orthoptie 2005 nr 2 5.0 v2 - International Orthoptic Association

internationalorthoptics.org

orthoptie 2005 nr 2 5.0 v2 - International Orthoptic Association

DE ONTWIKKELING

VAN EEN DIAGNOSTISCH PROTOCOL

VOOR KINDEREN MET COMPLEXE VISUELE PROBLEMEN

H.J.M. Verbunt-Brattinga, orthoptist, Sensis, Grave

H.E.J.M. Lijnders-Kunen, orthopedagoog, Sensis, Grave

M.P.J. Vervloed, universitair docent orthopedagogiek, Radboud Universiteit Nijmegen

SAMENVATTING

Middels een pilotonderzoek is een multidisciplinair

onderzoeksprotocol ontwikkeld waarmee

op stoornis- en beperkingniveau het visueel

functioneren in kaart gebracht kan worden

van kinderen met complexe visuele problemen.

Dit zijn kinderen die beperkingen

ondervinden in het visueel functioneren

welke niet terug te voeren zijn op slechtziendheid

gedefinieerd in termen van een

verlaagde visus en/of een beperkt gezichtsveld.

Bij deze kinderen is sprake van een

combinatie van visueel sensorische, visueel

perceptuele, oculomotorische en visuomotorische

stoornissen. Hun anamnese is daarnaast

risicovol voor het ontwikkelen van

visuele stoornissen. De resultaten van de

onderzoeken van tien kinderen worden beschreven.

INLEIDING

In toenemende mate worden medewerkers van

Sensis, een organisatie voor zorg, onderwijs en

diensten aan slechtziende en blinde mensen,

geconfronteerd met vragen over kinderen met

visuele beperkingen waarbij de primaire oorzaak

niet ligt in een lage visus of een beperkt

gezichtsveld, maar in een combinatie van visueel

sensorische, visueel perceptuele, visuomotorische

en oculomotorische stoornissen. Het

merendeel van deze kinderen is niet blind of

slechtziend volgens de normen van de Wereldgezondheidsorganisatie

(World Health Organisation,

WHO). Slechtziendheid is gedefinieerd

als een gezichtsscherpte minder dan 0,3 en/of

een gezichtsveld kleiner dan 30° diameter

(ICD-10, 1992). Een gezichtsscherpte van minder

dan 0,05 en/of een gezichtsveld kleiner dan

10° is gedefinieerd als (maatschappelijk) blind.

Om de gevolgen van ziekten en aandoeningen te

kunnen ordenen is de International Classification

of Functioning, Disability and Health (ICF, 2001)

ontworpen. De ICF is de herziene versie van de

internationale classificatie van stoornissen, beperkingen

en handicaps (ICIDH, 1993) en omvat

de volgende aspecten: functies, anatomische

eigenschappen (orgaanniveau), activiteiten (persoonsniveau)

en participatie (sociaal niveau).

Daarnaast is toegevoegd een lijst van externe en

persoonlijke factoren welke het functioneren

beïnvloeden.

De aangemelde kinderen hebben problemen

op het niveau van activiteiten zoals bijvoorbeeld

S., een 12-jarig meisje met infantiele

encefalopathie met als gevolg psychomotore

retardatie, hemiparese links, microcefalie en

epilepsie. De CT-scan toont bilaterale atrofie

van de visuele cortex. Zij onderging een scheelziensoperatie

op jonge leeftijd. Zij draagt een

bril vanwege hypermetropie met astigmatisme.

Vanwege een accommodatie-insufficiëntie droeg

ze enige tijd een bifocale bril. Er is verder

sprake van opticusatrofie en een licht verlaagde

visus van 0,5. Het kleurenzien is intact en het

contrastzien is voldoende. Het perifere gezichtsveld

kan niet goed onderzocht worden. Zij is

1


eeds bekend bij Sensis en bezoekt het speciaal

onderwijs voor leerlingen met een visueel-verstandelijke

beperking. Het visueel functioneren

van S. op school is minder goed dan op basis

van de visus verwacht zou worden, rekening

houdend met haar cognitief niveau. Bijvoorbeeld

blokken tellen in een toren lukt niet als

de blokken dezelfde kleur hebben. Bij aparte

aanbieding van materiaal presteert ze beter dan

bij aanbieden van meerdere dingen tegelijk.

Ook in oriëntatie en mobiliteit functioneert ze

zwakker dan op basis van de visuele stoornis

ingeschat wordt. Ze is onzeker in een nieuwe

omgeving. S. merkt oneffenheden in de ondergrond

niet op en heeft moeite met hoogteverschil

en verandering in vloeroppervlak. Zij is

een voorzichtig, onzeker meisje. Het is onduidelijk

of het zien hierin een rol speelt of dat een

en ander vooral motorisch en/of gedragsmatig

bepaald is.

Vanuit de huidige kennis proberen we de diagnostiek

en begeleiding zo goed mogelijk af te

stemmen op de hulpvragen. Echter zowel binnen

de diagnostiek als binnen de begeleiding

merken we dat de gangbare middelen en

methodieken, zoals we die hanteren bij slechtziende

kinderen met een verlaagde visus en/of

een beperkt gezichtsveld, wel bruikbaar maar

niet toereikend zijn voor deze groep kinderen

met complexe visuele problemen*. Naast specifieke

kennis en expertise ontbreekt het ook

aan een duidelijk beleid voor toelating tot

onderzoek, advies en begeleiding bij deze speciale

groep kinderen. Naar aanleiding hiervan

heeft in de periode 2002-2004 bij Sensis het

project ‘kinderen met complexe visuele problemen’plaatsgevonden.

* Kinderen met cerebrale visuele stoornissen (CVI) kunnen

onderdeel uitmaken van deze groep. Omdat er verschillende

definities gehanteerd worden van CVI en

omdat de doelgroep die ons voor ogen staat breder kan

zijn dan de doelgroep CVI, is gekozen voor de term kinderen

met complexe visuele problemen. We realiseren

ons dat dit geen bestaande diagnostische groep is.

DOELSTELLING

De doelstellingen van het project werden als

volgt geformuleerd:

1. het verbeteren van de multidisciplinaire

diagnostiek en handelingsgerichte advisering

bij kinderen met complexe visuele problemen

2. het komen tot beleidsaanbevelingen met

betrekking tot diagnostiek en begeleiding

van kinderen met complexe visuele problemen.

MATERIAAL EN METHODEN

PARTICIPANTEN

Kinderen uit een aantal risicogroepen kwamen

in aanmerking:

• de neonatale at risk kinderen, premature

kinderen

• kinderen met aanlegstoornissen van de

hersenen

• kinderen met congenitale hersenbeschadiging,

bijvoorbeeld periventriculaire leucomalacie,

intraventriculaire haemorragie,

infantiele encefalopathie

• kinderen met verworven hersenletsel, bijvoorbeeld

na contusio cerebri, anoxie, cerebraal

vasculair accident

• kinderen met onbegrepen ontwikkelingsachterstand.

Uiteindelijk werden tien kinderen via de aanmeldings-

en begeleidingsteams van de regionale

centra en de scholen van Sensis aangemeld bij

het diagnostisch centrum van Sensis in Grave.

Aan de ouders werd toestemming gevraagd en

gekregen voor deelname aan het onderzoek en

het gebruiken van de onderzoeksbevindingen

voor publicatie.

De kinderen werden geselecteerd aan de hand

van de volgende criteria:

INCLUSIECRITERIA

• kalenderleeftijd 4 – 12 jaar

• mentale ontwikkelingsleeftijd > 3,5 jaar

2


• 0,1 < visus < 0,6 (uiteindelijk werd een aantal

kinderen toegelaten met een betere

visus: zie resultaten en discussie)

• de anamnese bevat risico’s voor (het ontwikkelen

van) visuele stoornissen

• een visueel sensorische stoornis in combinatie

met een of meerdere andere vermoede

visuele stoornissen: oculomotorisch-,

visuomotorisch- of visueel perceptuele

stoornis. Er kunnen additionele neurologische-

of ontwikkelingsproblemen zijn

• beperkingen in het visueel functioneren in

het dagelijks leven welke niet volledig verklaard

kunnen worden uit een visueel sensorische

stoornis

• coöperatief, redelijke taakwerkhouding.

Exclusiecriteria

• ernstige mentale retardatie

• autisme

• dyslexie.

PROCEDURE

Om de stoornissen in de verschillende visuele

functiegebieden en de beperkingen in het visueel

functioneren in het dagelijks leven in kaart

te brengen was multidisciplinair onderzoek

noodzakelijk. Het onderzoek omvatte achtereenvolgens

een anamnestisch en sociaal onderzoek

door de maatschappelijk werkende,

een oogheelkundig onderzoek door de oogarts,

een visueel functieonderzoek door de orthoptist,

een psychologisch onderzoek door de gedragswetenschapper

en een motorisch onderzoek

door de kinderfysiotherapeut. Op basis

van een literatuuronderzoek en de theoretische

kennis van het visueel systeem werd een keuze

gemaakt uit bestaande testmaterialen.Voor het

anamnestisch onderzoek werd een vragenlijst

samengesteld. Met name als de visus betrekkelijk

normaal is, is een goede anamnese van

belang voor het onderkennen van onder meer

cerebrale visuele stoornissen (CVI) (Dutton

2001). Beperkingen in het visueel functioneren

werden in vijf gebieden geïnventariseerd, te

weten algemeen visueel, sociaal contact en

communicatie, ADL (algemene dagelijkse levensverrichtingen),

oriëntatie en mobiliteit en

nabijtaken. Indien van toepassing werden relevante

gegevens opgevraagd bij behandelend

specialisten. Naast gegevens van de oogarts

waren met name gegevens van de kinderarts en

de kinderneuroloog belangrijk. Ook gegevens

van behandelende paramedici en eerder verrichte

psychologische onderzoeken werden

relevant geacht.

Het oogheelkundig onderzoek was een regulier

oogheelkundig onderzoek met onder meer

refractiebepaling in cycloplegie, fundoscopie en

spleetlamponderzoek.

Het visueel functieonderzoek omvatte onderzoek

naar de visus (afstand en nabij) met speciale

aandacht voor crowding en voor accommodatiestoornissen,

onderzoek naar contrastzien,

kleurenzien en binoculair zien en gezichtsveldonderzoek.

Bij het onderzoek van de oculomotoriek

werd speciale aandacht besteed aan de kwaliteit

van de volgbewegingen, blikverplaatsen en

saccadische oogbeweging, aan optokinetische

nystagmus en vestibulo-oculaire reflex.

Het psychologisch onderzoek richtte zich vooral

op de visueel-perceptuele functies en had het

karakter van een neuropsychologisch onderzoek.

Vanuit de wetenschap dat kinderen met een hersenbeschadiging

in de posteriore visuele banen

een verhoogd risico lopen op visuele perceptieproblemen

(Atkinson 2000, Van den Hout 2002)

werden de subtests van het psychologisch onderzoek

zo samengesteld dat gedifferentieerd kon

worden in stoornissen ten gevolge van beschadiging

in de dorsale (waar en hoe) en ventrale (wat

en wie) banen. De volgende functies werden

onderzocht: objectherkenning, vormwaarneming,

visuo-spatiële waarneming, figuur-achtergrondwaarneming,

gestalt closure (herkennen van

figuren op basis van onvolledige informatie),

visueel geheugen, waarnemen van gezichtsuitdrukkingen,

waarnemen van richting, visuomotorische

functies en detailwaarneming. Voor

een goede interpretatie van de resultaten was het

noodzakelijk eerst het performale IQ van het

kind vast te stellen.

3


Het kinderfysiotherapeutisch onderzoek tenslotte

omvatte in ieder geval een motoscopisch

onderzoek (onderzoek naar de kwaliteit van

bewegen), waarbij vooral gekeken werd naar de

samenhang tussen het visueel functioneren en

houding en motoriek. Daarnaast was er aandacht

voor de andere zintuiglijke functies (tactiel,

auditief, vestibulair, proprioceptief) en voor

de sensomotorische integratie. Indien nodig

werd hiernaar verder onderzoek verricht.

Afhankelijk van de vraagstelling en de motorische

diagnose werd onderzoek verricht naar

het motorisch ontwikkelingsniveau (motometrie).

Bij kinderen met een ernstige cerebrale

bewegingsstoornis of evidente ontwikkelingsachterstand

werd geen motorisch ontwikkelingsniveau

bepaald. Dit bleek niet relevant

voor het beantwoorden van de vragen ten aanzien

van het visueel functioneren.

Alle onderzoekers legden een aantal gedragingen

vast die tijdens het onderzoek geobserveerd

werden zoals alertheid, concentratie,

motivatie, oogcontact, visuele attentie, spontaan

verkorten van de kijkafstand.Van alle kinderen

werden video-opnamen gemaakt tijdens

de onderzoeken ten behoeve van nadere analyse

van de visuele gedragingen.

Naast een beschrijvende rapportage van de

onderzoeksgegevens, werden de resultaten

vastgelegd in een database in Excel. Alle onderzoeks-

en observatieonderdelen werden daarvoor

uitgebreid beschreven in een codeboek

zodat gestandaardiseerd onderzoek kon plaatsvinden

bij alle kinderen. Er werd zoveel mogelijk

gebruik gemaakt van onderzoeksinstrumenten

welke getoetst zijn op validiteit en

betrouwbaarheid. De onderzoeken vonden bij

alle kinderen onder dezelfde (licht)omstandigheden

plaats (500 lux op tafelhoogte).

ANALYSE

Gezien het kleine aantal kinderen en de

heterogene samenstelling van de pilotgroep is

statistische analyse niet mogelijk. Het onderzoek

is daarom descriptief van aard.

RESULTATEN

De onderzoeksgroep bestond uit zes jongens

en vier meisjes tussen vijf en twaalf jaar, gemiddelde

leeftijd 8,4 jaar (tabel 1). Bij negen

van de tien kinderen was sprake van een neurologische

aandoening en bij zeven kinderen

werden elders cerebrale afwijkingen gevonden

met beeldvormende technieken (MRI, CT-scan,

echo). Bij één kind was sprake van een onbegrepen

ontwikkelingsachterstand.

Alle kinderen waren bekend bij een oogarts. Strabismus

kwam voor bij acht kinderen, in de

meeste gevallen exotropie (n=6), een keer na

operatie voor esotropie. Drie kinderen hadden

een DVD. Van de twee kinderen met een rechte

oogstand had alleen kind 9 ook stereopsis. Bij vijf

kinderen was sprake van nystagmus, manifest

(n=2) of latent (n=3). Bij twee kinderen werd in

de opgevraagde oogheelkundige gegevens opticopathie

respectievelijk opticusatrofie vermeld,

bij oogheelkundig onderzoek bleken vijf kinderen

in meer of mindere mate afwijkende papillen

te hebben (tabel 2). Bij vier kinderen was sprake

van een brekingsafwijking van meer dan 3 dioptrieën

(sferisch equivalent). Slechts één kind had

een visus < 0,3, het WHO-criterium voor slechtziendheid,

vijf kinderen hadden een visus > 0,6

en voldeden dus niet aan het visuscriterium voor

het project. Hierbij moet de kanttekening geplaatst

worden dat niet altijd een Snellenvisus

was bepaald. Op basis van de overige informatie

vooraf werd voor deze kinderen toch besloten tot

onderzoek. Opvallend was dat negen kinderen

hinder ondervonden van crowding (binoculair

bepaald). Bij acht kinderen was het gezichtsveld

aangedaan. Dit waren vooral lichte beperkingen

tussen 15 en 30 graden. Alleen kind 8 had een

beperking van het gezichtsveld van meer dan 30

graden. De hulpvragen van de kinderen betroffen

onder meer wisselend visueel functioneren, visuele

inattentie, onzekerheid bij bewegen, problemen

met afstemmen in kijken en handelen,

moeite met trap lopen en met overgangen in de

vloer, gebrek aan visueel overzicht, trage verwerking

van visuele informatie en problemen met

ruimtelijke oriëntatie.

4


Tabel 1.

Voorgegevens

KIND

GESLACHT

LEEFTIJD

*MEDISCHE

HOOFDDIAGNOSE

* MRI * CT * ECHO * EEG

OOGHEELKUNDIGE

DIAGNOSE

1 M 5 meningitis

epilepsie

bilaterale

afwijkingen

occipitaal en

temporooccipitaal

hypoplasie vermis

niet verricht niet verricht geen gegevens exotropie met DVD

2 M 10 microcephalus geen duidelijke

afwijkingen

lichte frontale

corticale atrofie

niet verricht normaal nystagmus

hoge myopie

exotropie

3 M 7 encephalopathie niet verricht normaal niet verricht diffuus gestoord exotropie

nystagmus latens

hypermetropie

met astigmatisme

4 M 9 status na

subarachnoidale

bloeding

haemorrhagische

infarcering

bdz. art.

cerebri post.;

links sub-insulair;

links frontoparietaal;

rechts parasagittaal

frontaal;

links cerebellair

hydrocephalus niet verricht linker hemisfeer

hypo-functionele

afwijkingen

cerebrale visuele

stoornis

VEP normaal

5 M 6 intracerebrale

bloeding

2003 kleine

restafwijking rechts

periventriculair

niet verricht

graad II

intracraniële

bloeding

geen gegevens

esotropie

nystagmus latens

astigmatisme

6 M 9 encephalopathie porencephale cyste

linker hemisfeer

idem MRI niet verricht afwijkend nystagmus

opticopathie

exotropie

7 V 7 cerebrale parese niet verricht niet verricht cyste plexus

chorioideus

niet verricht

acc.

esotropie

met DVD

hypermetropie

8 V 12 encephalopathie

epilepsie

geen gegevens

bilat.atrofie

visuele cortex

en lobus occipitalis

geen gegevens geen gegevens opticusatrofie

sec.exotropie

met DVD

nystagmus latens

hypermetropie

met astigmatisme

9 V 8 geen

bijzonderheden

niet verricht niet verricht niet verricht niet verricht hoge myopie

VEP/ ERG

normaal

10 V 11 epilepsie geen gegevens geen gegevens geen gegevens afwijkend exotropie

*: zoals verstrekt door derden (kinderarts/neuroloog/revalidatiearts/oogarts)

Visueel-perceptuele bevindingen (tabel 3): het

herkennen van figuren op basis van onvolledige

informatie (gestalt closure) bleek bij zes

van de acht kinderen lastig te zijn. Figuurachtergrondwaarneming

was zwak op tenmin-

ste een van de drie taken voor zeven van de

negen kinderen. Het terugzoeken van onderdelen

op een overzichtsplaat (detailwaarneming)

bleek voor zes van de negen kinderen

problemen op te leveren. De visuele attentietest

5


Tabel 2.

Oogheelkundig en visueel functieonderzoek

KIND

VISUS BIN.

REFRACTIE * OS OF OD >+3 OF


Tabel 3.

Neuropsychologisch functioneren

VENTRAL STREAM

DORSAL STREAM

KIND

OBJECT

RECOGNITIE

WAARNEMING

GESTALT

CLOSURE

DETAIL

WAARNEMING

VISUEEL

GEHEUGEN

VORM-

VISUO-

MOTORISCHE

FUNCTIES

VISUOSPATIËLE

WAARNEMING

WAARNEMING

VAN RICHTING

FIGUUR

ACHTERGROND

1 - - + + + - -

2 - - + + + + + + +

3 + - - - - - +

4 + + + + + + - +

5 + + + + + + + - +

6 + + + + + + + + +

7 + - - - + + + -

8 + + + + + + + +

9 + + - - + + - +

10 - +

+ afwijkend, - normaal

Tabel 4.

Bewegingsonderzoek

PATROON

COÖRDINATIE

ARMEN

COÖRDINATIE

BENEN

VARIATIE

ARMEN

VARIATIE

BENEN

SPIERKRACHT

CONTROLE

KIND MOTOMETRIE LOOP-

BEWEGINGS-

BEWEGINGS-

HOUDINGS-

VOORKEURS-

HOUDING

ROMP

1 Licht

vertraagd

+ + + - - + -

2 Ernstig

vertraagd

+ + ++ - - + + +

3 Licht

vertraagd

- + + - - + + -

4 Ernstig

vertraagd

+ + + + + - -

5 Licht

vertraagd

- + - - - + - -

6 Pathologisch + ++ + + + - +

7 Pathologisch + + ++ - + + -

8 Pathologisch + + + + + + + +

9 Normaal - + + - - + + +

10

+ matig, ++ zwak, - normaal

7


Tabel 5. Algemeen functioneren

PSYCHOLOOG ORTHOPTIST FYSIOTHERAPEUT

KIND

NON VERBALE IQ-SCORE

(KAUFMAN SCORE)

BEPERKING ALGEMEEN

GEDRAG (CONCENTRATIE

AANDACHT ETC)

BEPERKING

BASISVAARDIGHEDEN

MAX. 11

CVI VERSCHIJNSELEN

MAX.10

VISUELE ATTENTIE

OOGCONTACT

OPMERKEN OBSTAKELS

AFSTAND SCHATTEN

HOOGTEVERSCHIL SCHATTEN

MOTORISCHE PLANNING

UITVOEREN VERBALE

OPDRACHT

1 58 Ja 6 5 + - + + ++ + -

2 54 Ja 6 3 + + + - - ++ +

3 80-90 Ja 3 5 - - - - - - +

4


Multidisciplinaire conclusie: uiteindelijk was bij

acht van de tien kinderen inderdaad sprake van

gecombineerde visuele stoornissen. Zeven kinderen

hadden stoornissen op drie visuele functiegebieden

en een kind op alle vier de visuele

functiegebieden. Van de twee kinderen zonder

gecombineerde stoornissen werd bij een kind

(kind 10) de diagnostiek na de eerste onderzoeksdag

afgebroken omdat duidelijk bleek dat

de beperkingen in het visueel functioneren niet

verklaard konden worden vanuit de visuele

functies. Wel vertoonde zij afwijkend kijkgedrag

dat zou kunnen passen bij een autisme

spectrum stoornis. Deze diagnose was overigens

nog niet eerder gesteld, anders was zij niet

toegelaten voor onderzoek, daar autisme een

exclusiecriterium is. Er werd geadviseerd elders

vervolgonderzoek hiernaar te laten verrichten.

Het tweede kind dat uiteindelijk niet tot de

doelgroep behoorde (kind 9) had reeds een

regulier diagnostisch onderzoek ondergaan.

Vanaf haar vijfde jaar ontstonden er allerlei

ontwikkelingsproblemen. Naast verminderde

visus, die overigens door het dragen van de

juiste bril inmiddels verbeterd was, bestond er

een vermoeden dat er stoornissen in de visuele

perceptie waren. Dit vermoeden werd met uitgebreid

onderzoek niet bevestigd, maar er kon

aangetoond worden dat de beperkingen welke

dit meisje ondervond het gevolg waren van

haar zwakke cognitieve mogelijkheden.

Bij S. bleek de discrepantie tussen visus en het

visueel- en schools functioneren verklaard te

kunnen worden vanuit de stoornissen in de

verschillende visuele functiegebieden. Er was

niet alleen sprake van een verminderde visus

maar ook van een beperkt gezichtsveld, hinder

van crowding, visueel-perceptuele stoornissen

en vertraagde verwerking van visuele informatie.

Het voorzichtige, onzekere gedrag werd

mede hierdoor bepaald. In het bewegen

speelde daarnaast een zwak evenwicht een rol.

S. had ook nog geen systematische kijkstrategie

ontwikkeld.

Voor alle kinderen bleken de onderzoekers in

staat algemene handelingsadviezen te geven,

alsmede meer specifieke adviezen vanuit de

deelonderzoeken. De meer concrete adviezen

waren op het terrein van omgevingsaanpassingen,

visuele vaardigheidstraining, visueel afhankelijke

taaktraining en het gebruik van compensatiestrategieën.

Bij S. bleek kinderfysiotherapeutische

behandeling wenselijk. In oriëntatie

en mobiliteit kon gebruik gemaakt worden van

haar goede kleurwaarneming met aandacht

voor het aanleren van een systematische kijkstrategie.

Materiaal moest recht voor haar aangeboden

worden, waarbij gebruik gemaakt

werd van een opzettafel. Daarnaast diende het

materiaal eenvoudig, overzichtelijk en duidelijk

gestructureerd aangeboden te worden. Verder

werd geadviseerd de kijktijd te verlengen en

vragen en opdrachten herhaald aan te bieden.

