrekking tot duidelijkheid en voorspelbaarheid<br />

voor exploitanten en<br />

burgers over toelating van schaliegaswinning<br />

en de eisen waaronder<br />

de toelating wordt gegeven, en dat er<br />

terdege rekening wordt gehouden<br />

met de uitstoot van broeikasgassen<br />

en klimaat- en milieurisico’s. De Commissie<br />

geeft in de mededeling aan<br />

met minimumbeginselen voor<br />

milieubescherming en publieksparticipatie<br />

te komen voor die landen die<br />

tot schaliegasboringen overgaan.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 22 112, nr. 1858<br />

Socialezekerheidsverdrag<br />

Marokko, woonlandbeginsel<br />

Brief van de Minister van SZW (03-<br />

06-2014) over de laatste stand van<br />

zaken met betrekking tot de<br />

verdragsonderhandelingen met<br />

Marokko over aanpassing van het<br />

bilaterale socialezekerheidsverdrag.<br />

Ook wordt ingegaan op de recente<br />

rechterlijke uitspraken over de toepassing<br />

van het woonlandbeginsel.<br />

– Er dienen 19 bilaterale sociale<br />

zekerheidsverdragen te worden aangepast<br />

met het oog op het stopzetten<br />

van de export van kinderbijslag en<br />

kindgebonden budget. Bij een deel<br />

van deze verdragen, waaronder het<br />

verdrag met Marokko, dient het verdrag<br />

ook te worden aangepast met<br />

het oog op het beëindigen van de<br />

werelddekking bij tijdelijk verblijf in<br />

het kader van de Zorgverzekeringswet.<br />

Naar aanleiding van deze wens<br />

zijn Nederland en Marokko sinds 1<br />

jaar in overleg over aanpassing van<br />

het verdrag. In april van dit jaar<br />

heeft de laatste onderhandelingsronde<br />

met Marokko plaatsgevonden. Het<br />

overleg met Marokko heeft nog niet<br />

tot resultaten geleid. De standpunten<br />

liggen nog steeds ver uit elkaar.<br />

Afgesproken is om in principe in<br />

september van dit jaar de onderhandelingen<br />

voort te zetten. Dit in de<br />

veronderstelling dat tegen die tijd<br />

het wetsvoorstel Herziening exportbeperking<br />

kinderbijslag (Whek) is<br />

aangenomen en de meest relevante<br />

vonnissen inzake het woonlandbeginsel<br />

zijn gewezen. De minister<br />

geeft in deze brief ook een overzicht<br />

van de jurisprudentie die tot nu toe<br />

gewezen is inzake de toepassing van<br />

het woonlandbeginsel. Gelet op deze<br />

jurispudentie wil de minister aan het<br />

woonlandbeginsel als zodanig<br />

vasthouden. Met betrekking tot de<br />

Anw-uitkering naar Turkije en<br />

Marokko ziet hij ruimte om onderscheid<br />

te maken tussen ‘oude en<br />

nieuwe’ gevallen. Wat betreft de<br />

overige (verdrags)landen is de SVB in<br />

overleg met het departement doende<br />

per land te bezien wat de gevolgen<br />

van de uitspraken van de CRvB over<br />

de Turkse en Marokkaanse zaken zijn<br />

voor de toepassing van het woonlandbeginsel<br />

op Anw-uitkeringen.<br />

Niet uitgesloten wordt dat voor meer<br />

landen geldt dat hetzelfde onderscheid<br />

moet gelden tussen oude en<br />

nieuwe gevallen als bij Marokko en<br />

Turkije. Daarnaast worden op dit<br />

moment de rechtszaken afgewacht<br />

over de AKW en de WGA-vervolguitkering.<br />

Daarnaast kan de onderhoudseis<br />

zo nodig via wetswijziging worden<br />

gerepareerd. Waarbij wordt<br />

opgemerkt dat de uitspraken van de<br />

CRvB weliswaar worden gevolgd<br />

maar nog niet gecodificeerd. Tot slot<br />

geeft de minister aan waarom het<br />

zijns inziens niet verstandig is om<br />

tot opzegging van het bilaterale verdrag<br />

met Marokko over te gaan.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 26 448, nr. 517<br />

Biotechnologie<br />

Brief van de Staatssecretaris van<br />

IenM (27-05-2014) over het voorstel<br />

van de Europese Commissie (EC) over<br />

de nationale bevoegdheid om de<br />

teelt van genetisch gemodificeerde<br />

gewassen (gg-gewassen) op eigen<br />

grondgebied geografisch te beperken<br />

of te verbieden.<br />

– Dit voorstel werd besproken tijdens<br />

de Milieuraad van 12 juni 2014. In de<br />

huidige situatie is het zo dat gggewassen<br />

in de gehele EU mogen<br />

worden geteeld als deze gewassen de<br />

Europese toelatingsprocedure hebben<br />

doorlopen. Aan de toelating van<br />

gg-gewassen gaat een uitvoerige en<br />

zorgvuldige veiligheidsbeoordeling<br />

vooraf. Lidstaten kunnen echter<br />

andere redenen dan veiligheid hebben<br />

om de teelt van gg-gewassen te<br />

willen weren. Nederland zet zich<br />

daarom al een aantal jaren ervoor in,<br />

dat lidstaten de mogelijkheid krijgen<br />

de teelt van in de EU toegelaten gggewassen<br />

op eigen grondgebied geografisch<br />

te beperken of te verbieden.<br />

Het voorstel omvat twee fasen. Direct<br />

nadat een aanvraag voor toelating<br />

voor teelt in de EU van een gg-gewas<br />

is gepubliceerd, kan een lidstaat in<br />

de eerste fase de aanvrager verzoeken<br />

(een deel van) het grondgebied<br />

van die lidstaat uit te sluiten van de<br />

aanvraag. De aanvrager kan er dan<br />

voor kiezen om zijn aanvraag aan te<br />

passen. Wil de aanvrager dit niet, dan<br />

kan een lidstaat in de tweede fase<br />

zelf een nationale beperkingsmaatregel<br />

nemen om alsnog de teelt van<br />

het Europees toegelaten gg-gewas<br />

geografisch te beperken of te verbieden<br />

op eigen grondgebied. Een<br />

nationale beperkingsmaatregel mag<br />

pas in werking treden vanaf het<br />

moment van toelating van het gggewas.<br />

Een belangrijke conclusie uit<br />

de eerdere analyses is, dat lidstaten<br />

de juridische validiteit zelf in de<br />

hand hebben bij het nemen van een<br />

beslissing over het gebruik maken<br />

van de mogelijkheid die door het<br />

voorstel wordt geboden. Of een<br />

maatregel die een lidstaat op grond<br />

van het voorstel neemt juridisch<br />

valide is, is afhankelijk van de<br />

onderbouwing die de lidstaat voor<br />

die maatregel geeft. In de juridische<br />

analyses is tevens aandacht besteed<br />

aan de voorwaarden waaraan een<br />

nationale maatregel moet voldoen<br />

om juridisch valide en WTO conform<br />

te zijn. Deze voorwaarden zijn,<br />

kort gezegd: een maatregel moet<br />

proportioneel, non-discriminatoir<br />

en goed onderbouwd zijn, en moet<br />

gebaseerd zijn op een specifieke,<br />

case-by-case afweging, dat wil zeggen<br />

gericht op één gg-gewas of<br />

gericht op één gebied.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 27 428, nr. 282<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1713


Wetgeving<br />

Integriteit overheid<br />

Brief van de Minister van BZK (03-06-<br />

2014) bij de aanbieding van het Jaarverslag<br />

van de Onderzoeksraad Integriteit<br />

Overheid 2013.<br />

– Het jaarverslag is als bijlage bij<br />

deze brief te vinden.<br />

In 2013, het eerste volle jaar van het<br />

bestaan van de Onderzoeksraad, hebben<br />

drie activiteiten centraal<br />

gestaan: 1. Allereerst het doen van<br />

onderzoeken naar aanleiding van<br />

meldingen van vermoedens van<br />

misstanden. 2.Daarnaast heeft de<br />

Onderzoeksraad de aansluiting<br />

van de gemeenten en waterschappen<br />

voorbereid, samen met betrokken<br />

koepelorganisaties VNG en UVW. Het<br />

hebben van één loket voor het<br />

melden van misstanden, één begrippenkader,<br />

één meldprocedure en één<br />

methode van onderzoek voor het<br />

openbaar bestuur, schept voor iedereen<br />

duidelijkheid en expertise wordt<br />

gedeeld. 3. Tot slot heeft de Onderzoeksraad<br />

gewerkt aan de verhoging<br />

van de naamsbekendheid bij de sectoren<br />

en binnen de politiek.<br />

In 2013 konden ambtenaren van<br />

Rijk, Politie, Defensie, Provincies en<br />

een aantal zelfstandige bestuursorganen<br />

melding doen bij de Onderzoeksraad<br />

Integriteit Overheid van vermoedens<br />

van een misstand, zij het<br />

nadat in beginsel eerst intern<br />

was gemeld. In het verslagjaar 2013<br />

hebben in totaal 74 personen<br />

een beroep gedaan op de Onderzoeksraad.<br />

Met deze meldingen is<br />

het volgende gebeurd:<br />

delen<br />

verzoeken: 3<br />

<br />

advies: 62<br />

<br />

2012 in portefeuille: 4<br />

<br />

<br />

advies zijn als volgt geklassificeerd:<br />

<br />

<br />

<br />

tie:<br />

33<br />

<br />

anders: 3<br />

torenorganisaties:<br />

4<br />

De afhandeling verliep als volgt:<br />

<br />

<br />

<br />

Eind 2013 is de Onderzoeksraad<br />

gestart met de ontwikkeling van een<br />

onderzoeksprotocol. Dit protocol<br />

heeft tot doel de kwaliteit van onderzoeken<br />

en het verloop van het onderzoeksproces<br />

te waarborgen.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 28 844, nr. 77<br />

