handreiking 2e loopbaanbeleid brandweer 01 - A+O fonds ...
handreiking 2e loopbaanbeleid brandweer 01 - A+O fonds ...
handreiking 2e loopbaanbeleid brandweer 01 - A+O fonds ...
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
Monitor <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
Handreiking 2 e<br />
Brandweer Loopbaanbeleid 2007–2008<br />
Brandweer
Handreiking<br />
2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
Brandweer<br />
H2LB
Voorwoord<br />
Per 1 januari 2006 werd het functioneel leeftijdsontslag (FLO) bij de<br />
<strong>brandweer</strong> herzien en de 2 e loopbaan ingevoerd. Brandweermedewerkers<br />
in een bezwarende functie stromen na uiterlijk twintig jaar door naar een<br />
niet-bezwarende functie, om zo gezond én gemotiveerd hun pensioen te<br />
kunnen halen.<br />
Het realiseren van <strong>loopbaanbeleid</strong> vraagt tijd en inzet van <strong>brandweer</strong>korpsen<br />
en hun medewerkers. De ervaring met de doorstroom naar<br />
niet-bezwarende functies is immers nog beperkt. Om te voorkomen dat<br />
elk korps het eigen wiel moet uitvinden en bij te dragen aan een meer<br />
uniforme aanpak op dit terrein is een <strong>handreiking</strong> ontwikkeld.<br />
Deze kan worden gezien als een model voor maatwerk. Zij biedt richtlijnen,<br />
een fasenmodel en een stappenplan waarmee een korps een eigen,<br />
lokaal 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> kan maken. Een beleid dat past bij de gewenste<br />
ontwikkeling van de organisatie.<br />
In totaal werkten er meer dan twintig <strong>brandweer</strong>korpsen aan deze <strong>handreiking</strong><br />
mee. Zes korpsen startten in 2008 een pilot en toetsten de voorgestelde<br />
aanpak in de praktijk. Vier anderen volgden begin 2009. De overige<br />
korpsen werkten en dachten mee als ervaringsdeskundige – zij startten<br />
eerder op eigen kracht met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> – of als toekomstige gebruiker<br />
van de <strong>handreiking</strong>. Ook het netwerk P&O van de NVBR was betrokken.<br />
Al deze mensen bedanken we graag voor hun ambassadeursrol.<br />
Met genoegen overhandigen we tijdens het HR-festival op 12 maart 2009<br />
de <strong>handreiking</strong> aan de voorzitter van de NVBR, als startpunt van de gezamenlijke<br />
introductie van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> in de sector. Wij kijken uit naar<br />
deze samenwerking met de NVBR op het terrein van HR-beleid.<br />
R. Kuin C.J. Bethlehem<br />
Voorzitter <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten Secretaris/penningmeester <strong>A+O</strong><br />
Voorzitter stuurgroep<br />
<strong>fonds</strong> Gemeenten<br />
2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> <strong>brandweer</strong>, Wethouder gemeente Helmond<br />
Onderhandelaar Gemeenten<br />
ABVAKABO FNV<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 3
Inhoud<br />
Voorwoord 3<br />
Inleiding 7<br />
In het kort 8<br />
Leeswijzer 12<br />
1 Opzet van het project 13<br />
1.1 Achtergrond 13<br />
1.2 Doelstellingen 13<br />
1.3 Werkwijze 14<br />
2 Kaders 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 17<br />
2.1 Achtergrond 17<br />
2.2 Belang bij 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 18<br />
2.3 Uitgangspunten 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 19<br />
2.4 Signaleren en voorkomen van problemen 20<br />
3 Visie op 2 e loopbaan beleid Brandweer 21<br />
3.1 Inleiding 21<br />
3.2 Regulier <strong>loopbaanbeleid</strong> en 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 22<br />
3.3 Inbedding in P&O-beleid 23<br />
3.4 Aansluiting op andere ontwikkelingen 27<br />
3.5 Visies van korpsen op 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 29<br />
4 Fasenmodel 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 33<br />
4.1 Inleiding 33<br />
4.2 Model 2 e Loopbaanbeleid 34<br />
4.3 Varianten van korpsen 40<br />
5 Richtlijnen, loopbaaninstrumenten en rolverdeling 45<br />
5.1 Richtlijnen 45<br />
5.2 Loopbaaninstrumenten 46<br />
5.3 Rolverdeling 54<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 5
6 Stappenplan 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 59<br />
6.1 Commitment en visie bestuur, management en<br />
medezeggenschap (OR/OC) 59<br />
6.2 Opstarten projectorganisatie 62<br />
6.3 Huidige situatie in kaart brengen 64<br />
6.4 Ontwikkelen <strong>loopbaanbeleid</strong> 66<br />
6.5 Inzicht in financiële consequenties<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> en overgangsrecht 68<br />
6.6 Training leidinggevenden 73<br />
6.7 Voorlichting en commitment medewerkers 74<br />
6.8 Pilot met een testgroep 75<br />
6.9 Bijstellen personeelsprocessen 76<br />
6.10 Aanpassing regelingen en interne organisatie 80<br />
6.11 Implementatie van het nieuwe beleid 81<br />
Geraadpleegde bronnen 86<br />
Overzicht digitale bijlagen 87<br />
Programma 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> <strong>brandweer</strong> 89<br />
6
Inleiding<br />
Deze <strong>handreiking</strong> bevat het basismodel 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> bij de <strong>brandweer</strong><br />
plus aanwijzingen om dit beleid binnen de organisatie te implementeren.<br />
Daarmee willen we <strong>brandweer</strong>korpsen en hun medewerkers<br />
ondersteunen bij het ontwikkelen van een eigen 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> en bijdragen<br />
aan meer uniformiteit op dit beleidsterrein binnen de <strong>brandweer</strong>sector.<br />
Aan de <strong>handreiking</strong> hebben meer dan twintig <strong>brandweer</strong>korpsen<br />
meegewerkt. In zes korpsen is in 2008 een pilot met de invoering van 2 e<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> gestart. Hun ervaringen hebben we in deze <strong>handreiking</strong><br />
verwerkt.<br />
De opbouw van de <strong>handreiking</strong> is als volgt.<br />
Hoofdstuk 1 geeft inzage in de achtergrond, doelstellingen en werkwijze<br />
van het project Ontwikkeling Landelijk Model 2 e Loopbaanbeleid Brandweer.<br />
In hoofdstuk 2 beschrijven we wat er door organisaties en medewerkers<br />
kan worden gewonnen als er een goed <strong>loopbaanbeleid</strong> ontwikkeld en<br />
uitgevoerd wordt. Bovendien staan we in dit hoofdstuk stil bij een andere<br />
benadering om de kans op vroegtijdige uitval uit de bezwarende functie<br />
tegen te gaan, namelijk de PPMO en risicopreventie.<br />
In hoofdstuk 3 gaan we uitvoerig in op de plaats van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
binnen de organisatie. Zaken die daarbij aan de orde komen, zijn de<br />
inbedding van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> binnen het reguliere hrm-beleid,<br />
maar ook de aansluiting bij actuele (beleids)ontwikkelingen binnen de<br />
<strong>brandweer</strong>organisaties. In de slotparagraaf beschrijven we visies op 2 e<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> van de pilotkorpsen, maar ook van korpsen die al langer<br />
met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> bezig zijn.<br />
Hoofdstuk 4 is het centrale hoofdstuk van deze <strong>handreiking</strong>, omdat we<br />
hierin het loopbaanmodel beschrijven. Aan het eind van het hoofdstuk<br />
geven we aan hoe dit model in die pilotkorpsen is uitgewerkt. Verder vindt<br />
u er een overzicht van enkele andere modellen, die elders ontwikkeld<br />
zijn.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 7
In hoofdstuk 5 diepen we de kaders vanuit de cao verder uit, waardoor er<br />
voor de beleidsontwikkelaars meer duidelijkheid komt over het speelveld<br />
waarbinnen <strong>loopbaanbeleid</strong> ontwikkeld en geïmplementeerd moet<br />
worden. Daarnaast gaan we in op de loopbaaninstrumenten die ingezet<br />
kunnen worden om vorm en inhoud te geven aan dat beleid: hoe kan het<br />
spel worden gespeeld. Ten slotte besteden we in dit hoofdstuk aandacht<br />
aan de rolverdeling van de spelers: de organisatie, de medewerker, de<br />
P&O-adviseur, de functioneel en de hiërarchisch leidinggevende en de<br />
loopbaanadviseur.<br />
Hoofdstuk 6 is vooral bedoeld voor degenen die het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
binnen de organisatie ontwikkelen en implementeren. Er is een<br />
11-stappenmodel in opgenomen met het proces om tot het beleid te<br />
komen.<br />
In het kort<br />
In deze handleiding is er een bijzondere plaats ingeruimd voor het Model<br />
2 e Loopbaanbeleid en het stappenplan voor de invoering. We vatten die<br />
hier kort samen.<br />
Fasenmodel 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> <strong>brandweer</strong><br />
Fase 1<br />
Instroom- en opleidingsfase<br />
Fase 2<br />
Oriëntatiefase<br />
Fase 3<br />
Ontwikkelfase<br />
Fase 4<br />
Door- en uitstroomfase<br />
Fase 5<br />
Nazorgfase<br />
8
Om zichtbaar te maken hoe de loopbaan van een medewerker in bezwarende<br />
dienst er voortaan uitziet, is het Model 2 e Loopbaan ontwikkeld. Op<br />
basis daarvan kunnen korpsen hun eigen beleid maken.<br />
Het model bestaat uit vijf fasen: de instroom- en opleidingsfase, de oriëntatiefase,<br />
de ontwikkelfase, de door-/uitstroomfase en de nazorgfase.<br />
In de instroom- en opleidingsfase wordt de medewerker aangenomen,<br />
wordt hij opgeleid tot medewerker basis<strong>brandweer</strong>zorg en doet hij daar<br />
ervaring in op. De 2 e loopbaan lijkt nog ver weg, maar de medewerker is<br />
al bij de sollicitatie gewezen op de tijdelijkheid van de baan en er wordt al<br />
een begin gemaakt met het loopbaanplan.<br />
In de tweede fase, de oriëntatiefase, gaat de medewerker zich oriënteren<br />
op het vak dat hij na de bezwarende functie wil gaan uitoefenen. Met<br />
behulp van een loopbaanadviseur kijkt hij naar toekomstige interessante<br />
beroepen. Idealiter loopt de medewerker een of twee dagen in die<br />
beroepen mee om er een goed beeld van te krijgen. Als de medewerker<br />
een opleiding zou willen gaan volgen, kan met een zogeheten EVC-traject<br />
worden onderzocht welke competenties hij al heeft ontwikkeld en of dat<br />
vrijstellingen oplevert voor de beoogde opleiding.<br />
In de ontwikkelfase doet de medewerker ervaring op met de <strong>2e</strong> loopbaan,<br />
bijvoorbeeld door een opleiding te volgen, stage te lopen of door detachering.<br />
In de vierde fase, de door-/uitstroomfase, werkt de medewerker aan het<br />
vinden van een nieuwe functie. Hierover maakt hij afspraken met zijn<br />
leidinggevende, op basis van advies van een loopbaanadviseur en/of de<br />
P&O-adviseur. Deze afspraken worden opgenomen in het loopbaanplan.<br />
In deze periode volgt hij bijvoorbeeld een sollicitatietraining. Uiteindelijk<br />
krijgt de medewerker een andere functie.<br />
In de laatste, nazorgfase wordt gekeken naar vragen als: wat als iemand<br />
zijn proeftijd niet vol maakt, of als het voorlopig contract bij een nieuwe<br />
werkgever niet wordt verlengd<br />
Omdat ieder korps anders is, zal het model op verschillende manieren<br />
worden ingevuld. Om die reden is er ook geen tijdsaanduiding per fase<br />
aangegeven.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 9
Stappenplan ontwikkeling en invoering 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
Stap 1<br />
Commitment en visie Bestuur,<br />
Manage ment en Medezeggenschap (OR/OC)<br />
Stap 2<br />
Opstarten projectorganisatie<br />
Stap 3<br />
In kaart brengen huidige situatie<br />
(kengetallen)<br />
Stap 4<br />
Ontwikkelen <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
Stap 5<br />
Inzicht in financiële consequenties<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> en overgangsrecht<br />
Stap 6<br />
Training leidinggevenden<br />
Stap 7<br />
Voorlichting en commitment<br />
medewerkers<br />
Stap 8<br />
Pilot met een testgroep<br />
Stap 9<br />
Bijstellen personeelsprocessen<br />
Stap 10<br />
Aanpassing regelingen en interne<br />
organisatie<br />
Stap 11<br />
Introductie 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
in de organisatie<br />
10
Het proces van beleidsontwikkeling en voorbereiding tot de invoering<br />
wordt in elf stappen beschreven. De stappen hoeven niet allemaal in deze<br />
volgorde plaats te vinden.<br />
Een eerste aandachtspunt is dat er in het korps voldoende draagkracht<br />
bestaat. De wijzigingen in de cao zijn dwingend en daardoor is er in<br />
veel korpsen weerstand tegen 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. Die weerstand kan<br />
verminderd worden door duidelijk te maken waartoe het nalaten van 2 e<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> kan leiden: verhoogd uitvalsrisico bij oudere medewerkers<br />
bijvoorbeeld. Ook goede communicatie met de OR/OC is belangrijk.<br />
Stap 2 in het proces is het opstarten van de projectorganisatie. Een<br />
projectgroep met daarin vertegenwoordiging van het management, P&O<br />
en OR/OC, een projectleider en een klankbordgroep met medewerkers<br />
blijkt in de praktijk goed te werken. De derde stap is het in kaart brengen<br />
van alle relevante kenmerken van de doelgroep. Bijvoorbeeld: Wie vallen<br />
er precies onder de bezwarende functies Stap 4 is het ontwikkelen<br />
van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> dat aansluit bij de specifieke korpssituatie en de<br />
gewenste organisatiecultuur. Dit laatste is van wezenlijk belang. De<br />
<strong>brandweer</strong> verandert immers van een interngerichte organisatie met<br />
lifetime employment naar een extern gerichte organisatie. Soms is het<br />
nodig om in het beleid onderscheid te maken tussen de zittende en de<br />
nieuwe medewerkers. Nieuwe medewerkers weten bij binnenkomst dat<br />
zij maximaal twintig jaar in de repressieve dienst kunnen werken. Zittende<br />
medewerkers hebben wellicht meer begeleiding en tijd nodig om<br />
verantwoordelijkheid te nemen voor hun ontwikkeling en loopbaan.<br />
Vervolgens is het belangrijk inzicht te krijgen in de financiële gevolgen<br />
van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> en het overgangsrecht. Wat zijn de kosten van<br />
scholing, verlet- en vervangingskosten, de loopbaanadviseur en assessments<br />
en EVC-trainingen Dergelijke vragen worden in de vijfde stap<br />
gesteld.<br />
In stap 6 komt de training van leidinggevenden aan bod. In het project is een<br />
training ontwikkeld die de leidinggevenden in de deelnemende korpsen als<br />
zeer zinvol ervoeren. De training is beschikbaar voor andere korpsen.<br />
Voorlichting aan de medewerkers is stap 7 in het proces. Goede communicatie<br />
is vanaf de start van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> van essentieel belang.<br />
Medewerkers moeten zo snel mogelijk geïnformeerd worden over de<br />
gevolgen van de cao. In de korpsen die deelnamen aan het project bleken<br />
bijeenkomsten effectief met daarna de mogelijkheid tot een gesprek met<br />
de P&O-adviseur. In dat gesprek kan worden ingegaan op de persoonlijke<br />
gevolgen.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 11
Draagvlak verhogen is een belangrijk doel van stap 8: het opzetten van<br />
een proeftraject. Meedoen met deze proef is vrijwillig, maar niet vrijblijvend.<br />
Meedraaien betekent onder meer dat de medewerker een gesprek<br />
voert met de loopbaanadviseur en interessetesten aflegt.<br />
In de volgende stap, stap 9, moeten personeelsprocessen worden bijgesteld.<br />
Zo zijn er korpsen die hun instroomeisen hebben aangepast en<br />
alleen nog medewerkers met minimaal mbo-niveau aannemen. In stap 10<br />
worden de studie-, loopbaan- en organisatorische faciliteiten aangepast.<br />
Verder kunnen er ook veranderingen in de personeelsvoorziening en de<br />
roostering nodig zijn.<br />
In stap 11 wordt het nieuwe beleid geïntroduceerd. Een kick-off-bijeenkomst<br />
en het vieren van de successen, zoals het behalen van de eerste<br />
diploma’s en andere loopbaanstappen, geven de introductie een feestelijk<br />
tintje. Door het beleid elk jaar te evalueren en indien nodig bij te stellen,<br />
wordt blijvend gewerkt aan de goede kwaliteit van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
Leeswijzer<br />
De handleiding is geschreven voor verschillende doelgroepen. In de volgende<br />
tabel geven we voor elke doelgroep aan welke hoofdstukken voor<br />
hen het meest relevant zijn.<br />
Doelgroep<br />
Hoofdstukken<br />
Bestuurders 1, 2<br />
Management 1, 2, 3, 6<br />
OR/OC 1, 2, 3, 4, 5, 6<br />
Projectleider 1, 2, 3, 4, 5, 6<br />
P&O-adviseur 3, 4, 5, 6<br />
Loopbaanadviseur 5, 6<br />
Medewerkers 2, 4, 5<br />
12
1<br />
Opzet van het project<br />
1.1 Achtergrond<br />
In de Cao Gemeenten 2005-2007 zijn afspraken gemaakt tussen de werkgevers<br />
(het College voor Arbeidszaken van de VNG) en de werknemers<br />
(de vakbonden ABVAKABO FNV, CNV Publieke Zaak en CMHF) over het<br />
Functioneel Leeftijdsontslag (FLO) en de 2 e loopbaan.<br />
Deze cao betekende een ingrijpende wijziging voor de korpsen. Zowel<br />
voor de medewerkers, als voor de korpsleiding en P&O-adviseurs.<br />
Enerzijds doordat het concept van ‘een baan voor het leven’, dat altijd zo<br />
kenmerkend was voor de <strong>brandweer</strong>cultuur en -familie, hiermee verlaten<br />
werd. Anderzijds doordat de uitwerking van de cao complex bleek.<br />
Om korpsen te ondersteunen bij deze omslag in denken en doen, hebben<br />
de sociale partners het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten gevraagd hiervoor in de<br />
periode 2007-2009 een programma te ontwikkelen. Bij de verkennende<br />
gesprekken met korpsen kwam één wens prominent naar voren: ontwikkel<br />
een leidraad voor de invoering van (2 e ) <strong>loopbaanbeleid</strong> om korpsen te<br />
ondersteunen en bij te dragen aan meer uniformiteit in <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
binnen de <strong>brandweer</strong>sector. Dit heeft geleid tot het project Ontwikkeling<br />
Landelijk Model 2 e Loopbaanbeleid Brandweer waar uiteindelijk ruim<br />
twintig korpsen bij betrokken waren. Het bureau Visibly Consultants<br />
heeft de pilotkorpsen begeleid en heeft met input van de korpsen en de<br />
stuurgroep de <strong>handreiking</strong> ontwikkeld.<br />
1.2 Doelstellingen<br />
Het doel van dit project was <strong>brandweer</strong>korpsen en hun medewerkers te<br />
ondersteunen bij het ontwikkelen en implementeren van <strong>loopbaanbeleid</strong>,<br />
waarin de doorstroom van een bezwarende functie naar niet-bezwarend<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 13
werk actief wordt begeleid. Een tweede doelstelling was bij te dragen<br />
aan meer uniformiteit in <strong>loopbaanbeleid</strong> binnen de <strong>brandweer</strong>sector.<br />
De focusgroep (met vertegenwoordigers van betrokken <strong>brandweer</strong>korpsen)<br />
formuleerde begin 2008 de volgende wensen ten aanzien van het<br />
model:<br />
– Bied een structuur voor de ontwikkeling van een 2 e loopbaan, naast de<br />
ontwikkeling van de 1e loopbaan.<br />
– Maak indien nodig onderscheid naar de verschillende uitgangssituaties<br />
van medewerkers.<br />
– Bied een kader voor het implementatieproces (inclusief richtlijnen<br />
voor voorzieningen).<br />
– Neem praktische <strong>handreiking</strong>en op met betrekking tot de loopbaanactiviteiten.<br />
– Beschrijf taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden (TBV’s) van<br />
betrokken partijen.<br />
– Neem formats op van portfolio’s, loopbaangesprekken, loopbaanplannen,<br />
et cetera.<br />
– Bied een stappenplan om het beleidsmodel te introduceren en te<br />
implementeren in het korps.<br />
1.3 Werkwijze<br />
In deze paragraaf zetten we de aanpak van het project uiteen.<br />
Stap 1: Inventarisatie (december 2007 - februari 2008)<br />
Allereerst is in de winter van 2007-2008, door middel van desktop<br />
research, interviews et cetera een inventarisatie gemaakt van de reeds<br />
ontwikkelde modellen en ervaringen die zijn opgedaan met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
Daarnaast hebben we onderzoek gedaan naar het materiaal en<br />
de ervaringen die beschikbaar waren bij de ambulancediensten en het<br />
ministerie van Defensie. Al die informatie is geanalyseerd en samengevat<br />
in een werkdocument.<br />
Stap 2: Ontwikkeling (geheel 2008 en januari 2009)<br />
Om deze <strong>handreiking</strong> te ontwikkelen is er een focusgroep opgesteld met<br />
vertegenwoordigers van betrokken korpsen. Deze focusgroep is vier keer<br />
bij elkaar gekomen, en heeft vorm en invulling gegeven aan:<br />
1. het loopbaanmodel en varianten daarop;<br />
14
2. richtlijnen voor de randvoorwaarden om het loopbaanmodel toe te<br />
passen (voorzieningen in termen van tijd en geld, taken, verantwoordelijkheden<br />
en bevoegdheden van betrokken actoren, et cetera);<br />
3. het stappenplan voor de implementatie van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>;<br />
4. de <strong>handreiking</strong> voor de sector.<br />
Aan de focusgroep namen 22 <strong>brandweer</strong>korpsen deel: Regionale Brandweer<br />
Zuid-Holland Zuid, Brandweer Amsterdam-Amstelland, Leeuwarden,<br />
Groningen, Nijmegen, Tilburg, Maastricht, Hengelo, Hoorn, Zwolle,<br />
Enschede, Hulpverleningsdienst Gelderland-Midden, Veiligheidsregio<br />
Kennemerland, Emmen, Gezamenlijke Brandweer, Hollands-Midden,<br />
Eindhoven / Zuid-Oost Brabant, Haaglanden, Amersfoort, Brandweer<br />
West-Brabant Noord, Utrecht, Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond.<br />
Stap 3: Pilots (medio tot eind 2008)<br />
Om het Model 2 e Loopbaanbeleid te toetsen op bruikbaarheid en haalbaarheid,<br />
is het als pilot ingevoerd bij enkele korpsen. Er waren elf korpsen<br />
in de focusgroep die deel wilden nemen aan de pilot. Om voldoende<br />
voortgang te behouden is ervoor gekozen te starten met zes korpsen. Bij<br />
de keuze van de zes pilotkorpsen is onder andere gekeken naar de korpsgrootte,<br />
regionale spreiding en commitment vanuit MT en OR. In maart<br />
2008 startten de volgende zes pilotkorpsen: Groningen, Hengelo, Hoorn,<br />
Maastricht, Nijmegen en Tilburg. De tweede koplopersgroep bestaat uit<br />
de korpsen: Enschede, Zwolle, Regio Gelderland-Midden, Rozenburg en<br />
regio Haaglanden.<br />
Stap 4: Evaluatie (juni 2008 - februari 2009)<br />
Op verschillende momenten is bij de pilotkorpsen geëvalueerd. Met de<br />
resultaten van die tussenevaluaties zijn onderdelen van het model gedurende<br />
het proces aangescherpt en direct weer in de praktijk getoetst.<br />
Stap 5: Publicatie en introductie in de sector (vanaf 12 maart 2009)<br />
In de periode november 2008 - februari 2009 is de <strong>handreiking</strong> verder<br />