Vervolgens werden de gegeven adviezen naast

het handelingsplan van de school gelegd om

aan de hand hiervan een taakanalyse te kunnen

maken van de benodigde visuele vaardigheden.

Evaluatie van de uitvoering van de gegeven

adviezen alsmede van het effect hiervan op het

visueel functioneren moet nog plaatsvinden.

DISCUSSIE

Beide doelstellingen van het project zijn voor

een groot deel gerealiseerd. Het is mogelijk

gebleken om met name op functieniveau het

visueel functioneren vast te leggen. Het in kaart

brengen van het visueel functioneren op niveau

van activiteiten en participatie blijkt moeilijker.

Ondermeer de hiervoor samengestelde vragenlijst

behoeft nadere toetsing. De afname van

het volledige, gestandaardiseerde onderzoeksprotocol

kostte veel tijd. Na het pilotonderzoek

is gekeken welke onderdelen van het onderzoeksprotocol

de noodzakelijke en meest relevante

informatie geven. Vanuit onze klinische

ervaringen met deze tien kinderen en de analyse

van de data is een gefaseerd protocol

gemaakt. In de eerste fase wordt op alle onderdelen

beperkt onderzoek verricht. Zo nodig

vindt meer verfijnde vervolgdiagnostiek plaats.

Om de geschiktheid van het diagnostisch protocol

verder te verstevigen is het nodig gege-

10


vens in een database te blijven verzamelen. De

doelgroep is duidelijk: het gaat om kinderen die

vaak niet slechtziend zijn volgens de geldende

criteria van visus en gezichtsveld, maar die in

het dagelijks leven wel duidelijk visuele beperkingen

ondervinden en die daarnaast een

belaste voorgeschiedenis hebben voor het ontwikkelen

van visuele stoornissen, niet alleen

visueel sensorisch, maar ook visueel perceptueel,

visuomotorisch en oculomotorisch. Bij hen

hebben we in het onderzoek naar de visuele

functies en het visueel gedrag mogelijke verklaringen

kunnen vinden voor de visuele beperkingen

waarmee ze werden aangemeld. De

gevonden stoornissen blijken op zich niet altijd

even ernstig te zijn, maar omdat de kinderen op

meerdere functiegebieden stoornissen hebben,

treedt mogelijk een cumulatief of versterkend

effect op, hetgeen leidt tot de beperkingen in

het visueel functioneren. Alle kinderen ondervonden

beperkingen in het visueel functioneren

op meerdere van de geïnventariseerde

gebieden, een kind zelfs op alle gebieden.

De in- en exclusiecriteria bleken niet helemaal

te voldoen. Immers vijf van de tien kinderen uit

het pilotonderzoek bleken niet in aanmerking

te komen voor onderzoek, terwijl de ernst van

hun problemen wel aanleiding was voor een

duidelijke hulpvraag. De visus-bovengrens van

0,6 is discutabel. Wanneer een kind met een

hogere visus wordt aangemeld met een duidelijke

vraagstelling, opvallende visuele beperkingen

en een risicovolle anamnese voor het

ontwikkelen van visuele stoornissen, kan toch

besloten worden tot onderzoek, zeker als er

geen informatie over het gezichtsveld bekend is

en de visus niet met Snellen optotypen bepaald

is. Het gezichtsveld is niet expliciet als inclusiecriterium

opgenomen. Niet omdat dit minder

belangrijk is, maar omdat vanuit de voorgegevens

hierover vaak niets bekend is. De visusondergrens

kan gehandhaafd worden. Wanneer

de visus lager is dan 0,1 is de invloed van de

slechtziendheid op het functioneren dermate

groot dat het moeilijk wordt te differentiëren

tussen de verschillende visuele functiestoornissen.

Binnen de projectgroep is discussie gevoerd of

de aanwezigheid van beeldvormend onderzoek

(CT, MRI, echo van de hersenen) als inclusiecriterium

meegenomen moet worden. We concludeerden

dat we dit nastreven, maar dat het niet

beschikken over deze gegevens geen aanleiding

vormt een kind uit te sluiten van onderzoek.

Gegevens uit de MRI of CT-scan kunnen

geconstateerde visuele stoornissen bevestigen,

maar zijn niet strikt nodig om handelingsgerichte

adviezen te geven. In die zin hebben de

resultaten van de multidisciplinaire diagnostiek

een grotere praktische relevantie.

Er blijkt behoefte te bestaan aan de expertise met

betrekking tot diagnostiek bij kinderen met complexe

visuele problemen. Het kostte geen enkele

moeite om uit de reguliere aanmeldingen tien

kinderen te selecteren voor het pilotproject. De

kinderen werden vooral door revalidatie-instellingen

aangemeld en in mindere mate door oogartsen

en orthoptisten, hoewel de meeste kinderen

daar wel reeds bekend waren. Dit wordt

mogelijk veroorzaakt door het feit dat oogartsen

en orthoptisten zich bij het verwijzen vooral

laten leiden door de visus- en gezichtsveldcriteria

van de WHO. De Richtlijn Verwijzing van

slechtzienden en blinden van het Nederlands

Oogheelkundig Gezelschap (NOG 2004) biedt

overigens al meer ruimte om te verwijzen bij

hulpvragen die regulier niet beantwoord kunnen

worden. Wellicht kan de gestructureerde klinische

vragenlijst van Houliston, Dutton e.a.

(1999) helpen bij het in kaart brengen van de

visuele beperkingen in het dagelijks leven, zodat

gerichte doorverwijzing in voorkomende gevallen

mogelijk is. Omdat veel kinderen uit de doelgroep

reeds onder orthoptische behandeling zijn

vanwege scheelzien heeft met name de orthoptist

een belangrijke rol bij het onderkennen van

beperkingen in het visueel functioneren en het

verwijzen voor verder onderzoek. Het onderzoeksprotocol

kan opgenomen worden in het

zorgaanbod van Sensis: er is vraag naar en het

heeft onzes inziens een meerwaarde.

De vraag is echter of dit onderzoek regulier, dat

wil zeggen via de AWBZ, gefinancierd kan worden.

Immers vooraf is bekend dat het kind niet

11


voldoet aan de huidige indicatiecriteria van

visus en gezichtsveld. Wel is vooraf bekend dat

er visuele beperkingen zijn en dat sprake is van

een belaste anamnese voor het ontwikkelen

van visuele stoornissen op meerdere gebieden.

Dit rechtvaardigt een multidisciplinair onderzoek

naar de visuele functies.

Samenvattend, met de gebruikte testbatterij

zijn we beter in staat de visuele stoornissen op

de verschillende gebieden te objectiveren en te

differentiëren. Het objectiveren van de beperkingen

in het visueel functioneren is met name

in de intakefase moeilijk en behoeft verdere

uitwerking. De specifieke onderzoeksbevindingen

maken het mogelijk om gerichte adviezen

te geven voor begeleiding/behandeling, zij het

nog niet optimaal. Een vervolgproject gericht

op begeleiding/behandeling bij kinderen met

gecombineerde visuele stoornissen is daarom

nodig. De doelgroep kinderen met complexe

visuele problemen bestaat voor een groot deel

uit kinderen die niet vallen binnen de WHOcriteria

voor slechtziendheid. Instellingen voor

visueel gehandicapten lijken als eerste aangewezen

om deze kinderen te helpen omdat zij

de benodigde expertise in huis hebben. Hiervoor

is het wel noodzakelijk dat de huidige

indicatiecriteria voor diagnostiek en begeleiding

door deze instellingen voor blinden en

slechtzienden worden aangepast. De indicatiecriteria

moeten zich niet beperken tot criteria

voor de visus en het gezichtsveld (visueel sensorische

stoornissen). De (medische) diagnose,

(vermoeden van) stoornissen in de andere

visuele functiegebieden en de informatie over

het visueel functioneren en de beperkingen die

een kind daarin ondervindt zijn eveneens van

belang bij de indicatiestelling. De ICF biedt

hiervoor een goed kader.

LITERATUUR

ATKINSON J. -The developing visual brain.

New York: Oxford University Press, 2000

DUTTON G.N., JACOBSON L.K. -Cerebral

visual impairment in children. Semin. Neonatol.

dec. 2001, 6 (6): 477-485

DUTTON G.N, BALLANTYNE J., BOYD G.,

BRADNAM M., DAY R., MC. CULLOCH

D., MACKIE R., PHILLIPS S., SAUNDERS

K. -Cortical visual dysfunction in children:

a clinical study. Eye, 1996: 10 :302-309

DUTTON G.N., DAY R.E., MC. CULLOCH

D.L. -Who is a visually impaired child A

model is needed to address this question

for children with cerebral visual impairment.

Dev. Med. Child. Neurol.1999;

41(3):212-3

EKEN P., DE VRIES L.S.,VAN DER GRAAF Y.,

MEINERS L.C.,VAN NIEUWENHUIZEN

O. -Haemorrhagic-ischaemic lesion of the

neonatal brain: correlation between cerebral

visual impairment, neurodevelopmental

outcome and MRI infancy. Dev. Med.

Child. Neurol. 1995; 37(1):41-55

EKEN P., DE VRIES L.S.,VAN NIEUWENHUI-

ZEN O., SCHALIJ-DELFOS N.E., REITS

D., SPEKREIJSE H. -Early predictors of

cerebral visual impairment in infants with

cystic leukomalacia. Neuropediatrics 1996;

27(1):16-25

EKEN P.,VAN NIEUWENHUIZEN O.,VAN

DER GRAAF Y., SCHALIJ-DELFOS N.E.,

DE VRIES L.S. -Relation between neonatal

cranial ultrasound abnormalities and cerebral

visual impairment in infancy. Dev.

Med. Child. Neurol.1994; 36(1):3-15

GUZZETTA A., MERCURI E., CIONI G. -

Visual disorders in children with brain

lesions, 2 Visual impairment associated

with cerebral palsy. Europ. J. Paediatr. Neurol.

2001; 5(3):115-9 Review

13


HOULISTON M.J., TAGURI A.H., DUTTON

G.N., HAJIVASSILIOU C.,YOUNG D.G. -

Evidence of cognitive visual problems in

children with hydrocephalus: a structured

clinical history-taking strategy, Dev. Med.

& Child Neur., 1999, 41: 297-306

ICD-10 -International Classification of Diseases

and Related Health Problems. Geneva:

World Health Organization, 1992

ICIDH -International Classification of Impairments,

Disabilities, and Handicaps.

Geneve: World Health Organization, 1993

ICF -International Classification of Functioning,

Disability, and Health. Geneva: World

health Organization, 2001

JACOBSON L.K., DUTTON G.N. -Periventricular

leukomalacia: an important cause of

visual and ocular motility dysfunction in

children. Surv. Ophthalmol. 2000; 45(1):1-

13

JACOBSON L.K., LUNDIN S., FLODMARK

O., ELLSTROM K.G. -Periventricular leukomaliacia

causes visual impairment in preterm

children. A study on the aetiologies of

visual impairment in a population-based

group of preterm children born 1989-95 in

the county of Varmland, Sweden. Acta

Ophthalmol. Scand. 1998;76(5):593-8

JAN J.E., LYONS C.J., HEAVEN R.K., MAT-

SUBA C. -Visual impairment due to a dyskinetic

eye movement disorder in children

with dyskinetic cerebral palsy. Dev. Med.

Child. Neurol. 2001; 43(2): 108-12

LANCI G., FAZZI E., UGGETTI C., CAVAL-

LINI A., DANOVA S., EGITTO M.G.,

GINEVRA O.F., SALATI R., BIANCHI P.E. -

Cerebral visual impairment in periventricular

leukomalacia. Neuropediatrics

1998;29(3):145-50

NOG -Richtlijn Verwijzing van slechtzienden

en blinden. 2004

PORRO G.L. -Vision and visual behavior in

responsive and unresponsive neurologically

impaired children. Proefschrift Universiteit

Utrecht, 1998

SENSIS -Projectverslag. Diagnostiek en advisering

bij kinderen met complexe visuele

problemen. De ontwikkeling van een diagnostisch

protocol. 2004

STIERS P.,VAN DEN HOUT B.M., HAERS M.,

VERDERKELEN R., DE VRIES L.S.,VAN

NIEUWENHUIZEN O.,VANDENBUS-

SCHE E. -The variety of visual perceptual

impairments in pre-school children with

perinatal brain damage. Brain Dev. 2001;

23(5):333-48

VAN DEN HOUT M. -From cerebral visual to

visual perceptual impairment : a prospective

study of visual perceptual impairment in

children at age 5 year with haemorrhagic or

ischaemic lesions of the neonatal brain.

Proefschrift Universiteit Utrecht, 2002.

14


OCULAIRE VASCULAIRE LAESIES 1

R.J.W. de Keizer

hoogleraar oogheelkunde LUMC te Leiden

Voordracht gehouden tijdens de Boerhaavecursus Kinderoogheelkunde II op 28 januari 2005 te Leiden

INLEIDING

De vasculaire laesies in en rond het visuele

systeem kunnen bestaan uit een enkelvoudige

of complexe groep afwijkingen. Men onderscheidt:

- gelokaliseerde vormen van het ooglid, zoals

capillair haemangioom, al of niet doorlopend

in de oogkas

- oculaire cerebrale vormen, zoals de phacomatosen

of oculaire neurocutane laesies

- arterio- en/of veneuze abnormale verbindingen

- multipele vasculaire afwijkingen die in vele

organen kunnen voorkomen met onder

andere uitingen in en rond het oog.

GELOKALISEERDE VORM

HET CAPILLAIRE HAEMANGIOOM

Deze vasculaire afwijking is de meest frequente

tumor op kinderleeftijd. 2.6% tot 10% van de

kinderen jonger dan één jaar heeft een zichtbaar

haemangioom, eenderde al bij de geboorte,

tweederde binnen enkele weken [Haik

et al. 1994].

We onderscheiden vier typen:

1. het gemakkelijk te herkennen oppervlakkige

type, die bij druk bleker wordt, een aardbeipatroon

heeft en vervormbaar is

2. het diepe type. Meestal is aanvullende beeldvorming

nodig om bijvoorbeeld een neuroen

rhabdomyosarcoom te differentiëren

3. we onderscheiden ook een combinatie van

beide typen meer subcutaan gelegen

4. systemisch, volgens sommige studies

komen bij een kwart van de patiënten ook

haemangiomen elders op het lichaam voor.

Extra alert dient men te zijn op de intestinale

lokalisaties met bloedverlies en thrombopenie,

ook wel het syndroom van Kasalbach Merrit

genoemd. Bij deze multipele haemangiomen is

onderzoek door de kinderarts altijd van belang.

De blauwe waas is bij het haemangioom vaak

wel te herkennen en het haemangioom is

meestal wel indrukbaar. Soms is de diagnose

gemakkelijker door het ooglid om te klappen

zodat het haemangioom zichtbaar wordt onder

de conjunctiva/fornix.

Combinaties van de verschillende typen komen

ook voor, zoals de combinatie ooglid/orbita. De

grootste problemen geven de ptosis en het

volume van de tumor omdat beiden astigmatisme

en amblyopie kunnen induceren (41-60%

amblyopie en 36% strabismus) [Foster et al 2002].

De behandeling is gericht op het voorkomen

van amblyopie door middel van intensieve

orthoptische begeleiding. In het eerste jaar

neemt het haemangioom in volume toe, na de

negende tot twaalfde maand involueert het

geleidelijk tot het vijfde tot zevende jaar. Indien

nodig kan hierna een cosmetische behandeling

bij de rest van het haemangioom plaatsvinden.

Frequent kinderophthalmologisch en orthoptisch

onderzoek met amblyopiebehandeling

zijn nodig. Als het ooglid progressief gesloten

1.

) Onder redactie van R.J.W. de Keizer, M. Swart-v.d. Berg en N.E. Schalij-Delfos. Met toestemming overgenomen

met enige aanvullingen uit ISBN 90-6767-566-0

15


aakt ontstaat er gevaar op deprivatie amblyopie.

Wanneer het astigmatisme toeneemt is

agressievere behandeling noodzakelijk met

intralesionaal steroïden, eventueel oraal toegediend

(tabel 1) en met als medebehandelaar de

kinderendocrinoloog [Kunstner 1982].

Tabel 1.

Differentiaaldiagnose haemangiomen bij

jonge kinderen

- Capillair haemangioom

- Caverneus haemangioom

- Arterioveneuze malformatie

- Dermoid

- Neurofibroom

- Heamangiopericytoom

- Histiocytose X

- Rhabdomyosarcoma

- Dacryocystocele

- Encephalocele

Indien er alsnog problemen ontstaan, of bij

ernstige multiple haemangioomvormen en

thrombopenie, is interferonbehandeling geïndiceerd.

Wanneer duidelijk aan- en afvoerende

vaten worden waargenomen is zelfs embolisatie

te overwegen [de Keizer 1987].

LASER-technieken zijn in opkomst maar deze

zijn uitsluitend voor de oppervlakkige capillaire

typen. Chirurgie is moeilijk vanwege de kans

op veel bloedverlies. De scheidingsvlakken zijn

chirurgisch nauwelijks of niet te onderscheiden

en er is een grote kans op littekenvorming.

Deze behandeling voor de cosmetiek vindt

daarom pas plaats rond het negende jaar.

HET LYMPHANGIOOM OF HAEM-LYMPHANGIOOM

In de literatuur bestaat veel discussie over wat het

lymphangioom of haem-lymphangioom nu

eigenlijk voor een afwijking is, maar de laesie

gaat in ieder geval uit van pluri-potente embryonale

endotheelcellen (controverse Wright: haemangioma

versus Jakobiec: lymphangioma) [de

Keizer 1985]. Vaak is het een combinatie van

haem- en lymphangioom en er kunnen enkele

jaren zelfs variceuze aspecten ontstaan. De Amerikaanse

Orbital Society deelt deze laesie daarom

in in de ‘no flow’malformaties = type 1.

Men onderscheidt drie typen:

- oppervlakkig,

- diep

- een combinatie.

De eerste symptomen ontstaan pas op de kinderleeftijd,

maar we zagen toch al enkele kinderen

rond het eerste jaar (in ongeveer eenderde

van de gevallen). Het beloop van deze

vasculaire laesies per individuele patiënt is niet

goed te voorspellen maar er zijn wel enige klinische

overeenkomsten. De laesie kan er bleek

uitzien of rood/blauw doorschemeren. Een laesie

in de orbita kan plots bloeden (door neo’s

volgens Rootman) met visusdaling en proptosis

als gevolg, of kan toenemen door een respiratoire

infectie of door toename van de cysteinhoud

zonder een echte celproliferatie. De

histopathologie is beter te begrijpen als de laesies

beschouwd worden als een spectrum van

vasculaire hamartomen met dezelfde fundamentele

componenten en relatieve hemodynamische

isolatie [Rootman 2003].

De afwijking is in principe niet te behandelen

maar de gevolgen moeten zoveel mogelijk worden

weggenomen: dat wil zeggen dreigende

blindheid voorkomen door volumevermindering

en bij gemakkelijke toegankelijkheid door

middel van cyste-extirpatie-debulking. Deze

ingreep geeft echter dezelfde chirurgische problemen

als bij het capillaire haemangioom.

Ook is er kans op sterke toename van het postoperatieve

oedeem. CO 2-laser zou een mogelijkheid

zijn met minder problemen. Steroïden

hebben geen effect. Wij hebben een aantal

malen met succes bij een intraorbitale bloeding

in de cyste, met massa, in plaats van uitwendig

debulking, onder CT/ECHO na MRI-analyse,

intralesionale puncties uitgevoerd om de cyste

te ontlasten. Soms krijgen we te maken met

een zeer uitgebreide complexe laesie die intralesionale

shunts bevat of een vasculaire

veneuze intracerebrale uitbreiding heeft, met

daardoor diagnostische moeilijkheden.

16


CEREBRO-VASCULAIRE

MALFORMATIES

Lasjaunias [Luo et al. 2003] heeft betreffende

het ontstaan van de vasculaire malformaties,

geprobeerd nieuwe theorieën op te stellen. Hij

beschouwt deze afwijkingen als aangeboren op

basis van een stoornis in de embryonale ontwikkeling

van de vasculaire morphogenesis.

Ofschoon ze reeds bij de geboorte aanwezig

zijn kunnen vasculaire malformaties pas op

latere leeftijd symptomen gaan geven. In principe

groeien en evolueren ze niet, maar ze kunnen

groter worden onder invloed van haemodynamische

veranderingen of specifieke

triggers. Er is dus geen cellulaire proliferatie

zoals bij haemangiomen. Het betreft een breed

scala aan angiografische afwijkingen, gebaseerd

op de onderliggende vaatafwijking (arterieel,

capillair, capillair-veneus, veneus, lymphatic,

veno-lymphatisch gelaat, orbita en cerebrale

malformaties). Gedurende de vasculaire embryogenesis

ontstaat uit de neurale lijstcellen de

tunica media van deze vaten en groeit uit in de

verschillende kieuwbogenregio’s. De mesodermale

endotheelcellen groeien op dezelfde manier

uit. Indien hierin stoornissen optreden noemt

Lasjaunias deze metameric transversale uitgroei

het cerebrofaciale arterioveneuze metameric syndroom

(CMVS).Volgens deze theorie ontstaan er

dan de afwijkingen in kiewboogregio’s CMVS I, II

en III.

HET STURGE WEBER SYNDROOM

(ENCEPHALOFACIALE ANGIOMATOSIS SYNDROOM)

Deze afwijking is meestal gemakkelijk te herkennen

aan de paarsrode vlek van het caverneuze

haemangioom bijvoorbeeld van het gelaat met

subcutaan lymphmalformatie “van de eerste tak

van de trigeminus in het gelaat”, volgens Luo

echter nu behorend tot de CMVS groep II. Soms

is het haemangioom uitsluitend dieper in de huid

gelegen waardoor het een andere kleur krijgt en

moeilijker te herkennen is. Wanneer beide gelaatshelften

zijn aangedaan is de differentiële

diagnose nog moeilijker.

Het definitief vaststellen van deze diagnose is

van groot belang omdat cerebrale leptomeningeale

angiomatosis (occlusie van de venulen en

veneuze malformatie met secundaire cerebrale

atrofie) vaak voorkomt met verkalkingen, epilepsie

en mentale retardatie. Bijzondere complicaties

zijn het op latere leeftijd ontstaan van

een arterio-veneuze shunt in het haemangioom

en een aandoening waarbij de gehele

lichaamshelft is aangedaan met hypertrofie van

de botten (het syndroom van Klippel-Trenauney).

De lokalisatie van het haemangioom is ook van

belang. Wanneer deze gelokaliseerd is op het

voorhoofd zijn er occipitale afwijkingen te verwachten,

bij wangafwijkingen meer pariëtale

problemen. Een wijnvlek op het gelaat betekent

niet altijd dat de patiënt een Sturge Weber syndroom

heeft.

Glaucoom is frequent (30-50%) en wordt veroorzaakt

door een aangeboren kamerhoekafwijking

met tegelijk een verhoogde episclerale

veneuze druk. Men ziet dan op de oogbol

de typische vaatveranderingen [de Keizer 1981

en 1985]. Haemangiomen van de chorioidea

zijn oranje van kleur en moeilijk te onderscheiden

maar zouden volgens de literatuur frequent

voorkomen.

ANGIOMATOSIS RETINAE ET CONJUNCTIVAE VAN

FRANCOIS NEETENS [NEETENS 1980]

Hierbij worden gedilateerde retinavaten gevonden

die getordeerd en in een regio gelokaliseerd

zijn, met daarnaast conjunctivale angiomatosis

en bilaterale angiomatosis van de huid

maar niet in het trigeminusgebied (nervus V1).

HAEMANGIOBLASTOMA, ZIEKTE VAN HIPPEL LINDAU

Het syndroom is genoemd naar de Duitse oogarts

Von Hippel [Hess 2000]. De prevalentie is

in de orde van 1: 60.000. In families met deze

angiomatosis dient na het tiende jaar elk half

jaar gezocht te worden naar retinale hemangioblastomen.

Deze beginnen klein en rond met

sterk gedilateerde aan- en afvoerende arteriën.