Agentenoperaties AIVD<br />

<br />

2014) over een onderzoek door Commissie<br />

van Toezicht betreffende de<br />

Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten<br />

<br />

van enkele langlopende agentenoperaties<br />

door de Algemene Inlichtingenen<br />

Veiligheidsdienst (AIVD).<br />

– Naar aanleiding van dit onderzoek<br />

heeft de CTIVD een toezichtsrapport<br />

vastgesteld (rapportnummer 37). Dit<br />

rapport is deels openbaar, deels<br />

geheim. Het openbare deel van het<br />

toezichtsrapport wordt als bijlage bij<br />

deze brief aangeboden. De minister<br />

geeft tevens zijn reactie. De geheime<br />

bijlage van het rapport is aan de<br />

Commissie voor de Inlichtingen- en<br />

Veiligheidsdiensten van de Tweede<br />

Kamer toegezonden. Het onderzoek<br />

van de Commissie heeft zich toegespitst<br />

op vijf agentenoperaties<br />

met een looptijd van meer dan een<br />

jaar, die in het kader van de veiligheidstaak<br />

van de AIVD zijn ingezet,<br />

meer specifiek in het kader van het<br />

onderzoek naar terrorisme, radicalisering<br />

en extremisme. Daarbij is in<br />

het bijzonder gekeken naar de vragen<br />

omtrent de instructie en de aansturing<br />

van agenten door de AIVD.<br />

Onderzocht is hoe de AIVD de regie<br />

houdt over de inzet van de agent,<br />

hoe de belangen van de agent<br />

en de AIVD tegen elkaar worden<br />

afgewogen en hoe wordt gestuurd op<br />

de doelen die men beoogt te bereiken.<br />

De Commissie stelt vast dat in<br />

alle gevallen sprake lijkt te zijn van<br />

een samenwerkingsrelatie waarbij de<br />

AIVD de controle heeft over hoe de<br />

agent wordt ingezet in de targetomgeving<br />

en dat de veiligheid van de<br />

agenten ten gevolge van hun inzet<br />

door de AIVD niet in gevaar is gekomen.<br />

Daarnaast is veel aandacht<br />

besteed aan de wijze waarop er bij de<br />

inzet van langlopende agentenoperaties<br />

wordt omgegaan met de betrokkenheid<br />

van agenten bij het plegen<br />

van strafbare feiten. Het uitgangspunt<br />

van de dienst is dat een agent<br />

slechts bij uitzondering strafbare feiten<br />

pleegt. De agenten in de onderzochte<br />

operaties hebben slechts dan<br />

een instructie gekregen voor het plegen<br />

van strafbare feiten, wanneer dit<br />

noodzakelijk was in het kader van de<br />

goede taakuitvoering van de dienst<br />

dan wel de veiligheid van de agent.<br />

De agenten hebben evenmin andere<br />

personen aangezet tot het plegen<br />

van strafbare feiten. De CTIVD heeft<br />

in het rapport geen onrechtmatigheden<br />

geconstateerd. Wel heeft zij een<br />

aantal kritiekpunten en heeft zij<br />

daartoe een aantal aanbevelingen<br />

gedaan waar de minister zich in kan<br />

vinden. De belangrijkste kritiekpun-<br />

breken<br />

van evaluaties bij langlopende<br />

operaties, zowel tussentijds als na<br />

<br />

agent niet altijd duidelijk welke strafbare<br />

feiten hij mag plegen, onder<br />

welke omstandigheden hij dat mag<br />

doen en wat de gevolgen kunnen zijn<br />

wanneer hij door zijn handelen in<br />

aanraking komt met politie en justi-<br />

zien<br />

van operaties waarbij strafbare<br />

feiten (voorzienbaar) een rol spelen<br />

<br />

Openbaar Ministerie moeten goede<br />

en toetsbare afspraken worden<br />

gemaakt over de toestemming voor<br />

het plegen van strafbare feiten door<br />

agenten van de AIVD. Met deze laatste<br />

aanbeveling worden eventuele<br />

bezwaren inzake het niet opstellen<br />

van een AMvB over strafbare feiten,<br />

waartoe het kabinet heeft besloten<br />

(Kamerstuk 33 820, nr. 2, p. 7), weggenomen.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 29 924, nr. 108<br />

Lokale democratie<br />

<br />

2014) over de uitkomsten van de<br />

monitoring van Nederland over de<br />

toepassing en naleving van het Europees<br />

handvest inzake lokale autonomie<br />

en het aanvullend protocol burgerparticipatie.<br />

– In mei 2013 bracht een monitoringscomité<br />

van het Congres van<br />

lokale en regionale overheden (kortweg<br />

Congres), onderdeel van de Raad<br />

van Europa (RvE), voor de derde maal<br />

een bezoek aan Nederland (eerdere<br />

<br />

toepassing en naleving van het<br />

Europees handvest inzake lokale<br />

autonomie en het aanvullend protocol<br />

burgerparticipatie. Het als bijlage<br />

1714 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Wetgeving<br />

meegestuurde eindrapport is op 26<br />

maart 2014 vastgesteld tijdens de<br />

plenaire vergadering van het Congres.<br />

Het congres is van mening dat<br />

het goed gesteld is met de lokale en<br />

regionale autonomie in Nederland en<br />

kijkt met tevredenheid naar de in<br />

zijn algemeenheid goede verhouding<br />

en samenwerking tussen de nationale<br />

overheid en de decentrale overheden.<br />

In de vorm van zeven aanbevelingen<br />

zijn aandachtsgebieden voor<br />

Nederland geformuleerd. Deze aanbevelingen<br />

richten zich op de verankering<br />

van het begrip lokale autonomie<br />

in de grondwet, de balans tussen<br />

autonomie en medebewind, de financiële<br />

middelen van gemeenten en<br />

provincies, de interbestuurlijke dialoog<br />

en de uitzonderingen die<br />

Nederland destijds heeft gemaakt bij<br />

de ratificatie van het handvest.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 30 184, nr. 35<br />

Matchfixing<br />

Brief van de Minister van VWS (02-<br />

06-2014) over o.a. de stand van zaken<br />

omtrent matchfixing.<br />

– Recent is gestart met de inrichting<br />

van een nationaal platform om een<br />

structureel overleg te realiseren<br />

tussen de opsporingspartners,<br />

toezichthouder(s), de sportsector en<br />

de kansspelsector. Het doel van dit<br />

nationale platform is om de informatiepositie<br />

van alle stakeholders te<br />

verbeteren, zodat meer signalen worden<br />

gedetecteerd, meer signalen tijdig<br />

via de juiste kanalen bij de juiste<br />

stakeholders terecht komen en de<br />

meest passende interventie kan worden<br />

ingezet om matchfixing te<br />

bestrijden. Het kan de sportsector<br />

helpen om adequate maatregelen te<br />

nemen op persoons- en clubniveau<br />

en anderzijds de justitiële partners<br />

helpen om meer concrete signalen<br />

binnen te krijgen en inkomende signalen<br />

beter te beoordelen door een<br />

verbeterde informatiepositie.<br />

Het Functioneel Parket (FP) coördineert<br />

dit overleg, bereidt het inhoudelijk<br />

voor en is tevens voorzitter.<br />

Verder nemen aan dit overleg deel:<br />

Belastingdienst Doelgroep sport,<br />

FIOD, Kansspelautoriteit, Politie,<br />

KNVB, integriteitsloket NOC*NSF,<br />

KNLTB en de Lotto. Er wordt gestart<br />

met de voetbalsector, omdat dit de<br />

grootste sport is in Nederland. Dit<br />

platform zal vier keer per jaar bijeen<br />

komen. Voor de opsporing en vervolging<br />

van matchfixing – en daaraan<br />

gerelateerde risico’s als fraude, witwassen<br />

en illegaal gokken – is een<br />

goede informatiepositie belangrijk.<br />

De samenwerking in het nationaal<br />

platform draagt daaraan bij. Naast<br />

het operationele platform is een strategisch<br />

beraad matchfixing ingesteld.<br />

Het doel van dit platform is om de<br />

aanpak van matchfixing te<br />

besturen, toe te zien op goede informatiedeling<br />

en samenwerking te<br />

realiseren tussen betrokken partijen.<br />

Onderwerp van gesprek zijn ontwikkelingen<br />

op beleidsniveau, majeure<br />

incidenten, de samenwerking tussen<br />

de partijen en de internationale<br />

ontwikkelingen zoals implementatie<br />

van het verdrag ter bestrijding van<br />

matchfixing van de Raad van Europa.<br />

Bij het Vertrouwenspunt Sport kunnen<br />

onder andere sporters, topsporters,<br />

scheidsrechters, coaches en<br />

managers vanaf 20 mei 2014 terecht<br />

met vertrouwelijke kwesties en meldingen<br />

over matchfixing, doping en<br />

grensoverschrijdend gedrag.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 30 234, nr. 99<br />

Crisis- en herstelwet<br />

Brief van de Minister van IenM (02-<br />

06-2014) bij de aanbieding van de<br />

rapportage ‘Praktijkervaringen Crisisen<br />

herstelwet; Voortgangsrapport<br />

2013-2014’.<br />

– Tijdens de parlementaire behandeling<br />

van de Crisis- en herstelwet is<br />

toegezegd om vinger aan de pols te<br />

houden bij de implementatie van de<br />

wet en jaarlijks te rapporteren over<br />

de voortgang. De vierde rapportage<br />

over 2013–2014 wordt als bijlage bij<br />

deze brief toegezonden.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 32 127, nr. 198<br />

Hulp bij zelfdoding<br />

Brief van de Ministers van VWS en<br />

VenJ (03-06-2014) over instelling van<br />

een commissie van wijzen die zich<br />

zal buigen over de juridische mogelijkheden<br />

en de maatschappelijke<br />

dilemma’s met betrekking tot hulp<br />

bij zelfdoding aan mensen die hun<br />

leven voltooid achten.<br />

– Kern van het onderzoek van deze<br />

commissie zal zijn hoe invulling kan<br />

worden gegeven aan de wens van<br />

een toenemende groep Nederlanders<br />

om meer zelfbeschikkingsrecht in de<br />

vorm van te ontvangen hulp wanneer<br />

zij hun leven voltooid achten.<br />

Tegelijkertijd is van wezenlijk belang<br />

dat misbruik wordt voorkomen en<br />

mensen zich veilig voelen. De uitkomsten<br />

van dit onderzoek staan<br />

niet op voorhand vast. Het kan zo<br />

zijn dat dit leidt tot eventuele voorstellen<br />

voor nieuwe regelgeving,<br />

maar er kan ook sprake zijn van het<br />

herbevestigen van bestaande wettelijke<br />

grenzen. Een zorgvuldige aanpak<br />

is daarbij uitgangspunt. Daarnaast<br />

wordt de commissie gevraagd<br />

hoe kan worden voorkomen dat mensen<br />

hun leven voltooid achten. De<br />

commissie richt zich niet op gerelateerde<br />

onderwerpen rond het levenseinde,<br />

zoals euthanasie bij psychiatrisch<br />

patiënten en bij dementie.<br />

De focus is hulp bij zelfdoding aan<br />

mensen die hun leven voltooid achten.<br />

Het vertrekpunt van de commissie<br />

is de bestaande wet- en regelgeving;<br />

artikel 294 lid 2 van het<br />

Wetboek van Strafrecht aan de ene<br />

kant en aan de andere kant het kader<br />

van de Euthanasiewet. Bij de analyse<br />

zullen ook de dilemma’s worden<br />

betrokken die in het standpunt van<br />

het kabinet op de evaluatie van de<br />

Euthanasiewet zijn benoemd, zoals<br />

de mogelijke gevolgen van een systeem<br />

van hulp bij zelfdoding door<br />

een ander dan een arts (Kamerstuk<br />

31 036, nr. 7). De volgende personen<br />

zullen in de commissie worden<br />

benoemd: Prof. dr. P. Schnabel (voorzitter),<br />

universiteitshoogleraar,<br />

Universiteit Utrecht; Prof. dr. B.<br />

Meyboom-de Jong, em. hoogleraar<br />

huisartsengeneeskunde, Universiteit<br />

Groningen; Prof. dr. W.J. Schudel, em.<br />

hoogleraar klinische en sociale psychiatrie,<br />

Erasmus Universiteit Rotterdam;<br />

Prof. dr. C.P.M. Cleiren, hoogleraar<br />

straf- en strafprocesrecht,<br />

Universiteit Leiden; Prof. mr. P.A.M.<br />

Mevis, hoogleraar straf- en strafprocesrecht,<br />

Erasmus Universiteit Rotterdam;<br />

Prof. dr. M.J. Verkerk, hoogleraar<br />

reformatorische wijsbegeerte,<br />

Technische Universiteit Eindhoven;<br />

Prof. dr. A. van der Heide, hoogleraar<br />

Besluitvorming en zorg rond het<br />

levenseinde, Erasmus Universiteit<br />

Rotterdam; Mw. G. Hesselmann, RN,<br />

MSc, consulent palliatieve zorg Universitair<br />

Medisch Centrum Utrecht.<br />

De bewindslieden verwachten in het<br />

voorjaar van 2015 de resultaten van<br />

de commissie te kunnen ontvangen.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 32 647, nr. 26<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1715


