30.05.2014 Views

handreiking 2e loopbaanbeleid brandweer 01 - A+O fonds ...

handreiking 2e loopbaanbeleid brandweer 01 - A+O fonds ...

handreiking 2e loopbaanbeleid brandweer 01 - A+O fonds ...

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

Monitor <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

Handreiking 2 e<br />

Brandweer Loopbaanbeleid 2007–2008<br />

Brandweer


Handreiking<br />

2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

Brandweer<br />

H2LB


Voorwoord<br />

Per 1 januari 2006 werd het functioneel leeftijdsontslag (FLO) bij de<br />

<strong>brandweer</strong> herzien en de 2 e loopbaan ingevoerd. Brandweermedewerkers<br />

in een bezwarende functie stromen na uiterlijk twintig jaar door naar een<br />

niet-bezwarende functie, om zo gezond én gemotiveerd hun pensioen te<br />

kunnen halen.<br />

Het realiseren van <strong>loopbaanbeleid</strong> vraagt tijd en inzet van <strong>brandweer</strong>korpsen<br />

en hun medewerkers. De ervaring met de doorstroom naar<br />

niet-bezwarende functies is immers nog beperkt. Om te voorkomen dat<br />

elk korps het eigen wiel moet uitvinden en bij te dragen aan een meer<br />

uniforme aanpak op dit terrein is een <strong>handreiking</strong> ontwikkeld.<br />

Deze kan worden gezien als een model voor maatwerk. Zij biedt richtlijnen,<br />

een fasenmodel en een stappenplan waarmee een korps een eigen,<br />

lokaal 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> kan maken. Een beleid dat past bij de gewenste<br />

ontwikkeling van de organisatie.<br />

In totaal werkten er meer dan twintig <strong>brandweer</strong>korpsen aan deze <strong>handreiking</strong><br />

mee. Zes korpsen startten in 2008 een pilot en toetsten de voorgestelde<br />

aanpak in de praktijk. Vier anderen volgden begin 2009. De overige<br />

korpsen werkten en dachten mee als ervaringsdeskundige – zij startten<br />

eerder op eigen kracht met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> – of als toekomstige gebruiker<br />

van de <strong>handreiking</strong>. Ook het netwerk P&O van de NVBR was betrokken.<br />

Al deze mensen bedanken we graag voor hun ambassadeursrol.<br />

Met genoegen overhandigen we tijdens het HR-festival op 12 maart 2009<br />

de <strong>handreiking</strong> aan de voorzitter van de NVBR, als startpunt van de gezamenlijke<br />

introductie van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> in de sector. Wij kijken uit naar<br />

deze samenwerking met de NVBR op het terrein van HR-beleid.<br />

R. Kuin C.J. Bethlehem<br />

Voorzitter <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten Secretaris/penningmeester <strong>A+O</strong><br />

Voorzitter stuurgroep<br />

<strong>fonds</strong> Gemeenten<br />

2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> <strong>brandweer</strong>, Wethouder gemeente Helmond<br />

Onderhandelaar Gemeenten<br />

ABVAKABO FNV<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 3


Inhoud<br />

Voorwoord 3<br />

Inleiding 7<br />

In het kort 8<br />

Leeswijzer 12<br />

1 Opzet van het project 13<br />

1.1 Achtergrond 13<br />

1.2 Doelstellingen 13<br />

1.3 Werkwijze 14<br />

2 Kaders 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 17<br />

2.1 Achtergrond 17<br />

2.2 Belang bij 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 18<br />

2.3 Uitgangspunten 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 19<br />

2.4 Signaleren en voorkomen van problemen 20<br />

3 Visie op 2 e loopbaan beleid Brandweer 21<br />

3.1 Inleiding 21<br />

3.2 Regulier <strong>loopbaanbeleid</strong> en 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 22<br />

3.3 Inbedding in P&O-beleid 23<br />

3.4 Aansluiting op andere ontwikkelingen 27<br />

3.5 Visies van korpsen op 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 29<br />

4 Fasenmodel 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 33<br />

4.1 Inleiding 33<br />

4.2 Model 2 e Loopbaanbeleid 34<br />

4.3 Varianten van korpsen 40<br />

5 Richtlijnen, loopbaaninstrumenten en rolverdeling 45<br />

5.1 Richtlijnen 45<br />

5.2 Loopbaaninstrumenten 46<br />

5.3 Rolverdeling 54<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 5


6 Stappenplan 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> 59<br />

6.1 Commitment en visie bestuur, management en<br />

medezeggenschap (OR/OC) 59<br />

6.2 Opstarten projectorganisatie 62<br />

6.3 Huidige situatie in kaart brengen 64<br />

6.4 Ontwikkelen <strong>loopbaanbeleid</strong> 66<br />

6.5 Inzicht in financiële consequenties<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> en overgangsrecht 68<br />

6.6 Training leidinggevenden 73<br />

6.7 Voorlichting en commitment medewerkers 74<br />

6.8 Pilot met een testgroep 75<br />

6.9 Bijstellen personeelsprocessen 76<br />

6.10 Aanpassing regelingen en interne organisatie 80<br />

6.11 Implementatie van het nieuwe beleid 81<br />

Geraadpleegde bronnen 86<br />

Overzicht digitale bijlagen 87<br />

Programma 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> <strong>brandweer</strong> 89<br />

6


Inleiding<br />

Deze <strong>handreiking</strong> bevat het basismodel 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> bij de <strong>brandweer</strong><br />

plus aanwijzingen om dit beleid binnen de organisatie te implementeren.<br />

Daarmee willen we <strong>brandweer</strong>korpsen en hun medewerkers<br />

ondersteunen bij het ontwikkelen van een eigen 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> en bijdragen<br />

aan meer uniformiteit op dit beleidsterrein binnen de <strong>brandweer</strong>sector.<br />

Aan de <strong>handreiking</strong> hebben meer dan twintig <strong>brandweer</strong>korpsen<br />

meegewerkt. In zes korpsen is in 2008 een pilot met de invoering van 2 e<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> gestart. Hun ervaringen hebben we in deze <strong>handreiking</strong><br />

verwerkt.<br />

De opbouw van de <strong>handreiking</strong> is als volgt.<br />

Hoofdstuk 1 geeft inzage in de achtergrond, doelstellingen en werkwijze<br />

van het project Ontwikkeling Landelijk Model 2 e Loopbaanbeleid Brandweer.<br />

In hoofdstuk 2 beschrijven we wat er door organisaties en medewerkers<br />

kan worden gewonnen als er een goed <strong>loopbaanbeleid</strong> ontwikkeld en<br />

uitgevoerd wordt. Bovendien staan we in dit hoofdstuk stil bij een andere<br />

benadering om de kans op vroegtijdige uitval uit de bezwarende functie<br />

tegen te gaan, namelijk de PPMO en risicopreventie.<br />

In hoofdstuk 3 gaan we uitvoerig in op de plaats van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

binnen de organisatie. Zaken die daarbij aan de orde komen, zijn de<br />

inbedding van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> binnen het reguliere hrm-beleid,<br />

maar ook de aansluiting bij actuele (beleids)ontwikkelingen binnen de<br />

<strong>brandweer</strong>organisaties. In de slotparagraaf beschrijven we visies op 2 e<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> van de pilotkorpsen, maar ook van korpsen die al langer<br />

met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> bezig zijn.<br />

Hoofdstuk 4 is het centrale hoofdstuk van deze <strong>handreiking</strong>, omdat we<br />

hierin het loopbaanmodel beschrijven. Aan het eind van het hoofdstuk<br />

geven we aan hoe dit model in die pilotkorpsen is uitgewerkt. Verder vindt<br />

u er een overzicht van enkele andere modellen, die elders ontwikkeld<br />

zijn.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 7


In hoofdstuk 5 diepen we de kaders vanuit de cao verder uit, waardoor er<br />

voor de beleidsontwikkelaars meer duidelijkheid komt over het speelveld<br />

waarbinnen <strong>loopbaanbeleid</strong> ontwikkeld en geïmplementeerd moet<br />

worden. Daarnaast gaan we in op de loopbaaninstrumenten die ingezet<br />

kunnen worden om vorm en inhoud te geven aan dat beleid: hoe kan het<br />

spel worden gespeeld. Ten slotte besteden we in dit hoofdstuk aandacht<br />

aan de rolverdeling van de spelers: de organisatie, de medewerker, de<br />

P&O-adviseur, de functioneel en de hiërarchisch leidinggevende en de<br />

loopbaanadviseur.<br />

Hoofdstuk 6 is vooral bedoeld voor degenen die het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

binnen de organisatie ontwikkelen en implementeren. Er is een<br />

11-stappenmodel in opgenomen met het proces om tot het beleid te<br />

komen.<br />

In het kort<br />

In deze handleiding is er een bijzondere plaats ingeruimd voor het Model<br />

2 e Loopbaanbeleid en het stappenplan voor de invoering. We vatten die<br />

hier kort samen.<br />

Fasenmodel 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> <strong>brandweer</strong><br />

Fase 1<br />

Instroom- en opleidingsfase<br />

Fase 2<br />

Oriëntatiefase<br />

Fase 3<br />

Ontwikkelfase<br />

Fase 4<br />

Door- en uitstroomfase<br />

Fase 5<br />

Nazorgfase<br />

8


Om zichtbaar te maken hoe de loopbaan van een medewerker in bezwarende<br />

dienst er voortaan uitziet, is het Model 2 e Loopbaan ontwikkeld. Op<br />

basis daarvan kunnen korpsen hun eigen beleid maken.<br />

Het model bestaat uit vijf fasen: de instroom- en opleidingsfase, de oriëntatiefase,<br />

de ontwikkelfase, de door-/uitstroomfase en de nazorgfase.<br />

In de instroom- en opleidingsfase wordt de medewerker aangenomen,<br />

wordt hij opgeleid tot medewerker basis<strong>brandweer</strong>zorg en doet hij daar<br />

ervaring in op. De 2 e loopbaan lijkt nog ver weg, maar de medewerker is<br />

al bij de sollicitatie gewezen op de tijdelijkheid van de baan en er wordt al<br />

een begin gemaakt met het loopbaanplan.<br />

In de tweede fase, de oriëntatiefase, gaat de medewerker zich oriënteren<br />

op het vak dat hij na de bezwarende functie wil gaan uitoefenen. Met<br />

behulp van een loopbaanadviseur kijkt hij naar toekomstige interessante<br />

beroepen. Idealiter loopt de medewerker een of twee dagen in die<br />

beroepen mee om er een goed beeld van te krijgen. Als de medewerker<br />

een opleiding zou willen gaan volgen, kan met een zogeheten EVC-traject<br />

worden onderzocht welke competenties hij al heeft ontwikkeld en of dat<br />

vrijstellingen oplevert voor de beoogde opleiding.<br />

In de ontwikkelfase doet de medewerker ervaring op met de <strong>2e</strong> loopbaan,<br />

bijvoorbeeld door een opleiding te volgen, stage te lopen of door detachering.<br />

In de vierde fase, de door-/uitstroomfase, werkt de medewerker aan het<br />

vinden van een nieuwe functie. Hierover maakt hij afspraken met zijn<br />

leidinggevende, op basis van advies van een loopbaanadviseur en/of de<br />

P&O-adviseur. Deze afspraken worden opgenomen in het loopbaanplan.<br />

In deze periode volgt hij bijvoorbeeld een sollicitatietraining. Uiteindelijk<br />

krijgt de medewerker een andere functie.<br />

In de laatste, nazorgfase wordt gekeken naar vragen als: wat als iemand<br />

zijn proeftijd niet vol maakt, of als het voorlopig contract bij een nieuwe<br />

werkgever niet wordt verlengd<br />

Omdat ieder korps anders is, zal het model op verschillende manieren<br />

worden ingevuld. Om die reden is er ook geen tijdsaanduiding per fase<br />

aangegeven.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 9


Stappenplan ontwikkeling en invoering 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

Stap 1<br />

Commitment en visie Bestuur,<br />

Manage ment en Medezeggenschap (OR/OC)<br />

Stap 2<br />

Opstarten projectorganisatie<br />

Stap 3<br />

In kaart brengen huidige situatie<br />

(kengetallen)<br />

Stap 4<br />

Ontwikkelen <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

Stap 5<br />

Inzicht in financiële consequenties<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> en overgangsrecht<br />

Stap 6<br />

Training leidinggevenden<br />

Stap 7<br />

Voorlichting en commitment<br />

medewerkers<br />

Stap 8<br />

Pilot met een testgroep<br />

Stap 9<br />

Bijstellen personeelsprocessen<br />

Stap 10<br />

Aanpassing regelingen en interne<br />

organisatie<br />

Stap 11<br />

Introductie 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

in de organisatie<br />

10


Het proces van beleidsontwikkeling en voorbereiding tot de invoering<br />

wordt in elf stappen beschreven. De stappen hoeven niet allemaal in deze<br />

volgorde plaats te vinden.<br />

Een eerste aandachtspunt is dat er in het korps voldoende draagkracht<br />

bestaat. De wijzigingen in de cao zijn dwingend en daardoor is er in<br />

veel korpsen weerstand tegen 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. Die weerstand kan<br />

verminderd worden door duidelijk te maken waartoe het nalaten van 2 e<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> kan leiden: verhoogd uitvalsrisico bij oudere medewerkers<br />

bijvoorbeeld. Ook goede communicatie met de OR/OC is belangrijk.<br />

Stap 2 in het proces is het opstarten van de projectorganisatie. Een<br />

projectgroep met daarin vertegenwoordiging van het management, P&O<br />

en OR/OC, een projectleider en een klankbordgroep met medewerkers<br />

blijkt in de praktijk goed te werken. De derde stap is het in kaart brengen<br />

van alle relevante kenmerken van de doelgroep. Bijvoorbeeld: Wie vallen<br />

er precies onder de bezwarende functies Stap 4 is het ontwikkelen<br />

van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> dat aansluit bij de specifieke korpssituatie en de<br />

gewenste organisatiecultuur. Dit laatste is van wezenlijk belang. De<br />

<strong>brandweer</strong> verandert immers van een interngerichte organisatie met<br />

lifetime employment naar een extern gerichte organisatie. Soms is het<br />

nodig om in het beleid onderscheid te maken tussen de zittende en de<br />

nieuwe medewerkers. Nieuwe medewerkers weten bij binnenkomst dat<br />

zij maximaal twintig jaar in de repressieve dienst kunnen werken. Zittende<br />

medewerkers hebben wellicht meer begeleiding en tijd nodig om<br />

verantwoordelijkheid te nemen voor hun ontwikkeling en loopbaan.<br />

Vervolgens is het belangrijk inzicht te krijgen in de financiële gevolgen<br />

van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> en het overgangsrecht. Wat zijn de kosten van<br />

scholing, verlet- en vervangingskosten, de loopbaanadviseur en assessments<br />

en EVC-trainingen Dergelijke vragen worden in de vijfde stap<br />

gesteld.<br />

In stap 6 komt de training van leidinggevenden aan bod. In het project is een<br />

training ontwikkeld die de leidinggevenden in de deelnemende korpsen als<br />

zeer zinvol ervoeren. De training is beschikbaar voor andere korpsen.<br />

Voorlichting aan de medewerkers is stap 7 in het proces. Goede communicatie<br />

is vanaf de start van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> van essentieel belang.<br />

Medewerkers moeten zo snel mogelijk geïnformeerd worden over de<br />

gevolgen van de cao. In de korpsen die deelnamen aan het project bleken<br />

bijeenkomsten effectief met daarna de mogelijkheid tot een gesprek met<br />

de P&O-adviseur. In dat gesprek kan worden ingegaan op de persoonlijke<br />

gevolgen.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 11


Draagvlak verhogen is een belangrijk doel van stap 8: het opzetten van<br />

een proeftraject. Meedoen met deze proef is vrijwillig, maar niet vrijblijvend.<br />

Meedraaien betekent onder meer dat de medewerker een gesprek<br />

voert met de loopbaanadviseur en interessetesten aflegt.<br />

In de volgende stap, stap 9, moeten personeelsprocessen worden bijgesteld.<br />

Zo zijn er korpsen die hun instroomeisen hebben aangepast en<br />

alleen nog medewerkers met minimaal mbo-niveau aannemen. In stap 10<br />

worden de studie-, loopbaan- en organisatorische faciliteiten aangepast.<br />

Verder kunnen er ook veranderingen in de personeelsvoorziening en de<br />

roostering nodig zijn.<br />

In stap 11 wordt het nieuwe beleid geïntroduceerd. Een kick-off-bijeenkomst<br />

en het vieren van de successen, zoals het behalen van de eerste<br />

diploma’s en andere loopbaanstappen, geven de introductie een feestelijk<br />

tintje. Door het beleid elk jaar te evalueren en indien nodig bij te stellen,<br />

wordt blijvend gewerkt aan de goede kwaliteit van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

Leeswijzer<br />

De handleiding is geschreven voor verschillende doelgroepen. In de volgende<br />

tabel geven we voor elke doelgroep aan welke hoofdstukken voor<br />

hen het meest relevant zijn.<br />

Doelgroep<br />

Hoofdstukken<br />

Bestuurders 1, 2<br />

Management 1, 2, 3, 6<br />

OR/OC 1, 2, 3, 4, 5, 6<br />

Projectleider 1, 2, 3, 4, 5, 6<br />

P&O-adviseur 3, 4, 5, 6<br />

Loopbaanadviseur 5, 6<br />

Medewerkers 2, 4, 5<br />

12


1<br />

Opzet van het project<br />

1.1 Achtergrond<br />

In de Cao Gemeenten 2005-2007 zijn afspraken gemaakt tussen de werkgevers<br />

(het College voor Arbeidszaken van de VNG) en de werknemers<br />

(de vakbonden ABVAKABO FNV, CNV Publieke Zaak en CMHF) over het<br />

Functioneel Leeftijdsontslag (FLO) en de 2 e loopbaan.<br />

Deze cao betekende een ingrijpende wijziging voor de korpsen. Zowel<br />

voor de medewerkers, als voor de korpsleiding en P&O-adviseurs.<br />

Enerzijds doordat het concept van ‘een baan voor het leven’, dat altijd zo<br />

kenmerkend was voor de <strong>brandweer</strong>cultuur en -familie, hiermee verlaten<br />

werd. Anderzijds doordat de uitwerking van de cao complex bleek.<br />

Om korpsen te ondersteunen bij deze omslag in denken en doen, hebben<br />

de sociale partners het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten gevraagd hiervoor in de<br />

periode 2007-2009 een programma te ontwikkelen. Bij de verkennende<br />

gesprekken met korpsen kwam één wens prominent naar voren: ontwikkel<br />

een leidraad voor de invoering van (2 e ) <strong>loopbaanbeleid</strong> om korpsen te<br />

ondersteunen en bij te dragen aan meer uniformiteit in <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

binnen de <strong>brandweer</strong>sector. Dit heeft geleid tot het project Ontwikkeling<br />

Landelijk Model 2 e Loopbaanbeleid Brandweer waar uiteindelijk ruim<br />

twintig korpsen bij betrokken waren. Het bureau Visibly Consultants<br />

heeft de pilotkorpsen begeleid en heeft met input van de korpsen en de<br />

stuurgroep de <strong>handreiking</strong> ontwikkeld.<br />

1.2 Doelstellingen<br />

Het doel van dit project was <strong>brandweer</strong>korpsen en hun medewerkers te<br />

ondersteunen bij het ontwikkelen en implementeren van <strong>loopbaanbeleid</strong>,<br />

waarin de doorstroom van een bezwarende functie naar niet-bezwarend<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 13


werk actief wordt begeleid. Een tweede doelstelling was bij te dragen<br />

aan meer uniformiteit in <strong>loopbaanbeleid</strong> binnen de <strong>brandweer</strong>sector.<br />

De focusgroep (met vertegenwoordigers van betrokken <strong>brandweer</strong>korpsen)<br />

formuleerde begin 2008 de volgende wensen ten aanzien van het<br />

model:<br />

– Bied een structuur voor de ontwikkeling van een 2 e loopbaan, naast de<br />

ontwikkeling van de 1e loopbaan.<br />

– Maak indien nodig onderscheid naar de verschillende uitgangssituaties<br />

van medewerkers.<br />

– Bied een kader voor het implementatieproces (inclusief richtlijnen<br />

voor voorzieningen).<br />

– Neem praktische <strong>handreiking</strong>en op met betrekking tot de loopbaanactiviteiten.<br />

– Beschrijf taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden (TBV’s) van<br />

betrokken partijen.<br />

– Neem formats op van portfolio’s, loopbaangesprekken, loopbaanplannen,<br />

et cetera.<br />

– Bied een stappenplan om het beleidsmodel te introduceren en te<br />

implementeren in het korps.<br />

1.3 Werkwijze<br />

In deze paragraaf zetten we de aanpak van het project uiteen.<br />

Stap 1: Inventarisatie (december 2007 - februari 2008)<br />

Allereerst is in de winter van 2007-2008, door middel van desktop<br />

research, interviews et cetera een inventarisatie gemaakt van de reeds<br />

ontwikkelde modellen en ervaringen die zijn opgedaan met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

Daarnaast hebben we onderzoek gedaan naar het materiaal en<br />

de ervaringen die beschikbaar waren bij de ambulancediensten en het<br />

ministerie van Defensie. Al die informatie is geanalyseerd en samengevat<br />

in een werkdocument.<br />

Stap 2: Ontwikkeling (geheel 2008 en januari 2009)<br />

Om deze <strong>handreiking</strong> te ontwikkelen is er een focusgroep opgesteld met<br />

vertegenwoordigers van betrokken korpsen. Deze focusgroep is vier keer<br />

bij elkaar gekomen, en heeft vorm en invulling gegeven aan:<br />

1. het loopbaanmodel en varianten daarop;<br />

14


2. richtlijnen voor de randvoorwaarden om het loopbaanmodel toe te<br />

passen (voorzieningen in termen van tijd en geld, taken, verantwoordelijkheden<br />

en bevoegdheden van betrokken actoren, et cetera);<br />

3. het stappenplan voor de implementatie van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>;<br />

4. de <strong>handreiking</strong> voor de sector.<br />

Aan de focusgroep namen 22 <strong>brandweer</strong>korpsen deel: Regionale Brandweer<br />

Zuid-Holland Zuid, Brandweer Amsterdam-Amstelland, Leeuwarden,<br />

Groningen, Nijmegen, Tilburg, Maastricht, Hengelo, Hoorn, Zwolle,<br />

Enschede, Hulpverleningsdienst Gelderland-Midden, Veiligheidsregio<br />

Kennemerland, Emmen, Gezamenlijke Brandweer, Hollands-Midden,<br />

Eindhoven / Zuid-Oost Brabant, Haaglanden, Amersfoort, Brandweer<br />

West-Brabant Noord, Utrecht, Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond.<br />

Stap 3: Pilots (medio tot eind 2008)<br />

Om het Model 2 e Loopbaanbeleid te toetsen op bruikbaarheid en haalbaarheid,<br />

is het als pilot ingevoerd bij enkele korpsen. Er waren elf korpsen<br />

in de focusgroep die deel wilden nemen aan de pilot. Om voldoende<br />

voortgang te behouden is ervoor gekozen te starten met zes korpsen. Bij<br />

de keuze van de zes pilotkorpsen is onder andere gekeken naar de korpsgrootte,<br />

regionale spreiding en commitment vanuit MT en OR. In maart<br />

2008 startten de volgende zes pilotkorpsen: Groningen, Hengelo, Hoorn,<br />

Maastricht, Nijmegen en Tilburg. De tweede koplopersgroep bestaat uit<br />

de korpsen: Enschede, Zwolle, Regio Gelderland-Midden, Rozenburg en<br />

regio Haaglanden.<br />

Stap 4: Evaluatie (juni 2008 - februari 2009)<br />

Op verschillende momenten is bij de pilotkorpsen geëvalueerd. Met de<br />

resultaten van die tussenevaluaties zijn onderdelen van het model gedurende<br />

het proces aangescherpt en direct weer in de praktijk getoetst.<br />

Stap 5: Publicatie en introductie in de sector (vanaf 12 maart 2009)<br />

In de periode november 2008 - februari 2009 is de <strong>handreiking</strong> verder<br />

ontwikkeld in overleg met de pilotkorpsen, hun commandanten en ORleden,<br />

de focusgroep, de stuurgroep en het P&O-netwerk NVBR. Op<br />

12 maart 2009 biedt het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten de <strong>handreiking</strong> plus de<br />

brochure 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> bij de <strong>brandweer</strong> aan aan de NVBR. Daarna<br />

zullen NVBR en <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> samenwerken bij de introductie in de sector.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 15