17


Indien aanwezig moeten ze meteen gelaserd

worden aangezien een netvliesloslating kan

optreden als gevolg van groei en uitzweten van

excudaten, netvliesschade en loslating kan ontstaan

met blindheid als gevolg. Bij lokalisatie

op de papil kan fotodynamische behandeling

worden overwogen.

Essentieel is het uitsluiten van cerebellaire haemangioblastomen,

nier- en pancreascystentumoren

en het pheochromocytoom, maar deze

komen in een latere levensfase tot uiting

(meestal rond het 28-36e jaar). Genetische

screening en vroegtijdige opsporing met frequent

klinisch onderzoek zijn van groot belang.

Het gendefect ligt op de korte arm van chromosoom

3. Men heeft meer dan 32 kiembaanmutaties

in het VHL gen aangetoond. DNAonderzoek

uit witte bloedcellen is mogelijk en

vrijwel 100% betrouwbaar. Voor DNA-onderzoek

komen zowel haemangioblastoom patiënten

met en zonder positieve familiegeschiedenis

in aanmerking [Hess 2000].

(ARTERIO)VENEUZE MALFORMATIES [DE KEIZER

1981, 1985, 1987, 2003, ROOTMAN 2003]

Deze malformaties zijn niet zo frequent maar

zijn vooral van belang bij de differentiële diagnose

van de andere haemangiomen.

Qua veneuze malformaties onderscheiden we

tegenwoordig het door Rootman ingevoerde

schema geënt op de haemodynamiek, namelijk:

- niet dilaterend (minimale verbindingen met

het veneuze systeem)

- wel dilaterende vaatafwijkingen.

Deze veneuze malformaties zijn congenitale

laesies met vlakke endotheelcellen, ze groeien

niet (in vitro) en zijn omgeven door dysplastische

cellen. Onder de dilaterende vormen vallen

de laesies die onder invloed van de Valsalva

manoeuvre (bijvoorbeeld persen op de hand)

toenemen in omvang, oftewel een varix met

duidelijke verbindingen naar het veneuze

systeem (mogelijk omdat venen in het hoofdhals

gebied geen kleppen hebben). In de

meeste gevallen is dit hinderlijk maar niet

gevaarlijk. Het is moeilijk te opereren en eigenlijk

niet weg te nemen. Lasertechnieken zijn in

ontwikkeling. Soms zijn sclerosetechnieken

mogelijk mits er geen essentiële veneuze afvoer

bestaat.

De arterioveneuze malformaties kunnen zeer

gelokaliseerd in het ooglid en de orbita voorkomen

maar kunnen soms ook het hele vaatstelsel

hierin betrekken (cerebraal, wang, maxillaris

interna gebied, neus etcetera).

SPECIFIEKE SYNDROMEN

HET WYBURN- MASON SYNDROOM OF BONNET-

DECHAUME-BLANC

De retinale, gelaats- en cerebrale arterioveneuze

malformaties zijn eenzijdig gelokaliseerd

op het gelaat en volgen de “visual pathway”

[Luo 2003, de Keizer 1981 en 1987].

Deze multipele vasculaire afwijking is vooral

van belang omdat de (arterio)veneuze malformatie

(AVM) van het gelaat in omvang kan toenemen

oftewel groeien. De AVM van de retina

neemt daarentegen over het algemeen niet toe

maar kan op latere leeftijd soms een secundaire

verandering van de macula lutea laten ontstaan.

De diagnose is van essentieel belang

omdat de intracerebrale AVM kan gaan bloeden,

met alle gevolgen van dien. Bij verdenking

op deze angiomatosis is een MRI en angiografie

geïndiceerd.

NIET-SPECIFIEKE COMBINATIES

Hoewel de symptomen bij deze orbita-periorbitale

AVM’s in het algemeen pas optreden in

het tweede of derde levensdecade kunnen ze

op kinderleeftijd al voor problemen zorgen met

bijvoorbeeld ernstige bloedingen na kleine

ingrepen aan het neusslijmvlies, gingivae en

oogleden [Theron 1974]. Een cerebrale AVM

kan zich presenteren door middel van

gestuwde venen op het voorhoofd, exophthal-

18


mus, papiloedeem door intracraniële drukverhoging,

neurologische verschijnselen zoals epilepsie

en intracraniële of subarachnoidale bloedingen.

Essentieel hierbij is dat gedilateerde

venen op het gelaat ook een andere betekenis

kunnen hebben, namelijk de afvoer van het

normale cerebrale veneuze bloed door afsluiting

van een vena jugularis of aanvoerende

vaten.

Een andere mogelijkheid is dat intracerebrale

arterioveneuze malformaties hun arterioveneuze

bloed via de sinus cavernosus en orbita

afvoeren [de Keizer 1981, 1987 en 2003]. Deze

AVM’s kunnen groeien en nemen dan omgevende

weefsels en vaten in de tumor op (eerst

functioneel, later anatomisch) [French 1977].

Embolisatie is nodig.

Een in de orbita gelokaliseerde AVM kan, door

shunting van het caverneuze arteriële bloed,

‘steal’mechanisme en visusvermindering door

ischaemie of hypoxie opleveren.

VERWORVEN VASCULAIRE LAESIES

CAROTICO-CAVERNEUZE FISTEL

[DE KEIZER 1981, 2003]

Bij kinderen kan soms ook een carotico-caverneuze

fistel, meestal van de directe soort, voorkomen

door bijvoorbeeld een schedeltrauma.

Pulserende exophthalmus, geruis in het hoofd

en in een later stadium gedilateerde vaatlussen

staan in de symptomatologie op de voorgrond.

De nervus abducens is het meest aangedaan

omdat deze vrij door de sinus cavernosus loopt

en gevoelig is voor ischaemie en toegenomen

druk [de Keizer 1981]. Intracranieel Doppler

onderzoek en Doppler-onderzoek van de carotis-

en orbitavaten kunnen van dienst zijn bij de

diagnose. Embolisatie met ballon of coils zijn

meestal reeds in een vroege fase aangewezen

methoden om visusdaling, secundair glaucoom,

cardiale insufficiëntie en intracraniële

veneuze hypertensie te voorkomen [de Keizer

2003, Luo et al. 2003].

ANDERE SOORTEN CONGENITALE

VASCULAIRE AFWIJKINGEN

HET SYNDROOM VAN RENDU-OSLER-WEBER

Dit syndroom betreft heriditaire hemorragische

teleangiëctasiën (teleangiëctasie is primair een

veneuze laesie). Deze zijn het gevolg van het

embryonaal falen van remodelerend bindingseiwit

(endoglin) [Luo et al. 2003].

Het is een dominant erfelijke aandoening met

multipele aneursysmata (mond, conjunctiva)

met spider naevi welke in de tweede en derde

levensdecade aanwezig zijn. Tevens bestaat er

een polycytaemie en zijn er intracerebrale arterio-venueze

shunts. Sporadisch wordt een

veneuze varixachtige afwijking in de retina,

opticus of orbita gesignaleerd.

TELEANGIËCTASIËEN VOLGENS LOUIS BARR

Dit is een zeldzame familiaire afwijking waarbij

de typische uitgezette capillairen van de conjunctiva

en huid op de voorgrond staan. Er

worden geen orbita-afwijkingen gemeld maar

wel progressief verlopende neurologische

stoornissen op basis van cerebellaire pathologie

en stoornissen in het immuunsysteem met een

verhoogde kans op infecties en lymphomen.

Stoornissen van de oogmotiliteit uiten zich

vooral als oculaire motore apraxie [de Keizer

1987].

LITERATUUR

FOSTER J.A., KATOWITZ J.A. -Benign Pediatric

Eyelid tumors. In: Katowitz JA (ed)

Pedriatric oculoplastic surgery. New York,

Springer, 2002, Chap. 13: pp 217-244

FRENCH L.A. -Surgical treatment of arteriovenous

malformations. Clin. Neurosurg.

1977;24:22-33

HAIK B.G., KARCIOGLU Z.A., GORDON

R.A., PECHOUS B.P. -Capillary Hemangi-

19


oma (Infantile periocular Hemangioma).

Surv. Ophthalmol. 1994;38:399-426

HESS F.J. -Von Hippel-Lindau disease: clinical

and genetic investigation in the Netherlands.

Thesis 2000

DE KEIZER R.J.W. -Spontane Carotico-caveneuze

fistels, met Glaucoom en Doppler

HTG analyses bij vasculaire laesies. Thesis

1981. Schipper drukwerk Zaandijk

DE KEIZER R.J.W. -Vascular disorders in the

orbit and in the orbital region. In: Oosterhuis

J.A. (ed) Ophthalmic tumours. Dordrecht,

Junk, 1985: pp 247-270

DE KEIZER R.J.W. -Vascular causes of diplopia.

In: Sanders E.A.C.M., de Keizer R.J.W., Zee

D.S. Eye Movements Disorders. Dordrecht,

Martinus Nijhoff, 1987, Chap 10: pp 101-

122

DE KEIZER R.J.W. -Carotid -cavernous fistulas:

ocular features, diagnostic and hemodynamic

considerations in relation to visual

impairment and morbidity. Orbit

2003;22:121-142

KUNSTNER B.J. -Intralesional corticosteroid

injection for infantile adnexal haemangioma.

Am. J. Ophthalmol. 1982;93:496-506

LUO C.B., BHATTACHARYA J.J., FERREIRA

M.S., ALVARAREX H., RODESCH G.,

LASJAUNIAS P.L. -Cerebrofacial vascular

disease. Orbit 2003;22:89-102

NEETENS A., RUBBENS M.C. -Autosomal

Dominant inborn Errors of Lipid Metabolism

in Vascular Phacomatosis. Ann. Ophthalmol.

1980;12:972-978

ORCHARD P.J., SMITH C.M., WOODS W.G.,

DAY D.L., DEHNER L.P., SHAPIRO R.

-Treatment of haemangioendotheliomas

with alpha interferon. Lancet 1989;2:565-

567

ROOTMAN J. -Vascular malformations of the

orbit: hemodynamic concepts. Orbit 2003;

22: 103-121

ROOTMAN J., MAROTTA T.R., GRAEB D.A.

-Vascular Lesions. In: Rootman J. (ed) Diseases

of the orbit: a multidisciplinary approach.

Philadelphia, Lippincott Williams &

Wilkens, 2003, Chap. 13: pp 507-553

THERON J., NEWTON T.H., HOYT W.F. -Unilateral

retinocephalic vascular malformations.

Neuroradiology 1974;7:185-196.

20


VERENIGINGSNIEUWS

VOORJAARSVERGADERING 2006

De 113e Algemene Ledenvergadering voor leden en aspirantleden zal gehouden worden op vrijdag

17 maart 2006 in het hoofdkantoor van de Unie, Unie Plaza, Multatulilaan 12 te Culemborg. U bent

die dag telefonisch bereikbaar onder nummer 0345-851851.

De agenda en het middagprogramma worden ook samen met de uitnodiging, routebeschrijving en

factuur voor het middagprogramma en de lunch, naar alle leden toegestuurd.

MIDDAGPROGRAMMA

13.30 uur Diagnose Behandel Combinatie (DBC)

M.Verbeek, Ministerie van VWS

14:30 uur Contactlenzen bij kinderen

M. van Beusekom, contactlensspecialist en optometrist

15:15 uur Refractiechirurgie en orthoptie

M. Brouwer, orthoptist en optometrist OZR

16.15 uur Sluiting.

21


COMMISSIE KWALITEITSCRITERIA

P. van der Does, D.C.P. van der Linden, H. van Andel,

sectieleden commissie kwaliteitscriteria 2005 - 2010

INLEIDING

Vanaf juli 2005 lopen twee verschillende systemen van kwaliteitscriteria parallel: de kwaliteitscriteria,

die gelden voor de periode 2000-2005 en die voor de periode 2005-2010. Deze criteria zijn door

de paramedische beroepsgroepen vastgesteld en zijn uitgebreid terug te vinden op de website

www.kwaliteitsregisterparamedici.nl (of www.orthoptie.nl). Vanwege deze nieuwe kwaliteitscriteria

2005-2010 is de commissie kwaliteitscriteria opgericht.

KWALITEITSCRITERIA 2005 - 2010

De Kwaliteitscriteria 2005 – 2010 voor alle paramedische beroepsgroepen zijn:

A. Werkervaring

1600 uur patiën/cliënt gebonden werkzaamheden per vijf jaar, behaald in minimaal 36

maanden .

Deze berekening is gebaseerd op een gemiddelde van acht uur per week in vijf jaar , uitgaande

van ongeveer 40 werkbare weken per jaar => 8 x 5 x 40 = 1600 uur

B. Deskundigheidsbevordering

160 punten totaal in vijf jaar waarvan:

1. minimaal 40 punten zijn behaald uit het volgen van bij- en nascholingen (Internalisatie)

2. minimaal 40 punten zijn behaald uit activiteiten behorend bij de categorieën Socialisatie,

Externalisatie en Combinatie

3. minimaal 40 punten zijn behaald uit geaccrediteerde activiteiten

4. minimaal 40 punten vrij in te vullen.

ad 1 : Internalisatie: onder deze categorie valt onder andere beroepsrelevante scholing, zoals

bijvoorbeeld het NOG, NVvO vergaderingen etcetera. Hieronder valt echter ook

beroepsgerelateerde scholing, zoals bijvoorbeeld een cursus stagebegeleiding, een cursus

voor regiocontactpersoon of het bijwonen van een referaat op de Hogeschool

Utrecht.

ad 2a : Socialiseren: onder deze categorie valt bijvoorbeeld stagebegeleiding, deelname aan

een regio-overleg met opgeleid regiocontactpersoon, audit, deelname

aan beroepsgerelateerde commissies etcetera.

ad 2b : Externalisatie: onder deze categorie vallen onder andere het ontwikkelen van proto-

22


collen en richtlijnen, het schrijven van een artikel of poster, het verzorgen

van een referaat.

ad 2c : Combinatie: het geven van onderwijs, ontwikkelen van scholing etcetera.

ad 3 : Onder geaccrediteerde activiteiten vallen activiteiten (bijvoorbeeld scholing) welke

beoordeeld zijn door de stichting ADAP (Accreditatie Deskundigheidsbevorderende

Activiteiten Paramedici). De scholing, die verplicht is gesteld door de NVvO, is geaccrediteerd.

Het gaat hier om:

• Fundoscopie (10 punten)

• Classificatie orthoptische diagnostiek (12 punten)

• Algemene pathologie/neuro-ophthalmologie (18 punten).

TAKEN VAN DE COMMISSIE KWALITEITSCRITERIA

De commissie kwaliteitscriteria heeft drie taken:

1. toekennen van scholingspunten voor de leden die geregistreerd staan in het kwaliteitsregister

2005-2010

2. ‘Klachtenregistratie’met betrekking tot de kwaliteitscriteria 2005-2010

3. gezamenlijk met de commissie deskundigheidsbevordering als vakinhoudelijk deskundige

optreden voor de stichting ADAP.

TOEKENNEN VAN SCHOLINGSPUNTEN

Beroepsrelevante scholing is breed; niet alleen orthoptische scholing, maar bijvoorbeeld ook oogheelkundige

scholing valt onder deze scholing. Er zijn twee commissies die scholingspunten toekennen:

- commissie kwaliteitscriteria voor de periode 2005-2010

- commissie deskundigheidsbevordering voor de periode 2000-2005.

Het kan voorkomen dat deze twee afzonderlijke commissies dezelfde scholing anders waarderen.

Deze discrepantie komt voort uit het feit dat voor de criteria 2000-2005 alleen punten toegekend

worden aan orthoptische scholing, terwijl voor de criteria 2005-2010 ook punten toegekend worden

aan beroepsrelevante scholing.

Scholingspunten voor de kwaliteitscriteria 2005-2010 kunnen worden aangevraagd per e-mail of

post, waarbij 1 studiebelastingsuur overeen komt met 1 scholingspunt.

KLACHTENREGISTRATIE

De kwaliteitscriteria voor (her)registratie in het Kwaliteitsregister Paramedici voor de periode 2005-

2010 zijn van tevoren vastgesteld. Klachten omtrent deze criteria kunnen kenbaar gemaakt worden

door naar criteria2005-2010@orthoptie.nl een e-mail te sturen. Deze klachten worden geregistreerd

en meegenomen in de ontwikkeling van de kwaliteitscriteria 2010-2015.

23


COMMISSIE DESKUNDIGHEIDSBEVORDERING

COMMISSIE KWALITEITSCRITERIA

KWALITEITSREGISTER

- De commissie Deskundigheidsbevordering Orthoptie baseert zich bij het toekennen van na- en

bijscholingspunten op de NVvO-criteria voor registratie in het kwaliteitsregister 2000-2005.

- De commissie Kwaliteitscriteria Orthoptie baseert zich bij het toekennen van na- en bijscholingspunten

op de NVvO-criteria voor registratie in het kwaliteitsregister 2005-2010.

CURSUSSEN

De commissies kunnen alleen cursussen op (eventuele) scholingspunten waarderen als het volledige

programma (met tijdsindeling van de voordrachten en met titel), bij voorkeur vooraf, bij haar

bekend is.

BEOORDELING SCHOLINGSPUNTEN

Verzoeken om beoordeling van toe te kennen scholingspunten kunt u naar desbetreffende commissies

sturen:

VOOR DE CRITERIA 2000-2005 KUNT U DEZE RICHTEN AAN:

Commissie Deskundigheidsbevordering

p/a S. Jansen

Bovenboerseweg 35

7946 AL Wanneperveen

Per e-mail: criteria2000-2005@orthoptie.nl

VOOR DE CRITERIA 2005-2010 KUNT U DEZE RICHTEN AAN:

Commissie Kwaliteitscriteria

UMC Utrecht, locatie AZU

HuispostnummerL02.417, afdeling Oogheelkunde/Orthoptie

Ter attentie van D. van de Linden/ P. van der Does

Postbus 85500

3508 GA Utrecht

Per e-mail: criteria2005-2010@orthoptie.nl

24


SCHOLINGSPUNTEN

JAARLIJKSE BIJEENKOMSTEN

2000 - 2010 Punten Punten

2005-2010 2000-2005

Voorjaarsvergadering NVvO 2 4

Najaarsvergadering NVvO 2 2

Symposium Orthoptie in werking - 6

NOG, orthoptische dag 7 4

NOG, per dag 7 -

Dondersgezelschap 3 3

ESA 18 18

ISA 40 18

IOA 18 20

Ophthalmologica Belgica/BOG 2

Jarestagung der Orthoptistinnen in zusammenarbeit mit dem

Landesverband Niedersachsen der Artze für Kinderheilkunde

und Jugendmedizin 6

Cursus stagebegeleiding ‘Beoordelen orthoptische status’ 5 3

Stagebegeleidersvergadering 3 2

Publiceren van een artikel 15 7

Publiceren van een case-report of referaat 5 7

Poster of lezing tijdens (inter)nationaal congres 15 7

2 x per jaar deelnemen aan regio-overleg 1 per uur 2

Stagebegeleiding, per 5 dagen begeleiding 1 -

EENMALIGE BIJEENKOMSTEN 2000-2010

2006 Punten Punten

2005-2010 2000-2005

Trainingsdag ‘Omgaan met tegengestelde belangen en conflicten’,

Meppel, 31-01-06. (Internalisatie) 5 -

Trainingsdag 2 regiocontactpersoon 20-01-06 7 -

Trainingsdag 3 regiocontactpersoon 08-03-06 3 -

26


2005 Punten Punten

2005-2010 2000-2005

Boerhaavecursus kinderoogheelkunde II, 28-01-05 nvt 2

AAD te Düsseldorf, 4 en 5 maart 2005 nvt 5

POAG cursus ‘Bijwerkingen van geneesmiddelen in

de oogheelkunde’, 18-04-05 nvt 1

Begeleiding chronische zieken: “Wat vraagt het”13-06-05 nvt 2

David Taylor´s Retirement Symposium, 15 en 16 mei nvt 3

Neurologie voordracht MS, Gorinchem, 21-06-05 nvt 2

Child Vision Research Society, Bled Slovenië, 23, 24 en 25 juni 2005 nvt 4

Podium Low Vision, Nieuwegein, 21-03-05 nvt 0

Strabologischen Vormittag, Heidelberg, 18-06-05 nvt 3

Controverse in de oogheelkunde UMCU, 30-09-05

Educatieve avond OZOB, 25-10-05 2 1

Jaarlijkse ontmoetingsdag InZicht,Den Haag, 25-11-05 5 1

Bielschowsky Tagung, te Giessen, 19 en 20-11-05 11 9

Oogheelkundige bijscholing Veldhoven 9-11-05 2

Expert-meeting ziektebeleving niet-westerse

culturen, Den Haag 10-11-05 5 0

Bijeenkomst OOG/ZOG Berg en Dal 19-11-05 3 n.a

Oogzorgnetwerkdag Rotterdam 17-11-05 2 n.a

Trainingsdag 1 regiocontactpersoon 23-11-05 6 -

VOVZ, 17e symposium Amsterdam, 18-11-05 5 0

Workshop Therapietrouw 3M, wisselende data 5 5

n.a = niet aangevraagd

2004 Punten

2000-2005

Workshop Therapietrouw 3M, wisselende data 5

Symposium”Mari Gutter, 25 jaar orthoptist, 2004 2

NPi cursus fundoscopie, 30-01-04 10

BOD, regionaltagung, 07-01-04 2

VISIO-symposium ‘Zet eens een andere bril op’02-02-04 1

Cursus Luiten ‘Diabetes Mellitus in de oogzorg en oogheelkunde’, 08-03-04 1

Jaarlijkse AAD (Duitsland), 20-03-04 4

EUPO Congres Nijmegen, 2, 3, en 4 april 2004 11

‘Ot en Zien’Congres Oogziekenhuis R´dam,16-04-04 5

Bijeenkomst Kinderoogheelkunde (Bartimeus Zeist), 23-04-04

Cursus Luiten ‘EHBO en Reanimatie’, vanaf mei 2004 2

Cursus Luiten ‘Kinderoogheelkunde’, 24-05-04 4

NPi Cursus Oogklachten bij beeldschermwerk: Aanpak en Preventie, 24-06-04 10

Retina World Congres Noordwijk, 02-07-04 0

Symposium ‘Zicht op samenwerking’, 05-07-04 2

Neuro Ophthalmologie Regio-overleg Leiden, 20-09-04 1

Cursus Luiten ‘Diagnostische Farmaca’, 04-10-04 3

Najaarsvergadering NVvO 4

27


2003 Punten

2000-2005

Minisymposium Accommodation and Aging Amsterdam, 10-01-03 2

Interdisziplinares Neuro-ophthalmologisches symposium te Aachen, 10-01-03 3

Boerhave cursus Kinderoogheelkunde, 24-01-03 2

Cursus Luiten ‘Neuro-opthalmologie, deel 1’, 27-01-03 8

Cursus Luiten ‘Neuro-opthalmologie, deel 2’ 5

Nascholing PAOG VU ‘Bijwerkingen geneesmiddelen in de oogheelkunde’, 31-01-03 1

AAD Düsseldorf, 08-03-03 6

NPi Cursus fundoscopie, 14-03-03 10

Schielbehandlung Interdiziplinär Düsseldorf, 22-03-03 6

Symposium en workshop ‘Neurovisuele rehabilitation’, 16 en 17 mei 2003 8

9th meeting CVRS child vision research Society, Zweden, 12, 13, en 14 juni 2003 12

Lustrumdag NVvO en Opleiding Orthoptie, 12 september 2003 4

Symposium ‘30jaar orthoptie in het CWZ’, 2-10-03 3

Regionaltagung BOD Hamburg, 24-09-03 2

(Cerebrale) Visusstoornissen bij kinderen met cerebrale parese, Utrecht, 05-11-03 4

Najaarssymposium, vereniging revalidatie bij slechtziendheid kinderen en

hulpmiddelen, 11-11-03 1

Symposium Ontwikkelingen in de oogzorg, 18-11-03 2

Rotterdam Amblyopie Meeting, 20-11-03 3

15e Symposium VOVZ, 21-11-03 1

Programma Benigne Paroxismale Positie Duizeligheid 2

Najaars vergadering NVvO 4

2002 Punten

2000-2005

Nascholing orthoptie adhv ‘Capita Selecta Orthoptie’en ‘ Orthoptische

Diagnostiek’, 7 en 8 januari 20

Refereeravond UMC St Radboud, Nijmegen, 29-01-02 1

AAD Düsseldorf, 08-03-02 6

Augenmuskelparesen und nystagmusbedingte Kopfzwanghaltung, 09-03-02 6

Symposium ‘Problematiek bij visuele beperkingen’, 12-04-02 1

NPi cursus ‘Oogklachten bij beeldschermwerk, preventie en behandeling’ 10

Regionaltagung Hamburg/Schleswig-Holstein, 18-09-02 3

Symposium ‘Oog in Oog’, 03-10-02 1

European Pediatric Ophthalmological Society, 4,5 en 6 october 3

Cursus Luiten ‘Slechtziendheid’, 14-10-02 6

‘Ontmoetingsdag Inzicht ‘ Den Haag, 31-10-02 2

Najaarssymposium ‘Als meer dan het zien beperkt is’, 10-11-02 2

Tagung der Bielschowsky Gesellschaft fur Schielforschung und des

Berufsverbandes der Orthoptistinnen Deutschlands, 9 en 10 november 2002 8

NPi Cursus fundoscopie, 22-11-02 10

29


2001 Punten

2000-2005

Nieuwe inzichten in de interventie van slechthorendheid en slechtziendheid bij

mensen met een verstandelijke beperking, 12-01-01 2

Strabologie und Kinderophthalmologie, München, 17-02-01 6

Begeleiding Chronisch zieken: “Wat vraagt het!”, 30-05-01 2

Child Vision Research Society, Parijs, 14, 15 en 16 juni 2001 14

Strabismus congres van Bielschowsky, Regensburg, 7 en 8 juli 2001 9

LVAO lesdag ‘Pathologie en Orbita’, 08-09-01 2

Jahrestagung BOD, oktober 5

Ophthalmologica Belgica/BOG, november 6

Studiedag Bartiméus ‘Zien met je brein’, 22-11-01 6

Sensis: ‘Orthoptisten die werken met jonge slechtziende kinderen’, 21-11-01 6

Studiedag Bartiméus ‘Ontstaan van uitingsvormen van sluitingsdefecten’, 07-12-01 1

Nascholing PAOG VU ‘Screening op diabetische retinopathie’, 13-12-01 2

Cursus Scholing in Wetenschap, Module 1,2,3. 29-11-01, 31-10-01 en 20-12-01 20

DATUM ONBEKEND

Punten

2000-2005

European Pediatric Ophthalmology Grou 3

Strabologie und Neuro-ophthalmologie im neuen Jahrstausend 5

Thema-avond Contactlenzen en de toepassingsmogelijkheden voor orthoptie 2

BOG 28-11 en 29-11 Brussel 2

Symposium Orthoptie in de XXe eeuw 3

Strabologie und Kinderophthalmologie 6

The 7th European Kraskin Interventional Skeffington Symposium on Vision 6

30


CRITERIA VOOR PUBLICATIE

IN HET TIJDSCHRIFT VOOR ORTHOPTIE PER JUNI 2005

In feite zijn er bij publicatie in het Tijdschrift twee aspecten aan de orde. In de eerste plaats bestaat er

een ‘reglement’voor de wijze waarop kopij moet worden aangeleverd. Deze regels hebben geen relatie

met het toekennen van scholingspunten, maar ze dienen wel in acht te worden genomen bij de

aanlevering. In de tweede plaats zijn er criteria geformuleerd die zijn gerelateerd aan scholingspunten.