Wetgeving<br />

EU nabuurschap, mensenrechten<br />

en vluchtelingen<br />

Brief van de Minister van BuZa (06-<br />

06-2014) over de wijze waarop de EU<br />

de naleving van mensenrechten van<br />

migranten en vluchtelingen inbrengt<br />

in de gesprekken en relaties met<br />

buurlanden, in het bijzonder waar<br />

het Marokko betreft.<br />

– Bescherming van mensenrechten<br />

van migranten en vluchtelingen is<br />

een dwarsdoorsnijdend thema in de<br />

door de EU nagestreefde migratiesamenwerking<br />

met derde landen, waaronder<br />

nabuurlanden. Tijdens de EU-<br />

Marokko Associatieraad op 16<br />

december 2013 kwamen onderwerpen<br />

als migratie, mobiliteit en mensenrechten<br />

aan de orde. In de EU-verklaring<br />

stelt de EU besluiten te<br />

verwelkomen die leiden tot een<br />

nieuw asiel en migratiebeleid, in<br />

overeenstemming met mensenrechten<br />

en de aanbevelingen van de<br />

Marokkaanse nationale mensenrechtenraad<br />

CNDH). In het EU-Marokko<br />

actieplan wordt het bevorderen<br />

van bescherming van migranten en<br />

het versterken van het asielbeleid<br />

specifiek genoemd. Hierbij wordt verwezen<br />

naar specifieke aanbevelingen<br />

van de CNDH op dit gebied, evenals<br />

rapportages van internationale organisaties,<br />

waaronder Artsen zonder<br />

Grenzen. Mede op basis hiervan is<br />

een algemeen beleidskader geformuleerd<br />

en is een aantal interministeriele<br />

en ad-hoc commissies opgericht<br />

om onder andere een nieuw juridisch<br />

en institutioneel kader op te<br />

zetten, in regionaal en internationaal<br />

verband activiteiten op te zetten en<br />

om de individuele status van een<br />

groot aantal vluchtelingen vast te<br />

stellen. In afwachting van de aanbevolen<br />

wetgeving, blijft de uitvoering<br />

van de bestaande wetgeving echter<br />

nog een uitdaging volgens de EU. De<br />

Marokkaanse overheid is in september<br />

2013 begonnen met verstrekken<br />

van vluchtelingenidentiteitsbewijzen<br />

en verblijfsvergunningen aan vluchtelingen<br />

erkend door UNHCR. Ook<br />

biedt Marokko gedurende het jaar<br />

2014 illegaal in Marokko verblijvende<br />

migranten de mogelijkheid om<br />

onder bepaalde voorwaarden in aanmerking<br />

te komen voor regularisatie<br />

van hun situatie. Niettegenstaande<br />

deze positieve beleidsontwikkelingen,<br />

moet ook geconstateerd worden<br />

dat de toestroom van migranten uit<br />

Sub-Sahara landen aanzienlijke druk<br />

legt op de Marokkaanse samenleving<br />

en de beschikbare voorzieningen alsmede<br />

op de grensbewaking in het<br />

bijzonder in de Middellandse Zee<br />

regio en bij de Spaanse enclaves.<br />

Marokko verwijdert illegaal aangetroffen<br />

migranten in het gebied<br />

rondom de Spaanse enclaves Ceuta<br />

en Melilla vanwaar migranten zeer<br />

tegen hun zin verwijderd worden en<br />

teruggebracht naar de grote steden.<br />

Dit gaat niet zelden met fel verzet<br />

gepaard waar (zwaar) gewonden bij<br />

vallen. De Europese Unie heeft de<br />

Marokkaanse overheid daarop aangesproken;<br />

Marokko ontkent het niet,<br />

maar laat het bieden van opvang en<br />

andere hulp over aan de NGO-sector.<br />

Het recent door de EU met Marokko<br />

overeengekomen mobiliteitspartnerschap,<br />

waarbij Nederland een van de<br />

deelnemende EU lidstaten is, biedt<br />

een goed kader om Marokko te<br />

ondersteunen bij de ontwikkeling<br />

van zijn migratie- en asielbeleid. Ook<br />

in de relatie met andere buurlanden<br />

is er aandacht voor de bescherming<br />

van mensenrechten van migranten.<br />

Zo stelde de Europese Commissie in<br />

het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid<br />

eind 2013 een bedrag<br />

van 10 mln. euro beschikbaar voor<br />

het ontwikkelen van een op mensenrechten<br />

gebaseerd migratie- en asielbeleid<br />

dat in lijn in met internationale<br />

standaarden. Het gaat hierbij<br />

om steun aan de Libische overheid<br />

en NGO’s om instrumenten en capaciteiten<br />

te ontwikkelen om migratie<br />

in goede banen te leiden en de leefomstandigheden<br />

van migranten te<br />

verbeteren. In Tunesië heeft de EU<br />

een studie gefinancierd naar onder<br />

andere grensbewaking, migratie en<br />

bescherming van migranten. Dit rapport<br />

moet het begin zijn van intensievere<br />

samenwerking op deze terreinen.<br />

Het Europees Agentschap voor<br />

Asiel (EASO) en Frontex hebben een<br />

project opgezet om samenwerking<br />

tussen de EU, lidstaten en Tunesië,<br />

Marokko en Jordanië te verbeteren<br />

op het terrein van asiel en migratie<br />

in het kader van de externe dimensie<br />

van het Gemeenschappelijk Europees<br />

Asielsysteem. Dit project wordt financieel<br />

ondersteund vanuit het Europees<br />

Nabuurschapsbeleid.<br />

Kamerstukken I 2013/14, 33 750 V, H<br />

Europese samenwerking<br />

Brief van de Minister van BuZa (13-<br />

06-2014) met de kabinetsreactie op<br />

het AIV advies ‘Naar een gedragen<br />

Europese samenwerking; werken aan<br />

vertrouwen’.<br />

– Op 24 april jl. verscheen het AIV<br />

advies. Middels deze brief reageert<br />

het kabinet op de conclusies en aanbevelingen<br />

van de AIV. Daarnaast is<br />

in deze kabinetsappreciatie opgenomen<br />

de aanvullende reactie op het<br />

verzoek van de vaste Commissie voor<br />

Europese Zaken over de rol van nationale<br />

parlementen in het besluitvormingsproces<br />

en een overzicht van<br />

het krachtenveld op het terrein van<br />

democratische legitimiteit en institutionele<br />

hervormingen. Daarnaast<br />

wordt ingegaan op een aantal aangenomen<br />

moties op het terrein van de<br />

Europese Unie. De AIV schetst in zijn<br />

rapport een herkenbaar beeld van<br />

het afnemend vertrouwen en draagvlak<br />

voor de EU, onderzoekt mogelijke<br />

oorzaken daarvoor en doet aanbevelingen<br />

voor de versterking van de<br />

democratische legitimiteit van de EU.<br />

Daarbij benadrukt de AIV dat enkel<br />

institutionele maatregelen onvoldoende<br />

oplossing voor de geconstateerde<br />

problemen bieden. De AIV<br />

staat een meersporenbeleid voor,<br />

zowel op nationaal niveau als op EUniveau,<br />

variërend van het optimaliseren<br />

van bestaande instrumenten, het<br />

doen van voorstellen voor nieuwe<br />

instrumenten, tot politisering en versterking<br />

van burgerparticipatie. De<br />

AIV doet in het bijzonder ook aanbevelingen<br />

op het terrein van het economische<br />

en monetair beleid omdat<br />

de AIV op dit terrein specifieke knelpunten<br />

identificeert. De bevindingen<br />

leveren een interessante bijdrage aan<br />

de gedachtevorming van het kabinet<br />

over hoe de EU dichter bij de mensen<br />

kan worden gebracht en het draagvlak<br />

voor de EU kan worden vergroot.<br />

Het kabinet is het met de AIV eens<br />

dat er geen simpele remedie voor de<br />

geconstateerde problemen is en dat<br />

een breed scala aan maatregelen<br />

nodig is om de EU te laten ontwikkelen<br />

tot een democratisch breed<br />

gedragen bestuurslaag.<br />

Kamerstukken I 2013/14, 33 750 V, I<br />

1716 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Wetgeving<br />

Gemeenten, decentralisaties<br />

en persoonsgegevens<br />

Brief van de Minister van BZK (27-05-<br />

2014) bij de aanbieding van een<br />

beleidsvisie met richtlijnen voor het<br />

zorgvuldig omgaan met persoonsgegevens<br />

in de gemeentelijke praktijk<br />

in het kader van de decentralisaties.<br />

– Bij de totstandkoming van deze<br />

visie is vooralsnog geconcludeerd dat<br />

er voor het mogelijk maken van de<br />

gewenste gegevensdeling geen noodzaak<br />

is voor een nieuw juridisch<br />

kader voor gegevensverwerking en<br />

privacy in het sociaal domein. De<br />

(toekomstige) wettelijke kaders, bieden<br />

ruimte om de noodzakelijke<br />

gegevensdeling te kunnen realiseren<br />

en tegelijkertijd de privacy te borgen.<br />

Met deze visie wordt daarin een eerste<br />

stap gezet. Minstens zo belangrijk<br />

zijn de vervolgacties die al worden<br />

aangekondigd bij de verschillende<br />

uitgangspunten. Die vervolgacties<br />

zullen de komende maanden verder<br />

worden uitgewerkt en in gang gezet.<br />

Het gaat om de volgende acties: privacy<br />

impact assessments (PIA’s), op<br />

basis van deze PIA’s kunnen de<br />

dienstverleningsmodellen doorontwikkeld<br />

worden tot voorbeeldmodellen<br />

waarin de privacy goed is<br />

geborgd. Gemeenten kunnen hierop<br />

hun eigen praktijk enten; ondersteuningsprogramma’s<br />

voor gemeenten<br />

om hun beleid en uitvoering privacyproof<br />

te maken; ontwikkelen van een<br />

helpdesk voor gemeenten om vragen<br />

te stellen over privacy in het sociaal<br />

domein; en versterking van de positie<br />

van de burger door het instellen<br />

van een laagdrempelig loket waar<br />

men terecht kan indien men meent<br />

dat de gemeente onzorgvuldig met<br />

de persoonsgegevens omgaat.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 32 761, nr. 62<br />