2<br />

Kaders 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

2.1 Achtergrond<br />

In de Cao Gemeenten 2005-2007 zijn afspraken gemaakt over de hervorming<br />

van het Functioneel Leeftijdsontslag (FLO) voor <strong>brandweer</strong>personeel.<br />

Essentie van het nieuwe beleid is dat <strong>brandweer</strong>medewerkers [1]<br />

voortaan voor een beperkte duur – maximaal twintig jaar – werken in een<br />

bezwarende functie. Dat zijn functies met een zware fysieke en psychische<br />

belasting die inherent is aan het werk.<br />

De noodzaak om tot dit nieuwe beleid te komen werd niet alleen ingegeven<br />

doordat de mogelijkheden voor vroegpensioen werden afgeschaft.<br />

Het Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) heeft,<br />

in een brief [2] aan zijn leden, aangegeven dat er meerdere redenen waren<br />

waarom het FLO niet langer in de huidige vorm kon blijven bestaan.<br />

Deze redenen zijn onder andere financiële ontwikkelingen, juridische<br />

houdbaarheid, maatschappelijke ontwikkelingen en medische redenen.<br />

Doel van het nieuwe beleid is dan bijvoorbeeld ook het voorkomen van<br />

vroegtijdige uitval en daarmee ook een inkomensterugval te voorkomen;<br />

zaken die vanuit de optiek van goed werkgeverschap optimaal geregeld<br />

dienen te zijn.<br />

Met de keuze voor het nieuwe beleid houdt de Brandweer, zoals gesteld,<br />

echter ook rekening met een aantal financiële, juridische en maatschappelijke<br />

ontwikkelingen: vergrijzing en de gevolgen daarvan, het verbod op<br />

leeftijdsdiscriminatie en veranderingen op de arbeidsmarkt. Uit het oogpunt<br />

van die ontwikkelingen is de aanpassing van de cao een logische stap.<br />

1 Of -medewerksters: overal waar ‘hij’ staat, kan ook ‘zij’ gelezen worden.<br />

2 Brief LOGA, d.d. 5 juli 2006: ‘Brief aan de leden t.a.v. College. Onderwerp: uitleg<br />

CAR-teksten hervorming FLO’.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 17


De hervorming van het FLO brengt wel een fikse cultuurverandering met<br />

zich mee. Waar men gewend was door te werken tot het 55e levensjaar<br />

en een functie bij de <strong>brandweer</strong> werd beschouwd als ‘een baan voor het<br />

leven’, wordt nu, per individu en gedurende de gehele loopbaan, aandacht<br />

besteed aan persoonlijke ambities, ontwikkelbehoeften, loopbaanwensen<br />

en inkomenszekerheid voor de toekomst; voor een leven na de <strong>brandweer</strong>!<br />

2.2 Belang bij 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

Niet langer dan twintig jaar doorwerken in een bezwarende functie heeft<br />

een positief effect op de fysieke en mentale fitheid van medewerkers.<br />

Loopbaanbeleid, waarbij individueel maatwerk het uitgangspunt is, biedt<br />

medewerkers de mogelijkheid zich op tijd te oriënteren en voor te bereiden<br />

op een volgende loopbaanstap. Korpsen die al van start zijn gegaan<br />

met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> merken dat het bewust bezig zijn met de persoonlijke<br />

ontwikkeling bij medewerkers, maar ook in de organisatie leidt tot<br />

nieuwe inzichten en ambities.<br />

Ook medewerkers op wie het overgangsrecht van toepassing is hebben er<br />

belang bij zich daadwerkelijk te oriënteren op niet-bezwarend werk. Voor<br />

hen geldt immers ook dat hun bezwarende functie in de loop der jaren<br />

tot hogere gezondheidsrisico’s leidt. En als een medewerker arbeidsongeschikt<br />

wordt, is het reguliere verzuimbegeleidings- en re-integratiebeleid<br />

van toepassing. Dat kan resulteren in een WIA-uitkering met een<br />

forse inkomensachteruitgang, herplaatsing in een andere functie zonder<br />

salarisgarantie of eventueel ontslag. Een goede voorbereiding op een 2 e<br />

loopbaan kan leiden tot een soepelere en waarschijnlijk aantrekkelijkere<br />

door- of uitstroom, minder inkomensachteruitgang, et cetera.<br />

Zelfs voor medewerkers in het overgangsrecht die 50 jaar of ouder zijn<br />

is het een belangrijk voordeel zich bij dreigende arbeidongeschiktheid te<br />

oriënteren op niet-bezwarend werk. Er kan bij hen geen ontslag plaatsvinden<br />

bij toekenning van een WIA-uitkering en bij herplaatsing geldt niet<br />

de instroom in de 2 e loopbaan als voorwaarde voor de inkomensgarantie.<br />

Maar die inkomensgarantie heeft betrekking op een bevroren inkomen,<br />

dat wil zeggen dat er geen indexering of iets dergelijks wordt toegepast.<br />

Dit kan dus wel betekenen dat er gedurende een fiks aantal jaren een<br />

inkomensstilstand zal zijn. Door in te stromen in een 2 e loopbaan daarentegen<br />

kan dit voorkomen worden.<br />

18


Ook voor wat betreft het pensioen is er belang bij een 2 e loopbaan.<br />

Veranderingen in de pensioenwet- en regelgeving maken pensioenperspectieven<br />

minder gunstig. Zo kan de behoefte ontstaan om langer door<br />

te werken om zo een beter pensioen op te bouwen. Langer doorwerken in<br />

een bezwarende functie kan echter alleen bij een goede gezondheid. Een<br />

alternatief is overstappen naar een niet-bezwarende 2 e loopbaanfunctie,<br />

daarin later stoppen met werken en zo meer pensioen opbouwen.<br />

2.3 Uitgangspunten 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

Een eerste uitgangspunt van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is dat medewerkers<br />

worden voorbereid door te stromen naar een niet-bezwarende functie<br />

met een zo goed mogelijk toekomstperspectief. Voor de groep zittende<br />

medewerkers geldt een bezoldigingsgarantie die het huidige inkomensniveau<br />

(bezoldiging plus toelagen) garandeert. Dit is echter een bevroren<br />

garantie. Bij de ontwikkeling van loopbaanplannen is het daarom<br />

wenselijk de 2 e loopbaanfunctie zo veel mogelijk aan te (laten) sluiten bij<br />

het huidige bezoldigingsniveau, ook voor nieuwe medewerkers. Door de<br />

onregelmatigheidstoeslag (ORT) ligt het bezoldigingsniveau behoorlijk<br />

hoger (1 à 2 schalen) dan het salarisniveau dat past bij de inschaling in<br />

de <strong>brandweer</strong>functie (meestal schaal 6). Dit stelt dus hoge eisen aan het<br />

loopbaanplan.<br />

Een tweede uitgangspunt is dat het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> praktisch, realistisch<br />

en haalbaar is. Bij het beleid moet rekening worden gehouden<br />

met de samenstelling van het personeelsbestand, de voorkeur van veel<br />

medewerkers om zo lang mogelijk hun huidige functie uit te oefenen, de<br />

capaciteiten en competenties van de medewerker, maar vooral ook met<br />

de nieuwe cao-afspraken.<br />

Verder is een algemeen uitgangspunt dat er maximaal twintig jaar in<br />

de bezwarende functie wordt gewerkt. Gedurende die periode worden,<br />

op basis van het individuele perspectief (aanstelling voor of na 1 januari<br />

2006, uitkomsten PPMO, persoonlijke capaciteiten en ambities) afspraken<br />

gemaakt over hoe na die twintig jaar verder wordt gegaan. De werknemer<br />

heeft daarbij in principe keuzevrijheid, maar de risico’s voor werkgever<br />

en werknemer en de mogelijke toekomstperspectieven vormen daarbij<br />

belangrijke aandachtspunten.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 19


2.4 Signaleren en voorkomen van problemen<br />

Door middel van Periodiek Preventief Medisch Onderzoek (PPMO) zal in<br />

de toekomst periodiek de fysieke en psychische belastbaarheid van de<br />

medewerkers en de te verwachten ontwikkelingen op dat gebied gemonitord<br />

worden. Als uit het PPMO blijkt dat de fysieke en/of psychische<br />

belastbaarheid van de medewerker achteruitgaat of tekortschiet, leidt<br />

dat tot interventies (training) om de belastbaarheid te verhogen. Een<br />

herhaald geconstateerde en blijvende te geringe fysieke en psychische<br />

belastbaarheid betekent dat de medewerker de bezwarende functie niet<br />

langer kan uitvoeren.<br />

Om vroegtijdige uitstroom wegens gezondheidsrisico’s te verminderen,<br />

zijn naast het PPMO andere preventieve maatregelen, zoals het minder<br />

bezwarend maken van functies, van belang. Hoewel dit aspect steeds<br />

meer aandacht krijgt binnen korpsen, gaan we daar in deze <strong>handreiking</strong><br />

niet verder op in.<br />

20


3<br />

Visie op 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

Brandweer<br />

3.1 Inleiding<br />

Loopbaanbeleid definiëren wij als: alle activiteiten die, vanuit een visie op<br />

het functioneren (in de meest brede betekenis) van de mens in de organisatie,<br />

uitgevoerd worden om de juiste persoon op het juiste moment op de<br />

juiste plaats te hebben. Wie, wanneer en waar (naartoe) zijn belangrijke<br />

vragen bij <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

Om te komen tot die meest optimale keuze van moment, plaats en persoon,<br />

is het belangrijk goed zicht te hebben op de mensen in de organisatie:<br />

wat doen ze, wat kunnen ze, wat willen ze, wat drijft hen Daarnaast<br />

is het van even groot belang om te weten wat de organisatie nu, maar ook<br />

in de toekomst, van zijn medewerkers wil of nodig heeft om de strategische<br />

doelen van de organisatie te halen. Het door- of uitstroommoment<br />

van de medewerker sluit idealiter aan op de strategische belangen en het<br />

ontwikkelproces van de organisatie. Daarom is het nodig het <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

goed in te bedden in het P&O-beleid en in de P&O-processen.<br />

In dit hoofdstuk gaan we in op het specifieke karakter van 2 e Loopbaanbeleid<br />

ten opzichte van regulier <strong>loopbaanbeleid</strong>, de inbedding van het 2 e<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> in het algemene P&O-beleid, de aansluiting op organisatie-<br />

en beleidsontwikkelingen en de visies van diverse korpsen op het 2 e<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 21


3.2 Regulier <strong>loopbaanbeleid</strong> en<br />

2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is <strong>loopbaanbeleid</strong> met een aantal specifieke kenmerken.<br />

Zo geeft de Cao 2005-2007 aanwijzingen over de vragen: voor wie,<br />

wanneer en waar naar toe<br />

– Voor wie De doelgroep van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> omvat alle medewerkers<br />

in een bezwarende functie. Welke functies bezwarend zijn wordt<br />

lokaal vastgesteld.<br />

– Wanneer Voor medewerkers die na 1 januari 2006 in dienst kwamen<br />

geldt dat men na maximaal twintig jaar in een bezwarende functie door<br />

moet stromen naar een niet-bezwarende functie. Voor alle medewerkers<br />

geldt dat doorstroom urgent wordt bij dreigende arbeidsongeschiktheid.<br />

– Waar naartoe In de cao wordt gesproken over uitstroom naar een<br />

niet-bezwarende functie. Dat kan een functie zijn binnen of buiten de<br />

<strong>brandweer</strong>. Daarnaast wordt ervan uitgegaan dat de medewerker moet<br />

kunnen uitstromen naar een functie op minimaal mbo-niveau [3] .<br />

De toevoeging in de cao dat 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> ook een instrument is<br />

waarmee vooruitgelopen wordt op mogelijke uitval door arbeidsongeschiktheid,<br />

maakt het beleid niet extra bijzonder. Goed werkgeverschap<br />

betekent dat je rekening houdt met medewerkers met een verhoogd<br />

risico op uitval.<br />

Voor de organisatie biedt 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> alle voordelen die <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

in het algemeen geeft: het stelt de organisatie in staat om, op<br />

grond van de relevante ken- en stuurgetallen, de personele invulling van<br />

functies optimaal te laten aansluiten bij de strategische doelstellingen<br />

van de organisatie. Daarnaast kan 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> een extra stimulans<br />

zijn om gemotiveerde medewerkers binnen de organisatie te halen en<br />

te houden. Uit 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> blijkt immers dat de organisatie bij wil<br />

dragen aan de ontwikkeling van medewerkers en zich daarnaast inspant<br />

voor een goede uitstroom als het maximaal aantal bezwarende jaren is<br />

3 In de cao is sprake van opscholen naar mbo-niveau. Het mbo heeft echter vier<br />

niveaus, waarbij de niveaus 3 en 4 betere kansen bieden op de arbeidsmarkt.<br />

Daarnaast bieden functies op deze niveaus meer mogelijkheid een inkomensterugval<br />

(door het verlies van onregelmatigheidstoeslag) voor de medewerker beperkt te<br />

houden.<br />

22


ereikt of de medewerker een verhoogd risico op uitval vertoont.<br />

Verder prikkelt het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> de medewerker na te denken over<br />

zijn loopbaan en daar zelf verantwoordelijkheid voor te nemen en richting<br />

aan te geven. De cao is daar heel expliciet over: ‘Niet naleven van de<br />

verplichtingen door de medewerker kan leiden tot het nemen van disciplinaire<br />

maatregelen met als uiterste consequentie ontslag’.<br />

Kortom: 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> heeft alle voordelen in zich die goed <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

kenmerken. Bij de implementatie van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> doet<br />

men er dan ook goed aan om zo spoedig mogelijk de toevoeging ‘2 e ’ te<br />

laten vallen en zorg te dragen voor de ontwikkeling van een evenwichtig<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong>, passend bij het P&O-beleid van de organisatie. Daarmee<br />

verliest het concept ‘2 e loopbaan’ bij de medewerkers ook de bijzondere<br />

betekenis die het in eerste instantie bij het vaststellen van de cao leek te<br />

krijgen.<br />

3.3 Inbedding in P&O-beleid<br />

2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is onderdeel van het P&O-beleid van een organisatie.<br />

Het is een van de middelen om te komen tot een optimale personele<br />

invulling van de organisatie.<br />

Goed P&O-beleid kenmerkt zich door een evenwichtige inzet van verschillende<br />

personeels instrumenten. Daarom vraagt 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

om een actualisatie van zaken als werving en selectie, opleiding en scholing<br />

en strategische personeelsplanning.<br />

Werving & selectie<br />

Het opscholen van medewerkers tot mbo-niveau vergemakkelijkt hun<br />

uitstroom uit de bezwarende functie en verbetert de kansen op de<br />

arbeidsmarkt. Sommige korpsen kiezen ervoor om voortaan uitsluitend<br />

medewerkers aan te nemen met een mbo-diploma.<br />

Het is echter raadzaam terughoudend te zijn met hoge instapeisen [4] .<br />

Goed selectiebeleid maakt een match tussen wat de organisatie nu en in<br />

de toekomst nodig heeft en wat de medewerker biedt. In de eerste fase<br />

van de carrière van de medewerker is de behoefte vanuit de organisatie<br />

leidend.<br />

4 Aan instapeisen genoemd in vacatureteksten kunnen rechten worden ontleend.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 23


Als alle bezwarende functies binnen de organisatie minimaal een<br />

diploma op mbo-niveau vereisen, is selectie op dat niveau logisch en<br />

noodzakelijk. Als dat niveau echter niet nodig is, maar de organisatie<br />

daar toch op selecteert, dan ontstaat alsnog een risico. Als medewerkers<br />

overgekwalificeerd zijn voor hun functie, raken ze namelijk sneller uitgekeken<br />

op het werk en daalt hun motivatie. Dat kan leiden tot ziekteverzuim<br />

en vroegtijdige uitstroom.<br />

Bovendien biedt instromen op mbo-niveau nog geen garantie op een<br />

makkelijke uitstroom naar een niet-bezwarende functie twintig jaar later.<br />

Opleidingen en arbeidsmarkt veranderen. Daardoor kan tegen die tijd<br />

alsnog scholing nodig zijn. Het kan wel handig zijn om met een assesment<br />

na te gaan of nieuwe medewerkers voldoende capaciteiten hebben<br />

om op mbo-niveau geschoold te worden.<br />

Opleidingsbeleid<br />

In veel korpsen heeft het opleidingsbeleid en -budget uitsluitend betrekking<br />

op <strong>brandweer</strong>opleidingen. Hoe logisch dit in eerste instantie ook<br />

lijkt en hoe kenmerkend het ook is voor de <strong>brandweer</strong>sector, het is een<br />

benadering die, in vergelijking met de meeste organisaties in de collectieve<br />

en niet-collectieve sector, achterhaald is. Om goed gekwalificeerde,<br />

maar ook goed gemotiveerde medewerkers te krijgen en te houden, is<br />

een opleidingsbeleid dat meer mogelijkheden biedt dan ontwikkeling van<br />

<strong>brandweer</strong>kennis en -vaardigheden, van essentiële betekenis.<br />

Bij goed opleidingsbeleid gaat het erom de opleidingsbehoefte van de<br />

organisatie in evenwicht te brengen met de opleidingsbehoefte van de<br />

medewerker.<br />

Opleidingsbehefte<br />

Organisatie<br />

Medewerker<br />

Gedeelde behoefte<br />

Tijd<br />

Opleidingsbehoefte van organisatie en medewerker<br />

Uit het voorgaande schema wordt duidelijk dat in het begin van de <strong>brandweer</strong>carrière<br />

de opleidingsbehoefte van de organisatie leidend is, het<br />

24


lauwe gebied. Organisatie en medewerker investeren in de ontwikkeling<br />

tot een volwaardig <strong>brandweer</strong>medewerker. De opleidingsinvesteringen<br />

later in de tijd worden steeds meer door de opleidingsbehoeften van de<br />

medewerker bepaald. Het gaat vaak om doorontwikkeling in specialistische<br />

functies en/of doorgroei in leidinggevende functies. Zo lang noodzaak<br />

en behoefte in elkanders verlengde liggen – het paarse gebied –, is<br />

de organisatie meestal wel bereid in deze opleidingen te investeren.<br />

Er kan echter ook een moment komen dat de ontwikkelbehoefte van de<br />

medewerker niet meer binnen de noodzaak – het rode gebied – van de<br />

organisatie valt. Veel korpsen zijn dan geneigd om dit soort opleidingswensen<br />

niet te honoreren. Immers, de organisatie heeft er geen direct<br />

belang meer bij en verwacht er ook geen rendement van. Juist daar kan<br />

men de plank mis slaan. Uit onderzoek is gebleken dat het faciliteren van<br />

medewerkers in hun ontwikkeling, ook als er voor de organisatie geen<br />

direct belang bij is, zeer zeker tot rendement leidt. Medewerkers worden<br />

veelal gemotiveerder voor hun werk, hebben een lager ziekteverzuim en<br />

tonen meer loyaliteit aan hun werkgever. Goed opleidingsbeleid maakt<br />

een organisatie ook tot een aantrekkelijke werkgever. Bij een krapper<br />

wordende arbeidsmarkt kan het helpen om gemotiveerde medewerkers<br />

aan te trekken.<br />

Bij opleiding in het kader van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> bevinden we ons in het<br />

paarse en rode gebied van het schema: hier is de ontwikkelbehoefte van<br />

de medewerker om (later) goed te kunnen door- of uitstromen leidend.<br />

Het kan daarbij aantrekkelijk zijn om ook de organisatiebehoefte een rol<br />

te laten spelen. Hoe meer de belangen van organisatie en medewerker<br />

samenvallen, hoe makkelijker budgetten voor deze opleidingen kunnen<br />

worden verkregen. Dat kan ook een reden zijn om opleidingen op hboniveau<br />

te faciliteren in het kader van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>, omdat er juist op<br />

dat niveau meer doorstroommogelijkheden zijn binnen de <strong>brandweer</strong>. Bij<br />

opleidingen op een hoger niveau is het wel raadzaam vooraf na te gaan of<br />

de medewerker voldoende capaciteiten en doorzettingsvermogen heeft<br />

om de opleiding af te ronden. Zonder steun vanuit de omgeving en het<br />

gezin van de medewerker is het heel moeilijk voor hem een opleiding<br />

naast het werk goed af te maken.<br />

2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> vraagt van de organisatie te investeren in de ontwikkeling<br />

van de medewerker om de uitstroom naar een niet-bezwarende<br />

functie te optimaliseren. Dat vraagt actualisatie van het huidige opleidingsbeleid.<br />

Door dit te koppelen aan doelstellingen als goed werkgeverschap,<br />

motivatieverhoging bij de medewerker en positionering van de<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 25


organisatie als aantrekkelijke werkgever, wordt dubbele winst behaald.<br />

Ten slotte wijzen we erop dat 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> niet per definitie tot<br />

scholing van de medewerker hoeft te leiden. Veel medewerkers hebben<br />

diploma’s en werkervaring waardoor de behoefte aan bij- of omscholing<br />

beperkt is. Bij hen kunnen andere middelen worden ingezet om uitstroom<br />

naar een niet-bezwarende functie te faciliteren, zoals: praktijkstages,<br />

EVC-trajecten, ondersteuning bij loopbaanoriëntatie en sollicitaties.<br />

Strategische personeelsplanning<br />

Als het gaat om de 2 e loopbaan, zoeken veel zittende medewerkers deze<br />

bij voorkeur binnen het eigen korps of de <strong>brandweer</strong>. Voor medewerkers<br />

die na 1 januari 2006 bij de <strong>brandweer</strong> kwamen, lijkt dit te veranderen.<br />

Om zicht te krijgen op de doorstroommogelijkheden vanuit de bezwarende<br />

functies is binnen het korps, de regio en de gemeente een goede<br />

verkenning nodig van de geschikte functies en de mate waarin deze<br />

beschikbaar zijn. De korpsen Zuid-Holland Zuid en Leeuwarden hebben<br />

zo’n verkenning uitgevoerd. Hun rapportages staan op de site van het <strong>A+O</strong><br />

<strong>fonds</strong> Gemeenten (www.aeno.nl).<br />

Zo’n verkenning bevat een vergelijking van competentie- en functieprofielen<br />

van bezwarende en niet- bezwarende functies. Doorstroom wordt<br />

makkelijker bij beperkte discrepantie tussen beide functies. Bij de vergelijking<br />

wordt een selectie gemaakt van niet-bezwarende functies waarin<br />

men relatief makkelijk zou kunnen doorstromen.<br />

Om doorstroom te optimaliseren is strategische personeelsplanning van<br />

belang. Daarmee wordt duidelijk wie wanneer vanuit welke functie in<br />

aanmerking komt om door te stromen en voor welke functies (met welk<br />

competentieprofiel) er op welk moment een vacature wordt verwacht.<br />

Verwachte vraag en verwacht aanbod kunnen daarmee beter op elkaar<br />

worden afgestemd.<br />

De ervaringen met strategische personeelsplanning lopen nogal uiteen.<br />

Let op de volgende zaken. Voor strategische personeelsplanning is commitment<br />

en goede, structurele en intensieve samenwerking nodig tussen<br />

de betrokken partijen zoals korps, regiokorps en gemeente. Bij 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

kan het handig zijn om uit-/doorstromers een voorkeurspositie<br />

te geven bij de (interne) sollicitatieprocedure. Ten slotte gaat het bij<br />

strategische personeelsplanning om rekenmodellen en Excel-bestanden,<br />

maar zeker ook om het vertalen van toekomstige ontwikkelingen naar de<br />

eigen organisatie. Meer informatie over dit onderwerp vindt u op www.<br />

aeno.nl.<br />

26


3.4 Aansluiting op andere ontwikkelingen<br />

Binnen de <strong>brandweer</strong> vragen het arbeidstijdenbesluit en de regionalisering<br />

veel aandacht van de hrm-afdelingen. Soms gaat dat ten koste van<br />

de aandacht voor 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

Toch zijn er goede redenen om snel aan de slag te gaan met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