De volgende regels gelden voor aanlevering van kopij:

• tekst op diskette of per e-mail sturen aan redactieadres (redactie@nvvo.nl)

• illustraties zoveel mogelijk in oorspronkelijke vorm bijvoegen

• ‘platte’tekst aanleveren (geen vetdruk, cursief of onderstreping)

• afkortingen vermijden

• letten op de sluitingsdatum voor kopij.

De redactie behoudt zich het recht voor, eventueel in overleg met de auteur, redactionele wijzigingen in

de tekst aan te brengen, respectievelijk de auteur te verzoeken de tekst redactioneel te herzien.

Plaatsing van een artikel of casuïstiek in het Tijdschrift voor Orthoptie levert scholingspunten op.

Om voor plaatsing in aanmerking te komen dient de aangeleverde tekst te voldoen aan de volgende

criteria:

1. taalgebruik

2. vorm

3. thema/inhoud

4. lengte.

ad 1.

ad 2.

ad 3.

ad 4.

Het taalgebruik in de aangeleverde tekst dient correct Nederlands (Engels) op basis van de

voorkeursspelling te zijn. De leesbaarheid dient te worden ondersteund door het juiste gebruik

van leestekens. De redactie is bereid daar enige ondersteuning in te bieden, maar herschrijft

geen teksten.

De opbouw van het artikel moet logisch zijn: inleiding, indeling hoofdtekst in paragrafen,

conclusies/aanbevelingen, literatuurverwijzing (indien relevant). De opbouw dient van dien

aard te zijn, dat het thema helder naar voren komt.

De inhoud van het artikel moet relevant zijn in het kader van de orthoptie/oogheelkunde. Bij

voorkeur dient het nieuwe inzichten te bevatten of een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling

van de orthoptie. Wanneer een thema reeds bij herhaling is besproken in het Tijdschrift

en het ter publicatie aangeboden artikel geen aanvulling daarop betekent, kan het worden

geweigerd.

De lengte van de tekst mag het aantal van 3000 woorden niet overschrijden, tenzij inhoud

en opbouw daar aanleiding toe geven.

Indien naar het oordeel van de redactie voldaan is aan de bovenstaande criteria zal het artikel

geplaatst worden.

De redactie van het Tijdschrift voor Orthoptie

31


AGENDA

BIJGEWERKT T/M 15 JANUARI 2006

CONGRESSEN

2006 februari 17-20 Brazilië ISA-congres te Sao-Paulo

maart 17 Culemborg Algemene ledenvergadering NVvO

22-23-24 Groningen NOG jaarvergadering

mei 19 Rotterdam Donders Gezelschap

november 17 Rotterdam Ot en Zien Congres

2008 mei 28-31 Antwerpen XIth International Orthoptic Congress *

* www.ioacongres2008.org

Docentenopleiding HGZO

U bent orthoptist en u wilt docent worden

Per september 2006 start de twee jaar durende eerstegraads

Docentenopleiding HGZO, voor didactische en beroeps-inhoudelijke

scholing. Voorlichtingsdagen zijn op dinsdagavond 14 februari, zaterdag

11 maart, donderdagavond 6 april en zaterdag 22 april.

Voor informatie en brochure:

Vrije Universiteit, Faculteit Bewegingswetenschappen

Werkgroep Docentenopleiding

V.d. Boechorststraat 9

1081 BT Amsterdam

tel: 020-5988600

http://docentenopleiding.fbw.vu.nl

32


BESCHIKBAAR VOOR WAARNEMING

Atsma-van der Schaaf, T. Groningerstraat 39, 9231 CJ Surhuisterveen, tel: 0512-363668

Beemsterboer-Jansen, T.J.M. Rustenburgerweg 76, 1703 RZ Heerhugowaard, tel: 072-5711000

Blom, T.

Dorpsstraat 68, 2391 BK Hazerswoude-dorp,

tel: 0172-231237/06-4040109B

Bommel van, B Kerkweg 30, 3945 BN Cothen, tel: 0343-562122

Degenen, die zich voor waarneming beschikbaar willen stellen, kunnen zich opgeven bij:

A. Spaan, van der Meerstraat 14, 2023 DZ Haarlem, telefoon: 023-5250886.

e-mail: aspaan@tiscalimail.nl

Tot wederopzegging zal hun naam in het ‘Tijdschrift voor Orthoptie’verschijnen.

In Kunststof maken wij:

o Optio Children Lenti (optische zone Ø 30, 28 of 25mm in draaglens voor zéér

hoge plus sterkte in zéér dunne uitvoering)

o Optio (speciale glazen waarbij u zelf een bifocaal of trifocaal glas kunt

samenstellen, ieder segment wordt separaat geproduceerd; bv verschillende

prisma’s voor veraf en nabij)

o Speciale prisma slijpingen t/m 20 dpt

o Hoge Minus Lenti slijping (tot S-50,00)

o Hoge Plus Lenti of Omega slijping

o Slab-off slijping Ook op Multifocaal en Trifocaal

o Aniseikonische slijpingen (tot 9%)

o Combi cylinders en Buitentorisch

o Filterlenzen (gepolariseerd, enkelvoudig,

bifocaal en multifocaal t/m curve 8)

o Multifocaal van +10 tot -16

Voor meer informatie over de specials:

Optical Low Vision Services

de moucheronstraat 55, 2593 PX Den Haag, tel.:070 3836269,

fax:070 3814613, www.slechtzienden.nl, info@slechtzienden.nl

Hoge bifocale plus lens met

alleen in het leesdeel

33


RECENT VERSCHENEN ARTIKELEN

AM J OPHTHALMOL

Visual training: current status in ophthalmology • Helveston E.M. • 2005 Nov /140(5):903-10

Changes of the lid fissure after surgery on horizontal extraocular muscles • Lagreze W.A., Gerling J.U.,

Staubach F. • 2005 Dec /140(6):1145-6

Decision analysis with Markov processes supports early surgery for large-angle infantile esotropia

• Trikalinos T.A., Andreadis I.A., Asproudis I.C. • 2005 Nov /140(5):886-893

BINOCUL VIS STRABISMUS Q

Video vision development assessment in diagnosis and documentation of microtropia • Cibis G.W. • 2005

/20(3):151-8

BR J OPHTHALMOL

Randomised clinical trial of the effectiveness of base-in prism reading glasses versus placebo reading

glasses for symptomatic convergence insufficiency in children • Scheiman M., Cotter S., Rouse M.,

Mitchell G.L., Kulp M., Cooper J., Borsting E.; Convergence Insufficiency Treatment Trial Study Group. • 2005

Oct /89(10):1318-23

CURR OPIN OPHTHALMOL

Adjustable suture use in strabismus surgery • Buffenn A.N. • 2005 Oct /16(5):294-7

GRAEFES ARCH CLIN EXP OPHTHALMOL

Changes in astigmatism in children with congenital nystagmus • Jethani J., Prakash K., Vijayalakshmi P.,

Parija S. • 2005 Dec /16:1-6

Isometric force measured in human horizontal eye muscles attached to or detached from the globe

• Lennerstrand G., Schiavi C., Tian S., Benassi M., Campos E.C. • 2005 Dec /6:1-6

Normal values of distance heterophoria and fusional vergence ranges and effects of age • Palomo Alvarez

C., Puell M.C., Sanchez-Ramos C.,Villena C. • 2005 Dec /6:1-4

34


INVEST OPHTHALMOL VIS SCI

Magnetic resonance imaging of the effects of horizontal rectus extraocular muscle surgery on pulley

and globe positions and stability • Clark R.A., Demer J.L. • 2006 Jan /47(1):188-94

J AAPOS

The effect of bilateral horizontal rectus recession on visual acuity, ocular deviation or head posture

in patients with nystagmus • Bagheri A., Farahi A.,Yazdani S. • 2005 Oct /9(5):433-7

Contrast sensitivity in amblyopia: the fellow eye of untreated and successfully treated amblyopes •

Chatzistefanou K.I.,Theodossiadis G.P., Damanakis A.G., Ladas I.D., Moschos M.N., Chimonidou E. • 2005 Oct

/9(5):468-74

J INTEGR NEUROSCI

Strabismus and sensory-motor function of eye muscles • Lennerstrand G. • 2005 Dec /4(4):437-44

J PEDIATR OPHTHALMOL STRABISMUS

Evaluation of intranasal midazolam in refraction and fundus examination of young children with

strabismus • Altintas O., Karabas V.L., Demirci G., Onur I., Caglar Y. • 2005 Nov-Dec /42(6):355-9

Randot stereoacuity testing in young children • Kulp M.T., Mitchell G.L. • 2005 Nov-Dec /42(6):360-4

Long-term results of hemihang-back lateral rectus recession • Rodrigues A.C., Nelson L.B. • 2005 Sep-Oct

/42(5):296-9

Acute onset concomitant esotropia: sensorial evaluation, prism adaptation test, and surgery planning

• Savino G., Colucci D., Rebecchi M.T., Dickmann A. • 2005 Nov-Dec /42(6):342-8

Effect of posterior tenectomy of the superior oblique on objective and subjective torsion in cases of

superior oblique overaction • Sharma P., Saxena R., Rao B.V., Menon V. • 2005 Sep-Oct /42(5):284-9

NAT REV NEUROSCI

Critical period plasticity in local cortical circuits. Review • Hensch T.K. • 2005 Nov /6(11):877-88

NATURE

Eye-specific effects of binocular rivalry in the human lateral geniculate nucleus • Haynes J.D., Deichmann

R., Rees G. • 2005 Nov 24 /438(7067):496-9

35


OPHTHALMIC SURG LASERS

IMAGING

Extraocular muscle imaging in complex strabismus

• Sa H.S., Kyung S.E., Oh S.Y. • 2005

Nov-Dec /36(6):487-93

OPHTHALMOLOGY

New methods for quantifying diplopia • Holmes

J.M., Leske D.A., Kupersmith M.J. • 2005 Nov

/112(11):2035-9

Idiopathic repetitive oculomotor nerve palsies

in otherwise normal patients • Lee

M.S., Egan R.A., Shults W.T., Lessell S. • 2005

Dec /112(12):2225-6

Van deze artikelen zijn veelal samenvattingen,

soms ook de volledige tekst in Medline of Pubmed

te vinden. In deze databank komt u via de

NPi-website (www.paramedisch.org), via

documentaire informatie, overige databanken,

literatuurreferenties, Medline of Pubmed.

Deze rubriek wordt verzorgd door Chr. de

Weger-Zijlstra, orthoptist.

De opmaak van deze rubriek is veranderd. De

redactie heeft voor deze opmaak gekozen naar aanleiding

van de opmerkingen tijdens de afgelopen

najaarsvergadering.

STRABISMUS

Update on chronic progressive external ophthalmoplegia.

Review • Bau V., Zierz S. • 2005

Sep /13(3):133-42

The Relationship between Convergence Insufficiency

and ADHD* • Granet D.B.,

Gomi C.F.,Ventura R., Miller-Scholte A. • 2005

Dec /13(4):163-8

Short-term motor and sensory outcomes in

acquired nonaccommodative esotropia

of childhood • Kitzmann A.S., Mohney

B.G., Diehl N.N. • 2005 Sep /13(3):109-14

Drift in ocular torsion during sustained head

tilt • Pansell T., Tribukait A., Bolzani R.,

Schworm H.D.,Ygge J. • 2005 Sep /13(3):115-

21

The management of posterior polar cataract:

the role of patching and grading •

Schroeder H.W. • 2005 Dec /13(4):153-6

Final Report of the Early vs. Late Infantile Strabismus

Surgery Study (ELISSS), a

Controlled, Prospective, Multicenter

Study • Simonsz H.J., Kolling G.H., Unnebrink

K. • 2005 Dec;13(4):169-99

36


ZIEKTE VAN LYME

P. Heus, orthoptist, Bsc optometrist

Medisch Centrum Alkmaar

INLEIDING

De laatste jaren is er in toenemende mate aandacht

voor tekenbeten en de ziekte van Lyme.

In kranten en tijdschriften wordt gewezen op

de gevaren van een tekenbeet en de lezers

worden uitgebreid geïnformeerd over mogelijkheden

om een teek te verwijderen.

Ook in de medische literatuur wordt de laatste

jaren met regelmaat gepubliceerd over de

ziekte van Lyme. Deze ziekte heeft een scala

aan ziekteverschijnselen en kan ook oogheelkundige

afwijkingen geven.

Dit artikel zal gaan over de tekenbeet en de

mogelijke gevolgen ervan. De verschillende

kenmerken en stadia van de ziekte van Lyme

zullen aan bod komen en de oogheelkundige

afwijkingen worden besproken. De nu volgende

casus illustreert dat de ziekte van Lyme in de

oogheelkundige, optometrische en orthoptische

praktijk voor kan komen.

CASUS

Een 54-jarige vrouw wordt via de neuroloog

naar de oogarts verwezen in verband met

plotseling ontstane horizontale binoculaire

diplopie sinds twee weken.

De patiënte werd binnen een paar dagen

orthoptisch onderzocht (zie gegevens hiernaast).

Er bleek een kleine tot matige abductiebeperking

te zijn van het linkeroog. In de primaire

stand was sprake van een esotropie OS, toenemend

bij kijken op afstand. Op het Hessschema

was een duidelijke abductiebeperking

te zien. De diagnose nervus abducens (N.VI)-

parese OS werd gesteld en een controle na

drie à vier weken werd geadviseerd.

Bij de controle na drie weken, bleek de patiënte

opgenomen te zijn in het ziekenhuis. Er

waren antistoffen aangetoond die zouden

kunnen wijzen op de ziekte van Lyme. Ze

kreeg inmiddels antibiotica toegediend. De

patiënte merkte duidelijk verbetering in de

oogbewegingen. Deze verbetering was ook

objectief aantoonbaar bij het onderzoek.

Bij de volgende orthoptische controles bleek

dat de afwijking verder afnam. Na ongeveer

twee maanden was de parese volledig hersteld.Verdere

orthoptische controles werden

niet afgesproken. Bij gezichtsveldonderzoek en

oogdrukmeting na zes maanden werden geen

bijzonderheden gevonden.

ONDERZOEK

VOD z.c.: 1.0 refractie: plano

VOS z.c.: 0.5- n.c.: S+1.00=C-1.00 as 90°: 1.0

Oogdruk : 16 mm Hg ODS (11.00 uur )

(Goldmann

applanatietonometrie)

Oogstand: esotropie OS

Motiliteit:

abductiebeperking OS

Cornea, media ODS: g.b.

Fundi ODS: forse papilexcavaties

EVALUATIE

E1: hypermetropie en astigmatisme OS

E2: mogelijk abducensparese OS

E3: glaucoomsuspecte papillen

PLAN

P1: geen brilcorrectie nodig

P2: orthoptisch onderzoek

P3: gezichtsveldonderzoek en oogdrukcontrole

over zes maanden

37


TEEK

De ziekte van Lyme wordt ook wel Lyme Borreliosis

genoemd, naar de bacterie die de

ziekte veroorzaakt: Borrelia Burgdorferi.

Hoewel de ziekteverschijnselen al in het begin

van de vorige eeuw beschreven werden, is de

verantwoordelijke spirocheet (spiraalvormige

bacterie) pas in 1982 ontdekt door Burgdorfer.

In 1983 toonde Johnson aan dat het ging om

een nieuw soort bacterie van het geslacht Borrelia.

Als eerbetoon aan zijn ontdekker kreeg

deze bacterie de naam Borrelia Burgdorferi.

Besmetting met deze bacterie kan worden

overgebracht door teken. De meest voorkomende

teek in Europa is Ixodes Ricinus. Een

teek is een spinachtig beestje, verwant aan de

mijt (zie afbeelding 1). Het is een parasiet, die

zich voedt met bloed van een gastheer.

Afbeelding 1.

(bron: www.saag.nl)

Ontwikkelingsstadia Ixodes ricinus:

boven: larve, nimf,

onder: vrouwtje, mannetje

De Ixodes Ricinus is een zogenoemde driegastherenparasiet:

in elk stadium van zijn ontwikkeling

zoekt de teek een nieuwe gastheer.

Uit het eitje van een teek komt een larve (stadium

I). De larve neemt een muis als gastheer

en zuigt bloed. Indien deze muis besmet is

met de bacterie Borrelia Burgdorferi, dan kan

de larve ook besmet raken. De larve vervelt tot

nimf (stadium II) en zoekt een nieuwe gastheer

(muis, groter zoogdier of mens).Via

speeksel van de nimf kan de tweede gastheer

besmet raken. De nimf vervelt tot volwassen

teek (stadium III). In dit stadium is pas onderscheid

te zien tussen mannetjes en vrouwtjes

(de vrouwtjes zijn groter). Zowel het mannetje

als het vrouwtje zoeken een derde gastheer.

Alleen de vrouwtjes kunnen een besmetting

overbrengen.

De kans dat een gastheer via een teek besmet

wordt met de bacterie Borrelia Burgdorferi,

hangt dus van een aantal factoren af: de teek,

in welk stadium dan ook, moet eerst een

besmette gastheer treffen. Pas dan kan de teek

zelf besmet raken en de besmetting eventueel

overbrengen op een nieuwe gastheer. De

meeste besmettingen bij de teken worden

gezien in het volwassen stadium, gevolgd door

het stadium van de nimf. Het aantal besmette

teken kan van jaar tot jaar en van plaats tot

plaats verschillen. Gegevens over het percentage

besmette teken zijn daarom van beperkte

waarde.

De kans op een tekenbeet is het grootst in

natuurgebieden, stadsparken of tuinen. De

periode dat teken actief zijn loopt van begin

maart tot eind november.Verhoogde luchtvochtigheid,

warmte en beweging van een

mogelijke gastheer, alsmede een verhoogd

koolzuurgehalte in uitgeademde lucht maken

een teek actief en verhogen de kans op een

beet.

Als na een beet de teek op de juiste manier

verwijderd wordt, is de kans op ziekte erg

klein. 1,2 In veel gevallen echter wordt een

tekenbeet niet opgemerkt, aangezien deze niet

pijnlijk is en de teek vanzelf weer loslaat.

LYME BORRELIOSIS

Als een mens via een tekenbeet besmet wordt

met de bacterie Borrelia Burgdorferi, kan dat

leiden tot Lyme Borreliosis. Het lichaam kan

drie tot zes weken na de tekenbeet antistoffen

38


maken. Aanvankelijk gaat het om IgM-antistoffen

en later vooral om IgG-antistoffen.

Deze stoffen kunnen aangetoond worden in

het bloed en in de cerebrospinale vloeistof.

Als iemand positief test, dan is dit een aanwijzing,

maar geen bewijs, voor Lyme Borreliosis.

Anderzijds sluit een negatieve test Lyme Borreliosis

niet uit.

Geen enkele test is optimaal voor het stellen

van de diagnose Lyme Borreliosis. Bij interpretatie

van het bloedonderzoek is ook het klinisch

beeld en de duur van de vermoedelijke

besmetting van belang. De anamnese is in dit

opzicht heel belangrijk; deze geeft informatie

over de kans op besmetting (is iemand bijvoorbeeld

in een bosrijke omgeving geweest)

en de duur van een mogelijke besmetting.

Als er een infectie ontstaat na besmetting met

Borrelia Burgdorferi, dan is een aantal stadia te

onderscheiden.

Vroege Lyme Borreliosis

In dit stadium is er sprake van een lokale

huidinfectie. Het plekje van de beet kan uitgroeien

tot een grotere rode plek die in het

midden weer verbleekt. Deze afwijking wordt

‘erythema migrans’genoemd (afbeelding 2).

Afbeelding 2. Erythema migrans kan in verschillende

vormen voorkomen.

(bronnen: Centers for Disease Control and Prevention

(CDC) USA

Dit verschijnsel ontstaat meestal binnen drie

weken tot drie maanden na de beet en er zijn

veel variaties mogelijk. Er ontstaan zelden

blaasjes of schilfers. Deze lokale huidafwijking

wordt niet in alle gevallen opgemerkt.

Een meer zeldzame huidafwijking die in dit

stadium voorkomt, is het Borrelia Lymfocytoom:

een blauw-rode zwelling van een paar

centimeter op de plaats van de beet.

Vroege gedissemineerde Lyme Borreliosis

De Borrelia-Borgdurferibacterie kan zich via

het bloed verspreiden en zo op allerlei plaatsen

in het lichaam terechtkomen. Bij Lyme

Borreliosis worden aandoeningen van het

zenuwstelsel, de gewrichten en het hart

gezien.

Neuroborreliosis

Het zenuwstelsel kan op verschillende

plaatsen in het lichaam aangedaan worden.

Zo komt bij Lyme Borreliosis hersenvliesontsteking

voor. Deze hersenvliesontsteking

geeft vaak geringe verschijnselen,

zonder nekstijfheid.Voor het stellen van de

diagnose Lyme Borreliosis moeten antistoffen

aantoonbaar zijn.