Rondreisvisum<br />

Brief van de Minister van BuZa (28-<br />

05-2014) met een fiche inzake een<br />

Verordening rondreisvisum.<br />

– Dit voorstel heeft als doel een<br />

nieuw type visum in te voeren, een<br />

zogenaamd rondreisvisum Het rondreisvisum<br />

maakt het mogelijk om<br />

in twee of meer lidstaten tot maximaal<br />

een jaar in het Schengengebied<br />

te verblijven, te verlengen tot maximaal<br />

twee jaar, zolang men niet langer<br />

dan 90 dagen binnen een periode<br />

van 180 dagen in dezelfde lidstaat<br />

verblijft. Het rondreisvisum kan bijvoorbeeld<br />

worden aangevraagd door<br />

zakenlieden, rondreizende artiesten,<br />

sporters en toeristen. De Commissie<br />

stelt tevens voor om de Schengenuitvoeringsovereenkomst<br />

zodanig te<br />

wijzigen dat Nederland, en andere<br />

lidstaten, verplicht zullen zijn bilaterale<br />

overeenkomsten, die betrekking<br />

hebben op visumvrij kort verblijf,<br />

met een tiental bevriende staten buiten<br />

werking te stellen. Ten aanzien<br />

van de introductie van een rondreisvisum<br />

kan Nederland de subsidiariteit<br />

van dit voorstel positief beoordelen.<br />

Het betreft een visum dat in alle<br />

lidstaten geldig is; dit kan niet op<br />

nationaal niveau worden gerealiseerd.<br />

Nederland beoordeelt de proportionaliteit<br />

deels positief, deels<br />

negatief. Nederland vindt de handhaving<br />

in de verordening onvoldoende<br />

gewaarborgd. Die aandacht is van<br />

belang, bijvoorbeeld met het oog op<br />

mogelijke risico’s van illegale immigratie<br />

die het voorstel met zich kan<br />

brengen. Nederland is bereid in te<br />

stemmen met de introductie van het<br />

rondreisvisum, mits de handhaving<br />

en controle kan worden gewaarborgd.<br />

Nederland oordeelt vooralsnog negatief<br />

ten aanzien van de proportionaliteit<br />

van de gedeeltelijke intrekking<br />

van artikel 20, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.<br />

Dit<br />

artikel vormt de grondslag voor<br />

geldigheid van oude bilaterale<br />

overeenkomsten met bevriende,<br />

niet-risicolanden die zien op het<br />

recht van kort verblijf.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 943, nr. 2<br />

Visumcode<br />

Brief van de Minister van BuZa (28-<br />

05-2014) met een fiche inzake een<br />

Herschikking en wijziging verordening<br />

Visumcode.<br />

– Met dit voorstel wordt de in 2009<br />

in werking getreden Visumcode<br />

vervangen. Het doel van het voorstel<br />

is om de procedures voor bonafide<br />

reizigers die voor een kort verblijf<br />

naar de EU willen komen te bekorten<br />

en te vereenvoudigen. Dit moet de<br />

economie en werkgelegenheid in het<br />

Schengengebied stimuleren en leiden<br />

tot minder kosten en minder<br />

bureaucratie. Hiertoe wordt onder<br />

meer voorgesteld verkorte beslistermijnen<br />

te introduceren, verplichte<br />

vertegenwoordiging in te voeren en<br />

sneller over te gaan tot het verstrekken<br />

van meervoudige visa aan regel-<br />

matige reizigers. Tegelijkertijd blijft<br />

de veiligheid aan de buitengrenzen<br />

van het Schengengebied gehandhaafd.<br />

Het subsidiariteitsoordee is<br />

positief, omdat visumbeleid in de<br />

Schengenzone per definitie gemeenschappelijk<br />

is. Het proportionaliteitsoordeel<br />

is positief met kanttekeningen:<br />

er dient wat Nederland betreft<br />

in het voorstel meer aandacht te<br />

komen voor handhaving om illegale<br />

migratie tegen te gaan en onder<br />

meer de door de Commissie voorgestelde<br />

beperking van de mogelijkheid<br />

nationale luchthaventransitvisa<br />

in te voeren, de invoering van zgn.<br />

‘verplichte vertegenwoordiging’ en de<br />

voorgestelde verkorting van de<br />

beslistermijnen gaan wat Nederland<br />

betreft te ver.<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 943, nr. 3<br />

Nationale Fraude Autoriteit<br />

Geleidende brief bij (nr. 1) en Initiatiefnota<br />

(nr. 2) (17-06-2014) van het<br />

lid Gesthuizen ‘Naar een Nationale<br />

Fraude Autoriteit (NFA)’.<br />

– Fraude is een hardnekkig verschijnsel<br />

dat voorkomt in alle sectoren en<br />

alle lagen van de samenleving. Om<br />

de fraudebestrijding naar een hoger<br />

plan te tillen wordt voorgesteld een<br />

Nationale Fraude Autoriteit op te<br />

richten, naar Brits voorbeeld. Deze<br />

Autoriteit krijgt doorzettingsmacht<br />

en bepaalde bevoegdheden die nodig<br />

zijn om de haar opgedragen taken te<br />

vervullen. De Fraudehelpdesk, die<br />

zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld<br />

tot een belangrijke kennisbank<br />

en aanjager van fraudebestrijding,<br />

zou op termijn kunnen opgaan<br />

in de Nationale Fraude Autoriteit.<br />

Een apart loket voor slachtoffers zal<br />

immers nodig blijven. De doelstellingen<br />

en taken van deze op te richten<br />

Nationale Fraude Autoriteit zouden<br />

in ieder geval, maar mogelijk<br />

niet uitsluitend, kunnen zijn:<br />

<br />

financieel-economische criminaliteit;<br />

<br />

omvang van fraude;<br />

schuivingen<br />

in criminaliteit;<br />

<br />

fraudebestrijding, zoals knelpunten<br />

in wetten en regels, maar ook gebrekkige<br />

samenwerking tussen betrokken<br />

partijen;<br />

<br />

omvang van fraude, verschuivingen,<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1717


Wetgeving<br />

-<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

-<br />

-<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 958, nrs. 1 en 2<br />

Overnemen moties<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

-<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

Kamerstukken II 2013/14, 33 959, nrs. 1 en 2<br />

Overnames en nationale<br />

veiligheid<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

-<br />

-<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

-<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

-<br />

<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

Kamerstukken I 2013/14, C, S<br />

Cyberintelligence en publiek<br />

belang<br />

-<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

<br />

-<br />

<br />

Thema 1 – Technologische<br />

ontwikkelingen<br />

<br />

<br />

<br />

-<br />

-<br />

Thema 2 – Toezicht:<br />

<br />

<br />

Thema 3 – Bedrijfsspionage:<br />

<br />

<br />

<br />

<br />

Thema 4 – Rechtspositie burger:<br />

<br />

<br />

Kamerstukken I 2013/14, CVIII, C<br />

1718 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Nieuws<br />

1263<br />

Kinderrechten in Nederland<br />

Werk aan de winkel<br />

Wat betreft de naleving van<br />

kinderrechten is in Nederland al<br />

veel bereikt, maar toch zijn er ook<br />

hier nog altijd tienduizenden<br />

kinderen het slachtoffer van<br />

(ernstige) kinderrechtenschendingen.<br />

Juist voor kwetsbare kinderen<br />

verbetert er weinig.<br />

Dat melden UNICEF Nederland en<br />

Defence for Children naar aanleiding<br />

van de presentatie van het Jaarbericht<br />

Kinderrechten 2014. Het Jaarbericht<br />

Kinderrechten werd op 17 juni<br />

aangeboden aan de Vaste Kamercommissie<br />

van Veiligheid en Justitie. Het<br />

analyseert de kinderrechtensituatie<br />

van vijf groepen kwetsbare kinderen<br />

in Nederland: kinderen in de jeugdzorg,<br />

slachtoffers van kindermishandeling<br />

en van uitbuiting, kinderen<br />

die te maken hebben met het jeugd<br />

strafrecht en met het migratierecht.<br />

Per onderwerp worden vanuit het<br />

VN-Kinderrechtenverdrag beginselen<br />

vastgesteld die het uitgangspunt<br />

moeten vormen voor het desbetreffende<br />

beleidsterrein.<br />

Op basis van de beginselen zijn<br />

meetbare indicatoren vastgesteld.<br />

Om ontwikkelingen in de kinderrechtensituatie<br />

te kunnen signaleren<br />

zijn, waar mogelijk, de indicatoren<br />

door de jaren heen hetzelfde gehouden.<br />

Het VN-Kinderrechtenverdrag<br />

bestaat dit jaar 25 jaar. Samen met<br />

vijf vakdeskundigen wordt in het<br />

rapport teruggeblikt op de winst die<br />

op het terrein van kinderrechten is<br />

geboekt en vooruit op de agenda<br />

voor de toekomst.<br />

De cijfers<br />

Het Jaarbericht Kinderrechten zet elk<br />

jaar de belangrijkste cijfers over de<br />

kinderrechtensituatie in Nederland<br />

op een rij. In 2014 zijn er nog altijd<br />

tienduizenden kinderen in Nederland<br />

het slachtoffer van ernstige kinderrechtenschendingen.<br />

Juist voor<br />

kwetsbare kinderen verbetert er weinig:<br />

- 260 minderjarige slachtoffers van<br />

uitbuiting, een toename van 17% ten<br />

opzichte van 2012 en ruim een verdubbeling<br />

sinds 2009.<br />

- 10.587 meldingen over kinderporno.<br />

In 2010 ging het nog om 1.260<br />

meldingen. Het gaat om kinderpornografie<br />

die in Nederland op servers<br />

staat, daarmee staat Nederland in de<br />

top 3 van landen waar kinderporno<br />

wordt gehost, op basis van cijfers van<br />

gemeld strafbaar materiaal.<br />

- Van alle strafrechtelijk opgesloten<br />

kinderen in justitiële jeugdinrichtingen<br />

zit 74% in voorarrest in afwachting<br />

van een uitspraak van de rechter<br />

over hun zaak. Bijna 7.000<br />

Uitbuiting<br />

Indicatoren 2009 2010 2011 2012 2013<br />

Aantal minderjarige slachtoffers<br />

uitbuiting (jongens-meisjes)<br />

118<br />

(7j-111m)<br />

152<br />

(7j-145m)<br />

195<br />

(10j-185m)<br />

223<br />

(25j-198m)<br />

260<br />

(32j-228m)<br />

Verschil<br />

met 2012<br />

+17%<br />

Aantal minderjarige slachtoffers<br />

seksuele uitbuiting (jongensmeisjes)<br />

49 117 125<br />

113<br />

(8j-105m)<br />

111<br />

(5j-106m)<br />

-2%<br />

Aantal<br />

minderjarige<br />

slachtoffers<br />

overige uitbuiting<br />

(jongensmeisjes)<br />

Aantal minderjarige<br />

slachtoffers<br />

criminele<br />

uitbuiting<br />

Aantal slachtoffers<br />

economische<br />

uitbuiting<br />

4 7 4 12 (4j-8m)<br />

6<br />

2<br />

-33%<br />

Aantal buitenlandse minderjarige<br />

slachtoffers uitbuiting (m-v)<br />

50 63 64<br />

82<br />

(21-61)<br />

94<br />

(30-65)<br />

+15%<br />

Top 2 herkomstlanden (naast<br />

Nederland)<br />

Nigeria,<br />

Guinee<br />

Nigeria,<br />

Guinee<br />

Guinee,<br />

Sierra<br />

Leone<br />

Guinee,<br />

Sierra<br />

Leone<br />

Guinee,<br />

Sierra<br />

Leone<br />

Aantal mogelijke minderjarige<br />

slachtoffers dat een tijdelijke<br />

vergunning heeft gekregen (m-v)<br />

20 30 30 20 10 -50%<br />

Bron: Jaarbericht Kinderrechten 2014<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1719