Ten eerste moet er heel wat gebeuren. Zo vereist de cao dat er in<br />

2009 van iedere medewerker in een bezwarende functie een loopbaanplan<br />

ligt. De minimale eisen die aan dat plan worden gesteld vindt u op<br />

www.aeno.nl.<br />

Verder blijkt uit de ervaringen in de pilotkorpsen dat als men start met<br />

2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>, de consequenties, rechten en plichten duidelijker<br />

worden, maar ook de mogelijkheden. Daardoor verandert weerstand en<br />

onrust vaak in nieuwsgierigheid, gematigd enthousiasme en persoonlijke<br />

ambitie.<br />

De invoering van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> gaat sneller, gemakkelijker én effectiever<br />

als korpsen dit koppelen aan andere ontwikkelingen, doelstellingen<br />

of trajecten in de organisatie. Daarmee wordt 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

onderdeel van de organisatie-ontwikkeling. Ontwikkelingen waar 2 e<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> als van nature op kan aansluiten, zijn de regionalisering,<br />

goed werkgeverschap, competentiemanagement en professionalisering.<br />

Regionalisering<br />

Regionalisering is een uitstekend startpunt om 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> op te<br />

pakken. In de meeste gevallen vraagt regionalisering niet alleen actualisering<br />

van het lokale P&O-beleid, maar ook de ontwikkeling van een regionaal<br />

P&O-beleid. Daarbij komen zaken aan bod als werving en selectie, opleidingsbeleid<br />

en mobiliteit. Onderwerpen die nauw aan 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

verbonden zijn.<br />

Daarnaast kan regionalisering er ook toe leiden dat de functies binnen een<br />

korps anders worden ingericht, waarbij het beperken van de bezwarendheid<br />

van functies een van de doelen is. Naar aanleiding van de veranderingen<br />

in de cao wordt er opnieuw nagedacht over het minder bezwarend maken<br />

van bezwarende functies. Regionale korpsen bieden doordat zij groter zijn<br />

ook meer niet-bezwarende en combinatiefuncties. Hierdoor hebben zij ook<br />

meer mogelijkheden voor interne doorstroom. Kortom: regionalisering<br />

biedt mogelijkheden en aanknopingspunten voor 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

Bij regionalisering vervallen de verplichtingen van de gemeente in<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 27


het kader van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> niet. Daarom moeten hierover goede<br />

afspraken voor de langere termijn worden vastgelegd. Zoals afspraken<br />

over het faciliteren van de doorstroom vanuit een bezwarende functie<br />

naar een niet-bezwarende functie binnen de gemeente, waarbij de valkuil<br />

van gedwongen winkelnering moet worden voorkomen. Het is daarom<br />

het overwegen waard om regionale netwerken op te zetten met andere<br />

overheidsinstanties of een regionale pool.<br />

Goed werkgeverschap<br />

Wat is goed werkgeverschap Ook hierin vinden ontwikkelingen plaats.<br />

Zo hechten werkgevers steeds meer aan de mobiliteit van medewerkers.<br />

Lifetime employment kan verzanden in behoudendheid, demotivatie en<br />

rigiditeit van de organisatie en de medewerkers. Mobiliteit brengt mens<br />

en organisatie in beweging. Het doel van mobiliteit is niet alleen om de<br />

juiste man op de juiste plaats te krijgen, maar ook om mensen te blijven<br />

uitdagen om nieuwe stappen te zetten en daardoor geïnspireerd te blijven,<br />

binnen of buiten de organisatie.<br />

Ook de verwachtingen, wensen en eisen ten aanzien van hun werkgever<br />

veranderen bij werknemers. De jongere generatie, die nu op de arbeidsmarkt<br />

komt, zoekt uitdaging en inspiratie. Is er niet genoeg uitdaging binnen<br />

organisatie A, dan vertrekt men naar organisatie B. Het P&O-thema<br />

‘Binden & boeien’ gaat over deze generatie: ‘Hoe kan ik de medewerkers<br />

zo boeien dat ze niet te snel naar buiten gaan waardoor de geïnvesteerde<br />

kennis verloren gaat’. Ook bij de <strong>brandweer</strong> staat deze nieuwe generatie<br />

aan de poort. Blijven boeien wordt dan misschien belangrijker dan doorstroom<br />

stimuleren.<br />

In veel gemeenten wordt het nut van mobiliteit steeds meer onderkend,<br />

wat zich vertaalt in het opzetten van (regionale) mobiliteitscentra. Het<br />

‘Huis van je Toekomst’ van de gemeente Nijmegen is daar een goed voorbeeld<br />

van. Het is aan te raden om bij 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> aan te sluiten bij<br />

deze trends in organisaties en samenleving.<br />

Competentiemanagement<br />

Zowel bij P&O als onderwijs spelen competenties een belangrijke rol.<br />

Het gaat daarbij om de vraag of iemand in staat is kennis en vaardigheden<br />

om te zetten in competent gedrag. Door deze benadering is in veel<br />

organisaties competentiemanagement nu een leidend P&O-instrument.<br />

Ook binnen de <strong>brandweer</strong> begint dit concept verder door te dringen,<br />

onder andere door het competentiegericht opleiden. Hiermee kunnen<br />

28


deze opleidingen ook beter worden vergeleken met de reguliere mbo- en<br />

hbo-opleidingen. Verder zien we steeds vaker dat functies binnen de<br />

<strong>brandweer</strong> worden beschreven in competentieprofielen en competentieniveaus.<br />

Deze ontwikkeling ondersteunt 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. De scholing naar<br />

mbo-niveau wordt makkelijker als de medewerker op basis van zijn<br />

<strong>brandweer</strong>diploma’s en werkervaring vrijstellingen krijgt voor zijn studie.<br />

EVC-trajecten zijn daar een uitstekend middel toe (zie ook paragraaf 4.3).<br />

Invoering van competentiemanagement en invoering van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

gaan daarom uitstekend samen.<br />

Besluit kwaliteit <strong>brandweer</strong>personeel<br />

Al enige tijd werkt het ministerie van BZK samen met de VNG en de NVBR<br />

aan de wijziging van het huidige Besluit <strong>brandweer</strong>personeel. Doel van de<br />

wijziging is de kwaliteit van het <strong>brandweer</strong>personeel te verhogen én deze<br />

te waarborgen. Vakbekwaam blijven krijgt in dit besluit meer aandacht.<br />

De loopbaan binnen de <strong>brandweer</strong> laat zich in de toekomst kenmerken<br />

door ‘een leven lang leren en oefenen’. Daarmee komen 1e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

en 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> in elkaars verlengde te liggen. Door het 1e<br />

en 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> op elkaar te laten aansluiten, kunnen korpsen hun<br />

medewerkers beter en met minder inspanningen begeleiden bij de tijdige<br />

doorstroom naar niet-bezwarend werk.<br />

3.5 Visies van korpsen op 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

Binnen de korpsen wordt vanuit verschillende visies op 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

vorm en inhoud gegeven aan loopbaanfasering en de inzet van<br />

loopbaaninstrumenten. We beschrijven de visie van vijf korpsen. Drie<br />

zijn pilotkorpsen (Tilburg, Nijmegen en Groningen) en twee korpsen niet<br />

(Regionale Brandweer Zuid-Holland Zuid en Brandweer Utrecht). De<br />

keuze van deze korpsen is willekeurig.<br />

In korps Tilburg [5] wordt gekozen voor een integrale aanpak, waarbij<br />

actualisering van alle relevante P&O-instrumenten als logisch en noodzakelijk<br />

wordt gezien: ‘Het spreekt voor zich dat een <strong>loopbaanbeleid</strong> geen<br />

op zichzelf staand onderwerp is. Natuurlijk heeft het samenhang met en<br />

5 Zie notitie Loopbaanbeleid <strong>brandweer</strong>. Uitgeblust maar nog niet afgebrand<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 29


consequenties voor andere beleidsterreinen. Denk aan de selectiecriteria bij<br />

aanname van nieuwe medewerkers, het toenemende belang van een goede<br />

(strategische) personeelsplanning, competentiemanagement, de vereiste<br />

vaardigheden van het lijnmanagement etc.’<br />

Korps Nijmegen [6] heeft als startpunt bij de pilot gekozen voor de ontwikkeling<br />

van een beleidsnotitie die al in 2007 werd vastgesteld door het college<br />

van B&W. Bij de implementatie van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is er voor<br />

de benodigde cultuuromslag extra aandacht te geven: ‘Naast het leveren<br />

van de concrete managementinformatie wordt de pilot ook aangegrepen om<br />

een start te maken met een cultuuromslag binnen de <strong>brandweer</strong>. Voorheen<br />

diende bijna iedereen zijn functie binnen de repressieve dienst uit, totdat men<br />

met FLO ging. Deze cultuuromslag behelst het verlaten van de gedachte dat<br />

de baan bij de repressieve dienst voor het leven is. Het is een bewustwordingsproces<br />

waarbij er voldoende uitdaging moet zijn om toe te treden tot<br />

de repressieve dienst, maar het besef aanwezig moet zijn of komen dat deze<br />

baan tijdelijk is. De repressieve dienst van de <strong>brandweer</strong> zal moeten leren<br />

werken met mensen die vanaf indiensttreding bewust zijn van de noodzaak<br />

van een 2 e loopbaan. De focus van deze mensen kan al snel buiten deze<br />

repressieve dienst liggen. De paraatheid en kwaliteit van de repressieve<br />

dienst mag niet leiden onder de gevolgen van de 2 e loopbaan.’<br />

Korps Groningen [7] stelt langdurige inzetbaarheid, gezondheid en motivatie<br />

centraal. Mensen moeten uitgedaagd worden en blijven doorwerken<br />

aan hun eigen ontwikkeling. De werknemer is daarin leidend! ‘Uitgangspunt<br />

voor het <strong>loopbaanbeleid</strong> is het verlengen en verbreden van de inzetbaarheid<br />

van medewerkers in repressieve functies opdat medewerkers gezond en<br />

gemotiveerd tot aan hun pensioen kunnen blijven werken. De medewerker is<br />

en blijft zelf verantwoordelijk voor zijn loopbaan, maar wordt daarbij ondersteund<br />

door een loopbaanadviseur en zijn leidinggevende.’<br />

6 Zie notitie Notitie 2de Loopbaan Brandweer (definitieve versie), juni 2007<br />

7 Zie notitie Loopbaanbeleid Repressieve Dienst Brandweer Groningen<br />

30


Bij de Regionale Brandweer Zuid-Holland Zuid [8] komt de visie met<br />

betrekking tot het te ontwikkelen 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> duidelijk naar voren<br />

in het kader waarbinnen het beleid zich beweegt:<br />

– Bekijk het vraagstuk in samenhang: benoem de gevolgen voor in-, door- en<br />

uitstroombeleid, en voor de bedrijfsvoering, de organisatiecultuur, het<br />

beroep.<br />

– Focus op persoonlijke ontwikkeling en niet op ‘gedwongen opleiding’ en<br />

‘gedwongen uitstroom’.<br />

– Kijk naar de kansen van de nieuwe cao en niet (alleen) naar de bedreigingen<br />

– Zoek naar voorbeelden vanuit andere branches, zoals Defensie, Politie<br />

en Bouw/Infra, nodig sprekers uit, en/of organiseer excursies naar deze<br />

organisaties.<br />

– Introduceer een mbo-capaciteitentest als selectiecriterium bij de instroom.<br />

– Onderzoek waar en hoe EVC-procedures ingezet kunnen worden (in overleg<br />

met roc Da Vinci).<br />

– Zorg voor kennisborging binnen de <strong>brandweer</strong> wanneer de verblijftijd in de<br />

functie gaat afnemen, bij voorkeur in een niet-bezwarende functie.<br />

– Maak ruimte in de roosters om studie mogelijk te maken, zeker in relatie<br />

tot het nieuwe arbeidstijdenbesluit is dit van groot belang.<br />

– Faciliteer opleidingen, stages e.d, maar vraag ook een eigen (tijds)investering<br />

van de medewerker.<br />

– Train de leidinggevenden in hun nieuwe rol van loopbaancoach en zorg<br />

voor ondersteuning door een professionele loopbaancoach.<br />

Bij korps Utrecht [9] vormt 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> een integraal onderdeel van<br />

het hrm-beleid:<br />

‘Het <strong>loopbaanbeleid</strong> vormt onderdeel van het Personeelsbeleid, zoals de<br />

werving & selectie en de personeelsplanning.’<br />

Daarnaast wordt in de beleidsnotitie van korps Utrecht ook een duidelijke<br />

visie geformuleerd op de verantwoordelijkheden van organisatie en<br />

medewerker met betrekking tot 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>:<br />

‘De werkgever en de medewerker stellen zich tot doel gezamenlijk zorg te<br />

dragen voor de ontwikkeling naar een andere loopbaan op latere leeftijd.<br />

8 Zie notitie Tussenrapportage project IDU fase 2, maart 2008<br />

9 Zie notitie Concept Tweede Loopbaanbeleid voor medewerkers in bezwarende<br />

functie bij de Brandweer Utrecht, Concept 18 januari 2008<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 31


Vanwege de tijdelijkheid van de functie zal de medewerker zich gedurende<br />

het huidige dienstverband oriënteren op een loopbaan na het bezwarende<br />

werk. Hiertoe stelt de werkgever met iedere medewerker een loopbaanplan<br />

op. In dit loopbaanplan spreken werkgever en medewerker af, op welke wijze<br />

zij samen werken aan het voortzetten van de loopbaan na beëindiging van de<br />

werkzaamheden in de bezwarende functie.<br />

Bij aanvang van de bezwarende functie worden met medewerker afspraken<br />

gemaakt over zijn/haar te ontwikkelen competenties en opleidingen. De afdeling<br />

Repressie begeleidt het carriërepad van een incidentenbestrijder.<br />

Circa de eerste vijftien dienstjaren zal de medewerker zijn/haar persoonlijke<br />

ontwikkeling richten op het carrièrepad van incidentenbestrijder, zoals<br />

hiervoor beschreven, of een andere interne niet-bezwarende functie. De<br />

medewerker stelt in het jaar van in diensttreding loopbaanplan I op, gericht<br />

op de persoonlijke ontwikkeling in de bezwarende functie, in samenspraak<br />

met zijn/haar leidinggevende. Na circa vijftien dienstjaren, of zo veel eerder<br />

als door de leidinggevende en medewerker vastgesteld, stelt de medewerker<br />

loopbaanplan II op, gericht op de 2 e loopbaan.<br />

De werkgever faciliteert de begeleiding van de medewerker in het kader van<br />

de 2 e loopbaan naar iedere functie binnen of buiten de organisatie van de<br />

gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende<br />

functie en die past bij de richting zoals afgesproken is in het loopbaanplan.’<br />

32


4<br />

Fasenmodel<br />

2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

4.1 Inleiding<br />

Het project Ontwikkeling Landelijk Model 2 e Loopbaanbeleid Brandweer<br />

is gestart omdat korpsen aangaven dat zij behoefte hadden aan een<br />

<strong>handreiking</strong> <strong>loopbaanbeleid</strong>. Zo hoefde niet elk korps het wiel uit te vinden<br />

en zou meer beleidseenheid binnen de sector worden gerealiseerd.<br />

Een van de kenmerken van de <strong>brandweer</strong>sector is echter dat de korpsen<br />

sterk verankerd zijn in de gemeente of regio waarbinnen zij opereren. Ze<br />

zijn onderdeel van een gemeente of worden bestuurd door gemeenten<br />

(in het geval van een regionale <strong>brandweer</strong>organisatie). Het beleid – ook<br />

het hrm-beleid – wordt lokaal vormgegeven. Daardoor zijn er verschillen<br />

bij zaken als:<br />

– instroomniveau nieuw personeel;<br />

– opleidingsniveau en specialismen zittend personeel;<br />

– doorstroombeleid binnen korps, gemeente of regio;<br />

– P&O-visie en -beleid;<br />

– opleidingsbeleid en -budgetten;<br />

– bestuurlijke organisatie (gemeentelijk of regionaal).<br />

Daarnaast heeft een korps ook te maken met een arbeidsmarkt die per<br />

regio sterk verschilt. Het te ontwikkelen 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> moet passen<br />

binnen het lokale (HR-)beleid en bij de regionale arbeidsmarkt. Dat<br />

maakt dat landelijke uniformiteit bij het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> niet zonder<br />

meer te realiseren is.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 33


Om die redenen biedt deze <strong>handreiking</strong> een fasenmodel op hoofdlijnen.<br />

Met behulp van het fasenmodel kan een korps het eigen 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

ontwikkelen. Na het model beschrijven we in dit hoofdstuk hoe drie<br />

korpsen hun eigen variant op dit model maakten.<br />

Verschillende doelgroepen, één model<br />

De cao maakt onderscheid tussen drie groepen medewerkers. Werkgevers<br />

en werknemers hebben er echter belang bij om voor alle medewerkers<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> te voeren, omdat het een vorm van ontwikkelingsbeleid<br />

is. In deze <strong>handreiking</strong> hebben we daarom gekozen voor één<br />

algemeen loopbaanmodel, waarbij altijd maatwerk mogelijk is.<br />

4.2 Model 2 e Loopbaanbeleid<br />

In de loopbaan die iemand doorloopt bij de <strong>brandweer</strong>, zijn minimaal<br />

twee fasen te onderscheiden: de fase van de opleiding tot medewerker<br />

basis<strong>brandweer</strong>zorg en de fase waarin hij zich ontwikkelt tot een ervaren<br />

<strong>brandweer</strong>medewerker. Ook in die tweede fase kan er nog sprake zijn<br />

van opleiding om tot specialisatie binnen de functie te komen.<br />

Vervolgens kan iemand, op grond van ambities en capaciteiten, doorgroeien<br />

naar een andere functie binnen of buiten de <strong>brandweer</strong>. De mate<br />

waarin deze derde fase door de organisatie wordt gefaciliteerd, is sterk<br />

afhankelijk van het loopbaan- en opleidingsbeleid binnen de organisatie.<br />

Vragen die daarbij aan de orde komen, zijn bijvoorbeeld: Welke functies<br />

zijn of komen vrij Hoe sluit de ontwikkelbehoefte van de medewerker<br />

aan op de behoefte van de organisatie Wat voor invloed heeft de opleiding<br />

op de motivatie van de medewerker voor zijn huidige functie<br />

In feite spreek je dan over regulier loopbaan- of mobiliteitsbeleid.<br />

Voor het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> komt er meer bij kijken. Een logische fasering<br />

van een 2 e loopbaan (en daarmee ook van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>) beslaat<br />

vijf onderscheiden fasen, namelijk:<br />

Fase 1 Instroom- en opleidingsfase: tijdens deze fase wordt een medewerker<br />

aangenomen en opgeleid tot medewerker basis<strong>brandweer</strong>zorg.<br />

Fase 2 Oriëntatiefase: tijdens de oriëntatiefase ontwikkelt de medewerker<br />

zich verder in zijn vak, maar oriënteert hij zich daarnaast in steeds<br />

sterkere mate op een mogelijke 2 e loopbaan.<br />

34


Fase 3 Ontwikkelfase: tijdens de ontwikkelfase vergaart de medewerker<br />

de benodigde kennis en ervaring ten behoeve van de gekozen 2 e loopbaanrichting.<br />

Fase 4 Door- en uitstroomfase: tijdens de door-/uitstroomfase richt de<br />

medewerker zich op de arbeidsmarkt teneinde uit te stromen naar de 2 e<br />

loopbaanfunctie.<br />

Fase 5 Nazorgfase: tijdens de nazorgfase bewaakt de organisatie of de<br />

gemaakte afspraken over de uitstroom van de medewerker door zowel<br />

organisatie als die medewerker goed worden nagekomen en wordt het<br />

loopbaantraject afgesloten.<br />

Het is in elke fase belangrijk dat alle afspraken worden nageleefd.<br />

Daarom moet per fase worden vastgelegd wie de afspraken gaat bewaken.<br />

Vaak zijn de P&O’er en de leidinggevende hiervoor de eerst aangewezene.<br />

De geschetste fasering is vrij logisch: alle betrokken pilotkorpsen waren<br />

eigenstandig tot een vergelijkbare fasering gekomen. Het verschil tussen<br />

de korpsen zit vooral in het aantal jaar dat zij voor een fase rekenen, de<br />

activiteiten en resultaten die per fase uitgevoerd en behaald moeten worden,<br />

en de faciliteiten die daarvoor ter beschikking worden gesteld.<br />

In de volgende paragrafen zetten we per fase uiteen welke loopbaanactiviteiten<br />

daarin centraal staan, welke resultaten worden beoogd en welke<br />

middelen daarvoor kunnen worden aangewend. De voortgang van elke<br />

fase, evenals de afspraken die daarin worden gemaakt, worden vastgelegd<br />

in het persoonlijk dossier en het loopbaanplan van de medewerker,<br />

eventueel gekoppeld aan zijn portfolio. Voorbeelden van de opzet van een<br />

loopbaanplan en een portfolio staan als digitale bijlage bij deze <strong>handreiking</strong><br />

op de website van het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten (www.aeno.nl).<br />

Voor zittende medewerkers zal vaak individueel worden bepaald aan<br />

welke loopbaanfase deze persoon toe is. Dat hangt af van het aantal<br />

bezwarende dienstjaren, uitkomsten van het periodiek preventief<br />

medisch onderzoek (PPMO), de resultaten van de loopbaangesprekken en<br />

het loopbaanplan.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 35


Fasenmodel 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> <strong>brandweer</strong><br />

Fase 1<br />

Instroom- en opleidingsfase<br />

Fase 2<br />

Oriëntatiefase<br />

Fase 3<br />

Ontwikkelfase<br />

Fase 4<br />

Door- en uitstroomfase<br />

Fase 5<br />

Nazorgfase<br />

Fase 1: Instroom- en opleidingsfase<br />

Loopbaanactiviteiten<br />

Tijdens deze periode wordt de medewerker aangenomen en opgeleid tot<br />

medewerker basis<strong>brandweer</strong>zorg en doet hij ervaring op in het <strong>brandweer</strong>wezen.<br />

De leergangen worden verzorgd door Regionale Opleidingsinstituten,<br />

het NIFV en andere organisaties. Bij de keuze van leergangen<br />

wordt aangesloten bij de behoeften van het korps. Het opleidingstraject<br />

wordt vastgelegd in het loopbaanplan deel 1.<br />

In deze periode wordt het loopbaanplan deel 1 ontwikkeld, daarnaast<br />

vinden er weinig 2 e loopbaanactiviteiten plaats.<br />

Middelen<br />

De kosten voor het volgen van de operationele <strong>brandweer</strong>opleidingen,<br />

worden uit de reguliere budgetten van het korps betaald.<br />

Resultaten<br />

1. De medewerker is opgeleid tot medewerker basis<strong>brandweer</strong>zorg.<br />

2. Loopbaanplan deel 1 is opgesteld en wordt driejaarlijks geëvalueerd<br />

en, indien noodzakelijk, bijgesteld.<br />

36


Fase 2: Oriëntatiefase<br />

Loopbaanactiviteiten<br />

Tijdens deze periode gaat de medewerker zich oriënteren op het vak dat<br />

hij tijdens zijn 2 e loopbaan wil uitoefenen en op de opleiding die daarvoor<br />

is vereist. Met hulp van een loopbaanadviseur of loopbaancoach worden<br />

diverse loopbaanactiviteiten gestart: de persoonlijke situatie van de<br />

medewerker wordt in kaart gebracht, de medewerker verdiept zich,<br />

bijvoorbeeld met een loopbaanscan [10] , in de mogelijke 2 e loopbaanrichtingen<br />

en stelt, rekening houdend met de uitkomsten van het PPMO,<br />

een oriëntatieplan op. In dat loopbaanplan deel 2 geeft hij aan op welke<br />

toekomstige beroepen hij zich gaat oriënteren, welke acties hij daarvoor<br />

wanneer gaat ondernemen, en welke middelen hij daarvoor nodig heeft.<br />

Het oriëntatieplan wordt besproken met de leidinggevende en de daarin<br />

gemaakte afspraken worden jaarlijks gemonitord tijdens het functionerings-,<br />

beoordelings- of POP-gesprek.<br />

Volgens de planning van het oriëntatieplan wordt de oriëntatieperiode<br />

afgesloten met deel 3 van het loopbaanplan, het ontwikkelplan. Daarin<br />

staat beschreven welke concrete ontwikkelactiviteiten (bijvoorbeeld<br />

opleiding of stage) de medewerker gaat uitvoeren ten behoeve van zijn 2 e<br />

loopbaan; daarbij worden ook resultaatafspraken gemaakt. Doel is dat<br />

de medewerker goed gekwalificeerd is voor de reguliere arbeidsmarkt<br />

en kan uitstromen in een functie op mbo-niveau.<br />

Voor medewerkers die lang geleden diploma’s hebben gehaald en<br />

daarna veel werkervaring hebben opgedaan, kan een ervaringscertificaat<br />

(EVC) interessant zijn. Tijdens een EVC-traject wordt onderzocht<br />

welke competenties de medewerker heeft en of dat vrijstellingen oplevert<br />

voor een reguliere mbo- opleiding. Een EVC-traject heeft vooral<br />

zin als de medewerker weet welke opleiding hij wil gaan volgen. In de<br />

praktijk blijkt dat sommige <strong>brandweer</strong>medewerkers zo met minimale<br />

aanvullende inspanningen een mbo-diploma kunnen halen. Zo behaalde<br />

een medewerker van Brandweer Groningen op basis van zijn werkervaring<br />

het mbo-diploma ‘Monteur elektrische installaties’.<br />

10 Er zijn veel loopbaaninstrumenten op de markt. Een loopbaanadviseur of -coach<br />

kan uitzoeken welke het beste past bij de specifieke situatie van de medewerker.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 37