ontwikkeld in overleg met de pilotkorpsen, hun commandanten en ORleden,<br />
de focusgroep, de stuurgroep en het P&O-netwerk NVBR. Op<br />
12 maart 2009 biedt het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten de <strong>handreiking</strong> plus de<br />
brochure 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> bij de <strong>brandweer</strong> aan aan de NVBR. Daarna<br />
zullen NVBR en <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> samenwerken bij de introductie in de sector.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 15
2<br />
Kaders 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
2.1 Achtergrond<br />
In de Cao Gemeenten 2005-2007 zijn afspraken gemaakt over de hervorming<br />
van het Functioneel Leeftijdsontslag (FLO) voor <strong>brandweer</strong>personeel.<br />
Essentie van het nieuwe beleid is dat <strong>brandweer</strong>medewerkers [1]<br />
voortaan voor een beperkte duur – maximaal twintig jaar – werken in een<br />
bezwarende functie. Dat zijn functies met een zware fysieke en psychische<br />
belasting die inherent is aan het werk.<br />
De noodzaak om tot dit nieuwe beleid te komen werd niet alleen ingegeven<br />
doordat de mogelijkheden voor vroegpensioen werden afgeschaft.<br />
Het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) heeft,<br />
in een brief [2] aan zijn leden, aangegeven dat er meerdere redenen waren<br />
waarom het FLO niet langer in de huidige vorm kon blijven bestaan.<br />
Deze redenen zijn onder andere financiële ontwikkelingen, juridische<br />
houdbaarheid, maatschappelijke ontwikkelingen en medische redenen.<br />
Doel van het nieuwe beleid is dan bijvoorbeeld ook het voorkomen van<br />
vroegtijdige uitval en daarmee ook een inkomensterugval te voorkomen;<br />
zaken die vanuit de optiek van goed werkgeverschap optimaal geregeld<br />
dienen te zijn.<br />
Met de keuze voor het nieuwe beleid houdt de Brandweer, zoals gesteld,<br />
echter ook rekening met een aantal financiële, juridische en maatschappelijke<br />
ontwikkelingen: vergrijzing en de gevolgen daarvan, het verbod op<br />
leeftijdsdiscriminatie en veranderingen op de arbeidsmarkt. Uit het oogpunt<br />
van die ontwikkelingen is de aanpassing van de cao een logische stap.<br />
1 Of -medewerksters: overal waar ‘hij’ staat, kan ook ‘zij’ gelezen worden.<br />
2 Brief LOGA, d.d. 5 juli 2006: ‘Brief aan de leden t.a.v. College. Onderwerp: uitleg<br />
CAR-teksten hervorming FLO’.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 17
De hervorming van het FLO brengt wel een fikse cultuurverandering met<br />
zich mee. Waar men gewend was door te werken tot het 55e levensjaar<br />
en een functie bij de <strong>brandweer</strong> werd beschouwd als ‘een baan voor het<br />
leven’, wordt nu, per individu en gedurende de gehele loopbaan, aandacht<br />
besteed aan persoonlijke ambities, ontwikkelbehoeften, loopbaanwensen<br />
en inkomenszekerheid voor de toekomst; voor een leven na de <strong>brandweer</strong>!<br />
2.2 Belang bij 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
Niet langer dan twintig jaar doorwerken in een bezwarende functie heeft<br />
een positief effect op de fysieke en mentale fitheid van medewerkers.<br />
Loopbaanbeleid, waarbij individueel maatwerk het uitgangspunt is, biedt<br />
medewerkers de mogelijkheid zich op tijd te oriënteren en voor te bereiden<br />
op een volgende loopbaanstap. Korpsen die al van start zijn gegaan<br />
met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> merken dat het bewust bezig zijn met de persoonlijke<br />
ontwikkeling bij medewerkers, maar ook in de organisatie leidt tot<br />
nieuwe inzichten en ambities.<br />
Ook medewerkers op wie het overgangsrecht van toepassing is hebben er<br />
belang bij zich daadwerkelijk te oriënteren op niet-bezwarend werk. Voor<br />
hen geldt immers ook dat hun bezwarende functie in de loop der jaren<br />
tot hogere gezondheidsrisico’s leidt. En als een medewerker arbeidsongeschikt<br />
wordt, is het reguliere verzuimbegeleidings- en re-integratiebeleid<br />
van toepassing. Dat kan resulteren in een WIA-uitkering met een<br />
forse inkomensachteruitgang, herplaatsing in een andere functie zonder<br />
salarisgarantie of eventueel ontslag. Een goede voorbereiding op een 2 e<br />
loopbaan kan leiden tot een soepelere en waarschijnlijk aantrekkelijkere<br />
door- of uitstroom, minder inkomensachteruitgang, et cetera.<br />
Zelfs voor medewerkers in het overgangsrecht die 50 jaar of ouder zijn<br />
is het een belangrijk voordeel zich bij dreigende arbeidongeschiktheid te<br />
oriënteren op niet-bezwarend werk. Er kan bij hen geen ontslag plaatsvinden<br />
bij toekenning van een WIA-uitkering en bij herplaatsing geldt niet<br />
de instroom in de 2 e loopbaan als voorwaarde voor de inkomensgarantie.<br />
Maar die inkomensgarantie heeft betrekking op een bevroren inkomen,<br />
dat wil zeggen dat er geen indexering of iets dergelijks wordt toegepast.<br />
Dit kan dus wel betekenen dat er gedurende een fiks aantal jaren een<br />
inkomensstilstand zal zijn. Door in te stromen in een 2 e loopbaan daarentegen<br />
kan dit voorkomen worden.<br />
18
Ook voor wat betreft het pensioen is er belang bij een 2 e loopbaan.<br />
Veranderingen in de pensioenwet- en regelgeving maken pensioenperspectieven<br />
minder gunstig. Zo kan de behoefte ontstaan om langer door<br />
te werken om zo een beter pensioen op te bouwen. Langer doorwerken in<br />
een bezwarende functie kan echter alleen bij een goede gezondheid. Een<br />
alternatief is overstappen naar een niet-bezwarende 2 e loopbaanfunctie,<br />
daarin later stoppen met werken en zo meer pensioen opbouwen.<br />
2.3 Uitgangspunten 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
Een eerste uitgangspunt van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is dat medewerkers<br />
worden voorbereid door te stromen naar een niet-bezwarende functie<br />
met een zo goed mogelijk toekomstperspectief. Voor de groep zittende<br />
medewerkers geldt een bezoldigingsgarantie die het huidige inkomensniveau<br />
(bezoldiging plus toelagen) garandeert. Dit is echter een bevroren<br />
garantie. Bij de ontwikkeling van loopbaanplannen is het daarom<br />
wenselijk de 2 e loopbaanfunctie zo veel mogelijk aan te (laten) sluiten bij<br />
het huidige bezoldigingsniveau, ook voor nieuwe medewerkers. Door de<br />
onregelmatigheidstoeslag (ORT) ligt het bezoldigingsniveau behoorlijk<br />
hoger (1 à 2 schalen) dan het salarisniveau dat past bij de inschaling in<br />
de <strong>brandweer</strong>functie (meestal schaal 6). Dit stelt dus hoge eisen aan het<br />
loopbaanplan.<br />
Een tweede uitgangspunt is dat het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> praktisch, realistisch<br />
en haalbaar is. Bij het beleid moet rekening worden gehouden<br />
met de samenstelling van het personeelsbestand, de voorkeur van veel<br />
medewerkers om zo lang mogelijk hun huidige functie uit te oefenen, de<br />
capaciteiten en competenties van de medewerker, maar vooral ook met<br />
de nieuwe cao-afspraken.<br />
Verder is een algemeen uitgangspunt dat er maximaal twintig jaar in<br />
de bezwarende functie wordt gewerkt. Gedurende die periode worden,<br />
op basis van het individuele perspectief (aanstelling voor of na 1 januari<br />
2006, uitkomsten PPMO, persoonlijke capaciteiten en ambities) afspraken<br />
gemaakt over hoe na die twintig jaar verder wordt gegaan. De werknemer<br />
heeft daarbij in principe keuzevrijheid, maar de risico’s voor werkgever<br />
en werknemer en de mogelijke toekomstperspectieven vormen daarbij<br />
belangrijke aandachtspunten.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 19
2.4 Signaleren en voorkomen van problemen<br />
Door middel van Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO) zal in<br />
de toekomst periodiek de fysieke en psychische belastbaarheid van de<br />
medewerkers en de te verwachten ontwikkelingen op dat gebied gemonitord<br />
worden. Als uit het PPMO blijkt dat de fysieke en/of psychische<br />
belastbaarheid van de medewerker achteruitgaat of tekortschiet, leidt<br />
dat tot interventies (training) om de belastbaarheid te verhogen. Een<br />
herhaald geconstateerde en blijvende te geringe fysieke en psychische<br />
belastbaarheid betekent dat de medewerker de bezwarende functie niet<br />
langer kan uitvoeren.<br />
Om vroegtijdige uitstroom wegens gezondheidsrisico’s te verminderen,<br />
zijn naast het PPMO andere preventieve maatregelen, zoals het minder<br />
bezwarend maken van functies, van belang. Hoewel dit aspect steeds<br />
meer aandacht krijgt binnen korpsen, gaan we daar in deze <strong>handreiking</strong><br />
niet verder op in.<br />
20
3<br />
Visie op 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
Brandweer<br />
3.1 Inleiding<br />
Loopbaanbeleid definiëren wij als: alle activiteiten die, vanuit een visie op<br />
het functioneren (in de meest brede betekenis) van de mens in de organisatie,<br />
uitgevoerd worden om de juiste persoon op het juiste moment op de<br />
juiste plaats te hebben. Wie, wanneer en waar (naartoe) zijn belangrijke<br />
vragen bij <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
Om te komen tot die meest optimale keuze van moment, plaats en persoon,<br />
is het belangrijk goed zicht te hebben op de mensen in de organisatie:<br />
wat doen ze, wat kunnen ze, wat willen ze, wat drijft hen Daarnaast<br />
is het van even groot belang om te weten wat de organisatie nu, maar ook<br />
in de toekomst, van zijn medewerkers wil of nodig heeft om de strategische<br />
doelen van de organisatie te halen. Het door- of uitstroommoment<br />
van de medewerker sluit idealiter aan op de strategische belangen en het<br />
ontwikkelproces van de organisatie. Daarom is het nodig het <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
goed in te bedden in het P&O-beleid en in de P&O-processen.<br />
In dit hoofdstuk gaan we in op het specifieke karakter van 2 e Loopbaanbeleid<br />
ten opzichte van regulier <strong>loopbaanbeleid</strong>, de inbedding van het 2 e<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> in het algemene P&O-beleid, de aansluiting op organisatie-<br />
en beleidsontwikkelingen en de visies van diverse korpsen op het 2 e<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 21
3.2 Regulier <strong>loopbaanbeleid</strong> en<br />
2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is <strong>loopbaanbeleid</strong> met een aantal specifieke kenmerken.<br />
Zo geeft de Cao 2005-2007 aanwijzingen over de vragen: voor wie,<br />
wanneer en waar naar toe<br />
– Voor wie De doelgroep van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> omvat alle medewerkers<br />
in een bezwarende functie. Welke functies bezwarend zijn wordt<br />
lokaal vastgesteld.<br />
– Wanneer Voor medewerkers die na 1 januari 2006 in dienst kwamen<br />
geldt dat men na maximaal twintig jaar in een bezwarende functie door<br />
moet stromen naar een niet-bezwarende functie. Voor alle medewerkers<br />
geldt dat doorstroom urgent wordt bij dreigende arbeidsongeschiktheid.<br />
– Waar naartoe In de cao wordt gesproken over uitstroom naar een<br />
niet-bezwarende functie. Dat kan een functie zijn binnen of buiten de<br />
<strong>brandweer</strong>. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat de medewerker moet<br />
kunnen uitstromen naar een functie op minimaal mbo-niveau [3] .<br />
De toevoeging in de cao dat 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> ook een instrument is<br />
waarmee vooruitgelopen wordt op mogelijke uitval door arbeidsongeschiktheid,<br />
maakt het beleid niet extra bijzonder. Goed werkgeverschap<br />
betekent dat je rekening houdt met medewerkers met een verhoogd<br />
risico op uitval.<br />
Voor de organisatie biedt 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> alle voordelen die <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
in het algemeen geeft: het stelt de organisatie in staat om, op<br />
grond van de relevante ken- en stuurgetallen, de personele invulling van<br />
functies optimaal te laten aansluiten bij de strategische doelstellingen<br />
van de organisatie. Daarnaast kan 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> een extra stimulans<br />
zijn om gemotiveerde medewerkers binnen de organisatie te halen en<br />
te houden. Uit 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> blijkt immers dat de organisatie bij wil<br />
dragen aan de ontwikkeling van medewerkers en zich daarnaast inspant<br />
voor een goede uitstroom als het maximaal aantal bezwarende jaren is<br />
3 In de cao is sprake van opscholen naar mbo-niveau. Het mbo heeft echter vier<br />
niveaus, waarbij de niveaus 3 en 4 betere kansen bieden op de arbeidsmarkt.<br />
Daarnaast bieden functies op deze niveaus meer mogelijkheid een inkomensterugval<br />
(door het verlies van onregelmatigheidstoeslag) voor de medewerker beperkt te<br />
houden.<br />
22
ereikt of de medewerker een verhoogd risico op uitval vertoont.<br />
Verder prikkelt het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> de medewerker na te denken over<br />
zijn loopbaan en daar zelf verantwoordelijkheid voor te nemen en richting<br />
aan te geven. De cao is daar heel expliciet over: ‘Niet naleven van de<br />
verplichtingen door de medewerker kan leiden tot het nemen van disciplinaire<br />
maatregelen met als uiterste consequentie ontslag’.<br />
Kortom: 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> heeft alle voordelen in zich die goed <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
kenmerken. Bij de implementatie van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> doet<br />
men er dan ook goed aan om zo spoedig mogelijk de toevoeging ‘2 e ’ te<br />
laten vallen en zorg te dragen voor de ontwikkeling van een evenwichtig<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong>, passend bij het P&O-beleid van de organisatie. Daarmee<br />
verliest het concept ‘2 e loopbaan’ bij de medewerkers ook de bijzondere<br />
betekenis die het in eerste instantie bij het vaststellen van de cao leek te<br />
krijgen.<br />
3.3 Inbedding in P&O-beleid<br />
2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is onderdeel van het P&O-beleid van een organisatie.<br />
Het is een van de middelen om te komen tot een optimale personele<br />
invulling van de organisatie.<br />
Goed P&O-beleid kenmerkt zich door een evenwichtige inzet van verschillende<br />
personeels instrumenten. Daarom vraagt 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
om een actualisatie van zaken als werving en selectie, opleiding en scholing<br />
en strategische personeelsplanning.<br />
Werving & selectie<br />
Het opscholen van medewerkers tot mbo-niveau vergemakkelijkt hun<br />
uitstroom uit de bezwarende functie en verbetert de kansen op de<br />
arbeidsmarkt. Sommige korpsen kiezen ervoor om voortaan uitsluitend<br />
medewerkers aan te nemen met een mbo-diploma.<br />
Het is echter raadzaam terughoudend te zijn met hoge instapeisen [4] .<br />
Goed selectiebeleid maakt een match tussen wat de organisatie nu en in<br />
de toekomst nodig heeft en wat de medewerker biedt. In de eerste fase<br />
van de carrière van de medewerker is de behoefte vanuit de organisatie<br />
leidend.<br />
4 Aan instapeisen genoemd in vacatureteksten kunnen rechten worden ontleend.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 23
Als alle bezwarende functies binnen de organisatie minimaal een<br />
diploma op mbo-niveau vereisen, is selectie op dat niveau logisch en<br />
noodzakelijk. Als dat niveau echter niet nodig is, maar de organisatie<br />
daar toch op selecteert, dan ontstaat alsnog een risico. Als medewerkers<br />
overgekwalificeerd zijn voor hun functie, raken ze namelijk sneller uitgekeken<br />
op het werk en daalt hun motivatie. Dat kan leiden tot ziekteverzuim<br />
en vroegtijdige uitstroom.<br />
Bovendien biedt instromen op mbo-niveau nog geen garantie op een<br />
makkelijke uitstroom naar een niet-bezwarende functie twintig jaar later.<br />
Opleidingen en arbeidsmarkt veranderen. Daardoor kan tegen die tijd<br />
alsnog scholing nodig zijn. Het kan wel handig zijn om met een assesment<br />
na te gaan of nieuwe medewerkers voldoende capaciteiten hebben<br />
om op mbo-niveau geschoold te worden.<br />
Opleidingsbeleid<br />
In veel korpsen heeft het opleidingsbeleid en -budget uitsluitend betrekking<br />
op <strong>brandweer</strong>opleidingen. Hoe logisch dit in eerste instantie ook<br />
lijkt en hoe kenmerkend het ook is voor de <strong>brandweer</strong>sector, het is een<br />
benadering die, in vergelijking met de meeste organisaties in de collectieve<br />
en niet-collectieve sector, achterhaald is. Om goed gekwalificeerde,<br />
maar ook goed gemotiveerde medewerkers te krijgen en te houden, is<br />
een opleidingsbeleid dat meer mogelijkheden biedt dan ontwikkeling van<br />
<strong>brandweer</strong>kennis en -vaardigheden, van essentiële betekenis.<br />
Bij goed opleidingsbeleid gaat het erom de opleidingsbehoefte van de<br />
organisatie in evenwicht te brengen met de opleidingsbehoefte van de<br />
medewerker.<br />
Opleidingsbehefte<br />
Organisatie<br />
Medewerker<br />
Gedeelde behoefte<br />
Tijd<br />
Opleidingsbehoefte van organisatie en medewerker<br />
Uit het voorgaande schema wordt duidelijk dat in het begin van de <strong>brandweer</strong>carrière<br />
de opleidingsbehoefte van de organisatie leidend is, het<br />
24
lauwe gebied. Organisatie en medewerker investeren in de ontwikkeling<br />
tot een volwaardig <strong>brandweer</strong>medewerker. De opleidingsinvesteringen<br />
later in de tijd worden steeds meer door de opleidingsbehoeften van de<br />
medewerker bepaald. Het gaat vaak om doorontwikkeling in specialistische<br />
functies en/of doorgroei in leidinggevende functies. Zo lang noodzaak<br />
en behoefte in elkanders verlengde liggen – het paarse gebied –, is<br />
de organisatie meestal wel bereid in deze opleidingen te investeren.<br />
Er kan echter ook een moment komen dat de ontwikkelbehoefte van de<br />
medewerker niet meer binnen de noodzaak – het rode gebied – van de<br />
organisatie valt. Veel korpsen zijn dan geneigd om dit soort opleidingswensen<br />
niet te honoreren. Immers, de organisatie heeft er geen direct<br />
belang meer bij en verwacht er ook geen rendement van. Juist daar kan<br />
men de plank mis slaan. Uit onderzoek is gebleken dat het faciliteren van<br />
medewerkers in hun ontwikkeling, ook als er voor de organisatie geen<br />
direct belang bij is, zeer zeker tot rendement leidt. Medewerkers worden<br />
veelal gemotiveerder voor hun werk, hebben een lager ziekteverzuim en<br />
tonen meer loyaliteit aan hun werkgever. Goed opleidingsbeleid maakt<br />
een organisatie ook tot een aantrekkelijke werkgever. Bij een krapper<br />
wordende arbeidsmarkt kan het helpen om gemotiveerde medewerkers<br />
aan te trekken.<br />
Bij opleiding in het kader van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> bevinden we ons in het<br />
paarse en rode gebied van het schema: hier is de ontwikkelbehoefte van<br />
de medewerker om (later) goed te kunnen door- of uitstromen leidend.<br />
Het kan daarbij aantrekkelijk zijn om ook de organisatiebehoefte een rol<br />
te laten spelen. Hoe meer de belangen van organisatie en medewerker<br />
samenvallen, hoe makkelijker budgetten voor deze opleidingen kunnen<br />
worden verkregen. Dat kan ook een reden zijn om opleidingen op hboniveau<br />
te faciliteren in het kader van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>, omdat er juist op<br />
dat niveau meer doorstroommogelijkheden zijn binnen de <strong>brandweer</strong>. Bij<br />
opleidingen op een hoger niveau is het wel raadzaam vooraf na te gaan of<br />
de medewerker voldoende capaciteiten en doorzettingsvermogen heeft<br />
om de opleiding af te ronden. Zonder steun vanuit de omgeving en het<br />
gezin van de medewerker is het heel moeilijk voor hem een opleiding<br />
naast het werk goed af te maken.<br />
2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> vraagt van de organisatie te investeren in de ontwikkeling<br />
van de medewerker om de uitstroom naar een niet-bezwarende<br />
functie te optimaliseren. Dat vraagt actualisatie van het huidige opleidingsbeleid.<br />
Door dit te koppelen aan doelstellingen als goed werkgeverschap,<br />
motivatieverhoging bij de medewerker en positionering van de<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 25
organisatie als aantrekkelijke werkgever, wordt dubbele winst behaald.<br />
Ten slotte wijzen we erop dat 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> niet per definitie tot<br />
scholing van de medewerker hoeft te leiden. Veel medewerkers hebben<br />
diploma’s en werkervaring waardoor de behoefte aan bij- of omscholing<br />
beperkt is. Bij hen kunnen andere middelen worden ingezet om uitstroom<br />
naar een niet-bezwarende functie te faciliteren, zoals: praktijkstages,<br />
EVC-trajecten, ondersteuning bij loopbaanoriëntatie en sollicitaties.<br />
Strategische personeelsplanning<br />
Als het gaat om de 2 e loopbaan, zoeken veel zittende medewerkers deze<br />
bij voorkeur binnen het eigen korps of de <strong>brandweer</strong>. Voor medewerkers<br />
die na 1 januari 2006 bij de <strong>brandweer</strong> kwamen, lijkt dit te veranderen.<br />
Om zicht te krijgen op de doorstroommogelijkheden vanuit de bezwarende<br />
functies is binnen het korps, de regio en de gemeente een goede<br />
verkenning nodig van de geschikte functies en de mate waarin deze<br />
beschikbaar zijn. De korpsen Zuid-Holland Zuid en Leeuwarden hebben<br />
zo’n verkenning uitgevoerd. Hun rapportages staan op de site van het <strong>A+O</strong><br />
<strong>fonds</strong> Gemeenten (www.aeno.nl).<br />
Zo’n verkenning bevat een vergelijking van competentie- en functieprofielen<br />
van bezwarende en niet- bezwarende functies. Doorstroom wordt<br />
makkelijker bij beperkte discrepantie tussen beide functies. Bij de vergelijking<br />
wordt een selectie gemaakt van niet-bezwarende functies waarin<br />
men relatief makkelijk zou kunnen doorstromen.<br />
Om doorstroom te optimaliseren is strategische personeelsplanning van<br />
belang. Daarmee wordt duidelijk wie wanneer vanuit welke functie in<br />
aanmerking komt om door te stromen en voor welke functies (met welk<br />
competentieprofiel) er op welk moment een vacature wordt verwacht.<br />
Verwachte vraag en verwacht aanbod kunnen daarmee beter op elkaar<br />
worden afgestemd.<br />
De ervaringen met strategische personeelsplanning lopen nogal uiteen.<br />
Let op de volgende zaken. Voor strategische personeelsplanning is commitment<br />
en goede, structurele en intensieve samenwerking nodig tussen<br />