Nieuws<br />

kinderen zijn in verzekering gesteld,<br />

waarbij de meeste een nacht of meer<br />

doorbrengen in een politiecel.<br />

- In 2013 werd er van 2.368 minderjarigen<br />

DNA-materiaal opgeslagen in<br />

de DNA-databank voor Strafzaken.<br />

Eind 2013 stonden er in deze databank<br />

maar liefst 22.649 DNA-profielen<br />

geregistreerd op basis van een<br />

jeugdveroordeling. Dat is bijna een<br />

verdubbeling ten opzichte van 2009.<br />

- 2.511 kinderen uit het buitenland<br />

mochten niet naar hun vader of<br />

moeder komen die legaal in Nederland<br />

woont door de bijzonder kindonvriendelijke<br />

gezinsmigratieregels.<br />

De aanbevelingen<br />

Hieronder volgen – in het kort – de<br />

aanbevelingen uit het rapport.<br />

Uitbuiting<br />

1. Zorg dat alle medewerkers bij<br />

instanties die contact hebben met<br />

(potentiële) minderjarige slachtoffers<br />

van uitbuiting getraind zijn in het<br />

herkennen van signalen en deze melden<br />

bij CoMensha.<br />

2. Werk aan de (h)erkenning van uitbuiting<br />

van bedelarij/criminaliteit.<br />

3. Stel het belang van het kind voorop<br />

bij beslissingen over verblijfsrecht<br />

van buitenlandse minderjarige<br />

slachtoffers van mensenhandel en<br />

pas de B8/3- procedure toe.<br />

4. Stimuleer de ICT-sector, met name<br />

(hosting) providers, om de verspreiding<br />

van kinderpornografie tegen te<br />

gaan en (internationaal) online kindermisbruik<br />

te bestrijden.<br />

Jeugdstrafrecht<br />

1. Zorg dat de speciale rechtspositie<br />

van minderjarigen in het strafrecht<br />

ook bij de ZSM-werkwijze (Zo Simpel,<br />

Selectief, Slim en Samenlevingsgericht<br />

Mogelijk) gewaarborgd is en dat<br />

politie, Openbaar Ministerie en rechterlijke<br />

instanties voldoende gespecialiseerd<br />

zijn in het werken met minderjarigen.<br />

2. Zorg dat minderjarigen tot maximaal<br />

drie dagen in een politiecel verblijven.<br />

Onderzoek of de plaatsing<br />

van minderjarigen in voorarrest in<br />

justitiële jeugdinrichtingen een<br />

uiterste maatregel is.<br />

3. Sluit 12- en 13-jarigen niet in justitiële<br />

jeugdinrichtingen op, maar pas<br />

alternatieven toe.<br />

4. Maak een niet-ontvankelijkverklaring<br />

mogelijk indien de redelijke termijn<br />

in zaken van minderjarigen<br />

ruim overschreden wordt.<br />

5. Schaf het voorbehoud van Nederland<br />

af, dat toepassing van volwassenstrafrecht<br />

bij 16- en 17-jarigen<br />

mogelijk maakt. Pas de wet aan zodat<br />

een pij-maatregel niet omgezet kan<br />

worden in een TBS-maatregel die<br />

levenslang kan duren.<br />

6. Betrek jongeren bij het nazorg- en<br />

resocialisatiebeleid.<br />

7. Maak herstelrechtinterventies toegankelijk<br />

voor alle jongeren in het<br />

jeugdstrafrecht.<br />

8. Neem een aparte bepaling op voor<br />

minderjarigen in de Wet DNA-onderzoek<br />

bij veroordeelden.<br />

Jeugdzorg<br />

1. Waarborg de continuïteit van alle<br />

jeugdhulp in het nieuwe jeugdstelsel<br />

en waak ervoor dat er geen ongerechtvaardigde<br />

landelijke verschillen<br />

ontstaan in de toegang tot en de<br />

kwaliteit van jeugdhulp.<br />

2. Garandeer dat alle minderjarigen<br />

de jeugdhulp krijgen die ze nodig<br />

hebben en stel hiervoor landelijk<br />

uniforme minimumeisen.<br />

3. Pas de Jeugdwet zo aan dat deze<br />

geen onderscheid maakt tussen rechtmatig<br />

en niet-rechtmatig in Nederland<br />

verblijvende minderjarigen.<br />

4. Zie erop toe dat een plaatsing in<br />

een instelling voor gesloten jeugdzorg<br />

een uiterste middel is en plaats<br />

geen minderjarigen in de gesloten<br />

jeugdzorg zonder voorafgaande rechterlijke<br />

toets.<br />

5. Zie erop toe dat de besluitvorming<br />

over een ondertoezichtstelling en/of<br />

uithuisplaatsing van een kind zorgvuldiger<br />

plaatsvindt.<br />

6. Verbeter de zorg aan zestien-plussers<br />

die een pleeggezin of instelling<br />

verlaten.<br />

Jeugdstrafrecht<br />

Indicatoren 2009 2010 2011 2012 2013<br />

Totaal aantal door de politie gehoorde<br />

minderjarige verdachten<br />

Verschil<br />

met 2012<br />

54.048 50.969 46.477 41.601 34.772 -16%<br />

Totaal aantal inverzekeringstellingen<br />

minderjarigen<br />

Totaal aantal minderjarigen in justitiële<br />

jeugdinrichtingen<br />

8.059 9.234 8.240 7.603 6.963 -8%<br />

2.557 2.406 2.136 1.999 1.520 -24%<br />

% minderjarigen in voorlopige hechtenis in<br />

justitiële jeugdinrichting op peildatum<br />

73%<br />

(=265)<br />

79%<br />

(-252)<br />

74%<br />

(=219)<br />

75%<br />

(=171)<br />

74%<br />

(=137)<br />

-1%<br />

Gemiddeld aantal dagen voorlopige hechtenis 36 38 40 40 38 -5%<br />

Totaal aantal minderjarigen met een<br />

pij-maatregel op peildatum<br />

64 47 42 40 30 -25%<br />

Opname 12- en 13-jarigen in een justitiële<br />

jeugdinrichting<br />

Aantal als minderjarige opgenomen personen<br />

in de DNA databank voor strafzaken<br />

Bron: Jaarbericht Kinderrechten 2014<br />

Niet<br />

bekend<br />

11.693<br />

(peildatum<br />

23/09)<br />

33 43 23 27 +17%<br />

14.800 17.313 20.281 22.649 +12%<br />

1720 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Nieuws<br />

In 2014 zijn er nog altijd tienduizenden<br />

kinderen in Nederland het slachtoffer van<br />

ernstige kinderrechtenschendingen<br />

Kindermishandeling<br />

1. Voer landelijke regie over de preventie<br />

en aanpak van kindermishandeling<br />

door gemeenten te sturen in<br />

het beschikken over een gedegen<br />

beleid en de monitoring daarvan.<br />

2. Betrek het perspectief van kinderen<br />

in de ontwikkeling en uitvoering<br />

van beleid gericht op de preventie en<br />

aanpak van kindermishandeling.<br />

3. Geef specifieke aandacht aan kinderen<br />

die extra risico lopen om<br />

slachtoffer te worden van mishandeling.<br />

4. Maak vaart met het toezicht op de<br />

implementatie van de meldcode huiselijk<br />

geweld en kindermishandeling.<br />

5. Investeer in het vergroten van de<br />

deskundigheid en vaardigheden van<br />

(toekomstige) beroepskrachten over<br />

kindermishandeling en zorg voor<br />

structurele aandacht voor kindermishandeling<br />

in beroepsopleidingen.<br />

6. Zorg dat ieder mishandeld kind<br />

een zorgvuldig en deskundig diagnostisch<br />

multidisciplinair onderzoek<br />

en gespecialiseerde hulp kan krijgen.<br />

7. Verbeter de rechtspositie van minderjarige<br />

slachtoffers en getuigen en<br />

investeer in de strafrechtelijke aanpak<br />

van kindermishandeling.<br />

Migratie<br />

1. Pas het Kinderpardon toe op alle<br />

kinderen en jongeren die voor hun<br />

achttiende levensjaar langer dan vijf<br />

jaar in Nederland waren en een verblijfsprocedure<br />

hebben doorlopen.<br />

2. Zet geen kinderen in vreemdelingendetentie<br />

en creëer een wettelijk<br />

verbod op het toepassen van grensdetentie<br />

en vreemdelingenbewaring<br />

bij kinderen.<br />

3. Stop het voortdurend verhuizen<br />

van asielzoekerskinderen.<br />

4. Vang gezinnen met kinderen op in<br />

kindvriendelijke asielzoekerscentra,<br />

schaf de gezinslocaties af, regel<br />

terugkeer vanuit reguliere asielzoekerscentra.<br />

5. Creëer een speciale kindervergunning<br />

voor alleenstaande minderjarige<br />

vreemdelingen als zij (nog) niet<br />

terug kunnen keren naar hun land<br />

van herkomst.<br />

6. Sluit de grootschalige opvangcentra<br />

voor alleenstaande minderjarige<br />

vreemdelingen en vang hen zoveel<br />

mogelijk op in pleeggezinnen of in<br />

kleine woongroepen.<br />

7. Geef achtergebleven jongeren die<br />

eerder nadeel ondervonden van<br />

inmiddels hersteld gezinsherenigingsbeleid<br />

maar die nu volwassen<br />

zijn, een nieuwe kans om zich bij<br />

hun ouders in Nederland te voegen.<br />

Migratie<br />

Indicatoren 2009 2010 2011 2012 2013<br />

Aantal alleenstaande<br />

300 220 90 70 30<br />

minderjarigen in vreemdelingenbewaring/<br />

grensdetentie<br />

Aantal kinderen in<br />

gezinnen vreemdelingenbewaring/<br />

grensdetentie<br />

Aantal aanvragen verblijf<br />

van kind bij ouder in<br />

Nederland<br />

Aantal afgehandelde<br />

aanvragen kind bij<br />

ouder in Nederland<br />

Percentage afwijzingen<br />

aanvragen verblijf van<br />

kind bij ouder in<br />

Nederland<br />

Aantal minderjarigen<br />

langer dan vijf jaar in<br />

Ne-derland en in<br />

procedure<br />

Aantal minderjarigen<br />

langer dan vijf jaar in de<br />

asielopvang<br />

Bron: Jaarbericht Kinderrechten 2014<br />

- 230 320 350 280<br />

9.210 8.450 9.619 9.840 8.890<br />

8.450 10.410 8.800 9.980 9.300<br />

39% 48% 59% 57% 27%<br />

700 860 810 X 600<br />

290 200 110 170 180<br />

Verschil<br />

met<br />

2012<br />

-57%<br />

-20%<br />

-10%<br />

-7%<br />

-30%<br />

+6%<br />

Gezinshereniging<br />

Wat betreft de laatste aanbeveling:<br />

de verbeteringen die in de vorige<br />

kabinetsperiode zijn doorgevoerd<br />

voor nareizende biologische kinderen<br />

die zich willen herenigen met<br />

hun vluchtelingenouder(s) in Nederland,<br />

zijn voor het eerst zichtbaar in<br />

de cijfers. Sinds 16 juli 2012 mogen<br />

zij hun familieband aantonen met<br />

een DNA-test (Kamerstukken II<br />

2011/12, 19637, nr. 1568). Voorheen<br />

werden de kinderen onderworpen<br />

aan voor hen moeilijke en lange<br />

interviews. Het percentage afwijzingen<br />

van deze specifieke groep daalde<br />

daarmee van 78% in 2012 tot<br />

37% in 2013.<br />

Voor kinderen die gedurende voorgaande<br />

jaren nog wel te maken hadden<br />

met de moeilijke interviews op<br />

de ambassade, en die inmiddels achttien<br />

jaar zijn geworden, wordt geen<br />

rechtsherstel geboden (Kamerstukken<br />

II 2013/14, 19 637, nr. 1797). UNI-<br />

CEF Nederland en Defence for Children<br />

vinden dat zij recht hebben op<br />

een tweede kans om eindelijk naar<br />

hun ouders te kunnen komen.<br />

Bron: Jaarbericht Kinderrechten 2014,<br />

www. defenceforchildren.nl<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1721