Middelen<br />

Het is van belang dat de medewerker, tijdens de activiteiten ten behoeve<br />

van deel 2 en 3 van het loopbaanplan, gebruik kan maken van de diensten<br />

van een loopbaanadviseur. Daarnaast is het wenselijk dat de werkgever<br />

een aantal werkuren beschikbaar stelt om de oriënterende loopbaanactiviteiten<br />

uit te voeren. Tot slot moet rekening gehouden worden met<br />

de reis- en ander onkosten die medewerkers hiervoor maken. De mate<br />

waarin dit soort kosten gedeclareerd kunnen worden, moet worden<br />

opgenomen in de faciliteitenregeling(en).<br />

Resultaten<br />

1. Tussenresultaat: loopbaanplan deel 2 (oriëntatieplan)<br />

2. Eindresultaat: loopbaanplan deel 3 (ontwikkelplan)<br />

Fase 3: Ontwikkelfase<br />

Loopbaanactiviteiten<br />

Tijdens deze periode verricht de medewerker de ontwikkelactiviteiten<br />

voor de 2 e loopbaan, zoals vastgelegd in deel 3 van het loopbaanplan.<br />

Doelstelling is dat de medewerker goed gekwalificeerd de reguliere<br />

arbeidsmarkt kan betreden. Loopbaanactiviteiten in deze fase zijn er dan<br />

ook op gericht kennis en ervaring te vergaren voor de 2 e loopbaanfunctie<br />

door middel van scholing, stages, projecten, detachering, et cetera.<br />

Middelen<br />

Welke middelen een korps ter beschikking stelt, is afhankelijk van de<br />

studiefaciliteitenregeling in het kader van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. Uitgangspunt<br />

bij de verdeling van middelen is dat het beleid niet alleen als<br />

uitgangspunt, maar ook als toetsingskader dient, en dat er daarnaast<br />

ruimte blijft voor maatwerk. Afspraken over de inzet van tijd en geld door<br />

zowel medewerker als werkgever worden vastgelegd in deel 3 van het<br />

loopbaanplan.<br />

Resultaten<br />

1. Indien al in het bezit van een diploma op mbo-niveau: aantoonbaar<br />

voldoende kwalificaties om de afgesproken 2 e loopbaan te starten.<br />

2. Opleidings-/werkervaringsafspraken uit het loopbaanplan gerealiseerd.<br />

38


Fase 4: Door- en uitstroomfase<br />

Loopbaanactiviteiten<br />

Tijdens deze periode bereidt de medewerker zich voor op het vinden van<br />

een nieuwe functie en daarmee het starten van de 2 e loopbaan. Afhankelijk<br />

van de ambities van de medewerker, wordt samen met een loopbaanadviseur<br />

en in samenspraak met de leidinggevende een zogeheten<br />

‘door-/uitstroomplan’ ontwikkeld (loopbaanplan deel 4). Hierin worden<br />

afspraken gemaakt over de inzet van de medewerker en de werkgever<br />

met betrekking tot het verlaten van de bezwarende functie.<br />

Middelen<br />

De werkgever biedt de medewerker bijvoorbeeld:<br />

– begeleiding van een loopbaanadviseur;<br />

– actieve bemiddeling;<br />

– een training ‘solliciteren’ en een training ‘netwerkgesprekken voeren’;<br />

– de mogelijkheid te solliciteren en netwerkgesprekken te voeren;<br />

De werkgever kan daarnaast eventueel een aantal werkuren beschikbaar<br />

stellen [11] om trainingen te volgen, bijvoorbeeld in het voeren van sollicitatie-<br />

en netwerkgesprekken.<br />

Resultaten<br />

1. Tussenresultaat: door-/uitstroomplan, loopbaanplan deel 4.<br />

2. Eindresultaat: de medewerker verlaat zijn bezwarende functie en<br />

start een 2 e loopbaan.<br />

Fase 5: Nazorgfase<br />

Loopbaanactiviteiten<br />

Tijdens deze periode is de medewerker gestart in een niet-bezwarende<br />

functie. Toch is daarmee de verantwoordelijkheid van de organisatie nog<br />

niet afgerond. Vragen die hierbij bijvoorbeeld een rol kunnen spelen zijn:<br />

wat als iemand zijn proeftijd niet kan afmaken, of zijn voorlopig contract<br />

niet wordt verlengd<br />

11 Leidinggevende en medewerkers kunnen bijvoorbeeld samen bepalen wat redelijkerwijs<br />

nodig is en hierover verantwoording af leggen in het loopbaanplan.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 39


Middelen<br />

Het is van belang om een regeling op te stellen waarin die nazorg goed<br />

geregeld is, ook wat betreft de rechtspositionele consequenties bij uitstroom.<br />

Resultaat<br />

Eindresultaat: De medewerker werkt in een passende niet-bezwarende<br />

functie.<br />

4.3 Varianten van korpsen<br />

Het Model 2 e Loopbaanbeleid Brandweer blijkt in de praktijk een handzaam<br />

model te zijn: het is logisch en biedt korpsen voldoende mogelijkheid<br />

er hun eigen invulling aan te geven. Korpsen die dit model inmiddels<br />

toepassen, blijken voornamelijk te verschillen in de doorlooptijd van de<br />

verschillende fasen en de inzet van middelen.<br />

In deze paragraaf beschrijven we de concept-beleidsmodellen van Zuid-<br />

Limburg, Groningen en Nijmegen.<br />

40


Loopbaanmodel Zuid Limburg (concept)<br />

0–5<br />

dienstjaren<br />

5–10<br />

dienstjaren<br />

10–15<br />

dienstjaren<br />

15–20<br />

dienstjaren<br />

1 e loopbaan Opleiding tot<br />

medewerker<br />

Basis<strong>brandweer</strong>zorg<br />

Vervolgopleidingen<br />

en opbouw<br />

werkervaring<br />

Inzetten<br />

werk ervaring<br />

en bijhouden<br />

kennis<br />

Inzetten<br />

werk ervaring<br />

en bijhouden<br />

kennis<br />

2 e loopbaan Behalen<br />

opleiding op<br />

mbo niveau 3<br />

Oriëntatie- en ontwikkelactiviteiten<br />

i.h.k.v. een 2 e loopbaan (noodzaak<br />

of vrijwillig)<br />

Uitstroomactiviteiten<br />

Studiefaciliteiten<br />

Opleidingskosten:<br />

werkgever<br />

Tijdsinvestering:<br />

medewerker<br />

Mavo/havo/vwo/mbo-3 (afronding):<br />

werkgever vergoedt tijd en kosten<br />

Mbo-3 (nieuw): werkgever<br />

vergoedt tijd en kosten bij<br />

medische noodzaak<br />

Overige opleidingen:<br />

AGM/Zuid-Limburg<br />

Standaardvoorzieningen:<br />

werkgever<br />

faciliteert<br />

Overige<br />

afspraken:<br />

maatwerk<br />

Het loopbaanmodel van Zuid-Limburg kenmerkt zich door de volgende<br />

elementen:<br />

1. Nieuwe medewerkers die nog geen opleiding op mbo-3-niveau hebben,<br />

worden geacht dit op eigen gelegenheid te halen en hiermee te starten<br />

tijdens de eerste fase van hun aanstelling. De opleidingskosten worden<br />

door de werkgever vergoed.<br />

2. De werkgever vergoedt de tijd en kosten van opleidingen die relatief<br />

makkelijk tijdens diensttijd kunnen worden gevolgd en als startkwalificatie<br />

kunnen dienen, zoals mavo/havo/vwo en daarnaast mbo-<br />

3-opleidingen die in het verleden al zijn gestart, maar nog niet zijn<br />

afgerond.<br />

3. Wanneer medewerkers voor hun 2 e loopbaan een nieuwe mboopleiding<br />

willen of moeten volgen, dan vergoedt de werkgever alleen<br />

tijd en kosten wanneer er sprake is van een medische noodzaak (dus<br />

bijvoorbeeld bij dreigende arbeidsongeschiktheid).<br />

4. In alle andere gevallen geldt de algemene studiefaciliteitenregeling.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 41


Loopbaanmodel Groningen (concept)<br />

0–5<br />

dienstjaren<br />

5–10<br />

dienstjaren<br />

10–15<br />

dienstjaren<br />

15–20<br />

dienstjaren<br />

1 e loopbaan Opleiding tot<br />

medewerker<br />

Basis<strong>brandweer</strong>zorg<br />

Vervolgopleidingen<br />

en opbouw<br />

werkervaring<br />

Inzetten<br />

werk ervaring<br />

en bijhouden<br />

kennis<br />

Inzetten<br />

werk ervaring<br />

en bijhouden<br />

kennis<br />

2 e loopbaan Oriëntatie- en ontwikkelactiviteiten<br />

i.h.k.v. een 2 e loopbaan (noodzaak<br />

of vrijwillig)<br />

Uitstroomactiviteiten<br />

Studiefaciliteiten<br />

nieuwe<br />

medewerkers<br />

Mbo-3 (nieuw): werkgever<br />

vergoedt tijd en kosten bij<br />

medische noodzaak<br />

Overige opleidingen:<br />

AGM/Zuid-Limburg<br />

Standaardvoorzieningen:<br />

werkgever<br />

faciliteert<br />

Overige<br />

afspraken:<br />

maatwerk<br />

Studiefaciliteiten<br />

zittende<br />

medewerkers<br />

Mavo/havo/vwo/mbo-3 (afronding): werkgever<br />

vergoedt tijd en kosten<br />

Mbo-3 (nieuw): werkgever vergoedt tijd en kosten bij<br />

medische noodzaak<br />

Overige opleidingen: AGM/Zuid-Limburg<br />

Het loopbaanmodel van Groningen kenmerkt zich door de volgende elementen:<br />

1. Wanneer medewerkers voor hun 2 e loopbaan een nieuwe mboopleiding<br />

willen of moeten volgen, dan vergoedt de werkgever alleen<br />

tijd en kosten wanneer er sprake is van een medische noodzaak (dus<br />

bijvoorbeeld bij dreigende arbeidsongeschiktheid).<br />

2. De werkgever vergoedt voor zittende medewerkers de tijd en kosten<br />

van opleidingen die relatief makkelijk tijdens diensttijd kunnen worden<br />

gevolgd (mavo/havo/vwo) en mbo-3-opleidingen die in het verleden al<br />

zijn gestart, maar nog niet zijn afgerond.<br />

3. In alle andere gevallen geldt de arbeidsrechtspositieregeling van de<br />

gemeente Groningen.<br />

42


Loopbaanmodel Nijmegen (concept)<br />

0–5 dienstjaren 6–17 dienstjaren 18–20 dienstjaren<br />

Ontwikkeling tot <strong>brandweer</strong>medewerker<br />

Bewustwording en<br />

oriëntatie op mogelijkheden<br />

Realiseren 2 e loopbaan<br />

Bij instroom: test op<br />

mbo niveau 4<br />

Uitgangspunt: mensen<br />

zo lang mogelijk voor<br />

repressieve dienst<br />

behouden<br />

Eventuele<br />

loopbaan wensen vallen<br />

onder eigen verantwoordelijkheid<br />

6–12 jaar<br />

Focus: behoud medewerker<br />

voor eigen<br />

functie en bewustwording<br />

12–18 jaar<br />

Oriëntatie op 2 e loopbaan<br />

15–18 jaar<br />

Start opleiding t.b.v. 2 e<br />

loopbaan (er wordt 1<br />

opleiding gefaciliteerd)<br />

Ontwikkeling maatwerktraject<br />

t.b.v. realisatie<br />

loopbaanstap<br />

Kosten (tijd en geld) tot<br />

mbo niveau en traject<br />

naar andere functie voor<br />

rekening werkgever<br />

Startkwalificatie op mbo<br />

niveau heeft voorrang<br />

boven andere opleiding<br />

Budget is maatgevend<br />

voor opleidingsmogelijkheden<br />

Het loopbaanmodel van Nijmegen kenmerkt zich door de volgende<br />

kaders:<br />

1. Uitgangspunt is personeel zo lang mogelijk te behouden voor de<br />

repressieve dienst.<br />

2. Bij instroom worden medewerkers getest op mbo niveau 4. Medewerkers<br />

vanaf 16 dienstjaren in een bezwarende functie, dienen<br />

minimaal mee te werken aan een oriëntatie op een andere functie en<br />

het vaststellen van competenties. De medewerker kan, indien nodig,<br />

advies inwinnen van een extern loopbaancentrum. Om de overstap<br />

naar ander werk gemakkelijker en veiliger te maken, kunnen stages<br />

en detachering worden ingezet.<br />

3. De periode tussen de opleiding in het kader van de 2 e loopbaan en de<br />

daadwerkelijke start in de 2 e loopbaan dient zo kort mogelijk te zijn.<br />

Opleiding op landelijk erkend mbo-diploma niveau 4 is verplicht voor<br />

alle mensen in dienst na 1 januari 2006 en mogelijk voor alle mensen<br />

met overgangsrecht.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 43


4. Er wordt slechts één opleiding gefaciliteerd in het kader van de 2 e<br />

loopbaan. Indien personeel sneller een opleiding wil volgen, kan dat<br />

binnen de kaders van de studieregeling volgens het Arbeidsvoorwaardenreglement<br />

Gemeente Nijmegen.<br />

5. De kosten met betrekking tot de 2 e loopbaan (komen tot mbo-niveau én<br />

traject naar andere functie) zijn wat tijd en geld betreft voor rekening<br />

van de werkgever. Het budget voor 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is maatgevend<br />

voor de opleidingsmogelijkheden.<br />

44


5<br />

Richtlijnen,<br />

loopbaaninstrumenten<br />

en rolverdeling<br />

In dit hoofdstuk lichten we de kaders van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> vanuit de cao<br />

toe, het speelveld. Daarnaast gaan we in op de loopbaaninstrumenten<br />

die ingezet kunnen worden: hoe het spel kan worden gespeeld. Ten slotte<br />

besteden we in dit hoofdstuk aandacht aan de rolverdeling van de spelers.<br />

5.1 Richtlijnen<br />

Bij 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> geldt:<br />

– Werkgever en medewerker dragen samen zorg voor de doorstroom<br />

naar niet-bezwarend werk.<br />

– Voor alle medewerkers wordt zo spoedig mogelijk een loopbaanplan<br />

opgesteld, voor nieuwkomers in het eerste jaar van hun aanstelling.<br />

– Daarna wordt het plan zo vaak als nodig, maar in ieder geval eens per<br />

drie jaar geactualiseerd.<br />

– Werkgever en medewerker zijn samen verantwoordelijk voor het<br />

nakomen van afspraken die de doorstroom naar niet-bezwarend werk<br />

mogelijk moet maken.<br />

– Medewerkers worden – indien nodig – minimaal geschoold tot mboniveau.<br />

– De werkgever vergoedt de kosten van opleidingen die in het loopbaanplan<br />

zijn afgesproken.<br />

– Bij 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> wordt gezocht naar niet-bezwarend werk dat past<br />

bij de competenties en interesses van de betrokken medewerker.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 45


Voor de groep nieuwe medewerkers geldt bovendien:<br />

– Medewerkers krijgen een aanstelling voor onbepaalde tijd, waarbij<br />

het uitgangspunt is dat men maximaal twintig jaar werkzaam is in de<br />

bezwarende functie.<br />

– Vanwege de tijdelijkheid van de functie zullen medewerkers zich gedurende<br />

dit dienstverband moeten oriënteren op een loopbaan na het<br />

bezwarende werk.<br />

Regionalisering en rechten en plichten<br />

Veel korpsen zijn op dit moment bezig met regionalisering. Soms leidt dat<br />

ertoe dat medewerkers straks niet meer in dienst zijn van de gemeente,<br />

maar van het regionale korps. In die gevallen moeten er goede afspraken<br />

worden gemaakt over het overgangsrecht met al zijn financiële consequenties<br />

en de verplichtingen ten aanzien van het faciliteren van de 2 e<br />

loopbaan en daarmee de kosten van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

5.2 Loopbaaninstrumenten<br />

Er staat de organisatie een groot aantal handvatten ten dienste om de<br />

medewerker te faciliteren in zijn loopbaanontwikkeling. Dat begint bij<br />

loopbaantesten en/of een assessment (bijvoorbeeld in het kader van<br />

selectie) en kan eindigen met sollicitatie- en netwerktrainingen of, in het<br />

uiterste geval, een door-/uitstroomtraject ten behoeve van de uitstroom<br />

in een niet-bezwarende functie. In deze paragraaf behandelen we kort de<br />

belangrijkste instrumenten. De volgorde komt overeen met de volgorde<br />

waarin ze ingezet worden in de loopbaan van een medewerker.<br />

Testen en assessments<br />

Bij de werving en selectie van nieuw personeel, willen we graag weten<br />

wat voor vlees we in de kuip hebben. Uit onderzoek is gebleken dat een<br />

cv en een sollicitatiegesprek daar vaak onvoldoende duidelijkheid over<br />

geven. Bij zeker de helft van de sollicitaties wordt daarom tegenwoordig<br />

een assessment afgenomen. Een dergelijk assessment kan variëren van<br />

een of enkele psychologische testen tot een zeer uitgebreide screening<br />

van de benodigde gedragscompetenties door middel van praktijksimulaties.<br />

Bij de <strong>brandweer</strong> is een selectiedag al langer onderdeel van de selectieprocedure.<br />

De sollicitant wordt uitgebreid gescreend op eigenschappen<br />

46


die bij de <strong>brandweer</strong> van groot belang zijn, zoals kunnen werken onder<br />

grote druk, flexibiliteit en kunnen omgaan met emoties naar aanleiding<br />

van bepaalde verrichtingen. Daarnaast is natuurlijk een medische keuring<br />

verplicht.<br />

In het kader van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> kan het zinvol zijn om bij de selectie<br />

ook alvast te screenen op de mogelijke 2 e loopbaan en niet enkel op<br />

de gewenste functie van dat moment. Die screening zal dan minimaal<br />

gericht moeten zijn op de cognitieve capaciteiten van de sollicitant: wat<br />

is het intellectuele niveau Kan de sollicitant, indien hij nog geen mbodiploma<br />

heeft, dat niveau aan Door gericht te selecteren op instroom<br />

van medewerkers met cognitieve capaciteiten op mbo-niveau kunnen in<br />

een later stadium pijnlijke verassingen worden voorkomen.<br />

Daarnaast kan er een stap verder worden gegaan door ook al te selecteren<br />

op potentiële ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het korps. Dit<br />

houdt in dat er geselecteerd wordt op een breder scala aan competenties<br />

en op een hoger niveau dan in eerste instantie vereist is. Doorstroom<br />

naar een 2 e loopbaan kan daardoor te zijner tijd aanzienlijk vergemakkelijkt<br />

worden.<br />

Naast assessment ‘aan de poort’, kan het, in het kader van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>,<br />

ook zinvol zijn om medewerkers in een later stadium te laten<br />

testen. Het gaat dan om een zogeheten ‘ontwikkelassessment’. Uitgaande<br />

van de fasering, zoals beschreven in het model in hoofdstuk 4, gaat het<br />

dan om het afnemen van testen in de loop of op het eind van fase 2, de<br />

oriëntatiefase: de loopbaanfase waarin de medewerker zich in steeds<br />

sterkere mate gaat oriënteren op een mogelijke 2 e loopbaan. Het assessment<br />

in deze fase is van belang om beter zicht te krijgen op capaciteiten,<br />

loopbaanwensen en loopbaanmogelijkheden. Het gaat in deze fase dan<br />

ook meestal om een veel grootschaliger onderzoek dan bij het assessment<br />

in de selectiefase. Het zal variëren van intelligentie-, capaciteitsen<br />

competentietesten, tot persoonlijkheids- en beroepeninteressetesten.<br />

Net als bij de assessments in de selectiefase, is het bij een ontwikkelassessment<br />

aan te bevelen om gebruik te maken van gekwalificeerde<br />

assessoren of testbureaus. Loopbaanadviseurs hoeven niet altijd de<br />

kwalificaties in huis te hebben om een dergelijk assessment in zijn volle<br />

breedte uit te voeren, maar zij zijn wel de deskundigen bij uitstek om te<br />

achterhalen óf en welke vormen van assessment er nodig zijn en welke<br />

assessoren hiervoor in aanmerking komen. In de meeste gevallen hebben<br />

de loopbaancentra van gemeenten voldoende kwaliteit in huis om dit<br />

te kunnen doen; andere mogelijkheden zijn het Competence Test Centrum<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 47


van het CWI of de meer commerciële bureaus. Natuurlijk zal bij de keuze<br />

het financiële aspect een rol spelen, maar dat argument mag niet ten<br />

koste gaan van de kwaliteit van het assessment.<br />

Een derde vorm van assessment, is assessment in het kader van een<br />

EVC-procedure. Op doel en inhoud van deze vorm van assessment gaan<br />

we in de betreffende paragraaf verder in.<br />

Functioneringsgesprek/POP-gesprek/Loopbaangesprek<br />

Zoals eerder gesteld is het loopbaandenken binnen de <strong>brandweer</strong> niet<br />

echt onderdeel van de cultuur. Het lijkt daarnaast voor veel medewerkers<br />

ook een vreemd gegeven dat men, vanaf de start van de aanstelling, minimaal<br />

eens in de drie jaar gericht moet nadenken over een 2 e loopbaan die<br />

jaren verder in het verschiet ligt. Ook de noodzaak van loopbaandenken<br />

vanuit het perspectief van mogelijke uitval, zal bij veel jonge en gezonde<br />

medewerkers als ‘ver van mijn bed’ worden ervaren. Dat impliceert dat<br />

er voor natuurlijke momenten moet worden gekozen om het denken over<br />

de loopbaan actueel te maken en te houden. Het portfolio is daar een<br />

middel toe, maar hetzelfde geldt voor de bestaande gesprekscycli. In de<br />

meeste organisaties worden er jaarlijks met de medewerkers functionerings-<br />

en/of POP-gesprekken gevoerd; een gesprek tussen leidinggevende<br />

en medewerker. In die gesprekken is het persoonlijk functioneren<br />

en de persoonlijke ontwikkeling, nu en ook in de toekomst, een agendapunt.<br />

Zaken die daarbij aan de orde horen te komen zijn de persoonlijke<br />

ambities van de medewerker, zijn ontwikkelbehoeften en eventueel de<br />

ontwikkelnoodzaak. Kortom: in die gesprekken draait het om de loopbaan<br />

van de medewerker, waarbij het accent in eerste instantie vooral ligt op<br />

de ontwikkeling in de huidige loopbaan.<br />

Uitgaande van het Model 2 e Loopbaan (hoofdstuk 4) zal in de loop van<br />

(loopbaan)fase 2 dat accent echter steeds meer moeten verschuiven naar<br />

de 2 e loopbaan in een niet-bezwarende functie. Door ook het portfolio en het<br />

loopbaanplan bij deze gesprekken te betrekken zal het denken over de 2 e<br />

loopbaan op natuurlijke wijze geactualiseerd blijven zonder dat er nieuwe,<br />

extra gesprekken in de gesprekkencyclus hoeven te worden opgenomen.<br />

In het kader van de oriëntatie en ontwikkeling op de 2 e loopbaan, is het<br />

loopbaangesprek natuurlijk de gespreksvorm bij uitstek. In dit gesprek<br />

staan de loopbaan en het loopbaanplan centraal. Dit gesprek zal in de<br />

meeste gevallen worden gevoerd met de direct leidinggevende in combinatie<br />

met het functionerings- en/of POP-gesprek. Indien gewenst kan<br />

48


een loopbaanadviseur bij dit gesprek de nodige ondersteuning geven.<br />

Naarmate de oriëntatie op en de voorbereiding van de 2 e loopbaan dichterbij<br />

komt (volgens het Model 2 e Loopbaan in de loop van fase 2) en het<br />

loopbaanplan verder geconcretiseerd moet worden, zal ook de inbreng<br />

van de loopbaanadviseur steeds relevanter worden. Dat kan inhouden dat<br />

de loopbaanadviseur vaker bij een (deel van het) gesprek tussen leidinggevende<br />

en medewerker wordt uitgenodigd of dat de loopbaanadviseur<br />

zelfstandig een aantal loopbaangesprekken met de medewerker voert.<br />

De leidinggevende is echter te allen tijde samen met de medewerker verantwoordelijk<br />

voor het ontwikkeltraject; besluiten over het loopbaanplan<br />

worden dan ook door de leidinggevende en niet door de loopbaanadviseur<br />

genomen.<br />

Loopbaanplan<br />

Een van de belangrijkste instrumenten in het kader van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

is het loopbaanplan. Zoals gesteld in paragraaf 5.2, is de cao hier<br />

zeer helder over. Zowel zittende, als nieuwe medewerkers dienen een<br />

loopbaanplan op te stellen. Uitzondering is de groep die op 31 december<br />

2005 al twintig dienstjaren in de bezwarende functie werkzaam was. Dat<br />

loopbaanplan wordt zo vaak als nodig, maar in ieder geval eens per drie<br />

jaar geactualiseerd.<br />

Naast de algemene eisen die in de cao worden gesteld aan de vorm en<br />

inhoud van het loopbaanplan (voor voorbeelden zie www.aeno.nl) is de<br />

feitelijke invulling sterk afhankelijk van de loopbaanfase waarin de medewerker<br />

verkeert. We maken daarom, in aansluiting op het loopbaanmodel<br />

uit hoofdstuk 4, een onderverdeling in vier delen: loopbaanplan deel 1 tot<br />

en met 4 [12] die qua opzet en uitvoering steeds passen bij de specifieke<br />

loopbaanfase waarin de medewerker verkeert.<br />

In fase 1 is het loopbaanplan (loopbaanplan deel 1) vooral gericht op de<br />

ontwikkeling in de bezwarende functie. In de loop van die fase kan in dat<br />

ontwikkeltraject een accentverschuiving plaatsvinden naar een meer<br />

horizontale (specialistische functie) of verticale (leidinggevende functies)<br />

ontwikkeling.<br />

In fase 2 vindt er een verdere accentverschuiving plaats, waarbij de plannen<br />

voor de 2 e loopbaan in de loop van de jaren steeds concretere vormen<br />

aannemen. In de eerste jaren van deze fase zal er vooral sprake zijn van<br />

12 Zie ook de <strong>brandweer</strong>pagina van de website van het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten<br />