Ook hersenzenuwen kunnen ontsteken.

Voorkomende paresen zijn de nervus facialis

(N.VII-) parese of oogspierparesen

(N.III, N.IV en N.VI).

De zenuwen van het ruggenmerg kunnen

ook ontstoken raken. Dit kan pijn geven

aan een arm, been of aan de romp; soms is

er sprake van krachtsverlies of een doof,

tintelend gevoel. Indien er een ontsteking

van het ruggenmerg is, dan kan dit

krachtsverlies in beide benen geven evenals

problemen met plassen.

Neuroborreliosis ontstaat in 50% van de

gevallen binnen een maand na erythema

migrans. 1

Lyme artritis

Gewrichten kunnen gedurende een dag tot

een paar maanden een ontstekingsreactie

vertonen bij Lyme Borreliosis. Deze ontstekingsreactie

komt het meest voor in het

kniegewricht en is niet altijd pijnlijk. Ze

ontstaat in 50% van de gevallen binnen

drie maanden na erythema migrans, maar

39


kan mogelijk ook nog na een jaar ontstaan. 1

Lyme carditis

Aandoeningen van het hart bij Lyme Borreliosis

komen zelden voor. Een stoornis in

de geleiding tussen boezem en kamer

wordt gezien, evenals een ontsteking van

het hart(-zakje). In geval van een ernstige

geleidingsstoornis, kan er een trage hartslag

zijn: de patiënt kan flauwvallen of

benauwd zijn.

Late Lyme Borreliosis

Bij langdurig aanhouden (langer dan een jaar)

van genoemde ziekteverschijnselen spreekt

men van late Lyme Borreliosis.

Een huidaandoening die in dit stadium gezien

wordt is Acrodermatitis chronica atrophicans

(zie afbeelding 3). Deze komt voor op armen

en benen. Er is een rood-paarse huid, die aanvankelijk

dik en warm is en na maanden of

jaren papierdun wordt. Een klein deel van de

mensen met deze huidaandoening heeft ook

gewrichtsontstekingen. IgG-afweerstoffen zijn

altijd aantoonbaar.

Afbeelding 3.

(bron: www.saag.nl)

Acrodermatitis chronica atrophicans.

De behandeling bestaat uit het toedienen van

antibiotica. Orale antibiotica zijn in veel gevallen

effectief. In bepaalde gevallen, onder

andere bij neuroborreliosis en oculaire borreliosis,

zijn intraveneuze antibiotica effectiever.

Volgens sommige onderzoekers is er weinig

verschil in effectiviteit tussen orale en intraveneuze

antibiotica, anderen menen dat er nog

1, 4, 15, 16, 20, 32, 33

geen optimale behandeling bestaat.

In veel gevallen is het herstel volledig, al kunnen

er restverschijnselen blijven bestaan.

In de Verenigde Staten is tijdelijk een vaccin

voor Lyme Borreliosis verkrijgbaar geweest.

Vanwege slechte verkoopcijfers is het weer van

de markt gehaald, hoewel de effectiviteit bij

onderzoeken aantoonbaar is.

Lyme Borreliosis moet onder andere gedifferentieerd

worden van reumatische aandoeningen,

migraine, multiple sclerose, depressiviteit

en psychische stoornissen. De diagnose Lyme

Borreliosis is in veel gevallen niet voor de hand

liggend, aangezien de tekenbeet en het eerste

stadium, de erythema migrans, niet altijd

opgemerkt worden. Daarnaast lijken de ziekteverschijnselen

op veel andere aandoeningen.

Als een patiënt zich presenteert met erythema

migrans, is dit wel zeer suggestief voor Lyme

Borreliosis. De anamnese kan veel informatie

geven over een mogelijke besmetting. Indien

bij bloedonderzoek afweerstoffen aangetoond

kunnen worden, wijst dit ook in de richting

van Lyme Borreliosis. De afwezigheid van

andere ziekten en de combinatie van informatie

uit testen en anamnese kunnen tot de juiste

diagnose leiden.

Post Lyme Borreliosis

Er wordt ook wel gesproken van een vierde

stadium bij Lyme Borreliosis. In deze categorie

vallen mensen bij wie Lyme Borreliosis werd

vastgesteld en die, ondanks een adequate

behandeling volgens de richtlijnen, toch klachten

blijven houden.Vermoeidheid, spier- en

gewrichtspijnen, stemmings- en concentratiestoornissen

worden genoemd.

Er wordt gesuggereerd dat auto-immuunmechanismen

een rol spelen bij de chronische

klachten. Bij onderzoeken werd echter geen

bewijs hiervoor gevonden. 3

40


OOGHEELKUNDIGE VERSCHIJNSELEN

In de literatuur zijn verschillende oogaandoeningen

beschreven bij Lyme Borreliosis (tabel 1).

Deze oogaandoeningen komen niet vaak voor

en worden meestal pas in een later stadium

van Lyme Borreliosis gezien. Als gevolg van

Lyme Borreliosis kunnen structuren in en om

het oog een ontstekingsreactie vertonen.

Tevens worden neuro-ophthalmologische

afwijkingen gezien.

van Lyme Borreliosis voor kunnen komen.

Keratitis daarentegen wordt in een later stadium

gezien. Keratitis komt het meest als bilaterale

aandoening voor, hoewel er ook unilaterale

gevallen beschreven zijn.

Anterieure uveïtis wordt door verschillende

onderzoekers beschreven.

De bilateraal tonische pupillen, genoemd in

tabel 1, waren een restverschijnsel bij een

patiënt die hersteld was van een bilaterale

parese van de nervus facialis (N.VII) en nervus

oculomotorius (N.III).

VOORSEGMENT

- folliculaire conjunctivitis

- peri-orbitaal oedeem

- blepharospasme

- orbitale keratose

- keratitis

- episcleritis

- uveïtis anterior

- bilateraal tonische pupil

ACHTERSEGMENT

- uveïtis posterior, panuveïtis, vitritis

- neuritis optica

- opticusatrofie

- papiloedeem

- parapapillaire pigmentepitheelloslating

- retinitis pigmentosa-achtig fundusbeeld

- vasculitis

- chorioretinitis

- neuroretinitis (neuritis en retinitis)

OOGSPIEREN

- myositis

- bewegingsbeperkingen ten gevolge van paresen van N.III,

N.IV en/of N.VI

Tabel 1.

Overzicht van in de literatuur beschreven oculaire afwijkingen

bij Lyme

5, 7, 11, 12 13, 14, 17, 18, 19, 21, 22, 24, 25, 26, 29, 30, 31, 35

Borreliosis.

VOORSEGMENT

Hoewel oculaire aandoeningen bij Lyme Borreliosis

niet vaak voorkomen, wordt bij 10%

van de patiënten een folliculaire conjunctivitis

gezien. Conjunctivitis en episcleritis zijn oculaire

aandoeningen die in een vroeg stadium

ACHTERSEGMENT

Ook in het achtersegment van het oog kunnen

verschillende structuren een ontstekingsreactie

vertonen als gevolg van een besmetting met

Borrelia Burgdorferi. Zo worden (pan-)uveïtis,

vitritis, vasculitis, chorioretinitis en neuroretinitis

genoemd als oculaire afwijkingen bij

Lyme Borreliosis. Ook kunnen er veranderingen

aan de oogzenuw waargenomen worden ten

gevolge van een ontsteking of door een verhoogde

intracraniële druk. Deze afwijkingen

aan de oogzenuw komen niet vaak voor. Bij een

recent onderzoek door Sibony et al. (2005) werd

geconcludeerd dat er nog onvoldoende bewijs is

voor een oorzakelijk verband tussen Lyme Borreliosis

en neuritis of neuroretinitis.

Verder zijn er in een aantal onderzoeken veranderingen

in het retinaal pigmentepitheel

beschreven. Parapapillaire pigmentalteraties

zouden mogelijk kunnen ontstaan doordat de

bloed-hersenbarrière nabij de papil niet effectief

genoeg is. Hierdoor krijgen de spirocheten

de kans om vanuit het centrale zenuwstelsel

onder het pigmentepitheel te komen. 21

OOGSPIEREN

Bij Lyme Borreliosis kunnen beperkingen van de

oogbewegingen gezien worden. Deze oogbewegingsbeperkingen

kunnen het gevolg zijn van

het ontstoken raken van de oogspieren zelf

41


(oculaire myositis) of van neuro-ophthalmologische

afwijkingen. Paresen van de nervus oculomotorius

(N.III), de nervus trochlearis (N.IV) en

de nervus abducens (N.VI) kunnen voorkomen.

TOT SLOT

Oculaire afwijkingen bij Lyme Borreliosis worden

waarschijnlijk te weinig herkend en gediagnosticeerd.

Bovendien is Lyme Borreliosis bij

bloedonderzoek niet altijd aantoonbaar. Daarbij

komt dat de oculaire aandoeningen bij

Lyme Borreliosis veel lijken op andere ziektebeelden.

Gedifferentieerd moet onder andere

worden van oculaire aandoeningen die gezien

worden bij syphilis, toxoplasmose en multiple

sclerose. In het geval van myositis moet gedifferentieerd

worden van een pseudotumor

orbitae en Graves’orbitopathie.

Lyme Borreliosis kan vermoed worden bij ontstekingsreacties

van het oog met ongebruikelijke

spleetlamp- en fluorescentie-angiografiebevindingen.Voor

het bevestigen van de

diagnose Lyme Borreliosis moeten het bloed,

eventueel de cerebrospinale vloeistof en

humor aquaeus onderzocht worden op antistoffen.

Ook het glasvocht zou cytologisch

onderzocht kunnen worden.

De oculaire aandoeningen bij Lyme Borreliosis

reageren over het algemeen goed op antibiotica,

al kunnen er restverschijnselen overblijven.

Opgemerkt moet worden dat de oogheelkundige

afwijkingen bij Lyme Borreliosis die tot nu

toe in de literatuur beschreven zijn, vaak in de

vorm van een case report gepresenteerd zijn.

Van enkele van de genoemde aandoeningen

zijn slechts een paar gevallen bekend. De

vraag is dan ook of echt bewezen is dat deze

aandoeningen het gevolg zijn van Lyme Borreliosis

of dat mogelijk andere mechanismen een

rol spelen. Men zou zich kunnen indenken dat

een teek ook andere bacteriën over kan brengen,

waarvan de gevolgen tot op heden niet

precies bekend zijn en waardoor het ziektebeeld

complexer wordt.

Naarmate Lyme Borreliosis beter herkend wordt,

zijn er meer gegevens beschikbaar voor onderzoek

naar de gevolgen van Lyme Borreliosis.

Voor patiënten is echter vooral van belang dat

Lyme Borreliosis in een vroeg stadium herkend

wordt. Dan kan een effectieve behandeling

gegeven worden en kunnen de gevolgen van de

ziekte beperkt blijven.

LITERATUUR

1. Stichting samenwerkende artsen- en adviesorganisaties

gezondheidszorg. www.saag.nl

2. Patiëntenvereniging Lyme.

www.lymepatver.demon.nl

3. Bolz D.D., Weis J.J. -Molecular Mimicry to Borrelia

Burgdorferi: pathway to autoimmunity Autoimmunity

2004 Aug;37(5):387-92

4. Borg R., Dotevall L., Hagberg L., Maraspin V., Lotric-

Furlan S., Cimperman J., Strle F. -Intravenous ceftriaxone

compared with oral doxycycline for the treatment

of Lyme neuroborreliosis. Scand J Infect Dis

2005;37(6-7):449-54

5. Brazis P.W., Lee A.G. -Optic disk edema with a

macular star. Mayo Clin Proc. 1996 Dec;71(12):1162-6

6. Cairns V., Godwin J. -Post-Lyme borreliosis syndrome:

a meta-analysis of reported symptoms. Int J

Epidemiol. 2005 Jul 22 (Epub ahead of print)

7. Carvounis P.E., Mehta A.P., Geist C.E. -Orbital myositis

associated with Borrelia Burgdorferi (Lyme disease)

infection. Ophthalmology. 2004

May;111(5):1023-8

8. Coulter P., Lema C., Flayhart D., Linhardt A.S., Aucott

J.N., Auwaerter P.G., Dumler J.S. -Two year evaluation

of Borrelia Burgdorferi culture and supplemental

tests for definitive diagnosis of Lyme Disease. J Clin

Microbiol. 2005 Oct;43(10):5080-4

9. DePietropaolo D.L., Powers J.H., Gill J.M., Foy A.J. -

Diagnosis of Lyme Disease. Am Fam Physician. 2005

Jul 15;72(2):297-304

10. Duffy J. -Lyme disease: a clinical review. Minn Med

1991 Jul;74(7):21-6

11. Fatterpekar G., Gottesman R.I., Sacher M., Som P.M.

-Orbital Lyme Disease: MR Imaging before and after

42


Treatment: Case report. American Journal of

Neuroradiology April 2002 23:657-659

12. Fugimoto F., Ghanem R.C., Monteiro M.L. -Bilateral

tonic pupil as the only remaining ophtalmic sign

of Lime disease: case report. Arq Bras Oftalmol.

2005 May-Jun;68(3):381-4

13. Gerhards H., Wollanke B. -Antibody titers against

Borrelia in horses in serum and in eyes and occurrence

of equine recurrent uveitis. Berl Munch Tierarztl

Wochenschr 1996 Aug;109(8):273-8

14. Golubic D.,Vinkovic T., Turk D., Hranilovic J., Slugan

I. -Ocular manifestations of Lyme borreliosis in

northwest Croatia. Lijec Vjesn 2004 May-Jun;126(5-

6):124-8

15. Halperin J.J. -Central nervous system lyme disease.

Curr Neurol Neurosci Rep. 2005 Nov 5(6):446-52

16. Hofmann H. -Lyme borreliosis Cutaneous manifestation.

Hautarzt. 2005 Aug;56(8):783-96

17. Karma A., Pirttila T.A.,Viljanen M.K., Lahde Y.E.,

Raitta C.M. -Secondary retinitis pigmentosa and

cerebral demyelination in Lyme borreliosis. Br J

Ophtalmol 1993 Feb;77(2):120-2

18. Karma A., Seppala I., Mikkila H., Kaakkola S.,Viljanen

M., Tarkkanen A. -Diagnosis and clinical characteristics

of ocular Lyme borreliosis. Am J Ophtahalmol

1995 Feb;119(2):127-35

19. Karma A., Stenborg T., Summanen P., Immonen I.,

Mikkila H., Seppala I. -Long-term follow-up of chronic

Lyme neuroretinitis. Retina 1996;16(6):505-9

20. Karma A., Mikkila H. -Ocular manifestations and

treatment of Lyme disease. Curr Opin Ophthalmol

1996 Jun;7(3):7-12

21. Koch F., Augustin A.J., Boker. -Neuroborreliosis

with retinal pigment elithelium detachments. Ger J

Ophthalmol 1996 Jan;5(1)12-5

22. Miyashiro M.J.,Yee R.W., Patel G., Ruiz R.S. -Lyme

disease associated with unilateral interstitial keratitis.

Cornea 1999 Jan;18(1):115-6

23. Mlodzikowska-Albrecht J., Zarowski M., Steinborn

B., Winczewska-Witktor A., Gurda B., Wigowska-

Sowinska J. -Bilateral facial nerve palsy in the

course of neuroborreliosis in children-dynamics,

laboratory tests and treatment. Rocz Akad Med Bialymst

2005;50 Suppl 1:64-9

24. Morales D.S., Siatkowski R.M., Howard C.W., Warman

R. -Optic neuritis in children. Pediatr Ophthalmol

Strabismus. 2000 Sep-Oct;37(5):254-9

25. Niutta A., Barcaroli I., Palombi E. -Monolateral chorioretinitis

with multiple foci in one case of Lyme

disease. Ann Ophtalmol 1993 Jul;25(7):257-61

26. Pradella S.P., Krause A., Muller A. -Acute Borrelia

infection. Unilateral papillitis as isolated clinical

manifestation. Ophtalmologe. 1997 Aug;94(8):591-4

27. Rauter C., Hartung T. -Prevalence of Borrelia burgdorferi

Sensu Lato Genospecies in Ixodes ricinus

Ticks in Europe: a Metaanalysis. Appl Environ

Microbiol 2005 Nov;71(11):7203-16

28. Rothermel H., Hedges T.R. 3rd, Steere A.C. -Optic

Neuropathy in children with Lyme disease. Pediatrics.

2001 Aug;108(2):477-81

29. Schubert H.D., Greenebaum E., Neu H.C. -Cytologically

proven seronegative Lyme choroiditis and

vitritis. Retina 1994;14(1):39-42

30. Sherman M.D., Nozik R.A. -Other infections of the

choroid and retina. Toxoplasmosis, histoplasmosis,

Lyme disease, syphilis, tuberculosis and ocular

toxocariasis. Infect Dis Clin North Am 1992

Dec;6(4):893-908

31. Smith J.L. -Neuro-ocular Lyme borreliosis. Neurol

Clin 1991 Feb;9(1):35-53

32. Stricker R.B., Lautin A., Burrascano J.J. -Lyme disease:

point/counterpoint. Expert Rev Anti Infect Ther

2005 Apr;3(2):155-65

33. Taylor R.S., Simpson I.N. -Review of treatment

options for Lyme borreliosis. J Chemother 2005

Sep;17 Suppl 2:3-16

34. Wormser G.P. -Prevention of Lyme borreliosis.

Wien Klin Wochenschr 2005 Jun;117(11-12):385-91

35. Zrinscak O., Masnec-Paskvalin S., Corak M. Bacani

B., Mandic Z. -Paralytic strabismus as a manifestation

of Lyme borreliosis. Coll Antropol. 2005 29

Suppl 1:137-9

36. Zagorski Z., Biziorek B., Haszcz D. -Ophthalmic

manifestations in Lyme borreliosis. Przegl Epidemiol

2002;56 Suppl 1:85-90

37. Sibony P., Halperin J., Coyle P.K., Patel K. -Reactive

Lyme serology in optic neuritis. J Neuroophtalmol

2005 Jun;25(2):71-82

38. Marieb E.N. -Human Anatomy and Physiology.

Third Edition. California: The Benjamin/Cummings

Publishing Company, Inc, 1995

39. Dirckx J.H. -Stedmans’s concise medical and allied

health dictionary. Third edition. Baltimore: Williams&Wilkins,

1997.

44


HOE BENIGNE IS

BENIGNE INTRACRANIËLE HYPERTENSIE

PSEUDOTUMOR CEREBRI, EEN CASUS

D.C.G.H. Poelma, orthoptist, Bsc optometrist,

Maaslandziekenhuis Sittard

INLEIDING

Tijdens mijn spreekuur onderzocht ik een

vrouw van 24 jaar met dubbelbeelden. Zij

bleek een abducensparese te hebben, veroorzaakt

door pseudotumor cerebri. Dit was de

reden om dit onderwerp meer uit te diepen.

De vraagstellingen die aan de orde komen

zijn: wat zijn de klachten bij pseudotumor

cerebri, wat is het klinische beeld, wat zijn de

oorzaken en wat is de behandeling van pseudotumor

cerebri Daarnaast rijst de vraag: hoe

benigne is benigne intracraniële hypertensie

Allereerst wordt de casus besproken en vervolgens

wordt dieper ingegaan op bovengenoemde

vragen.

CASUS

Een vrouw van 24 jaar bezocht met spoed onze

polikliniek in verband met horizontale

dubbelbeelden en hoofdpijn sinds twee weken.

Ze was verder goed gezond en gebruikte geen

medicijnen. Ze had geen hoge bloeddruk of diabetes

en was niet bekend met allergieën. Wel

rookte ze een pakje sigaretten per dag. In de

familie komen geen ernstige oogaandoeningen

voor. Ze draagt een bril waarmee ze goed ziet.

ORTHOPTISCH ONDERZOEK

Lang stereotest: Lang II pos 200”bgsec

Covertest

nabij m.e.c.: 10 prismadioptrieën esoforie

Covertest

veraf m.e.c.:

16 prismadioptrieën esoforie

tot esotropie

Motiliteit:

Hess-onderzoek:

Convergentie:

kleine abductiebeperking

OS, bij kijken naar links

treedt een duidelijke esotropie

op.Verder geen

afwijkingen

abducensparese OS

goed.

Een fresnelprisma van 7 dioptrieën basis temporaal

werd meegegeven. Hiermee had patiënte

een rustig en enkel beeld op afstand.

OOGHEELKUNDIG ONDERZOEK

• Brilsterkte: R: S+1,75=C-4,25 as 20

L: S+1,25=C-4,25 as 180

AVOD m.e.c: 1.0

AVOS m.e.c.: 0.9

• De Ishihara kleurenzientest werd foutloos

gedaan bij beide ogen en de pupillen tonen

normale reacties. De bloeddruk was licht

verhoogd: 147/87 mmHg.

• Bij het spleetlamponderzoek zagen we heldere

media en een diepe voorste oogkamer.

De oogdruk, gemeten met de noncontacttonometer,

bedroeg beiderzijds 11 Hg.

Fundoscopie toont beiderzijds een fors

papiloedeem, de maculae en periferie

waren normaal.

• Gezichtsveldonderzoek, een MRI-scan,

bloedonderzoek en fluorescentie-angiografie

werden afgesproken en de patiënte

werd doorverwezen naar de neuroloog.

• De MRI-scan toonde geen aanwijzingen

voor een ruimte-innemend proces of

andere afwijkingen. Intra-orbitaal waren er

eveneens geen afwijkingen aantoonbaar.

45


De neuroloog kon geen neurologische verklaring

geven voor het uitgesproken papiloedeem.

• Het gezichtsveldonderzoek (Humphrey

Full Field 120 Point Screening Test) gaf het

volgende beeld:

OD: verspreide relatieve defecten, met

name inferior, een iets vergrote blinde

vlek en een absoluut defect inferior

nasaal

OS: vergrote blinde vlek.

• Bloedonderzoek liet geen antistoffen zien

tegen het Varicella Zoster-virus, het Herpes

Simplex-virus, Borrelia Burgdorferi (Lyme)

en Candida Albicans. Er waren geen aanwijzingen

voor een recente virale infectie

met betrekking tot HIV, Cytomegalovirus

of het Epstein-Barvirus. Alleen de hoeveelheid

thrombocyten en fibrinogeen waren

verhoogd.

Ook is de hematocriet iets te hoog voor

een vrouw, maar dit past bij het rookpatroon

van een pakje sigaretten per dag en

het overgewicht (91 kg bij 1,65m).

• Fluorescentie-angiografie toonde geen

autofluorescentie van de papillen, wel een

stuwingsbeeld. In de periferie en maculae

waren geen afwijkingen zichtbaar.

THERAPIE

Er werd een afwachtend beleid gevoerd. Patiënte

werd geadviseerd om af te vallen en te stoppen

met roken.

ORTHOPTISCH VERVOLGONDERZOEK

Na een maand vond opnieuw een orthoptische

controle plaats.

Patiënte had nog af en toe last van dubbelbeelden,

hoewel dit sterk verminderd was ten

opzichte van een paar weken geleden. Het fresnelprisma

werd niet meer als prettig ervaren.

Wel waren de hoofdpijnklachten toegenomen.

Covertest

nabij m.e.c.:

Covertest

veraf m.e.c.:

6 prismadioptrieën esoforie

10 prismadioptrieën esoforie

Motiliteit:

spoor abductiebeperking OS

lichte toename van de esoforie

bij kijken naar links.

Het fresnelprisma gaf zij weer terug daar zij er

geen baat meer bij had.

Zij werd ontslagen van verder orthoptisch

onderzoek.

OOGHEELKUNDIG VERVOLGONDERZOEK

Oogheelkundig onderzoek toonde nog steeds

een zeer duidelijk papiloedeem met afklemming

van de vaten ODS zonder verdere bijzonderheden.

De visus was gelijk aan die van

het vorige bezoek.

Er werd opnieuw een gezichtsveldonderzoek

(Humphrey Central 30-2 Threshold Test)

gedaan. Dit toonde aan beide ogen een vergrote

blinde vlek en enkele verspreide relatieve

defecten, met name inferior.

OOGHEELKUNDIG VERVOLGONDERZOEK

Na 1 1 /2 maand kwam zij terug voor controle:

De visus was beiderzijds 1,0 met eigen correctie.