Nieuws<br />

1264<br />

Nieuw Wetboek van Strafvordering<br />

Minister Opstelten (Veiligheid en<br />

Justitie) is begonnen aan een ambitieus<br />

wetgevingsprogramma met<br />

als inzet een nieuw Wetboek van<br />

Strafvordering dat beter aansluit bij<br />

een moderne, digitale samenleving<br />

en toegankelijker is voor de rechtspraktijk<br />

en de burger. Ook moet het<br />

de prestaties van de strafrechtsketen<br />

verbeteren. De bewindsman<br />

ontvouwde zijn plannen bij de opening<br />

van het congres Modernisering<br />

Wetboek van Strafvordering op 19<br />

juni in Amersfoort. Hij wil het wetgevingsprogramma<br />

nog deze kabinetsperiode<br />

afronden.<br />

Het congres vormde een eerste<br />

stap naar een serie wetsvoorstellen<br />

dat het Wetboek van<br />

Strafvordering een ander aanzien zal<br />

geven, maar niet zal leiden tot een<br />

stelselwijziging. De inbreng vanuit het<br />

congres wordt meegenomen bij de<br />

voorbereiding van de uiteindelijke<br />

wetsvoorstellen die vanaf eind dit jaar<br />

formeel in consultatie zullen gaan.<br />

Het pakket<br />

Het gaat om in totaal 19 wetsvoorstellen.<br />

De meeste zijn in voorbereiding,<br />

maar 2 wetsvoorstellen liggen<br />

al voor advies bij de Raad van State,<br />

het wetsvoorstel digitale processtukken<br />

en de herziening van de tenuitvoerlegging<br />

van straffen. Streven is<br />

de overige 17 wetsvoorstellen in<br />

2015 voor advies bij de Raad van<br />

State hebben. Voorop staat dat de<br />

uitgangspunten en beginselen van<br />

de Nederlandse strafvordering niet<br />

worden gewijzigd. Al langer wordt<br />

gepleit voor een herziening van het<br />

Wetboek van Strafvordering. Zowel<br />

vanuit de wetenschap als de rechtspraktijk<br />

is de wens geuit een inzichtelijk<br />

en goed hanteerbaar wetboek<br />

te maken en om knelpunten weg te<br />

werken. In het huidige wetboek<br />

staan niet alleen verouderde, onnodige<br />

of complexe procedures, maar<br />

door de vele wijzigingen in de afgelopen<br />

jaren - 323 keer sinds 1926 - is<br />

de rek eruit. Het wordt steeds moeilijker<br />

om de juiste regels te vinden<br />

Door de vele wijzigingen in de afgelopen<br />

jaren - 323 keer sinds 1926 - is de rek<br />

eruit.<br />

in het oerwoud van wettelijke maatregelen<br />

en oplossingen. Ook valt het<br />

niet mee om Europese richtlijnen in<br />

te passen.<br />

De administratieve belasting is volgens<br />

de bewindsman ook te ver doorgeschoten<br />

vanwege verplichtingen<br />

die geen toegevoegde waarde hebben,<br />

maar wel het opsporingsproces<br />

sterk belasten.<br />

Het nieuwe Wetboek van Strafvordering<br />

moet straks duidelijk de taken<br />

en bevoegdheden weergeven van de<br />

verschillende organen van de strafrechtspleging,<br />

zoals de politie, het<br />

openbaar ministerie en de rechter.<br />

Ook beschrijft het de positie van de<br />

verdachte en het slachtoffer en van<br />

andere personen die incidenteel<br />

betrokken kunnen zijn bij een strafrechtelijke<br />

procedure, zoals de getuigen<br />

en de deskundige. De belangen<br />

van deze personen worden afgewogen<br />

tegen het belang van het onderzoek<br />

en de opsporing. Er komen<br />

geen nieuwe algemene bevoegdheden<br />

voor de opsporing. Het wetboek<br />

moet (zoveel mogelijk) techniekonafhankelijk<br />

en toekomstbestendig<br />

worden en de ruimte bieden om in<br />

te spelen op nieuwe nationale en<br />

internationale ontwikkelingen.<br />

bron: persbericht VenJ<br />

1265<br />

Rechter moet juist afstand houden<br />

In tegenstelling tot wat rechters<br />

denken, pleiten mensen juist voor<br />

een zekere afstand tussen rechters<br />

en samenleving.<br />

Dat blijkt uit onderzoek van<br />

SSR, het opleidingsinstituut<br />

van Rechtspraak en Openbaar<br />

Ministerie. Voor het onderzoek<br />

werd eerder onderzoek uit 2004<br />

naar de mening van burgers en<br />

rechters over elkaar, over gedaan.<br />

Uit dat onderzoek bleek in grote lijnen<br />

ook al dat rechters denken dat<br />

zij hun oren meer te luisteren moeten<br />

leggen in de samenleving, terwijl<br />

die samenleving dat juist niet<br />

wil. “Rechters denken, ten onrechte,<br />

dat burgers willen dat de rechter<br />

dichter bij hen op schoot komt zitten”,<br />

zegt onderzoeker Albert Klijn<br />

in een toelichting op de site van<br />

SSR.<br />

1722 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Nieuws<br />

Spagaat<br />

Het door rechters zichzelf toedichten<br />

van opvattingen die in de samenleving<br />

zouden spelen, kan problematisch<br />

zijn, legt Klijn uit. “Dat verkeerd<br />

percipiëren veroorzaakt schadelijke<br />

kortsluitingen en miscommunicatie.<br />

De rechter krijgt hierdoor het gevoel<br />

in een spagaat te zitten tussen zijn<br />

eigen onafhankelijkheid en hetgeen<br />

de samenleving zou willen. Rechters<br />

gaan doen wat ze denken dat de burger<br />

wil, terwijl de burger zélf iets<br />

heel anders wenst’, aldus Albert Klijn.<br />

Afstandelijkheid<br />

Uit het onderzoek, dat het doel had<br />

eventuele kloven tussen burgers en<br />

rechters inzichtelijk te krijgen, blijkt<br />

voorts dat er een klein verschil van<br />

mening is over de invulling van het<br />

begrip ‘afstandelijkheid’ door de<br />

rechter. Waar rechters denken dat zij<br />

een open oor hebben voor geluiden<br />

in de samenleving en dat tot uitdrukking<br />

laten komen in hun uitspraken,<br />

ervaren burgers dat niet zo.<br />

Maar dat vinden zij niet erg, omdat<br />

Rechters gaan doen wat ze denken dat de<br />

burger wil terwijl de burger zélf iets heel<br />

anders wenst<br />

zij van mening zijn dat rechters in<br />

hun werk juist een zekere afstand<br />

moeten bewaren.<br />

Reputatie<br />

De conclusie van het SSR-onderzoek<br />

vertoont overeenkomsten met een<br />

onderzoek van de Nederlandse<br />

School voor Openbaar Bestuur, die in<br />

2012 in opdracht van de Raad voor<br />

de rechtspraak opinieleiders ondervroeg<br />

over de reputatie van de Rechtspraak.<br />

De conclusie van dat onderzoek<br />

was dat de Rechtspraak aan<br />

haar beeldvorming moest werken,<br />

juist door afstand te houden van de<br />

samenleving.<br />

Deelname<br />

Het onderzoek werd gehouden onder<br />

ruim 500 burgers en slechts enkele<br />

tientallen rechters. ‘Teleurstellend’,<br />

vindt Albert Klijn. ‘Als er méér rechters<br />

hadden meegedaan dan was ook<br />

wat hen betreft deze steekproef<br />

representatief geweest. Nu was het<br />

aantal deelnemende rechters te laag<br />

om, wat hen betreft, steekhoudende<br />

resultaten te kunnen opleveren. Terwijl<br />

toch ook uit dit onderzoek blijkt<br />

dat er interessante en leerzame conclusies<br />

getrokken kunnen worden. Ik<br />

wil er dan ook erg voor pleiten dat<br />

rechters méér zouden moeten deelnemen<br />

aan wetenschappelijke onderzoeken.<br />

Dat is in het belang van henzelf,<br />

de rechterlijke organisatie en de<br />

samenleving’.<br />

bronnen: rechtspraak.nl en ssr.nl, op<br />

beide plekken is het onderzoek te<br />

vinden<br />

1266<br />

Nederland, Aruba, Curacao en Sint-<br />

Maarten gaan DNA profielen delen<br />

Nederland, Aruba, Curacao en Sint-Maarten<br />

hebben afspraken gemaakt om vergelijkingen<br />

van DNA daderprofielen te vergemakkelijken.<br />

De landen krijgen rechtstreeks toegang tot<br />

elkaars databanken waardoor vergelijkingen<br />

sneller tot stand komen.<br />

Minister Opstelten heeft dit met zijn<br />

justitiecollega’s afgesproken tijdens<br />

het Justiteel Vierpartijenoverleg in<br />

Willemstad (Curaçao) op 11 juni j.l. De benodigde<br />

wijzigingen van wetgeving in de landen<br />

wordt met voorrang behandeld om deze uitwisselingen<br />

van gegevens mogelijk te maken. In<br />

Nederland wordt het DNA-besluit aangepast en<br />

nog dit jaar in consultatie gebracht.<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1723