de betrokken partijen zoals korps, regiokorps en gemeente. Bij 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
kan het handig zijn om uit-/doorstromers een voorkeurspositie<br />
te geven bij de (interne) sollicitatieprocedure. Ten slotte gaat het bij<br />
strategische personeelsplanning om rekenmodellen en Excel-bestanden,<br />
maar zeker ook om het vertalen van toekomstige ontwikkelingen naar de<br />
eigen organisatie. Meer informatie over dit onderwerp vindt u op www.<br />
aeno.nl.<br />
26
3.4 Aansluiting op andere ontwikkelingen<br />
Binnen de <strong>brandweer</strong> vragen het arbeidstijdenbesluit en de regionalisering<br />
veel aandacht van de hrm-afdelingen. Soms gaat dat ten koste van<br />
de aandacht voor 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
Toch zijn er goede redenen om snel aan de slag te gaan met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
Ten eerste moet er heel wat gebeuren. Zo vereist de cao dat er in<br />
2009 van iedere medewerker in een bezwarende functie een loopbaanplan<br />
ligt. De minimale eisen die aan dat plan worden gesteld vindt u op<br />
www.aeno.nl.<br />
Verder blijkt uit de ervaringen in de pilotkorpsen dat als men start met<br />
2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>, de consequenties, rechten en plichten duidelijker<br />
worden, maar ook de mogelijkheden. Daardoor verandert weerstand en<br />
onrust vaak in nieuwsgierigheid, gematigd enthousiasme en persoonlijke<br />
ambitie.<br />
De invoering van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> gaat sneller, gemakkelijker én effectiever<br />
als korpsen dit koppelen aan andere ontwikkelingen, doelstellingen<br />
of trajecten in de organisatie. Daarmee wordt 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
onderdeel van de organisatie-ontwikkeling. Ontwikkelingen waar 2 e<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> als van nature op kan aansluiten, zijn de regionalisering,<br />
goed werkgeverschap, competentiemanagement en professionalisering.<br />
Regionalisering<br />
Regionalisering is een uitstekend startpunt om 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> op te<br />
pakken. In de meeste gevallen vraagt regionalisering niet alleen actualisering<br />
van het lokale P&O-beleid, maar ook de ontwikkeling van een regionaal<br />
P&O-beleid. Daarbij komen zaken aan bod als werving en selectie, opleidingsbeleid<br />
en mobiliteit. Onderwerpen die nauw aan 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
verbonden zijn.<br />
Daarnaast kan regionalisering er ook toe leiden dat de functies binnen een<br />
korps anders worden ingericht, waarbij het beperken van de bezwarendheid<br />
van functies een van de doelen is. Naar aanleiding van de veranderingen<br />
in de cao wordt er opnieuw nagedacht over het minder bezwarend maken<br />
van bezwarende functies. Regionale korpsen bieden doordat zij groter zijn<br />
ook meer niet-bezwarende en combinatiefuncties. Hierdoor hebben zij ook<br />
meer mogelijkheden voor interne doorstroom. Kortom: regionalisering<br />
biedt mogelijkheden en aanknopingspunten voor 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
Bij regionalisering vervallen de verplichtingen van de gemeente in<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 27
het kader van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> niet. Daarom moeten hierover goede<br />
afspraken voor de langere termijn worden vastgelegd. Zoals afspraken<br />
over het faciliteren van de doorstroom vanuit een bezwarende functie<br />
naar een niet-bezwarende functie binnen de gemeente, waarbij de valkuil<br />
van gedwongen winkelnering moet worden voorkomen. Het is daarom<br />
het overwegen waard om regionale netwerken op te zetten met andere<br />
overheidsinstanties of een regionale pool.<br />
Goed werkgeverschap<br />
Wat is goed werkgeverschap Ook hierin vinden ontwikkelingen plaats.<br />
Zo hechten werkgevers steeds meer aan de mobiliteit van medewerkers.<br />
Lifetime employment kan verzanden in behoudendheid, demotivatie en<br />
rigiditeit van de organisatie en de medewerkers. Mobiliteit brengt mens<br />
en organisatie in beweging. Het doel van mobiliteit is niet alleen om de<br />
juiste man op de juiste plaats te krijgen, maar ook om mensen te blijven<br />
uitdagen om nieuwe stappen te zetten en daardoor geïnspireerd te blijven,<br />
binnen of buiten de organisatie.<br />
Ook de verwachtingen, wensen en eisen ten aanzien van hun werkgever<br />
veranderen bij werknemers. De jongere generatie, die nu op de arbeidsmarkt<br />
komt, zoekt uitdaging en inspiratie. Is er niet genoeg uitdaging binnen<br />
organisatie A, dan vertrekt men naar organisatie B. Het P&O-thema<br />
‘Binden & boeien’ gaat over deze generatie: ‘Hoe kan ik de medewerkers<br />
zo boeien dat ze niet te snel naar buiten gaan waardoor de geïnvesteerde<br />
kennis verloren gaat’. Ook bij de <strong>brandweer</strong> staat deze nieuwe generatie<br />
aan de poort. Blijven boeien wordt dan misschien belangrijker dan doorstroom<br />
stimuleren.<br />
In veel gemeenten wordt het nut van mobiliteit steeds meer onderkend,<br />
wat zich vertaalt in het opzetten van (regionale) mobiliteitscentra. Het<br />
‘Huis van je Toekomst’ van de gemeente Nijmegen is daar een goed voorbeeld<br />
van. Het is aan te raden om bij 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> aan te sluiten bij<br />
deze trends in organisaties en samenleving.<br />
Competentiemanagement<br />
Zowel bij P&O als onderwijs spelen competenties een belangrijke rol.<br />
Het gaat daarbij om de vraag of iemand in staat is kennis en vaardigheden<br />
om te zetten in competent gedrag. Door deze benadering is in veel<br />
organisaties competentiemanagement nu een leidend P&O-instrument.<br />
Ook binnen de <strong>brandweer</strong> begint dit concept verder door te dringen,<br />
onder andere door het competentiegericht opleiden. Hiermee kunnen<br />
28
deze opleidingen ook beter worden vergeleken met de reguliere mbo- en<br />
hbo-opleidingen. Verder zien we steeds vaker dat functies binnen de<br />
<strong>brandweer</strong> worden beschreven in competentieprofielen en competentieniveaus.<br />
Deze ontwikkeling ondersteunt 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. De scholing naar<br />
mbo-niveau wordt makkelijker als de medewerker op basis van zijn<br />
<strong>brandweer</strong>diploma’s en werkervaring vrijstellingen krijgt voor zijn studie.<br />
EVC-trajecten zijn daar een uitstekend middel toe (zie ook paragraaf 4.3).<br />
Invoering van competentiemanagement en invoering van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
gaan daarom uitstekend samen.<br />
Besluit kwaliteit <strong>brandweer</strong>personeel<br />
Al enige tijd werkt het ministerie van BZK samen met de VNG en de NVBR<br />
aan de wijziging van het huidige Besluit <strong>brandweer</strong>personeel. Doel van de<br />
wijziging is de kwaliteit van het <strong>brandweer</strong>personeel te verhogen én deze<br />
te waarborgen. Vakbekwaam blijven krijgt in dit besluit meer aandacht.<br />
De loopbaan binnen de <strong>brandweer</strong> laat zich in de toekomst kenmerken<br />
door ‘een leven lang leren en oefenen’. Daarmee komen 1e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
en 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> in elkaars verlengde te liggen. Door het 1e<br />
en 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> op elkaar te laten aansluiten, kunnen korpsen hun<br />
medewerkers beter en met minder inspanningen begeleiden bij de tijdige<br />
doorstroom naar niet-bezwarend werk.<br />
3.5 Visies van korpsen op 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
Binnen de korpsen wordt vanuit verschillende visies op 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
vorm en inhoud gegeven aan loopbaanfasering en de inzet van<br />
loopbaaninstrumenten. We beschrijven de visie van vijf korpsen. Drie<br />
zijn pilotkorpsen (Tilburg, Nijmegen en Groningen) en twee korpsen niet<br />
(Regionale Brandweer Zuid-Holland Zuid en Brandweer Utrecht). De<br />
keuze van deze korpsen is willekeurig.<br />
In korps Tilburg [5] wordt gekozen voor een integrale aanpak, waarbij<br />
actualisering van alle relevante P&O-instrumenten als logisch en noodzakelijk<br />
wordt gezien: ‘Het spreekt voor zich dat een <strong>loopbaanbeleid</strong> geen<br />
op zichzelf staand onderwerp is. Natuurlijk heeft het samenhang met en<br />
5 Zie notitie Loopbaanbeleid <strong>brandweer</strong>. Uitgeblust maar nog niet afgebrand<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 29
consequenties voor andere beleidsterreinen. Denk aan de selectiecriteria bij<br />
aanname van nieuwe medewerkers, het toenemende belang van een goede<br />
(strategische) personeelsplanning, competentiemanagement, de vereiste<br />
vaardigheden van het lijnmanagement etc.’<br />
Korps Nijmegen [6] heeft als startpunt bij de pilot gekozen voor de ontwikkeling<br />
van een beleidsnotitie die al in 2007 werd vastgesteld door het college<br />
van B&W. Bij de implementatie van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is er voor<br />
de benodigde cultuuromslag extra aandacht te geven: ‘Naast het leveren<br />
van de concrete managementinformatie wordt de pilot ook aangegrepen om<br />
een start te maken met een cultuuromslag binnen de <strong>brandweer</strong>. Voorheen<br />
diende bijna iedereen zijn functie binnen de repressieve dienst uit, totdat men<br />
met FLO ging. Deze cultuuromslag behelst het verlaten van de gedachte dat<br />
de baan bij de repressieve dienst voor het leven is. Het is een bewustwordingsproces<br />
waarbij er voldoende uitdaging moet zijn om toe te treden tot<br />
de repressieve dienst, maar het besef aanwezig moet zijn of komen dat deze<br />
baan tijdelijk is. De repressieve dienst van de <strong>brandweer</strong> zal moeten leren<br />
werken met mensen die vanaf indiensttreding bewust zijn van de noodzaak<br />
van een 2 e loopbaan. De focus van deze mensen kan al snel buiten deze<br />
repressieve dienst liggen. De paraatheid en kwaliteit van de repressieve<br />
dienst mag niet leiden onder de gevolgen van de 2 e loopbaan.’<br />
Korps Groningen [7] stelt langdurige inzetbaarheid, gezondheid en motivatie<br />
centraal. Mensen moeten uitgedaagd worden en blijven doorwerken<br />
aan hun eigen ontwikkeling. De werknemer is daarin leidend! ‘Uitgangspunt<br />
voor het <strong>loopbaanbeleid</strong> is het verlengen en verbreden van de inzetbaarheid<br />
van medewerkers in repressieve functies opdat medewerkers gezond en<br />
gemotiveerd tot aan hun pensioen kunnen blijven werken. De medewerker is<br />
en blijft zelf verantwoordelijk voor zijn loopbaan, maar wordt daarbij ondersteund<br />
door een loopbaanadviseur en zijn leidinggevende.’<br />
6 Zie notitie Notitie 2de Loopbaan Brandweer (definitieve versie), juni 2007<br />
7 Zie notitie Loopbaanbeleid Repressieve Dienst Brandweer Groningen<br />
30
Bij de Regionale Brandweer Zuid-Holland Zuid [8] komt de visie met<br />
betrekking tot het te ontwikkelen 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> duidelijk naar voren<br />
in het kader waarbinnen het beleid zich beweegt:<br />
– Bekijk het vraagstuk in samenhang: benoem de gevolgen voor in-, door- en<br />
uitstroombeleid, en voor de bedrijfsvoering, de organisatiecultuur, het<br />
beroep.<br />
– Focus op persoonlijke ontwikkeling en niet op ‘gedwongen opleiding’ en<br />
‘gedwongen uitstroom’.<br />
– Kijk naar de kansen van de nieuwe cao en niet (alleen) naar de bedreigingen<br />
– Zoek naar voorbeelden vanuit andere branches, zoals Defensie, Politie<br />
en Bouw/Infra, nodig sprekers uit, en/of organiseer excursies naar deze<br />
organisaties.<br />
– Introduceer een mbo-capaciteitentest als selectiecriterium bij de instroom.<br />
– Onderzoek waar en hoe EVC-procedures ingezet kunnen worden (in overleg<br />
met roc Da Vinci).<br />
– Zorg voor kennisborging binnen de <strong>brandweer</strong> wanneer de verblijftijd in de<br />
functie gaat afnemen, bij voorkeur in een niet-bezwarende functie.<br />
– Maak ruimte in de roosters om studie mogelijk te maken, zeker in relatie<br />
tot het nieuwe arbeidstijdenbesluit is dit van groot belang.<br />
– Faciliteer opleidingen, stages e.d, maar vraag ook een eigen (tijds)investering<br />
van de medewerker.<br />
– Train de leidinggevenden in hun nieuwe rol van loopbaancoach en zorg<br />
voor ondersteuning door een professionele loopbaancoach.<br />
Bij korps Utrecht [9] vormt 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> een integraal onderdeel van<br />
het hrm-beleid:<br />
‘Het <strong>loopbaanbeleid</strong> vormt onderdeel van het Personeelsbeleid, zoals de<br />
werving & selectie en de personeelsplanning.’<br />
Daarnaast wordt in de beleidsnotitie van korps Utrecht ook een duidelijke<br />
visie geformuleerd op de verantwoordelijkheden van organisatie en<br />
medewerker met betrekking tot 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>:<br />
‘De werkgever en de medewerker stellen zich tot doel gezamenlijk zorg te<br />
dragen voor de ontwikkeling naar een andere loopbaan op latere leeftijd.<br />
8 Zie notitie Tussenrapportage project IDU fase 2, maart 2008<br />
9 Zie notitie Concept Tweede Loopbaanbeleid voor medewerkers in bezwarende<br />
functie bij de Brandweer Utrecht, Concept 18 januari 2008<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 31
Vanwege de tijdelijkheid van de functie zal de medewerker zich gedurende<br />
het huidige dienstverband oriënteren op een loopbaan na het bezwarende<br />
werk. Hiertoe stelt de werkgever met iedere medewerker een loopbaanplan<br />
op. In dit loopbaanplan spreken werkgever en medewerker af, op welke wijze<br />
zij samen werken aan het voortzetten van de loopbaan na beëindiging van de<br />
werkzaamheden in de bezwarende functie.<br />
Bij aanvang van de bezwarende functie worden met medewerker afspraken<br />
gemaakt over zijn/haar te ontwikkelen competenties en opleidingen. De afdeling<br />
Repressie begeleidt het carriërepad van een incidentenbestrijder.<br />
Circa de eerste vijftien dienstjaren zal de medewerker zijn/haar persoonlijke<br />
ontwikkeling richten op het carrièrepad van incidentenbestrijder, zoals<br />
hiervoor beschreven, of een andere interne niet-bezwarende functie. De<br />
medewerker stelt in het jaar van in diensttreding loopbaanplan I op, gericht<br />
op de persoonlijke ontwikkeling in de bezwarende functie, in samenspraak<br />
met zijn/haar leidinggevende. Na circa vijftien dienstjaren, of zo veel eerder<br />
als door de leidinggevende en medewerker vastgesteld, stelt de medewerker<br />
loopbaanplan II op, gericht op de 2 e loopbaan.<br />
De werkgever faciliteert de begeleiding van de medewerker in het kader van<br />
de 2 e loopbaan naar iedere functie binnen of buiten de organisatie van de<br />
gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende<br />
functie en die past bij de richting zoals afgesproken is in het loopbaanplan.’<br />
32
4<br />
Fasenmodel<br />
2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
4.1 Inleiding<br />
Het project Ontwikkeling Landelijk Model 2 e Loopbaanbeleid Brandweer<br />
is gestart omdat korpsen aangaven dat zij behoefte hadden aan een<br />
<strong>handreiking</strong> <strong>loopbaanbeleid</strong>. Zo hoefde niet elk korps het wiel uit te vinden<br />
en zou meer beleidseenheid binnen de sector worden gerealiseerd.<br />
Een van de kenmerken van de <strong>brandweer</strong>sector is echter dat de korpsen<br />
sterk verankerd zijn in de gemeente of regio waarbinnen zij opereren. Ze<br />
zijn onderdeel van een gemeente of worden bestuurd door gemeenten<br />
(in het geval van een regionale <strong>brandweer</strong>organisatie). Het beleid – ook<br />
het hrm-beleid – wordt lokaal vormgegeven. Daardoor zijn er verschillen<br />
bij zaken als:<br />
– instroomniveau nieuw personeel;<br />
– opleidingsniveau en specialismen zittend personeel;<br />
– doorstroombeleid binnen korps, gemeente of regio;<br />
– P&O-visie en -beleid;<br />
– opleidingsbeleid en -budgetten;<br />
– bestuurlijke organisatie (gemeentelijk of regionaal).<br />
Daarnaast heeft een korps ook te maken met een arbeidsmarkt die per<br />
regio sterk verschilt. Het te ontwikkelen 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> moet passen<br />
binnen het lokale (HR-)beleid en bij de regionale arbeidsmarkt. Dat<br />
maakt dat landelijke uniformiteit bij het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> niet zonder<br />
meer te realiseren is.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 33
Om die redenen biedt deze <strong>handreiking</strong> een fasenmodel op hoofdlijnen.<br />
Met behulp van het fasenmodel kan een korps het eigen 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
ontwikkelen. Na het model beschrijven we in dit hoofdstuk hoe drie<br />
korpsen hun eigen variant op dit model maakten.<br />
Verschillende doelgroepen, één model<br />
De cao maakt onderscheid tussen drie groepen medewerkers. Werkgevers<br />
en werknemers hebben er echter belang bij om voor alle medewerkers<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> te voeren, omdat het een vorm van ontwikkelingsbeleid<br />
is. In deze <strong>handreiking</strong> hebben we daarom gekozen voor één<br />
algemeen loopbaanmodel, waarbij altijd maatwerk mogelijk is.<br />
4.2 Model 2 e Loopbaanbeleid<br />
In de loopbaan die iemand doorloopt bij de <strong>brandweer</strong>, zijn minimaal<br />
twee fasen te onderscheiden: de fase van de opleiding tot medewerker<br />
basis<strong>brandweer</strong>zorg en de fase waarin hij zich ontwikkelt tot een ervaren<br />
<strong>brandweer</strong>medewerker. Ook in die tweede fase kan er nog sprake zijn<br />
van opleiding om tot specialisatie binnen de functie te komen.<br />
Vervolgens kan iemand, op grond van ambities en capaciteiten, doorgroeien<br />
naar een andere functie binnen of buiten de <strong>brandweer</strong>. De mate<br />
waarin deze derde fase door de organisatie wordt gefaciliteerd, is sterk<br />
afhankelijk van het loopbaan- en opleidingsbeleid binnen de organisatie.<br />
Vragen die daarbij aan de orde komen, zijn bijvoorbeeld: Welke functies<br />
zijn of komen vrij Hoe sluit de ontwikkelbehoefte van de medewerker<br />
aan op de behoefte van de organisatie Wat voor invloed heeft de opleiding<br />
op de motivatie van de medewerker voor zijn huidige functie<br />
In feite spreek je dan over regulier loopbaan- of mobiliteitsbeleid.<br />
Voor het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> komt er meer bij kijken. Een logische fasering<br />
van een 2 e loopbaan (en daarmee ook van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>) beslaat<br />
vijf onderscheiden fasen, namelijk:<br />
Fase 1 Instroom- en opleidingsfase: tijdens deze fase wordt een medewerker<br />
aangenomen en opgeleid tot medewerker basis<strong>brandweer</strong>zorg.<br />
Fase 2 Oriëntatiefase: tijdens de oriëntatiefase ontwikkelt de medewerker<br />
zich verder in zijn vak, maar oriënteert hij zich daarnaast in steeds<br />
sterkere mate op een mogelijke 2 e loopbaan.<br />
34
Fase 3 Ontwikkelfase: tijdens de ontwikkelfase vergaart de medewerker<br />
de benodigde kennis en ervaring ten behoeve van de gekozen 2 e loopbaanrichting.<br />
Fase 4 Door- en uitstroomfase: tijdens de door-/uitstroomfase richt de<br />
medewerker zich op de arbeidsmarkt teneinde uit te stromen naar de 2 e<br />
loopbaanfunctie.<br />
Fase 5 Nazorgfase: tijdens de nazorgfase bewaakt de organisatie of de<br />
gemaakte afspraken over de uitstroom van de medewerker door zowel<br />
organisatie als die medewerker goed worden nagekomen en wordt het<br />
loopbaantraject afgesloten.<br />
Het is in elke fase belangrijk dat alle afspraken worden nageleefd.<br />
Daarom moet per fase worden vastgelegd wie de afspraken gaat bewaken.<br />
Vaak zijn de P&O’er en de leidinggevende hiervoor de eerst aangewezene.<br />
De geschetste fasering is vrij logisch: alle betrokken pilotkorpsen waren<br />
eigenstandig tot een vergelijkbare fasering gekomen. Het verschil tussen<br />
de korpsen zit vooral in het aantal jaar dat zij voor een fase rekenen, de<br />
activiteiten en resultaten die per fase uitgevoerd en behaald moeten worden,<br />
en de faciliteiten die daarvoor ter beschikking worden gesteld.<br />
In de volgende paragrafen zetten we per fase uiteen welke loopbaanactiviteiten<br />
daarin centraal staan, welke resultaten worden beoogd en welke<br />
middelen daarvoor kunnen worden aangewend. De voortgang van elke<br />
fase, evenals de afspraken die daarin worden gemaakt, worden vastgelegd<br />
in het persoonlijk dossier en het loopbaanplan van de medewerker,<br />
eventueel gekoppeld aan zijn portfolio. Voorbeelden van de opzet van een<br />
loopbaanplan en een portfolio staan als digitale bijlage bij deze <strong>handreiking</strong><br />
op de website van het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten (www.aeno.nl).<br />
Voor zittende medewerkers zal vaak individueel worden bepaald aan<br />
welke loopbaanfase deze persoon toe is. Dat hangt af van het aantal<br />
bezwarende dienstjaren, uitkomsten van het periodiek preventief<br />
medisch onderzoek (PPMO), de resultaten van de loopbaangesprekken en<br />
het loopbaanplan.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 35
Fasenmodel 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> <strong>brandweer</strong><br />
Fase 1<br />
Instroom- en opleidingsfase<br />
Fase 2<br />
Oriëntatiefase<br />
Fase 3<br />
Ontwikkelfase<br />
Fase 4<br />
Door- en uitstroomfase<br />
Fase 5<br />
Nazorgfase<br />
Fase 1: Instroom- en opleidingsfase<br />
Loopbaanactiviteiten<br />
Tijdens deze periode wordt de medewerker aangenomen en opgeleid tot<br />
medewerker basis<strong>brandweer</strong>zorg en doet hij ervaring op in het <strong>brandweer</strong>wezen.<br />
De leergangen worden verzorgd door Regionale Opleidingsinstituten,<br />
het NIFV en andere organisaties. Bij de keuze van leergangen<br />
wordt aangesloten bij de behoeften van het korps. Het opleidingstraject<br />
wordt vastgelegd in het loopbaanplan deel 1.<br />
In deze periode wordt het loopbaanplan deel 1 ontwikkeld, daarnaast<br />
vinden er weinig 2 e loopbaanactiviteiten plaats.<br />
Middelen<br />
De kosten voor het volgen van de operationele <strong>brandweer</strong>opleidingen,<br />
worden uit de reguliere budgetten van het korps betaald.<br />
Resultaten<br />
1. De medewerker is opgeleid tot medewerker basis<strong>brandweer</strong>zorg.<br />
2. Loopbaanplan deel 1 is opgesteld en wordt driejaarlijks geëvalueerd<br />
en, indien noodzakelijk, bijgesteld.<br />
36