(www.aeno.nl).<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 49


een algemene oriëntatie op de 2 e loopbaan, maar op het eind van die fase<br />

moet dat vertaald zijn naar zicht op die 2 e loopbaan en de ontwikkelbehoefte<br />

en -mogelijkheden om die 2 e loopbaan daadwerkelijk te effectueren.<br />

In het fasenmodel in hoofdstuk 4 wordt daarom ook een onderscheid<br />

gemaakt tussen een loopbaanplan deel 2, wat beschouwd kan worden als<br />

een oriëntatieplan, en een loopbaanplan deel 3, waarin het accent meer<br />

ligt op de ontwikkelbehoefte en ‐mogelijkheden van de medewerker.<br />

Dat loopbaanplan deel 3 is leidend voor de invulling van fase 3 in het<br />

loopbaantraject: tijdens deze periode verricht de medewerker de benodigde<br />

ontwikkelactiviteiten voor de 2 e loopbaan. Het zal hierbij vooral<br />

gaan om bij- of omscholing, trainingen, et cetera. Voor medewerkers die<br />

al in het bezit zijn van de benodigde diploma’s, geldt dat zij deze periode<br />

anderszins kunnen benutten ter voorbereiding op de 2 e loopbaan. Hierbij<br />

valt bijvoorbeeld te denken aan praktijkstages.<br />

Aan het begin van fase 4, de door-/uitstroomfase, zal in het loopbaanplan<br />

(deel 4) vastgesteld moeten worden hoe de overgang naar de nietbezwarende<br />

functie vorm moet krijgen. Daarbij wordt opgenomen wat de<br />

medewerker nodig heeft aan ondersteuning en welke ondersteuning de<br />

organisatie daarbij biedt.<br />

Los van de cao-verplichting om een loopbaanplan op te stellen en dit<br />

plan minimaal eens in de drie jaar te actualiseren, is het evident dat het<br />

werken met loopbaanplannen een groot aantal voordelen heeft. Het is<br />

voor medewerker en organisatie niet alleen een routeplanner. In feite is<br />

het ook een contract waarin beide partijen schriftelijk vastleggen hoe de<br />

route gereden gaat worden, onder welke condities dat zal gebeuren en<br />

wie daarbij welke verantwoordelijkheden zal nemen.<br />

Bij het ontwikkelen van een loopbaanplan is het belangrijk dat, zowel<br />

met betrekking tot de eerste opzet, als bij de noodzakelijke actualisatie<br />

daarvan, de medewerker hierbij ondersteund wordt. In eerste instantie<br />

kan die ondersteuning komen van de leidinggevende, maar naarmate het<br />

loopbaanplan verder geconcretiseerd moet worden, is ondersteuning van<br />

een loopbaanadviseur aan te bevelen.<br />

Portfolio en Erkenning Verworven Competenties of<br />

Ervaringscertificaat (EVC)<br />

Net als binnen organisaties is ook binnen het onderwijs het competentiedenken<br />

steeds verder doorgedrongen. Werd er vroeger binnen<br />

opleidingen nog een scherp onderscheid gemaakt tussen kennis, attitude<br />

en vaardigheden, nu draait alles om competentiegericht leren. Compe-<br />

50


tenties zijn het uiteindelijke gedragsresultaat van zaken die binnen en<br />

buiten opleidingen zijn aangeleerd. Het gaat daarbij steeds om de vraag<br />

of iemand in staat is om, op het juiste moment, het juiste, adequate<br />

gedrag te vertonen. Zo ja, dan is iemand competent om de betreffende<br />

taak uit te voeren. In hoeverre dat gedrag gebaseerd is op theoretische<br />

(voor)kennis, is minder relevant. Het enige dat echt relevant is, is de<br />

vraag of iemand competent is in zijn taak- en functie-uitoefening. Daarmee<br />

heeft er binnen het onderwijs een verschuiving plaatsgevonden van<br />

kennisgestuurd onderwijs naar competentiegestuurd onderwijs en van<br />

kennistoetsing naar competentietoetsing (assessment in de meest klassieke<br />

betekenis). Binnen opleidingen zijn de einddoelen van die opleiding<br />

benoemd in competentieniveaus en bijbehorende contexten. Beheers je<br />

de competenties op het vereiste niveau, binnen de vereiste context, dan<br />

voldoe je aan de eindkwalificaties van de opleiding en kom je in aanmerking<br />

voor een diploma.<br />

Veel competenties kunnen echter ook binnen andere contexten, dan die<br />

van een opleiding, worden ontwikkeld. Denk daarbij bijvoorbeeld aan<br />

werk, verenigingsleven, hobby, trainingen en stages). Het is daarom<br />

raadzaam om vanaf de start bij de <strong>brandweer</strong>, een portfolio op te bouwen<br />

met al die competenties die men gedurende zijn carrière binnen en buiten<br />

zijn werk ontwikkeld heeft. Indien gewenst kan dat worden vergeleken<br />

met het competentieprofiel van een schilder, een fotograaf of een fotomodel<br />

om te zien hoe ‘ver’ iemand van dat profiel vandaan zit.<br />

Een portfolio bestaat meestal uit:<br />

1. Een cv-deel met persoonlijke gegevens en feiten over opleiding en<br />

werkervaring;<br />

2. Een persoonlijke reflectie op de eigen competenties en de eigen ontwikkeling;<br />

3. Een dossier met bewijzen, zoals diploma’s, testresultaten, certificaten<br />

en producten.<br />

4. Eventueel kan het loopbaanplan hier aan worden toegevoegd.<br />

Het samenstellen van een portfolio vergt tijd en inzet, maar vooral<br />

continuïteit! Dat houdt in dat kans groot is dat er in eerste instantie vol<br />

enthousiasme mee begonnen wordt, maar dat dit enthousiasme na verloop<br />

van tijd wegebt, waardoor het portfolio niet meer voldoende geactualiseerd<br />

blijft. Net als bij het ontwikkelen van een loopbaanplan, geldt<br />

ook voor het portfolio dat, zowel met betrekking tot de eerste opzet, als<br />

bij de actualisatie van het portfolio, het van belang is de medewerker de<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 51


nodige ondersteuning en/of stimulans te geven. Bij de start kan dat bijvoorbeeld<br />

bestaan uit ondersteuning of begeleiding door de P&O-medewerker<br />

of door een loopbaanadviseur. Om het portfolio geactualiseerd te<br />

houden, is het aan te bevelen om de inhoud ervan te agenderen binnen de<br />

jaarlijkse beoordelingscyclus (functionerings- of POP-gesprek). Daarnaast<br />

is het natuurlijk onderdeel van de driejaarlijkse bespreking van het<br />

loopbaanplan.<br />

Deze inzet weegt zeker op tegen het rendement dat een goede portfolio<br />

voor de 2 e loopbaan kan hebben. Het is in de eerste plaats voor de medewerker<br />

het middel bij uitstek om te reflecteren op eigen ontwikkeling,<br />

eigen competenties, eigen sterkten en zwakten en op die competenties<br />

die voor de toekomst eventueel nog ontwikkeling behoeven. Vaak leidt<br />

de ontwikkeling van een portfolio ertoe dat men voor het eerst echt zicht<br />

krijgt op de onderliggende structuur en richting van de eigen loopbaan.<br />

Het zet er daarnaast toe aan na te denken over capaciteiten, ambities,<br />

ambitieniveau en mogelijke richtingen voor de 2 e loopbaan.<br />

Het belangrijkste voordeel is echter dat een goed en serieus bijgehouden<br />

portfolio in feite een aanzet kan zijn tot een proeve van bekwaamheid die<br />

door opleidingen geaccepteerd en gebruikt wordt om vast te stellen aan<br />

welke opleidingscompetenties al voldaan is en aan welke competenties<br />

er binnen die opleiding nog gewerkt moet worden om een diploma te krijgen.<br />

Het is daarmee een hulpmiddel om versneld een opleiding te kunnen<br />

afronden.<br />

Hoe werkt dat Om als opleiding te komen tot de erkenning van al ontwikkelde<br />

competenties van een potentiële opleidingskandidaat, moet er<br />

een Erkenning Verworven Competenties (EVC)-traject worden doorlopen.<br />

Een dergelijk traject resulteert uiteindelijk in de toekenning van een<br />

ervaringscertificaat aan de medewerker. Startpunt bij een dergelijk<br />

traject is het competentieprofiel van de opleiding. In dat profiel wordt<br />

beschreven welke competenties, op welk niveau en in welke context<br />

beheerst moeten worden om voor een diploma in aanmerking te komen.<br />

Dit competentieprofiel wordt dan vergeleken met, wat genoemd wordt,<br />

een assessmentportfolio dat door de opleiding in samenwerking met de<br />

kandidaat wordt opgesteld .<br />

Een assessmentportfolio bestaat uit een diepteanalyse van het persoonlijke<br />

portfolio van de medewerker. Daarbij wordt onderzocht in hoeverre<br />

de eerder opgedane opleidingen en (werk)ervaringen overeenkomen met<br />

de vereiste competentie(niveaus). In feite worden bij de samenstelling<br />

52


van een assessmentportfolio alle zaken die relevant zouden kunnen<br />

zijn voor de te volgen opleiding, uit het persoonlijke portfolio van de<br />

kandidaat gefilterd. Hoe beter de opbouw van het persoonlijke portfolio<br />

aansluit bij de eisen die gesteld worden aan een assessmentportfolio<br />

van een opleiding, hoe makkelijker het voor een opleiding is om uit dat<br />

vergelijkingsonderzoek conclusies te trekken. Mocht er binnen de opleiding<br />

twijfel zijn over het feitelijke niveau van competentiebeheersing,<br />

dan kan een assessment in de vorm van een praktijksimulatie worden<br />

afgenomen.<br />

Eindresultaat is de uiteindelijke Erkenning Verworven Competenties in<br />

de vorm van een certificaat; een officieel document dat door alle opleidingen<br />

in Nederland wordt erkend. Vergelijking tussen EVC en benodigde<br />

opleidingseisen resulteert dan in een aangepast opleidingsprogramma<br />

met alleen die onderdelen voor het ontwikkelen van de competenties die<br />

nog onvoldoende beheerst worden. Het gevolg is dan dat de benodigde<br />

opleidingstijd korter wordt.<br />

EVC-trajecten worden door de meeste regionale opleidingscentra (roc’s),<br />

mbo- en hbo-opleidingen aangeboden. Prijzen van zo’n traject variëren,<br />

afhankelijk van de gedegenheid van de voorbereiding en het portfolio van<br />

de medewerker, globaal tussen de € 800 en € 2.000. Overigens is een van<br />

de belangrijkste voorwaarden voor het starten van een EVC-traject dat<br />

de medewerker weet welke opleiding hij wil volgen. Immers: de reeds<br />

verworven competenties moeten worden afgezet tegen competenties die<br />

nog moeten worden verworven, daarvoor is het noodzakelijk te weten<br />

welke dat zijn.<br />

Stage en detachering<br />

Voorbereiding op de 2 e loopbaan impliceert in lang niet alle gevallen<br />

scholing, laat staan dat het om langdurige scholing zou gaan. Dat heeft<br />

enerzijds te maken met het feit dat veel medewerkers bij instroom al<br />

vrij goed gekwalificeerd zijn, anderzijds komt dat doordat een EVCtraject<br />

de vereiste opleidingsduur aanzienlijk kan inkorten. Een extra<br />

mogelijkheid om medewerkers voor te bereiden op hun 2 e loopbaan is<br />

een stage of tijdelijke detachering in een niet-bezwarende functie. Het<br />

kan daarbij gaan om een functie in eigen korps, regio of gemeente of<br />

bij een andere organisatie. Om deze mogelijkheid buiten het korps te<br />

organiseren, is het noodzakelijk om samenwerkingsverbanden aan te<br />

gaan en daarnaast ook zicht te krijgen op welke functies het best aansluiten<br />

en de meeste doorstroommogelijkheden bieden.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 53


Doel van een stage of detachering is niet alleen dat de medewerker in<br />

een dergelijk leertraject ervaring opdoet en zijn competenties verder<br />

doorontwikkelt, het biedt tevens de mogelijkheid om te checken of de<br />

gewenste functie daadwerkelijk een passende functie is. Ten slotte zorgt<br />

stage of detachering er ook voor dat de medewerker op het moment van<br />

solliciteren, juist door de opgedane ervaringen in de functie en de opgedane<br />

kennis over de organisatie, een goede positie heeft ten opzichte van<br />

medesollicitanten.<br />

Sollicitatie- en netwerktraining<br />

Na twintig jaar in een bezwarende functie en een voorbereiding van een<br />

2 e loopbaan, zal de medewerker een aantal stappen moeten zetten om<br />

ook daadwerkelijk door te stromen naar die 2 e loopbaanfunctie. Dat kan<br />

een (te) grote stap zijn. Om die stap te vergemakkelijken kan een sollicitatie-<br />

en netwerktraining behulpzaam zijn. Met behulp van zo’n training<br />

leert de medewerker bijvoorbeeld om:<br />

een vacature te analyseren;<br />

– een sollicitatiebrief te schrijven die voldoet aan de eisen van de huidige<br />

markt;<br />

– de cv aan te passen aan de vacature;<br />

– zich positief en actief te presenteren, zowel in de sollicitatiebrief als in<br />

het gesprek;<br />

– een eigen relatienetwerk te creëren en uit te breiden.<br />

Meestal zijn dit soort trainingen afdoende om de doorstroom naar een<br />

niet-bezwarende functie aanzienlijk te versnellen. Loopbaanadviseurs<br />

zijn vaak zeer goed in staat om een dergelijk training te verzorgen. Daarnaast<br />

worden ze ook aangeboden door organisaties als het CWI, roc’s en<br />

commerciële trainingsbureaus.<br />

5.3 Rolverdeling<br />

Waar het gaat om het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>, is de cao duidelijk over de rolverdeling<br />

en de rechten en plichten van medewerker en werkgever:<br />

– Werkgever en medewerker dragen gezamenlijk zorg voor de ontwikkeling<br />

naar een andere loopbaan op latere leeftijd.<br />

– Beide partijen, werkgever en medewerker, zijn samen verantwoordelijk<br />

voor het nakomen van afspraken die een voortgezette loopbaan mogelijk<br />

moeten maken.<br />

54


Het hierbij in gebreke blijven van een van beide partijen kan verregaande<br />

consequenties hebben (zie ook Cao Gemeenten, artikel 9a.8 en 9a.9).<br />

Naast medewerker en werkgever (de organisatie) onderscheiden we de<br />

volgende rollen:<br />

– de P&O-adviseur<br />

– de functioneel en de hiërarchisch leidinggevende<br />

– de loopbaanadviseur.<br />

Van de medewerker mag worden verwacht dat hij zich inzet om een<br />

loopbaanplan te ontwikkelen dat praktisch, realistisch en haalbaar is.<br />

Daarnaast mag van hem worden verwacht dat hij zich ook daadwerkelijk<br />

en zichtbaar inzet om door te stromen naar een 2 e loopbaan.<br />

Van de organisatie mag worden verwacht dat ze zowel de ontwikkeling,<br />

als de (driejaarlijkse) actualisering van het loopbaanplan ondersteunt<br />

en faciliteert. Daarnaast mag van de organisatie worden verwacht dat<br />

ze minimaal de kosten betaalt voor de opleiding van de medewerker tot<br />

mbo-niveau. Ten slotte mag van de organisatie worden verwacht dat ze<br />

de doorstroom van de medewerker naar een niet-bezwarende functie<br />

binnen het eigen korps / de eigen regio, de gemeente of daarbuiten<br />

faciliteert. Dit betekent dat de organisatie dus meer moet doen dan enkel<br />

financiële ondersteuning bieden en driejaarlijks een loopbaangesprek<br />

voeren. Daarmee is een optimale uitstroom immers nog niet gegarandeerd.<br />

Het gezamenlijke belang en de gezamenlijke verantwoordelijkheid zullen<br />

steeds leidend moeten zijn bij de ontwikkeling van de 2 e loopbaan. Om<br />

hieraan te kunnen voldoen, is het voor de organisatie van belang dat ze<br />

niet enkel de medewerkers in voldoende mate faciliteert, maar dat ze<br />

er ook voor zorgt dat de leidinggevenden hiertoe voldoende toegerust<br />

zijn. Wat die leidinggevenden betreft moet er, indien van toepassing,<br />

onderscheid gemaakt worden tussen de functioneel en de hiërarchisch<br />

leidinggevende. Bij functioneel leidinggevenden gaat het dan veelal om<br />

de bevelvoerders die een medewerker in de directe, operationele praktijk<br />

aansturen. Bij de hiërarchisch leidinggevenden gaat het dan om bijvoorbeeld<br />

de ploegchef, die een team aanstuurt en die ook verantwoordelijk is<br />

voor het houden van de functionerings-, POP- en loopbaangesprekken.<br />

In het algemeen kan gesteld worden dat er langzamerhand een verandering<br />

plaatsvindt in de eisen die gesteld worden aan leidinggevenden<br />

binnen de <strong>brandweer</strong>. Het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> en de daarmee gepaard<br />

gaande cultuurveranderingen, zijn voorbeelden van situaties die andere<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 55


vormen van leiderschap met zich meebrengen. Het is aan te bevelen om<br />

in de reguliere opleidingen voor leidinggevenden veel meer aandacht te<br />

besteden aan die veranderende rol, maar vooral aan de competenties en<br />

vaardigheden die daar bij passen. Bijvoorbeeld: denken in oplossingen en<br />

minder denken in problemen.<br />

Hoewel de functioneel leidinggevende de loopbaangesprekken niet voert,<br />

heeft hij wel degelijk een rol bij de ontwikkeling van een 2 e loopbaan. Hij<br />

is degene die door de dagelijkse samenwerking een goede kijk heeft op<br />

de competenties en ambities van de medewerker en hij is tevens degene<br />

die, door het dagelijkse contact, het loopbaandenken bij die medewerker<br />

kan stimuleren. Daarnaast kan het wenselijk zijn om, in wat voor vorm<br />

dan ook, de functioneel leidinggevende een rol te geven bij de loopbaangesprekken.<br />

Dat vereist bij die leidinggevende niet alleen kennis op het<br />

gebied van loopbaandenken, maar ook (gespreks)vaardigheden om het<br />

onderwerp daadwerkelijk bespreekbaar te maken en te houden.<br />

De rol van de hiërarchisch leidinggevende bestaat uit het voeren van<br />

de loopbaangesprekken, het zorg dragen voor de actualisering van het<br />

loopbaanplan, het faciliteren van de ontwikkeling van de medewerker in<br />

het kader van zijn 2 e loopbaan en het faciliteren van de daadwerkelijke<br />

uitstroom. Dat vereist voldoende zicht op de consequenties van de<br />

cao-afspraken, op de inhoud van het <strong>loopbaanbeleid</strong> en op in te zetten<br />

loopbaaninstrumenten. Ten slotte mag verwacht worden dat hij de<br />

vaardigheden en competenties heeft om effectieve loopbaangesprekken<br />

te voeren. Het is van belang de leidinggevenden te trainen op kennis en<br />

(gespreks)vaardigheden zodat zij hun rol binnen het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

optimaal kunnen invullen.<br />

Bij de ontwikkeling van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> mag van de P&O-adviseur<br />

een leidende rol worden verwacht: <strong>loopbaanbeleid</strong> is immers P&Obeleid.<br />

Daarvoor moet de P&O-adviseur in ieder geval voldoende kennis<br />

hebben om de consequenties van de cao-veranderingen op zijn merites<br />

te kunnen beoordelen en daarover het management en de medewerkers<br />

adequaat te kunnen adviseren en ondersteunen. Een zeer belangrijk<br />

aspect hierbij is zicht hebben op de relevante ken- en stuurgetallen. Op<br />

grond van die cijfers kunnen immers consequenties van beleidsvoornemens<br />

worden doorberekend en kunnen individuele medewerkers, en<br />

dan vooral de zittende medewerkers, gewezen worden op de (financiële<br />

consequenties) van hun 2 e loopbaankeuzes. Dit impliceert minimaal de<br />

aanwezigheid van een goed, up-to-date personeelsinformatiesysteem.<br />

Daarnaast kan gebruik worden gemaakt van het rekenmodel van de VNG,<br />

56


waarmee vooral de kosten van het overgangsrecht voor de groep zittende<br />

medewerkers doorberekend kunnen worden [13] .<br />

Zoals eerder gesteld is het aan te bevelen om de loopbaangesprekken in<br />

te bedden in de reguliere gesprekscyclus binnen de organisatie. Het is de<br />

P&O-adviseur die, als adviseur van het management, moet monitoren of<br />

deze gesprekken ook daadwerkelijk worden gevoerd, of het loopbaanplan<br />

wordt opgesteld en of deze driejaarlijks wordt geactualiseerd. Jaarlijks<br />

kan op grond van deze informatie het <strong>loopbaanbeleid</strong> worden geëvalueerd<br />

en zo nodig worden bijgesteld.<br />

De loopbaangesprekken worden in de eerste fase van de loopbaan van<br />

de medewerker voornamelijk gevoerd door de leidinggevende. Naarmate<br />

de keuze voor een 2 e loopbaan dichterbij komt, wordt de rol van<br />

een loopbaanadviseur of -coach [14] echter steeds relevanter. Vanuit zijn<br />

specifieke expertise zal hij de individuele medewerkers adviseren bij<br />

of coachen in het ontwikkelen van zijn loopbaanplan. Daarbij zal een<br />

veelvoud aan methodieken en/of instrumenten ingezet worden. Een ontwikkelassessment<br />

kan daar een voorbeeld van zijn. Zoals eerder gesteld<br />

hoeven loopbaanadviseurs echter niet altijd de kwalificaties in huis te<br />

hebben om zo’n assessment in zijn volle breedte uit te voeren, maar zij<br />

zijn wel de deskundigen bij uitstek om te achterhalen of en welke vormen<br />

van assessment er nodig zullen zijn en welke assessoren hiervoor in<br />

aanmerking komen. Ten slotte zijn loopbaanadviseurs goed ingevoerd in<br />

opleidings- en loopbaanmogelijkheden. Van belang is dat de loopbaanadviseur<br />

een goed netwerk onderhoudt met externe partijen, waaronder<br />

opleidingsinstituten, het CWI, testbureaus, leveranciers van loopbaaninstrumenten,<br />

maar ook met de gemeente, andere overheidsinstellingen en<br />

het bedrijfsleven.<br />

Loopbaanadvies vereist een geheel eigen expertise en is niet een vak<br />

13 Vanwege de complexiteit van dit model hebben meerdere korpsen, zoals Korps<br />

Zuid-Holland Zuid hiervoor een eigen spreadsheet ontwikkeld.<br />

14 De functies van loopbaanadviseur en loopbaancoach zijn niet uitwisselbaar. Ze<br />

zijn duidelijk van elkaar onderscheiden: loopbaancoaching is een relatie creëren<br />

met de medewerker. Die relatie is ondersteunend om daarmee specifieke<br />

resultaten/veranderingen in de loopbaan van de medewerker te bereiken waar<br />

er eerst voor die medewerker mogelijk geen (zicht op) keuzemogelijkheden was.<br />