1267<br />

Universitair Nieuws<br />

Wilt u dat uw (juridische) proefschrift<br />

of dat van iemand die u kent<br />

aangekondigd wordt in deze rubriek<br />

dan kunt u het proefschrift en een<br />

samenvatting sturen naar het redactiebureau;<br />

zie colofon.<br />

Oratie<br />

On 24 June 2014, Prof. Giuseppe<br />

Falcone gave his solemn address marking<br />

his acceptance of the H.J. Scheltema-chair<br />

of Byzantine Law at the University<br />

of Groningen. Preceding this<br />

festive occasion, the Department of<br />

Legal History in cooperation with the<br />

University of Palermo (Italy) hosted a<br />

Symposium on Byzantine Law in Groningen.<br />

The aim of the symposium<br />

was to present the results of the two<br />

year cooperation between Groningen<br />

and Palermo following the establishment<br />

of the H.J. Scheltema-chair.<br />

The beauty of the laws, proclaimed by<br />

Justinian in the constitutions which<br />

introduce his juridical monument (the<br />

Digest), far from being an empty rhetoric<br />

image, is a fundamental propaganda-motif.<br />

It alludes to the result<br />

achieved through the grandiose work<br />

of compilation concerning both the<br />

imperial constitutions and the texts of<br />

the classical jurists: result, which does<br />

not relate to the external form of the<br />

texts, but to a substantial characteristic.<br />

Such a reference to beauty is<br />

expression of a precise Byzantine conception<br />

of the law and of the imperial<br />

power; and the dimension of mysteriousness<br />

calls into question, from a<br />

particular point of view, the peculiar<br />

perspective of sacralisation of legal<br />

texts. The re-reading, in the modern<br />

age, of the relationship between beauty<br />

and mystery in relation to the laws<br />

marks a radical change of perspective:<br />

it is an example of that encounter<br />

between Byzantine propositions and<br />

ideas, on the one hand, and Western<br />

legal culture, on the other, which is one<br />

of the components, yet little explored,<br />

of the European legal tradition.<br />

Promoties<br />

Publicity in Secured<br />

Transactions Law<br />

Er wordt in toenemende mate gepleit<br />

voor de invoering van<br />

een Europees openbaar<br />

register voor zekerheidsrechten<br />

op verschillende<br />

typen goederen,<br />

naar het voorbeeld<br />

van het Amerikaanse<br />

notice filing-systeem<br />

(Art. 9 van de Uniform Commercial<br />

Code, ‘Art. 9 UCC’). Een voorstel voor<br />

de invoering van een dergelijk register<br />

is opgenomen in Book IX van de<br />

Draft Common Frame of Reference<br />

(‘Book IX DCFR’), dat een veelomvattend<br />

raamwerk van regels ten aanzien<br />

van zekerheidsrechten op roerende<br />

goederen biedt. Het doel van dit<br />

proefschrift van Dewi Hamwijk is te<br />

onderzoeken of het raadzaam is een<br />

Europees notice filing systeem voor<br />

zekerheidsrechten op roerende zaken<br />

in te voeren en zo ja, in hoeverre Art.<br />

9 UCC hierbij als voorbeeld zou moeten<br />

dienen. Bij het formuleren van<br />

een antwoord op deze vraag ligt de<br />

focus op de belangen van verschillende<br />

partijen die doorgaans betrokken<br />

zijn bij zekerheidstransacties met<br />

betrekking tot roerende zaken binnen<br />

de grenzen van de Europese Unie.<br />

Centraal staat de vraag of het waarschijnlijk<br />

is dat deze partijen “beter<br />

af” zijn in een systeem waarin een<br />

openbaar notice filing-systeem is ingevoerd,<br />

gelet op de effectiviteit en kosten-efficiëntie<br />

van de voorgestelde<br />

oplossing. Bij deze evaluatie is van de<br />

vooronderstelling uitgegaan dat het<br />

wenselijk is om een openbaar register<br />

in te voeren als het register (i) de problemen<br />

en risico’s vermindert waaraan<br />

partijen blootstaan wanneer<br />

publiciteit afwezig is, en (ii) dit doet<br />

op een wijze die kosten-efficiënt is<br />

voor de betrokken partijen; oftewel in<br />

lijn met een (positief uitvallende) kosten-batenanalyse.<br />

De uitkomst van dit onderzoek is dat<br />

de invoering van een Europees registerstelsel<br />

zinvol kan zijn; het succes<br />

ervan zal echter in grote mate afhangen<br />

van de vraag hoe dit wordt ingericht<br />

en geïmplementeerd. Het notice<br />

filing-systeem zoals (in concept) opgenomen<br />

in Book IX DCFR, the European<br />

Register for Proprietary Security<br />

(‘ERPS’), is veelbelovend in verschillende<br />

opzichten. Dit proefschrift doet<br />

enkele suggesties voor verbetering.<br />

Hamwijk verdedigde haar proefschrift<br />

op 16 mei jl. aan de Universiteit<br />

van Amsterdam. Haar promotoren<br />

waren Prof. dr. A.F. Salomons en<br />

dr. G.J.P. de Vries.<br />

D. Hamwijk<br />

Publicity in Secured Transactions<br />

Law – Towards a European public<br />

notice filing system for non-possessory<br />

security rights in movable assets<br />

Een commerciële uitgave van het proefschrift zal binnenkort<br />

verschijnen<br />

Barred from employment<br />

Een gevangenisstraf is in<br />

Nederland de zwaarste<br />

straf die kan worden<br />

opgelegd. Over de<br />

bedoelde en onbedoelde<br />

effecten van deze straf is<br />

echter weinig bekend.<br />

De algemene doelstelling<br />

van dit proefschrift van Anke<br />

Ramakers is om de ervaringen op de<br />

arbeidsmarkt voor en na detentie in<br />

kaart te brengen. Meer specifiek is<br />

getracht inzicht te krijgen in het effect<br />

van detentie op arbeidsmarktervaringen.<br />

Daarnaast is onderzocht in hoeverre<br />

een baan ex-gedetineerden<br />

ervan weerhoudt opnieuw delicten te<br />

plegen. Vrijwel alle gedetineerden<br />

keren terug in de vrije maatschappij<br />

en hun recidivecijfers zijn hoog. Veel<br />

ex-gedetineerden lijken er dus niet in<br />

te slagen te re-integreren. Behalve de<br />

hoge recidivecijfers is echter weinig<br />

bekend over de levensomstandigheden<br />

na detentie en effectieve methoden<br />

om de re-integratie te verbeteren.<br />

Daarnaast is onbekend in hoeverre<br />

detentie de oorzaak is van deze relatief<br />

slechte maatschappelijke positie<br />

van ex-gedetineerden. Werk wordt<br />

door gedetineerden en professionals<br />

belangrijk geacht voor een succesvolle<br />

re-integratie. Een detentie maakt reguliere<br />

arbeid echter tijdelijk onmogelijk<br />

en kan de arbeidsmarktperspectieven<br />

na afloop verder beperken.<br />

In dit proefschrift is gebruikgemaakt<br />

van een longitudinale dataverzameling<br />

(het Prison Project) over ongeveer<br />

2.000 mannelijke gedetineerden om<br />

de arbeidsmarktperspectieven voor<br />

en na detentie te onderzoeken. Deze<br />

rijke data maken het ook mogelijk om<br />

het effect van detentie op werk en het<br />

effect van werk op recidive te onderzoeken.<br />

Eerder onderzoek impliceert<br />

dat veel gedetineerden al voorafgaand<br />

aan detentie kenmerken bezitten die<br />

conventionele deelname aan de maatschappij<br />

bemoeilijken (o.a. laag opge-<br />

1724 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Universitair Nieuws<br />