Fase 2: Oriëntatiefase<br />
Loopbaanactiviteiten<br />
Tijdens deze periode gaat de medewerker zich oriënteren op het vak dat<br />
hij tijdens zijn 2 e loopbaan wil uitoefenen en op de opleiding die daarvoor<br />
is vereist. Met hulp van een loopbaanadviseur of loopbaancoach worden<br />
diverse loopbaanactiviteiten gestart: de persoonlijke situatie van de<br />
medewerker wordt in kaart gebracht, de medewerker verdiept zich,<br />
bijvoorbeeld met een loopbaanscan [10] , in de mogelijke 2 e loopbaanrichtingen<br />
en stelt, rekening houdend met de uitkomsten van het PPMO,<br />
een oriëntatieplan op. In dat loopbaanplan deel 2 geeft hij aan op welke<br />
toekomstige beroepen hij zich gaat oriënteren, welke acties hij daarvoor<br />
wanneer gaat ondernemen, en welke middelen hij daarvoor nodig heeft.<br />
Het oriëntatieplan wordt besproken met de leidinggevende en de daarin<br />
gemaakte afspraken worden jaarlijks gemonitord tijdens het functionerings-,<br />
beoordelings- of POP-gesprek.<br />
Volgens de planning van het oriëntatieplan wordt de oriëntatieperiode<br />
afgesloten met deel 3 van het loopbaanplan, het ontwikkelplan. Daarin<br />
staat beschreven welke concrete ontwikkelactiviteiten (bijvoorbeeld<br />
opleiding of stage) de medewerker gaat uitvoeren ten behoeve van zijn 2 e<br />
loopbaan; daarbij worden ook resultaatafspraken gemaakt. Doel is dat<br />
de medewerker goed gekwalificeerd is voor de reguliere arbeidsmarkt<br />
en kan uitstromen in een functie op mbo-niveau.<br />
Voor medewerkers die lang geleden diploma’s hebben gehaald en<br />
daarna veel werkervaring hebben opgedaan, kan een ervaringscertificaat<br />
(EVC) interessant zijn. Tijdens een EVC-traject wordt onderzocht<br />
welke competenties de medewerker heeft en of dat vrijstellingen oplevert<br />
voor een reguliere mbo- opleiding. Een EVC-traject heeft vooral<br />
zin als de medewerker weet welke opleiding hij wil gaan volgen. In de<br />
praktijk blijkt dat sommige <strong>brandweer</strong>medewerkers zo met minimale<br />
aanvullende inspanningen een mbo-diploma kunnen halen. Zo behaalde<br />
een medewerker van Brandweer Groningen op basis van zijn werkervaring<br />
het mbo-diploma ‘Monteur elektrische installaties’.<br />
10 Er zijn veel loopbaaninstrumenten op de markt. Een loopbaanadviseur of -coach<br />
kan uitzoeken welke het beste past bij de specifieke situatie van de medewerker.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 37
Middelen<br />
Het is van belang dat de medewerker, tijdens de activiteiten ten behoeve<br />
van deel 2 en 3 van het loopbaanplan, gebruik kan maken van de diensten<br />
van een loopbaanadviseur. Daarnaast is het wenselijk dat de werkgever<br />
een aantal werkuren beschikbaar stelt om de oriënterende loopbaanactiviteiten<br />
uit te voeren. Tot slot moet rekening gehouden worden met<br />
de reis- en ander onkosten die medewerkers hiervoor maken. De mate<br />
waarin dit soort kosten gedeclareerd kunnen worden, moet worden<br />
opgenomen in de faciliteitenregeling(en).<br />
Resultaten<br />
1. Tussenresultaat: loopbaanplan deel 2 (oriëntatieplan)<br />
2. Eindresultaat: loopbaanplan deel 3 (ontwikkelplan)<br />
Fase 3: Ontwikkelfase<br />
Loopbaanactiviteiten<br />
Tijdens deze periode verricht de medewerker de ontwikkelactiviteiten<br />
voor de 2 e loopbaan, zoals vastgelegd in deel 3 van het loopbaanplan.<br />
Doelstelling is dat de medewerker goed gekwalificeerd de reguliere<br />
arbeidsmarkt kan betreden. Loopbaanactiviteiten in deze fase zijn er dan<br />
ook op gericht kennis en ervaring te vergaren voor de 2 e loopbaanfunctie<br />
door middel van scholing, stages, projecten, detachering, et cetera.<br />
Middelen<br />
Welke middelen een korps ter beschikking stelt, is afhankelijk van de<br />
studiefaciliteitenregeling in het kader van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. Uitgangspunt<br />
bij de verdeling van middelen is dat het beleid niet alleen als<br />
uitgangspunt, maar ook als toetsingskader dient, en dat er daarnaast<br />
ruimte blijft voor maatwerk. Afspraken over de inzet van tijd en geld door<br />
zowel medewerker als werkgever worden vastgelegd in deel 3 van het<br />
loopbaanplan.<br />
Resultaten<br />
1. Indien al in het bezit van een diploma op mbo-niveau: aantoonbaar<br />
voldoende kwalificaties om de afgesproken 2 e loopbaan te starten.<br />
2. Opleidings-/werkervaringsafspraken uit het loopbaanplan gerealiseerd.<br />
38
Fase 4: Door- en uitstroomfase<br />
Loopbaanactiviteiten<br />
Tijdens deze periode bereidt de medewerker zich voor op het vinden van<br />
een nieuwe functie en daarmee het starten van de 2 e loopbaan. Afhankelijk<br />
van de ambities van de medewerker, wordt samen met een loopbaanadviseur<br />
en in samenspraak met de leidinggevende een zogeheten<br />
‘door-/uitstroomplan’ ontwikkeld (loopbaanplan deel 4). Hierin worden<br />
afspraken gemaakt over de inzet van de medewerker en de werkgever<br />
met betrekking tot het verlaten van de bezwarende functie.<br />
Middelen<br />
De werkgever biedt de medewerker bijvoorbeeld:<br />
– begeleiding van een loopbaanadviseur;<br />
– actieve bemiddeling;<br />
– een training ‘solliciteren’ en een training ‘netwerkgesprekken voeren’;<br />
– de mogelijkheid te solliciteren en netwerkgesprekken te voeren;<br />
De werkgever kan daarnaast eventueel een aantal werkuren beschikbaar<br />
stellen [11] om trainingen te volgen, bijvoorbeeld in het voeren van sollicitatie-<br />
en netwerkgesprekken.<br />
Resultaten<br />
1. Tussenresultaat: door-/uitstroomplan, loopbaanplan deel 4.<br />
2. Eindresultaat: de medewerker verlaat zijn bezwarende functie en<br />
start een 2 e loopbaan.<br />
Fase 5: Nazorgfase<br />
Loopbaanactiviteiten<br />
Tijdens deze periode is de medewerker gestart in een niet-bezwarende<br />
functie. Toch is daarmee de verantwoordelijkheid van de organisatie nog<br />
niet afgerond. Vragen die hierbij bijvoorbeeld een rol kunnen spelen zijn:<br />
wat als iemand zijn proeftijd niet kan afmaken, of zijn voorlopig contract<br />
niet wordt verlengd<br />
11 Leidinggevende en medewerkers kunnen bijvoorbeeld samen bepalen wat redelijkerwijs<br />
nodig is en hierover verantwoording af leggen in het loopbaanplan.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 39
Middelen<br />
Het is van belang om een regeling op te stellen waarin die nazorg goed<br />
geregeld is, ook wat betreft de rechtspositionele consequenties bij uitstroom.<br />
Resultaat<br />
Eindresultaat: De medewerker werkt in een passende niet-bezwarende<br />
functie.<br />
4.3 Varianten van korpsen<br />
Het Model 2 e Loopbaanbeleid Brandweer blijkt in de praktijk een handzaam<br />
model te zijn: het is logisch en biedt korpsen voldoende mogelijkheid<br />
er hun eigen invulling aan te geven. Korpsen die dit model inmiddels<br />
toepassen, blijken voornamelijk te verschillen in de doorlooptijd van de<br />
verschillende fasen en de inzet van middelen.<br />
In deze paragraaf beschrijven we de concept-beleidsmodellen van Zuid-<br />
Limburg, Groningen en Nijmegen.<br />
40
Loopbaanmodel Zuid Limburg (concept)<br />
0–5<br />
dienstjaren<br />
5–10<br />
dienstjaren<br />
10–15<br />
dienstjaren<br />
15–20<br />
dienstjaren<br />
1 e loopbaan Opleiding tot<br />
medewerker<br />
Basis<strong>brandweer</strong>zorg<br />
Vervolgopleidingen<br />
en opbouw<br />
werkervaring<br />
Inzetten<br />
werk ervaring<br />
en bijhouden<br />
kennis<br />
Inzetten<br />
werk ervaring<br />
en bijhouden<br />
kennis<br />
2 e loopbaan Behalen<br />
opleiding op<br />
mbo niveau 3<br />
Oriëntatie- en ontwikkelactiviteiten<br />
i.h.k.v. een 2 e loopbaan (noodzaak<br />
of vrijwillig)<br />
Uitstroomactiviteiten<br />
Studiefaciliteiten<br />
Opleidingskosten:<br />
werkgever<br />
Tijdsinvestering:<br />
medewerker<br />
Mavo/havo/vwo/mbo-3 (afronding):<br />
werkgever vergoedt tijd en kosten<br />
Mbo-3 (nieuw): werkgever<br />
vergoedt tijd en kosten bij<br />
medische noodzaak<br />
Overige opleidingen:<br />
AGM/Zuid-Limburg<br />
Standaardvoorzieningen:<br />
werkgever<br />
faciliteert<br />
Overige<br />
afspraken:<br />
maatwerk<br />
Het loopbaanmodel van Zuid-Limburg kenmerkt zich door de volgende<br />
elementen:<br />
1. Nieuwe medewerkers die nog geen opleiding op mbo-3-niveau hebben,<br />
worden geacht dit op eigen gelegenheid te halen en hiermee te starten<br />
tijdens de eerste fase van hun aanstelling. De opleidingskosten worden<br />
door de werkgever vergoed.<br />
2. De werkgever vergoedt de tijd en kosten van opleidingen die relatief<br />
makkelijk tijdens diensttijd kunnen worden gevolgd en als startkwalificatie<br />
kunnen dienen, zoals mavo/havo/vwo en daarnaast mbo-<br />
3-opleidingen die in het verleden al zijn gestart, maar nog niet zijn<br />
afgerond.<br />
3. Wanneer medewerkers voor hun 2 e loopbaan een nieuwe mboopleiding<br />
willen of moeten volgen, dan vergoedt de werkgever alleen<br />
tijd en kosten wanneer er sprake is van een medische noodzaak (dus<br />
bijvoorbeeld bij dreigende arbeidsongeschiktheid).<br />
4. In alle andere gevallen geldt de algemene studiefaciliteitenregeling.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 41
Loopbaanmodel Groningen (concept)<br />
0–5<br />
dienstjaren<br />
5–10<br />
dienstjaren<br />
10–15<br />
dienstjaren<br />
15–20<br />
dienstjaren<br />
1 e loopbaan Opleiding tot<br />
medewerker<br />
Basis<strong>brandweer</strong>zorg<br />
Vervolgopleidingen<br />
en opbouw<br />
werkervaring<br />
Inzetten<br />
werk ervaring<br />
en bijhouden<br />
kennis<br />
Inzetten<br />
werk ervaring<br />
en bijhouden<br />
kennis<br />
2 e loopbaan Oriëntatie- en ontwikkelactiviteiten<br />
i.h.k.v. een 2 e loopbaan (noodzaak<br />
of vrijwillig)<br />
Uitstroomactiviteiten<br />
Studiefaciliteiten<br />
nieuwe<br />
medewerkers<br />
Mbo-3 (nieuw): werkgever<br />
vergoedt tijd en kosten bij<br />
medische noodzaak<br />
Overige opleidingen:<br />
AGM/Zuid-Limburg<br />
Standaardvoorzieningen:<br />
werkgever<br />
faciliteert<br />
Overige<br />
afspraken:<br />
maatwerk<br />
Studiefaciliteiten<br />
zittende<br />
medewerkers<br />
Mavo/havo/vwo/mbo-3 (afronding): werkgever<br />
vergoedt tijd en kosten<br />
Mbo-3 (nieuw): werkgever vergoedt tijd en kosten bij<br />
medische noodzaak<br />
Overige opleidingen: AGM/Zuid-Limburg<br />
Het loopbaanmodel van Groningen kenmerkt zich door de volgende elementen:<br />
1. Wanneer medewerkers voor hun 2 e loopbaan een nieuwe mboopleiding<br />
willen of moeten volgen, dan vergoedt de werkgever alleen<br />
tijd en kosten wanneer er sprake is van een medische noodzaak (dus<br />
bijvoorbeeld bij dreigende arbeidsongeschiktheid).<br />
2. De werkgever vergoedt voor zittende medewerkers de tijd en kosten<br />
van opleidingen die relatief makkelijk tijdens diensttijd kunnen worden<br />
gevolgd (mavo/havo/vwo) en mbo-3-opleidingen die in het verleden al<br />
zijn gestart, maar nog niet zijn afgerond.<br />
3. In alle andere gevallen geldt de arbeidsrechtspositieregeling van de<br />
gemeente Groningen.<br />
42
Loopbaanmodel Nijmegen (concept)<br />
0–5 dienstjaren 6–17 dienstjaren 18–20 dienstjaren<br />
Ontwikkeling tot <strong>brandweer</strong>medewerker<br />
Bewustwording en<br />
oriëntatie op mogelijkheden<br />
Realiseren 2 e loopbaan<br />
Bij instroom: test op<br />
mbo niveau 4<br />
Uitgangspunt: mensen<br />
zo lang mogelijk voor<br />
repressieve dienst<br />
behouden<br />
Eventuele<br />
loopbaan wensen vallen<br />
onder eigen verantwoordelijkheid<br />
6–12 jaar<br />
Focus: behoud medewerker<br />
voor eigen<br />
functie en bewustwording<br />
12–18 jaar<br />
Oriëntatie op 2 e loopbaan<br />
15–18 jaar<br />
Start opleiding t.b.v. 2 e<br />
loopbaan (er wordt 1<br />
opleiding gefaciliteerd)<br />
Ontwikkeling maatwerktraject<br />
t.b.v. realisatie<br />
loopbaanstap<br />
Kosten (tijd en geld) tot<br />
mbo niveau en traject<br />
naar andere functie voor<br />
rekening werkgever<br />
Startkwalificatie op mbo<br />
niveau heeft voorrang<br />
boven andere opleiding<br />
Budget is maatgevend<br />
voor opleidingsmogelijkheden<br />
Het loopbaanmodel van Nijmegen kenmerkt zich door de volgende<br />
kaders:<br />
1. Uitgangspunt is personeel zo lang mogelijk te behouden voor de<br />
repressieve dienst.<br />
2. Bij instroom worden medewerkers getest op mbo niveau 4. Medewerkers<br />
vanaf 16 dienstjaren in een bezwarende functie, dienen<br />
minimaal mee te werken aan een oriëntatie op een andere functie en<br />
het vaststellen van competenties. De medewerker kan, indien nodig,<br />
advies inwinnen van een extern loopbaancentrum. Om de overstap<br />
naar ander werk gemakkelijker en veiliger te maken, kunnen stages<br />
en detachering worden ingezet.<br />
3. De periode tussen de opleiding in het kader van de 2 e loopbaan en de<br />
daadwerkelijke start in de 2 e loopbaan dient zo kort mogelijk te zijn.<br />
Opleiding op landelijk erkend mbo-diploma niveau 4 is verplicht voor<br />
alle mensen in dienst na 1 januari 2006 en mogelijk voor alle mensen<br />
met overgangsrecht.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 43
4. Er wordt slechts één opleiding gefaciliteerd in het kader van de 2 e<br />
loopbaan. Indien personeel sneller een opleiding wil volgen, kan dat<br />
binnen de kaders van de studieregeling volgens het Arbeidsvoorwaardenreglement<br />
Gemeente Nijmegen.<br />
5. De kosten met betrekking tot de 2 e loopbaan (komen tot mbo-niveau én<br />
traject naar andere functie) zijn wat tijd en geld betreft voor rekening<br />
van de werkgever. Het budget voor 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is maatgevend<br />
voor de opleidingsmogelijkheden.<br />
44
5<br />
Richtlijnen,<br />
loopbaaninstrumenten<br />
en rolverdeling<br />
In dit hoofdstuk lichten we de kaders van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> vanuit de cao<br />
toe, het speelveld. Daarnaast gaan we in op de loopbaaninstrumenten<br />
die ingezet kunnen worden: hoe het spel kan worden gespeeld. Ten slotte<br />
besteden we in dit hoofdstuk aandacht aan de rolverdeling van de spelers.<br />
5.1 Richtlijnen<br />
Bij 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> geldt:<br />
– Werkgever en medewerker dragen samen zorg voor de doorstroom<br />
naar niet-bezwarend werk.<br />
– Voor alle medewerkers wordt zo spoedig mogelijk een loopbaanplan<br />
opgesteld, voor nieuwkomers in het eerste jaar van hun aanstelling.<br />
– Daarna wordt het plan zo vaak als nodig, maar in ieder geval eens per<br />
drie jaar geactualiseerd.<br />
– Werkgever en medewerker zijn samen verantwoordelijk voor het<br />
nakomen van afspraken die de doorstroom naar niet-bezwarend werk<br />
mogelijk moet maken.<br />
– Medewerkers worden – indien nodig – minimaal geschoold tot mboniveau.<br />
– De werkgever vergoedt de kosten van opleidingen die in het loopbaanplan<br />
zijn afgesproken.<br />
– Bij 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> wordt gezocht naar niet-bezwarend werk dat past<br />
bij de competenties en interesses van de betrokken medewerker.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 45
Voor de groep nieuwe medewerkers geldt bovendien:<br />
– Medewerkers krijgen een aanstelling voor onbepaalde tijd, waarbij<br />
het uitgangspunt is dat men maximaal twintig jaar werkzaam is in de<br />
bezwarende functie.<br />
– Vanwege de tijdelijkheid van de functie zullen medewerkers zich gedurende<br />
dit dienstverband moeten oriënteren op een loopbaan na het<br />
bezwarende werk.<br />
Regionalisering en rechten en plichten<br />
Veel korpsen zijn op dit moment bezig met regionalisering. Soms leidt dat<br />
ertoe dat medewerkers straks niet meer in dienst zijn van de gemeente,<br />
maar van het regionale korps. In die gevallen moeten er goede afspraken<br />
worden gemaakt over het overgangsrecht met al zijn financiële consequenties<br />
en de verplichtingen ten aanzien van het faciliteren van de 2 e<br />
loopbaan en daarmee de kosten van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
5.2 Loopbaaninstrumenten<br />
Er staat de organisatie een groot aantal handvatten ten dienste om de<br />
medewerker te faciliteren in zijn loopbaanontwikkeling. Dat begint bij<br />
loopbaantesten en/of een assessment (bijvoorbeeld in het kader van<br />
selectie) en kan eindigen met sollicitatie- en netwerktrainingen of, in het<br />
uiterste geval, een door-/uitstroomtraject ten behoeve van de uitstroom<br />
in een niet-bezwarende functie. In deze paragraaf behandelen we kort de<br />
belangrijkste instrumenten. De volgorde komt overeen met de volgorde<br />
waarin ze ingezet worden in de loopbaan van een medewerker.<br />
Testen en assessments<br />
Bij de werving en selectie van nieuw personeel, willen we graag weten<br />
wat voor vlees we in de kuip hebben. Uit onderzoek is gebleken dat een<br />
cv en een sollicitatiegesprek daar vaak onvoldoende duidelijkheid over<br />
geven. Bij zeker de helft van de sollicitaties wordt daarom tegenwoordig<br />
een assessment afgenomen. Een dergelijk assessment kan variëren van<br />
een of enkele psychologische testen tot een zeer uitgebreide screening<br />
van de benodigde gedragscompetenties door middel van praktijksimulaties.<br />
Bij de <strong>brandweer</strong> is een selectiedag al langer onderdeel van de selectieprocedure.<br />
De sollicitant wordt uitgebreid gescreend op eigenschappen<br />
46
die bij de <strong>brandweer</strong> van groot belang zijn, zoals kunnen werken onder<br />
grote druk, flexibiliteit en kunnen omgaan met emoties naar aanleiding<br />
van bepaalde verrichtingen. Daarnaast is natuurlijk een medische keuring<br />
verplicht.<br />
In het kader van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> kan het zinvol zijn om bij de selectie<br />
ook alvast te screenen op de mogelijke 2 e loopbaan en niet enkel op<br />
de gewenste functie van dat moment. Die screening zal dan minimaal<br />
gericht moeten zijn op de cognitieve capaciteiten van de sollicitant: wat<br />
is het intellectuele niveau Kan de sollicitant, indien hij nog geen mbodiploma<br />
heeft, dat niveau aan Door gericht te selecteren op instroom<br />
van medewerkers met cognitieve capaciteiten op mbo-niveau kunnen in<br />
een later stadium pijnlijke verassingen worden voorkomen.<br />
Daarnaast kan er een stap verder worden gegaan door ook al te selecteren<br />
op potentiële ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het korps. Dit<br />
houdt in dat er geselecteerd wordt op een breder scala aan competenties<br />
en op een hoger niveau dan in eerste instantie vereist is. Doorstroom<br />
naar een 2 e loopbaan kan daardoor te zijner tijd aanzienlijk vergemakkelijkt<br />
worden.<br />
Naast assessment ‘aan de poort’, kan het, in het kader van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>,<br />
ook zinvol zijn om medewerkers in een later stadium te laten<br />
testen. Het gaat dan om een zogeheten ‘ontwikkelassessment’. Uitgaande<br />
van de fasering, zoals beschreven in het model in hoofdstuk 4, gaat het<br />
dan om het afnemen van testen in de loop of op het eind van fase 2, de<br />
oriëntatiefase: de loopbaanfase waarin de medewerker zich in steeds<br />
sterkere mate gaat oriënteren op een mogelijke 2 e loopbaan. Het assessment<br />
in deze fase is van belang om beter zicht te krijgen op capaciteiten,<br />
loopbaanwensen en loopbaanmogelijkheden. Het gaat in deze fase dan<br />
ook meestal om een veel grootschaliger onderzoek dan bij het assessment<br />
in de selectiefase. Het zal variëren van intelligentie-, capaciteitsen<br />
competentietesten, tot persoonlijkheids- en beroepeninteressetesten.<br />
Net als bij de assessments in de selectiefase, is het bij een ontwikkelassessment<br />
aan te bevelen om gebruik te maken van gekwalificeerde<br />
assessoren of testbureaus. Loopbaanadviseurs hoeven niet altijd de<br />
kwalificaties in huis te hebben om een dergelijk assessment in zijn volle<br />
breedte uit te voeren, maar zij zijn wel de deskundigen bij uitstek om te<br />
achterhalen óf en welke vormen van assessment er nodig zijn en welke<br />
assessoren hiervoor in aanmerking komen. In de meeste gevallen hebben<br />
de loopbaancentra van gemeenten voldoende kwaliteit in huis om dit<br />
te kunnen doen; andere mogelijkheden zijn het Competence Test Centrum<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 47
van het CWI of de meer commerciële bureaus. Natuurlijk zal bij de keuze<br />
het financiële aspect een rol spelen, maar dat argument mag niet ten<br />
koste gaan van de kwaliteit van het assessment.<br />
Een derde vorm van assessment, is assessment in het kader van een<br />
EVC-procedure. Op doel en inhoud van deze vorm van assessment gaan<br />
we in de betreffende paragraaf verder in.<br />
Functioneringsgesprek/POP-gesprek/Loopbaangesprek<br />
Zoals eerder gesteld is het loopbaandenken binnen de <strong>brandweer</strong> niet<br />
echt onderdeel van de cultuur. Het lijkt daarnaast voor veel medewerkers<br />
ook een vreemd gegeven dat men, vanaf de start van de aanstelling, minimaal<br />
eens in de drie jaar gericht moet nadenken over een 2 e loopbaan die<br />
jaren verder in het verschiet ligt. Ook de noodzaak van loopbaandenken<br />
vanuit het perspectief van mogelijke uitval, zal bij veel jonge en gezonde<br />
medewerkers als ‘ver van mijn bed’ worden ervaren. Dat impliceert dat<br />
er voor natuurlijke momenten moet worden gekozen om het denken over<br />
de loopbaan actueel te maken en te houden. Het portfolio is daar een<br />
middel toe, maar hetzelfde geldt voor de bestaande gesprekscycli. In de<br />
meeste organisaties worden er jaarlijks met de medewerkers functionerings-<br />
en/of POP-gesprekken gevoerd; een gesprek tussen leidinggevende<br />
en medewerker. In die gesprekken is het persoonlijk functioneren<br />
en de persoonlijke ontwikkeling, nu en ook in de toekomst, een agendapunt.<br />
Zaken die daarbij aan de orde horen te komen zijn de persoonlijke<br />
ambities van de medewerker, zijn ontwikkelbehoeften en eventueel de<br />
ontwikkelnoodzaak. Kortom: in die gesprekken draait het om de loopbaan<br />
van de medewerker, waarbij het accent in eerste instantie vooral ligt op<br />
de ontwikkeling in de huidige loopbaan.<br />
Uitgaande van het Model 2 e Loopbaan (hoofdstuk 4) zal in de loop van<br />
(loopbaan)fase 2 dat accent echter steeds meer moeten verschuiven naar<br />
de 2 e loopbaan in een niet-bezwarende functie. Door ook het portfolio en het<br />
loopbaanplan bij deze gesprekken te betrekken zal het denken over de 2 e<br />
loopbaan op natuurlijke wijze geactualiseerd blijven zonder dat er nieuwe,<br />
extra gesprekken in de gesprekkencyclus hoeven te worden opgenomen.<br />