Er was geen papiloedeem OD meer zichtbaar

en het papiloedeem OS leek sterk verminderd.

DIAGNOSE

De diagnose pseudotumor cerebri werd als

diagnose per exclusionem vastgesteld gezien

het verloop en de bevindingen. Er is geen lumbaalpunctie

uitgevoerd.

Bij deze patiënte werd een expectatief beleid

ten aanzien van de therapie gesteld zolang de

visus goed bleef en het gezichtsveld niet verslechterde.

Wel is de patiënte geadviseerd te stoppen met

roken en het gewicht te controleren.

Zij zou de daaropvolgende maanden onder

controle van de oogarts blijven en regelmatig

het bloed laten onderzoeken. Zij is echter niet

meer terug geweest.

47


PSEUDOTUMOR CEREBRI

- pulsatile tinnitus: oorsuizen of een tringelend

geluid in de oren, erger bij vooroverbuigen

22,41

- radiculaire pijn, meestal in de armen (een

zeer zeldzaam symptoom)

- Bij chronisch papiloedeem kan metamorfopsie

door subretinaal vocht in de macula en plotseling

visusverlies door een intraoculaire bloeding

secundair aan peripapillaire subretinale neovascularisatie

ontstaan. 6,9,14,18,20,23,36,42

- Bell’s palsy (N.VII paralyse) 5,41

DEFINITIE

Pseudotumor cerebri (PTC) wordt ook wel

benigne intracraniële hypertensie of idiopathische

intracraniële hypertensie genoemd. Hierbij

is sprake van een idiopatisch verhoogde

intracraniële druk (meer dan 250 mmHg

begindruk) met een normale ventrikelgrootte

en normale samenstelling van het cerebrospinale

vocht (CSF) in afwezigheid van een

ruimte- innemend proces of een infectie.

PTC is een klinisch syndroom waarbij tekenen

en symptomen van verhoogde intracraniële

druk (ICP) aanwezig zijn, maar waarin de

mentale en neurologische functie niet aangedaan

zijn. De diagnose wordt gesteld na

andere oorzaken van intracraniële drukverhoging

te hebben uitgesloten. 6,9,18,20,42

SYMPTOMEN

Tot de voornaamste klachten horen:

- Hoofdpijn; dit is een pulserende matige

hoofdpijn in het hele hoofd die dagelijks aanwezig

is, maar die vaak ’s morgens erger is en

erger wordt bij plotselinge bewegingen zoals

hoesten. De hoofdpijn kan samengaan met

fotofobie, nausea en overgeven. 6,9,14,16,20,23,36,42

- Fluctuerende visuele verstoringen zoals het

tijdelijk donker worden van het zicht gedurende

enkele seconden, scotomen, verlies

van perifeer zicht in een of beide ogen, flitsen,

algemeen wazig zien en verminderd

centraal zicht. Kenmerkend is dat het visusverlies

vooral optreedt bij verandering van

houding. Het kan mild tot ernstig van karakter

zijn. 9,16,25,42

- Dubbelbeelden door een unilaterale of bilaterale

N.VI-parese, maar ook een N.IV- of

N.III-parese kan voorkomen. 6,9,14,16,20,23,36,42

Daarnaast kunnen patiënten klagen over:

- duizeligheid

- nekstijfheid (vaak bij kinderen) 2

- trigeminusneuralgie: aangezichtspijn in één

of meer van de drie takken van de nervus

trigeminus (N.V) 41

ONDERZOEK

Tijdens het oogheelkundig onderzoek kunnen

de volgende tekenen wijzen op PTC:

- bilateraal papiloedeem. 9,14,18,20,42 Er zijn echter

ook casussen bekend zonder papiloedeem.

16,19

- verminderde visus. Gedeeltelijke of complete

monoculaire verminderde visus is vaak

het eerste neurologische teken. 9,14,18,20,42

- gezichtsveldafwijkingen, zoals inferonasale

scotomen, bilaterale concentrische beperking

en vergrote blinde vlekken 9,14,18,20,41,42

- parese van de N.VI, N.III of N.IV. 3,21,39 Een

N.VI-parese komt in 10-40% van de gevallen

met PTC voor. Een N.VI-parese kan verklaard

worden door een verplaatsing van de

hersenstam waarbij druk ontstaat door het

rotsbeen op de N.VI. 10,16,25,34,35 Een N.IIIparese

is zeldzaam en kan dus ook een nietspecifiek

teken zijn van verhoogde ICP. 28

- skew deviation 3

- bilaterale totale interne en externe ophthalmoplegie

- N.V-neuralgie 42

- facialisparese. 5

Neurologisch onderzoek geeft:

- verhoogde ICP. Hiervoor wordt een

lumbaalpunctie uitgevoerd. De druk ligt tussen

250 en 400 mm CSI.

- De samenstelling van het CSF is normaal.

- normale CT/MRI-scan; geen tumoren of verplaatsing

van hersenstructuren. Bij atypische

klinische kenmerken kan een CT- of MRIscan

met contrast gebruikt worden. 23

48


- neurologisch verder geen afwijkingen, geen

verlammingen, gevoelsstoornissen of stoornissen

van het bewustzijn of geheugen. 30

De diagnose PTC kan alleen gesteld worden

op grond van de volgende uitkomsten:

een normale CT- of MRI-scan bij een verhoogde

intracraniële druk en een normale

samenstelling van de CSF en als alle andere

mogelijke oorzaken zijn uitgesloten. 9,14,23,42,43

MECHANISME

Bij PTC is er sprake van een verhoogde liquordruk.

Het hersenvocht wordt geproduceerd in

de hersenkamers en stroomt naar de subarachnoïdale

ruimten.Vervolgens wordt het in

het bloed opgenomen door de arachnoïdale

granulaties van Pacchioni. Dit is weefsel in de

wand van de veneuze sinussen.

Verhoging van de liquordruk kan komen door

een afgenomen afvoer van liquor doordat de

veneuze sinussen of de arachnoïdale granulaties

verstopt raken of door een toegenomen

productie.

druk in de

hersenkamers

druk

in de

SAR

verstopte sinus

PSEUDOTUMOR

hersenkamers

hersenweefsel

hersenvocht in de

subarachnoïdale ruimten

(SAR)

open sinus

HYDROCEFALIE

druk in de

hersenkamers

verklevingen

Bron: Nederlandse Vereniging van Neurochirurgen (2004)

Bij PTC is de druk overal in de liquorruimten

hetzelfde. Hierdoor zijn de hersenkamers normaal

van grootte of zelfs licht vernauwd. Deze

vernauwing komt doordat er liquor uit de hersenen

sijpelt naar het omringende weefsel,

waardoor dit weefsel zwelt en er hersenoedeem

ontstaat. 16,30,42

OORZAAK

PTC komt meestal voor bij vrouwen in de

vruchtbare leeftijd tussen 20 en 50 jaar zonder

verdere gezondheidsproblemen. Het kan ech-

druk

in de

SAR

ter ook bij mannen en kinderen voorkomen,

maar dat is zeldzaam. 2,6,14,24 De verhouding

vrouw : man is 8 : 1. 14

In de literatuur is obesitas een van de meest

voorkomende oorzaken van PTC.Vooral

recente gewichtstoename geeft aanleiding tot

het ontstaan van PTC. Het lijkt erop dat de

productie van liquor twee tot vier keer hoger

ligt bij obesitas. PTC bij obesitas komt bij 14

op de 100.000 mensen voor. 14,41,42,43

Tot de andere mogelijke oorzaken voor het

ontstaan van PTC behoren:

- Menstruele onregelmatigheden of hormonale

veranderingen tijdens de zwangerschap

(1 op 850 zwangere vrouwen), waarbij er een

verminderde afvoer of een vergrote productie

plaatsvindt. Ook bij stoornissen in schildklierhormonen

of de bijnieren hypofysehormonen

kan PTC voorkomen. 9,23,42

- Bij het gebruik van de anticonceptiepil: hierdoor

treedt een verstopping op van de

veneuze sinussen door een verhoogde stolling

van het bloed. 23

- Door medicijnen als:

- antibiotica van de tetracyclinegroep,

cyclosporine 8

- vitamine A in overdosering van meer dan

100.000 U/dag (hypervitaminosis A) bij

acnébehandeling of derivaten van vitamine

A (bijvoorbeeld bij behandeling van

leukemie bij kinderen) 1,2,33

- groeihormoon bij de behandeling van

dwerggroei

- van schildklier afgeleide stoffen zoals amiodaron

(gebruikt bij hartritmestoornissen)

- het stoppen van steroïden na een lange

periode van gebruik

- bepaalde anti-epileptica als fenytoïne

- levodopa (anti-Parkinson) 7,9,18,23,42,43

- Als complicatie bij de ziekte van Lyme. Dit is

echter zeldzaam bij volwassenen. 4,15,32

- Systemic Lupus Erythematodes en de ziekte

van Besnier-Boeck waarbij er verstopping

van de veneuze sinussen of de granulaties

van Pacchioni kan ontstaan 7,9,18,23,42,43

49


- Nierfalen 37 , Addison’s disease 42 , bloedziekten

(sickle cell disease, anemia) 9,12,13,44 , slaapapnoe

(met name bij mannen) 24 en longziekten

(cystic fibrosis; met name door de gebruikte

medicatie) 26,27 worden ook genoemd in de

literatuur.

Een grotere kans op PTC is aanwezig als

meerdere factoren samenkomen, zoals zwangerschap

en obesitas of een combinatie van

vitamine A en tetracyclinepreparaten voor de

behandeling van acne. 7,9,18,23,42,43

THERAPIE

De therapie wordt gebaseerd op het papiloedeem,

de gezichtsvelddefecten en de centrale

visusdaling. Hiervoor is het zaak dit in een

vroeg stadium van de ziekte vast te leggen en

gedurende de behandelperiode verscheidene

keren te herhalen, zodat veranderingen zichtbaar

zijn. De behandeling is erop gericht om

de ICP te verlagen en progressief visusverlies

te voorkomen. Bij milde symptomen wordt er

vaak voor gekozen om geen behandeling in te

stellen. 9,14,42

De behandeling is afhankelijk van de oorzaak

en kan bestaan uit:

- het staken van de medicijnen die PTC veroorzaken

en het geven van plaatsvervangende

medicijnen.

- gewichtsverlies als overgewicht een rol

speelt

- diuretica zoals diamox (eerste keus), acetazolamide

of furosemide

- corticosteroïden

- steroïden: dit is controversieel, omdat het

stoppen van steroïden na een lange periode

van gebruik ook PTC kan veroorzaken

- herhaaldelijke lumbaalpuncties

- een optic nerve sheath fenestration als het

gezichtsvermogen ernstig bedreigd wordt. Er

wordt dan een uitgang gemaakt voor het

cerebrospinale vocht in de regio van de nervus

opticus

- het aanbrengen van een lumbo-peritoneale

of ventriculo-peritoneale shunt. 6,7,9,14,42,43

Wanneer verbetering uitblijft is het soms nodig

de CT/MRI-scan te herhalen om een verborgen

maligniteit uit te sluiten. Als follow-up

wordt geadviseerd om elke drie weken de

visus en fundi te controleren en het gezichtsveldonderzoek

elke vijf weken te herhalen. 9,36

PROGNOSE

De prognose is goed. Als de ICP normaal is,

verdwijnen de afwijkingen.

In 10% van de gevallen treedt er echter blijvende

visuele schade (centrale visusvermindering

of gezichtsvelddefecten) op. In een heel

klein percentage wordt het visusverlies erger

door opticusatrofie als gevolg van progressief

papiloedeem en deze patiënten kunnen uiteindelijk

blind worden. In 10 tot 20% vindt

een of meer herhalingen van PTC plaats. Ook

kunnen bijwerkingen van de medicijnen of

complicaties van de andere behandelmethoden

optreden. 7,9,30,38,42

Vroege diagnose en behandeling en strenge

controle is essentieel voor het behoud van de

visus en het gezichtsveld. 9,36

Differentiaaldiagnose

Voor de differentiaaldiagnose komen in aanmerking:

- pseudopapiloedeem door drusen 9,16,18,42,43

- Guillain Barré-syndroom, waarbij papiloedeem

en verhoogde ICP aanwezig zijn. Het

papiloedeem is meestal asymptomatisch of

gaat samen met milde gezichtsvelddefecten

zonder visusverlies. Het CSF heeft een hoog

proteïne gehalte, in tegenstelling tot PTC

waarbij de CSF normaal is. Ook bestaat bij

dit syndroom een limbale zwakheid, hyporeflexia

en polyradiculopathie. 17

- Tolosa-Huntsyndroom: zeldzaam, samengaand

met hoofdpijn en oogheelkundige

verstoringen. PTC verschilt hiervan door zijn

bilateraal papiloedeem. 11,29

- Neuritis optica: hierbij is er sprake van acuut

visusverlies, pijn bij oogbewegingen, een

afferent pupildefect, geen verhoogde ICP en

plaques in de witte stof die op een MRI-scan

zichtbaar zijn. 9,16,18,42,43

50


- Hydrocephalus door een infectie, tumor of

een ander ruimte-innemend proces,

waardoor de productie toeneemt of de

afvoer vermindert. In tegenstelling tot PTC

is hierbij de druk binnen de hersenkamers

groter dan erbuiten, waardoor de hersenkamers

uitzetten. 16,30,43

- Optic disc vasculitis. Dit wordt gekarakteriseerd

door een unilateraal papiloedeem,

gedilateerde venen, tortuositas en peripapillaire

bloedingen. 14

- Ischaemische optic neuropathie: eerst unilateraal,

later bilateraal, kan gepaard gaan met

plotseling ernstig visusverlies. Daarnaast ziet

men een afferent pupildefect en afwijkend

bloedbeeld.

- Diabetische papillitis: de patiënt is bekend

met diabetes type I of een verhoogde bloedsuikerspiegel.

9,16,18,42,43

- Papillitis: hierbij is meestal sprake van unilaterale

visusdaling en verminderd kleurenzien

van het aangedane oog en cellen in het

glasvocht. 25,40

PTC BIJ KINDEREN

Bij kinderen komt PTC minder voor. Ook hierbij

is sprake van een normale CT- of MRI-scan

met normale ventrikels, verhoogde ICP en een

normale samenstelling van de CSF. 14,23,42,43 De

oorzaak moet gezocht worden op een ander

vlak dan bij volwassenen.Vaak is medicatie,

met name hoge doses vitamine A of afgeleiden

daarvan, de boosdoener. 1,2,33 Ook bij behandeling

van dwerggroei met groeihormonen kan

PTC ontstaan. PTC kan ook ontstaan als complicatie

van de ziekte van Lyme. 4,15,32

De verhouding jongens : meisjes is gelijk, in

tegenstelling tot de verhouding man : vrouw

in de groep volwassenen. 2,6,14,24

Kinderen kunnen klagen over hoofdpijn of

visusstoornissen, 6,9,14 maar vaak zijn de eerste

klachten een stijve nek, 2 overgeven, dubbelbeelden

door een N.VI-parese en strabismus.

10,16 Een enkele keer kan het uitpuilen van

de fontanel te zien zijn. Bij het oogheelkundig

onderzoek ziet men net als bij volwassenen

papiloedeem en gezichtsveldbeperkingen. 9,14,18

Therapie in de vorm van medicatie (prednison)

is vaak voldoende om de ICP te verminderen.

Andere methoden zijn een lumboperitoneale

shunt of herhaaldelijke lumbaalpuncties.

De prognose is goed. Door het verlagen van de

ICP zal het papiloedeem en de N.VI-parese

verdwijnen. Een enkele keer blijft een esotropie

bestaan. 6,7,9,14,42,43

Ook voor deze groep geldt dat gezichtsvelddefecten

en visusverlies na behandeling kunnen

blijven bestaan. Als verdere therapie moet

gedacht worden aan occlusietherapie en

strabismuschirurgie.

Het is belangrijk om deze aandoening te ontdekken,

omdat het kan samengaan met ernstig

visusverlies. 7,9,30,38,42

CONCLUSIE

Pseudotumor cerebri wordt gekenmerkt door

een verhoogde ICP met een normale ventrikelgrootte

en een normale samenstelling van

het CSF in afwezigheid van een ruimte-innemend

proces of een infectie.

Het komt meestal voor bij vrouwen in de

vruchtbare leeftijd tussen 20 en 50 jaar. De

enige consistente oorzaak is vooralsnog obesitas

of een recente gewichtstoename. Bij kinderen

ligt de oorzaak in medicijngebruik of de

ziekte van Lyme.

De voornaamste klachten zijn hoofdpijn, fluctuerende

visusstoornissen bij verandering van

houding en dubbelbeelden. Oogheelkundig

onderzoek toont bilateraal papiloedeem, vaak

een verminderde visus en gezichtsveldafwijkingen.

Een N.VI-, N.IV- of N.III-parese kan

ook voorkomen. 6,9,14

Om de diagnose te stellen moeten alle andere

mogelijke oorzaken uitgesloten worden.

De behandeling is gericht op het weghalen

van de oorzaak en het verlagen van de ICP.

51


Terugkomend op de vraag in de inleiding van dit

artikel: “Hoe benigne is benigne intracraniële

hypertensie”kan deze gelukkig positief beantwoord

worden. De prognose is namelijk uitstekend,

hoewel in een klein percentage blijvende

schade of zelfs blindheid kan ontstaan.

Frequente controles van visus, gezichtsveld en

fundus zijn erg belangrijk om dit te voorkomen.

LITERATUURLIJST

1. Alemayehu W. -Pseudotumor cerebri (toxic

effect of the ‘magic bullet’). Ethiop Med J.

1995 Oct; 33(4):265-270

2. Baker R.S., Baumann R.J., Buncic J.R. -Idiopathic

intracranial hypertension (pseudotumor

cerebri) in pediatric patients. Pediatr

Neurol. 1989 Jan-Feb; 5(1):5-11

3. Baker R.S., Buncic J.R. -Vertical ocular

motility disturbance in pseudotumor cerebri.

J Clin Neuroophthalmol. 1985 Mar;

5(1):41-44

4. Belman A.L., e.a. -Neurologic manifestations

in children with North American

Lyme disease. Neurology. 1993 Dec;

43(12):2609-2614

5. Capobianco D.J., Brazis P.W., Cheshire

W.P. -Idiopathic intracranial hypertension

and seventh nerve palsy. Headache. 1997

May; 37(5):286-288

6. Cinciripini G.S., e.a. -Idiopathic intracranial

hypertension in prepubertal pediatric

patients: characteristics, treatment, and

outcome. Am J Ophthalmol. 1999 Feb;

127(2):178-182

7. Colebatch J.G., Lance J.W. -Benign intracranial

hypertension. Aust J Ophthalmol.

1983 Aug; 11(3):235-239

8. Cruz O.A., Fogg S.G., Roper-Hall G. -Pseudotumor

cerebri associated with cyclosporine

use. Am. J. Ophthalmol 1996; 122 (3):

436-437

9. Cullom R.D., Chang B. -The wills eye

manual. Philadelphia; J.B. Lippincott Company.

1994; 2e druk, 270-274, 412

10. Duus P. -Topical diagnosis in neurology.

Stuttgart; Georg Thieme Verlag. 1989; 2e

druk, 85-88, 101-113, 315

11. Gruber H. -Eye and headache. Ophthalmologic

findings in pseudotumor cerebri

and Tolosa-Hunt syndrome. Wien Med

Wochenschr. 1987 Jul 15; 137(13):293-294

12. Henry M., e.a. -Pseudotumor cerebri in

children with sickle cell disease: a case

series. Pediatrics. 2004 Mar; 113 (3 Pt

1):e265-269

13. Jeng M.R., e.a. -Pseudotumor cerebri in

two adolescents with acquired aplastic anemia.

J Pediatr Hematol Oncol. 2002 Dec;

24(9):765-768

14. Kabat A.G. -PTC: not-so-benign intracranial

hypertension. American Academy of

Optometry. 2002; 173-174

15. Kan L., Sood S.K., Maytal J. -Pseudotumor

cerebri in Lyme disease: a case report and

literature review. Pediatr Neurol. 1998 May;

18(5):439-441

16. Kanski J.J. -Clinical ophthalmology.

Oxford; Butterworth-Heinemann Ltd.

1994; 3e druk, 476-478, 487-489

17. Kharbanda P.S., e.a. -Visual loss with papiledema

in Guillain-Barré syndrome. Neurology

India. 2002; 50(4): 528-529

18. Kline L.B., Bajandas F.J. -Neuro-ophthalmology

review manual. Thorofare; Slack

Incorporated. 1996; 4e druk, 83-91, 95-103,

137-138, 142, 161-164, 167-172

19. Krishna R., Kosmorsky G.S., Wright K.W.,

-Pseudotumor cerebri sine papilledema

with unilateral sixth nerve palsy. J Neuroophthalmol.

1998 Mar; 18(1):53-55

20. Kurlemann G., Schuierer G. -Benign intracranial

hypertension in childhood-pseudotumor

cerebri. Klin Pediatr. 1993 Sep-Oct;

205(5):340-344

21. Lee A.G. -Fourth nerve palsy in pseudotumor

cerebri. 1995; Strabismus. 3:(2):57-59

22. Lee A.G. -Pulsatile tinnitus as the presenting

symptom of pseudotumor cerebri. J.

Otolaryngology. 1996;25:(3);203-204

23. Lee A.G, e.a. -Occult cerebral vascular causes

of pseudotumor cerebri. Neuro-oph-

52


thalmology. 1999; 21:157-163

24. Lee A.G., e.a. -Sleep apnea and intracranial

hypertension in men. Ophthalmology. 2002

Mar; 109(3):482-485

25. Lepore F.E. -False and non-localizing signs

in neuro-ophthalmology. Current Opinion

in Ophthalmology. 2002; 13: 371-374

26. Levy B., e.a. -Intracranial hypertension and

adult respiratory distress syndrome: usefulness

of tracheal gas insufflation. J Trauma.

1995 Oct; 39(4):799-801

27. Lucidi V., e.a. Benign intracranial hypertension

in an older child with cystic fibrosis.

Pediatr Neurol. 1993 Nov-Dec; 9(6):494-

495

28. McCammon A., Kaufman H.H., Sears E.S. -

Transient oculomotor paralysis in pseudotumor

cerebri. Neurology. 1981 Feb;

31(2):182-184

29. Mein J., Trimble R. -Diagnosis and management

of ocular motility disorders.

Oxford; Blackwell Science Ltd, 1991; 2e

druk, 296-297

30. Moffat F.L. -Pseudotumor cerebri. Can J

Neurol Sci. 1978 Nov; 5(4):431-436

31. Nazir S.A., Siatkowski R.M. -Pseudotumor

cerebri in idiopathic aplastic anemia. J

AAPOS. 2003 Feb; 7(1):71-74

32. Nord J.A., Karter D. -Lyme disease complicated

with pseudotumor cerebri Clinical

Infectious Diseases. 2003 Jul 15; 37(2):e25-

e26

33. Onwuchekwa A.C., e.a. -A 14-year-old

Nigerian female with idiopathic intracranial

hypertension. Afr Health Sci. 2002 Dec;

2(3):124-126

34. Peters G.B., Bahn S.J., Krohel G.B. -Cause

and prognosis of non-traumatic VI nerve

palsies in young adults. Ophthalmology.

2002; 109 (10): 1925-1928

35. Pilking R.F., Sabri K., Chaudhuri P.R. -

Non-traumatic sixth nerve palsy in a young

patient. Strabismus, 2005; 13: 11-13

36. Santos S., e.a. -Pseudotumor cerebri: analysis

of our cases and review of the literature.

Rev Neurol. 2001 Dec; 16-31;

33(12):1106-1111

37. Shaw D., Priestman W., McIntyre C.W.

-Benign intracranial hypertension in a

patient with chronic renal failure, precipitated

by hemodialysis. Clin Nephrol. 2002

Dec; 58(6):458-460

38. Smith K.H., Wilkinson J.T., Brindley G.O.

-Combined third and sixth nerve paresis

following optic nerve sheath fenestration. J

Clin Neuroophthalmol. 1992 Jun; 12(2):85-7

39. Speer C., e.a. -Fourth cranial nerve palsy in

pediatric patients with pseudotumor cerebri.