leid, psychische problematiek). Dit<br />

compliceert het vaststellen van de<br />

causaliteit (oorzaak-gevolg relaties) in<br />

onderzoek naar straffen. De vraag is<br />

namelijk in hoeverre de relatief slechte<br />

positie van ex-gedetineerden veroorzaakt<br />

wordt door een periode van<br />

detentie, of dat de ex-gedetineerden<br />

sowieso lagere kansen hebben in de<br />

maatschappij en die dus ook al hadden<br />

voorafgaand aan detentie. In dit<br />

proefschrift wordt getracht het effect<br />

van detentie op werk (en het effect<br />

van werk op recidive) te “isoleren”<br />

door te controleren voor een uitgebreide<br />

reeks aan kenmerken van de<br />

gedetineerden. Begeleiding naar werk<br />

is, naast het strafrechtssysteem, één<br />

van de weinige beleidsinstrumenten<br />

die de overheid in kan zetten om criminaliteit<br />

te verminderen. Kennis<br />

over arbeidsmarktervaringen kan leiden<br />

tot een meer doelgerichte hulpverlening.<br />

Daarnaast geeft dit proefschrift<br />

inzicht in twee bedoelde<br />

effecten van detentie: resocialisatie<br />

en specifieke preventie.<br />

De resultaten wijzen uit dat gedetineerden<br />

al lang voorafgaand aan<br />

detentie een marginale positie innemen<br />

op de arbeidsmarkt. Ook na vrijlating<br />

blijken velen niet te (re-)integreren<br />

op de arbeidsmarkt: ongeveer<br />

de helft vindt werk in het eerste half<br />

jaar na detentie en meer dan een<br />

vijfde recidiveert. Criminologische<br />

theorieën stellen dat detentie een<br />

negatief effect heeft op arbeidsmarktperspectieven<br />

doordat (a)<br />

detentie conventionele bindingen<br />

aantast (o.a. werkcontract), (b) detentie<br />

de accumulatie van werkervaring<br />

onmogelijk maakt en (c) het detentie-stigma<br />

ex-gedetineerden onaantrekkelijk<br />

maakt op de arbeidsmarkt.<br />

In dit proefschrift wordt gevonden<br />

dat niet iedere detentie zorgt voor<br />

een verslechtering van werkkansen.<br />

Een detentieduur van meer dan zes<br />

maanden zorgt echter wél voor een<br />

achteruitgang in arbeidsmarktperspectieven<br />

bovenop de bestaande<br />

achterstand. Werk zorgt volgens theorieën<br />

voor recidivevermindering<br />

door het inkomen, de sociale controle<br />

en conventionele bindingen die<br />

een baan opleveren. De resultaten<br />

wijzen uit dat ex-gedetineerden met<br />

een baan minder recidiveren indien<br />

zij in staat zijn om hun nieuwe baan<br />

voor langere tijd te behouden of naar<br />

een vorige werkgever terugkeren.<br />

Ramakers promoveerde op donderdag<br />

19 juni jl. aan de Universiteit Leiden.<br />

Haar promotor was Prof.dr. P.<br />

Nieuwbeerta.<br />

A.A.T. Ramakers<br />

Barred from employment A study of<br />

labor market prospects before and<br />

after imprisonment<br />

Meijers Reeks 2014<br />

ISBN 978 94 6259 178 3<br />

Scriptie<br />

Met boeven vang je boeven<br />

Onder het mom van het politie<br />

gezegde - ‘met boeven vang je boeven’<br />

- heeft minister Opstelten van<br />

Veiligheid en Justitie het voorstel<br />

gedaan het verbod op de inzet van<br />

criminele burgerinfiltranten op te<br />

heffen (Kamerstukken II 2012-2013,<br />

29 911, nr. 83. Het verbod op de inzet<br />

van criminele burgerinfiltratie<br />

is opgenomen in de motie Kalsbeek,<br />

zie Kamerstukken II 1998-1999, 25<br />

403 en 23 251, nr 33). Dit heeft geleid<br />

tot de aanname van de motie<br />

Recourt in de Tweede Kamer (Kamerstukken<br />

II 2013-2014, 29 279, nr. 192).<br />

Als gevolg daarvan is het sinds kort<br />

(weer) toegestaan dat politie en justitie<br />

gebruik maken van criminele burgerinfiltratie<br />

bij de bestrijding van de<br />

georganiseerde criminaliteit.<br />

In deze scriptie van Oscar Pluimer<br />

staat de vraag centraal in hoeverre de<br />

risico’s van criminele burgerinfiltratie<br />

als opsporingsbevoegdheid worden<br />

ondervangen door de voorwaarden en<br />

waarborgen, zoals opgenomen in het<br />

voorstel van de minister en in de<br />

motie Recourt. De scriptie handelt<br />

over zowel de rechtspolitieke keuze<br />

criminele burgerinfiltranten in te zetten<br />

– waarbij de vraag centraal staat<br />

of het wenselijk is dat politie en justitie<br />

bij de opsporing van strafbare feiten<br />

nauw samenwerken met criminelen<br />

– als de juridische problemen van<br />

criminele burgerinfiltratie – waarbij<br />

de aandacht vooral is gericht op het<br />

strafvorderlijk legaliteitsbeginsel en<br />

het instigatieverbod. In antwoord op<br />

de onderzoeksvraag wordt geconcludeerd<br />

dat de voorwaarden en waarborgen<br />

uit het voorstel van de minister<br />

en uit de motie Recourt, in<br />

onvoldoende mate de risico’s van criminele<br />

burgerinfiltratie ondervangen.<br />

Daarvoor is mede van belang dat de<br />

argumentatie van de minister – om<br />

het verbod op te heffen – niet overtuigt<br />

en innerlijk tegenstrijdig is. Derhalve<br />

wordt de scriptie afgesloten met<br />

enkele aanbevelingen. Zo wordt onder<br />

meer een wetswijziging aanbevolen,<br />

waarbij een specifieke wettelijke bepaling<br />

ten aanzien van criminele burgerinfiltratie<br />

wordt opgesteld en het<br />

verbod op de zogenoemde groei-infiltrant<br />

een expliciete, wettelijke basis<br />

krijgt. Voorts wordt een toetsing door<br />

de rechter(-commissaris) voorafgaand<br />

aan het infiltratie-traject, voorgesteld.<br />

Deze aanbevelingen moeten voorkomen<br />

dat de inzet van criminele burgerinfiltranten<br />

opnieuw uit de hand<br />

loopt en de integriteit van de opsporing<br />

wederom wordt aangetast, met<br />

een mogelijke nieuwe IRT-affaire als<br />

gevolg.<br />

Oscar Pluimer<br />

Een oude bekende in het Nederlandse<br />

strafproces, de criminele burgerinfiltrant.<br />

Met boeven vang je boeven.<br />

Masterscriptie Strafrecht<br />

Universiteit Utrecht<br />

Beoordeling: 8,5<br />

Begeleider: prof. mr. A.A. Franken<br />

De gehele scriptie is te lezen op ons blog: njblog.nl<br />

Scripties<br />

De redactie biedt aan studenten de<br />

mogelijkheid om met een korte<br />

samenvatting van hun masterscriptie<br />

in dit tijdschrift te komen. Hiernaast<br />

wordt de gehele versie van<br />

het document op het blog van het<br />

<strong>NJB</strong> geplaatst (www.njblog.nl). De<br />

redactie wil graag een podium bieden<br />

voor de vele mooie juridische<br />

teksten en innovatieve opvattingen<br />

van studenten die tot nu toe nog te<br />

weinig onder de aandacht komen<br />

van de vele juristen die in ons land<br />

werkzaam zijn. Heb je belangstelling<br />

om te worden geselecteerd<br />

voor opname van een samenvatting<br />

van je masterscriptie in het<br />

<strong>NJB</strong> Stuur dan je scriptie, voorzien<br />

van een samenvatting van maximaal<br />

200 woorden, het eindcijfer<br />

(minimaal een acht) dat je voor de<br />

scriptie hebt ontvangen en ook je<br />

afstudeerrichting en de naam van<br />

je scriptiebegeleider, naar het<br />

redactiebureau van het <strong>NJB</strong>, postbus<br />

30104, 2500 GC Den Haag of<br />

e-mail: njb@kluwer.nl.<br />

NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25 1725


1268<br />

Personalia<br />

NJV-prijs 2014<br />

De Nederlandse<br />

Juristen-Vereniging<br />

heeft op 13 juni<br />

2014 aan prof. dr.<br />

E.M.H. Hirsch<br />

Ballin de NJV-prijs<br />

2014 uitgereikt. De prijs is in het<br />

leven geroepen om juristen te eren<br />

die metterdaad door hun werkzaamheden<br />

een bijzondere bijdrage hebben<br />

geleverd aan de rechtsontwikkeling<br />

en/of rechtstoepassing in het<br />

Koninkrijk der Nederlanden. Uit het<br />

rapport van de jury, bestaande uit<br />

prof. mr. J.E. Goldschmidt, mr. C.A.<br />

Fonteijn en mr. G.J. Kemper: “Door<br />

het combineren van een bijzonder<br />

scherp wetenschappelijk inzicht, die<br />

zich uit in een groot aantal vernieuwende<br />

publicaties over actuele<br />

vraagstukken (zoals recent zijn boek<br />

over burgerschap), met een grote<br />

maatschappelijke betrokkenheid en<br />

integriteit is hij een van de belangrijkste<br />

woordvoerders geworden op<br />

het terrein van het verdedigen en<br />

versterken van de rechtsstaat,<br />

grondrechten en internationale en<br />

Europese rechtsvorming, juist waar<br />

deze onder druk komen te staan. Hij<br />

schroomt daarbij niet om tegen de<br />

stroom in te gaan, waar de genoemde<br />

waarden dat vereisen. In het bijzonder<br />

mogen met lof zijn inspanningen<br />

worden genoemd om<br />

duidelijk te maken dat begrippen<br />

als ‘democratie’ en ‘rechtsstaat’ verder<br />

strekken dan de eenvoudige<br />

notie dat ‘de meerderheid beslist’.”<br />

Hirsch Ballin is hoogleraar Nederlands<br />

en Europees constitutioneel<br />

recht aan de Universiteit Tilburg en<br />

hoogleraar mensenrechten aan de<br />

Universiteit van Amsterdam. Daarvoor<br />

was hij onder meer Minister<br />

van Justitie, lid van de Tweede en<br />

Eerste Kamer, lid van de Raad van<br />

State en hoogleraar staats- en<br />

bestuursrecht in Tilburg. Verder is<br />

Hirsch Ballin lid van de KNAW en lid<br />

van de Adviesraad Internationale<br />

Vraagstukken (AIV), voorzitter van de<br />

Commissie mensenrechten van die<br />

raad en lid van de Raad van Toezicht<br />

van Cordaid. In het verleden heeft hij<br />

talloze functies bekleed op maatschappelijk<br />

terrein ten behoeve van<br />

uiteenlopende soorten organisaties<br />

werkzaam op het terrein van speciaal<br />

onderwijs, mensenrechten en<br />

internationale samenwerking.<br />

Voor het plaatsen van berichten<br />

in deze rubriek kunt u uw tips<br />

en informatie sturen naar<br />

njb@kluwer.nl.<br />

NFI<br />

Dr. ir. Reinout Woittiez wordt per 1<br />

september de nieuwe algemeen directeur<br />

van het Nederlands Forensisch<br />

Instituut (NFI). Woittiez is op dit<br />

moment algemeen directeur Omgevingsdienst<br />

Noordzee-kanaalGebied.<br />

ILO<br />

Dr. Paul van der<br />

Heijden is voor een<br />

nieuwe periode<br />

(2014-2017) verkozen<br />

tot onafhankelijk<br />

Voorzitter van<br />

het Committee on Freedom of Associationvan<br />

de International Labour<br />

Organization. Het is tamelijk uniek<br />

dat een Nederlander lange tijd zo’n<br />

belangrijke post in de VN bekleedt.<br />

Van der Heijden is oud-rector magnificus<br />

van de Universiteit Leiden en<br />

oud-redacteur van het Nederlands<br />

Juristenblad.<br />

1269<br />

Agenda<br />

2 t/m 4 07 2014<br />

Congres informatierecht<br />

Van de NSA tot Wikileaks; van Spotify<br />

tot Facebook. Stuk voor stuk<br />

onderwerpen die de laatste jaren volop<br />

in de belangstelling hebben gestaan.<br />

Deze en vele andere thema’s<br />

komen aan de orde tijdens het internationale<br />

congres ‘Information<br />

Influx’, ter viering van het 25-jarige<br />

bestaan van het IViR.<br />

De centrale vraag van het congres is<br />

hoe het informatierecht zich in de<br />

komende 25 jaar zal ontwikkelen.<br />

Naast Yochai Benkler, die in zijn<br />

keynote speech ‘Degrees of Freedom’<br />

zal spreken over recht en vrijheid in<br />

de internetsamenleving, biedt het<br />

congres een platform voor circa zestig<br />

sprekers en tweehonderd deelnemers<br />

uit wetenschap, politiek,<br />

bedrijfsleven, de kunstwereld en<br />

online activisme. Andere hoofdsprekers<br />

zijn Fred von Lohmann (Google)<br />

die ingaat op de toekomst van het<br />

auteursrecht. Prof. Deirdre Mulligan<br />

(UC Berkeley) laat haar licht schijnen<br />

op privacy.<br />

Naast de keynote-lezingen van deze<br />

internationale topwetenschappers,<br />

behandelen 14 panels het gehele<br />

spectrum van het informatierecht.<br />

Zo zijn er panels over intellectuele<br />

eigendomsrechten rondom het WK<br />

voetbal, de (il)legalisering van file<br />

sharing en het blokkeren van The<br />

Pirate Bay, over de privacyaspecten<br />

van online adverteren en natuurlijk<br />

over de terugkomst van ‘Big Brother’<br />

en de Snowden-onthullingen.<br />

Tijd: Woensdag 2 juli van 13.00 tot 18.30 uur, donderdag<br />

3 juli van 9.00 tot 18.00 uur, vrijdag 4 juli van 9.00 tot<br />

17.30 uur.<br />

Plaats: De opening en de keynote speech van prof. Benkler<br />

zijn op woensdag 2 juli om 17 uur in de Aula (aan de<br />

Singel 411) van de UvA en is vrij toegankelijk. Het congres<br />

wordt gehouden op 3 en 4 juli in De Rode Hoed<br />

(Keizersgracht 102) Amsterdam.<br />

Inlichtingen: via: http://informationinflux.org/, e-mail:<br />

congres@uva.nl Kosten voor deelname (v.a.) € 295,- (incl.<br />

lunch en diner)<br />

Aanmelding: via: http://www.aanmelder.nl/ivir/subscribe<br />

1726 NEDERLANDS JURISTENBLAD – 27-06-2014 – AFL. 25


Algemeen overeenkomstenrecht<br />

Verbintenissenrecht, deel 6 -III<br />

ASSER-SERIE<br />

Met de Asser-serie bent u verzekerd van<br />

hoge kwaliteit, dankzij topauteurs en<br />

kwaliteitsbewaking door de Asser Adviesraad.<br />

De voorzitter van de Adviesraad<br />

is prof.mr. A.S. Hartkamp. Assertiviteit<br />

is voor u als jurist een belangrijke<br />

eigenschap. Bent u werkzaam binnen<br />

het civiele recht dan is ‘Assertiviteit’<br />

minstens zo belangrijk. De Asser-serie<br />

is de onmisbare kennisbron van civielrechtelijk<br />

Nederland en biedt sinds jaar<br />

en dag toonaangevend commentaar op<br />

het burgerlijk recht. Op papier en online<br />

(uiteraard ook in Kluwer Navigator Collecties)<br />

verkrijgbaar.<br />

Recent verschenen in deze serie:<br />

• Asser 4 Erfrecht en schenking<br />

ISBN: 9789013107258<br />

• Asser 3-IV Algemeen goederenrecht<br />

ISBN: 9789013044478<br />

• Asser 7-VI Aanneming van werk<br />

ISBN: 9789013069358<br />

Dit Asser-deel behandelt het algemene overeenkomstenrecht.<br />

Aan de orde komen:<br />

overeenkomst en eenzijdige rechtshandeling;<br />

totstandkoming van de overeenkomst;<br />

inhoud van de overeenkomst;<br />

gevolgen van de overeenkomst ten aanzien van derden;<br />

nietigheid, vernietigbaarheid en ontbinding van de overeenkomst.<br />

Veel nieuwe rechtspraak verwerkt<br />

Sinds de dertiende druk besteedt dit Asser-deel meer aandacht aan Europees<br />

recht en rechtsvergelijking. In deze veertiende druk zijn de sinds de vorige druk<br />

verschenen rechtspraak (waaronder ruim vijftig nieuwe arresten van de Hoge<br />

Raad) en literatuur op de gebruikelijke wijze verwerkt. De auteurs hebben<br />

het hoofdstuk over de nulliteiten in verband met recente ontwikkelingen in<br />

de rechtspraak ingrijpend bewerkt. Korte cursieve introductietekstjes en een<br />

uitgebreide inhoudsopgave vergroten voor u de toegankelijkheid van de uitgave.<br />

Auteurs:<br />

prof.mr.drs. C.H. Sieburgh<br />

prof.mr. A.S. Hartkamp<br />

Druk: 14<br />

ISBN: 9789013107944<br />

ISBN e-book: 9789013107951<br />

Verschijningsdatum: 3 juli 2014<br />

Aantal pagina’s: 776<br />

Prijs:<br />

€ 139,- incl. btw.<br />

www.kluwer.nl/shop<br />

in onze shop bestelt u zonder verzendkosten

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!