In het kader van de oriëntatie en ontwikkeling op de 2 e loopbaan, is het<br />
loopbaangesprek natuurlijk de gespreksvorm bij uitstek. In dit gesprek<br />
staan de loopbaan en het loopbaanplan centraal. Dit gesprek zal in de<br />
meeste gevallen worden gevoerd met de direct leidinggevende in combinatie<br />
met het functionerings- en/of POP-gesprek. Indien gewenst kan<br />
48
een loopbaanadviseur bij dit gesprek de nodige ondersteuning geven.<br />
Naarmate de oriëntatie op en de voorbereiding van de 2 e loopbaan dichterbij<br />
komt (volgens het Model 2 e Loopbaan in de loop van fase 2) en het<br />
loopbaanplan verder geconcretiseerd moet worden, zal ook de inbreng<br />
van de loopbaanadviseur steeds relevanter worden. Dat kan inhouden dat<br />
de loopbaanadviseur vaker bij een (deel van het) gesprek tussen leidinggevende<br />
en medewerker wordt uitgenodigd of dat de loopbaanadviseur<br />
zelfstandig een aantal loopbaangesprekken met de medewerker voert.<br />
De leidinggevende is echter te allen tijde samen met de medewerker verantwoordelijk<br />
voor het ontwikkeltraject; besluiten over het loopbaanplan<br />
worden dan ook door de leidinggevende en niet door de loopbaanadviseur<br />
genomen.<br />
Loopbaanplan<br />
Een van de belangrijkste instrumenten in het kader van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
is het loopbaanplan. Zoals gesteld in paragraaf 5.2, is de cao hier<br />
zeer helder over. Zowel zittende, als nieuwe medewerkers dienen een<br />
loopbaanplan op te stellen. Uitzondering is de groep die op 31 december<br />
2005 al twintig dienstjaren in de bezwarende functie werkzaam was. Dat<br />
loopbaanplan wordt zo vaak als nodig, maar in ieder geval eens per drie<br />
jaar geactualiseerd.<br />
Naast de algemene eisen die in de cao worden gesteld aan de vorm en<br />
inhoud van het loopbaanplan (voor voorbeelden zie www.aeno.nl) is de<br />
feitelijke invulling sterk afhankelijk van de loopbaanfase waarin de medewerker<br />
verkeert. We maken daarom, in aansluiting op het loopbaanmodel<br />
uit hoofdstuk 4, een onderverdeling in vier delen: loopbaanplan deel 1 tot<br />
en met 4 [12] die qua opzet en uitvoering steeds passen bij de specifieke<br />
loopbaanfase waarin de medewerker verkeert.<br />
In fase 1 is het loopbaanplan (loopbaanplan deel 1) vooral gericht op de<br />
ontwikkeling in de bezwarende functie. In de loop van die fase kan in dat<br />
ontwikkeltraject een accentverschuiving plaatsvinden naar een meer<br />
horizontale (specialistische functie) of verticale (leidinggevende functies)<br />
ontwikkeling.<br />
In fase 2 vindt er een verdere accentverschuiving plaats, waarbij de plannen<br />
voor de 2 e loopbaan in de loop van de jaren steeds concretere vormen<br />
aannemen. In de eerste jaren van deze fase zal er vooral sprake zijn van<br />
12 Zie ook de <strong>brandweer</strong>pagina van de website van het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten<br />
(www.aeno.nl).<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 49
een algemene oriëntatie op de 2 e loopbaan, maar op het eind van die fase<br />
moet dat vertaald zijn naar zicht op die 2 e loopbaan en de ontwikkelbehoefte<br />
en -mogelijkheden om die 2 e loopbaan daadwerkelijk te effectueren.<br />
In het fasenmodel in hoofdstuk 4 wordt daarom ook een onderscheid<br />
gemaakt tussen een loopbaanplan deel 2, wat beschouwd kan worden als<br />
een oriëntatieplan, en een loopbaanplan deel 3, waarin het accent meer<br />
ligt op de ontwikkelbehoefte en ‐mogelijkheden van de medewerker.<br />
Dat loopbaanplan deel 3 is leidend voor de invulling van fase 3 in het<br />
loopbaantraject: tijdens deze periode verricht de medewerker de benodigde<br />
ontwikkelactiviteiten voor de 2 e loopbaan. Het zal hierbij vooral<br />
gaan om bij- of omscholing, trainingen, et cetera. Voor medewerkers die<br />
al in het bezit zijn van de benodigde diploma’s, geldt dat zij deze periode<br />
anderszins kunnen benutten ter voorbereiding op de 2 e loopbaan. Hierbij<br />
valt bijvoorbeeld te denken aan praktijkstages.<br />
Aan het begin van fase 4, de door-/uitstroomfase, zal in het loopbaanplan<br />
(deel 4) vastgesteld moeten worden hoe de overgang naar de nietbezwarende<br />
functie vorm moet krijgen. Daarbij wordt opgenomen wat de<br />
medewerker nodig heeft aan ondersteuning en welke ondersteuning de<br />
organisatie daarbij biedt.<br />
Los van de cao-verplichting om een loopbaanplan op te stellen en dit<br />
plan minimaal eens in de drie jaar te actualiseren, is het evident dat het<br />
werken met loopbaanplannen een groot aantal voordelen heeft. Het is<br />
voor medewerker en organisatie niet alleen een routeplanner. In feite is<br />
het ook een contract waarin beide partijen schriftelijk vastleggen hoe de<br />
route gereden gaat worden, onder welke condities dat zal gebeuren en<br />
wie daarbij welke verantwoordelijkheden zal nemen.<br />
Bij het ontwikkelen van een loopbaanplan is het belangrijk dat, zowel<br />
met betrekking tot de eerste opzet, als bij de noodzakelijke actualisatie<br />
daarvan, de medewerker hierbij ondersteund wordt. In eerste instantie<br />
kan die ondersteuning komen van de leidinggevende, maar naarmate het<br />
loopbaanplan verder geconcretiseerd moet worden, is ondersteuning van<br />
een loopbaanadviseur aan te bevelen.<br />
Portfolio en Erkenning Verworven Competenties of<br />
Ervaringscertificaat (EVC)<br />
Net als binnen organisaties is ook binnen het onderwijs het competentiedenken<br />
steeds verder doorgedrongen. Werd er vroeger binnen<br />
opleidingen nog een scherp onderscheid gemaakt tussen kennis, attitude<br />
en vaardigheden, nu draait alles om competentiegericht leren. Compe-<br />
50
tenties zijn het uiteindelijke gedragsresultaat van zaken die binnen en<br />
buiten opleidingen zijn aangeleerd. Het gaat daarbij steeds om de vraag<br />
of iemand in staat is om, op het juiste moment, het juiste, adequate<br />
gedrag te vertonen. Zo ja, dan is iemand competent om de betreffende<br />
taak uit te voeren. In hoeverre dat gedrag gebaseerd is op theoretische<br />
(voor)kennis, is minder relevant. Het enige dat echt relevant is, is de<br />
vraag of iemand competent is in zijn taak- en functie-uitoefening. Daarmee<br />
heeft er binnen het onderwijs een verschuiving plaatsgevonden van<br />
kennisgestuurd onderwijs naar competentiegestuurd onderwijs en van<br />
kennistoetsing naar competentietoetsing (assessment in de meest klassieke<br />
betekenis). Binnen opleidingen zijn de einddoelen van die opleiding<br />
benoemd in competentieniveaus en bijbehorende contexten. Beheers je<br />
de competenties op het vereiste niveau, binnen de vereiste context, dan<br />
voldoe je aan de eindkwalificaties van de opleiding en kom je in aanmerking<br />
voor een diploma.<br />
Veel competenties kunnen echter ook binnen andere contexten, dan die<br />
van een opleiding, worden ontwikkeld. Denk daarbij bijvoorbeeld aan<br />
werk, verenigingsleven, hobby, trainingen en stages). Het is daarom<br />
raadzaam om vanaf de start bij de <strong>brandweer</strong>, een portfolio op te bouwen<br />
met al die competenties die men gedurende zijn carrière binnen en buiten<br />
zijn werk ontwikkeld heeft. Indien gewenst kan dat worden vergeleken<br />
met het competentieprofiel van een schilder, een fotograaf of een fotomodel<br />
om te zien hoe ‘ver’ iemand van dat profiel vandaan zit.<br />
Een portfolio bestaat meestal uit:<br />
1. Een cv-deel met persoonlijke gegevens en feiten over opleiding en<br />
werkervaring;<br />
2. Een persoonlijke reflectie op de eigen competenties en de eigen ontwikkeling;<br />
3. Een dossier met bewijzen, zoals diploma’s, testresultaten, certificaten<br />
en producten.<br />
4. Eventueel kan het loopbaanplan hier aan worden toegevoegd.<br />
Het samenstellen van een portfolio vergt tijd en inzet, maar vooral<br />
continuïteit! Dat houdt in dat kans groot is dat er in eerste instantie vol<br />
enthousiasme mee begonnen wordt, maar dat dit enthousiasme na verloop<br />
van tijd wegebt, waardoor het portfolio niet meer voldoende geactualiseerd<br />
blijft. Net als bij het ontwikkelen van een loopbaanplan, geldt<br />
ook voor het portfolio dat, zowel met betrekking tot de eerste opzet, als<br />
bij de actualisatie van het portfolio, het van belang is de medewerker de<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 51
nodige ondersteuning en/of stimulans te geven. Bij de start kan dat bijvoorbeeld<br />
bestaan uit ondersteuning of begeleiding door de P&O-medewerker<br />
of door een loopbaanadviseur. Om het portfolio geactualiseerd te<br />
houden, is het aan te bevelen om de inhoud ervan te agenderen binnen de<br />
jaarlijkse beoordelingscyclus (functionerings- of POP-gesprek). Daarnaast<br />
is het natuurlijk onderdeel van de driejaarlijkse bespreking van het<br />
loopbaanplan.<br />
Deze inzet weegt zeker op tegen het rendement dat een goede portfolio<br />
voor de 2 e loopbaan kan hebben. Het is in de eerste plaats voor de medewerker<br />
het middel bij uitstek om te reflecteren op eigen ontwikkeling,<br />
eigen competenties, eigen sterkten en zwakten en op die competenties<br />
die voor de toekomst eventueel nog ontwikkeling behoeven. Vaak leidt<br />
de ontwikkeling van een portfolio ertoe dat men voor het eerst echt zicht<br />
krijgt op de onderliggende structuur en richting van de eigen loopbaan.<br />
Het zet er daarnaast toe aan na te denken over capaciteiten, ambities,<br />
ambitieniveau en mogelijke richtingen voor de 2 e loopbaan.<br />
Het belangrijkste voordeel is echter dat een goed en serieus bijgehouden<br />
portfolio in feite een aanzet kan zijn tot een proeve van bekwaamheid die<br />
door opleidingen geaccepteerd en gebruikt wordt om vast te stellen aan<br />
welke opleidingscompetenties al voldaan is en aan welke competenties<br />
er binnen die opleiding nog gewerkt moet worden om een diploma te krijgen.<br />
Het is daarmee een hulpmiddel om versneld een opleiding te kunnen<br />
afronden.<br />
Hoe werkt dat Om als opleiding te komen tot de erkenning van al ontwikkelde<br />
competenties van een potentiële opleidingskandidaat, moet er<br />
een Erkenning Verworven Competenties (EVC)-traject worden doorlopen.<br />
Een dergelijk traject resulteert uiteindelijk in de toekenning van een<br />
ervaringscertificaat aan de medewerker. Startpunt bij een dergelijk<br />
traject is het competentieprofiel van de opleiding. In dat profiel wordt<br />
beschreven welke competenties, op welk niveau en in welke context<br />
beheerst moeten worden om voor een diploma in aanmerking te komen.<br />
Dit competentieprofiel wordt dan vergeleken met, wat genoemd wordt,<br />
een assessmentportfolio dat door de opleiding in samenwerking met de<br />
kandidaat wordt opgesteld .<br />
Een assessmentportfolio bestaat uit een diepteanalyse van het persoonlijke<br />
portfolio van de medewerker. Daarbij wordt onderzocht in hoeverre<br />
de eerder opgedane opleidingen en (werk)ervaringen overeenkomen met<br />
de vereiste competentie(niveaus). In feite worden bij de samenstelling<br />
52
van een assessmentportfolio alle zaken die relevant zouden kunnen<br />
zijn voor de te volgen opleiding, uit het persoonlijke portfolio van de<br />
kandidaat gefilterd. Hoe beter de opbouw van het persoonlijke portfolio<br />
aansluit bij de eisen die gesteld worden aan een assessmentportfolio<br />
van een opleiding, hoe makkelijker het voor een opleiding is om uit dat<br />
vergelijkingsonderzoek conclusies te trekken. Mocht er binnen de opleiding<br />
twijfel zijn over het feitelijke niveau van competentiebeheersing,<br />
dan kan een assessment in de vorm van een praktijksimulatie worden<br />
afgenomen.<br />
Eindresultaat is de uiteindelijke Erkenning Verworven Competenties in<br />
de vorm van een certificaat; een officieel document dat door alle opleidingen<br />
in Nederland wordt erkend. Vergelijking tussen EVC en benodigde<br />
opleidingseisen resulteert dan in een aangepast opleidingsprogramma<br />
met alleen die onderdelen voor het ontwikkelen van de competenties die<br />
nog onvoldoende beheerst worden. Het gevolg is dan dat de benodigde<br />
opleidingstijd korter wordt.<br />
EVC-trajecten worden door de meeste regionale opleidingscentra (roc’s),<br />
mbo- en hbo-opleidingen aangeboden. Prijzen van zo’n traject variëren,<br />
afhankelijk van de gedegenheid van de voorbereiding en het portfolio van<br />
de medewerker, globaal tussen de € 800 en € 2.000. Overigens is een van<br />
de belangrijkste voorwaarden voor het starten van een EVC-traject dat<br />
de medewerker weet welke opleiding hij wil volgen. Immers: de reeds<br />
verworven competenties moeten worden afgezet tegen competenties die<br />
nog moeten worden verworven, daarvoor is het noodzakelijk te weten<br />
welke dat zijn.<br />
Stage en detachering<br />
Voorbereiding op de 2 e loopbaan impliceert in lang niet alle gevallen<br />
scholing, laat staan dat het om langdurige scholing zou gaan. Dat heeft<br />
enerzijds te maken met het feit dat veel medewerkers bij instroom al<br />
vrij goed gekwalificeerd zijn, anderzijds komt dat doordat een EVCtraject<br />
de vereiste opleidingsduur aanzienlijk kan inkorten. Een extra<br />
mogelijkheid om medewerkers voor te bereiden op hun 2 e loopbaan is<br />
een stage of tijdelijke detachering in een niet-bezwarende functie. Het<br />
kan daarbij gaan om een functie in eigen korps, regio of gemeente of<br />
bij een andere organisatie. Om deze mogelijkheid buiten het korps te<br />
organiseren, is het noodzakelijk om samenwerkingsverbanden aan te<br />
gaan en daarnaast ook zicht te krijgen op welke functies het best aansluiten<br />
en de meeste doorstroommogelijkheden bieden.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 53
Doel van een stage of detachering is niet alleen dat de medewerker in<br />
een dergelijk leertraject ervaring opdoet en zijn competenties verder<br />
doorontwikkelt, het biedt tevens de mogelijkheid om te checken of de<br />
gewenste functie daadwerkelijk een passende functie is. Ten slotte zorgt<br />
stage of detachering er ook voor dat de medewerker op het moment van<br />
solliciteren, juist door de opgedane ervaringen in de functie en de opgedane<br />
kennis over de organisatie, een goede positie heeft ten opzichte van<br />
medesollicitanten.<br />
Sollicitatie- en netwerktraining<br />
Na twintig jaar in een bezwarende functie en een voorbereiding van een<br />
2 e loopbaan, zal de medewerker een aantal stappen moeten zetten om<br />
ook daadwerkelijk door te stromen naar die 2 e loopbaanfunctie. Dat kan<br />
een (te) grote stap zijn. Om die stap te vergemakkelijken kan een sollicitatie-<br />
en netwerktraining behulpzaam zijn. Met behulp van zo’n training<br />
leert de medewerker bijvoorbeeld om:<br />
een vacature te analyseren;<br />
– een sollicitatiebrief te schrijven die voldoet aan de eisen van de huidige<br />
markt;<br />
– de cv aan te passen aan de vacature;<br />
– zich positief en actief te presenteren, zowel in de sollicitatiebrief als in<br />
het gesprek;<br />
– een eigen relatienetwerk te creëren en uit te breiden.<br />
Meestal zijn dit soort trainingen afdoende om de doorstroom naar een<br />
niet-bezwarende functie aanzienlijk te versnellen. Loopbaanadviseurs<br />
zijn vaak zeer goed in staat om een dergelijk training te verzorgen. Daarnaast<br />
worden ze ook aangeboden door organisaties als het CWI, roc’s en<br />
commerciële trainingsbureaus.<br />
5.3 Rolverdeling<br />
Waar het gaat om het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>, is de cao duidelijk over de rolverdeling<br />
en de rechten en plichten van medewerker en werkgever:<br />
– Werkgever en medewerker dragen gezamenlijk zorg voor de ontwikkeling<br />
naar een andere loopbaan op latere leeftijd.<br />
– Beide partijen, werkgever en medewerker, zijn samen verantwoordelijk<br />
voor het nakomen van afspraken die een voortgezette loopbaan mogelijk<br />
moeten maken.<br />
54
Het hierbij in gebreke blijven van een van beide partijen kan verregaande<br />
consequenties hebben (zie ook Cao Gemeenten, artikel 9a.8 en 9a.9).<br />
Naast medewerker en werkgever (de organisatie) onderscheiden we de<br />
volgende rollen:<br />
– de P&O-adviseur<br />
– de functioneel en de hiërarchisch leidinggevende<br />
– de loopbaanadviseur.<br />
Van de medewerker mag worden verwacht dat hij zich inzet om een<br />
loopbaanplan te ontwikkelen dat praktisch, realistisch en haalbaar is.<br />
Daarnaast mag van hem worden verwacht dat hij zich ook daadwerkelijk<br />
en zichtbaar inzet om door te stromen naar een 2 e loopbaan.<br />
Van de organisatie mag worden verwacht dat ze zowel de ontwikkeling,<br />
als de (driejaarlijkse) actualisering van het loopbaanplan ondersteunt<br />
en faciliteert. Daarnaast mag van de organisatie worden verwacht dat<br />
ze minimaal de kosten betaalt voor de opleiding van de medewerker tot<br />
mbo-niveau. Ten slotte mag van de organisatie worden verwacht dat ze<br />
de doorstroom van de medewerker naar een niet-bezwarende functie<br />
binnen het eigen korps / de eigen regio, de gemeente of daarbuiten<br />
faciliteert. Dit betekent dat de organisatie dus meer moet doen dan enkel<br />
financiële ondersteuning bieden en driejaarlijks een loopbaangesprek<br />
voeren. Daarmee is een optimale uitstroom immers nog niet gegarandeerd.<br />
Het gezamenlijke belang en de gezamenlijke verantwoordelijkheid zullen<br />
steeds leidend moeten zijn bij de ontwikkeling van de 2 e loopbaan. Om<br />
hieraan te kunnen voldoen, is het voor de organisatie van belang dat ze<br />
niet enkel de medewerkers in voldoende mate faciliteert, maar dat ze<br />
er ook voor zorgt dat de leidinggevenden hiertoe voldoende toegerust<br />
zijn. Wat die leidinggevenden betreft moet er, indien van toepassing,<br />
onderscheid gemaakt worden tussen de functioneel en de hiërarchisch<br />
leidinggevende. Bij functioneel leidinggevenden gaat het dan veelal om<br />
de bevelvoerders die een medewerker in de directe, operationele praktijk<br />
aansturen. Bij de hiërarchisch leidinggevenden gaat het dan om bijvoorbeeld<br />
de ploegchef, die een team aanstuurt en die ook verantwoordelijk is<br />
voor het houden van de functionerings-, POP- en loopbaangesprekken.<br />
In het algemeen kan gesteld worden dat er langzamerhand een verandering<br />
plaatsvindt in de eisen die gesteld worden aan leidinggevenden<br />
binnen de <strong>brandweer</strong>. Het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> en de daarmee gepaard<br />
gaande cultuurveranderingen, zijn voorbeelden van situaties die andere<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 55
vormen van leiderschap met zich meebrengen. Het is aan te bevelen om<br />
in de reguliere opleidingen voor leidinggevenden veel meer aandacht te<br />
besteden aan die veranderende rol, maar vooral aan de competenties en<br />
vaardigheden die daar bij passen. Bijvoorbeeld: denken in oplossingen en<br />
minder denken in problemen.<br />
Hoewel de functioneel leidinggevende de loopbaangesprekken niet voert,<br />
heeft hij wel degelijk een rol bij de ontwikkeling van een 2 e loopbaan. Hij<br />
is degene die door de dagelijkse samenwerking een goede kijk heeft op<br />
de competenties en ambities van de medewerker en hij is tevens degene<br />
die, door het dagelijkse contact, het loopbaandenken bij die medewerker<br />
kan stimuleren. Daarnaast kan het wenselijk zijn om, in wat voor vorm<br />
dan ook, de functioneel leidinggevende een rol te geven bij de loopbaangesprekken.<br />
Dat vereist bij die leidinggevende niet alleen kennis op het<br />
gebied van loopbaandenken, maar ook (gespreks)vaardigheden om het<br />
onderwerp daadwerkelijk bespreekbaar te maken en te houden.<br />
De rol van de hiërarchisch leidinggevende bestaat uit het voeren van<br />
de loopbaangesprekken, het zorg dragen voor de actualisering van het<br />
loopbaanplan, het faciliteren van de ontwikkeling van de medewerker in<br />
het kader van zijn 2 e loopbaan en het faciliteren van de daadwerkelijke<br />
uitstroom. Dat vereist voldoende zicht op de consequenties van de<br />
cao-afspraken, op de inhoud van het <strong>loopbaanbeleid</strong> en op in te zetten<br />
loopbaaninstrumenten. Ten slotte mag verwacht worden dat hij de<br />
vaardigheden en competenties heeft om effectieve loopbaangesprekken<br />
te voeren. Het is van belang de leidinggevenden te trainen op kennis en<br />
(gespreks)vaardigheden zodat zij hun rol binnen het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
optimaal kunnen invullen.<br />
Bij de ontwikkeling van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> mag van de P&O-adviseur<br />
een leidende rol worden verwacht: <strong>loopbaanbeleid</strong> is immers P&Obeleid.<br />
Daarvoor moet de P&O-adviseur in ieder geval voldoende kennis<br />
hebben om de consequenties van de cao-veranderingen op zijn merites<br />
te kunnen beoordelen en daarover het management en de medewerkers<br />
adequaat te kunnen adviseren en ondersteunen. Een zeer belangrijk<br />
aspect hierbij is zicht hebben op de relevante ken- en stuurgetallen. Op<br />
grond van die cijfers kunnen immers consequenties van beleidsvoornemens<br />
worden doorberekend en kunnen individuele medewerkers, en<br />
dan vooral de zittende medewerkers, gewezen worden op de (financiële<br />
consequenties) van hun 2 e loopbaankeuzes. Dit impliceert minimaal de<br />
aanwezigheid van een goed, up-to-date personeelsinformatiesysteem.<br />
Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van het rekenmodel van de VNG,<br />
56
waarmee vooral de kosten van het overgangsrecht voor de groep zittende<br />
medewerkers doorberekend kunnen worden [13] .<br />
Zoals eerder gesteld is het aan te bevelen om de loopbaangesprekken in<br />
te bedden in de reguliere gesprekscyclus binnen de organisatie. Het is de<br />
P&O-adviseur die, als adviseur van het management, moet monitoren of<br />
deze gesprekken ook daadwerkelijk worden gevoerd, of het loopbaanplan<br />
wordt opgesteld en of deze driejaarlijks wordt geactualiseerd. Jaarlijks<br />
kan op grond van deze informatie het <strong>loopbaanbeleid</strong> worden geëvalueerd<br />
en zo nodig worden bijgesteld.<br />
De loopbaangesprekken worden in de eerste fase van de loopbaan van<br />
de medewerker voornamelijk gevoerd door de leidinggevende. Naarmate<br />
de keuze voor een 2 e loopbaan dichterbij komt, wordt de rol van<br />
een loopbaanadviseur of -coach [14] echter steeds relevanter. Vanuit zijn<br />
specifieke expertise zal hij de individuele medewerkers adviseren bij<br />
of coachen in het ontwikkelen van zijn loopbaanplan. Daarbij zal een<br />
veelvoud aan methodieken en/of instrumenten ingezet worden. Een ontwikkelassessment<br />