Loopbaanadvies is het aanbieden van adviezen en oplossingen met betrekking tot<br />

opleidings- en ontwikkelingsvraagstukken en -mogelijkheden op het gebied van<br />

werk.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 57


dat je er als P&O-adviseur even naast doet. Niet alleen om die specifieke<br />

expertise, maar ook om de onafhankelijkheid van het loopbaanadvies te<br />

garanderen, is het raadzaam om de rol van de adviseur15 niet te laten<br />

vervullen door de P&O-adviseur. Zou je dat wel doen, dan ontstaat het<br />

risico van rolverwarring, maar ook op onvoldoende draagvlak en openheid<br />

van de kant van de medewerker.<br />

15 Een algemene beschrijving van de functie van loopbaanadviseur/-coach is te vinden<br />

op de website van het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> (www.aeno.nl).<br />

58


6<br />

Stappenplan<br />

2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

In dit hoofdstuk gaan we nader in op het proces van beleidsontwikkeling<br />

en -voorbereiding. Welke stappen moeten er vooraf worden gezet om<br />

het beleid uiteindelijk ook te kunnen implementeren We beschrijven dit<br />

proces in elf stappen (zie pagina 60).<br />

Met uitzondering van de stappen 1 en 2 is de volgorde van de stappen niet<br />

dwingend. Een aantal stappen kan namelijk ook tegelijkertijd worden<br />

doorlopen of kunnen zelfs worden omgewisseld. In de volgende paragrafen<br />

lichten we de stappen toe.<br />

6.1 Commitment en visie bestuur, management<br />

en medezeggenschap (OR/OC)<br />

Voor de ontwikkeling en implementatie van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is het<br />

noodzakelijk dat er vooraf voldoende draagvlak wordt gecreëerd. Hoewel<br />

de opdrachtgever in de meeste gevallen het bestuur of de korpsleiding<br />

zal zijn, impliceert dit nog niet bij voorbaat draagvlak voor het te ontwikkelen<br />

beleid. Immers, de wijzigingen in de cao hebben een dwingend<br />

karakter wat de invoering van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> betreft, waardoor er<br />

soms wat meer weerstand dan enthousiasme voor het onderwerp zal<br />

zijn. Daarnaast leert de ervaring dat er meer ontwikkelingen zijn die<br />

aandacht vragen binnen de <strong>brandweer</strong>sector; de ontwikkeling van het 2 e<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> heeft dan ook niet per definitie de gewenste prioriteit en<br />

betrokkenheid.<br />

De betrokkenheid kan in ieder geval worden vergroot door duidelijk<br />

aan te geven waartoe het niet of het onvoldoende ontwikkelen van 2 e<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 59


Stappenplan ontwikkeling en invoering 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

Stap 1<br />

Commitment en visie Bestuur,<br />

Manage ment en Medezeggenschap (OR/OC)<br />

Stap 2<br />

Opstarten projectorganisatie<br />

Stap 3<br />

In kaart brengen huidige situatie<br />

(kengetallen)<br />

Stap 4<br />

Ontwikkelen <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

Stap 5<br />

Inzicht in financiële consequenties<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> en overgangsrecht<br />

Stap 6<br />

Training leidinggevenden<br />

Stap 7<br />

Voorlichting en commitment<br />

medewerkers<br />

Stap 8<br />

Pilot met een testgroep<br />

Stap 9<br />

Bijstellen personeelsprocessen<br />

Stap 10<br />

Aanpassing regelingen en interne<br />

organisatie<br />

Stap 11<br />

Introductie 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

in de organisatie<br />

60


<strong>loopbaanbeleid</strong> kan leiden, bijvoorbeeld: verhoogd uitvalrisico bij oudere<br />

medewerkers met alle kosten van dien, aansprakelijkheid door ingebrekestelling<br />

bij het niet uitvoeren van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. Een verhelderende<br />

methode is op hoofdlijnen een ‘worst case scenario’ en een ‘best case<br />

scenario’ door te berekenen en deze voor te leggen aan de bestuurders [16] .<br />

Naast een goede communicatie(structuur) is het echter ook van belang<br />

om bestuurders en management bij het ontwikkel- en implementatietraject<br />

te betrekken, bijvoorbeeld door ze daarin een duidelijk omschreven<br />

rol te geven.<br />

Tips<br />

• Ook zonder een volledig zicht op de financiële consequenties is het<br />

best mogelijk <strong>loopbaanbeleid</strong> te formuleren. Een direct betrokken en<br />

sturende portefeuillehouder kan dat proces positief beïnvloeden. Richt<br />

je daar dus op!<br />

• Zorg voor regelmatig overleg met het management. Betrek het<br />

management door ze te wijzen op de waarde van <strong>loopbaanbeleid</strong> en<br />

hun rol daarin.<br />

• Bij een gemeentelijk korps: betrek de centrale P&O-afdeling direct bij<br />

het opstellen van het beleid. Daarmee is het niet alleen een probleem<br />

voor de <strong>brandweer</strong>.<br />

• Communiceer met de OR/OC en geef gehoor aan hun opmerkingen; het<br />

zal hun betrokkenheid vergroten.<br />

• Omdat aanstellingsbeleid en opleidingsbeleid onderdeel uitmaken van<br />

het <strong>loopbaanbeleid</strong> heeft de OR/OC instemmingsrecht 17 met betrekking<br />

tot het te ontwikkelen <strong>loopbaanbeleid</strong>! Informeer de raadsleden vroegtijdig,<br />

en laat hen een rol spelen in die ontwikkeling. Daarmee geef<br />

je aan dat je belang hecht aan de mening van de medewerkers. Laat<br />

bijvoorbeeld een lid van de OR/OC zitting nemen in de projectgroep of<br />

klankbordgroep! Dat draagt in grote mate bij aan de acceptatie van het<br />

beleid.<br />

16 Binnen regionale Brandweer Zuid-Holland Zuid heeft men hier goede ervaringen<br />

mee.<br />

17 Zie ook artikel 27 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR).<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 61


6.2 Opstarten projectorganisatie<br />

Zorg ervoor dat de ontwikkeling van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> niet gezien<br />

wordt als een ‘speeltje’ van de P&O-afdeling. Het is een korpsbrede<br />

opdracht om, in gezamenlijkheid, tot een effectief 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> te<br />

komen, passend bij de behoeften en kenmerken van het korps. Een goede<br />

projectorganisatie levert daar een onmisbare bijdrage aan.<br />

Uit ervaring is gebleken dat een projectstructuur met daarin een projectleider,<br />

een projectgroep en een klankbordgroep uitstekend werkt.<br />

Gezien de grootschaligheid van het ontwikkel- en implementatietraject is<br />

het raadzaam om voor een ervaren projectleider te kiezen. Dat hoeft niet<br />

per definitie een projectleider met een P&O-achtergrond te zijn, hoewel<br />

dat zeker een pre is. Mocht de projectleider geen P&O-achtergrond<br />

hebben, zorg er dan voor dat de ‘tweede man’ in het project een P&Oadviseur<br />

is!<br />

De projectgroep geeft, aangestuurd door de projectleider, invulling aan<br />

de ontwikkeling en implementatie van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>; het is de<br />

denktank voor dit onderwerp. Daarnaast draagt zij zorg voor de interne<br />

communicatie met de medewerkers en de OR/OC. Bij de samenstelling<br />

van deze groep is het goed om de expertise vanuit verschillende<br />

vakgebieden te bundelen. Kies daarom voor de participatie van minimaal<br />

een leidinggevende, een P&O-adviseur, een medewerker met een bezwarende<br />

functie en eventueel een loopbaanadviseur. Daarnaast is het aan te<br />

bevelen om in de projectgroep of in de klankbordgroep ook een vertegenwoordiger<br />

van de OR/OC op te nemen. Juist door de OR/OC een actieve<br />

rol (meedenken / mee spiegelen) te geven binnen de ontwikkeling van het<br />

2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>, wordt de kans op draagvlak binnen de organisatie en<br />

bij de medewerkers vergroot.<br />

De klankbordgroep adviseert, vanuit een proactieve signaleringsfunctie,<br />

de projectgroep gevraagd en ongevraagd over de ontwikkeling en<br />

implementatie van het beleid. Daarnaast zorgt zij voor feedback en vangt<br />

zij signalen op vanuit de organisatie. Daarmee is de klankbordgroep de<br />

spiegel van de organisatie. De samenstelling van de klankbordgroep<br />

moet eveneens gemêleerd zijn, waarbij het aan te bevelen is om hierin<br />

overwegend de doelgroep te laten vertegenwoordigen.<br />

Uitgesplitst naar taken, geeft dat het volgende beeld.<br />

62


De projectleider:<br />

– vervult een sturende en aanjagende rol in project<br />

– legt periodiek verantwoording af aan de opdrachtgever<br />

– is voorzitter van de projectgroep en leidt de bijeenkomsten van de<br />

klankbordgroep<br />

– geeft aan welke middelen er nodig zijn voor het projectresultaat<br />

– is verantwoordelijk voor de planning en bewaking van het project<br />

– draagt zorg voor voortgangsrapportages en beslisdocumenten<br />

– draagt zorg voor communicatie met OR/OC, management en medewerkers.<br />

Leden van de projectgroep:<br />

– brengen deskundigheid in<br />

– dragen bij aan het realiseren van de beoogde projectresultaten<br />

– ondersteunen de projectleider en collega-projectmedewerkers<br />

– werken mee aan rapportages<br />

– leveren een bijdrage aan de interne communicatie met de medewerkers<br />

en OR/OC.<br />

De klankbordgroep:<br />

– geeft gevraagd en ongevraagd advies aan de projectleider<br />

– toetst de (deel)resultaten<br />

– zorgt voor feedback en vangt signalen op vanuit de organisatie.<br />

Tips<br />

• Ontwikkel in eerste instantie geen grootse projectplannen, maar maak<br />

een overzicht van activiteiten, met daaraan gekoppeld een tijdschema<br />

en een indicatie van de inzet die er per betrokken actor mee gemoeid<br />

is.<br />

• Plan direct voor het komende jaar voor de projectgroep en de klankbordgroep<br />

een maandelijkse vergadercyclus (respectievelijk twee en<br />

één uur per overleg).<br />

• Spreek af wie (minimaal een tweetal) het feitelijke werk gaat doen<br />

(voorbereiding vergaderingen, uitvoering geven aan activiteiten en<br />

afspraken, stukken schrijven en dergelijke).<br />

• De ontwikkeling en invoering van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> kost tijd. Neem er<br />

de tijd voor (ga uit van een projectduur van circa 1,5 jaar).<br />

• Zorg voor duidelijke kaders en begin zo snel mogelijk met de communicatie<br />

over het proces dat doorlopen gaat worden.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 63


• Zorg voor borging van opgebouwde kennis binnen de organisatie.<br />

Externe adviseurs lossen een probleem wellicht goed op, maar hun<br />

expertise verlaat de organisatie ook weer.<br />

• Zorg voor een goede afbakening van taken, rollen en verantwoordelijkheden.<br />

• Investeer in een goede projectorganisatie. Dat kost tijd, maar rendeert.<br />

6.3 Huidige situatie in kaart brengen<br />

Een van de zaken die zo spoedig mogelijk moet gebeuren, voordat de<br />

ontwikkeling van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> van start kan gaan, is het vaststellen<br />

van alle relevante kenmerken van de doelgroep.<br />

In feite begint dat bij het bepalen wat een bezwarende functie is volgens<br />

de richtlijnen van de cao:<br />

‘Als minimale definitie (Cao, artikel 9b:2 sub b) is gegeven dat een bezwarende<br />

functie een betrekking is met een hoge belasting:<br />

– door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten,<br />

– en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden,<br />

– met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten.<br />

Deze definitie is cumulatief: een functie kan slechts worden aangemerkt als<br />

bezwarend als het aan alle criteria voldoet. Een functie is dus niet bezwarend<br />

slechts op grond van het feit dat er piketdiensten worden gedraaid, of<br />

op grond van het feit dat er wordt deelgenomen aan de uitruk. Uiteindelijk<br />

is bepalend in welke mate de daaruit voortvloeiende werkzaamheden<br />

belastend zijn voor de gezondheid. Dit kan alleen lokaal, op basis van de<br />

plaatselijke invulling van de functies, worden vastgesteld. Het is dus aan de<br />

gemeenten zelf om lokaal vast te stellen of een functie bezwarend dan wel<br />

niet-bezwarend is.’<br />

Als vastgesteld is om welke functies en dus ook om welke medewerkers<br />

het gaat, is het raadzaam om de groep te beschrijven op de hoofdkenmerken:<br />

– ‘zittende’ (voor 1 januari 2006) versus ‘nieuwe’ (vanaf 1 januari 2006)<br />

medewerkers<br />

– leeftijdsverdeling (vooral van belang voor de zittende groep)<br />

– aantal bezwarende jaren<br />

– niveau vooropleiding<br />

– doorlopen <strong>brandweer</strong>opleidingen<br />

64


– ziekteverzuim afgelopen jaren<br />

– indien voorhanden: uitslagen van fysieke en medische testen<br />

– instroom, doorstroom en uitstroom afgelopen jaren.<br />

Deze kenmerken zijn, in hun onderlinge samenhang, bepalend voor het te<br />

ontwikkelen beleid en het plannen van de inzet van de organisatie om de<br />

uitstroom naar een niet-bezwarende functie goed te faciliteren. Op grond<br />

van deze kenmerken kunnen er namelijk drie vragen worden beantwoord.<br />

De eerste vraag is de kernvraag voor ieder bedrijfskundig probleem,<br />

namelijk: Wat gebeurt er bij ongewijzigd beleid Of, anders gesteld: Wat<br />

gebeurt er als wij niets doen<br />

Je zou deze basisvraag ook kunnen vertalen naar de vraag: Wat heeft<br />

deze groep medewerkers, gezien de huidige en de te verwachten personele<br />

ontwikkelingen, op welk moment, minimaal (= conform de verplichtingen<br />

van de cao) nodig om te zijner tijd optimaal te kunnen uitstromen<br />

naar een niet-bezwarende functie<br />

De tweede vraag, die daar logischerwijs op volgt, is: Wat moet de organisatie<br />

minimaal inzetten om deze uitstroom zo goed mogelijk te faciliteren<br />

Denk daarbij ook aan de extra menskracht die eventueel ingezet<br />

moet worden als medewerkers in het kader van een scholingstraject niet<br />

(volledig) ingeroosterd kunnen worden.<br />

De derde vraag is dan: Wat kan en/of wil de organisatie, in het kader van<br />

goed werkgeverschap, nog extra inzetten<br />

Bij de eerste en tweede vraag gaat het erom dat je, op grond van de<br />

kengetallen uit verleden en heden, allereerst bepaalt wat nu feitelijk het<br />

probleem is.<br />

Bij de laatste vraag gaat het om zaken als vergoeding van opleidingskosten<br />

boven mbo-niveau en vergoeding van verletkosten.<br />

De personeelsplanning kan op grond van deze ken- en stuurgetallen<br />

aanzienlijk worden verbeterd.<br />

Tip<br />

• Start op tijd met het ‘boven water’ halen van de kengetallen. In de<br />

praktijk is gebleken dat het een vrij lastige en/of tijdrovende aangelegenheid<br />

kan zijn om informatie uit P-dossiers of uit het personeelsinformatiesysteem<br />

te halen.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 65


6.4 Ontwikkelen <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

Zoals we in hoofdstuk 3 al beschreven, moet het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> ingebed<br />

worden in het P&O-beleid van de organisatie. Dat P&O-beleid zal,<br />

samen met de kaders vanuit de cao (zie ook paragraaf 5.2), leidend zijn<br />

voor vorm en inhoud van het te ontwikkelen <strong>loopbaanbeleid</strong>. Naast het<br />

achterhalen van de kengetallen van de doelgroep, is het daarom belangrijk<br />

om te weten wat de al aanwezige P&O- en/of loopbaanvisie is en wat<br />

de aanwezige kaders zijn met betrekking tot <strong>loopbaanbeleid</strong>, scholing en<br />

dergelijke. Welke regelingen worden er al binnen de organisatie gehanteerd<br />

en hoe verhouden die zich tot de kaders die voortkomen uit de cao<br />

Het is raadzaam om bij het inbedden van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> optimaal<br />

gebruik te maken van al ontwikkeld beleid en van de al aanwezige<br />

beleidsdocumenten op het gebied van P&O.<br />

Het ene korps zal er, bij de ontwikkeling van zijn beleid, de voorkeur aan<br />

geven de kaders praktisch uit te werken naar een eigenstandig pakket<br />

maatregelen en regelingen en daar voldoende aan hebben. Het andere<br />

korps zal, vanuit een uitgekristalliseerde visie op 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> en<br />

een concreet geformuleerde missie en doelstellingen, toewerken naar<br />

een integrale beleidsnotitie, waarin alle raakvlakken met de andere<br />

P&O-aspecten beschreven staan en waarin tevens wordt opgenomen hoe<br />

de vigerende regelingen en instrumenten geactualiseerd moeten worden.<br />

Zoals eerder gesteld kenmerkt de <strong>brandweer</strong> zich door eenheid in veelheid.<br />

Ook waar het gaat om de uitwerking van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>,<br />

zien we dit beeld in de praktijk terug. Het belangrijkst is echter dat er<br />

een beleid wordt ontwikkeld dat, qua vorm en inhoud, past bij de eigen,<br />

specifieke situatie van het korps, maar ook (of vooral) passend is bij de<br />

eigen organisatiecultuur. Het is de discrepantie tussen die vigerende cultuur<br />

in de organisatie en de gewenste cultuur die in dat beleid de grootst<br />

mogelijke aandacht zal moeten krijgen! Geen lifetime employment meer,<br />

maar loopbaangericht en naar buiten gericht, passend bij de eisen van de<br />

huidige maatschappij.<br />

Het is raadzaam om in het te ontwikkelen beleid en de te ontwikkelen<br />

maatregelen een onderscheid te maken tussen beleid en beleidsmaatregelen<br />

voor de zittende en voor de nieuwe medewerkers. Uit de ervaringen<br />

binnen de pilotkorpsen is gebleken dat het beleid voor de nieuwe medewerkers<br />

relatief eenvoudig van opzet kan zijn. Dit heeft te maken met het<br />

feit dat nieuwe medewerkers bij binnenkomst al weten dat zij maximaal<br />

twintig jaar in een bezwarende functie mogen werken. De fasering in hun<br />

66


loopbaanmodel, als ook de benodigde facilitering, is voor hen relatief<br />

makkelijk vast te stellen en te vertalen in beleidsmaatregelen.<br />

Bij de zittende groep medewerkers zijn er echter complicerende factoren<br />

– Medewerkers in deze groep zitten, op het moment dat het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

geïmplementeerd wordt, in zeer verschillende fasen in hun carrière.<br />

Voor een 48-jarige medewerker moet bijvoorbeeld de oriëntatie-,<br />

ontwikkel- en door-/uitstroomfase in een extreem geval (bijvoorbeeld<br />

bij dreigende uitval) in een tijdsbestek van een jaar worden afgerond,<br />

terwijl anderen daar ruim (twintig jaar) de tijd voor hebben.<br />

– Voor het grootste deel van de zittende medewerkers zal scholing niet<br />

echt problematisch hoeven te zijn, maar voor oudere medewerkers (op<br />

latere leeftijd ingestroomd en met veel dienstjaren) kan het starten<br />

van een ontwikkeltraject, met daarbij ook nog een accent op scholing,<br />

de nodige onrust en angst teweegbrengen. Scholing op mbo-niveau<br />

zou voor deze specifieke groep wel eens een ‘brug te ver’ kunnen<br />

zijn. Vraag je daarom af waaraan je de oudere medewerkers nog wilt<br />

blootstellen in het kader van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. Een training, een<br />

korte bijscholing of een stage kunnen voor deze groep ook uitstekende<br />

middelen zijn om het gewenste scholingseffect te bewerkstelligen of<br />

medewerkers te begeleiden naar een niet-bezwarende functie.<br />

– Daarnaast zit er voor deze groep extra complexiteit in het overgangsrecht,<br />

waardoor het soms zeer lastig is te overzien, wat financieel<br />

gezien een goede keuze is: gebruikmaken van dat overgangsrecht, of<br />

toch uitstromen naar een niet-bezwarende functie met bijvoorbeeld<br />

een kans op verbeterde pensioenopbouw.<br />

– Ten slotte is voor deze groep de vereiste cultuurverandering de meest<br />

ingrijpende verandering. In de ogen van veel medewerkers leidt de<br />

invoering van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> er namelijk toe dat de,voor de<br />

<strong>brandweer</strong> altijd zo kenmerkende ‘familiecultuur’ verlaten wordt.<br />

Uit de ervaringen in de pilotkorpsen is duidelijk geworden dat het<br />

draagvlak voor het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> aanzienlijk breder wordt, naarmate<br />

medewerkers meer betrokken worden bij de ontwikkeling daarvan. Deels<br />

wordt dit gerealiseerd door de voorgestelde projectstructuur, met daarin<br />

een duidelijke taak en rol voor medewerkers en OR/OC. Daarnaast speelt<br />

goede communicatie hierin een belangrijke rol. Ten slotte kan er, om<br />

het draagvlak te vergroten en tegelijkertijd de toepasbaarheid van het<br />

ontwikkelde beleid te checken, gestart worden met een groep pilotmedewerkers.<br />

Deze groep kan in een versneld programma het gehele proces<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 67


van de ontwikkeling van een loopbaanplan, de eventuele assessment en/<br />

of het benodigde EVC-traject tot en met een stage en/of scholing doorlopen<br />

(zie ook paragraaf 6.8).<br />

Tips<br />

• Sluit zo goed mogelijk aan bij het huidige P&O-beleid.<br />

• Maak zo veel mogelijk gebruik van al aanwezige P&O-beleidsdocumenten.<br />

• Verdiep je in de landelijke beleidsmodellen op het gebied van 2 e loopbaan.<br />

• Geef daar een eigen kleuring aan door middel van workshops met de<br />

projectgroep en de klankbordgroep.<br />

• Maak in het beleid een onderscheid tussen zittende en nieuwe medewerkers;<br />

beide groepen hebben hun eigen, specifieke kenmerken en<br />

eisen.<br />

• Pas op dat je de oudere, zittende medewerkers niet overvraagt als het<br />

gaat om scholing. Voor hen zijn er ook andere mogelijkheden, zoals<br />

trainingen en stages.<br />

• Maak bij de ontwikkeling van je beleid gebruik van de expertise van<br />

je doelgroep. Zij weten het best wat hun mogelijkheden, ambities en<br />

wensen zijn!<br />

• Besteed aandacht aan de thuissituatie, om ook de medewerker mee te<br />

krijgen!<br />

6.5 Inzicht in financiële consequenties<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> en overgangsrecht<br />

De kosten van het <strong>loopbaanbeleid</strong> zitten niet zozeer in de directe scholingskosten<br />