Am J Ophthalmol. 1999 Feb;

127(2):236-237

40. Stilma J.S.,Voorn Th.B. -Praktische oogheelkunde.

Houten; Bohn Stafleu van Loghum.

1996; 2e druk, 231-232, 285

41. Sugerman H.J., e.a. -Gastric surgery for

pseudotumor cerebri associated with

severe obesity. Ann Surg. 1999 May;

229(5):634-640

42. Walsh T.J. -Neuro-ophthalmology: clinical

signs and symptoms. Philadelphia; Lea &

Febiger. 1992; 3e druk, 38-42, 47-48, 150,

510-511

43. Wright K.W. -Textbook of ophthalmology.

Baltimore; Williams & Wilkins. 1997; 1e

druk, 154-158

44. Yager J.Y., Hartfield D.S. -Neurologic manifestations

of iron deficiency in childhood.

Pediatr Neurol. 2002 Aug; 27(2):85-92.

53


CONTACTLENZEN BIJ KINDEREN

M. van Beusekom, optometrist

INLEIDING

Contactlenzen zijn uit onze huidige maatschappij

niet meer weg te denken. Hoewel de

schattingen uiteenlopen, dragen in Nederland

op dit moment tussen de twee- en tweeënhalf

miljoen mensen contactlenzen. De meeste

mensen dragen zachte contactlenzen (65 –

70%) de rest draagt vormstabiele (harde) lenzen.

Deze laatste groep is de laatste jaren sterk

aan het afnemen.

In dit artikel zal kort de historie van de contactlens

worden weergegeven. De verschillen

tussen de diverse lenstypen zullen worden

toegelicht en er zal worden ingegaan op de

vraag waar contactlenzen binnen de orthoptische

praktijk een taak kunnen vervullen. Tenslotte

zal de vraag worden behandeld of contactlenzen

een rol spelen bij de beheersing van

de progressie van myopie.

DE GESCHIEDENIS

VAN DE CONTACTLENS

Als we naar de ontstaansgeschiedenis van de

contactlens kijken, dan wordt deze gekenmerkt

door de verschuiving van sclerale lenzen naar

corneale lenzen. Ook in de productietechniek

van contactlenzen zien we een verschuiving van

het maken van lenzen met behulp van mallen

tot de hedendaagse submicrondraaitechnieken.

Binnen de materialen zien we dat de eerste lenzen,

die gemaakt waren van glas, al geruime tijd

hebben plaatsgemaakt voor lenzen van hoogwaardige

kunststoffen.

In de periode die ligt tussen 1650 en 1850 zijn

de eerste stappen in de contactologie gezet.

Niet dat men bewust bezig was met de ontwikkeling

van een contactlens. Deze eerste stappen

bestonden in feite uit het toepassen van diverse

methodieken om patiënten beter te laten zien.

Hierbij gebruikte men bijvoorbeeld schaaltjes

gevuld met gelatine, die op een oog werden

geplaatst (J. F. William Herschel). In deze periode

kwam T.Young met het idee om een onregelmatig

hoornvlies af te dekken met een

kunsthoornvlies, om zo de visus te verbeteren.

De eerste ‘officiële’toepassing van een contactlens

wordt toegeschreven aan X. Galezowski

ergens tussen 1886 en 1889. Hij gebruikte

gelatineschijfjes voor wondafdekking na staaroperaties

(slechte wondsluiting). Hiermee

introduceerde hij min of meer de eerste bandage

contactlens.

Gedurende de hierboven beschreven periode

werden ook belangrijke stappen gezet in de ontwikkeling

van instrumentarium voor het kunnen

verrichten van allerlei metingen aan de ogen.

Helmholtz, Donders en Graefe ontwikkelden een

aantal meetinstrumenten waarmee de bolling

van een hoornvlies kon worden gemeten om zo

een eerste stap in de richting van het aanmeten

van contactlenzen te kunnen zetten. De ideeën

en principes die zij toen ontwikkelden, worden

op dit moment nog steeds toegepast, zij het in

een modernere vormgeving en geavanceerder.

In de periode tussen 1890 en 1945 worden er

wereldwijd diverse pogingen beschreven van

het toepassen van allerlei soorten ‘contactlenzen’.

Het belangrijkste toepassingsgebied is de

keratoconus. Reeds toen wist men dat een van

de weinige therapeutische oplossingen voor

dit probleem een ‘contactlens’was. De allereerste

toepassing van een ‘contactlens’in Nederland

dateert uit 1892.

54


ROL TWEEDE WERELDOORLOG

Zoals bij vele disciplines binnen de medische

wetenschap zijn er binnen de oogheelkunde

gedurende de Tweede Wereldoorlog grote

stappen voorwaarts gezet. Doordat de cockpitdaken

van de Engelse Spitfiregevechtsvliegtuigen

gemaakt waren van perspex, kregen vele

piloten splinters van deze daken in hun ogen.

Opvallend was dat dit materiaal in het oog

prima verdragen werd, afgezien van de schade

veroorzaakt door het binnendringen in het

oog zelf. Door deze ontdekking is bijvoorbeeld

het idee ontstaan om intraoculaire lenzen van

perspex (pMMA) te maken en deze te implanteren.

Ook is toen de contactlens uit pMMA

ontwikkeld: de echte voorloper van onze huidige

harde contactlens.

SOORTEN CONTACTLENZEN

Sinds midden jaren ‘60, toen de eerste zachte

contactlenzen op de markt kwamen, zijn er

feitelijk twee soorten contactlenzen. De twee

basistypen zijn de harde (vormstabiele) en de

zachte contactlenzen. Zowel de harde als de

zachte contactlens kennen inmiddels diverse

subtypen. Sinds 2000 is er een nieuwe generatie

contactlens op de markt verschenen en dat

is de siliconen hydrogel. In onderstaand

schema is een overzicht van de soorten contactlenzen

weergegeven.

Zoals uit het schema blijkt kunnen contactlenzen

op diverse manieren worden ingedeeld. Bij

de vormstabiele lens wordt er in hoofdzaak

een indeling gemaakt naar de vorm (bolling)

van de lens en het soort correctie. Bij zachte

lenzen wordt ook een indeling gemaakt naar

correctie, maar ook de diverse materialen worden

ingedeeld in groepen. De indeling die hier

wordt weergegeven is de meest eenvoudige

indeling. Officieel worden zachte lenzen ingedeeld

volgens de FDA-indeling waarbij slechts

een onderscheid wordt gemaakt tussen laag

(


eweegt bij elke knipperslag. Omdat er altijd

een deel van de cornea bedekt zal zijn door de

lens en een ander deel niet, wordt deze beweging

van de contactlens aanvankelijk gevoeld.

Je moet aan het dragen van vormstabiele lenzen

dus wennen. Deze gewenningsperiode

kan in de praktijk tot wel zes weken duren.

Eenmaal gewend aan de lens wordt de beweging

niet meer gevoeld. Mocht er echter een

stofje achter de lens terecht komen dan is dat

natuurlijk geen prettig gevoel. Deze stofgevoeligheid

en het feit dat de verlieskans van dit

type lens groter is dan bij zachte lenzen,

maken dat deze lens minder geschikt is voor

bijvoorbeeld sporten. Het mindere comfort ten

opzichte van de zachte lens, heeft ertoe geleid

dat de populariteit van de vormstabiele lens

minder is dan die van zachte lenzen. Op zich

is dit jammer, want het mindere comfort is

eigenlijk het enige minpunt van deze lenzen,

verder hebben zij alleen maar voordelen ten

opzichte van de zachte lenzen.

ZACHTE LENZEN

Zoals het woord al verraadt voelt deze lens op

het oog zacht aan en geeft dus een zeer snelle

gewenning. Dit komt doordat deze lenzen zijn

gemaakt van een kunststof welke in staat is

water op te nemen. Men kan dit vergelijken

met een spons die in uitgedroogde toestand

hard is, maar in contact met water het water

opneemt en zacht wordt. In de zachte lens

fungeert het opgenomen water als transportmiddel

voor zuurstof. Helaas is de zuurstoftransporterende

capaciteit van deze lenzen

maar beperkt en zachte lenzen veroorzaken

dus regelmatig zuurstoftekorten in het hoornvlies.

Dit zuurstofprobleem neemt gedurende

de dag toe door verdamping van traanvocht uit

de contactlens. Doordat deze lenzen vocht

opnemen vervuilen ze ook sneller; dat is de

reden dat zachte lenzen zeer regelmatig moeten

worden vervangen. Gangbare vervangingssystemen

die tegenwoordig worden gehanteerd

werken allemaal met vervangingsfrequenties van

een maand of minder.

SILICONEN HYDROGELS

De nieuwste generatie contactlenzen wordt

gemaakt van siliconenrubber. Deze lenzen lijken

sterk op de zachte lenzen, maar laten veel

meer zuurstof door (ongeveer 10 tot 15 keer

meer).Vanwege deze enorme zuurstofdoorlaatbaarheid

zijn deze lenzen veel veiliger dan

de huidige zachte contactlenzen. Tevens uitermate

geschikt om bij kinderen toe te passen.

Het zal nog een paar jaar duren voordat er ook

in Nederland meer siliconenlenzen dan traditionele

zachte lenzen worden toegepast. Ook

zijn nog lang niet alle sterkten leverbaar in dit

nieuwe revolutionaire materiaal.

KINDEREN EN CONTACTLENZEN

Binnen de orthoptie kunnen contactlenzen

een prima rol vervullen als het gaat om het

corrigeren van refractieafwijkingen.Vooral de

hogere sterkten (sferisch en cilindrisch) zijn

prima en wellicht beter te corrigeren met lenzen

dan met een bril. Zeker bij de negatieve

sterkten geven contactlenzen een betere netvliesafbeelding

dan de correctie met een bril.

Voor het dragen van contactlenzen is geen

minimumleeftijd aan te geven. Contactlenzen

worden soms al op een leeftijd van slechts

enkele maanden toegepast, zij het dat dit

natuurlijk in een zuiver therapeutische setting

gebeurt (bijvoorbeeld bij congenitaal cataract).

Het toepassen van contactlenzen in het algemeen

is niet vrij van risico’s, zoals momenteel

ook uit de media blijkt. Indien lenzen al op

jonge leeftijd worden gedragen is het verstandig

dat dit onder strikte begeleiding gebeurt.

Orthoptie en contactlenzen

Zoals hiervoor genoemd kunnen contactlenzen

een goede aanvulling bieden in de orthoptische

praktijk. Hierbij valt vooral te denken

aan het corrigeren van anisometropieën, astigmatisme

of onregelmatigheden van de cornea

(na een corneatrauma).Voor het toepassen van

contactlenzen binnen de orthoptische praktijk

zal moeten worden samengewerkt met opto-

56


metristen en/of contactlensspecialisten, zo

mogelijk binnen dezelfde intramurale instelling.

Er zal gewerkt moeten worden aan de hand van

duidelijke afspraken. Binnen dit samenwerkingsverband

is het de orthoptist die de sterkte van de

lenzen bepaalt, hierbij is het aangeven van de

brilsterkte voldoende. De optometrist of contactlensspecialist

kan dit eenvoudig vertalen naar

een contactlenssterkte. Het is de taak van de

optometrist / contactlensspecialist om de

gezondheid van de cornea te bewaken en te zorgen

dat de contactlenzen zonder problemen

gedragen kunnen worden.

Wanneer er een lagere visus wordt gemeten

dan bij een eerdere controle is het belangrijk

om te beseffen dat dit ook kan worden veroorzaakt

door de contactlens! Een reden om bijvoorbeeld

de controles van orthoptie en optometrie

te combineren.

Wie is wie in contactlensland

Voor het toepassen van contactlenzen binnen

de orthoptiepraktijk is het belangrijk te weten

dat contactlenzen in Nederland mogen worden

aangemeten door iedereen die dat maar

wil. Met andere woorden: er zijn dus geen

wettelijke bepalingen die aangeven wie wel en

wie niet contactlenzen mag aanmeten. Iedereen

mag zich contactlensspecialist noemen.

Het is dus niet verstandig om patiënten naar

een willekeurige opticien c.q. contactlensspecialist

te sturen voor het aanmeten van contactlenzen.

Er zal moeten worden gelet op een

paar kenmerken.

Om zeker te weten dat een contactlensspecialist

tenminste een diploma heeft kan worden

gevraagd naar het lidmaatschap van de ANVC

(Algemene Nederlandse Vereniging van Contactlensspecialisten).

Indien de contactlensspecialist

lid is van deze vereniging kan men er

in ieder geval van verzekerd zijn dat de contactlensspecialist

beschikt over een diploma.

Een andere mogelijkheid is om patiënten te

sturen naar een optometrist. Omdat dit een

beschermd beroep is staat vast, dat deze per-

soon beschikt over de kennis om contactlenzen

op een veilige manier toe te passen. In

beide gevallen geldt dat er wel duidelijke

werkafspraken moeten worden gemaakt.

Welke lens

Het is niet heel eenvoudig om even kort te

zeggen welke lens in welk geval geschikt is,

maar er is wel een algemene lijn aan te geven.

Het belangrijkste gegeven in de keuze is de

reden waarom er een contactlens wordt toegepast:

is dit vanwege een cosmetische reden of

betreft het een therapeutische overweging

Ook de leeftijd speelt hier een rol, hoe jonger

de kinderen zijn des te groter de noodzaak om

bijvoorbeeld de siliconen hydrogels toe te passen.

Het kan echter zijn dat er beperkingen

gelden ten aanzien van bepaalde sterktes,

waardoor er zal moeten worden uitgeweken

naar een traditionele zachte contactlens.

Als een kind wordt behandeld als gevolg van

een corneatrauma, kan het toepassen van een

siliconenlens bijvoorbeeld helemaal niet

mogelijk zijn en is men aangewezen op een

vormstabiele contactlens.Vooral bij heel jonge

kinderen kan dit weer tot allerlei praktische

problemen leiden. De optometrist / contactlensspecialist

zal hier dus allemaal rekening

mee moeten houden.

Naast de keuze van de juiste contactlens (soms

kan het een bepaalde periode duren voor de

juiste is gevonden) ligt daar nog de uitdaging

van het leren omgaan met contactlenzen. Het

meest belangrijke aspect van deze instructie is

het uithalen van contactlenzen. Een kind zal in

staat moeten zijn zelfstandig de contactlenzen

uit te nemen wanneer er sprake is van irritatie

van het oog. Het inzetten van contactlenzen

kan uiteraard door een van de ouders / verzorgers

gebeuren. Het toepassen van lenzen op

basis van permanent wear is, gelet op de infectierisico’s,

absoluut af te raden. Toch zal de

reden waarom lenzen gedragen gaan worden

bepalen in hoeverre aan deze criteria de hand

moet worden gehouden. Hoe noodzakelijker

57


het is dat een kind een contactlens draagt, des

te meer concessies zullen worden gedaan ten

aanzien van het zelfstandig kunnen hanteren

van de lenzen. Daar zal echter tegenover moeten

staan dat de bewaking van de normale

corneafysiologie in dat geval ook veel intensiever

zal moeten plaatsvinden.

TOT SLOT

Contactlenzen verdienen ook binnen de

orthoptie een duidelijke plaats. Binnen steeds

meer praktijken wordt dit inmiddels ook

onderkend en is de contactlens een waardevolle

aanvulling geworden op het behandelaanbod.

Ook ontwikkelingen binnen de contactlensindustrie

zorgen ervoor dat we in de

(nabije) toekomst ook veel beter bij jonge kinderen

veilig contactlenzen kunnen aanmeten.

Toch kan geen enkele ontwikkeling binnen de

contactologie garanderen dat er geen complicaties

optreden, waardoor bewaking van de

corneafysiologie en interactie tussen contactlens

en oog van essentieel belang blijft.

Naast de toepassingen welke hiervoor zijn

beschreven zijn er nog toepassingen op het

gebied van filterlenzen voor tal van retinaaandoeningen

zoals bijvoorbeeld achromatopsie.

Binnen het kader van een artikel zijn al

deze mogelijkheden echter niet te vangen.

Ook deze beschrijving is kort en gaat slechts in

op enkele aspecten van de toepassing van

contactlenzen binnen de orthoptie. Wellicht

dat in de toekomst zich meerdere gelegenheden

zullen voordoen om dieper in te gaan op

de toepassing van contactlenzen.

58


VERENIGINGSNIEUWS

Notulen van de 113e algemene ledenvergadering gehouden op vrijdag 17 maart 2006 te Culemborg

De voorzitter opent de vergadering in aanwezigheid van 197 leden.

De firma’s 3M, BSN Medical, Lohmann & Rauscher, Optical Low Vision Services, Eastbeco/Master•Aid

en Medeco worden door de voorzitter welkom geheten en bedankt voor hun sponsoring.

NOTULEN 112E VERGADERING 11-11-2005

Naar aanleiding van de notulen worden de volgende twee punten besproken:

- ad blz. 20: de handleiding patiëntengegevens in de orthoptische praktijk is inmiddels aan de

leden toegezonden.

- ad blz. 24: er mag vanaf de leeftijd van drie maanden met cyclopentolaat 1.0% gedruppeld worden.

De notulen worden goedgekeurd en ondertekend.

INGEKOMEN STUKKEN

- De secretaris deelt mee dat er twee ingekomen stukken zijn naar aanleiding van het na- en bijscholingprogramma,

te weten:

- een brief van A.J. Bakels, S.M. Jansen en A.E.L. Langenhorst

- een brief van C. Kunnen, A. Oudijk, K. van Baarsen, J. de Vries, A. Rijkers en M. Droogh.

- Het bestuur heeft overleg gehad met de Hogeschool Utrecht, naar aanleiding waarvan aan alle

leden een voorstel van vrijstelling is toegestuurd. Bij punt 12 van de agenda wordt hier nader op

ingegaan.

JAARVERSLAG

Er zijn geen vragen over het jaarverslag.

FINANCIEEL JAAROVERZICHT

De penningmeester geeft een toelichting op het financieel jaaroverzicht 2005 en de begroting 2006.

De contributie voor 2007 blijft gelijk.

VERSLAG KASCOMMISSIE

R. Slagboom deelt namens de kascommissie mede dat de financiële bescheiden in orde zijn. De

penningmeester wordt decharge verleend.

BESTUURSMEDEDELINGEN

ZONMW

Samen met het NPi is er een uitgebreide Engelstalige vooraanvraag geschreven over het doelmatig

verwijzen van kinderen met visusproblemen door de jeugdarts. Dit is door ZonMw afgewezen.

Bezwaar aantekenen tegen dit besluit is niet mogelijk.

59


DBC

- De voorzitter geeft aan dat het bestuur een aantal acties heeft ondernomen inzake de problematiek

rond de eerstelijns orthoptische verrichting en de basisverzekering per 1-1-2006 en de

tweedelijnsproblematiek inzake de DBC's en de rol van de oogarts hierin. Er is een uitgebreide

brief naar minister Hoogervorst gestuurd, waarin de situatie wordt uitgelegd.

- Inspelend op de huidige situatie wordt een aantal voorlopige adviezen uitgelegd. Het bestuur

stelt voor om de orthoptische verrichtingen zelfstandig te blijven verrichten en alleen op

orthoptisch/oogheelkundige gronden een oogarts te consulteren. Het bestuur is zich ervan

bewust dat dit een extra druk legt op de ziekenhuizen en de patiënten. Het NOG is op de

hoogte van ons voorstel; ze betreuren het dat we op dit moment niet mee willen werken aan de

invulling van de DBC’s maar hebben begrip voor onze situatie. De leden ondersteunen dit

voorstel. Het bestuur spreekt de hoop uit op korte termijn een definitieve oplossing te kunnen

mededelen.

COMMISSIEDAG 10 FEBRUARI 2006

- De voorzitter deelt mee dat op deze dag door de commissieleden de plannen voor 2006 zijn

gepresenteerd. Daarna is er een workshop geweest met als titel: ‘de kracht van kleur’.

Tenslotte deelt de voorzitter mee dat de certificaten persoonlijk aan het eind van het middagprogramma

afgehaald kunnen worden; de certificaten worden niet nagezonden. Indien men vooraf

niet heeft betaald, krijgt men het certificaat na betaling thuis gezonden.

SECTIE 1: VERENIGINGSBELANGEN

Regionalisatie

- Door het CBO is in november, januari en maart een cursus voor regiocontactpersonen gegeven.

- Nu alle regio-overleggen een opgeleide regiocontactpersoon hebben kan de commissie verder

met de implementatie van het project Regionalisatie. Hoe dit traject eruit gaat zien zal in de

loop van 2006 bekend gemaakt worden. De commissie zal de regio`s hierbij betrekken.

- Op 25 april zal er een bijeenkomst voor reeds opgeleide regiocontactpersonen zijn. Deze bijeenkomst

duurt een hele dag en zal door het CBO geleid worden.

- Aan het eind van het jaar zal een werkconferentie gehouden worden voor alle regiocontactpersonen.

Deze bijeenkomst zal in het teken staan van hoe het vervolgtraject Regionalisatie er verder

uit komt te zien.

PR-commissie

- E. Molster deelt mee dat de nieuwsbrief naar 299 e-mailadressen wordt gestuurd. De ledenlijst

op de website wordt elke twee maanden geactualiseerd tegelijk met het verschijnen van de

nieuwsbrief.

- Het e-mailadres zoals vermeld op de website wordt gebruikt voor het versturen van de nieuwsbrief.

Wijzigingen in e-mailadressen moeten naar leden@orthoptie.nl gemaild worden.

- Verder wordt meegedeeld dat een wachtkamerposter ontwikkeld is ter promotie van de website.

Deze wordt in de stand uitgedeeld.

- Ook is de CD-ROM met de presentatie ‘Orthoptie’aangepast en vernieuwd. Deze kan men

aanvragen via de PR-commissie.

- Tot slot doet de PR een oproep voor vier leden voor een werkgroep die het patiëntendeel van de

60


website zal gaan uitbreiden met meer folders over verschillende orthoptische aandoeningen. Zij

kunnen zich aanmelden via pr@orthoptie.nl

SECTIE 2: BEROEPSBELANGEN

Unie Zorg en Welzijn

- De UZW heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten met vakbond Nu’91. Beide vakbonden

vertegenwoordigen veel medewerkers uit de zorg. Ze gaan gezamenlijk de CAO-onderhandelingen

voeren en zijn daardoor de grootste vakbond aan de onderhandelingstafel. Daardoor

hebben ze onder andere meer invloed.

Contactpersonen bij UZW: • Nieuwe coördinator: C. de Wildt

• CAO-ziekenhuizen: S. de Zwart

• CAO-UMC: W. Hovestad

• FWG/beroepsprofielen: J. v.d. Weijden.

- Internetvakbond

De UZW heeft sinds kort een internetvakbondslidmaatschap. Deze leden worden vertegenwoordigd

aan de onderhandelingstafel. Ze kunnen advies krijgen via internet.Verder zijn er

kortingen op cursussen en loopbaanontwikkeling. In dit lidmaatschap zit geen individuele juridische

bijstand bij arbeidsproblemen.

Voor de toekomst is het doel om in een samenwerkingsverband met de NPCF een helpdesk

voor belangenbehartiging voor werknemers, patiënten en verzekerden op te richten.

Voor meer informatie: www.unie.nl

- De UZW bestaat vijf jaar. Daarom wordt op 14 juni 2006 een lustrumcongres met als titel ‘Sneller

bewegen’georganiseerd, met sprekers van het ministerie van VWS, ZN (Zorgverzekeraars

Nederland), het FWG-bureau, de Unie en de NVZ (Nederlandse vereniging van ziekenhuizen).

- CAO-UMC

Er is een CAO-UMC tot stand gekomen met een looptijd van 1-6-2005 tot 1-6-2007.Voornaamste

verandering is een loonsverhoging van 1,5% op 1-4-2006 en 0,7% op 1-1-2007. Bovendien

is er een verhoging van de eindejaarsuitkering per 1-12-2005 van 0,75%.

FUWAVAZ. De orthoptisten, die werkzaam zijn in de UMC’s, zijn ingedeeld in schaal 8, welke overeenkomt

met FWG-schaal 50. Het UMC Nijmegen en Groningen zijn ingedeeld in schaal 9.