kan daar een voorbeeld van zijn. Zoals eerder gesteld<br />
hoeven loopbaanadviseurs echter niet altijd de kwalificaties in huis te<br />
hebben om zo’n assessment in zijn volle breedte uit te voeren, maar zij<br />
zijn wel de deskundigen bij uitstek om te achterhalen of en welke vormen<br />
van assessment er nodig zullen zijn en welke assessoren hiervoor in<br />
aanmerking komen. Ten slotte zijn loopbaanadviseurs goed ingevoerd in<br />
opleidings- en loopbaanmogelijkheden. Van belang is dat de loopbaanadviseur<br />
een goed netwerk onderhoudt met externe partijen, waaronder<br />
opleidingsinstituten, het CWI, testbureaus, leveranciers van loopbaaninstrumenten,<br />
maar ook met de gemeente, andere overheidsinstellingen en<br />
het bedrijfsleven.<br />
Loopbaanadvies vereist een geheel eigen expertise en is niet een vak<br />
13 Vanwege de complexiteit van dit model hebben meerdere korpsen, zoals Korps<br />
Zuid-Holland Zuid hiervoor een eigen spreadsheet ontwikkeld.<br />
14 De functies van loopbaanadviseur en loopbaancoach zijn niet uitwisselbaar. Ze<br />
zijn duidelijk van elkaar onderscheiden: loopbaancoaching is een relatie creëren<br />
met de medewerker. Die relatie is ondersteunend om daarmee specifieke<br />
resultaten/veranderingen in de loopbaan van de medewerker te bereiken waar<br />
er eerst voor die medewerker mogelijk geen (zicht op) keuzemogelijkheden was.<br />
Loopbaanadvies is het aanbieden van adviezen en oplossingen met betrekking tot<br />
opleidings- en ontwikkelingsvraagstukken en -mogelijkheden op het gebied van<br />
werk.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 57
dat je er als P&O-adviseur even naast doet. Niet alleen om die specifieke<br />
expertise, maar ook om de onafhankelijkheid van het loopbaanadvies te<br />
garanderen, is het raadzaam om de rol van de adviseur15 niet te laten<br />
vervullen door de P&O-adviseur. Zou je dat wel doen, dan ontstaat het<br />
risico van rolverwarring, maar ook op onvoldoende draagvlak en openheid<br />
van de kant van de medewerker.<br />
15 Een algemene beschrijving van de functie van loopbaanadviseur/-coach is te vinden<br />
op de website van het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> (www.aeno.nl).<br />
58
6<br />
Stappenplan<br />
2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
In dit hoofdstuk gaan we nader in op het proces van beleidsontwikkeling<br />
en -voorbereiding. Welke stappen moeten er vooraf worden gezet om<br />
het beleid uiteindelijk ook te kunnen implementeren We beschrijven dit<br />
proces in elf stappen (zie pagina 60).<br />
Met uitzondering van de stappen 1 en 2 is de volgorde van de stappen niet<br />
dwingend. Een aantal stappen kan namelijk ook tegelijkertijd worden<br />
doorlopen of kunnen zelfs worden omgewisseld. In de volgende paragrafen<br />
lichten we de stappen toe.<br />
6.1 Commitment en visie bestuur, management<br />
en medezeggenschap (OR/OC)<br />
Voor de ontwikkeling en implementatie van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is het<br />
noodzakelijk dat er vooraf voldoende draagvlak wordt gecreëerd. Hoewel<br />
de opdrachtgever in de meeste gevallen het bestuur of de korpsleiding<br />
zal zijn, impliceert dit nog niet bij voorbaat draagvlak voor het te ontwikkelen<br />
beleid. Immers, de wijzigingen in de cao hebben een dwingend<br />
karakter wat de invoering van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> betreft, waardoor er<br />
soms wat meer weerstand dan enthousiasme voor het onderwerp zal<br />
zijn. Daarnaast leert de ervaring dat er meer ontwikkelingen zijn die<br />
aandacht vragen binnen de <strong>brandweer</strong>sector; de ontwikkeling van het 2 e<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> heeft dan ook niet per definitie de gewenste prioriteit en<br />
betrokkenheid.<br />
De betrokkenheid kan in ieder geval worden vergroot door duidelijk<br />
aan te geven waartoe het niet of het onvoldoende ontwikkelen van 2 e<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 59
Stappenplan ontwikkeling en invoering 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
Stap 1<br />
Commitment en visie Bestuur,<br />
Manage ment en Medezeggenschap (OR/OC)<br />
Stap 2<br />
Opstarten projectorganisatie<br />
Stap 3<br />
In kaart brengen huidige situatie<br />
(kengetallen)<br />
Stap 4<br />
Ontwikkelen <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
Stap 5<br />
Inzicht in financiële consequenties<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> en overgangsrecht<br />
Stap 6<br />
Training leidinggevenden<br />
Stap 7<br />
Voorlichting en commitment<br />
medewerkers<br />
Stap 8<br />
Pilot met een testgroep<br />
Stap 9<br />
Bijstellen personeelsprocessen<br />
Stap 10<br />
Aanpassing regelingen en interne<br />
organisatie<br />
Stap 11<br />
Introductie 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
in de organisatie<br />
60
<strong>loopbaanbeleid</strong> kan leiden, bijvoorbeeld: verhoogd uitvalrisico bij oudere<br />
medewerkers met alle kosten van dien, aansprakelijkheid door ingebrekestelling<br />
bij het niet uitvoeren van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. Een verhelderende<br />
methode is op hoofdlijnen een ‘worst case scenario’ en een ‘best case<br />
scenario’ door te berekenen en deze voor te leggen aan de bestuurders [16] .<br />
Naast een goede communicatie(structuur) is het echter ook van belang<br />
om bestuurders en management bij het ontwikkel- en implementatietraject<br />
te betrekken, bijvoorbeeld door ze daarin een duidelijk omschreven<br />
rol te geven.<br />
Tips<br />
• Ook zonder een volledig zicht op de financiële consequenties is het<br />
best mogelijk <strong>loopbaanbeleid</strong> te formuleren. Een direct betrokken en<br />
sturende portefeuillehouder kan dat proces positief beïnvloeden. Richt<br />
je daar dus op!<br />
• Zorg voor regelmatig overleg met het management. Betrek het<br />
management door ze te wijzen op de waarde van <strong>loopbaanbeleid</strong> en<br />
hun rol daarin.<br />
• Bij een gemeentelijk korps: betrek de centrale P&O-afdeling direct bij<br />
het opstellen van het beleid. Daarmee is het niet alleen een probleem<br />
voor de <strong>brandweer</strong>.<br />
• Communiceer met de OR/OC en geef gehoor aan hun opmerkingen; het<br />
zal hun betrokkenheid vergroten.<br />
• Omdat aanstellingsbeleid en opleidingsbeleid onderdeel uitmaken van<br />
het <strong>loopbaanbeleid</strong> heeft de OR/OC instemmingsrecht 17 met betrekking<br />
tot het te ontwikkelen <strong>loopbaanbeleid</strong>! Informeer de raadsleden vroegtijdig,<br />
en laat hen een rol spelen in die ontwikkeling. Daarmee geef<br />
je aan dat je belang hecht aan de mening van de medewerkers. Laat<br />
bijvoorbeeld een lid van de OR/OC zitting nemen in de projectgroep of<br />
klankbordgroep! Dat draagt in grote mate bij aan de acceptatie van het<br />
beleid.<br />
16 Binnen regionale Brandweer Zuid-Holland Zuid heeft men hier goede ervaringen<br />
mee.<br />
17 Zie ook artikel 27 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR).<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 61
6.2 Opstarten projectorganisatie<br />
Zorg ervoor dat de ontwikkeling van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> niet gezien<br />
wordt als een ‘speeltje’ van de P&O-afdeling. Het is een korpsbrede<br />
opdracht om, in gezamenlijkheid, tot een effectief 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> te<br />
komen, passend bij de behoeften en kenmerken van het korps. Een goede<br />
projectorganisatie levert daar een onmisbare bijdrage aan.<br />
Uit ervaring is gebleken dat een projectstructuur met daarin een projectleider,<br />
een projectgroep en een klankbordgroep uitstekend werkt.<br />
Gezien de grootschaligheid van het ontwikkel- en implementatietraject is<br />
het raadzaam om voor een ervaren projectleider te kiezen. Dat hoeft niet<br />
per definitie een projectleider met een P&O-achtergrond te zijn, hoewel<br />
dat zeker een pre is. Mocht de projectleider geen P&O-achtergrond<br />
hebben, zorg er dan voor dat de ‘tweede man’ in het project een P&Oadviseur<br />
is!<br />
De projectgroep geeft, aangestuurd door de projectleider, invulling aan<br />
de ontwikkeling en implementatie van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>; het is de<br />
denktank voor dit onderwerp. Daarnaast draagt zij zorg voor de interne<br />
communicatie met de medewerkers en de OR/OC. Bij de samenstelling<br />
van deze groep is het goed om de expertise vanuit verschillende<br />
vakgebieden te bundelen. Kies daarom voor de participatie van minimaal<br />
een leidinggevende, een P&O-adviseur, een medewerker met een bezwarende<br />
functie en eventueel een loopbaanadviseur. Daarnaast is het aan te<br />
bevelen om in de projectgroep of in de klankbordgroep ook een vertegenwoordiger<br />
van de OR/OC op te nemen. Juist door de OR/OC een actieve<br />
rol (meedenken / mee spiegelen) te geven binnen de ontwikkeling van het<br />
2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>, wordt de kans op draagvlak binnen de organisatie en<br />
bij de medewerkers vergroot.<br />
De klankbordgroep adviseert, vanuit een proactieve signaleringsfunctie,<br />
de projectgroep gevraagd en ongevraagd over de ontwikkeling en<br />
implementatie van het beleid. Daarnaast zorgt zij voor feedback en vangt<br />
zij signalen op vanuit de organisatie. Daarmee is de klankbordgroep de<br />
spiegel van de organisatie. De samenstelling van de klankbordgroep<br />
moet eveneens gemêleerd zijn, waarbij het aan te bevelen is om hierin<br />
overwegend de doelgroep te laten vertegenwoordigen.<br />
Uitgesplitst naar taken, geeft dat het volgende beeld.<br />
62
De projectleider:<br />
– vervult een sturende en aanjagende rol in project<br />
– legt periodiek verantwoording af aan de opdrachtgever<br />
– is voorzitter van de projectgroep en leidt de bijeenkomsten van de<br />
klankbordgroep<br />
– geeft aan welke middelen er nodig zijn voor het projectresultaat<br />
– is verantwoordelijk voor de planning en bewaking van het project<br />
– draagt zorg voor voortgangsrapportages en beslisdocumenten<br />
– draagt zorg voor communicatie met OR/OC, management en medewerkers.<br />
Leden van de projectgroep:<br />
– brengen deskundigheid in<br />
– dragen bij aan het realiseren van de beoogde projectresultaten<br />
– ondersteunen de projectleider en collega-projectmedewerkers<br />
– werken mee aan rapportages<br />
– leveren een bijdrage aan de interne communicatie met de medewerkers<br />
en OR/OC.<br />
De klankbordgroep:<br />
– geeft gevraagd en ongevraagd advies aan de projectleider<br />
– toetst de (deel)resultaten<br />
– zorgt voor feedback en vangt signalen op vanuit de organisatie.<br />
Tips<br />
• Ontwikkel in eerste instantie geen grootse projectplannen, maar maak<br />
een overzicht van activiteiten, met daaraan gekoppeld een tijdschema<br />
en een indicatie van de inzet die er per betrokken actor mee gemoeid<br />
is.<br />
• Plan direct voor het komende jaar voor de projectgroep en de klankbordgroep<br />
een maandelijkse vergadercyclus (respectievelijk twee en<br />
één uur per overleg).<br />
• Spreek af wie (minimaal een tweetal) het feitelijke werk gaat doen<br />
(voorbereiding vergaderingen, uitvoering geven aan activiteiten en<br />
afspraken, stukken schrijven en dergelijke).<br />
• De ontwikkeling en invoering van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> kost tijd. Neem er<br />
de tijd voor (ga uit van een projectduur van circa 1,5 jaar).<br />
• Zorg voor duidelijke kaders en begin zo snel mogelijk met de communicatie<br />
over het proces dat doorlopen gaat worden.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 63
• Zorg voor borging van opgebouwde kennis binnen de organisatie.<br />
Externe adviseurs lossen een probleem wellicht goed op, maar hun<br />
expertise verlaat de organisatie ook weer.<br />
• Zorg voor een goede afbakening van taken, rollen en verantwoordelijkheden.<br />
• Investeer in een goede projectorganisatie. Dat kost tijd, maar rendeert.<br />
6.3 Huidige situatie in kaart brengen<br />
Een van de zaken die zo spoedig mogelijk moet gebeuren, voordat de<br />
ontwikkeling van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> van start kan gaan, is het vaststellen<br />
van alle relevante kenmerken van de doelgroep.<br />
In feite begint dat bij het bepalen wat een bezwarende functie is volgens<br />
de richtlijnen van de cao:<br />
‘Als minimale definitie (Cao, artikel 9b:2 sub b) is gegeven dat een bezwarende<br />
functie een betrekking is met een hoge belasting:<br />
– door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten,<br />
– en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden,<br />
– met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten.<br />
Deze definitie is cumulatief: een functie kan slechts worden aangemerkt als<br />
bezwarend als het aan alle criteria voldoet. Een functie is dus niet bezwarend<br />
slechts op grond van het feit dat er piketdiensten worden gedraaid, of<br />
op grond van het feit dat er wordt deelgenomen aan de uitruk. Uiteindelijk<br />
is bepalend in welke mate de daaruit voortvloeiende werkzaamheden<br />
belastend zijn voor de gezondheid. Dit kan alleen lokaal, op basis van de<br />
plaatselijke invulling van de functies, worden vastgesteld. Het is dus aan de<br />
gemeenten zelf om lokaal vast te stellen of een functie bezwarend dan wel<br />
niet-bezwarend is.’<br />
Als vastgesteld is om welke functies en dus ook om welke medewerkers<br />
het gaat, is het raadzaam om de groep te beschrijven op de hoofdkenmerken:<br />
– ‘zittende’ (voor 1 januari 2006) versus ‘nieuwe’ (vanaf 1 januari 2006)<br />
medewerkers<br />
– leeftijdsverdeling (vooral van belang voor de zittende groep)<br />
– aantal bezwarende jaren<br />
– niveau vooropleiding<br />
– doorlopen <strong>brandweer</strong>opleidingen<br />
64
– ziekteverzuim afgelopen jaren<br />
– indien voorhanden: uitslagen van fysieke en medische testen<br />
– instroom, doorstroom en uitstroom afgelopen jaren.<br />
Deze kenmerken zijn, in hun onderlinge samenhang, bepalend voor het te<br />
ontwikkelen beleid en het plannen van de inzet van de organisatie om de<br />
uitstroom naar een niet-bezwarende functie goed te faciliteren. Op grond<br />
van deze kenmerken kunnen er namelijk drie vragen worden beantwoord.<br />
De eerste vraag is de kernvraag voor ieder bedrijfskundig probleem,<br />
namelijk: Wat gebeurt er bij ongewijzigd beleid Of, anders gesteld: Wat<br />
gebeurt er als wij niets doen<br />
Je zou deze basisvraag ook kunnen vertalen naar de vraag: Wat heeft<br />
deze groep medewerkers, gezien de huidige en de te verwachten personele<br />
ontwikkelingen, op welk moment, minimaal (= conform de verplichtingen<br />
van de cao) nodig om te zijner tijd optimaal te kunnen uitstromen<br />
naar een niet-bezwarende functie<br />
De tweede vraag, die daar logischerwijs op volgt, is: Wat moet de organisatie<br />
minimaal inzetten om deze uitstroom zo goed mogelijk te faciliteren<br />
Denk daarbij ook aan de extra menskracht die eventueel ingezet<br />
moet worden als medewerkers in het kader van een scholingstraject niet<br />
(volledig) ingeroosterd kunnen worden.<br />
De derde vraag is dan: Wat kan en/of wil de organisatie, in het kader van<br />
goed werkgeverschap, nog extra inzetten<br />
Bij de eerste en tweede vraag gaat het erom dat je, op grond van de<br />
kengetallen uit verleden en heden, allereerst bepaalt wat nu feitelijk het<br />
probleem is.<br />
Bij de laatste vraag gaat het om zaken als vergoeding van opleidingskosten<br />
boven mbo-niveau en vergoeding van verletkosten.<br />
De personeelsplanning kan op grond van deze ken- en stuurgetallen<br />
aanzienlijk worden verbeterd.<br />
Tip<br />
• Start op tijd met het ‘boven water’ halen van de kengetallen. In de<br />
praktijk is gebleken dat het een vrij lastige en/of tijdrovende aangelegenheid<br />
kan zijn om informatie uit P-dossiers of uit het personeelsinformatiesysteem<br />
te halen.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 65
6.4 Ontwikkelen <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
Zoals we in hoofdstuk 3 al beschreven, moet het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> ingebed<br />
worden in het P&O-beleid van de organisatie. Dat P&O-beleid zal,<br />
samen met de kaders vanuit de cao (zie ook paragraaf 5.2), leidend zijn<br />
voor vorm en inhoud van het te ontwikkelen <strong>loopbaanbeleid</strong>. Naast het<br />
achterhalen van de kengetallen van de doelgroep, is het daarom belangrijk<br />
om te weten wat de al aanwezige P&O- en/of loopbaanvisie is en wat<br />
de aanwezige kaders zijn met betrekking tot <strong>loopbaanbeleid</strong>, scholing en<br />
dergelijke. Welke regelingen worden er al binnen de organisatie gehanteerd<br />
en hoe verhouden die zich tot de kaders die voortkomen uit de cao<br />
Het is raadzaam om bij het inbedden van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> optimaal<br />
gebruik te maken van al ontwikkeld beleid en van de al aanwezige<br />
beleidsdocumenten op het gebied van P&O.<br />
Het ene korps zal er, bij de ontwikkeling van zijn beleid, de voorkeur aan<br />
geven de kaders praktisch uit te werken naar een eigenstandig pakket<br />
maatregelen en regelingen en daar voldoende aan hebben. Het andere<br />
korps zal, vanuit een uitgekristalliseerde visie op 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> en<br />
een concreet geformuleerde missie en doelstellingen, toewerken naar<br />
een integrale beleidsnotitie, waarin alle raakvlakken met de andere<br />
P&O-aspecten beschreven staan en waarin tevens wordt opgenomen hoe<br />
de vigerende regelingen en instrumenten geactualiseerd moeten worden.<br />
Zoals eerder gesteld kenmerkt de <strong>brandweer</strong> zich door eenheid in veelheid.<br />
Ook waar het gaat om de uitwerking van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>,<br />
zien we dit beeld in de praktijk terug. Het belangrijkst is echter dat er<br />
een beleid wordt ontwikkeld dat, qua vorm en inhoud, past bij de eigen,<br />
specifieke situatie van het korps, maar ook (of vooral) passend is bij de<br />
eigen organisatiecultuur. Het is de discrepantie tussen die vigerende cultuur<br />
in de organisatie en de gewenste cultuur die in dat beleid de grootst<br />
mogelijke aandacht zal moeten krijgen! Geen lifetime employment meer,<br />
maar loopbaangericht en naar buiten gericht, passend bij de eisen van de<br />
huidige maatschappij.<br />
Het is raadzaam om in het te ontwikkelen beleid en de te ontwikkelen<br />
maatregelen een onderscheid te maken tussen beleid en beleidsmaatregelen<br />
voor de zittende en voor de nieuwe medewerkers. Uit de ervaringen<br />
binnen de pilotkorpsen is gebleken dat het beleid voor de nieuwe medewerkers<br />
relatief eenvoudig van opzet kan zijn. Dit heeft te maken met het<br />
feit dat nieuwe medewerkers bij binnenkomst al weten dat zij maximaal<br />
twintig jaar in een bezwarende functie mogen werken. De fasering in hun<br />
66
loopbaanmodel, als ook de benodigde facilitering, is voor hen relatief<br />
makkelijk vast te stellen en te vertalen in beleidsmaatregelen.<br />
Bij de zittende groep medewerkers zijn er echter complicerende factoren<br />
– Medewerkers in deze groep zitten, op het moment dat het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
geïmplementeerd wordt, in zeer verschillende fasen in hun carrière.<br />
Voor een 48-jarige medewerker moet bijvoorbeeld de oriëntatie-,<br />
ontwikkel- en door-/uitstroomfase in een extreem geval (bijvoorbeeld<br />
bij dreigende uitval) in een tijdsbestek van een jaar worden afgerond,<br />
terwijl anderen daar ruim (twintig jaar) de tijd voor hebben.<br />
– Voor het grootste deel van de zittende medewerkers zal scholing niet<br />
echt problematisch hoeven te zijn, maar voor oudere medewerkers (op<br />
latere leeftijd ingestroomd en met veel dienstjaren) kan het starten<br />
van een ontwikkeltraject, met daarbij ook nog een accent op scholing,<br />
de nodige onrust en angst teweegbrengen. Scholing op mbo-niveau<br />
zou voor deze specifieke groep wel eens een ‘brug te ver’ kunnen<br />
zijn. Vraag je daarom af waaraan je de oudere medewerkers nog wilt<br />
blootstellen in het kader van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. Een training, een<br />
korte bijscholing of een stage kunnen voor deze groep ook uitstekende<br />
middelen zijn om het gewenste scholingseffect te bewerkstelligen of<br />
medewerkers te begeleiden naar een niet-bezwarende functie.<br />
– Daarnaast zit er voor deze groep extra complexiteit in het overgangsrecht,<br />
waardoor het soms zeer lastig is te overzien, wat financieel<br />
gezien een goede keuze is: gebruikmaken van dat overgangsrecht, of<br />
toch uitstromen naar een niet-bezwarende functie met bijvoorbeeld<br />
een kans op verbeterde pensioenopbouw.<br />
– Ten slotte is voor deze groep de vereiste cultuurverandering de meest<br />
ingrijpende verandering. In de ogen van veel medewerkers leidt de<br />
invoering van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> er namelijk toe dat de,voor de<br />
<strong>brandweer</strong> altijd zo kenmerkende ‘familiecultuur’ verlaten wordt.<br />
Uit de ervaringen in de pilotkorpsen is duidelijk geworden dat het<br />
draagvlak voor het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> aanzienlijk breder wordt, naarmate<br />
medewerkers meer betrokken worden bij de ontwikkeling daarvan. Deels<br />
wordt dit gerealiseerd door de voorgestelde projectstructuur, met daarin<br />
een duidelijke taak en rol voor medewerkers en OR/OC. Daarnaast speelt<br />
goede communicatie hierin een belangrijke rol. Ten slotte kan er, om<br />
het draagvlak te vergroten en tegelijkertijd de toepasbaarheid van het<br />
ontwikkelde beleid te checken, gestart worden met een groep pilotmedewerkers.<br />
Deze groep kan in een versneld programma het gehele proces<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 67
van de ontwikkeling van een loopbaanplan, de eventuele assessment en/<br />
of het benodigde EVC-traject tot en met een stage en/of scholing doorlopen<br />
(zie ook paragraaf 6.8).<br />
Tips<br />
• Sluit zo goed mogelijk aan bij het huidige P&O-beleid.<br />
• Maak zo veel mogelijk gebruik van al aanwezige P&O-beleidsdocumenten.<br />
• Verdiep je in de landelijke beleidsmodellen op het gebied van 2 e loopbaan.<br />
• Geef daar een eigen kleuring aan door middel van workshops met de<br />
projectgroep en de klankbordgroep.<br />
• Maak in het beleid een onderscheid tussen zittende en nieuwe medewerkers;<br />