(school- en collegegeld), maar veeleer in indirecte zaken<br />

(verletkosten) en in het overgangsrecht. Maak daarom, met behulp van<br />

een financiële expert en de P&O-adviseur binnen de organisatie, een<br />

doorberekening van de financiële consequenties van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

De volgende kengetallen moeten daarbij onderscheiden worden:<br />

– geplande (jaarlijkse) kosten van scholing, training, et cetera<br />

– verlet- en vervangingskosten<br />

– kosten loopbaanadviseur<br />

– kosten assessments en EVC-trajecten<br />

– in uitzonderlijk gevallen kosten outplacementtrajecten.<br />

68


Probeer daarnaast, op grond van ervaringen met de uitstroom in het<br />

verleden, een schatting te maken van de consequenties van het overgangsrecht.<br />

Dat laatste punt is van speciaal belang, omdat het heel<br />

expliciet kan maken wat de kosten voor de organisatie zijn indien de<br />

zittende medewerkers niet bezig gaan met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> en volledig<br />

of gedeeltelijk gebruikmaken van hun rechten. Denk hierbij aan zaken als<br />

de fiscale boete bij volledig stoppen met werken vanaf het 55e levensjaar<br />

en 90% doorbetaling bij 50% werken vanaf het 55e levensjaar. Hoewel het<br />

op voorhand niet exact duidelijk is wat voor keuzes zittende medewerkers<br />

in de latere fase van hun loopbaan zullen maken, is het raadzaam om<br />

zowel een ‘worstcasescenario’, alsook een ‘bestcasescenario’ door te<br />

berekenen, omdat dit de bandbreedte aangeeft van de kosten van het<br />

overgangsrecht, die de eerstkomende twintig tot dertig jaar op het personeelsbudget<br />

van het korps zullen drukken.<br />

Een voorbeeldberekening [18]<br />

In deze paragraaf behandelen we na de algemene uitgangspunten achtereenvolgens<br />

de verletkosten, de kosten van de loopbaanadviseur en de<br />

overige kosten. We sluiten de paragraaf af met een beschrijving van de<br />

relatie tussen de kosten van het overgangsrecht FLO en de kosten van<br />

het <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

Algemeen<br />

Om de kosten voor de uitvoering van het <strong>loopbaanbeleid</strong> te berekenen,<br />

kan het beste als uitgangspunt een periode van tien jaar worden genomen,<br />

omdat zo’n periode redelijk te overzien is. De snelle veranderingen<br />

in regelgeving (met name ontwikkelingen rondom pensioenleeftijd)<br />

maken het lastig om consequenties op nog langere termijn te overzien.<br />

Daarnaast is er slechts in beperkte mate zicht op ontwikkelingen zoals<br />

natuurlijk verloop.<br />

In de voorbeeldberekeningen gaan we uit van een gemiddeld korps waarbinnen<br />

zo’n vijftig medewerkers in aanmerking komen om aan het werk<br />

te gaan met 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> (per 1 januari 2006 minder dan twintig<br />

bezwarende dienstjaren). Bij die vijftig medewerkers gaat het deels om<br />

zittende (40) en deels om nieuwe (10) medewerkers. De berekeningen<br />

18 Deze cijfers zijn gebaseerd op een middelgroot korps (met circa vijftig medewerkers<br />

die met het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> aan de slag moeten) en dienen als voorbeeld.<br />

Aan deze cijfers kunnen geen rechten worden ontleend.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 69


zijn gebaseerd op een doorberekening van de te verwachten en reeds<br />

gemaakte kosten in korps Leeuwarden en is verder aangevuld met de<br />

ervaringen in de zes pilotkorpsen.<br />

Verletkosten<br />

Wanneer vijftig medewerkers, verdeeld over de diverse fasen uit het<br />

loopbaanmodel, aan de slag moeten met het tweede <strong>loopbaanbeleid</strong>, dan<br />

is er jaarlijks circa € 100.000 (2 fte) nodig aan verletkosten voor de uitvoering<br />

van dat beleid.<br />

Kosten loopbaanadviseur<br />

Met vijftig medewerkers mag ervan uitgegaan worden dat er minimaal<br />

een gemiddelde, structurele inzet van een parttime loopbaanadviseur of<br />

-coach (een dag per week) nodig zal zijn. Geraamde kostenpost op jaarbasis<br />

is dan circa € 20.000.<br />

Specificatie overige kosten per fase<br />

Naast de kosten voor het <strong>loopbaanbeleid</strong>, het overgangsrecht en de loopbaanadviseur,<br />

zijn er nog enkele incidentele kosten, waaronder:<br />

– training leidinggevenden: circa € 1.000 per leidinggevende<br />

– kosten EVC-procedure: circa € 1.000 per traject<br />

– kosten loopbaanonderzoek: circa € 250 per traject<br />

– opleidingskosten (school-/collegegeld et cetera): circa € 1.500 per<br />

traject.<br />

Voor de doorberekening van deze kosten naar een kostenoverzicht op<br />

jaarbasis, is van de volgende veronderstellingen uitgegaan [19] :<br />

– Na 1 januari 2006 zijn er circa tien medewerkers nieuw in dienst<br />

getreden. Afgezien van het opstellen en driejaarlijks actualiseren van<br />

hun loopbaanplan, starten zij pas na circa tien jaar met de eerste loopbaanactiviteiten<br />

wanneer zij in de oriëntatiefase zijn aangekomen. Deze<br />

medewerkers zijn vaak in het bezit van een diploma op mbo-niveau of<br />

functioneren al op mbo-niveau.<br />

– Circa veertig zittende medewerkers moeten een 2 e loopbaan voorbereiden.<br />

Een aantal van hen (circa 10) start pas over vijf jaar met de<br />

oriëntatiefase.<br />

19 Bij deze berekeningen wordt uitgegaan van een aantal mogelijke beleidskeuzes<br />

(bijvoorbeeld vergoeding extra reiskosten in de oriëntatiefase). Deze keuzes kunnen<br />

voor ieder korps verschillend zijn!<br />

70


– Dertig medewerkers moeten in de komende vijf jaar aan de slag met<br />

oriëntatie en/of opleiding.<br />

– Voor de kosten van de oriëntatiefase wordt van het volgende uitgegaan:<br />

– 75% van de medewerkers zal een EVC-traject volgen.<br />

– Bij 50% van de medewerkers is een extern loopbaanonderzoek noodzakelijk.<br />

– De te declareren onkosten voor openbaar vervoer, opleidingsbeurzen<br />

et cetera bedragen per medewerker circa € 100;<br />

– Er is in dit voorbeeld voor gekozen om in de oriëntatiefase de verletkosten<br />

te betalen tot een maximum van 36 uur; per medewerker impliceert<br />

dat 36 maal € 24 (uurtarief) = totaal € 864.<br />

Op basis hiervan is een berekening gemaakt van de gemiddelde kosten op<br />

jaarbasis voor de oriëntatiefase. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen<br />

de eerste vijf jaar, waarin vooral zittende medewerkers activiteiten gaan<br />

ondernemen, en de tweede periode van vijf jaar.<br />

Gemiddelde kosten per medewerker voor de oriëntatiefase<br />

Kostensoort Factor Kosten Totaal<br />

EVC-traject 0,75 € 1.000,00 € 750,00<br />

Loopbaanonderzoek 0,5 € 250,00 € 125,00<br />

Acitiveiten € 100,00 € 100,00<br />

Verlet 36 € 24,00 € 864,00<br />

Totaal voor 5 jaar € 1.839,00<br />

op jaarbasis (5 jaar) € 367,80<br />

Totale kosten per periode<br />

Periode 2008–2<strong>01</strong>3 (30 medewerkers) € 11.034,00<br />

Periode 2<strong>01</strong>3–2<strong>01</strong>8 (20 medewerkers) € 7.356,00<br />

Gemiddeld volgen in de ontwikkelfase vier medewerkers per jaar een<br />

opleiding.<br />

Totale opleidingskosten (lesgeld) op jaarbasis zijn dan € 6.000. Eenmaal<br />

in de vier jaar neemt een nieuwe leidinggevende deel aan de training of<br />

ondersteuningsmodule voor leidinggevenden.<br />

De geschatte gemiddelde kosten van de door-/uitstroomfase (daadwerkelijke<br />

oriëntatie op doorstroom) bedragen per medewerker 36 uur x €<br />

24 = € 864. Omdat er voor het zittend personeel geen door- of uitstroomverplichting<br />

bestaat, gaan we ervan uit dat in de komende jaren weinig<br />

medewerkers van deze faciliteit gebruik maken. Voor de periode 2008-<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 71


2<strong>01</strong>3 wordt, bij een korpsomvang van 50 medewerkers, uitgegaan van drie<br />

medewerkers per jaar en voor de periode 2<strong>01</strong>3-2<strong>01</strong>8 wordt uitgegaan van<br />

vijf medewerkers per jaar.<br />

Overzicht specifieke kosten periode 2008-2<strong>01</strong>3 en 2<strong>01</strong>3-2<strong>01</strong>8<br />

Totale kosten op jaarbasis 2008–2<strong>01</strong>3<br />

Totaal<br />

Medewerkers in oriëntatiefase € 11.034,00<br />

Medewerkers in outplacementfase € 518,40<br />

Opleidingskosten € 6.000,00<br />

Training leidinggevende € 250,00<br />

Inzet loopbaanadviseur<br />

poste restante<br />

Totaal € 17.802,40<br />

Totale kosten op jaarbasis 2<strong>01</strong>3–2<strong>01</strong>8<br />

Totaal<br />

Medewerkers in oriëntatiefase € 7.356,00<br />

Medewerkers in outplacementfase € 864,00<br />

Opleidingskosten € 6.000,00<br />

Training leidinggevende € 250,00<br />

Inzet loopbaanadviseur<br />

poste restante<br />

Totaal € 14.470,00<br />

Dekking<br />

Op basis van de bedragen uit bovenstaande tabel hebben we voor de<br />

komende tien jaar in beeld gebracht wat de structurele kosten voor het<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> op jaarbasis zijn, die de <strong>brandweer</strong> aanvullend binnen de<br />

eigen begroting moet dekken.<br />

Kostensoort 2008–2<strong>01</strong>3 Per jaar<br />

Verletkosten algemeen € 1.000.000 € 100.000<br />

Kosten loopbaanadviseur € 200.000 €20.000<br />

Specifieke kosten € 32.272 € 3.227<br />

Totaal € 1.232.272 € 123.227<br />

Relatie overgangsrecht met kosten overgangsrecht FLO<br />

De kosten van het overgangsrecht FLO nemen af wanneer medewerkers<br />

hun loopbaantraject succesvol afronden en doorstromen naar hun 2 e<br />

loopbaanfunctie. Omdat dit met name geldt voor de groep met nog maar<br />

weinig dienstjaren per 1 januari 2006, worden de financiële voordelen<br />

hiervan pas op lange termijn zichtbaar. Immers, op het moment dat<br />

medewerkers kunnen doorwerken in die 2 e loopbaanfunctie, dan heeft<br />

dat een voordeel ten opzichte van het overgangsrecht. Dit voordeel<br />

bestaat eruit dat de organisatie 80% of 90% van de bezoldiging in de<br />

72


periode dat de medewerker 55 tot 59 jaar is, niet meer hoeft te betalen.<br />

Daarnaast hoeft de organisatie in het geval van 80% van de bezoldiging<br />

(zonder arbeidsprestatie van de medewerker) geen fiscale boete te betalen.<br />

Hoewel dit voor de werkgever zeer gunstig is, kunnen medewerkers<br />

die onder het overgangsrecht vallen niet gedwongen worden om in een 2 e<br />

loopbaanfunctie door te stromen. De kosten voor het overgangsrecht FLO<br />

zullen in de meerjarenbegroting opgenomen moeten worden en jaarlijks<br />

worden bijgesteld [20] .<br />

6.6 Training leidinggevenden<br />

Zoals al in paragraaf 5.4 gesteld werd, spelen zowel de functioneel als<br />

de hiërarchisch leidinggevenden een rol bij het <strong>loopbaanbeleid</strong>. Daarom<br />

moeten zij voldoende zicht hebben op de consequenties van de caoafspraken,<br />

de inhoud van het <strong>loopbaanbeleid</strong> en de mogelijk in te zetten<br />

loopbaaninstrumenten. Het vereist echter ook dat men in voldoende mate<br />

de competenties beheerst om het onderwerp bespreekbaar te maken en<br />

te houden. Bij een goede inbedding van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is de rol<br />

van de leidinggevende van doorslaggevend belang. Als de leidinggevende<br />

onvoldoende in staat is om zijn verantwoordelijkheden hierin te nemen,<br />

zal het uiteindelijke resultaat onvoldoende zijn. Omdat gebleken is dat de<br />

hiervoor vereiste competenties bij lang niet alle leidinggevenden in voldoende<br />

mate ontwikkeld zijn, is een training een probaat middel om deze<br />

competenties (weer) op niveau te krijgen.<br />

Er is in het kader van de pilot 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> daarom een training<br />

ontwikkeld die bestaat uit vier ondersteuningsmodules. Deze modules,<br />

die elk een dagdeel in beslag nemen, zijn gecentreerd rond de thema’s<br />

Informeren, Instrueren, Motiveren en Reflecteren. Eindresultaat bij het<br />

doorlopen van die training is dat de leidinggevende:<br />

– kennis heeft over de consequenties van de cao-afspraken;<br />

– inzicht heeft in zijn eigen rol en in de rol van overige betrokkenen;<br />

– handvatten heeft voor begeleiding en sturing van medewerkers;<br />

– inzicht heeft in persoonlijke aandachtspunten voor het vervullen van<br />

zijn rol.<br />

20 Zie bijlage Toelichting Rekenmodel Kostenberekening cao-afspraken op de website<br />

van het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> (www.aeno.nl).<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 73


Uit de try-out van deze training bleek dat leidinggevenden de modules<br />

als zeer zinvol beoordeelden en kwam daarnaast naar voren dat leidinggevenden<br />

de behoefte hebben om een dergelijke training met regelmaat<br />

te volgen zodat hun kennis en vaardigheden paraat blijven.<br />

Los van deze training die heel specifiek ingaat op het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

binnen de <strong>brandweer</strong>sector, is er landelijk een zeer groot aanbod van<br />

trainingen op het gebied van gespreksvaardigheidstechnieken (en dan<br />

met name functionerings-, ontwikkel- en beoordelingsgesprekken)<br />

waarin ook de nodige kennis en vaardigheden worden aangereikt.<br />

6.7 Voorlichting en commitment<br />

medewerkers<br />

Een van de belangrijkste knelpunten bij de invoering van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

is de terughoudendheid (en soms weerstand) bij de zittende<br />

medewerkers. Die terughoudendheid komt voort uit het feit dat men<br />

vaak onvoldoende zicht heeft op de persoonlijke consequenties die de<br />

verandering van de cao heeft op de eigen financiële toekomst. Dat gebrek<br />

aan inzicht is niet verwonderlijk, omdat de uitwerking van de cao sterk<br />

afhangt van zaken als leeftijd en aantal bezwarende jaren. Daarnaast<br />

biedt het overgangsrecht voor deze groep medewerkers nogal wat keuzemogelijkheden,<br />

elk met zijn eigen financiële gevolgen.<br />

Een goede, eenduidige communicatie, vanaf de start van de ontwikkeling<br />

van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>, is daarom van essentieel belang. Het<br />

is daarom raadzaam om binnen of naast het <strong>loopbaanbeleid</strong> ook een<br />

communicatieplan te ontwikkelen. Belangrijke communicatiemiddelen<br />

daarvoor zijn intranet en nieuwsbrieven, maar ook het werkoverleg kan<br />

hier goed voor gebruikt worden. In verschillende pilotkorpsen komt het<br />

hoofd repressie, samen met de personeelsadviseur, regelmatig tijdens<br />

het werkoverleg de ploegen bijpraten over de voortgang en ontwikkelingen<br />

met betrekking tot het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

Daarnaast moeten de medewerkers zo snel mogelijk worden geïnformeerd<br />

over de consequenties van de cao. Binnen de pilotkorpsen bleken<br />

kleinschalige bijeenkomsten (van ploegen of teams), waarin die consequenties<br />

op hoofdlijnen worden uitgelegd, zeer effectief te zijn. Indien de<br />

medewerker daar behoefte aan heeft, moet vervolgens wel een gesprek<br />

met de P&O-adviseur mogelijk zijn, om de meer persoonlijke consequen-<br />

74


ties te bespreken. Binnenkort zijn hiervoor handige instrumenten en<br />

rekenmodellen te vinden op de website van de NVBR (www.nvbr.nl).<br />

Tips<br />

• Laat de commandant of het hoofd repressie, samen met de P&Oadviseur,<br />

aan alle ploegen/teams een voorlichting geven over de consequenties<br />

van de afspraken in de cao.<br />

• Verspreid de hand-outs van deze presentatie in de ploegen breed,<br />

zodat personen die niet aanwezig konden zijn bij de presentatie op<br />

basis van de hand-outs en de terugkoppeling van hun collega’s toch<br />

een redelijk beeld krijgen van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

• Werk de vragen en antwoorden vanuit de presentatie uit en verspreid<br />

die onder de medewerkers.<br />

• Investeer in discussie met de medewerkers. Het is niet erg om in alle<br />

ploegen (bijna) dezelfde vragen te moeten beantwoorden. Het gaat<br />

erom dat het kwartje bij de medewerkers valt.<br />

• Wees eerlijk in het vertellen van de boodschap. Maak ook duidelijk<br />

welke zaken (nog) niet geregeld zijn en wat er op basis van het beleid<br />

voor de medewerkers te verwachten is.<br />

• Maak de presentatie interactief.<br />

• Houd een veegsessie voor alle medewerkers die door het rooster niet<br />

aanwezig konden zijn tijdens de presentatie.<br />

• Ontwikkel een goed communicatieplan om mensen op de hoogte te<br />

krijgen en houden.<br />

6.8 Pilot met een testgroep<br />

Om het draagvlak onder de medewerkers te vergroten is het, zoals we<br />

in paragraaf 6.4 al aangaven, een goede optie om met een testgroep van<br />

start te gaan. Zo’n testgroep bestaat uit vrijwillige medewerkers die een<br />

deel of het gehele traject van de ontwikkeling van een loopbaanplan tot<br />

en met het een scholingstraject doorlopen.<br />

Meewerken aan het traject betekent voor die vrijwillige medewerkers<br />

bijvoorbeeld:<br />

– een aantal gesprekken met de loopbaanadviseur<br />

– inzicht in de persoonlijke situatie (bijvoorbeeld relevante cao-afspraken)<br />

– afname van interesse-, persoonlijkheids- en capaciteitentesten<br />

– onderzoek naar: wat kan ik, wat wil ik, wat ga ik doen<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 75


– het ontwikkelen van een loopbaanplan<br />

– gesprekken met de leidinggevende om concrete afspraken te maken<br />

– feitelijk aan de slag met het loopbaanplan<br />

– een bijdrage aan de totstandkoming 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

– een tijdsinvestering van maximaal 20 uur.<br />

Om hiermee zo veel mogelijk draagvlak te creëren, en zo veel mogelijk<br />

bruikbare informatie over het te voeren beleid te krijgen, is het zinvol<br />

om aan medewerkers duidelijk te maken dat meedoen aan de pilot wel<br />

vrijwillig, maar niet vrijblijvend is.<br />

Andere aandachtspunten:<br />

– Beschouw de te investeren tijd als werktijd.<br />

– Maak van tevoren duidelijk afspraken over wat er van alle betrokkenen<br />

verwacht mag en kan worden.<br />

– Streef bij de samenstelling van de groep vrijwillige medewerkers naar<br />

een zo getrouw mogelijke afspiegeling van de huidige personeelsbezetting.<br />

– Maak afspraken over de doorlooptijd van het project.<br />

Tips<br />

• Gebruik de vrijwillige medewerkers als ambassadeurs die aan de<br />

koffietafel het onderwerp bespreekbaar maken en laten zien dat het<br />

onderwerp leuk is, in plaats van bedreigend.<br />

• Maak posters met foto’s van de vrijwillige medewerkers en geef daarop<br />

hun motivatie om een loopbaanplan te ontwikkelen weer. Hang de posters<br />

op plekken die voor alle medewerkers goed zichtbaar zijn.<br />

6.9 Bijstellen personeelsprocessen<br />

In hoofdstuk 3 raadden we al aan om bij de ontwikkeling van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

zo veel mogelijk aan te sluiten bij het vigerende hrm-beleid.<br />

Daarnaast stelden we al dat actualisering van vigerend hrm-beleid en<br />

vigerende personeelsprocessen een logisch gevolg zou zijn van de ontwikkeling<br />

van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. Dat kan beginnen met het wervingen<br />

selectiebeleid. Daar kiezen veel korpsen dan ook voor. In aansluiting<br />

op de eisen van de cao worden nog slechts medewerkers geworven met<br />

minimaal mbo-niveau of een mbo-diploma. De voor- en nadelen daarvan<br />

beschreven we al in paragraaf 3.3.<br />

76


Uit de ervaringen van de pilotkorpsen is duidelijk geworden dat het<br />

actualiseren van de rest van de verwante personeelsprocessen een<br />

veel lastiger klus is. Andere zaken binnen de organisatie krijgen vaak<br />

prioriteit en de ontwikkeling en invoering van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> wordt<br />

als een separaat project gezien. Dat is jammer, omdat hier toch nog wel<br />

enige winst te behalen is. Neem bijvoorbeeld de beoordelingscyclus en<br />

de bijbehorende gespreksformats: in de meeste organisaties worden er<br />

met de medewerkers al jaarlijks functionerings- en/of POP-gesprekken<br />

gevoerd. In die gesprekken draait het om de loopbaan van de medewerker,<br />

waarbij het accent in eerste instantie vooral ligt bij de ontwikkeling<br />

in de 1e loopbaan. Dat accent zal echter steeds meer moeten verschuiven<br />

naar de 2 e loopbaan in een niet-bezwarende functie. Door ook het<br />

portfolio en het loopbaanplan bij deze gesprekken te betrekken en de<br />

gespreksformats voor de beoordelingscyclus daaraan aan te passen, zal<br />

het denken over de 2 e loopbaan beter ingebed worden binnen de organisatie.<br />

Andere personeelsprocessen die, onder invloed van het 2 e loopbaandenken,<br />

mogelijk bijstelling vereisen, zijn:<br />

– functievorming en functiedifferentiatie<br />

– functiewaardering<br />

– personeelsvoorziening/personeelsplanning<br />

– personeelsontwikkeling.<br />

Functievorming en functiedifferentiatie<br />

Actualisering van de functie-inhoud zal noodzakelijk zijn wanneer:<br />

1. functie-eisen verhoogd worden naar mbo-niveau, of<br />

2. er een herverdeling van bezwarende taken binnen functies wordt<br />

gemaakt om daarmee het risico op vervroegde uitval tegen te gaan, of<br />

3. er door herverdeling van taken alleen nog geheel bezwarende en<br />

geheel niet-bezwarende functies overblijven.<br />

Functiewaardering<br />

Bij een verandering van de functie-inhoud is het vaak noodzakelijk om de<br />

waardering van functies te herzien.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 77