- CAO-ziekenhuizen

De looptijd van de huidige CAO was tot 1-1-2006. Inmiddels zijn de onderhandelingen voor

een nieuwe CAO gestart. De onderhandelingen lopen zeer moeizaam. De NVZ wil decentralisatie,

voorlopig op de onderdelen collectieve ziektekostenverzekering en de CAO sociale begeleiding,

waaronder het seniorenbeleid. De NVZ wil het leeftijdsbewust personeelsbeleid

afschaffen en daarvoor in de plaats een ander plan ontwikkelen in overleg met de OR’s.

De leden van de vakbonden zijn in 2005 akkoord gegaan met de magere kortdurende CAOovereenkomst

onder voorwaarde dat in 2006 betere eisen komen voor onder andere loon, de

levensloopregeling, de ziektekostenregeling, scholingsactiviteiten, faciliteiten voor beroepsorganisaties,

sociale begeleiding.

De eisen en wensen van de vakbonden en de NVZ liggen op al deze punten ver uit elkaar.

61


FWG 3.0

- De herziening FWG 3.0 is in september 2005 afgerond. Uit de eigen jaarlijkse inventarisatie

blijkt dat circa 80% van de orthoptisten ingedeeld is in loonschaal 50, 6% in schaal 45 en 14%

in schaal 55. Uit het onderzoek van het FWG-bureau is geconcludeerd dat ca 40% ingedeeld

hoort te zijn in schaal 45 en 60% in schaal 50. Zij hebben geen functie op niveau 55 aangetroffen.

Oorzaken van dit verschil in functiewaardering zijn:

• hogere inschaling van instellingen door tekort op de arbeidsmarkt

• verouderde functiebeschrijvingen waardoor de waardering van de functie niet meer overeenkomt

met de inhoud

• grote variatie in functiebeschrijvingen

• onbekendheid van het beroep

• interviews van het FWG-bureau zijn voornamelijk met een Unit-manager of PZ-functionaris

gehouden

• zelfstandigheid is matig verwoord.

Gezien de ontwikkelingen binnen de beroepsgroep is er een toezegging gedaan dat de orthoptisten

in 2007 in plaats van 2009 een herziening krijgen.

- De NVvO heeft een handleiding FWG 3.0 voor de functiebeschrijving van orthoptisten opgesteld.

Hierin zit een format voor een functiebeschrijving voor FWG-schaal 50 en 55.

Dit format kan gebruikt worden als basis voor het opstellen van een nieuwe functiebeschrijving

of een verbetering van de huidige functiebeschrijving. Hij moet aangepast worden aan de eigen

functie-inhoud.

Het bestuur vraagt de leden om de huidige functiebeschrijving te vergelijken met de beschrijvingen

uit de brochure. Men adviseert te vragen om een aanpassing of herziening als er een

duidelijk verschil blijkt te zijn of wanneer de huidige omschrijving verouderd is.

Hierdoor komt er in de toekomst meer uniformiteit in de functiebeschrijvingen. Bovendien zijn

wij als vereniging beter voorbereid op een herziening in 2007.

Men kan altijd een aanpassing aanvragen als de functiebeschrijving enkele jaren oud is of als

deze verouderd is omdat de inhoud van de functie veranderd is.

Men kan een herziening van de functiewaardering aanvragen:

• als er een wijziging in het FWG-systeem is. Dit is momenteel niet van toepassing. Wel hebben

de orthoptisten er een nieuwe ijkfunctie 50 bij gekregen.

• als er een wezenlijke verandering van de functie-inhoud is door bijvoorbeeld verandering van

taken en verantwoordelijkheden, na- en bijscholing en taakherschikking.

De handleiding wordt ook op de website geplaatst en zal regelmatig aangepast worden.

SECTIE 3: KWALITEITSZAKEN

Stichting Kwaliteitsregister Paramedici, SKP

- Een aantal orthoptisten heeft zich voor de eerste keer kunnen herregisteren in het kwaliteitsregister.

Het SKP heeft hierover nog geen cijfers bekend gemaakt. Bij de eerste procedure van de

periodieke registratie waren er 19 orthoptisten die binnen de steekproef vielen.

Alle orthoptisten bleken aan hun scholingspunten te voldoen.

62


- Zoals bekend lopen er nu twee systemen van kwaliteitscriteria naast elkaar.

Voor vragen over de kwaliteitscriteria 2000-2005 kan men mailen naar:

Criteria2000-2005@orthoptie.nl

- Voor vragen over de kwaliteitscriteria 2005-2010 kan men mailen naar:

Criteria2005-2010@orthoptie.nl

ZonMw

- Tijdens de vorige ledenvergadering berichtte W. Asjes over de door ZonMwtoegekende subsidie

voor een implementatieonderzoek en proefimplementatie van complianceverbeterende methoden

bij amblyopiepreventie.

Op 1 mei aanstaande zal deze studiegroep starten:

- De studiegroep bestaat uit ziekenhuizen in achterstandswijken in de vier grote steden.

- De studiegroep zal per 1 september worden uitgebreid met 20 perifere ziekenhuizen verspreid

over het hele land.

- Gedurende het eerste studiejaar werkt de studieorthoptist zoals hij/zij gewend is te werken.

- In de loop van het eerste jaar wordt aan de deelnemers een cursus compliance aangeboden.

- In het tweede jaar wordt gebruik gemaakt van het compliancebevorderende programma.

Het doel van het onderzoek is de therapietrouw te verbeteren door middel van informatie

welke gericht is op het kind.

Uiteindelijk zijn er twee eindmaten: kan een orthoptist effectiever werken en wat is de uitval

tijdens behandeling. Daarnaast wordt in de vier grote steden de therapietrouw elektronisch

gemeten met de ODM.

W. Asjes doet een oproep aan orthoptisten die werkzaam zijn in perifere ziekenhuizen zich aan

te melden voor deelname aan het onderzoek.

Na- en bijscholing twee- en driejarig opgeleide orthoptisten

- H. Jellema deelt mee dat er inmiddels twee cursusdagen zijn geweest in het kader van de naen

bijscholing: Fundoscopie en AFNAF. Alle cursisten die de Fundoscopietoets hebben

gemaakt, hebben deze met een voldoende afgerond. Het eerst Bachelordeelcertificaat zal

binnenkort uitgereikt worden.

- Naar aanleiding van ingekomen brieven heeft de examencommissie van de opleiding Orthoptie

haar vrijstellingenbeleid geëvalueerd en aangepast. In het nieuwe beleid is het mogelijk vrijstelling

te krijgen voor de onderdelen COD, Pathologie, AFNAF en Fundoscopie (voor optometristen)

indien er een toetscijfer met een datum na 1 september 1997 overhandigd wordt. Hierdoor

krijgt de cursist een vrijstelling voor het deelcertificaat van de Bachelor van de opleiding

Orthoptie.Voor sommige cursussen moeten meerdere toetsen op de cijferlijst voldoende zijn

afgerond na 1 september 1997.Voor AFNAF zijn dat vier van de zeven of acht toetsen (afhankelijk

van het studiejaar),voor COD drie van de vijf, voor Pathologie alles of twee van de drie

(afhankelijk van het studiejaar) en voor Fundoscopie zijn dat alle toetsen.Voor het aanvragen

van wijzigingen in verband met het nieuwe beleid, is binnenkort een wijzigingsformulier op

www.hu.nl en www.orthoptie.nl te vinden. Neuro-ophthalmologie, Kinderoogheelkunde en

Notatie verslaglegging kennen geen vrijstellingen.

- Voor de cursussen van het Kwaliteitsregister wordt nog wel een inspanning vereist in de vorm

van aanwezigheid of het maken van de toets.

Daarnaast is het mogelijk geworden om middels een instaptoets (meerkeuzetoets of opdracht

voor COD een vrijstelling te behalen. Deze instaptoets kent geen herkansing. Indien een cursist

onvoldoende voor de instaptoets scoort kan hij zich inschrijven voor de cursus met eindtoets of

voor de eindtoets alleen. De eindtoets kent één herkansingsmogelijkheid.

64


SECTIE 4: EXTERNE CONTACTEN

EXTERNE CONTACTEN GEZONDHEIDSZORG

OVN (Optometristen Vereniging Nederland)

- In januari is overleg geweest tussen de NVvO en de OVN. De OVN heeft een handboek

gemaakt met aanbevolen richtlijnen. Hierin wordt ook een richtlijn opgenomen over kinderen.

De OVN heeft dit handboek opgestuurd naar de NVvO en om feedback gevraagd. Het is

belangrijk dat hierover duidelijke afspraken gemaakt worden. Er is besloten om het een screenend

onderzoek te noemen. De NVvO heeft advies gegeven over de onderzoeken, wanneer en

naar wie verwezen moet worden. Aan de hand van deze feedback zal de NVvO het handboek

nogmaals doornemen voordat het definitief wordt. Er moet hier goed naar gekeken worden

omdat er op de richtlijnen goedkeuring van de NVvO zal staan.

- Er wordt over gedacht om meer gezamenlijke notaties te hebben in beide beroepsgroepen, de

notatiehandleidingen zullen uitgewisseld worden en met elkaar besproken worden. Uiteraard

hebben wij met internationale notaties te maken, en is onze notatiehandleiding zoals die er nu

is hierop gebaseerd. Er zal worden gekeken met de IOA, OCE en HU of er meer gezamenlijke

mogelijkheden hierin zijn.

Er is over gesproken om eenmaal per jaar een gezamenlijk regio-overleg orthoptisten/optometristen

te houden; dit idee wordt opgepakt door sectie 1. Het hoe en wat is nog compleet onduidelijk,

maar het idee staat er.

AJN (Jeugdgezondheidszorg)

Er is gewacht met het contact opnemen met de AJN in verband met ZonMw-subsidies. Aangezien

de aanvraag bij ZonMw niet is doorgegaan, zal dit weer opgepakt worden.

NHG (Nederlands Huisartsen Genootschap)/LHV (Landelijke Huisartsen Vereniging)

Samen met S. Stravers, bestuurslid van sectie 3, is nogmaals een poging gedaan om in het tijdschrift

Huisarts en Wetenschap een artikel geplaatst te krijgen Helaas is dit weer afgekeurd.

We zullen nu een nieuw plan moeten maken om meer bekendheid bij de huisarts te krijgen.

IOA (International Orthoptic Association)

Het XIth International Orthoptic Congress vindt plaats van 28-31 mei 2008 te Antwerpen.

Voor informatie: www.internationalorthoptics.org

OVERIGE EXTERNE CONTACTEN

NPCF (Nederlandse patiënten- en consumentenfederatie)

- Kwaliteitscriteria vanuit patiëntenperspectief

Het kwaliteitsbeleid van de NVvO heeft tot op heden al veel producten opgeleverd.

- Om goede kwaliteit als orthoptist te kunnen bieden is het belangrijk om te weten wat de patiënt

wil: wat ervaart de patiënt als kwaliteit Dit staat ook als speerpunt in het beleidsplan 2005-

2008.

- De organisatie die met het ontwikkelen van instrumenten op dit gebied zijn sporen heeft verdiend

is de NPCF, de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie. Op basis van gesprekken

die er zijn geweest, is een voorstel gekomen van de NPCF voor de ontwikkeling van de criteria

en tevens de implementatie daarvan in de vorm van een kwaliteitstraject. In dit kwaliteitstraject

65


worden criteria (vanuit het perspectief van de cliënt) ontwikkeld; deze worden geoperationaliseerd

in een toetsingsinstrument en voorzien in een kwaliteitsverbetertraject. Gezien het

kostenplaatje hiervan heeft het bestuur van de NVvO besloten ook het NPi te vragen een

offerte uit te brengen. De insteek van de offerten is wezenlijk verschillend.

J. van Petegem legt aan de hand van een dia de verschillen uit.

Het kostenplaatje van het NPi is € 21.930, het NPCF € 58.154.

Het verschil in prijs zit voornamelijk in de personele inzet, de implementatie van de toetsing, de

ondersteuning bij kwaliteitsverbetering en de certificering voor patiëntengerichte zorg.

De voorkeur van het bestuur gaat uit naar het NPCF; het bestuur is zich ervan bewust dat het

om een groot bedrag gaat.

- Het bestuur vraagt aan de leden of er behoefte is aan een onderzoek ‘Kwaliteitscriteria vanuit

patiëntenperspectief’. De meerderheid van de leden stemt toe.

- Het bestuur wil de kosten van het onderzoek uit de reservekas halen. Het bestuur vraagt of de

leden het hiermee eens zijn: de leden gaan akkoord.

- J. van Petegem gaat nogmaals met het NPCF praten over de kosten van het onderzoek.

Hogeschool Utrecht

De opleiding orthoptie heeft dertien nieuwe aanmeldingen op dit moment voor het studiejaar

2006-2007. In het nieuwe curriculum zal de seniorstage bestaan uit twee perioden van 15 weken.

In principe zijn dit vijfdaagse stageweken, met de mogelijkheid voor de student om een aantal

weken aan het artikel te werken. Daarnaast bestaat er een derde periode van 15 weken, de zogenaamde

profileringstage. Deze stage kan naar eigen invulling worden vormgegeven, mits er een

link met de oogzorg aanwezig is. Tijdens de stagebegeleidersvergadering van 24 april aanstaande

wordt hier uitgebreid bij stilgestaan.

RONDVRAAG

Er zijn geen vragen.

SLUITING

De voorzitter sluit de vergadering.

De volgende Algemene Ledenvergadering is op 10 oktober 2006.

E. Aygün, secretaris

Utrecht, april 2006

67


LEDENBESTAND NVvO

In 2005 hebben hebben de volgende wijzigingen plaatsgevonden in het ledenbestand van de

NVvO.

De volgende leden hebben hun lidmaatschap beëindigd:

H.G. Brinks

J. Loijenga-ten Harkel

C.G.W. Dekkers-Hulshoff Pol

G.J.H.M. Raven-Faessen

V. Ekkel

A. Rijkers

P.M. van Es

S.S. Tjon Atsoi

A.G.M. Klaas-Stoel

C. Wemes

Door het bestuur werd het lidmaatschap beëindigd van:

J.J. Kegel

Als nieuwe leden hebben zich aangemeld:

B.G. van Bommel

J.B. Brandsema

M.F. Brouwer

M.C. Droogh

N. el Fanissi

A.R. Hessels

D.M.A. Hollegien

J. van Hooft-Hofmann

E. de Jongh

W. Koster

T.C.M. Kramer

C.M.E. Kunnen

E. Lieverse

E.H. Lucas

M. Nordmann

A.C. Oudijk

H.J. van der Steeg

S. van der Veen

BESCHIKBAAR VOOR WAARNEMING

Atsma-van der Schaaf, T. Groningerstraat 39, 9231 CJ Surhuisterveen, tel: 0512-363668

Beemsterboer-Jansen, T.J.M. Rustenburgerweg 76, 1703 RZ Heerhugowaard, tel: 072-5711000

Blom, T.

Dorpsstraat 68, 2391 BK Hazerswoude-dorp,

tel: 0172-231237/06-4040109B

Bommel van, B Kerkweg 30, 3945 BN Cothen, tel: 0343-562122

Degenen, die zich voor waarneming beschikbaar willen stellen, kunnen zich opgeven bij:

A. Spaan, van der Meerstraat 14, 2023 DZ Haarlem, telefoon: 023-5250886.

e-mail: jmspaan@tiscali.nl

Tot wederopzegging zal hun naam in het ‘Tijdschrift voor Orthoptie’verschijnen.

68


AGENDA

BIJGEWERKT T/M 15 APRIL 2006

CONGRESSEN

2006 mei 19 Rotterdam Donders Gezelschap

oktober 10 Culemborg Algemene ledenvergadering NVvO

6 Amersfoort 3e Themadag Oog en werk

november 10 Rotterdam Ot en Zien Congres

2007 maart 28-30 Rotterdam NOG Jaarvergadering

2008 mei 28-31 Antwerpen XIth International Orthoptic Congress*

* www.ioacongress2008.org

In Kunststof maken wij:

o Optio Children Lenti (optische zone Ø 30, 28 of 25mm in draaglens voor zéér

hoge plus sterkte in zéér dunne uitvoering)

o Optio (speciale glazen waarbij u zelf een bifocaal of trifocaal glas kunt

samenstellen, ieder segment wordt separaat geproduceerd; bv verschillende

prisma’s voor veraf en nabij)

o Speciale prisma slijpingen t/m 20 dpt

o Hoge Minus Lenti slijping (tot S-50,00)

o Hoge Plus Lenti of Omega slijping

o Slab-off slijping Ook op Multifocaal en Trifocaal

o Aniseikonische slijpingen (tot 9%)

o Combi cylinders en Buitentorisch

o Filterlenzen (gepolariseerd, enkelvoudig,

bifocaal en multifocaal t/m curve 8)

o Multifocaal van +10 tot -16

Voor meer informatie over de specials:

Optical Low Vision Services

de moucheronstraat 55, 2593 PX Den Haag, tel.:070 3836269,

fax:070 3814613, www.slechtzienden.nl, info@slechtzienden.nl

Hoge bifocale plus lens met

alleen in het leesdeel

69


RECENT VERSCHENEN ARTIKELEN

AM J OPHTHALMOL

Bilateral lateral rectus recession versus unilateral recess-resect procedure for exotropia with a

dominant eye • JEOUNG J.W., LEE M.J., HWANG J.M. • 2006 Apr/141(4):683-8.

Amblyopia: diagnostic and therapeutic options • WU C., HUNTER D.G. REVIEW • 2006 Jan/141(1):175-184

BINOCUL VIS STRABISMUS Q.

Confirmed: there is no correlation between the insertional distance between the nasal limbus and

the insertion of the medial rectus muscle--and the size of the strabismus angle in infantile

esotropia • MIMS J.L. 3RD • 2006/21(1):33-6

The prevalence of specific reading disability in an amblyopic population. A preliminary report •

KOKLANIS K., GEORGIEVSKI Z., BRASSINGTON K., BRETHERTON L • 2006/21(1):27-32.

”Double elevator palsy" eye supraducts during stage II general anesthesia supporting hypothesis of

(supra)nuclear etiology • MIMS J.L. 3RD • 2005/20(4):199-204

BR J OPHTHALMOL

Change of refractive state and eye size in children of birth weight less than 1701 g • O'CONNOR A.R.,

STEPHENSON T.J., JOHNSON A., TOBIN M.J., RATIB S., FIELDER A.R • 2006 Apr/90(4):456-60

Do infants of birth weight less than 1500 g require additional long-term ophthalmic follow up •

O'CONNOR A.R., STEWART C.E., SINGH J., FIELDER A.R • 2006 Apr/90(4):451-5

In the absence of strabismus what constitutes a visual deficit in children • SHEA S.J., GACCON L • 2006

Jan/90(1):40-3

DOC OPHTHALMOL

Asthenopia in Schoolchildren, Orthoptic and Ophthalmological Findings and

Treatment • ABDI S., RYDBERG A • 2005 Sep/111(2):65-72 • EPUB 2006 FEB 28

EYE CONTACT LENS

Opaque contact lens treatment for older children with amblyopia • ANDERSON J.E., BROWN S.M., MATHEWS

T.A., MATHEWS S.M • 2006 Mar/32(2):84-7

INVEST OPHTHALMOL VIS SCI

The repeatability of best corrected acuity in normal and amblyopic children 4 to 12 years of age •

CHEN S.I., CHANDNA A., NORCIA A.M., PETTET M., STONE D • 2006 Feb/47(2):614-9

Extraocular connective tissues: a role in human eye movements • MCCLUNG J.R., ALLMAN B.L., DIMITROVA

D.M., GOLDBERG S.J. • 2006 Jan/47(1):202-5

70


J AAPOS

A prospective study of alternating occlusion before surgical alignment for infantile esotropia: oneyear

postoperative motor results • ING M.R., NORCIA A., STAGER D. SR., BLACK B., HOFFMAN R., MAZOW

M., TROIA S., SCOTT W., LAMBERT S • 2006 Feb/10(1):49-53

Successful treatment of anisometropic amblyopia with spectacles alone • STEELE A.L., BRADFIELD Y.S.,

KUSHNER B.J., FRANCE T.D., STRUCK M.C., GANGNON R.E • 2006 Feb/10(1):37-43

Esotropia associated with early presbyopia caused by inappropriate muscle length adaptation •

WRIGHT W.W., GOTZLER K.C., GUYTON D.L • 2005 Dec/9(6):563-6

Ocular overelevation in adduction in craniosynostosis: is it the result of excyclorotation of the extraocular

muscles • TAN K.P., SARGENT M.A., POSKITT K.J., LYONS C.J • 2005 Dec/9(6):550-7

The effect of amblyopia therapy on ocular alignment • REPKA M.X., HOLMES J.M., MELIA B.M., BECK R.W.,

GEARINGER M.D., TAMKINS S.M., WHEELER D.T.; PEDIATRIC EYE DISEASE INVESTIGATOR GROUP • 2005 Dec/9(6):542-5

Risk factors for amblyopia in congenital anterior lens opacities • CEYHAN D., SCHNALL B.M., BRECKENRIDGE A.,

FONTANAROSA J., LEHMAN S.S., CALHOUN J.C • 2005 Dec/9(6):537-41

Characteristics and course of patients with deteriorated monofixation syndrome • HUNT M.G., KEECH

R.V • 2005 Dec/9(6):533-6

Long-term study of accommodative esotropia • LUDWIG I.H., IMBERMAN S.P., THOMPSON H.W., PARKS M.M • 2005

Dec/9(6):522-6

Can ophthalmologists repair the brain in infantile esotropia Early surgery, stereopsis, monofixation

syndrome, and the legacy of Marshall Parks • TYCHSEN L • 2005 Dec/9(6):510-21

J NEUROSCI

Visual deprivation reactivates rapid ocular dominance plasticity in adult visual cortex • HE H.Y., HODOS

W., QUINLAN E.M • 2006 Mar 15/26(11):2951-5

J PEDIATR OPHTHALMOL STRABISMUS

Strabismus in Down syndrome • YURDAKUL N.S., UGURLU S., MADEN A • 2006 Jan-Feb/43(1):27-30

KLIN MONATSBL AUGENHEILKD

Adaptation of visual distortions in children with strabismic amblyopia following strabismus surgery

and occlusion therapy • FRONIUS M • 2006 Jan/223(1):52-8

Surgical options in retraction syndrome • FRICKE J., NEUGEBAUER A., RUSSMANN W • 2006 Jan/223(1):42-7

Management of consecutive exotropia -- operative therapy and diplopia testing • KOLLING G.H.,

SCHMIDT-BACHER A • 2006 Jan/223(1):36-41

Landolt C and snellen E acuity: differences in strabismus amblyopia • BECKER R., GRAF M • 2006

Jan/223(1):24-8

PEDIATR RES

The genetic basis of complex strabismus • ENGLE E.C • 2006 Mar/59(3):343-8

71


STRABISMUS

The prenatal development of the human orbit • DE HAAN A.B., WILLEKENS B., KLOOSTER J., LOS A.A., VAN ZWIETEN

J., BOTHA C.P., SPEKREIJSE H., SPEKREIJSE S.G., SIMONSZ H.J • 2006 Mar/14(1):51-6

Amblyopia: contemporary clinical issues • WILLIAMS C., HARRAD R • 2006 Mar/14(1):43-50

The treatment of amblyopia • HOLMES J.M., REPKA M.X., KRAKER R.T., CLARKE M.P • 2006 Mar/14(1):37-42

Neuroimaging in human amblyopia • ANDERSON S.J, SWETTENHAM J.B • 2006 Mar/14(1):21-35

Visual processing in amblyopia: human studies • LEVI D.M • 2006 Mar/14(1):11-9

Visual processing in amblyopia: animal studies • KIORPES L • 2006 Mar/14(1):3-10

SURV OPHTHALMOL

Skew deviation revisited • BRODSKY M.C., DONAHUE S.P.,VAPHIADES M., BRANDT T • 2006 Mar-Apr/51(2):105-28

Van deze artikelen zijn veelal samenvattingen, soms ook de volledige tekst in Medline of Pubmed

te vinden. In deze databank komt u via de NPi-website (www.paramedisch.org), via documentaire

informatie, overige databanken, literatuurreferenties, Medline of Pubmed.

Deze rubriek wordt verzorgd door Chr. de Weger-Zijlstra, orthoptist.

72

More magazines by this user
Similar magazines