beide groepen hebben hun eigen, specifieke kenmerken en<br />
eisen.<br />
• Pas op dat je de oudere, zittende medewerkers niet overvraagt als het<br />
gaat om scholing. Voor hen zijn er ook andere mogelijkheden, zoals<br />
trainingen en stages.<br />
• Maak bij de ontwikkeling van je beleid gebruik van de expertise van<br />
je doelgroep. Zij weten het best wat hun mogelijkheden, ambities en<br />
wensen zijn!<br />
• Besteed aandacht aan de thuissituatie, om ook de medewerker mee te<br />
krijgen!<br />
6.5 Inzicht in financiële consequenties<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> en overgangsrecht<br />
De kosten van het <strong>loopbaanbeleid</strong> zitten niet zozeer in de directe scholingskosten<br />
(school- en collegegeld), maar veeleer in indirecte zaken<br />
(verletkosten) en in het overgangsrecht. Maak daarom, met behulp van<br />
een financiële expert en de P&O-adviseur binnen de organisatie, een<br />
doorberekening van de financiële consequenties van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
De volgende kengetallen moeten daarbij onderscheiden worden:<br />
– geplande (jaarlijkse) kosten van scholing, training, et cetera<br />
– verlet- en vervangingskosten<br />
– kosten loopbaanadviseur<br />
– kosten assessments en EVC-trajecten<br />
– in uitzonderlijk gevallen kosten outplacementtrajecten.<br />
68
Probeer daarnaast, op grond van ervaringen met de uitstroom in het<br />
verleden, een schatting te maken van de consequenties van het overgangsrecht.<br />
Dat laatste punt is van speciaal belang, omdat het heel<br />
expliciet kan maken wat de kosten voor de organisatie zijn indien de<br />
zittende medewerkers niet bezig gaan met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> en volledig<br />
of gedeeltelijk gebruikmaken van hun rechten. Denk hierbij aan zaken als<br />
de fiscale boete bij volledig stoppen met werken vanaf het 55e levensjaar<br />
en 90% doorbetaling bij 50% werken vanaf het 55e levensjaar. Hoewel het<br />
op voorhand niet exact duidelijk is wat voor keuzes zittende medewerkers<br />
in de latere fase van hun loopbaan zullen maken, is het raadzaam om<br />
zowel een ‘worstcasescenario’, alsook een ‘bestcasescenario’ door te<br />
berekenen, omdat dit de bandbreedte aangeeft van de kosten van het<br />
overgangsrecht, die de eerstkomende twintig tot dertig jaar op het personeelsbudget<br />
van het korps zullen drukken.<br />
Een voorbeeldberekening [18]<br />
In deze paragraaf behandelen we na de algemene uitgangspunten achtereenvolgens<br />
de verletkosten, de kosten van de loopbaanadviseur en de<br />
overige kosten. We sluiten de paragraaf af met een beschrijving van de<br />
relatie tussen de kosten van het overgangsrecht FLO en de kosten van<br />
het <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
Algemeen<br />
Om de kosten voor de uitvoering van het <strong>loopbaanbeleid</strong> te berekenen,<br />
kan het beste als uitgangspunt een periode van tien jaar worden genomen,<br />
omdat zo’n periode redelijk te overzien is. De snelle veranderingen<br />
in regelgeving (met name ontwikkelingen rondom pensioenleeftijd)<br />
maken het lastig om consequenties op nog langere termijn te overzien.<br />
Daarnaast is er slechts in beperkte mate zicht op ontwikkelingen zoals<br />
natuurlijk verloop.<br />
In de voorbeeldberekeningen gaan we uit van een gemiddeld korps waarbinnen<br />
zo’n vijftig medewerkers in aanmerking komen om aan het werk<br />
te gaan met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> (per 1 januari 2006 minder dan twintig<br />
bezwarende dienstjaren). Bij die vijftig medewerkers gaat het deels om<br />
zittende (40) en deels om nieuwe (10) medewerkers. De berekeningen<br />
18 Deze cijfers zijn gebaseerd op een middelgroot korps (met circa vijftig medewerkers<br />
die met het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> aan de slag moeten) en dienen als voorbeeld.<br />
Aan deze cijfers kunnen geen rechten worden ontleend.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 69
zijn gebaseerd op een doorberekening van de te verwachten en reeds<br />
gemaakte kosten in korps Leeuwarden en is verder aangevuld met de<br />
ervaringen in de zes pilotkorpsen.<br />
Verletkosten<br />
Wanneer vijftig medewerkers, verdeeld over de diverse fasen uit het<br />
loopbaanmodel, aan de slag moeten met het tweede <strong>loopbaanbeleid</strong>, dan<br />
is er jaarlijks circa € 100.000 (2 fte) nodig aan verletkosten voor de uitvoering<br />
van dat beleid.<br />
Kosten loopbaanadviseur<br />
Met vijftig medewerkers mag ervan uitgegaan worden dat er minimaal<br />
een gemiddelde, structurele inzet van een parttime loopbaanadviseur of<br />
-coach (een dag per week) nodig zal zijn. Geraamde kostenpost op jaarbasis<br />
is dan circa € 20.000.<br />
Specificatie overige kosten per fase<br />
Naast de kosten voor het <strong>loopbaanbeleid</strong>, het overgangsrecht en de loopbaanadviseur,<br />
zijn er nog enkele incidentele kosten, waaronder:<br />
– training leidinggevenden: circa € 1.000 per leidinggevende<br />
– kosten EVC-procedure: circa € 1.000 per traject<br />
– kosten loopbaanonderzoek: circa € 250 per traject<br />
– opleidingskosten (school-/collegegeld et cetera): circa € 1.500 per<br />
traject.<br />
Voor de doorberekening van deze kosten naar een kostenoverzicht op<br />
jaarbasis, is van de volgende veronderstellingen uitgegaan [19] :<br />
– Na 1 januari 2006 zijn er circa tien medewerkers nieuw in dienst<br />
getreden. Afgezien van het opstellen en driejaarlijks actualiseren van<br />
hun loopbaanplan, starten zij pas na circa tien jaar met de eerste loopbaanactiviteiten<br />
wanneer zij in de oriëntatiefase zijn aangekomen. Deze<br />
medewerkers zijn vaak in het bezit van een diploma op mbo-niveau of<br />
functioneren al op mbo-niveau.<br />
– Circa veertig zittende medewerkers moeten een 2 e loopbaan voorbereiden.<br />
Een aantal van hen (circa 10) start pas over vijf jaar met de<br />
oriëntatiefase.<br />
19 Bij deze berekeningen wordt uitgegaan van een aantal mogelijke beleidskeuzes<br />
(bijvoorbeeld vergoeding extra reiskosten in de oriëntatiefase). Deze keuzes kunnen<br />
voor ieder korps verschillend zijn!<br />
70
– Dertig medewerkers moeten in de komende vijf jaar aan de slag met<br />
oriëntatie en/of opleiding.<br />
– Voor de kosten van de oriëntatiefase wordt van het volgende uitgegaan:<br />
– 75% van de medewerkers zal een EVC-traject volgen.<br />
– Bij 50% van de medewerkers is een extern loopbaanonderzoek noodzakelijk.<br />
– De te declareren onkosten voor openbaar vervoer, opleidingsbeurzen<br />
et cetera bedragen per medewerker circa € 100;<br />
– Er is in dit voorbeeld voor gekozen om in de oriëntatiefase de verletkosten<br />
te betalen tot een maximum van 36 uur; per medewerker impliceert<br />
dat 36 maal € 24 (uurtarief) = totaal € 864.<br />
Op basis hiervan is een berekening gemaakt van de gemiddelde kosten op<br />
jaarbasis voor de oriëntatiefase. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen<br />
de eerste vijf jaar, waarin vooral zittende medewerkers activiteiten gaan<br />
ondernemen, en de tweede periode van vijf jaar.<br />
Gemiddelde kosten per medewerker voor de oriëntatiefase<br />
Kostensoort Factor Kosten Totaal<br />
EVC-traject 0,75 € 1.000,00 € 750,00<br />
Loopbaanonderzoek 0,5 € 250,00 € 125,00<br />
Acitiveiten € 100,00 € 100,00<br />
Verlet 36 € 24,00 € 864,00<br />
Totaal voor 5 jaar € 1.839,00<br />
op jaarbasis (5 jaar) € 367,80<br />
Totale kosten per periode<br />
Periode 2008–2<strong>01</strong>3 (30 medewerkers) € 11.034,00<br />
Periode 2<strong>01</strong>3–2<strong>01</strong>8 (20 medewerkers) € 7.356,00<br />
Gemiddeld volgen in de ontwikkelfase vier medewerkers per jaar een<br />
opleiding.<br />
Totale opleidingskosten (lesgeld) op jaarbasis zijn dan € 6.000. Eenmaal<br />
in de vier jaar neemt een nieuwe leidinggevende deel aan de training of<br />
ondersteuningsmodule voor leidinggevenden.<br />
De geschatte gemiddelde kosten van de door-/uitstroomfase (daadwerkelijke<br />
oriëntatie op doorstroom) bedragen per medewerker 36 uur x €<br />
24 = € 864. Omdat er voor het zittend personeel geen door- of uitstroomverplichting<br />
bestaat, gaan we ervan uit dat in de komende jaren weinig<br />
medewerkers van deze faciliteit gebruik maken. Voor de periode 2008-<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 71
2<strong>01</strong>3 wordt, bij een korpsomvang van 50 medewerkers, uitgegaan van drie<br />
medewerkers per jaar en voor de periode 2<strong>01</strong>3-2<strong>01</strong>8 wordt uitgegaan van<br />
vijf medewerkers per jaar.<br />
Overzicht specifieke kosten periode 2008-2<strong>01</strong>3 en 2<strong>01</strong>3-2<strong>01</strong>8<br />
Totale kosten op jaarbasis 2008–2<strong>01</strong>3<br />
Totaal<br />
Medewerkers in oriëntatiefase € 11.034,00<br />
Medewerkers in outplacementfase € 518,40<br />
Opleidingskosten € 6.000,00<br />
Training leidinggevende € 250,00<br />
Inzet loopbaanadviseur<br />
poste restante<br />
Totaal € 17.802,40<br />
Totale kosten op jaarbasis 2<strong>01</strong>3–2<strong>01</strong>8<br />
Totaal<br />
Medewerkers in oriëntatiefase € 7.356,00<br />
Medewerkers in outplacementfase € 864,00<br />
Opleidingskosten € 6.000,00<br />
Training leidinggevende € 250,00<br />
Inzet loopbaanadviseur<br />
poste restante<br />
Totaal € 14.470,00<br />
Dekking<br />
Op basis van de bedragen uit bovenstaande tabel hebben we voor de<br />
komende tien jaar in beeld gebracht wat de structurele kosten voor het<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> op jaarbasis zijn, die de <strong>brandweer</strong> aanvullend binnen de<br />
eigen begroting moet dekken.<br />
Kostensoort 2008–2<strong>01</strong>3 Per jaar<br />
Verletkosten algemeen € 1.000.000 € 100.000<br />
Kosten loopbaanadviseur € 200.000 €20.000<br />
Specifieke kosten € 32.272 € 3.227<br />
Totaal € 1.232.272 € 123.227<br />
Relatie overgangsrecht met kosten overgangsrecht FLO<br />
De kosten van het overgangsrecht FLO nemen af wanneer medewerkers<br />
hun loopbaantraject succesvol afronden en doorstromen naar hun 2 e<br />
loopbaanfunctie. Omdat dit met name geldt voor de groep met nog maar<br />
weinig dienstjaren per 1 januari 2006, worden de financiële voordelen<br />
hiervan pas op lange termijn zichtbaar. Immers, op het moment dat<br />
medewerkers kunnen doorwerken in die 2 e loopbaanfunctie, dan heeft<br />
dat een voordeel ten opzichte van het overgangsrecht. Dit voordeel<br />
bestaat eruit dat de organisatie 80% of 90% van de bezoldiging in de<br />
72
periode dat de medewerker 55 tot 59 jaar is, niet meer hoeft te betalen.<br />
Daarnaast hoeft de organisatie in het geval van 80% van de bezoldiging<br />
(zonder arbeidsprestatie van de medewerker) geen fiscale boete te betalen.<br />
Hoewel dit voor de werkgever zeer gunstig is, kunnen medewerkers<br />
die onder het overgangsrecht vallen niet gedwongen worden om in een 2 e<br />
loopbaanfunctie door te stromen. De kosten voor het overgangsrecht FLO<br />
zullen in de meerjarenbegroting opgenomen moeten worden en jaarlijks<br />
worden bijgesteld [20] .<br />
6.6 Training leidinggevenden<br />
Zoals al in paragraaf 5.4 gesteld werd, spelen zowel de functioneel als<br />
de hiërarchisch leidinggevenden een rol bij het <strong>loopbaanbeleid</strong>. Daarom<br />
moeten zij voldoende zicht hebben op de consequenties van de caoafspraken,<br />
de inhoud van het <strong>loopbaanbeleid</strong> en de mogelijk in te zetten<br />
loopbaaninstrumenten. Het vereist echter ook dat men in voldoende mate<br />
de competenties beheerst om het onderwerp bespreekbaar te maken en<br />
te houden. Bij een goede inbedding van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is de rol<br />
van de leidinggevende van doorslaggevend belang. Als de leidinggevende<br />
onvoldoende in staat is om zijn verantwoordelijkheden hierin te nemen,<br />
zal het uiteindelijke resultaat onvoldoende zijn. Omdat gebleken is dat de<br />
hiervoor vereiste competenties bij lang niet alle leidinggevenden in voldoende<br />
mate ontwikkeld zijn, is een training een probaat middel om deze<br />
competenties (weer) op niveau te krijgen.<br />
Er is in het kader van de pilot 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> daarom een training<br />
ontwikkeld die bestaat uit vier ondersteuningsmodules. Deze modules,<br />
die elk een dagdeel in beslag nemen, zijn gecentreerd rond de thema’s<br />
Informeren, Instrueren, Motiveren en Reflecteren. Eindresultaat bij het<br />
doorlopen van die training is dat de leidinggevende:<br />
– kennis heeft over de consequenties van de cao-afspraken;<br />
– inzicht heeft in zijn eigen rol en in de rol van overige betrokkenen;<br />
– handvatten heeft voor begeleiding en sturing van medewerkers;<br />
– inzicht heeft in persoonlijke aandachtspunten voor het vervullen van<br />
zijn rol.<br />
20 Zie bijlage Toelichting Rekenmodel Kostenberekening cao-afspraken op de website<br />
van het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> (www.aeno.nl).<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 73
Uit de try-out van deze training bleek dat leidinggevenden de modules<br />
als zeer zinvol beoordeelden en kwam daarnaast naar voren dat leidinggevenden<br />
de behoefte hebben om een dergelijke training met regelmaat<br />
te volgen zodat hun kennis en vaardigheden paraat blijven.<br />
Los van deze training die heel specifiek ingaat op het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
binnen de <strong>brandweer</strong>sector, is er landelijk een zeer groot aanbod van<br />
trainingen op het gebied van gespreksvaardigheidstechnieken (en dan<br />
met name functionerings-, ontwikkel- en beoordelingsgesprekken)<br />
waarin ook de nodige kennis en vaardigheden worden aangereikt.<br />
6.7 Voorlichting en commitment<br />
medewerkers<br />
Een van de belangrijkste knelpunten bij de invoering van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
is de terughoudendheid (en soms weerstand) bij de zittende<br />
medewerkers. Die terughoudendheid komt voort uit het feit dat men<br />
vaak onvoldoende zicht heeft op de persoonlijke consequenties die de<br />
verandering van de cao heeft op de eigen financiële toekomst. Dat gebrek<br />
aan inzicht is niet verwonderlijk, omdat de uitwerking van de cao sterk<br />
afhangt van zaken als leeftijd en aantal bezwarende jaren. Daarnaast<br />
biedt het overgangsrecht voor deze groep medewerkers nogal wat keuzemogelijkheden,<br />
elk met zijn eigen financiële gevolgen.<br />
Een goede, eenduidige communicatie, vanaf de start van de ontwikkeling<br />
van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>, is daarom van essentieel belang. Het<br />
is daarom raadzaam om binnen of naast het <strong>loopbaanbeleid</strong> ook een<br />
communicatieplan te ontwikkelen. Belangrijke communicatiemiddelen<br />
daarvoor zijn intranet en nieuwsbrieven, maar ook het werkoverleg kan<br />
hier goed voor gebruikt worden. In verschillende pilotkorpsen komt het<br />
hoofd repressie, samen met de personeelsadviseur, regelmatig tijdens<br />
het werkoverleg de ploegen bijpraten over de voortgang en ontwikkelingen<br />
met betrekking tot het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
Daarnaast moeten de medewerkers zo snel mogelijk worden geïnformeerd<br />
over de consequenties van de cao. Binnen de pilotkorpsen bleken<br />
kleinschalige bijeenkomsten (van ploegen of teams), waarin die consequenties<br />
op hoofdlijnen worden uitgelegd, zeer effectief te zijn. Indien de<br />
medewerker daar behoefte aan heeft, moet vervolgens wel een gesprek<br />
met de P&O-adviseur mogelijk zijn, om de meer persoonlijke consequen-<br />
74
ties te bespreken. Binnenkort zijn hiervoor handige instrumenten en<br />
rekenmodellen te vinden op de website van de NVBR (www.nvbr.nl).<br />
Tips<br />
• Laat de commandant of het hoofd repressie, samen met de P&Oadviseur,<br />
aan alle ploegen/teams een voorlichting geven over de consequenties<br />
van de afspraken in de cao.<br />
• Verspreid de hand-outs van deze presentatie in de ploegen breed,<br />
zodat personen die niet aanwezig konden zijn bij de presentatie op<br />
basis van de hand-outs en de terugkoppeling van hun collega’s toch<br />
een redelijk beeld krijgen van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
• Werk de vragen en antwoorden vanuit de presentatie uit en verspreid<br />
die onder de medewerkers.<br />
• Investeer in discussie met de medewerkers. Het is niet erg om in alle<br />
ploegen (bijna) dezelfde vragen te moeten beantwoorden. Het gaat<br />
erom dat het kwartje bij de medewerkers valt.<br />
• Wees eerlijk in het vertellen van de boodschap. Maak ook duidelijk<br />
welke zaken (nog) niet geregeld zijn en wat er op basis van het beleid<br />
voor de medewerkers te verwachten is.<br />
• Maak de presentatie interactief.<br />
• Houd een veegsessie voor alle medewerkers die door het rooster niet<br />
aanwezig konden zijn tijdens de presentatie.<br />
• Ontwikkel een goed communicatieplan om mensen op de hoogte te<br />
krijgen en houden.<br />
6.8 Pilot met een testgroep<br />
Om het draagvlak onder de medewerkers te vergroten is het, zoals we<br />
in paragraaf 6.4 al aangaven, een goede optie om met een testgroep van<br />
start te gaan. Zo’n testgroep bestaat uit vrijwillige medewerkers die een<br />
deel of het gehele traject van de ontwikkeling van een loopbaanplan tot<br />
en met het een scholingstraject doorlopen.<br />
Meewerken aan het traject betekent voor die vrijwillige medewerkers<br />
bijvoorbeeld:<br />
– een aantal gesprekken met de loopbaanadviseur<br />
– inzicht in de persoonlijke situatie (bijvoorbeeld relevante cao-afspraken)<br />
– afname van interesse-, persoonlijkheids- en capaciteitentesten<br />
– onderzoek naar: wat kan ik, wat wil ik, wat ga ik doen<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 75
– het ontwikkelen van een loopbaanplan<br />
– gesprekken met de leidinggevende om concrete afspraken te maken<br />
– feitelijk aan de slag met het loopbaanplan<br />
– een bijdrage aan de totstandkoming 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
– een tijdsinvestering van maximaal 20 uur.<br />
Om hiermee zo veel mogelijk draagvlak te creëren, en zo veel mogelijk<br />
bruikbare informatie over het te voeren beleid te krijgen, is het zinvol<br />
om aan medewerkers duidelijk te maken dat meedoen aan de pilot wel<br />
vrijwillig, maar niet vrijblijvend is.<br />
Andere aandachtspunten:<br />
– Beschouw de te investeren tijd als werktijd.<br />
– Maak van tevoren duidelijk afspraken over wat er van alle betrokkenen<br />
verwacht mag en kan worden.<br />
– Streef bij de samenstelling van de groep vrijwillige medewerkers naar<br />
een zo getrouw mogelijke afspiegeling van de huidige personeelsbezetting.<br />
– Maak afspraken over de doorlooptijd van het project.<br />
Tips<br />
• Gebruik de vrijwillige medewerkers als ambassadeurs die aan de<br />
koffietafel het onderwerp bespreekbaar maken en laten zien dat het<br />
onderwerp leuk is, in plaats van bedreigend.<br />
• Maak posters met foto’s van de vrijwillige medewerkers en geef daarop<br />
hun motivatie om een loopbaanplan te ontwikkelen weer. Hang de posters<br />
op plekken die voor alle medewerkers goed zichtbaar zijn.<br />
6.9 Bijstellen personeelsprocessen<br />
In hoofdstuk 3 raadden we al aan om bij de ontwikkeling van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
zo veel mogelijk aan te sluiten bij het vigerende hrm-beleid.<br />
Daarnaast stelden we al dat actualisering van vigerend hrm-beleid en<br />
vigerende personeelsprocessen een logisch gevolg zou zijn van de ontwikkeling<br />
van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. Dat kan beginnen met het wervingen<br />
selectiebeleid. Daar kiezen veel korpsen dan ook voor. In aansluiting<br />
op de eisen van de cao worden nog slechts medewerkers geworven met<br />
minimaal mbo-niveau of een mbo-diploma. De voor- en nadelen daarvan<br />
beschreven we al in paragraaf 3.3.<br />
76
Uit de ervaringen van de pilotkorpsen is duidelijk geworden dat het<br />
actualiseren van de rest van de verwante personeelsprocessen een<br />
veel lastiger klus is. Andere zaken binnen de organisatie krijgen vaak<br />
prioriteit en de ontwikkeling en invoering van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> wordt<br />
als een separaat project gezien. Dat is jammer, omdat hier toch nog wel<br />
enige winst te behalen is. Neem bijvoorbeeld de beoordelingscyclus en<br />
de bijbehorende gespreksformats: in de meeste organisaties worden er<br />
met de medewerkers al jaarlijks functionerings- en/of POP-gesprekken<br />
gevoerd. In die gesprekken draait het om de loopbaan van de medewerker,<br />
waarbij het accent in eerste instantie vooral ligt bij de ontwikkeling<br />
in de 1e loopbaan. Dat accent zal echter steeds meer moeten verschuiven<br />
naar de 2 e loopbaan in een niet-bezwarende functie. Door ook het<br />
portfolio en het loopbaanplan bij deze gesprekken te betrekken en de<br />
gespreksformats voor de beoordelingscyclus daaraan aan te passen, zal<br />
het denken over de 2 e loopbaan beter ingebed worden binnen de organisatie.<br />
Andere personeelsprocessen die, onder invloed van het 2 e loopbaandenken,<br />
mogelijk bijstelling vereisen, zijn:<br />
– functievorming en functiedifferentiatie<br />
– functiewaardering<br />
– personeelsvoorziening/personeelsplanning<br />
– personeelsontwikkeling.<br />
Functievorming en functiedifferentiatie<br />
Actualisering van de functie-inhoud zal noodzakelijk zijn wanneer:<br />
1. functie-eisen verhoogd worden naar mbo-niveau, of<br />
2. er een herverdeling van bezwarende taken binnen functies wordt<br />
gemaakt om daarmee het risico op vervroegde uitval tegen te gaan, of<br />
3. er door herverdeling van taken alleen nog geheel bezwarende en<br />
geheel niet-bezwarende functies overblijven.<br />
Functiewaardering<br />
Bij een verandering van de functie-inhoud is het vaak noodzakelijk om de<br />
waardering van functies te herzien.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 77
Personeelsvoorziening/personeelsplanning<br />
1. Het creëren van nieuwe of aangepaste functies kan leiden tot extra<br />
doorstroommogelijkheden.<br />
2. In het kader van scholing en door verminderde inzetbaarheid van<br />
personeel als resultaat van het overgangsrecht kunnen roostering en<br />
personeelsvoorziening onder druk komen te staan.<br />
Hierdoor wordt het noodzakelijk de personeelsvoorziening en de strategische<br />
personeelsplanning te actualiseren.<br />
Personeelsontwikkeling<br />
Actualisering van het scholings- en ontwikkelingsbeleid komt in paragraaf<br />
6.10 uitvoeriger aan de orde.<br />