Personeelsvoorziening/personeelsplanning<br />

1. Het creëren van nieuwe of aangepaste functies kan leiden tot extra<br />

doorstroommogelijkheden.<br />

2. In het kader van scholing en door verminderde inzetbaarheid van<br />

personeel als resultaat van het overgangsrecht kunnen roostering en<br />

personeelsvoorziening onder druk komen te staan.<br />

Hierdoor wordt het noodzakelijk de personeelsvoorziening en de strategische<br />

personeelsplanning te actualiseren.<br />

Personeelsontwikkeling<br />

Actualisering van het scholings- en ontwikkelingsbeleid komt in paragraaf<br />

6.10 uitvoeriger aan de orde.<br />

Tips<br />

• Vermijd de ‘kip of het ei-situatie’: pas je eerst je processen of formats<br />

aan, of wacht je daar juist mee totdat je voldoende ervaringen hebt<br />

opgedaan Wees je ervan bewust dat het een geen absolute voorwaarde<br />

is voor het ander. De enige voorwaarde is dat de processen op<br />

het eind van de rit ook daadwerkelijk zijn aangepast!<br />

• Maak gebruik van de kennis die bij (pilot)korpsen aanwezig is.<br />

• Bij aanname kun je voorwaarden scheppen voor het behalen van een<br />

mbo-diploma.<br />

Ontwikkeling regelingen<br />

De belangrijkste regelingen die in het kader van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

ontwikkeld of aangepast moeten worden, zijn de studiefaciliteiten, de<br />

loopbaanfaciliteiten en de organisatorische faciliteiten.<br />

Studiefaciliteiten<br />

Doel van het <strong>loopbaanbeleid</strong> is om medewerkers optimaal voor te bereiden<br />

op de doorstroom naar een 2 e loopbaanfunctie. Het op peil brengen<br />

van de opleidingskwalificaties kan daar een belangrijk onderdeel van zijn.<br />

Welke opleidingskwalificaties noodzakelijk zijn, is afhankelijk van de 2 e<br />

loopbaanrichting/functie die de medewerker – in overleg met zijn manager<br />

– heeft gekozen én van de kwalificaties die de medewerker al heeft<br />

behaald. Die kwalificaties kunnen naast behaalde diploma’s ook bestaan<br />

uit een erkenning van eerder verworven competenties (EVC).<br />

Welke studiefaciliteiten de medewerker nodig heeft om de benodigde<br />

kwalificaties te halen, is dus afhankelijk van zijn individuele situatie.<br />

78


Dat houdt niet in dat een korps daarmee ook altijd voor maatwerk hoeft<br />

te kiezen. Het is aan te bevelen om minimaal een aantal vaste kaders<br />

te hanteren. Daarbij kan eventueel onderscheid worden gemaakt naar<br />

kaders voor opleidingstrajecten tot minimaal mbo-niveau en kaders voor<br />

opleidingen tot een hoger niveau.<br />

In het laatste geval moet men zich afvragen of dergelijke opleidingen nog<br />

onder het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> vallen, of dat zij thuishoren bij de reguliere<br />

studiefaciliteitenregeling (van korps of gemeente). In de studiefaciliteitenregeling<br />

moeten ook de kaders vastgelegd worden met betrekking tot<br />

verletkosten, inroostering, terugbetalingsregelingen, et cetera.<br />

Loopbaanfaciliteiten<br />

In het kader van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> moet vastgelegd worden onder<br />

welke voorwaarden en op welk moment medewerkers een beroep kunnen<br />

doen op de algemene faciliteiten voor het <strong>loopbaanbeleid</strong>. Het gaat<br />

daarbij om zaken als loopbaanoriëntatie, het aantal gesprekken met een<br />

loopbaanadviseur, second opinion na assessment of na loopbaanoriëntatie,<br />

arbeidsmarktoriëntatie, stages en detacheringen.<br />

Organisatorische faciliteiten<br />

Om medewerkers goed te kunnen ondersteunen bij het 2 e loopbaantraject<br />

moet de leidinggevende minimaal voldoende zicht hebben op de consequenties<br />

van de cao-afspraken, de inhoud van het <strong>loopbaanbeleid</strong> en de<br />

mogelijk in te zetten loopbaaninstrumenten. Het vereist echter ook dat hij<br />

de competenties beheerst om het onderwerp daadwerkelijk bespreekbaar<br />

te maken en te houden. Wanneer die kennis en competenties<br />

onvoldoende aanwezig zijn, dan moet hij daarin ondersteund en getraind<br />

worden. Daar moet dus een regeling voor worden opgesteld!<br />

Een tweede organisatorische faciliteit is dat er één lid van het managementteam<br />

wordt aangewezen als verantwoordelijke voor het <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

Daarmee wordt de betrokkenheid van het management bij het<br />

2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> gewaarborgd. Van dit managementlid mag worden<br />

verwacht dat hij jaarlijks het <strong>loopbaanbeleid</strong> evalueert, verantwoordt en<br />

waar nodig bijstelt.<br />

Ten slotte vraagt ondersteuning bij de ontwikkeling van een 2 e loopbaan<br />

de inzet van een loopbaanadviseur. Vaak zal hierbij de inzet van een parttime<br />

loopbaanadviseur voldoende zijn. Eventueel kan er gebruikgemaakt<br />

worden van een loopbaanadviseur van de gemeente. Als dat niet mogelijk<br />

is, kan er, bij kleinere korpsen, ook gedacht worden aan samenwerkings-<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 79


verbanden met andere korpsen om een parttime loopbaanadviseur aan te<br />

stellen of in te huren.<br />

Naast de inzet van faciliteiten om de ontwikkeling van een 2 e loopbaan<br />

zo goed mogelijk gestalte te geven, heeft het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> ook<br />

op andere wijze belangrijke organisatorische consequenties. Tijdens<br />

de oriëntatie- en de door-/uitstroomfase, maar met name tijdens de<br />

opleidingsfase zijn medewerkers gedurende kortere of langere tijd niet<br />

beschikbaar voor de repressieve dienst. Dit betekent dat hier in het rooster<br />

rekening mee moet worden gehouden, terwijl daarnaast ook extra<br />

personele inzet noodzakelijk is.<br />

Uit onderzoek blijkt dat potentiële doorstroommogelijkheden vanuit de<br />

bezwarende functie over de gehele linie in voldoende mate aanwezig zijn.<br />

Dat neemt echter niet weg, dat het management van zowel <strong>brandweer</strong><br />

als gemeente zich bewust moeten zijn van de verplichting die er vanuit<br />

de cao ligt om mee te werken aan de ontwikkeling van een 2 e loopbaan<br />

en het creëren van doorstroommogelijkheden. Het is niet alleen ‘het probleem<br />

van de medewerker’. Waar de gemeente door de regionalisering<br />

verder weg komt te staan van de <strong>brandweer</strong>organisatie, en de interne<br />

arbeidsmarkt voor doorstroming wordt vergroot doordat er veiligheidsregio’s<br />

gevormd zijn, is het juist van belang dat <strong>brandweer</strong>organisatie<br />

en gemeente afspraken maken over strategische personeelsplanning en<br />

voorkeursbeleid ten aanzien van <strong>brandweer</strong>personeel. Gezien de ontwikkelingen<br />

op de licht gespannen arbeidsmarkt, is dit ook in het belang van<br />

de gemeente zelf.<br />

6.10 Aanpassing regelingen en<br />

interne organisatie<br />

Eerder gaven we al aan dat de organisatie er, in het kader van het 2 e<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong>, goed aan doet zich te bezinnen op de huidige taakinhoud<br />

van de verschillende functies. Door taakinhoud te herschikken kan<br />

er functiedifferentiatie optreden, waardoor er een herverdeling kan<br />

ontstaan van bezwarende en niet-bezwarende functies, met eventueel<br />

meer doorstroommogelijkheden binnen het korps. Een andere optie die<br />

uitgewerkt kan worden in het kader van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> is functies<br />

minder bezwarend te maken, om daarmee het risico op vroegtijdige uitval<br />

te minimaliseren. Beide wijzigingen zullen verregaande invloed hebben<br />

op de interne organisatie van het korps, dus is het van belang om eerst<br />

80


een goede kosten-batenanalyse te maken alvorens hiertoe over te gaan.<br />

De belangrijkste aanpassing in de organisatie bestaat uit de veranderingen<br />

in de personeelsvoorziening en daarmee in de roostering. Het<br />

opleidingsbeleid speelt hier een belangrijke rol in, waarbij de kaders<br />

over welke opleidingen in werktijd en welke in eigen tijd gevolgd mogen<br />

of moeten worden, doorslaggevend zijn. Daarnaast is het van essentieel<br />

belang om, op grond van de ken- en stuurgetallen met betrekking<br />

tot het personeelsverloop in relatie tot het overgangsrecht, vroegtijdig<br />

een inschatting te maken van de personeelsbezetting in de komende<br />

jaren.<br />

6.11 Implementatie van het nieuwe beleid<br />

Als de stappen die we in het vorige hoofdstuk beschreven, zorgvuldig<br />

en gedetailleerd zijn uitgevoerd, zal de feitelijke implementatie van het<br />

beleid weinig voeten in de aarde hebben. Desondanks benadrukken we<br />

hier nog enkele zaken die van doorslaggevende betekenis kunnen zijn.<br />

Voorwaarden invoering<br />

We stelden de pilotkorpsen de vraag wat er minimaal geregeld zou moeten<br />

zijn voordat het nieuwe beleid ingevoerd kan worden. Als antwoord<br />

daarop werden er verschillende voorwaarden geformuleerd. De meeste<br />

daarvan kwamen in eerdere hoofdstukken al ter sprake, maar voor de<br />

volledigheid hebben we ze als tips onder elkaar gezet, zodat snel kan<br />

worden bekeken of de organisatie klaar is om met het nieuwe beleid aan<br />

de slag te gaan.<br />

Kick-off<br />

In hoofdstuk 6 gaven we aan dat communicatie over het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

en dan vooral over de individuele consequenties daarvan, van doorslaggevende<br />

betekenis is om draagvlak te krijgen bij de medewerkers. Mocht<br />

u voor de medewerkers nog geen voorlichtingsbijeenkomsten of een<br />

speciaal spreekuur van de P&O-adviseur over dit onderwerp voor de<br />

medewerkers hebben georganiseerd, dan is de feitelijke invoering van<br />

het nieuwe beleid een goed moment om dit alsnog te doen.<br />

Die eerste voorlichtingsbijeenkomst kan de vorm krijgen van een kick-off.<br />

Met nadruk: geef überhaupt een feestelijk en gezamenlijk karakter aan<br />

de aftrap van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>. Daarmee kan benadrukt worden dat<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 81


de veranderingen in de cao gaan over nieuwe mogelijkheden, over nieuwe<br />

kansen en over een nieuw perspectief op het werk.<br />

Medewerkers verantwoordelijk maken voor eigen loopbaan<br />

Vanaf de start van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> moet duidelijk zijn wat ieders<br />

rechten, plichten, taken en verantwoordelijkheden zijn. Het is belangrijk<br />

dat de medewerker de ontwikkeling van een loopbaanplan, het reflecteren<br />

op een 2 e loopbaan en het scholingstraject niet beschouwt als een<br />

opgelegde verplichting.<br />

Maak medewerkers duidelijk dat hun werk risicovol is en er voor een<br />

ieder de kans bestaat dat hij/zij na verloop van tijd door fysieke en psychische<br />

ongemakken de functie niet meer kan uitvoeren. Een slechte<br />

voorbereiding op dat risico betekent onvoldoende verantwoordelijkheid<br />

nemen voor je eigen toekomst!<br />

Ook met een optimale facilitering vanuit de organisatie is de uitstroom<br />

naar een niet-bezwarende functie niet gegarandeerd. Het succes hangt<br />

met name af van de persoonlijke inzet van de medewerker gedurende het<br />

gehele loopbaantraject. Een afwachtende houding, waarbij de medewerker<br />

leunt op de organisatie, de P&O-adviseur of de loopbaanadviseur, zal<br />

nooit de gewenste resultaten opleveren. Verder zijn ook de ontwikkelingen<br />

op de arbeidsmarkt van invloed op de door- en uitstroom.<br />

Tip<br />

• Een goed loopbaantraject slaagt pas als de medewerker hier zelf,<br />

vanaf de start, zijn eigen verantwoordelijk in neemt. Zorg ervoor dat<br />

uw medewerker zich, vanaf de start, verantwoordelijk voelt!<br />

Sportbeleid en PPMO inzetten als personeelsinstrument<br />

Wie zich bewust is van het verhoogde risico dat een bezwarende functie<br />

met zich meebrengt zal (meer) verantwoordelijkheid moeten nemen. Dat<br />

geldt voor medewerkers, maar ook voor de organisatie. De organisatie<br />

zal specifiek beleid moeten ontwikkelen om die medewerker gedurende<br />

zijn loopbaan in optimale lichamelijke en psychische conditie te houden.<br />

Een goed sportbeleid, waarbij de medewerker optimaal gefaciliteerd<br />

wordt om aan zijn conditie te werken, kan veel rendement opleveren.<br />

Dergelijk beleid betekent niet per definitie dat er op kazernes uitgebreide<br />

sportfaciliteiten worden gerealiseerd, er kunnen bijvoorbeeld ook<br />

samenwerkingsverbanden worden aangegaan met sport- en fitnesscentra.<br />

Uitkomsten van het PPMO kunnen hierin een toegevoegde waarde<br />

82


hebben. Het PPMO geeft de organisatie immers structureel zicht op de<br />

feitelijke conditie van de medewerkers en kan tevens indicaties opleveren<br />

over daadwerkelijke risicoverhoging. Daarnaast levert het voor een<br />

goede trainer of sportcoach allerlei indicaties voor een individueler trainingsprogramma<br />

voor de medewerker.<br />

Kwaliteitsborging<br />

Om het thema <strong>loopbaanbeleid</strong> actueel te houden en te borgen binnen de<br />

organisatie is het belangrijk om het met regelmaat terug te laten komen<br />

in de gesprekscyclus, en het in de overlegstructuur van de organisatie<br />

een vast agendapunt te maken. Daarvoor is het van belang dat de verschillende<br />

stakeholders binnen en buiten de organisatie met regelmaat<br />

ervaringen uitwisselen.<br />

Dat betekent dat de projectgroep niet direct moet worden opgeheven<br />

wanneer het beleid geïmplementeerd is. Het is beter om de groep,<br />

aangevuld met externe contacten (zoals CWI en roc’s), enkele jaren<br />

in stand te houden en regelmatig bijeen te laten komen, bijvoorbeeld<br />

halfjaarlijks. Tijdens dat overleg kunnen ervaringen worden uitgewisseld<br />

op grond waarvan het beleid, de faciliteitenregelingen en/of de loopbaaninstrumenten<br />

kunnen worden bijgesteld. Zo kan de kwaliteit van het 2 e<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong> geborgd worden. Het is wel nodig om het voorzitterschap<br />

van de projectgroep en daarmee ook de eindverantwoordelijkheid over<br />

het <strong>loopbaanbeleid</strong>, vanaf het moment van implementatie, bij een van de<br />

leden van het managementteam te leggen.<br />

Ook met het oog op de rechtspositionele consequenties van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

is het ten slotte van belang om de uitvoering van het beleid en<br />

de resultaten daarvan periodiek in een jaarverslag vast te leggen en te<br />

laten accorderen door de korpsleiding.<br />

Implementatie<br />

Voor de daadwerkelijke implementatie van het beleid zijn er verschillende<br />

aandachtspunten te noemen, die we als tips hebben weergegeven.<br />

Tips<br />

• Ga terug naar de ploegen en stel vragen: Wat is er tot nu toe gedaan<br />

Wat gaan we nu doen Wat ga jij doen<br />

• Maak er iets feestelijks van!<br />

• Zorg ervoor en toon aan dat het <strong>loopbaanbeleid</strong> geen papieren tijger is!<br />

• Koppel andere beleidsontwikkelingen aan het <strong>loopbaanbeleid</strong>, zoals<br />

vitaliteitbeleid en leeftijdsgericht personeelsbeleid.<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 83


• Neem PPMO mee in je beleid: verhoogde medische noodzaak kan ook<br />

aandacht opleveren voor de extra mogelijkheden voor de medewerker.<br />

• Geef pilotmedewerkers een ludiek cadeau(tje).<br />

• Geef de pilotmedewerkers speciale aandacht, want zij zijn het visitekaartje<br />

van het 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong>.<br />

• Zet de succesverhalen van de pilotmedewerkers ook op de nieuwe<br />

website www.loopbaanladder.nl van het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten, ter<br />

inspiratie van andere medewerkers en andere korpsen.<br />

• Communiceer zo veel mogelijk mondeling, want schriftelijke informatie<br />

wordt niet altijd gelezen!<br />

Vier je successen!<br />

Elke verandering is moeilijk. Dan kan het helpen om de successen te<br />

vieren. Laat de medewerkers die een 2 e loopbaantraject gestart zijn<br />

daarover vertellen in het personeelsblad of een weblog bijhouden op<br />

intranet. Vier de uitreiking van de ervaringscertificaten en diploma’s met<br />

een bijeenkomst en foto’s en filmpjes. Kortom, maak 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

tot een feest, en nodig iedereen uit.<br />

84


Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 85


Geraadpleegde bronnen<br />

1. Loopbaanbeleidsdocumenten van de volgende korpsen:<br />

a. Brandweer Leeuwarden, Loopbaanbeleid in praktische zin<br />

b. Brandweer Tilburg, Loopbaanbeleid <strong>brandweer</strong>. Uitgeblust, maar<br />

nog niet afgebrand<br />

c. Brandweer Zuid Limburg, 2 e Loopbaanbeleid Zuid Limburg<br />

d. Brandweer Nijmegen, Notitie 2de Loopbaan Brandweer<br />

e. Brandweer Stad Groningen, Loopbaanbeleid Repressieve Dienst<br />

Brandweer Groningen<br />

f. Brandweer Regio Zuid-Holland Zuid, Tussenrapportage project<br />

UDO, fase 2<br />

g. Brandweer Utrecht, Concept Tweede Loopbaanbeleid voor medewerkers<br />

in bewzwarende functie bij de Brandweer Utrecht<br />

2. Websites:<br />

a. www.aeno.nl<br />

b. www.vng.nl<br />

c. www.car-uwo.nl<br />

d. www.nvbr.nl<br />

e. www.cwi.nl<br />

3. Rapport Onderzoek Doorstroommogelijkheden, Brandweer Leeuwarden,<br />

2008<br />

4. Programma Loopbaanbeleid Brandweer, <strong>A+O</strong> Fonds, 2007<br />

5. TNO Rapport Loopbaanbeleid bij Brandweer en Ambulance, 2005<br />

6. Functie- en competentieprofiel Inventarisatieformulier<br />

Loopbaancoach/-adviseur Gemeente Tilburg, 2008<br />

7. Rapportage Uitkomsten tussenevaluaties I en II Project Ontwikkeling<br />

Landelijk Model 2 e Loopbaanbeleid, Visibly Consultants, 2008<br />

8. Ondersteuningsmodule Tweede Loopbaanbeleid voor Leidinggevenden,<br />

Visibly Consultants, 2008<br />

9. Ondersteuningsmodule Tweede Loopbaanbeleid voor Loopbaanadviseurs,<br />

Visibly Consultants, 2008<br />

10. Rapport Arbeidsomstandigheden Brandweer, Coronel Instituut, 2006<br />

11. Rapport Monitor Loopbaanbeleid Brandweer, AStri, 2007<br />

12. Discussienota Loopbaangesprekken Brandweer, CINOP, 2008<br />

13. ‘Brief aan de leden t.a.v. College. Onderwerp: uitleg CAR-teksten hervorming<br />

FLO’ (Marz / CvA/ U2006<strong>01</strong>116), LOGA, 2006<br />

14. Hand-out Workshops 2 e Loopbaanbeleid, Visbly Consultants, 2008<br />

15. Cao Gemeenten 2005-2007<br />

86


Overzicht digitale bijlagen<br />

De volgende bijlagen zijn digitaal te vinden op de website van het <strong>A+O</strong><br />

Fonds:<br />

1. Checklist ontwikkeling en invoering tweede <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

2. Informatie Portfolio<br />

3. Format Loopbaanplan<br />

4. Richtlijnen CAR-UWO Vorm en Inhoud Loopbaanplan<br />

5. Functieprofiel Loopbaanadviseur/-coach<br />

6. Toelichting Rekenmodel Kostenberekening cao-afspraken<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 87


Programma 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

<strong>brandweer</strong><br />

In de periode 2007-2009 voert het <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> het programma ‘2 e Loopbaanbeleid<br />

Brandweer’ uit. Het doel van het programma is:<br />

• agenderen van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> ten behoeve van duurzame inzetbaarheid<br />

• stimuleren en ondersteunen van <strong>brandweer</strong>korpsen bij het ontwikkelen<br />

van 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong><br />

• stimuleren en ondersteunen van medewerkers in bezwarende functies<br />

bij ontwikkelingsgericht denken en het verkennen van doorstroommogelijkheden<br />

naar niet-bezwarend werk.<br />

Het programma wordt begeleid door een stuurgroep, die als volgt is<br />

samengesteld:<br />

• Ruud Kuin; ABVAKABO FNV (voorzitter stuurgroep en voorzitter <strong>A+O</strong><br />

<strong>fonds</strong> Gemeenten)<br />

• Judy Boere; CVA/VNG (vice-voorzitter)<br />

• Loek Bakker, Brandweer Groningen;<br />

• Sanne van Dullemen; Brandweer Amsterdam-Amstelland<br />

• Marcel Fränzel; gemeente Woensdrecht<br />

• Gerrit Jan Gorter; gemeente Zeewolde<br />

• Jaap van der Hoek; ABVAKABO FNV<br />

• Nettie Karelse; Brandweer Leeuwarden<br />

• Wil van Katwijk; Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond<br />

• Peter Leenders; CMHF<br />

• Jacco Lijffijt; ABVAKABO FNV<br />

• Mellanie Linde; Brandweer Zoetermeer<br />

• Jac Rooijmans; Regionale <strong>brandweer</strong> Zuid-Oost Noord-Brabant<br />

• Hans Thijsebaard; CNV Publieke Zaak<br />

• Michiel Verlinden; Brandweer Lelystad<br />

• Marion Weijts; Brandweer Maastricht<br />

De projecten worden in nauwe samenwerking met de sector vormgegeven<br />

en uitgevoerd. Actuele informatie vindt u op www.aeno.nl<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 89


Programma 2 e loopbaan<br />

Communicatie<br />

Impulsen<br />

organisatie<br />

Pilots<br />

Functiegerichte<br />

Aanstellingskeuring<br />

en<br />

Periodiek Preventief<br />

Medisch Onderzoek<br />

PPMO<br />

Ontwikkeling en<br />

pilots Model<br />

Loopbaanbeleid<br />

Brandweer<br />

Stimuleringsregeling<br />

Loopbaanbeleid<br />

Brandweer<br />

90


eleid Brandweer 2007–2009<br />

Monitoring<br />

<strong>loopbaanbeleid</strong><br />

Impulsen<br />

leidinggevenden<br />

Impulsen<br />

medewerkers<br />

Ondersteuningsmodule<br />

leidinggevenden<br />

en<br />

Introductie RMD<br />

Leergang<br />

Loopbaancoach<br />

(ook voor nietleidinggevende)<br />

Website, loopbaanscan<br />

en loopbaangesprekken<br />

Portfolio- EVC- en<br />

scholingstrajecten<br />

Handreiking 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> Brandweer 91


Colofon<br />

Opdrachtgever<br />

Stichting <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten<br />

Projectmanager<br />

Marieke de Feyter<br />

Auteurs<br />

Sido de Vries en Esther Klaver,<br />

Visibly Consultants<br />

Projectmedewerker<br />

Annelies Knoppert<br />

Drukwerk<br />

Artoos Drukkerijen, Den Haag<br />

Redactie<br />

Marieke de Feyter<br />

Oplage<br />

500<br />

Vormgeving<br />

Ruurd Heijting, Rotterdam<br />

ISBN-nummer<br />

9789077681374<br />

Met dank aan<br />

de leden van de stuurgroep en de focusgroep 2 e <strong>loopbaanbeleid</strong> <strong>brandweer</strong>,<br />

alsmede het netwerk P&O van de NVBR<br />

Uitgave<br />

© Stichting Arbeidsmarkt- en Opleidings<strong>fonds</strong> Gemeenten, Den Haag,<br />

maart 2009<br />

Stichting <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten bevordert en ondersteunt vernieuwende<br />

activiteiten op het gebied van arbeidsmarkt en HRM-beleid. Actuele<br />

informatie over de verschillende projecten treft u aan op www.aeno.nl<br />

Rechten<br />

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd,<br />

opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of<br />

openbaar gemaakt, in enige vorm of op enigerwijze, hetzij elektronisch,<br />

mechanisch door fotokopieën, opnamen of enige andere manier, zonder<br />

voorafgaande toestemming van de Stichting <strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten.<br />

Hoewel aan deze uitgave de grootst mogelijke zorg is besteed, kunnen de<br />

samenstellers niet aansprakelijk gesteld worden voor eventuele onjuistheden,<br />

noch kunnen aan de inhoud rechten worden ontleend.<br />

92


<strong>A+O</strong> <strong>fonds</strong> Gemeenten<br />

Postbus 30435<br />

2500 GK en Haag<br />

070 3738356<br />

secretariaat@aeno.nl<br />

www.aeno.nl

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!