Tips<br />
• Vermijd de ‘kip of het ei-situatie’: pas je eerst je processen of formats<br />
aan, of wacht je daar juist mee totdat je voldoende ervaringen hebt<br />
opgedaan Wees je ervan bewust dat het een geen absolute voorwaarde<br />
is voor het ander. De enige voorwaarde is dat de processen op<br />
het eind van de rit ook daadwerkelijk zijn aangepast!<br />
• Maak gebruik van de kennis die bij (pilot)korpsen aanwezig is.<br />
• Bij aanname kun je voorwaarden scheppen voor het behalen van een<br />
mbo-diploma.<br />
Ontwikkeling regelingen<br />
De belangrijkste regelingen die in het kader van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
ontwikkeld of aangepast moeten worden, zijn de studiefaciliteiten, de<br />
loopbaanfaciliteiten en de organisatorische faciliteiten.<br />
Studiefaciliteiten<br />
Doel van het <strong>loopbaanbeleid</strong> is om medewerkers optimaal voor te bereiden<br />
op de doorstroom naar een 2 e loopbaanfunctie. Het op peil brengen<br />
van de opleidingskwalificaties kan daar een belangrijk onderdeel van zijn.<br />
Welke opleidingskwalificaties noodzakelijk zijn, is afhankelijk van de 2 e<br />
loopbaanrichting/functie die de medewerker – in overleg met zijn manager<br />
– heeft gekozen én van de kwalificaties die de medewerker al heeft<br />
behaald. Die kwalificaties kunnen naast behaalde diploma’s ook bestaan<br />
uit een erkenning van eerder verworven competenties (EVC).<br />
Welke studiefaciliteiten de medewerker nodig heeft om de benodigde<br />
kwalificaties te halen, is dus afhankelijk van zijn individuele situatie.<br />
78
Dat houdt niet in dat een korps daarmee ook altijd voor maatwerk hoeft<br />
te kiezen. Het is aan te bevelen om minimaal een aantal vaste kaders<br />
te hanteren. Daarbij kan eventueel onderscheid worden gemaakt naar<br />
kaders voor opleidingstrajecten tot minimaal mbo-niveau en kaders voor<br />
opleidingen tot een hoger niveau.<br />
In het laatste geval moet men zich afvragen of dergelijke opleidingen nog<br />
onder het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> vallen, of dat zij thuishoren bij de reguliere<br />
studiefaciliteitenregeling (van korps of gemeente). In de studiefaciliteitenregeling<br />
moeten ook de kaders vastgelegd worden met betrekking tot<br />
verletkosten, inroostering, terugbetalingsregelingen, et cetera.<br />
Loopbaanfaciliteiten<br />
In het kader van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> moet vastgelegd worden onder<br />
welke voorwaarden en op welk moment medewerkers een beroep kunnen<br />
doen op de algemene faciliteiten voor het <strong>loopbaanbeleid</strong>. Het gaat<br />
daarbij om zaken als loopbaanoriëntatie, het aantal gesprekken met een<br />
loopbaanadviseur, second opinion na assessment of na loopbaanoriëntatie,<br />
arbeidsmarktoriëntatie, stages en detacheringen.<br />
Organisatorische faciliteiten<br />
Om medewerkers goed te kunnen ondersteunen bij het 2 e loopbaantraject<br />
moet de leidinggevende minimaal voldoende zicht hebben op de consequenties<br />
van de cao-afspraken, de inhoud van het <strong>loopbaanbeleid</strong> en de<br />
mogelijk in te zetten loopbaaninstrumenten. Het vereist echter ook dat hij<br />
de competenties beheerst om het onderwerp daadwerkelijk bespreekbaar<br />
te maken en te houden. Wanneer die kennis en competenties<br />
onvoldoende aanwezig zijn, dan moet hij daarin ondersteund en getraind<br />
worden. Daar moet dus een regeling voor worden opgesteld!<br />
Een tweede organisatorische faciliteit is dat er één lid van het managementteam<br />
wordt aangewezen als verantwoordelijke voor het <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
Daarmee wordt de betrokkenheid van het management bij het<br />
2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> gewaarborgd. Van dit managementlid mag worden<br />
verwacht dat hij jaarlijks het <strong>loopbaanbeleid</strong> evalueert, verantwoordt en<br />
waar nodig bijstelt.<br />
Ten slotte vraagt ondersteuning bij de ontwikkeling van een 2 e loopbaan<br />
de inzet van een loopbaanadviseur. Vaak zal hierbij de inzet van een parttime<br />
loopbaanadviseur voldoende zijn. Eventueel kan er gebruikgemaakt<br />
worden van een loopbaanadviseur van de gemeente. Als dat niet mogelijk<br />
is, kan er, bij kleinere korpsen, ook gedacht worden aan samenwerkings-<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 79
verbanden met andere korpsen om een parttime loopbaanadviseur aan te<br />
stellen of in te huren.<br />
Naast de inzet van faciliteiten om de ontwikkeling van een 2 e loopbaan<br />
zo goed mogelijk gestalte te geven, heeft het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> ook<br />
op andere wijze belangrijke organisatorische consequenties. Tijdens<br />
de oriëntatie- en de door-/uitstroomfase, maar met name tijdens de<br />
opleidingsfase zijn medewerkers gedurende kortere of langere tijd niet<br />
beschikbaar voor de repressieve dienst. Dit betekent dat hier in het rooster<br />
rekening mee moet worden gehouden, terwijl daarnaast ook extra<br />
personele inzet noodzakelijk is.<br />
Uit onderzoek blijkt dat potentiële doorstroommogelijkheden vanuit de<br />
bezwarende functie over de gehele linie in voldoende mate aanwezig zijn.<br />
Dat neemt echter niet weg, dat het management van zowel <strong>brandweer</strong><br />
als gemeente zich bewust moeten zijn van de verplichting die er vanuit<br />
de cao ligt om mee te werken aan de ontwikkeling van een 2 e loopbaan<br />
en het creëren van doorstroommogelijkheden. Het is niet alleen ‘het probleem<br />
van de medewerker’. Waar de gemeente door de regionalisering<br />
verder weg komt te staan van de <strong>brandweer</strong>organisatie, en de interne<br />
arbeidsmarkt voor doorstroming wordt vergroot doordat er veiligheidsregio’s<br />
gevormd zijn, is het juist van belang dat <strong>brandweer</strong>organisatie<br />
en gemeente afspraken maken over strategische personeelsplanning en<br />
voorkeursbeleid ten aanzien van <strong>brandweer</strong>personeel. Gezien de ontwikkelingen<br />
op de licht gespannen arbeidsmarkt, is dit ook in het belang van<br />
de gemeente zelf.<br />
6.10 Aanpassing regelingen en<br />
interne organisatie<br />
Eerder gaven we al aan dat de organisatie er, in het kader van het 2 e<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong>, goed aan doet zich te bezinnen op de huidige taakinhoud<br />
van de verschillende functies. Door taakinhoud te herschikken kan<br />
er functiedifferentiatie optreden, waardoor er een herverdeling kan<br />
ontstaan van bezwarende en niet-bezwarende functies, met eventueel<br />
meer doorstroommogelijkheden binnen het korps. Een andere optie die<br />
uitgewerkt kan worden in het kader van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is functies<br />
minder bezwarend te maken, om daarmee het risico op vroegtijdige uitval<br />
te minimaliseren. Beide wijzigingen zullen verregaande invloed hebben<br />
op de interne organisatie van het korps, dus is het van belang om eerst<br />
80
een goede kosten-batenanalyse te maken alvorens hiertoe over te gaan.<br />
De belangrijkste aanpassing in de organisatie bestaat uit de veranderingen<br />
in de personeelsvoorziening en daarmee in de roostering. Het<br />
opleidingsbeleid speelt hier een belangrijke rol in, waarbij de kaders<br />
over welke opleidingen in werktijd en welke in eigen tijd gevolgd mogen<br />
of moeten worden, doorslaggevend zijn. Daarnaast is het van essentieel<br />
belang om, op grond van de ken- en stuurgetallen met betrekking<br />
tot het personeelsverloop in relatie tot het overgangsrecht, vroegtijdig<br />
een inschatting te maken van de personeelsbezetting in de komende<br />
jaren.<br />
6.11 Implementatie van het nieuwe beleid<br />
Als de stappen die we in het vorige hoofdstuk beschreven, zorgvuldig<br />
en gedetailleerd zijn uitgevoerd, zal de feitelijke implementatie van het<br />
beleid weinig voeten in de aarde hebben. Desondanks benadrukken we<br />
hier nog enkele zaken die van doorslaggevende betekenis kunnen zijn.<br />
Voorwaarden invoering<br />
We stelden de pilotkorpsen de vraag wat er minimaal geregeld zou moeten<br />
zijn voordat het nieuwe beleid ingevoerd kan worden. Als antwoord<br />
daarop werden er verschillende voorwaarden geformuleerd. De meeste<br />
daarvan kwamen in eerdere hoofdstukken al ter sprake, maar voor de<br />
volledigheid hebben we ze als tips onder elkaar gezet, zodat snel kan<br />
worden bekeken of de organisatie klaar is om met het nieuwe beleid aan<br />
de slag te gaan.<br />
Kick-off<br />
In hoofdstuk 6 gaven we aan dat communicatie over het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
en dan vooral over de individuele consequenties daarvan, van doorslaggevende<br />
betekenis is om draagvlak te krijgen bij de medewerkers. Mocht<br />
u voor de medewerkers nog geen voorlichtingsbijeenkomsten of een<br />
speciaal spreekuur van de P&O-adviseur over dit onderwerp voor de<br />
medewerkers hebben georganiseerd, dan is de feitelijke invoering van<br />
het nieuwe beleid een goed moment om dit alsnog te doen.<br />
Die eerste voorlichtingsbijeenkomst kan de vorm krijgen van een kick-off.<br />
Met nadruk: geef überhaupt een feestelijk en gezamenlijk karakter aan<br />
de aftrap van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. Daarmee kan benadrukt worden dat<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 81
de veranderingen in de cao gaan over nieuwe mogelijkheden, over nieuwe<br />
kansen en over een nieuw perspectief op het werk.<br />
Medewerkers verantwoordelijk maken voor eigen loopbaan<br />
Vanaf de start van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> moet duidelijk zijn wat ieders<br />
rechten, plichten, taken en verantwoordelijkheden zijn. Het is belangrijk<br />
dat de medewerker de ontwikkeling van een loopbaanplan, het reflecteren<br />
op een 2 e loopbaan en het scholingstraject niet beschouwt als een<br />
opgelegde verplichting.<br />
Maak medewerkers duidelijk dat hun werk risicovol is en er voor een<br />
ieder de kans bestaat dat hij/zij na verloop van tijd door fysieke en psychische<br />
ongemakken de functie niet meer kan uitvoeren. Een slechte<br />
voorbereiding op dat risico betekent onvoldoende verantwoordelijkheid<br />
nemen voor je eigen toekomst!<br />
Ook met een optimale facilitering vanuit de organisatie is de uitstroom<br />
naar een niet-bezwarende functie niet gegarandeerd. Het succes hangt<br />
met name af van de persoonlijke inzet van de medewerker gedurende het<br />
gehele loopbaantraject. Een afwachtende houding, waarbij de medewerker<br />
leunt op de organisatie, de P&O-adviseur of de loopbaanadviseur, zal<br />
nooit de gewenste resultaten opleveren. Verder zijn ook de ontwikkelingen<br />
op de arbeidsmarkt van invloed op de door- en uitstroom.<br />
Tip<br />
• Een goed loopbaantraject slaagt pas als de medewerker hier zelf,<br />
vanaf de start, zijn eigen verantwoordelijk in neemt. Zorg ervoor dat<br />
uw medewerker zich, vanaf de start, verantwoordelijk voelt!<br />
Sportbeleid en PPMO inzetten als personeelsinstrument<br />
Wie zich bewust is van het verhoogde risico dat een bezwarende functie<br />
met zich meebrengt zal (meer) verantwoordelijkheid moeten nemen. Dat<br />
geldt voor medewerkers, maar ook voor de organisatie. De organisatie<br />
zal specifiek beleid moeten ontwikkelen om die medewerker gedurende<br />
zijn loopbaan in optimale lichamelijke en psychische conditie te houden.<br />
Een goed sportbeleid, waarbij de medewerker optimaal gefaciliteerd<br />
wordt om aan zijn conditie te werken, kan veel rendement opleveren.<br />
Dergelijk beleid betekent niet per definitie dat er op kazernes uitgebreide<br />
sportfaciliteiten worden gerealiseerd, er kunnen bijvoorbeeld ook<br />
samenwerkingsverbanden worden aangegaan met sport- en fitnesscentra.<br />
Uitkomsten van het PPMO kunnen hierin een toegevoegde waarde<br />
82
hebben. Het PPMO geeft de organisatie immers structureel zicht op de<br />
feitelijke conditie van de medewerkers en kan tevens indicaties opleveren<br />
over daadwerkelijke risicoverhoging. Daarnaast levert het voor een<br />
goede trainer of sportcoach allerlei indicaties voor een individueler trainingsprogramma<br />
voor de medewerker.<br />
Kwaliteitsborging<br />
Om het thema <strong>loopbaanbeleid</strong> actueel te houden en te borgen binnen de<br />
organisatie is het belangrijk om het met regelmaat terug te laten komen<br />
in de gesprekscyclus, en het in de overlegstructuur van de organisatie<br />
een vast agendapunt te maken. Daarvoor is het van belang dat de verschillende<br />
stakeholders binnen en buiten de organisatie met regelmaat<br />
ervaringen uitwisselen.<br />
Dat betekent dat de projectgroep niet direct moet worden opgeheven<br />
wanneer het beleid geïmplementeerd is. Het is beter om de groep,<br />
aangevuld met externe contacten (zoals CWI en roc’s), enkele jaren<br />
in stand te houden en regelmatig bijeen te laten komen, bijvoorbeeld<br />
halfjaarlijks. Tijdens dat overleg kunnen ervaringen worden uitgewisseld<br />
op grond waarvan het beleid, de faciliteitenregelingen en/of de loopbaaninstrumenten<br />
kunnen worden bijgesteld. Zo kan de kwaliteit van het 2 e<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong> geborgd worden. Het is wel nodig om het voorzitterschap<br />
van de projectgroep en daarmee ook de eindverantwoordelijkheid over<br />
het <strong>loopbaanbeleid</strong>, vanaf het moment van implementatie, bij een van de<br />
leden van het managementteam te leggen.<br />
Ook met het oog op de rechtspositionele consequenties van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
is het ten slotte van belang om de uitvoering van het beleid en<br />
de resultaten daarvan periodiek in een jaarverslag vast te leggen en te<br />
laten accorderen door de korpsleiding.<br />
Implementatie<br />
Voor de daadwerkelijke implementatie van het beleid zijn er verschillende<br />
aandachtspunten te noemen, die we als tips hebben weergegeven.<br />
Tips<br />
• Ga terug naar de ploegen en stel vragen: Wat is er tot nu toe gedaan<br />
Wat gaan we nu doen Wat ga jij doen<br />
• Maak er iets feestelijks van!<br />
• Zorg ervoor en toon aan dat het <strong>loopbaanbeleid</strong> geen papieren tijger is!<br />
• Koppel andere beleidsontwikkelingen aan het <strong>loopbaanbeleid</strong>, zoals<br />
vitaliteitbeleid en leeftijdsgericht personeelsbeleid.<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 83
• Neem PPMO mee in je beleid: verhoogde medische noodzaak kan ook<br />
aandacht opleveren voor de extra mogelijkheden voor de medewerker.<br />
• Geef pilotmedewerkers een ludiek cadeau(tje).<br />
• Geef de pilotmedewerkers speciale aandacht, want zij zijn het visitekaartje<br />
van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />
• Zet de succesverhalen van de pilotmedewerkers ook op de nieuwe<br />
website www.loopbaanladder.nl van het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten, ter<br />
inspiratie van andere medewerkers en andere korpsen.<br />
• Communiceer zo veel mogelijk mondeling, want schriftelijke informatie<br />
wordt niet altijd gelezen!<br />
Vier je successen!<br />
Elke verandering is moeilijk. Dan kan het helpen om de successen te<br />
vieren. Laat de medewerkers die een 2 e loopbaantraject gestart zijn<br />
daarover vertellen in het personeelsblad of een weblog bijhouden op<br />
intranet. Vier de uitreiking van de ervaringscertificaten en diploma’s met<br />
een bijeenkomst en foto’s en filmpjes. Kortom, maak 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
tot een feest, en nodig iedereen uit.<br />
84
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 85
Geraadpleegde bronnen<br />
1. Loopbaanbeleidsdocumenten van de volgende korpsen:<br />
a. Brandweer Leeuwarden, Loopbaanbeleid in praktische zin<br />
b. Brandweer Tilburg, Loopbaanbeleid <strong>brandweer</strong>. Uitgeblust, maar<br />
nog niet afgebrand<br />
c. Brandweer Zuid Limburg, 2 e Loopbaanbeleid Zuid Limburg<br />
d. Brandweer Nijmegen, Notitie 2de Loopbaan Brandweer<br />
e. Brandweer Stad Groningen, Loopbaanbeleid Repressieve Dienst<br />
Brandweer Groningen<br />
f. Brandweer Regio Zuid-Holland Zuid, Tussenrapportage project<br />
UDO, fase 2<br />
g. Brandweer Utrecht, Concept Tweede Loopbaanbeleid voor medewerkers<br />
in bewzwarende functie bij de Brandweer Utrecht<br />
2. Websites:<br />
a. www.aeno.nl<br />
b. www.vng.nl<br />
c. www.car-uwo.nl<br />
d. www.nvbr.nl<br />
e. www.cwi.nl<br />
3. Rapport Onderzoek Doorstroommogelijkheden, Brandweer Leeuwarden,<br />
2008<br />
4. Programma Loopbaanbeleid Brandweer, <strong>A+O</strong> Fonds, 2007<br />
5. TNO Rapport Loopbaanbeleid bij Brandweer en Ambulance, 2005<br />
6. Functie- en competentieprofiel Inventarisatieformulier<br />
Loopbaancoach/-adviseur Gemeente Tilburg, 2008<br />
7. Rapportage Uitkomsten tussenevaluaties I en II Project Ontwikkeling<br />
Landelijk Model 2 e Loopbaanbeleid, Visibly Consultants, 2008<br />
8. Ondersteuningsmodule Tweede Loopbaanbeleid voor Leidinggevenden,<br />
Visibly Consultants, 2008<br />
9. Ondersteuningsmodule Tweede Loopbaanbeleid voor Loopbaanadviseurs,<br />
Visibly Consultants, 2008<br />
10. Rapport Arbeidsomstandigheden Brandweer, Coronel Instituut, 2006<br />
11. Rapport Monitor Loopbaanbeleid Brandweer, AStri, 2007<br />
12. Discussienota Loopbaangesprekken Brandweer, CINOP, 2008<br />
13. ‘Brief aan de leden t.a.v. College. Onderwerp: uitleg CAR-teksten hervorming<br />
FLO’ (Marz / CvA/ U2006<strong>01</strong>116), LOGA, 2006<br />
14. Hand-out Workshops 2 e Loopbaanbeleid, Visbly Consultants, 2008<br />
15. Cao Gemeenten 2005-2007<br />
86
Overzicht digitale bijlagen<br />
De volgende bijlagen zijn digitaal te vinden op de website van het <strong>A+O</strong><br />
Fonds:<br />
1. Checklist ontwikkeling en invoering tweede <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
2. Informatie Portfolio<br />
3. Format Loopbaanplan<br />
4. Richtlijnen CAR-UWO Vorm en Inhoud Loopbaanplan<br />
5. Functieprofiel Loopbaanadviseur/-coach<br />
6. Toelichting Rekenmodel Kostenberekening cao-afspraken<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 87
Programma 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
<strong>brandweer</strong><br />
In de periode 2007-2009 voert het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> het programma ‘2 e Loopbaanbeleid<br />
Brandweer’ uit. Het doel van het programma is:<br />
• agenderen van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> ten behoeve van duurzame inzetbaarheid<br />
• stimuleren en ondersteunen van <strong>brandweer</strong>korpsen bij het ontwikkelen<br />
van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />
• stimuleren en ondersteunen van medewerkers in bezwarende functies<br />
bij ontwikkelingsgericht denken en het verkennen van doorstroommogelijkheden<br />
naar niet-bezwarend werk.<br />
Het programma wordt begeleid door een stuurgroep, die als volgt is<br />
samengesteld:<br />
• Ruud Kuin; ABVAKABO FNV (voorzitter stuurgroep en voorzitter <strong>A+O</strong><br />
<strong>fonds</strong> Gemeenten)<br />
• Judy Boere; CVA/VNG (vice-voorzitter)<br />
• Loek Bakker, Brandweer Groningen;<br />
• Sanne van Dullemen; Brandweer Amsterdam-Amstelland<br />
• Marcel Fränzel; gemeente Woensdrecht<br />
• Gerrit Jan Gorter; gemeente Zeewolde<br />
• Jaap van der Hoek; ABVAKABO FNV<br />
• Nettie Karelse; Brandweer Leeuwarden<br />
• Wil van Katwijk; Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond<br />
• Peter Leenders; CMHF<br />
• Jacco Lijffijt; ABVAKABO FNV<br />
• Mellanie Linde; Brandweer Zoetermeer<br />
• Jac Rooijmans; Regionale <strong>brandweer</strong> Zuid-Oost Noord-Brabant<br />
• Hans Thijsebaard; CNV Publieke Zaak<br />
• Michiel Verlinden; Brandweer Lelystad<br />
• Marion Weijts; Brandweer Maastricht<br />
De projecten worden in nauwe samenwerking met de sector vormgegeven<br />
en uitgevoerd. Actuele informatie vindt u op www.aeno.nl<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 89
Programma 2 e loopbaan<br />
Communicatie<br />
Impulsen<br />
organisatie<br />
Pilots<br />
Functiegerichte<br />
Aanstellingskeuring<br />
en<br />
Periodiek Preventief<br />
Medisch Onderzoek<br />
PPMO<br />
Ontwikkeling en<br />
pilots Model<br />
Loopbaanbeleid<br />
Brandweer<br />
Stimuleringsregeling<br />
Loopbaanbeleid<br />
Brandweer<br />
90
eleid Brandweer 2007–2009<br />
Monitoring<br />
<strong>loopbaanbeleid</strong><br />
Impulsen<br />
leidinggevenden<br />
Impulsen<br />
medewerkers<br />
Ondersteuningsmodule<br />
leidinggevenden<br />
en<br />
Introductie RMD<br />
Leergang<br />
Loopbaancoach<br />
(ook voor nietleidinggevende)<br />
Website, loopbaanscan<br />
en loopbaangesprekken<br />
Portfolio- EVC- en<br />
scholingstrajecten<br />
Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 91
Colofon<br />
Opdrachtgever<br />
Stichting <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten<br />
Projectmanager<br />
Marieke de Feyter<br />
Auteurs<br />
Sido de Vries en Esther Klaver,<br />
Visibly Consultants<br />
Projectmedewerker<br />
Annelies Knoppert<br />
Drukwerk<br />
Artoos Drukkerijen, Den Haag<br />
Redactie<br />
Marieke de Feyter<br />
Oplage<br />
500<br />
Vormgeving<br />
Ruurd Heijting, Rotterdam<br />
ISBN-nummer<br />
9789077681374<br />
Met dank aan<br />
de leden van de stuurgroep en de focusgroep 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> <strong>brandweer</strong>,<br />
alsmede het netwerk P&O van de NVBR<br />
Uitgave<br />
© Stichting Arbeidsmarkt- en Opleidings<strong>fonds</strong> Gemeenten, Den Haag,<br />
maart 2009<br />
Stichting <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten bevordert en ondersteunt vernieuwende<br />
activiteiten op het gebied van arbeidsmarkt en HRM-beleid. Actuele<br />
informatie over de verschillende projecten treft u aan op www.aeno.nl<br />
Rechten<br />
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd,<br />
opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of<br />
openbaar gemaakt, in enige vorm of op enigerwijze, hetzij elektronisch,<br />
mechanisch door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder<br />
voorafgaande toestemming van de Stichting <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten.<br />
Hoewel aan deze uitgave de grootst mogelijke zorg is besteed, kunnen de<br />
samenstellers niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele onjuistheden,<br />
noch kunnen aan de inhoud rechten worden ontleend.<br />
92
<strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten<br />
Postbus 30435<br />
2500 GK en Haag<br />
070 3738356<br />
secretariaat@aeno.nl<br />
www.aeno.nl